No. 523 20 April 1936

webstore.iisg.nl

No. 523 20 April 1936

No. 523

Adres voor Redactie en Administratie:

Stalpertstraat 65, Den Haag. (Tel. 775417)

DANK!

Int. Instituut

Soc. Geschiedenis

.AmsTfirrtam

Mag ik nu ditmaal deze eerste bladzijde eens bestemmen

voor een persoonlijk woord?

Want ik voel mij een dankbaar mensch, en daaraan

wil ik ook in ons orgaan uiting geven.

Allereerst echter moet ik verontschuldiging vragen voor

het feit, dat er in dit nummer van ons orgaan zooveel

over mij zelf zal staan. Ik kan het niet helpen. Ik moest

dit verslag plaatsen (en deed het wat graag!). Hartelijk,

hartelijk dankbaar ben ik mijn goeden vriend Kouwenaar,

met wien ik zoo vele jaren reeds mocht samenarbeiden

in den Kring en aan wiens eenvoudige, maar

trouwe toewijding wij zooveel verschuldigd zijn, dat hij

een zoo vriendelijke en waardeerende inleiding aan het

verslag liet voorafgaan.

Groote dankbaarheid vervult mij voor den heerlijken

dag en den gelukkigen avond, mij en den mijnen op

4 April bereid. Reeds de dagen, die er aan vooraf

gingen, hadden die eigenaardige bekoring en die geheel

eigen sfeer van een op handen zijnde feestelijkheid. En

toen mijn oude mede-strijder in den Kring, A. E. Mendell,

de geurige rij bloemstukken opende met een fraaie

pot, en vlak daarop mijn vriend Piet Blok, uit Rotterdam,

een respectabele bos prachtige bloem-takken mijn

woning inzond, toen kregen wij thuis een voorproefje

van wat ons Zaterdag te wachten zou staan

En nu ik dit schrijf, is het twee dagen later, alles is

weer herinnering geworden, maar een herinnering die

zal blijven glanzen.

Aan den muur hangt reeds het prachtige en kleurige

schilderij van Evert Moll, een Maasgezicht voor Rotterdam.

Iets mooiers had de Kring mij niet kunnen

geven. Telkens als ik er naar kijk zal mijn Rotterdamsche

jeugd weer voor mij opbloeien- wat hielden wij,

jongens, van de rivier, en was er gluiper genot, dan voor

een paar centen over te steken met het zoo fijn-deinende

en' golvende Charlois-sche bootje? Dit geschenk zal voor

mij leven, van dag tot dag. En dan al het andere, waarmee

ik in stoffelijken vorm werd bedacht, geschenken en

bloemen. Met groote erkentelijkheid maak ik in dit verband

gewag van het fraaie stuk, door een hartelijk schrijven

vergezeld, dat de Roomsch-Katholieke Journalisten-

Vereeniging mij zond en dat getuigenis aflegde van een

verhouding, die ik, in den tijd welken mij in den Kring

nog rest, zal trachten te versterken en bevorderen.

Diep-erkentelijk ook ben ik voor de vele goede woorden,

aan tafel gesproken. Of ik dat alles waard ben?

Redacteur:

D. HANS

20 April 1936

Dit blad verschijnt ten minste

éénmaal per maand.

Och, op zoon dag wordt een mensch een stuk

mooier en beter gemaakt, dan hij eigenlijk is.

Of ik inderdaad zoo veel heb mogen doen, en, zoo ja,

of dit dan eigen verdienste is? Diep in mij zelf voel ik,

krachtens mijn levens-opvatting, dat ik stellig die laatste

vraag ontkennend moet beantwoorden. Wat is eigen verdienste

in een mensch en in een menschenleven? Alles

wordt ons geschonken. Alles. De één krijgt, naar de

oude en beroemde gelijkenis, één talent mee, een ander

twee, een derde drie. En als het hem geschonken wordt,

is het zijn plicht om het te besteden, om er mee te werken

en te woekeren. Laat ik dit laatste dan gedaan

hebben — want dat ik in mijn leven hard gewerkt heb,

mag ik gerust zeggen — dan is dat toch niet meer dan

plicht geweest, en vreugde tevens. Want arbeid en

gezin zijn de hoogste levenswaarden, en wie in deze

dingen bevrediging vindt, èn een taak, en dan

bovendien nog al dien tijd voor groote smarten

in zijn gezin bewaard bleef, is een bevoorrecht

mensch. En dan is er in al die jaren nog iets

anders mij geschonken, en wel het vertrouwen der

collega's. Ook dit is een reden tot diepe dankbaarheid,

en waar ik gerust op dit punt mij meer dan eens heb

afgevraagd, of ik, als voorzitter, maar meer nog als

mensch, dat vertrouwen ook werkelijk verdiend heb,

en soms in stille oogenblikken wel eens eenige twijfel

mij beving, omdat ik mijn eigen falen ken, en mijn eigen

zwakheden, en mijn eigen levensfeiten, daar is mijn

dankbaarheid voor het vertrouwen, dat mij zoo lang geschonken

werd, des te grooter. De levensstrijd is vaak

niet gemakkelijk („men tuimelt wel, en wonden krijgt

men dikwijls, dichte en diepe", heeft Gezelle gezegd in

hetzelfde vers waaruit ik aan den maaltijd citeerde),

maar och!, er is toch ook zooveel goeds en zooveel zonnigs

in het leven; ik heb altijd eiken nieuwen arbeidsdag

als een nieuwe vreugde gevoeld.

Dankbaar, innig-dankbaar ben ik voor datgene wat

ik heb mogen doen, in en voor en door den Kring.

De Kring is zoo ontzaglijk veel voor mij geweest, in

het beste deel van mijn leven, en heeft mij zooveel hartelijkheden

bewezen, dat ik mij meer dan ooit gevoel

als een erkentelijk en als een ootmoedig mensch, wien

het een voorrecht is geweest deze taak te mogen vervullen.

In gedachten druk ik thans nog eens allen de

hand, die 4 April voor mij tot een hoogte-punt in mijn

leven hebben gemaakt.

D. HANS.


58 DE JOURNALIST

INHOUD: Dank. — Officieele Mededeelingen: Jaarlijksche Al-

gemeene Ve ig; Ledenwerving; Bestuursvergadering; Leden­

lijst. — Aangesloten Vereenigingen: De O.P.; H.J.V. — Allerlei

Onderwerpen: Een kwart eeuw in het Bestuur; Journalistiek en

Wetenschap; Jan Bosch f: De Nieuwe Courant f; Vrijheid van

Drukpers: Drie aanteekeningen; Een verschijningsverbod?; Is. Sant-

croos: E. ; ;ker i. — Uit onze Bladen: Preventieve Cen­

suur? - [c . inneringen. — Allerlei.

Officieele Mededeelingen.

Jaarlijksche AlgemeeneVergadering

op Zaterdag 21 Maart in Krasnapolsky

te Amsterdam.

Opening.

Aanwezig de bestuursleden: Hans, Dekking, Cnossen, Kouwenaar,

Schotting, Santcroos, Biemond en Holsboer; de leden: de Vries,

Lammers, de. Wolff, Rogge, de Man, Stork, van Gurtzgen, Mej.

Belinfante, v. d. Broek, Tienstra, van den Bergh, Rempt, Wildenberg,

Alkema, van Bolhuis, Stavenga, Lissauer, Dinger, van Broekhuyzen,

Berden, Seignette, Staal, Beeremans, Minkenhof, Nieuwenhuis,

Klein, van Noorle Jansen, Parée, Werkman, Hansen, van

Loon, Kramer, van Overbeek, Adema, ter Hoeven, Posch, Hoek,

Schraver, Hielkema, Nunes Vaz, Hirsch, Rugaart, Ricardo, de

Voogt, Crayé, Klomp, Sand, de Gooyer, Mechanicus, Landstra,

Hooiring, Cohen, Visser, Rodrigues, Elias, Polak, Mej. de Ridder

en Oegema; de buitengewone leden: Lievegoed, Goote, Wehrens,

Wolf en Harms Tiepen; vier namen op de presentielijst zijn onleesbaar.

Te half drie opent de heer D. Hans, de voorzitter, de vergadering

en herdenkt, nadat de leden zich van hun zetels verheven

hebben, de collega's, die den Kring in het afgeloopen jaar door

den dood ontvielen. De Voorzitter zegt:

„Bij den aanvang van deze vergadering rust op mij de droeve

taak, om woorden van eerbiedige gedachtenis te spreken aan diegenen

onder ons, die sinds ons laatste samenzijn zijn overleden. Het

zijn de collega's: J. Schaap, Dr. P. G. A. de Waal, R. A. Overdiep,

A. Kellenaers en G. A. Dieterlee. Leden van verschillenden

leeftijd. Buiten onze gelederen ontvielen ons F. J. H. M. Wierdels,

oud-directeur van De Tijd, aan wien wij, in verband met de onderhandelingen

over de pensioen- en salarisregeling, heel veel te danken

hebben. Voorts de jonge collega Jos van Langen, die op zoo

tragisch wijze bij de ramp van het vliegtuig ,,De Gaai" het

leven liet en tot op de laatste seconde zijn werk verrichtte; collega

J. J. Vinkestein, vroeger bestuurslid van den Kring, wiens laatste

jaren in de journalistiek zoo tragisch zijn geweest; tenslotte C. J.

Blommendaal. Weer een reeks van namen, bij het noemen waarvan

de woorden over den dood bewaarheid worden:

Verwacht hem ieder uur,

Die ieder uur kan komen.

Wij gedenken hen in eerbied en al neemt het gejaagde beroep ons

van dag tot dag in beslag, ik geloof, dat in stille uren hun namen

ons nog wel eens in herinnering zullen komen."

De Voorzitter spreekt vervolgens een persoonlijk woord van

gelukwensch tot collega S. J. Hisch Rz., den veteraan in ons midden,

die eenige weken geleden zijn 70sten verjaardag mocht vieren.

Spr. hoopt, dat hij ook den leeftijd der zeer sterken zal mogen

beleven. (Applaus).

Als spr. zijn blik richt naar de couranten, dan moet hij een woord

van afscheid spreken met betrekking tot de Prov. Groninger, een

der alleroudste bladen, die, na een eervollen staat van dienst is

heengegaan. Wat betreft de Arnhcmsche Courant, deze bestaat nog

wel, doch haar geestelijke traditie is ten grave gedaald. Een traditie,

die vooral in den grooten tijd van Thorbecke van zich spreken

deed. Deze gebeurtenissen bewijzen, dat de moeilijkheden van onzen

tijd ons en enze bladen niet onberoerd laten. Een verblijdend teeken

is echter, dat het oudste onzer dagbladen in blakenden welstand

zijn 280sten verjaardag mocht vieren. Spr. wenscht daarom de

Oprechte Haarlemsche Courant nog vele jaren.

Twee verschijnselen, welke verband houden met de journalistiek,

wil de voorzitter in het kort bespreken. Hij spreekt er zijn blijdschap

over uit, dat de Kring zich niet heeft vastgelegd op een bepaalde

spelling. Wel zond hij een adres aan den Ministerraad, waarin

aangedrongen is op eenheid in de spelling, teneinde aan de bestaande

verwarring een einde te maken. De uitkomst heeft tot nu

toe bewezen, dat de Kring goed gedaan heeft, zich niet op dit

punt vast te leggen. Met belangstelling ziet spr. het verloop van

de spellingkwestie tegemoet.

Het tweede punt betreft de ophanden zijnde herziening van art. 7

van de Grondwet. Eenige maanden geleden is aan de Regecring

en aan de Commissie voor de Grondwetsherziening een resolutie

gezonden, behelzende het standpunt der vier organisaties van journalisten

en directeuren, welke resolutie is verzonden op initiatief

van het Kringbestuur. Het heeft spr. genoegen gedaan, dat eenige

dagen geleden de Minister van Justitie in de Eerste Kamer verklaarde,

dat het meerendeel van de Nederlandsche Pers ten aanzien

van dat art. 7 nooit reden tot klacht heeft gegeven. De kritiek,

welke op de daden van de Regeering wordt geoefend is immer

hoogstaand, aldus verklaarde de Minister. Wanneer, zoo zegt de

voorzitter, art. 7 zal worden herzien, dan zullen de antecedenten

voor deze herziening niet bij ons worden gevonden. Intusschen zullen

de vier vereeenigingen paraat blijven voor de meest vitale belangen

van ons vak. Wij zullen ons, aldus besluit de voorzitter zijn openingswoord,

bewust blijven van onze verantwoordelijkheid ten deze.

(Applaus).

De Voorzitter deelt mede, dat de heeren Eiout, eerelid, en Polak

Daniels, bericht hebben gezonden, waarin zij meedeelen tot hun

leedwezen verhinderd te zijn deze vergadering bij te wonen.

De notulen van de vergadering van 16 Maart 1935 worden

gekeurd.

Jaarverslagen van den Penningmeester.

Namens de Commissie voor het nazien van de Rekening en Verantwoording

brengt de heer Rogge dank voor het goede beheer en

voor de prettige samenwerking met den Penningmeester, bij het

nazien der bescheiden. De administratie was weer in orde, zooals

zij ieder jaar in orde is. Moeilijk was het echter voor de Commissie

de schatten van den Kring na te gaan. Deze zijn opgeborgen

in een kluis, waartoe de Penningmeester en de Voorzitter

van den Kring alleen samen en gelijktijdig worden toegelaten, al

dan niet vergezeld van leden der Financieele Commissie. Spr. geeft

in overweging, om de effecten in „open bewaring" te geven bij de

Ned. Bank. Dit zal en voor den Penningmeester en voor de Commissie

gemakkelijker zijn.

De Voorzitter dankt de Commissie voor haar arbeid en den

heer Rogge voor zijn verslag.

De Penningmeester, de heer Dekking is dankbaar voor de goedkeurende

woorden ten aanzien van zijn beheer gesproken. De

kwestie van de bewaring der effecten is in het bestuur besproken.

De huur van de safe bedraagt f 10.—, het in „open bewaring"

geven zal ƒ 45.— kosten. Wat deze bewaring betreft voelt spr. dan

meer voor een voorstel om die te geven bij Mees en Co., waar

de effecten nu in een kluis berusten. Spr. is bereid deze zaak nogmaals

aanhangig te maken in een volgende bestuursvergadering.

De heer van Bolhuis, spreke,nde namens de Haagsche Journalisten-

Vereeniging, heeft de aangekondigde contributieverlaging zeer op

prijs gesteld. De H.J.V. heeft zelf de contributie voor haar leden

verlaagd. De Penningmeester heeft de verlaging voorloopig geraamd

op 10%. Spr. vraagt, indien het mogelijk is dit percentage

hooger te stellen.

De Penningmeester zegt, dat hij een voorloopige raming heeft

gemaakt. Het is hem gebleken, dat alle leden niet even correct zijn

in het opgeven van hun salaris. Zoo mogelijk zal in de lagere

contributieklasse een verhooging van 10 % worden toegepast.

De heer de Vries deelt mede, dat in „De Amsterdamsche Pers",

ofschoon deze vereeniging het eens is over de voorgestelde contributieverlaging,

de wensch naar voren is gekomen, om de verlaging

voor de lagere salarissen zoo hoog mogelijk te doen zijn.

Is het voorts niet mogelijk, zoo vraagt spr., na te gaan cf er nog

veel bona fide journalisten in ons land zijn, die nog geen Kringlid

zijn? De enquête, welke ingesteld zal worden naar de grootte der

verschillende salarissen, zou dit misschien kunnen uitwijzen.

De Pennningmeester acht dit moeilijk na te gaan. Wellicht is het

mogelijk, dat de collega's dit op de couranten zelf nazien.

De heer de Vries vraagt of hieromtrent geen opmerking in De

Journalist is te maken.

De Voorzitter, redacteur van De Journalist, zegt zulks toe.

De heer van Bolhuis informeert, of het niet mogelijk is, dat meer

in De Journalist wordt geadverteerd.

De Penningmeester antwoordt, dat daarvoor moeite is gedaan,

maar dat de aanstelling van een colporteur te kostbaar is.

De heer Nunes Vaz constateert het zijns inziens reeds meer geconstateerde

feit, dat de Kringcontributies zeer laag zijn. De Kring

heeft een werkloozensteunregeling kunnen ontwerpen, zonder Rijkssteun.

We mogen echter niet over het hoofd zien, dat de toekomst

moeilijker zal worden, waardoor vermindering van de kasmiddelen

kan ontstaan door ondersteuning van werklooze journalisten. Uit

dat oogpunt vindt spr. contributie-verlaging niet gerechtvaardigd.

Bovendien is het spr. opgevallen, dat candidaten voor het Kringlidmaatschap

nooit zijn afgeschrikt door de te hooge contributies.

Zij waren principieel bereid als lid toe te treden of niet, naar de

contributie werd pas op de tweede plaats gevraagd.


De Penningmeester zegt, dat deze woorden hem uit het hart gegrepen

zijn. Het Weerstandsfonds heeft echter een groot saldo.

Op het overschot van de inkomsten is wel gedrukt, doch op de

uitgaven van den Kring is gedrukt als nooit te voren. Het ligt

echter in de bedoeling, eventueel voor den werkloozen-steun de

Weerstandskas uit de Kringkas zoo mogelijk aan te vullen.

De Jaarverslagen worden goedgekeurd.

De Voorzitter dankt den Penningmeester voor zijn voortreifelijk

beleid.

De voorstellen van het bestuur: a. om over 1936 het bedrag,

te storten uit dë Kringkas in de Weerstandskas, te bepalen op 20 %

en b. ƒ 100 te storten uit de Kringkas in het Weduwen- en Weezenfonds,

worden z.h.s. aangenomen.

Tot leden der Commissie voor het nazien van de Rekening en

Verantwoording over 1936 worden benoemd de heeren H. Bos

(Rotterdam), H. Hotke (den Haag) en A. C. Rochat (Utrecht).

DE JOURNALIST 59

Bestuursverkiezing.

Aan de orde wordt dan gesteld de verkiezing van drie bestuursleden,

wegens periodieke aftreding van de heeren Henri Dekking,

T. Cnossen en F. Th. Holsboer, welke laatste zich niet herkiesbaar

stelt.

De Voorzitter verleent het woord aan den heer van Bolhuis,

om te spreken over de vacatures-Dekking en -Cnossen.

De heer van Bolhuis zegt, dat als de statuten het zouden toelaten,

hij deze bestuursleden gaarne bij acclamatie had zien herkozen

worden. Nu dit niet mogelijk is, bewijzen de leden den

Kring een grooten dienst, wanneer zij zooveel mogelijk hun stem

op deze candidaten uitbrengen. (Applaus).

De Voorzitter spreekt een hartelijk woord van dank en afscheid

tot den heer Holsboer, die zich niet meer voor een bestuursfunctie

beschikbaar stelt. Zonder tekort te doen aan het werk van anderen,

gelooft spr. te mogen zeggen, dat men in toewijding, ijver en

liefde voor den Kring moeilijk collega Holsboer kan overtreffen.

Eerst als zeer gewaardeerde gedelegeerde van „De Oostelijke

Pers", later als volijverig bestuurslid, ontbrak hij nooit ter vergadering,

nimmer opziende tegen de groote reis. Spr. weet, dat

de heer Holsboer met leedwezen afscheid neemt; omstandigheden

in zijn werkkring hebben hem daartoe geleid. De voorzitter dankt

hem nogmaals voor zijn veelzijdigen ijver, zoovele jaren betoond.

(Langdurig applaus).

De heer Holsboer kan niet anders zeggen, dan dat het hem inderdaad

leed doet, om afscheid te nemen. Spr. heeft gedaan wat

hij voor den Kring kon doen en hij hoopt, nu in enger verband voor

den Kring, die voor ons zooveel gedaan heeft, te blijven werken.

(Applaus).

De Voorzitter kan nog mededeelen, dat de heer Holsboer secretaris

blijft van de Internationale Commissie.

De Voorzitter deelt mede, dat de Journalisten-Vereeniging Friesland

voor lid van het bestuur in de vacature-Holsboer gecanditeerd

heeft Jhr. J. W. J. Witsen Elias, hoofdredacteur van de

Leeuwarder Courant. Deze candidatuur wordt gesteund door „De

Oostelijke Pers" en door den heer Clewits, die per telegram dezen

candidaat heeft aanbevolen. De heer Klomp, benevens eenige

andere journalisten uit Noord-Holland benoorden het IJ, hebben

als candidaat gesteld den heer Tj. N. Adema, hoofdredacteur van

de Alkmaarsche Courant.

De heer Rugaart sluit zich aan bij de woorden van den voorzitter,

gesproken ten aanzien van den heer Holsboer. „De Oostelijke

Pers" ziet hem met groot leedwezen vertrekken. Hij heeft voor

deze Vereeniging zeer veel gedaan. Gelukkig blijft het contact

met den heer Holsboer bewaard. Wat de candidatuur-Witsen

Elias betreft, „De Oostelijke Pers" is van oordeel, dat het Oosten

en het Noorden in het Kringbestuur vertegenwoordigd moeten

blijven. Zij steunt derhalve dezen candidaat.

De heer Klomp sluit zich met waardeerende woorden aan bij

de hulde den heer Holsboer gebracht. Spr. is van meening, dat er

nu eens contact noodig is tusschen het bestuur en den kop van

Noord-Holland boven het IJ. Dit is te verkrijgen, wanneer de

heer Adema in het. bestuur wordt gekozen. Het contact met Friesland

bestaat reeds doordat de heer Witsen Elias gedelegeerde bij

het Kringbestuur is. De noodzakelijkheid van het contact, door

spr. genoemd, licht hij toe met de mededeeling, dat de R. K. Journalistenvereeniging

reeds een afdeeling van leden benoorden het

IJ heeft. Ook voor de representatie, spr. heeft hier o.m. het oog

op de Marinehaven den Helder, is meer contact gewenscht.

De heer Beeremans, sprekende namens den Haarlemschen Journalisten-Kring,

uit den wensch, beter georiënteerd te worden ten

aanzien van de candidaten voor het Kringbestuur. Spr. zou willen

zien, dat den plaatselijken en gewestelijken vereenigingen vóór de

jaarvergadering verzocht werd candidaten op te geven, wier namen

in De Journalist of in den oproepingsbrief kunnen worden gepu-

Nu na de jongste benoemingen

in algemeene.

vergadering er; bestuur

het secretariaat van collega

T. Cnossen definitief

is geworden, geven wij

hier zijn welgelijkend conterfeitsel

te aanschouwen,

al dateert het van enkele

jaren terug. Cnossen

is de 16e secretaris van

den Kring sinds de oprichting.

Wij spreken den

wensch uit voor een goede,

vruchtbare, aangename

en lange periode als

secretaris. Zijn adres is,

. : -. • \J7 w&m


1'

1

-

"dPflfeh,

.

zooals men weet, Noordeindc 39, tel. 111124 (na bu~

reautijd: 717555).

bllceerd. Zij kunnen dan in de vergaderingen van de plaatselijke

en gewestelijke vereenigingen worden besproken. Spr. acht de gcvolggeving

aan dezen wensch niet in strijd met staturen of huishoudelijk

reglement. Voorts bepleit spr., echter niet uit het oogpunt

van feminisme, de wenschelijkheid van vrouwelijke bestuursleden.

Aangezien de vrouw ook in ons vak is, vindt spr. het billijk, dat

voor haar ook de mogelijkheid wordt geopend een bestuursfunctie

te bekleeden.

De Voorzitter wil het eerste punt, door den heer Beeremans

genoemd, gaarne in de bestuursvergadering aanhangig maken. Wat

zijn tweede wensch betreft, daar is niets op tegen. Ieder lid is

gerechtigd een vrouw als candidate voor een bestuursfunctie te

noemen. Dan zullen ook de bestuursleden die candidatuur gaarne

bekijken. (Vroolijkheid).

De heer Hielkema licht namens de „Journalisten-Vereeniging

Friesland" de candidatuur-Witsen Elias toe. Zij dacht in den heer

Holsboer, die thans lid is van deze Vereeniging, een bestuurslid te

hebben gekregen. Nu deze echter als zoodanig bedankt heeft, ligt

het voor de hand, dat Friesland tracht die plaats te behouden.

Friesland is van meening, dat het Kringbestuur een zoo getrouw

mogelijk beeld van de verscheidenheid van het ledental moet

opleveren, waarom het dient aangevuld met een lid uit Friesland.

Ook met het oog op verschillende omstandigheden is het noodzakelijk,

dat alle krachten in den Kring mobiel worden gemaakt. Spr.

beveelt den heer Witsen Elias aan als een stadsmensen, maar ook

als een voor 100% provinciaal.

De uitslag van de stemming wijst uit, dat bij de eerste verkiezing

in de vacatures-Dekking en -Cnossen uitgebracht zijn 66 stemmen,

waarvan 1 blanco, 64 op den heer Dekking en 65 op den heer

Cnossen.

De Voorzitter wenscht den Kring geluk met dezen uitslag, betuigt

zijn erkentelijkheid dat de heer Dekking opnieuw een candidatuur

heeft willen aanvaarden en zegt, dat heer Cnossen, hoewel

met moeite overgehaald, nu definitief Kringsecretaris zal worden.

Spr. dankt den heer Polak Daniels, den vorig en secretaris, voor

al zijn arbeid in deze functie voor den Kring verricht. (Applaus).

De uitslag van de stemming voor een bestuurslid in de vacature-

Holsboer luidt: uitgebracht 70 stemmen, waarvan 39 op den heer

Adema, 30 op den heer Witsen Elias en 1 op Mej. Belinfante.

De Voorzitter deelt mede, dat de heer Adema dus gekozen is

en wenscht hem met deze verkiezing van harte geluk.

De heer Adema zegt, onder dank voor het groote vertrouwen in

hem gesteld, gaarne deze benoeming te aanvaarden.

Commissie van Advies.

Tot lid van de Commissie van Advies wordt z.h.s. herbenoemd

de heer N. D. Kuiper, voorzitter van deze Commissie.

' • •

Redactie De Journalist.

Aan de orde wordt gesteld de verkiezing van een Redacteur

van De Journalist en diens plaatsvervanger. Aftredend, doch herkiesbaar

zijn resp. de heeren D. Hans en D. Kouwenaar.

De heer van Bolhuis heeft groote erkentelijkheid voor de toewijding,

waarmede de Redacteur De Journalist redigeert. Wij weten,

dat de heer Hans zeer drukke werkzaamheden heeft, des te meer

stellen wij zijn arbeid op prijs. Spr. dankt namens alle leden den

heer Hans zeer hartelijk voor zijn werk. (Applaus).

De Voorzitter dankt den heer van Bolhuis voor diens hartelijke

woorden.

De heeren Hans en Kouwenaar worden bij acclamatie resp. tot

redacteur en plaatsvervangend redacteur gekozen.


60

DE J O U R N A L I S T

Jaarverslag van den Secretaris.

De heer T. Cnossen, de secretaris, geeft eenige correcties op het

gepubliceerde jaarverslag. Zoo is het juist ledenaantal te lezen

als 643.

De heer Lammers, sprekende namens „De Amsterdamsche Pers",

wijst op het belangrijke onderwerp „Radio en Pers". Hij dringt op

spoedige behandeling van dit onderwerp aan.

De heer de Vries noemt nog een vraagstuk, in de vergadering

van de A. P. behandeld, n.1. de aansluiting van hen, bij de plaatselijke

vereenigingen, die geen lid van den Kring zijn. Aangezien

deze kwestie reeds in Groningen aan de orde is gesteld, vraagt

spr. of het mogelijk is, dat de plaatselijke vereenigingen meer vrijheid

kunnen krijgen ten aanzien van het aannemen van leden.

Gaarne zou de A.P. vernemen hoe in dergelijke gevallen te handelen.

De Voorzitter zegt, dat het vraagstuk „Radio en Pers" in de

bestuursvergadering besproken is. Het plan is toen gerezen, dit

vraagstuk in de algemeene vergadering of in den Kringraad te

brengen. Met het oog op een verzoek van het Bestuur

der Directeuren-Vereeniging, dat momenteel schade verwachten

bij een openbare behandeling, gezien de onderhandeling met de

Radio-omroepdirecties zelf, is deze kwestie even aangehouden. Het

Kringbestuur blijft ten deze echter diligent. Wat de vraag van den

heer de Vries betreft, deze zaak is eveneens besproken in de bestuursvergadering,

waar echter nog al eenig verschil bestaat omtrent

het toelaten van niet-Kringleden tot de plaatselijke vereenigingen

als buitengewone leden. Een voorstel over deze kwestie is

echter aanhangig, zoodat over deze zaak binnenkort meer vernomen

zal worden.

De heer Klomp brengt den Redacteur hulde voor zijn beleid. Aan

het punt vrijheid van drukpers heeft de heer Hans immer groote

aandacht geschonken. Bovendien heeft hij den Kring vele malen

in het middelpunt van de belangstelling weten te plaatsen, bpr.

vraagt daarom of het nu niet mogelijk is een congres of een conferentie

te beleggen, waar vooraanstaande figuren zouden kunnen

spreken over de vrijheid van drukpers.

De heer van Bolhuis ondersteunt deze gedachte.

De Voorzitter wil deze suggestie gaarne in beraad nemen. Eerst

dient echter te worden afgewacht, wat geboren wordt uit het beraad

der Commissie, die de wijziging van de Grondwet zal voorbereiden

en, eventueel, wat de Regeering zélf zal doen. Wij hebben

in principe ons standpunt reeds bepaald, zoodat spr. eigenlijk

meent, dat voor de bijeenroeping van een congres op dit oogenblik

geen reden bestaat.

Het Jaarverslag wordt onder dank aan den Secretaris goedgekeurd.

Rondvraag.

De heer Rempt neemt stelling tegen te veel invloed van de

persbureaux op den inhoud der kranten.

De Voorzitter is voornemens dit onderwerp in het Bestuur aan de

orde te stellen.

De heer Wehrens vraagt aandacht voor een folklore-tentoonstelling

betrekking hebbende op Palmpaschen, te Amsterdam.

De heer Kramer verzoekt het aanvangsuur der vergaderingen later

te stellen. Uit de provincie komende, is het moeilijk op tijd in

Amsterdam te zijn.

De Voorzitter wil deze vraag in overweging nemen.

Niets meer aan de orde zijnde, sluit de Voorzitter om 4 uur

de vergadering, nadat hij zijn blijdschap heeft uitgesproken over

de aanwezigheid van den chef van den Regeeringspersdienst den

heer A. J. Lievegoed.

LEDENWERVING.

In verband met het gesprokene daaromtrent op de

Jaarvergadering dringt het Bestuur er bij de leden

krachtig op aan, na te gaan welke collega's aan hun

blad of in hun omgeving nog geen lid van den Kring

zijn, en hen op te wekken om toe te treden, of hun

adressen aan den Secretaris op te geven. Onze Secretaris

is ten allen tijde bereid tot het toezenden van formulieren,

waarop men zich als lid kan aanmelden.

Ongetwijfeld is er inzake de ledenwerving nog wel het

een en ander te doen.

BESTUURSVERGADERING.

Het Bestuur kwam op 4 April te 's-Gravenhage bijeen.

Aanwezig alle bestuursleden, en de gedelegeerden v. d.

Bergh, Schraver en Hoyer.

De voorzitter wenscht den heer Tj. N. Adema uit

Alkmaar geluk met zijn verkiezing als bestuurslid en heet

hem welkom.

De heer Adema dankt voor de gelukwenschen en zegt

zijn beste krachten voor den Kring te willen geven.

De notulen der vorige vergadering worden goedgekeurd.

Herdenking Bosch. — De voorzitter spreekt een,

woord ter herdenking van collega J. W. Bosch, die zoo

plotseling de journalistiek ontviel, en aan wiens graf

spr. 's morgens had gestaan.

Aftreden Santcroos. — De heer I. Santcroos deelt

mede ontslag te hebben gevraagd als redacteur van de

Arbeiderspers, om een leidende functie aan een instelling

van socialen aard te aanvaarden. Dit dwingt hem

over eenige maanden zijn bestuursfunctie, die hij vele

jaren met groote vreugde heeft vervuld, neer te leggen.

Hij verheugt zich er in, het contact met de journalistiek

niet geheel te zullen verliezen, want hij blijft redacteur

van een verzekeringsblad met een zeer ruimen lezerskring

en stelt daarom prijs op het buitengewoon lidmaatschap

van den Kring.

De voorzitter wenscht den heer Santcroos geluk met

zijn benoeming, doch drukt zijn spijt uit over het feit,

dat zulk een goede kracht voor de journalistiek en voor

het Bestuur van den Kring verloren gaat. De heer Santcroos

blijft bestuurslid totdat hij zijn functie als journalist

neerlegt. Dan zullen we nader afscheid van hem

kunnen nemen.

Ingekomen stukken. — Een klacht van een medelid

over een Persbureau zal bij de bestuursleden ter kennisname

circuleeren.

Een tweetal klachten over het niet nakomen van contractbepalingen

zal worden behandeld.

Inzake een ontslag als correspondent zullen nadere

inlichtingen worden gevraagd.

Het Dag. Bestuur zal met een lid spreken over een

gerezen klacht.

Verdeeling Bestuursfuncties. — Na de jongste bestuursverkiezing

worden als Vice-Voorzitter en Penningmeester

herbenoemd de heer H. Dekking en als

secretaris de heer T. Cnossen; als 2e secretaris wordt

benoemd de heer Tj. N. Adema.

Uitstapje. — Met een collega uit Nijmegen zal nader

overleg worden gepleegd omtrent een bezoek aan die

gemeente in verband met de nieuwe Waalbrug.

Naar de „De Ruyter" zal een excursie van Knngleden

worden georganiseerd.

Contactcommissie. — De voorzitter doet mededeeling

omtrent een aantal punten, het Arbeidscontract, de salarisregeling,

de aanstelling van met-journalisten tot

correspondenten, eventueele actie inzake art. 7 Grondwet

enz. betreffend, welke in de jongste vergadering der

Contact-Commissie zijn behandeld. Aangezien deze behandeling,

tenzij anders besloten wordt, voorloopig van

vertrouwelijker! aard is, kunnen er geen nadere mededeelingen

over worden gepubliceerd.

Volontairs. — Besloten wordt tot het Bestuur der

Directeuren-Vereeniging een schrijven te richten inzake

verschillende ingekomen klachten betreffende het aanstellen

van te veel volontairs.

Correspondenten. — Aan de hoofdredacties der bladen

zal een circulaire worden gezonden, met verzoek


ij het benoemen van correspondenten allereerst zoo mogelijk

beroepsjournalisten te benoemen.

Radio en Pers. — Van den voorzitter der Directeuren-

Vereeniging is in de vergadering der Contact-Commissie

de verzekering ontvangen, dat er thans geen bezwaren

meer bestaan tegen de behandeling van het onderwerp

Radio en Pers; de onderhandelingen met de radio-organisaties

zijn geëindigd. In de volgende bestuursvergadering

zal worden beslist of het vraagstuk thans aan de

orde zal worden gesteld.

Aangehouden. — Een tweetal agenda-punten inzake

bij plaatselijke vereenigingen aangesloten buitengewone

leden en inzake de Persbureaux wordt aangehouden.

Rondvraag. — Bij de Rondvraag wordt gewezen op

de ongewenschte practijken waarbij Nederlandsche couranten

hun copy naar Indië verkoopen of „verkwanselen".

Op deze wijze wordt aan journalisten meer en

meer de mogelijkheid van verdiensten ontnomen.

Een paar brieven van twee leden uit Haarlem inzake

de verstrekking van perskaarten wordt gesteld in handen

van de betrokken commissie.

De volgende bestuursvergadering wordt bepaald op

25 April. ___

LEDENLIJST.

Aangenomen als gewoon lid:

J. Bijlsma, Heldersche Crt., Krugerstr. 4, Den Helder.

O. W. P. Mohr, Alg. Hdbl., Heerengracht 131, Amsterdam.

J. Spier, Arbeiderspers, Transvaalplein 10, Amsterdam.

C. J. Wisse, Arbeiderspers, Lohmanstraat 100, Amsterdam-Z.

H. }. Lindt, Arbeiderspers, Herculesstraat 22, Amsterdam-Z.

P. N. Kalkman, N. R. Cf., Dunantstraat 23a, Rotterdam.

Voorgedragen als gewoon lid:

B. G. Meijer, N. R. C, Bergen.

H. W. J. Schaap, De Arbeiderspers, Den Haag.

W. Romijn, De Arbeiderspers, Amsterdam.

M. A. Schoonman, Alg. Handelsblad, Amsterdam.

Bedankt:

H. Minkman, Arnhem.

Adresverandering- en verbetering:

C. Doelman, Hondiüsstraat ,29, Rotterdam.

B. Stroman, Proveniersplein 1, Rotterdam.

P. J. Dorrenboom, Ochterveldstr. 58a, Rotterdam.

C. Spoelstra, La Reviree, Au Mollard Chamonix(Fr.)

J. J. A. Thoolen, Overbrugkade 33, Voorburg.

Adr. Goede, Nickeriestraat 20 II, Amsterdam-W.

J. Hooiring, Goudsbloemstraat 7, Leeuwarden.

H. Keizer, Kr. Mijdrechtstraat 12 1, Amsterdam-Z.

}. Th. Balk, Beethovenlaan, Hilversum.

M. H. L. W. Blokzijl, Mommsenstrasse 67 III, Charlottenburg

2, Berlijn.

G. A. v. Bovene, Aneta, Batavia-C.

J. W. Matthijsen, Olympiaplein 152 II, A'dam.

Mej. L. M. Menke, Kniplaan 3, Voorschoten.

J. J. de Roode, Noorder-Amstellaan 33 I, A'dam-Z.

R. Wiersinga, Amstel 300, A'dam-C.

Th. de Silva Rosa, Schipbeekstraat 12, Amsterdam-Z.

S. Lioni, 39 Rue des Alouettes Montmorency(S. et O.)

Mevr. C. Pothuis-Smit, Margriet v. Clevelaan 13,

A'dam-Z.

L. M. v. Strien, Roerstraat 92 I, A'dam-Z.

W. J. C. v. Noorle Jansen, Oudwijkerlaan 45, Utrecht.

Verbetering Jaarboekje.

N. H. Wolf, Amsterdam, is gewoon lid en geen buitengewoon.

J. Zwetsloot, Nijmegen, is geen lid.

D E J O U R N A L I S T 61

Aangesloten Vereenigingen.

DE OOSTELIJKE PERS.

Op Zaterdag 14 Maart hield de Oostelijke Pers haar

jaarvergadering te Deventer, onder voorzitterschap van

collega A. G. Biemond. De bijeenkomst werd bijgewoond

door het eerelid der vereeniging, collega Holsboer.

De secretaris las het volgende jaarverslag.

,,Als eerste feit in de jaargeschiedenis der O.P. zij vermeld

het afscheid van collega Holsboer als voorzitter

onzer vereeniging. Sedert de oprichting, waartoe hij het

initiatief nam, had hij ,,De Oostelijke Pers" geleid, en

wij hadden mogen verwachten, dat hij dit nog langer

zou hebben gedaan, wanneer de omstandigheden hem

daartoe de gelegenheid hadden gelaten. Op 13 April

namen wij afscheid van hem en hij van ons, maar het

was een afscheid, dat geen banden verbrak. Wij mochten

hem als eerelid onzer vereeniging inschrijven, en dat

eere-lidmaatschap werd door hem aanvaard zooals het

was aangeboden: een bewijs van waardeering en een

symbool van de zekerheid, dat hij zou blijven in de gemeenschap

der O.P.

Moesten wij den oprichter onze vereeniging als voorzitter

afstaan, hem, die haar ten doop had gehouden,

collega Biemond, kregen wij als leider in zijn plaats. In

de door het vertrek van collega Holsboer ontstane vacature

werd collega Beunder tot bestuurslid gekozen, en

collega Rugaart nam de financieele vereenigingszorgen

van den nieuwen voorzitter over.

Een uit een vorig jaar aangehouden voorstel tot contributie-verlaging

van ƒ 5.— op ƒ 3.— verkreeg in het

verslagjaar de goedkeuring der vergadering. De besprekingen

over dit voorstel gaven aanleiding tot het stellen

van de vraag, of het niet welhaast tijd werd, de gedachte

aan een reorganisatie van den Kring wederom

actueel te verklaren. Financieele overwegingen deden

deze vraag stellen, doch de wenschelijkheid der reorganisatie

werd toch in hoofdzaak betoogd op gronden,

ontleend aan het breedere belang van den Kring zelf,

die daardoor een levendiger organisatie zou worden, met

ruimer mogelijkheid van actieve deelname der leden. De

aandrang Uwer vergadering, dat pogingen tot reorganisatie

wederom zouden worden ter hand genomen, was

zoo sterk, dat zij een wijle meende door een motie ons

bestuur een ruggesteun te kunnen geven, welke meening

echter als ongegrond werd erkend door de verzekering

van ons bestuur, dat het terzake diligent was, en dat

het bij het aanwenden van pogingen tot verwezenlijking

van wat het zelf ook wenschenswaard achtte, rekening

moest houden met de omstandigheden, die de kansen

op succes zouden kunnen beïnvloeden.

Om deze omstandigheden zoo gunstig mogelijk te

doen zijn, meende ons bestuur aansluiting te moeten

zoeken bij andere gewestelijke en plaatselijke vereenigingen,

aangesloten bij den Kring, opdat een gemeenschappelijke

actie zou kunnen worden voorbereid tegen

den tijd, dat deze kans van slagen zou kunnen hebben.

Met de Journalisten-Vereeniging Friesland kon, dank zij

de bemiddeling van ons eerelid, lid dier vereeniging, dat

contact worden gevonden. Uw secretaris mocht uit

Leeuwarden een uitnoodiging ontvangen, een vergadering

van onze Friesche zusterorganisatie bij te wonen,

waar het vraagstuk der reorganisatie besproken werd.

Van de hartelijke samenwerking dezer vereeniging naar

het gestelde doel mogen wij ten volle overtuigd zijn.

Nader overleg met Groningen is in voorbereiding en

kon door omstandigheden nog niet geschieden. Verwacht

mag echter worden, dat ook daar een zelfde hartelijke

bereidwilligheid tot medewerking zal worden gevonden.

Dan zal het bestuur moeten overwegen, of de

tijd gekomen is met de oude en de nieuwe bondgenooten

voor de verwezenlijking van de oude, maar niet verouderde

gedachte op te komen.

Het aantal leden daalde sedert het vorig jaarverslag


62

van 26 tot 23. Ik moge in dit verband er op wijzen, dat

in de provinciën Gelderland en Overijssel, het gewest

der O.P., de Kring 41 gewone leden telt, van wie dus

slechts 23 bij onze gewestelijke organisatie zijn aangesloten.

Deze. verhouding is niet bevredigend, en slechts

toe te juichen als een motief te meer voor de reorganisatie

van den Kring. Maar een wanverhouding is niet te aanvaarden,

al levert zij ook materiaal voor een betoog.

Zij moge voor mij een reden zijn U op te wekken, ieder

in zijn kring te trachten ons ledental te doen stijgen.

Het sterkst is de wanverhouding te Deventer, waar,

mede door bijzondere omstandigheden, van de acht

Kringleden slechts twee in onze ledenlijst voorkomen.

Voor Enschede is de verhouding 5—3, voor Zwolle

3—3 Zutphen 4—4, Arnhem 7—4, Almelo 3—2, Eist

ï—l, Nijmegen 6—2, Epe 1—0, Twello 1—0, Apeldoorn

1—1, Hengelo 1—1.

Nog sprekender is de wanverhouding tusschen het

aantal journalisten, werkzaam in ons gewest, en het

aantal in ons gewest wonende Kringleden. Ik heb dit

jaar wederom 74 politie-perskaarten uitgereikt. Het aantal

journalisten in ons gewest is echter grooter, immers

deze 74 collega's zijn verdeeld over slechts negen gemeenten,

waarvan de politie-autoriteiten tot de perskaartenregeling

zijn toegetreden, en tot deze gemeenten

behoort ook Nijmegen nog niet. Onze leden mogen

hierin een aanleiding vinden de collega's, die daarvoor

in aanmerking komen, zoo mogelijk op te wekken toe

te treden tot den Kring en tot de O.P.

In verband met het instituut der politie-perskaarten

moge in dit jaarverslag worden vermeld, dat Uw secretaris

meer dan eens hetzij schriftelijk, hetzij mondeling

aanvragen heeft ontvangen van journalisten, of van

hen die het meenden te zijn, en die door politie-autoriteiten

naar mij waren verwezen voor faciliteiten ten opzichte

der politie, welke deze meende op eigen initiatief

niet te mogen geven. Deze aanvragen hebben een enkele

maal geleid tot het verstrekken van een politie-perskaart,

maar meermalen tot een weigering der gevraagde medewerking,

omdat daartoe geen aanleiding bestond. Van

deze weigering ging de aanvrager somtijds in beroep bij

de betrokken autoriteit, die hem dan op grond der weigering

onzerzijds zelf in zijn beroep niet-ontvankelijk

verklaarde.

Dat ook overigens de O.P. zich steeds meer erop mag

verheugen als een instantie van de journalistiek in ons

gewest te worden erkend, is in het verslagjaar wederom

gebleken, doordat de Raad van Commissarissen der Waterleiding

Mij. voor Oostelijk Gelderland ons bestuur

verzocht, zich te belasten met de organisatie der berichtgeving

en der vertegenwoordiging van de pers uit het

geheele land bij de opening van het bedrijf dezer Mij.

Ons bestuur heeft aan dit verzoek, zooals het tot ons

was gericht, niet kunnen voldoen, omdat wij daardoor

een terrein zouden betreden, hetwelk buiten onze bemoeiingen

is gelegen, doch heeft den Raad van Commissarissen

geadviseerd omtrent den in dezen te volgen

weg, welk advies werd opgevolgd."

Nadat de voorzitter aan dit jaarverslag nog een opwekking

had toegevoegd te ijveren voor meer leden,

bracht de penningmeester zijn verslag uit, waaruit bleek

dat de kas een voordeelig saldo heeft.

Bij de besprekingen over het agendum der jaarvergadering

van den Kring werd o.m. de opmerking gemaakt,

dat het aanvangsuur dier vergadering wel wat vroeg

was gesteld, waardoor het voor de meer verwijderd wonende

leden bezwaarlijker was er tegenwoordig te zijn.

De wenschelijkheid werd geuit, dat aan de Kringleden

de mogelijkheid onder het oog zou worden gebracht,

hun contributie in termijnen te betalen, omdat dit voor

velen gemakkelijker zou zijn. De secretaris kreeg opdracht

zich hierover met het Kringbestuur in verbinding

te stellen. Het punt betreffende de verkiezing van bestuursleden

gaf voorzitter Biemond aanleiding collega

Holsboer, die aftrad en zich niet herkiesbaar stelde, hulde

DE J O U R N A L I S T

te brengen voor het vele, dat hij eerst als gedelegeerde

der O.P. en later als bestuurslid voor den Kring had

gedaan. In de vacature, ontstaan door zijn aftreden,

werd Jhr. J. W. J. Witsen Elias, te Leeuwarden, candidaat

gesteld. De vergadering sprak voorts de wenschelijkheid

uit, dat het Kringbestuur de mogelijkheid

zou overwegen om, meer dan tot dusver geschiedde, in

gewone dan wel buitengewone bijeenkomsten van den

Kring onderwerpen te doen inleiden en bespreken, die

van belang zijn voor de journalistiek in deze tijden.

A. BERDING, secretaris O.P.

HAAGSCHE JOURNALISTEM-VEREENIGING.

De Haagsche Journalisten-Vereeniging hield haar

jaarvergadering op Maandag, 9 Maart in Restaurant

Bagatelle, onder leiding van den Voorzitter Mr. J. J.

van Bolhuis.

Na goedkeuring der Notulen, deed de voorzitter mededeeling

van tal van ingekomen bedankjes naar aanleiding

van attenties, collega's bewezen bij jubilea. Verder

was er een schrijven ingekomen van de zijde der

Volksuniversiteit, in verband met daar te geven cursussen

voor journalisten. Er was geantwoord, dat men in

beginsel natuurlijk wel voor ontwikkelings-cursussen

voor journalisten was, maar weinig verwachtingen van

dergelijke cursussen had, naar aanleiding van de opgedane

ervaring, terwijl er ook gevaar bestond, dat deze

cursussen zouden bijdragen tot vermeerdering van het

aantal werklooze journalisten. Voor het overige achtte

men het wenschelijk, dat de cursussen zouden worden

gegeven door verschillende leiders, resp. spreekbeurten

zouden worden vervuld door verschillende journalisten.

De voorzitter las de regeling voor, door den Hoofdcommissaris

van Politie het bestuur toegezonden, naar

aanleiding van de gevoerde besprekingen.

Vóór April zou men niet over het systeem kunnen

oordeelen, daar dit, in verband met de mogelijkheden,

in de toekomst door de Telex geboden, pas over enkele

weken in de perfectie zou kunnen worden toegepast.

Jaarverslag van secretaresse en penningmeester werden

goedgekeurd en de laatste, wiens verslag sloot met

een batig saldo van ƒ537.53 gedechargeerd, na het uitgebrachte

gunstig rapport van de kascommissie.

In de kascommissie voor 1936 werden benoemd de

heeren de Man en Quast en tot plaatsvervangende leden

den heeren van Leeuwen en Nitzowitsch.

De aftredende bestuursleden, de heer Voskuil en mej.

Belinfante, werden bij acclamatie herkozen, en tot gedelegeerde

en plaatsvervangend gedelegeerde bij den

Kring herbenoemd de heeren Voskuil en Kroes.

Het voorstel van het bestuur, om de contributie te

verlagen, werd met instemming begroet.

Daarna was aan de orde de agenda van de Kringvergadering,

welke weinig aanleiding tot bespreking

geeft. De mogelijkheid door den penningmeester geopend

in 1937 de contributie te verlagen, werd met voldoening

gezien en men zou verdere bezuiniging vragen. De aftredende

bestuursleden Dekking en Cnossen zou men steunen,

de delegatie bleef vrij in de derde vacature naar

omstandigheden te handelen. Tot gedelegeerden naar de

Kringvergadering werden aangewezen voorzitter, secretaresse

en penningmeester en tot plaatsvervangende gedelegeerden,

de heeren van der Wielen, van Leeuwen

en de Man.

Goedgekeurd werd, dat het geheele bestuur de Vereeniging

zal vertegenwoordigen aan den maaltijd ter

eere van het 25-jarig jubileum als bestuurslid van den

heer Hans.

EMMY J. BELINFANTE, Secretaresse H.J.V.


DE J O U R N A L I S T 63

EEN KWART-EEUW IN HET BESTUUR.

DE FEESTMAALTDD IN VICTORIA.

Aan tafel zittend van links naar rechts: mevr. Lievegoed, A. J. Lievegoed, mevr. Dekking, D. Hans, Henri Dekking,

mevr. Hans, D. Kouwenaar, mevr. Srvart, mr. P. C. Swart, C. K. Elout. (Cliché Haagsche Courant)

WOORD TER:iNLEIDING.

Het is nu voor de tweede maal, dat ik als plaatsvervangend

redacteur een bijdrage lever voor ons maandblad.

Den eersten keer — ik heb er in den Haag aan

herinnerd — was, nu al weer een paar jaar geleden,

toen Hans een boek over journalistiek had geschreven,

dat beoordeeld moest worden. Dat kon hij zélf inderdaad

moeilijk doen. En de tweede maal is nu! Met zijn wonderlijke

werkkracht en frischheid des geestes is Hans

er steeds in geslaagd, ook dit werk — de redactie van

De Journalist — compleet te doen, zooals hij ook zijn

voorzitterschap steeds volledig heeft vervuld. Van overmaat

van werk, ziekte of minder-gedisponeerd zijn,

schijnt bij hem nooit sprake te zijn. De nadruk valle

hier op schijnt.

Hans heeft op Zaterdagavond 4 April zijn feest gehad,

het feest van zijn 25-jarig bestuurslidmaatschap van

den Kring. Dat is een zeldzaam-mooi feest geworden.

Opgezet als iets zeer eenvoudigs door zijne medebestuursleden,

is het in de eerste plaats door de groote

deelneming eraan van vele leden en ook door de dingen

die aan tafel gezegd zijn, en vooral de wijze waarop dit

geschiedde, tot iets geworden, dat eene demonstratie

genoemd mag worden van de groote waardeering en

erkentelijkheid, de warme toegenegenheid, welke er bij

velen onzer voor hem leven! Terecht! Wij, zijne medebestuursleden,

kunnen daar het best over oordeelen.

Wij, die hem binnenskamers, achter de schermen der

bestuursvergaderingen, meemaken, weten hoezeer hij in

waarheid en werkelijkheid, leiding weet te geven aan

den Kring; hoe zorgvuldig hij alle beslissingen van het

Bestuur, groote en kleine, belangrijke en minder-belangrijke,

voorbereidt — al bestaat er natuurlijk wel eens

verschil van meening —; hoe goed hij steeds van alles

op de hoogte is of zich heeft gesteld; over welk een

stalen geheugen hij beschikt; hoe sterk zijn realiteitsgevoel

ontwikkeld is, al is hij ook een gevoelsmensch.

Maar de leden kunnen over de figuur van Hans, zijne

groote beteekenis voor den Kring, oordeelen. Men kent

hem als leider der ledenvergaderingen, als spreker bij

blijde en droeve gelegenheden, als woordvoerder bij de

uitstapjes, als redacteur van het orgaan. Ik behoef daar

op het oogenblik niet nader in te gaan; Dekking, die

tafel-president was, heeft Hans in zijne veelzijdigheid

uitnemend geschetst en de lange rij van sprekers heeft

wat Dekking zeide onderstreept.

Hans werd tot bestuurslid gekozen in de jaarvergadering

van 9 Juli 1911, dezelfde waarin Doorman als voorzitter

aftrad (en tot eerelid benoemd werd) en Plemp

tot diens opvolger werd gekozen. Vóór dien was hij al

gekozen in de redactie-commissie van ons orgaan, in de

plaats van Mendell en naast Heimer en Israels. Als

redacteur van ons orgaan is hij dus nog iets ouder dan

als bestuurslid.

Elout en Hans — ik moge hier iets meer volledig

herhalen, wat ik aan den feestdisch zeide — hadden in

de vergadering van de Haagsche Journalistenvereeniging

— het gold een zoogenaamde Haagsche vacature — een

gelijk aantal stemmen gekregen, en waren dus beiden

candidaat. Merkwaardig — ook doordat er uit blijkt,

dat Elout zichzelf wist weg te cijferen, in het belang

van den Kring, zooals hij dat zag — was, dat Hans

toen, ter Kringvergadering, aanbevolen werd door

zijn tegencandidaat. Elout noemde drie redenen, waarom

het wenschelijk en noodzakelijk was Hans te kiezen.

In de eerste plaats prees hij hem als een lid, bezield

met den geest der critiek, typeerende uitdrukking voor

dien tijd, toen de Kring in zijn huidigen vorm nog in

wording was, en herinnering aan het aandeel, dat Hans

mèt Elout, aan de vorming gehad heeft. In de tweede

plaats constateerde Elout, dat Hans belang stelde in

den Kring. Het is, mogen wij nu, aan het einde van de

kwart-eeuw, verklaren, zwak gezegd, maar volkomen

waar gebleken. En in de derde plaats achtte Elout het

noodig, dat er nieuw bloed in het bestuur kwam. Nu, dat

is Hans inderdaad voor den Kring geweest. Om een

ander beeld te gebruiken; hij is een zuurdeesem geweest.

dat het leven van den Kring doordrong.

Intusschen, ondanks die aanbeveling door Elout kwam

Hans er niet dadelijk. Elout, die toen al een lid van groot

gezag in den Kring was, bezield als hijzelf was door...

een frisschen oppositie-geest, Elout werd gekozen. Consequent

als hij was en altijd geweest is, weigerde hij

zijne benoeming aan te nemen, maar ook Hans wilde er

nu niets meer van weten. „Nu de vergadering", zoo

zeide hij, „gemeend heeft mij, ondanks de aanbeveling

van den heer Elout, niet te moeten kiezen, wensch ik

geen benoeming aan te nemen en trek mij terug".

Toen stelde Elout zich weer beschikbaar.

Bij de nieuwe vrije stemming kreeg Hans 19, Elout

18 stemmen, terwijl op Mr. Belinfante 3 stemmen werden

uitgebracht. Volgde eene herstemming tusschen Elout

en Hans, die tot uitslag had, dat Hans met 22 stemmen

gekozen werd. Hij aanvaardde zijne benoeming. En tot

heden toe is hij bestuurslid gebleven!

Moge de Kring hem nog lang behouden, in het volle

bezit van zijne groote en goede kwaliteiten, die aan onze

organisatie en hare leden zoozeer ten goede zijn gekomen.

KOUWENAAR.


64 DE JOURNALIST

L. Schotting, G. Polak Daniels, mevr. Polak Daniels, T. Cnossen.

Het Feestmaal.

Wij laten nu het verslag van het feest volgen.

Talrijk waren de deelnemers aan den feestmaaltijd,

op Zaterdag 4 April in Hotel Victoria, aangeboden aan

onzen voorzitter, collega D. Hans, ter gelegenheid van

zijn zilveren gedenkdag als bestuurslid.

In de dagen, die voorafgingen, had onze voorzitter

reeds menig blijk van hartelijke belangstelling mogen

ontvangen. Bloemstukken waren er van het Kringbestuur,

van de Roomsch-Katholieke Journalisten-Vereeniging,

van den A.N.W.B., van De Avondpost, van de Zilveren-Voetbal-Commissie,

van verschillende leden particulier,

van vrienden en familie.

Zooals gezegd namen vele collega's, uit verschillende

plaatsen des lands, aan den maaltijd deel. Onze eerevoorzitter,

mr. L. J. Plemp van Duiveland, was door

ziekte verhinderd; het eere-lid M. J. Brusse kon door

een huiselijken gedenkdag niet aanwezig zijn, en zoo

waren er meer, die bericht hadden tot hun leedwezen

niet te kunnen komen, Toch was een talrijke schare

aanwezig; het Kringbestuur had daarom beslag moeten

leggen op de geheele ruime benedenzaal van Hotel

Victoria. Vele Kringleden waren van hun dame vergezeld.

De gasten waren collega D. Hans en zijn vrouw,

de heer en mevrouw F. Smaalders-Hans (schoonzoon

en dochter), de heer H. P. Hans en zijn verloofde

mej. C. Smelting, en de heer D. Hans Jr.

Toen de heer en mevrouw Hans binnentraden, werd

aan laatstgenoemde namens het Kringbestuur door mej.

L. Menke, redactrice van De Avondpost, een ruiker

fraaie rozen aangeboden.

Rede-Dekking.

Collega Henri Dekking, tafel-president, opende den

maaltijd met een hartelijke groet aan alle aanwezigen.

En nadat de eerste gerechten genuttigd waren, stond

hij op, om den jubilaris toe te spreken.

Allereerst herinnerde hij er aan, dat Hans indertijd

als oppositie-candidaat in het Bestuur is gekomen, als

man van de economische actie. Als zoodanig was hij een

loot, geënt op den stam-Elout. Zijn oppositie was echter

nooit kwetsend, altijd eenvoudig, welwillend en verstandig.

Spr. ging Hans' loopbaan in het Bestuur na,

daarbij in het bijzonder herinnerend aan zijn voorzittersperiode.

Hij is gebleken te zijn de rechte man op de

rechte plaats. Hij is niet opgegaan in de vakbelangen,

maar heeft ook op representatief gebied veel bereikt en

den Kring een plaats verzekerd in onze nationale gemeenschap.

Spr. herinnerde aan Hans' initiatief inzake

de uitstapjes en de maaltijden en bijeenkomsten met bekende

personen in den lande. Na een en ander nog nader

in het licht te hebben gesteld, dankte hij den jubilaris

voor al zijn arbeid en bood hij hem namens den Kring

een schilderij aan van Evert Moll, voorstellend een gezicht

op de Maas voor Rotterdam, de stad, waar Hans

zijn jeugd heeft doorgebracht. (Luid applaus).

In den loop van den avond werden tal van andere

toespraken gehouden.

De heer A. j. Lievegoed,

chef van den Regeeringspersdienst, verklaarde dat hij

zich, hoewel misschien tegenwoordig ,,aan de andere

zijde van de toonbank*' staande, toch allereerst collega

gevoelde. Hij herinnerde aan de oorlogsjaren, toen zoo

vaak voor de behartiging van groote landsbelangen de

hulp van den N.J.K., ook van den heer Hans, werd

ingeroepen. Dit heeft hij altijd op voortreffelijke wijze

gedaan. Er wordt tegenwoordig veel gesproken over

ordening. Hans heeft den Kring geordend, en van hem

een organisatie gemaakt, waarmee de Regeering gaarne

samenwerkt. Het heeft spr. altijd getroffen, dat Hans

niet alleen verstandig, maar ook redelijk is geweest.

Hij sprak de hoop uit, dat de voorzitter nog lang zijn

taak zou blijven vervullen.

De heer C. K. Elout,

eere-lid, heeft in het licht gesteld, dat, toen Hans

als voorzitter gekozen werd, hij juist de man was dien

de Kring noodig had. Er waren er, die toen twijfelden

aan Hans' representatieve kwaliteiten, maar die twijfel

is ongegrond gebleken. En wat de vakbelangen betreft,

èn wat de representatie aangaat, heeft de voorzitter goed

werk gedaan. Hij was daarbij immer een man van gezond

idealisme en van groote collegialiteit. Het heeft spr.

altijd getroffen, dat, als Hans sprak, als hij redevoeringen

hield, hij dit deed uit het hart, en hij waarachtig

meende wat hij zei. Spr. huldigde den voorzitter voor

zijn werk.

De heer D. Kouwenaar,

voorzitter van „De Amsterdamsche Pers", haalde

allereerst herinneringen op aan de eerste verkiezing van

Hans. Daarna wees hij op zijn groote werkkracht en

op de wijze, waarop hij de zaken altijd goed voorbereidde.

Men wenschte destijds, toen Hans gekozen werd,

frisch bloed in het Bestuur, maar na 25 jaar is het nog

frisch. Waar heeft — vroeg men zich af — de voorzitter

den tijd voor al dat werk vandaan gehaald? Spr.

wees ook op Hans' arbeid als leider van het orgaan. Hij

bracht hem hulde namens de Amsterdamsche collega's

en sprak de hoop uit, dat Hans nog lang aan Kring en

orgaan zijn krachtige leiding zou mogen geven.

Mevr. Hans, D. Kouwenaar, mevr. Swart, mr. P. C. Swart,

> C. K. Elout.

De heer mr. P. C. Swart,

voorzitter van de Rotterdamsche journalisten-V ereeniging,

sprak namens de collega's uit de Maasstad woorden

van hartelijke sympathie. Wat hem steeds zoo getroffen

heeft in Hans is dit, dat hij een compleet mensch heeft

willen zijn, die altijd zocht naar het diepere in de dingen,

ook in zijn staatkundige overtuiging. Bovendien heeft hij

in den Kring een aangenaam milieu geschapen. De

Rotterdammers hopen dat Hans nog lang zijn werk zal

kunnen doen en namens hen bood hij den voorzitter een

drietal boekwerken aan: Rembrandt, de complete illustratieve

uitgave van 's meesters schilderijen; En eeuwig

zingen de bosschen, van Gulbranssen; Dorp aan de

Rivier, van Antoon Coolen.

De heer mr. J. J. van Bolhuis,

voorzitter Haagsche journalisten-V'ereeniging, richtte

zich in het bizonder tot mevrouw Hans. Deze heeft heel


wat offers moeten brengen door het vele werk van haar

echtgenoot. Dit vond spr. bijzonder lief van haar, en

na mevr. Hans daarvoor te hebben gehuldigd, bood hij

haar namens de Hagenaars een fraaien zilveren bonbonlepel

aan en een groote doos bonbons.

Secretaris T. Cnossen

deed vervolgens voorlezing en mededeeling van tal

van ingekomen telegrammen, brieven en andere gelukwenschen,

allereerst van een hartelijk en waardeerend

schrijven van den eere-voorzitter, mr. L. J. Plemp van

Duiveland, en van het eere-lid, den heer M. J. Brusse.

Voorts van de Journalisten-Vereeniging Friesland; de

Groningsche Journalisten-Vereeniging; de Nederlandsche

Dagbladpers; de R. K. Directeuren-vereeniging;

de R.K. Journalisten-vereeniging; het bestuur van den

A.N.W.B.; bestuursleden van den Kon. Nederlandschen

Voetbalbond; de voetbalvereeniging Sparta; mr.

Voorbeytel, gedelegeerde van den Kring bij de Federation

Internationale des Journalistes; W. Graadt van

Roggen, secr.-generaal van de Jaarbeurs; D. J. Lambooy,

sous-chef van den Regeeringspersdienst; Cor van der

Lugt Melsert; H. A. Meerum Terwogt (uit Antwerpen);

J. van den Berg, directeur van het Stadion te Amsterdam;

prof van den Berg, directeur van het Stadion

te Amsterdam; prof. dr. C. L. van der Bilt; mr. C. Bake;

dr. J. H. Gunning J.H.zn.; mevr. de weduwe Voogd en

mej. Voogd; en voorts van verschillende journalisten,

dagbladdirecteuren, dagbladredacties en uit de kringen

van het parlement, van den Nederlandschen Protestantenbond

en van de sport.

Op voorstel van den Secretaris werd een telegrafische

groet naar den eere-voorzitter gezonden, met den wensch

voor volledig herstel.

De heer J. J. F. van den Bergh,

gedelegeerde „De Amsterdamsche Pers", sloot zich

namens alle gedelegeerden bij de woorden der vorige

sprekers aan, er op wijzend, hoe Hans in het Bestuur

een pater [amilias was geworden, die de verschillen

steeds wist te overbruggen, en de standpunten tot elkander

te brengen. En in het bijzonder wilde spr. er vanavond

eens zijn waardeering en blijdschap over uitspreken,

dat Hans er zoo krachtig toe heeft medegewerkt,

het den Protestantsch-geloovigen collega's mogelijk te

maken in den Kring te blijven.

De heer L. Schotting,

uit Amsterdam, haalde persoonlijke herinneringen op

uit zijn oude Rotterdamsche jaren met Hans, en schetste

vervolgens Hans' aandeel in de bevordering der vakbelangen

en de versterking der positie van den journalist.

Anderen hebben hem natuurlijk geholpen, maar

Hans gaf altijd de richting aan. Hans wees altijd den

Van links naar rechts: mr. J. J. van Bolhuis, H. H. J. van de Pol,

mevr. van der Garden, Th. G. van der Garden, mevr. Smaalders-

Hans, F. Smaalders, mevr. Peaux, A. E. Peaux. — Op den

voorgrond mevt. Polak en dr. 'Henri Polak.

DE J O U R N A L I S T 65

A. J. Lievegoed, mevr. Dekking, D. Hans, Henri Dekk ing.

koers en den weg weg. Daarvoor reikte hij hem vanavond

de hand.

De heer D. A. Klomp,

uit Alkmaar, verklaarde gaarne naar Den Haag gekomen

te zijn om aan den maaltijd deel te nemen. En

hij had wat meegebracht ook. Hij bood als blijk van

waardeering den voorzitter een schilderij aan, voorstellende

een Noord-Hollandsch landschap, en omdat hierop

een molen voorkomt hief hij, onder groote vroolijkheid,

het bekende lied ,,De mooie molen'' aan, waar- .

van het refrein werd meegezongen.

De heer Dr. Henri Polak,

uit Laren, meenend tot hen te behooren die verstand

hebben van vakorganisatie, bracht hulde aan het Kringbestuur

en in het bijzonder aan den voorzitter voor hetgeen

zij met den Kring en voor de vakgenooten hebben

weten te bereiken, wat juist in de vrije beroepen zoo

moeilijk is. Voorts huldigde hij Hans als parlementair

journalist en als strijder voor de staatkundige vrijheidsgedachte,

wiens leven de toepassing van die denkbeelden

doet zien.

De heer J. E. Stokvis,

uit Den Haag, was de laatste spreker. In een geestige

speech haalde hij herinneringen op uit het sport-journalistieke

leven van hem-zelf en den jubilaris, die elkander

al zooveel jaren kennen; hij herinnerde daarbij ook

aan de dichterlijke talenten van Hans, in de sportjournalistiek

vroeger gebleken. Moge de voorzitter zijn

idealistische opvatting van ons beroep nog lang behouden!

De heer Hans

heeft hierna gesproken. Hij verklaarde

hier te staan met een gevoel

van innige dankbaarheid, niet

alleen voor dezen avond, maar

ook en nog meer voor het feit,

dat hij den Kring een kwart-eeuw

heeft mogen dienen. Hij schetste

de bewogen wijze, waarop zijn

eerste verkiezing plaats had, en

toen eerst Elout gekozen werd en

(na diens bedanken) spr. Toen hij

in 1911 als opvolger van Plemp

van Duiveland in het Bestuur werd

gekozen, had hij nooit kunnen

droomen, dat hij 9 jaar later ook

zij opvolger als voorzitter zou zijn.

Dagen lang heeft hij toen met

zich zelf loopen strijden. Mocht

hij een benoeming aannemen?


66 DE J O U R N A L I S T

Mocht hij de opvolger worden van mannen als Kuyper,

Boissevain, Doorman, Plemp? Hij had niet de kracht

om te weigeren. Nu, na 25 jaar van onafgebroken

dienst, wil hij wel erkennen, dat dit werk aan den eenen

kant een offer is geweest van tijd en van kracht, een

offer gebracht aan zijn gezinsleven, maar aan den

anderen kant was het een verrijking en vervulling

van zijn leven, en hij is den Kring innig dankbaar,

dat hij een kwart eeuw lang het vertrouwen heeft genoten.

Spr. ziet in het leven en in de levenstaak een

opdracht, den mensch gegeven. Heb ik iets gedaan, iets

kunnen doen? Zoo ja, dan is dit een voorrecht voor mij

geweest, waarvoor ik dankbaar dien te zijn.

Spr. herinnerde aan moeilijke oogenblikken. Hoe vaak

heeft hij een collega op zijn laatsten tocht moeten vergezellen.

Vandaag zelfs nog! Met eerbied gedacht hij

hen, in het bijzonder A. Voogd en G. G. van As, met

wie hij vele jaren in het Dagelijksch Bestuur zat. Ook

moeilijkheden van zakelijken aard en oogenblikken van

strijd zijn er geweest. Maar de goede herinneringen

voeren toch verre den boventoon; spr. heeft aan zijn

werk in den Kring een schat van vriendschap en hartelijkheid

te danken. Hij heeft in die 25 jaar het aantal

leden zich zien verdubbelen (315—650); hij zag 4

locale vereenigingen er bij oprichten; maakte 31 verschillende

bestuursleden mee, van wie er 9 zijn overleden;

zat in honderden eere-comité's. En hoe ontzaglijk

veel heeft hij voor den Kring moeten eten aan tallooze

officieele maaltijden. Verontschuldiging vroeg hij voor

begane fouten en voor zijn zwakheden, al worden

die vanavond verzwegen. Eén van die fouten is,

dat hij wel eens te veel alles zelf wil doen. Hij wees

er op, hoe er verscheidenen in het Kringbestuur zijn, met

tal van jaren dienst, aan wie de Kring zeer veel verschuldigd

is: Dekking, Biemond, Schotting, Kouwenaar,

Polak, om slechts enkele te noemen. Naar aanleiding van

het gesprokene door den heer Lievegoed dankte hij den

Regeeringspersdienst voor het feit, dat hij steeds en

ten allen tijde voor de journalisten toegankelijk is en

geen spoor vertoont van te zijn verambtelijkt.

Uit het diepst van zijn hart bracht hij, ook namens

vrouw en kinderen (alleen zijn kleinzoon was afwezig,

en dit is maar goed ook, want die 2j^-jarige zou vermoedelijk

de orde wel eens hebben verstoord) dank voor

dezen heerlijken avond. En in het bijzonder dankte hij

Henri Dekking, die hij feitelijk al 40 jaar kent, en die

voor hem in vele omstandigheden een hulp en een steun

is geweest. Hij eindigde met de versregels van Guido

Gezelle:

Het leven is: een krijgsbanier

Door goede en kwade dagen,

Gevlekt, gescheurd, ontvallen schier,

Kloekmoedig voortwaarts dragen.

Mijn leven — aldus spr. — is niet altijd gemakkelijk

geweest en ook mijn krijgsbanier is gescheurd en gevlekt,

maar ik heb altijd getracht haar kloekmoedig voorwaarts

te dragen. Dank, innig dank aan den Kring!

Kort hierna werd de maaltijd, die zeer gezellig verliep,

opgeheven.

* * *

In de dagen daarna, toen in de bladen het verslag

van den feestmaaltijd had gestaan, heeft de voorzitter

nog tal van bewijzen van hartelijkheid ontvangen, waaronder

een bijzonder waardeerend schrijven van mr. Patijn,

gezant te Rome, oud-Burgemeester van den Haag.

Voorts kwam er een geschenk van mevr. A. C. Veen-

Brons (Famke) uit Zaandam, n.1. een zilveren Zaansche

molen, een keurig product van Zaansche zilversmeedkunst.

De molen ging vergezeld van een doos bonbons

voor mevr. Hans en in het begeleidend schrijven stond:

„Nu moet u bij de bonbons van Famke de bonbonlepel

van mr. van Bolhuis gebruiken; moge het u goed smaken!"

Dat Famke's tegenvoetster, mevr. Wijnaendts

Francken, aan den maaltijd deelnam, heeft onze voorzitter

ten zeerste gewaardeerd.

JOURNALISTIEK EN WETENSCHAP.

Een journalistieke promotie is in ons land een ongewone

gebeurtenis. Hoe gebruikelijk het in Duitschland

moge zijn, dat de aanstaande journalist een academische

vooropleiding kiest — twee-derde deel der Duitsche journalisten

is academisch gevormd —, hoezeer de speciale

journalisten-scholen, al of niet academisch van karakter,

in de Vereenigde Staten mogen bloeien, (althans wat

het aantal leerlingen betreft) tot dusver kende Nederland

weliswaar journalisten met een doctorstitel, doch

geen dagbladschrijvers, die gestudeerd hadden met de

vooropgezette bedoeling om later dit beroep te kiezen

en die daarom ook hun studie voltooiden met een proefschrift

over een journalistiek onderwerp.

Men kent ons standpunt inzake de wenschelijkheid

van een academische opleiding voor journalisten. De

universiteit kan geen werkelijke journalisten maker..

Maar daartegenover staat, dat, wie journalistieken aanleg

bezit, natuurlijk bij een zoo goed mogelijke voorafgaande

studie aanzienlijk gebaat is.

Daarom vestigen wij de aandacht onzer lezers op het

eerste Nederlandsche schaap, dat over dezen dam gaat:

onze collega N. J. D. Versluys, die sedert kort aan de

Haagsche Post verbonden is, zal op Vrijdag 8 Mei,

's middags om vier uur, promoveeren aan de Utrechtsche

Universiteit. Deze doctorandus in de sociale geographic

heeft te Amsterdam onder leiding van Prof. Mr.

Dr. S. R. Steinmetz gestudeerd, teneinde zich voor te

bereiden op een journalistieke loopbaan. Na eenige practische

ervaring aan het Utrechtsch Dagblad te hebben

verworven, heeft hij zich opnieuw aan de studie gezet

om den doctorsgraad te behalen. Zijn proefschrift heeft

tot titel: „Journalistiek en Wetenschap". De schrijver

gaat daarin hoofdzakelijk na, welke beteekenis het werk

van journalisten, vooral van buitenlandsche correspondenten,

als bronnenmateriaal voor de sociale wetenschap

kan hebben; hij komt tot de slotsom, dat deze beteekenis

aanzienlijk is. Ook aan de „Zeitungswissenschaft' in

Duitschland en elders wijdt hij zijn aandacht. Vanzelfsprekend

wordt Nederland daarbij niet vergeten. Tenslotte

onderzoekt hij waaruit in verschillende landen de

opleiding van den journalist bestaat. De omvang van het

boek, waarvan de uitgave door Paris wordt verzorgd,

bedraagt driehonderd bladzijden; het zal ook in den

handel verkrijgbaar worden gesteld.

Wij wekken met name onze Utrechtsche collega's op

om door hun aanwezigheid bij de (openbare) promotie

te toonen, dat zij in deze gebeurtenis belang stellen, en

stellen ons voor, later uitvoeriger op dit proefschrift

terug te komen.

SPROKKELINGEN VAN DE ALGEMEENE

VERGADERING.

— „Een journalist is geen gewoon mensch".

(Van Bolhuis).

— „Ik ben geen feminist". (Beeremans),

— „Ik meen hier te spreken namens den kop van

Noord-Holland boven het IJ". (Klomp).

— „Hij is 80 % groote stadsmensch en 100 % provinciaal".

(Hielkema)\

— „Het is niet alteen een afsluitdijk, maar ook een

aansluitdijk". (Hielkema).

— „De schatten van Lombok zijn eiken dag zichtbaar,

de schatten van den Kring zijn heelemaal verborgen".

(Rogge).

* * *

Een collega zond ons bovenstaande bloemlezing toe.

Wat die „schatten van den Kring betreft", de bedoeling

van collega Rogge was misschien dat de vrouwelijke

leden eens wat meer op de vergaderingen zullen komen.


IN MEMORIAM UN BOSCH.

De veelbesproken film „Heldenkermis" draaide in het

Haagsche Passage-Theater; binnen en buiten het theater

was eenige herrie. Voor de reporters was er werk aan

den winkel: Jan Bosch was op zijn post voor zijn Haag'

sche Courant. Hij stond bij den ingang van de Passage,

aan den Hofweg, toen een politie-motor het trottoir open

de Passage inreed. Het is niet aan mij, te beoordeelen

of het noodig of onvermijdelijk was, daarbij onzen collega

van achteren aan te rijden, zoodat hij tegen den

grond geworpen en gekwetst werd. Hij zelf nam het

nogal gemoedelijk op, want hij dacht, dat het wel los zou

loopen met zijn gekneusde knie, al was het geval zeer

pijnlijk.

Toen ik den Zaterdag voor zijn dood 's middags aan

zijn bed zat, was hij opgewekt en uitte hij de hoop, de

eerstvolgende week weer aan 't werk te kunnen gaan.

Wèl had hij geklaagd over pijn in rug en borst, maar

niemand dacht aan de mogelijkheid van ernstige complicaties.

En zelfs toen deze zich de volgende dagen voordeden,

vreesde nog niemand een zóó snel en zóó noodlottig

verloop.

Onverwacht overleed Jan Bosch, nog slechts 41 jaren

oud, in den nacht van Dinsdag 31 Maart op Woensdag

1 April.

Dit tragische einde heeft algemeen groote verslagenheid

gewekt; niet alleen bij wie hem het naaste stonden,

maar ook bij zijn directie, bij zijn talrijke vrienden en

zijn collega's. Ons, persmenschen, treft dit sterfgeval

bijzonder diep, omdat Jan Bosch immers is gevallen als

slachtoffer van zijn plicht, die ons aller plicht is; maar

óók omdat wij in hem een zeer sympathieken, nog jongen

collega plotseling hebben verloren. Vooral voor hem, die

dagelijks met hem samenwerkten, is dit een pijnlijk verlies.

Op den dag van zijn dood wijdde ik in de Haagsche

Courant een woord van herdenking aan onzen betreurden

vriend. Ik schetste hem als een bij allen geziene en

beminde figuur, een markante persoonlijkheid, levendig

van geest, scherp van verstand, tegelijkertijd gemoedelijk

en slagvaardig; een man vol frissche energie en van

fijnen smaak, oorspronkelijk in zijn denkbeelden, voortvarend

in de uitvoering ervan; iemand bovendien, die

.zich interesseerde voor de menschen in zijn omgeving,

met hen meeleefde en daarvan door gevoelige attenties

kon getuigen. Ik roemde den collega, die voor ons steeds

is geweest een goed, loyaal vriend, die een sfeer van

bijna artistieke bonhommie en prettigen, vlotten, vaak

fijnen geest met zich meebracht, die daarenboven een

steun was voor de jongeren, wier belangen hij, met zijn

ruim begrip voor hetgeen anderen betrof, zoo gaarne

behartigde.

In dat herdenkingswoord heb ik ook — met de groote

waardeering, die hij verdient — gewag gemaakt van zijn

uitnemende gaven als journalist, zijn frissche ideeën, zijn

levendigen, pittigen en interessanten vorm, altijd „to

the point", zijn voortreffelijke binnen- en buitenlandsche

reportage, in den grooten stijl, die wel echt zijn

stijl was, zijn mooie werk als foto-redacteur, zijn belangstelling

voor de film enz. Als een enkel teekenend

staaltje van zijn sportieve activiteit moge ik ook hier in

herinnering brengen de door Jan Bosch ontworpen en

uitgevoerde organisatie, waardoor het mogelijk was, de

foto's van de begrafenis van den Engelschen koning

in een minimum van tijd naar Den Haag te vervoeren,

zoodat zij slechts luttel uren na de plechtigheid in de

vitrines van de Haagsche Courant prijkten en nog dienselfden

middag in dat blad konden worden afgedrukt.

Persoonlijk had hij in Londen den kostbaren schat verzameld

en hem per vliegtuig en auto hierheen gebracht.

Johannes Wilhelmus Bosch werd 30 Juli 1894 te Amsterdam

geboren. Hij bekwaamde er zich aan De Courant

en De Telegraaf tot journalist en trad op 1 October 1923

in dienst als redacteur der Haagsche Courant. Op den

dag of 12}/£ jaar na laatstgenoemden datum gaf hij den

DE J O U R N A L I S T

(Cliché Haagsche Courant)

geest. Het was voor zijn collega's wèl een weemoedige

herdenkingsdag!

Zaterdag 4 April hebben wij onzen vriend naar zijn

laatste rustplaats gebracht. Groot was de belangstelling,

voor het gebouw van de Haagsche Courant, waar het geheele

personeel den doode een laatsten groet bracht, en

op Oud Eyk en Duinen. Want velen waren zijn vrienden.

De heer A. W. Sijthoff, zijn directeur, heeft hier getuigd,

hoe diep hem het verlies van een van zijn beste

medewerkers getroffen heeft; hij roemde Bosch' initiatief,

activiteit, energie, trouw en bekwaamheid. De heer

D. Hans onderschreef dien lof in zijn laatsten groet namens

den Kring en de H. J. V. Ik mocht er nogmaals

zijn voortreffelijke eigenschappen als mensch en als

journalist naar voren brengen. Ik noemde hem een rasjournalist,

voor wien de journalistiek niet alleen een

mooi beroep was, maar vooral een schoone kunst, die hij

beoefende met al de virtuooze gratie, de liefdevolle toewijding,

de vibreerende activiteit van de geboren artiest.

Ik heb hem voor ons allen dank gezegd voor zijn loyale

collegialiteit, zijn hartelijke vriendschap, zijn warm meeleven,

en de verzekering gegeven, dat wij zijn jovialiteit,

zijn frisschen geest, zijn humor, zijn goedmoedigen spot,

zijn grappen en zijn grillen, maar óók zijn goedheid, zijn

ruime begrip en zijn vriendschap zullen blijven missen.

Ik heb hem het eeresaluut gebracht van zijn kameraden

uit eigen omgeving, nu hij is gevallen in de vervulling

van zijn beroepsplicht, gesneuveld op het veld van

eer.

Dit eere-saluut moge ik Jan Bosch hier brengen óók

uit den brééderen kring van zijn vakgenooten.

H. T. LYSEN.

DE NIEUWE COURANT t.

Onlangs heeft dan toch De Nieuwe Courant den laatsten

adem uitgeblazen. Het was nog maar een beetje,

wat ze over had. Thans kan men in den kop van Het

Vaderland lezen: „Waarin opgenomen De Nieuwe

Courant". Sic transit ! Welk een glorieuze journalistiek

is er vroeger aan dat blad bedreven, onder Plemp

van Duivelands onvolprezen leiding. Hoe velen hebben

er, ook daarna nog wel, aan dat blad gewerkt, die in

de eerste rijen van ons beroep mochten staan. De hoofdartikelen

van Plemp zelf: welk een meesterstukken waren

het, hoe verraadde elk ervan den klauw van den

leeuw. En hij is gesteund door een reeks medewerkers,

waarvan wij er geen enkele willen noemen, omdat wij

er geen enkele willen overslaan.


68

VRIJHEID VAN DRUKPERS.

De vrijheid van drukpers is een der grootste privileges,

die democratisch geregeerde landen bezitten; hierdoor is

immers mogelijk een gezonde kritiek op regeeringsmaatregelen

en op geprojecteerde wetten. Indien wij geen

vrijheid van drukpers bezaten, zouden de dag-, week- of

maandbladen niet in de gelegenheid zijn om de luide

protesten te doen hooren, die tegen de dwaze reisbelasting

gerezen zijn, van hoog tot laag. Dictatoriaal geregeerde

landen zien hun dagbladwezen wegkwijnen,

omdat de lezer niets heeft aan een partijdig redigeerd

blad; juist de neutraliteit en objectiviteit der pers in het

algemeen waarborgt een juiste berichtgeving, een objectieve

voorlichting.

In ons land is een Staatscommissie aan het werk, om

herziening der Grondwet te bestudeeren en daarbij komt

ook in het geding onze drukpers-vrijheid; thans is de

toestand zóó, dat wel repressief kan worden ingegrepen,

maar niet preventief. We hebben dat vroeger o.a. gezien

bij pornografische weekblaadjes, onlangs nog bij

Volk en Vaderland. Hoewel bij de Regeering slechts

vooropstaat, een wapen in hand te krijgen om repressief

te kunnen optreden, blijft dit wapen altijd gevaarlijk voor

de Pers, omdat, wat thans niet bedoeling is, later wel

onder een andere regeering tot uitvoering zou kunnen

komen. Daarom is eventueele herziening van artikel 7

der Grondwet een précair onderwerp, te meer omdat

juist een der richtlijnen voor een democratische regeering

krom gebogen zou kunnen worden; wij zetten niet gaarne

de klok achteruit

In dit verband is het wel eens op zijn plaats, om terug

te gaan tot den z.g. „goeden ouden tijd" en de ontwikkeling

van die vrijheid van drukpers onder de loupe te

nemen.

Twee landen hebben daarin steeds uitgeblonken, Engeland

en Nederland, en steken wij nu de Noordzee

over, dan bestonden daar in de zeventiende eeuw eigenaardige

toestanden op drukpersgebied; slechts wie een

licentie had van het gouvernement, mocht het drukkersbedrijf

uitoefenen, de drukpers was dus om in een modernen

term te spreken: gecontingenteerd. De eerste

stap in de richting van meer vrijheid voor de pers werd

gedaan in 1695 en de Engelsche pers genoot van dat

jaar af een vrijheid, die geen ander land in Europa bezat.

Censuur op de Pers werd afgeschaft, behalve voor

bepaalde publicaties, die met bestaande bepalingen in

strijd zouden zijn. Zoo was het b.v. verboden, om verslagen

te maken van de debatten in het Hooger- en

het" Lagerhuis. Namen der sprekers mochten zelfs niet

in gedrukte publicaties worden genoemd. (Stel u eens

voor, dat een krant geen Kamerverslag zou mogen maken,

dat zelfs het „goedkeurend geknik van den Minister",

dat „gelach of vreugde" of „de voorzitter hamert"

daarin „taboe" zou zijn!). In 1696 kwam in het

Lagerhuis zulk een overtreding in behandeling; zij betrof

het debat over de samenzwering der Jacobijnsche

partij. De hooge Lords gingen nog verder, zij hadden

er bezwaar tegen, dat in eenig drukschrift de naam van

een Lord genoemd werd; Lord Marchmont maakte zich

zeer onpopulair bij de toenmalige pers, toen hij in het

Hoogerhuis doordreef, om in zulk een geval een drukker

m het Huis te laten verschijnen, en hem bij bewezen

overtreding te beboeten. Dientengevolge werd de drukker

Edmund Crull in 1720 opgeroepen om in het Hoogerhuis

te verschijnen, alleen maar omdat hij geadverteerd

had, dat bij hem een werk over Lord Buckingham

zou verschijnen; hem werd verboden om tot uitgifte

daarvan over te gaan, voorts kreeg hij een ernstige vermaning.

De Lords decreteerden voorts, dat, zonder persoonlijke

toestemming van een „Peer", zijn erven of

executeurs geen publicatie over hem mocht doen uitkomen.

Twee jaar later moest Crull weer in het Hoogerhuis

verschijnen, omdat hij geadverteerd had, dat hij de

brieven van Pope zou uitgeven; het Huis vreesde dat

aangezien Pope met verschillende leden van den adel

intiem omgegaan was, edellieden in die brieven zouden

DE J O U R N A L I S T

genoemd worden. 500 exemplaren werden achterhaald,

er werd beslag op gelegd, maar zij werden later vrijgegeven,

er kwam geen Lord in voor; in bepaalde gevallen

kon aan den drukker voor dergelijke overtredingen

gevangenisstraf worden opgelegd.

In 1792, dus 100 jaar na opheffing van de licentiebepaling,

komt de tweede mijlpaal in de geschiedenis

der drukpersvrijheid, de z.g. „Fox Libel Act", waarbij

laster strafbaar werd gesteld. Hierdoor kwam dus weeleen

beperking, maar zij was alleen bedoeld tegen uitwassen,

net als nu onze grondwetsherziening ook slechts

ten doel heeft om tegen uitwassen te kunnen optreden.

Ten slotte nog eenige cijfers over het dagbladwezen

in Engeland, toen de eerste mijlpaal gezet werd op den

weg naar drukpersvrijheid; feitelijk bestond er toen

slechts één „krant": de Londen Gazette, die dus in

1695 al bestond, doch een voortzetting was van de Oxford

Gazette, die in 1665 was opgericht. Formaat en

opmaak van dat blad bleven voor de Engelsche pers

toonaangevend en zelfs nog in 1746 volgde de toen opgerichte

National Journal in groote trekken het voorbeeld

van de Gazette, waarbij b.v. buitenlandsch nieuws

op de voorpagina stond, iets waartegen de „Grub

Street Journal" fulmineerde, welke op grond van eigenwaan

en „splendid isolation" vond, dat het Engelsche

nieuws den voorrang moest genieten. Juist het buitenlandsche

nieuws van de Gazete was aanleiding, dat het

blad omstreeks 1700 een oplaag had van 6000 per week

en daarom door adverteerders gezocht werd. Op de

Gazette volgde de Post Boy, met slechts 4000. In 1710

begon de Gazette drie maal per week uit te komen, het

had toen een oplaag van 8.500, waarvan ruim 1000

exemplaren gratis afgegeven moesten worden; dat was

een privilege der beheerders van postkantoren (postmasters),

zij genoten dus vrijelijk van de vrijheid van

drukpers. De Gazette maakte jaarlijks toen een winst

van circa 6—900 £ en Pitt was een der aandeelhouders

in dat blad. In 1719 ontving hij als winstaandeel 250 £,

voor dien tijd een aardig bedrag! De Englisman, onder

redactie van Steele, bracht het niet verder dan 900, later

de London Journal, een der meest populaire weekbladen

van de achttiende eeuw, tot een oplaag van 10—15.000,

de Craftsman, welke omstreeks 1730 floreerde, tot slechts

4.500. . ,

Ter vergelijking diene, dat de circulatie der hedendaagsche

Engelsche bladen om en bij de 2.000.000 per

dag is! ETTY LEAL.

DRIE AANTEEKENINGEN.

Bij het A.N.P. is de Telex in dienst gesteld. Een

groote gebeurtenis, waarmee wij de leiding van harte

gelukwenschen. In de dagbladen hebben wij natuurlijk

allen het noodige er van gelezen en op onze kranten

zien wij het apparaat. Een compliment voor de dooide

directie van het A.N.P. betoonde voortvarendheid is

hier zeker op zijn plaats.

Onlangs is Eduard Verkade per deurwaarders-exploit

uit Amsterdamsche schouwburgen geweerd. Wij wilden

er iets afkeurends over zeggen, maar toen bleek

dat de directies in hun schulp waren gekropen en hem

weer toelieten. Het verstandigste wat ze doen konden.

Want, deurwaarder of niet, maar het besluit was mis.

In ons vorig nummer schreef de heer J. B. de Gou

iets over idealisme. De directeur-hoofdredacteur van de

Prof. Geld. en Nijmeegsche Courant meent, dat in het

bewuste artikel een totaal ongemotiveerde aanval op zijn

blad wordt gedaan. Wij hebben den naam van genoemde

krant in dat deel van het artikel niet gelezen, maar willen

gaarne de aanteekening plaatsen, dat als dat blad

werd bedoeld, het volgens de directie geheel ten onrechte

geschiedde. Wij weten trouwens, dat collega Manassen

met groote energie en met hart voor de belangen zijner

redacteuren zijn taak vervult.


EEK VERSCHIJNINGS-VERBOD?

De vorige week is het Rapport verschenen, door een

commissie uit de Liberale Staatspartij uitgebracht in

verband met de aanstaande Grondwetsherziening.

Ook de vraag der eventueele wijziging van art. 7

is daarbij behandeld.

Raadpleegt men de Conclusies achter in het boekje,

dan vindt men op pag. 118:

„Handhaving van de drukpersvrijheid, zooals in

art. 7 is omschreven, derhalve ook handhaving van het

verbod van preventieve censuur".

Raadpleegt men echter de beschouwingen, welke aan

de conclusies voorafgaan, dan vindt men daarin betoogd,

dat een verschijningsverbod gedurende bepaalden tijd,

als bijkomende straf door den rechter uit te spreken, door

de commissie niet alleen niet in strijd met art. 7 wordt

geacht, maat zelfs spreekt zij uit een dergelijke mogelijkheid

„gewenscht" te achten. De bedoelde passage

luidt letterlijk:

„Voor ons staat vast, dat bijv. een verbod, als middel

van repressie, tot verschijning van een dagblad of periodiek,

gedurende een bepaalden tijd, als bijkomende straf,

krachtens de wet door den strafrechter opgelegd, in

verband met een gepleegd (drukpers)-delict, met de

slotwoorden van art. 7 der Grondwet in volkomen overeenstemming

is. De mogelijkheid een dergelijke „bijkomende

straf" op te leggen, is naar de meening der commissie

zelfs gewenscht".

De zaak staat dus zóó, dat de commissie art. 7 ongerept

wil behouden, dus preventieve censuur afwijst,

maar dat zij een verschijningsverbod gedurende bepaalden

tijd als bijkomende straf geen preventieven, maar

een repressieven maatregel acht, dien zij „gewenscht"

oordeelt. Dit geluid is ook vernomen in de reeks artikelen,

welke mr. A. N. Molenaar onlangs over de liberale be

ginselen in de N. R. Cf. schreef. Ook hij verwierp preventieve

censuur, maar hij verdedigde het denkbeeld om

bij recidive (van dit laatste spreekt de commissie niet

eens) een tijdelijk verschijningsverbod mogelijk te maken,

als bijkomende straf. Hij voegde er bij, dat een

dergelijk verbod echter „harder (zal) aankomen dan een

preventieve censuur".

Dit laatste is volkomen juist. Zulk een tijdelijk verschijningsverbod

(hoe lang „tijdelijk"?) zal in staat zijn

een krant een geduchten, misschien een onherstelbaren

slag toe te brengen. En nóch de commissie nóch mr.

Molenaar zien de vraag onder het oog, welk verkeerd

gebruik van een dergelijke bepaling gemaakt zou kunnen

worden. Bovendien is het volgens ons nog volstrekt

disputabel, of een tijdelijk verschijningsverbod

inderdaad als een repressieve maatregel kan worden beschouwd.

Men zou op goede gronden kunnen betoogen,

dat het een preventief karakter draagt.

Wij wijzen er op, dat wat hier door de commissie

uit de Liberale Staatspartij en door mr. Molenaar is

betoogd, overeenkomt met het standpunt, in het afgeloopen

najaar door mr. de Geer in de Tweede Kamer

ingenomen. Nu blijkt, dat dit denkbeeld ook onder vrijzinnigen

aanhang vindt, al hebben wij reden om aan

te nemen dat niet de geheele liberale commissie (waarin

o.a. onze collega mr. Van Bolhuis zitting heeft) er mee

accoord ging.

Voor ons is dit alles een reden tot groote waakzaamheid.

Men zegt dat de Staatscommissie vóór Juni haar

Rapport zal indienen.

STOPPERS Pluimpje.

Jhr. Dr. J. Loudon, die gezant geweest is te Peking,

Tokio, Washington en thans nog te Parijs, zeide in zijn

dankwoord bij de huldiging ter gelegenheid van zijn

70en verjaardag o.a. het volgende:

„Ik heb de pers gezien en gevolgd in vele landen,

maar er is geen hooger staande pers dan die in Nederland".

DE J O U R N A L I S T 69

IS. SANTCROOS.

In de organen der Arbeiderspers kon men onlangs

het volgende lezen:

„Met ingang van 1 Juni

a.s. is onze collega, Is. Santcroos

Dl.zn. benoemd tot

hoofdadministrateur van

„Ziekenzorg", en tot directeur

van de levensverzekeringmaatschappij

„Z.Z."

(Ziekenzorg NV.). Deze

benoeming, die onzen partijgenoot

Santcroos maakt

tot opvolger van den onlangs

overleden hoofdadministrateur

Sarphatie, is een

logisch uitvloeisel van de

sterke band die sedert jaren

tussen Santcroos en „Ziekenzorg"

bestond. Het bestuur

van deze vereniging

had hem reeds vijf jaar geleden

aangezocht, op grond

van de grote belangstelling,

die Santcroos voor het vraagstuk der arbeidersziekenfondsen

bezat, als haar secretaris op te willen treden,

en toen dezer dagen door het overlijden van

Sarphatie de plaats van hoofdadministrateur vacant

kwam, bereikte hem het verzoek voortaan deze functie

te willen vervullen. Vele jaren is hij ook redacteur van

het maandblad ver. „Ziekenzorg" geweest.

Santcroos zou dit jaar 25 jaar in de journalistiek zijn

geweest. Op 17-jarige leeftijd werd hij, zó van de schoolbanken,

volontair bij het toenmalige persbureau Vaz

Dias, waar hij 4 jaar bleef. Na een kort intermezzo, —

ontstaan door de opheffing van het Nieuwsblad voor

Nederland, dat door De Telegraaf gekocht werd, waaraan

hij juist benoemd zou worden — benoemde het

partijbestuur hem in Juli 1917 tot redacteur van Het

Volk. Santcroos heeft in die reeks van jaren talloze reportages

voor ons blad verricht, op vrijwel ieder terrein

dat voor een ambitieus journalist open ligt. Hij verzorgde

het stadsnieuws, doch trok ook herhaaldelijk naar

buiten, — nog onlangs brachten wij zijn verslagen van

de overstromingsramp 1926 in herinnering, — terwijl in

de laatste tijd de gemeentepolitiek het terrein van zijn

werkzaamheid was. Bovendien heeft hij in allerlei tijdschriften,

waarvan hij tot de medewerkers behoorde,

artikelen op velerlei gebied gepubliceerd.

Ruim negen jaar heeft de Ned. Journalisten-Kring

Santcroos onder zijn hoofdbestuurders geteld. Voorts

was hij lange tijd secretaris van de vereniging tot het

oprichten van lagere nijverheidsscholen, en de twee neutrale

nijverheidsscholen, die Amsterdam telt, zijn, mede

dank zij zijn initiatief, hier ter stede tot stand gekomen."

Tot zoover de Arbeiderspers. Wij van onzen kant

wenschen hier een woord van leedwezen aan toe te

voegen, niet alleen over het verdwijnen van een zeer

bekwaam en toegewijd journalist uit ons midden, maar

ook, en zeker niet minder, over het heengaan van een

voortreffelijk Kringbestuurder. Santcroos heeft zich ook

van deze laatste taak met grooten ijver gegeven. In het

Kringbestuur droeg men hem niet alleen algemeen

vriendschap toe, maar men stelde er zijn adviezen, die

steeds even zakelijk en doordacht waren, en altijd op

rustigen, zij het sterk overtuigden toon werden gegeven,

op zeer hoogen prijs.

In de jongste bestuursvergadering heeft Santcroos van

zijn aanstaand heengaan mededeeling gedaan.

Zijn afscheid beteekent een stellig verlies voor de

journalistiek en voor ons Bestuur.


70 DE J O U R N A L I S T

E. THORN PRIKKER, t

Enkele weken geleden is in Den Haag in 62-jarigen

ouderdom overleden de eenigszins vergeten journalist

en romanschrijver Eduard Thorn Prikker. Zijn naam

moge niet zoo bekend zijn geworden als dien van zijn

broer, den schilder Johan Thorn Prikker, omstreeks de

eeuwwisseling heeft hij toch belangrijk letterkundig werk

verricht, dat volgens velen een beter lot verdiend had.

De overledene is werkzaam geweest aan de redactie van

De Avondpost, is Parijsch correspondent van De Telegraaf

geweest, was een der eerste postscripta-schrijvers

van de Haagsche Post en maakte later nog deel uit van

de redactie van de Delftsche Courant. Als schrijver heeft

hij vooral onder de pseudoniemen van Eduard Verburgh

en F. Walraedt van Royen veel meer beteekenis gehad

dan als journalist. In 1898 richtte hij De Arbeid op.

waarin hij op hoogstaande wijze oppositie voerde tegen

de Tachtigers. Het blad heeft slechts vier jaar bestaan

en hoewel zijn proza in ruimen kring weerklank vond,

is hij later vergeten en heeft hij geen navolgers gehad.

Uit den tijd, dat hij redacteur was van de Delftsche

Courant, herinner ik mij een voorval, dat even typeerend

was voor zijn kwaliteit als journalist als voor zijn

macht over het woord. In het najaar van 1934 zou prof.

Lorentz voor een studenten-vereeniging komen spreken

over de relativiteits-theorie. Prikker werd er op afgestuurd

om van die lezing een verslag te maken voor de

Delftsche Courant, maar wat kregen de lezers van het

blad den volgenden avond onder de oogen? 's Morgens

vertelde Prikker van het gesprokene geen syllabe te

hebben begrepen, maar hij had zich een prachtig beeld

gevormd van den met vele gebaren druk sprekenden kleinen

hoogleeraar. Dit beeld nu legde hij op onnavolgbare

wijze in woorden vast, zoodat de lezers in driekwart

kolom een zeer scherp en sprekend beeld kregen voorgezet

van den wereldberoemden Nederlander. Het was

journalistiek van hoog gehalte en ik geloof zeker, dat

de lezers der Delftsche Courant aan dat „portret" veel

meer gehad hebben, dan aan een wat stuntelige weergeving

van de bsproken materie. Immers degenen, die

iets over de relativiteits-theorie willen weten, zullen er

een locaal nieuwsblad niet op naslaan, terwijl de stof

zich voor den gemiddelden lezer van een plaatselijk ormaan

m.i. evenmin leent. Ik meen dan ook, dat Prikker

ons een goed voorbeeld heeft gegeven, maar tevens ben

ik van oordeel dat het weinigen van ons gegeven is

zoo'n prestatie op behoorlijk peil ten uitvoer te leggen.

W. R. C. VAN BOETZELAER.

lilt Onze Bladen.

PREVENTIEVE CENSUUR?

In het orgaan De R. K. Staatspartij kwam onlangs

een voortreffelijk artikel voor over preventieve censuur,

waaraan wij het volgende ontleenen:

„De vrijheid van drukpers is den burger niet gegund bij wijze

van onschuldig vermaak, dat hem weer ontnomen kan worden, zoodra

hij er een voor de overheid onwelgevallig gebruik van maakt.

De vrijheid van drukpers is een wezenlijk bestanddeel van onze

vaderlandsche democratie. De bouwers van onzen rechtsstaat hebben

getracht in het positieve recht waarborgen te scheppen tegen machtsoverschrijding

door de hoogste machthebbers. Het staatkundig raadsel:

„Wie zal de bewakers der rechtsorde bewaken?" hebben zij

trachten op te lossen door de constitutie te doen steunen op drie

pijlers: op een evenwichtige driedeeling van machten, op de volksvertegenwoordiging

en op directen volksinvloed. Drie pijlers,

waarvan er geen mag ontbreken. Ook niet de directe volksinvloed.

Vrijheid van drukpers en recht van petitie zijn even goed elementen

van ons rechtssysteem, als de vertegenwoordiging van het volk

in de wetgevende lichamen. Wat voor zin zou het algemeene kiesrecht

hebben zonder de vrije meeningsuiting van het volk?

Ook art. 7 is een grondwetsartikel. Zonder drukpersvrijheid is

onze rechtsstaat niet volledig.

Niet alleen in ons recht, doch dieper nog in deze vrijheid verankerd.

Zij is ons volk in de ziel gegroeid. Geen kwader man,

dan een Nederlander, die niet zijn meening zeggen mag. In de

bakermat der boekdrukkunst heeft de drukpersvrijheid het eerst

gebloeid. Niet steeds ten zegen, het zij erkend. Doch kwam ons

land er slechter af dan andere, waar het ventiel van het opstandige

woord werd gestopt en het volk aldus geprest werd tot de opstandige

daad? Wat de staatkunde te vreezen heeft is niet het

teveel aan denkbeelden, doch het tekort. Slechts achterstand. Het

teveel kost papier, het tekort bloed. In het algemeen heeft hier te

lande de publieke gedachtenwisseling door middel van de drukpers

de ontwikkeling der ideeën bevorderd, en sociale hervormingen

zonder schokken doen verloopen. In het algemeen toonde ons volk

aan de politieke minderjarigheid te zijn ontwassen, en in staat te

zijn de weelde der drukpersvrijheid te kunnen dragen. Vergeten wij,

katholieken ook niet, wat wij in de jaren van onze emancipatie

te danken hebben gehad aan onze vrije pers. Er zijn echter steeds

wanklanken in het koor gehoord, en, zegt men, op het oogenblik

zijn die sterker dan ooit. Wat tien jaar geleden niet mogelijk scheen,

gebeurt: de Regeering van het Nederlandsche volk overweegt,

wegens veelvuldige drukpers-excessen, wijziging van het zevende

Grondwetsartikel.

Art. 7 luidt: „Niemand heeft voorafgaand verlof noodig, om door

de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders

verantwoordelijkheid volgens de wet."

Door de laatste zinsnede is dit artikel niet zoo heel veelzeggend.

Als het echter iets inhoudt, dan is het: het verbod van preventieve

censuur. Wijziging van dit artikel is geheel overbodig, tenzij

men wil aantasten het beginsel, dat preventieve censuur in ons

recht niet mag voorkomen. Terecht komen dan ook diegenen in

het geweer, die hier een wezenlijk element onzer democratie zien

bedreigd.. Doch is niet even terecht de Regeering verontwaardigd

over de excessen dier drukpersvrijheid? Hier ligt een dilemma: een

nationaal cultuurgoed, dat waard is te worden verdedigd, en uitwassen,

die om het snoeimes roepen.

Wijs is het maanwoord van St. Thomas, waarmee hij den wetgevers

afraadt al het kwaad met verboden te willen bestrijden,

omdat „veel goeds zou worden belet, indien men al het kwaad zou

willen verhinderen."

Wat immers beteekent preventieve censuur? Zij kan zich uitstrekken

over persoonlijke beschuldigingen, over publicaties van

feiten en over zuivere meeningsuitingen. Het is waar, dat de extremistische

pers zich schuldig maakt aan schandelijke uitingen. Doch

is niet verreweg het grootste deel der Nederlandsche pers het rustig

spiegelbeeld van een, weliswaar sterk geschakeerde, maar toch

evenwichtige volkseenheid? Wanklanken hebben zich daarnaast

steeds voorgedaan. Was 40 jaar geleden de sociaal-democratische

pers zoo democratisch van toon? Herinnert men zich nog de anarchistische

blaadjes ten plattelande? Kon ook de oude school der

katholieke journalistiek, de generatie der emancipatie, geen forschen

toon aanslaan? De soep wordt in dit land dikwijls zeer heet opgediend,

doch hoe werd ze gegeten? Indien de prikkelbaarheid

van ons kalme volk inderdaad dermate is toegenomen, dat lectuur

gevaar oplevert voor de openbare orde, is het dan noodig van het

zachtste repressieve stelsel van censuur ineens, met overslaan van

alle tusschentrappen, over te springen naar de preventie? De wetgever

zal heel veel bereiken door een herziening van het Strafwetboek,

wat betreft het daderschap van drukpersdilecten. Het is beter

door 't aannemen van een fictief daderschap, dengene die in feite

hoofdredacteur is (dus geen strooman), te treffen, dan rotatiepersen

en drukkerijen. (Het schijnt dr. Colijn wenschelijk voor te komen

een orgaan als zoodanig te kunnen opheffen, door tijdelijke of

permanente verboden. Dit is een illusie. Zulke verboden werken

averechts: als propaganda. Houdt den dader!).

Naast verscherping der strafrechtelijke repressie kan slechts helpen

de opvoeding van het publiek. De gezonde geesten zullen er

spoedig genoeg van hebben te worden aangesproken op de wijze

waarop men slechts tot gepeupel het woord richt. De democratische

bladen gewennen hun lezers daarom behalve aan goeden inhoud

ook aan goeden toon.

Wijziging van artikel 7 der Grondwet lijkt voorshands niet

noodig. Daar zit tè veel aan vast. Wel zou deze Regeering een

verstandig gebruik maken van preventieve censuur, doch dat zijn

overwegingen, waarop men geen Grondwetsherziening baseert, die

toch een blijvende verandering van ons rechtsstelsel beteekent. Wellicht

is ten opzichte der persmanieren op den langen duur meer

heil te verwachten van het andere grondwetsartikel, dat onder

handen zal worden genomen: art. 194.

Eigenlijk moeten de huidige drukpers-uitwassen ernstiger genomen

worden als cultureel gevaar, dan als gevaar voor de staatsorde.

Het nieuwe is niet, dat er gehitst wordt. Dat is erger gebeurd.

Het nieuwe is. dat de demagogie geen uiting meer is van

verhitte geesten, die doldriftig strijden voor een zaak, waardoor zij

zijn gevangen. Thans wordt koelbloedig demagogie gepleegd als

een wetenschap, volgens internationaal gangbare schabionen, zonder

bekommernis om de waarheid, doch alleen lettend op het nuttig

effect. Het is daarom vooral de tastbare kwade trouw, die in de

communistische en fascistische pers ergert. Dit is niet uitsluitend

een kwestie van staatsgevaarlijkheid, doch dikwerf veeleer van

beroepseer. Wanneer ooit (wij allen zijn dan oud en grijs) het

publiciteitsbedrijf zich inwendig zal hebben georganiseerd, d.w.z.

organisch zal zijn geworden, wanneer door toenadering tusschen

uitgevers en schrijvers ooit een gesloten bedrijfschap zal zijn ontstaan,

dan zal een eigen tuchtrecht, van overheidswege gesanctionneerd,

heilzamer werken dan regeeringscensuur. Het persbedrijf zelf

zal de beroepseer bewaken. De collectiviteit zal daarbij het verantwoordelijkheidsgevoel

toonen, dat den enkeling somtijds ontbreekt.

Dit alles heek nog tijd van leven. Men rijde niet te paard dezen

porceleinwinkel binnen."


Journalistieke Herrirniermgen.

HERINNERINGEN VAN EEN JOURNALIST. *)

III.

Ik heb in de 25 jaar, dat ik aan de Amsterdamsche

Courant gewerkt heb, heel wat mee gemaakt.

Hoofdredacteuren maar één. Nadat de Bergh, na zijn

terugkomst uit Indië, waarheen hij zich ter elfder ure

door Mr. Caroli voor mevrouw Bulkly had laten zenden,

door de directie weggekeken was, deed Franchimont

als redacteur het werk, zonder dat hij echter hoofdartikelen

schreef. Dat deed een enkelen keer de directeur

van de Brakke Grond, de heer Van Beek, of de heer

J. Hulse, die tweede correspondent van de Nieuwe Rotterdamsche

Courant was, een zeer begaafd journalist,

voor wien ik groot respect had. Ik kende hem door zijn

brochure ,,Naar Frankrijk front" door Aldegonde, waarin

hij den jongsten oorlog nagenoeg geheel voorspelde,

vooral ten opzichte van de plaats waar deze zich moest

afspelen. Aan de verschijning dezer brochure is een aardige

geschiedenis verbonden. Op een goeden dag vroeg

Hulse mij, of ik een geheim kon bewaren. Ik antwoordde

daarop, dat dit wel zou gaan. Hij vertelde me toen.

dat hij mij vertrouwde, mijn hulp kwam inroepen. Hij had

na zijn studie voor officier vaarwel gezegd te hebben,

een paar militaire vakken, strategie en taktiek, aangehouden

en na een grondige studie van den Fransch-

Duitschen oorlog van '70 — hij kende het Duitschc

Generale-Stafwerk bijna uit zijn hoofd — een brochure

geschreven, waarin hij met klem betoogde, dat Nederland

zich in een volgenden oorlog bij Duitschland moest

aansluiten, wilde het niet onder den voet geloopen

worden. Hij voorzag dat die brochure heel wat sensatie

zou maken, doch wist ook, dat, indien uitlekte dat hij

de schrijver was, men zou zeggen: „Weet hij veel!", en

daarmee de brochure in de prullemand zou verdwijnen.

Want, zoo redeneerde hij, men let hier nooit op wat

gezegd wordt, doch op wie het zegt. En de ondervinding

stelde hem volmondig in het gelijk. Nu was zijn verzoek

aan mij, dat ik voor een uitgever zou zorgen, zonder zijn

naam te noemen en dat ik zwijgen zou. Wat dit laatste

betreft, kon ik hem met een gerust hart verzekeren,

dat ik dit kón en wilde en wat het eerste betreft, dat

ik zou probeeren of de uitgever van mijn militaire bundels

de uitgave aandurfde. De bezwaren kwamen natuurlijk

dadelijk voor den dag. Een brochure uitgeven,

zonder den naam van den schrijver te kennen, leek den

heer L. J. Veen niet aanlokkelijk. Vooral omdat de uitgave

van een brochure in ons land meestal een te kort

opleverde. Wat dat betreft, kon ik hem gerust stellen.

Geld zou hij er niet hebben bij te leggen. Als er een

tekort was, waarvoor wij niet vreesden, zou dat door den

auteur betaald worden. Ten slotte stapte de uitgever over

de bezwaren heen, doch hij wenschte, alvorens te beslissen,

de brochure te lezen. Dat werd hem toegestaan.

De lezing scheen op den heer Veen zoo'n indruk te

maken, dat hij besloot de brochure uit te geven. Zij verscheen

en werd naar alle voornaamste bladen der wereld

ter recensie gezonden. Neen, wat wij daar een plezier

van gehad hebben! Een onzer grootste politieke

bladen — het was tijdens het Ministerie-M ackay

— liet in haar aankondiging doorschemeren, dat de brochure

geschreven moest zijn door een der leden van het

zittend Ministerie en het wees Mr. A. F. De Savornin

Lohman als met den vinger aan. Alle groote dagbladen

van Europa, in de eerste plaats de Duitsche en Fransche,

doch ook de Belgische en Oostenrijksche bladen,

plaatsten hoofdartikelen tegen of voor. Maar zijn deskundigheid

en de voorspelling van het toekomstig terrein

van den oorlog (België werd door niemand bestreden.

*) Gevonden in de nalatenschap van den schriji

DE J O U R N A L I S T 71

Twee gedelegeerden;

Jan van den ± ;

(Amsterdam) en K,

Voskuil (den Haag)

met elkander in diepzinnig

overleg aan den

[eestmaaltijd in Den

Haag. Zouden ze nu

werkelijk een „Bond

va n Gedelegeerde n''

willen oprichten, zooals

al meermalen werd

gefluisterd, ten einde

hun rechtpositie in het Bestuur te versterken?

Voor Hulse was de zaak daarmee uit. De brochure

werd druk verkocht, er behoefde dus niets bij en hij werd

gelezen door hen, op wie de schrijver het oog had.

In die dagen was Henry Tindal in De Telegraaf de

militaire medewerker, die er in een reeks artikelen op

hamerde, dat men het leger zou verbeteren. Hij liet de

brochure niet onbesproken, ik laat staan in welke richting,

maar wat het vermakelijkste was, hij insinueerde,

dat de schrijver der brochure in de Brakke Grond (waar

De Amsterd. Cr. verscheen) zetelde. Ik sprak dit natuurlijk

dadelijk tegen, doch toen ik mijn aanslag in de

gemeente-belasting thuis kreeg, bemerkte ik, dat ik vrij

aanzienlijk was verhoogd, niettegenstaande de toenmalige

wethouder voor de Financiën, Dyserink, die commissaris

van de Brakke Grond en daardoor ook gelieerd

was aan de Amsterdamsche Courant, kon weten, dat

mijn salaris, dat toen nog ƒ 800.— bedroeg, niet was

verhoogd, wat ik den heeren op het Stadhuis meedeelde.

Het antwoord deed onmiddellijk zien, dat men daar

goede couranten-lezers was, want de ambtenaar gaf me

triumpheerend ten antwoord: „Maar die brochure „Naar

Frankrijk front" heeft u toch geen windeieren gelegd!"

Met moeite kon ik hen overtuigen, dat ik de schrijver

niet was, wat uit den stijl direct sprak. Want Hulse had

een benijdenswaardigen stijl, door scherp en raak de

dingen waarom het ging den klemtoon te geven.

Behalve deze brochure had hij in de door mij geredigeerde

Portefeuille een paar artikelen geschreven over

„Het Dagboek van Willem de Klerk" en over den Franschen

criticus H. Beune, die zooveel succes hadden, dat

de uitgever M. M. Olivier vroeg ze afzonderlijk te

mogen uitgeven.

Ik kende dus zijn pittigen stijl en bewonderde die, zoodat,

toen de directie van de Amsterdamsche Courant mij

vroeg, wien ik als hoofdredacteur zou aanbevelen, ik

geen oogenblik aarzelde om Hulse te noemen, op wien

de keuze dan ook gevestigd werd. Hij nam die benoeming

echter niet aan, zonder voorwaarden, waarvan er

enkelen ons golden, wat het salaris betreft. Hij verklaarde

met zulke hongerlijders niet te kunnen werken.

Bovendien stelde hij als eisch, dat ik, die de stad op

mijn duimpje kende en liefhad, moest blijven. Hij kreeg

in alles zijn zin.

Zijn eerste werk was om, in navolging van De Amserdammer,

waaraan hij onder de Koo gewerkt had.

een spiegel van de courant aan te leggen. Tot dusver

gaf ieder redacteur zijn copie aan den meesterknecht der

drukkerij en 's middags bij het opmaken ging de redacteur-binnenland

even naar boven en als er te veel was,

besliste deze in overleg met den meesterknecht, die ook

opmaker was, wat kon blijven liggen. Nu moest alles in

rubrieken, die een vast nummer droegen, worden ingeschreven

met het aantal regels en moest de redacteur,

met die lijst voor oogen, opmaken en vooruit al weten

of er te veel of te weinig was en hoeveel. Voor het

opmaken behoorde hij al wat niet actueel was op een

nieuwe lijst voor een anderen dag over te schrijven en

niet te laten zetten. Dit vroeg eenige oplettendheid, doch

eenmaal er aan gewoon, was het doodeenvoudig en rationeel.

De arme meesterknecht werd er ziek van en


72

kwam niet op de drukkerij terug. De redacteur, die er

mee belast werd, mopperde den ganschen dag over de

moeilijkheden, doch Hulse bleef doodkalm en zei: ,,A1

moet ik ook over al jullie lijken gaan, het moet gebeuren,

want later zal je me er dankbaar voor zijn."

De redacteur werd ook ziek en keerde evenmin terug.

Zijn opvolger had er geen moeite mee en erkende volmondig

het practische van het systeem, dat sedert wel

overal zal zijn ingevoerd.

Wat zijn de salarissen in de journalistiek veranderd!

Ik heb al verteld, dat ik, tot dat Hulse hoofdredacteur

werd, ƒ 800.— verdiende. En daarvoor moest men nacht

en dag gereed staan, want ik heb de geheele ontwikkeling

van de sociaal-democratie mee gemaakt, — en kon

men op bijverdienste niet rekenen. Een teekenend staaltje

ondervond ik voor Hulse kwam. Het was het eerste

jaar van mijn journalistieke loopbaan. Ik had me met

het oog op de komst der Koninginnen in de bullen, dus

in de schuld moeten steken. Op den dag van aankomst

kom ik 's morgens in pontificaal, gekleed-gejast en hooggehoed,

op bureau. Wordt van alle kanten door de collegas

bewonderd en op den hak genomen. Ik was in de

beste stemming. Nog even op mijn tafel ziende, vind

ik een briefje, geschreven met de hand van den Directeur

Van Beek. Ik maak het couvert open en lees: „Gij

hebt al uw werkkracht aan de Amsterdamsche Courant

verkocht. En ik hoor dat gij de redactie van De Portefeuille

voert. Gij hebt te kiezen tusschen dit laatste

blad en de Amsterdamsche Courant."

Nu moet men, om mijn woede te verklaren, weten, dat

De Portefeuille een kunstblad was, dat door mij en de

meeste medewerkers voor niets geschreven werd.

Ik had de Redactie op mij genomen, omdat ik als jong

journalist aan een blad, dat geen relaties meer had,

daardoor met belangrijke en belangwekkende menschen

in aanraking kwam. Ik stapte onmiddellijk naar het bureau

van de directie en zei: „U hadt me dat toch, waar

we zoo kort bij elkaar zitten, wel mondeling kunnen

zeggen. Weet u dat ik De Portefeuille voor niets redigeer?"

— „Dat kan mij niet schelen, maar je hebt, zooals

ik je schreef, te kiezen of te deelen". Nu hadt de

goede man het ongeluk niet erg parlementair te zijn

en een knoop in zijn gesprek laten vallen. Dat maakte

me zoo van streek, dat ik hem even liet hooren dat ik

uit mijn soldatentijd een bloemrijker taal kon produceeren

dan hij, die nooit 's Konings rok gedragen hadt.

Dat sloeg in. Daarop was hij niet voorbereid en maakte

indruk.

„Gij zegt dat ik kiezen moet, welnu, ofschoon ik er

broodeloos door word, ik heb gekozen. Ik ga naar huis

en zoekt gij maar een ander om de Koninginnen te

volgen".

Er was natuurlijk geen ander en dat maakte hem klein,

maar het meest had mijn kazerne-taal indruk op hem

gemaakt, want we zijn sedert de beste maatjes geworden

en gebleven. Hij begon nu een geheel anderen toon aan

te slaan en meende, dat we ons beiden te veel opwonden

en dat het verstandig zou zijn, om straks, als het werk

afgeloopen was, er kalm over te praten. Ook toen tapte

hij uit een heel ander vaatje, zoodat de zaak met een

sisser afliep.

Maar ik bleef De Portefeuille redigeeren.

N. VAN HARPEN.

STOPPERS. Pers-attaché's.

De Gazeffe Ufficiale van 28 Maart 1936, no. 73 meldt,

dat de functie van persattaché bij de Italiaansche Ambassades

en Gezantschappen wordt ingesteld. Ten hoogste

zullen 14 persattachés kunnen worden benoemd bij

die diplomatieke vertegenwoordigingen, die nader zullen

worden aangeduid. De kosten, aan deze nieuwe

instelling verbonden, komen ten laste van het Ministerie

van Propaganda en Persaangelegenheden.

DE J O U R N A L I S T

Allerlei.

ZUID-AFRIKAANSCHE JOURNALISTIEK.

Na een 35jarige loopbaan in de journalistiek is dr.

Gustav S. Preller, hoofdredacteur van Die Vaderland

afgetreden en door W. van Heerden, zijn assistent, opgevolgd.

Preller wordt met Eugène Marais en onzen landgenoot

dr. F. V. Engelenburg tot de vaders van de Af'rikaansche

journalistiek gerekend. Hij heeft met taai idealisme

een Afrikaansche journalistiek voor den Afrikaansch-sprekenden

Afrikaner helpen opbouwen en

daarbij nog tijd gevonden voor de publicatie van tal van

geschiedkundige boeken. Voor zijn verdiensten als geschiedvorscher

van het Afrikaansche volk schonk de

universiteit van Stellenbosch hem in 1930 een eeredoctoraat.

Noode ziet Die Vaderland hem vertrekken, niet

om te rusten, maar om zich te wijden aan zijn tweede

levenswerk, waaraan hij sinds eenigen tijd bezig is, n.1.

de verzameling van gegevens nopens den tweeden vrijheidsoorlog.

Het was sinds lang de wensch van de Unieregeering

dat die geschiedenis zou worden te boek gesteld

en meer dan iemand anders is Preller daarvoor de

aangekezen man, die door eigen studie tot de hoogste

sport is opgeklommen, tot hoofdredacteur van een Afrikaansch

blad met nationalen invloed en tot een van

Zuid-Afrika's beste geschiedschrijvers.

Preller, een kleinzoon van den beroemden generaal

S. Schoeman, is in 1874 geboren op de plaats Klein-

Schoemansdal, waar thans Pretoria ligt. Voor den oorlog

van 1899 was hij klerk op het departement van mijnwezen

van de Zuid-Afrikaansche republiek.

H. W. DE RONDE

Er heeft zich een comité gevormd, om onzen collega

H. W. de Ronde, muziek-criticus van het Rotterdamsch

Nieuwsblad, op 1 Mei a.s. bij zijn afscheid een huldeblijk

aan te bieden. Burgemeester Droogleever Fortuyn is

eere-voorzitter. De Kring-voorzitter maakt deel uit van

het Comité. Op 1 Mei, des middags half 4, zal men in

de foyer van den Doelen den scheidenden collega, aan

wien Henri Dekking in ons vorig nummer een beschouwing

wijdde, de hand kunnen drukken.

3. B. VESTERS.

Op de jaarvergadering van de Katholieke Journalisten-Vereeniging,

de volgende maand te houden, zal de

heer J. B. Vesters het voorzitterschap, dat hij vele jaren

heeft bekleed, neerleggen. Met leedwezen is dit ook

door ons vernomen; wij behouden aan de talrijke ontmoetingen,

welke wij met hem mochten hebben, niet

anders dan goede en aangename herinneringen aan een

hoogst-achtenswaardige, rechtschapen en bescheiden

persoonlijkheid.

De heer Jan van Menten, hoofdredacteur van het

Handelsblad van Antwerpen, herdacht Zondag zijn

gouden jubilé als journalist. De Koning benoemde hem

tot commandeur in de Leopolds-orde.

De Nieuwe Hengelosche Courant bestaat op

Mei a.s. 50 jaar.

— Ledenlijst. Aan de wijzigingen op pag. 48 moet

worden toegevoegd:

Dr. S. S. Smeding, verhuisd naar Tverseijlt Bestech

Lange St. Pieterstraat, Middelburg.

Aan de Ledenlijst (boekje) moet worden toegevoegd:

Ph. J. G. Roest, van Boetzelaerstraat 53, Alphen a. d.

Rijn. Achter den naam D. Wehrens moet de toevoeging

Eigen Volk worden geschrapt.

More magazines by this user
Similar magazines