4 - Nederlandse Vereniging van bioMedisch ...

nvml.nl

4 - Nederlandse Vereniging van bioMedisch ...

Mei 2011 • 66ste jaargang Nr: 4

Lipiden

Goed vet, vet goed!

Meningokokken C

Effectiviteit vaccinatieprogramma

Zilveren Vlam

Winnaars MLO en HLO

E-learning

Eerste module Bloedafname gelanceerd


40 KM LOPEN VOOR

RUGZAKDOKTERS BIRMA

LOOP MEE

IN DE NACHT

VAN DE VLUCHTELING

HOE VER ZOU JIJ 'S NACHTS LOPEN UIT ANGST VOOR GEWELD?

ROTTERDAM-DEN HAAG

18-19 JUNI 2011

START: 18 JUNI 24:00 ERASMUSBRUG, ROTTERDAM

AANKOMST: 19 JUNI HUMANITY HOUSE, DEN HAAG

MET: WALDEMAR TORENSTRA, AHMED ABOUTALEB, JAN DOUWE KROESKE,

JOZIAS VAN AARTSEN, OLGA COMMANDEUR E.A.

WWW.NACHTVANDEVLUCHTELING.NL


In dit nummer

100

114

118

122

Lipiden – goed vet, vet goed!

Patrick Kromhout, klinisch-chemisch analist

Hart- en vaatziekten zijn bij vrouwen sinds kort doodsoorzaak nummer 1

en bij mannen staan ze op de tweede plaats. De oorzaak hangt van een

aantal factoren af. Eén van die factoren is een verhoogd en/of abnormaal

lipidenpatroon. In dit artikel wordt het vetmetabolisme besproken en wat

de gevolgen zijn van een lipidenstoornis. Om het risico op dit terrein te

verminderen, is een gezond levenspatroon belangrijk, waarbij gelet wordt op

de soort voeding. Vaak zal een medicamenteuze behandeling noodzakelijk zijn,

vooral wanneer het risico op hart- en vaatziekten verhoogd is, wat meestal bij

een lipidenstoornis het geval is. Dit is vastgelegd in de Multidisciplinaire richtlijn

Cardiovasculair risicomanagement 2006 van het Kwaliteitsinstituut voor de

Gezondheidszorg CBO en het Nederlands Huisartsen Genootschap, waarvan

inmiddels alweer een concept voor herziening klaarligt. De casussen laten zien

wat de gevolgen en de behandeling kunnen zijn van een verhoogd/afwijkend

lipidenpatroon. Laboratoriumdiagnostiek is een goed hulpmiddel voor de arts

om te bepalen welke behandeling de patiënt gaat krijgen.

Zilveren Vlam uitgereikt

De feestelijke uitreiking van de Zilveren Vlam vond dit jaar plaats op 31 maart

tijdens de Vakbeurs Techniek & Diagnostiek in CineMec te Ede. De winnaars zijn

Michelle Kip, afgestudeerd aan het HLO van Saxion Hogeschool te Enschede, en

Elise Roetman, afgestudeerd aan ROC Leiden.

Meningokokken C-specifieke immuniteit: bescherming in

een periode na immunisatie met een conjugaatvaccin

R.M. de Voer

Na invoering van het meningokokken C (MenC)-conjugaatvaccin in 2002 daalde

het aantal gevallen van MenC-ziekte drastisch in Nederland. Het doel van dit

proefschrift was het onderzoeken van de effecten van invoering van vaccinatie

op de Nederlandse populatie en het bepalen van de duur van de bescherming

na een enkele vaccinatie. Daarnaast is onderzocht hoe de immuunrespons

tegen het MenC-conjugaatvaccin is opgebouwd. Dit onderzoek is bedoeld om

gerichte aanbevelingen te kunnen maken voor toekomstig beleid aangaande

meningokokkenvaccinatie.

Eerste module e-learning gelanceerd

De NVML ontwikkelt in joint venture met het Lectoraat Kwaliteit & Innovatie in

de Zorg een e-learningprogramma voor medisch laboratoriummedewerkers.

De eerste voltooide module Bloedafname is tijdens de Vakbeurs Techniek &

Diagnostiek in het CineMec te Ede op 31 maart jl. gepresenteerd.

108

111

115

116

117

126

109

112

121

123

124

126

127

Uitgave: Nederlandse Vereniging van bioMedisch Laboratoriummedewerkers.

NVML-leden ontvangen Analyse gratis.

Copyright: Het overnemen van artikelen is alleen toegestaan

na toestemming van de redactiecoördinator.

De NVML aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor de

gepubliceerde advertenties; evenmin houdt het opnemen

van advertenties en industriële informatie een aanbeveling

van de NVML in.

ISSN 0166-7688

Verenigingsnieuws

Van het bestuur

Redactiecommissie

NVML huisstijl

WHAKC

NVML Vakbeurs

Nieuwe leden

Vaste rubrieken

Nieuws

Nieuws

Cao-nieuws

Tijdschriften

Proefschriften

Opleidingen

- Hogeschool Utrecht

- Avans Hogeschool

- Centrum Bioscience en Diagnostiek

Agenda

Analyse mei 2011 99


Lipiden – goed vet, vet goed!

Patrick Kromhout, klinisch-chemisch analist

Hart- en vaatziekten zijn bij vrouwen sinds kort doodsoorzaak nummer 1 en bij mannen staan ze op de

tweede plaats. De oorzaak hangt van een aantal factoren af. Eén van die factoren is een verhoogd en/

of abnormaal lipidenpatroon. In dit artikel wordt het vetmetabolisme besproken en wat de gevolgen

zijn van een lipidenstoornis. Om het risico op dit terrein te verminderen, is een gezond levenspatroon

belangrijk, waarbij gelet wordt op de soort voeding. Vaak zal een medicamenteuze behandeling

noodzakelijk zijn, vooral wanneer het risico op hart- en vaatziekten verhoogd is, wat meestal bij

een lipidenstoornis het geval is. Dit is vastgelegd in de Multidisciplinaire richtlijn Cardiovasculair

risicomanagement 2006 van het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO en het Nederlands

Huisartsen Genootschap (1), waarvan inmiddels alweer een concept voor herziening klaarligt. De

casussen laten zien wat de gevolgen en de behandeling kunnen zijn van een verhoogd/afwijkend

lipidenpatroon. Laboratoriumdiagnostiek is een goed hulpmiddel voor de arts om te bepalen welke

behandeling de patiënt gaat krijgen.

Vet heeft vandaag de dag een negatieve klank. We horen

constant dat we te vet eten en dat dit ongezond is. Het heeft met

de welvaart te maken en is de oorzaak van diverse ziekten en

aandoeningen. Ondanks het feit dat dit klopt, kunnen we er niet

aan voorbijgaan dat vet ook essentieel is voor het lichaam. Het

lichaam slaat vet op om over een energiebuffer te beschikken

en vet is nodig als voorraaddepot van diverse stoffen. Daarnaast

hebben we het ook nodig als bouwstof voor ons lichaam.

Cholesterol is de basisstof voor onze steroïdhormonen en elke

cel heeft een celmembraan die opgebouwd is uit fosfolipiden.

Aangezien in het dagelijks leven vaak gesproken wordt over

goede en slechte vetten is het nuttig eens te bekijken wat er nu in

het lichaam met al dat vet gebeurt. Hoe wordt vet in ons lichaam

verwerkt en wat zijn de gevolgen daarvan? Hoe kan iemand

zijn of haar lichaam een handje helpen met het tot zich nemen

van de juiste vetten? Wat zijn de gevolgen van te veel vet of het

nuttigen van de verkeerde vetten? Zijn er ook oorzaken waarbij

we er niets aan kunnen doen dat we te dik worden of een te hoog

cholesterol hebben? Op deze vragen wil dit artikel een antwoord

geven. Allereerst komt de verwerking van het vet in ons lichaam

aan de orde. Vet is een verzamelnaam. We kunnen het uitsplitsen

in vetzuren die nodig zijn voor de energie, de zogenaamde

triglyceriden. Daarnaast hebben we ook vetten nodig die als

bouwstoffen dienen en dit wordt het cholesterol genoemd. Het

totale cholesterol kan ook weer uitgesplitst worden, op basis

van de dichtheid, in: high density lipoprotein (HDL), low density

lipoprotein (LDL) en very low density lipoprotein (VLDL). We

beschrijven eerst het energiemetabolisme, de triglyceriden.

Energiemetabolisme (2)

Vetzuren zijn de voorkeursbrandstof, boven koolhydraten

en eiwitten. Vetzuren hebben echter het nadeel dat ze een

emulgerend (verzepend, oplossend) vermogen hebben op

celmembranen, wat celdood tot gevolg heeft. Het transport van

vetzuren kan dus in geconcentreerde vorm niet plaatsvinden.

Om dit transport toch mogelijk te maken, worden de vetzuren

gebonden. Dit gebeurt voor een klein gedeelte aan albumine

(tot 1 mmol/l), maar voor het overgrote deel wordt vetzuur

aan glycerol gebonden, waardoor triglyceride ontstaat. Dit

triglyceride moet echter tijdens het transport driemaal worden

ontbonden. Dit gebeurt onder invloed van lipasen. Het hele

vetzuurtransport is dus uit te splitsen in vier stappen, ook wel

100

Analyse mei 2011

vier generaties triglyceriden genoemd. Het transport van

triglyceriden begint met het eten van voedsel. In het voedsel

is de eerste generatie van triglyceriden aanwezig. Zodra dit

voedsel in de twaalfvingerige darm komt, wordt dit triglyceride

door de lipase van de alvleesklier gesplitst in glycerol en vrij

vetzuur. De cellen in de darmwand kunnen dit vetzuur goed

verdragen en lossen er niet in op. De kleine ketens van vetzuur

(vetzuren met minder dan 14 koolstofatomen) gaan via de

poortader direct naar de lever. De grote ketens kunnen dit echter

niet en moeten via een omweg naar de lever toe. Hiervoor is

een tweede generatie triglyceriden nodig, die in de darmcellen

worden gevormd. Dit triglyceride is een olieachtig druppeltje,

kleiner dan 1 micrometer, en wordt in de cel klaargemaakt voor

transport. Het eiwit microsomale triglyceridetransferproteïne

(MTP) koppelt aan de triglyceride 1 apo-B48-molecuul vast. Om

dit oliedruppeltje komt een laagje fosfolipide en er gaat ook nog

wat cholesterol en apo-A1 uit de voeding en gal mee. Dit geheel

wordt een chylomicron genoemd en de chylomicronen worden

via de lymfebanen van de darm naar de bloedbaan geleid. De

chylomicronen kunnen niet door de haarvaten van het bloed

heen.

Op het endotheel van de capillairen in de spieren, het vetweefsel

en het lacterend mammaweefsel bevindt zich het enzym

lipoproteïnelipase (LPL). De chylomicronen kunnen zich hechten

aan dit enzym door middel van apo-C2. LPL lipolyseert de

tweede generatie triglyceriden en de rest van het chylomicron

verschrompelt. De oppervlakterestanten en de kernrestanten

van het chylomicron worden afgestoten en het vetzuur wordt

in de cel opgenomen. Als deze cel een spiercel is, dan wordt dit

vetzuur verbrand om energie te verkrijgen. In andere gevallen

wordt het vetzuur in de vetcellen opgeslagen en dit gebeurt

door middel van de derde generatie triglyceriden. In de vetcel

wordt constant naar een evenwicht gezocht door verestering

(binden) en lipolyse (losmaken) van vetzuren. Om vetzuur in

de vetcel te veresteren, heeft de cel glycerol-3-fosfaat nodig,

want de vetcel is niet in staat het vetzuur aan glycerol te binden.

Het glycerol-3-fosfaat is afkomstig uit glucose. Als er dus meer

glucose in de vetcel wordt toegelaten, zal de verestering

van vetzuren toenemen. Het hormoon insuline werkt als

een soort portier die de deur voor glucose openhoudt in de

vetcel. De lipolyse in de cel wordt echter weer versterkt in de


Figuur 1 De lipoproteïnestofwisseling bij diabetes en insulineresistentie.

vetcel door de hormonen adrenaline en noradrenaline. Het

vetzuurmetabolisme in de vetcel staat dus onder controle van

hormonen. Het vetzuur dat niet wordt veresterd, gaat via de

interstitiële ruimten naar de spiercellen in de buurt of komt

in de bloedbaan terecht om verbrand te worden. Als er meer

vetzuur binnenkomt dan door de spiercellen en vetcellen kan

worden geklaard, neemt de lever het overschot op en zal met

behulp van insuline de vierde generatie triglyceriden maken.

Ook hier wordt van een druppeltje vierde generatie triglyceriden

met behulp van MTP een apo-B100-molecuul toegevoegd. Dit

wordt verpakt met vrij en gebonden cholesterol, fosfolipide en

de apo’s C2 en E tot VLDL, een triglyceridenrijk lipoproteïne dat

lijkt op een chylomicron, maar kleiner en zwaarder verpakt is

dan de chylomicronen. Het VLDL komt direct in de bloedbaan

terecht en niet via de lymfebanen. Het VLDL kan zich ook aan

het LPL hechten in het vet- en spierweefsel. Bij een insulinetekort

of als het insuline onvoldoende zijn werk kan doen, zal er te

weinig glucose de vetcel binnengaan. Er vindt dus onvoldoende

binding plaats van vetzuren en deze vetzuren zullen in grote

hoeveelheden in de bloedbaan terechtkomen. De lever zal deze

vetzuren voor een deel onderscheppen. Bij een insulinetekort zal

de lever op een alternatieve manier de vetzuren binden, omdat

het niet mogelijk is om er een vierde generatie triglyceride

van te maken. De alternatieve weg is die van de zogenaamde

ketonlichamen. Er wordt bètahydroxyboterzuur, acetylazijnzuur

en aceton gevormd. Het aceton wordt uitgeademd en de andere

twee ketonlichamen worden uitgeplast. Bij de vorming van

ketonlichamen ontstaat een metabole acidose.

Cholesteroltransport

Cholesterol wordt voornamelijk gedistribueerd door de

reststukken (‘remnants’) van de triglyceridenklaring en door de

producten van deze remnants, het LDL en HDL. Dit betekent dat

er drie vormen van cholesteroltransport zijn: de kern-remnants

gaan naar de lever, het LDL naar de weefsels en het HDL vanuit

de weefsels naar de lever (figuur 1). We beginnen met de kernremnants

die naar de lever gaan. Per dag maakt de lever ongeveer

700 mg cholesterol aan, dat voor een deel in de gal terechtkomt.

In de voeding zit ongeveer 300 mg cholesterol. De cholesterol

uit het voedsel en de gal zal via het vetzuurmetabolisme in

de chylomicronen in de circulatie en uiteindelijk weer in de

lever uitkomen. Als we cholesterolarm voedsel eten, zal de

cholesterolsynthese vanuit de lever toenemen. Cholesterolarme

voeding heeft dus weinig effect op de cholesterolvoorraad van

het lichaam. De lever heeft apo-E nodig als receptor voor de lever.

Zonder apo-E kan de lever dus slecht cholesterol tot zich nemen.

Er zijn verschillende isovormen van apo-E: het apo-E2, -E3 en

-E4. Apo-E2 bindt slecht aan de receptoren, dus als een persoon

homozygoot apo-E2 aanmaakt, is de inname van de lever voor

cholesterol gestoord. De tweede vorm van transport komt uit

de vierde generatie triglyceriden die de lever heeft gemaakt,

het VLDL. Het VLDL wordt omgebouwd naar LDL. Er is dan geen

plaats meer voor apo-E. Apo-B100 is het enige eiwit bij LDL en de

kern ervan bestaat bijna geheel uit cholesterolesters (figuur 2).

Per dag wordt ongeveer de helft van het LDL door de weefsels

opgenomen en voor 70% door de binding van apo-B100 aan

de receptoren in de perifere weefsels. De overige 30% gaat via

aspecifieke wegen. De derde vorm van cholesteroltransport

is de afvoer van cholesterol uit de perifere cel. Bij de opname

van vetzuren in spier- en vetweefsel via het LPL, komen ook

oppervlakterestanten van de chylomicronen vrij. Deze hebben

een hogere dichtheid dan LDL en worden daarom HDL-deeltjes

genoemd (figuur 3). Ook de lever zelf produceert HDL en in

de lever en darmcellen wordt apo-A1 gemaakt. Dit stelt het

HDL in staat om overtollig cholesterol vanuit de weefsels op te

nemen. In het bloedplasma kan een HDL-deeltje een enzym

aan zich binden, LCAT genaamd. Dit enzym kan een van de

twee vetzuurresiduen van het fosfolipide lecithine overzetten

Figuur 2 LDL-deeltje met het eiwit apoproteïne B-100 en de geheel uit

cholesterolesters bestaande kern.

Figuur 3 Schematische voorstelling van de lipolyse van VLDL in een

overblijfsel (‘remnant’).

op een molecuul vrij cholesterol. Vandaar de naam lecithinecholesterolacyltransferase.

Door middel van dit enzym wordt het vrije cholesterol in het

plasma omgezet in een cholesterolester. Dit is een hydrofobe,

vettige stof. Hierdoor zal de cholesterolester dieper de kern van

het HDL-deeltje ingaan, waardoor er op het oppervlak van het

HDL meer plaatsen vrijkomen. Het cholesterol kan op die manier

voor een deel naar de lever worden teruggebracht om daar te

vervolg op volgende pagina >

Analyse mei 2011 101


Figuur 4 Voorstelling van het ontstekingsproces bij atherosclerose en de vele

factoren die elkaar beïnvloeden.

worden uitgescheiden. Het andere cholesteroldeel wordt door

middel van het enzym cholesterolestertransferproteïne (CETP)

overgebracht van HDL naar apo-B houdende lipoproteïnen,

zoals chylomicronen, LDL en VLDL. Dit betekent dat HDL een

opruimende cholesterolfunctie heeft, maar niet voor 100% het

overtollige cholesterol wegneemt.

Atherosclerose

Het binnenste van de slagaders bestaat bij gezonde mensen uit

glad spierweefsel. Als er beschadigingen ontstaan in de wand

wordt deze ruw. Op het ruwe oppervlak kan zich vet ophopen.

Macrofagen willen dit vet opruimen en hechten zich in de wand.

Deze macrofagen geven groeifactoren af die ervoor zorgen dat

de groei van glad spierweefsel wordt bevorderd. Deze groei

zorgt voor nog meer celschade, nog meer macrofagen en nog

meer groeifactoren. Er ontstaat een actief ontstekingsproces.

De complexiteit van zo’n ontstekingsproces wordt in figuur 4

goed weergegeven. Dit schema laat 16 biologische en metabole

factoren zien, die minstens drie connecties hebben op een

andere factor.

Dit proces gaat jaar in jaar uit langzaam door. Uiteindelijk is er

Figuur 5 Scherp beeld van een atherosclerotische plaque.

102

Analyse mei 2011

een laag met spierweefsel, bindweefsel, macrofagen en vet,

waardoor de dieper gelegen cellen in de wand niet meer genoeg

voeding krijgen en afsterven. De atherosclerotische plaque is

dan een feit (figuur 5). De slagader is niet soepel en veerkrachtig

meer en dit proces zal verschillende gevolgen hebben voor de

patiënt. Er kan een stukje van de plaque afscheuren en met het

bloed meegevoerd worden. Dit zal uiteindelijk terechtkomen

in de kleinere vaten van de longen, het hart of de hersenen.

Het gevolg hiervan is een longembolie, een hartinfarct of een

beroerte. De vernauwing die in de slagader is ontstaan door

het actieve ontstekingsproces kan ook voor een zuurstoftekort

zorgen in het voorzienend weefsel. Dit kan daardoor afsterven.

Ten slotte kan door het ontstekingsproces ook een verzwakking

in het vat optreden. Hierdoor ontstaat een aneurysma (verwijding

van de slagader) die door de bloeddruk kan scheuren. Al deze

aandoeningen tonen het belang van een goed lipidentransport.

In Nederland baseren artsen zich in de behandeling van hun

patiënten op de Multidisciplinaire CBO-richtlijn Cardiovasculair

risicomanagement 2006, waarvan in 2010 een concept voor

herziening is verschenen. De diagnostiek bestaat daarbij

uit het vaststellen van het risicoprofiel van de patiënt en de

risicoschatting op hart- en vaatziekten met behulp van een

risicofunctie, wat erop neerkomt dat de kans op ernstige

gevolgen wordt berekend door middel van een wiskundige

vergelijking op basis van gegevens uit longitudinaal onderzoek.

Tabel 1 is een voorbeeld van een risico-inschatting op sterfte

binnen 10 jaar voor mensen zonder hart- en vaatziekten en

diabetes mellitus 2. In de tabel wordt de systolische bloeddruk

uitgezet tegen de totale cholesterol/HDL-cholesterolratio. In het

risicoprofiel worden elf factoren betrokken die relevant zijn voor

hart- en vaatziekten. Deze factoren zijn:

1. Leeftijd

2. Geslacht

3. Roken: stoppen met roken halveert de kans op een hartaanval!

4. Hoge bloeddruk (systolische bloeddruk)

5. Glucosegehalte (diabetes mellitus)

6. Cholesterolgehalte (totaal cholesterol (TC), HDL, TC/HDL-ratio,

triglyceriden)

7. Belaste familieanamnese (naaste familieleden met HVZ voor

het 60ste levensjaar)

8. Voedingspatroon

9. Alcoholgebruik

10. Lichamelijke activiteit

11. Body mass index (BMI) en middelomtrek

Als we ons beperken tot punt 6 waar het in dit artikel over gaat,

maakt de huidige richtlijn wat betreft de screening op een

verhoogd risico op hart- en vaatziekten onderscheid tussen

patiënten mét en zonder hart- en vaatziekten of diabetes mellitus

type 2. Bij de tweede categorie kunnen klachten, een belaste

familieanamnese, zichtbaar overgewicht of de wens van de

patiënt aanleiding zijn om bloeddruk of cholesterol te bepalen

of om naar het rookgedrag te informeren. Verder wordt het

risicoprofiel vastgesteld bij patiënten met:

1. een systolische bloeddruk ≥140 mmHg

2. een totaal cholesterol ≥6,5 mmol/l

3. roken bij mannen vanaf 50 en vrouwen vanaf 55 jaar

4. patiënten die al antihypertensiva of statines gebruiken

Om een goed beeld te krijgen, dient men twee keer het

vetspectrum te meten met een tussenpoos van een paar weken.

Dit omdat het een momentopname is en door verschillende

factoren kan er een verschil van 10% tussen twee metingen zijn,

waarbij vooral het HDL-cholesterol enorm kan afwijken. De ratio


Tabel 1 Sterfterisico voor patiënten zonder HVZ en zonder DM2.

De cijfers geven een schatting van de hoogte van het 10-jaarsrisico (%) van sterfte door HVZ in Nederland voor niet-rokende en rokende vrouwen en mannen van 65, 60, 55, 50 en 40 jaar

met behulp van de SCORE-risicofunctie. De kleurcodering kan gebruikt worden om de globale indicaties voor medicamenteuze behandeling te stellen. Bron: Nederlands Huisartsen

Genootschap. Samenvattingskaartje NHG Standaard Cardiovasculair risicomanagement M84 (november 2006).

tussen het totale cholesterol en het HDL-cholesterol geeft een

indicatie van het risico op hart- en vaatziekten. Een cholesterol-

HDL-cholesterolverhouding van 4,5 geeft een gemiddeld risico

op hart- en vaatziekten. Hoe kleiner dit getal wordt, hoe beter.

Een handig ezelsbruggetje is de 5-4-3-2-1-regel:

• Het totaal cholesterol moet minder zijn dan 5 mmol/l.

• De ratio totaal cholesterol en HDL-cholesterol moet minder zijn

dan 4.

• De LDL-cholesterol moet minder zijn dan 3 mmol/l.

• De triglyceridenconcentratie moet minder zijn dan 2 mmol/l.

• De HDL-cholesterolconcentratie moet hoger zijn dan 1 mmol/l.

Met laboratoriumdiagnostiek kunnen het totale cholesterol,

het HDL-cholesterol en de triglyceridenconcentratie worden

gemeten. Het LDL-cholesterol kan niet worden bepaald, maar wel

met behulp van de Friedenwald-formule worden uitgerekend:

LDL-cholesterol = totaal cholesterol - (0,45 * triglyceride) -

HDL-cholesterol

Deze formule moet worden uitgedrukt in mmol/l en kan alleen

bij triglyceridenwaarden < 4,5 mmol/l worden gebruikt. Als de

triglyceridenwaarde zich tussen de 4,5 en 8 mmol/l bevindt,

kan de LDL-cholesterol met behulp van een aangepaste factor

worden uitgerekend. Bij hogere waarden is de Friedenwaldformule

niet meer bruikbaar.

Storingen in het lipidenprofiel (3,4)

Grofweg kan een afwijkend lipidenprofiel worden onderverdeeld

in een primaire (erfelijke storing) en een secundaire (verworven)

vorm. De arts kan door middel van anamnese, lichamelijk

onderzoek en laboratoriumonderzoek achter de oorzaak komen

van een gestoord lipidenprofiel. Als de oorzaak bekend is, kan

een passende therapie worden gekozen. Dit kan zijn een dieet,

medicijngebruik, een gezonder leefpatroon, zoals stoppen met

roken en meer sporten, of een combinatie hiervan. Frederickson

heeft een classificatie ontwikkeld op basis van lipoproteïneelektroforese.

Deze indeling wordt door velen als gedateerd

beschouwd, omdat een ziektebeeld zowel een primaire als een

secundaire oorzaak kan hebben. Het is dus geen indeling naar

ziektebeeld, maar van een bepaalde storing. Toch wordt deze

indeling nog veel gehanteerd. De Frederickson-classificatie

voorziet in een grove indeling van primaire lipidenstoornissen,

te weten:

1. Familiaire hypercholesterolemie

Bij deze aandoening is de LDL-fractie . De oorzaak is een

LDL-receptordefect of een apo-B-mutatie. De uiterlijke

symptomen zijn xanthomen aan de handen (figuur 6),

voeten of enkels. De aandoening kan in een heterogene

vorm aanwezig zijn en komt dan bij 1 op 500 personen voor.

Men vindt dan een cholesterol van ongeveer 10 mmol/l en

een triglyceride van ongeveer 1 mmol/l. Is de aandoening

homozygoot aanwezig, wat bij 1 op 250.000 personen

voorkomt, dan is het cholesterolgehalte rond de 20 mmol/l.

Deze aandoening geeft een groot risico op artherosclerose,

++ bij de heterogene vorm en +++ bij de homozygote vorm.

Figuur 6 Xanthomen aan de handen.

vervolg op volgende pagina >

Analyse mei 2011 103


2. Familiaire gecombineerde hypercholesterolemie

Hierbij is de LDL en/of het VLDL . Dit komt door een

overproductie van apo-B en VLDL. Een andere reden kan zijn

dat er een verminderde omzetting plaatsvindt van VLDL naar

LDL. Deze aandoening vindt men bij 1 op 3000 personen. Vaak

worden cholesterolwaarden gevonden van rond de 8 mmol/l

en triglyceridenwaarden van rond de 4 mmol/l. Bij sterk

verhoogde triglyceridenwaarden vindt men aanvalsgewijze

xanthomen. Het risico op artherosclerose is +.

3. Familiaire des-β-lipoproteïnemie

Hierbij is sprake van een verhoogd LDL door een verminderde

afvoer. Het genetisch defect is een apo-E-mutatie. Er zijn

isovormen van apo-E bekend (apo-E2, -E3 en -E4). Het apo-E2

is een variant die slecht aan de receptoren bindt. Mensen

met deze aandoening hebben een homozygote vorm van

apo-E2 met fenotype E2/E2. Dit komt ongeveer bij 1% van

de mensen voor en zorgt ervoor dat we zowel cholesterol- als

triglyceridewaarden vinden van rond de 8 mmol/l. Men vindt

xanthomen op de handlijnen, in de ellebogen en in de knieën.

De kans op artherosclerose is ++.

4. Polygenetische hypercholesterolemie

Deze vorm komt het meest voor van dit rijtje. De cholesterol

is > 6,5 mmol/l en het triglyceride rond de 2 mmol/l. Verder

is de LDL-fractie verhoogd. Dit komt door een toegenomen

productie of een verminderde klaring van LDL. Het komt bij 1

op 6 mensen voor en geeft een risico op artherosclerose van

+.

5. Familiaire hypertriglyceridemie

De productie van triglyceride en VLDL is verhoogd en de

klaring ervan verkleind. De triglyceride is > 8 mmol/l en het

cholesterol rond de 4 mmol/l. We vinden deze aandoening

bij 1 op 500 personen. Als de triglyceride > 10 is, vindt men

vaak xanthomen op de huid. Bij deze aandoening is er geen

verhoogd risico op artherosclerose, wel is er een verhoogde

kans op pancreatitis.

6. Zeldzame deficiënties van de enzymen LCAT of LPL, of hypo-βlipoproteïnemie.

Deze enzymdeficiënties komen bij 1 op 1.000.000 mensen

voor. Ook hier is er geen verhoogd risico op artherosclerose,

maar wel een +++ risico op pancreatitis. Het cholesterol is

normaal, maar de triglyceridenwaarden zijn >15 mmol/l.

Apolipoproteïne-B (5)

Naast het meten van de cholesterolfracties, wordt vaak

gebruikgemaakt van het meten van apo-A1 en apo-B, hoewel

volgens de CBO-richtlijn geen apolipoproteïnen hoeven te

worden gemeten voor het opstellen van het risicoprofiel. Wat is

nu de meerwaarde van het meten van deze apolipoproteïnen

boven het meten van het vetspectrum? Laten we de voordelen

eens op een rijtje zetten. Als eerste punt zou je denken, aangezien

elk LDL-deeltje slechts 1 apo-B-molecuul heeft, dat dezelfde LDLconcentraties

ook dezelfde apo-B-concentratie moeten hebben.

Dit is echter niet het geval. De enige mogelijke verklaring is dat

als er bij dezelfde apo-B-concentratie een verschillende LDLconcentratie

is, er een verschil in grootte van de LDL-deeltjes

moet zijn. Gebleken is dat kleine LDL-deeltjes atherogener

(grotere kans op artherosclerose) zijn dan grote LDL-deeltjes.

Kleine LDL-deeltjes kunnen namelijk beter door het endotheel

van de vaatwand binnendringen. Ze hechten zich beter aan de

proteoglycanen in de vaatwand en kunnen beter glycolyseren en

oxideren. Verder worden vaker kleinere LDL-deeltjes gevonden

104

Analyse mei 2011

bij personen met een insulineresistentiesyndroom. Het meten

van apo-B in combinatie met het lipidenspectrum geeft extra

informatie. Men kan zelfs concluderen dat iemand met een

redelijk normale LDL-waarde, maar een verhoogd apo-B-uitslag,

kleine LDL-deeltjes heeft en rekening moet houden met een

insulineresistentiesyndroom.

Een tweede voordeel is de nauwkeurigheid en de meetfout van

de bepalingen. De variatiecoëfficiënt van apo-B is laag en het

maakt niet uit of de uitslag hoog of laag is, de patiënt gezond

of ziek. Ook hoeft men de persoon in kwestie niet nuchter te

prikken voor een apo-B-lipoproteïne. Bij een lipidenspectrum

moeten drie bepalingen met ieder hun eigen variatiecoëfficiënt

gemeten worden. Deze kunnen elkaar opheffen of versterken.

Verder wordt de LDL-fractie berekend met behulp van de

Friedewald-formule. Deze wordt onnauwkeuriger bij verhoogde

triglyceridenuitslagen.

Een derde voordeel is de voorspelbaarheid van een fataal

hartinfarct. In een grote studie onder ruim 175.000 personen

bleken de apo-B en de apo-B/apo-A1-ratio de beste voorspellers

te zijn voor een dergelijk hartinfarct.

Als vierde voordeel is de apo-B-bepaling een goede differentiële

parameter tussen een familiaire hypertriglyceridemie en een

familiaire gecombineerde hyperlipidemie. Beide aandoeningen

gaan gepaard met een verhoogd triglyceridengehalte. De eerste

aandoening is echter niet atherogeen in tegenstelling tot de

tweede, die juist uitgesproken atherogeen is. Gebleken is dat een

apo-B-uitslag van meer dan 1,2 g/l een verhoogd risico geeft op

een versnelde atherosclerose.

Als vijfde voordeel kan het gebruik van de statine

(cholesterolverlagend geneesmiddel) atorvastatine worden

genoemd. Dit middel verlaagt niet alleen de LDL-concentratie,

maar tegelijkertijd ook de apo-B-concentratie. Dit betekent dat

ook voor patiënten die een dergelijk geneesmiddel gebruiken

het meten van apo-B zinvol is.

Gezond vet eten

Vetten zijn dus nodig en essentieel, maar niet elk soort vet is

gezond. Ook de hoeveelheid vet is niet altijd bepalend voor een

goede of slechte gezondheid. Eskimo’s eten erg vet en worden

toch oud, net als Japanners die erg vette vis eten. Welke vetzuren

zijn wel goed om te eten en welke kunnen we beter mijden?

Globaal kunnen we een tweedeling maken in plantaardig vet en

dierlijk vet. Dierlijk vet is meestal verzadigd, terwijl plantaardige

vetten meestal onverzadigd zijn. Onverzadigde vetten zijn over

het algemeen gezonder dan verzadigde vetten. De verschillende

soorten vetten zijn als volgt te onderscheiden:

• Verzadigd plantaardig/gehard vet.

Komt vooral voor in frituurvet, koek, snacks en chips en is niet

gezond.

• Verzadigd dierlijk vet.

Komt voor in vlees, vette zuivelproducten en chocola en is

gezond, zolang het met mate wordt gebruikt.

• De enkelvoudige onverzadigde vetzuren vinden we vooral in

olijf(olie), avocado’s en noten. Deze vetten zijn erg gezond.

• De meervoudige onverzadigde vetzuren (omega 6) in oliën

zijn met mate gezond. We kunnen deze vetzuren vinden

in zonnebloemolie, sojaolie, sladressing, margarine en

mayonaise. De omega 3-vetzuren in vette vis en lijnzaadolie

zijn daarentegen erg gezond.

Naast atherosclerose en de daaruit voortvloeiende gevolgen


kunnen vetstofwisselingsstoornissen ook andere gevolgen

hebben, zoals de twee volgende casussen laten zien. Acute

pancreatitis wordt meestal veroorzaakt door galstenen, overmatig

alcoholgebruik, infecties, metabole oorzaken of geneesmiddelen.

In sommige gevallen komt een acute pancreatitis ook door het

zogenaamde chylomicronemiesyndroom. Deze overmaat aan

chylomicronen in het bloed wordt veroorzaakt door een stoornis

in het lipidenprofiel. Vanwege het snel starten met medicatie om

de pancreatitis tot staan te brengen, wordt deze minder vaak

voorkomende oorzaak gemist. Eerst volgen nu de twee casussen.

Casus 1 (6)

Patiënt B, een vrouw, geboren in 1959, werd in 1984 opgenomen

voor observatie van buikklachten, waarbij geen diagnose

werd gesteld. Zij gebruikte sinds 3-4 maanden Ovostat

(lynestrenol plus ethinylestradiol). Er werd een verhoogde

cholesterolconcentratie vastgesteld (16,4 mmol/l), die in de loop

van de opname sterk daalde. Haar medische voorgeschiedenis

vermeldde verder diabetes mellitus gereguleerd door dieet, met

tijdelijk insulinetherapie tijdens de zwangerschap.

In 1992 werd patiënte (lengte 1,60 m, gewicht 93 kg) opgenomen

met recidiefbuikklachten. De serumamylaseactiviteit was 212

U/l, de concentratie van triglyceriden 42 mmol/l, van cholesterol

15,8 mmol/l en van glucose 22,1 mmol/l. CT-onderzoek van

het abdomen liet een ernstige pancreatitis zien, een Balthazarscore

D (tabel 1), een vergrote en vervette lever, in de galblaas

multipele concrementen en slanke intra- en extrahepatische

galwegen. Op grond van de slanke galwegen, de normale

leverfuncties en de sterk gestoorde lipidenwaarden werd de

hypertriglyceridemie als de meest waarschijnlijke oorzaak van

de pancreatitis geduid en de galstenen als een toevalsbevinding.

Patiënte werd conservatief behandeld. Hierop daalden de

afwijkende lipidenwaarden geleidelijk (figuur 7). Zij kreeg

vervolgens een vet- en caloriebeperkt dieet voorgeschreven en

als medicatie gemfibrozil 600 mg 2 dd.

Begin 1993 werd een laparoscopische cholecystectomie

verricht voor symptomatische galstenen zonder tekenen van

pancreatitis. De waarden van cholesterol en triglyceriden waren

preoperatief respectievelijk 4,7 en 7,10 mmol/l. Na de operatie had

patiënte geen buikklachten meer. Voor haar dyslipoproteïnemie

gebruikte zij naast een dieet nog steeds gemfibrozil.

Casus 2 (6)

Patiënt C, een man, geboren in 1943, stond sinds 1982 onder

poliklinische controle in verband met recidiverende ulcera

ventriculi (terugkerende maagzweren), waarvoor hij cimetidine

als onderhoudsbehandeling had. In verband met een verhoogde

cholesterolconcentratie werd in 1985 nader lipidenonderzoek

verricht: de serumconcentratie van cholesterol bleek 21,8

Tabel 2 Indeling van de ernst van pancreatitis op grond van het beeld van

computertomografie (CT) volgens Balthazar.

Score CT-beeld Prognose

A geen afwijkingen uitstekend

B focale of diffuse

pancreasvergroting uitstekend

C ontstekingsverschijnselen

in het pancreas en in lichte

mate peripancreatisch

10% kans op

pancreasinfectie;

zelden fataal

D als C plus vochtophoping

buiten het pancreas

circa 50% kans op

infectie; sterfte circa 15%

E als C met minstens 2 vochtophopingen

buiten het pancreas

circa 50% kans op

infectie; sterfte circa 15%

mmol/l en die van triglyceriden 43,0 mmol/l te zijn. Patiënt

werd behandeld met dieet en cholestyramine, dat later werd

vervangen door gemfibrozil. Onder deze behandeling hield

de patiënt sterk afwijkende lipidenwaarden: de concentratie

cholesterol was maximaal 32,2 mmol/l en die van triglyceriden

maximaal 96,8 mmol/l. Therapieontrouw en een aanzienlijk

alcoholgebruik waren hiervan de oorzaak.

Medio 1994 werd patiënt opgenomen met pancreatitis.

Laboratoriumonderzoek leverde de volgende afwijkende

waarden op: melkachtig serum; cholesterol: 52,0 mmol/l;

triglyceriden: 156 mmol/l; aspartaat-aminotransferase (ASAT):

140 U/l (normaal: 1-25); alanine-aminotransferase (ALAT): 74 U/l

(normaal: 1-30); lactaatdehydrogenase (LDH): 574 U/l (normaal:

100-300); γ-glutamyltranspeptidase (γ-GT): 398 U/l (normaal:

0-40); serumamylase: 103 U/l; lipase 760 U/l (normaal: 23-208);

calcium: 1,74 mmol/l (normaal: 2,20-2,65). In de urine was de

amylaseactiviteit 1372 U/l (normaal < 700). Bij CT-onderzoek

werd een zeer ernstige pancreatitis gezien, Balthazar-score E

(tabel 2). Echografisch onderzoek toonde een normale galblaas

en galwegen zonder stenen. De patiënt werd conservatief

behandeld met carentie (vasten of voedselonthouding) en

intraveneuze toediening van octreotide. Hierop daalden

de concentraties van cholesterol en triglyceriden binnen

enkele dagen tot matig verhoogde waarden (figuur 7). Het

beloop werd gecompliceerd door een miltruptuur, waarvoor

een miltextirpatie verricht werd en necrotectomie van de

pancreasstaart. Tevens ontwikkelde zich het beeld van ‘adult

respiratory distress syndrome’, sepsis en diffuse intravasale

stolling. Na de hierbij passende behandelingen en een

langdurige reconvalescentieperiode (periode van herstel na een

ziekte), verliet de patiënt in een goede conditie het ziekenhuis,

zonder tekenen van een pancreasinsufficiëntie en met normale

lipidenwaarden (cholesterol: 4,4 mmol/l; triglyceriden: 1,79

mmol/l; ‘high-density’-lipoproteïne (HDL-cholesterol): 1,1

mmol/l).

Beschouwing

Pancreatitis kan een uiting zijn van het chylomicronemiesyndroom.

Bij dit syndroom is er persisterende aanwezigheid

Figuur 7 Verloop van de triglyceridenconcentratie onder invloed

van carentie bij patiënten met acute pancreatitis ten gevolge van het

chylomicronemiesyndroom. De stippellijn is het normale niveau.

vervolg op volgende pagina >

Analyse mei 2011 105


van chylomicronen in het plasma, ook in nuchtere staat.

Chylomicronen zijn alleen met speciale methoden te meten, maar

zijn bijna altijd aanwezig wanneer de triglyceridenconcentratie

meer dan 11 mmol/l bedraagt. Het serum heeft dan een troebel

tot melkachtig aspect. Het chylomicronemiesyndroom kan

een scala aan verschijnselen geven: pancreatitis, chronische

abdominale pijn, hepatosplenomegalie, eruptieve xanthomen,

lipaemia retinalis, perifere neuropathie, paresthesieën in

de handen, geheugenverlies en dyspneu. Deze klinische

verschijnselen komen onafhankelijk van elkaar en in verschillende

combinaties voor. Verschijnselen treden meestal pas op

bij een triglyceridenconcentratie > 22 mmol/l en zelden bij 11-

22 mmol/l. Veel hogere waarden kunnen echter ook zonder

verschijnselen voorkomen. Men veronderstelt dat pancreatitis

bij chylomicronemie berust op een chemische irritatie door

vetzuren en lysolecithine die in het pancreas worden vrijgemaakt

uit de chylomicronen onder invloed van pancreaslipase. De

verhoogde cholesterolwaarden die bij veel patiënten met het

chylomicronemiesyndroom worden gevonden, spelen bij de

pathogenese van pancreatitis geen rol.

Chylomicronemie komt voor bij type I- en V-hyperlipoproteïnemie

in de classificatie van Fredrickson. De belangrijkste

oorzaken van type I zijn primaire lipoproteïnelipasedeficiëntie

of deficiëntie van zijn activator apolipoproteine C-II, die worden

gekenmerkt door een volledige afwezigheid van de activiteit

van het lipoproteïnelipase (LPL), waardoor chylomicronen niet

kunnen worden geklaard, maar in circulatie blijven.

Type V-hyperlipoproteïnemie kan ontstaan bij familiaire

hypertriglyceridemie of familiaire gecombineerde hyperlipidemie.

Deze afwijkingen veroorzaken normaal gesproken geen

chylomicronemie, maar in combinatie met andere aandoeningen

of geneesmiddelen die tot stijging van de triglyceridenspiegel

leiden, kan een chylomicronemiesyndroom ontstaan.

Oorzaken zijn onder andere diabetes mellitus, hypothyreoïdie,

nefrotisch syndroom, chronische nierinsufficiëntie en overmatig

alcoholgebruik. Van medicijnen zijn diuretica, β-blokkers,

oestrogenen, glucocorticoïden, retinoïden en (zelden) cimetidine

bekende veroorzakers. Het mechanisme van deze ontsporing is

reversibele vermindering van de LPL-activiteit of ontoereikende

LPL-activiteit door overproductie van triglyceriden door de lever.

Wanneer bij opname van een patiënt met pancreatitis

de triglyceridenconcentratie niet wordt bepaald, kan de

chylomicronemie worden gemist, omdat door de behandeling

van de pancreatitis – carentie – de sterk verhoogde triglyceridenconcentratie

snel daalt. Dit wordt geïllustreerd in figuur

7. De verdere behandeling van pancreatitis zal in geval van

primaire LPL- en apolipoproteïne C-II-deficiëntie dienen te

bestaan uit een vetbeperkt dieet. Medicamenteuze therapie

heeft hier geen bewezen additief effect. Secundaire vormen

van het chylomicronemiesyndroom dienen allereerst te worden

behandeld door therapie of eliminatie van de contributieve

factor die de hypertriglyceridemie geeft. Daarnaast zijn een

vetarm en caloriebeperkt dieet en vaak ook medicamenteuze

therapie noodzakelijk. De eerste keus hierbij is een fibraat (zie

onder Medicijngebruik).

Medicijngebruik (7)

In de CBO-richtlijn Cardiovasculair risicomanagement wordt

ten aanzien van de medicamenteuze behandeling onderscheid

gemaakt tussen patiënten met hart- en vaatziekten, patiënten

met diabetes mellitus type 2 (DM2) en patiënten zonder deze

aandoeningen (1):

106

Analyse mei 2011

• Bij patiënten met HVZ en een LDL > 2,5 mmol/l wordt

behandeling met een cholesterolverlager (statine) geadviseerd.

• Bij patiënten met HVZ en een LDL < 2,5 mmol/l kan een sterk

verhoogd risico toch voldoende reden zijn om een statine te

overwegen.

• Bij patiënten met DM2 en een LDL > 2,5 mmol/l (of TC > 4,5

mmol/l als het LDL door een hoog triglyceridengehalte niet te

berekenen is) wordt behandeling met een statine geadviseerd.

Bij jonge patiënten met een gunstig risicoprofiel en een goede

glykemische instelling (HbA1c < 53 mmol/mol) kan worden

overwogen een hogere behandelgrens te hanteren of de

behandeling, in overleg met de patiënt, uit te stellen tot latere

leeftijd.

• Bij patiënten met DM2 en een LDL < 2,5 mmol/l kan een sterk

verhoogd risico toch voldoende reden zijn om een statine te

overwegen.

• Bij rokende patiënten zonder hart- en vaatziekten of diabetes

heeft stoppen met roken de voorkeur boven behandeling met

cholesterolverlagers of antihypertensiva.

• Bij patiënten met een 10-jaarsrisico van sterfte door HVZ ≥

10% wordt behandeling met antihypertensiva en/of statine

geadviseerd, tenzij de SBD < 140 mmHg respectievelijk het

LDL < 2,5 mmol/l bedragen. Indien de SBD > 140 mmHg en

het LDL > 2,5 mmol/l zijn, worden zowel antihypertensiva als

cholesterolverlagers voorgeschreven.

Welke keuze heeft een arts om het lipidenpatroon en of het

cholesterol- en triglyceridengehalte te normaliseren? Daarvoor

bestaan verschillende medicijnen, om te beginnen de statinen.

Deze groep medicijnen zorgt voor een verminderde aanmaak

van cholesterol in de lever en verlaagt ook het cholesterolgehalte

in het bloed. Statinen worden dus vaak gegeven bij een verhoogd

cholesterolgehalte, bij diabetes mellitus 2 en bij (het voorkomen

van) hart- en vaatziekten. Bekende statinen zijn simvastatine,

pravastatine, atorvastatine, fluvostatine en rosuvastatine, waarbij

de eerste twee de voorkeur hebben. Fibraten zijn de tweede

groep medicijnen die de arts kan voorschijven.

Fibraten zijn meer werkzaam op het triglyceridengehalte. Deze

medicijnen stimuleren enzymen die nodig zijn bij het opslaan en

verbranden van vetzuren. Hierdoor zal het triglyceridengehalte

in het bloed verlaagd worden. Bijkomend voordeel is het feit

dat deze medicijnen ook het LDL iets verlagen en het HDL juist

verhogen. Een arts zal dus een fibraat voorschrijven bij een hoog

triglyceridengehalte of een laag HDL. Voorbeelden van een

fibraat zijn bezafibraat, ciprofibraat en gemfibrozil.

De derde groep medicijnen zijn de harsen. Hars bindt de galzuren

in het darmstelsel. Het gevolg is dat deze galzuren niet meer

kunnen worden opgenomen in het lichaam. De lever wordt op

deze manier gestimuleerd om meer galzuren te maken, waardoor

er meer cholesterol nodig is. Dit heeft een cholesterolverlagend

effect in het bloed. Vaak wordt deze groep medicijnen gegeven

in combinatie met statinen. Voorbeelden van harsderivaten zijn

colestyramine en colestipol.

De vierde groep is de groep van de vitamines, bijvoorbeeld

nicotinezuur (vitamine B3). Nicotinezuur remt de vrijzetting van

vetzuren, de bouwstenen voor vetten en cholesterol. Hierdoor

kan de lever minder vetten en cholesterol maken. Bovendien

heeft nicotinezuur een gunstige invloed op de vorm waarin

cholesterol zich in het bloed bevindt. Het verhoogt het HDL,

terwijl het een verlagend effect heeft op het LDL-gehalte. Een

voorbeeld van een nicotinezuurpreparaat is acipimox.


Tabel 3 De uitslagen van een nuchter cholesterolprofiel met triglyceriden bij drie

verschillende patiënten.

Bepaling Patiënt A Patiënt B Patiënt C

Totaal cholesterol 8,0 mmol/l 8,0 mmol/l 8,0 mmol/l

Triglyceriden 1,0 mmol/l 10,0 mmol/l 1,0 mmol/l

HDL-cholesterol 1,0 mmol/l 0,5 mmol/l 2,5 mmol/l

LDL-cholesterol 6,5 mmol/l 3,0 mmol/l 5,0 mmol/l

VLDL-cholesterol 0,5 mmol/l 4,5 mmol/l 0,5 mmol/l

Casus 3

Zoals uit het voorgaande blijkt, zal het voor een arts niet

eenvoudig zijn om gewoonweg een medicijn voor te schrijven

bij een verhoogd cholesterol. Het beleid kan zeer verschillend

zijn. Dit zullen we illustreren aan de hand van een casus. Bij een

arts komen drie patiënten: A, B en C. De arts heeft bij alle drie

de patiënten een secundaire (verworven) hypercholesterolemie

uitgesloten, te weten hypothereoïdie, nierziekten, leverziekten

of diabetes mellitus. De arts laat bij alle drie de patiënten een

nuchter cholesterolprofiel met triglyceriden bepalen. Alle drie de

patiënten hebben hetzelfde verhoogde totale cholesterol van 8,0

mmol/l. De uitslagen zijn weergegeven in tabel 3.

De uitslagen van patiënt A zouden goed bij een familiaire

hypercholesterolemie kunnen passen. Hierbij is sprake van

een afwezige of defecte LDL-receptor, waardoor het LDL in het

plasma stapelt. Dit zorgt voor de verhoogde cholesterol en het

normale triglyceridengehalte. De arts kan dus besluiten, als de

patiënt volgens de CBO-richtlijn aan de criteria voldoet, een

statine te geven om het LDL terug te dringen. Bij patiënt B is het

LDL-gehalte niet verhoogd. Het verhoogde totale cholesterol

komt door de VLDL-fractie, waardoor het HDL-gehalte door

de metabole samenhang wordt verlaagd. Een statine aan

deze patiënt geven heeft dus geen zin. Bij deze patiënt zijn de

triglyceriden sterk verhoogd. Een juiste therapiekeuze voor

patiënt B zou dus een fibraat of een nicotinezuurderivaat zijn.

Patiënt C heeft een verhoogde HDL-fractie. Uit de 5-4-3-2-1-regel

blijkt dat de totale cholesterol/HDL-cholesterol-ratio < 4,0

mmol/l moet zijn. Bij patiënt C wordt deze 8,0/2,5 = 3,2 en dit is

kleiner dan 4. Deze patiënt heeft dus geen verhoogd risico op

hart-en vaatziekten. Het geven van medicijnen zal dus bij dit

cholesterolprofiel niet altijd nodig zijn. Hieruit blijkt dat bij elke

patiënt een ander beleid gevoerd kan worden, terwijl bij alle drie

het totale cholesterolgehalte in het serum verhoogd is.

De auteur

Patrick Kromhout is werkzaam in het St. Antonius ziekenhuis, locatie Utrecht Oudenrijn. Zijn reden om een artikel over de lipiden te schrijven, is de controversiële

gedachte die tegenwoordig over vet bestaat waarbij over goede en slechte vetten wordt gesproken. Lekker eten en vervolgens de noodzaak om te lijnen. Mensen

denken snel dat vet ongezond is, maar moeten erkennen dat ze helemaal niet zonder kunnen. In de westerse samenleving zijn aandoeningen ten gevolge van

een ongezonde levensstijl enorm toegenomen. Deze tegenstellingen maakten de auteur nieuwsgierig om dit verder uit te werken en het fascineerde de auteur

welke complexe zaken zich in het lichaam afspelen, zonder dat we er weet van hebben. Hij hoopt hiermee de lezers op dezelfde manier te kunnen prikkelen.

Literatuurlijst

1 Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO/Nederlands Huisartsen Genootschap. Multidisciplinaire richtlijn Cardiovasculair risicomanagement 2006.

Alphen aan de Rijn: Van Zuiden Communications, 2006. www.cbo.nl.

2 Meer J van der, Stehouwer CDA. Interne geneeskunde, 12de herziene druk. Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum, 2001.

3 Marshall WJ, Bangert SK. Clinical chemistry, 5th edition. Philadelphia: Elsevier, 2004.

4 Raymakers JA, Kreutzer HJH, Haverkorn MJ. Interpretatie van uitkomsten van laboratoriumonderzoek in de geneeskunde, 4de herziene druk. Houten/

Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum, 1999.

5 Castro Cabezas M, Liem A. Apolipoproteïne B in de klinische praktijk ter bepaling van het atherosclerose risico. Ned Tijdschr Geneeskd. 2003;147:1445-8.

6 Vrie W van de, Baggen MGA, Janssen IMC, et al. Acute pancreatitis door het chylomicronemie-syndroom. Ned Tijdschr Geneeskd. 1996;140:34-6.

7 De gegevens over medicijnen zijn afkomstig van www.apotheek.nl, een website van de KNMP (Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der

Pharmacie).

Analyse mei 2011 107


Uitgave

Nederlandse vereniging van

bioMedisch laboratoriummedewerkers

NVML–leden ontvangen Analyse gratis.

Voor vragen over contributie, adreswijzigingen

of andere administratieve zaken rond Analyse

kunt u contact opnemen met het bureau van

de NVML.

Redactiecoördinatie en eindredactie

Bart Krekels Tekst & Redactie

www.bartkrekels.nl

e-mail: redactie@nvml.nl

Redactie

mw. M. de Bie, Pathologie, St. Elisabeth Ziekenhuis, Tilburg

mw. R. Blom, afdeling Nascholing NVML

dhr. J.J.M. Heijnen, afd. Pathologie, Reinier de Graafgroep, Delft

mw. I. Linde, Infectieziekten, GGD, Amsterdam

dhr. R. Lindenbergh, Klinisch Chemisch en Hematologisch

Laboratorium, Amphia Ziekenhuis Breda

mw. A. Luidens, afdeling Cytologie/Klinische Pathologie, St.

Elisabeth Ziekenhuis, Tilburg

mw. P.J.J. Melsen, afd. Medische Microbiologie,

AMC, Amsterdam

mw. F.C. de Ruijter-Heijstek, Ede

mw. dr. W.W.J. van de Sande, Medische Microbiologie en

Infectieziekten, Erasmus MC, Rotterdam

Coverfoto

Dreamstime

Vormgeving en opmaak

Celina Koekenbier | www.insight-design.nl

Druk

Verweij Communicasa Groep

Advertentie-exploitatie

mw. F. de Ruijter-Heijstek

telefoon: 0318 - 842 446 | fax: 0847 – 110541

e-mail: f.deruijter@chello.nl

Oplage

3250 exemplaren

Advertenties & kopij

Geldend advertentietarief: Tarievenlijst 2011

Sluitingsdatum advertenties

Voor nr. 5: maandag 16 mei.

Inleverdata kopij

De redactie ziet korte berichten (bijvoorbeeld over

opleidingen) voor Analyse 5/2011 graag uiterlijk op

13 mei tegemoet.

Analyse 5 verschijnt op woensdag 1 juni en Analyse 6 op

donderdag 30 juni.

108

Analyse mei 2011

Van het bestuur

Voorjaar!!

Ik weet niet hoe het jullie vergaat, maar hoewel ik geen hekel

aan de winter heb, word ik toch altijd heel blij ven het voorjaar.

Voor mij bestond het voorjaar de afgelopen weken uit een tochtje per trein, bus en

tram naar Scheveningen. Het was een warme zaterdag, met bloeiende bollenvelden

(ik woon in de Bollenstreek) en kleurige mensen op de boulevard. Ook maakte ik een

wandeltocht langs het IJsselmeer met aan de ene kant al wat vroege zeilboten en aan de

andere kant bloeiende bomen, haasje-over spelende hazen, lammetjes, jonge eendjes,

jonge ganzen, baltsende futen en een kakofonie van heldere vogelgeluiden waarmee

het voorjaarsgevoel zeker compleet gemaakt werd.

Compleet en voorjaar zijn ook de woorden die passen bij de Vakbeurs van eind

maart. Deze werd gehouden in CineMec in Ede, een mooie ruime prettige locatie. Het

programma was zeer gevarieerd en werd goed bezocht. Dat laatste gold ook voor de

talrijk aanwezige sponsors die met hun stands vertegenwoordigd waren.

En last but not least was er ter gelegenheid van het 65-jarig bestaan van de NVML het

overheerlijke minibuffet en de 3D-film.

Verdere hoogtepunten van de vakbeurs waren de uitreiking van de Zilveren Vlam voor

de beste MLO- en HLO-afstudeerscripties en natuurlijk de aftrap van de door de NVML

samen met het Lectoraat Kwaliteit en Innovatie in de Zorg ontwikkelde e-learningmodule

Bloedafname.

Nu, een paar weken later, blijkt dit laatste een groot succes te worden en stromen de

aanmeldingen van de tijdens de Vakbeurs gepresenteerde speciale aanbieding binnen.

Via de Analyse en onze website worden jullie de komende tijd op de hoogte gehouden

van de laatste ontwikkelingen en de wijze waarop aanmelden mogelijk is.

Dat is niet alles over de lente en het voorjaar van 2011. Binnenkort starten de pilotcursussen

Malariadiagnostiek en Moleculair-biologische technieken. Ik ben benieuwd wat de

cursisten van deze nieuwe cursussen vinden.

De NVML zit natuurlijk niet stil en zal ook in de rest van het jaar voor een gevarieerd

programma zorgen.

In mei is er de Algemene Ledenvergadering, waarbij het ‘nieuwe’ beleidsplan 2011-2014

gepresenteerd zal worden.

Verder is er een uitgebreid na- en bijscholingsprogramma op heel divers gebied, zijn er de

congressen ‘Focus op de lever’ en ‘Allergie’ (samen met Phadia) en is er, niet te vergeten,

het internationaal EPBS-congres in oktober.

Al met al… een jaar om de NVML in de gaten te houden.

Nelly IJzerman

Lid NVML-bestuur


Nieuws

Europees onderzoek Clostridium difficile

Het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) krijgt een leidende rol in Europa bij het coördineren van

een netwerk dat infecties met Clostridium difficile gaat registeren en monitoren. De European Centre

for Disease Prevention and Control in Zweden stelt hiervoor bijna een half miljoen euro beschikbaar.

Het LUMC krijgt die leidende functie mede vanwege een onlangs afgerond Europees surveillanceonderzoek dat gepubliceerd is in The

Lancet en de ervaringen met Clostridium difficile van het Nationaal Referentielaboratorium, een samenwerkingsverband van het LUMC

en het Centrum voor Infectieziektebestrijding van het RIVM. De darmbacterie veroorzaakt diarree en zorgt regelmatig voor uitbraken

in ziekenhuizen. Bepaalde stammen van de bacterie veroorzaken ernstiger ziekteverschijnselen.

Langdurige bescherming tegen malaria

Een effectief vaccin tegen malaria laat al decennia op zich wachten. Onlangs publiceerden

onderzoekers van het UMC St Radboud een nieuwe methode, die een goede bescherming tegen

de malariaparasiet biedt.

In een online artikel in The Lancet beschrijven ze nu dat die bescherming bij vier van de zes vrijwilligers ook na tweeënhalf jaar nog werkt.

Hoogleraar medische parasitologie Robert Sauerwein: ‘Het algemeen geaccepteerde idee dat een opgebouwde bescherming tegen malaria

ook weer relatief snel verdwijnt, kan door dit onderzoek in de prullenbak.’ Jaarlijks krijgen ruim tweehonderd miljoen mensen malaria. Bijna

een miljoen mensen sterft aan die infectie en in meer dan tachtig procent van de gevallen gaat het om kinderen onder de vijf jaar. Een

werkbaar vaccin – waar al tientallen jaren naar wordt gezocht – laat nog op zich wachten.

In 2009 publiceerde de onderzoeksgroep van Sauerwein een artikel over een nieuwe, veelbelovende experimentele immunisatie-methode

tegen malaria. Sauerwein: ‘Tien gezonde vrijwilligers die nooit malaria hadden gehad, gebruikten enkele maanden het malariamedicijn

chloroquine en werden in diezelfde periode enkele keren aan de beet van meerdere besmette malariamuggen blootgesteld. Op deze

manier wekten de parasieten een goede afweerreactie op, zonder dat de vrijwilligers ziekteverschijnselen kregen. De opgebouwde

afweerreactie was zo goed dat de vrijwilligers daarna volledig beschermd bleken tegen een nieuwe beet van besmette muggen zonder

dat ze chloroquine kregen.’ Het onderzoek was belangrijk omdat voor het eerst werd aangetoond dat je op een efficiënte manier volledige

bescherming tegen malaria kunt opwekken. Het was een hoopvol uitgangspunt voor een toekomstig effectief malariavaccin, waaraan in de

nationale en internationale media veel aandacht werd besteed.

In het artikel in The Lancet laat Sauerwein nu zien dat die immuniteit ook veel langer blijft bestaan dan gedacht. Sauerwein: ‘Zes van de

oorspronkelijke tien vrijwilligers hebben we na tweeënhalf jaar opnieuw blootgesteld aan muggen met dezelfde malariaparasieten waarmee

de vrijwilligers oorspronkelijk werden geïnfecteerd. Vier van de zes lieten een volledige bescherming zien en een bloedinfectie werd door

hun afweerreactie voorkomen. Ook de twee andere vrijwilligers vertoonden een afweerreactie, maar die was niet meer sterk genoeg om het

optreden van een bloedinfectie met malaria tegen te houden.’

Voordat de methode van Sauerwein in de praktijk kan worden toegepast moeten echter eerst nog enkele belangrijke vragen worden

beantwoord. Zo zijn de vrijwilligers in het onderzoek tweemaal geïnfecteerd met dezelfde malariastam, maar in de praktijk worden mensen

geïnfecteerd door diverse malariastammen. Daarom wordt nu uitgezocht of vaccinatie ook bescherming biedt tegen al die andere stammen.

Vroege opsporing dikkedarmkanker

In de voering van een gezonde dikke darm komt de bacterie Streptococcus gallolyticus niet of

nauwelijks voor. Dat verandert wanneer in de darmen (een voorstadium van) kanker ontstaat. Op

die locaties vestigt de bacterie zich juist heel graag.

Wetenschappers van het UMC St Radboud beschrijven deze maand in The Journal of Infectious Diseases hoe die kennis is te gebruiken voor

de ontwikkeling van een nieuwe test om darmkanker in een vroeg stadium op te sporen.

Een infectie met de bacterie Streptococcus gallolyticus (S. gallolyticus) kan bij de mens een ernstige ontsteking van de hartklep (endocarditis)

veroorzaken. Al meer dan vijftig jaar is bekend dat veel van deze hartpatiënten dikke darmkanker hebben. Dat komt zelfs zo vaak voor dat

ze tegenwoordig standaard worden onderzocht op dikkedarmkanker.

Annemarie Boleij en Harold Tjalsma, moleculair biologen in het UMC St Radboud, hebben het verband tussen S. gallolyticus,

hartklepontsteking en dikke darmkanker verder onderzocht. Tjalsma: ‘Op de binnenkant van onze darmen leven enorm veel

verschillende soorten bacteriën. Met genetisch onderzoek zijn die bacteriële darmbewoners recentelijk in kaart gebracht. Hoewel

de samenstelling van de darmflora per persoon sterk kan verschillen, blijft die samenstelling tijdens het leven vrij stabiel. Maar op

plaatsen waar darmkanker ontstaat, wijzigt de darmflora ingrijpend. Dat hebben we aangetoond door de darmflora van gezond

weefsel en tumorweefsel van dezelfde patiënt met elkaar te vergelijken.’ ‘Uit studies valt op dat S. gallolyticus niet of nauwelijks

voorkomt in een gezonde dikke darm,’ zegt Annemarie Boleij, ‘maar we vinden hem wel vaak bij patiënten met darmtumoren

Analyse mei 2011 109


of een voorstadium daarvan. We denken dat dit komt doordat tumorweefsel heel anders is dan gezond darmweefsel. De

hele structuur van het darmweefsel verandert, het weefsel raakt nóg sterker doorbloed en het is ook makkelijker te passeren

door bacteriën. Doordat ook de stofwisseling sterk verandert, gaan zich andere bacteriën vestigen op het tumorweefsel.

S. gallolyticus is daar een duidelijk voorbeeld van; hij is een onmiskenbare kankerkolonist.’

Tjalsma en Boleij onderzochten hoe deze bacterie dat precies doet. Waarom nestelt hij zich niet makkelijk in gezond weefsel, maar

foerageert hij wel graag op darmtumoren? Hoe reist hij van de darm naar de hartklep om daar ook nog een ontsteking te veroorzaken?

Tjalsma: ‘We hebben aanwijzingen dat collageen – een soort bindweefsel – in dat hele proces een belangrijke rol speelt. De bacterie

heeft dat collageen nodig om zich vast te klampen aan de darmwand. In een gezonde darm is collageen niet bereikbaar voor de bacterie

omdat het goed wordt afgeschermd door de darmwand. Maar zodra in dat darmweefsel een poliep ontstaat – het voorstadium van

darmkanker – komt het onderliggende collageen tevoorschijn. Dan kan de bacterie wél aanhaken.’ S. gallolyticus is niet alleen een

‘collageenklevertje’, maar kan ook nog op een geraffineerde manier de bloedbaan binnensluipen. Bovendien kan deze bacterie zich

nog hullen in een beschermende biofilm, waardoor hij nog beter en langer buiten het gezichtsveld van het afweersysteem blijft. Het

verband tussen bacteriën en kanker is niet nieuw. Eind vorige eeuw toonden de Australiërs Barry J. Marshall en J. Robin Warren aan dat

de bacterie Helicobacter pylori een maagzweer, maar ook maagkanker kan veroorzaken. Voor die ontekking ontvingen ze in 2005 de

Nobelprijs voor de geneeskunde. Tjalsma: ‘Studies laten zien dat er geen darmkanker ontstaat bij steriel gekweekte muizen, die geen

bacteriën in hun darmen hebben. En mensen met een chronische darmontsteking, zoals colitis ulcerosa of de ziekte van Crohn, hebben

juist een verhoogde kans op darmkanker. Dergelijke voorbeelden vormen geen direct bewijs, maar maken verder onderzoek naar de

relatie tussen bacteriën en darmkanker wel heel interessant.’

Minder dikkedarmkanker door goede

cholesterol

Een hoger gehalte van het ‘goede’ HDL-cholesterol gaat samen met een kleinere kans op

dikkedarmkanker. Europese onderzoekers, onder meer van het UMC Utrecht en het RIVM,

beschrijven dat in het tijdschrift Gut, dat onlangs online is verschenen.

De onderzoekers trekken deze conclusie uit het EPIC-onderzoek naar het voorkomen van kanker en leefstijl, zoals eetgewoonten. Van

ruim een half miljoen deelnemers kregen er gedurende tien jaar ongeveer 3000 darmkanker. De onderzoekers vergeleken leefstijl en

bloedwaarden van 1200 van deze patiënten met evenveel gezonde controles. Mensen met de hoogste concentratie van het gunstige

HDL-cholesterol in hun bloed blijken het laagste risico op darmkanker te hebben. Een verhoging van 0,43 mmol/liter HDL in het

bloed verlaagt de kans op darmkanker met 22 procent. Andere oorzaken zoals gewicht, voeding, en leefstijl hebben de onderzoekers

uitgesloten. HDL-deeltjes voeren cholesterol af naar de lever. Het is voor het eerst dat een verband is gevonden tussen HDL-cholesterol

en dikkedarmkanker. Eerdere onderzoeken hebben tegenstrijdige resultaten opgeleverd. Het blijft onduidelijk hoe het ‘goede

cholesterol’ de kans op dikkedarmkanker verlaagt. Het was al bekend dat mensen met te lage HDL-spiegels in het bloed een groter

risico lopen op coronaire hartziekten. Dat is het gevolg van een leefstijl met ongezonde voeding met veel verzadigd vet, roken, weinig

lichamelijke activiteit en overgewicht. Bueno-de-Mesquita van het RIVM: ‘Een gezond voedingspatroon met magere varianten van

voedingsmiddelen, lichamelijke activiteit en een gezond lichaamsgewicht verhogen het HDL. Als onze resultaten bevestigd worden,

wil het zeggen dat een HDL-verhoging ook de kans op dikkedarmkanker kan verminderen.’

Patholoog ontvangt Muntendamprijs

KWF Kankerbestrijding heeft de Prof. dr. P. Muntendamprijs 2011 uitgereikt aan prof. dr. Wolter

Oosterhuis van het Erasmus MC, vanwege zijn grote verdiensten als patholoog en zijn stimulerende

bijdrage aan de bouw van de brug tussen oncologische patiëntenzorg en onderzoek.

Wolter Oosterhuis (64) speelt al bijna 40 jaar in verschillende functies een belangrijke rol in de strijd tegen kanker. Als wetenschappelijk

directeur van Erasmus MC-Daniel den Hoed zorgde hij ervoor dat verschillende afdelingen binnen het Rotterdamse Josephine Nefkens

Instituut beter met elkaar konden samenwerken in het kankeronderzoek.

Vernieuwing

Oosterhuis: ‘Toen ik begin jaren zeventig als patholoog begon, was mijn vakgebied aan vernieuwing toe. Dankzij een nieuwe techniek,

de immunohistochemie, kunnen we met specifiek gemaakte antilichamen vrijwel alle moleculen in weefsels aantonen. Doordat

kankercellen bepaalde karakteristieken bevatten, kunnen we tumoren niet alleen beter herkennen, we kunnen ook steeds beter

voorspellen hoe patiënten op medicijnen gaan reageren.’

Muntendamprijs

KWF Kankerbestrijding reikt de Prof. dr. P. Muntendamprijs jaarlijks uit aan personen met bijzondere verdiensten voor de kankerbestrijding

in Nederland. De Muntendamprijs bestaat uit een oorkonde en een penning. Daarnaast mag de prijswinnaar voor een bedrag van

50.000 euro een bestemming binnen de kankerbestrijding aangeven.

Oosterhuis heeft op 1 april afscheid genomen als afdelingshoofd Pathologie, maar blijft de komende jaren wel betrokken bij het

onderzoek van de afdeling.

110

Analyse mei 2011


NVML-commissies en werkgroepen NVML-commissies

De Redactiecommissie door de ogen

van… Hans Heijnen

Mijn naam is Hans Heijnen, ik ben 40 jaar. Sinds 1991 werk ik als analist op

de afdeling Pathologie van het Reinier de Graaf Gasthuis in Delft. Ik werk

daar op de afdeling Histologie en houd me vooral bezig met het verwerken

van weefsel tot microscopische preparaten die later door de patholoog

bekeken worden.

De uitdaging om een zo mooi mogelijk product af te leveren, blijft boeien en door de complexiteit van het proces loop je toch steeds weer

tegen nieuwe aspecten aan. Naast de routinewerkzaamheden houd ik me ook bezig met het onderhouden van het kwaliteitssysteem.

Interne audits en de klachtenregistratie zijn zaken die mijn bijzondere aandacht hebben. De audits worden niet alleen uitgevoerd op

pathologie; we hebben een auditteam dat alle laboratoria van het ziekenhuis auditeert, waarbij het zelfs de bedoeling is om audits uit

te voeren op andere afdelingen dan die van jezelf. Zo krijg je ook mooi de gelegenheid om eens in de keuken van een klinisch-chemisch

of bacteriologisch lab te kijken.

Die nieuwsgierigheid was ook de reden dat ik in de redactie van Analyse heb plaatsgenomen. Het redactiewerk biedt een uitgelezen

kans om je horizon te verbreden en om in aanraking te komen met aspecten van het laboratoriumwerk die niet tot jouw dagelijks

werk horen. In de jaren dat ik het redactiewerk doe, heb ik dat werk wel zien veranderen. In mijn beginperiode werd er maandelijks

vergaderd. Uit het hele land kwamen de redactieleden naar Utrecht. Er werden dan ook heel wat auto- en treinkilometers afgelegd voor

een Analyse het levenslicht zag. Naast die kilometers werd het ook steeds duurder om in de Utrechtse binnenstad te parkeren en op

een gegeven moment werd er ook voor gekozen om de vergadering nog maar eens per half jaar te organiseren. Elke maand was er een

e-mailoverleg waarin lopende zaken werden besproken. Het halfjaarlijks overleg is in de afgelopen jaren uitgegroeid tot een overleg

waarbij meer naar de lange termijn wordt gekeken. Er wordt één tot anderhalf jaar vooruitgekeken en we proberen te verzinnen wat de

wensen en behoeften van onze lezers zijn.

Het echte redactiewerk vindt vooral via e-mail plaats. De eindredacteur maakt uit de diverse vakbladen een selectie van mogelijk

interessante artikelen. De redactie bepaalt vervolgens of het artikel geschikt is voor Analyse en wat de specifieke vragen zijn waarop

de lezers antwoord willen hebben. Die informatie gaat vervolgens naar de auteur die het artikel schrijft. Hierna leest de redactie het

aangeleverde artikel en vraagt zo nodig nog extra informatie of verduidelijking. De eindredacteur bepaalt vervolgens hoe en in welke

vorm het artikel in Analyse komt. De meeste artikelen in Analyse komen op deze manier tot stand. Zo nu en dan loop je op je werk, op

congressen of op nog andere manieren wel eens tegen een mogelijk artikel aan. Het is dan de kunst om de schrijver te bewegen het

artikel geschikt te maken voor Analyse. Vaak ligt de nadruk in zo’n artikel op de medische ontwikkelingen, terwijl laboranten vaak juist

geïnteresseerd zijn in de manier waarop het onderzoek gedaan is. Welke bepalingen zijn gedaan? Hoe zijn ze gedaan? Welke apparatuur

is gebruikt? Het mooiste is natuurlijk wanneer de (mede)auteur van een artikel een analist is. In de praktijk blijkt dit streven niet altijd

even gemakkelijk. Dus ben/ken je iemand die een artikel heeft geschreven dat interessant is voor analisten? Aarzel niet om contact met

ons op te nemen via redactie@nvml.nl. Naast vakartikelen staan er in Analyse ook vactures, verenigingsnieuws, advertenties en korte

nieuwsberichten.

Tijdens redactievergaderingen en op andere

bijeenkomsten van de NVML leer je elkaar

beter kennen en worden zaken besproken

die ook andere commissieleden aangaan.

Er worden allerlei ideeën uitgewisseld, je

hebt de mogelijkheid om gebruik te maken

van de creativiteit van anderen, iets wat heel

inspirerend werkt. Al met al is het redactiewerk

een leuke aanvulling, of liever gezegd

verrijking van je werk.

Hans Heijnen

Sociale Belangen

Kwaliteit

Internationale Contacten

Nascholing

Redactie

Onderwijs

WHAMM

Analyse mei 2011 111


Nieuws

Samenwerking A12 ziekenhuizen

Onlangs te zien in het NOS Journaal: vier ziekenhuizen in de regio Den Haag gaan een vergaande

samenwerking aan met het oog op de toekomst. Het gaat om MC Haaglanden en het Bronovo Ziekenhuis

in Den Haag, het Lange Land Ziekenhuis in Zoetermeer en het Groene Hart Ziekenhuis in Gouda.

De vier ziekenhuizen hebben de A12-coöperatie opgericht, genoemd naar de autoweg waarlangs ze liggen. De ziekenhuizen hebben

samen zes locaties: twee in Den Haag, twee in Gouda en een in Zoetermeer en Leidschendam. De onderhandelingen tussen de

ziekenhuizen gingen ruim vier jaar geleden van start en begonnen in 2009 vorm te krijgen.

De samenwerking leidt tot concentratie van zorg. Niet elk ziekenhuis blijft alles zelf doen. Dat verbetert volgens hen de kwaliteit van de

zorg en het is efficiënter, maar het maakt de zorg ook goedkoper. Wel zullen patiënten vaak verder moeten reizen.

PET-CT-scan

In Gouda hebben de vier ziekenhuizen inmiddels een gezamenlijke PET-CT-scan neergezet van 5 miljoen euro en in Leidschendam een

gezamenlijke obesitaskliniek. De vijf intensive care-afdelingen (ic’s) zijn samengevoegd in één netwerk. De intensivisten van de vijf ic’s

vormen een pool en worden op verschillende locaties ingezet.

Later dit jaar komt er een operatiestraat voor liesbreuken op één van de locaties. Daarna volgt de concentratie van de klinische

kankerzorg.

De samenwerkende ziekenhuizen hopen hiermee niet alleen hun patiënten te behouden, maar ook de concurrentie aan te gaan met

andere ziekenhuizen in de regio om daarmee nieuwe patiënten aan te trekken.

Kostenbeperking

Minister Schippers van VWS is natuurlijk ingenomen met deze samenwerking, want ze wil de kostenstijging in de ziekenhuissector

volgend jaar beperken tot maximaal 2,5 procent. De laatste jaren was een kostenstijging van circa zeven procent gebruikelijk.

De minister wil dat de ziekenhuizen de kwaliteit van hun zorg verbeteren en daarmee kosten besparen.

Het item in het NOS Journaal is te zien op de website nos.nl.

Nog meer samenwerking…

Inmiddels hebben ook de concurrerende ziekenhuizen in de regio Zuid-Holland een

intentieverklaring voor samenwerking getekend. Het gaat hierbij om het HagaZiekenhuis in Den

Haag, het Vlietland Ziekenhuis in Schiedam en de Reinier de Graaf Groep in Delft. Voor het einde

van dit jaar hopen zij duidelijk te hebben of de samenwerking die zij beogen haalbaar is.

Uitgangspunt van de samenwerking die zij nastreven is dat de drie ziekenhuizen hun autonomie behouden en dat er geen sprake is

van een fusie. Voor de patiënten verandert er daarom weinig; zij kunnen blijven kiezen voor hun vertrouwde ziekenhuis. Bij de beoogde

samenwerking wordt achter de schermen de doelmatigheid van de drie ziekenhuizen geoptimaliseerd door de samenvoeging van

ondersteunende diensten en de benutting van schaalvoordelen.

Het doel van de beoogde samenwerking is om de bestaande hoge kwaliteit en doelmatigheid van de geboden ziekenhuiszorg verder te

verbeteren teneinde ook op langere termijn kwalitatief goede zorg te leveren. Op deze wijze kunnen de drie ziekenhuizen de bevolking

in hun verzorgingsgebied blijvend goede en kosteneffectieve basis- en topzorg garanderen op basis van volledige keuzevrijheid.

Ook elders

Enkele jaren geleden fuseerde het Antonius Ziekenhuis in Nieuwegein met twee Utrechtse

ziekenhuizen van de Mesos-groep: de ziekenhuizen Oudenrijn en Overvecht.

Voor deze verouderde ziekenhuizen vindt inmiddels nieuwbouw plaats in Leidsche Rijn, de grootste Vinex-wijk van Nederland. De

vorderingen van de bouw zijn te volgen op de website www.antoniusziekenhuis.nl onder het kopje Antonius BOUWT! Hier is onder

meer een webcam geplaatst, waarvan het beeld iedere 30 seconden wordt ververst. Ook wordt hier gemeld welke nieuwigheden het

nieuwe ziekenhuis straks (de planning is 2013) heeft te bieden. Inmiddels is bekend geworden dat het St. Antonius Ziekenhuis ook een

intentie tot samenwerking heeft getekend met het Rivierenland Ziekenhuis in Tiel.

Golf

De golf van samenwerking lijkt hiermee voorlopig nog niet teneinde. Zo meldt de website van het NOS Journaal ook nog de volgende

112

Analyse mei 2011


initiatieven tot samenwerking:

• Westfries Gasthuis (Hoorn), Zaans MC en Waterlandziekenhuis (Purmerend) praten

over spreiding en concentratie van kankerzorg.

• AMC (Amsterdam) en Flevoziekenhuis (Almere) werken samen op gebied van

mammachirurgie, darmchirurgie en grote oncologische verrichtingen.

• Haga Ziekenhuis (Den Haag), Reinier de Graaf (Delft) en Sint Franciscus Gasthuis

(Rotterdam) doen samen inkoop en logistiek en praten over meer.

• Haga Ziekenhuis (Den Haag) en Reinier de Graaf (Delft) werken samen met het Vlietland

ziekenhuis (Schiedam) bij de verdeling van patiënten over IC’s.

• Atrium MC (Heerlen) en Orbis MC (Sittard-Geleen) beginnen met gesprekken over

samenwerking en afstemming.

• BovenIJ ziekenhuis en het OLVG (beide Amsterdam) werken samen in chirurgie en

diagnostiek.

• Adriaan de Ruyter Ziekenhuis (vier locaties in Zeeland) werkt samen met de MC Groep

in Lelystad/Emmeloord bij inkoop.

• Santeon-groep: een zestal topklinisch ziekenhuizen, verdeeld over het hele land,

werkt samen aan het hoogst haalbare niveau van medische zorg door uitwisseling

van kennis, talent en expertise. Verder ook gezamenlijke ICT, beheer van gebouwen

en inkoop.

SEH’s geconcentreerd

Op eerste paasdag kwam hetzelfde NOS Journaal op basis

van eigen onderzoek met het bericht dat ook het aantal

Spoedeisende Hulpafdelingen in ziekenhuizen aanmerkelijk

zou kunnen worden verminderd.

Nederland zou toekunnen met 47 Spoedeisende Hulpafdelingen (SEH’s) bij ziekenhuizen

in plaats van de huidige 105. Tenminste, als de norm van 45 minuten aanrijtijd die

minister Schippers hanteert strikt wordt aangehouden. Dat blijkt uit een berekening die

de NOS heeft laten maken. Zo zouden alleen al in de regio Amsterdam slechts twee

van de huidige negen Spoedeisende Hulpposten overblijven, zo blijkt uit het getoonde

kaartje in het NOS Journaal. Hoe dit in werkelijkheid allemaal gaat uitpakken, zal de

toekomst moeten uitwijzen.

Betere 24-uurszorg

Concentratie van de spoedeisende hulp is al enige tijd onderwerp van discussie in de

zorg. Immers, zo redeneren de voorstanders, waarom is het nodig dat een patiënt in

bijvoorbeeld Amsterdam of Rotterdam kan kiezen uit zes eerstehulpafdelingen? Volgens

velen kan Nederland best met minder SEH’s toe. De onderliggende gedachte is dat dit

de zorg ten goede komt. De resterende SEH’s kunnen groeien en meer specialisten in

dienst nemen, zodat betere 24-uurszorg geleverd kan worden dan nu.

(Bron: www.nos.nl.)

NVML

Wilhelminapark 52, 3581 NM Utrecht. Telefoon: 030-2523792.

Telefonisch bereikbaar: maandag tot en met donderdag

van 9:00 tot 14:00. Fax: 030-2541814. E-mail: nvml@nvml.nl.

Website: http://www.nvml.nl

Bereikbaarheid bureaumedewerkers

Ria Blom

(organisatie nascholing): maandag, dinsdag en

donderdag.

Marja Pospiech

(beroepsinhoudelijke belangenbehartiging en

algemene zaken): maandag tot en met donderdag.

Alice Gosselt-Imming

(organisatie nascholing): maandag, dinsdag en

donderdag.

Jenny Schoemaker

(voorlichting en sociale belangenbehartiging):

dinsdag t/m donderdag.

Lidmaatschap

Voor informatie en ledenadministratie kunt u contact

opnemen met het bureau van de NVML.

Contributie

Lees het aanmeldingsformulier op de website: www.

nvml.nl.

Opzegging

Schriftelijk vóór 1 november van het lopende jaar

per post, fax of e-mail. U ontvangt hiervan een

bevestiging binnen 10 werkdagen. Omdat niet al

het communicatieverkeer probleemloos verloopt,

adviseren wij u bij het uitblijven van de bevestiging

telefonisch contact op te nemen met het bureau van

de NVML.

Bestuur

Voorzitter

mw. M.J. Egbers, afdeling Medische Microbiologie,

Isala Klinieken Zwolle

Penningmeester

mw. M.A.M. Verdaasdonk, afdeling Pathologie,

UMC Utrecht

Secretaris

dhr. R. de Nooijer, Middelbaar Laboratorium Onderwijs,

locatie Hogeschool Leiden

Lid

mw. N. IJzerman, hoofd KAM-dienst, Medial,

Hoofddorp

Aspirant bestuurslid

mw. S. Versluis-van den Born, Medisch Centrum

Kinderwens, Leiderdorp

Adviseurs

• prof. dr. M.A. Blankenstein, Amsterdam,

klinisch chemicus

• dr. H. Hazelbag, Den Haag,

patholoog

• mw. E.C. de Jong PhD,

cellulair immunoloog

• dr. J.A. Kaan, Utrecht,

medisch microbioloog

NVML-Commissies en werkgroepen

Commissie Internationale Contacten

Contactpersoon: Marja Pospiech, bureau NVML.

Commissie Kwaliteit

Contactpersoon: Petra Melsen

Commissie Nascholing

Contactpersoon: Alice Gosselt-Imming en Ria Blom,

bureau NVML.

Commissie Onderwijs

Contactpersoon: Marja Pospiech, bureau NVML.

Redactiecommissie

Contactpersoon: Bart Krekels

Werkgroep Registratie

Contactpersoon: Marja Pospiech, bureau NVML

Commissie Sociale Belangen

Contactpersonen: Marja Pospiech en Jenny Schoemaker,

bureau NVML.

Werkgroep Hoofdanalisten Medische

Microbiologie (WHAMM)

Contactpersoon: Marja Pospiech, bureau NVML

Analyse mei 2011 113


Zilveren Vlam uitgereikt

De feestelijke uitreiking van de Zilveren Vlam vond dit jaar plaats op 31 maart tijdens de Vakbeurs

Techniek & Diagnostiek in CineMec te Ede.

De heer Van de Reijt reikt de oorkonde uit aan Elise Roetman.

114

Analyse mei 2011

De Zilveren Vlam is de NVML-onderscheiding voor degene die de beste

eindexamenscriptie heeft geschreven voor het verkrijgen van het HLO- en

MLO-diploma in een biomedische richting aan een instelling voor hbo en

mbo in Nederland. De prijs, vernoemd naar de oprichtster van de NVML,

bestaat uit een oorkonde en een geldprijs.

Sinds 2009 is het reglement van de Zilveren Vlam aangepast met als doel

meer hbo- en mbo-opleidingsinstituten te verleiden tot het inzenden van

eindexamenscripties door kandidaten. De tien ingezonden scripties zijn,

conform het aangepaste reglement, eerst beoordeeld door een leesgroep.

Deze heeft twee scripties voor zowel HLO als MLO ter beoordeling

voorgedragen aan de jury.

De jury heeft door deze aanpak kwalitatief zeer goede scripties ontvangen,

hetgeen de beoordeling niet eenvoudiger heeft gemaakt. Op zowel HLO-

als MLO-niveau hadden de scripties een hoog wetenschappelijk gehalte en

benaderen zij een niveau waar menig onderzoeker trots op kan zijn. Wat de

jury opviel is dat de scripties evolueren tot meer en meer wetenschappelijk

onderzoek en een uitstraling hebben van wetenschappelijke artikelen.

Bij het HLO is Michelle Kip, afgestudeerd aan Saxion Hogeschool te Enschede

in de richting biologie en medisch laboratoriumonderzoek, de winnaar. Haar

verslag met de titel ‘The mechanism of chondrocyte (de)differentiation-gene

expression profiling in dedifferentiating chondrocytes’ voldoet in ruime mate

aan de gestelde criteria voor de Zilveren Vlam. De uitleg van het ziektebeeld

osteoartritis, de diversiteit aan gebruikte technieken, resultaatverwerking en

conclusie zijn verwerkt in een uitermate goed leesbaar en verzorgd verslag.

De heer Blaauw overhandigt de envelop met inhoud aan Michelle Kip. Voor het MLO is Elise Roetman, afgestudeerd aan ROC Leiden in de richting

klinische chemie en hematologie, de winnaar. Haar verslag met de titel

‘Houdbaarheid van bloed: onderzoek naar de invloed van tijd op de door huisartsen aangevraagde bloedanalyses’ had een duidelijke

vraagstelling die door literatuuronderzoek eerst is uitgewerkt voordat daadwerkelijk met metingen gestart werd. Het verslag is helder

geschreven met duidelijke tabellen en een juiste conclusie, waarmee de betrokken ziekenhuizen vooruit kunnen.

Elise en Michelle ontvangen uit de handen van de voorzitter van de jury, de heer Van de Reijt, een vrolijke bos bloemen en de oorkonde.

De heer Blaauw, namens sponsor Leica Microsystems, spreekt beide winnaressen op zijn eigen wijze toe en overhandigt de geldprijs.

Ook de stagebegeleiders van beide dames spreken lovende woorden uit.

De NVML wenst Michelle Kip en Elise Roetman een goede analytische toekomst toe.

Marja Pospiech-Greijn

Groepsfoto van alle betrokkenen.


NVML 65 jaar jong: tijd voor nieuwe ‘looks’

Dat de NVML haar 65-jarig jubileum aangrijpt voor het opfrissen van de huisstijl zal u niet zijn ontgaan. Per 1 januari 2011 is

het nieuwe briefpapier in gebruik genomen. Natuurlijk kon de stand niet achterblijven. Het kostte enige inspanning om de

juiste uitstraling te verkrijgen, maar op de Vakbeurs van 31 maart is hij voor het eerst gebruikt.

De stand bestaat uit drie ‘banners’ van 2 meter hoog, die ieder op zichzelf te gebruiken zijn, maar samen, naast elkaar, subtiel het NVMLlogo

tonen. Daarbij horen twee ronde balies met ook daarop visueel en in tekst zichtbaar gemaakt wie wij als NVML vertegenwoordigen.

Alles ontworpen door grafisch bureau Graficelly.

En ten slotte zijn er twee folderrekken aangeschaft voor ons vakblad Analyse en voor aankondigingen van de vereniging.

Het was een plezier om met deze nieuwe ‘looks’ de NVML te vertegenwoordigen op de Vakbeurs!

Jenny Schoemaker

Medewerker PR & Ledenwerving

Analyse mei 2011 115


Nieuwe werkgroep hoofdanalisten gestart

Op 7 maart 2011 kwam een aantal hoofdanalisten/leidinggevenden van klinisch-chemische

laboratoria op het NVML-kantoor in Utrecht bijeen om te praten over de oprichting van een

nieuwe werkgroep: de WHAKC.

De WHAKC staat voor de Werkgroep Hoofdanalisten Klinische Chemie.

De conclusie van die middag was dat iedereen het een goed plan vond om de werkgroep op te richten en dat werd uiteindelijk dan ook

met een glas champagne gevierd!

Waarom lid worden van de WHAKC?

• Om elkaar op de hoogte te houden (en niet steeds opnieuw het wiel uit te moeten vinden).

• Om efficiënter te werken: hoe doen andere laboratoria dat?

• Om problemen op personeelsgebied met elkaar te bespreken, bijvoorbeeld: hoe schroeven we het niveau van de beginnende analist

omhoog?

• Om deel te kunnen nemen aan symposia, workshops, trainingen en dergelijke, speciaal voor hoofdanalisten/leidinggevenden.

Wie kan er lid worden van de WHAKC?

Hoofdanalisten/leidinggevenden van klinisch-chemische, hematologische, endocrinologische en immunologische laboratoria die

bovendien lid zijn van de NVML of dat willen worden.

Geïnteresseerd?

Meld je dan aan via de website www.nvml.nl, pagina NVML/commissies en werkgroepen.

Eline Liesting

De initiatiefgroep WHAKC brengt samen met NVML-voorzitter Marianne Egbers een toast uit op de nieuwe werkgroep.

116

Analyse mei 2011


Vakbeurs Techniek & Diagnostiek 2011

Op donderdag 31 maart om 9.00 uur gingen de deuren van het CineMec te Ede open voor de

deelnemers van de derde Vakbeurs Techniek & Diagnostiek van de NVML.

De voorbereidingen waren al meer dan een jaar geleden gestart en liepen op hun hoogtepunt in de laatste week. Veel en leuk werk,

dat pas op de dag zelf tot voltooiing komt. Alles stond op tijd klaar: 450 beursmappen in tassen, 32 stands, 30 sprekers en 4 zalen met

de techniek operationeel.

De deelnemers waren al gauw gewend aan de indeling van zalen en stands. Tijdens de pauzes was het een gezellig gonzen van

netwerkende mensen. Gevolgd door een prettige rust tijdens de lezingen.

Voor de deelnemers was het niet makkelijk te kiezen tussen de zalen met lezingen. Naast vakinhoudelijke onderwerpen stonden er ook

algemene interessante onderwerpen op het programma. Dit resulteerde in volle zalen. Uit de evaluatie blijkt dat alle zalen even goed

bezet waren. Alleen in de middag was er een lichte verschuiving van kwaliteit in zaal 3, naar personeelsbeleid in zaal 1 en transfusies

en monitoring in zaal 4.

Het verstrekken van de hand-outs achteraf via de website is in het algemeen als positief ervaren. Het argument dat dit milieuvriendelijker

en kostenbesparend is, werd door de deelnemers gedeeld.

De bereikbaarheid en algemene indruk van het CineMec werd door allen goed gevonden. Op de vraag de drie vakbeurzen tot nu toe

met elkaar te vergelijken, geeft het antwoord een wisselend beeld. Terwijl standhouders meer tevreden zijn, met name wat betreft de

aanloop bij de stands, zijn de deelnemers minder tevreden over de inhoud. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat de standhouders

meer in de gelegenheid zijn geweest aan alle drie de vakbeurzen deel te nemen dan de deelnemers. Al met al zijn wij blij met uw,

positieve, opmerkingen en zullen deze bij de voorbereidingen van de volgende vakbeurs in acht nemen.

Met een eindbeoordeling van 7,9 kunnen we terugkijken op een geslaagde dag. Daarvoor ben ik dank verschuldigd aan sprekers,

standhouders, vele helpende handen van de vrijwilligers en de ervaren krachten van het bureau. Maar ook aan u als deelnemer, want

zonder deelnemers is er geen vakbeurs.

Marja Pospiech-Greijn

De heer M. van Tilburg van het Amphia ziekenhuis te Breda won de sloganprijsvraag en neemt zijn prijs in

ontvangst van NVML-voorzitter Marianne Egbers.

Analyse mei 2011 117


Proefschrift

Meningokokken C-specifieke immuniteit:

bescherming in een periode na immunisatie

met een conjugaatvaccin

R.M. de Voer

Dit artikel is oorspronkelijk gepubliceerd in het Infectieziekten Bulletin (2011;22(1):30-2).

Na invoering van het Meningokokken C (MenC)-conjugaatvaccin in 2002 daalde het aantal gevallen

van MenC-ziekte drastisch in Nederland. Het doel van dit proefschrift was het onderzoeken van de

effecten van invoering van vaccinatie op de Nederlandse populatie en het bepalen van de duur van

de bescherming na een enkele vaccinatie. Daarnaast is onderzocht hoe de immuunrespons tegen

het MenC-conjugaatvaccin is opgebouwd. Dit onderzoek is bedoeld om gerichte aanbevelingen

te kunnen maken voor toekomstig beleid aangaande meningokokkenvaccinatie.

Neisseria meningitidis is één van de veroorzakers van bacteriële meningitis en sepsis. In Europa veroorzaken met name groep B en C

het meest ziekte (1). Tegen de serogroepen A, C, W-135 en Y zijn er al geruime tijd vaccinaties beschikbaar. Deze vaccins bestaan uit

gezuiverd polysacharide, al dan niet geconjugeerd aan een dragereiwit zoals tetanustoxoïd of difterietoxoïd. Deze conjugaatvaccins

bieden, in tegenstelling tot alleen gezuiverd polysacharide, bescherming aan kinderen onder de 2 jaar en wekken daarnaast langdurige

immuniteit op. Tegen groep B is er op dit moment nog geen goed werkend vaccin beschikbaar, omdat het polysacharide van groep B

geen bescherming opwekt en andere mogelijke eiwitvaccins nog in ontwikkeling zijn.

Eind jaren negentig deed een hypervirulente MenC-stam zijn intrede in Europa. Deze stam leidde tot een forse stijging in de incidentie

in 2000/2001. Rond ditzelfde tijdstip werden in Nederland de conjugaatvaccins geregistreerd. De stijging in incidentie leidde tot een

hoop media-aandacht en publieke ongerustheid. In 2001 besloot de gezondheidsraad een MenC-vaccinatie op te nemen in het RVP

(Rijksvaccinatieprogarmma) op de leeftijd van 14 maanden, in combinatie met een inhaalcampagne waarin iedereen vanaf 1 tot en met

18 jaar zich eenmalig kon laten vaccineren. Deze campagne was erg succesvol, want er werd een vaccinatiegraad van 94% gehaald (2).

Momenteel wordt bij jonge kinderen nog steeds, als zij 14 maanden oud zijn, de MenC-vaccinatie aangeboden.

Invoering van MenC-vaccinatie was erg effectief, want al binnen 1 jaar was er een afname van het aantal MenC-gevallen waarneembaar

in de gevaccineerde populatie, maar ook in de ongevaccineerde leeftijdscohorten daalde de incidentie sterk. Tot op dit moment zijn er

geen gevallen van MenC-vaccinfalen bij gevaccineerde personen bekend (3).

De gevolgen van introductie van MenC-vaccinatie in Nederland

Naast Nederland hebben vele andere landen in Europa inmiddels een vaccinatie tegen MenC ingevoerd. Ondanks het feit dat niet

alle landen hetzelfde vaccinatieschema aanhouden, laten de meeste schema’s effectiviteit zien met of zonder de uitvoering van een

inhaalcampagne. In Nederland kunnen we zien dat een enkele vaccinatie op de leeftijd van 14 maanden een betere bescherming biedt

dan de natuurlijke immuniteit op die leeftijd wanneer er niet gevaccineerd wordt. Desalniettemin neemt de concentratie van antistoffen

snel af na vaccinatie op de leeftijd van 14 maanden (4). Het immuunsysteem van jonge kinderen is nog niet volledig ontwikkeld, waardoor

de cellen die zorgen voor de langdurige bescherming zich waarschijnlijk nog niet heel goed kunnen handhaven (5,6).

Tot op dit moment is de Nederlandse invoering van het MenC-conjugaatvaccin goed verlopen. Er zijn nog geen gevallen van vaccinfalen

geconstateerd en tevens is de incidentie zeer laag in de niet-gevaccineerde bevolking. Dit is met name toe te schrijven aan de

inhaalcampagne. We hebben laten zien dat de oudste gevaccineerde cohorten van de inhaalcampagne na 5 jaar nog steeds een hoge

concentratie aan (beschermde) antistoffen hebben, tot zelfs 95,5 % van de personen die gevaccineerd werden in de leeftijd van 15-18

jaar. Dit hoge niveau aan antistoffen is afhankelijk van de leeftijd waarop men gevaccineerd is. Kinderen en adolescenten tussen de 10

en 18 jaar laten na 4-5 jaar hogere antistofniveaus zien dan kinderen tussen de leeftijd van 5 en 10 jaar, en die laten weer hogere niveaus

zien dan kinderen tussen de leeftijd van 1 en 5 jaar (4). Vooral de cohorten die tussen de 1 en 5 jaar werden gevaccineerd, lijken een snelle

afname aan antistofconcentraties te laten zien.

Vaccinatie met het MenC-conjugaatvaccin heeft tot gevolg dat de bacterie niet meer in de neus-keelholte van de gevaccineerde

personen aanwezig is (7). Dit leidt tot een verminderde transmissie van de bacterie en daardoor worden ongevaccineerde personen

binnen een populatie indirect beschermd. Dit herd-effect (letterlijk: kudde-effect, red.) is hoogstwaarschijnlijk de reden voor de

verminderde incidentie van MenC in de ongevaccineerde populatie in Nederland. Als we kijken naar de mate van bescherming van

de ongevaccineerde populatie, met name de personen boven de leeftijd van 25, zien we dat niveaus aan antistoffen gericht tegen het

polysacharide zijn afgenomen ten opzichte van de periode waarin nog niet werd gevaccineerd. In absolute directe bescherming heeft

dat nog geen effect gehad. Ongeveer 25% van de ongevaccineerde personen was zowel voor als na invoering van de MenC-vaccinatie

beschermd. Dit is te verklaren doordat natuurlijke bescherming tegen de MenC-bacterie niet alleen berust op antistoffen gericht

tegen het polysacharide, maar ook tegen andere componenten van de bacterie. Toch kunnen deze ongevaccineerde personen in de

toekomst een verhoogd risico lopen, doordat de circulatie van MenC in de populatie momenteel zeer laag is en hierdoor de natuurlijke

bescherming mogelijk nog verder afneemt. Het risico wordt dus groter wanneer de circulatie van MenC in de toekomst wel stijgt.

118

Analyse mei 2011


Leeftijdsafhankelijke immuniteit na MenC-vaccinatie

De leeftijdsafhankelijke persistentie van antistoffen na MenC-conjugaatvaccinatie wijst erop dat er mogelijk verschillen zijn in de respons

die wordt opgewekt in kinderen, adolescenten en volwassenen. Niet alleen zagen we de leeftijdsafhankelijke IgG-antistofrespons,

maar ook voor MenC-specifieke IgM-antistoffen observeerden we dit patroon. Dit is opmerkelijk, aangezien IgM eigenlijk alleen kort

na een infectie of vaccinatie aantoonbaar is en in onze studie kunnen we deze antistoffen nog tot 5 jaar na dato aantonen. Naast de

aanwezigheid van IgM, observeerden we ook verschillen in de concentraties van de subklassen van IgG, en dan specifiek de IgG1- en

IgG2-subklassen. Door de verschillende leeftijdscohorten heen bleef de hoeveelheid aan MenC-specifiek IgG1 op een constant niveau,

maar steeg het niveau aan IgG2 met de leeftijd waarop het MenC-conjugaatvaccin was toegediend. Naast de stijging in het niveau van

IgG2 bleek de aviditeit van de IgG-antistoffen als totaal juist af te nemen met de leeftijd van vaccinatie.

Eerder beschreven we dat het MenC-conjugaatvaccin duidelijk T-helpercellen activeert en leidt tot de vorming van memory B-cellen

(8,9). Dit heeft tot gevolg dat met name antistoffen van de IgG1-subklasse worden geproduceerd en dat deze antistoffen ook een

hogere aviditeit voor het MenC-antigeen hebben dan wanneer er geen T-celhulp aanwezig is. Wanneer de vaccinatieresponsen, en dan

met name de persistentie van antistoffen na vaccinatie, op verschillende leeftijden worden vergeleken, is er een groot aantal verschillen.

Deze verschillen kunnen worden verklaard door dragerschap van MenC, rijping van het immuunsysteem, of circulatie van MenC in de

bevolking. Daarnaast duiden de aanwezige niveaus van IgM, de verminderde IgG-aviditeit en de stijging van het IgG2-isotype met de

leeftijd van vaccinatie erop dat de antistoffen geproduceerd worden in een setting waarin er geen T-celhulp wordt aangeboden.

Onze data suggereren daarom dat er met de leeftijd van vaccinatie een mix tussen een T-celafhankelijke en T-celonafhankelijke

immuunrespons ontstaat. Er wordt wel duidelijk langeretermijnimmuniteit geïnduceerd, maar het heeft gezien de kwaliteit van

de antistoffen ook alle kenmerken van een situatie waarin er geen T-celhulp wordt aangeboden. De cellen die zijn betrokken bij de

T-celonafhankelijke immuunrespons worden de marginale zone B-cellen genoemd (10). Het is onbekend of deze cellen ook betrokken

zijn bij de respons na een conjugaatvaccinatie. Echter, omdat de antistoffen die geproduceerd worden de karakteristieken van deze

respons hebben en opmerkelijk genoeg vijf jaar na vaccinatie nog steeds aanwezig zijn, lijkt het erop of er sprake is van een continue

immuunrespons. Dit kan eventueel worden verklaard door het behoud van immuuncomplexen (kleine stukjes vaccin), die mogelijk

langdurig en keer op keer de immuunreactie in stand houden (11).

Figuur 1 MenC PS-specifiek IgG (A) en de seroprevalentie serum bactericide antistof (SBA) titers ≥8 (B) binnen elk leeftijdscohort, voor en na invoering van het MenCconjugaatvaccin.

Error bars duiden het 95%-betrouwbaarheidsinterval aan. De verticale lijnen geven de leeftijdsgroepen aan die tijdens de inhaalcampagne in 2002 zijn

gevaccineerd. De leeftijd waarop de bloedafname is geweest, is weergegeven in jaren, tenzij anders is aangegeven (mo = leeftijd in maanden).

vervolg op volgende pagina >

Analyse mei 2011 119


Aanbevelingen voor MenC-vaccinatie

De introductie van het MenC-conjugaatvaccin is mede erg succesvol geweest door de inhaalcampagne. Na een enkele vaccinatie is

een hoge mate van bescherming geïnduceerd in alle leeftijdscohorten. Tegelijk met de persistentie van antistoffen in de adolescenten

heeft dit geleid tot een verlaging van het dragerschap en ziekte. De verlaging van het dragerschap heeft tot gevolg gehad dat de

transmissieroute van MenC is onderbroken en heeft hoogstwaarschijnlijk voor een vrijwel volledige verdwijning van MenC gezorgd,

wat heeft geresulteerd in een hoog herd-effect en daardoor indirecte bescherming van de ongevaccineerde populatie.

Na een enkele vaccinatie met het MenC-conjugaatvaccin op de leeftijd van 14 maanden nemen beschermende antistoffen echter snel

af. De snelheid van de memory-respons is waarschijnlijk niet voldoende om tijdig bescherming te bieden in geval van een infectie met

MenC bij afwezigheid van antistoffen. Aangezien MenC-ziekte voornamelijk bij kinderen tussen de 0 en 5 jaar voorkomt, maar er ook

een verheffing in de incidentie op de leeftijd van 14 tot 19 jaar te zien is, lijkt een enkele vaccinatie op de leeftijd van 14 maanden niet

voldoende om tot adolescentie directe bescherming te bieden. Om in de toekomst de adolescente populatie te beschermen tegen

MenC lijkt het noodzakelijk een extra vaccinatie aan te bieden, om hernieuwde circulatie van MenC te voorkomen. De timing van deze

vaccinatie speelt daarin een grote rol. Met het oog op de uitvoerbaarheid en de kosten zou het waarschijnlijk het meest geschikt zijn

wanneer deze vaccinatie plaatsvindt op een moment dat er ook andere vaccinaties worden toegediend. Op dit moment zijn er dan drie

mogelijkheden waarop deze tweede MenC-vaccinatie toegediend kan worden. Het eerste moment is op de leeftijd van 4 jaar, wanneer

al een boostervaccinatie tegen DaKTP wordt aangeboden. Echter bij ongeveer 66% van de kinderen, die op de leeftijd van 4 jaar een

MenC-vaccinatie kregen, zijn geen beschermende antistoffen meer aanwezig na ongeveer 4-5 jaar. Een extra vaccinatie op de leeftijd

van 4 jaar lijkt daarom te vroeg. Een tweede mogelijkheid is op de leeftijd van 9 jaar. Op deze leeftijd worden de DTP-vaccinatie en een

BMR-vaccinatie aangeboden. Het cohort, dat in de inhaalcampagne gevaccineerd is op de leeftijd van 9 jaar, laat 4-5 jaar na dato zien dat

69% van de gevaccineerde personen nog steeds beschermd is. De derde optie is op de leeftijd van 12 jaar. Sinds 2009 krijgen alle meisjes

in Nederland op deze leeftijd een HPV-vaccinatie aangeboden. Dit tijdstip lijkt de beste mogelijkheid voor een tweede MenC-vaccinatie.

Ten eerste is het behoud van antistoffen na een vaccinatie op de leeftijd van 12 jaar erg groot: tot 86% van het gevaccineerde cohort laat

beschermende antistoffen 4-5 jaar na vaccinatie zien. Ten tweede stijgt het dragerschap en de incidentie van MenC vanaf deze leeftijd.

Ten slotte laat onze populatiestudie zien dat antistoffen gericht tegen het dragereiwit van het vaccin (tetanustoxoïd) ook nog eens

stijgen en waarschijnlijk ver boven de beschermende grens blijven tijdens adolescentie. Een hoge persistentie van MenC-antistoffen

tijdens adolescentie zal op zijn beurt bijdragen aan het behoud van een hoog herd-effect, waardoor cohorten die niet in aanmerking

komen voor een vaccinatie toch indirect beschermd worden.

De resultaten van dit proefschrift geven een beeld van de bescherming en immuniteit tegen de MenC-ziekte na invoering van het

conjugaatvaccin. Het goede nieuws is dat er door de invoering in combinatie met de grote massale vaccinatiecampagne, momenteel

een goede bescherming is geïntroduceerd in Nederland tegen de MenC-ziekte. Echter, op langere termijn zijn er groepen in de bevolking

die weer risico kunnen gaan lopen wanneer er weer verhoogde circulatie van de bacterie plaats gaat vinden. Het nu gebruikte schema

van een enkele MenC-vaccinatie op de leeftijd van 14 maanden lijkt niet optimaal en er dient dan een tweede (booster)vaccinatie

overwogen te worden aan het begin van de adolescentie. Onze resultaten geven ook meer inzicht in het immuunmechanisme dat na

de conjugaatvaccinatie geactiveerd wordt. Om dit mechanisme nog beter te begrijpen, dient er verder en diepgaander immunologisch

onderzoek plaats te vinden. Dit onderzoek heeft concrete aanwijzingen opgeleverd, waarmee het RVP verder geoptimaliseerd kan

worden.

120

De auteur

R.M. de Voer, afdeling Antropogenetica, UMC St. Radboud, Nijmegen

Correspondentie: Richardadevoer@gmail.com

Titel proefschrift:

Meningococcal C specific immune responses immunity in an era of immunization with conjugate vaccine

ISBN 978-90-8559-960-9

Promotor: prof. dr. E.A.M. Sanders, Universiteit Utrecht

Analyse mei 2011


Cao-nieuws

Cao UMC’s

Zoals vorige maand gemeld, heeft er een handtekeningenactie plaatsgevonden plus

bijeenkomsten in alle acht UMC’s over de voorstellen van de werkgevers. Deze zouden leiden tot

aanmerkelijk inkomensverlies.

Inmiddels hebben de werkgevers deze voorstellen van tafel gehaald. Er zullen opnieuw onderhandelingen starten. In verband met de

agenda’s van de deelnemers kunnen deze pas worden voortgezet op 11 mei.

Overgang van ABP naar PZFW (PGGM)

Al enige tijd zijn onderhandelingen gaande over de overgang van alle actieve umc-werknemers van pensioenfonds ABP naar het PZFW

(het vroegere PGGM). Reden hiervoor was dat de geldsom die alle UMC’ers betalen aan het ABP hoger is dan wat pensioengerechtigden

ervoor terugkrijgen. Deze onderhandelingen zijn in een beslissend stadium gekomen.

De Abvakabo-leden mogen eind april de knoop doorhakken. Op het moment dat dit stukje geschreven wordt, zijn er echter nog wel

wat vragen en onduidelijkheden die eerst moeten worden opgelost.

Meer informatie kunt u vinden op www.pfzw.nl/umc.

Voor de meest recente informatie over de stand van zaken, kijk op onze website www.nvml.nl op de nieuwspagina bij het cao-nieuws.

Cao Ziekenhuizen

Op 13 april is er weer onderhandeld over een nieuwe cao ziekenhuizen. Dit zou de laatste

onderhandelingsronde zijn om tot een nieuwe cao te komen. Helaas is dat niet gelukt.

Er is scherp onderhandeld. Met als resultaat dat een aantal verslechteringvoorstellen van tafel is. Ook zijn er positieve ontwikkelingen

voor de volgende onderwerpen:

- reiskostenvergoeding;

- verscherping goed werkgeverschap;

- onderzoek of budget van scholing daadwerkelijk wordt besteed aan scholing;

- instroom van arbeidsgehandicapten (wajong);

- onderzoek naar mogelijkheid van het nieuwe werken (zoals thuiswerken).

De verschillen zijn echter nog groot wat betreft:

- het repareren van de ontziebepaling i.v.m. het draaien van nachtdiensten door oudere werknemers;

- het afschaffen van jeugdschalen; daarvoor in de plaats worden er extra aanloopschalen ingevoerd.

Meer hierover lezen? Op www.nvml.nl (nieuwspagina) staat een uitgebreide Nieuwsbrief.

Op 28 april zijn de volgende onderhandelingen. Of men er dan uitkomt?

Als hierover nieuws is, leest u dat op de nieuwspagina van onze website.

Wijziging cursusdatum

De NVML-cursus Stagebegeleiding C start niet op 28 september zoals eerder aangekondigd, maar op dinsdag 27 september.

De aankondiging met aanmeldingsformulier verschijnt in Analyse nr. 5.

Analyse mei 2011 121


Persbericht

Eerste module e-learning gelanceerd

4 april 2011

De NVML ontwikkelt in joint venture met het Lectoraat Kwaliteit & Innovatie in de Zorg een

e-learningprogramma voor medisch laboratoriummedewerkers (analisten). De eerste voltooide

module Bloedafname is tijdens de Vakbeurs Techniek & Diagnostiek in het CineMec te Ede op

31 maart jl. gepresenteerd.

Onder het motto ‘een leven lang leren’ geeft de NVML nascholing in de vorm van congressen, symposia, nascholingsmiddagen

en cursussen. In de huidige cultuur van ‘tijd kost geld’ mag e-learning in dit rijtje niet ontbreken. Twee jaar geleden is de NVML in

samenwerking met het Lectoraat Kwaliteit & Innovatie in de Zorg gestart met de ontwikkeling van een e-learningprogramma. Het

streven is om voor alle disciplines binnen de medische laboratoria relevante modules aan te bieden; als eerste is gestart met een

module over een onderwerp waar de grootste groep medische analisten mee te maken heeft: de bloedafname. Voor de inhoud van

deze module is gebruikgemaakt van al aanwezige expertise binnen diverse instellingen. Een team van experts vanuit het Lectoraat

Kwaliteit & Innovatie in de Zorg heeft de informatie samengevoegd en beoordeeld. Resultaat: een goed werkbare module waarbij de

deelnemer geprikkeld wordt tot zelf nadenken.

NVML en e-learning

Business case

Module vervaardigen

Tijdens de Vakbeurs Techniek & Diagnostiek Productontwikkeling

• Exclusieve is aanbieder inschrijving van opleidingen voor laboratoria, via de ‘early-bird’-actie, mogelijk gemaakt. Individuele

inhoud

inschrijving wordt toegankelijk in de tweede • helft Breed assortiment van april.

didactiek

• Reputatie voor en door analisten....

De modules ‘Bloedcelmorfologie, rode bloedcellen’ en ‘Bloedcelmorfologie, witte bloedcellen’ zijn Beheerin

ontwikkeling en worden in de

• Bereikbaarheid

Training software

loop van het jaar verwacht. Maar daar blijft • het Prijs/prestatie niet bij. ratio Wij, de NVML en het Lectoraat Kwaliteit Beheer & Innovatie in de Zorg, zijn op zoek naar

Licentie p.m.

medeontwikkelaars voor nieuwe modules, ook buiten het klinisch-chemische veld.

122

Analyse mei 2011

• Borging van competenties: nu en in de toekomst

Updating p.m.

• Accreditatie

actualisatie

• Centrale registratie

Marketing p.m.

Omdat e-learning een elektronische leeromgeving kent, heeft het vele voordelen. Het materiaal is eenvoudig aan te passen en actueel

te houden. De toegankelijkheid tot de lesstof is groot, e-learning is altijd en overal simultaan te gebruiken. De deelnemer 25 K € kan de lesstof

op zijn of haar eigen tempo tot zich nemen. Door de indeling van de modules is het mogelijk de lesstof te laten aansluiten bij het eigen

niveau van de deelnemer.

Interesse? Neem contact op met de NVML via nvml@nvml.nl.

Exploitatie (bedragen indicatief)

Licentie

Scenario laboratoriumsetting

40 fte

˜ 50 personen

Op jaarbasis

5 - 10 k €

Beschikbare modules Conclusie

• Bloedafname

• Bloedcelmorfologie: Rode bloedcellen (in progress)

• Bloedcelmorfologie: Witte bloedcellen (in progress)

Dr. P.C.M. Bartels van het Lectoraat Kwaliteit & Innovatie in de Zorg geeft een presentatie over e-learning tijdens de Vakbeurs.

Hiernaast enkele dia’s die hij daarbij toonde op bioscoopformaat.

Ter vergelijking / oriëntatie: Kwaliteit / ARBO / Milieu

NVML en e-learning

Exploitatiekosten Peiljaar: 2010

• Exclusieve aanbieder van opleidingen

Kwaliteitssystemen

• Breed assortiment

95

Kwaliteitsbewaking 324

• Reputatie voor en door analisten....

KAM: opleiding

• Bereikbaarheid

6

VIM

• Prijs/prestatie ratio

4

ARBO/Milieu 17

• Borging van competenties: nu en in de toekomst

• Accreditatie

446 K€

• Centrale registratie

Exploitatie (bedragen indicatief)

E-learning kan bijdragen om de juiste kennis bij de juiste

persoon te brengen (maatwerk)

Licentie Creëer intellectuele uitdagingen

Scenario laboratoriumsetting

Durf en investeringsbereidheid

40 fte

˜ 50 personen

Maak een duidelijke strategie

met eisen en randvoorwaarden

Leren

Op jaarbasis

E-learning kan bijdragen aan een betere leercultuur

5 - 10 k €

• Bloedafname

• Bloedcelmorfologie: Rode bloedcellen (in progress)

ICT

36

6

Busine

Module ve

P

B

T

Beheer

Licentie

Updating

a

Marketing

Ter vergel

Exploita

Kwalite

Kwalite

KAM: op

VIM

ARBO/M

Beschikbare modules Conclu

E-l

per

Cre

Du


Tijdschriften

Betere patiëntenzorg dankzij lab

Synaps is het wetenschapsmagazine van het VUmc. Het maartnummer van dit tijdschrift is gewijd

aan het thema ‘from bench to bedside’ ofwel: ‘hoe kunnen laboratoriumproeven, robottesten of

chromosoomonderzoeken leiden tot een betere behandeling van aandoeningen zoals kanker,

parkinson of depressie?’

In deze Synaps staan artikelen over het onderzoek van medisch bioloog Yvette van Kooyk die dendritische cellen inzet om kanker te lijf

te gaan. Dat gebeurt door de ongewenste tumorcellen op te ruimen door een vaccin toe te dienen via een crème of met microneedles.

Wat ons immuunsysteem niet voor elkaar krijgt, lukt wel met ‘een extra duwtje in de rug’, zo legt Van Kooyk uit.

Verder een artikel over het onderzoek van geneticus Peter Heutink die een unieke robot inzet om te zoeken naar aangrijpingspunten

voor medicijnen tegen parkinson die verdergaan dan symptoombestrijding.

Het is een automatische celkweker met een – eveneens automatische – ingebouwde fluorescentiemicroscoop. De robot werkt met

honderden platen die ieder 96 kommetjes bevatten. Elk kommetje bevat circa 5000 cellen, waarin de robot steeds een ander gen kan

uitschakelen. De robot is in staat enorm veel zenuwcellen te kweken, te manipuleren en de resultaten te beoordelen. Daarmee kunnen

uiteindelijk genetische risicofactoren worden vastgesteld en dat kan weer een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van nieuwe

medicijnen bij parkinson.

Orthopedisch onderzoeker Marco Helder gebruikt stamcellen uit vetweefsel om kapot kraakbeen of bot te repareren. Hij startte in

2002 met zijn onderzoek en toen was net ontdekt dat ook vet hoge concentraties stamcellen bevat. Stamcellen kunnen zich nog

differentiëren en zijn daardoor dus ideaal om te gebruiken. ‘Van vet kunnen we meestal wel wat missen’, zo zegt hij in Synaps. Het

voordeel van deze ‘regeneratieve geneeskunde’ is dat een ingrijpende operatie met vaak pijnlijke gevolgen mogelijk niet meer nodig is.

In ander onderzoek gericht op betere patiëntenzorg bekijkt epidemioloog Brenda Penninx of de chromosomen van depressieve

patiënten ‘verouderd’ zijn, en test vervolgens een bewegingstherapie in combinatie met toediening van antidepressiva. Artsonderzoeker

Kakkhee Yeung ten slotte werkt in het lab aan verbetering van aneurysmaoperaties. Dat doet zij door de mogelijkheid van

het koelen van de nieren te onderzoeken en daarmee verdere orgaanschade tegen te gaan.

De Synaps is zowel online in te zien als in pdf-vorm te downloaden via: http://www.vumc.nl/onderzoek/synaps/

MICROLABBLAD

Het uitgeven van een eigen tijdschrift of bulletin is niet alleen voorbehouden aan de UMC’s of

grotere ziekenhuizen. Ook in de periferie verschijnen soms (on)regelmatig eigen bulletins of

nieuwsbrieven. Zo geeft het Laboratorium Microbiologie Twente Achterhoek in Enschede een

eigen nieuwsbulletin uit: het MicroLabBlad.

Het MicroLabBlad is al aan zijn elfde jaargang bezig en

verscheen tot nu toe twee tot vier keer per jaar in een

omvang van zo’n 16 à 20 pagina’s. In het voorlaatste

nummer treffen we artikelen aan over: invoering

van nieuwe EUCAST-gevoeligheidscriteria; nieuwe

apparatuur voor gevoeligheidsbepalingen; verandering

in ESBL-diagnostiek na invoering van de EUCAST-richtlijn;

antibiotische gevoeligheid bij banale cystitis in de eerste

lijn; gevoeligheidsbepalingen bij mycobacteriën; en over

resistentie bij schimmels en gisten enerzijds en influenza

anderzijds.

Het meest recente nummer staat in het teken van

luchtweginfecties, maar bevat ook een artikel over

antibioticaresistentie bij gonorroe (de ‘druiper’).

Het MicroLabBlad is te downloaden via: www.labmicta.nl.

Analyse mei 2011 123


Proefschriften

Rol vetweefsel bij insulineresistentie

Dat vetweefsel een opslagplaats is voor energie, is al lange tijd bekend. Maar het wordt steeds

duidelijker dat in vetweefsel ook hormonen worden aangemaakt die de stofwisseling beïnvloeden.

Bij mensen met overgewicht kan de uitscheiding van deze hormonen verstoord raken door lokale ontsteking van vetweefsel. Hierdoor

kunnen insulineresistentie en diabetes type 2 ontstaan. Omdat steeds meer mensen last krijgen van overgewicht, wordt het steeds

belangrijker inzicht te krijgen in deze processen.

Ewa Szalowska bestudeerde aan UMC Groningen de eigenschappen van vetweefsel en de invloed ervan op de hormoonhuishouding

en de gen/eiwitexpressie. Ze ontdekte onder meer dat in vetweefsel van patiënten met lichte insulineresistentie de metabole genen

verlaagd tot expressie komen, terwijl de expressie van ontstekingsgenen gelijk blijft. Dit suggereert dat eerst veranderingen in de

stofwisseling in vetweefsel optreden voordat er een ontstekingsreactie optreedt. Szalowska identificeerde enkele eigenschappen

van vet- en leverweefsel tijdens een geïnduceerde ontstekingsreactie, vergelijkbaar met een ontsteking die voorkomt bij mensen met

obesitas. Ze ontdekte dat vetweefsel een uniek gen/eiwitexpressiepatroon laat zien ten opzichte van leverweefsel. Daarmee heeft ze

nieuwe aangrijpingspunten gevonden en weefselspecifieke (bio)markers die nuttig kunnen zijn bij diagnose van weefselspecifieke

insulineresistentie en de ontwikkeling van een weefselspecifiek medicijn tegen insulineresistentie.

Bescherming melkzuurbacterie tegen

galzuren

De melkzuurbacterie Lactococcus lactis, die ook wordt gebruikt in de Nederlandse kaasindustrie,

beschikt over verschillende mechanismen om zich te beschermen tegen de agressieve galzuren

in het spijsverteringskanaal van de mens en andere zoogdieren.

Dit blijkt uit het promotieonderzoek van Arsalan Haseeb Zaidi. Deze resistentie zou de bacterie kunnen helpen zich te handhaven in een

dergelijke omgeving en daarmee gebruikt kunnen worden als een prebioticum.

Arsalan Haseeb Zaidi (Pakistan, 1973) studeerde moleculaire microbiologie aan de Quaid i Azam universiteit in Islamabad, Pakistan. Hij

deed zijn promotieonderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen bij de afdeling moleculaire microbiologie van het GBB. Zijn onderzoek

werd gefinancierd door de Pakistaanse overheid.

Visuele hallucinaties bij ziekte van Parkinson

De ziekte van Parkinson is een ernstige hersenaandoening, waarbij motorische symptomen

zoals tremor, traagheid en stijfheid optreden. Daarnaast kunnen patiënten last hebben van nietmotorische

symptomen, waaronder visuele hallucinaties.

Over de oorzaak van deze hallucinaties is weinig bekend. In het verleden werden ze beschouwd als bijwerking van medicatie, maar er

zijn steeds meer aanwijzingen dat de hallucinaties met de ziekte zelf samenhangen.

Anne Marthe Meppelink onderzocht de hersenactiviteit van patiënten met de ziekte van Parkinson bij het herkennen van afbeeldingen

op een computerscherm. Hierbij maakte ze gebruik van een fMRI-scanner. Uit haar onderzoek aan het UMCG blijkt dat de visuele

associatiegebieden in de hersenen van parkinsonpatiënten met visuele hallucinaties minder actief zijn dan bij patiënten zonder visuele

hallucinaties en bij gezonde vrijwilligers. Deze verschillen komen niet door afname van het volume van grijze stof in de hersenen, zo

laat Meppelink zien.

Mogelijk lopen de gevonden functionele defecten vooruit op dit volumeverlies, suggereert ze. Een andere mogelijke oorzaak van

de beschreven functionele verschillen is vermindering van de neurotransmitter acetylcholine. Nader onderzoek moet uitwijzen of

verhoging van de hoeveelheid acetylcholine de hallucinaties kan verminderen of zelfs wegnemen.

124

Analyse mei 2011


Ziekte van Alzheimer in beeld

De ziekte van Alzheimer verspreidt zich volgens een vast patroon door het brein. Het begint met

verlies van hersencellen in de temporaalkwab.

Dat constateerde radioloog i.o. Jasper Sluimer in het kader van zijn promotieonderzoek op de MRI-scans die gedurende drie jaar van de

hersenen van bijna 150 gezonde en zieke personen zijn gemaakt.

De onderzoeker bestudeerde bij het VUmc honderden MRI-scans van de hersenen van gezonde proefpersonen en van mensen met

geheugenklachten en de ziekte van Alzheimer. Met een tussenpoos van twee jaar hadden deze mensen een hersenscan ondergaan.

Op de scans was bij mensen met geheugenklachten en met de ziekte van Alzheimer een duidelijk patroon te herkennen: verlies van

hersencellen begint in de temporaalkwab. Bovendien brachten de MRI-scans aan het licht dat er een agressievere variant van de ziekte

van Alzheimer is, die met name bij jongere patiënten – onder de 65 jaar – voorkomt.

MRI-scans blijken uiterst geschikt om de ziekte van Alzheimer vroegtijdig te herkennen en een prognose te geven. Door de MRI-scans

eens in de zoveel tijd te herhalen, is de snelheid van achteruitgang bij patiënten betrouwbaar te volgen. Mocht er in de toekomst een

geneesmiddel tegen de ziekte van Alzheimer komen, dan is het effect hiervan ook goed te monitoren via MRI-scans. Het is nu nog niet

standaard dat elke persoon bij wie vermoed wordt dat hij of zij de ziekte heeft een MRI-hersenscan krijgt.

Voor patiënten, familie en zorgprofessionals is het van groot belang in een zo vroeg mogelijk stadium te weten of er sprake is van

de ziekte van Alzheimer. Komt er een geneesmiddel, dan maakt vroegdiagnostiek bovendien mogelijk dat onmiddellijk met de

behandeling gestart kan worden. De ziekte van Alzheimer is de meest voorkomende vorm van dementie. In Nederland hebben nu al

250.000 mensen dementie en naar verwachting zal dit in 2040 opgelopen zijn tot een half miljoen.

The Human Touch

Kwaliteit in volledige urine diagnostiek

of technology

Aution MAX en sediMAX combinatie

Vol-automatische instrumenten voor voor urine-chemie en sediment beoordeling.

A.Menarini Diagnostics Benelux N.V.

Het sediMAX systeem is een geavanceerde volautomatische

sediment analyser die, al dan niet in combinatie met

de Aution MAX urinestrip reader, een volledige automatisering

van de urine diagnostiek realiseert.

Bezoek onze website www.menarinidiagnostics.nl

GEAVANCEERDE TECHNOLOGIE EN ERGONOMIE

A.Menarini Diagnostics ontwikkelt en levert producten op gebied van de humane en veterinaire diagnostiek.

Naast een pakket voor diabeteszorg heeft Menarini een zeer gevarieerd scala aan apparatuur

en reagentia voor urine diagnostiek en een compleet pakket voor auto-immuundiagnostiek. Centraal

staan geavanceerde technologie en ergonomie voor een doelmatige en efficiënte patiëntenzorg.

De Haak 8, 5555 XK Valkenswaard, Nederland • tel.: +31 (0)40 - 208 20 00 • e-mail: mail@menarinidiagnostics.nl

Belgicastraat 4, 1930 Zaventem, België • tel.: +32 (0)2 - 721 45 45 • e-mail: mail@menarinidiagnostics.be

SediMax_1009_167x124_v03

Analyse mei 2011 125


Opleidingen

Wil je bijblijven in je vakgebied? Kijk dan of een van de volgende opleidingen iets voor jou is.

Hogeschool Utrecht

Centrum voor Natuur & Techniek

Centrum voor Natuur & Techniek biedt cursussen met een efficiënt studieprogramma

en een erkend certificaat.

Cursus Klinische chemie

Startdatum 20 september 2011

Omvang 12 bijeenkomsten

Kosten € 1500,-

UEC-punten 44

Cursus Antibiotica en resistentie

Startdatum 27 oktober 2011

Omvang 3 bijeenkomsten

Kosten € 1100,-

UEC-punten 27

Cursus Introductie tot Real Time PCR

Startdatum 2 november 2011

Omvang 3 bijeenkomsten

Kosten € 1500,-

UEC-punten 32

Zit de gewenste cursus hier niet bij? Kijk dan op onze website voor het volledige cursusaanbod of

kies voor het open onderwijs: modules uit onze hlo-opleidingen, zoals Virologie, Immunologie en

Microbiologie. Ook met een erkend certificaat. Kijk op www.cvnt.nl.

Vraag uitgebreide cursusinformatie en een inschrijfformulier aan bij het secretariaat van Centrum

voor Natuur & Techniek, tel.: 088-481 88 88 of info@cvnt.nl.

Avans Hogeschool Breda

Het lectoraat Analysetechnieken in de Life Science van Avans Hogeschool ontwikkelt

en geeft cursussen op het gebied van biomedische laboratoriumtechnieken

voor bedrijven, universiteiten en instellingen. In 2011 worden de volgende

internationale cursussen georganiseerd:

Titel Medische immunologie

Data 15 sept. t/m 17 november 2011

(10 dagen, code 2591)

Cursusleider Dr. M.C.M. Verschuren, Avans Hogeschool

Locatie Utrecht

Kosten € 1400,-

Titel Flowcytometrie, van kalibratie tot applicatie

Data 10 t/m 24 november 2011 (3 dagen, code 2561)

Cursusleider Dr. M.C.M. Verschuren, Avans Hogeschool

Locatie Utrecht

Kosten € 700,-

Voor meer informatie over deze cursussen: www.alsavans.nl. Voor vragen, neem contact op met:

Secretariaat Lectoraat Analysetechnieken, Avans Hogeschool, mw. Frances van Ineveld, tel.: 076-525

06 98 of 06-51743172; e-mail: fpm.vanineveld@avans.nl.

Nieuwe leden

Bensdorp-Vermeulen, A.E.M. Academisch Medisch Centrum Amsterdam

Bokel, P. ROC de Leigraaf Veghel

Kok, E.A. Leids Universitair Medisch Centrum Leiden

Dullaart, M. Groene Hart ziekenhuis Gouda

Geutjes, M. Academisch Ziekenhuis Groningen Groningen

Romijn, F.P. Leids Universitair Medisch Centrum Leiden

Verhaagen, R. Alysis Zorggroep Zevenaar

126

Analyse mei 2011

Centrum Bioscience en Diagnostiek

Hogeschool Leiden

Incompany maatwerk

Het CBD heeft al meer dan vijftien jaar ervaring met het verzorgen van scholing

op maat en is voor veel bedrijven en instellingen uitgegroeid tot een betrouwbare

partner. De kracht van de CBD-aanpak is dat we specifiek trainen op wat in

de werksituatie van belang is. Wij kunnen dit organiseren door middel van een

individueel traject of een groepsgewijze aanpak. Zo garanderen we maximale

effectiviteit.

Cursus Workshop urinesedimenten (PH-1889)

Startdatum 7 oktober 2011

Omvang 1 bijeenkomst

Prijs € 415,- (met vroegboekkorting € 395,-)

Cursus Bloedgassen (PH-1892)

Startdatum 24 november 2011

Omvang 1 bijeenkomst

Prijs € 415, - (met vroegboekkorting € 395,-)

Indien u zich minimaal 4 weken voor de uiterste inschrijfdatum inschrijft ontvangt u vroegboekkorting.

Raadpleeg onze website voor meer informatie en inschrijfformulieren. U kunt hier tevens de

brochure ‘Incompany maatwerk’ vinden.

Website: http://cbd.hsleiden.nl, tel: 071-518 87 53, fax: 071-518 84 15, e-mail: cbd@hsleiden.nl.


Agenda 2011






12 mei Algemene Ledenvergadering NVML. In Utrecht.

14 mei Meet VSO, informatiemiddag over werken in een ontwikkelingsland. Info: www.vso.nl. In: Utrecht.

19 mei NVML-cursus Malariadiagnostiek. NIEUW. In: Rotterdam.

24 mei WHAMM-bijeenkomst (besloten). In: Amersfoort.

25 mei Best Practice Workshop: Veneuze bloedafname. Info: www.bd.com. In: Utrecht.

25 mei VCCN Cleanroom Symposium. Info: www.vccn.nl. In: Nijmegen.

25 en 26 mei NVB-symposium Transfusiegeneeskunde. www.nvbtransfusie.nl. In: Ede.

25, 26 en 28 mei Landelijke Hepatitis Week. Info: www.hepatitis.nl. In: Amersfoort.

26 mei NVML-cursus Bloedcelmorfologie A. In: Utrecht.

7 en 8 juni NVML-cursus Moleculair-biologische technieken. NIEUW (2 aaneengesloten dagen). In: Utrecht.

9 juni NVML-cursus Bloedcelmorfologie B. In: Utrecht.

14 juni SKML-congres Kwaliteit in Harmonisatie. Info: www.skml.nl. In: Nijmegen.

14 juni Start NVML-cursus Meewerkend leidinggeven B. In: Utrecht.

27 september Start NVML-cursus Stagebegeleiding C. In: Utrecht.

29 september Start NVML-cursus Meewerkend leidinggeven C. In: Utrecht.

29 september NVML-nascholing Schildklierhormonen. In: Eindhoven.

4 oktober Bio-Rad QC Symposium. Info: www.qcnet.nl. In: Apeldoorn.

11 oktober NVML-congres Focus op de lever. In: Amersfoort.

13 oktober NVML-nascholing Schildklierhormonen. In: Zwolle.

2 november Start NVML-cursus Stagebegeleiding D. In: Utrecht.

3 november NVML-congres Allergie i.s.m. Phadia. In: Amersfoort.

8 november Start NVML-cursus Meewerkend leidinggeven D. In: Utrecht.

17 november NVML-cursus Beenmergdiagnostiek B. In: Utrecht.

22 november NVML-cursus Stagebegeleiding E. In: Utrecht.

23 november NVML-cursus Beenmergdiagnostiek C. In: Utrecht.

De teksten met stip zijn evenementen die de NVML organiseert. Voor meer informatie over de NVML-nascholingen kunt u terecht bij

het bureau van de NVML, tel: 030-2523792; fax: 030-2541814; e-mail: nvml@nvml.nl.

Open Avond:

29 juni in Nijmegen

Wat is uw Masterplan?

Wilt u als analist meer verantwoordelijkheid in uw werk? De schakel

zijn tussen analisten en ervaren projectleiders? Onderzoeksresultaten

kunnen vertalen naar de ontwikkeling van duurzame biotechnologische

producten? Wilt u studie en werk met elkaar combineren?

Start bij de HAN met de opleiding:

Master Molecular Life Sciences

• Introductie: moleculaire en celbiologie

• Infectieziektes: vaccins en diagnostische tests

• Carcinogenese: medicijnontwikkeling

• Biotechnologie: productie van eiwitten eiwitten en biobrandstof

biobrandstof

• Masterthese (ontwikkeling van een product)

T (024) 353 06 00 E masters@han.nl

www.han.nl/masters

Laat u inspireren! HAN Masterprogramma’s biedt een brede keuze aan NVAO-geaccrediteerde masteropleidingen in zorg en

maatschappelijke dienstverlening. Opleidingen in directe verbinding met de praktijk. Voor u de kans om u op masterniveau

te ontwikkelen en u voor te bereiden op professioneel leiderschap. Ondersteund door HAN-lectoraten en ervaren docenten

uit het werkveld. Kortom kansen creëren en kansen verzilveren!

HBO-MASTEROPLEIDINGEN

HAN

BESTE AANBIEDER

bron: Keuzegids

Masters 2011

11155 ADV Analyse 168x132mm.indd 1 12-04-11 15:42

Analyse mei 2011 127


Helena V8 Capillaire Electroforese

Optimalisatie van de workflow

door volledige automatisering

Het Helena V8 systeem onderscheidt zich als een intelligente analyser waarbij kwaliteit en

optimalisatie van de workflow centraal staan.

Diverse assays

Serum Proteïn, Urine Proteïn, Immunodisplacement, Carbohydrate Deficient Transferinne (CDT),

Haemoglobine IEF.

‘Hands-on time’

Weinig handelingen.

Reagentia (antisera en buffers) permanent op systeem aanwezig.

‘Walk away’

Automatische reflextest (Immunodisplacement)

bij aanwezigheid van M-protein.

Integratie Gel electroforese

Preanalyse van monsters t.b.v. gel-electroforese.

Overige kenmerken

Monsters: direct beschikbaar

Snelheid: 80 monsters per uur (afhankelijk van assay)

Databasemanagement: Platinum-4 applicatie

Onderhoud: automatisch (buffer op analyser)

Sysmex Nederland B.V.

Ecustraat 11, 4879 NP Etten-Leur

Telefoon +31 (0)76 5086000 - Fax +31 (0)76 5086086

info@sysmex.nl . www.sysmex.nl

More magazines by this user
Similar magazines