(2008-02-04) Jaarverslag 2006-2007 - Omo

omo.nl

(2008-02-04) Jaarverslag 2006-2007 - Omo

Samen

werkt

jaarverslag

2006 - 2007


Samen

werkt

jaarverslag

2006 - 2007


Voorwoord

De leerling die de opdrachten van zijn leraren uitvoerde, gewoon omdat dat moest.

De leraar die heer en meester was in zijn klaslokaal en geen enkele inbreuk op zijn

domein duldde. De school als een gemeenschap op zich, die met z’n eigen wetten

en leefregels buiten het gewone leven stond. Een eiland van rust, waarop de golven

van het maatschappelijke rumoer stuksloegen…

Het mogen nu fenomenen uit een ver verleden lijken, maar het is een feit dat

isolationisme en hokjesgeest tot voor kort de cultuur in de onderwijswereld mede

hebben bepaald. Gelukkig dringt het besef door dat een samenwerkingscultuur

betere perspectieven biedt. Gewoon een kwestie van gezond verstand? Dat niet

alleen, nu uit recente wetenschappelijke onderzoeken is gebleken dat samenwerking

bevorderlijk is voor de leerprestaties van kinderen.

Ons Middelbaar Onderwijs (OMO) beschouwt samenwerken als één van de kerncompetenties.

Woorden die OMO weet om te zetten in daden, zoals moge blijken uit de

statements die u in dit jaarverslag aantreft. Het zijn statements die op de eerste

plaats getuigen van durf. Want voor samenwerken is lef nodig: je moet eerst de

schijnzekerheid van je eigen gelijk opgeven, voordat je samen met anderen grenzen

kunt verleggen.


Wat samenwerking vraagt én vermag, wordt misschien het beste geïllustreerd door

de wijze waarop de nieuwe gebouwen voor OMO-scholen tot stand komen.

Nieuwbouw plegen was vroeger vooral een kwestie van aantallen leerlingen omrekenen

naar klaslokalen. Tegenwoordig gaat aan nieuwbouw een schoolbrede discussie

over het onderwijs van de toekomst vooraf. Een boeiend, uitdagend proces

waarin eerst het onderwijskundige fundament wordt gelegd. Hoe kunnen we relevant

onderwijs vormgeven dat de leerling raakt? Hoe functioneren we als school in

de samenleving, in de interactie met stakeholders? Pas als de fundamentele vragen

beantwoord zijn, komt de vraag naar de materie en de ruimte: wat hebben we als

school daarvoor nodig? In elke OMO-school die nieuwbouw pleegt, verloopt dat

proces anders. Maar de resultaten die daarvan zichtbaar worden, spreken steeds

tot de verbeelding. En dat is een compliment waard aan alle betrokkenen die hun

steentje hebben bijgedragen. Daarom: samen werkt!

drs. R.H.A.M. Kraakman

Voorzitter Raad van Bestuur Ons Middelbaar Onderwijs


Inhoudsopgave

Voorwoord 4

1 Missie 9

2 Organisatie 13

2.1 Raad van Bestuur 13

2.2 Algemene ledenvergadering 13

2.3 Raad van Toezicht 14

2.4 Doorontwikkeling van de OMO-organisatie 14

2.5 Verantwoordelijkheid wachtgelduitkeringen 14

2.6 Sectororganisatie Voortgezet Onderwijs 15

2.7 Opleiden in de school 15

2.8 De leraar centraal 17

3 Verantwoording - aanspreekbaarheid 19

3.1 Governance 19

3.2 Naleving code ‘Goed onderwijsbestuur’ in het voortgezet onderwijs 19

3.3 Pilot geïntegreerd toezicht 20

4 Onderwijskundige ontwikkelingen 23

4.1 Vmbo-beleid 23

4.2 Competentiegericht leren in het havo 24

4.3 Onderzoeksvaardigheden vwo 24

4.4 Maatschappelijke stages 24

4.5 Zorg in het voortgezet onderwijs 25

4.6 De Nieuwste School 25

4.7 Particuliere school 26

4.8 OMO-Kenniscentrum 26

4.9 Identiteitsbeleid 28

4.10 Herschikking, fusie en overname 29

5 Overige activiteiten 31

5.1 OMO-prijzen 31

5.2 Bezoek aan de bisschoppen 32

5.3 Studiereis georganiseerd door de voorzitter van de Raad van Bestuur 32

5.4 OMO-workshopdag 33

6


6 Personeelsbeleid 35

6.1 CAO OMO en decentralisatie primaire arbeidsvoorwaarden 35

6.2 Competentieontwikkeling en implementatie Wet BIO 35

6.3 Educational Leadership Program 36

6.4 OMO School of Management 36

6.5 Leergang Communicatie en leidinggeven voor middenmanagers 37

6.6 Integraal Personeelsbeleid in uitvoering 37

6.7 Certificering OMO als arbeidsorganisatie 38

6.8 Competentieontwikkeling door mobiliteit 38

6.9 Convenant professionalisering en begeleiding onderwijspersoneel 38

6.10 Eigenrisicodragerschap WGA 39

6.11 Regeling uitwisseling arbeidsvoorwaarden 39

7 Bedrijfsvoering 41

7.1 Kwaliteitsbeleid 41

7.2 Veiligheid 41

7.3 Kosteloos onderwijs 42

7.4 Informatiebeleid, financiën en control 43

7.5 Centrale inkoop 43

7.6 Huisvesting 44

7.7 ICT 45

7.8 Communicatie 46

7.9 Autonomie en bureaucratie 47

7.10 Medezeggenschap 47

Financieel verslag schooljaar 2006 - 2007 49

7


“Samenwerken met hbo:

een eye-opener!”

“Met drie collega’s van de bèta-groep van het Mill-Hillcollege en vier docenten

van Avans Hogeschool heb ik meegedaan aan een pilot over de aansluiting

van havo naar hbo. Het doel was havo-leerlingen te laten ontdekken hoe

het er op de hogeschool aan toe gaat, met name in het probleemgestuurd

onderwijs (pgo) en projectonderwijs (po). Gezamenlijk ontwikkelden we een

pgo-module voor leerlingen van havo-4 en een projectopdracht voor leerlingen

van havo-5. Het hbo kijkt nauwelijks naar het vo, maar richt zich vooral

op het bedrijfsleven, wat ook logisch is. Van de andere kant: wij in het vo

weten niet altijd wat onze leerlingen in het hbo kunnen verwachten. Een

havo-leerling die naar het hbo gaat, springt echt in het diepe. Pgo is echt

heel iets anders dan het zelfstandige werken in de tweede fase. Als ik zeg:

dan en dan moet je dat boek gelezen hebben, is het resultaat dat leerlingen

dat uiteindelijk ook doen. In een pgo-opdracht moet een student zijn zelfstandigheid

echt uitbuiten en zichzelf vanaf het begin vragen stellen.

Ik heb daar veel van geleerd: ik ben leerlingen bij profielwerkstukken op een

andere manier gaan begeleiden. Mijn collega’s en ik helpen nu andere secties

om een hbo-module tot stand te brengen. Het is de bedoeling dat onze

school straks voor elk profiel een hbo-module heeft. De samenwerking met de

hogeschooldocenten was positief en is een eye-opener geweest. Sowieso is

het goed als een vo-docent af en toe eens over de schutting kan kijken. Stel

dat je een paar maanden in een bedrijf kunt werken, dan kun je leerlingen

die naar het hbo willen, ook beter adviseren.”

Jean-Pierre de Bont is docent natuurkunde aan het Mill-Hillcollege in Goirle.

8


1 Missie

Op 25 april 1994 is door het toenmalige Hoofdbestuur van de Vereniging Ons

Middelbaar Onderwijs de missie vastgesteld. Deze missie is tot stand gekomen

door participatie van een groot aantal personen uit de organisatie en wordt

dus breed gesteund en uitgedragen. Hieronder is de integrale tekst van de

OMO-missie weergegeven.

In deze missie is de collectieve aspiratie van de Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs

voor de komende periode, met respect voor haar geschiedenis, vervat.

OMO vindt haar levensbeschouwelijke verankering en oriëntatie in de joods-christelijke

traditie, hetgeen zich vertaalt in een open katholiek karakter der scholen. Dit

karakter komt tot uitdrukking in normen en waarden, in stijl en omgangsvormen en

in maatschappelijke interactie. Het is zichtbaar bij alle activiteiten van OMO, in het

bijzonder bij de processen van kennisoverdracht en vorming.

OMO is één onderwijsorganisatie, waarvan onderwijsinstellingen voor bijzonder secundair

onderwijs de samenstellende delen vormen. Ten aanzien van deze onderwijsinstellingen

heeft OMO primair een verantwoordelijkheid tot instandhouding en voortbestaan,

tot herkenbaarheid en kwalitatieve ontwikkeling. OMO biedt ruimte aan alle

soorten van bijzonder secundair onderwijs.

OMO heeft in complementaire zin drie kernopdrachten:

Aanbieder en ontwikkelaar van onderwijs (kennis en vorming)

Het onderwijsaanbod in OMO-verband kenmerkt zich door leerlinggerichtheid met een

herkenbare, interactieve begeleidingsfilosofie, en door gerichtheid op het toekomstig

zelfstandig functioneren in een pluriforme samenleving. De interactie met

ouders/verzorgers vormt hierbij een belangrijk element. Centraal bij de ontwikkelingsrol

staat: didactische en educatieve innovatie. Kernbegrippen daarbij zijn kwaliteit,

rekening houden met maatschappelijke ontwikkelingen en recht doen aan culturele

verscheidenheid.

Werkgever

Het is de ambitie van OMO zich positief te onderscheiden in haar werkgeversrol, met

inbegrip van de interactie tussen werkgever en werknemer. Professionaliteit staat in

die rol voorop. Kernbegrippen zijn: optimale arbeidsvoorwaarden, welzijn, loopbaanbegeleiding,

deskundigheidsbevordering en mobiliteit.

9


Gesprekspartner op het gebied van maatschappelijke en onderwijsinhoudelijke

ontwikkelingen

Bij externe activiteiten van OMO gaat het om het uitdragen van een onderwijsvisie en

het leveren van bijdragen aan de totstandkoming van integraal onderwijsbeleid. Deze

opdrachten worden gerealiseerd in een professionele organisatie die actief inspeelt

op maatschappelijke ontwikkelingen. OMO richt zich op alle vormen van secundair

onderwijs. Vanuit een maatschappelijke verantwoordelijkheid voor onderwijsvoorzieningen

in het werkgebied, streeft OMO naar een samenhangende, goed gespreide en

kwalitatief hoogwaardige onderwijsvoorzieningenstructuur over de volle breedte van

het secundair onderwijs.

OMO beschouwt haar traditionele verzorgingsgebied, de provincie Noord-Brabant, als

primair werkgebied. Het werkgebied kan echter variëren al naar gelang efficiency- en

effectiviteitsnormen dan wel de samenhang in de onderwijsvoorzieningenstructuur

daartoe aanleiding geven.

Bij de oprichting van de organisatie in 1916 was het belangrijkste doel te komen

tot emancipatie van de katholieken Noord-Brabant. Het gevolg daarvan was dat in

korte tijd op veel plaatsen in de provincie katholieke scholen werden gesticht.

Door dit beleid is Ons Middelbaar Onderwijs altijd een groot schoolbestuur

geweest. De negentiger jaren kenmerkte zich als een periode van verdere groei.

Deze groei was met name het gevolg van de politiek ingezette stimulering tot vorming

van de brede scholengemeenschappen: scholen van vmbo tot en met vwo.

Voor Ons Middelbaar Onderwijs was dit de aanleiding voor uitbreiding van het

onderwijsaanbod. Op het moment van vaststelling van de missie in 1994 werd door

de OMO-scholen onderwijs verzorgd voor ruim 41.000 leerlingen en er waren

destijds 3.900 personeelsleden in dienst. Inmiddels is het leerlingaantal opgelopen

tot bijna 63.000 en zijn er 7.000 medewerkers werkzaam bij Ons Middelbaar

Onderwijs.

Dertien jaren zijn inmiddels verstreken sinds de vaststelling van de huidige missie

van Ons Middelbaar Onderwijs. De missie blijkt evenwel onverkort actueel. Ook in

het huidige maatschappelijke debat over het onderwijs wordt het accent gelegd op

kwalitatief hoogwaardig onderwijs, op innovatie, op het belang van de leraar, op

goed werkgeverschap en op een interactieve relatie met de maatschappij. In verband

met de hernieuwde aandacht voor deze onderwerpen is de Raad van Bestuur

10


van mening dat niet zozeer de missie als zodanig bezien moet worden als wel dat

veeleer bezinning op de wijze van het realiseren van deze missie nodig is. Hierbij

staat de vraag centraal hoe de in de missie beschreven ambities op het gebied van

onderwijs, werkgeverschap en maatschappelijke verantwoordelijkheid verder kunnen

worden gerealiseerd, vanuit een zich ontwikkelende organisatie.

11


“Baas in eigen lokaal?

Die tijd is geweest!”

“Onze twee locaties in Etten-Leur zullen worden samengevoegd in één nieuw

gebouw op het Trivium. Drie jaar geleden begonnen de voorbereidingen; eerst

hebben de kernteamleiders en de directie de onderwijsvisie voor de toekomst

geformuleerd in het document ‘Koers MC’. Een belangrijk statement daarin is

dat de individuele leerling centraal staat. Elke sector heeft die visie vervolgens

vertaald in een startdocument waarin het onderwijsconcept voor de

eigen sector is ontwikkeld. Voor onze sector Techniek, met de afdelingen

Metaal, Elektro, Voertuigen, Installatie en Bouw, hebben wij gekozen voor

een Techniekplein. Omdat dat een andere manier van lesgeven mogelijk

maakt. Naast een afdelingenstructuur kunnen we er namelijk de programma’s

van metalelektro, instalelektro en techniekbreed aanbieden. Met het

Techniekplein zijn afdelingoverstijgende projecten bovendien eenvoudig in te

passen en kunnen avo-vakken geïntegreerd worden. Uiteindelijk wordt het op

zo’n plein mogelijk elke leerling een individuele leerroute aan te bieden.

In de eerste tekeningen had de architect het plein niet meegenomen. Het

nieuwe gebouw is een kwartcirkel met drie ringen: een buitenste ring, een

corridor en een binnenring. Wij komen in de buitenring: in feite één langgerekt

lokaal. We hebben diverse veranderingen voorgesteld om het plein-idee

er weer in te brengen; de meeste voorstellen zijn overgenomen. Dit wordt

straks de situatie: een hele grote groep leerlingen aan het werk op het plein

onder begeleiding van een aantal docenten en eventuele klassenassistenten.

De tijd van baas in eigen lokaal is daarmee echt voorbij. Leerlingen gaan

zelfstandiger werken. Voor docenten is de grote verandering dat iedereen nu

echt met de collega’s moet gaan samenwerken!”

Henk de Hoogh is docent wis- en natuurkunde en kernteamleider van de sector

techniek van het Munnikenheide College in Etten-Leur.

12


2 Organisatie

2.1 Raad van Bestuur

De Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs is het bevoegd gezag van 45 scholen voor

voortgezet onderwijs in, met name, de provincie Noord-Brabant. De Raad van

Bestuur bestuurt de Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs. De Raad van Bestuur

bestaat formeel uit één statutair lid, de voorzitter. Naast de voorzitter zijn twee

titulaire leden benoemd en is een ambtelijk secretaris aangesteld. De voorzitter

van de Raad van Bestuur vertegenwoordigt de vereniging en is in alle gevallen

eindverantwoordelijk.

De Raad van Bestuur bestaat uit de volgende personen:

de heer drs. R.H.A.M. Kraakman, voorzitter;

mevrouw M.M. Jonkers-Goedhart, lid;

de heer drs. P.J.J. Hendrikse, lid;

de heer J.M.C. van Dijk MPM, ambtelijk secretaris.

2.2 Algemene ledenvergadering

Op basis van de statuten is de vereniging gehouden jaarlijks een Algemene

Ledenvergadering te organiseren. Tijdens de Algemene Ledenvergadering licht de

voorzitter van de Raad van Bestuur het actuele beleid van de vereniging toe,

bespreekt hij de belangrijkste ontwikkelingen van het laatste schooljaar en blikt

hij vooruit op het daarop volgende verslagjaar. Tevens worden tijdens deze vergadering

leden in de Raad van Toezicht gekozen die namens de leden van de vereniging

daartoe afgevaardigd worden.

In het schooljaar 2006-2007 vond de Algemene Ledenvergadering plaats op 30

november 2006 in Villa De Vier Jaargetijden in Tilburg. Naast een bespreking van

het verslagjaar 2005-2006 en een vooruitblik op het jaar 2006-2007 hebben verkiezingen

plaatsgevonden van twee ledenafgevaardigden naar de Raad van

Toezicht. Op bindende voordracht van de personeelsgeleding van de gemeenschappelijke

medezeggenschapsraad (GMR) is door de Algemene Ledenvergadering de

heer drs. W.T.G. Dresscher, die herkiesbaar was, opnieuw als lid naar de Raad van

Toezicht afgevaardigd. Daarnaast heeft de ledenvergadering de heer R.M.J.

13


Verweijmeren MCM als lid van de Raad van Toezicht gekozen. Na het formele

gedeelte van de Algemene Ledenvergadering is door de heer prof. dr. J. Jolles,

hoogleraar neuropsychologie en psychobiologie aan de Universiteit van Maastricht,

een lezing verzorgd over hersenonderzoek in relatie tot leerprocessen.

2.3 Raad van Toezicht

De Raad van Toezicht is in het verslagjaar drie maal bijeen geweest. Allereerst

heeft de Raad van Toezicht de jaarrekening van de Vereniging Ons Middelbaar

Onderwijs 2005-2006 goedgekeurd, wat heeft geresulteerd in het verlenen van

décharge aan de voorzitter van de Raad van Bestuur over het jaar 2005-2006. De

Raad van Toezicht heeft daarnaast ingestemd met de geconsolideerde begroting

2006-2007. Tijdens de bijeenkomsten is onder meer een dialoog gevoerd over de

thema’s uit de Beleidskaders 2007-2008 ‘Maatschappelijk Ondernemen’, ‘De school

als gemeenschap’ en ‘Zorgplichten in het onderwijs’.

De Raad van Toezicht bestaat uit de volgende personen:

de heer prof. dr. A.J. van Weele, voorzitter, afgevaardigd lid door de Algemene

Ledenvergadering (ALV) (op voordracht van de OLGMR);

de heer drs. W.T.G. Dresscher, afgevaardigd lid door de ALV (op voordracht van de

PGMR);

de heer R.J.M. Verweijmeren MCM, afgevaardigd lid door de ALV;

de heer S.A. van Kempen RA, afgevaardigd lid door de ALV;

de heer mr. dr. A.G.J.M. Rombouts, lid Maatschappelijke Raad;

de heer H.C. Peppinck, lid Maatschappelijke Raad;

de heer dr. H.P.J. Witte, lid Maatschappelijke Raad.

2.4 Doorontwikkeling van de OMO-organisatie

Sinds de structuurwijziging binnen Ons Middelbaar Onderwijs in 2002, waarbij de

structuur van één Hoofdbestuur en daarnaast per school een Plaatselijk Bestuur is

vervangen door de huidige organisatiestructuur, de gelede management structuur,

heeft de Raad van Bestuur jaarlijks invulling gegeven aan het doorontwikkelen van

de organisatie. Er wordt gestreefd naar een efficiënte bedrijfsvoering met een hanteerbare

span of control voor de Raad van Bestuur. Hierbij wordt beoogd om de

organisatie van de Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs door te ontwikkelen naar

een structuur waarbinnen de Raad van Bestuur optimaal invulling kan geven aan

het besturen van de onder zijn bevoegd gezag ressorterende scholen.

2.5 Verantwoordelijkheid wachtgelduitkeringen

Vanaf 1 januari 2007 zijn de werkgevers in het voortgezet onderwijs niet langer

aangesloten bij het Participatiefonds, dat tot dat moment de wachtgelduitgaven

beheerde. De uitgaven voor de wettelijke en bovenwettelijke werkloosheidsuitkeringen

moeten nu door de werkgevers worden betaald. Driekwart van de uitkeringen

aan werklozen wordt gezamenlijk betaald door alle werkgevers in het voortgezet

onderwijs. Het resterende deel van de uitkeringskosten komt voor rekening van

de werkgever die het ontslag heeft verleend, in casu de Raad van Bestuur.

14


In het kader van het nieuwe mobiliteitsbeleid is de Raad van Bestuur gestart met

een onderzoek naar de wijze van omgaan met de wettelijke verplichting van de

werkgever om ex-werknemers die een wachtgelduitkering ontvangen te re-integreren.

2.6 Sectororganisatie Voortgezet Onderwijs

Op 23 november 2006 is de VO-raad van start gegaan met de eerste algemene

ledenvergadering en een feestelijke openingsconferentie. Het Werkgeversverbond

VO en Schoolmanagers VO zijn opgeheven en opgegaan in de sectororganisatie

voor het voortgezet onderwijs. Daarmee is de nieuwe brancheorganisatie voor het

VO een feit. De voorzitter van de Raad van Bestuur had zitting in de stuurgroep,

die de statuten en de beleidsagenda van de sectororganisatie heeft voorbereid, en

is gekozen tot vice-voorzitter van de VO-raad. De VO-raad behartigt de collectieve

belangen van het voortgezet onderwijs en de werkgeversbelangen van zijn leden.

2.7 Opleiden in de school

Dieptepilots

De kwaliteit van het onderwijs hangt voor een belangrijk deel af van de kwaliteit

van de leraar. In de afgelopen jaren is het inzicht gegroeid dat een aankomend

leraar beter voor zijn beroep wordt opgeleid, als de opleiding voor een belangrijk

gedeelte op school gebeurt. Scholen zetten hun stages dan ook steeds professioneler

op en studenten krijgen meer realistische opdrachten die direct met de uitvoering

van het onderwijs op de school zelf te maken hebben. Het ministerie van

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) wil nog verder gaan in deze ontwikkeling.

OCW heeft daarom dieptepilots mogelijk gemaakt, waarin scholen in de vorm van

een experiment vergaand kunnen opleiden. Daarnaast stelt OCW studenten in staat

om onderzoek te doen op school. De Raad van Bestuur van OMO heeft twee dieptepilots

verworven:

‘Opleiden in de school’, een project dat OMO Scholengemeenschap Tongerlo in

partnerschap met het Munnikenheide College en OMO Scholengroep Bergen op

Zoom uitvoert. De scholen werken samen met de Hogeschool van Rotterdam en

het Ruud de Moorcentrum van de Open Universiteit (OU) in Heerlen.

‘De academische school’, een project dat Pleincollege Eckart, het Fioretti College

en Zwijsen College Veghel samen uitvoeren. Partners zijn de lerarenopleidingen

van de Radboud Universiteit (RU) in Nijmegen en de Hogeschool van Arnhem en

Nijmegen (HAN). Ook hier ondersteunt het Ruud de Moorcentrum van de Open

Universiteit in Heerlen de betrokken scholen.

Kern van de dieptepilot ‘Opleiden in de school’ is dat de school niet alleen de

stage professioneel begeleidt, maar dat de volledige beroepscomponent (pegagogiek,

didactiek en onderwijskunde) op de school zelf wordt aangeboden. Kern van

de dieptepilot ‘De academische school’ is dat studenten en hun begeleiders naast

de stage ook onderzoek leren doen naar vraagstellingen die vanuit de school zelf

komen. De minister van OCW heeft daarbij bepaalde thema’s vastgesteld, die in de

experimenten moeten worden uitgewerkt. Het gaat om het in beeld brengen van de

randvoorwaarden voor de opleidingsschool, de kwaliteitszorg en het Integraal

Personeelsbeleid (IPb) in relatie tot opleiden in de school en kennisdeling.

15


Op OMO Scholengemeenschap Tongerlo is een vernieuwende aanpak van de stage,

het zogenoemde ‘werkplekleren’, uitgewerkt. Bovendien is er een nieuwe vorm van

pedagogiek en didactiek ontstaan, die direct op school aan studenten wordt aangeboden.

Curriculumonderdelen die voorheen op de lerarenopleiding werden gegeven,

worden nu op de school zelf gegeven. Het doel is om 50% van het curriculum

van de lerarenopleiding op de school uit te voeren; de lerarenopleiding behoudt

hierover wél de supervisie. Concreet betekent dit dat studenten dan 50% van hun

studiepunten op de school gaan verwerven.

In het verslagjaar werd duidelijk dat het heel belangrijk is om goede afspraken te

maken over wat wordt geleerd op school en wat op de opleiding. Bovendien is het

belangrijk dat de programma’s van de school en de lerarenopleiding inhoudelijk

goed op elkaar aansluiten. Uit systematisch opgezet kwaliteitsonderzoek bleek dat

de studenten tevreden waren over de aanpak op de school. Daarom heeft zowel de

lerarenopleiding als de school zich volop ingezet om een echt schoolgebonden

leerplan te maken met studiepunten en leerplannen. De partnerscholen, het

Munnikenheide College en OMO Scholengroep Bergen op Zoom lieten hun stagiairs

op gezette tijden ook meedoen aan vernieuwende workshops en andere werkvormen.

In de dieptepilot ‘De academische school’ lag in het verslagjaar het accent op het

ontwikkelen van onderzoeksvaardigheden door studenten en docenten. Voordat het

experiment startte, is gekeken in hoeverre de deelnemers al beschikten over onderzoeksvaardigheden.

Het Ruud de Moorcentrum heeft in november 2006 de aanwezige

onderzoeksvaardigheden in kaart gebracht met een nulmeting, die in latere

fasen van de pilot als referentiepunt diende. Ruim veertig docenten zijn begonnen

met een onderzoek over het onderwijs op de eigen school. Daarbij zijn zoveel

mogelijk studenten ingeschakeld. Eén docente heeft in het verslagjaar de basis

gelegd voor een promotieonderzoek waaraan zij in het komende schooljaar zal

beginnen. De docentonderzoekers kregen ondersteuning van een wetenschapsteam

en twee onderzoeksassistenten.

Via de opleidingskringen zijn ook andere OMO-scholen betrokken bij de dieptepilots.

Opleidingsdocenten komen maandelijks bijeen om ervaringen uit te wisselen.

De opleidingskringen zijn in het verslagjaar wetenschappelijk ondersteund.

Het Ruud de Moorcentrum heeft een website voor de dieptepilots ontwikkeld.

Hierdoor zijn de producten snel toegankelijk voor alle deelnemers.

Opleiden en innoveren

In het OMO/Fontysproject werd opleiden in de school voor het eerst uitgeprobeerd.

Daardoor was het als het ware een voorloper van de hierboven genoemde dieptepilots.

Het OMO/Fontysproject was op 2 februari 2006 feitelijk al afgerond, maar

één onderdeel liep nog door, namelijk ‘Opleiden en innoveren’ op 2College. Dit

laatste projectonderdeel werd op 28 maart 2007 met een studiedag afgesloten.

De opbrengsten hiervan werden in de vorm van handzame opleidingsproducten

(assessmentprotocollen, studiewijzers enz.) ter beschikking gesteld aan andere

OMO-scholen.

Trainingen en opleidingen

Om het opleiden in de school goed vorm te kunnen geven dienen scholen te

beschikken over goed gekwalificeerde begeleiders/opleiders van studenten. Er zijn

twee typen begeleiders/opleiders op de OMO-scholen: opleidingsdocenten voor de

16


inhoudelijke coördinatie en de schoolpracticumdocenten voor de directe begeleiding.

De Raad van Bestuur voorziet zelf in trainingstrajecten voor schoolpracticumdocenten

en opleidingsdocenten. Daarvoor worden cursussen ingekocht bij

Archimedes Lerarenopleiding. In het verslagjaar is relatief veel gebruik gemaakt

van deze scholingsmogelijkheden. Het Maurick College, Sondervick College,

Scholengemeenschap Were Di, OMO Scholengroep De Langstraat, Munnikenheide

College, OMO Scholengemeenschap Tongerlo, OMO Scholengroep Bergen op Zoom en

2College hebben samen 177 docenten laten opleiden tot schoolpracticumdocenten.

Omdat daaraan behoefte bleek te zijn, werd een nieuwe cursus voor opleidingsdocenten

georganiseerd. Deze is in januari 2007 met 10 deelnemers van start

gegaan.

De Masterkl@s

De Raad van Bestuur stimuleert de leerlingen van OMO-scholen om te gaan studeren

voor leraar. De Raad van Bestuur betaalt de studie en biedt een extra inhoudelijk

programma aan, dat speciaal is ontworpen om de studenten optimaal voor te

bereiden op het leraarschap. Deze studenten vormen de Masterkl@s. Na de vier

jaar van hun studie werken de studenten minimaal vier jaar bij OMO (OMO-baangarantie).

In het verslagjaar waren er 61 afgestudeerde OMO-studenten (studenten

met een stipendium en baangarantie) die werden geplaatst op OMO-scholen. Er is

bij de start van het schooljaar 2006-2007 een nieuwe lichting OMO-studenten van

start gegaan, die bestond uit 75 eerstejaars.

De Raad van Bestuur blijft inzetten op een hoogwaardige kwaliteit van de studie.

Daarom worden bijzondere studieprestaties gewaardeerd met een prijs, de

Masterkl@s-award. De voorzitter van de Raad van Bestuur reikte op 6 september

2006 de Masterkl@s-award 2005-2006 uit aan Annemarieke Schepers, die

inmiddels werkzaam is op De Nieuwste School in Tilburg. Janneke Bongaards kreeg

een eervolle vermelding.

2.8 De leraar centraal

Het landelijke debat over de positie van de leraar in de school en in de maatschappij

is in het verslagjaar in hevigheid toegenomen. Negatieve berichtgeving

over ‘de leraar’ overheerst in dezen. De vraag doet zich voor hoe de leraar van

tegenwoordig gepositioneerd kan worden. Om op deze vraag een antwoord te vinden

heeft de Raad van Bestuur besloten in dialoog te gaan met de leraren van Ons

Middelbaar Onderwijs. Op 5 oktober 2007 – op de nationale Dag van de Leraar –

gaat deze dialoog van start met een werkconferentie. Samen met een afvaardiging

van leraren en schoolleiders van negen OMO-scholen wordt een beeld geschetst van

het leraarsambt en wordt geïnventariseerd wat er nodig is om te komen tot een

nieuwe positionering van het leraarsambt. Op de werkconferentie komen vragen

aan de orde als: Hoe worden of blijven leraren trots op hun vak? Hoe kan de

publieke opinie beïnvloed worden? Wat kunnen de leraren zelf doen? Welke bijdragen

leveren het schoolmanagement, het bestuur, de ouders?

17


“We blijven finetunen”

“Een opmerking als ‘Wat is dat jong lastig!’ mag nooit blijven hangen. We

kijken altijd hoe we het kind kunnen helpen. Dat gebeurt volgens het

‘Helmondse model’; zo staat onze zorgstructuur in de regio bekend. Hierin is

vastgelegd welke zorg er wordt gegeven en door wie. We willen voortijdige

schooluitval voorkomen en ervoor zorgen dat kinderen goed geoutilleerd de

maatschappij in gaan.

Eenvoudige vragen (zorgniveau 1) handelen mentor en vakdocent(en) af, bijvoorbeeld

als een leerling structuur mist, huiswerk niet plant of z’n tas niet

inpakt. Is meer zorg nodig, dan vraagt de kernteamleider de ouders toestemming

om de leerling te bespreken in het interne Zorgadvies-Team (ZAT), dat

bestaat uit schoolmaatschappelijk werk, een orthopedagoog, de kernteamleider

en de zorgcoördinator. Onder regie van het ZAT kunnen externe partijen

worden ingeschakeld: de afdeling Leerplicht, schoolarts, politie en Bureau

Jeugdzorg. Bij zeer ernstige problemen, bijvoorbeeld uithuisplaatsing of

opname in de GGZ, zal een externe partij de regie overnemen: dat is zorgniveau

3.

Het initiatief is vier jaar geleden genomen en na twee jaar ‘stond’ het model.

We hadden al goede externe contacten, maar het was een proces van ups en

downs; je moet ontdekken wat je van elkaar mag verwachten. En je kunt

nooit zeggen dat je er bent; we blijven finetunen.

Ouders zijn heel positief; het is een rustig gevoel dat er op hun kind wordt

gelet. Wij zien welke kinderen niet ontbijten, geen brood meenemen, altijd te

laat komen en geen huiswerk maken. Daar maken we ons zorgen om, want wij

houden van die kinderen. Maar het is lastig om te bepalen hoever onze

bemoeienis moet gaan, want het is wél de verantwoordelijkheid van ouders.”

Ingrid Ensing is verbonden aan OMO Scholengroep Helmond. Zij is directeur

onderbouw van het Vakcollege Dr. Knippenberg in Helmond

18


3 Verantwoording -

aanspreekbaarheid

3.1 Governance

Governance, ook wel goed (onderwijs)bestuur genoemd, heeft enerzijds betrekking

op de aanwezigheid van degelijk en onafhankelijk toezicht op bestuurlijk handelen

en anderzijds op de mate waarin horizontaal en verticaal verantwoording wordt

afgelegd door het bestuur.

De Raad van Bestuur is van mening dat de rol van de wetgever in het kader van

governance zich beperkt tot de bepaling dat governance-elementen door de onderwijssector

zelf worden ingevoerd en toegepast. In aansluiting hierop is door de

VO-raad de code ‘Goed onderwijsbestuur’ in het voortgezet onderwijs ontwikkeld,

welke door schoolbesturen wordt nageleefd. Hierdoor kan wettelijke verankering

van de wijze waarop governance door schoolbesturen wordt vormgegeven achterwege

blijven.

3.2 Naleving code ‘Goed onderwijsbestuur’ in het voortgezet

onderwijs

In de code ‘Goed onderwijsbestuur’ is vastgelegd op welke wijze de leden van de

VO-raad invulling wensen te geven aan het besturen van hun instellingen. De

leden van de VO-raad zijn gehouden de code na te leven. Volgens artikel 4.1 is op

de naleving van de code het ‘pas toe, of leg uit’-beginsel van toepassing. Dit

houdt in, dat een schoolbestuur in zijn jaarverslag afwijkingen van de code zal

verantwoorden.

Binnen OMO wordt deze code toegepast, met dien verstande dat de tegemoetkomingen

voor de Raad van Toezicht worden vastgesteld door de Raad van Bestuur.

Ten aanzien van hetgeen in de code met betrekking tot deelbelangen is bepaald,

kan nog opgemerkt worden dat twee leden op voordracht zitting nemen in de Raad

van Toezicht. Het ene lid wordt voorgedragen door de personeelsgeleding en het

andere door de oudergeleding van de Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad.

19


3.3 Pilot geïntegreerd toezicht

Heldere verantwoordelijkheidsverdeling wordt geacht een noodzakelijke voorwaarde

te zijn voor goed (onderwijs)bestuur. Waar deze heldere verantwoordelijkheidsverdeling

ontbreekt, is er sprake van een mogelijk risico voor zowel de kwaliteit van

het onderwijs in de scholen alsmede het financiële beleid. Er zou één instantie

moeten zijn die deze risico’s, wanneer ze zich voordoen, signaleert en het bestuur

daarop wijst. Om dit te kunnen bewerkstelligen heeft het ministerie van Onderwijs,

Cultuur en Wetenschap (OCW) een project geïnitieerd onder de naam ‘Geïntegreerd

toezicht’. Dit project is uitgevoerd door de Inspectie, de Departementale

Auditdienst en het CFI, in samenwerking met het onderwijsveld. Het doel van dit

project was om een model te ontwikkelen voor het opstellen van risicoprofielen

van scholen, op basis waarvan het toezicht in de vorm van maatwerk kan worden

georganiseerd. De integratie van het toezicht is echter niet zo eenvoudig. Het

financiële beleid en de uitvoering daarvan is namelijk een bestuurlijke verantwoordelijkheid,

terwijl de onderwijskwaliteit onder de verantwoordelijkheid van de

schoolleider valt. Daarom hebben met name ook schoolbesturen geparticipeerd in

het project, zo ook de Raad van Bestuur van OMO.

Op 30 november 2006 heeft de Inspectie haar bevindingen naar aanleiding van

de uitgevoerde pilots op de Instelling Voortgezet Onderwijs Deurne, het

Elzendaalcollege en het Maaslandcollege kenbaar gemaakt aan de Raad van

Bestuur. In een vervolggesprek op 8 februari 2007 heeft de Inspectie nader met de

Raad van Bestuur van gedachten gewisseld over de vormgeving van de governance

binnen OMO. Naar aanleiding van dit gesprek werd gezamenlijk de conclusie

getrokken dat, binnen de uitgangspunten van scheiding van bestuur en toezicht en

toepassing van verticale en horizontale verantwoording, er voor het vormgeven van

governance geen geformatteerde wijze is die voldoet voor alle schoolbesturen.

20


“Het is net als een relatie…”

“Sinds 1979 zit ik in het onderwijs. Als docente Frans en Engels concentreerde

ik me aanvankelijk vooral op het vak en de klas. Later heb ik diverse

andere functies en taken vervuld, zowel coördinerend, leidinggevend als

begeleidend. Daarbij of juist daarin heb ik de kracht van samenwerking heel

sterk ervaren. Je kunt een leerling pas echt helpen als school, ouders en leerlingen

als één team samenwerken.

Samenwerking komt niet vanzelf; je moet dingen bespreekbaar durven maken

en afspraken maken. Het is net als met een relatie: je moet eraan blijven

werken. Onderwijs is immers gebaseerd op relatie, op contact. Zonder contact

wordt er niet geleerd en kan er ook niets groeien. Dat vraagt tijd, aandacht

en oog voor kwaliteit. Dat merk ik ook in de dieptepilot. In het afgelopen

jaar hebben we pittige gesprekken gevoerd, heftige discussies soms. Op zulke

momenten dat het wringt, leer je elkaar pas goed kennen. Dan blijkt ook wat

échte samenwerking is. Het is ons gelukt om begrip op te brengen voor

elkaars perspectief en elkaar te vinden in ons gemeenschappelijk belang,

namelijk het goed opleiden van aankomende leraren. We hebben heldere

afspraken gemaakt en weten waar we staan.

Studenten in opleiding zoeken makkelijker samenwerking dan wij vroeger

deden. In mijn tijd was er meer hiërarchie: o wee, als jij als jong broekie op

de stoel van een oudere collega ging zitten. Mijn ambitie? Voor mij is het

project geslaagd, als mensen straks zeggen: ik heb in Roosendaal, Bergen op

Zoom of Etten-Leur het praktijkgedeelte van mijn opleiding gedaan en daar

heb ik echt wat geleerd!”

Thea Hermans is verbonden aan OMO Scholengemeenschap Tongerlo in

Roosendaal. Zij is één van de twee kernteamleiders van de dieptepilot ‘Opleiden

in de school’ die OMO Scholengemeenschap Tongerlo samen met de Hogeschool

Rotterdam uitvoert.

22


4 Onderwijskundige

ontwikkelingen

4.1 Vmbo-beleid

De Raad van Bestuur gaat in het vormgeven van het vmbo-beleid uit van de

Kernnotitie vmbo, die in 2002 is vastgesteld, en past dit beleid, waar dat maar

mogelijk is, voortvarend toe. In deze kernnotitie zijn de bestuurlijke uitgangspunten

geformuleerd voor het ongedeeld vmbo, waarbij de definitie van ongedeeld

vmbo als volgt luidt: alle vier de leerwegen als één onderwijskundig geheel in één

organisatorisch verband en bij voorkeur op één locatie. Kernpunten uit de kernnotitie

vmbo zijn daarnaast onder andere het zorgdragen voor een doorlopende leerlijn,

het contextrijk aanbieden van het onderwijs, een beroepsgericht vak in elke

leerweg en het ontwikkelen en invoeren van competentiegericht leren.

Één van de belangrijkste uitgangspunten van de Kernnotitie vmbo 2002 is het aanbod

van een beroepsgericht vak in elke leerweg. De Raad van Bestuur is van

mening dat alle vmbo-leerlingen erbij gebaat zijn wanneer zij een beroepsgericht

vak kunnen volgen en daarin het landelijk examen afleggen als voorbereiding op

het vervolgonderwijs. Dus ook de leerlingen die onderwijs volgen in de theoretische

leerweg. De Raad van Bestuur gebruikt voor deze leerweg dan ook de naam

gemengde leerweg+, waarbij leerlingen zes avo-vakken volgen en één op het

beroepgericht vak. Dit uitgangspunt vindt een steeds bredere toepassing op de

OMO-scholen. Het vak technologie wordt in dit kader het meest aangeboden.

Ter realisatie van het uitgangspunt uit de Kernnotitie vmbo om het competentiegericht

leren te ontwikkelen en in te voeren, zijn een aantal OMO-scholen een paar

jaar geleden uitgenodigd om deel te nemen aan een impulsproject

‘Competentiegericht leren in het vmbo’. Dit impulsproject, met de naam ‘sCool’,

heeft een vervolg gekregen met het project ‘Competentiegericht toetsen en beoordelen’.

Dit project is in samenwerking met Cito uitgevoerd. De projectgroep heeft

onderzocht hoe competentiegericht onderwijs in het vmbo afgerond kan worden

met een toetsings- en beoordelingssystematiek die past bij deze vorm van onderwijs.

Het project was overzichtelijk van opzet, doordat het onderzoek is uitgevoerd

bij leerlingen in het derde jaar van de kaderberoepsgerichte leerweg binnen de sector

‘zorg en welzijn’. Het onderzoek concentreerde zich op toetsing en beoordeling

van de algemene competenties. Ten behoeve van het project is een gemeenschappelijk

idioom ontwikkeld, met behulp waarvan de toetsings- en beoordelingscriteria

23


op uniforme wijze in de lespraktijk kunnen worden toegepast.

Het Fioretti College, Kwadrant Scholengroep, het Maurick College en het

Varendonck-College hebben samen aan het project gewerkt. Deze scholen vormden

de binnenkring en hebben een competentiescorekaart ontwikkeld. Met dit instrument

kunnen docenten op een betrekkelijk eenvoudige manier beoordelen in hoeverre

leerlingen de competenties beheersen, die zij nodig hebben om succesvol te

kunnen zijn in het mbo.

Een buitenkring van scholen, te weten 2College, Instelling voor Voortgezet

Onderwijs Deurne, Munnikenheide College en Sondervick College, heeft de resultaten

van het project tussentijds geëvalueerd.

4.2 Competentiegericht leren in het havo

In de onderwijsontwikkeling, met de titel ‘Een brug van havo naar hbo’, werken

OMO en Avans Hogescholen samen. Leerlingen in 4 en 5 havo volgen een module,

waarin onderwijs gegeven wordt volgens de didactiek die gangbaar is binnen het

hbo, namelijk probleem gestuurd onderwijs (pgo) en project onderwijs (po). Het

doel is dat deze leerlingen beter voorbereid hun onderwijsloopbaan binnen het hbo

kunnen vervolgen, waardoor er minder sprake zal zijn van uitstroom van deze leerlingen

tijdens de propedeuse. Nadat er op de pilotscholen, het Mill Hillcollege en

het Jeroen Bosch College, positieve ervaringen waren opgedaan, hebben in het

afgelopen schooljaar vijf andere OMO-scholen, te weten het Sint-Odulphuslyceum,

2College, Maasland College en het Gertrudiscollege en het Norbertuscollege van

OMO Scholengroep Tongerlo, deze module in hun havo-leerplan opgenomen.

4.3 Onderzoeksvaardigheden vwo

In de propedeuse van het wetenschappelijk onderwijs vallen nogal wat vwo-leerlingen

uit. Wellicht kan deze uitval worden beperkt als vwo-leerlingen al tijdens hun

schooltijd kunnen kennismaken met de aanpak die op universiteiten gebruikelijk

is. De Raad van Bestuur had het voornemen om tijdens het verslagjaar zich te

oriënteren op mogelijkheden om de ontwikkeling van onderzoeksvaardigheden bij

leerlingen op het vwo te versterken. Dit initiatief wordt in de toekomst nader verkend.

4.4 Maatschappelijke stages

De maatschappelijke stage, waarbij een leerling zich belangeloos voor de maatschappij

inzet, levert een positieve bijdrage aan de burgerschapsvorming en sociale

competenties van leerlingen. De Raad van Bestuur hecht daarom erg veel belang

aan de uitvoering van een dergelijke stage door leerlingen.

Nagenoeg alle OMO-scholen hebben in het schooljaar 2006-2007 een aanvullende

bekostiging van € 18.000,– van de overheid ontvangen voor de uitvoering van de

maatschappelijke stage. Alle OMO-scholen hebben de maatschappelijke stage intussen

in het onderwijsprogramma opgenomen, waarmee is bereikt dat de maatschappelijke

stage volledig is ingevoerd op de OMO-scholen.

24


4.5 Zorg in het voortgezet onderwijs

De jaarlijkse studiedag ‘Leerlingenzorg in het voortgezet onderwijs’ vond op 5 april

2007 plaats op OMO Scholengroep De Langstraat, bij de nevenvestiging van het

Dr. Mollercollege te Kaatsheuvel. Tijdens het ochtendprogramma sprak de heer

drs. R.H.A.M. Kraakman, voorzitter van de Raad van Bestuur, in grote lijnen over

de visie van de Raad van Bestuur op leerlingenzorg. De heer drs. A.J.J. Dingelstad,

programmamanager ‘Herijking zorg’ van het ministerie van OCW, schetste daarna de

brede discussie die in het onderwijsveld over de herijking van de zorg wordt

gevoerd. Vervolgens lichtte de heer drs. F.J.M. Bakermans, directeur van

Pleincollege Sint-Joris, de aanwezigen voor over de ontwikkeling van een Leidraad

Privacy voor alle OMO-scholen. Aansluitend volgden de deelnemers aan de studiedag

drie workshops naar keuze. De goed georganiseerde studiedag bood de deelnemers,

naast het boeiende programma, voldoende gelegenheid om met elkaar in

contact te komen.

Het ministerie van OCW heeft aangekondigd dat de bevoegde gezagen van de

onderwijsinstellingen vanaf 2010 verantwoordelijk worden gesteld voor de zorg

voor alle leerlingen, onder de noemer ‘Passend onderwijs’. De Raad van Bestuur

heeft naar aanleiding hiervan besloten een Adviescommissie Zorg in te stellen.

Deze adviescommissie bestaat uit een lid van de Raad van Bestuur en drie schoolleiders.

De Raad van Bestuur heeft de Adviescommissie Zorg gevraagd hem te adviseren

over de gewenste OMO-zorgstructuur en de visie van de Raad van Bestuur op

zorg. Daarbij rekening houdend met en invloed uitoefenend op de – op dit moment

nog niet geformaliseerde – landelijke zorgstructuur, waarin staat welk kaderstellend

beleid de OMO-scholen met betrekking tot zorg voor leerlingen gaan voeren. In

maart 2008 zal de Adviescommissie Zorg haar eerste advies uitbrengen aan de

Raad van Bestuur.

4.6 De Nieuwste School

De Nieuwste School (DNS) ontwikkelt zich voorspoedig. Na de start met 75 leerlingen

in augustus 2005 meldden zich ongeveer 125 leerlingen voor de start van het

schooljaar 2006-2007. In augustus 2007 gaat DNS het derde jaar in en komen er

weer zo’n 110 leerlingen bij.

25


Over DNS verschenen in het verslagjaar twee publicaties in de OMO/APS-reeks:

‘De Nieuwste School, leren in een leergemeenschap’ en ‘De Nieuwste School, de

praktijk na ruim één schooljaar’. In september 2007 verschijnt een nieuwe publicatie.

Daarin wordt ingegaan op de ontstaansgeschiedenis van DNS: ‘De Nieuwste

School, avontuur van vernieuwing’.

In maart 2007 heeft Omroep Brabant twee keer de film ‘School in de steigers’ uitgezonden.

Deze film, een productie van IdtV-Dits, volgt de ontwikkeling van de

school aan de hand van de ervaringen van enkele leerlingen en medewerkers van

de school vanaf de start in augustus 2005.

4.7 Particuliere school

De door de Raad van Bestuur ingestelde projectgroep heeft in het schooljaar 2006-

2007 het bedrijfsplan Particuliere School gepresenteerd. De Raad van Bestuur zal

nog met externe gesprekspartners verkennen in hoeverre er maatschappelijk draagvlak

is voor een particuliere school van OMO-signatuur. Op basis van dit bedrijfsplan

en van de uitkomsten van de gesprekken met een aantal externen zal de Raad

van Bestuur besluiten of het stichten en exploiteren van een particuliere school

haalbaar én wenselijk is.

4.8 OMO-Kenniscentrum

In het OMO-Kenniscentrum worden projecten gerealiseerd die beogen:

uit de onderwijspraktijk nieuwe toekomstgerichte concepten te ontwikkelen,

die sporen met de nieuwste inzichten op het terrein van onderwijs;

medewerkers te stimuleren zich te ontwikkelen tot onderwijsmakers, die het

onderwijs van de 21e eeuw op een eigentijdse manier vorm gaan geven;

de bestaande kennis binnen OMO beter toegankelijk te maken, te vergroten en

te verspreiden.

Het verslagjaar liet een stijging van het aantal projectaanvragen zien. Werden in

2005-2006 nog 23 aanvragen ingediend, in 2006-2007 kwamen 28 projectaanvragen

binnen. Deze 28 aanvragen waren afkomstig van 16 verschillende scholen.

Op initiatief van de Raad van Bestuur zijn er 2 projecten uitgevoerd.

Projecten

Het Kenniscentrum heeft in het schooljaar 2006-2007 de navolgende projecten

ondersteund. Ze worden in willekeurige volgorde kort gekarakteriseerd:

Gymnasium Beekvliet: ‘Geïntegreerd ß-onderwijs in 4-vwo’

De school heeft lesmodules ontwikkeld voor de profielvakken in de N(atuur)-stroom

en de M(aatschappij)-stroom. Het project richtte zich op de volgende doelen: leerstofintegratie,

bevorderen van onderwijskundige samenhang en het creëren van een

doorlopende leerlijn met de onderbouw. Ook is het de bedoeling dat leerlingen van

4-vwo zelf sturing geven aan en verantwoordelijkheid nemen voor hun leerproces,

zodat ze zich beter kunnen oriënteren op de profielkeuze.

2College: ‘Taaldorp: contextgerichte taalverwerving’

2College deed ervaring op met taalonderwijs in een rijke context die de leerlingen

van vmbo-t/g uitdaagt om zelf inhoud te geven aan hun taalontwikkeling. Er wer-

26


den strikte eisen gesteld aan de samenwerking van leerlingen, wat bevorderlijk is

voor de integratie. Dat laatste was een belangrijk nevendoel van het project, aangezien

de leerlingen van 2College uit diverse etnische groepen afkomstig zijn.

Scholengroep Helmond-Vakcollege Dr. Knippenberg: ‘Handel & Verkoop: eigentijds

leren’

Leerlingen van de afdeling Handel & Verkoop liepen stage binnen de schoolmuren.

In de beroepsgerichte, gethematiseerde lesstof lag het accent op de verwerving

van competenties. Algemeen vormende vakken ondersteunden de totale ontwikkeling

van de leerling. De leerling legde zijn ontwikkeling vast in een portfolio, dat

hij meeneemt naar het ROC.

OMO-Scholengroep De Langstraat-’d’Oultremontcollege: ‘De leertuin’

In het kader van dit project werkte de basisberoepsgerichte leerweg volgens een

pedagogisch-didactisch model waarin de leerlingen meer zelfstandigheid krijgen en

een sterk accent op samenwerkend leren ligt. Een stimulerende en veilige leeromgeving

was gewaarborgd, doordat de leerlingen met een kleine groep docenten te

maken kregen en op een eigen plek in de school werkten.

Merletcollege, locatie Mill: ‘LO2: gymnastiek als examenvak’

De school bood al zijn vmbo-leerlingen, ongeacht hun leerweg en/of sector, de

mogelijkheid om in klas 3 en 4 ‘Lichamelijke Oefening’ als examenvak (LO2) te kiezen.

LO2 werd gegeven vanuit een brede invalshoek. Uiteraard is er ruimte voor

sportief bewegen, maar er is ook aandacht voor onder meer organisatorische

vaardigheden, gezondheidsleer (waaronder EHBO) en de relatie tussen gezondheid

en maatschappij.

Rodenborch-College: ‘Vitaliseren leerlingbegeleiding in een organisatie van kernteams’

Het Rodenborch-College wilde de betrokkenheid van leerlingen en medewerkers bij

het begeleidingssysteem versterken binnen de context van kernteams. In dit project

werd eerst het begeleidingssysteem beschreven, waarna instrumenten voor de

optimalisering van dat systeem werden ontwikkeld. Ook werd het begeleidingssysteem

tot leven gebracht door een spelsimulatie die tevens als reflectie-instrument

diende.

Sondervick College: ‘Robotica’

Leerlingen uit de onderbouw van het vwo werkten aan een vakoverstijgend project,

waarin zij op zoek gingen naar informatie over robots. Behalve algemene kennis

over robots verwierven zij ook kennis over het programmeren ervan.

Theresialyceum: ‘Europa en kunst: cultuur en erfgoed integreren in het curriculum’

Het Theresialyceum heeft een traditie als cultuurprofielschool en is van oudsher

betrokken bij internationalisering. Vanuit deze achtergrond onderzocht de school

hoe met nieuw te ontwikkelen methodes de thema’s Europa en kunst-cultuur-erfgoed

in het curriculum geïntegreerd kunnen worden.

27


Theresialyceum (i.s.m. Sint-Odulphuslyceum): ‘Van reteaching naar remedial

teaching’

Voor de vakken Frans en Engels in de onderbouw havo/vwo zijn nauwelijks materialen

voorhanden waarmee leerproblemen geremedieerd kunnen worden. Hulp aan

leerlingen met leerproblemen in deze vakken bestaat uit het herhalen van leerstof

uit de reguliere les (reteaching). Bij specifieke leerproblemen heeft reteaching

onvoldoende rendement. De beide scholen ontwikkelden materiaal waarmee zij

inhoud kunnen geven aan remedial teaching.

OMO-Scholengemeenschap Tongerlo-Norbertuscollege: ‘Het geschiedenisonderwijs in de

21e eeuw’

Dit project had een tweeledig doel: het geschiedenisonderwijs aantrekkelijker

maken met behulp van beeld- en geluidmateriaal en leerlingen verleiden tot actiever

leren. Het project werd uitgevoerd in een digitale leeromgeving.

Scholengemeenschap Were Di

Were Di Drie is onderdeel van Scholengemeenschap Were Di. Sinds september 2004

volgen 75 vmbo-leerlingen uit alle leerwegen onderwijs volgens het concept van

‘natuurlijk leren’. De eerste lichting leerlingen begint in schooljaar 2007-2008 aan

de voorbereidingen op het examen. De school ontwikkelde hiervoor een programma,

dat is toegesneden op deze specifieke leerlingengroep.

‘Beroepsgroep van OMO-docenten’

De GMR verrichtte een verkennend onderzoek naar een ‘Beroepsgroep van OMOdocenten’.

Deze verkenning sluit aan bij het door de Raad van Bestuur geëntameerde

dialoog over het thema ‘De leraar en zijn ambt: opnieuw passie voor en in het

leraarschap’.

De Nieuwste School

De Raad van Bestuur heeft aan NIVOZ (Nederlands Instituut voor Onderwijs en

Opvoedingszaken) een onderzoeksopdracht verstrekt. NIVOZ onderzoekt of, en op

welke wijze De Nieuwste School (DNS) erin slaagt de conceptuele uitgangspunten

te realiseren in de praktijk van alledag. Daaraan gekoppeld is een onderzoeksvraag

naar het welbevinden van leerlingen, medewerkers en ouders. De onderzoeksvragen

werden geplaatst in de bredere context van kerndoelen en eindtermen, waaraan

het leerproces van DNS immers ook dient te voldoen. De doorlooptijd van dit

onderzoek is twee jaar.

4.9 Identiteitsbeleid

Elke OMO-school heeft een levensbeschouwelijke en een onderwijskundige identiteit

en profileert zich daarmee. Tijdens de afgelopen jaren is, door verschillende

initiatieven van de Raad van Bestuur, de dialoog over identiteit in de scholen op

gang gekomen. De OMO-scholen hebben nagenoeg allemaal hun identiteitsbeleid

geformuleerd. Op welke manier uitvoering wordt gegeven aan dit beleid, dient de

school vast te leggen in een activiteitenplan. Aan het eind van het verslagjaar

hadden bijna alle OMO-scholen hun activiteitenplan gereed.

Op initiatief van een aantal schoolleiders heeft de Raad van Bestuur een gesprekgroep

geformeerd die verder de dialoog voert over de katholieke identiteit van Ons

Middelbaar Onderwijs en de afzonderlijke scholen.

28


4.10 Herschikking, fusie en overname

Eindhoven

In februari 2006 nam de Raad van Bestuur het voorgenomen besluit tot fusie van

de Praktijkschool Eindhoven en Pleincollege Sint-Joris. Beide scholen maakten

reeds deel uit van de Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs. De staatssecretaris van

OCW heeft in het voorjaar van 2007 de fusie van de beide scholen goedgekeurd.

Daarom is met ingang van 1 augustus 2007 de Praktijkschool Eindhoven een

nevenvestiging van Pleincollege Sint-Joris, dat als scholengemeenschap nu alle

vormen van voortgezet onderwijs aanbiedt.

’s-Hertogenbosch

Per 1 augustus 2006 heeft het College van Bestuur van de Stichting Regionaal

Onderwijs Centrum ’s-Hertogenbosch de onder zijn bevoegd gezag ressorterende

afdeling voortgezet onderwijs van het Koning Willem I College, op zijn verzoek,

bestuurlijk overgedragen aan de Vereniging OMO. Dit onderdeel van het Koning

Willem I College bestond uit twee vestigingen, één voor havo/vwo en één voor

vmbo. De afdeling vmbo, gehuisvest aan de Onderwijsboulevard, is na 1 augustus

2006 onder het bevoegd gezag van de Raad van Bestuur verder gegaan onder de

naam Duhamel College. De afdelingen vmbo-t, havo en vwo, die gehuisvest zijn op

de Kooikersweg, zijn door de Raad van Bestuur, in afwachting van definitieve

besluitvorming, onder regie gebracht van het Jeroen Bosch College, dat gevestigd

is aan de Rompertsebaan te ’s-Hertogenbosch. De Raad van Bestuur wil het

Jenaplanconcept en de LOOT-status (topsport), dat op locatie Kooikersweg werd

gegeven, met kracht verder ontwikkelen. Onderzocht wordt of het Duhamel College

ook de LOOT-status kan krijgen. De Raad van Bestuur heeft besloten de locatie

Kooikersweg per 1 augustus 2008 te sluiten.

Boxmeer/Gennep

Per 1 augustus 2006 heeft het College van Bestuur van de Stichting Limburgs

Voortgezet Onderwijs, op zijn verzoek, het Hezeland College te Gennep bestuurlijk

overgedragen aan de Vereniging OMO. In het najaar van 2006 heeft de Raad van

Bestuur een verzoek tot goedkeuring ingediend voor de voorgenomen fusie van het

Hezeland College met het reeds onder het bevoegd gezag van OMO ressorterende

Elzendaalcollege te Boxmeer. De staatssecretaris van OCW heeft de goedkeuring in

het voorjaar van 2007 gegeven. Per 1 augustus 2007 zal het Hezeland College als

nevenvestiging in Gennep onder de naam Elzendaalcollege verder gaan.

29


“Het begint met persoonlijk contact!”

“De overgang van basis- naar voortgezet onderwijs verloopt nog steeds niet

goed; die overgang moet persoonlijker oftewel ‘warmer’ worden. Dat is mijn

hoop en ambitie: dat ik straks herinnerd word als degene die zich daar jaren

voor heeft ingezet. Het begon met een netwerk van 2College Ruiven in

Berkel-Enschot met vier basisscholen uit het voedingsgebied. De deelnemers

wisselden ervaringen en ideeën uit én ontwierpen het werkstuk ‘Mag ik mij

even voorstellen’. Dit is een opdracht voor leerlingen van groep 8 om zich, in

een persoonlijk werkstuk, voor te stellen aan hun nieuwe school c.q. mentor.

Inmiddels heeft de BOVO-commissie van de gemeente Tilburg in de jaarplanning

opgenomen dat alle leerlingen van Tilburgse basisscholen hieraan mee

moeten werken. Ongelooflijk; pure winst! Maar dat is niet genoeg; ‘Mag ik mij

even voorstellen’ moet een follow-up krijgen binnen het begeleidingstraject

in het voortgezet onderwijs.

Namens 2College ben ik lid van de Werkgroep Flankerend beleid van het

Samenwerkingsverband Midden-Brabant. Ik werk onder meer aan een ‘factsheet

vmbo’ en aan het opzetten van een netwerk PO-VO voor Midden-

Brabant. Het factsheet wordt een A4, dat leerlingen en ouders vertelt wat het

vmbo is en welke leerlingen daarvoor in aanmerking komen. Dat is nodig,

want het vmbo heeft ten onrechte een slechte naam. Veel leerlingen doen

havo/vwo omdat hun ouders dat willen, maar zouden in de lijn

vmbo/mbo/hbo veel gelukkiger kunnen worden. Waarom lukt samenwerking?

Je moet naar mensen toe gaan en investeren in een persoonlijke relatie.

Samen rond de tafel maakt veel los. Samen maak je keuzes en zet je je

schouders eronder. Dat netwerk PO-VO moet er echt komen!”

Loes Kraakman-Maas werkte dertig jaar in het basisonderwijs en maakte zeven

jaar geleden de overstap naar het voortgezet onderwijs. Zij is medewerker

onderwijsvernieuwing op 2College en opleidingsdocent op 2College Ruiven in

Berkel-Enschot.

30


5 Overige activiteiten

5.1 OMO-prijzen

In mei 2007 beoordeelden de jury’s voor respectievelijk de OMO-prijs vmbo-leerwegen

en de OMO-profielwerkstukprijs de ingezonden werkstukken en wezen zij de

prijswinnaars aan. De prijzen werden op 14 juni (OMO-prijs vmbo-leerwegen) en

15 juni (OMO-profielwerkstukprijs) uitgereikt door de voorzitter van de Raad van

Bestuur, die tevens voorzitter van de beide jury’s is.

OMO-prijs vmbo-leerwegen

De jury beoordeelde drie inzendingen in de categorie beroepsgerichte leerweg en

tien inzendingen in de categorie gemengde leerweg. In de categorie beroepsgerichte

leerweg van het vmbo ontving Jesme Timmerman van het Munnikenheide

College de hoofdprijs van € 1.600,– voor haar werkstuk ‘Stageverslag Dikkertje

Dap’, dat een verslag bevat van haar stageperiode op een kinderdagverblijf. Kim

Konings van Scholengemeenschap Were Di ontving een eervolle vermelding en een

bedrag van € 400,–. Zij had een lifestyle-magazine gemaakt met de naam ‘Were Di

Welness’. De tweede eervolle vermelding in deze categorie, eveneens gehonoreerd

met een bedrag van € 400,–, ging naar de leerlingen van twee klassen van de

basis- en de kaderberoepsgerichte leerweg van OMO Scholengroep Helmond, locatie

Vakcollege Dr.-Knippenberg. Zij waren genomineerd vanwege hun invulling van het

project ‘Tweekappers’, waarin zij op kleine schaal echte huizen ontwierpen en

bouwden.

In de categorie gemengde leerweg was de hoofdprijs voor Marloes van Lochem en

Hetty van Bussel van het Varendonck-College. Zij hadden een werkstuk over

autisme gemaakt. Ook in deze categorie waren twee eervolle vermeldingen, namelijk

voor Niels Kuipers en Bryan Mommers van het Mill-Hillcollege voor een werkstuk

over het opzetten van een winkel voor Board Sport-artikelen en voor Suzanne

van Gijzel, Jeffrey ten Bokkel en Tom van Reusel van 2College Wandelbos voor hun

werkstuk over tv-reclame.

OMO-profielwerkstukprijs

In de categorie havo waren negen werkstukken ingezonden. De winnaars waren

Yvonne Smolders en Anne de Hoop van het Sint-Janslyceum. Zij hadden een minidocudrama

gemaakt over anorexia nervosa. Robin Peeters en Minke Verhoeve van

het Mill-Hillcollege kregen een eervolle vermelding voor hun werkstuk ‘De vier sei-

31


zoensjurken’, dat bestaat uit vier eigengemaakte jurken en een bedrijfsplan voor

een winkel. Een eervolle vermelding was er ook voor Josje Box en Lenne Kamps

van het Rythovius College. Zij hadden een workshopdag georganiseerd voor leerlingen

uit de eerste en tweede klassen, waarvan de opbrengst geschonken werd aan

de Stichting ‘Doe een wens’.

In de categorie vwo werd, uit een totaal van 21 inzendingen, het profielwerkstuk

van Anouk Heesbeen en Bob van Dijk van het Merletcollege als beste beoordeeld.

De twee hadden in hun werkstuk ‘Oorlog om de letters’ de strijd tussen het groene

en het witte boekje onderzocht. Fieke van de Hurk van het Zwijsen College kreeg

een eervolle vermelding voor haar studieboek over de taal Quenya, een Elfentaal

van Tolkien. Ook Quirine van Aerts en Marloes van Beljouw van het Maurick College

kregen een eervolle vermelding voor hun werkstuk: een verzameling van geplastificeerde

kaarten, waarop alle kunstwerken van het Maurick College uitgebreid staan

beschreven.

De prijsuitreiking vond plaats in Sociëteit Nieuwe Koninklijke Harmonie in Tilburg,

waarbij ook familieleden, vrienden en vriendinnen, begeleidend docenten en

schoolleiders aanwezig waren. De voorzitter van de Raad van Bestuur sprak het

gezelschap toe over de recente ontwikkelingen in het onderwijs en complimenteerde

de leerlingen met hun successen. Hij sprak zijn vertrouwen uit in de toekomst

van de maatschappij waarin deze leerlingen een rol gaan spelen.

5.2 Bezoek aan de bisschoppen

Op het bisschoppelijk paleis in ’s-Hertogenbosch vond op 17 januari 2007 de

jaarlijkse bijeenkomst plaats van de Raad van Bestuur en de bisschoppen van

‘s-Hertogenbosch en van Breda. De Raad van Bestuur heeft de bisschoppen onder

meer geïnformeerd over het identiteitsbeleid en de actuele ontwikkelingen binnen

OMO.

5.3 Studiereis georganiseerd door de voorzitter van de Raad van

Bestuur

De voorzitter van de Raad van Bestuur heeft met een gemêleerd gezelschap,

bestaande uit een lid van de Raad van Bestuur, de directieleden van het Bureau

32


OMO, een viertal stafmedewerkers en een viertal rectoren, een bezoek gebracht aan

Marseille en Aix-en-Provence. De studiereis stond in het teken van integratie. De

deelnemers hebben, naast een cultureel programma, vooral een interessant onderwijskundig

programma gevolgd.

5.4 OMO-workshopdag

De locatie Mollerlyceum van OMO-Scholengroep Bergen op Zoom dat, als eerste

school onder het bevoegd gezag van Ons Middelbaar Onderwijs, in 2006 zijn

90-jarig jubileum vierde, opende op 9 november 2006 haar deuren voor de

collega’s van alle OMO-scholen tijdens de vijfde OMO-workshopdag. De deelnemers

konden kiezen uit een gevarieerd programma met zestien workshops over onderwerpen

als de doorstroomzorgklas, dagdelenonderwijs vwo, flexibel examineren,

Europese leerroute, themataak, Were Di drie en De Nieuwste School. Het was een

perfect georganiseerde middag waar de deelnemers, naast het opdoen van kennis

en ervaringen over verschillende onderwijsontwikkelingen, dankbaar gebruik maakten

van de geboden mogelijkheid contacten met collega’s te onderhouden.

Enigszins teleurstellend was het deelnemersaantal van slechts 130 personen.

33


“Eén plus één is meer dan twee!”

“Dertig jaar geleden ging ik het onderwijs in, omdat ik de wereld wilde verbeteren.

Ik wilde met mensen werken en bijdragen aan hun vorming. Naast

de vakinhoud wilde ik leerlingen besef bijbrengen van de milieuproblematiek,

de kloof tussen arm en rijk en de waarde van het landschap. De start was

meteen goed met een enthousiaste, stimulerende sectie aardrijkskunde, waarin

veel kon. We trokken er op uit om veldwerk te doen met de kinderen. De

rode draad in mijn ontwikkeling is steeds geweest: nieuwe uitdagingen zoeken

en samenwerken met mensen die betrokken zijn bij onderwijsontwikkelingen.

Zo’n uitdaging is de dieptepilot De Academische School. Daarin gaat het

erom dat alle partijen op school heel kritisch blijven kijken naar het leerproces

van leerlingen. Belangrijk, want het kan heel gemakkelijk gebeuren dat je

dingen als vanzelfsprekend gaat aannemen. De onderzoeken die docenten en

studenten uitvoeren leveren nieuwe inzichten op: over het leerproces van

leerlingen, maar ook over de ontwikkeling van studentonderzoekers en

docentonderzoekers en over de rol van de directie ten aanzien van schoolontwikkelingen.

Dit project brengt de ontwikkeling van onze school veel verder.

Als opleidingsdocent ben ik medeverantwoordelijk voor de afstemming tussen

de opleiding en de school voor het werkplekleren. Het is inspirerend om

samen te werken met mensen die op een andere wijze naar de school kijken,

zoals de wetenschappers van de Radboud Universiteit. Hun inbreng kunnen

we niet meer missen. Heel veel zaken grijpen in elkaar in dit project.

Docenten kunnen zich onderscheiden, er is een relatie met de wet BIO, we

creëren een voedingsbodem voor andere onderzoeksactiviteiten en verkennen

de criteria waaraan de onderzoeksinfrastructuur zou moeten voldoen. Voor

mij is het duidelijk: één plus één is meer dan twee!”

Hans van Oosteren is docent aardrijkskunde en economie aan het Zwijsen

College in Veghel. Als opleidingsdocent is hij nauw betrokken bij de dieptepilot

De Academische School.

34


6 Personeelsbeleid

6.1 CAO OMO en decentralisatie primaire arbeidsvoorwaarden

De CAO OMO liep van 1 augustus 2006 tot en met 30 juni 2007. Die einddatum

was gekozen in verband met de decentralisatie van de primaire arbeidsvoorwaarden

naar de werkgevers in het voortgezet onderwijs per 1 juli 2007. In de onderwijswet

is de bepaling geschrapt die het CAO-overleg op landelijk niveau tussen de

minister en de werknemersorganisaties regelde. Binnen de VO-raad, waarvan OMO

deel uitmaakt, zijn goede afspraken gemaakt over de ordening van de primaire en

de secundaire arbeidsvoorwaarden in een sector-CAO en een ondernemings-CAO.

OMO zal voor de primaire arbeidsvoorwaarden aansluiten bij de CAO VO. De secundaire

arbeidsvoorwaarden worden geregeld in de CAO OMO.

Het streven was om per 1 juli 2007 te komen tot een nieuwe CAO OMO met innovatieve

en onderscheidende arbeidsvoorwaarden. Helaas is dit niet haalbaar gebleken.

Er was meer tijd nodig om met de werknemersrepresentanten te komen tot

een gezamenlijke visie op arbeidsvoorwaarden als startpunt voor de onderhandelingen.

Daarbij heeft meegespeeld dat het CAO-overleg tussen de VO-raad en de bonden

over de primaire arbeidsvoorwaarden nog niet op gang was gekomen. OMO en

de centrales hebben uiteindelijk overeenstemming bereikt over een aantal technische

wijzigingen, die gelden vanaf 1 augustus 2007. De CAO OMO 2006-2007 wordt

geacht te zijn verlengd voor de duur van één jaar, dat wil zeggen het schooljaar

2007-2008.

6.2 Competentieontwikkeling en implementatie Wet BIO

Per 1 augustus 2006 is de Wet Beroepen in het Onderwijs (Wet BIO) van kracht

geworden. Het doel van de wet BIO is het garanderen van een minimum kwaliteit

van onderwijspersoneel. Daarbij staat een leven lang leren voorop: onderwijspersoneel

zal gedurende zijn onderwijsloopbaan zijn bekwaamheid moeten onderhouden.

De werkgever heeft de verantwoordelijkheid het personeel hiertoe in staat te stellen.

In de wet BIO zijn voor het beroep van leraar zeven bekwaamheidseisen vastgesteld.

De eisen zijn uitgedrukt in competenties en deze geven weer waaraan een

goede leraar in deze tijd moet voldoen is. De wet BIO vormt een welkome aanvulling

op het huidige Integraal Personeelsbeleid (IPb) van OMO. In het schooljaar

35


2005-2006 hebben een project- en stuurgroep de implementatie van de wet BIO

voorbereid. Vervolgens zijn in het schooljaar 2006-2007 de kaders voor de uitvoering

van de wet BIO vastgesteld en is een implementatieplan opgesteld. Bij het

opstellen van de kaders is veel aandacht besteed aan het zo goed mogelijk integreren

van de wet BIO in het bestaande personeelsbeleid zodat voorkomen wordt

dat uitvoering van de wet leidt tot meer bureaucratie. In het persoonlijk ontwikkelingsplan

en in de functionerings- en beoordelingsgesprekken wordt stilgestaan bij

de zeven bekwaamheidseisen uit de wet BIO en de drie OMO-kerncompetenties, te

weten creativiteit, organisatieloyaliteit en samenwerken. Het personeelslid en zijn

leidinggevende maken in dat persoonlijk ontwikkelingsplan afspraken voor het

onderhouden van de bekwaamheid. Deze afspraken worden vastgelegd in een

bekwaamheidsdossier. Naast voorlichting aan de schoolleiding heeft de Raad van

Bestuur bij de implementatie van de wet BIO veel aandacht besteed aan het informeren

van docenten over wat van hen verwacht wordt in het kader van de wet

BIO. In mei 2007 is een informatieve campagne voor alle OMO-docenten van start

gegaan. Onder het motto ‘Haalt u eruit wat erin zit!?’ worden de docenten uitgedaagd

alles uit zichzelf en hun vak te halen.

6.3 Educational Leadership Program

De Raad van Bestuur heeft TiasNimbas, The Business School van de Universiteit

van Tilburg en de Technische Universiteit Eindhoven opdracht gegeven om in 2007

en 2008 een managementdevelopmenttraject op maat te organiseren voor de eindverantwoordelijke

schoolleiders en de algemeen directeur van het OMO-bureau. Ook

de voorzitter en de leden van de Raad van Bestuur nemen hieraan deel. Dit traject

bestaat uit zes prikkelende masterclasses met als belangrijkste doel: verbreding en

verdieping van de kennis met betrekking tot het besturen en managen van een

school als maatschappelijke onderneming. In het verslagjaar hebben inmiddels

twee van de zes beoogde masterclasses plaatsgevonden.

6.4 OMO School of Management

Om aan de groeiende behoefte aan schoolleiders te kunnen voldoen, startte de

Raad van Bestuur in september 2003 de OMO School of Management. De OMO

School of Management is een samenwerkingsverband van OMO met TiasNimbas

Businessschool en KPC Groep in ‘s-Hertogenbosch. De leiding is in handen van de

heer prof. dr. M. Vermeulen.

In de OMO School of Management worden deelnemers op twee manieren opgeleid.

Allereerst krijgen zij voor het vakgebied relevante informatie vanuit de academische

invalshoek aangeboden. Daarnaast is er ruime aandacht voor de training van

persoonlijke vaardigheden en professionele ontwikkeling. Vanuit de gedachte dat

een goede schoolleider bepaalde eigenschappen in zich verenigt, ‘ziener’ - ‘zorger’ -

‘planner’, worden achtereenvolgens de volgende onderwerpen behandeld: ‘strategie

en leiderschap’, ‘vernieuwen van leerprocessen’, ‘ontwikkelen van medewerkers’ en

ten slotte ‘planning en beheer’.

In het verslagjaar zijn twintig kandidaten begonnen aan OMO-3, de derde leergang

van de OMO School of Management. Negentien van hen zijn inmiddels halverwege

de opleiding; één kandidaat is vanwege persoonlijke omstandigheden gestopt. De

ervaringen met de twee eerdere leergangen gaven aanleiding tot een wijziging in

het programma. In OMO-3 is het laatste blok gesplitst in twee aparte delen: één

36


deel over financiën en materiële zaken en één deel over kwaliteitszorg.

Alle deelnemers van OMO-1 en OMO-2 is gevraagd om in een artikel verslag te doen

van hun werk in de OMO School of Management. De twaalf beste artikelen worden

verzameld in een bundel die begin 2008 zal verschijnen.

6.5 Leergang Communicatie en leidinggeven voor middenmanagers

In het schooljaar 2005-2006 hebben veertien medewerkers van verschillende OMOscholen

met goed gevolg deelgenomen aan de leergang Communicatie en leidinggeven

voor middenmanagers. Het betrof een voor OMO gemaakte incompanyvariant

van een cursus die ontwikkeld is door en voor de voormalige beroepsvereniging

van schoolleiders, Schoolmanagers_VO. Vanwege het succes van de eerste

leergang heeft de Raad van Bestuur besloten ook een tweede leergang aan te bieden.

Deze gaat van start in het schooljaar 2007-2008.

6.6 Integraal Personeelsbeleid in uitvoering

Integraal Personeelsbeleid (IPb) staat voor een samenhangende inzet van instrumenten

voor personeelsbeleid. Hierbij kan gedacht worden aan instrumenten zoals

functionerings- en beoordelingsgesprekken, scholing, persoonlijke ontwikkeling,

taaktoedeling en preventie van ziekteverzuim. Centraal in het integraal personeelsbeleid

van OMO staat de individuele werknemer en zijn individuele ontwikkeling.

Op basis van een werkplezieronderzoek hebben alle OMO-scholen in de achterliggende

periode een eigen implementatieplan IPb opgesteld. De scholen hebben

prioriteiten gesteld en zijn vervolgens met de implementatie aan de slag gegaan.

Eind 2006 heeft elke school een eerste effectmeting – weer in de vorm van een

werkplezieronderzoek – uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten hebben

de scholen hun personeelsbeleid bijgesteld en tevens nieuwe prioriteiten gesteld

voor de uitvoering ervan.

37


6.7 Certificering OMO als arbeidsorganisatie

De Raad van Bestuur hecht eraan zich te onderscheiden op het gebied van werkgeverschap

en wil dit ‘goed werkgeverschap’ graag erkend zien. KPC Groep heeft

hiertoe een specifiek onderzoeksinstrument ontwikkeld, dat externe toetsing en

certificering van het personeelsbeleid van OMO mogelijk maakt. Het personeelsbeleid

is mede beoordeeld aan de hand van de indicatoren die tezamen de standaard

van het Investors in People-keurmerk (IiP) vormen.

De Raad van Bestuur heeft als uitkomst van dit traject in 2006 het certificaat ‘Op

weg naar excellent werkgeversschap’ verworven. Deze certificering vormt de basis

voor een traject waarin elke afzonderlijke OMO-school het Investors in Peoplecertificaat

(IiP) zal kunnen behalen. Investors in People is een praktische systematiek,

waarmee een organisatie op een gestructureerde manier het leren en

ontwikkelen van haar medewerkers kan organiseren, in lijn met de doelen van de

organisatie. Stapsgewijs gaan de OMO-scholen aan de slag om uiteindelijk over de

volle breedte de kwalificatie te verwerven.

6.8 Competentieontwikkeling door mobiliteit

In de OMO-missie is de ambitie voor OMO weergegeven zich positief te onderscheiden

in haar werkgeversrol, met inbegrip van de interactie tussen werkgever en

werknemer. Professionaliteit staat in die rol voorop. Kernbegrippen zijn: optimale

arbeidsvoorwaarden, welzijn, loopbaanbegeleiding, deskundigheidsbevordering en

mobiliteit. Dat is niet alleen een doel op zich maar tevens een middel om te zorgen

dat werknemers goed toegerust en gemotiveerd blijven, zodat kwalitatief goed

onderwijs gewaarborgd zal zijn. Met de invoering van het Integraal

Personeelsbeleid (IPb) is een impuls gegeven aan het in samenhang inzetten van

instrumenten voor personeelsbeleid met als doel het stimuleren van competentieontwikkeling.

Binnen het Nederlands onderwijssysteem is er weinig verscheidenheid

in functies voor leraren. Dat levert beperkingen op in de mogelijkheden om

binnen de eigen school competenties te ontwikkelen en talenten en ambities in te

zetten. De vele verschillende profielen en onderwijsconcepten van OMO-scholen

bieden aanvullende mogelijkheden voor personeelsleden om zich te ontwikkelen.

Leraar zijn op de ene school is nu eenmaal niet hetzelfde als leraar zijn op een

andere school. Mobiliteit in de vorm van de overstap naar een andere school geeft

daarmee een impuls aan de professionele en persoonlijke ontwikkeling. De extra

aandacht voor mobiliteit en competentieontwikkeling is daarnaast ook noodzakelijk

vanwege een aantal maatschappelijke ontwikkelingen en wettelijke verplichtingen,

zoals de toenemende vergrijzing, het te verwachten lerarentekort, de toenemende

verantwoordelijkheid van de werkgever voor re-integratie van werknemers en de

verplichtingen die voortvloeien uit de wet BIO. In het verslagjaar is met de diverse

overlegorganen verder van gedachten gewisseld over vormgeving van het mobiliteitsbeleid.

6.9 Convenant professionalisering en begeleiding

onderwijspersoneel

Op 30 juni 2006 hebben de minister van OCW en de werkgevers- en werknemersorganisaties

het Convenant professionalisering en begeleiding van onderwijspersoneel

in primair onderwijs (po) en voortgezet onderwijs (vo) gesloten. Het

38


elangrijkste doel van het convenant is onderwijspersoneel meer mogelijkheden te

geven om zich verder te ontwikkelen binnen de school. Het convenant bevat

afspraken over scholing, professionalisering en het onderhouden van de bekwaamheid.

In het convenant zijn streefdoelen geformuleerd waar werkgevers in het

onderwijs de komende jaren naar toe moeten werken. Deze streefdoelen richten

zich ondermeer op de inzet van zij-instromers, professionele begeleiding van

beginnend personeel en uitvoering van de wet BIO. Gebleken is dat binnen OMO is

een aanzienlijk deel van de in het convenant geformuleerde streefdoelen reeds is

bereikt.

6.10 Eigenrisicodragerschap WGA

De Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA) die sinds 1 januari 2006 van

kracht is, geeft werkgevers de mogelijkheid om eigenrisicodrager te worden voor de

uitkeringen van werknemers die gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn (WGA-uitkering).

Van deze mogelijkheid is in 2006 geen gebruikgemaakt. Op basis van een financiële

analyse, waarin verschillende scenario’s zijn doorgerekend, is geconcludeerd dat

het eigenrisicodragerschap voor OMO vanaf 2007 financieel voordelig zal zijn. Ook

past de eigen verantwoordelijkheid die je als eigen risicodrager hebt voor de reintegratie

van gedeeltelijk arbeidsgeschikten goed binnen de verantwoordelijkheid

die de Raad van Bestuur als werkgever voor haar personeel wil nemen. De Raad

van Bestuur heeft daarop besloten in 2007 eigen risicodrager te worden voor de

WGA.

6.11 Regeling uitwisseling arbeidsvoorwaarden

Volgens de CAO OMO 2006-2007 heeft elke werknemer de mogelijkheid de vakbondscontributie

voor de kalenderjaren 2006 en 2007 te betalen uit de bruto eindejaarsuitkering.

In het schooljaar 2006-2007 is hiervoor een regeling met een

bijbehorende verklaring opgesteld. Ruim 1.000 personeelsleden hebben van de

regeling gebruikgemaakt. Daarnaast kregen alle personeelsleden de mogelijkheid

een (deel) van een bruto uitkering in te zetten voor een onbelaste tegemoetkoming

reiskosten woon-werkverkeer. Zo’n 4.500 medewerkers hebben hiervan

gebruikgemaakt.

39


“Kwaad binnenkomen, lachend naar

buiten gaan…”

“Op de nieuwe locatie, de Kempen Campus in Veldhoven, hebben mijn drie

collega’s en ik een nieuwe functie gekregen: pedagogisch conciërge. Een

unieke functie binnen OMO! Op de oude locatie behoorden onderhoudsklusjes

nog bij de werkzaamheden, maar nu ben ik uitsluitend nog met de leerlingen

bezig. Voorheen heb ik ruim tien jaar een eigen zaak in de fotodetailhandel

gerund en de mensenkennis die ik daarbij heb opgedaan, komt me nu goed

van pas. Het contact met de leerlingen vind ik erg leuk: je wijst ze op fouten,

maar geeft ze ook schouderklopjes.

Als conciërges zijn we herkenbaar aan onze speciale outfit. Ieder is verantwoordelijk

voor ‘zijn’ gebouw, maar je let op alle leerlingen. Op vaste tijden

hebben directie en conciërges overleg met de wijkbrigadier. De samenwerking

is perfect: we nemen direct contact op als er problemen zijn, bijvoorbeeld als

er fietsen worden vermist of als er onderweg naar school gepest wordt.

Met de beheerders van de sportaccommodaties hebben we voor de verhuizing

overleg gehad over diverse zaken; maar we zullen elkaar niet vaak nodig hebben.

Daarnaast werken we samen met de vrijwilligers die de fietsenstallingen

in de gaten houden.

Het is elke dag een hele drukte; er zijn natuurlijk meer leerlingen bij elkaar

dan ooit het geval was. De conciërges komen ’s morgens als eerste binnen om

de gebouwen te openen en zijn aanwezig tot het moment waarop de laatste

leerlingen het gebouw hebben verlaten. Uit de klas worden verwijderd, te

laat komen en nablijven: leerlingen hebben veel met ons te maken. Soms is

harde actie nodig! Natuurlijk vinden ze straf op dat moment onrechtvaardig;

dat vond ik vroeger ook, maar het mooie is als leerlingen kwaad bij me

binnen komen en ik ervoor kan zorgen dat ze daarna toch lachend de deur

uitgaan. Dat lukt me regelmatig…”

Henry Thijssen is pedagogisch conciërge op het Sondervick College in Veldhoven.

40


7 Bedrijfsvoering

7.1 Kwaliteitsbeleid

Kwaliteitsbeleid vormt al geruime tijd een belangrijk speerpunt van de Raad van

Bestuur. De kwaliteit van de organisatie is immers bepalend voor de mate van succes

in het volbrengen van de organisatiemissie. Daarnaast kan kwaliteit ook als

een belangrijke profilering gelden. De Raad van Bestuur van Ons Middelbaar

Onderwijs heeft de volgende ambitie: ‘Een OMO-kwaliteitskeurmerk ontwikkelen,

waarmee men zijn kwaliteitsbeleid verder kan expliciteren, zodat leerlingen en

ouders een gegarandeerd kwaliteitsniveau van een OMO-school kunnen verwachten,

zij tevreden klanten zijn en medewerkers er met plezier werken’. Om de kwaliteit

van de organisatie(onderdelen) te kunnen toetsen en te kunnen presenteren, dienen

kwaliteitsnormen te worden gedefinieerd. Deze normen, die binnen de organisatie

als algemeen aanvaard worden beschouwd, hebben zowel betrekking op het

primaire proces, het onderwijs, als de secundaire (ondersteunende) processen: personeelsbeleid,

financieel beleid, ICT-beleid en huisvestingsbeleid. In het verlengde

van het huidige beleid ten aanzien van kwaliteitszorg wil de Raad van Bestuur

deze kwaliteitsnormen gaan uitwerken. Als voorbereiding op de ontwikkeling van

een OMO-kwaliteitskeurmerk heeft de Raad van Bestuur zich in het verslagjaar

bezonnen op een mogelijke aanpak.

In het kader van het huidige beleid ten aanzien van kwaliteitszorg zijn tijdens

schooljaar 2006-2007 de laatste OMO-scholen gevisiteerd door een visitatiecommissie.

De visitatiecommissie toetste in opdracht van de Raad van Bestuur of en in

welke mate de doelstellingen voortvloeiende uit de missie van OMO, de missie van

de school en de kwaliteitskenmerken die door de onderwijsinspectie worden gehanteerd,

door de school gerealiseerd zijn. Hiermee beschikken alle OMO-scholen over

een rapportage van een visitatiecommissie, op basis waarvan zij een plan van aanpak

in uitvoering hebben genomen voor verbetering van de kwaliteit.

7.2 Veiligheid

De Raad van Bestuur voert een veiligheidsbeleid dat rust op twee pijlers: adequaat

reageren op incidenten en een preventieve aanpak, gericht op een pro-sociale en

veilige schoolomgeving. Aan het einde van schooljaar 2005-2006 heeft de Raad

41


van Bestuur Adviesbureau Spijtenburg uit Oosterhout de opdracht gegeven een

OMO-veiligheidsmonitor te ontwikkelen. De OMO-veiligheidsmonitor bestaat uit een

onderzoeksinstrument, een protocol voor het opstellen van een analyse en het formuleren

van een plan van aanpak. Het onderzoeksinstrument verschaft niet alleen

inzicht in de factoren die de veiligheid belemmeren; vooral is de vraag aan de orde

welke beschermende factoren binnen de school een positieve bijdrage leveren aan

de versterking van de veiligheid. De eindresultaten en de eerste producten worden

in de loop van het schooljaar 2007-2008 aangeboden aan de Raad van Bestuur. De

OMO-scholen zullen, na een verfijning van de eerste resultaten en producten, in

staat zijn zelf de OMO-veiligheidsmonitor uit te voeren.

In het kader van de subsidieregeling Sociale Veiligheid van de Provincie Noord-

Brabant heeft de Raad van Bestuur een subsidieaanvraag ingediend voor de

ontwikkeling van de OMO-veiligheidsmonitor. In juni 2007 heeft de Provincie

Noord-Brabant de Raad van Bestuur een bedrag van € 75.000,– toegekend.

7.3 Kosteloos onderwijs

Naar de opvatting van de Raad van Bestuur is de minister van OCW volledig verantwoordelijk

voor goede en voldoende bekostiging van het voortgezet onderwijs.

Bijdragen van ouders en leerlingen voor het volgen van onderwijs stroken niet met

deze verantwoordelijkheid. Het limiteren van de totale schoolkosten, waaronder de

vrijwillige ouderbijdrage en de kosten voor boeken, lesmateriaal, excursies en

schoolreisjes, beschouwt de Raad van Bestuur dan ook als een speerpunt. In het

licht van de op handen zijnde bekostiging van boeken via de lumpsum rijst de

vraag of de consequentie van deze visie moet zijn dat aan ouders van OMO-leerlingen

geen enkele financiële bijdrage meer wordt gevraagd. De Raad van Bestuur is

thans in gesprek met schoolleiders en de GMR over dit vraagstuk. Het vertrekpunt

van de gedachtewisseling is dat onderwijs volstrekt gratis moet zijn.

Per 1 januari 2006 is de minister van OCW overgegaan op kalenderjaarbekostiging.

De Raad van Bestuur vindt deze bekostigingssystematiek niet logisch, omdat het

primaire proces in heel onderwijsland op schooljaarbasis is georganiseerd. De

begrotings- en verantwoordingscyclus is binnen OMO logischerwijs (en ook statutair)

gekoppeld aan het primaire proces en dus eveneens ingericht op schooljaarbasis.

Het nieuwe bekostigingsmodel brengt veel extra werk met zich mee. Het

leidt derhalve niet tot de vermindering van de administratieve lastendruk, die de

minister ermee beoogde.

De Raad van Bestuur geeft de voorkeur aan bekostiging op basis van eenvoudige

parameters, gerelateerd aan het onderwijsproces. Voor fundamentele onderwijsinnovatie

die naast het reguliere onderwijsproces wordt vormgegeven, moeten

schoolbesturen bovendien extra financiële middelen kunnen krijgen. Verder vindt

de Raad van Bestuur dat de volledige verantwoordelijkheid voor onderwijshuisvesting

bij schoolbesturen zou moeten berusten. Nu berust het economisch eigendom

van onderwijshuisvesting nog bij de gemeenten. Als gemeenten de bekostiging

die ze van het Rijk ontvangen voor onderwijshuisvesting niet

doordecentraliseren, kunnen schoolbesturen hun integrale verantwoordelijkheid

niet volledig waarmaken. Een ongewenste situatie, aangezien die integrale verantwoordelijkheid

nu juist de achterliggende gedachte van de lumpsumfinanciering is.

42


7.4 Informatiebeleid, financiën en control

Als eerste stap op het traject naar een geïntegreerd managementinformatiesysteem

is in het verslagjaar een marktverkenning uitgevoerd. Het is de bedoeling dat dit

systeem zal aansluiten bij de kwaliteitsnormen, die in het kader van het (nog in

ontwikkeling zijnde) OMO-kwaliteitskeurmerk zullen gelden.

In de financiële verslagen van de scholen is het gebruik van kengetallen en een

interne benchmark verder uitgewerkt. Deze kengetallen liggen in het verlengde van

de kengetallen die de financiële positie van geheel OMO karakteriseren. De financiële

positie van OMO valt binnen de kaders van wat de minister van OCW verantwoord

acht voor schoolbesturen in het voortgezet onderwijs.

7.5 Centrale inkoop

Op het gebied van centrale inkoop hebben zich in het verslagjaar op diverse gebieden

ontwikkelingen voorgedaan.

Energie

De mantelcontracten voor elektra en gas met respectievelijk E.ON en RWE lopen op

1 januari 2008 af. Aan het einde van het verslagjaar is begonnen met de voorbereidingen

voor de verplichte Europese aanbestedingsprocedure, die moet resulteren

in nieuwe mantelcontracten.

Schoonmaak

Als voorbereiding op de Europese aanbesteding werd in de eerste helft van het

schooljaar een ruimte-inventarisatie gemaakt op alle locaties van OMO (circa

550.000 m2 vloeroppervlak). De daadwerkelijke aanbestedingsprocedure vond

plaats in de tweede helft van het schooljaar en heeft geresulteerd in contracten

met twee partners. De firma ISS gaat de OMO-scholen in de regio’s West- en

Zuidoost-Brabant schoonhouden, terwijl GOM Schoonhouden de OMO-scholen in

Noordoost-Brabant gaat bedienen. De nieuwe contracten zijn per 1 juli 2007 ingegaan.

Naast het realiseren van aanzienlijke besparingen, is in de aanbesteding ook

ingezet op het genereren van een hoge schoonmaakkwaliteit. Adviesbureau

InTexSo zal in de komende jaren periodiek de prestaties van de schoonmaakbedrijven

controleren en zal tevens als contractbeheerder optreden. De overgang naar

een nieuwe schoonmaaksituatie zal naar verwachting van eenieder enige aanpassing

en gewenning vragen, afhankelijk van de wijze waarop de schoonmaak in het

verleden op de school was georganiseerd. De Raad van Bestuur vertrouwt erop dat

deze overgangsfase van beperkte duur is.

43


Kantoorartikelen

Het mantelcontract met de firma Corporate Express liep in het verslagjaar af. Uit

het Europese aanbestedingstraject voor een nieuwe mantelovereenkomst kwam

Corporate Express weer als beste partij naar voren. Het nieuwe contract is voor

OMO nog gunstiger dan de eerdere overeenkomst met dezelfde partner.

Kopieer- en printapparatuur

OMO heeft een contract met Océ Nederland BV, wat halverwege schooljaar 2006-

2007 ten dele zou aflopen, te weten het deel dat betrekking heeft op de kleine en

middelgrote apparatuur. De Raad van Bestuur heeft echter besloten om de afloopdatum

van dit contractdeel te verschuiven naar 1 januari 2009. Op deze datum

lopen ook de contractafspraken voor de overige apparaten af. In het komende

schooljaar wordt gestart met de voorbereidingen van een nieuwe aanbesteding,

waaruit een hernieuwd meerjarig contract zal komen.

7.6 Huisvesting

Bouwprotocol

Alle bouw-, renovatie- en onderhoudsprojecten worden bij Ons Middelbaar

Onderwijs gerealiseerd binnen de kaders van het bouwprotocol dat nog dateerde

uit 1996. In dit document zijn de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden

van eenieder in dit vaak complexe proces vastgelegd. Dit bouwprotocol was door

verschillende inhoudelijke ontwikkelingen toe aan een grondige update. Allereerst

is het aantal bouwprojecten met een investeringsvolume van meer dan 10 miljoen

euro de afgelopen jaren sterk toegenomen. Daarnaast is met diverse gemeenten

een overeenkomst tot doordecentralisatie gesloten, waardoor de Raad van Bestuur

ook financieel verantwoordelijk is geworden voor de realisatie van onderwijshuisvesting.

En op het gebied van aansturing deed het risicodragend bouwmanagement

zijn intrede waarbij de realisatie van het project tegen een afgesproken omvang,

kwaliteit en prijs risicodragend wordt uitbesteed. Vanuit de gedachte van governance

was een aanpassing van het bouwprotocol aan de orde.

In schooljaar 2006-2007 heeft de Raad van Bestuur het nieuwe bouwprotocol vastgesteld.

Een heldere rolverdeling vormt de essentie van het nieuwe Bouwprotocol.

44


7.7 ICT

De Raad van Bestuur is opdrachtgever, de schoolleider is gebruiker. Deze scheiding

kende het oorspronkelijke bouwprotocol niet waardoor belangen wel eens conflicteerden.

De aangegeven rolverdeling en de bijbehorende taken en bevoegdheden,

moeten een optimale beheersing van de complexe processen bij huisvestingsprojecten

mogelijk maken.

Subsidies

Vanuit ministeriële regelingen zijn in het afgelopen schooljaar middelen beschikbaar

gekomen met als doel de bestaande lesomgeving (huisvesting en inrichting)

te optimaliseren. Eén daarvan is de ‘Regeling aanvullende subsidie praktijkgerichte

leeromgeving 2006’. Op basis van deze regeling heeft de Raad van Bestuur in een

eerder stadium voor alle vestigingen die daarvoor in aanmerking kwamen, subsidie

aangevraagd en verkregen. De in het kader van deze subsidie mogelijke projecten

zijn in het afgelopen schooljaar opgestart, hetzij in de vorm van bouwkundige

aanpassingen, hetzij in de vorm van (voorgenomen) nieuwbouw. Speciale aandacht

is daarbij besteed aan de bewaking van de geldende realisatietermijnen.

Op de valreep werd dit schooljaar de ‘Subsidieregeling lokalen bètavakken

havo/vwo’ van kracht. Ook deze regeling beoogt een extra impuls te geven met als

doel de bestaande lesomgeving te optimaliseren. Scholen hebben in het kader van

deze regeling zelf aanvragen in kunnen dienen, waarbij de aanvraag beoordeeld is

door een commissie van experts. Uiteindelijk hebben elf scholen op basis van hun

plannen een subsidie van € 150.000,– ontvangen.

Leerling-administratiesysteem LEA

In de verslagperiode is nader stilgestaan bij de verdere ontwikkeling en implementatie

van het leerling-administratiesysteem LEA. De ontwikkeling, en het functionele

en technische beheer van LEA vindt inmiddels geheel plaats op het Bureau.

Om afhankelijkheid van de fysieke inzet buiten de organisatie te minimaliseren is

hiermee ingezet op versterking en behoud van kennis en kunde binnen de ontwikkel-

en beheerorganisatie. Herijking van het project heeft daarnaast geresulteerd in

drie kritische succesfactoren. Twee daarvan, de basisfunctionaliteiten

Examenbeheer en bulkprocessen voor het onderdeel Aanmelden en Inschrijven, zijn

45


opgeleverd. Daarmee is ook gedeeltelijk invulling gegeven aan de derde kritische

succesfactor: standaardisatie van het pakket. De complete examenverwerking in

LEA en de BRON-levering van de resultaten is in schooljaar 2006-2007 naar tevredenheid

verlopen. Schooljaar 2007-2008 zal in het teken staan van optimalisatie

van opgeleverde functionaliteiten door verdere standaardisatie. Registratie van

Aan- en Afwezigheid wordt in pilotvorm onderzocht en verder ontwikkeld.

Electronische leeromgeving N@Tschool!

Al meer dan twintig scholen zijn gestart met N@Tschool!, de standaard elektronische

leeromgeving (ELO) bij OMO. Er heeft een upgrade naar N@Tschool! versie 10

plaatsgevonden. Voor de verbetering van de continuïteit en de beschikbaarheid in

het huidige tijdvenster van 7.00 tot 19.00 uur, is er een pre-productieomgeving

ingericht. Deze omgeving is cruciaal voor het adequaat kunnen testen van aanpassingen

aan de software. Daarmee is de beschikbaarheid van N@Tschool! ten

behoeve van het primaire proces van de OMO-scholen geoptimaliseerd.

Het project Digitaal Doorschakelen, dat door Pleincollege Bisschop Bekkers is

geïnitieerd, is succesvol afgerond. Eén van de belangrijkste resultaten die het project

heeft opgeleverd, is een methode waarmee leerlingen en docenten op eenvoudige

wijze digitaal leermateriaal van uitgeverijen binnen de OMO-ELO kunnen

gebruiken.

Verbetering beschikbaarheid van applicaties

Voor een betere beschikbaarheid van de centrale applicaties dienen er maatregelen

genomen te worden. Dit jaar is begonnen met een inventarisatie van de ICT-organisatie.

Zodra de inventarisatie is afgerond, zal onderzocht worden of tijd- en

plaatsonafhankelijk werken mogelijk is. Uitkomst hiervan moet inzichtelijk maken

welke inzet van mensen en middelen nodig is om tot een optimale beschikbaarheid

van de centrale applicaties te komen. De resultaten van het onderzoek worden in

het schooljaar 2007-2008 verwacht. De eerste fase van de beoogde beveiliging van

plaatsonafhankelijke toegang tot de concernomgeving is gerealiseerd. Met deze

maatregel kan door persoonsherkenning met een zogenaamd token een beveiligde

verbinding opgezet worden en toegang verkregen worden tot de centrale applicaties.

De uitrol van de tokens voor het gebruik van LEA staat gepland voor het

begin van 2008. Voor specialistische ondersteuning is met implementatiepartner

Motiv een dienstverleningsovereenkomst afgesloten. Met deze overeenkomst wordt

voorzien in een periodieke security-scan, wat van belang is om de continuïteit en

veiligheid van de centrale systemen te kunnen waarborgen.

Integratie van applicaties in een webportaal

De techniek voor de integratie van applicaties in een beveiligd webportaal is op

orde gebracht. Hiermee is de eerste stap gezet naar een webportaal met toegang

tot applicaties en diensten die zijn toegespitst op de functie van de individuele

gebruiker. Een onderzoek naar de gewenste functionaliteiten en de inhoudelijke

voorbereiding op deze persoonsgebonden webomgeving zal in het schooljaar 2007-

2008 plaatsvinden.

7.8 Communicatie

De Raad van Bestuur heeft zijn zorg uitgesproken over de signalen dat zijn beleid

niet dan wel in gekleurde vorm de werkvloer bereikt. Het voornemen om de communicatielijnen,

communicatiemiddelen en communicatiemomenten, die binnen

46


Ons Middelbaar Onderwijs gehanteerd worden, te inventariseren is nog niet uitgevoerd.

Tijdens het volgende schooljaar wordt dit verricht.

7.9 Autonomie en bureaucratie

De Raad van Bestuur heeft aan het wetenschappelijk onderzoeksbureau IVA

opdracht gegeven om onderzoek te doen naar de feitelijke en beleefde autonomie

en bureaucratie door eindverantwoordelijke schoolleiders. De vraag in hoeverre

schoolleiders meer of minder vrijheden hebben bij een groot schoolbestuur ten

opzichte van collega’s die in dienst zijn bij een klein schoolbestuur is actueel.

Ook landelijk is deze discussie in de belangstelling gekomen, enerzijds vanwege

het governancedenken, anderzijds op basis van de hernieuwde discussie over de

grootte van de school. In dit kader heeft ook de VO-raad aan het Institute for

Public Efficiency Studies en ECORYS de opdracht gegeven onderzoek te doen naar

de mate van overhead in het voortgezet onderwijs in Nederland. De resultaten van

dit onderzoek worden aan het begin van schooljaar 2007-2008 verwacht.

7.10 Medezeggenschap

Ter vervanging van de Wet Medezeggenschap Onderwijs 1992 (WMO) is op 1 januari

2007 de Wet Medezeggenschap op Scholen (WMS) in werking getreden. In de WMS

zijn de mogelijkheden om medezeggenschap door personeel, ouders en leerlingen

op maat vorm te geven flexibeler geworden en geactualiseerd. De WMS voorziet in

versterking van de gezamenlijke en eigenstandige medezeggenschapsbevoegdheden

van zowel een aan een school verbonden medezeggenschapsraad als aan de overkoepelende

Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad (GMR). Waar de WMO

slechts voorschreef dat het bevoegd gezag van een school een Medezeggenschapsreglement

en een Reglement voor de Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad

vaststelde, is een bevoegd gezag onder de WMS ook verplicht een Medezeggenschapsstatuut

vast te stellen. Voor het vaststellen van de reglementen en het

statuut is instemming van de GMR vereist. Conform de bepalingen van de WMS

heeft de Raad van Bestuur in het verslagjaar een voorstel voor een Medezeggenschapsstatuut

geformuleerd en tevens aanpassingen van het huidige Medezeggenschapsreglement

en het Reglement Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad

voorgesteld. De Raad van Bestuur heeft besloten om, in lijn met de huidige besturingsfilosofie,

geen groepsmedezeggenschapsraden en themaraden in te stellen.

Themaraden kunnen enkel worden ingesteld voor wat betreft de instemmings- en

adviesbevoegdheden over onderwerpen die verband houden met arbeidsomstandigheden.

De Raad van Bestuur zal de betreffende voorstellen ter instemming aan de

GMR voorleggen.

47


Financieel verslag

schooljaar 2006 - 2007

Grondslagen voor waardering en resultaatbepaling

Algemeen

Bij de totstandkoming van de jaarrekening is de OCW-Richtlijn Jaarverslaggeving

toegepast. Tenzij anders vermeld, zijn de activa en passiva gewaardeerd tegen

verkrijgingprijzen c.q. nominale waarden.

Bij het bepalen van het exploitatieresultaat gelden de volgende beginselen:

toerekeningsbeginsel: baten en lasten worden toegerekend aan de periode

waar ze betrekking op hebben. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat reguliere

onderwijstaken gelijkmatig over het schooljaar zijn verspreid;

realisatiebeginsel: de baten worden slechts opgenomen voor zover zij op

balansdatum zijn gerealiseerd;

voorzichtigheidsbeginsel: lasten en risico’s die hun oorsprong vinden vóór het

einde van het verslagjaar worden in acht genomen als ze vóór het opmaken

van de jaarrekening bekend zijn geworden.

Materiële vaste activa

Algemeen

De materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen verkrijging- of vervaardigingprijs,

verminderd met de jaarlijkse afschrijvingen. De jaarlijkse afschrijvingen zijn

gebaseerd op de geschatte economische levensduur.

Gebouw OMO-huis

Het nieuwe OMO-kantoor aan de Spoorlaan te Tilburg, dat per 23 december 2005 in

eigendom is verkregen, wordt gewaardeerd tegen actuele waarde.

Gebouwen en terreinen

Op terreinen wordt niet afgeschreven.

Op gebouwen gefinancierd door de overheid rust een (economisch) claimrecht van

de gemeenten. Het juridische eigendom van deze gebouwen berust bij de vereniging

Ons Middelbaar Onderwijs, het economisch eigendom bij gemeenten. Evenwel

49


is het mogelijk dat een deel van deze gebouwen door de vereniging zelf is gefinancierd,

waarbij geen economisch claimrecht is verworven. Dit deel van de gebouwen

wordt ofwel als éénmalige afschrijving ten laste van de exploitatie gebracht, ofwel

geactiveerd en afgeschreven in 10 jaar.

Gebouwelijke investeringen, waarvoor wel economisch claimrecht wordt verworven,

worden geactiveerd en afgeschreven in 40 jaar (nieuwbouw) of 25 jaar (verbouw).

Bij gebouwen die gefinancierd zijn door de vereniging in het kader van ‘doordecentralisatie

huisvestingsaangelegenheden’ berust zowel het juridische als

het economische eigendom bij de vereniging Ons Middelbaar Onderwijs. Deze

gebouwen worden geactiveerd en afgeschreven in 40 jaar (nieuwbouw) of

25 jaar (verbouw).

Inventaris en apparatuur

Investeringen met een waarde van minder dan € 500,– per investeringsbeslissing

worden rechtstreeks ten laste van het resultaat gebracht.

Projecten in uitvoering

De projecten in uitvoering worden opgenomen tegen de vervaardigingkosten. Na

afronding van de projecten worden de van de overheid ter financiering ontvangen

gelden op het betreffende project in mindering gebracht.

Financiële vaste activa

Vorderingen op gemeenten

Hieronder zijn opgenomen de van gemeenten nog te ontvangen vergoedingen voor

aflossing op door de overheid gegarandeerde leningen o/g.

Leningen u/g

Dit betreft door de vereniging Ons Middelbaar Onderwijs en gelieerde stichtingen

aan derden verstrekte leningen.

Effecten

De hieronder opgenomen obligaties, aandelen en opties worden gewaardeerd tegen

verkrijgingprijs of lagere beurswaarde c.q. garantiewaarde per balansdatum.

Aangezien bij de vereniging het voornemen bestaat de obligaties aan te houden

tot de uitloting wordt, indien de verkrijgingprijs hoger is dan de nominale waarde,

het gekochte agio gedurende de resterende looptijd van betreffende obligaties

afgeschreven en in mindering gebracht op de opbrengst beleggingen.

Vlottende activa

Vorderingen

Vorderingen worden gewaardeerd tegen nominale waarde onder aftrek van een

voorziening voor oninbaarheid (debiteuren).

Ministerie van OCW

De overheidsbijdrage bestaat met name uit de door het Ministerie van OCW toegekende

lumpsum-bekostiging. Verschillen tussen de toegekende en ontvangen

bedragen over het verslagjaar worden opgenomen als vorderingen onder de post

50


Ministerie van OCW. De toegekende lumpsum bekostiging wordt tijdsevenredig aan

het schooljaar toegerekend.

Eigen vermogen

Het eigen vermogen van de vereniging is opgebouwd uit een aantal reserves.

Deze worden hieronder nader toegelicht.

Algemene reserve

De algemene reserve is ter waarborging van de continuïteit van de totale OMOorganisatie

op de lange termijn. Het betreft een buffer die kan waarborgen dat de

continuïteit van budgeteenheden dan wel de continuïteit van verenigingstaken

niet in gevaar komt, wanneer zich calamiteiten zouden voordoen.

Exploitatiereserves

De exploitatiereserves zijn er voor bedoeld om fluctuaties in de exploitatie op te

vangen, zodanig dat op termijn sprake zal zijn van een financieel sluitend meerjarenperspectief.

Bestemmingsreserves

Bestemmingsreserves worden gevormd ter dekking van toekomstige uitgaven inzake

bijzondere doeleinden. De vorming van een bestemmingsreserve geschiedt op basis

van een door de Raad van Bestuur goedgekeurd bestemmingsvoorstel.

Onbestemde resultaten

Nog te bestemmen reserves worden gevormd in afwachting van nadere bestuursbesluiten

met betrekking tot de bestemming van het gerealiseerd exploitatieresultaat.

Voorzieningen

Voorzieningen worden gevormd voor risico's en verplichtingen die op balansdatum

bestaan. Opgenomen wordt de nominale waarde van:

verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op balansdatum onzeker is,

doch redelijkerwijs in te schatten;

op balansdatum bestaande risico's terzake van bepaalde te verwachten verplichtingen

of verliezen, waarvan de omvang redelijkerwijs is in te schatten;

kosten welke in volgende jaren tot uitgaven leiden, mits het maken van die

kosten zijn oorsprong mede vindt in het jaar of in een voorafgaand jaar en de

voorziening strekt tot een gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal

jaren.

Langlopende schulden

Dit betreft schulden met een looptijd van langer dan één jaar.

Kortlopende schulden

Dit betreft schulden met een looptijd korter dan één jaar.

51


Geconsolideerde balans

(bedragen x € 1.000,–)

Activa 31 juli 2007 31 juli 2006 31 juli 2005

Vaste activa

Materiële vaste activa

gebouw OMO-huis 11.072 9.522 –

gebouwen en terreinen 39.035 33.458 23.362

inventaris en apparatuur 34.621 31.200 31.650

projecten in uitvoering 43.828 31.232 21.014

128.556 105.412 76.026

Financiële vaste activa

vorderingen op gemeenten 866 1.020 1.186

leningen u/g 516 1.430 1.606

effecten 34.229 36.727 40.248

35.611 39.177 43.040

Totaal vaste activa 164.167 144.589 119.066

Vlottende activa

Vorderingen

debiteuren 216 191 314

ministerie van OCW 1.241 1.134 662

overige vorderingen en overlopende activa 13.138 10.926 10.135

14.595 12.251 11.111

Liquide middelen 25.950 54.113 45.749

Totaal vlottende activa 40.545 66.364 56.860

Totaal activa 204.712 210.953 175.926

Passiva

Eigen vermogen

eigen vermogen 90.451 80.524 76.009

exploitatieresultaat verslagjaar -7.326 8.325 4.515

Totaal eigen vermogen 83.125 88.849 80.524

Voorzieningen

onderhoudsvoorzieningen 17.496 15.924 11.783

overige voorzieningen 54.755 43.613 41.935

Totaal voorzieningen 72.251 59.537 53.718

Langlopende schulden

leningen o/g 1.055 1.248 1.458

Totaal langlopende schulden 1.055 1.248 1.458

Kortlopende schulden

crediteuren 11.816 9.376 7.758

belastingen en premies 7.029 6.127 4.170

schulden inzake pensioenen 4.173 3.973 3.213

overige schulden en overlopende passiva 25.263 41.843 25.085

Totaal kortlopende schulden 48.281 61.319 40.226

Totaal passiva 204.712 210.953 175.926

52


Geconsolideerde exploitatierekening

(bedragen x € 1.000,–)

Baten

realisatie 2006/2007 realisatie 2005/2006 realisatie 2004/2005

niet geoormerkte rijksbijdragen 358.237 349.194 331.191

geoormerkte rijksbijdragen 16.363 17.292 11.541

Totaal rijksbijdragen 374.600 366.486 342.732

bijdrage ouders/leerlingen 4.464 4.403 5.352

Totaal deelnemersbijdragen 4.464 4.403 5.352

opbrengst verstrekkingen 7.127 7.754 10.063

overige vergoedingen 15.143 15.211 14.925

Totaal overige baten 22.270 22.965 24.988

Som der baten 401.334 393.854 373.072

Lasten

personeel 320.018 310.254 305.782

Totaal personele lasten 320.018 310.254 305.782

afschrijvingen 14.508 18.032 16.882

Totaal afschrijvingen 14.508 18.032 16.882

huisvesting 20.135 19.391 15.051

huishoudelijke dienst 2.946 2.720 2.714

verzekeringen en belastingen 1.296 1.307 1.160

Totaal huisvestingslasten 24.377 23.418 18.925

administratie 7.718 6.176 6.108

beheerskosten 4.227 3.626 3.143

boeken, tijdschriften en software 3.207 2.866 2.421

onderwijs, vorming en begeleiding 4.834 4.358 4.428

leer- en hulpmiddelen 950 848 867

dotatie overige voorzieningen 21.704 9.868 5.468

kosten goede gang van het onderwijs 7.000 5.870 5.496

verstrekkingen onderwijsmaterialen/diensten 2.871 2.623 4.057

Totaal overige lasten 52.511 36.235 31.988

Som der lasten 411.414 387.939 373.577

Saldo baten en lasten -10.080 5.915 -505

Financiële baten 2.817 2.603 5.267

Financiële lasten 117 193 247

Saldo financiële baten en lasten 2.754 2.410 5.020

Exploitatieresultaat -7.326 8.325 4.515

Uitgaven waarvoor bestemmingsreserves zijn gevormd 7.982 4.888 8.089

Exploitatieresultaat gewone bedrijfsvoering 656 13.213 12.604

53


56

Baten per leerling per schooljaar Baten per schooljaar


57

Lasten per leerling per schooljaar Lasten per schooljaar


59

Ontwikkeling formatiecategorieën Aantal leerlingen per schooljaar


De volgende scholen behoren tot Ons Middelbaar Onderwijs:

2College Oisterwijk/Tilburg/Berkel-Enschot

- 2College Durendael

- 2College Cobbenhagen

- 2College Wandelbos

- 2College Ruiven

- 2College Jozef

De Nieuwste School Tilburg

Duhamel College ’s-Hertogenbosch

Elzendaalcollege Boxmeer

Fioretti College Veghel/St.-Oedenrode

Gymnasium Beekvliet St.-Michielsgestel

Hezeland College Gennep

Instelling Voortgezet Onderwijs Deurne Deurne

- Peellandcollege

- Alfrinkcollege

- Hub van Doornecollege

- De Sprong

Jacob Roelandslyceum Boxtel

Jeroen Bosch College ´s-Hertogenbosch

- locatie Kooikersweg

Kwadrant Scholengroep Dongen/Oosterhout

- Cambreurcollege

- Hanze College

Maaslandcollege Oss

Maurick College Vught

Merletcollege Cuijk/Grave/Mill

Mill-Hillcollege Goirle

Munnikenheide College Etten-Leur/Rucphen

OMO Scholengemeenschap Tongerlo Roosendaal

- Gertrudiscollege

- Norbertuscollege

- Da Vinci College

60


OMO Scholengroep Bergen op Zoom Bergen op

Zoom/Ossendrecht/Steenbergen/Hoogerheide

- Mollerlyceum

- Roncalli Scholengemeenschap

- Mollercollege Zuidwesthoek

- Mollercollege Steenbergen

OMO Scholengroep Helmond Helmond

- Carolus Borromeuscollege

- Dr.-Knippenbergcollege

- Vakcollege Dr. Knippenberg

OMO Scholengroep De Langstraat Waalwijk/Kaatsheuvel/Drunen/Vlijmen

- Dr. Mollercollege

- d’Oultremontcollege

- Walewyc

OMO Scholengroep Het Plein Eindhoven/Nuenen

- Pleincollege Sint-Joris

Pleincollege Aloysius / De Roosten

Pleincollege Antoon Schellens

Pleincollege De Burgh

- Pleincollege Van Maerlant

- Pleincollege Bisschop Bekkers

- Pleincollege Eckart

Pleincollege Nuenen

- Pleincollege Praktijkschool Eindhoven

Rodenborch-College Rosmalen

Rythovius College Eersel

Scholengemeenschap Were Di Valkenswaard

Sint-Janslyceum ´s-Hertogenbosch

Sint-Odulphuslyceum Tilburg

Sondervick College Veldhoven

Theresialyceum Tilburg

Varendonck-College Asten/Someren

Zwijsen College Veghel Veghel

61


Raad van Bestuur Ons Middelbaar Onderwijs

drs. R.H.A.M. Kraakman voorzitter

mw. M.M. Jonkers-Goedhart lid

drs. P.J.J. Hendrikse lid

J.M.C. van Dijk MPM ambtelijk secretaris

Raad van Toezicht Ons Middelbaar Onderwijs

prof. dr. A.J. van Weele voorzitter

drs. W.T.G. Dresscher lid

R.J.M. Verweijmeren MCM lid

S.A. van Kempen RA lid

H.C. Peppinck lid

mr. dr. A.G.J.M. Rombouts lid

dr. H.P.J. Witte lid

62


Colofon

Uitgave

Raad van Bestuur Ons Middelbaar Onderwijs

Postbus 574

5000 AN Tilburg

Spoorlaan 171

5038 CB Tilburg

tel: 013 - 595 55 00

fax: 013 - 595 55 99

e-mail: info@omo.nl

www.omo.nl

Tekstbijdragen

Beleidsmedewerkers Ons Middelbaar Onderwijs

Allwrite tekstburo, Hedel

Eindredactie

Beleidsmedewerker communicatie Ons Middelbaar Onderwijs

Grafische vormgeving

Desaïga, vormgeving en illustratie, Herpt (gemeente Heusden)

Fotografie

Bram Delmée fotografie, Berkel-Enschot

Druk

Drukkerij Van den Boogaard, Oisterwijk

Deze publicatie is zuiver informatief. Er kunnen geen rechten aan worden ontleend.

De Raad van Bestuur van Ons Middelbaar Onderwijs aanvaardt geen aansprakelijkheid

voor eventuele fouten in deze uitgave.

Voor vragen naar aanleiding van het jaarverslag en nadere informatie over Ons

Middelbaar Onderwijs, kunt u contact opnemen met de beleidsmedewerker communicatie

van Ons Middelbaar Onderwijs, telefoonnummer: 013 - 595 55 00.

More magazines by this user
Similar magazines