Krimp en Ruimte: Kansen voor het Noorden? - girugten

girugten.nl

Krimp en Ruimte: Kansen voor het Noorden? - girugten

Girugten

Faculteitsblad Ruimtelijke Wetenschappen Jaargang 39 / nummer 3 / februari 2008

Krimp en Ruimte

Kansen voor het Noorden?


Girugten

Jaargang 39, nummer 3, februari 2008

Colofon

Girugten is het onafhankelijk

faculteitsblad van de Faculteit

Ruimtelijke Wetenschappen,

Rijksuniversiteit Groningen

Eindredactie

Wietske Wilts (Hoofdredacteur)

Pieter Jan Karsijns (Vormgeving)

Redactie

Niels van Beurden

Bart Booij

Mathieu Drolinga

Arvid Krechting

Floris van der Lingen

Jitze Maatman

Guido Roegholt

Claire Vernède

Joep Westerveld

Druk

Drukkerij de Bie, Groningen

Oplage

725 stuks

E-mail

girugten@rug.nl

Postadres

Postbus 800

9700 AV Groningen

De eindredactie behoudt zich

het recht voor zonder opgaaf van

redenen artikelen in te korten, dan

wel te weigeren.

redactioneel

In samenwerking met Stichting Geo

Promotion is gewerkt aan dit februarinummer

van Girugten. Hier het resultaat:

een speciale editie geheel gewijd aan

het congres dat Geo Promotion begin

maart organiseert. Natuurlijk zijn ook

Girugten’s vaste rubrieken ook aanwezig.

De ‘Masterthesis’ gaat over militaire

cultuurhistorie, en in ‘De Top 5’ ziet u vijf

grijze bekende Groningers voorbijkomen,

iets kleuriger is de ‘Alles is geografie’ over

vlaggen. De bezigheden van Corien Kuiper

van Pro Geo worden uitgelicht in ‘Op de

bank van’, en kunt lezen over studeren in

Oxford in ‘Uit het Buitenland’.

Ik wil bij deze Geo Promotion hartelijk

bedanken voor de goede samenwerking!

Op een mooi congres dan maar!

Tot slot wil ik benadrukkken dat Girugten

nog steeds behoefte heeft aan nieuwe

redactieleden of losse kopij.

Wietske Wilts

redactieleden gezocht

Om Girugten regelmatig te laten

verschijnen, is veel mankracht

nodig. Daarom zijn wij op zoek naar

mensen die het leuk vinden stukken

te schrijven of te redigeren. Lijkt je

dit wat, stuur dan een e-mail naar

girugten@rug.nl.


4. Het Noorden in een

krimp?

Uitgelicht

11. Niet rood of groen,

maar lila

16. De Noordelijke arbeidsmarkt

Inhoud

Informatie Geo Promotion 4

Het Noorden in een krimp?

Leo van Wissen 8

Niet rood of groen, maar lila

Gert de Roo 11

Plaatsnamen over de grens

Pieter Jan Karsijns

Het gaat goed met de Noordelijke arbeidsmarkt

Jouke van Dijk

Postmoderne interpretaties van militaire cultuurhistorie

Johan Vos 18

14

Alles is geografie

Bart Booij 22

De Top 5

Pieter Jan Karsijns 23

Op de bank van... Corien Kuiper

Jitze Maatman 24

Ibn Battuta 25

Pro Geo 26

Uit het buitenland

Nic Verbij 28

Krimp en Ruimte: Kansen voor het Noorden?

16


4

Krimp en Ruimte: Kansen voor het Noorden?

Geachte lezer,

Voor u ligt het februarinummer van Girugten met als thema; ‘Krimp en Ruimte: Kansen voor het

Noorden?’ Dit is gelijk ook het thema van het congres dat wij, als Stichting Geo Promotion, op 5 maart

a.s. organiseren.

Geo Promotion is een stichting die 21 jaar geleden door studenten van de Faculteit Ruimtelijke

Wetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen is opgericht. Jaarlijks organiseert de Stichting een

congres met een planologisch en geografisch relevant thema. Dit met als doel het bevorderen van de

integratie tussen het bedrijfsleven, overheid en studenten.

In samenwerking met de redactie van Girugten worden in dit themanummer diverse artikelen gepubliceerd

die gerelateerd zijn aan het onderwerp ‘ Krimp en Ruimte: Kansen voor het Noorden?’ Dit zijn de

volgende artikelen: ‘Het noorden in een krimp?’ door Prof. Dr. L.J.G. van Wissen, ‘Niet rood of groen,

maar lila- een ruimtelijk-economisch alternatief’ door Prof. Dr. Gert de Roo en ‘Het gaat goed met de

Noordelijke arbeidsmarkt’ door Prof. Dr. J van Dijk.

Deze artikelen hebben als doel om u als lezer enthousiast te maken. Ons congres van 5 maart zal

namelijk volledig in het teken staan van het onderwerp Krimp en Ruimte: Kansen voor het Noorden? In

de ochtend zullen sprekers vanuit drie partijen (Wetenschap, Overheid en Markt) hun visie geven op het

onderwerp. Aansluitend zal er een discussie op gang gebracht worden onder leiding van de dagvoorzitter

Prof. Dr. Gert de Roo. In de middag worden diverse workshops met relevante thema’s aangeboden.

Onze dank gaat uit naar de redactie van Girugten. Zij hebben ons de mogelijkheid geboden om in dit

nummer aandacht te geven aan het onderwerp van ons congres. De artikelen zijn een opmaat voor wat

op 5 maart aan bod zal komen. Verder gaat onze dank ook uit naar de personen die bereid waren een

artikel te schrijven voor deze Girugten.

Tot slot willen wij u graag uitnodigen voor het congres van 5 maart a.s. Verdere informatie over het

congres is elders in dit blad te vinden of op www.geopromotion.nl.

Namens Stichting Geo Promotion,

René Glerum

voorzitter

girugten februari 2008


Programma:

09:15 - Ontvangst congresdeelnemers met koffie/thee en inschrijving

09:45 - Opening door voorzitter Geo Promotion: René Glerum

09:50 - Inleiding door de dagvoorzitter: Prof. dr. Gert de Roo

(Rijksuniversiteit Groningen)

10:00 - Spreker 1: Prof. dr.L.J.G. van Wissen (Rijksuniversiteit Groningen)

10:30 - Spreker 2: Drs. H.H. Apotheker (burgemeester Steenwijkerland)

11:00 - Koffiepauze

11:15 - Spreker 3: Drs. R.D.L.van Steeg (Lid hoofddirectie AM)

11:45 - Discussie o.l.v. dagvoorzitter

12:30 - Lunch

13:45 - Workshopronde 1

14:45 - Koffiepauze

15:00 - Workshopronde 2

16:00 - Afsluitende borrel

17:00 - Einde congres

girugten februari 2008

Algemene informatie

5


6

Krimp en Ruimte: Kansen voor het Noorden?

Sprekers:

Dagvoorzitter: Prof. Dr. Gert de Roo

De dagvoorzitter van het congres is Prof. Dr. Gert de Roo,

als hoogleraar planologie verbonden aan de Faculteit

Ruimtelijke Wetenschappen van de Rijksuniversiteit

Groningen. Hij zal als dagvoorzitter gedurende het

ochtendprogramma eerst de dag openen en een korte

inleiding geven op het onderwerp, vervolgens de drie

sprekers inleiden en de discussie leiden.

De Roo is sinds 1991 verbonden aan de Faculteit

Ruimtelijke Wetenschappen en heeft zijn doctoraat

verkregen na verdediging van het proefschrift ‘Planning

per se, planning per saldo; over conflicten, complexiteit

en besluitvorming in de milieuplanning’. Hij organiseert

sinds 1993 in samenwerking met o.a. het Ministerie van

VROM congressen met als onderwerpen ‘Urban Planning

and Environment’ en ‘De Regio pak de Ruimte’. De Roo

maakt ook deel uit van verscheidene (internationale)

samenwerkingsverbanden, associaties en werkgroepen,

zo is hij sinds 2001 Secretaris-Generaal van The

Association of European Schools of Planning (AESOP),

lid van diverse werkgroepen voor de Commissie Mer en

was van 2000 tot 2004 lid van de Steering Committee

van het VN-Habitat ‘Best Practices Programme’.

Recentelijk verscheen van zijn hand het boek ‘Lila en

de Planologie van de Contramal’, waarin hij ervoor

pleit dat het Noorden stopt met het nastreven van

een grootschalige economie zoals die in de Randstad

bestaat, en gaat inspelen op de kwaliteiten die in

deze regio aanwezig zijn zoals landschap, wonen en

leisure. Er worden scenario’s en creatieve voorstellen

gepresenteerd voor een lila inkleuring van de drie

provincies met plannen als de creatie van een nieuw

Waddeneiland of een Waterberg in de Veenkoloniën,

die een toeristische trekpleister en een aantrekkelijk

woongebied kunnen worden.

Overheid: Drs. H.H. (Hayo) Apotheker

Dhr. Apotheker is op dit moment burgemeester van

gemeente Steenwijkerland. In het verleden was hij

burgemeester van onder andere Leeuwarden, Veendam

en Muntendam. Daarnaast is hij Minister van Landbouw,

Natuurbeheer en Visserij geweest in het tweede Kabinet-

Kok. Hij studeerde tot 1974 sociologie in Groningen, met

als verzwaard bijvak planologie.

Wetenschap: Prof. Dr. L.J.G. (Leo) van Wissen

Van Wissen is hoogleraar Economische Demografie

aan de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen van

de Rijksuniversiteit Groningen. Hij is sinds 1999

aan deze faculteit verbonden, aanvankelijk als

onderzoekshoogleraar Demografie van Bedrijven.

Van Wissen studeerde sociale geografie en planologie

aan de Vrije Universiteit en promoveerde in 1987

op zijn onderzoek getiteld ‘A dynamic model of

household relocation’. Zijn interesses omvatten

migratie, bevolkingsprognoses, bedrijvendemografie

en ruimtelijke interactiemodellen. Van Wissen is verder

docent in verscheidene Nederlands- en Engelstalige

vakken, waaronder Migratie, Demografie van bedrijven

en Demographic survey analysis.

Marktpartijen: Drs. R.D.L. (Rein) van Steeg, lid

hoofddirectie van AM

AM ontwikkelt inspirerende en duurzame gebieden

om in te wonen, werken, winkelen en recreëren. Zij

versterkt hiermee zowel de stedelijke omgeving als

het landelijk gebied. AM fungeert als strategische

en betrokken partner van onder meer overheden,

maatschappelijke organisaties, institutionele beleggers

en woningcorporaties. Tevens betrekt zij consumenten

actief en vroegtijdig bij de planvorming. AM zorgt hiermee

voor kwaliteit van ruimte én kwaliteit van leven.

Rein van Steeg is sinds 1999 werkzaam bij AM, waarvan

geruime tijd als directeur van AM Grondbedrijf. Voordien

was hij werkzaam in diverse functies bij de gemeente

Groningen, waaronder die van plaatsvervangend

directeur Grondzaken bij de directie Grondzaken,

hoofd afdeling vastgoed van de dienst RO / EZ en

beleidsmedewerker volkshuisvesting.

Het laatste onderdeel van het ochtendprogramma is een

discussie, onder leiding van de dagvoorzitter

girugten februari 2008


Workshops tijdens het

middagprogramma:

Workshop A: The SmartAgent Company

The SmartAgent Company is een onderzoeks- en

adviesbureau dat gespecialiseerd is in kwalitatief

en kwantitatief belevingsonderzoek. Zij beschikken

over diepgaande kennis over motivationele

consumentensegmentaties in verschillende domeinen en

een daarop gerichte databank. Op basis van deze kennis

adviseren ze bedrijven, organisaties en overheden

bij het ontwikkelen van effectieve marketing- en

communicatiestrategieën, productontwikkeling en het

maken van strategische (des)investeringsbeslissingen.

Namens The SmartAgent Company zal Gert-Jan Hagen

een workshop komen geven, met als thema ‘Kruip in

de huid van de consument’. De deelnemers aan deze

workshop zullen worden opgedeeld in groepjes die aan

een opdracht zullen werken, over de motivatie van de

consument en over de uitwerking naar stedenbouw,

architectuur, openbare ruimte, beheer en voorzieningen.

Hierna worden de uitkomsten van de groepjes

gepresenteerd en volgt er een discussie.

Workshop B: Ruimterijk/Faculteit Ruimtelijke

Wetenschappen Rijksuniversiteit Groningen

De workshop “Krimp en Arbeidsmarkt” zal verzorgd

worden door Jouke van Dijk. Van Dijk is hoogleraar

Regionale Arbeidsmarktanalyse aan de Faculteit

Ruimtelijke Wetenschappen van de Rijksuniversiteit

Groningen en betrokken bij Ruimterijk.

Waar gaat het over in deze workshop? Een krimpende

bevolking heeft op twee manieren invloed op de

arbeidsmarkt. Als er minder mensen komen zullen de

bestedingen afnemen en daardoor zal de vraag naar

arbeid afnemen. Maar als er minder mensen komen zal

ook het aanbod van arbeid afnemen. Wat het uiteindelijke

effect op de arbeidsmarkt zal zijn, is niet duidelijk.

Hoe pakt dit uit voor het Noorden? Hebben overheden

en bedrijven hier genoeg zicht op? Zijn ze in staat hier

via slim arbeidsmarkt- en scholingsbeleid en goed

personeelsbeleid op in te spelen? Voor regio’s wordt het

nog onoverzichtelijker vanwege migratiepatronen die

steeds meer door woonkeuren worden gedomineerd en

door de alsmaar toenemende pendelstromen, vooral van

hoger opgeleide tweeverdieners. Leidt dit in het Noorden

tot een negatief effect op de regionale economie door

een voortdurende braindrain van hoger opgeleiden naar

de Randstad?

girugten februari 2008

Algemene informatie

Workshop C: Provincie Groningen

Namens de provincie Groningen zal Ed Stuij een

workshop komen geven met als titel ‘Krimp: mist het

Noorden de bus?’ In deze workshop zal worden ingegaan

op de gevolgen van de demografische veranderingen op

het openbaar vervoer.

Workshop D: Aedes/Thus Wonen

Aedes is de branchevereniging van woningcorporaties

in Nederland. Marianne Hilbolling (Aedes) en Roelof Kuik

(directeur Thus Wonen) komen deze workshop geven.

Er wordt rondom krimp veel gepraat maar weinig

gedaan: de tijd van praten is geweest. Daarnaast gaat

het te vaak alleen maar over de woningmarkt, de link

met gebiedsontwikkeling wordt te weinig gelegd. De

overheid, corporaties en marktpartijen zullen meer

moeten gaan samenwerken. In deze interactieve

workshop zal met de deelnemers in discussie gegaan

worden over deze onderwerpen.

Workshop E: Oranjewoud

Demografische ontwikkelingen leiden tot spanningen

in de private en openbare ruimte. Heeft krimp een

negatieve invloed op de leefbaarheid in kernen óf zijn

er ook kansen voor verbeteringen van de leefbaarheid?

Deze workshop, getiteld ‘Krimp, droom of nachtmerrie

voor leefbaarheid?’, zal gegeven worden door ing. Henry

Bos Msc

Workshop F: Grontmij

Titel van deze workshop luidt: ‘Werpt mogelijke

krimp nieuw licht op bestaande plannen en

woningbouwprogrammering?’ Nadere invulling en

beschrijving volgt zo spoedig mogelijk.

7


8

Krimp en Ruimte: Kansen voor het Noorden?

Het Noorden in

een krimp?

girugten februari 2008


In 1995 koos de Nederlandse Vereniging voor Demografie als thema voor haar jaarlijkse congres: Regionale bevolkingskrimp in

Europa. Dat congres haalde de voorpagina’s niet, al werd in diverse bijdragen van die dag al het toekomstperspectief geschetst waarbij

bevolkingsdaling voor vele regio’s in Europa realiteit zou worden, inclusief de noordelijke provincies van Nederland. Tien jaar later

werpt de Limburgse onderzoeker Derks een steen in de vijver van vele bestuurders en politici in de regio met dezelfde boodschap. Dat

is niet verwonderlijk: in diverse gemeenten in het noorden en het zuiden is bevolkingskrimp inmiddels realiteit geworden, en moeten

lokale en regionale bestuurders zich buigen over de daarbij behorende consequenties. Dit toegenomen bewustzijn lijkt zich vooral te

beperken tot de periferie; het westen van het land heeft de handen vol om oplossingen te verzinnen voor dichtgeslibde wegen, milieu en

een overspannen woningmarkt, en lijkt nog niet echt toe aan een boodschap over dalende bevolkingsaantallen. Dit is niet onlogisch: een

stagnerende en teruglopende bevolking zal in de komende decennia vooral een regionaal verschijnsel blijven. Beleid dat geformuleerd

wordt als antwoord op deze ontwikkelingen zal daarom ook vooral in de regio zelf geformuleerd worden. Daar is niets mee mis. Het

westen, of meer precies de landelijke politiek wordt in het noorden (en het zuiden) toch al met groot wantrouwen bezien, zeker na het

echec met de HSL noord. Maar dan blijft toch wel de vraag op welke manier provinciaal en lokaal bestuur met dit toekomstperspectief

moeten omgaan. Daar wordt op dit moment verschillend over gedacht.

Het noorden is bepaald geen buitenbeentje in het Europese perspectief.

Europese landen kennen al veel langere tijd regio’s waarvan de bevolking

krimpt. Het ging daarbij in het verleden zonder uitzondering om de

meer perifere regio’s waar de economische basis door de teruggang

van de werkgelegenheid in de landbouw is weggevallen, en daarbij was

uitmigratie van jongeren een belangrijk element. Van meer recente

datum is de ontwikkeling dat de natuurlijke aanwas (het verschil tussen

geboorte en sterfte) negatief is geworden in veel landen. Nederland hoort

daar voorlopig nog niet bij, maar op regionaal niveau, zeker buiten de

grote steden met zijn relatief jongere bevolking is de natuurlijke aanwas

geen groeifactor van enige betekenis meer. Alle aandacht komt daarmee

op de betekenis van migratie. Darbij moeten we een onderscheid

maken tussen internationale en binnenlandse migratie. In de jaren ‘90

is internationale migratie een factor van betekenis geweest voor het

noorden. In een poging om de concentratie van immigratie op de vier

grootste steden in het westen af te remmen zijn toen diverse asielcentra in

het noorden gerealiseerd. Dat heeft geleid tot een positief internationaal

migratiesaldo voor de noordelijke provincies in de afgelopen 15 jaar.

Sinds 2003 is Nederland echter een netto emigratieland geworden en is

vooral de asielmigratie, onder meer door daarop gericht beleid, drastisch

gereduceerd. Dit heeft ook zeker consequenties voor de bevolkingsgroei

van de noordelijke provincies. Het valt, in het licht van de dreigende

tekorten op de arbeidsmarkt in verband met de vergrijzing, te verwachten

dat op niet al te lange termijn de immigratie wel weer zal aantrekken,

maar het is niet waarschijnlijk dat die arbeidsmigratie gericht zal zijn

op het noorden. Integendeel, het vrije verkeer van arbeidsmigranten

zal ertoe leiden dat Polen en andere internationale arbeidsmigranten in

eerste instantie hun heil zullen zoeken in de economische kernzones

van Nederland in het westen. Met andere woorden: de toekomstige

verdeling van internationale migratie over Nederland zou wel eens

anders kunnen zijn dan het verleden, met negatieve consequenties voor

de bevolkingsgroei van het noorden.

Kunnen we dan wel vertrouwen op de binnenlandse migratie als factor

van bevolkingsgroei voor het noorden? Dit is de hoek waar in ieder

geval een aantal bestuurders in het noorden een flinke klapper hoopt

te kunnen maken. Het gaat dan vooral over pensioenmigranten uit het

westen die op de rust, de ruimte en de goedkope huizenprijzen van het

noorden afkomen. Is dat een reëel perspectief? Het is zeker dat er een

bepaalde aantrekkingskracht van het noorden op sommige westerlingen

uitgaat. Voor Friesland en Groningen geldt dat de binnenlandse migratie

in het verleden altijd een negatief saldo heeft gehad met de rest van het

land, maar Drenthe is hier in het voordeel: hoewel met ups en downs

is de migratiebalans met de rest van Nederland overwegend positief.

Dat wil overigens niet direct zeggen dat die nieuwe Drentenaren ook

uit het westen afkomstig zijn: een niet onbelangrijk deel is overloop uit

Groningen. Toch zijn er wel degelijk gemeenten die nieuwe bewoners uit

het westen aantrekken. De aantallen zijn op het totaal van de Nederlandse

bevolkingsontwikkelingen niet groot, maar kunnen op lokaal niveau

heel wat uitmaken. Toch moeten we hierbij ook wat kanttekeningen

girugten februari 2008

maken. Anders dan de ‘standaard’ migrant, die jong is, en meestal nog

een gezin zal stichten, gaat het hier om ouderen, wier verblijf tijdelijk zal

zijn, zonder kans op nageslacht. Het zullen ook vooral retourmigranten

zijn (al ken ik geen onderzoek dat deze bewering kan staven) die vroeger

weggetrokken zijn en nu terugkeren, en in ieder geval extra koopkracht in

de regio pompen. Als het migranten zijn zonder wortels in het noorden

kan het nog moeilijk worden wanneer zij (na 10, 15 jaar) een serieus

beroep gaan doen op zorg. Als hun kinderen en andere familie ver weg

woont, zal een groot beroep gedaan worden op de formele zorg. Kan de

regio dat aan? Op die vraag kom ik verderop nog terug.

Ondanks deze lokale successen denk ik niet dat toekomstig beleid voor

de regio gebaseerd moet zijn op overspannen verwachtingen op dit punt.

De landelijke trend in de binnenlandse migratie wordt gedomineerd

door het uitschuifproces van de Randstad naar het zuiden, oosten en

-inderdaad- het noorden. De Randstad loopt van Amersfoort, via

Utrecht, Den Bosch naar Tilburg, en met enige goede wil zou je de

groei van Zwolle ook als uitschuifeffect van de Randstad kunnen zien.

De noordelijke provincies horen hier echter niet bij. Dat zou mogelijk

wel het geval worden indien de HSL-noord zou zijn aangelegd. De

migratiebewegingen en woningmarkteffecten die daarvan het gevolg

waren geweest zijn voorspeld door Jan Oosterhaven, met heilzame

effecten voor zowel het noorden als de Randstad. Het CPB dacht er echter

anders over en zoals bekend is dat instituut invloedrijker in Den Haag

dan de RUG. Ik denk dat de redenering dat de zweeftrein de natuurlijke

ontwikkeling naar ruimtelijke schaalvergroting van de Randstad zou

hebben bespoedigd, waarbij er voor het noorden nieuwe kansen zouden

zijn ontstaan om een echte wooneconomie op te bouwen, bijvoorbeeld

voor flexwerkers of zelfstandigen die slechts af en toe in de Randstad

hoeven te zijn en veel vanuit huis werken. Omdat dit inhaakt op een

autonome trend voorspel ik dat de discussie over deze spoorlijn binnen

10 tot 20 jaar weer actueel wordt. Tot die tijd zullen we het voornamelijk

moeten doen met bescheiden pensioenmigratie uit het westen.

Laten deze pensioenmigranten zich voornamelijk leiden door de

aantrekkelijkheid van deze gemeenten, per saldo kunnen deze dorpen toch

bevolking verliezen. Jongeren verlaten per saldo de plattelandsgemeenten

in het noorden, op zoek naar opleiding en werk. Zij komen op de

eerste plaats af op de economische kerngebieden in het noorden: de

as Groningen-Assen, of in Friesland naar Leeuwarden of de A7-zone

(Heerenveen-Drachten). Daarmee worden de bevolkingsontwikkelingen

in het noorden vergelijkbaar met communicerende vaten: hoe meer

je bouwt in de economische kernzone, hoe harder zullen de overige

gemeenten buiten die zone leeglopen. Aantrekkelijke nieuwbouw zal

hoogstwaarschijnlijk wel aftrek vinden, de problemen kunnen ontstaan

in sommige gebieden en deelmarkten die niet zo zichtbaar zijn. Als dat

samengaat met een beleid van verantwoorde herstructurering/sloop van

de minder courante delen van de woningvoorraad kan dat zinvol beleid

zijn, maar je moet het een niet doen zonder ook niet na te denken over

de andere consequenties.

9

-door Leo van Wissen-


10

Krimp en Ruimte: Kansen voor het Noorden?

Een aantal grotere steden in het noorden trekt de jongere bevolking uit

de regio aan. De stad Groningen, met haar universiteit, speelt hierin

natuurlijk een heel speciale rol. Maar we zien dat net afgestudeerden

meestal niet in de regio blijven. Groningen is daarmee een soort

tussenstation in de loopbaan van studenten uit het noorden: veelal

afkomstig uit de regio komen ze naar Groningen om te studeren, om

daarna uit te wijken naar het westen omdat hier geen geschikte baan te

vinden is. Dat is overigens niet een probleem waar alleen studenten uit

Groningen mee kampen. Uit alle universiteitssteden zien we een gestage

stroom van pas afgestudeerden vooral naar Amsterdam vertrekken.

Amsterdam is de meest gewilde woon- en werkplek voor hoogopgeleiden

in Nederland. Op zijn beurt concurreert de hoofdstad weer met plaatsen

als Londen, Parijs en New York, die natuurlijk nòg veel aantrekkelijker

zijn, maar ook verder weg en slechts haalbaar voor een kleine selecte

groep, die overigens wel groter wordt.

We keren terug naar de verwachte bevolkingskrimp van het noorden.

Het noorden als geheel, en de afzonderlijke provincies groeien nog

steeds, en alle prognoses geven aan dat dit ook in de komende 15 tot

20 jaar nog wel zo zal blijven. Met andere woorden: de soep wordt

toch niet zo heet gegeten als die wordt opgediend. Het is bijvoorbeeld

opvallend dat ook Derks in zijn berekeningen voor de provincies als

geheel niet op krimp uitkomt: zijn boodschap past dus niet helemaal

precies op zijn vooruitberekeningen. Wel is het zo dat steeds meer regio’s

binnen het noorden in de komende decennia van een plus naar een min

zullen switchen. Ook is het zo dat voor de meeste regio’s die plus wel

steeds kleiner wordt. Het proces gaat dus wel geleidelijk, en dat geeft de

mogelijkheid om er tijdig op in te spelen. Gebeurt dat ook?

Als we de reacties van bestuurders zien op dit perspectief van het einde

aan de bevolkingsgroei dan kunnen zeer verschillende reacties worden

opgetekend, van zeer adequaat, via inadequaat tot ontkennend. Het

verschil tussen inadequaat en ontkennend is dat in de eerste reactie het

proces niet wordt ontkend, maar dat de illusie bestaat door krachtig

bouwbeleid het tij te keren. Meppel lijkt me hierbij een typisch voorbeeld,

waarbij men door een groot nieuwbouwproject hoopt de gemeente weer

op de kaart te zetten. Dit doet me denken aan het motto van de regio

Luik: Forcer l’avenir, terwijl het potjeslatijn: homo sapiens non urinat in

ventum (een verstandig mens piest niet tegen de wind in) hier een veel

betere leidraad zou zijn voor beleid. Zoals al opgemerkt: het is mogelijk

dat het plan zelf wel vol komt, maar de problemen zullen in andere

deelmarkten ontstaan.

De ontkennende reacties zijn inmiddels sterk in de minderheid. Er

bestaat bij sommigen nog steeds een geloof in een oplossing door een

stroom migranten uit het westen, en ongetwijfeld zullen sommige

gemeenten hiervan ook wel profiteren, maar de concurrentie met andere

gemeenten en regio’s, die allemaal in hetzelfde schuitje zitten, wordt

steeds heviger.

Veel bestuurders zien wèl in dat op termijn het tij zal keren en dat daar in het

beleid op moet worden geanticipeerd. Een tweede Delfzijl wil niemand,

al moet daar bij gezegd worden dat die specifieke omstandigheden zich

ook niet gemakkelijk laten herhalen. De vraag is dan vooral: wat moet

er gebeuren? Een aantal suggesties is uit het voorgaande te destilleren,

waarbij een van de meest veelbelovende, de aanleg van HSL-noord hier

verder onbesproken blijft. De echte pijn van de bevolkingskrimp zit hem

vooral in de combinatie met vergrijzing op het platteland. Het aantal

gepensioneerden zal in de komende 20 jaar op veel plaatsen meer dan

verdubbelen, en de vraag naar passende zorg- en andere voorzieningen

voor ouderen in dunbevolkte regio’s zal sterk stijgen. Nu is het wel

zo dat de ouderen van de toekomst een andere levensstijl en vaak een

betere gezondheid zullen hebben dan de generatie voor hen. Toch zal de

armoede ook in de toekomst meer dan gemiddeld geconcentreerd zijn bij

oudere (vrouwelijke) alleenstaanden en zullen ook velen een gebrekkige

gezondheid hebben en daarbij passende zorg behoeven. Hoe daarmee

moet worden omgegaan is een grote maatschappelijke opgave, waarbij

de overheid, zorginstellingen en woningcorporaties een bijdrage zullen

moeten leveren. Het valt mij op dat bij het denken over toekomstige

woonmilieu’s we nog vaak denken in de categorieën van het verleden:

grote huizen met veel groen waarin jonge koopkrachtige gezinnen

wonen. De realiteit is dat we woonmilieu’s moeten creëren waar rollators

en rolstoelen gemakkelijk hun weg vinden, en de ambulance overal bij

kan. Waarbij allerlei voorzieningen in en rond de woning een deel van

de thuiszorg kunnen vervangen. Dat lijkt me een interessante opgave

voor de toekomstige ruimtelijke planners. Wellicht kan een deel van

de toegezegde miljarden om de geschrapte zweeftrein te compenseren

ingezet worden, niet alleen voor zaken als een sneltram tussen Assen

en Groningen, maar ook voor het creëren van een dergelijke regionale

zorg-economie. Het is geen schande voor het noorden om op dat terrein

voorop te lopen in Nederland.

girugten februari 2008


Niet rood of groen, maar lila

een ruimtelijk-economisch alternatief

In dit betoog gaan we in op het belang van regiospecifieke kansen en ontwikkelingen. Enerzijds is de regio in korte tijd relevant

geworden als bestuurlijk niveau waarop planologische en economische besluiten vallen. Anderzijds zien we dat landelijke programma’s

(ieder z’n Vinexwijk e.d.) en planologische dogma’s (de compacte stad boven alles) snel aan het eroderen zijn. Regio’s zullen als gevolg

hiervan hun eigen (gebiedseigen) kansen moeten bezien tegen het licht van ruimtelijk-economische ontwikkelingen. Tegenover de

algemeen gehanteerde planologische kleuren Rood en Groen wordt de kleur Lila geplaatst. Lila is het acroniem voor ‘Living in Leisurerich

Areas’. Waar Groen staat voor een landbouweconomie en Rood een plaats biedt voor industrie en diensten, stellen we Lila voor als

alternatief voor een woon-, landschap- en leisure-economie. Lila kleurt - zo stellen wij - een economie van Rust en Ruimte. Het is een

economie die bijvoorbeeld in Noord-Nederland een regio-eigen aanvulling kan zijn voor de Razende Randstad-economie.

Lila en het verdriet van het Noorden

13 april 2004 was het moment van een bijzondere opvoering, met als

podium de Fraeylemaborg in Slochteren. De vier Landelijke Planbureaus

waren uitgenodigd om te praten over de ontwikkeling van Groningen,

beschouwd in het licht van landelijke en internationale trends. Ook de

auteur dezes was van de partij om de uitvoering te zien verworden tot

een tragedie. Hoe de planbureaus ook naar Groningen kekenhet meest

stellig hierin was Paul Schnabel van het Sociaal Cultureel Planbureau

het zou nooit en te nimmer opstoten in de vaart der volkeren, hoe

actief ook de Groningers de handen uit de mouwen wilden steken.

Deze teleurstelling werd de opmaat tot een vervolg in kleine kring, op 8

juni 2004. De auteur dezes mocht andermaal aanschuiven, om een reactie

te geven op de verschillende voorstellen, waarin Groningen – contrair de

voorstelling van zaken van de landelijke planbureaus – een aantrekkelijk

toekomstperspectief wordt geboden. Al discussiërend werd het enkelen

duidelijk dat monofunctionele en megalomane functies in Noord-

Nederland ondanks veel geloof in de goede zaak en dito beloften over

de goede afloop, nimmer geslaagd zijn. Zie de leegte van de Eemshaven,

de tragiek van het International Business Park Fryslân, Eelde Airport

Groningen… Wanneer daar de terugtrekkende landbouw aan toe wordt

girugten februari 2008

gevoegd, lijkt het beeld dat de planbureaus schetsten compleet.

Er is een krachtige denkinspanning voor nodig om te zien wat hier gaande

is: Het argument van de planbureaus is gebaseerd op de economie van

de Razende Randstad, en klassiek ruimtelijke ontwikkelingspatronen.

Wonen volgt werk, dus dient er werk gecreëerd te worden wil ook de

functie wonen zich kunnen ontwikkelen. Het is echter maar zeer de vraag

of dit klassieke perspectief voor Groningen en Noord-Nederland van

waarde is. Meer perspectief lijkt de stelling ‘werk volgt wonen’ te bieden.

Deze benadering nodigt uit woonlandschappen te creëren die ook voor

‘draagkrachtigen’ van buiten de Noordelijke regio interessant kunnen

zijn. Dit, omdat het Noorden een aantrekkelijk alternatief is voor snel

duurder wordende Mediterrane woonlocaties, of omdat hier concepten

worden ontwikkeld, bijvoorbeeld ‘wonen en zorg-combinaties’, die hun

eigen wervingskracht hebben.

Nog een stap verder in deze redenering is het perspectief ‘wonen is werk’,

waarbij wonen als een volwaardige economische functie wordt gezien.

Het gaat dan niet om wonen in de zoveelste Vinex-locatie. Nee, wonen

volgens dit perspectief betekent de in de regio verankerde economie van

alles wat met wonen van doen heeft, zoals het omarmen van de economie

Figuur 1: Waddenzee

11

-door Gert de Roo-


12

Krimp en Ruimte: Kansen voor het Noorden?

van productdiversificatie in het wonen, een ruim aanbod in diverse

woontypen, de ontwikkeling van woonlandschappen, versterken van

een aantrekkelijke omgeving en promotie van de regio als woonregio.

Met voorstellen als bijvoorbeeld ‘landelijk wonenen ‘landgoederen

wordt het landelijk gebied opengebroken voor de woningmarkt. Het

dogma ‘scheiding van stad en land’, de ‘raison d’être’ van de Nederlandse

planoloog, wordt ter ziele gedragen als exponent van de in het Noorden

niet passende Razende Randstad-economie.

Lila en de planologie van de contramal

Het belang van deze differentiatie wordt gevangen in een ander concept,

die van de mal-contramal. Deze gedachte is een in het Noorden geboren

concept en presenteert de kernzones en het omliggende landelijke

gebied van Noord-Nederland als de mal en de contramal. Met de malcontramal-gedachte

wordt de complementariteit van gebieden en regio’s

verwoord, die zo mogelijk op alle punten elkaars keerzijde zijn. Ze

zijn als ‘jin en jang’, en zullen op de wijze waarop ze elkaar aanvullen

en versterken beoordeeld moeten worden. Dit idee is een streep door

aloude en klassieke kern-periferie-concepten, zoals voorgesteld door

Von Thunen, Alonso en anderen. Wanneer we de mal definiëren als

sterk geconcentreerde, hoogdynamische interactie, zien we deze ingebed

in en gesteund door de contramal, als een relatief stabiele leefomgeving,

met een sterke, eigen identiteit. Vergelijk een stadcentrum met z’n

omliggende woonwijken. Het centrum kan economisch niet bestaan

zonder deze wijken en wijken zouden zonder centrum onleefbaar zijn.

Deze exercitie is uit te voeren op landelijk en op regionaal niveau: er

is te spreken van een aantal ‘contramallen’, waaronder de grootste en

lila-gekleurde contramal: Noord-Nederland. De contramal van Noord-

Nederland heeft alle potentie om internationale faam te verwerven

– als we die tenminste willen zien. Het Waddengebied, de eilanden,

terpenlandschappen, vestingsplaatsen van weleer, havens en vaarwegen,

meren en plassen, boslandschappen en heidevelden… Let wel, het gaat

hier niet om het Noorden de vertrutting aan te praten, in de ‘hollyhobby’

sfeer te trekken, of er Anton Pieck op los te laten. Deze bijdrage is bij

uitstek bedoeld om te laten zien dat niets minder waar is. Dat het gaat om

gebiedseigen kwaliteiten die ter hand zouden moeten worden genomen

voor regionale ontwikkeling. Niet om een oubollig imago te koesteren,

maar juist om met kracht te innoveren, te investeren en de economie

die dit alles moet dragen te intensiveren. Aan deze intensivering dient

evenwel richting te worden gegeven – de koers die wij voorstellen is

Lila.

Lila en de regio

Dat de gevolgde redenering realiteitswaarde heeft kunnen we laten zien

met figuur 2. Deze figuur geeft een ontwikkeling weer die zich in stilte

aan het voltrekken is. Op dit moment wordt 350 miljoen Euro in de

Friese Meren gestoken, om rond het thema water impulsen te geven aan

landschap en leisure. Iets ten westen van de Meren ligt Marrum, dat

inmiddels buitengaats rond het thema water een woon-, landschap- en

leisure-economie heeft ontwikkeld. Leeuwarden heeft met z’n jongste

uitleglocatie Zuidlanden ook ingezet op wonen, landschap en leisure.

Zuidelijker zien we Lelystad met plannen om rond het thema water

een woon- en landschapeconomie mogelijk te maken. Almere spant

de kroon wanneer het gaat om de meest drastische voorstellen – zo

ongeveer driemaal IJburg zal aan Almere worden toegevoegd, indien

het mag bouwen in het Markermeer. En dan IJburg zelf – het is reeds

een realiteit. Zo wordt een Leisure-as zichtbaar van Leeuwarden tot

IJburg, waarbij rond het thema water een woon-, landschap- en leisureeconomie

tot ontwikkeling wordt gebracht. Nu gebeurt dit nog ad hoc

en ieder voor zich. Met Lila willen we juist de onderlinge synergie van

deze projecten onderstrepen!

Figuur 2. De Leeuwarden-IJburg Leisure As (Lila)

Hiermee wordt niet de armoede of achterstand van de regio het

uitgangspunt van handelen, maar worden regionale kwaliteiten

onderstreept die op eigen en unieke wijze complementair zijn aan die

van de Randstad. Lila betreft geen extensivering van de noordelijke

economie, maar een andere, evenzeer intensieve economie, met een

geheel eigen dynamiek en krachtenspel. Aldus wordt met de kleur Lila

de nationale planbureaus van repliek gediend, op hun stellige, maar

teleurstellende reflectie op Groningse (en in het verlengde daarvan

– Noord-Nederlandse) kansen ruimtelijk en economisch voortgang te

boeken. Met Lila presenteren we een omvattend concept, dat als handvat

of kristallisatiepunt kan dienen voor strategische visievorming en een

motief voor verdere regionale samenwerking.

Bronnen:

Groenendijk, J. (1994), ‘Regionalisering van bestuur: drie soorten provincies op

komst, In: Geografie, Vol. 3, nr. 5, p. 8-14.

Hendriks, F. en Th.A.J. Toonen (1995), ‘The rise and fall of the Rijnmond authority:

experiment with metro government in the Netherlands’, In: L.J. Sharpe (red.) The

government of world cities, Wiley and Sons, Chichester.

Hermans, W.E. en G. de Roo (2006) Lila en de Planologie van de Contramal; De

ruimtelijk-economische ontwikkeling van Noord-Nederland krijgt een eigen kleur,

In Boekvorm, Assen.

IPO (Interprovinciaal overleg) (2003) Regionale structuurvisies; Advies over inhoud,

proces en uitvoering van regionale structuurvisies, Den Haag.

SNN (Samenwerkingsverband Noord-Nederland) (1997) Kompas voor het

Noorden, Groningen.

Vries. J. de en B. Wissink (2005), ‘De regio. Redactioneel’, In: Stedebouw &

Ruimtelijke Ordening, Vol. 86, nr. 2, p. 6-9.

girugten februari 2008


-door Pieter Jan Karsijns-

Plaatsnamen over de grens

Spitsbergen, ontdekt door Willem Barentz in 1596 op zijn fatale reis, zo leert ons de geschiedenis,

hij noemde het ‘Het Nieuwe Land’. Het Spitsbergen dat in dit stukje centraal staat lijkt

op een druilerige maandagmorgen amper het ontdekken waard.

Het gehucht ligt tussen Sappemeer en Noordbroek, en telt hooguit vijf boerderijen. Een wit

plaatsnaambord is het niet gegund, slechts twee straatnaamborden sieren het begin en het

einde van het plaatsje. Op het gebied van bedrijvigheid is Spitsbergen wel opvallend goed bedeeld.

Aan de westkant prijkt een groot bord waarop boer Dallinga zijn aardappelen, groenten

en fruit aanprijst. Het gehucht kent zelfs een gelijknamige geluidsstudio, op de website staat

een lijst met artiesten die er de laatste vier jaar geweest zijn. Niet minder dan (onder andere)

Klaas Spekken, Tunebone en Zonder Henk hebben gebruikt gemaakt van deze “inspirerende

en fantastisch klinkende” studio. In het zuiden van Spitsbergen bevindt zich tenslotte nog

een vrij grote aardgaslocatie.

Veel overeenkomsten met het pooleiland heeft het gehucht niet, behalve dat het vrij troosteloos

en onherbergzaam is. De naam is, net als Polen, waarschijnlijk gekozen vanwege de afgelegen

ligging. Eén van de boerderijen draagt de naam ‘Nova Zembla’, toepasselijk, aangezien Willem

Barentz daar ondanks zijn ‘Behouden Huys’ aan zijn einde kwam. Gelukkig hoeven de bewoners

van Spitsbergen zich hier geen zorgen over te maken.

14 girugten februari 2008


girugten februari 2008

15


-door Jouke van Dijk-

16

Krimp en Ruimte: Kansen voor het Noorden?

Het gaat goed met de

Noordelijke arbeidsmarkt

De Noordelijke arbeidsmarkt wordt al vele decennia gezien als problematisch. Kort samengevat is het beeld: een tekort aan banen en

een te hoge werkloosheid. Dat de werkgelegenheid in het Noorden de laatste 15 jaar in hetzelfde tempo groeit als landelijk hoor je bijna

nooit en ook niet dat de werkloosheid zelfs iets sneller daalt als landelijk. De werkloosheid is in het Noorden nog wel steeds hoger, maar

voor de meeste mensen in het Noorden is de kans op een baan en een aantrekkelijke loopbaan nauwelijks slechter dan in de rest van het

land. In dit artikel wordt eerste een korte beschrijving gegeven van de situatie op en de ontwikkeling van de Noordelijke Arbeidsmarkt 1 .

Vervolgens wordt ingegaan op de toekomstverwachting.

In de drie noordelijke provincies wonen eind 2007 1,7 miljoen mensen.

Daarvan behoren er 1,1 miljoen tot de potentiële beroepsbevolking

in de leeftijd van 15-64 jaar. Van deze groep behoren 740.000 tot de

beroepsbevolking, of wel mensen die werk hebben of op zoek zijn naar

werk. De potentiële beroepsbevolking in het Noorden neemt de laatste

jaren iets afneemt, vooral door uitmigratie uit Friesland. Desondanks

neemt de beroepsbevolking nog iets toe omdat het aantal mensen wat

werk heeft of zoekt toeneemt. De totale werkgelegenheid bestaat uit ca.

600.000 banen van meer dan 12 uur.

Tussen het beschikbare aantal banen en de beroepsbevolking zit een

gat van 140.000 mensen die geen baan hebben en die wel (zouden

moeten) willen. In november 2007 staan bij de arbeidsbureaus (CWI)

in het Noorden 58.000 mensen als werkzoekend ingeschreven. Als

we kijken naar het aantal mensen dat recht heeft op een uitkering,

blijkt dat in de herfst van 2007 er 24.000 mensen zijn met een WWuitkering,

34.000 met een bijstandsuitkering en 87.000 met een

arbeidsongeschiktheidsuitkering. Niet iedereen met een dergelijke

uitkering is in staat om te werken en is verplicht zich bij het arbeidsbureau

in te schrijven. Een deel is ziek, wordt omgeschoold of heeft andere

problemen die werken onmogelijk maakt. Maar ook een deel werkt in een

kleine parttime baan en van de arbeidsongeschikten blijkt ook ca. 20% te

werken. Er zijn ook mensen die een baan zoeken en zich niet inschrijven

bij het CWI en ook geen uitkering hebben, de zogenaamde NUG-ers

(Niet-UitkeringsGerechtigde werkzoekenden) en dit zijn in het Noorden

naar schatting ca. 50.000. Studenten die een baan zoeken voor meer dan

12 uur horen onder meer tot deze groep. Uit het voorgaande blijkt dat

het dus niet precies te achterhalen is wat de arbeidsmarktsituatie is van

de 140.000 mensen die wel tot de beroepsbevolking horen maar geen

werk hebben.

Uit Figuur 1 blijkt dat de noordelijke werkgelegenheidsgroei de laatste

vijftien jaar vrijwel gelijk op gaat met de landelijke groei. Bij de recessie

van 1993-1994 was de recessie in het Noorden duidelijk dieper en

duurde aanzienlijk langer dan landelijk. Bij de meeste recente recessie

van 2003-2004 was de recessie in het Noorden even diep als landelijk.

Het herstel duurde nog wel iets langer, maar voor 2006 is de groei van de

werkgelegenheid al bijna weer gelijk aan het landelijke gemiddelde. Dat

de economie in het Noorden zich ongeveer op gelijke wijze ontwikkelt

als landelijk is niet zo verwonderlijk als we kijken naar de sectorstructuur

(zie Figuur 2). Binnen het Noorden zijn wel flinke verschillen: de

werkgelegenheidsontwikkeling is in Friesland en Drenthe aanzienlijk

gunstiger dat in de provincie Groningen. Traditiegetrouw is er in het

Noorden een oververtegenwoordiging van de werkgelegenheid in de

sectoren landbouw, industrie en bouwnijverheid en ook de overheidssector

(openbaar bestuur, onderwijs en gezondheidszorg) is relatief omvangrijk.

De omvang van de werkgelegenheid in de commerciële diensten is juist

kleiner. Uit Figuur 2 blijkt dat deze verschillen nog steeds zichtbaar zijn,

maar ook dat de verschillen erg klein zijn geworden. Het is dan ook

niet verwonderlijk dat de ontwikkeling van de werkgelegenheid in het

Noorden steeds meer de landelijke trend gaat volgen. De achterstand

van het Noorden in termen van het aantal banen per 1000 inwoners

wordt ook kleiner, maar het inlopen gaat wel langzaam.

Figuur 1. Werkgelegenheidsgroei Noorden en Nederland, 1991-2006

Bron: Provinciaal Werkgelegenheidregister (PWR), LISA en de Noordelijke

Arbeidsmarkt Verkenning 2008

Zoals in het begin van dit artikel al is genoemd, wordt de Noordelijke

economie al decennialang gekenmerkt door hoge werkloosheid. Uit de

cijfers van het CWI voor november 2007 blijkt dat de werkloosheid in

het Noorden met 7,8% inderdaad hoger is dan de 6,2% voor

Nederland: een verschil van 1,6 procentpunt. Maar de werkloosheid in

het Noorden daalt wel sneller dan landelijk. In 2001 was de werkloosheid

in het Noorden 8,6% en in Nederland 6,4%: een verschil van 2,2

procentpunt. Ook hier zien we dus dat de achterstand van het Noorden

kleiner wordt. De samenstelling van het werkzoekendenbestand lijkt ook

erg op het landelijke beeld: ongeveer de helft is vrouw, de helft is ouder

dan 45 jaar, de helft heeft een lager opleiding (maximaal vmbo/mavo)

en 70% is al langer dan een jaar werkloos. De groepen lageropgeleiden,

langdurig werklozen en ouderen vertonen een grote overlap. Vooral

het opleidingsniveau blijkt cruciaal in de kansen op een baan. Binnen

het Noorden zijn ook qua werkloosheid grote verschillen. In november

2007 is de werkloosheid in de provincie Friesland het laagst met 7% en

in Groningen het hoogst met 8,9%. Drenthe zit daar tussenin met 7,5%.

Binnen provincies zijn ook grote verschillen. De werkloosheid is het

hoogst in Oost-Groningen en Zuidoost-Drenthe en in de grotere steden.

Dat laatste komt omdat de groepen met een zwakke arbeidsmarktpositie

de neiging hebben om zich te concentreren in de steden, terwijl de vele

banen in de steden vaak worden vervuild door personen die buiten de

steden wonen.

Uit het voorgaande blijkt dat de ontwikkeling van de werkgelegenheid

girugten februari 2008


en werkloosheid in het Noorden de landelijke trend goed volgt en

dat de achterstand langzaam kleiner wordt. Blijft dat zo door gaan

in de toekomst? Deze vraag is lastig te beantwoorden omdat er veel

tegenstrijdige ontwikkelingen zijn. Als de bevolking in het Noorden

afneemt zijn er minder consumenten en dat is slecht voor de vraag naar

arbeid. Als echter vooral de werklozen het Noorden verlaten kan dit

een positief effect hebben op de arbeidsmarkt. Die kans is echter niet

zo groot, want de werklozen zijn vooral lager opgeleid en ouder dan 45

jaar en die groepen blijken nauwelijks te verhuizen. Als juist de goed

opgeleide mensen door de krappe arbeidsmarkt naar de Randstad worden

getrokken, kan dat de economische groei in het Noorden belemmeren

als er een gebrek komt aan geschikt personeel. Maar is dit gevaar echt

zo groot? De huizenprijzen in de Randstad zijn aanzienlijk hoger dan in

het Noorden en het is ook niet leuk om als je naar je werk gaat lang in

de file te staan. Als er goede banen in het Noorden zijn met een redelijk

carrièreperspectief verwacht ik dat velen hier liever willen blijven of

zelfs uit de Randstad hier naar toe verhuizen vanwege de mooie en

betaalbare woonomgeving. Zeker als er kinderen zijn. Maar dan moeten

er wel banen zijn.

De kans dat die banen er komen is zeker aanwezig, want uit

internationaal vergelijkend onderzoek blijkt dat banen de neiging

hebben om de mensen te volgen en niet andersom 2 . En verder blijkt

dat de groei van arbeidsproductiviteit in het Noorden groter is dan in

de Randstad. Dit komt doordat in de Randsstad de congestie-nadelen

door files groter zijn dan de agglomeratievoordelen die voortvloeien uit

de ruimtelijke concentratie van economische activiteiten 3 . Ofwel: ook

als de bevolkingsgroei in Nederland stabiliseert of afneemt, kunnen de

regionale economie en de arbeidsmarkt in het Noorden blijven floreren.

Maar dan moet het Noorden er wel in slagen goed onder de aandacht te

brengen dat je er mooi en betaalbaar kan wonen. En natuurlijk ook de

woningen bouwen die de mensen graag willen hebben en die neerzetten

op plekken waar de mensen graag willen wonen. De banen zullen dan

wel volgen als de arbeidsmarkt krap wordt. Dat gaat des te beter als de

bedrijven er achter komen dat het rendement op investeringen buiten de

Randstad hoger is vanwege de hogere groei van de arbeidsproductiviteit.

Maar de kansen zijn niet overal en voor iedereen even groot. Het gebied

Figuur 2. Werkgelegenheidsstructuur in het Noorden en Nederland,

2006

Bron: PWR, LISA en de Noordelijke Arbeidsmarkt Verkenning

2008

girugten februari 2008

binnen de lijn Leeuwarden - Groningen - Assen - Hoogeveen ligt relatief

dicht bij de Randstad en maakt meer kans op economische groei dan de

gebieden langs de Waddenkust en de Duitse grens. Voor degenen met

een niet afgemaakte schoolopleiding en voor degenen die al langdurig

buiten het arbeidsmarktproces verblijven is de kans om ooit weer

betaald werk te krijgen klein, zelfs bij een zeer krappe arbeidsmarkt.

Voor hoger opgeleiden is van belang dat er banen komen met een goed

carrièreperspectief en er moet ook een baan zijn voor de partner. Maar

als overheden en bedrijven zich bewust zijn van deze problemen en een

adequaat beleid gaan voeren, zijn de vooruitzichten voor de Noordelijke

arbeidsmarkt gunstig.

Noten:

1 De cijfers zijn gebaseerd op voorlopige gegevens uit: Lourens

Broersma, Dirk Stelder en Jouke van Dijk (2008). Noordelijke

Arbeidsmarktverkenning 2008. Groningen: Rijksuniversiteit Groningen

(verschijnt in februari 2008).

2 Gerke Hoogstra, Raymond J.G.M. Florax en Jouke van Dijk (2005). ‘Do

‘jobs follow people’ or ‘people follow jobs’? A meta-analysis of Carlino-

Mills studies’. Paper gepresenteerd op het 45th Europese congres van de

European Regional Science Association, Amsterdam, 23-27 augustus,

2005.

3 Zie Lourens Broersma en Jouke van Dijk (2008), ‘The effects of

congestion and agglomeration on mfp-growth in Dutch regions’, dat

binnenkort verschijnt in Journal of Economic Geography, maar nu al

online beschikbaar is: doi:10.1093/jeg/lbm041

17


-door Johan Vos-

18

Masterthesis

Postmoderne interpretaties

van militaire cultuurhistorie

Historisch militaire invloed op hedendaagse ruimtelijke ordening

Mijn masterthesis voor de Master Environmental and Infrastructure Planning bevindt zich in het grijze gebied tussen Technische

Planologie en Culturele Geografie. Beide begeleiders (respectievelijk dr. ir. Ike en dr. Groote) vonden dan ook dat er van hun onderdeel

te weinig theorie in stond, hoewel het verhaal an sich goed beoordeeld is. Dit artikel probeert een korte schets te geven van deze thesis.

Met het verschijnen van de Nota Belvedére aan het eind van de jaren ’90

van de vorige eeuw ontstond er een groeiende interesse in cultuurhistorie

bij planologen. Dat de militaire cultuurhistorie daar een belangrijk

onderdeel van uitmaakt blijkt wel uit een inventarisatie van VROM

waarin 46 linies en stellingen in Nederland worden geïdentificeerd. Maar

niet iedereen zal deze militaire werken als cultuurhistorie bestempelen.

Immers, wat voor de één een lelijke grijze doos in het landschap is, is

voor de ander een flankerende mitrailleurbunker in de IJssellinie die

diende om de Sovjets in de eerste jaren van de Koude Oorlog tegen

te houden. Ieder individu geeft dus een andere, sociaal geconstrueerde

betekenis aan historisch militaire werken. Dit pluriforme spectrum

van betekenissen wordt versterkt door de sterke gevoelens die bij het

militaire aspect komen kijken: geheimzinnigheid, veiligheid, dood en

verderf, etcetera. Dit sluit aan bij de postmoderne gedachte dat er niet

één waarheid bestaat, maar een veelvoud aan overlappende en relatieve

constructies van de realiteit. Om echter tot een goed ruimtelijk plan

te komen, zal er één gedachte de overhand krijgen in het plan, dat

uiteindelijk op een modernistische (technisch rationele) manier tot

stand komt. Om recht te doen aan de pluriformiteit van betekenissen

van de militaire cultuurhistorie wordt het begrip neomodernisme

geïntroduceerd dat uitgaat van postmoderne condities in het moderne

plan. In het voortraject zal er uitgebreid rekening moeten worden

gehouden met de verschillende interpretaties van het planobject, waarna

er op een modernere manier invulling kan worden gegeven aan het

eigenlijke ruimtelijke plan. De thesis richt zich vooral op de voorkant

van het proces, de maatschappelijke processen die van invloed zijn op de

historisch militaire invloed op de hedendaagse ruimtelijke ordening en

heeft daarvoor een postmoderne insteek genomen.

Om recht te doen aan de pluriforme betekenisgeving van die

historisch militaire werken wordt in de thesis gebruik gemaakt

van een identiteitsconstructie, die als uitgangspunt dient voor de

militair cultuurhistorisch planningsarena. Door te doorgronden

hoe een persoonlijke (of groeps-) identiteit wordt gevormd kan ook

inzichtelijk worden gemaakt welke contexten er van invloed zijn op het

planningsproces. De gebruikte identiteitsconstructie gaat uit van de

beelden die men heeft van de historie, de beleving van de plaats en de

Figuur 1 – Contextueel raamwerk voor de planningsarena

80

70

90

60

H

50

10

40

20

30

Figuur 2 – Knoppenmetafoor

C

60 70 80 90 100/0

P

culturen waarin ze leven. Vanuit deze contexten zal de fysieke realiteit

dus geïnterpreteerd worden tot een persoonlijke, geconstrueerde

werkelijkheid en zijn daarmee van invloed op het planningsproces.

De contexten historie, plaats en cultuur zijn onderling op elkaar van

invloed.

De mate van invloed staat echter nooit vast en heeft te maken met de

machtsfactoren die de contexten onderling op elkaar uitoefenen. Op die

manier ontstaat het in figuur 1 gepresenteerde contextuele raamwerk voor

de planningsarena, die vereenvoudigd kan worden tot een metafoor van

knoppen zoals in figuur 2 weergegeven, waarin elke knop een context

representeert en de stand van de knop de invloed van die context op de

planningsarena en de andere contexten.

Om dit contextueel raamwerk toe te passen op de militaire

cultuurhistorische planningsarena wordt vervolgens het begrip

cultuur vervangen door discours. Het begrip discours in deze thesis is

overgenomen van de Franse filosoof Foucault en doelt op een bepaalde

groep mensen, die op een bepaald tijdstip eenzelfde interpretatie heeft van

een onderdeel van de fysieke realiteit. Culturen kunnen dus beschouwd

worden als een discours, of een aantal gerelateerde discoursen, ook wel

discursief veld genoemd. Verder laat een korte analyse van het beleid

omtrent militaire cultuurhistorie zien dat dit vooral draait om de overlap

die gezocht wordt tussen geschiedenis en ruimtelijke ordening, dat in

essentie gelijk staat aan de contexten historie en plaats. De derde context,

cultuur, is dus volgens het contextuele raamwerk van invloed op het

proces van overlap tussen historie en context. Er is dus een discursief

veld van invloed op het behoud van historisch militaire werken, waarbij

het ene discours meer aandacht zal hebben op het verleden en het andere

10 20 30 40

girugten februari 2008

10 20 30 40 50 60 70 80 90


discours meer aandacht zal hebben op de ruimtelijke ordening. Deze

discoursen hebben uiteraard een onderlinge machtswerking, waardoor

de invloed op het proces van verschillende discoursen niet altijd even

duidelijk is. Deze toepassing van het contextuele raamwerk – dat een

postmoderne basis heeft – op de militaire cultuurhistorie is in figuur 3

weergegeven.

Vanuit de drie contexten historie, plaats en cultuur zijn er twee

Figuur 3 – Conceptueel, contextueel raamwerk van de militair cultuurhistorische

planningsarena

praktijkvoorbeelden beschreven. Het Verteidigungsbereich Vlissingen is

een door de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog gebouwde verdediging

in en vooral rond Vlissingen, die deel uitmaakte van de Atlantikwall.

De stad heeft door de eeuwen heen haar militair strategische waarde

bewezen aan de monding van de Westerschelde en ‘tegenover’ Londen,

waarmee het een strategisch belangrijke positie innam. Van met

name het Landfront, het deel dat Vlissingen moest beschermen voor

Geallieerde aanvallen over land, is heden ten dage nog veel te zien. De

tankgracht met bijbehorende flankerende bunkers, pyramide-vormige

tankobstakels en een heuse tankmuur zijn niet te missen in het landschap.

Er is zelfs gedeeltelijk een fietspad langs aangelegd met begeleidende

informatieborden.

Ook onderdelen van de eeuwenoude verdediging in de vorm van Fort

Rammekens werden opgenomen in de Duitse verdedigingswerken. Binnen

de Atlantikwall waren er een aantal van dit soort Verteitigungsbereichen.

Figuur 5 – Torenfort Uitermeer met opgegraven inundatiesluis

girugten februari 2008

Figuur 4 – Tankgracht en bunkers tussen Groot-Valkenisse en

Koudekerke

Al deze verdedigingswerken zijn echter grotendeels verloren gegaan

onder de grote naoorlogse uitbreidingen van deze havensteden. Dit maakt

het Verteidigungsbereich Vlissingen een uniek exemplaar, vanwege het

onaangetaste karakter van de Duitse landsverdediging. Hoewel er vanuit

de Provincie Zeeland op cultuurhistorisch terrein actief beleid gevoerd

wordt voor het behoud van dit unieke stukje Atlantikwall, vormen

provinciale plannen voor een containerhaven een serieuze bedreiging

voor een deel van het Landfront. De actieve Stichting Bunkerbehoud

daarentegen zet zich actief in voor het behoud van alle Duitse objecten

en structuren in Zeeland en is daarmee een actieve speler in de militair

cultuurhistorische planningsarena en wordt daarom ook genoemd in

het provinciale omgevingsplan. De algemene beleving van de objecten

van het Verteidigungsbereich Vlissingen is met het verschijnen van

publicaties van onder andere de Stichting Bunkerbehoud sinds de jaren

’80 van de twintigste eeuw langzamerhand positiever geworden. Dit

verwoordt zich in een bredere acceptatie, interesse en behoud van de

objecten.

Veel verder terug in de geschiedenis werd er in het rampjaar 1672 voor

het eerst een waterlinie in werking gesteld. Deze is nu bekend als de Oude

Hollandse Waterlinie. Grote delen van laaggelegen land op een lijn van

Muiden, langs Woerden (dus ten westen van Utrecht) naar de Biesbosch

werden onder water gezet en op de zwakke plekken versterkt door

tijdelijke schansen. De verschillende vestingsteden vormden strategische

punten in de verdediging van Holland en beschermden de gevaarlijke

riviertoegangen. Nadat de waterlinie haar vruchten had afgeworpen en

de Fransen tot staan had weten te brengen werd de waterlinie in een meer

19


20

Masterthesis

80

70

90

60

100/0

C

50

10

40

20

80

70

30

90

60

100/0

H

50

definitieve vorm verbeterd en uitgebreid met militaire werken, tot dat in

1815 de Nieuwe Hollandse Waterlinie in gebruik werd genomen. Met

deze nieuwe linie werd ook Utrecht beschermd voor aanvallen vanuit het

oosten, door het middelste deel van de Waterlinie naar de oostkant van

de stad te verplaatsen. Vandaag de dag is er weinig meer te zien van de

Oude Hollandse Waterlinie, buiten de vestingsteden en werken die ook

in de Nieuwe Hollandse Waterlinie een rol hebben gespeeld.

Maar dat sluit ook aan bij de gedachte van een waterlinie, deze hoort

in vredestijd niet te zien te zijn, maar klaar te liggen voor gebruik bij

vijandelijke aanvallen. Hoewel er voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie

al veel beleid is geschreven ten behoud – gedreven door het ‘Panorama

Krayenhoff’-, is er nog weinig aandacht voor de Oude Hollandse

Waterlinie. Waar er geen overlap is met de Nieuwe Hollandse Waterlinie, is

deze dan ook vaak niet terug te vinden in gemeentelijke structuurplannen

10

40

20

30

C

10 20 30 40 50 60 70 80 90 100/0

P

10 20 30 40 50 60 70 80 90 100/0

80

70

90

60

100/0

C

50

10

40

20

30

R

W=f(R,Ce,Cn)

Figuur 6 – Uitgebreide knoppenmetafoor met

onderscheid tussen realiteit en werkelijkheid

en in marginale bewoordingen in provinciale plannen. In de opkomende

interesse voor de militaire cultuurhistorie zag de Stichting Groene Hart

echter een nieuwe kans om het door hun zo geliefde groene hart van

een nieuwe manier van bescherming te voorzien. In het kader van de

Nota Belvedere is er een zogenaamde ‘Agenda voor de Oude Hollandse

Waterlinie’ geschreven, waarin uiteengezet wordt op welke manieren

deze waterlinie beschermd en geaccentueerd kan worden.

Deze twee praktijkvoorbeelden zijn geanalyseerd aan de hand van de

beschreven theorie. In deze analyse bleek dat het nuttig was de contexten

historie, plaats en cultuur te verdelen over realiteit en werkelijkheid.

Met de realiteit wordt hier bedoeld hetgeen waar je tegen op loopt, de

fysieke constructie dus. De werkelijkheid is de manier waarop de realiteit

wordt geïnterpreteerd, de sociale constructie dus. De analyse van de

drie contexten liet zien dat het om interpretaties gaat van met name de

girugten februari 2008


contexten verleden en plaats door verschillende discoursen. Verleden en

plaats kunnen dus in de realiteit geplaatst worden en de discoursen (of

culturen) in de werkelijkheid, binnen deze discoursen liggen namelijk de

kaders waarbinnen de werkelijkheid gevormd wordt. Hiermee zijn dus

ook de interpretaties van het verleden en de plaats in de werkelijkheid

terecht gekomen. Eén en ander is weergegeven in een verbouwde

knoppenmetafoor in figuur 6.

Uit de figuur blijkt ook dat interpretaties van een andere cultuur of

discours ook van invloed is op de eigen interpretatie, immers, de lezers

van dit artikel zullen na het lezen hiervan een andere interpretatie hebben

van militaire cultuurhistorie, waardoor ze dus beïnvloed zijn door dit

artikel. Hierdoor is inzichtelijk gemaakt dat een werkelijkheid (W) een

afgeleide is van de realiteit (R), de normen en waarden binnen de eigen

cultuur (Ce) en de interpretaties van andere culturen (Cn).

De verschillende culturen die zich in de werkelijkheid van de militair

Figuur 7 – Contextueel, conceptueel raamwerk van militair cultuurhistorische

planningsarena met discursiviteiten

cultuurhistorische planningsarena bevinden zijn verder onder te verdelen

in twee belangrijke discourstypen. Het gaat hierbij om professionele

discoursen en vrijwillige discoursen, waarmee respectievelijk overheden

en stichtingen bedoeld worden. Binnen deze discoursen bestaat

een spectrum (discursiviteit) waarop de interpretatie van militaire

cultuurhistorie geplaatst kan worden. Voor de professionele discoursen

reikt dit spectrum van het actief beleid voeren voor behoud van

historisch militaire objecten tot het ondergeschikt maken van militaire

cultuurhistorie aan andere belangen zoals ruimtelijk economische

belangen. Bij de vrijwillige discoursen richt het spectrum zich op de

doelstellingen van de stichtingen, waarbij aan het ene eind de doelstellingen

staan die directe relaties hebben tot militaire cultuurhistorie en aan de

andere kant de doelstellingen staan die onbewuste relaties hebben met

militaire cultuurhistorie, zoals bijvoorbeeld landschapsbehoud, dat in

het geval van de Oude Hollandse Waterlinie ook het behoud van de

inundatievelden behelst. De spectrumeinden van de twee discourstypen

zijn in te passen in het eerder geschetste raamwerk van de militair

cultuurhistorische planningsarena, zoals in figuur 7 gedaan is.

De conclusie is dat professionele overheidsdiscoursen die actief beleid

voeren voor het behoud van militaire cultuurhistorie een belangrijke

girugten februari 2008

rol spelen, en dat deze wordt aangevuld en versterkt door opkomende

discoursen die zich op vrijwillige basis met deze militaire cultuurhistorie

bezighouden. Deze vrijwillige discoursen kunnen zelfs zo machtig

zijn dat ze professionele discoursen die militaire cultuurhistorie als

ondergeschikt belang zien, deze op een succesvolle manier kunnen laten

bijdraaien ten behoeve van het behoud van historisch militaire werken

en structuren. Als een overheidsorgaan zich wil inzetten voor het

behoud van historisch militaire werken, biedt het contextueel raamwerk

van historie, plaats en cultuur een goed selectiecriterium om te bepalen

welke actoren er een positieve rol kunnen gaan spelen in de militair

cultuurhistorische planningsarena, en om de negatief ingestelde actoren

te doorgronden en een meer positieve insteek te geven door middel van

wilsvorming.

De thesis met uitgebreide bibliografie is in te zien op http://home.wanadoo.nl/

vosinfra/thesis.pdf

21


-door Bart Booij-

22

Alles is geografie

V l a g g e n

Geografie is bij uitstek de studie van landen en hun bijbehorende culturen. Wie denkt aan Hofstedes ui-model van cultuur (waarden,

rituelen, helden en symbolen) moet bedenken dat hét symbool van een land haar vlag is. Vlaggen hebben in de loop der eeuwen een

bijzondere status gekregen in (met name) de westerse cultuur. In menig grondwet wordt het bezoedelen

van de vlag (het op de grond gooien of in brand steken ervan) gelijkgesteld met landverraad. De status die

vlaggen gekregen hebben als symbool van een land is vaak af te lezen in de symboliek die in de vlag zelf

schuilgaat. Bijna elk land heeft officieel vastgesteld waar de vorm, kleuren en de eventuele emblemen of

wapens voor staan. Teksten als ‘Rood staat voor het bloed vergoten in de vrijheidsstrijd’ en ‘Geel staat voor

een gouden toekomst’ komen veel voor. In de praktijk zijn de eigenschappen van de vlag veelal om andere

redenen gekozen en is de betekenis pas later toegekend.

Neem nu bijvoorbeeld de zogeheten ‘pan-slavische’ kleuren. De kleuren rood, wit en blauw komen in de vlaggen

van landen als Rusland, Servië, Slowakije, Tsjechië en Kroatië voor. Het zijn de kleuren waarmee elk van de landen

haar Slavische achtergrond wil laten zien. Voor Rusland zouden de kleuren voor de tsaar (wit), de adel (blauw)

en het volk (rood) staan, vandaar dat voor die volgorde gekozen is (de tsaar staat natuurlijk boven de adel, welke

weer boven het volk behoort). Erg leuk die betekenis, maar het is bekend dat tsaar Peter de Grote in de 17e eeuw

naar de Nederlanden kwam om scheepsbouw te bestuderen en op zijn terugreis niet alleen kennis, maar ook het

ontwerp van de vlag meenam. Nederland was in die tijd en eigenlijk tot aan de Franse Revolutie een van de weinige

republieken. Het is dan ook geen wonder dat de Fransen het rood-wit-blauw overnamen toen ze de eerste Franse

Republiek stichtten. Een logisch gevolg daarvan is dat de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijders dit rood-witblauw

overnamen voor hun ‘star-spangled-banner’.

Waarom was die Nederlandse vlag eigenlijk rood-wit-blauw? Het is toch zeker ‘oranje-blanje-bleu’ (van het Franse

‘orange’, ‘blanche’ en ‘bleu’) en ‘Oranje-boven’? Vaak wordt verklaard dat de republiek voor rood gekozen heeft om

zich te distantiëren van het Huis Oranje-Nassau. Rood wordt door veel landen in hun vlag als kleur van de republiek

als staatsvorm gezien. Echter, het veel donkerder rood is veel beter te onderscheiden van het vale oranje, met name

op zee. Dus was het een zeer praktische reden die de Nederlandse vlag heeft gevormd zoals hij nu bestaat.

Maar niet alleen praktische redenen steken de kop op als men in de wondere wereld van de vlaggenkunde duikt. Ook

echte symboliek duikt op. Neem nou de vlaggen van de landen Guatemala, Honduras, El Salvador, Nicaragua en

Costa Rica welke allemaal afgeleid zijn van de losse federatie die ze ooit vormden, de Verenigde Staten van Centraal

Amerika. De vlag van deze staat bestond uit drie horizontale banen, blauw-wit-blauw en stelde het land (wit) tussen

de Caribische Zee en de Stille Oceaan voor. De vlaggen van de eerder genoemde landen zijn allen blauw-wit-blauw

hoewel de vlag van Guatemala nu verticale banen heeft en Costa Rica een rode baan door de witte heeft (omdat de

vrouw van de eerste president de Franse tricolore zo mooi vond). Zo kan je er dus bijna altijd zeker van zijn dat het

land dat bij een blauw-wit-blauwe vlag hoort in Midden-Amerika (een uitzondering is Argentinië).

Figuur 1: Pan-slavische vlaggen

Deze conclusie brengt het hele vlaggenverhaal weer richting de geografie, immers, ‘Alles is Geografie’. Naast de eerder besproken pan-slavische

kleuren bestaan er ook zoiets als de pan-arabische en pan-afrikaanse kleuren. Wanneer je een vlag met de kleuren rood, wit, groen en zwart tegenkomt

kan je er redelijkerwijs vanuit gaan

dat het om een Arabische vlag gaat.

De kleuren groen, geel en rood staan

voor Afrika en zijn afgeleid van de

vlag van Ethiopië.

Vlaggen staan dus niet alleen symbool

voor een land alleen, maar ook

Verenigde Staten van

Centraal-Amerika

Costa Rica

Figuur 2: Midden-Amerikaanse vlaggen

El Salvador Guatemala

Nicaragua

Honduras

Servië

Kroatië

Rusland

Tsjechië

voor haar verbintenis met anderen.

Een vlag symboliseert een zelfde

geschiedenis, ideologie of cultuur in

zijn algemeen. Sommige vlaggen zijn

tot stand gekomen als persoonlijke

gril van de ontwerper, anderen

hebben een lange geschiedenis

voor ze hun huidige vorm hebben

gekregen. Zeker is dat alle vlaggen

staan voor een nationale eenheid,

hoe fragiel ook.

girugten februari 2008


Grijze Groningers

girugten februari 2008

De Top 5

Piet van Dijken (1949)

Waarschijnlijk voor niet-Groningers de minst bekende uit deze lijst, maar zeker niet de minste. Piet van Dijken is

een rasechte stadjer en is werkzaam bij zowel RTV Noord als OOG TV. Elke werkdag rond het middaguur is Piet te

vinden in de buurt van de Bakker Bart in de Herestraat, om de mening van de ‘man op de straat’ te peilen over de meest

uiteenlopende onderwerpen. Live op de radio bestookt hij het winkelend publiek met zijn rake vragen. Zo vroeg hij ooit

eens aan een Duits echtpaar of zij een ‘tagje aus’ waren. Op TV Noord is hij te zien met eenzelfde programma, Prietpraat.

Tevens heeft hij op OOG TV zijn eigen interviewprogramma, Piet Op Het Nieuws, waarin hij stad-Groningers aan de

tand voelt over actuele onderwerpen. Door zijn persoonlijke aanpak, hij staat doorgaans nooit verder dan 25 centimeter

van de geïnterviewde, weet Piet vaak de kern van de zaak te komen, vaak ook niet. Ondanks zijn lange staat van dienst

is hij nooit echt doorgebroken, toch is hij met recht een bekende Groninger die niet in dit rijtje mag ontbreken.

Lenie ’t Hart (1941)

De beschermvrouwe van de zeehonden, zonder wie Pieterburen een anoniem plaatsje op het Hogeland zou zijn geweest.

Lenie strijdt sinds 1971 fanatiek voor ‘haar’ huilers en heeft daar veel voor over. Elk jaar is zij wel te zien op het journaal,

zodra het ‘seizoen’ van de zeehondenvoortplanting, met alle weeszeehondjes tot gevolg, weer begonnen is. Recentelijk

was echter de locatie van de Zeehondencrèche onderwerp van gesprek. Doordat de opvang binnen de gemeente de

Marne niet meer kon uitbreiden, moest er een nieuwe locatie gevonden worden. Medio 2010 zal de crèche verhuizen

naar een nieuw onderkomen in Delfzijl. Lenie is naast dierenvriend ook een echte Groninger, en presenteerde in de jaren

tachtig het ‘Groninger Programma’ op Radio Noord.

Driek van Wissen (1943)

Deze voormalig leraar Nederlands op het Dr. Aletta Jacobs College in Hoogezand is sinds 2005 de ‘Dichter des

Vaderlands’. Hij kreeg deze erebaan door hoogstpersoonlijk campagne te voeren, onder andere met behulp van gegraveerde

balpennen. In de functie van ‘Dichter des Vaderlands’ schrijft Driek gedichten die aansluiten bij de actualiteit. Zijn

gedichten kenmerken zich door vaak veel humor en herkenbaarheid. Hij schrijft vaak in de snelsonnetvorm (rijmschema:

abba). Productief is hij in ieder geval, op de website www.nederlands.nl staan maar liefst 900 gedichten van zijn hand.

Driek is als leraar Nederlands een echte taalpurist en die hoedanigheid schreef hij voor het Nieuwsblad van het Noorden

een rubriek over verkeerd taalgebruik. Gronings zul je hem dan ook nooit horen spreken, maar als geboren en getogen

Groninger en opvallende persoonlijkheid mag hij toch niet ontbreken in deze lijst.

Jaap Nienhuis (1935)

Deze fraai besnorde weerman is vaak te zien op TV Noord, waar hij afwisselend met Derk Bosscher het weerpraatje

doet, in het Gronings uiteraard. Mede door zijn opvallende snor is Jaap, of Jopke voor de Groningers, al een paar keer

gevraagd om op de nationale televisie uitleg te geven over allerhande onderwerpen. Zo verscheen hij zelfs een keer

bij rasinterviewer Ivo Niehe met een rode lantaarn op de bank, om te vertellen over de Elfstedentocht. Jaap Nienhuis

kwam in de barre tocht van 1963 namelijk als allerlaatste over de finish, vlak voor twaalf uur ’s nachts. In 1986 en 1997

voltooide hij opnieuw de ‘tocht der tochten’, waarin hij beide malen (net als de eerste keer) aan de start verscheen met

Friese doorlopers en zelfgebreide wanten. Overigens finishte hij in de twee laatste tochten niet als laatste. Naast reeds

genoemde bezigheden is Jaap een verdienstelijk toneelspeler en ULV-vlieger. Door zijn markante voorkomen en steevast

gebruik van de Groninger taal is ‘Jopke Nainhoes’ zeker een bekende Groninger.

Max van den Berg (1946)

Alhoewel hij niet in Groningen geboren is (Oldenzaal) heeft Max van den Berg toch een grote invloed gehad op met

name de binnenstad van Groningen. Na zijn studie Sociologie in Groningen werd hij al op 24-jarige leeftijd wethouder

van onder andere Verkeer, in een college waarin verder Jacques Wallage zat. Het meest bekende (en wellicht beruchte)

besluit van dit college is het Verkeerscirculatieplan. Dankzij dit plan werd de binnenstad een ramp voor auto’s en een

stuk vriendelijker voor fietsers en wandelaars, wat ook het doel was. Het stuitte in de beginfase op nogal wat weerstand,

maar dat is tegenwoordig grotendeels weggeëbd. Na zijn wethoudersschap vertrok hij richting Zuid-Amerika, om

vervolgens in de PvdA carrière te maken. Hierna werkte hij nog als directeur van Novib en als Europarlementariër.

Vanaf september 2007 is hij terug in Groningen, als commissaris van de Koningin, hij volgde Hans Alders op. Zijn

eerste speerpunt was het door laten gaan van de Zuiderzeelijn, hopelijk is een slecht begin niet het halve werk.

23

-door Pieter Jan Karsijns-


-door Jitze Maatman-

24

Op de bank van...

In ‘Op de bank van…’ komen personen aan het woord die een

bepaalde functie binnen onze faculteit vervullen. Er gebeurt meer

aan onze faculteit dan de gemiddelde lezer vaak zal vermoeden.

Daarom een kennismaking met de functies en de personen die

hier invulling aan geven.

Op de bank van Corien Kuiper

Vorig jaar is Corien Kuiper als lijsttrekker van Pro Geo verkozen tot

de studentengeleding van de Faculteitsraad. Per 1 september 2007 was

de wisseling van de wacht en sindsdien is zij vice-voorzitter van de

Faculteitsraad en voorzitter van Pro Geo.

Corien, een korte introductie graag.

Ik ben Corien, geboren op 29 juli 1987, dus nu 20 jaar oud. In 2005 ben ik

begonnen aan onze faculteit met het studeren van Sociale Geografie en

Planologie. Dit Bachelordiploma verwacht ik dit jaar te halen, daarna wil

ik beginnen met de Research Master. Ik heb vorig jaar de Buitenlandse

Excursie van Ibn Battuta medegeorganiseerd, daarnaast zullen sommige

studenten mij kennen als student-assistent bij het eerstejaarsvak Fysische

Geografie.

Wat voor bank heb je en waar staat deze?

Ik heb een kamer aan de Korreweg, het schoolplein van een basisschool

grenst aan mijn tuin, dat betekent altijd vroeg wakker worden. Uitslapen

is er niet bij wanneer schreeuwende kinderen praktisch in je achtertuin

staan. In mijn kamer staat een bank van een onbestemde kleur, roodoranje-roze

komt het dichtst in de buurt denk ik. De bank komt bij de

Mamamini vandaan. In de tuin staat ook nog een afgeleefde bank, maar

daar wil je echt niet op zitten.

Hoe ben je op de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen

terechtgekomen?

Ik ben begonnen met een bezoek aan de onderwijsbeurs

in Groningen. Toen ik eenmaal het besluit had genomen

in Groningen te gaan studeren ben ik gaan afstrepen.

Mijn vader heeft hier vroeger ook gestudeerd en hij

heeft me op deze faculteit gewezen. Ik heb toen nog

verschillende voorlichtingsdagen bezocht en heb hier

meegedaan aan een meeloopdag. Professor Huigen

ontving ons erg enthousiast, we hebben nog een gisoefening

gedaan en een geografische fietstocht gehad.

Op het Dr. Nassaucollege in Assen hadden we ook

een erg enthousiaste aardrijkskundeleraar, misschien

is daar mijn interesse in de geografie wel begonnen.

En het bevalt?

Ja, het bevalt uitstekend. Ik vind het erg leuk en mijn resultaten zijn

niet slecht. Als je goede cijfers haalt kun je meedoen aan het Challenge

Program, ik ben met een groepje een week naar Cork geweest voor ons

groepsonderzoeksproject. Het onderzoek voor mijn bachelorproject

zal waarschijnlijk een case-study in een Europese stad zijn. Dat soort

dingen maken de studie ook extra leuk. Misschien dat ik tijdens mijn

master nog een tijdje in het buitenland ga studeren. Op dit moment

doen er nog weinig studenten de Research Master, maar het is wel een

master met erg veel mogelijkheden. Ik weet nog niet wat ik daarna ga

doen, misschien werken als onderzoeker op de universiteit, provincie of

een hogere overheid. Ik zie een gemeentelijke of commerciële functie in

ieder geval niet zo zitten.

Hoe word je voorzitter van Pro Geo?

Ik heb vorig jaar gesolliciteerd naar een plaats op de verkiezingslijst van

de Faculteitsraad, in principe kan elke student dat doen. De verkiezingen

waren in mei, maar de raden wisselen per september. In de raad zitten

vijf medewerkers en vijf studenten, de studentgeleding van de raad

vormt ook het bestuur van stichting Pro Geo. Ik was bij de verkiezingen

lijsttrekker, in overleg met de andere gekozenen zijn de functies verdeeld

en ben ik voorzitter geworden.

Wat doet de voorzitter van Pro Geo?

Ik leid de wekelijkse vergaderingen. We hebben vijf mondige

types in het bestuur, dus de moeilijkste taak is het orde houden in

fractievergaderingen! Verder moet ik natuurlijk de grote lijnen in de

gaten houden. In principe ben ik eindverantwoordelijk, als voorzitter

delegeer je, maar uiteindelijk doen we het met z’n allen. Daarnaast ben

ik vice-voorzitter van de Faculteitsraad. De afgelopen twee jaar was

de voorzitter van de Faculteitsraad een student. Nu is dat weer een

docent, meneer Strijker. Hij bevalt erg goed, soms zou je hem zelfs

overenthousiast kunnen noemen. De studentenfractie in de F-raad

vertegenwoordigt alle studenten. Wij kunnen alle zaken die van belang

zijn op de agenda laten zetten, in de praktijk zijn dat meestal dingen die

verbeterd kunnen worden. We zijn nu nog een redelijk kleine faculteit

dus de lijnen zijn kort en voor ons is het nog mogelijk om contact te

houden met de meeste docenten, studenten en medewerkers.

Kun je het makkelijk naast je studie doen?

Het gaat nog steeds goed. In het begin was het aanpoten, nu het loopt en

we wat meer routine hebben is het goed te doen. In mijn geval heeft het

tot dusverre geen studievertraging opgeleverd. Er staat tien uur per week

voor maar in de praktijk ben je er meestal wel langer mee bezig. Het

wordt ook financieel gewaardeerd door de universiteit met drie maanden

bestuursbeurs, daarmee kun je eventuele vertraging compenseren. Buiten

studeren en Pro Geo doe ik ook nog genoeg andere

dingen, ik schaats bijvoorbeeld regelmatig en ben

natuurlijk bij alle borrels van Ibn Battuta aanwezig.

Hebben jullie al resultaten geboekt dit jaar?

We hebben al een aantal notities geschreven die

positief ontvangen zijn. De samenwerking met de

andere studentenorganisaties aan de faculteit is erg

goed. We organiseren ook samen met Ibn Battuta de

boekenverkoop. Met de opleidingscommissies worden

de vakken en het curriculum geëvalueerd. We gaan

altijd meteen aan de slag met allerlei klachten die we

van studenten krijgen, dat soort kleine dingen zijn voor

de studenten eerder zichtbaar dan de grote lijnen. We

zijn ook nog bezig met dingen van een jaar of twee jaar

geleden, die nemen wij over. In de onderwijswereld

gaat het helaas allemaal niet zo snel als je zou willen,

een jaar is dan eigenlijk best kort.

Wat staat er nog te gebeuren?

We hebben in ons beleidsplan geschreven dat er meer aandacht moet

worden besteed aan het nabespreken van vakken en projecten. Studenten

moeten ook weten wáárom ze iets wel of niet gehaald hebben, niet alleen

dát ze iets gehaald hebben. Dan kun je slechte dingen verbeteren en

vasthouden aan de dingen die je al goed doet. Daar zijn we nu druk mee

bezig. Verder valt er altijd wel iets te verbeteren. Studenten kunnen altijd

alles kwijt bij Pro Geo. Via onze klachtenbox op www.progeo.nl, mailen

naar info@progeo.nl of persoonlijk bij een opleidingscommissielid of

een bestuurslid. Je kunt natuurlijk ook zelf actief worden. In maart zijn er

weer gesprekken voor de nieuwe lijst, dus ik zou iedereen willen vragen

om te solliciteren. Afgelopen jaar stonden er maar zes mensen op de lijst,

het zou goed zijn als er meer te kiezen is. We hadden bij de afgelopen

verkiezingen sinds lange tijd niet meer het hoogste opkomstpercentage,

dat willen we dit jaar natuurlijk wel weer hebben. De betrokkenheid is

altijd groot, net als de waardering vanuit de faculteit!

girugten februari 2008


Mededelingen van Faculteitsvereniging Ibn Battuta

Nu na de kerstvakantie, waarin iedereen hopelijk zijn welverdiende rust

heeft gekregen en ook de tweede tentamenperiode alweer achter de rug

is, is het studiejaar toch al weer een aardig eind op weg. De afgelopen tijd

heeft Ibn Battuta natuurlijk ook niet stil gezeten.

Congressen en symposia

Er wordt hard gewerkt om te zorgen dat ook de komende tijd weer vol

staat met leuke en interessante activiteiten. Op 7 maart zal bijvoorbeeld

het mede door Ibn Battuta georganiseerde Nationale Planologen

Symposium plaatsvinden in Amsterdam. Met als thema ‘Het einde

van het groene hart?’ wordt de hele dag door middel van lezingen en

verschillende workshops gekeken hoe het groene hart er nu voor staat

en worden er verschillende scenario’s uitgewerkt voor de toekomst van

dit gebied.

Behalve voor de planologen wordt ook voor de geografen een soortgelijke

dag georganiseerd en wel op 1 april. De precieze invulling van deze

dag is nog niet bekend, dus houdt de website in de gaten voor meer

informatie.

Op 2 april wordt voor iedereen die wel eens wat verder wil kijken dan zijn

studie de Carrièredag georganiseerd door Ibn Battuta en Pro Geo. Ben

jij ook benieuwd waar je zoal terecht kunt komen na je studie? Of wil je

wel eens met potentiële werkgevers in contact komen? Vandaag komt dit

alles met behulp van workshops, bedrijfsbezoeken en een netwerkcafé

uitgebreid aan bod.

Commissieleden gezocht

Voor de nieuwe Almanakcommissie zijn wij opzoek naar enthousiaste

studenten die zin hebben om een spetterend jaarboek in elkaar te zetten

voor het volgende jaar. Ben jij creatief en heb jij zin om er samen met

een gezellige commissie een prachtig boekwerk van te maken? Schrijf je

dan nu in voor de Almanakcommissie door een mailtje te sturen naar

ibn.battuta@rug.nl.

girugten februari 2008

Activiteiten

Ibn Battuta

Het hoogtepunt van de afgelopen tijd was natuurlijk het grote kerstgala,

waar 2007 feestelijk en in stijl werd afgesloten. Coverband Big Nick

bracht al gauw alle aanwezigen in goede stemming en ook de aangevlogen

fotograaf wist menig koppeltje of vriendengroep voor zijn lens te krijgen.

Voor wie dit alles nog niet genoeg was, waren er altijd nog de casinotafels

waar velen hun geluk kwamen beproeven. Tot diep in de nacht werd er

tenslotte doorgedanst op de muziek verzorgd door onze dj’s.

Daarnaast vond in het laatste weekend van november de langverwachte

Korte Buitenlandse Excursie plaats. 30 enthousiaste geografen en

planologen gingen vier dagen op pad om het Belgische schoon van

Brugge en Gent eens nader te aanschouwen. Beide prachtige historische

steden werden in stadswandelingen uitgebreid verkend en in Gent kon

men na het schitterende uitzicht vanaf de vestingwerken ook nog eens

genieten van een tot ontploffing gebracht flatgebouw. Natuurlijk mag

in een land als België het eten en drinken niet vergeten worden. Zo

kon men elke avond naar hartenlust proeven van Belgische culinaire

hoogstandjes, werden alle ins en outs van het bierbrouwproces van

dichtbij bekeken in de plaatselijke brouwerij en was er voor wie dat nog

niet genoeg was ook nog het chocolademuseum te bezichtigen. Moe

maar bijzonder voldaan kon iedereen na dit alles met een goed gevoel

weer terug naar Groningen.

Ook de commissies zijn natuurlijk druk bezig gebleven. Op 17 december

werd er een lezing gehouden over het Provinciaal Omgevings Plan, waar

de aanwezigen een uitgebreid inzicht in geboden werd. Ook bezocht

begin december een groep studenten Mainz op uitwisseling en werd

er een groots nieuwjaar gevierd met studenten uit heel Europa. De

eerstejaarscommissie liet na de vakantie iedereen weer kennis maken

met die vergeten kroegjes op de spectaculaire 11kroegentocht, en ook

de driewekelijkse borrels waren weer goed bezocht. Tot slot kraakten

in januari ruim 80 geografen en planologen hun hersens op de jaarlijkse

Ruimtelijke Wetenschaps-quiz, met honderd pittige vragen over alles

wat met ons vakgebied te maken heeft.

Heb je nog vragen over activiteiten van Ibn Battuta of wil je je inschrijven

voor activiteiten of commissies? Ga dan naar www.IbnBattuta.nl of een

mailtje naar ibn.battuta@rug.nl

25


26

Pro Geo

Een Pro Geo verslag:

De eerste week van het nieuwe jaar.

De eerste week van het nieuwe jaar kan voor mij persoonlijk niet beter beginnen:

Maar liefst drie vergaderingen liggen er voor mij in ’t verschiet. Een vergadering van de Sport- en Spelcommissie van Ibn Battuta, eentje van de

Carrièredagcommissie en, de belangrijkste, de eerste Pro Geo-vergadering van het nieuwe jaar. Het blijft hobby. Maar wat een mooie. Voor de

verandering ben ik eens één van de eersten, dit vooral omdat ik al een vergadering achter de kiezen had….Oh nee wacht….dat is niet zo. De rest is

wat later vanwege een college Culturele Geografie 2. Mirthe Biemans van de SOG staat al vrolijk trappelend te wachten tot iemand de poort naar het

Walhalla der studentenbelangenbehartigers zal openen, ofwel de deur naar de Pro Geo-kamer. Nadat dit is gebeurd neemt iedereen plaats en hoera!

Ik mag notuleren. Een uitdaging des te groter, aangezien de computers net zo traag opstarten als ik van begrip ben na een avond flink doorhalen in

de stad. Goed, MS Office is niet te gebruiken, dus dan maar pennen en het later uittypen. Tijdens de vergadering komen punten aan de orde zoals

de blokkaderegeling van 40 Ect’s, nakijktermijnoverschrijdingen (galgjewoord) en de nieuwe onderwijsdirecteur ter sprake.

(Is er een nieuwe onderwijsdirecteur dan?)

Maar goed, de vergadering loopt lekker vlot en na anderhalf uur zijn we al weer bijna klaar als net voor het einde Bart Beemsterboer van de GSb met

de deur in huis valt. Geen paniek, Bart heeft nog genoeg tijd om zijn verhaal te doen. Na het vaststellen van de datum voor de volgende vergadering

is het tijd voor mijn volgende vergaderingen. Maar daarover zeg ik hier niets, we gaan door naar de volgende dag, waarop er een nieuwjaarsborrel

in café Het Pleidooi wordt gehouden. Ik als kampioen warhoofd heb echter deze heugelijke activiteit niet op dinsdag, maar op donderdag gepland,

waardoor ik er veel te laat ben. Maar goed, daarna volgt er nog een etentje met Pro Geo en daarna wéér een borrel. De borrel is jammer genoeg veel

te gezellig en ik beland daardoor ietsjes te laat in mijn bed. Gelukkig is de vergadering van de Faculteitsraad pas op donderdag…

Donderdag: Faculteitsraad.

Vandaag is de eerste faculteitsraadsvergadering van het nieuwe jaar. Iedereen is vol frisse moed, want als iedereen is aangeschoven is de sfeer nogal

vrolijk. We gaan beginnen. Er zijn ook toehoorders aanwezig: het studentlid van het Faculteitsbestuur, enkele mensen uit de Universiteitsraad en

iemand van de UK. Het is een gezellige boel, maar er wordt ook serieus vergaderd. Belangrijke punten als de klimaatbeheersing in het nieuwe pand,

de nieuwe onderwijsdirecteur (jaja), GIS, roosters en nog enkele andere passeren de revue. De vergadering verloopt soepel, al wordt wel duidelijk dat

Pro Geo de komende tijd weer een hoop te doen krijgt. Maar dat is niet erg, want we doen het met plezier. We doen het voor JULLIE!

Met vriendelijke groeten,

Namens Pro Geo,

Gert-Jan van der Veen

PS: Wil jij je ook een jaar inzetten voor studentenbelangen aan onze faculteit en vergaderen op hoog niveau? Pro Geo biedt je de kans! Een jaar

faculteitsraad is goed voor je ontwikkeling, staat leuk op je CV en is een prima bijverdienste. Binnenkort start de werving van nieuwe student-leden

voor de faculteitsraad, dus hou het in de gaten!

Meer informatie via www.ProGeo.nl of info@progeo.nl.

girugten februari 2008


Verschijning volgende

nummer: begin april

girugten februari 2008

Volgende keer...

België

Deadline:

11 maart

27


-door Nic Verbij-

Uit het buitenland

Verenigd Koninkrijk, Oxford.

Sinds afgelopen voorjaar zit ik regelmatig voor mijn afstudeeronderzoek (Master CG) in de voor iedereen wel bekende

universiteitsstad Oxford. En ik moet zeggen; het is een bijzondere ervaring om door de stad te lopen en de verschillende

colleges te zien waar ‘de groten der aarde’, zoals Bill Clinton, hebben gestudeerd. Daarnaast is Oxford de stad waar de

wereldberoemde fantasy schrijvers, J.R.R. Tolkien, C.S. Lewis, bij elkaar kwamen in de pub The Eagle and Child, om hun

werk te bespreken in een groep van schrijvers die de The Inklings worden genoemd (wat een dubbele betekenis heeft,

namelijk een ingeving en ink van de schrijvers pen). Na een bezoek aan de bioscoop voor de verfilming van de Golden

Compass - Philip Pullman is net als bovengenoemden indertijd een professor aan de Univeristeit van Oxford - is het zeker

de moeite waard om in de pub van de Inklings een goede pint te halen.

Aan historie dus geen gebrek in Oxford. Maar is de stad eigenlijk de moeite waard om te gaan studeren? Voor mij zeker,

mijn afstudeeronderwerp vindt plaats in het VK en de Bodleian Library is een ware schat aan informatie, waar ze zonder

overdrijven bijna elk academisch boek hebben dat ooit gepubliceerd is. Verspreid door de stad zijn over de honderd

bibliotheken waarvan er meerdere vele malen groter dan onze UB. Daarnaast vond ik het persoonlijk erg inspirerend om

in een omgeving te werken die je uitdaagt om alles eruit te halen wat binnen je mogelijkheden ligt.

Maar daarnaast, is Engeland natuurlijk bekend om zijn pubcultuur en zijn lauwe en overvolle glazen bier. Op de vraag

waarom het zo vol moest kreeg ik steevast het antwoord dat je ervoor betaalt, maar de oplossing van een wat groter glas,

waardoor wel een pint bier zonder morsen verplaatst kan worden, werd niet met gejuich ontvangen. Het blijkt maar weer

dat de ervaring van een natte hand en het idee van zo veel alcohol als er mogelijk in een glas past niet weg te denken valt

in het land waar Binge drinkin’ uitgevonden lijkt te zijn. Een duidelijk verschil met stappen in Groningen is dat mensen

hun best doen om er goed uit te zien als ze een biertje gaan pakken (of ligt dit aan mijn eigen laksheid?). Kerels zien er vaak

wat suf en netjes uit, waar de dames, niet schuw van erg lage decolletés, erg veel aandacht besteden aan een voorkomen dat

(soms misleidend) uitnodigend is. Voor een land waar de standaard van normen en waarden zogenaamd heel hoog ligt, was

dit voor mij een onverwacht en in vele gevallen ook ongewenste manifestatie.

Maar het mooiste van het VK is toch wel het land zelf. Cornwall (Zuidwest) waar je prima kan surfen en waar een fantastische

sfeer hangt van oude T1 busjes en surfer dudes. Tot Schotland waar ik op verschillende feesten Schotse volksdansen heb

mogen ervaren, wat misschien wat truttig klinkt, maar onwaarschijnlijk veel plezier en grappige momenten oplevert.

Het land is duur, soms onvriendelijk (een lach bij de caissière kan je vergeten) maar het heeft ook heel veel te bieden. Alles

lijkt extremer in het VK, meer alcohol, langere werkdagen, meer salaris en een sneller leven. Aan de andere kant is het

platteland nog echt ‘plat’, waar je uren rond kan lopen zonder iemand tegen te komen en in een verlaten dorpje een pint te

pakken in de lokale pub.

More magazines by this user
Similar magazines