27 Juli 1926 Van Sllngelandtstraat 70 Den Haag Behandeling van ...

webstore.iisg.nl

27 Juli 1926 Van Sllngelandtstraat 70 Den Haag Behandeling van ...

Adres voor Redactie en Administratie

Van Sllngelandtstraat 70 Den Haag

A D H E S V E R:A NDERINGEN.

De Kringsecretaris doet een ernstig beroep op de leden die

verhuizen om hem toch tydig hun adresverandering op te

geven. Het is voor hen een kleine moeite en het bespaart

hem veel overlast. > •

INHOUD. Behandeling van vak-vraagstukken. — De vorming

van den journalist. — Officieele Mededeelingen: De Najaarsledenvergadering

; Representatie; De Kringvoorzitter; Ledenlijst.

_ Plaatselyke en Gewestelyke Vereenigingen: De A. P.

op stap. — Algemeene belangen: Ons uitstapje naar Schoonhoven;

Een noenmaal met Mr. A. R. Zimmerman; Het incident

aan de Hoogovens; Geneeskundige journalistiek; Doctoraat

voor de Pers; De Indische Journalistenkring. — Personalia

en berichten.

Behandeling van vak-vraagstukken

in plaatselijke en gewestelijke vereenigingen.

In het mausoleum van den Kring prijken de namen van

vele vak-vraagstukken.

Het is in den loop der tijden verscheidene malen voorgekomen,

dat in den Kring een belangrijk vraagstuk in het

middelpunt der belangstelling kwam te staan. Het werd dan

commissoriaal behandeld, in het Kringorgaan besproken (en

bekibbeld) tot^ het ten slotte op een leden-vergadering aan

de orde kwam en het daar ... om hals werd gebracht. Na

langer of korter tijd komt van zelf zoo'n vraagstuk weer

eens op de proppen, hetgeen thans het geval is met dat der

opleiding.

Nu wij na vijftien jaar nog eens de gansche behandeling

daarvan nagaan en het resultaat voorzoover dit er is, bezien,

oordeelen wij natuurlijk alleen in het licht van heden en

laten wij in het midden of het toen ter tijde mogelijk ware

geweest tot een andere slotsom te komen.

Men heeft indertijd twee vraagstukken tegelijk behandeld

en ze daardoor eenigermate vermengd en doorééngehaspeld.

Het ééne was de vraag hoe de grondslag der geestelijke

ontwikkeling moet zijn voor jongelui die in ons vak wenschen

te worden toegelaten en het andere was wat er gedaan zou

kunnen worden om alsnog de basis der ontwikkeling te verbreeden

van hen die reeds in ons vak werkzaam waren.

Dit zijn gansch verschillende vraagstukken. Het eerste, dat

thans aller belangstelling trekt, laten wij nu even rusten,

Indertijd is het op een vergadering waar 20 leden tegenwoordig

waren, met 15 tegen 4 stemmen (en 1 blanco)

afgepoeierd met de uitspraak „dat geen enkele opleiding de

waarborgen oplevert dat iemand een goed journalist is". Het

tweede leidde tot de instelling van den bekenden hoogeschool-cursus,

die spoedig verliep en tot een ontwerp voor

plaatselijke cursussen dat het te Utrecht tot een begin van

uitvoering bracht.

De mislukking van deze cursussen heeft mij nimmer verwonderd.

Zonder in een gedetailleerde psycho-analyse te

treden, wil ik volstaan met te zeggen dat de ervaring mij

heeft geleerd dat dergelijke cursussen niet harmonieeren met

den aard en het karakter van een groot deel der journalisten.

Wel mogelijk en dringend noodzakelijk lijkt het mij dat

het thans door den Haag gegeven voorbeeld worde gevolgd

en in de wintermaanden voordrachten over vak-vraagstukken

Redacteur:

W. N. VAN DER HOUT

27 Juli 1926

Dit blad verschijnt ten minste

éénmaal per maand

worden gehouden in de plaatselijke en gewestelijke vereenigingen.

't Is vroeger al eens hier en daar geprobeerd en niet

al te best geslaagd maar aan eenige der toen ondervonden

bezwaren meen ik dat tegemoet gekomen kan worden.

De organisatie ervan moet centraal worden opgezet en

voorbereid en daarna gedecentraliseerd toegepast. Ik stel me

voor dat het aldus zal gaan: het Kringbestuur noodigt twee

collega's uit ieder een vraagstuk in studie te nemen. Met die

collega's kan over het onderwerp overleg gepleegd worden.

Elk 'van hen heeft een eigen onderwerp. Deze collega's verklaren

zich bereid in den loop van den winter in ieder der

pi. en gew. vereenigingen op te treden ter behandeling van

dat onderwerp. Uit de Kringkas worden de reiskosten vergoed

en de pi. of gew. vereeniging heeft dus niets anders te doen

dan een vergadering te beleggen en haar leden op te roepen.

Die collega's gaan dus eenige malen daarvoor op reis.

Natuurlijk is iedere vereeniging volkomen vrij om beide collega's

al dan niet te inviteeren, maar men heeft niet meer

de moeilijkheid om een spreker en een onderwerp te vinden

en dat ernstige bezwaar is dus weggenomen.

De voordeden aan dit systeem verbonden, vallen aanstonds

op: de spreker ziet de moeite van voorbereiding van zijn

voordracht beloond door de omstandigheid dat hij deze

eenige malen houdt en dus een veel grooter aantal Kringleden

bereikt dan dit op eenige andere wijze mogelijk is.

Hij leert daar de discussies over opvattingen van allerlei aard

kennen; hij brengt leven in de vereenigingen en contact

tusschen de collega's over het grootste deel van het land.

Misschien werkt zijn rede uit, dat meer eensgezindheid in

opvattingen over vak-vraagstukken ontstaat.

Van de zijde der vereenigingen zijn er deze voordeden

aan verbonden: veel meer leden dan ooit ter Kringvergadering

kunnen komen, zullen nu de voordrachten kunnen

bijwonen; het bezwaar van de Zondag-vergadering vervalt;

kosten zijn zeer gering; de moeite om een spreker te vinden

is verdwenen.

Tenslotte nog dit voordeel: indien de beide sprekers na

afloop van den winter hun voordracht, eventueel omgewerkt

in verband met hetgeen zij uit de gehouden discussies hebben

geleerd en vernomen, in het Orgaan publiceeren, ontstaat

geleidelijk eenige lectuur over deze vraagstukken.

Kort geleden heeft het Kringbestuur besloten, bij wijze

van proef, een najaarsvergadering van den Kring te houden

ter behandeling van eén of ander vak-onderwerp. Ik heb

tegenover dit denkbeeld het hierboven uitgewerkte verdedigd

en er op gewezen dat aan het bestuursvoorstel allerlei nadeden

verbonden waren die het mijne misten. Een dergelijke

Kringvergadering kan nu eenmaal niet anders gehouden

worden dan in één der centra van de journalistenwereld en

zoodra dit geschiedt, is het overgroote deel der aanwezigen

afkomstig uit de plaats waar de vergadering wordt gehouden.

Klein is het aantal uit andere plaatsen. Voor de behandeling

van Kringzaken is dit al een bezwaar maar veel grooter is

het bezwaar als het er juist om te doen is zooveel mogelijk

personen bijeen te hebben. Men kan het behartigen der

Kringzaken desnoods overlaten aan vertrouwensmannen en

bij voorbaat aannemen dat zij wel in staat zijn tot het beste

te besluiten, maar wanneer het gaat om kennis te nemen

van een voordracht over een vak-onderwerp, moet men zelf

aanwezig zijn. Bovendien geldt tegen de Kringvergadering


38 D EgJ CTU ITN.ALIS'T

juist in dit opzicht het Zondag-bezwaar in bizondere mate.

Van de hooge kosten van zoo'n ledenvergadering zullen wij

maar niet spreken.

Naast dit m. i. weinig effectieve voorstel is uitvoering van

het mijne in elk geval onverminderd mogelijk en ik zou dit

gaarne aan de plaatselijke en gewestelijke vereenigingen in

overweging geven.

Mochten er collega's zijn die bereid zijn een voordracht

te houden, dan wil ik gaarne hun naam met het onderwerp

op een sprekerslijstje in het Orgaan publiceeren.

De H. J. V. heeft met haar voordrachten een toenemend

succes gehad en bij de laatstgehouden voordracht van collega

VAN DE POL bleek duidelijk dat er heusch veel belangstelling

is te vinden. Voor de pi. en gew. vereenigingen ligt hier een

breed en dankbaar arbeidsveld open. Ik meen dat het door

mij ontwikkelde plan alle moeilijkheden, die tot nu toe op

dit gebied bestonden, wegneemt. Waarschijnlijk beschikt de

Kring niet over een groot aantal leden die een grondige

studie hebben gemaakt van vak-vraagstukken maar wanneer

eenmaal een begin is gemaakt met voordrachten zullen ongetwijfeld

anderen zich ook met studie gaan bezighouden.

Collega H. H. J. VAN DE POL is bereid in den aanstaanden

winter voor de aangesloten vereenigingen te komen spreken

over de vorming van den journalist. Mogen, met mij, nog

andere collega's zich eveneens beschikbaar stellen voor het

houden van een inleiding.

De vorming van den journalist.

Met zeer groote belangstelling heb ik kennis genomen

van hetgeen collega VAN DE POL heeft gezegd èn in zijn

lezing voor de H. J. V. èn in zijn artikelen.

Niemand zal zich over die belangstelling verbazen. In de

eerste plaats de voorzitter verheugt zich boven-mate, als

er in den Kring leven op een bepaald punt ontstaat. En

dan : reeds verscheidene jaren geleden heb ik aandeel genomen

in de behandeling van het Opleidingsrapport, toen dit aan

heb ik reeds vroeg betoogd; het toenmalige bestuur, onder

leiding van collega PLEMP, zag dit evenzeer in. Een voorstel

van mij, om — naast de hoogeschool-cursussen — ooYplaatselijke

ontwikkelings-cursussen op te richten, werd aangenomen.

Ingevolge opdracht van het bestuur stelde ik een schema

voor die cursussen samen, dat eveneens werd aanvaard. Er

is toen zelfs (in 1912,) een begin van uitvoering geweest.

Ik herinner aan dit alles, om even te doen uitkomen, dat

het onderwerp in den Kring geenszins verwaarloosd is en

reeds vroeger aan de orde was, en dat, zoo ik de discussie

van thans met belangstelling volg, dit niet alleen een plichtmatige

belangstelling is, maar ook één die in verband staat

de orde was. De noodzakelijkheid van verdere ontwikkeling

met mijn vroegere actie op dit punt, toen ik nog „gewoon"

bestuurslid was.

Maar:

dit tusschen haakjes. Doel van dit stukje is verder alleen

om mede te deelen, dat ik mij voorstel na de vacantie ook

eenige beschouwingen aan het onderwerp te wijden, en

eenigszins uitvoeriger op de zaak in te gaan. Ik hoop intusschen,

dat verschillende leden hun licht over deze zaak zullen

laten schijnen.

D. H.

Officiëele Mededeelingen.

De Najaars-ledenvergadering.

De behandeling van het voorstel inzake de toelating van

directeuren-hoofdredacteuren werd op de Jaarvergadering uitgesteld

ten einde het oordeel van den Kringraad te hooren.

Nu dat is geschied besloot het Bestuur deze zaak in het •

najaar af te doen en tevens besloot het de daarna te houden

ledenvergadering te koppelen aan een vergadering waarin een

onderwerp op ons vak betrekking hebbende zal behandeld

worden.

In begin October zullen in Den Haag deze vergaderingen

gehouden worden.

Op den eersten dag (avondvergadering) zal worden behandeld

het bestuursvoorstel tot wijziging der statuten, waarvan

de strekking is directeuren-hoofdredacteuren van dagbladen

voortaan weer tot het gewone lidmaatschap toe te laten.

De tweede dag zal gewijd zijn aan de Indische Journalistiek,

haar karakter, haar positie en haar beteekenis (ideëel en

economisch). Op uitnoodiging van het Bestuur hebben de

heeren A. J. LIEVEGOED, oud-hoofdredacteur van De Locomotief,

en jhr. JAN FEITH, hoofdredacteur van De Didische

Post, zich bereid verklaard als inleiders over dat onderwerp

op te treden.

Representatie.

In de laatste maanden heeft de Kringvoorzitter, en (of)

hebben andere leden van het Dagelijksch Bestuur den Kring

wederom bij allerlei gelegenheden vertegenwoordigd.

De voorzitter heeft thans o. a. zitting genomen in het

eere-comité tot oprichting van een monument voor wijlen den

grooten bouwmeester CUYPERS.

De Kringvoorzitter

verzoekt, wegens vacantie, hem tot 23 Augustus geen correspondentie

over spoedeischende aangelegenheden te zenden.

Ledenlijst.

Adresver ander inge7i:

H. W. C. DOUWENS naar Borssenburgplein 2 1 , Amsterdam.

B. VAN EIJSSELSTEIJN naar Prinsestraat 99, Den Haag.

J. M. A. KROES naar Blois van Treslongstraat 43, Den Haag.

J. H. RITMAN naar Van Heutzboulevard 30, Weltevreden.

J. DE RUYTER naar Postjesweg 43 s , Amsterdam.

ARN. S. VAS DIAS naar Jaagpad Omval C 86, Amsterdam.

Onbekende adressen:

Wij ontvingen gaarne de nieuwe adressen van de leden:

J. W. FRANKENHUYZEN, Den .Haag.

R. W. LAMMERS, Amsterdam.

A. P. C. SEYFFERT, Amsterdam.

J. VONK, Amsterdam.

G. A. WILLINGE, Almelo.

W. A. ZUURBIER, Rotterdam.

Locale en Gewestelijke Vereenigingen.

De A. P. op stap.

De onvergetelijke wijze, waarop de Amsterdamsche Pers

haar jubileum heeft herdacht deed bij velen de vraag rijzen

op welke wijze de band tusschen de leden onderling kon

worden versterkt en nadat de groote feestcommissie onder

uitbundigen dank ontbonden was, werd een andere commissie,

wier werkzaamheden op bescheidener terrein zouden liggen,

benoemd om dit vraagstuk onder de oogen te zien. Zij bestond

uit de collegas SCHOTEL, KNAP en DE VRIES en mej.

VAN MEERREN, die een programma met vele punten opstelden,

waarvan er één was: het maken van uitstapjes.

Besloten werd op uiterst bescheiden schaal te beginnen en

onder de rook van Amsterdam te blijven. En zoo werd de

vlieghaven Schiphol als doel gekozen. Is Schiphol den verslaggevers

maar al te goed bekend, minder is dat het geval

met de redacteuren der bladen bij wie zich het nieuws concentreert

en die alle evenementen slechts op papier meemaken.

Ofschoon de vrije Zaterdagmiddag een uitvinding is, welke

niet voor ons vakgenooten werd gedaan, verzamelden zich

op Zaterdag 3 Juli des middags om twee uur een groep van

dertig personen — allen collega's met hun dames — aan de

Schinkelkade, waar SCHOTEL een boot had ontdekt, welke

o. m. de eigenschap had naar Schiphol te varen.

De zon verleende op sympathieke wijze haar medewerking

en zoo kwamen we door het drabbige Schinkelwater, waaide

matrassen en citroenschillen zusterlijk op de golven wiegen

en via de vroolijke Nieuwe meer, die ons vanwege den

sluisbouw al heel wat primeurs bezorgd heeft, op het vliegveld.

De gemeentelijke luchthavenmeester de heer DELLAERT en

de ingenieur der K. L. M. de heer SPIT vertelden ons belangwekkende

bijzonderheden en tenslotte vertegenwoordigden

de collega's KOUWENAAR en HIRSCH in een der groote

F VII toestellen de A. P. op 4 a 500 meters boven A. P.

Collega HIRSCH had eenig verschil van meening met de

bumpings der machine, welke zich in verband met het warme

weer voordeden, doch in het kleine appartementje van de

F VII waarop twee lettertjes prijken en dat van een knip

is voorzien werd, naar men zegt, de kwestie spoedig, zeer

ten genoegen van onzen collega bijgelegd.

Nadat alles bezichtigd was, wat men gemeenlijk op een

vliegveld in oogenschouw pleegt te nemen, w.erd gekampeerd

op het terras van het restaurant.

Tenslotte bracht de boot ons weer naar honk terug.

Moge deze uitstekend geslaagde trip een aanmoediging voor

de commissie zijn haar aandacht spoedig opnieuw aan een

dergelijk experiment te wijden.

J. C. E. S.


Algemeene belangen.

Ons uitstapje naar Schoonhoven.

Het reisje van Zaterdag 10 Juli was een propaganda-tocht;

een soort reclame-aanbieding van den Kring, om zooveel

mogelijk journalisten, die de aparte genoegens van het jaarlijksch

uitstapje nog niet kennen, te verlokken tot een proef.

Werkzaamheden zullen, jammer genoeg, velen verhinderd

hebben eraan deel te nemen. We waren met zestig dames en

heeren op de boot.

Het begon niet heel best. 't Regende stevig toen we om

half tien van wal staken; ik vermoed dat een enkele bijgeloovige

onder de dames dit misschien in verband gebracht

heeft met de aanwezigheid van ds. HULSMAN; er wordt wel

eens beweerd dat een geestelijke aan boord den voorspoed

van de vaart niet bevordert; het is ook al niet meer dan

een praatje. Ds. HULSMAN was opgetogen, en zijn opgetogenheid

werkte aanstekelijk, zijn zonnige kijk op het leven in

zijn onmiddellijke nabijheid gaf ons ausdauer om met meer

dan gewone overtuiging volgens de Coué methode de wolken

te verdrijven. Zoo'n boot vol menschen die allen met blije

gezichten beweren: „het weer wordt beter" oefent een aandrang

uit waaraan zelfs zware wolken geen weerstand blijken

te kunnen bieden. We hebben de zon extra schoon gepoetst

en haar op een plaats in een stuk prachtig blauwe lucht

gehangen. Verder werd de jolijt bevorderd door „the travelling

Jazz-band from Rotterdam" — de naam is in elk geval

niet onaardig — een orkestje dat aanvankelijk door velen

overbodig werd geacht; maar muziek hoort bij een gepavoiseerde

boot en overigens kwam zij vooral op den terugweg

goed van pas. De boot hield zich boven verwachting; er zijn

met uiterlijk schoon karig bedeelde menschen die bij nadere

kennismaking uitstekende eigenschappen blijken te bezitten.

Daaraan deed onze boot denken. De vlaggen hadden inderdaad

wat kleur, al was dit door langdurig gebruik niet onmiddellijk

te zien; men heeft blijkbaar geweten dat journalisten

zich weten aan te passen en gedacht dat zij daarom

het gemis aan tafeltjes niet al te pijnlijk zouden voelen. De

koffie was zelfs voor maaglijders niet al te schadelijk; daarentegen

vond men het Victoriawater best en er waren beneden

in de boot enkele merkwaardigheden waarover hier helaas

niet uitgeweid kan worden.

De tocht op de Lek, onder den druk uit van Rotterdam,

machtige havenstad met haar breede rivier, vooral onder de

dreiging van zware luchten van onvergelijkelijke schoonheid

en majesteit, tusschen een vlottende gemeenschap van schepen

langs de groene, Oude Plantage, Kralingsche Veer en het

langs het water gerekte Lekkerkerk met zijn hoogen wal,

zijn typische huisjes en het mooie torentje, aan den anderen

kant IJselmonde, het oude landgoed van de Groeninx van

Zoelen's waarvan de nazaten nog altijd de tradities van hun

stand ophouden, de molens van Elshout, waarachter in de

grijze veste de fijne kop van den Dordrechtschen toren staat,

en verder naar Schoonhoven, is een vaart van ruim twee uur.

Toen wij er bij twaalven aankwamen, stonden voor het

restaurant Belvédère ter begroeting gereed de burgemeester,

mr. F. L. J. E. RAMBONNET, de wethouders, de voorzitter van

Vreemdelingenverkeer, de heer L. STOKVIS, en collega J. VAN

OOSTENDE, van de Schoonh. Crt. Een Utrechtsche collega

sloot zich met zijn vrouw bij ons aan, en collega HAMBURGER,

die onder het pseudoniem HERMAN DE MAN veel over de

Lekstreek geschreven heeft, was uit Vianen gekomen om mee

van de partij te zijn.

Collega VAN OOSTENDE ging ons voor op de wandeling

door Schoonhoven. Het carillon van het met de driekleur

getooide stadhuis zong ons een vriendelijk welkom toe;

daarna liepen we door het kunstig aangelegde plantsoen en

stonden toen op eens voor het huis van den heer L. STOKVIS,

die ons met zijn vrouw en dochter een charmante ontvangst

bereidde. De eerste bezienswaardigheid — vooral voor de

dames — was de spiegel in den gang, doch vooral merkwaardig

vond men den grooten en uitstekend verzorgden tuin

met zijn bloeiende struiken, zijn menigte vruchtboomen en

de plantenkas met exotische gewassen. Rechts in den hoek

ontdekten de gasten onder een schaduwrijken boom een zitje

aan het water. In dit roerlooze Lac d'amour of Minnewater

dreven blanke zwanen (eenden, volgens anderen, maar bij

het Lac d'amour behoort de blanke zwaan, „die zwierig aan

komt zweven").

De eerewijn werd aangeboden, en de heer STOKVIS sprak

den gasten vriendelijke woorden toe, die door den voorzitter

werden beantwoord. Lang mocht het bezoek niet duren.

Linea recta moesten we naar Belvédère terug, waar een

noenmaal werd aangeboden: één van de hoofdschotels was

DE J O U R N A L I S T 39

zalm, wat men sedert eeuwen in Schoonhoven den vreemdeling

als specialité de la ville pleegt aan te bieden, 't Werd

als voortreffelijk geroemd. De heer RAMBONNET hield een

geestige tafelrede die culmineerde in een heildronk op den

voorzitter en zijn echtgenoote, collega HANS heeft daarop

met een speech die zeer werd gewaardeerd geantwoord en op

het welzijn van Schoonhoven en zijn burgemeester een dronk

uitgebracht; daarna heeft de heer NIEKERK een van de

Schoonhovensche gasten, den bijna tachtigjaren heer HAAXMAN

hulde gebracht, waarna deze den uitgever van de Schoonhovensche

Courant nog eens dankte voor zijn aardige verrassing

— de ontvangst ten huize van den heer STOKVIS was

een extra-nummer van het programma — en zijn spijt uitdrukte

ook niet een plattelands-journalist en bezitter van een

zoo'n magnifiek huis geworden te zijn.

Na de lunch bezochten we de Groote Kerk, waarvan de

toren erg scheef staat. (Dit is inderdaad juist, wij hadden

het reeds voor de lunch geconstateerd). M. i. maakt Schoonhoven

veel te weinig reclame met dien scheeven toren; de

mensch, vooral de tourist, en speciaal de Amerikaansche

sight-seeing men en women jagen op het uitzonderlijke, en

zoo'n scheeve toren is iets heel ongewoons. Het interieur van

de kerk is al even merkwaardig. De heer C. L. VAN WILLEMS­

WAARD was zoo vriendelijk ons er een en ander van te vertellen.

Vervolgens werd een bezoek gebracht aan de toonkamers

van de Zilverfabriek van Gebr. NIEKERK, waar vooral

de dames genoten, en daarna aan de expositie van kunstnijverheid

op de Veerpoort. Hier werd collega HANS een

zilveren boek-opener aangeboden, mevr. HANS een zilveren

bladwijzer, en den anderen gasten een aschbakje geoffreerd.

Na een bezoek aan den Watertoren wachtte het slot van

het programma ons in het mooie, zeventiende eeuwsche

raadhuis. Ervóór werd een muziekuitvoering gegeven. Er in

was een historische tentoonstelling georganiseerd met tal van

merkwaardige dingen. De gemeente-archivaris, de heer LUGARD,

gaf daarbij de noodige toelichting.

Tegen vijf uur had de ontvangst in de raadszaal plaatsr

De burgemeester wees er op dat dit bezoek waarschijnlijk

het laatste was in dit raadhuis in zijn tegenwoordigen staat.

Het wordt nl. gerestaureerd. Hij bracht in herinnering welke

rol de stad Schoonhoven in de geschiedenis gespeeld heeft

en vergeleek daarbij de positie die het thans inneemt, om

ten slotte de hoop uit te spreken dat het gezelschap er een

prettigen indruk van mocht hebben gekregen.

Onze voorzitter vergeleek de wijze, waarop de vroede

vaderen van Schoonhoven in de achttiende eeuw de pers

behandelden (in 1793 werd den courantier J. H. REISSIG zijn

octrooi ontnomen en hemzelf het verblijf in de stad ontzegd)

en die waarop de burgemeester thans de pers een ontvangst

had bereid. We zijn thans quitte, zei de voorzitter; HANS

vroeg daarop den burgemeester verlof namens den Kring iets

te mogen schenken in het stadhuis, wanneer het gerestaureerd

zal zijn, hetgeen mr. RAMBONNET zei met erkentelijkheid te

accepteeren. Na de thee, die ons namens den burgemeester

aangeboden werd, bracht de muziek ons naar de boot; hartelijk

was het afscheid na deze prettige kennismaking en

lang nog werd er van den wal en de boot gewuifd.

De terugtocht, op dien zonnigen namiddag, was een genot.

Plotseling kregen een paar menschen het in hun hoofd te

gaan dansen, en nauwelijks was het sein gegeven, of meerderen

draaiden mee — een prestatie op een boot, waarop

zoo weinig ruimte is! Vóór we het wenschten waren we in

Rotterdam, en dus genoodzaakt afscheid te nemen. Jammer.

Ik geloof dat er geen gelegenheid is elkaar beter te leeren

waardeeren dan het jaarlijksch uitstapje; wat voor een groot

deel te danken is aan het feit dat zooveel journalisten vergezeld

zijn van hun dames. Ik durf er mijn hand op geven,

dat er het volgend jaar meer deelnemers zullen zijn.

Een noenmaal met Mr. A. R. Zimmerman.

C. DE R.

't Was iets nieuws in de journalisten-kringen van ons land,

iets nieuws dat in tal van andere landen al lang iets ouds

en dus doodgewoons is geworden: een noenmaal aangeboden

aan een belangrijk persoon, die de gelegenheid, gezellig bijéén

te zijn, te baat kan nemen om eens het een en ander te

vertellen. Iets nieuws voor ons land en dus, aan kritiek geen

gebrek. Dat weten wij vooruit en . . . daar komen we over

heen. Nu het nieuwe voorbij is en het allerwege geprezen

wordt, nu is het al weer oud en een volgende maal zijn de

critici waarschijnlijk enthousiast.

Een noenmaal met Mr. A. R. ZIMMERMAN. Als er ooit een

gelegenheid zich aanbood om het buitenlandsche voorbeeld

eens te volgen, dan was het nu. Het Kringbestuur greep de

gelegenheid, had succes, het nieuwe slaagde boven verwach-


40 DE J O U R N A L I S T

ting en tal van bladen brachten het bestuur hulde voor zijn

initiatief. Zeer vereerd!

In Hotel Paulez, Dinsdag 20 Juli tegen éénen. Acht en

dertig journalisten, waarvan drie vrouwelijke, zijn bijéén. In

de vestibule wacht het Dagelijksch Bestuur op den gast, die

klokslag één uur verschijnt. Gewone plichtplegingen, Mr.

ZIMMERMAN beweegt zich genoegelijk tusschen de journalisten.

Een foto wordt gemaakt en daarna aan tafel. De directeur

van Paulez heeft zijn allerbeste beentje voorgezet, 't ziet er

alles tip-top uit. Er heerscht een gezellige, opgewekte stemming.

We zien niets dan bekende gezichten, geen enkele vreemde,

wij zijn onder ons met onzen gast.

Onmiddellijk bij den aanvang van de tafel houdt onze

Voorzitter de volgende rede:

„Het is mij een voorrecht, dat ik u een woord van hartelijk

welkom mag toeroepen in ons midden.

Het Bestuur van den Nederlandschen Journalisten-Kring

is u in hooge mate erkentelijk, dat u zijn verzoek, u dit

noenmaal te mogen aanbieden, hebt ingewilligd, en dat u

zich bereid hebt verklaard hier een redevoering uit te spreken.

Het verheugt er zich over, dat verschillende vertegenwoordigers

van andere vereenigingen op ons gebied en dat tal

van vooraanstaande journalisten, representeerende bladen van

allerlei richting en uit alle deelen van het land, hier aanwezig

zijn.

Wij hebben behoefte gevoeld, u, voor uw vertrek naar

Amerika, dit eenvoudige bewijs van onze waardeering te geven.

Waarom juist wij, Nederlandsche journalisten? Zie, u bent

in uw rijke en werkzame leven voortdurend in aanraking

geweest met de vertegenwoordigers der pers; u hebt altijd

getoond ons genegen te zijn; al hebt ge ons nu en dan op

onze plichten gewezen, gij hebt steeds onbewimpeld onze

rechten erkend; nimmer hebben wij, als wij voor ons werk

of ons blad uwe medewerking behoefden, vruchteloos een

beroep op u gedaan; het Journalistiek Congres in 1920 hebt

gij te Rotterdam luisterrijk helpen ontvangen en in de laatste

jaren waart gij, al vertoefdet gij dan ook elders, zoo vaak

het middelpunt van onze beschouwingen en onze berichten,

en hebt gij zoo ruimschoots getoond dat gij zelf in den

vreemde uw vrienden onder de Hollandsche journalisten op

belangrijke oogenblikken van hun leven niet hadt vergeten,

dat wij er prijs op stelden u thans eens in levenden lijve bij

ons te hebben. Enkelen alleen: bij ons. Ik weet wel, dat gij

ook uit onze rijen wel eens critiek hebt moeten hooren; dat

er wel meeningsverschil heeft bestaan over bepaalde punten

van uw beleid, een meeningsverschil dat juist wij, in onzen

Kring, waarin alle richtingen der pers zijn vereenigd, ten

allen tijde dienen te respecteeren — maar over die verschillen

van opvatting heen zien wij u als een vaderlandsche figuur,

die een internationale vermaardheid heeft gekregen, en als

zoodanig wilden wij u vandaag in ons midden hebben.

Veroorloof mij, dat ik even in gedachten terugga naar de

maand Mei 1906, toen Rotterdams nieuwe burgemeester werd

beëedigd. Het moment staat mij levendig voor den geest.

Daar kwam een jonge-man de raadszaal binnen, een kloeke,

zelfbewuste figuur, wiens donkere oogen ieder schenen te

doorschouwen, en die al dadelijk den burgemeesters-zetel,

vele jaren zoo waardig door de decoratieve figuur van s' JACOB

bezet, stoffeerde. Wat is er veel gebeurd in die twintig jaren.

Na een langdurige ambtsvervulling, die in Rotterdam, waar

men landgenoot en vreemdeling de scheppingen van uw hand

aanwijst, niet spoedig zal worden vergeten en die u een

nationale faam als regenten-figuur heeft bezorgd, naamt gij

afscheid, niet om rust te vinden, maar om u, op verzoek

van de organisatie der volkeren, te wijden aan een werk

van ontzaglijken omvang en inhoud en van schier tragische

beteekenis.

Professor VAN VOLLENHOVEN, in de laatste jaren voor den

oorlog mét zijn prachtige en geestdriftig-geschreven brochures

onze natie opwekkend tot deelneming aan het internationale

leven, wierp de vraag op, of ons volk zich tevreden zou

stellen met op vredes-conferenties bloemen te schikken en

thee te serveeren. Het antwoord is spoediger gekomen, dan

de hoogleeraar zelf zal hebben verwacht. Holland is in meer

dan één opzicht centrum van wereldactie geworden. En wij

hebben onze beste mannen afgestaan voor het internationale

werk, voor den weder-opbouw van de geslagen wereld. Het

buitenland heeft hen weten te vinden. Ik volsta met, in vrije

volgorde, eenige namen te noemen : VAN KARNEBEEK, LODER,

STRUYCKEN, VAN EYSINGA, NOLENS, LOUDON, LIMBURG; ik

herinner er aan dat anderen nog tot werk van specialen aard

geroepen werden: BRUINS, TER MEULEN, TREUB, VAN GIJN.

De lijst is niet volledig.

En dan bovenal de naam van vandaag: ZIMMERMAN. De

taak, die u op de schouders werd gelegd, gansch een volk

te leiden in zijn worsteling om er bovenop te komen, en het

nieuwe banen te wijzen, was geweldig. Maar het was juist

iets voor u. Gij zijt geschapen om groot werk te doen. Gij

zijt een architect van groote dingen. En gij hebt overwonnen.

Uw hand is dikwijls straf en streng geweest, maar gij hebt

uw grootschen arbeid neergelegd onder het eenparig en

dankbaar getuigenis van de beste staatslieden ter wereld en

van het Oostenrijksche volk, dat gij geslaagd zijt, dat gij een

natie in de crisis van haar bestaan naar den schoonen dag

der weder-opstanding hebt geleid. Wij hebben u met spanning

en met trots gevolgd, want het was een Hollander die daar

werkte, en zegevierde. En nu, aan het eind van die twintig

jaar sinds uw komst te Rotterdam, zijt gij, de jonge burgemeester,

snel gegroeid tot een internationale figuur, in wiens

vermaarden naam ons volk zich nieuwe lauweren ziet gevlochten.

Met de hoogste onderscheidingen beloond zijt gij

naar het vaderland teruggekeerd.

Wij achten het een bijzondere eer, dat gij vandaag in ons

midden zijt willen komen, dat gij heden de gast zijt der

Nederlandsche journalisten.

Over eenige uren vertrekt gij naar Amerika. Men wil u

daar zien en hooren. Onze hartelijke wenschen voor een

goede reis neemt gij mede. Succes toe-wenschen doen wij

niet, omdat wij weten dat gij het u verwerven zult, daar

staat heel de tintelende energie van uw figuur ons borg

voor. Wanneer ik echter ten besluite van dit woord van

welkom één hoop mag uitspreken, dan is het deze, dat in

de toekomst ons vaderland nog veel zal mogen profiteeren

van uwe eigenschappen, die met elkander de draagsters

zijn van de beste tradities en deugden van ons geslacht en

die de wereld bewonderend waardeert."

Hartelijk applaus.

Toen wij genaderd waren tot het dessert, verhief Mr.

ZIMMERMAN zich en hield een interessante voordracht. De

dagbladen brachten alle uitvoerig verslag en wij mogen

daarnaar verwijzen. Citeeren wij alleen wat Mr. Z. van de

pers hier en in Oostenrijk zeide. De spreker dacht terug aan

de goede verstandhouding, waarin hij in Rotterdam met de

pers leefde en samenwerkte, aan zijn studententijd, toen

banden hem aan de journalistiek bonden, den tijd toen hij

onder naam en naamloos zich wel verstoutte te schrijven

in verschillende organen. Onder journalisten voelde spr. zich

dan ook in zekeren zin als vakman onder vakmannen.

Maar wat vooral den doorslag had gegeven bij zijn besluit

om de uitnoodiging aan te nemen was de waardeering, die

men voor de Nederlandsche pers krijgt als men in andere

landen de pers heeft leeren kennen. Spr. dacht aan de stad,

die hij had verlaten, waar hij meermalen het mikpunt was

van persaan vallen. Dat was niet erg; ieder openbaar persoon

staat er aan bloot en niemand kan van de pers eisenen, dat

zij onpartijdig is. Maar wat zij niet mag en nooit mag, dat

is haar groote macht dienstbaar maken aan laster en baatzucht.

In de stad, die spr. verlaten had, komen dagelijks

organen uit, die helaas dien goeden stelregel uit het oog

verliezen, bladen, die men chantage-, revolver-, rioolbladen

zou kunnen noemen. Erg is het, dat deze organen door ieder

gelezen worden en nog erger, dat daaruit soms berichten

worden overgenomen uit Weenen door Nederlandsche bladen.

Niet alle bladen in Weenen zijn gelukkig zoo, er is ook

een hoogstaande pers. Doch, wanneer men de Nederlandsehe

pers vergelijkt met de buitenlandsche, dan mag men trotsch

zijn op de onze. En ook daarom had spr. met vreugde de

uitnoodiging aangenomen. Daarin had hij een bewijs van

waardeering gezien voor het moeilijke werk, dat in Weenen

is volbracht.

Na de rede, die met de grootste aandacht werd gevolgd,

bracht onze Voorzitter Mr. ZIMMERMAN hartelijk dank.

Korten tijd was het gezelschap nog ongedwongen in de

koffiekamer bijeen. Toen vertrok onze gast.

Met bizondere voldoening mag op deze eerste maal, dat

wij het buitenlandsche voorbeeld volgden, worden teruggezien

en het was vooral opvallend dat tal van collega's bij hun

afscheid hun groote ingenomenheid betuigden en het Kringbestuur

dank zegden voor het initiatief.

Vermelden wij nog dat behalve vele Kringbestuursleden

en gedelegeerden bij het K. B. aanwezig waren vertegenwoordigers

van de pi. of gew. Tereenigingen: A. P., H. J. V.,

R. J. V., O. P., van de R. K. Journalistenvereeniging, de

Buitenlandsche Persvereeniging, voorts onze eerevoorzitter en

tal van collega's of vertegenwoordigende hun blad of uit

persoonlijke belangstelling.

Het Kringbestuur heeft, door de aanbieding van het

noenmaal aan mr. A. R. ZIMMERMAN, en door diens bereidwilligheid

om daar een rede uit te spreken, een goede beurt

in een groot deel der vaderlandsche pers.

De N. R. Crt. somt verschillende voorbeelden uit het


uitenland op en maakt met instemming melding van het

„novum" voor ons land; het Handelsblad noemt het noenmaal

„als zoodanig een nieuw verschijnsel in ons openbare

leven"; de Nieuwe Courant prijst „de goede gedachte" van

het Kringbestuur „en hoopt dat andere groote corporaties

zijn voorbeeld zullen volgen"; de Residentiebode acht de

gebeurtenis „een nieuwe mijlpaal in de geschiedenis van de

Nederlandsche journalistiek", somt de voordeden er van op,

wijst op de onderscheiding die de Kring genoot en brengt

hulde aan het Bestuur; en zoo zijn er meer pers-stemmen

die wij zouden kunnen citeeren.

En schier alle bladen wijzen op het groote belang van de

door mr. ZIMMERMAN gehouden rede.

Zoodat het Kringbestuur zeker niet zonder voldoening mag

terugzien op dezen eersten stap op een nieuw gebied.

Het incident aan de Hoogovens.

Men heeft in de couranten, althans in verschillende couranten,

kunnen lezen, dat er zich tijdens het jongste bezoek

van de Koninklijke familie aan het Hoogovenbedrijf te

IJmuiden een incident heeft voorgedaan, een incident met

de pers. De behandeling welke de verslaggevers ondervonden

was van zoodanigen aard, dat zij hieruit de conclusie moesten

trekken dat wij geene welkome gasten waren en daarom

gezamenlijk heengingen. De ingenieur die door de directie

met de leiding van het geheele bezoek belast was, scheen

namelijk het standpunt intenemen dat het persbezoek aan

het bedrijf geheel los moest staan van dat der Koningin. De

verslaggevers volgden dan ook niet de vorstelijke bezoekers,

maar werden langs een anderen weg geleid; wij begonnen

waar de Koningin mede eindigde. De regelaar scheen niet te

begrijpen, of niet te willen begrijpen, dat de pers niet was

gekomen voor de bezichtiging van het bedrijf, hoe interresant

dat overigens mocht wezen, maar voor het bezoek van de

Koningin aan het bedrijf. Duidelijk kwam dit uit, toen op

een gegeven oogenblik de verslaggevers, die onder een bijzonder

geleide, om niet te zeggen bijzondere bewaking, waren

gesteld, den weg kruisten van de Koningin. Hare Majesteit

was nog in de gieterij, toen de verslaggevers daar aankwamen.

En toen werden onmiddellijk pogingen aangewend om hen

weder „weg te bonjouren", zooals dat populair genoemd wordt.

Het lag in de bedoeling van het bestuur van de Amsterdamsche

Pers zich te dezer zake met eene klacht te wenden

tot de directie van het Hoogovenbedrijf, van wie bij het

vóórbezoek dat de voorzitter der A. P. aan het bedrijf had

gebracht alle mogeiijke medewerking was verkregen en bij

wie men slechts welwillendheid had ontmoet. Aan de directiezélve

heeft het dan ook niet gelegen! Dit bleek ook hieruit,

dat nog vóórdat het bestuur van de A. P. van zijn voornemen

had kunnen gevolg geven, de directie van het Hoogovenbedrijf

een onderhoud met den voorzitter vroeg. Dit

heeft dezer dagen te Ameterdam plaats gehad, en had een

bevredigenden afloop. Het lid der directie, Ir. INGEN HOUSZ,

verzekerde dat het allerminst in de bedoeling van de directie

heeft gelegen de journalisten als onwelkome gasten te bejegenen,

dat deze indruk bij de verslaggevers op een misverstand

berust, en dat de eenigszins zonderlinge houding van den

betrokken ingenieur geweten moet worden aan diens zenuwachtigheid,

een gemoedsgesteldheid waarvoor de heer INGEN

Housz verschillende verklaringen gaf, die nu minder ter

zake doen.

Hoofdzaak is dat het bestuur van de Amsterdamsche Pers,

vertegenwoordigd in deze door zijn voorzitter, voldoening

heeft gekregen van de zijde van de directie van het Hoogovenbedrijf.

Onder deze omstandigheden besloot het bestuur

der A. P. geen verder gevolg aan deze zaak te geven.

Geneeskundige journalistiek.

DE JOURNALIST 41

KOUWEN AAR.

Dr. W. SCHUURMAN STEKHOVEN, die buitengewoon Kringlid

is, wijdt in de Geneeskundige Gids van 21 Mei jl. een artikeltje

aan volksvoorlichting en geneeskundige journalistiek.

Hij wijst daarin op de gevaren van populaire geneeskundige

voorlichting o. a. door het wekken van verwachtingen, door

het wegnemen van verwachtingen, door het wekken van

„candidaten-ziekten", door het kweeken van eigenwijze opvattingen,

diagnostisch en therapeutisch.

Feitelijk, zegt hij, behoort geneeskundige journalistiek vóór

alles het doel te hebben juist dit alles te bestrijden. Men

moet daarbij rekening houden met het publiek dat men voor

zich heeft. De verlangens van het publiek naar meer kennis

mogen niet genegeerd worden. De medici moeten zich aan

voorlichting niet onttrekken, al was het alleen reeds hierom,

omdat zij minder deskundige of minder loyale collega's tot

het overnemen van deze taak zouden brengen. Met afbrekende

kritiek op personen, verhoudingen, geneeswijzen en geneesmiddelen

kan men z. i. niet voorzichtig genoeg wezen. De

strijd der meeningen op medisch gebied behoeft niet voorhet

publiek verborgen te blijven, maar men moet niet eenerzijds

vermijden en anderzijds in de hand werken wat men

bevestigen wil.

De maatschappij tot bevordering der geneeskunst, zoo concludeert

de schrijver, is tot dusverre in gebreke gebleven

eenige leiding aan publicistischen arbeid te geven; noch heeft

zij door de voetangels en klemmen op dit gebied te signaleeren

er toe bijgedragen dat de medische journalistiek in

nieuwe en ethisch juiste banen geleid werd. Het is een fout

geweest, meent hij, dat toen in 1909 door de afd. Rotterdam

en omstreken voorgesteld werd dat het Hoofdbestuur zich

ter zake in verbinding zou stellen met den Nederlandschen

Journalisten-Kring, daarvan afgezien is omdat daarvan weinig

of geen resultaat verwacht werd. Het is een nog grooter fout

geweest, dat sedert nooit met de steeds groeiende schare van

hen, die de geneeskundige journalistiek als onderwerp der

geneeskunst op min of meer specialistische wijze beoefenen,

overleg gepleegd is. Het verdient aanbeveling, dat thans, nu

de boven omschreven gevaren en bezwaren zich steeds duidelijker

openbaren, het Hoofdbestuur of de organen der

Maatschappij het vraagstuk alsnog in studie nemen en naar

een voor alle partijen bevredigende oplossing streven.

Doctoraat voor de Pers.

In De Standaard van 14 September 1900 schreef Dr. A.

KUYPER het volgende:

De herhaalde denkbeelden op het Journalistencongres en

nu weer in Engeland, ter sprake gekomen, om tot een weigefundeerde

opleiding van de journalisten te geraken, leden

dusver schipbreuk, en we betwijfelen, of ze ooit zullen slagen.

Er moet, dunkt ons, een geheel andere weg worden ingeslagen:

' het moet komen tot de instelling van een Doctoraat voor de

Pers. De tegenwoordige toestand is onhoudbaar. De pers was

steeds lang, en wordt steeds meer, een der groote machten,

die den gang van het politieke en sociale leven beheerscht;

en terwijl voor elk ander vak in behoorlijke opleiding voorzien

wordt, leeft de pers nog steeds a la fortune du pot,

en mist goed geordende diplomeering. Toch lijdt het geen

tegenspraak, dat ook de journalistiek eigenaardige vorming,

voorbereiding en opleiding eischt. Ze onderstelt deugdelijke,

wetenschappelijke kennis van een bepaalde groep vakken,

die onder geen ander doctoraat aldus gegroepeerd verschenen.

Het is onjuist te zeggen, dat een meester in de rechten in

alle hier bepaaldelijk vereischte vakken behoorlijk is ingeleid.

Zelfs een doctor in de staatswetenschap weet volstrekt niet

alles wat een kundig journalist weten moet. Bovendien ligt

ook in het diploma een niet te miskennen kracht. Nu voor

elk leidend orgaan van het hoogere leven diploma's worden

uitgereikt, is het beneden de waardigheid der pers, dat haar

alleen deze officieele erkenning van haar beteekenis onthouden

wordt. Land en volk hebben hoog belang bij de degelijkheid

der pers. Een pers, die niet soliede is, kan zoo onnoemelijk

veel kwaad stichten. We zijn daarom allen geroepen om de

waardigheid, de eere, het karakter der pers te helpen verheffen.

Hoe hooger ze staat, hoe veiliger de publieke opinie

geleid wordt. Dat daartoe de aanstelling bij de juridische

faculteit van eigen hoogleeraar voor de journalistiek eisch zou

zijn, spreekt.vanzelf, doch voor het overige ware van andere

colleges profijt te trekken. En de kleine kosten die het

oprichten van zulk een katheder zou vorderen, daar uiteraard

de journalistiek geen peperdure laboratoria van noode heeft,

zou ruimschoots worden opgewogen door het hoogere karakter,

dat de leiding der publieke opinie er door erlangen zou.

In Vragen van den Dag, December 1903, schreef JAN

VAN OUDTS:

De journalist van het heden en van de toekomst kan

evenmin als de arts, de advocaat, de ingenieur, de chemicus

en zoovele vakmannen van het raderwerk van de wereld een

oppervlakkig man blijven met een kennis als die van de

middelmatige meerderheid; hij dient een expert en een specialiteit

te worden, dóór en dóór onderricht en zooveel

doenlijk volmaakt in de bijzondere lijn, waarop hij is aangewezen.

Eer wij een geslacht verder zijn, is de „doctor in


42

de journalistiek" een onmisbare schakel geworden in de

perswereld.

Prof. dr. J. H. VALCKENIER KIPS schrijft op pag. 87 in

Over Couranten:

En toch zal het den weg der diploma's op moeten.

Niet als zou men zonder diploma, enkel krachtens zelfoefening

en zelfstudie, geen goed journalist kunnen zijn.

Het valt zelfs moeilijk den weg voor het onbemiddelde talent

door hindernissen te verzwaren.

Doch diploma's zullen meer en meer onmisbaar blijken als

maatschappelijke basis voor der journalisten sociale positie.

De Indische Journalistenkring.

Collega CRAYÉ te Bandoeng blijft zich inspannen om den

Ind. Journalistenkring te doen slagen. Het is bijna hopeloos

werk. In no. 7 van de Mededeelingen dat in Mei verscheen

(no. 6 verscheen 18 Juli 1925) deelt hij het een en ander

mede omtrent het gemis aan medewerking. Zoo is o. a. bijna

f 400 van de contributie-kwitantiën die tot Mei 1925 loopen,

onbetaald gebleven. „En noemt men de beste namen", . . .

dan vindt men daarin meer dan men zou verwachten in den

bundel onbetaalde kwitanties, zoo schrijft hij. Wie de tableaux

de la troupe van de Ind. bladen van juni 1924 (toen tot de

oprichting van den Kring besloten werd) vergelijkt met die

van vandaag, die zou de zonderlingste veranderingen zien.

Daar zijn er als bv. N. v. d. Dag en Preangerbode waar

alles hetzelfde gebleven is. Daar zijn er echter ook, waar

„geen steen op den anderen" gebleven is, waar de „staf"

soms tot tweemaal toe geheel vernieuwd is.

De orde der trekvogels is onder ons sterk vertegenwoordigd

en het getal der „beunhazen" — vandaag ambtenaar, morgen

journalist", overmorgen in het particuliere — is van een

verrassende uitgebreidheid. Dat wijst op zeer ongewenschte

toestanden.

Gebrek aan geld was óók oorzaak, dat de Kring herhaaldelijk

onmachtig was om op te treden, zelfs dat hij aan de

plichten van representatie, waartoe menigerlei gelegenheid

han bestaan niet kan voldoen.

„Ik moet dus, schrijft CRAYÉ, een duidelijk en klaar antwoord

hebben van de leden: wilt gij de zaak bestendigen?

Zoo ja, dan behoeft gij geen brief te schrijven, maar: zend

geld."

Wel zeer betreuren wij het dat ook deze poging om de

Indische collega's bijeen te brengen zoo op punt van mislukken

staat. Voor CRAYÉ die zich krachtig heeft ingespannen,

onze hulde. Hopen wij dat hij alsnog slagen moge!

Personalia en Berichten.

— De Deventer Courant, een weekblad, heeft met 1 Juli

haar verschijning gestaakt. Het blad was in zijn 90 en jaargang.

-»- Eén der bekendste Vlaamsche journalisten, NICOLAAS

PROSPER BOEGHENS, jarenlang hoofdredacteur van Het Laatste

Nieuws, is overleden.

— De Belgische Organisatie van de dagbladpers organiseert

in het Instituut van Kunst en Nijverheid La Lainère, een

tentoonstelling van slecht geschreven manuscripten der Belgische

journalisten. Men wil het publiek eens laten zien hoe

vermijding van drukfouten onmogelijk is.

— De machinefabriek Augsburg-Nurnberg heeft voor een

kranten-drukkerij in Rijnland een rotatie-machine afgeleverd

die de grootste der wereld heet te zijn. Ze is 41 Meter lang

en heeft een capaciteit van 225.000 16-zijdige exemplaren

per uur.

— Op initiatief van den burgemeester van Keulen, Dr.

ADENAUER, heeft de Vereeniging van Duitsche Dagbladuitgevers

te Keulen besloten in het jaar 1928 een internationale

perstentoonstelling te organiseeren.

Reeds zijn met eenige buitenlandsche organisaties onderhandelingen

aangeknoopt om deze tentoonstelling voor te

bereiden. In de vergadering, in welke het besluit genomen

werd, verklaarde Dr. ADENAUER, „dat het in onzen tijd de

grootsche taak der pers is den weg naar den vrede in het

binnenland en naar verzoening met het buitenland te banen

en te vinden."

D E J O CE N A L I S T

Gedrukt bij A. de la Mar Azn., Amsterdam

— In Leipzig verschenen omstreeks het jaar '70 toen de

stad 67.000 inwoners had 12 dagbladen. Thans nu de stad

680.000 inwoners telt men er maar 5.

— Vóór het uiteengaan van den Duitschen Rijksdag is

een wetsontwerp ingediend om den opzegtermijn voor werknemers

vast te stellen. Zij die tenminste vijf jaar in een

bedrijf werkzaam zijn mogen slechts met tenminste drie

maanden worden opgezegd en dat wel tegen den eersten dag

der kwartalen. Van 5-8 dienstjaren 4 maanden, na 10 jaar 5,

na 12 jaar 6 maanden.

— We lezen in de Maasbode: Op 29 Augustus aanstaande zaljhel

400 jaar geleden zijn, dat de Hongaarsche strijdkrachten door lui,

Turksche leger ouder bevel van sultan Soliman werden vernietigd

in den slag bij Mohacs, de groote nationale catastrofe van Hongarije,

welke gevolgd werd door de bezetting van het grootste gedeelte

van het land.

Deze gebeurtenis heeft toentertijd aanleiding gegeven tot de verschijning

van de eerste Hongaarsche courant. Op 27 September 1626

verscheen het eerste nummer van de Newzeytung, een geregeld

verschijnend blad van acht pagina's in de Duitsche taal. Pas 82 jaar

daarna vei'Beheen de eerste Duitsche taal courant in Duitschland; de

Frankfurter Novelle.

Het eerste nummer van de Newzeytung bevatte een levendige

beschrijving door een „oorlogscorrespondent", die ooggetuige van den

slag was geweest, van de groote verliezen, welke de Hongaren hadden

geleden en den tragischeu dood van hun koning Lodewijk II.

Ter herinnering aan dit feit, zal er, naar de Hongaarsche bladen

melden, in het begin van 1927 te Boedapest een historische tentoonstelling

van de Hongaarsche pers worden gehouden in het Nationale

Museum te Boedapest. De kern van deze tentoonstelling zal worden

gevormd door de beroemde Hungaria-collectie van graaf Alexander

Apponyi die een bijna compleet overzicht geeft van alle nieuwsbladen

welke in Hongarije zijn verschenen en alle buitenlandsche

periodieken, handelende over Hongarije.

— De Deensche regeering heeft 10.800 kronen beschikbaar

gesteld als reis-beurzen voor journalisten.

— In Italië is thans bepaald dat geen blad meer dan zes

pagina's mag hebben en dat het formaat niet vergroot mag

worden.

— De journalisten in Boekarest zijn ontstemd over het

feit, dat men hun het recht heeft ontzegd de couloirs van

de Kamer te betreden en als protest daartegen publiceerden

ze in de bladen niet meer de namen der ministers en der

sprekers van de regeeringspartij, die aan het woord waren

geweest. De regeering dreigde met maatregelen tegen de

bladen, als daarin geen verandering kwam en als protest is

thans de staking afgekondigd.

— Na Rusland en Italië schijnt Portugal aan de beurt te

komen voor de vernietiging van de persvrijheid. De dictator

daar te lande, zoo meldden de bladen, zal een nieuwe perswet

afkondigen, waarbij zware straffen worden gesteld op beleedigingen

in geschrifte van den staatspresident, van monarchen

en andere hoofden van vreemde naties, alsmede van diplomatieke

vertegenwoordigers. Eveneens zal zwaar worden gestraft

het opwekken van Portugeesche burgers tot militaire dienstweigering,

voorts aanslagen op de integriteit des lands, het

verwekken van panieken e. d.

— Het Zuid-Afrikaansche Parlement heeft een wet aangenomen,

volgens welke gedurende de verkiezingen geen

artikel, geen bericht, geen ingezonden stuk enz. zonder den

naam van den schrijver verschijnen mag. Een dergelijke

bepaling bestaat reeds in Australië waar ze reeds drie maanden

voor iedere verkiezing begint te werken.

— Het Pennsylvanie-Hotel in New-York geeft een krant

uit. lederen middag verschijnt die, ze brengt allerlei berichten

van heel de wereld, er is een aparte redactie. De krant wordt

onder de deuren der 2200 kamers van het hotel geschoven.

— In Canada bestaan 98 dagbladen, waarvan 5 tweemaal

per dag verschijnen. Het grootste dagblad is het Fransche

La Presse te Quebec met een oplage van ruim 150 duizend.

Het grootste Engelsche is de Star in Toronto met 135 duizend

oplage. Verder verschijnen in Canada 748 weekbladen en

175 tijdschriften, waaronder het landbouwblad Family Herald

met 150 duizend exemplaren het grootste is.

More magazines by this user
Similar magazines