FEDERALE OVERHEIDSDIENST KANSELARIJ VAN DE EERSTE ...

vlaamse.ouderenraad.be

FEDERALE OVERHEIDSDIENST KANSELARIJ VAN DE EERSTE ...

voor de berekening van de wedde van hun werknemers en/of voor de indiening van hun aangiftes voor

sociale zekerheid, beroep doen op de Centrale Dienst voor vaste uitgaven, ingesteld bij het koninklijk

besluit van 13 maart 1952 tot inrichting van de Centrale Dienst der vaste uitgaven en tot wijziging van

het koninklijk besluit van 10 december 1868 houdende algemeen reglement op de Rijkscomptabiliteit,

verjaren na 7 jaar.

De verjaring van de schuldvorderingen bedoeld in voorgaande leden wordt gestuit :

1° door een aangetekende brief van de Rijksdienst aan de werkgever en door een aangetekende brief

van de werkgever aan de Rijksdienst;

2° door een dagvaarding voor het gerecht;

3° op de wijze bepaald in artikel 2248 van het Burgerlijk Wetboek.

De verjaringstermijn loopt opnieuw vanaf elke stuiting. »

Art. 26. Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2009.

HOOFDSTUK 2 - Beroepsziekten

Art. 27. Artikel 6, 7°, van de wetten betreffende de preventie van beroepsziekten en de vergoeding van

de schade die uit die ziekten voortvloeit, gecoördineerd op 3 juni 1970, gewijzigd bij de wet van 13 juli

2006, wordt aangevuld met een lid, luidende :

« De kosten van deze onderzoeken en de administratieve kosten die hieraan inherent zijn, zijn ten

laste van de begunstigde volgens de modaliteiten bepaald door de Koning. »

HOOFDSTUK 3 - Gezinsbijslag

Afdeling 1 - Betaling bij verschil

in de gewaarborgde gezinsbijslag

Art. 28. In artikel 2, eerste lid, 2°, van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde

gezinsbijslag, vervangen door het koninklijk besluit nr. 242 van 31 december 1983, worden de

woorden « krachtens een Belgische, een buitenlandse of een internationale regeling ofwel geen recht

geeft op gezinsbijslag ofwel er slechts recht op geeft voor een bedrag dat lager ligt dan dat van de

bijslag welke overeenkomstig deze wet kan worden toegekend » vervangen door de woorden « geen

recht geeft op gezinsbijslag krachtens een Belgische, buitenlandse of internationale regeling ».

Art. 29. Artikel 2, eerste lid, 2°, van dezelfde wet blijft, zoals het luidde vóór de wijziging bij deze wet,

van toepassing voor aanvragen ingediend vóórdat deze wet in werking trad.

Art. 30. De artikelen 28 en 29 treden in werking op 1 januari 2010.

Afdeling 2 - Diverse bepalingen

Art. 31. Artikel 56sexies, § 1, tweede lid, van de samengeordende wetten van 19 december 1939

betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, ingevoegd bij de wet van 24 december 2002 en

gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, wordt aangevuld met de bepaling onder 5°, luidende :

« 5° die kinderbijslag aanvraagt voor een kind :

a) dat onderdaan is van een Staat die onder de toepassing valt van de verordening (EEG) nr. 1408/71

van 14 juni 1971 van de Raad van de Europese Gemeenschappen betreffende de toepassing van de

socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich

binnen de Gemeenschap verplaatsen, of, indien dit niet het geval is, dat onderdaan is van een Staat die

het Europees Sociaal Handvest of het (Herziene) Europees Sociaal Handvest heeft geratificeerd;

b) dat staatloze of vluchteling is in de zin van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang

tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. »

Art. 32. In artikel 64, § 2, A, eerste lid, 2°, van dezelfde wetten, vervangen bij het koninklijk besluit nr.

122 van 30 december 1982 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, wordt de bepaling onder a)

vervangen als volgt :

« a) in hoofde van de vader, de moeder, stiefvader, stiefmoeder. In geval van volle adoptie van het

kind door personen van hetzelfde geslacht of in geval van volle adoptie door één persoon van het kind

of het adoptiefkind van zijn echtgenoot of samenwonende van hetzelfde geslacht, wordt het recht op

kinderbijslag bij voorrang vastgesteld uit hoofde van de oudste van de verwanten in de eerste graad. »

Art. 33. In artikel 69, § 1, van dezelfde wetten, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 april 1997

en gewijzigd bij de wetten van 22 februari 1998, 25 januari 1999, 8 mei 2001, 20 juli 2006 en 22

december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :

« De kinderbijslag en het kraamgeld worden betaald aan de moeder. In geval van volle adoptie van het

kind door twee personen van hetzelfde geslacht of in geval van volle adoptie door één persoon van het

kind of het adoptiefkind van zijn echtgenoot of samenwonende van hetzelfde geslacht, wordt de

kinderbijslag betaald aan de oudste van de verwanten in de eerste graad. »;

2° het tweede lid wordt vervangen als volgt :

« Indien de persoon aan wie de kinderbijslag wordt betaald krachtens het eerste lid het kind niet

daadwerkelijk opvoedt, wordt de kinderbijslag betaald aan de natuurlijke of rechtspersoon die deze rol

vervult. »;

3° in het derde lid worden de woorden « van verschillend geslacht » ingevoegd tussen de woorden «

twee ouders » en de woorden « die niet samenwonen »;

4° tussen het derde en het vierde lid wordt een lid ingevoegd, luidende :

« Wanneer de twee ouders van hetzelfde geslacht die niet samenwonen het ouderlijk gezag

gezamenlijk uitoefenen in de zin van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek en het kind niet uitsluitend

More magazines by this user
Similar magazines