ZE-no4 dec 2010 - Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland

scez.nl

ZE-no4 dec 2010 - Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland

jaargang 10, december 2011 03|04

NIEUWSBRIEF VAN DE STICHTING

CULTUREEL ERFGOED ZEELAND


ARCHEOLOGIECULTUURHISTORIEERFGOEDEDUCATIEMONUMENTENMUSEASTREEKTALEN

Inhoudsopgave

2 SCEZpresse

MONUMENTEN

3 Bijzondere opening Open Monumentendag in Aardenburg

4 Natte maar geslaagde eerste Fortennacht

• Ondersteuning moleneigenaren bij Brim-aanvraag 2012

5 Monumenten Nieuws

6 Stavenisser noodwoningen als cultureel erfgoed

• Koninklijke onderscheiding voor Maurice Kindt

7 Metselen of inboeten?

8 Stucplafonds

• Beroemd Zeeuws erfgoed

9 Monumentenronde: Vereniging De Zeeuwse Molen

MUSEA

10 Activiteiten in de Maand van de Geschiedenis

11 Museumnacht

12 ’t Wasschappels gevoel

13 Vrijwilligers brengen panoramaschilderij van Yerseke tot leven

14 Collectiewacht voor Zeeuwse musea

ALGEMEEN

14 2012 Zeeuws Jaar van het water

• 2012 Zeeuws Jaar van de Historische Buitenplaats

• Kijk op geschiedeniszeeland.nl en stuur een gratis e-card!

15 Tien jaar SCEZ: presentatie themanummer Zeeuws Tijdschrift

• Bezoek aan Het Schuitvlot

CULTUURHISTORIE

16 Zeeland of de Waddeneilanden? Verschil moet er zijn

17 Cultuurhistorie Nieuws

STREEKTALEN

18 Streektaal Varia

ARCHEOLOGIE

20 Archeologisch Nieuws

21 Personalia

• Onderzoek en meldingen

25 Vondst voor het voetlicht: Een middeleeuws zwaard uit Cadzand

ERFGOEDEDUCATIE

26 Canonkaravaan naar Zeeland in 2012

• Onderwijsproject in Biezelinge en Kapelle

Erfgoed Allerlei

27 Publicaties

30 Kennismaking met de Meester van der Heijdengroeve

31 Colofon | Kortelings | Monumentaal

32 MOnuMENTaal (zie ook pagina 31)

Bij de Omslag

Schaatsen op de Vlissingsche Watergang bij buurtschap Nieuw

Abeele, in de groene geledingszone tussen Middelburg en Vlissingen.

De nabijgelegen bunkers langs het zogenaamde Bunkerpad maken

deel uit van het Landfront Vlissingen, een aaneengesloten linie

van Duitse verdedigingswerken uit de Tweede Wereldoorlog tussen

Groot-Valkenisse en Fort Rammekens (foto Marinus van Dintel).

Op 2 september werd het themanummer over erfgoed en de SCEZ

van het Zeeuws Tijdschrift gepresenteerd. Een van de eerste exemplaren

ging naar voormalig cultuurgedeputeerde Harry van Waveren (l)

(foto Anda van Riet).

SCEZpresse

De uitgave van Zeeuws Erfgoed is in september eenmalig vervangen door

de uitgave van een dubbeldik themanummer over erfgoed en de SCEZ van

het Zeeuws Tijdschrift. Aanleiding was het tienjarig bestaan van de SCEZ.

Het nummer werd gepresenteerd tijdens een sfeervolle bijeenkomst in de

Middelburgse Kloveniersdoelen, aansluitend op een voorstelling van

De Rietdekker en voorafgaand aan de bekendmaking van de longlist van

de Zeeuws Boekenprijs. Zo vielen op 2 september veel dingen samen, met

erfgoed als verbindend thema. In tien jaar is veel hetzelfde gebleven en is

gelukkig ook veel veranderd. De komende tien jaar zal dat niet anders zijn.

Wat bedoel ik hiermee? Welnu, wat gelukkig veel hetzelfde is gebleven is

het erfgoed in al zijn verschijningsvormen: van museumvoorwerpen,

monumenten, tradities en cultuurhistorische elementen in het landschap tot

verhalen en archeologische voorwerpen. Zeeland is rijk voorzien van erfgoed

en dat moeten we vooral zo zien te houden. Maar die onveranderlijkheid

van het erfgoed zal niet lukken zonder verandering in de omgang daarmee.

Impliciet aan het behoud van het erfgoed is ontwikkeling, ontwikkeling dan

als exponent van maatschappelijke zingeving. Een van de interessantste

ontwikkelingen die enige jaren geleden al is ingezet en die met ingang van

volgend jaar een nieuw fase ingaat, is het benutten van het ruimtelijkeordeningsinstrumentarium

voor de erfgoedzorg. Kort gezegd komt dat hier

op neer, dat met ingang van 1 januari aanstaande bij besluiten over nieuwe

ruimtelijke ontwikkelingen aandacht moet worden besteed aan archeologie,

monumenten én cultuurhistorie. Dit laatste is nieuw. Het betekent dat vanaf

volgend jaar ook rekening gehouden moet worden met de cultuurhistorische

waarden in een bepaald gebied. Voor het onroerende erfgoed is de publieke

opgave daarmee primair een ruimtelijke opgave geworden. Zeker zo

interessant aan deze ontwikkeling naar gebiedsgerichte omgang met erfgoed

is de verbinding naar andere maatschappelijke belangen en opgaven.

De duurzaamheidsdriehoek mens, omgeving en economie biedt hiervoor

een prima denkkader. Een van de voor Zeeland kansrijke verbindingen is

die tussen erfgoed en economie en ecologie, een verbinding die zich met

name in het landschap openbaart. Het Rijk spreekt in zijn recent

gepubliceerde visie op erfgoed en ruimte in dit verband over het levende

landschap, met provincie en gemeenten als belangrijke spelers.

Ik denk dat de ontwikkeling naar gebiedsgericht erfgoedbeheer voor de

komende jaren wel eens bepalend kan zijn voor de omgang met ons erfgoed.

Vandaar dat de SCEZ haar dienstverlening aan de Zeeuwse overheden zal

intensiveren en uitbreiden, bij voorkeur in het kader van slim ingerichte

interbestuurlijke samenwerkingsverbanden. Centraal daarbij staan de

advisering en ondersteuning bij de verdere beleidsontwikkeling en het

verrichten van daaruit voortvloeiende werkzaamheden.

Ik wens u een plezierige jaarwisseling toe en voor het nieuwe jaar veel

inspiratie en genoegen in uw omgang met het erfgoed.

Wim Scholten, directeur


Monumenten

Bijzondere opening Open Monumentendag

in Aardenburg

De opening van de Open Monumentendag op 9 september in de

Sint-Baafskerk in Aardenburg was in dubbel opzicht bijzonder.

Bijzonder vanwege het grensoverschrijdende karakter én bijzonder

vanwege de combinatie met de Fortennacht. Er was met circa 145

aanwezigen veel belangstelling.

De organisatie was in handen van de SCEZ en de gemeente Sluis,

in samenwerking met de werkgroep Fortennacht Zeeuws-Vlaanderen

en de Open Monumentendag-comités van de gemeenten Knokke-Heist,

Damme, Maldegem en Sint-Laureins.

De opening vormde de aanzet voor de 25 ste Open Monumentendag

in Nederland en de 23 ste Open Monumentendag in Vlaanderen.

De Fortennacht werd dit jaar voor de eerste keer gehouden. De thema’s

sloten mooi op elkaar aan: respectievelijk herbestemming, conflict en

forten. In de grensregio Zeeland-Vlaanderen is het niet moeilijk om

monumenten of plekken te vinden waarin de drie thema’s samenkomen.

In Aardenburg is er bijvoorbeeld het archeologisch museum, gevestigd

in een voormalige patriciërswoning uit de zeventiende eeuw. Het is een

rijksmonument, oorspronkelijk een woning en nu dus een museum.

Een mooi voorbeeld van herbestemming. In het museum wordt onder

andere een skelet van een Germaanse krijger uit omstreeks 275 na

Chr. geëxposeerd. Het hoofd vertoont een gat, waarschijnlijk als gevolg

van een gevecht. Daar moet een conflict aan ten grondslag hebben

gelegen. Ook laat het museum voorwerpen zien, afkomstig van het

Romeinse castellum, een fort. Een deel van de fundering van dit fort

is zichtbaar gemaakt in het plaveisel, op een flinke steenworp afstand

van het museum.

Boeiend openingsprogramma

De sprekers verbonden de drie thema’s ieder op eigen wijze, met de

Staats-Spaanse Linies min of meer als Leitmotiv. Wethouder Peter

Ploegaert van de gemeente Sluis gaf de gemeentelijke kaders aan

waarbinnen herbestemming plaatsvindt. Hij noemde ook de spanning

tussen enerzijds het relatief grote aanbod aan her te bestemmen

monumenten en anderzijds de beperkt beschikbare middelen in een

krimpgemeente als Sluis. Dit vraagt volgens hem om een gebundelde

aanpak van overheden en particulier initiatief. Ed Peerbolte, verbonden

aan de NV Economische Impuls Zeeland, zag nadrukkelijk mogelijkheden

op het gebied van de cultuurhistorie. Hier liggen zijns inziens nog kansen

voor Zeeland.

Dat moet dan echter verder gaan dan het aanbieden van streekproducten.

Professor Piet Lombaerde uit Antwerpen hield een boeiend betoog over

de verschillende manieren van benadering van herbestemming.

Het intermezzo in het programma werd verzorgd door streekzaalzanger

en conferencier Adrie Oosterling. Met zijn activiteiten in het Slijkstraatje

in Groede heeft hij vrijwel dagelijks met herbestemming te maken.

Hij wist de aanwezigen met zijn voordracht en liedjes aan het lachen te

maken en te ontroeren. Winant Halfwerk, projectleider Staats-Spaanse

Linies van de Provincie Zeeland, maakte in een beeldrapportage nog eens

duidelijk wat de publiekspotentie van de linies is en wat er dienaangaande

in de toekomst nog meer mogelijk is. Gedeputeerde Kees van Beveren gaf

aan dat er al de nodige initiatieven op het terrein van de herbestemming

zijn ontwikkeld of in ontwikkeling zijn. Hij noemde onder andere

het Industrieel Museum in Sas van Gent en het door de provincie

ondersteunde project van de landelijke Stichting Behoud en

Herbestemming van Religieus Erfgoed naar de mogelijkheden van

de Nieuwe Kerk in Zierikzee.

Het openingsprogramma werd afgesloten met de feestelijke presentatie

van het aan de Staats-Spaanse Linies gewijde Suske en Wiske-album

De Laaiende Linies aan Paul Breyne, gouverneur van de Provincie

West-Vlaanderen. Dit gebeurde via de speciale bemiddeling van de

stadsomroeper van Sluis.

Zeeuws Erfgoed 3 december 2011/03|04 • MONUMENTEN

V.l.n.r.: Gouverneur Paul Breyne, gedeputeerde Kees van Beveren,

wethouder Peter Ploegaert en de stadsomroeper van Sluis.

Na het openingsprogramma in de Sint-Baafskerk in Aardenburg vond nog

een receptie plaats, waarbij voor de eerste maal de nieuwe presentatiewand

van de Monumentenwacht stond opgesteld.


Deelnemers aan

de Fortennachtactiviteiten

van Koewacht bij

de evenemententent naast

fort Sint-Livinus

(foto E. van Waes).

Natte maar geslaagde eerste Fortennacht

Na maanden van grensoverschrijdende en vooral

lokale voorbereiding vond op zaterdagavond

10 september 2011 de eerste Fortennacht plaats.

Ondanks het feit dat de weersomstandigheden in

Zeeland sterk van invloed waren, kan er worden

teruggekeken op een geslaagd evenement.

In IJzendijke waren de vijftig deelnemers aan de fiets- en

wandeltocht vlak voor het onweer binnen. De opvoering

van de evocatie ‘Philips II ontmoet Maurits’ trok tweehonderdvijftig

bezoekers en moest na uitstel vanwege

een eerste onweersbui onder hagel en bliksem worden

gestaakt. Het bleef echter lang druk en gezellig in de

schuilplaats museum Het Bolwerk. Op 8 oktober werd

het levende schaakspel alsnog met succes uitgevoerd

voor vierhonderd (!) aanwezigen.

Ook in Koewacht was de opkomst groot. De wandel- en

fietstocht trokken ieder circa 60 deelnemers en de vossenjacht

voor de jeugd 157 deelnemers, ook waren er nog

Molens behoren samen met de kerken en de boerderijen

tot de bakens in het Zeeuwse landschap. Er zijn er nog

ongeveer tachtig te bewonderen, dankzij de gezamenlijke

inspanningen van overheden, stichtingen en vrijwilligers

in redelijke en goede staat. Het onderhoud van molens

luistert echter heel erg nauw en het is zaak dat tijdig en

planmatig te doen. Gebeurt dat niet dan dreigen er

ingrijpender (restauratie)maatregelen en die zijn kostbaar.

Het Rijk stelt met het Brim (Besluit rijkssubsidiering

instandhouding monumenten) geld beschikbaar voor

(planmatig) onderhoud. In 2006 konden moleneigenaren

voor de eerste keer een onderhoudssubsidie aanvragen.

Deze was bedoeld voor een periode van zes jaar.

Die periode loopt volgend jaar af. Moleneigenaren

kunnen vanaf 16 januari 2012 een vervolgaanvraag

indienen voor een nieuwe periode van zes jaar.

Zeeuws Erfgoed 4 december 2011/03|04 • MONUMENTEN

veel ouders aanwezig. De liniedijk aan weerszijden

van fort Sint-Jacob krioelde soms van de mensen. Alle

activiteiten waren hier gelukkig precies klaar voordat

ook hier de hemelsluizen open gingen.

In Aardenburg zorgde het dreigende onweer al voor

een lage opkomst bij de activiteiten. Om die reden werd

de fietstocht met negen deelnemers vrij snel gestaakt en

gingen de weinige wandelaars mee met de huifkartocht

naar de Kruisdijkschans. In Hulst werd vanwege het

onweer na een kwartier alles afgelast.

Voor alle deelnemers was er uiteindelijk de beloning van

het speciale Suske en Wiske-album De Laaiende Linies.

Deze strip werd bij de officiële start van de Fortennacht

bij het Fort van Beieren in Koolkerke (B) die middag

gepresenteerd en gesigneerd door de makers. Gezien de

grote belangstelling bij deelnemers en organiserende

vrijwilligers wordt bezien of de Fortennacht een

terugkerend evenement kan worden.

Ondersteuning moleneigenaren bij Brim-aanvraag 2012

Voor het indienen van een aanvraag komt het nodige

kijken. Er moet een (gekwantificeerd) inspectierapport

worden opgesteld, inclusief overzichtsfoto’s, detailfoto’s

en tekeningen en er moet op basis daarvan een werkomschrijving

en een meerjarenbegroting (een PIP:

periodiek instandhoudingsplan) worden gemaakt.

Vanuit het Provinciaal Molenplatform en de vereniging

De Zeeuwse Molen is geïnformeerd naar de mogelijkheden

van de SCEZ om moleneigenaren te ondersteunen

bij de subsidieaanvraag en het leveren van de

noodzakelijke stukken. De Monumentenwacht heeft

daar invulling aan gegeven en een aanbod gedaan voor

het opstellen van zowel de inspectierapporten als de PIP’s.

Voor het opstellen van de PIP’s wordt samengewerkt

met Haak Adviesbureau en Bouwkundig Adviesbureau

Business Care Solutions. Inmiddels heeft de SCEZ

voor 24 molens aanvragen in behandeling.


Monumenten Nieuws

Hoge waardering voor cursus Actualiteiten en Ontwikkelingen

Op 18 oktober organiseerde Erfgoed in de Praktijk, een

initiatief van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

(RCE) en het Nationaal Restauratiefonds (NRF), in

samenwerking met de SCEZ en de Provincie Zeeland

de jaarlijkse netwerkbijeenkomst ‘Actualiteiten en

Ontwikkelingen’. Dit jaar vond de bijeenkomst plaats

in Grand Café De Werf in Zierikzee.

Gedurende de dag werden de Zeeuwse gemeenteambtenaren

cultuurhistorie en ruimtelijke ordening en

andere erfgoedprofessionals bijgepraat over de landelijke

en regionale actualiteiten en ontwikkelingen in de

monumentenzorg. Door de RCE en het NRF werden

toelichtingen gegeven op de wijzigingen in het kader

van MoMo (Modernisering Monumentenzorg) en het

Brim 2012 (Besluit rijkssubsidiëring instandhouding

monumenten). Vervolgens werden vanuit de regio

presentaties gehouden over het gebruik van bouwhistorische

waardenkaarten door de gemeente

Middelburg, de uitbreiding van de (betaalde)

dienstverlening door de SCEZ en het restauratieproces

van het Grand Café door de uitvoerend architect. In de

namiddag stond een rondwandeling door de nabijgelegen

buurtschap Schuddebeurs op het programma, waarna

het programma werd afgesloten met een discussieronde

met concrete voorbeelden uit de praktijk als leidraad.

De aanwezigen waren positief over het verloop van

de bijeenkomst, waarbij naast de aangeboden informatie

vooral de onderlinge uitwisseling van kennis en ervaring

als extra meerwaarde werd gezien.

Nieuwe publicatie over vier Zeeuwse klippers

In het historisch onderzoek naar het nautisch verleden van

Zeeland is de beurtvaart lange tijd een ondergeschoven

kindje geweest. Met de publicaties van Adrie Koppejan

is hierin de afgelopen jaren aanzienlijk verandering

gekomen. Na Sturen en Turen (2002) en De Blikken Motor

(2008) weet de auteur met zijn nieuwe publicatie

opnieuw belangstelling voor de verrichtingen van de

voormalige Zeeuwse beurtschippers en hun schepen

te wekken. Met co-auteur Dennis Helmich beschrijft

Koppejan in Een veger wind de geschiedenis van vier

Zeeuwse klippers: de Avontuur, de Elizabeth (1), de

Elizabeth (2) en de Marigje. Deze zusterschepen,

gebouwd tussen 1912 en 1915, behoren tot de laatste

generatie zeilkippers, die bij oplevering direct moest

concurreren met de eerste motorschepen en de veel

grotere sleepschepen.

Behalve de geschiedenis van de vier bovengenoemde

schepen, komen in het boek ook de verhalen van oudschippers

en schipperskinderen aan bod; zij halen

herinneringen op aan het leven en werken aan boord.

Zo vertellen ze boeiende verhalen over het alledaagse

leven op deze binnenvaartklippers, maar ook over de

oorlogstijd en over barre zeiltochten op de verraderlijke

Zeeuwse stromen. Deze verhalen, aangevuld met uniek

beeldmateriaal en waardevolle documenten, geven een

compleet beeld van de geschiedenis van de schepen.

Van de bovengenoemde zusterschepen is de Avontuur als

enige als authentieke tweemastklipper behouden gebleven,

vooral door de inzet van een grote groep vrijwilligers

(binnen de Stichting Zeeuwse Klipper Avontuur).

Het schip, dat nog volop op de Zeeuwse wateren te

bewonderen valt, is echter aan een grote renovatie toe.

Met de opbrengt van Een veger wind hopen de auteurs,

eveneens vrijwilligers bij de bovengenoemde stichting,

hiertoe een bijdrage te kunnen leveren.

Een veger wind, De geschiedenis van vier Zeeuwse klippers,

ISBN 978-90-817256-1-3, 248 pagina’s, gebonden

€ 26,50. Het boek is te koop in de Zeeuwse boekhandels

of te bestellen via helmichd@zeelandnet.nl en

koppejanar@zeelandnet.nl.

Zeeuws Erfgoed 5 december 2011/03|04 • MONUMENTEN

De excursie door het groene

Schuddebeurs leverde

de deelnemers aan de

netwerkbijeenkomst veel

nieuwe inzichten op.


Een aantal van de

karakteristieke Noorse

noodwoningen in de

Koning Haakonstraat is

nog (grotendeels) authentiek.

Op 13 augustus 1954

brengen Koningin Juliana

en Koning Haakon van

Noorwegen een bezoek aan

Stavenisse. Op de

achtergrond de door

Noorwegen geschonken

noodwoningen in de Koning

Haakonstraat

(foto Zeeuwse

Bibliotheek/Beeldbank

Zeeland).

Stavenisser noodwoningen

als cultureel erfgoed

Na de Watersnoodramp van 1953 werden door

diverse landen houten noodwoningen aan de getroffen

provincies geschonken. Vanuit Noorwegen werden

tweehonderd woningen als bouwpakket naar

Nederland verscheept, waarvan er negentien in

de Koning Haakonstraat in Stavenisse werden

opgebouwd.

Het is inmiddels al weer enige maanden geleden, maar we

mogen niet onvermeld laten dat het Hare Majesteit heeft

behaagd om Maurice Kindt uit Westdorpe tot lid in de

Orde van Oranje-Nassau te benoemen. Maurice Kindt

is hiermee beloond voor zijn jarenlange strijd om een

bouwvallige, maar zeer bijzondere, laat achttiende-eeuwse

zeesluis even buiten zijn dorp voor het nageslacht te

behouden. Onvermoeibaar heeft Maurice Kindt, daarin

mede ondersteund door de Stichting Landschapsbeheer

Zeeland en de SCEZ, gestreden om dit monument onder

de aandacht te krijgen en gelden te verzamelen voor

restauratie en consolidatie. Daarin is hij meer dan

Zeeuws Erfgoed 6 december 2011/03|04 • MONUMENTEN

Deze houten woningen waren ondanks hun benaming

van ‘noodwoning’ zeer luxe uitgevoerd, zeker naar de

maatstaven van ruim vijftig jaar geleden. Ze beschikten

over een hal, een ruime keuken en woonkamer en op

de eerste verdieping vier slaapkamers en een douche.

De Noorse noodwoning was in 1946 als zogenaamde

crisiswoning voor de Noorse wederopbouw ontworpen.

Dit om de woningnood, ontstaan als gevolg van de Duitse

verwoestingen in de Tweede Wereldoorlog, zo snel

mogelijk op te lossen. De Zeeuwen die er in 1954 een

kregen toegewezen waren blij verrast met het Noorse

concept, des te meer toen bleek dat het hout duurzamer

was dan verwacht. Door de jaren heen zijn de meeste

woningen uitgebouwd of zelfs versteend; toch zijn nog

enkele exemplaren in originele staat bewaard gebleven.

De woning op adres Koning Haakonstraat 9, die volgens

de woningcorporatie gesloopt moest worden, is in 2003

met financiële steun van o.a. de gemeente Tholen,

de Provincie en museum De Meestoof verplaatst naar

Sint-Annaland. Hier is zij naast het bovengenoemde

museum in originele staat herbouwd, waarbij het te

bezichtigen interieur in de jaren vijftig stijl van de

vorige eeuw is ingericht.

Voor het zuidwesten van Nederland zijn de noodwoningen

met name van groot belang geweest in het

opvangen van de woningnood na de Watersnoodramp

van 1953. Vanuit diverse Europese landen werden

honderden van deze houten prefabwoningen naar

Nederland getransporteerd, waar ze in snel tempo in

de getroffen gebieden werden opgebouwd en bewoonbaar

gemaakt. Bijna zestig jaar na dato is een klein deel van

deze noodwoningen herkenbaar bewaard gebleven.

Aangezien de woningen tot het gebouwde erfgoed

gerekend kunnen worden, is het belangrijk om die

exemplaren die nog (vrij) authentiek zijn, als jonge

(gemeentelijke/rijks-) monumenten aan te wijzen.

Het draagvlak hiervoor zal mogelijk alleen nog maar

toenemen nu momenteel in het Brabantse

Raamsdonksveer een van de laatste authentiek bewaard

gebleven Noorse noodwoningen gedemonteerd wordt

om in 2012 in het Nederlands Openluchtmuseum in

Arnhem herbouwd te worden. Maar zover hoeft men

het in Zeeland niet te zoeken; een bezoek aan de

Noorse woning in Museum De Meestoof of een blik

in de Koning Haakonstraat in Stavenisse zal zeker

de interesse voor ‘het Noorse concept’ doen toenemen.

Koninklijke onderscheiding voor Maurice Kindt

geslaagd. Het lukte hem verschillende organisaties,

waaronder Rijkswaterstaat, waterschap Scheldestromen,

Provincie Zeeland en gemeente Terneuzen aan zijn doel

te committeren, waardoor de sluis in 2009 gerestaureerd

kon worden en er weer prachtig bij ligt.

Maurice is daarmee een voorbeeld voor eenieder die in

de eigen omgeving een bijdrage wil leveren aan het

behoud van bijzondere kwaliteiten en aantoont dat de

inspanningen van één individu tot grote resultaten

kunnen leiden.

De SCEZ feliciteert Maurice Kindt van harte met zijn

bijzondere erkenning!


Metselen of inboeten?

Bij metselen in de nieuwbouw gaat het om grote

aantallen stenen te vermetselen. In de restauratie pas je

inboeten toe, een techniek waarbij je stenen vervangt.

Maar als metselaar ben je nog geen restauratiemetselaar.

Het verschil zit ’m in kennis en gevoel.

Kennis die leerlingen restauratiemetselen van het

ROC momenteel in de praktijk brengen bij een

aantal lopende ROP-projecten.

In nieuwbouw worden meestal stenen van gevelkwaliteit

gebruikt met metselmortels op basis van portlandcement.

Bij een ongelijkmatige zetting, door wat voor oorzaak dan

ook, kan schuurvorming optreden van onder- tot bovenin

de muur. Eigenlijk bestaat de muur dan uit twee delen.

De laatste jaren is men er daarom van doordrongen

dat mortels in de nieuwbouw beter een plastische

samenstelling kunnen hebben.

Inboeten is het herstellen van beschadigd metselwerk in

gevels, met name van historische monumentenpanden.

Er kunnen verschillende oorzaken zijn voor de schade

aan het metselwerk: ongelijkmatige zettingen in de

ondergrond, rottende koppen van heipalen bij dalende

grondwaterstand, boomwortels die de muren opdrukken,

roestend ijzer in de muren et cetera.

ROP Zeeland

In Zeeland zijn er op dit moment circa twaalf leerlingen

metselen van diverse ROC’s werkzaam in de restauratiebouw.

Zij zullen de uitstroom restauratie maken op

niveau 3 in hun opleiding. Naast de theorie op school

kunnen zij praktijkervaring opdoen bij diverse ROPprojecten

zoals:

- de kademuren in Middelburg;

- de RK Kerk in Kloosterzande;

- de Catharinakerk in Zoutelande;

- de korenmolen in Stavenisse;

- de Noord- en Zuidhavenpoort in Zierikzee.

De coördinator van het ROP Zeeland verzorgt voor

de leerlingen verder excursies en gastlessen.

Men kan zich voorstellen dat voor al die bovengenoemde

projecten verschillende mortels en stenen moeten worden

gebruikt. Voor de kademuren zijn er bijvoorbeeld mortels

en stenen nodig die langdurig in contact kunnen staan

met zoet of zout water. Kerken hebben veel last van de

regenzijde of de vorstkant. Molens zijn een verhaal apart,

die hebben door de conische vorm van de molenromp

toch al meer te lijden van regen en indringing van vocht.

Bijkomend probleem is ook nog een keer dat de molenromp

aan beweging onderhevig is waardoor de noodzaak

nog groter is om een plastische mortel te gebruiken.

Voor deze specialistische materie bestaan er diverse

instellingen en bureaus die zich bezighouden met het

voorschrijven van de toe te passen herstelmaterialen.

Maar waar de nieuwbouwmetselaar druk bezig is om

voldoende stenen te vermetselen op één dag, is de

restauratiemetselaar drukdoende met het herstellen van

metselwerk op een manier die past bij de bouw van het

monument. Inboeten is niets anders dan het uithakken

van beschadigde delen van gevels en het terugmetselen

van stenen, ‘vol en zat’, zodat er geen open ruimtes in

het muurwerk overblijven. Het voegwerk bezit daarbij

dezelfde eigenschappen als de metselmortels.

Het vochttransport in de gevels mag nergens hinder

ondervinden. Belangrijk voor de restauratiemetselaar is

zijn gevoel voor historische materialen en technieken.

Die maken het inboeten tot een geslaagde restauratie!

Zeeuws Erfgoed 7 december 2011/03|04 • MONUMENTEN

Uitgehakt anker aan de

Heilige Martinuskerk in

Kloosterzande.

Herstelmetselwerk

aan de Oostpoort in Sluis.

Inboetwerk aan de

molenromp in Stavenisse.


Vooral bij rieten

pleisterdragers is

alertheidvereist

bij waterschade.

Rococo stucplafond in

het stadhuis van Goes

vervaardigd in 1775

door Giuseppe Soldati.

Herbestemming van

beroemd Zeeuws erfgoed.

Onderaan de balk doet

het stroopblikje dienst

als opvangblik voor

lekkend vet.

Stucplafonds

Een mooi geornamenteerd stucplafond is een sierraad

voor een woning of bedrijfspand. Status en rijkdom

waren vooral in de zeventiende tot aan het begin van

de twintigste eeuw de drijfveren om een plafond in

een woonhuis rijk te laten versieren.

Zo’n fraai versierd plafond is opgebouwd uit verschillende

lagen. Allereerst een constructieve ondergrond, vaak van

hout en bevestigd aan een balklaag. Vervolgens een

pleisterdrager van bijvoorbeeld latjes, riet of steengaas

waarop de stuclaag is aangebracht, en daarna een

afwerklaag.

In de dagelijkse praktijk van de Monumentenwacht zien

we veel stucplafonds waaraan schade is ontstaan; schade

door gebruik van het pand, ondeskundige reparaties of

calamiteiten die zich hebben voorgedaan. Ook de vele

Beroemd Zeeuws erfgoed

De Monumentenwacht komt in de praktijk van

alledag wel eens leuke en onverwachte zaken tegen.

Niet alleen de ontmoetingen met eigenaren en

beheerders van monumentale panden zijn in een

aantal gevallen bijzonder, maar ook de aangetroffen

toestand van het monument of het gebruik hiervan.

In een Zeeuwse molen trof de Monumentwacht een heel

oud blikje aan dat een tweede leven had gekregen.

Zoals misschien bekend, bevindt zich in een molen een

verticale as die ervoor zorgt dat de door de wieken

opgewekte omwentelingen naar de molenstenen worden

overgebracht. Deze zware houten koningspil of koning,

want zo heet een dergelijke as, kan grote afmetingen

hebben. Exemplaren van 40 bij 40 centimeter en een

lengte van 5 meter zijn geen uitzondering.

Om deze koningsspil om zijn as te laten wentelen,

staat deze met de onderzijde op een lager of taatspot.

Een ijzeren pen aan de onderzijde van de spil staat hierbij

in een ijzeren bakje gevuld met vet om zo min mogelijk

wrijving te veroorzaken tijdens de omwentelingen.

Door de draaiende beweging van de as wordt het vet

warm en kan het uit de taatspot gaan lekken.

Omdat het voor een molenaar erg vervelend kan zijn

als er voortdurend vet op de vloer druipt, heeft deze

Zeeuws Erfgoed 8 december 2011/03|04 • MONUMENTEN

schilderbeurten maken de ornamenten en lijsten soms

‘onzichtbaar’, weggestopt onder de dikke lagen verf.

Het ergste wat er met een stucplafond kan gebeuren,

is een lekkage vanaf de bovengelegen vloer of het

doorzakken van de houten balklaag waaraan het plafond

bevestigd is. Om deze problemen op te lossen is een

rigoureuze aanpak vereist.

Maar in elk oud plafond, gepleisterd of niet, kunnen

scheuren voorkomen. Bij behandeling ervan is het op

de eerste plaats van belang om te weten of het plafond

ondanks de scheuren nog stevig aan de balklaag

bevestigd is.

Vooral bij rieten plafonds die sporen vertonen van eerder

geleden waterschade is extra alertheid nodig. De rieten

pleisterdrager kan door een oude lekkage van een goot

of een ongelukje met een op zolder geplaatste wasmachine

nat geworden zijn. Door rotting van het riet en doorgeroeste

plafondbevestigingen kan het plafond na enkele

jaren pardoes naar beneden komen.

Reparatie van loshangende en beschadigde plafonddelen

is werk voor een vakman. Ontdekt u schade aan plafonddelen

in uw monument, neem dan contact op met de

Monumentenwacht om u deskundig te laten adviseren

over de herstelwerkzaamheden.

molenaar in het verleden een ‘lekbakje’ aangebracht.

Waarschijnlijk heeft de goede man aan zijn vrouw

gevraagd of ze geen leeg blikje bewaard had. En jawel,

zij had een exemplaar bewaard waarin de overheerlijke

“beroemde en bijzonder voedzame Zeeuwsche

keukenstroop” in kiloverpakking had gezeten.

Met wat knutselwerk heeft de molenaar het stroopblikje

omgebouwd tot lekblikje en onderaan de balk vastgemaakt.

Tot op de dag van vandaag doet het uitstekend

dienst om het vet op te vangen.


MONUMENTENRONDE Vereniging De Zeeuwse Molen

“Zolang de winden waaien

zullen de Zeeuwse molens draaien”

In januari 1975 is de vereniging De Zeeuwse Molen opgericht, dus

een goede 36 jaar geleden. De initiatiefnemers, onder leiding van de

toenmalige burgemeester van Goes, de heer mr. F.G.A. Huber, wilden

bewerkstelligen dat de molens in Zeeland meer in de belangstelling

zouden komen.

Tot op de dag van vandaag ziet de vereniging dat als haar belangrijkste

taakstelling, maar er is meer. Naast algemene bekendheid is er de zorg

voor eigenaren om de objecten in redelijke en liefst goede staat te houden.

Voor velen een forse inspanning. We noemen in dit verband het

verzekeren tegen brand- en stormschade. Zeker ook wanneer men

de molen tegen herbouw wenst te verzekeren is het al met al

een enorme kostenpost. Uiteraard is dit afhankelijk van de

grootte van de molen, zo zijn er molens bekend die tegen

de 3.000 euro op jaarbasis aan premie kosten. Daarnaast is

er ook de zorg van het voorkomen en verhelpen van

gebreken. Voor veel particuliere eigenaren een niet geringe

opgave! Neem daarnaast het gegeven dat een molen

gemiddeld 10.000 euro op jaarbasis kost aan instandhouding.

En dan te bedenken dat het op een enkele

uitzondering na gaat om economisch volstrekt onrendabele

objecten.

De Zeeuwse Molen, die overigens nauw samenwerkt met de afdeling

Zeeland van het Gilde van Vrijwillige Molenaars, adviseert desgewenst

eigenaren waar het technische aangelegenheden betreft, maar ook op

het vlak van verzekeringen.

Het is van groot belang de molens ook letterlijk te beschouwen als

monumenten van bedrijf en techniek. De rol van de actieve vrijwillige

molenaar kan daarbij niet voldoende geroemd worden. Immers, het is de

vrijwilliger die de molen regelmatig laat draaien, kleine gebreken opmerkt

en die waar mogelijk verhelpt en natuurlijk ook gestalte geeft aan de rol

van gastheer. In Zeeland is nog niet voor elke molen een gediplomeerd

vrijwillig molenaar beschikbaar. In de praktijk zouden in veel gevallen

twee vrijwilligers verantwoordelijk voor één molen kunnen zijn, zeker als

de mogelijkheid bestaat dat men op verschillende dagen tijd kan en wil

vrijmaken voor de molen. Dus ook hier de oproep: indien het u wat lijkt

om zelf een molen te kunnen en mogen bedienen: neem contact op met

het Gilde en loop een keer mee op een molen en proef en smaak dit

aloude ambacht!

Een bijzonder onderwerp is de ‘molenbiotoop’, dat wil zeggen de

omgeving van een molen die van directe invloed is voor de windvang,

de zichtbaarheid en de beleving van de molen in het landschap. Er zijn

een aantal richtlijnen opgesteld door de vereniging De Hollandsche

Molen, aan de hand hiervan kan bepaald worden in welke mate een

bepaalde belemmering van negatieve invloed is op de molen.

Toch blijft het maatwerk om de molenomgeving zodanig in te richten

dat het molenbelang overeind blijft. Vaak wordt een molenomgeving,

ook wel molenbeschermingszone genoemd, ervaren als een belemmering

bij uitbreidings- of nieuwbouwplannen. Dit terwijl juist een molen

vanwege zijn verschijningsvorm kansen biedt om te benutten en

daarbij een extra dimensie vormt voor een aantrekkelijke woon- en

werkomgeving. De vereniging adviseert op dit punt gemeenten bij

het opstellen van ruimtelijke plannen.

De Zeeuwse Molen onderhoudt contact met haar leden via de site

www.zeeuwsemolens.nl en het verenigingsblad De Windmolen, dat vier

Zeeuws Erfgoed 9 december 2011/03|04 • MONUMENTEN

maal per jaar verschijnt. Daarnaast is er een heus ‘molenmuseum’ ingericht

in molen De Noorman te Westkapelle en is er uiteraard een ‘papieren’

archief, dat op verzoek raadpleegbaar is.

Jaarlijks worden twee vergaderingen belegd voor de leden. Dit gebeurt

samen met het Gilde van Vrijwillige Molenaars. Zij die zich willen

aansluiten bij de vereniging De Zeeuwse Molen kunnen lid worden

voor 15 euro per jaar. Voor adresgegevens zie

www.zeeuwsemolens.nl. Aspirant leden van

het Gilde van Vrijwillige Molenaars

kunnen zich eveneens via deze site

aanmelden.

Feestelijke opening van molen De Korenbloem in Kortgene

op 1 oktober jl. (foto A.H. Oele).


Musea

Geïnteresseerde

bezoekers krijgen in het

depot van het Zeeuws

Archief uitleg van

archivaris Peter Blom

(foto Leo Hollestelle).

Speurtocht door

het Zeeuws Museum

(foto Anda van Riet).

Middeleeuwse spelletjes

rond het mottekasteel

(foto Terra Maris).

Activiteiten in de Maand

van de Geschiedenis

De maand oktober organiseerde het Nationaal

Historisch Museum de Maand van de Geschiedenis.

Honderden culturele instellingen in het hele land

namen deel aan dit grootste historische evenement

van Nederland. Het maandthema ‘Ik en wij’ was

voor de musea en archieven in Zeeland uitnodigend

genoeg om allerlei bijzondere activiteiten rond

de verschillende aspecten van de eigen Zeeuwse

identiteit te organiseren. De SCEZ coördineert deze

maand in Zeeland.

Bij het insturen van de kopij voor deze aflevering waren

we net over de helft van de Maand van de Geschiedenis.

Hieronder krijgt u een impressie van een drietal activiteiten

die in de tweede helft van oktober gehouden zijn.

15 oktober stond het Abdijplein en het museum bol van

de activiteiten om het vijftigjarig bestaan van het Zeeuws

Museum te gedenken. Voor deze feestelijke gelegenheid

was een speciaal programma gemaakt en waren er

bijzondere activiteiten gericht op het verleden, het heden

en in het bijzonder op de toekomst van het museum.

In het jubileumprogramma wordt de komende tijd de

rol van de museumbezoeker onder de loep genomen.

De bezoekers hebben de vrijheid om het erfgoed van

het Zeeuws Museum aan te vullen, te veranderen of te

herschikken. Om dit uit te drukken is de U en de W

in het logo van het museum goud gekleurd. Het is

UW Zeeuws Museum! Met het project ‘Eilanden’

(tot september 2012) doet het museum een grootschalige

oproep aan de inwoners en bezoekers van Zeeland om

een filmpje te maken met het antwoord op de vraag

‘Wat wil jij bewaren?’ Aansluitend gaan een aantal filmmakers

en kunstenaars aan de slag om met het materiaal

een viertal nieuwe films te maken. Doel van het project

is om de hedendaagse cultuur van Zeeland vast te leggen

voor de toekomst.

Open Archievendag

15 oktober werd de Open Archievendag Zeeland

gehouden. Het Zeeuws Archief en het Gemeentearchief

Schouwen-Duiveland lieten het publiek kennismaken met

Zeeuws Erfgoed 10 december 2011/03|04 • MUSEA

stamboomonderzoek en genealogie. In Zierikzee vertelde

gemeentearchivaris Huib Uil hoe je op zoek kunt gaan

naar je voorouders. Stamboomonderzoek of genealogie is

voor velen een spannende tocht naar het verleden.

Het gemeentearchief opende de deuren van de archiefbewaarplaats,

zodat iedereen een indruk kon krijgen van

allerlei documenten, kaarten, foto’s en films. Vrijwilligers

lieten zien hoe je door middel van stamboomonderzoek

kunt uitzoeken wie je voorouders waren, wat ze deden,

hoe en waar ze leefden en of ze arm of rijk waren.

‘Wilt u uw voorouders leren kennen?’ Het Zeeuws Archief

riep via Twitter geïnteresseerden op voor de Genealogische

Contactdag Zeeland, die samen met de Open Archievendag

werd gehouden. Tweehonderdvijftig bezoekers waren

nieuwsgierig naar de mogelijkheden van het doen van

genealogieonderzoek.

Kinderactiviteit ‘Beleef de middeleeuwen’

18 en 24 oktober herleefden de middeleeuwen in

Terra Maris. Kinderen vanaf 6 jaar konden in het decor

van het mottekasteel in de landschapstuin meedoen aan

middeleeuwse spelletjes zoals boogschieten, kloslopen,

hoepelen, kegelen, zaklopen, botvangen en speerwerpen.

Ook kregen ze het verhaal van het mottekasteel,

een middeleeuwse verdedigingstoren, te horen.

Waar werd het kasteel voor gebruikt en hoe leefden

de mensen in die tijd? En natuurlijk werden de vliedberg

en de toren beklommen. De deelnemertjes mochten ook

een middeleeuws beursje maken of een ketting rijgen.

Kortom twee uurtjes terug in de tijd!

Een zeer succesvolle activiteit binnen de Maand van

de Geschiedenis is de MuseumNa|8. Op de avond van

21 oktober hielden de Zeeuwse musea samen met

de SCEZ al weer voor de vijfde maal een Zeeuwse

Museumnacht. Zie de foto-impressie hiernaast.


De Zeeuwse herfstvakantie begon goed dit jaar met de 5 de editie van de MuseumNa|8, vrijdagavond 21 oktober. Thema dit jaar was ‘Ik en wij’.

26 musea door heel Zeeland verwelkomden van 8 uur ’s avonds tot middernacht ruim 1.700 bezoekers met bijzondere programma’s, een hapje en een

drankje. Overal stond het wij-gevoel centraal. De musea waren feestelijk aangekleed en ook was er traditioneel weer veel muziek zoals doedelzakken,

klezmer en shanty-zingen. Het publiek kon verder genieten van verhalenvertellers, boeiende lezingen en spannende speurtochten. Kortom: de MuseumNa|8

bood wederom een boordevol en zeer afwisselend programma. Een mooie kans om de Zeeuwse musea op een nieuwe manier te beleven.

Van links naar rechts: quizzen in Veere, klezmer in Het Land

van Axel, restauratie in het OosterscheldeMuseum, veiling in

Goemanszorg, lint doorknippen in Westkapelle, Toorop in

Domburg, re-enactment in museum Gdynia, de verlichte

scheepswerf in Arnemuiden en spannende monsterspeurtocht in

Goes.

Zeeuws Erfgoed 11 december 2011/03|04 • MUSEA


VOLKSCULTUUR

N IEUWS ’t Wasschappels gevoel

De vuurtoren van

Westkapelle is het meest

kenmerkende onderdeel

van het Wasschappels

gevoel (foto Polderhuis

Westkapelle).

Westkappelaars vinden

het heien de belangrijkste

traditie van hun dorp

(foto Polderhuis

Westkapelle).

’t Wasschappels gevoel bestaat. Dat stond voor de

medewerkers van het Polderhuis vast. Maar waaruit

dan? En houdt het voor iedereen hetzelfde in?

Dat waren vragen waarop het museum in Westkapelle

graag een antwoord wilde hebben. Hoe kijken

Westkappelaars tegen hun dorp aan? Wat is voor

hen ’t Wasschappels gevoel? En wat vinden buitenstaanders?

Wat maakt voor hen de identiteit van

het dorp uit?

Het Polderhuis Westkapelle zette gedurende de zomermaanden

een enquête uit onder inwoners en bezoekers

van het dorp. Op maandag 17 oktober presenteerde

Ada van Hoof van het museum de onderzoeksresultaten.

Vertegenwoordigers van de gemeente Veere, VVV, PZC,

Federatie van Ondernemersverenigingen Veere, werkgroep

Marketing Polderhuis en SCEZ namen het eindrapport in

ontvangst.

Op een bijeenkomst van de SCEZ dit voorjaar raakte

Ada van Hoof geïnspireerd door het thema van de Maand

van de Geschiedenis, ‘Ik en wij’. Daarop nam zij met het

museum het initiatief tot een onderzoek naar

’t Wasschappels gevoel. Het onderzoek was bedoeld om

te weten te komen of Westkappelaars een andere kijk op

hun dorp hebben dan de bezoekers. En of mannen en

vrouwen, jongeren en ouderen andere voorkeuren hebben.

329 personen stuurden het enquêteformulier terug.

Onder hen een aanzienlijk aantal jongeren. Iedereen

maakte op een formulier zijn waardering kenbaar voor

foto’s in zeven categorieën: symbolen, natuur, bakens,

monumenten, woonklimaat, traditie en toerisme.

De keuze was beperkt tot drie foto’s per categorie.

Een aantal aspecten van het Westkappelse dorpsleven,

zoals de kermis, het koor en het gaaischieten, viel buiten

de boot.

De vuurtoren en de rode daken van Westkapelle

verbeelden ‘t Wasschappels gevoel het best. Zij kregen

over het geheel genomen de meeste punten. Daarnaast

ontlenen mensen de identiteit van Westkapelle aan de

Zeeuws Erfgoed 12 december 2011/03|04 • MUSEA

natuur die het dorp omringt. De duinen en de kreek

staan op nummer drie en vier. Het belangrijkste

monument is de liberty bridge, een eerbetoon aan de

geallieerde militairen die omkwamen bij de bevrijding

van Westkapelle in 1944. Deze eindigt in de totaallijst op

de vijfde plaats, voornamelijk door stemmen van buiten

Westkapelle. Als het om monumenten gaat, voelen de

Westkappelaars zelf het meest voor het monument op

het kerkhof. Het museum staat in de totaallijst op de

vijftiende plaats, net na het ringsteken.

Verrassend wellicht is dat de Westkappelaars het heien

de belangrijkste traditie van hun dorp vinden. Het dijkwerkambacht

won het van ringrijden en streekdracht.

De oprichting van de Wasschappelse Heiploeg ruim tien

jaar geleden heeft deze traditie nieuw leven ingeblazen.

Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de inwoners van

Westkapelle het heien als een bepalend element van hun

identiteit zijn gaan zien. Vermoedelijk is het heien ook

populair omdat Westkapelle zich hiermee onderscheidt

van andere dorpen. Het heien komt elders op Walcheren

niet voor. Overigens vinden ook de Walcherenaren en

mensen uit de andere provincies het heien het meest

karakteristiek voor Westkapelle. De overige Zeeuwen

en buitenlanders, uitgezonderd de Duitsers, zetten het

ringsteken op één. Voor Duitsers is streekdracht de

belangrijkste traditie in Westkapelle.

Het Wasschappels gevoel bestaat uit verschillende

elementen die niet voor iedereen dezelfde betekenis

hebben. Uit de onderzoeksresultaten komt naar voren

dat de Westkappelaars hun dorp anders beleven dan

mensen van buiten het dorp. Het duidelijkst laat zich dat

zien bij de monumenten en tradities. Om een identiteit te

vormen, zoeken mensen naar overeenkomsten en grenzen

zij tegelijkertijd af. Westkappelaars onderscheiden zich

van andere Zeeuwen en Nederlanders met een heiploeg,

een tank op de dijk en een kerktoren als vuurtoren.

Maar net als bij andere Zeeuwen en Nederlanders steekt

onvermijdelijk de Oranjekoorts de kop op als het

Nederlands voetbalelftal een WK wedstrijd speelt. ‘Ik en

wij’: het is maar net vanuit welk perspectief je het bekijkt.


Vrijwilligers brengen

panoramaschilderij van Yerseke tot leven

2011 is het Europees Jaar van het Vrijwilligerswerk.

In Nederland doen zo’n vijf miljoen vrijwilligers

onschatbaar werk voor de samenleving. Ook het

Zeeuwse museumlandschap wordt voor het overgrote

deel gerund door vrijwilligers. Een bijzonder Zeeuws

vrijwilligersproject is de reddingsactie van een

panoramaschilderij in Yerseke.

De teller op de website bewijst dat het Oosterschelde-

Museum bijna zijn doel heeft bereikt: voor de restauratie

van ‘Gezicht op de haven van Yerseke’ is al een bedrag

van 39.996 euro verzameld. Met subsidies, donaties,

certificaten, sleutelhangers en… koekjes. Het einddoel:

46.000 euro.

Het museum draait volledig op vrijwilligers. Ze organiseren

elk jaar een speciale dag voor hun vrijwilligersteam.

Maar deze reddingsactie is letterlijk en figuurlijk heel

andere koek. Crowdfunding in Yerseke, hoe hebben ze

dat aangepakt?

Alles draait om het panoramaschilderij van kunstenaar

W.F.A.I. Vaarzon Morel, uit 1913. Het doek meet zes

bij vier meter en wordt in oude glorie hersteld omdat

het gaat om uniek Zeeuws erfgoed. Het is een kostbare

restauratieklus. Vrijwilligers Jan van Helden, Rida

Vervoorn en Truus Vercouteren vertellen over hun

werkwijze.

Jan: “We waren aan het vergaderen over mogelijke acties.

Mijn vrouw had koekjes gebakken voor bij de koffie,

zogenaamde ijzerwafeltjes naar een oud boerenrecept.

Bij de eerste hap keek iedereen elkaar aan: dit gaat ’m

worden!”

Truus: “We hebben in weer en wind koekjes verkocht,

er kwam niemand voorbij onze kraam. Tot nu toe hebben

we 8.000 wafeltjes verkocht, dat is bijna 2.000 euro aan

koekjes!”

Rida: “In elk zakje zit een briefje met informatie over onze

actie. Mensen nemen de koekjes mee, geven ze cadeau.

Het lastige van fondsenwerving is de mensen blijvend

betrokken te houden. Een muismat of balpen verkopen is

een eenmalige actie. Maar koekjes gaan op en dat is juist

de kracht, die moet je weer opnieuw kopen. Zo hebben

we onze campagne levend gehouden.”

Jan: “We verkopen ook certificaten, voor 25 euro kun

je een stukje restauratiewerk adopteren. Het zijn op

naam gestelde, genummerde certificaten die een gewild

aandenken aan het worden zijn. Tot nu toe hebben die

8.000 euro opgebracht.”

Overal in Yerseke doken museumvrijwilligers op om

te flyeren en persoonlijk over de restauratie te vertellen:

in winkels, verzorgingstehuizen en bij bedrijven. Truus

droomt inmiddels van de koekjes. Ze waren bij elk

evenement present: van Mosseldag tot de Open

Monumentendag.

Ineens was er een omslagpunt en werd de reddingsactie

ook door andere vrijwilligers omarmd.

Rida: “Mensen gaan met je meedenken en er kwamen

mooie nieuwe initiatieven: de boekhandel verkoopt

kalenders, er zijn borduurpakketten en een verhalenboekje.

De kampioen oestersteken kwam langs als

publieksattractie, een liedjeszanger schonk zijn

honorarium.”

Truus: “Het is ritselen en hosselen. Je moet mensen

blijven aanspreken en ook simpele dingen niet vergeten:

een fooienpot bij de ingang en een emmertje voor

kleingeld bij het toilet hebben al meer dan 1.000 euro

opgebracht.”

Het kost de vrijwilligers veel energie om de aandacht

niet te laten verslappen. Maar iedereen is nog steeds

enthousiast en de vorderingen van de restauratie sporen

aan om ook het laatste bedrag binnen te halen.

Rida: “Op onze website is alles te volgen, ook dankzij

vrijwilligers: elke week is er nieuw fotomateriaal en we

maken ook een film van het restauratieproces. Beide

zijn gratis gerealiseerd door mensen uit het dorp.”

Het museum krijgt hele leuke reacties, ook na de

tentoonstelling met oude trouwfoto’s. Het schilderij

van Vaarzon Morel was vroeger namelijk dé trouwachtergrond.

Mensen brachten originele foto’s en oude

16 mm-films. Jan: “Iedereen kijkt nu anders naar

het schilderij. Een tijd terug was het nog ‘behang’,

maar eindelijk krijgt het de aandacht die het verdient.

Mensen gaan écht kijken en ontdekken het opnieuw:

‘Hee, dat loodsje was van mijn opa!’ Het schilderij is

echt tot leven gekomen in Yerseke.”

Help mee met de laatste loodjes, kijk op

www.oosterscheldemuseum.nl.

Het museum kan altijd meer vrijwilligers gebruiken, net

zoals alle musea in Zeeland. Baliewerk, collectieregistratie,

technische ondersteuning, educatie: er is genoeg te doen, dus

geef u op als vrijwilliger!

Zeeuws Erfgoed 13 december 2011/03|04 • MUSEA

Vrijwilligers Rida, Jan en

Truus voor het ‘Gezicht op

de haven van Yerseke’.


Het team van Zeeuwse

collectiewachters tijdens

de presentatie op 5 juli in

Veere.

Collectiewacht voor Zeeuwse musea

In navolging van Gelderland is Zeeland als tweede

provincie gestart met een Collectiewacht. Dit is een

service aan musea, te vergelijken met de Monumentenwacht.

Doel is om de behoudsbehoefte van collecties te

kwantificeren, conserveringsachterstanden weg te werken,

kennis over de collectie te verbeteren en te verdiepen en

veiligheid voor de collectie te bevorderen. Dit gebeurt op

locatie in een samenwerking tussen materiaaldeskundigen

én museummedewerkers. Ook in de provincies Noord-

Brabant, Groningen, Friesland en Utrecht bestaan

plannen voor een Collectiewacht.

Zeeuws Jaar van het Water

De Provincie Zeeland heeft 2012 uitgeroepen tot Zeeuws Jaar van het

Water. Aanleiding is dat er 2012 enkele belangrijke waterevenementen

staan gepland. Met het Jaar van het Water wil de provincie aan

inwoners van en bezoekers laten zien dat Zeeland als geen andere regio

leeft met het water. De wisselwerking tussen land en water vormt de

kern van de Zeeuwse identiteit. Het themajaar ging al op 4 oktober van

start met de festiviteiten rondom 25 jaar Oosterscheldekering.

Erfgoedorganisaties die een bijdrage willen leveren aan het Zeeuws Jaar

van het Water, kunnen dit aanmelden via jaarvanhetwater@zeeland.nl.

25 jaar Oosterscheldekering.

Webportaal geschiedeniszeeland.nl is vernieuwd. Na vijf jaar gebruikservaring

(het webportaal is in december 2006 online gegaan), overdenking

en voorbereiding is het nieuwe jasje klaar. Een nieuwe mogelijkheid is het

gratis versturen van leuke historische kaarten.

Nieuwe kleuren en nieuwe vormen maken dat geschiedeniszeeland.nl er

wat jonger uitziet. Het hoekige is ervan af. Ook de techniek is verbeterd.

De menustructuur is overzichtelijker en de informatie vollediger. Er zijn

meer ingangen om onderwerpen uit de rijke Zeeuwse geschiedenis te

doorzoeken: op personen, op plaatsen. Bovendien zijn nu ook de nieuwsberichten

doorzoekbaar.

Het sterkste wapen van geschiedeniszeeland.nl blijft ook nu centraal staan:

de Aquabrowser Library. Deze zoekmachine doorzoekt de collecties van

organisaties die in geschiedeniszeeland.nl samenwerken. Eén zoekopdracht

brengt al deze bronnen tegelijkertijd binnen handbereik. Via de zoekresultaten

kan worden doorgelinkt naar de oorspronkelijke collecties, waar

2012

De Collectiewacht werkt in het museum samen met de

collectiebeheerders die daarmee een regelmatige en ter

zake kundige begeleiding krijgen betreffende de conditie

en het onderhoud van de collectie. Zo wordt een wakend

oog op de collectie geboden, steun op maat en praktische

samenwerking op de vloer. De Collectiewacht Zeeland is

een samenwerkingsverband van de SCEZ en Zeeuwse

restauratoren.

De Collectiewacht is op 5 juli gepresenteerd in het

Stadhuismuseum De Vierschaar in Veere. De komende

drie jaar zal de Collectiewacht Zeeland werkzaam zijn in

Streekmuseum Het Land van Axel, Museum De Schotse

Huizen (Veere), Stadhuismuseum De Vierschaar (Veere),

Streek- en Landbouwmuseum Goemanszorg (Dreischor),

Historisch Museum De Bevelanden (Goes), Fruitteeltmuseum

(Kapelle) en Museum De Vier Ambachten

(Hulst).

Dit werk wordt mogelijk gemaakt dankzij financiële

bijdragen van het Steunfonds voor de Zeeuwse Musea,

het Prins Bernhard Cultuurfonds Zeeland en de SCEZ.

Jaar van de Historische

Buitenplaats

Landelijk is 2012 uitgeroepen tot Jaar van de Historische Buitenplaats.

In Zeeland zijn nog zeventien, als complex beschermde historische

buitenplaatsen waarbij huis, tuin en park samen een rijksmonument

vormen. Daarnaast zijn er nog tientallen buitenplaatsen die minder

compleet bewaard zijn gebleven en voormalige buitenplaatsen

(de ‘verborgen buitens’) waarvan alleen nog restanten aanwezig zijn.

Het Zeeuwse programma is enerzijds gericht op kennismaking van het

algemene publiek met dit belangwekkend cultureel erfgoed en anderzijds

op het informeren van de eigenaren/beheerders van de buitenplaatsen

op het terrein van behoud en beheer. Vanaf begin 2012 is het

programma te vinden op de webpagina van het Platform Kastelen en

Buitenplaatsen in Zeeland via www.scez.nl/monumenten.

Kasteel Ter Hooge bij Middelburg.

Nieuwsgierig naar Zeeuwse foto’s en verhalen van vroeger?

Kijk op geschiedeniszeeland.nl en stuur een gratis e-card!

aanvullende informatie te vinden is. Geheel nieuw aan geschiedeniszeeland.nl

is de verzendmodule, zichtbaar op de startpagina. De kaarten

combineren oude beelden van vroeger met eigentijdse uitspraken.

Uiteraard is het de

bedoeling dat er kaarten

bijkomen, maar met vier

stuks is het begin

gemaakt.

Dus… kijk vooral eens

op www.geschiedeniszeeland.nl

en stuur een

grappige kaart aan

familie en vrienden

tijdens de decemberfeestmaand!

Zeeuws Erfgoed 14 december 2011/03|04 • MUSEA | ALGEMEEN Ze


Tien jaar SCEZ:

presentatie themanummer Zeeuws Tijdschrift

De vroeg zeventiende-eeuwse Kloveniersdoelen in

Middelburg vormde op vrijdagavond 2 september

het passende decor voor de presentatie van het

themanummer over erfgoed van het Zeeuws

Tijdschrift. Het nummer verscheen naar aanleiding

van tien jaar SCEZ en verving eenmalig de eigen

nieuwsbrief Zeeuws Erfgoed. De presentatie volgde op

de indrukwekkende voorstelling van De Rietdekker.

Voor directeur Wim Scholten was met de Kloveniersdoelen

en De Rietdekker tegelijkertijd ook de volle

breedte van het erfgoed geduid. Erfgoed is niet alleen

materieel, maar ook immaterieel van aard. De combinatie

maakt erfgoed juist zo waardevol voor mens, omgeving

en economie van Zeeland. In zijn toespraak ging Wim

Scholten kort in op de ontwikkelingen in de afgelopen

tien jaar en memoreerde hij de stimulerende rol die de

voormalige gedeputeerden voor cultuur Gert de Kok en

Harry van Waveren hierin hebben gespeeld. Op speelse

wijze werden wat onderwerpen belicht waarmee zij

‘in functie’ te maken kregen: fietsen, borduren en

het landschap. Beide gedeputeerden kregen van

Wim Scholten en Paul van der Velde, hoofdredacteur

van het Zeeuws Tijdschrift, de eerste exemplaren van het

themanummer overhandigd.

Bezoek aan Het Schuitvlot

De SCEZ is gevestigd op twee locaties:

De Burg en Het Schuitvlot. De laatste locatie

is in juni vorig jaar in gebruik genomen.

Op 7 oktober brachten de gemeenteraad

van Middelburg en de Statencommissie

Bestuur, Financiën en Welzijn een bezoek

aan Het Schuitvlot.

De gemeenteraad was vooral geïnteresseerd in

het nieuwe gebouw, gelegen aan de rand van

het beschermd stadsgezicht van Middelburg.

De kern van het gebouw is de voormalige

gemeentelijke brandweerkazerne met

aangebouwde sporthal. De kazerne is gebouwd

bovenop de bunker van de commandopost

Bescherming Bevolking. De bunker is in 1965

opgeleverd, de kazerne een jaar later. Na het

vertrek van de brandweer is de kazerne

aangekocht door de Provincie Zeeland, met als

doel huisvesting van het Zeeuws Archeologisch

Depot en de Monumentenwacht van de SCEZ.

Het gebouw is naar ontwerp van de Architecten

Alliantie in Goes geheel gerenoveerd en

voorzien van een nieuwbouwgedeelte voor het

archeologisch depot. De drie functies van het

gebouw zijn in materiaalkeuze aan het exterieur

af te lezen: koper voor het kantoorgedeelte,

stortsteen voor garage- en opslagruimte en

damwand voor het depotgedeelte. De gemeenteraad

is in het bijzonder geïnformeerd over het

werk van de Monumentenwacht en de taken

van het Zeeuws Archeologisch Depot.

De Statencommissie had een dubbele insteek:

Er werden die avond meer verbindingen op het terrein

van het erfgoed gelegd. Paul van der Velde interviewde

Rinus Spruit, de schrijver van Zwieg Stille, het boek

dat ten grondslag ligt aan de voorstelling, en Bram

Kwekkeboom, de acteur. De kracht van het boek en

de voorstelling blijkt vooral de persoonlijke dimensie,

en in die zin ook de Zeeuwse afkomst van auteur en

acteur te zijn.

Schrijfster Floortje Zwigtman maakte later op de avond

de longlist van de Zeeuwse Boekenprijs 2011 bekend. Zij

won die prijs vorig jaar en schreef voor het themanummer

‘Verhaaltjes voor het slapen gaan’, haar Zeeuws erfgoed.

Leden van de gemeenteraad Middelburg in

het algemeen depot voor archeologische vondsten

van keramiek en glas. Zij bezochten

ook het metaaldepot en het organisch depot

voor houten en leren bodemvondsten.

het nieuwe gebouw bekijken en geïnformeerd

worden over de taken en werkzaamheden van

de SCEZ, mede gezien de kerntakendiscussie

en bezuinigingstaakstelling. De commissieleden

kregen een presentatie aangeboden waarin de

beleidskaders en de keuzes voor de toekomst

werden toegelicht. Hier kwamen aspecten aan

de orde als verbreding van het werkterrein in

de richting van landschap, natuur en ruimte,

andere financieringsstromen, meer doen voor

gemeenten in het kader van gewijzigde wet-

en regelgeving en zoeken naar een nieuwe,

organisatorische setting. Ook bij dit bezoek

werd ingegaan op de Monumentenwacht en

het Zeeuws Archeologisch Depot.

De commissieleden kregen een rondleiding

met tussenstops in de depotruimten, de gang

met vitrines en de garageruimte.

Ook cultuurgedeputeerde Ben de Reu nam deel

aan het werkbezoek van de Statencommissie.

In de garageruimte van de Monumentenwacht

klom hij moedig naar boven op een nagebootste

torenspits met verplichte veiligheidsvoorzieningen.

Zeeuws Erfgoed 15 december 2011/03|04 • ALGEMEEN

Voormalig cultuurgedeputeerden

Gert de Kok (l) en

Harry van Waveren gaven

na de overhandiging van

het jubileumnummer een

korte reflectie op de SCEZ

(foto Anda van Riet).


Cultuurhistorie

Zeeland of de Waddeneilanden?

Verschil moet er zijn

Wie jaar na jaar vanuit Zeeland naar een van de

(Nederlandse) Waddeneilanden trekt om daar een

vakantie door te brengen, heeft wat uit te leggen.

Wat hebben die eilanden te bieden wat Zeeland mogelijk

mist? Een vraag die niet zonder betekenis is, nu toeristisch

Zeeland eind september met zorg heeft moeten

constateren dat Nederlanders (overigens ánders dan

Belgen en Duitsers) onze provincie steeds meer mijden

als vakantiebestemming. En ook de permanente zoektocht

naar identiteit, imago, ‘merk’ van Zeeland rechtvaardigt

enige vergelijking.

Wie zich wat meer dan oppervlakkig in de vraag verdiept

zal al snel merken dat beide regio’s aan elkaar gewaagd

zijn als het gaat om het ophemelen van de eigen

verworvenheden. De eenvoudige zonzoeker mag volgens

de ene website de meeste zonuren verwachten in

Vlissingen; de andere site overbiedt met een net iets

hoger aantal uren zon in de regio Den Helder en Texel.

De cultuurtoerist - die lijken we tegenwoordig hoger

aan te slaan dan de zon-, zee- en strandliefhebber - zal

constateren dat ook op dat terrein provincies en

gemeenten met elkaar wedijveren, bijvoorbeeld om

de hoogste museumdichtheid. Volgens sommige bronnen

kan Friesland daar aanspraak op maken. Ameland zou

zelfs de hoogste dichtheid ter wereld hebben, met vijf

musea op een bevolking van 3.500. We weten dat ook

Zeeland op dit punt hoog scoort. En dan natuurlijk het

veel bezongen Zeeuwse licht: is dat echt iets anders dan

het licht boven de Wadden? Ik dacht van niet. Dat licht

lokte, dankzij de verbeterde spoorverbinding sinds de

negentiende eeuw kunstenaars en in hun kielzog de

eerste toeristen naar Walcheren. Voor de Wadden,

met Ameland voorop, geldt iets dergelijks; daar waren

het de sindsdien verbeterde veerverbindingen die een reis

vergemakkelijkten.

De Waddeneilanden lijken een gevoel van authenticiteit

op te roepen dat er ondanks alle verandering en schaalvergroting

voelbaar is. Jan Kolen bespeurt iets dergelijks

ook in Zeeland, in de ‘trage landschappen’ van onze

provincie, getuige zijn bijdrage in het recente SCEZnummer

van het Zeeuws Tijdschrift. Maar schuilt dat

gevoel van authenticiteit eigenlijk wel in het cultuurlandschap?

Dat is niet erg waarschijnlijk. Vrijwel heel Zeeland

ging door ruil- en herverkaveling op de schop, Walcheren

zelfs twee keer. Het landschappelijk spoor van de

allereerste ruilverkaveling van ons land, die van de

Ballumer Mieden op Ameland (in 1916), is al lang

weer uitgewist door een volgende herinrichting.

De Waddeneilanden weten zich sinds 2009 omarmd

door werelderfgoed (want die status bezit de Waddenzee),

maar zelf vallen ze erbuiten, althans de Nederlandse

Waddeneilanden. Wel kennen ze een aantal fraaie, deels

beschermde dorpsgezichten en een grootse natuur.

Hoe dan ook, het gevoel van authenticiteit lijkt op de

Wadden toch intenser dan in Zeeland. Natuurlijk wordt

het versterkt door de veerverbinding die een reis naar de

eilanden omslachtiger, duurder en selectiever, maar wel

boeiender en verwachtingsvoller maakt dan de autorit

over de A58. Met die bootreis ontstaat het eilandgevoel,

het gevoel dat we in Zeeland hebben overbrugd en

ondertunneld.

Beschermd dorpsgezicht Schiermonnikoog

(Langestreek om de Noord).

De Waddeneilanden kennen een grote plaatstrouw:

je gaat, vanuit Friesland of vanuit Groningen, je leven

lang bewust naar Ameland en niet naar Schiermonnikoog,

niet naar Terschelling maar wel naar Vlieland. Ook

eilandhoppen komt vrijwel niet voor. In Zeeland lijkt van

plaatstrouw niet veel meer over. Willen we de bezoekers

aan onze provincie blijvend boeien en binden, dan is er

dus inspanning nodig. We moeten hen ervan overtuigen

dat ze Zeeland pas hebben gezien als ze alle délen van

Zeeland hebben gezien. Maar dan moet Schouwen niet

als twee druppels water gaan lijken op Noord-Beveland,

en de Bevelanden niet op west- of oost-Zeeuws-

Vlaanderen. Verschíl moet er zijn. Probeer, zonder

daarvoor dammen door te steken of bruggen op te halen,

de vroegere eilandenstructuur zichtbaar te houden. Ook

die van de eilanden en dus van de scheidslijnen van nóg

vroeger: Gouwe, Schenge, Zwake, Braakman. De Zeeuwse

identiteit schuilt erin dat we juist meer dan één identiteit

bezitten. Alles wat herinnert aan Zeeland als land van

overkanten: koester dat. Koester dus het rondje met een

pontje met alles wat daarbij hoort aan infrastructuur:

een tijhaventje, havenplein, aanlegsteiger.

Die identiteiten schuilen deels in fysieke kenmerken,

in materieel erfgoed, in landschap. Maar ze schuilen zeker

ook in het immateriële. En ook op dat terrein valt wel wat

te verbeteren. In willekeurig welk dorp kan de toerist zich

tijdens het ringrijseizoen oprecht vergapen aan de bijzondere

dracht van die streek en zich verwonderen over de

specifieke taal van die streek. Maar hij moet zich wel

oprecht verbazen over de muziek die uit de luidsprekers

schalt: die is op een Brabantse of Drentse of Terschellinger

braderie niet anders. Over identiteit gesproken!

Aad de Klerk,

adviseur cultuurhistorie en landschap

Zeeuws Erfgoed 16 december 2011/03|04 • CULTUURHISTORIE


Cultuurhistorie Nieuws

Jan Kempeneers geëerd

Een uitermate heugelijk en gedenkwaardig moment voor

de Heemkundekring Philippuslandt, dat was 26 april.

In de algemene ledenvergadering van de kring stond men

die avond namelijk stil bij het tienjarig bestaan.

Inmiddels zijn meer dan vijfhonderdvijftig leden bij

de kring aangesloten; een prestatie die er mag zijn.

Voor een belangrijk deel is de sterke ledenaanwas de

HKW-Cultuurfondsprijs

voor Hans Houterman en Hans Sakkers

Alweer voor de vierde keer werd de HKW-Cultuurfondsprijs

uitgereikt. Dat gebeurde tijdens de jaarvergadering

van de Heemkundige Kring Walcheren op 27 april in

Middelburg. De prijs is een onderscheiding voor inzet

die geleverd is in de niet-professionele sfeer, ten bate van

het Walchers cultuurgoed. In principe eenmaal in de drie

jaar pakt de kring hiermee uit. Na Frans van den Driest

(2001), Polderhuis Westkapelle, Dijk- en Oorlogsmuseum

(in 2005) en Piet Smallegange (2008) waren ditmaal

Hans Houterman te Middelburg en Hans Sakkers te

Koudekerke de gelukkigen. Zij ontvingen de prijs voor

hun onderzoek, uitmondend in diverse publicaties, dat

volgens het juryrapport een ‘betekenisvolle bijdrage’

heeft geleverd aan de geschiedschrijving van Zeeland, in

het bijzonder van Walcheren, in de Tweede Wereldoorlog.

Voor dat onderzoek raadpleegden zij vaak tot dan toe

nauwelijks geraadpleegde bronnen, waaronder Duitse

(militaire) archieven, en interviewden zij Duitse overlevenden

en/of hun familie. Ook hun nadrukkelijke

Commissie Regionale Geschiedbeoefening Zeeland

opgeheven

De Commissie Regionale Geschiedbeoefening Zeeland

is opgeheven. De commissie is in 2001 door de SCEZ

in het leven geroepen om enkele (lopende) projecten

en activiteiten van de voormalige Stichting Regionale

Geschiedbeoefening Zeeland te begeleiden en verder

vorm en inhoud te geven aan de provinciale samenwerking

op het terrein van de geschiedbeoefening.

In de afgelopen jaren zijn de verschillende projecten

en activiteiten succesvol afgerond. Het laatste onderzoeksproject

van de commissie is in april van dit jaar afgesloten

met de publicatie Onrust en welvaart van Jan Zwemer.

De informatievoorziening op het terrein van de geschiedbeoefening,

ook een belangrijke taak van de voormalige

stichting, is geregeld via de nieuwsbrieven van het Zeeuws

verdienste van Jan Kempeneers, tien jaar geleden oprichter

en sindsdien ook een aantal jaren voorzitter en de

drijvende kracht achter het tijdschrift van de kring,

voluit de Cronicke van den lande van Philippuslandt.

Jan Kempeneers - niet aanwezig bij de vergadering in

verband met gezondheidsproblemen - was eerder die dag

en meer dan terecht benoemd tot lid van verdienste.

aandacht ‘voor het (behoud van het) erfgoed van de

oorlog en de landschappelijke context daarvan’ werd in

de argumentatie voor toekenning van de prijs geroemd.

Archief en de SCEZ en via het webportaal geschiedeniszeeland.nl.

Het webportaal is daarnaast uitgegroeid tot

een stevig samenwerkingsverband van Zeeuws Archief,

Zeeuwse Bibliotheek, Zeeuws Museum, SCEZ en de

gemeentearchieven. De commissie was ook belast met

het uitvoeren van de subsidieregeling van de onderzoeksvergoedingen.

Deze regeling is in feite steeds minder

nodig gebleken. Er werd nauwelijks meer een beroep op

gedaan sinds studenten zijn voorzien van een OV-kaart,

waardoor reiskosten geen belemmering meer zijn om in

Zeeland onderzoek te doen. Daarom wordt de regeling

onderzoeksvergoeding definitief per 1 januari 2012

beëindigd. Lopende aanvragen zullen nog worden

afgehandeld.

Zeeuws Erfgoed 17 december 2011/03|04 • CULTUURHISTORIE

Walviskaken als

afrastering langs de weg in

Hollum anno 1930:

tastbare herinneringen aan

de vanuit Ameland

ondernomen walvisvaart.

Prijswinnaars

Hans Houterman (l) en

Hans Sakkers

(foto Mirjam Wondergem).


Op de dialectendag worden

er tijdens de zonnige pauze

nieuwe contacten gelegd

en worden oude

vriendschapsbanden

weer nauwer aangehaald.


STREEKTAAL VARIA

Een mooie dag, de Zeeuwse dialectendag

15 oktober begint mooi. Er hangt - ondanks de koude -

een zomers herfstsfeertje met de grote opgaande zon die

iedereen die op weg was naar Landlust wel moet hebben

Zesde streektaalconferentie in Heerde

Het was ver weg, dit jaar. Met het openbaar vervoer was

het vrijwel onmogelijk om zonder overnachting de

streektaalconferentie bij te wonen als je in Zeeland woont.

Gelukkig was er toch een Zeeuwse inbreng, want Joop

van den Bremen uit Vlissingen was een van de sprekers.

Het was een soort thuiswedstrijd voor hem, want zijn

roots liggen daar, in de buurt van Heerde. De lezingen

waren interessant en zeer divers. Dialect en muziek is ook

een dankbaar thema. Joop bracht een mooi overzicht van

wat er allemaal is in Nederland. De Vlaamse Walter

Evenepoel bracht - hij is zelf zanger - in zijn lezing zeker

wat variatie door nu en dan te zingen. Ook de andere

lezing over streektaalmuziek in Vlaanderen zorgde voor

Vlaamse klanken, zij het deze keer niet uit eigen mond.

Ook Friesland, Drenthe, de Stellingwerven, Twente

kwamen uitgebreid aan bod in diverse verhalen.

Op www.zeeuwseklapbank.nl kunt u binnenkort enkele

van de lezingen beluisteren.

Zeeuws Erfgoed 18 december 2011/03|04 • STREEKTALEN

gezien. Na de gebruikelijke ochtendvergadering waarin

enkele inhoudelijke en financiële zaken besproken

worden, wordt het publiek geboeid door het verhaal van

Rob van Hoek. Het thema is immers beeld en geluid.

Rob van Hoek was verantwoordelijk voor Zeeland in

Van Gewest tot Gewest. Zijn voordracht over de thema’s

die in dit programma aan bod kwamen in de loop van

de periode dat Van Gewest tot Gewest op tv te zien was,

wordt begeleid door mooie beelden uit Zeeland. Leuk

dat ook enkele bekende Zeeuws-Vlaamse dialectliefhebbers

even de revue passeren. Engel Reinhoudt zorgt

op gepaste wijze voor een mooie afsluiter van het

ochtendprogramma. Wat heeft die man weinig nodig om

een hele zaal aan het lachen te brengen, elk jaar opnieuw.

Velen zullen jaloers zijn op zijn gave om zo gepast te

kunnen reageren op de kleine dingen van het leven, zoals

de eerste tv in het dorp en het meegluren van de andere

bewoners van de straat. De middagpauze is gezellig

omdat iedereen lekker buiten kan staan praten met jan

en alleman. Toch is iedereen gedisciplineerd genoeg om

stipt om 14.00 uur weer binnen te komen en te luisteren

naar de verhalen die in het namiddagprogramma

geprogrammeerd zijn. Het was weer een mooie dag!

Volgend jaar 20 oktober is het weer zover. Het thema

is dan dieren in en rond het huis. Wie erbij wil zijn, kan

de datum nu al noteren.

Joop van den Bremen vertelt over Nederlandse

streektaalmuziek en Walter Evenepoel voegt de daad bij

het woord tijdens zijn lezing over de Vlaamse dialectmuziek

en geeft een gratis miniconcert.

Gezocht voor Zing Zeeuws 2012:

Jonge enthousiaste medewerkers die van ‘Zing

Zeeuws’ weer een feest willen maken! In het najaar

van 2012 komt er een vierde editie van de dialectwedstrijd

‘Zing Zeeuws’. We zoeken nog enkele

enthousiaste vrijwilligers om mee te helpen. We

willen er immers nog meer jongeren bij betrekken.

Geef een seintje aan de adviseur streektaal als dit iets

voor u is (v.de.tier@scez.nl). Meer informatie op

www.zingzeeuws.nl.


Streektalen

Cursus Kennismaking met het Zeeuws

Na Middelburg is Zierikzee aan de beurt. Vanaf 5 oktober

volgen twaalf dappere mannen en vooral vrouwen de

cursus ‘Goed gebekt in het Zeeuws dialect! Kennismaking

met het Zeeuws’. De eerste cursusavond kwam er ook een

journalist meevolgen. Zijn verslag stond op 7 oktober in

de Schouwse editie van de PZC (www.scez.nl/streektalen

of www.zeeuwseklapbank.nl). In de cursus komen de

diverse dialecten van Zeeland aan de orde. Woordenschat,

klankleer, grammatica, het komt allemaal aan bod.

Het vertrekpunt is de regio waar de cursus plaatsvindt.

Daarna vergelijken we het met de andere regio’s.

Wat zijn de verschillen, wat zijn de gelijkenissen?

Vrijwilligersgroepje

Op onze oproep voor vrijwilligers kwam al enige reactie.

Ondertussen zijn we dan ook met enkele mensen van

start gegaan om wat er al over het Zeeuws is verzameld

op een goede manier te ontsluiten. De werkjes zijn divers.

Zo zoeken we nog altijd mensen die oude vragenlijsten

in een database of excelformulier willen omzetten,

zodat de gegevens beschikbaar komen voor het tekenen

van bijvoorbeeld dialectkaarten zoals deze kaart van

de ragebol.

Een ander werkje is het digitaliseren van het gesproken

Zeeuws materiaal. In de jaren zestig en zeventig van de

vorige eeuw zijn allerlei gesprekken in het Zeeuws op

band opgenomen. Die kan u deels horen op de website

www.zeeuwseklapbank.nl en op die van het Meertens

Instituut, www.meertens.knaw.nl/soundbites.

Van sommige van deze gesprekken bestaan al transcripties

of uitgeschreven teksten. Die willen we digitaliseren.

Helaas komen er bij het omzetten van de scans heel wat

fouten voor in de dialectweergave. We zoeken dus

correctoren om deze teksten na te lezen en ondertussen

te luisteren naar de verhalen om eventuele fouten recht

te zetten.

Verder bereiden we in 2012 ook een mooi programma

voor zorginstellingen en andere instituten voor. We zijn

zeer benieuwd naar de al bestaande vertelprogramma’s

van onze verhalenvertellers, zodat we een overzicht

Taal in de MuseumNa|8

Streekmuseum De Meestoof heeft wel iets met dialecten.

Jaren geleden gaven ze het Zeeuwse leesplankje uit en dit

jaar was er op de MuseumNa|8 een lezing over de woordenschat

van het trekpaard. Heel wat bezoekers weten nu

waar het kachteltje op de diek vandaan komt, of wat een

toam of een grêêl is. Hebt u bijvoorbeeld het oude woord

oorslop nog gehoord? Het zou een Thools woord moeten

zijn voor het haam van het paard. Dit en andere wetenswaardigheden

rond het paard kwamen aan bod tijdens de

MuseumNa|8 (zie elders in deze aflevering). Er waren

uiteraard ook echte paarden aanwezig, waar je de bevelen

haerop en hito direct op kon uitproberen.

Welke woorden komen waar voor, enz. Het is een echte

kennismaking met de verschillende taalregio’s in ons

Zeeuwse gebied.

Op 6 februari start de cursus in Terneuzen. De lessen

worden gegeven in het Zeldenrust-Steelantcollege,

Zeldenrustlaan 2, Terneuzen op maandagavond van

19.00 uur tot 21.00 uur. Er is plaats voor een vijftiental

cursisten. Inschrijven kan bij de ZVU en kost 40 euro.

De cursus wordt mogelijk gemaakt dankzij een subsidie

van de Provincie Zeeland. Meer informatie op

www.volksuniversiteitzeeland.nl/algemeen/zeeuwse-dialecten.

kunnen maken van wat er al bestaat aan dergelijke

initiatieven. In dit kader zoeken we ook ‘taalreporters’,

die bereid zijn om her en der verhalen te verzamelen en

op te nemen. Dat kunnen levensverhalen zijn maar ook

leuke verhaaltjes om aan anderen te vertellen.

Werk genoeg dus voor wie graag iets met de Zeeuwse taal

doet. We kijken uit naar jullie reacties. In het voorjaar

proberen we de vrijwilligers eens samen te brengen om

ideeën uit te wisselen en eventuele nieuwe projecten op

te starten.

Net verschenen

De dialectatlas van Nederland biedt een mooi

overzicht van dialectkaarten op het vlak van

woordenschat, klanken, grammaticale verschijnselen

en namen. Dialectatlas van het Nederlands bevat

ongeveer honderdvijftig paginagrote kaarten

waarop de verspreiding van een taalverschijnsel

wordt getoond. Aan elke kaart is een pagina met

duidelijke uitleg en commentaar toegevoegd.

Het boek wordt ingeleid met een hoofdstuk

over de geschiedenis van de Nederlandse

dialecten. Het is nu te koop in de

boekhandel.

De dialectkaart voor ‘zoen’ laat zien

dat in Zeeland niet alleen ‘kos’

(verspreid) maar ook ‘toot’

(Oost-Zeeuws-Vlaanderen) te horen is.

Zeeuws Erfgoed 19 december 2011/03|04 • STREEKTALENN


Archeologie

Archeologisch Nieuws

Drie fragmenten van een

vrij gevormd beeld van

roodbakkend aardewerk

met witte engobe, voorstellende

rug en achterhoofd

van een menselijke figuur;

datering vijftiende-zestiende

eeuw.

Bovenleer en zool van een

veertiende-eeuwse schoen

uit Aendijcke.

Project Probleemloos Toegankelijk

Het project voor het inlopen van de achterstanden in de

ontsluiting van het Zeeuws Archeologisch Depot ligt goed

op stoom en velen dragen daar aan bij. Zo ook voormalig

assistent-provinciaal archeoloog Bas Oele. In de afgelopen

maanden heeft Bas enige duizenden gedigitaliseerde

negatieven van onderzoek in Zeeland, waarvan een groot

deel door hem zelf is gemaakt, voorzien van een globale

beschrijving. Voor hem (en ook voor zijn vrouw Koos)

was dat een bijzondere reis door het eigen verleden,

waarmee informatie is verkregen die door niemand anders

meer kon worden gegeven.

Een nieuwe medewerkster, Ina Dellebeke,

vervult een belangrijke taak bij de invoer van data.

Inmiddels zijn er circa 14.000 vondsten geregistreerd en

wordt nu prioriteit gegeven aan de invoer van 3.500 oude

onderzoeks- en vondstmeldingdossiers in de

documentatiedatabase. De database die gemaakt is voor

de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland

is daar nu ook in opgenomen, waarmee in één keer circa

600 dossiers zijn toegevoegd. De beschrijving van de

tekeningen is eind oktober afgerond en de laatste 900

tekeningen worden nu gescand.

Zeeuws Erfgoed 20 december 2011/03|04 • ARCHEOLOGIE

Wederom heeft de registratie van vondsten uit Zeeuwse

musea leuke nieuwe gegevens opgeleverd, vooral uit het

verdronken dorp Aendijcke bij Zaamslag. Naast het

bekende pijpaarden beeldje van Christus als kind zijn

er nog fragmenten van drie andere beeldjes in de

inventarisatie aan het licht gekomen, waarvan twee van

roodbakkend aardewerk, bedekt met een witte engobe.

Tegen de verwachting in bleek Jeroen Ras (SOB Research)

nog in staat bijna alle fragmenten leer uit Aendijcke te

conserveren; daaronder bevonden zich resten van

schoenen uit de dertiende en de veertiende eeuw, die nu

geschikt zijn om tentoongesteld te worden.

Heel bijzonder is een fragment van een Rijnlandse wijnamfoor

uit de tiende of elfde eeuw, heel wat ouder dan

de oudste vermelding van het dorp Adendijk in 1170!

Fossiele mammoetkies uit het pleistoceen, gevonden in

een laatmiddeleeuwse puinlaag in Aendijcke.

Veel ouder nog is een fossiele kies van een mammoet,

gevonden tussen het laatmiddeleeuwse puin van het

verdronken dorp. Duidelijk is dat hij in de late middeleeuwen

al eens is gevonden en benut, maar de vraag

is of men de kies als zodanig of als iets speciaals heeft

herkend, of hem gewoon heeft beschouwd en gebruikt

als bouwmateriaal.

Aankondiging

ZAAD 2012: 17 maart

De dertiende Zeeuwse Amateur Archeologen Dag

vindt plaats op zaterdag 17 maart 2012 in SCEZlocatie

Het Schuitvlot in Middelburg. Noteer de

datum vast in uw agenda! Het programma zal

aandacht schenken aan twee belangrijke themajaren

voor Zeeland: het Jaar van de Historische

Buitenplaats 2012 en het Zeeuws Jaar van het

Water.


Personalia

‘Nog meer jubilea’

Stagiaire en vrijwilligster Céline den Engelsman schreef in

augustus het volgende bericht over haar werkzaamheden

in het archeologisch depot aan het Armeniaans Schuitvlot:

“Misschien heeft u mij weleens zien rondlopen op de

SCEZ of op archeologische bijeenkomsten. Ik ben dat

kleine meisje dat wel wat opvalt tussen de rest, vanwege

haar leeftijd (en lengte). Mijn naam is Céline den

Engelsman (16 jaar). En in deze maand vier ik mijn

1-jarig jubileum bij de SCEZ en in de archeologie!

Ik heb een jaar lang elke dinsdagmiddag als vrijwilliger

geholpen bij het inlopen van de achterstanden. Voor mijn

maatschappelijke stage moest ik 72 uur vrijwilligerswerk

doen. En daarna ben ik gewoon lekker doorgegaan.

Het werk dat ik er doe is erg divers. Als er een doos

binnenkomt controleer ik de volledigheid en inventariseer

ik de inhoud, voor zover dat nog niet gebeurd is.

Ook maak ik foto’s en heb ik weleens mogen tekenen.

Zo kom ik in aanraking met de vondsten. Scherven,

potten, munten, gewichten, botten, hout, textiel, leer,

ik kom van alles tegen! Maar ik heb zelf ook al eens

opgegraven. Dat was supergaaf! En zo raak ik vertrouwd

met beide kanten van het archeologisch bedrijf: opgraven

en verwerken van vondsten. Later wil ik archeologie gaan

studeren. En dan veldarcheoloog worden, dat weet ik

zeker. Ook ben ik dit jaar op de open dag van de

Universiteit Leiden geweest. Uiteraard heb ik dat meteen

even gecombineerd met een bezoekje aan het

Rijksmuseum van Oudheden.

Met deze kleine bijdrage aan Zeeuws Erfgoed wil ik

graag een aantal mensen van harte bedanken. Allereerst

Antoinette van Duijn, mijn lerares, die mij enthousiast

maakte voor deze geweldige wetenschap. Robert van

Dierendonck die de stage regelde, en mij een onuitputtelijk

enthousiasme meegaf. Bernard Meijlink en Bram

Silkens van de WAD, met wie ik mee mocht helpen op

hun opgraving op Hof Essenvelt. Maar ook Dicky de

Koning, Leida Goldschmitz, Niek Beeke, Hans Bostelaar,

Jan Kuipers en Ina Dellebeke. En vooral niet te vergeten:

Henk Hendrikse, mijn strenge maar rechtvaardige

‘mentor’ die me elke week weer begeleidt en me zijn

kennis bijbrengt. Ik heb het hier erg naar mijn zin, en ik

hoop dan ook op nog meer jubilea.”

Onderzoek en meldingen

SCHOUWEN-DUIVELAND

Zegelstempels uit Schouwen-Duiveland

Ruim vijf jaar na de uitgave van Zegelstempels en

Zegelringen uit Zeeuwse bodem blijkt de voorraad zegelstempels

in het bodemarchief nog steeds niet te zijn uitgeput.

Degenen dit het boek kennen, weten dat vondsten

uit Schouwen-Duiveland hierin weinig vertegenwoordigd

zijn. Niet omdat het gebruik van zegelstempels in die

regio onbekend was, maar omdat de bodemvondsten eenvoudigweg

niet werden aangemeld.

Gelukkig is dat manco door de melding van de heer S.

Nelisse enigszins rechtgetrokken. De afgelopen tijd liet hij

maar liefs vijftien zegelstempels zien die hij in de laatste

tien jaar aantrof op verschillende Schouwen-Duivelandse

vindplaatsen. Kwaliteit en datering lopen erg uiteen. Zo

Promotie Wouter Dhaeze

Vrijdag 23 september verdedigde Wouter Dhaeze zijn

proefschrift De Romeinse kustverdediging langs de Noordzee

en het Kanaal van 120 tot 410 na Chr. aan de universiteit

van Gent. Wouter begon zijn archeologische loopbaan al

omstreeks 1988, toen hij als kleine jongen meehielp bij

archeologisch onderzoek in Aardenburg, waarbij ook het

Provinciaal Depot voor Bodemvondsten (nu het werkveld

archeologie van de SCEZ) was betrokken. De contacten

zijn sindsdien nooit verbroken.

zijn er mooie zegelstempels uit de late middeleeuwen,

maar daarbij ook materiaal dat bewust gekapt en beschadigd

is (om misbruik door onbevoegden te voorkomen).

Ook zeventiende- en achttiende-eeuwse stempels komen

onder de aangemelde vondsten voor.

Een opvallend zegelstempel (hier afgebeeld) is vervaardigd

uit zilver en dateert uit de veertiende eeuw. Zilveren middeleeuwse

zegelstempels zijn uiterst zeldzaam en dit is dan

ook slechts het tweede exemplaar uit Zeeuwse bodem dat

de laatste tien jaar is aangemeld. Centraal op het stempel

is een aanziend portret van vermoedelijk een man

bekroond door een dubbelkoppige adelaar. Het geheel is

geplaatst in een veelhoekig motief met acht roosjes in de

hoeken. De greep is voorzien van een driepas. Een naam

is niet vermeld, hetgeen ongebruikelijk is bij middeleeuw-

Zeeuws Erfgoed 21 december 2011/03|04 • ARCHEOLOGIE

Stagiaire en vrijwilligster

Céline den Engelsman.

Wouter Dhaeze met zijn

proefschrift over de

Romeinse kustverdediging.


Zegelstempel uit

Schouwen-Duiveland,

in zilver met aanziend

portret.

Diameter 1,9 centimeter;

hoogte 2,4 centimeter

(collectie S. Nelisse).

Dubbelwandige waterput

naast het badgebouw.

Het Romeinse badgebouw

van Aardenburg; reconstructie

door Mikko Kriek.

se zegelstempels. Mogelijk gaat het hier om een

contrastempel: een stempel dat aan de keerzijde in de

was onder de akte werd gedrukt om fraude te voorkomen.

Slimmeriken konden namelijk de was aan de keerzijde

verwijderen en een eigen beeldmerk aan een akte

bevestigen. Door een contrastempel werd dit tegengegaan.

Dat dit alleen bij akten van grote importantie gebeurde

lijkt logisch. Het feit dat de uitvoering van het zegelstempel

in zilver is, bewijst de hogere dan gemiddelde

status van de eigenaar. Sinds de publicatie van

Zegelstempels en Zegelringen met daarin de beschrijving

en/of afbeelding van 275 zegelstempels is de tellerstand

inmiddels opgelopen tot een totaal van 365 exemplaren.

Naast belangrijke informatie over het voorkomen van

diverse typen zegelstempels op Schouwen-Duiveland

leveren de aangemelde vondsten kennis op van nieuwe

vindplaatsen. Deze informatie wordt door de Werkgroep

ZEEUWS-VLAANDEREN

Onderzoek Romeins Aardenburg

De thermen van Aardenburg

Het Aardenburgse Odysseeproject schrijdt voort.

In september is begonnen met het beschrijven van de

structuren, nadat eerder alle bij de opgravingen opgetekende

sporen digitaal waren verwerkt. Zo zijn overzichten

van alle Romeinse grondsporen van de verschillende

opgravingen verkregen. Hieruit zijn de belangrijkste

structuren geselecteerd, die nu verder worden uitgewerkt.

Een bijzondere ontdekking bij dit onderzoek is een

Romeins badgebouw, ook wel thermae of thermen

genoemd, waarvan de sporen in 1965 werden aangetroffen

op het terrein van de voormalige Gasfabriek in

Aardenburg, ter hoogte van de Beekmanstraat. Van het

gebouw werden de sporen van de funderingen en muurwerk

aangetroffen, met daaromheen grote hoeveelheden

puin. Dat het om een badgebouw moet gaan blijkt uit de

verschillende ruimtes voor de heet-, lauw- en koudwater-

Zeeuws Erfgoed 22 december 2011/03|04 • ARCHEOLOGIE

Metaalvondsten Zeeland (WMZ) beheerd maar ook

opgeslagen in het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA).

Bestudering van deze gegevens in combinatie met de

vondsten kan weer aanleiding

zijn tot nieuwe inzichten

in de Schouwen-

Duivelandse en dus

Zeeuwse

archeologie.

Hopelijk komen

hierdoor nieuwe

meldingen binnen

van vondsten

uit die regio.

baden die binnen de structuur herkenbaar zijn. Het zware

gebouw was deels gefundeerd op houten paaltjes.

Deze manier van funderen kennen we ook van het hoofdgebouw

van de Romeinse vesting. Het patroon van deze

paaltjesfundering laat zien dat de warme ruimtes door

middel van een ondergronds verwarmingssysteem

(hypocaustum) werden verhit. Op basis van deze gegevens

is een reconstructie van het badgebouw gemaakt, met

van zuid naar noord het praefurnium (stookruimte),

het caldarium (heetwaterruimte), in het midden het

tepidarium (lauwwaterruimte) en daarboven het

frigidarium (koudwaterruimte). Hierbij is uitgegaan

van de klassieke indeling van een Romeins badgebouw,

waarbij de bezoeker een vaste route volgde van koud

naar lauw naar heet. Ieder badgebouw had ook een

apodyterium (kleedruimte). Deze is in het Aardenburgse

gebouw niet opgegraven, maar moet tegen de koudwaterruimte

aan gelegen hebben. Vermoedelijk lag aan de

noordwestgebouw een omsloten hof.

Het water voor dit badhuis was waarschijnlijk afkomstig

van de waterput die enkele meters ten zuiden van het

gebouw is opgegraven. Het betreft een grote vierkante

houten waterput met dubbele bekisting; deze was waarschijnlijk

bedoeld om verontreiniging van het water van

de omliggende bodem te voorkomen.

Het badcomplex was gelegen aan een nieuw ontdekte

Romeinse weg ten oosten van de ommuurde nederzetting.

Het gebouw is georiënteerd op deze weg en heeft eveneens

dezelfde oriëntatie als de Romeinse gebouwen binnen de

muren. Ten zuiden van de weg lag een industriële zone

met ovens waar zout, vissaus en kalk kan zijn geproduceerd

en ijzer werd gesmolten of gesmeed.

Momenteel worden de andere structuren van de Romeinse

nederzetting uitgewerkt en beschreven. Het wetenschappelijk

deel van het project zal in het eerste kwartaal van

2012 worden afgerond. Daarna zijn een publieksboek en

een tentoonstelling voorzien.


Metaalvondsten uit Sluis

De heer J.P. Schoutens uit Retranchement meldde

de vondst van een groot aantal voornamelijk metalen

voorwerpen uit de middeleeuwen en nieuwe tijd uit Sluis.

Ze zijn merendeels afkomstig uit de stortgrond van een

opgraving, die in januari 2011 door het archeologisch

bedrijf Artefact in samenwerking met de Grontmij is

uitgevoerd bij de Brugstraat (plan Smeedtoren).

Andere vondsten komen van diverse rioleringsprojecten

uit de binnenstad van Sluis, waaronder die uit de

J.H. van Dalestraat, de Ridderstraat en de Handboogstraat.

De SCEZ heeft alle voorwerpen gedocumenteerd

en gefotografeerd. De vondsten van de opgraving worden

in een rapport van Artefact gepubliceerd.

Erotisch insigne uit de Handboogstraat in Sluis

(collectie J.P. Schoutens).

Inspecties rioleringswerk Oostburg

De SCEZ heeft afgelopen zomer enkele archeologische

inspecties van de rioleringswerkzaamheden in de

Veerhoeklaan te Oostburg uitgevoerd. Op de kruising

van de Veerhoeklaan met de Pastoor van Genklaan werden

drie handgevormde aardewerkfragmenten aangetroffen

in de top van het Hollandveen. De aardewerkfragmenten

dateren waarschijnlijk uit de Romeinse tijd. Daarnaast

kwam in de top van het veen, zowel in het profiel als in

het vlak, een dun rood brokkelig laagje tevoorschijn,

Dijken in Saeftinghe

Op 31 augustus, 19 september en 4 oktober verrichtte

de SCEZ in samenwerking met de Archeologische

Werkgemeenschap Nederland (AWN) en leden van een

archeologische werkgroep Saeftinghe, archeologische

waarnemingen en boringen bij twee buitendijks gelegen

oude dijken in het oostelijke deel van het Verdronken

Land van Saeftinghe. Waarschijnlijk dateren deze dijken

uit de middeleeuwen. De werkgroep Saeftinghe stond

onder leiding van de heer M. Buise, tevens melder van

de dijken en gids in het gebied.

De eerste en langste dijk, die langs de Schelde loopt en

bij laag water bloot ligt, is momenteel ongeveer 200 meter

lang zichtbaar met een noord-noordwest/zuid-zuidoost

oriëntatie, dus bijna gelijk aan die van de Scheldeloop.

De dijk is volgens de heer Buise al voor een deel

geërodeerd, zowel in de diepte als in de lengte. Vroeger

was de dijk hoger en liep verder de Schelde in. De breedte

kon niet goed worden bepaald, daar er aan de zijkanten

nog veel slib aanwezig was. Het profiel van het

dijklichaam bestond uit een afwisseling van klei en veen

op natuurlijk Hollandveen. De dijk was grotendeels

opgebouwd uit kleiplaggen, maar hier en daar ook uit

veenplaggen. Uit de boringen bleek dat de dijk is

aangelegd op een laagje klei dat zich op het natuurlijke

Hollandveen bevindt en dat hij in de ondergrond nog

verder in zuidelijke richting onder het slib doorloopt.

Hoever de dijk doorloopt is nog niet bekend, maar

aanvullende boringen kunnen hierover uitsluitsel geven.

Tijdens de laatste tocht is een nieuw stuk dijk ontdekt,

dat min of meer haaks op de dijk de Schelde inliep.

Door erosie van het slib waren diverse kleiplaggen te

voorschijn gekomen. In dit nog onbekende dijktracé is

een boring gezet, waaruit bleek dat de opbouw vrijwel

identiek was aan die van de eerste dijk.

De tweede dijk bevond zich circa 200 meter ten westen

van de eerste dijk en was zowel in het vlak als in het

bestaande uit een soort zeer fijn baksteenpuin. Dit laagje

is over een lengte van minimaal 3 meter waargenomen en

is bemonsterd. De resultaten hiervan zijn nog niet

bekend. Het bodemprofiel is gedocumenteerd en

gefotografeerd. Het Hollandveen was intact aanwezig,

met een harde veraarde bovenlaag en onderin stukken

natuurlijk hout. Boven het veen bevond zich een

1,5 meter dikke vette kleilaag, die waarschijnlijk in

de middeleeuwen is gevormd. Onder het veen lag

pleistoceen zand uit het eind van de laatste ijstijd.

profiel van een geul prachtig zichtbaar, direct langs het

schor. De dijk is in het vlak nog veel beter bewaard als de

eerstgenoemde dijk, daar de tweede voor het grootste

gedeelte pas in de loop van 2011 verder tevoorschijn is

gekomen door een vrij snelle erosie van het schor. De

zichtbare lengte van deze dijk bedraagt 30 meter. De

oriëntatie is bijna dezelfde als die van de eerste dijk, maar

nu iets meer noord-zuid. Zeer waarschijnlijk loopt de dijk

zowel in noordelijke als in zuidelijke richting nog verder

door. De breedte van de basis van de dijk bedraagt 18

meter. Uit boringen bleek dat het resterende dijklichaam

uit enkel veenplaggen bestaat en dat de dijk direct op het

Hollandveen is aangelegd. De plaggen hadden een vrij

onregelmatige grootte en vorm (zowel vierkant als rechthoekig

als trapezium-/ruitvormig). Van het dijklichaam

resteert nog een stuk van 1,30 à 1,40 meter hoog, gerekend

van de voet van de dijk tot de top in het midden.

Onder het Hollandveen is in de boor nog pleistoceen

zand aangetroffen, waarvan de top waarschijnlijk nog

intact is. In de basis van het schor - in het verlengde van

de dijk - is een boring gezet om te kijken of er eventueel

een kleibekleding aanwezig is geweest op de veenplaggen.

Dit kon op die plek echter niet worden aangetoond.

Zeeuws Erfgoed 23 december 2011/03|04 • ARCHEOLOGIE

De tweede (veen)dijk in

het Verdronken Land van

Saeftinghe.


Vondstmeldingen en

archeologisch spreekuur

Melding van archeologische

vondsten dient te

geschieden bij de SCEZ.

Het materiaal wordt

wanneer nodig geregistreerd

en gedocumenteerd,

maar blijft altijd in

het bezit van de melder,

tenzij deze het zelf wil

afstaan. Uw melding

van vondst(en) of

waarneming(en) kan ook

schriftelijk of telefonisch

geschieden bij:

SCEZ

Postbus 49

4330 AA

Middelburg

T 0118-670870

E j.jongepier@scez.nl

Daarnaast houdt de

SCEZ op elke eerste

dinsdagmiddag van de

maand een archeologisch

spreekuur. U kunt het

spreekuur in locatie

De Burg

Groenmarkt 13

te Middelburg

bezoeken om voorwerpen

te laten determineren

(geldwaarde wordt niet

getaxeerd), vondstmeldingen

te doen, of allerlei

vragen op het gebied van

de Zeeuwse archeologie

voor te leggen.

De eerstvolgende

archeologische

spreekuren vinden

plaats op de dinsdagmiddagen

3 januari,

7 februari en 6 maart

van 15.30 tot 16.30

uur.

Dank voor uw

medewerking!

Scheepsrestanten werpen nieuw licht op handelsverleden Hulst

In de binnenstad van Hulst is het plan De Nieuwe

Bierkaai in ontwikkeling. Een onderdeel van het plan is

de waterpartij, gelegen op de plek waar zich in de late

middeleeuwen de haven bevond. Tijdens het vooronderzoek

werd duidelijk dat er grootschalig archeologisch

onderzoek nodig was. Op basis van de stadsplattegrond

van Jacob van Deventer uit circa 1560 bleek dat bij de

ontgraving van de nieuwe haven de restanten van twee

bruggen konden worden aangetroffen, alsook resten van

kades, havenactiviteiten en huizen. Bij voorbereidende

werkzaamheden werden dan ook niet geheel onverwacht

de resten van de Visbrug gevonden; en later stuitte men

nog op de resten van de Steenbrugghe. Dit betrof een

massief bakstenen bruggenhoofd uit de vijftiende-zestiende

eeuw met een aanzet van een boog. Gezien de monumentaliteit

van de vondst onderzoekt de gemeente Hulst

de mogelijkheden om het bruggenhoofd te behouden en

zichtbaar te maken in het straatbeeld.

In tegenstelling tot de gangbare praktijk koos de gemeente

voor de verdere uitvoering van het plan voor een archeologische

begeleiding van de graafwerkzaamheden in plaats

van een opgraving. De archeologen van Arcadis en

Artefact hebben tot eind september onder soms zware

omstandigheden gedreven en nauwgezet gewerkt. Hierbij

werden ze veelvuldig bijgestaan door leden van de

Werkgroep Archeologie Hulst, die niet alleen assisteerden

bij het veldwerk, maar ook een onmisbare bijdrage bij de

vondstverwerking hebben geleverd.

Veldtechnicus Hans Bostelaar (Artefact) veegt de planken

van de dertiende-eeuwse schepen schoon.

Zoals verwacht werden grote hoeveelheden vondsten van

laatmiddeleeuwse woningen aangetroffen. Ook werd de

loop van de havengeul teruggevonden, die in de vijftiende

en zestiende eeuw voorzien was van bakstenen en natuurstenen

kademuren. In de kade werden bovendien twee

houten trappen en een grote natuurstenen trap ontdekt.

De stenen trap en een deel van de kademuur kunnen

worden behouden in de nieuwe kade.

Delen van de houten kade bleken uit hergebruikt

scheepshout te bestaan. De Rijksdienst voor het Cultureel

Erfgoed werd om advies gevraagd hoe hiermee om te

gaan, omdat de vondst van laatmiddeleeuwse scheepswrakken

zeer bijzonder is. Het was niet mogelijk om

vanuit het Rijk extra gelden beschikbaar te krijgen voor

nader onderzoek naar de scheepsdelen. Arcadis zag

uitgebreide documentatie van de scheepsresten als

meerwerk, ondanks het feit dat deze vondst in de

archeologische verwachting van het Programma van Eisen

omschreven was. Helaas had ook de gemeente geen extra

financiën beschikbaar. Door deze patstelling dreigden

belangrijke archeologische relicten het onderspit te delven.

Zeeuws Erfgoed 24 december 2011/03|04 • ARCHEOLOGIE

Restanten van het bakstenen bruggenhoofd binnen

de kademuren van de Nieuwe Haven;

datering vijftiende-zestiende eeuw. Op de achtergrond

de Dobbele Poort/Keldermanspoort.

Nog net op tijd kon een beroep worden gedaan op de

deskundigheid van prof. dr. André van Holk, hoogleraar

maritieme archeologie aan de Rijksuniversiteit Groningen,

die concludeerde dat de haven en de scheepsdelen een

uitermate interessant ensemble vormden voor de kennis

over het Zeeuwse maritieme verleden. Nader onderzoek

naar de scheepsdelen zou nieuwe informatie kunnen

opleveren over de handelscontacten van Hulst.

Scheepsresten vormen in de Provinciale Onderzoeksagenda

Archeologie Zeeland (POAZ) een belangrijk

speerpunt. Daarom heeft de Provincie Zeeland de

Vlaamse scheepsarcheoloog Jeroen Vermeersch

ingeschakeld om de scheepsresten op te graven. Door

de inzet van deze scheepsarcheoloog, archeologen van

de SCEZ en vrijwilligers konden de scheepsresten binnen

de gestelde termijn worden opgegraven. Er werden delen

van tenminste vier verschillende schepen gevonden, alle

verwerkt in de kadebeschoeiingen. Er werden hier

bepaalde Scandinavische kenmerken in herkend, die er

op wijzen dat in het dertiende-eeuwse Hulst al contacten

met Noord-Europa bestonden. Inmiddels zijn de

scheepsdelen overgedragen aan het Nationaal Scheepsarcheologisch

Depot in Lelystad voor verder onderzoek

door de Rijksuniversiteit Groningen.

Hoewel het veldonderzoek is afgerond, begint nu pas het

belangrijkste onderdeel van het proces om tot een goed

verhaal over het verleden van het gebied te kunnen

komen. De vele vondsten en onderzoeksgegevens moeten

worden verwerkt en geanalyseerd door deskundigen tot

een standaardrapportage en publieksboek. En natuurlijk

moeten de vondsten worden geconserveerd voor behoud

in depot of vitrines. Het laatste verdient aanbeveling.

Wellicht dat de gemeente Hulst hiervoor zo dicht

mogelijk bij de plek van opgraving een voorziening kan

creëren.

IJzeren helm uit

de Tachtigjarige

Oorlog,

gebruikt als

schietdoel.

De schietgaten

zijn nog duidelijk

zichtbaar.


Vondst voor het voetlicht

Een middeleeuws zwaard uit Cadzand

Tijdens munitieonderzoek bij Cadzand is in oktober 2010

een ijzeren zwaard gevonden op 1,20 meter diepte. Het betreft

een klein exemplaar uit waarschijnlijk het tweede kwart van

de veertiende eeuw (1325-1350). Het geconserveerde zwaard

wordt tentoongesteld in museum Het Bolwerk in IJzendijke

(bruikleen SCEZ).

De gemeente Sluis meldde dit bijzondere voorwerp aan als

toevalsvondst bij de SCEZ. De conservering vond plaats

bij het bedrijf Archeoplan in Delft. In het kader van de

conservering is het zwaard mechanisch en elektrolytisch

gereinigd, ontzout en beschermd met microwas.

De gemeente Sluis heeft de conservering bekostigd.

Klein, maar ‘volwassen’

Met een huidige lengte van 63 centimeter (dat wil zeggen

van kling plus angel) gaat het om een klein zwaard, dat

echter het formaat van een dolk te boven gaat. De kling

van het wapen uit Cadzand is onderaan afgebroken.

Waarschijnlijk ontbreekt een stuk van ongeveer 8 tot 10

centimeter. Inclusief ongeveer 5 centimeter voor de

ontbrekende pommel (gevestknop) en een stukje angel

- het dunnere stuk waar ooit de greep op heeft gezeten -

zal het zwaard oorspronkelijk een totaallengte van ongeveer

77 centimeter hebben gehad. Vermoedelijk was het een

wapen voor een volwassene (dus geen speelgoedwapen),

omdat de overblijvende angel nogal groot is. Kennelijk was

dit een nogal dikke greep. Vermoedelijk is van de angel alleen

het bovenste stuk verdwenen, het stuk dat in de gevestknop

zat. De angel zal net onder de gevestknop zijn afgebroken.

Belangrijke onderdelen van een zwaard

- Het gevest is de handgreep van een zwaard en bestaat uit

verschillende onderdelen. De greep is het deel waar de hand

past; de pareerstang of stootplaat is de metalen stang tussen

greep en kling, die gebruikt wordt om slagen van het wapen

van de tegenstander op te vangen;

- De pommel (gevestknop) bevindt zich aan het uiteinde van

het gevest en heeft verschillende functies: uitbalancering,

voorkoming van het wegglijden van de hand, houvast voor

de andere hand, soms ook bevestiging van de kling aan het

gevest. Niet elk zwaard was uitgerust met een pommel.

De pommel kon door geoefende zwaardvechters ook worden

gebruikt om ‘benedenhandse’ stoten uit te delen;

- De angel is het (niet zichtbare) deel onderaan de kling, dat

zorgt voor de verankering in het gevest;

- De kling of lemmet is het blad van het zwaard; de snede

vormt de scherpe kant ervan. Er zijn zowel dubbelzijdige

zwaarden met een snede aan beide zijden van de kling, als

enkelzijdige met één scherpe kant. De botte kant heet bij

enkelzijdig gescherpte klingen de rug.

Miniatuurzwaard, in 2006 gevonden in Sluis.

De kling van het Cadzandse zwaard is vol, dat wil zeggen kennelijk

van ruitvormige doorsnede en zonder een centrale geul of meerdere

geulen. Deze geulen werden vaak aangebracht om het gewicht van

de kling te verminderen en deze tegelijkertijd toch stijf te houden;

de in de populaire cultuur nog altijd gangbare functie van

‘bloedgeul’ is een mythe. De volle kling komt voor in de periode

1350-1550. De vorm van de pareerstang zoals aangetroffen aan

het Cadzandse zwaard komt niet vaak voor en wordt gedateerd in

de periode 1300-1340. Deze twee dateringen samen

nemend, kan het zwaard voorzichtig gedateerd

worden in de periode 1325-1350.

Zwaard gevonden in Cadzand, datering ongeveer 1325-1350.

Zwaardvechters te paard; afbeelding uit het beroemde

liederenhandschrift ‘Codex Manesse’

(Zürich, circa 1304-1340).

Hans Jongepier

(m.m.v. de heer J.P. Puype en Jan Kuipers)

Zeeuws Erfgoed 25 december 2011/03|04 • ARCHEOLOGIE


Erfgoededucatie

Canonkaravaan naar Zeeland in 2012

De Canonkaravaan trekt weer door ’t land. Sinds augustus 2010

staat de Canon van de Nederlandse geschiedenis in de kerndoelen

voor het basisonderwijs en de onderbouw van het voortgezet

onderwijs. In 2011 en 2012 trekt daarom de Canonkaravaan weer

door het land met een scholingsprogramma.

De Canonkaravaan is een inspirerende nascholingsdag voor leerkrachten

basisonderwijs rond de Canon van Nederland, met boeiende sprekers,

prikkelende workshops, enthousiaste collega’s en praktische lestips.

Op 14 maart 2012 doet de Canonkaravaan Zeeland aan.

Canon van Nederland

De Canon van Nederland telt vijftig vensters: belangrijke personen,

creaties en gebeurtenissen die samen laten zien hoe Nederland zich

ontwikkeld heeft tot het land waarin we nu leven. Samen vormen zij de

bron waaruit leerkrachten kunnen putten om de tien geschiedenistijdvakken

te illustreren. Hoe? Daarover gaat deze Canonkaravaan!

Canon in de klas

Sinds 2010 staat de Canon van Nederland in de kern-doelen. Elke school

staat dus voor de vraag: wat doen we met de Canon in ons - toch al zo

drukke - lesprogramma? De Canonkaravaan is een nascholingsdag waarop

deze vraag vanuit verschillende invalshoeken van een direct toepasbaar

antwoord wordt voorzien. Met praktische tips die meteen in praktijk

kunnen worden gebracht.

Het verleden is dichterbij dan je denkt

Onderwijsproject in Biezelinge en Kapelle

Heemkundige Kring De Bevelanden heeft sinds 2009 een regionaal

project waarbij enkele leden van de kring de hoogste groepen van de

basisschool bezoeken. Het project omvat een gastles en een wandeling

in de eigen omgeving.

De Heemkundige Kring De Bevelanden heeft onder andere als doel het

bevorderen en verspreiden van kennis over de geschiedenis, volkskunde,

taalkunde en oudheden van Noord- en Zuid-Beveland en de bestudering

van de levensomstandigheden, gewoonten en gebruiken van de mensen

die dit gebied bewonen en bewoond hebben. Tot haar taak rekent ze ook

het stimuleren van de belangstelling van jongeren voor het verleden van de

eigen omgeving.

Het onderwijsproject bestaat uit twee delen:

1. Een gastles van ongeveer een uur. Hierin wordt verteld over het

ontstaan en de ontwikkeling van het betreffende dorp. Dit wordt

(digitaal) geïllustreerd aan de hand van foto’s of kaartjes;

2. Ongeveer een week later is er vervolgens een wandeling van de

groep(en) met een gids door het dorp (anderhalf tot twee uur).

Daarbij kijken de leerlingen naar wat er nu nog zichtbaar is van het

verleden en de ontwikkeling van het dorp. Dat kan aan de hand van

landschapselementen, de kerk, een molen, voormalige winkels en

bedrijven en dergelijke.

De eerste basisscholen die met het project gewerkt hebben, waren in 2009

die van Wolphaartsdijk / Oud-Sabbinge, vervolgens in 2010 die van Nisse

en dit jaar waren Biezelinge en Kapelle aan de beurt. Op alle deelnemende

scholen kregen de gastdocenten enthousiaste reacties van leerlingen en

leerkrachten. Iedere keer blijkt dat het niet altijd de ‘grote’ geschiedenis

is die het meeste boeit. Juist de aandacht voor de eigen, bekende omgeving

spreekt veel leerlingen aan. Zaken waar ze altijd achteloos aan voorbij

liepen, blijken soms een interessant stukje tastbaar verleden.

Wat, wanneer en waar

• Woensdag 14 maart 2012, in de Abdij van Middelburg;

• Dagvoorzitter is Valentijn Byvanck;

• Kijk voor het programma op www.entoen.nu/canonkaravaan/middelburg.

Op deze website kunt u zich ook aanmelden;

• De kosten bedragen 75 euro per persoon. Neem ook uw collega’s mee:

bij meer inschrijvingen van dezelfde school geldt een korting van 10%

op de entreeprijs;

• Iedere deelnemer ontvangt het nascholingscertificaat van stichting

entoen.nu.

Ook in de toekomst wil Heemkundige Kring De Bevelanden verder gaan

met dit project. Omdat het project door een klein aantal vrijwilligers

wordt uitgevoerd, kunnen per jaar slechts enkele scholen worden bezocht.

Zeeuws Erfgoed 26 december 2011/03|04 • ERFGOEDEDUCATIE

Trijnie Lepoeter tijdens de dorpswandeling in Biezelinge

met de leerlingen van De Linge.

Gratis format voor wandeling

Scholen die ook met hun leerlingen in de eigen regio een stads- of

dorpswandeling willen houden, kunnen kijken op website

www.scez.nl/projector > Omgevingsonderwijs - ‘Het verleden is

dichterbij dan je denkt’ voor het aanbod in hun buurt. Het format

voor deze wandeling kan kosteloos bij de SCEZ worden

opgevraagd.


Erfgoed Allerlei

PUBLICATIES

SCEZ kan geen aanvullende informatie

verstrekken over de verkoop van

verschenen publicaties.

• Boeken

en eenmalige uitgaven

Marty Bax, Ben Joppe, schilder van het

onmogelijke ([Zierikzee]: Stichting Ben

Joppe, 2011) 104 pag.; ill., foto’s.

Retrospectief van de Zierikzeese schilder

Ben Joppe (1915-2007). Joppe was

een kunstenaar die veel heeft gereisd en

in het buitenland verbleef. De hoofdstukken

zijn dan ook chronologisch

ingedeeld naar periodes in het buitenland

in Nederlands-Indië, Bali,

Maleisië, Japan, Italië, Canada en

Frankrijk. Daarnaast was Joppe nog

actief als secretaris van dirigent Bernard

Haitink en werkte hij voor het platenlabel

Phonogram in Japan. Uiteraard

zijn in dit boek vele kleurenafdrukken

van het werk van Joppe opgenomen.

Jeanne van Bijlevelt, Het meisje in het

mandje (mijn twintigste eeuw) ([S.l.]:

Jeanne van Bijlevelt, 2011) 168 pag.;

ill., foto’s. Autobiografisch levensverhaal

van Jeanne van Bijlevelt (Zierikzee

1935), die na vijf jaar Voorburg en 55

jaar in Zeeland te hebben gewoond,

naar Frankrijk verhuisde. Vandaar kijkt

ze terug op een turbulent leven.

Kees van Boven, Noord-Beveland en de

Noord-Bevelanders (Wissenkerke:

BPZW, 2011) 160 pag.; ill., foto’s, tek.

Bevat een verzameling verhalen in dialect,

gedichten, toneelstukken en historische

stukken over de geschiedenis van

Noord-Beveland en zijn bewoners.

Hoewel het boekje op de gehele

geschiedenis is afgestemd ligt de focus

toch vooral op de Ramp en de twintigste-eeuwse

geschiedenis.

Richard Brooks, Graham Turner (ill.),

Walcheren 1944. Storming Hitler´s

island fortress (Oxford: Osprey, 2011)

96 pag.; ill., foto´s, krt., tek., ISBN

978-1-84908-237-2. Na een inleiding

volgt een korte chronologische lijst van

gebeurtenissen. Vervolgens komen drie

korte hoofdstukken over de bevelvoerders,

strijdkrachten en plannen aan

geallieerde en Duitse zijde. Het grootste

hoofdstuk wordt gevormd door de

beschrijving van operatie Infatuate.

Tevens is er aandacht voor het gebeurde

na afloop van de operatie en voor

wat er nog van het voormalige slagveld

is te zien in het hedendaagse landschap.

Het boek sluit af met een literatuurlijst,

lijst van afkortingen en index.

Bijzonder fraai geïllustreerd.

Paul Brusse, Gevallen stad. Stedelijke

netwerken en het platteland. Zeeland

1750-1850. Balans tussen stad en

platteland 1 (Utrecht: Waanders/

Universiteit Utrecht, 2011) 247 pag.;

tab., graf.; ISBN 978-90-400-7790-6.

Eerste deel uit het desurbanisatie

project. Brusse beziet de stedelijke

ontwikkelingen in Zierikzee, Vlissingen

en Middelburg in het vermelde tijdvak

aan de hand van acht hoofdstukken

over ontstedelijking, de stedelijke

economie, migranten en belastingbetalers,

de plattelandseconomie,

stedelijke buitens en landerijen op het

platteland, welvaart en elitevorming op

het platteland en een synthese. Met

summary, bijlagen, lijst van literatuur

en archivalia, notenapparaat en namenregister.

Paul Brusse and Wijnand

W. Mijnhardt, Towards a new template

for Dutch history. De-urbanization and

the balance between city and countryside.

Balance between city and countryside

4 (Utrecht: Waander/Universiteit

Utrecht, 2011) 115 pag.; ill., krt., fig.,

tab. Brusse beziet Zeeland hierin vanuit

een grotere context. Het eerste van drie

hoofdstukken gaat over de achteruitgang

van de stedelijke samenleving en

de desurbanisatie in de vroegmoderne

periode in Europa. Het tweede hoofdstuk

behandelt Zeeland in deze periode.

In het derde hoofdstuk wordt deze

problematiek op Nederland toeggepast.

Met bibliografie en notenapparaat.

Carlo Buijsrogge en George

Sponselee, Het hof te Zande met zijn

kerkje te Kloosterzande in de loop der

eeuwen (Kloosterzande: Carlo

Buijsrogge, 2011) 95 pag.; ill., foto’s,

krt., tek. Historische beschrijving van

de enige in Zeeland overgebleven

restanten van Cisterciënzer bouwkunst.

Doorlopende tekst met bronnenopgave.

Jacques Cats, Bèl, bèl! Zeeuwse streekdrachten

in een ander daglicht

(Middelburg: Uitgave in eigen beheer,

2011) 155 pag.; ill., foto’s. Op geheel

eigen wijze signaleert en registreert Cats

ontwikkelingen en gebeurtenissen rond

de Zeeuwse streekdrachten. Het resultaat

is een bonte verzameling van ruim

tachtig verhalen en berichten, de ene

keer goed voor een glimlach, de andere

keer voor een blik van verbazing.

Het boek is rijkelijk geïllustreerd met

foto’s en reclame-uitingen met

(verwijzingen naar) de Zeeuwse streekdracht

als blikvanger. Tijdens de totstandkoming

van de publicatie voorzag

de SCEZ de schrijver van adviezen.

J. Claeys, N.L. Jaspers en

S. Ostkamp, [et.al.], Vier eeuwen leven

en sterven aan de Dokkershaven in

Vlissingen. Een archeologische opgraving

van een postmiddeleeuwse stadswijk in

het Scheldekwartier in Vlissingen. ADC

monografie 9 (ADC: Archeo Projecten,

2010) 728 pag.; ill., foto’s, krt., tek.,

tab.; ISBN. Archeologisch rapport over

de Dokhaven in Vlissingen waarbij de

gevonden voorwerpen vanuit een

archeologische en historische invalshoek

worden belicht. Bevat tien bijlagen,

literatuurlijst, lijst van afbeeldingen,

tabellen een CD en een losse

kaartbijlage.

Jeanine Dekker, Onderdanig en

opstandig. Desurbanisatie en de politieke

verhoudingen op het platteland in

Zeeland 1750-1850. Balans tussen stad

en platteland 2 (Utrecht:

Waanders/Universiteit Utrecht, 2011)

224 pag.; tab., graf.; ISBN 978-90-

400-7796-8. Wat gebeurde er met het

politieke bewustzijn van de plattelandsbevolking

toen het goed ging in de

landbouw en de steden in verval

raakten? Dekker besteedt aandacht aan

deze vraag in drie grote hoofdstukken:

politieke macht als stedelijk belang: de

ambachtsheren, politieke macht en

collectief belang: de lokale besturen op

het platteland en de politieke ideeënwereld

op het platteland. Tot slot is

er een synthese, een summary, een lijst

met bijlagen, afkortingen, gebruikt

bronnenmateriaal, notenapparaat en

een register op persoons- en

geografische namen.

Arjan van Dixhoorn, Lustige geesten.

Rederijkers in de Noordelijke

Nederlanden (1480-1650) (Amsterdam:

University Press, 2009) 441 pag.; ill.,

tab., graf., krt.; ISBN 978-90-8964-

104-5. Eén van de eerste hernieuwde

aanzetten tot onderzoek naar de

rederijkerscultuur in de Nederlanden

en Zeeland. In elf hoofdstukken

worden de volgende zaken behandeld:

onderzoek naar rederijkers, literaire

netwerksamenleving, organisatieprincipe,

de kamerbroeders, scholen

van retorica, meesters en scholieren,

feesten en publieksschrijvers, strijd

om het publieke domein, festivals en

prijsschrijvers, publicisten en geleerden

en welsprekendheid. Met bijlagen,

lijst van afkortingen, eindnoten,

bibliografie en drie indexen.

Frans van den Driest, De goudschat

van Serooskerke. Het verhaal achter de

grote goudvondst in 1966 (Serooskerke:

Dorpsraad Serooskerke/Kunst- en

Cultuurroute, 2011) 46 pag.; ill., krt.,

tek., foto’s, In het boekje wordt

ingegaan op de geschiedenis van de

Zeeuws Erfgoed 27 december 2011/03|04 • ERFGOED ALLERLEIN

muntvondst, maar ook op de

geschiedenis van Serooskerke zelf en

de reden waarom de schat er mogelijk

begraven is, de veiling van de munten

en wat de gemeente met de opbrengst

bewerkstelligd heeft.

Dulu di wijk =[Vroeger in de wijk].

50 jaar verhalen uit de Molukse wijk

(Oost-Souburg: Stichting Mae-Uku,

2011) 108 pag.; ill., foto’s. Verzameling

van verhalen en foto’s van vijftig jaar

geschiedenis van de Molukse gemeenschap

in de Oost-Souburgse wijk.

Eric Hageman en Toon Franken,

Hop en gerst veredeld. De geschiedenis

van bier in en rond Middelburg 1800-

2000. Over bierbrouwerijen, bierhandel

en biercultuur (Middelburg: Stichting

Bier in Zeeland/ Zeeuws Archief,

2011) 188 pag.; ill., krt., tek., foto’s;

ISBN 978-90-817638-06. Het boek

bestaat uit een deel A en B van ieder

drie hoofdstukken. Deel A omvat een

inleiding en hoofdstukken over de

biercultuur en –wetgeving in de

perioden 1800-1870, 1870-1917 en

1917 en later. Deel B gaat in op de drie

Middelburgse brouwerijen de Moriaan,

de Lelie en de Vijfhoek, en geeft een

overzicht van brouwerijen die zich

manifesteerden op de Middelburgse

biermarkt in de periode 1870-1917

en de periode na 1917. Een epiloog

behandelt de nieuwe biercultuur.

Bevat een overzicht van bierhandelaren

van 1870-1917, lijst met geraadpleegde

literatuur, illustratieverantwoording en

eindnoten.

Kor van der Have, Zonnemaire. Oe

leefden die in de Jaeren Dèrteg en Feerteg

van de Twintegste Eêuw? Antekenienhen

uut de buurtschap Diek’uusje heléhe in

de Heméénte Zonnemaire en ’t ouwe

Bommenêê (Koudekerke: L.K. van der

Have, 2011) 180 pag.; ill., foto’s, krt.,

tek.; ISBN 978-90-85-70283-2.

In dialect geschreven boek over

Zonnemaire in de jaren dertig en

veertig waarin de auteur, afkomstig

van een landarbeidersgezin, terugblikt

op zijn kindertijd, dorpsleven, school,

speeltijd, winkeliers, muziek, voetbalvereniging,

kerken en de Tweede

Wereldoorlog. Het manuscript werd al

in 2001 voltooid, maar het boek werd

pas in 2009 voor het eerst uitgegeven.

Ada van Hoof, Het niet vertelde

verhaal van 44 (Westkapelle: Polderhuis

dijk- en Oorlogmuseum, 2011) 167

pag.; ill., foto’s, krt., 978-90-79210-00-

8. In dit boek zijn de persoonlijke

herinneringen van bewoners, bevrijders

en bezetters opgetekend aan de

bevrijding van Westkapelle in

oktober/november 1944; velen hiervan

vielen in week 44 en niet minder dan

44 kinderen en 44 mensen van ouder

dan 60 jaar kwamen om, terwijl in

molen de Roos ook nog eens 44 slachtoffers

vielen. De informatie in het boek

is voor een belangrijk deel ontleend aan

het project Memories to Share.


R.H.M. van Immerseel met medew.

van A.M.M. van Haperen, “Dat de

Overduinsche bloemhof bloei”

De geschiedenis van de buitenplaats

Overduin te Oostkapelle ([S.l.]: Stichting

In Arcadië, 2011) 96 pag.; ill., foto’s,

krt., tek. Van Immerseel, zelf werkzaam

bij de uitgever van het boek, beschrijft

de geschiedenis van het buiten in vijf

hoofdstukken: een inleiding, het eerste

hoofdstuk over de bouwgeschiedenis

van boerderij, huis Overduin en

buitenplaats, de eigenaren en bewoners,

tuin en park en het Oranjebos. In een

bijlage zijn de eigenaren en bewoners

opgenomen en verder is er een literatuurlijst

en een lijst met eindnoten.

De kleine historische elementen in

Zeeland. Een gids voor instandhouding

en herstel (Goes: Stichting

Landschapsbeheer Zeeland, 2011)

bevat 25 katernen in 1 ringband; ill.,

foto’s, tek., krt. In de katernen komen

alle afzonderlijke historische elementen

uit de Zeeuwse architectuur aan bod:

van metselverband en stenen tot

metselwerk, voegen, dakvormen,

kapconstructies, dakpannen, ramen,

deuren, luiken, potdekselwerk,

hang- en sluitwerk, hekken, hout,

zink en lood, kleur en verf tot corrosie.

Handige gids voor een verkennend

onderzoek bij restauratie van een

monumentaal pand.

A.P. de Klerk, Wegbeplanting in de

Tuin van Zeeland. Aspecten van het

ontstaan en het vroegere beheer van

de wegbeplanting op Walcheren

(Middelburg: Waterschap

Scheldestromen i.s.m. SCEZ en

Stichting Tuin van Zeeland) 48 pag.;

foto’s; ISBN 978-90-817293-1-4.

Toen in 1998 het waterschap Zeeuwse

Eilanden met een plan kwam om de

wegbeplanting om te vormen en op

Walcheren de Stichting Tuin van

Zeeland daartegen te hoop liep, kwam

bij Aad de Klerk de vraag op: hoe werd

er vroeger met de wegbeplanting op

Walcheren omgegaan? En waar bestond

die beplanting uit? Dit boekje geeft

daarop nu het antwoord; na grondig

onderzoek in het archief van het voormalige

waterschap Walcheren, en met

veel afbeeldingen van de vroegere en

recente situatie.

Jan J.B. Kuipers m.m.v. Goffe

Jensma en Oebele Vries, Nederland

in de middeleeuwen. De canon van ons

middeleeuws verleden (Zutphen:

Walburg Pers) 192 pag.; geb., ill.,

fulcolour,; ISBN 978.90.5730.776.8.

De canon, aldus Piet de Rooy, een van

de initiatiefnemers van de historische

canon van Nederland, heeft zich

ontwikkeld tot een nieuw historisch

genre. Nederland in de middeleeuwen,

een nieuwe aanwinst in dit genre, bevat

geen onwrikbare ijkpunten, maar

presenteert onze middeleeuwse

geschiedenis voor een breed publiek.

Bij de keuze van de vijftig vensters

speelden zowel de traditie als nieuwe

inzichten een rol. De lezer vindt overbekende

feiten als de moord op Floris

V, maar verneemt ook over plattelandsleven,

ridderideaal, kloosterwezen,

overzeese handel, klimaatontwikkeling,

ketters en bonte volkscultuur.

Het graafschap Holland en Zeeland

wordt ruim behandeld. Andere voor

Zeeland belangrijke onderwerpen als

stormvloeden, ontginningsgeschiedenis,

Noormannen en Jacoba van Beieren

komen ook aan bod.

Gerard Lepoeter (et al.), ‘Allemaal

Zorro’s op het dorp!’ Het Sint-

Sebastiaans- of Handbooggilde te

Kloetinge (Goes: De Koperen Tuin,

2011) 124 pag.; ill., foto’s; ISBN 978-

90-7681531-2.

Woord vooraf door de ambachtsvrouwe

van Kloetinge, waarna het boek in twee

delen te splitsen valt; de geschiedenis

van het handbooggilde geschreven door

Gerard Lepoeter (met bronnenlijst) en

de bijlagen met een overzicht van de

ingetreden gildebroeders vanaf 1784,

de samenstelling van het gilde in 1714

en de aanschaf van rouwmantels of

pellen. Het grootste deel van het boek

wordt ingeruimd voor interviews met

alle gildebroeders anno 2011 door

Marloes Matthijssen.

Liefs van Annie. De mooiste brieven van

Annie M.G. Schmidt, ingeleid door

Annejet van der Zijl (Amsterdam:

Querido, 2011) 368 pag.; ill., foto’s;

ISBN 978-90-21-43958-7. Bundeling

van brieven van Annie M.G. Schmidt

die zij schreef aan haar moeder, haar

geliefde, haar zoon en haar vriendinnen.

Het boek is chronologisch

opgebouwd, en ingedeeld naar

alle plaatsen (Kapelle, Schiedam,

Amsterdam, Vlissingen, Amsterdam,

Berkel en Rodenrijs, Le Rouret) waar

Schmidt gewoond heeft.

Arno Neele, De ontdekking van

het Zeeuwse platteland. Culturele

verhoudingen tussen stad en platteland in

Zeeland 1750-1850. Balans tussen stad

en platteland 3 (Utrecht:

Waanders/Universiteit Utrecht, 2011)

224 pag.; tab., graf.; ISBN 978-90-

400-7797-5. Dit deel van de desurbanisatie

reeks is een proefschrift. Neele

schetst de culturele verhoudingen op

het platteland aan de hand van vijf

hoofdstukken: de problematisering

van het platteland in het Nederlandse

Verlichtingsdenken, de beschaving op

het platteland: participatie en verzet,

het ontstaan van een zelfbewuste

plattelandscultuur, het opheffen van

de periferie: soevereiniteit, re-urbanisatie

en landbouwbevordering en het

cultiveren van de periferie: de Zeeuw

wordt boer. Bevat een synthese,

summary, bijlagen, lijst met bronnen,

afkortingen, literatuur en notenapparaat

en register.

Corstiaan Prince, De RAF tijdens de

slag om de Schelde, september-november

1944 (Krabbendijke: Stichting Wings

to Victory, 2011) 71 pag., ill., foto’s, ;

ISBN 978-90-816580-2-0. Gaat in op

de vraag hoe belangrijk de tactische

luchtsteun was voor het succes van de

grondtroepen tijdens operatie Infatuate.

De schrijver analyseert hierbij langs

chronologische weg het verloop van de

gebeurtenissen.

Gerard Smallegange, Tuin van mijn

verhalen (Goes: Koperen Tuin, 2011)

[153] pag.; ill., foto’s; ISBN 978-90-

76815-30-5. De auteur beschrijft

chronologisch een jaar lang werken,

plukken en oogsten in zijn eigen tuin

in het Zuid-Bevelandse Nisse.

Bert Stulp, Verdwenen dorpen in

Nederland. Deel 5: Zeeland (Alkmaar:

Falstaff Media, 2011) 330 pag.; ill.,

tek.; ISBN 978-94-6129045-8. Stulp

schreef een vijfdelige reeks over

verdwenen dorpen in Nederland, en

Zeeland is de enige provincie met een

boek geheel gewijd aan haar verdwenen

dorpen. Bevat tien hoofdstukken

waarin telkens een eiland of deel van

de provincie wordt besproken waarin

vele dorpen in de loop van de tijd zijn

verdwenen. Het eerste hoofdstuk is

een introductie en het derde hoofdstuk

een overzicht van stormvloeden in

Nederland. De verdwenen dorpen van

Schouwen-Duiveland worden zelfs

besproken in twee hoofdstukken: voor

en na de Ramp. Met literatuuropgave

en register.

Martin van Thiel (fotografie), Jorien

Brugmans en Jan J.B. Kuipers (poëzie

en proza), Golven. Walcheren in woord

en beeld (Utrecht: Uitgeverij Dichterbij,

2011) 96 pag.; ill., foto’s; ISBN 978-

90-79003-08-2. Fotoboek met als

thematiek het water, de zee, Westerschelde,

duin/dijk en land. Elk thema

is voorzien van een of meerdere

gedichten.

Francisca van Vloten, met bijdragen

van André Groeneveld en Renée

Smithuis, Nieuw licht! Jan Toorop en

de Domburgsche tentoonstellingen 1911-

1921 (Deventer: De Factory, 2011)

232 pag.; ill., foto’s, tek.; ISBN 978-

90-811727-4-5. Het boek is onderverdeeld

in vier grote hoofdstukken:

Domburg de bakermat van het

Nederlandse luminisme; Katwijk, een

kunstenaarsdorp met een lange traditie;

Jan Toorop en de Domburgse tentoonstellingen;

en Jan Toorop en zijn relatie

tot Bergen en de Bergense school.

Vervolgens volgen de catalogi van de

tentoonstellingen in Katwijk, Domburg

en Bergen en lijsten met deelnemers in

Domburg, literatuurverantwoording en

fotoverantwoording, personenregister

en colofon.

Zeeuws Erfgoed 28 december 2011/03|04 • ERFGOED ALLERLEIN

• Tijdschriften

Archief. Mededelingen van het

Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der

Wetenschappen (2010) 1-160. Vier grote

artikelen in dit jaarboek. Caroline van

Santen opent met ‘Een Zeeuwse

rancher in Canada’, over Meinard

Jacob Iman Sprenger en de collectie

van de zwartvoet indianen die deze

Middelburger het KZGW naliet.

Wim Dirksen beschouwt ‘de Opstand

en de weg naar Zeeuwse gewestelijke

financiën (1572-circa 1580)’ en

Johan Francke en Katie Heyning

schreven een dubbelartikel over leven

en werk en de kunstcollectie van de

Middelburgse burgemeester,

koopman-reder en kunstverzamelaar

Jean Walleran Sandra (1661-1712).

Nehalennia. Archeologie, cultuurhistorie,

streektaal en volkscultuur van Zeeland en

Goeree-Overflakkee afl. 172, zomer

2011, bevat een groot artikel ‘’Dream

and determination’ in Oostburg,

Wisconsin’ van Arco Willeboordse.

Ko de Jonge schrijft over Australische

sporen van de ondergang van

‘De Zuytdorp’ (1712); Veronique

De Tier behandelt ‘Nog meer uit

de ‘Lijst van Woorden, die gebruikt

worden op het eiland Schouwen, in

den omtrek van het dorp Serooskerke’’

(eind negentiende eeuw). Afl. 173,

najaar 2011, heeft als thema ‘Sport in

Zeeland’ met bijdragen van Nico van

Horn (‘Bronnen voor Zeeuwse sportgeschiedenis’),

PZC-redacteur Rudy

Boogert (over de ontwikkeling van

de Zeeuwse sportjournalistiek) en

Veronique De Tier & Johan Taeldeman

(Vlaamse en Zeeuwse namen voor de

fiets en zijn onderdelen).

Zeeland 20/3 (2011) 81-120. In dit

nummer drie artikelen. J.P. Zwemer

schreef een eerste artikel uit een

driedelige reeks over huwelijk en

sociaal-economische omstandigheden

op de Zeeuwse eilanden in de halve

eeuw voor 1880, J.K. Vrijling bespreekt

de voordracht die op 20 november

2010 werd gehouden op het

symposium ‘Zeeland en zeewater’,

aangaande het advies van de nieuwe

Deltacommissie. Roosanne Goudbeek

verhaalt over het verloop van een reis

door Zeeland gemaakt door Louise de

Coligny in 1594. Verder de rubrieken

aanwinsten en de boekrecensies.

Zeeuws Tijdschrift 61/ 5/8 (2011) 1-74.

Dit nummer van Zeeuws Tijdschrift is

vooral gewijd aan het tienjarig bestaan

van de Stichting Cultureel Erfgoed

Zeeland (SCEZ). De grotere bijdragen

in deze uitgave zijn een interview met

SCEZ-iconen Wim Scholten en

Leo Adriaanse; Jan Kolen bespreekt de

waarde en toekomst van het Zeeuwse

cultuurlandschap; Jan van de Voorde

bespreekt de stand van zaken met

betrekking tot restauratieobjecten in


de provincie; en Roosanne Goudbeek

legt uit wat het belang is van de

opname van het archief van de

Middelburgsche Commercie

Compagnie op de Werelderfgoedlijst.

Verder zijn er kleinere bijdragen met

boekrecensies, over dialect, beiaardiers

en literaire uitstapjes van onder

anderen Mario Molegraaf en

André van der Veeke.

• Heem- en

oudheidkundige bladen

Schouwen-Duiveland

Stad en Lande, Historische bijdragen en

mededelingen van de Vereniging Stad en

Lande van Schouwen-Duiveland

(juli 2011), besteedt aandacht aan

Job Baster, bekend medicus in de

achttiende eeuw te Zierikzee.

De Rotaryclub Zierikzee organiseerde

een herdenking ter gelegenheid van de

driehonderdste geboortedag van Baster

en H. Uil schrijft een biografie en

vertelt over de vele verdiensten van

deze beroemde stadgenoot. S. den

Haan geeft de geschiedenis van de

herberg in Schuddebeurs in de negentiende

eeuw, uitgaande van een boekje

uit 1821 van een schoolmeester,

Pieter Nicolaas Muyt. De auteur laat

zien dat de uitspanning twee eeuwen

later nog steeds in trek is. R. van

Langeraad beschrijft de uitzet van een

Schouwse bruidegom aan het begin

van de twintigste eeuw.

Tholen

De Nieuwsbrief van de

Heemkundekring Stad en Lande van

Tholen (augustus 2011) gaat over de

benoeming van een nieuwe voorzitter,

de jaarlijkse excursie, de Open

Monumentendag, een bezoek aan de

hervormde kerk in Oud-Vossemeer, de

collectie van de fotowerkgroep en een

lezing over boerderijen door G.

Smallegange.

Walcheren

Het hoofdartikel in De Wete gedaan

aan de leden van de Heemkundige Kring

Walcheren (juli 2011) is van I. Vogel-

Wessels Boer: ‘Kinderzorgkinderen. De

eerste twintig jaar van de Vereeniging

Kinderzorg te Middelburg’. Het is het

tweede deel van een serie artikelen over

J. van Drunen, van 1910 tot 1926 verbonden

aan De Casembrootschool aan

de Zuidsingel in Middelburg. Veel van

de kinderen van de Vereeniging

Kinderzorg bezochten deze hervormde

school. De auteur beschrijft de oprichting

van de vereniging, de huisvesting,

de financiën en de pupillen en het personeel.

De teksten van de vier lezingen

in het kader van ‘Walcheren 2025’ zijn

opgenomen in dit nummer van De

Wete. De lezingen zijn gehouden door

H.J. van Koeveringen, directeur

Roompot Recreatie Beheer B.V. (recreatie),

C.J. Colijn, directeur Ruimte,

Milieu en Water van de Provincie

Zeeland (wonen, werken en verkeer),

Ch. Jacobusse, hoofd ecologie stichting

Het Zeeuwse Landschap (natuur),

en J. Kodde Azn, landbouwer in

Arnemuiden (landbouw). De teksten

van de lezingen zijn afgesloten met een

nabeschouwing door L. Faasse.

L. Hollestelle laat de lezers kennismaken

met zeven trouwe auteurs van

De Wete: F. van den Driest, T. Franken,

J. Kaljouw, J. Midavaine, J. Braat,

M. van den Broeke en J. Simons.

Zij verdienen applaus zowel van de

lezers als van de redactie, maar volgens

de auteurs zelf verdient eindredacteur

L. Hollestelle het grootste applaus.

In De Wete van oktober 2011 vinden

we het derde deel van de Van Drunenartikelen.

In dit deel beschrijft

L. van der Vliet de tijd van de Eerste

Wereldoorlog, een moeilijke tijd voor

Middelburg en de bewoners. Aan de

hand van de geschreven herinneringen

van Van Drunen vertelt de auteur over

die moeilijke periode. L. Hollestelle

schrijft over smid en schrijver Hendrik

Sturm uit Serooskerke, naar aanleiding

van een artikel in De Spiegel uit 1956.

Er is ook een verhaaltje opgenomen

met de titel ‘De nieuwe burgemeester’,

dat Hendrik heeft geschreven. M. van

den Broeke licht ons in over ongenode

gasten in de buitenplaats Huis ten

Duine in de Manteling bij Oostkapelle.

Het ‘Vadertje’ van F. van den Driest

gaat over een briefje dat door

molenaars getoond moest kunnen

worden als bewijs dat ze hun maalbelasting

betaald hadden. In 1574

hadden de Staten van Zeeland besloten

belasting te heffen op verschillende

zaken, om van de opbrengst de

Tachtigjarige Oorlog te kunnen

financieren. Na de vrede in 1648 werden

de belastingen niet ingetrokken.

In Den Spiegel, tijdschrift van

de Vereniging Vrienden van het

muZEEum en het Gemeentearchief

Vlissingen (juli 2011), lezen we over

de gesprekken van de vertrekkende

gemeentearchivaris Adri Meerman met

het redactielid A. Verdonk-Rodenhuis.

Na bijna 46 jaar gaat de archivaris met

welverdiend pensioen; hij wordt opgevolgd

door Ad Tramper. Het afscheid

van Meerman is gevierd met een

minisymposium en aansluitend een

afscheidsreceptie. J. den Exter beschrijft

een stukje geschiedenis van Vlissingen

uit de jaren dertig van de twintigste

eeuw - tijdens het Franco-tijdperk - in:

‘Het Spaanse Goud in Vlissingen.

Met de tapissière naar de sequester’.

Het gaat over het S.S. Thorpehall, in

1936 gecharterd door de Baskische

regering om de belegerde stad Bilbao

van voedsel te voorzien. Het schip is

in 1938 gezonken buiten Valencia na

een bombardement door Spaanse

Nationalistische vliegtuigen. Het schip

werd opgebracht naar Vlissingen,

waarna een juridische strijd volgt over

de kostbaarheden aan boord. Na veel

gekrakeel wordt alles in een kluis van

de bank van de Nederlandsche Handel

Maatschappij opgeslagen en na enkele

jaren aan de rechtmatige eigenaars

teruggegeven. R. Paesie verschaft

nieuwe inzichten over het leven van

Abraham Crijnsens, een bekende

kapitein-commandeur die in 1667

Suriname veroverde op de Engelsen.

‘Een modern droogdok voor een

moderne haven’ is een artikel van

P. van Druenen, die hiermee het dokje

van Perry in internationaal perspectief

zet. Het dokje staat bekend als het

oudste droogdok van Nederland.

Arneklanken, kwartaalblad van de

Historische Vereniging Arnemuiden

(2011, 2), is volgens de eindredacteur

een kleine ‘museumspecial’, omdat er

drie unieke zaken uit het Arnemuidse

museum in gepresenteerd worden.

Het gaat om een collectie nooit eerder

vertoonde foto’s van de visserij in Veere

en Arnemuiden uit 1955-1960 van

jhr. W.L. den Beer Poortugael, twee

beiaardklokken uit het vroegere carillon

van 1556 tot 1583 en een unieke serie

Spaans-Moorse vloertegels. Over de

beiaardklokken vertelt L. Schouls en

over de vloertegels - misschien de

belangrijkste vondst in Nederland van

dit materiaal tot nu toe - horen we alle

bijzonderheden van R. Rijken.

L. van Belzen vervolgt de genealogie

van zijn familie en J. Simons schrijft

over de oud-secretaris van Arnemuiden,

Pieter Cannoije.

In het derde nummer van Arneklanken

in 2011 wordt de genealogie van Van

Belzen vervolgd. P.J. Feij bespreekt de

gevolgen voor Arnemuiden nadat ons

land een deel van het keizerrijk van

Napoleon is geworden. De nationale

dienstplicht was een flinke tegenvaller,

er waren veel werklozen en de armoede

was groot. Er waren ook positieve

ontwikkelingen, zoals een betere

registratie van geboorten, huwelijken

en sterfgevallen. Len F.W. de Klerk

beschrijft het leven en werk van

Lein de Klerk en zijn vrouw Elisabeth

Nederhand. Hij werd spoorwegwerker

in Arnemuiden en zijn vrouw overwegwachteres.

‘Arnemuiden in de jaren

1894, 1895 en 1896’ is van de hand

van J. Adriaanse, en L.C. Schouls

bespreekt een schenking aan het

museum: een aflevering van het tijdschrift

Het Leven Geïllustreerd van

26 juli 1924, waarin een scheepsramp

van 18 juli 1924 wordt vermeld waarbij

vijf Arnemuidse vissers omkwamen.

In Het Polderhuis Blad (zomer 2011)

veel aandacht voor een expositie van

schilderijen en tekeningen die deze

zomer te zien was van Rob Meijer,

vader van de overleden vormgeefster

van het museum; het werk heeft te

maken met zijn veelbewogen leven. In

2011 staan levenslooprituelen centraal.

Mevrouw E. Flipse-Minderhoud uit

Westkapelle vertelt hoe zij als kind elk

jaar eind december bij de lokale

Zeeuws Erfgoed 29 december 2011/03|04 • ERFGOED ALLERLEIN

ambachtsmensen de rekeningen op

moest halen voor een oom die paarden

en koeien had. De volgende dag moest

ze de rekeningen gaan betalen.

Volwassenen kregen soms een sigaar,

kinderen een snoepje. Het was een

algemeen gebruik in Westkapelle. Er is

een nieuw boek van het Polderhuis

verschenen over de periode van week

40 tot en met 44 in 1944. In deze

aflevering van het tijdschrift lezen we

een aantal fragmenten uit het boek.

De Bevelanden

Het eerste artikel in De Spuije, het

tijdschrift van de Heemkundige Kring

De Bevelanden en de vereniging

Vrienden van het Historisch Museum

De Bevelanden, is van J. Kloosterman.

Zij beschrijft het leven en werk van de

huisarts Willem Hendrik Klos in Nisse.

De auto van de arts, van het

Nederlandse merk Eysink, krijgt veel

aandacht in het verhaal. De auto is

jarenlang in het bezit geweest van de

familie Louisse, maar werd in 1976

bij de verkoop van hun garagebedrijf

ondergebracht in een stichting die de

Eysink in bruikleen gaf aan het

Autotron in Drunen. In een volgend

artikel laat J. Adriaanse ons rondkijken

in Goes in het jaar 1711. Veel verschillende

onderwerpen komen aan de orde,

zoals het functioneren van de kerken en

het stadsbestuur, de openbare orde,

de schutterijen en de zorg en het

onderwijs. K. Sluijter bespreekt een

schilderij uit de collectie van het

museum, en B. Chamuleau daalt

met de lezers af naar de bodem van

Oost-Zuid-Beveland, en vertelt over

zaken die bij graafwerkzaamheden aan

het licht gekomen zijn. Er volgen nog

artikelen over het ‘Parlevinkerspad

Hansweert’, de ‘Onthulling van het

monument bij de Postbrug’, ‘Herstelde

travalje in ’s-Heer Arendskerke’, een

‘Lezing over de Sailing Letters door

Erik van der Doe’ en een ‘Aanvulling

crash bij Nieuwdorp’.

Zeeuws-Vlaanderen

Het eerste artikel in de Nieuwsbrief van

de Heemkundige Vereniging Terneuzen

(september 2011) is van K. Stoffels:

‘De Citadel van Antwerpen’.

De Citadel was het laatste steunpunt

van koning Willem I aan het einde van

de Belgische opstand. De informatie

over de belegering van de Citadel is

grotendeels gebaseerd op een artikel

van P. Lombaerde in het tijdschrift

‘Vesting’. ‘Het leven op een klein

boerderijtje op ’t naaikussen’ is

geschreven door J.L. Platteeuw.

Met ‘het naaikussen’ werd het gehucht

Driewegen bedoeld en het beschreven

boerderijtje is gebouwd in 1885 en was

het bezit van Christiaan ’t Gilde. In

1976 werd het onteigend in verband

met uitbreiding van de industrie van

Terneuzen. P.W. Stuij schreef

‘De Hoekse en de Neuzense twisten’.

In 1816 ontstond door bedijking een


gebiedsuitbreiding, gelegen voor de

grensscheiding van de gemeenten Hoek

en Terneuzen. De nieuwe polder moest

verdeeld worden, wat onenigheid

opriep. De gemeenten konden zelf de

moeilijkheden niet oplossen, zodat er

een beslissing werd genomen door de

Kroon. Tot de herindeling van Zeeuws-

Vlaanderen in 1970 bleef de toen

vastgelegde grens bestaan. Van 3 tot

en met 20 september 1944, de laatste

dagen voor de bevrijding van Zeeuws-

Vlaanderen, heeft Izaak Dierx een

dagboek bijgehouden, nu opgenomen

in deze Nieuwsbrief.

In Tijdschrift, het bulletin van de

Heemkundige Kring West-Zeeuws-

Vlaanderen (2011, 3), schrijft N.M.P.

Peterse het verslag van de onthulling

in 2011 van het herdenkingsmonument

1940-1945 in Oostburg. Het

monument is ontworpen door de kunstenaar

Ton Koops uit IJzendijke, die

uitgegaan lijkt te zijn van de beelden

van de verwoestingen in de oorlog, en

vooral van de triestige aanblik van de

ingezakte watertoren. J. Poissonnier

biedt het artikel aan: ‘Nazaten van

Isaac Benteijn (1738-1799),

landbouwer op Scherpbier’. De ware

geschiedenis van de familie Benteijn

blijkt anders verlopen te zijn dan door

de musicus Cor Schijve beschreven is

in het ‘Kezands spel’ Jaontje, maar

beide histories geven de dramatiek

van het leven weer. Van L. van Driel

is het verhaal over Jacobus Rosseel,

een markante figuur in Aardenburg,

geboren in de Isabellapolder in 1895.

Na de uitgebreide biografie volgt de

tekst van de herinneringen van

Jacobus Rosseel zelf, vanaf 1 mei 1901.

Voor het tweede deel van

‘Van veemeester tot dierenarts’ door

I. van Damme, is de auteur in de

verschillende kranten uit de negentiende

eeuw gaan snuffelen om er achter

te komen hoe in West-Zeeuws-

Vlaanderen de verhouding was tussen

afgestudeerde veeartsen en boeren,

maar ook de paraveterinairen worden

in haar onderzoek betrokken.

R. Willemsen schrijft het derde en laat-

Zeeuws Erfgoed 30 december 2011/03|04 • ERFGOED ALLERLEI

ste deel over ‘De handel en wandel van

meneer Carpreau’. Carpreaus

functioneren als deurwaarder en

plaatselijk kerkbestuurder hebben we

in eerdere artikelen al kunnen lezen,

nu gaat het voornamelijk over de

manier van verkoop van landbouwproducten

en zijn sociale houding.

Behalve over de hoofdpersoon gaat het

stuk over het dagelijkse leven rondom

IJzendijke in de negentiende eeuw.

De straatnamen die A.R. Bauwens in

dit nummer onder de loep neemt zijn

de Schorerweg, de mr. Willem

Schorerstraat en Schorersgraf.

De beide straten en het graf liggen

in de driehoek Hoofdplaat-Biervliet-

IJzendijke.

Het plioceen-avontuur van Evert van Ginkel

Kennismaking met de Meester van der Heijdengroeve

Een eervolle uitnodiging

“In 2010 gaf ik een korte lezing te Middelburg

over Zeeuws erfgoed en archeologie. Omdat ik

bij die gelegenheid het publiek aan het lachen

had weten te krijgen, had een collega mijn naam

genoemd toen er werd gezocht naar een

onderhoudende rondleider bij de opening van

de Meester van der Heijdengroeve in Nieuw-

Namen. Wilde ik daar iets komen vertellen over

de archeologie en geologie van dit monument?

Ik geef in zulke gevallen automatisch mijn

jawoord en ga dan pas kijken, wat er te vertellen

valt. Noch van Nieuw-Namen, noch van de

groeve in het bijzonder had ik ooit gehoord.

Het oudste strand van Zeeland

Ten onrechte, zo bleek al snel. De groeve, las ik,

is de enige plaats in Nederland waar te zien is

hoe een strand uit het plioceen direct grenst aan

pleistoceen dekzand. Dat zei me al iets meer.

Het plioceen is de voorlaatste geologische

periode, het tijdvak direct vóórdat de ijstijden

hun invloed deden gelden. Wikipedia dateert

het plioceen opvallend nauwkeurig, van 5,332

tot 2,588 miljoen jaar geleden. Het was er

warmer dan nu (en zeker dan in de ijstijden)

maar koeler ten opzichte van de voorgaande

tijdvakken. Nederland lag onder water, op wat

kustzones na die nu onze zuidelijke een

oostelijke grensregio’s vormen. Het enige nog

zichtbare stukje van die kust van miljoenen jaren

terug - ‘het oudste strand van Zeeland’ - is te

zien in de Nieuw-Namense groeve. De groeve

zelf is een kijkgaatje in een enorme pliocene

zandbank, de Kauter, die de geschiedenis en

het karakter van de omgeving bepaalt.

Op verkenning

De door de Provincie Zeeland toegestuurde

informatie en het Wikipedialemma waren nuttig

als introductie, maar voor een rondleiding voor

een volkomen vreemd publiek over een volkomen

nieuw onderwerp was meer voorbereiding

nodig. Ik reisde af naar Middelburg, waar

Hans Jongepier van de SCEZ me in twintig

minuten bijpraatte over wat ik in Nieuw-Namen

kon verwachten. Hij liet me ook de vondsten

zien uit steen-, brons- en ijzertijd die ter plekke

waren gedaan, waardoor ik ook het archeologische

deel van mijn verhaal kon invullen.

“Dat is allemaal gevonden door Richard

Bleijenberg, de beheerder”, zei Hans; “die zul

je toch zeker ook wel ontmoeten”.

Die ontmoeting vond nog dezelfde middag

plaats, in Richards woning, vlak om de hoek bij

de groeve. Een gedreven man, die heeft gelééfd

voor de groeve en wie het duidelijk aan het hart

ging, dat hij na ruim een kwart eeuw rondleidingen

te hebben gegeven, afstand moest

nemen.

Aan de rand van de groeve

Op grond van wat Hans Jongepier me had

verteld, wist ik wel ongeveer wat ik kon verwachten.

Waar ik niet op had gerekend, was de

inrichting die Staatsbosbeheer in de groeve had

gerealiseerd en die bijna klaar was: het ruime,

houten looppad dat boven de miljoenen jaren

oude zandvlakte kronkelde. Daarnaast was

het profiel zichtbaar dat me door Hans was

uitgelegd: de verkitte lagen plioceen zand, met

daarboven het opvallende rode ‘rostzand’ dat

aan het eind van het pleistoceen (meer in het

bijzonder: het einde van de laatste ijstijd, enkele

tienduizenden jaren geleden) over het fossiele

strand was gewaaid. Ook op een niet-geoloog

(ik heb de klok wel horen luiden...) maakte

het geheel een diepe indruk. Richard Bleijenberg

testte ter plaatse mijn kennis, leek redelijk

tevreden en zegde toe om op het moment

suprême geen kritische opmerkingen te maken -

tenminste: niet op heel luide toon.

Ontluisterend einde

Dat moment, hoe zorgvuldig ik het ook had

voorbereid, kwam nooit. Op 1 juni kreeg ik te

maken met een zelden voorkomende combinatie

van een stukgetrokken bovenleiding bij

Roosendaal, een defecte auto van de collega

die me in Bergen op Zoom kwam oppikken,

en tenslotte groot onderhoud in de tunnels rond

Antwerpen, waardoor ik ruimschoots te laat in

de groeve arriveerde. De feestelijkheden waren

toen al in volle gang en het leek me niet

opportuun, alsnog het woord te vragen.

Voor wie die dag naar me had willen luisteren:

u moet het doen met dit artikeltje, en ieder

ander mag ik van harte aanraden op een mooie

dag naar de Meester van der Heijdengroeve af

te reizen. De natuur én de ontwerpers van

Staatsbosbeheer hebben samen gezorgd voor

een uniek monument, dat inhoudelijk de moeite

waard is om te leren kennen en een bijzondere

ruimtelijke belevenis vormt.”

Vrijwilliger Richard Bleijenberg in de Meester

van der Heijdengroeve in Nieuw-Namen.

Evert van Ginkel,

archeoloog en eigenaar van presentatiebureau TGV

teksten en presentatie


Colofon

Zeeuws Erfgoed is een uitgave van Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland

en verschijnt vier keer per jaar. Deze nieuwsbrief informeert over

archeologie, cultuurhistorie, erfgoededucatie, monumenten,

musea en streektalen in Zeeland. Zeeuws Erfgoed wordt mede

mogelijk gemaakt door de Provincie Zeeland.

Abonnementen en adreswijzigingen alleen schriftelijk

via postbus 49 o.v.v. Zeeuws Erfgoed.

redactie Marinus van Dintel, Aad de Klerk, Jan Kuipers,

Veronique De Tier, Tony Veenstra en Janneke de Wit

eindredactie Saskia Buitenkamp, Aad de Klerk en Jan Kuipers

foto’s Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland, tenzij anders vermeld.

De SCEZ streeft er met de uiterste zorgvuldigheid naar om

voorafgaand aan het moment van publicatie contact op te nemen

met de rechthebbenden.

De SCEZ kan op geen enkele wijze aansprakelijk worden gesteld voor

beeldmateriaal, door derden aangeleverd, waarop auteursrecht berust.

opmaak decreet, Ramon de Nennie, Middelburg

druk Verhage, Middelburg

contact Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland

Postbus 49 4330 AA Middelburg

Bezoekadres locatie De Burg, Groenmarkt 13

T 0118-670870 | F 0118-670880 | E info@scez.nl

KORTelings in dienst

Jeanine Dekker, adviseur volkscultuur

Vanaf 15 september is Jeanine Dekker bij de SCEZ in dienst als adviseur

volkscultuur. Zij volgt in die functie Hesther van den Donk op.

Jeanine groeide op te midden van Zeeuwse volkscultuur. Tijdens haar

studie sociologie aan de universiteit in Tilburg leerde zij de betekenis

van volkscultuur te benoemen vanuit sociaal perspectief. En nadat zij

zich ging bezighouden met de geschiedwetenschap, kreeg zij zicht op

de historische ontwikkelingslijnen ervan.

Jeanine publiceerde na haar opleiding en promotie boeken en artikelen,

voornamelijk op het terrein van de Zeeuwse geschiedenis. Zij werkte

onder andere mee aan het boek over de Zeeuwse streekdrachten.

Als adviseur volkscultuur gaat zij haar kennis inzetten ten behoeve van

de instellingen, verenigingen en particulieren die op dit terrein actief zijn.

Tot eind 2012 werkt Jeanine twee dagen per week voor de SCEZ. De

andere dagen zijn voor Inhistory, haar onderneming in geschiedenisproducties.

Zeeuws Erfgoed

jaargang 10 nr. 3|4 • december 2011

Meegezonden

- Zeeuws Archief Nieuws nr. 52

Aan dit nummer droegen bij

• ARCHEOLOGIE Guus Besuijen, Robert van Dierendonck,

Henk Hendrikse, Hans Jongepier, Marcel de Koning, Jan Kuipers,

J.P. Puype en Ilona van der Weide-Haas

• CULTUURHISTORIE Marinus van Dintel en Aad de Klerk

• ERFGOEDEDUCATIE Josien Pootjes

• MONUMENTEN Robert van Dierendonck, Marinus van Dintel,

Wim Jakobsen, David Koren, Gerard Ottevanger, Wim Scholten

en Jan van Zon

• MUSEA Leo Adriaanse, Jeanine Dekker, Marloes Matthijssen

en Josien Pootjes

• STREEKTALEN Veronique De Tier

• MONUMENTAAL David Koren

• ALGEMEEN Leo Adriaanse, Saskia Buitenkamp en Wim Scholten

• ALLERLEI Johan Francke en Truus Trimpe Burger-Mekking

en Evert van Ginkel

Aanlevering van kopij

Voor het volgende nummer en/of reacties op deze nieuwsbrief bij

voorkeur digitaal tot 17 oktober 2011, zeeuwserfgoed@scez.nl of

via postbus 49, 4330 AA Middelburg o.v.v. kopij Zeeuws Erfgoed.

www.scez.nl

MonuMENTaal

De Oostkerk werd tussen 1648 en 1667 speciaal voor de protestantse

eredienst gebouwd voor de gemeente van de “Nieuwe Stad”, de grote

zeventiende-eeuwse stadsuitbreiding van Middelburg. De stad groeide

juist in deze periode sterk vanwege de komst van vele Zuid-Nederlandse

handelslieden na de Val van Antwerpen. Tegelijkertijd ging Middelburg

een eigen actieve handelspolitiek voeren en kreeg de stad - na Amsterdam

- de belangrijkste Kamers in zowel de VOC als de WIC. De kaapvaart en

slavenhandel brachten ongekende welvaart en de Oostkerk is hier een

uitdrukking van. De kerk is een rijk uitgevoerde achthoekige

classicistische centraalbouw voorzien van een enorme koepel en met

lantaarn. Onder de rondboogvensters bevinden zich festoenen (guirlandes)

met symbolen van leven en dood, met op de hoeken kolossale Ionische

pilasters. Ook het interieur dateert nog geheel uit de bouwtijd.

Bartolomeus Drijfhout tekende voor het ontwerp, daarbij terzijde gestaan

door niemand minder dan Pieter Post. Het is nog altijd een van de meest

markante monumenten van Middelburg en wordt op grond van zijn

kunsthistorisch belang gerekend tot de top-100 monumenten van ons

land. Helaas is de kerkelijke gemeenschap niet meer zo vitaal als het

kerkgebouw zelf. Hoe pijnlijk ook, de kerk behoeft een herbestemming

of op z’n minst een nevenbestemming die voldoende inkomsten kan

genereren voor instandhouding van het gebouw. In een uiterst

monumentaal kerkgebouw als de Oostkerk is dit heel wat moeilijker

dan in een minder rijk uitgevoerd gebouw. De kerk staat hiermee dan

ook voor de grootste uitdaging uit haar trotse geschiedenis.

Zeeuws Erfgoed 31 december 2011/03|04 • COLOFON | KORTELINGS | MONUMENTAAL


MOnuMENTaal

More magazines by this user
Similar magazines