le Bijvoegsel van Maandblad No. 271. De feestavond te Amsterdam ...

webstore.iisg.nl

le Bijvoegsel van Maandblad No. 271. De feestavond te Amsterdam ...

l e Bijvoegsel van Maandblad No. 271.

De feestavond te Amsterdam

28 (Mei 1919)

1. Schotting (Alg Handelsblad); 2. Mevr. Voogd; 3. Mevr. Hans; 4. Mevr. v. d. Hout; 5. Mej. Raken; 6. Hans, waarn. voorzitter N. J. K. (Telegraaf); 7. I. C. Meyerink Jr. (Haarl. Dagblad); 8 v. d. Hout (Vaderland);

9. Mevr. Meyerink-Leeman; 10. Mej. N. Suikerman (Persbureau Vas Dias); 11. Voogd (Alg. Handelsblad); 12. Mevr. Derjeu; 13. Mevr. Meiners; 14. Mej. Breslau; 15. Mej. Doornbos; 16. Mevr. Kouwenaar;17. Mevr.

Ruempol; 18, Mej. A. le Cointre; 19. Mevr. Lourens; 20. Mevr. van Maanen; 21. Mej. Schroder; 22. Mej. van Meekren (Alg. Handelsblad); 23. Mej. Zuikerberg (Alg. Handelsblad); 24. Raken (N. Rott. Court.); 25v. Calker

(Gooi enEemlander);26. van Meurs (Nieuwe Crt); 27. Berden (Nieuwe Eeuw); 28. Derjeu (Nieuwe Crt,); 29. Biggelaar (Maasbode); 30. De Hoop (Persbureau Vas Dias); 31. Hollaar (Persbureau Vas Dias); 32 Arthur

Tervooren (Het Leven); 33. Mevr. Frederiks; 34. Mej. Luikinga; 35. Mej. van Strien; 36. Mevr. van Meurs; 37. Mevr. Dekking; 38. Mevr. v. Bolhuis; 39. Henri Dekking (Rott. Nieuwsblad); 40.Hulsman (Haagsch Corresp.

Bureau; 41. Luikinga (Het Volk); 42. Santcroos (Het Volk); 43. v. Schaik (Leeuw .Crt); 44. Lesturgeon (N. Crt); 45. Ruempol (N. Rott. Crt.); 46. v. Maanen (N. Rott. Crt); 47. Lourens (N. Rott. Crt); 48. Meiners

(N. v. d. D.); 49. v. Wijk (N. Rott. Court); 50. Mevr. v. Wijk; '51. v. d. Berg (De Amsterdammer); 52. Mevr. Driessen; 53. Driessen (Alg. Handelsblad): 54. Wolf (De Kunst); 55. Puister (Nieuwsbl. v. h. Noorden)-

56. Derks (Opr. Haarl. Crt); 57. Wijnberg (Gron. Dagbl.); 58. Mej. C. H. P. Kroon; 59. Leninga (Gron. Dagbl.; 60. Mevr. van Dobben-Brakel; 61. Da Silva (Persbureau) V. D.); 62. Mevr'v. Tilburg; 63. Mevr v Oosten'

64. Bruysten (Residentiebode): 65. Wildcnberg (N. Haagsche Crt.); 66. Mevr. Hagemans; 67. Dieterle (Telegraaf); 68. Mevr. Akkerman; 69. van Tilburg (Haarl. Dagbl.)) 70. De Vries (Locomotief); 71. Mej. Berens

(Alg. Handelsbl.f; 72. Fahrenfort (Alg. Handelsbl.); 73. Mevr. Westerman; 74. Mevr. de Vries; 75. Nova (Ned. Tel. Agentschap; 76. Mevr. Schabeek;77. Westerbaan (Filmwereld);78.Mevr. v. d.Broeke; 79 Mevr.Hirsch-

80. v. d. Broeke (De Tijd); 81. Schabeek; 82. v.Zuilen (Onze Eilanden);83. Fuldauer (Telegraaf); 84. v. d. Berg (Telegraaf); 85. J. Sand (Telegraaf); 86. van 't Sant (N. v.d. D.); 87. de Voogt(N.v.d. D.); 88. Boskamp (Maasbode)

{Cliché tvel'MÜlend afgestaan door .„Het Leven"),


2 e Bijvoegsel van Maandblad No. 271.

ris •

*

*

:: ;-e: v, \. %:

De journalisten met hun dames voor het Raadhuis te Heemstede.

29 Mei 1919.

(Foto Centraal Foto-Bureau)

De leden van het Kringbestuur met hun dames te Heemstede.

Van links naar rechts: Mevr. CRAYÉ, C. A. CRAYÉ, L. SCHOTTING, J. J. DE ROODE,

Mevr. MARIE DE ROODE, Mej. A. BUINING, Mevr. VAN DER HOUT, W. N. VAN

DER HOUT, Mevr. HANS, D. HANS, Mevr. VOOGD, A. VOOGD.

(Foto Centraal Foto-Bureau)


De Voorzitter richtte daarna nog een waardeerend woord

tot den nestor aan tafel, collega HAAXMAN.

Collega Haaxman vroeg het woord en zeide nog nooit

gedurende zijn lange journalistieke loopbaan zooveel journalisten

te hebben bijeen gezien en tevens zooveel dames. De

reden van deze belangstelling zocht hij in de economische

actie, ten bate van onze salarissen, onder de sympathieke

leiding van collega HANS. Tot hem richtte spr. een krachtig

welgemeend woord van dank, voor hetgeen HANS gedaan

heeft voor de journalisten en voor hun gezinnen.

Mevr. Van Bolhuis zegde namens de dames dank er

voor, dat zij mee genoodigd waren en bedankte de A. P.

en de Haarlemsche j. V. voor de ontvangst.

In opgewekte, ongedwongen stemming verliep de lunch en

daarna volgde weer een ander nummer van het programma:

vertrek met extra-trams naar Heemstede voor een

Bezoek aan Groenendaal.

Voor het Raadhuis van Heemstede werden de journalisten

eerst gekiekt, waarna gewandeld werd naar de uitspanning

Groenendaal. Daar werden de journalisten officieel ontvangen

door het Gemeente-Bestuur; ook de oud-burgemeester, Jhr. Mr.

D. E. VAN LENNEP was aanwezig.

De burgemeester, van Heemstede, Jhr. J. P. W. van

Doorn sprak een welkomstwoord, verzekerend dat het Gemeente-Bestuur

het bezoek der jounalisten op hoogen prijs stelde.

Na gewezen te hebben op de sociale en hygiënische beteekenis

van het bezit van een landgoed als „Groenendaal", karakteriseerde

spr. de pers. Voor ochtend- en avondbladen moeten

de journalisten altijd klaar staan, thans echter konden zij

hier verpoozing zoeken, dank zij dezen vacantiedag, waarvan

inzonderheid ook de nacht-redacteuren konden profiteeren.

Door hun arbeid zijn de journalisten tot oordeelen bekwaam

geworden, gemakkelijk vatbaar voor indrukken, terwijl zij door

den aard van hun werk en door hun temperament zich ook

meer dan eenig ander weten te uiten. Spr. hoopte dat zij ook

over dit schoone bezit van Heemstede gunstig zouden oordeelen.

Hierna liet Jhr. VAN DOORN een gelukwensen volgen met

net . 35-jarig bestaan van den Kring. Hij meent dat de journalisten

met genoegen op dat tijdperk kunnen terugzien; heel

de positie van'de pers en ook die van de journalisten is in

°-^ e 35 jaren verbeterd. Er gaat een opbouwende kracht uit

van de pers en in de laatste jaren is er meer en meer waardeering

gekomen voor de pers.

Spr. eindigde met de beste wenschen voor den bloei van

den Kring en voor de ontwikkeling van de journalistiek in

goede lijnen en ten bate van de opvoeding en de ontwikkeling

van het publiek. (Luid applaus).

De voorzitter, collega D. Hans, sprak daarna 'als volgt:

„Mijnheer de Burgemeester. — Wij zijn zeer getroffen door

de vriendelijke ontvangst, ons door het gemeentebestuur van

Heemstede bereid, en het is mij een voorrecht, dat ik u

daarvoor namens den Nederlandschen journalisten-Kring van

harte mag bedanken. Wij stellen de aanwezigheid van de

verschillende leden van het gemeentebestuur en van den oudburgemeester,

den heer VAN LENNEP, zeer op prijs.

Wat ik vanmorgen gezegd heb tot den vertegenwoordiger

van Amsterdam zeg ik ook tot u: wij, journalisten, hoezeer wij

krachtens ons beroep ook aan den weg timmeren, zijn in ons

vereenigingsleven tot dusver niet veel in het licht der openbaarheid

getreden. De Nederlandsche Journalisten-Kring heeft

veel gedaan en van uiteenloopenden aard, maar wanneer wij

in onze vergaderingen bijeenkwamen, dan hebben wij er nooit

naar gestreefd om vooraf plechtig ergens te worden ontvangen,

of om in het publiek veel ophef te maken. Toch raken ónze

geestelijke belangen de belangen van het geheele volk, toch

is de mate waarin de pers wordt gewaardeerd en haar recht

erkend, vaak beslissend voor het peil van een natie.

Daarom was het ons zulk een oprechte vreugde, mijnheer

de Burgemeester, de uitnoodiging van uw gemeentebestuur

te ontvangen.

De naam van uw kleine, maar schoone gemeente heeft in

ons land een goeden klank. Traden wij niet reeds als schooljongens

er mee in contact? Onder de jaren uit onze geschiedenisboekjes,

die wij niet vergaten, was 1304: Witte van Haamstede

verslaat bij Heemstede de Vlamingen. Ik verzeker u, dat ik dit

niet te voren heb opgezocht, uit hoffelijkheid voor u. (Gelach).

Velen onzer hebben dit contact laten verinnigd, door in of

bij uw gemeente te genieten van de glorie der natuur, van de

verrukkelijke schoonheid die ons vaderland ook hier brengt

aan ieder die er gevoelig voor is. Eenige oogenblikken iets

van dat genot te vinden: ziedaar de reden, waarom wij vanmiddag

hierheen gekomen zijn.

MA ANDBLAD

111

Mijnheer de Burgemeester, ik zeg u en het geheele gemeentebestuur

hartelijk dank voor de ontvangst hier ter plaatse.

Wij zullen dezen middag zeer stellig niet vergeten en namens

den Nederlandschen Journalisten-Kring spreek ik de hoop

uit, dat onder uwe leiding Heemstede in bloei moge toenemen,

dat het u en de burgerij in alle opzichten goed mogen gaan.

Ik noodig mijn collega's uit tot een driemaal hoera op den

bloei van Heemstede."

Het daverde door het thee-huis.

Een driewerf herhaald „hoera", op de toekomst en den bloei

van Heemstede weerklonk.

Nog sprak daarna de heer C. J. T. Leistikow, bestuurslid

van de Vereeniging „Vreemdelingenverkeer." Deze prees de

pers voor hetgeen zij als „Koningin der Aarde" voor haar

onderdanen doet. Steeds is zij op haar post. In dezen tijd,

zoo betoogde spr. verder, heeft de pers de burgers aan te

sporen tot goede daden. Maar er is een goede en een kwade

pers. Geen revolutie, maar evolutie. Eindigend uitte spr. de

hoop, dat de N. J. K. bij zijn 50-jarig bestaan op Groenendaal

zou terugkeeren.

Voorzitter Hans zegde dank voor de vriendelijke woorden.

Erkennend dat er, gelijk de spreker had doen uitkomen, een

goede en een kwade pers is, merkte onze president zeer slagvaardig

op: „Maar als wij ons 35-jarig bestaan vieren, dan

zult u ons vergunnen, dat wij ons allen beschouwen als te

behooren tot de goede pers!" (Luide teekenen van instemming).

Inmiddels waren thee en gebakjes rondgediend; er werd

gepraat en geschertst, totdat het geheele gezelschap opstapte

voor een wandeling door de Groenendaalsche bosschen.

Door lanen en langs paadjes trok het gezelschap voort, onder

leiding van burgemeester VAN DOORN dien mooien middag

van Mei Maar lyriek over deze wandeling,


112

— Wij ontvingen het volgende welsprekende briefje, met verzoek

het te publiceeren: „Geachte Redactie. Slechts één opmerking

over ons feest: Het volgend jaar weer /—G. FULDAUER."

De Kring-secretaris zal het zeer op prijs stellen, indien hij

voor het archief één of twee exemplaren toegezonden krijgt

van bladen, waarin een verslag van hel feest heeft gestaan.

Willen de betrokken collega's hiervoor zorgen?

— Toen, in het Theehuis te Heemstede, het gemoedelijke

bestuurslid van Vreemdelingen-verkeer sprak van „evolutie"

en „revolutie", stond collega DE ROODE quasi- verontwaardigd

op om heen te gaan. Maar nauwelijks had onze voorzitter

geantwoord, dat we allemaal tot de goede pers behoorden, of

de ROODE trad op hem toe en drukte hem demonstratief de

hand. Een en ander wekte veel vroolijkheid.

— Op de Groote Markt te Haarlem twee jongens, met

open mond starend naar ons gezelschap.

— „Jo, wat zou dat zijn?"

— „Een zangvereeniging".

— „Wel nee jo, een visch-club".

Tableau ... !

* *

*

Onze Bijvoegsels.

Wij hebben gemeend, bij dit nummer wel iets extra's te

mogen geven. Vandaar de twee bijvoegsels, die wij zullen

betalen uit het Maandblad-fonds. Dit is meteen een aansporing

voor de vele leden, die nog nooit iets aan het fonds gaven.

Laten zij thans eens iets sturen, die verwoede nihilisten . . .

Het eerste bijvoegsel geeft een kiek van den feestavond,

zoo luisterrijk geslaagd. Het cliché stond Het Leven ons in

bruikleen af. De foto toont echter slechts een deel van de

aanwezigen. Verscheidene leden zitten .... buiten de plaat.

Onder hen, jammer genoeg, vriend KOUWENAAR, de voorzitter

van de A. P. Men ziet KOUWENAAR toch nog gedeeltelijk:

links op de kiek, eerste rij, naast SCHOTTING (Hollands welvaren!)

zijn KOUWENAARS linkerbeen, linkerarm en linker-oor

te aanschouwen. Toch nog iets! Tal van anderen ontbreken.

Het tweede bijvoegsel geeft eerst de journalisten voor het

Raadhuis van Heemstede. Hier kan men goed zien, hoe

groot het gezelschap was. En daarnaast prijkt het Kringbestuur,

met deszelfs aanhang. Ook bij het Raadhuis gekiekt. Behalve

mr. PLEMP ontbreekt alleen de heer Biemond, die ongesteld was.

Als wij ons niet vergissen werden er nog méér plaatjes

gemaakt. Maar die zijn niet in ons bezit gekomen.

Deze bijvoegsels, op kunstdruk, zullen een aardige herinnering

vormen aan ons feest.

* *

*

Episode.

— Uit het Groninger Dagblad:

„Uit alle oorden des lands — uit Groningen zoo goed als uit

Middelharnis — waren de journalisten bijeen in de hoofdstad, om

mee te vieren het feest van hun Kring. Ze vormden een groep van

feestgangers, welke zeker talrijker was dan tweehonderd personen

en wel iets geleek op een groote gemengde zangvereeniging. Zelfs

op het perron van het Amsterdamsche centraal-station vielen zij op

wegens hun aantal, hun pleizierige gezichten en hun spontane

feestvreugde.

De trein, welke hen naar de lustoorden van Haarlem en Heemstede

zou brengen was langer dan gewoonlijk en het publiek scheen te

weten, dat de „sjournaliste" in ieder geval mee moesten. Er waren

rijtuigen voor hen gereserveerd. Zoo geviel het, dat in een der

coupê's bijeen waren gezeten een journalist, wiens naam ik niet

voluit mag noemen, een collega, die wegens de veelheid van zijn

kennis en de kaalheid van zijn hoofd sinds den laatsten tijd nooit

anders heet dan de dokter, alsmede een broer van het gilde, die geen

mensch kwaad zal doen.

In de coupé de genoeglijke stemming van menschen, die zich

niet in 't zweet hebben geloopen, om een plaatsje te veroveren in

een meer dan vollen trein. Buiten de coupé het] nerveuze gedoe

van reizigers, die nog op het nippertje een plaats moeten zoeken en

overal worden afgewezen met „vol" of „bezet."

Plotseling verscheen voor de coupé der drie vulpenridders een

lieve blonde dame van gevorderden leeftijd, die van haar jeugdschoonheid

nog zooveel weldadige bekoring had overgehouden, dat

zelfs de „dokter" zijn spleetoogjes ver open zette.

— „Is hier nog plaats, heeren?", vroeg de bekoorlijke verschijning,

terwijl ze even lachte tegen de niet bezette plaatsen in de coupé.

— „Gereserveerd mevrouw", stamelde de „dokter."

— „0 hemeltje", schrikte ze terug. Maar ze kreeg een idee en vroeg:

— „Kan ik dan niet voor de schoonmoeder doorgaan van één

der heeren ?"

Waarop de ridders van de pen zich geen oogenblik bedachten en

de gelukkige moeder van de lumineuze idee met gejuich binnenhaalden.

— „Zullen de andere dames en heeren journalisten mij willen

erkennen?" grapte ze.

—- „Houd uw gemak, mamaatje'.' — viel de journalist in, die vlak

tegenover haar zat — „ik ben immers bij U V'

M A A N D B L A D

— „Ik bèn ook niet bang, Willem, en ik weet, dat je zoo noodig

mij zult besch ermen "

Dat was de inzet van de fantastische conversatie, welke zich vervolgens

ontwikkelde en voor allen die tusschen Amsterdam en

Haarlem dit geestelijk vuurwerkje volgden, meer was dan een aangenaam

tijdverdrijf."

Schoonmama zal vermoedelijk een onvergetelijke episode

blijven voor de betrokken collega's!

* *

Dr. Kuyper over den Kring.

— Dr. KUYPER schreef enkele dagen vóór ons feest in

De Standaard:

„Op 28 en 29 Mei viert de volgende week de Nederlandsche Journalisten-Kring

zijn vijf en dertig jarige existentie, en reeds spoedig

bleek, hoe ook de Gemeente-Besturen, en zelfs de Spoorwegdirectiën

in dit feest mee wenschten te jubelen, en aan heel den Kring van

hun warme genegenheid zullen doen blijken. Naar we vertrouwen

durven, zal geheel ons hoogerstaand en meelevend publiek zich

hierin ten zeerste verheugen. Niet alleen onze Pers, maar heel ons

publiek is aan dezen Journalisten-Kring zooveel verschuldigd. Wie

35 jaren teruggaat en zich afvraagt, op welk peil destijds onze Pers

stond, en hiermede vergelijkt wat ze thans geworden is, staat voor

een tegenstelling, die ons nog kan doen treuren over ons verleden,

maar dan ook te geestdriftiger ons kan doen juichen over den ongelooflijken

vooruitgang, waarin onze Pers zich sinds die eerste periode,

toen nog alle goede leiding ontbrak, mocht verheugen. Moge 't al

teleurstellen, dat de Voorzitter van den Kring, die van alle zijden

zoo hoog gewaardeerd wordt, nog steeds ter oorzake van zijn geknakte

gezondheid in het buitenland moet vertoeven, toch beschikt onze

politieke Pers in de huidige periode over mannen van talent te over,

om aan dit hoogstaande feest de rechte uiting te geven. En zij 't al,

dat er, nu vele jaren terug, zekere tijdelijke breuke tusschen deze

jnbelenden Kring' en ons blad niet te keeren viel, toch blijven we

voor onze Nederlandsche Pers nog steeds te warm gevoelen, om

niet van heeler harte in de nu heel onze Pers bezielde feestvreugde

te deelen. De Journalisten-Kring staat thans metterdaad hoog. Onze

Pers won schier van jaar tot jaar niet enkel in het aantal van haar

organen, maar bijna meer nog in degelijkheid en kunstvaardigheid.

En daarom viel ook onzerzijds aan den drang geen weerstand te

bieden, om thans onze Pers geluk te wenschen met haar vooruitgang

en haar nobel succes."

Wij zeggen onzen oud-eere-voorzitter voor deze woorden

hartelijk dank.

INHOUD. Het feest van ons 35-jarig bestaan. — Officieele Mededeelingen:

De salaris-actie; De contributie; Ledenlyst. —-

Plaatselijke Vereenigingen: Haarlemsche Journalisten-Kring;

Haagsche Journalisten-Vereeniging; De Amsterdamsche Pers;

Rottterdamsche Journalisten-Vereeniging. — Binnenland: Persvrijheid

uit socialistisch oogpunt; Vertegenwoordiging van de

Pers; D. A. Zoethout fi P- J - Blok; Het Maandbladfonds. —

Indië: De Inlandsche Journalisten-bond. — Uit de Pers: De

ochtendbladen. — Personalia en Berichten. — De journalisten

in de Ongevallenwet. — Advertenties.

Officieele Mededeelingen.

De Salaris-actie.

Op Zaterdag 24 Mei kwamen de directeuren en journalisten

van de gemengde salaris-commissie bijeen te Amsterdam, ter

bespreking en behandeling van de vast te stellen minimumsalaris-schaal.

Alle leden waren aanwezig.

Ook de heer A. G. BOISSEVAIN, voorzitter vanDe Nederlandsche

Dagbladpers", die zeer geruimen tijd ernstig ongesteld

is geweest. Hij werd door den heer D. HANS namens de

journalisten met zijn herstel van harte gelukgewenscht.

De journalisten hadden een concreet voorstel ingediend.

Dit maakte onderwerp van debat uit. De conferentie duurde

van half 3 tot ongeveer 6 uur. Toen had men de bespreking

nog niet ten einde kunnen brengen, aangezien ook eenige

andere denkbeelden, dan aan het voorstel ten grondslag lagen,

ter tafel werden gebracht. Deze zullen alsnog op schrift worden

gesteld. Binnenkort heeft dan een nieuwe conferentie plaats,

waarin vermoedelijk een .beslissing zal vallen.

De Contributie.

De penningmeester deelt mede, dat van de in het begin

van Maart afgegeven contributie-kwitanties nog verscheidene

onbetaald bij hem terug zijn gekomen, terwijl hij op zijn herhaalde

aanmaningen er nog niet in slagen mocht deze binnen


te krijgen. De namen van hen, die tot dusver in gebreke

bleven, zullen in het volgend nummer van het Maandblad

worden opgegeven. Volgt dan geen betaling, dan zal in de

bestuursvergadering het voorstel worden gedaan om de achterstalligen

wegens contributieschuld te royeèren,

Tot dusver mocht de Penningmeester van m leden een

gulden ontvangen als tegemoetkoming in de kosten van het

jubileumboekje.

Ook hierbij heeft de Penningmeester dus niet over te veel

activiteit van de leden te klagen.

Ledenlijst.

Aangenomen als gewoon lid:

H. W. C. DOUWES, Telegraaf, Prins Hendrikstr. ia, R'dam.

Verhuisd:

dr. N. J. SINGELS, naar Koningslaan 41, Utrecht.

D. J. BALLUSECK, naar Rue Caulaincourt 81 (i8 e ), Parijs.

C. j. VIERHOUT, naar Nassaukade 52, Amsterdam.

H. G. CANNEGrETER Dzn., naar Rippadepark 14, den Haag.

Mej. A. BUINING, Avondpost, naar Valkenboschlaan 61, den

Haag.

J. SCHRAVER, iV. R. Ct., naar Leuvehaven 10, Rotterdam.

A. E. MENDELL, Analytisch Verslag, naar Joan Maetsuyckerstraat

60, den Haag.

leieleeliien flit ie Plaatselijke Veraippii.

Haarlemsche Journalisten-Kring.

Naar aanleiding van de langdurige zittingen van den gemeenteraad

die meermalen duren van half 2 tot half 7, heeft de

Haarlemsche, Journ.-Kring gemeend een schrijven'tot den

gemeenteraad te moeten richten, waarin gewezen werd op de

ontstemming der journalisten. Bedoeld schrijven was van den

volgenden inhoud:

„Het Bestuur van den den Haarlemschen Journalisten-Kring,

handelende in opdracht van de ledenvergadering, gehouden op

22 April, neemt de vrijheid het volgende onder Uw aandacht

te brengen:

De journalisten van de Perstribune in de Raadzaal hebben

in bedoelde vergadering van den H. J. K. mededeeling gedaan

van het feit, dat in de laatste Raadsvergadering des middags om

hall" 7, nadat de Raadsvergadering duB 5 uren had geduurd,

door den Raad besloten is, om de behandeling van punt 17 nog

aan de orde te stellen, ofschoon te verwachten was, dat dit punt

tot een vrij langdurige discussie aanleiding zou geven,

„dat de journalisten der Perstribune pijnlijk getroffen waren

door de omstandigheid, dat de Raad bij het nemen van dit

besluit geen rekening bleek te houden met de belangen van de

overzichtschrijvers en de verslaggevers, die, hoewel geen deel

van den Raad uitmakend, toch daarbij ten nauwste betrokken

zijn,

„dat zij daarom een oogenblik op het punt hebben gestaan,

om de Raadzaal te verlaten, daar het niet wel mogelijk is, om

hun arbeid naar behooren te verrichten, wanneer de Raadzittingen

zulk een overmatigen omvang aannemen,

dat zij echter ditmaal aan dit voornemen geen gevolg hebben

gegeven, omdat een dergelijk optreden een demonstratief karakter

Bil' de daarop volgende besprekingen besloot de Haarlemsche

Journalisten-Kring Uwen Raad mededeeling van het bovenstaande

te doen en daaraan toe te voegen, dat de Haarl. Journ.-Kring

hef zeer ou priis zal stellen, wanneer Uw Raad bij voorkomende

eelegenheden, wanneer het aankomt op het nemen van een

beslfssing ontrent den duur der Raadsvergaderingen, ook

rekening zou willen houden met de belangen der journalisten

van de Perstribune."

Met genoegen kan geconstateerd worden dat het adres niet

zonder succes is gebleven. In den regel toch worden dergelijke

adressen voor kennisgeving aangenomen, doch dit adres werd

voor de leden van den raad ter visie gelegd.

Minder succes werd verkregen met êen adres van de vereemging

aan den voorzitter van den raad, waarin verzocht werd om

de raadszitting van Woensdagmiddag, met het oog op het

feest der journalisten, op een anderen dag te houden. De

voorzitter antwoordde „dat, voorzoover is na te gaan, omstandigheden

het noodzakelijk maken op Woensdag 28 Mei een

vergadering van den gemeenteraad te houden."

Met toestemming hunner directies zijn de verslaggevers die

naar het feest optrokken, echter ten 4 ure uit den raad gegaan.

Eén verslaggever bleef om voor het werk te zorgen.

De Secretaris,

P, C. AKKERMAN.

MA ANDBLAD 113

Haagsche Journalisten-Vereeniging.

Verschillende leden hebben mij hun biljet voor de contributie

over 1919 nog niet teruggezonden.

Wie een duplicaat wil hebben, kan dit bij mij aanvragen.

De ledenvergadering heeft, nog wel met algemeene stemmen

de nieuwe contributieregeling vastgesteld. Ik mag dus voor

enkelen, die bezwaar hebben hun journalistiek inkomen mede

te deelen, geen uitzondering te maken. Wel wil ik hun gaarne

geheimhouding toezeggen.

Het Bestuur heeft mij gemachtigd, hen, die mij een week

na liet verschijnen van dit nummer de vereischte opgave niet

hebbeu ingezonden, (Laan van Meerdervoort 15, tel. H. 3974),

ambtshalve aan te slaan.

Ik wil hier aan toevoegen, dat ik voornemens ben voor

die gevallen het in Den Haag bekende „piepsysteem" zonder

clementie toe te passen. Hetzelfde zal geschieden met hen

die een te laag bedrag opgeven.

Men is dus gewaarschuwd!

De penningmeester,

G. POLAK DANIELS.

De Amsterdamsche Pers.

Voor het lidmaatschap der vereeniging hebben zich aangemeld

de heeren J. G. BARENBROEK, M. A. VAN HEEKEREN

en FRITS VAN RAALTE, allen verbonden aan de redactie

van het Handelsblad en S. HARTOG, Het Volk.

Bezwaren tegen de toelating kunnen binnen acht dagen

bij het bestuur worden ingediend.

De secretaris,

SCHOTEL.

Rotterdamsehe Journalisten-Vereeniging.

Op de ledenlijst der R. J. V. in het vorige Maandbladnummer

is door een allerzonderlingste verstrooidheid de naam

van één onzer oud-bestuursleden, G. J. v. DALEN, (R. N.)

vergeten.

Binnenland.

Pervrijheid uit socialistisch oogpunt.

In de Oostenrijksche journalistenkringen heeft men enkele

Mei-dagen besteed aan de bespreking van pershervormingen

en vooral over persvrijheid.

De uitvoerige verslagen in Die Zeit heb ik met belangstelling

gelezen en er zal ongetwijfeld aanleiding wezen op de

discussies, zoo principieel en diepgaande als ze, voor zoover

mij bekend, nog weinig gevoerd zijn, nader terug te komen.

Voor heden zij het mij vergund op een redevoering ovej

een socialistische pershervorming, gehouden door den redacteur

van de Arbeiters Zeitung AUSTERLITZ, iets meer uitvoerig de

aandacht te vestigen.

Er is m. i. uit een algemeene persopvatting wel een en

ander belangwekkends in de hier uitgesproken wenschelijkheden.

AUSTERLITZ ging van de stelling uit, dat de ideologie, volgens

welke de pers een geestelijk strijdmiddel zou zijn, thans reeds

lang onwaar geworden is, de pers is z. i. een kapitalistisch

machtsmiddel, niet anders, en om die reden richtten zich

terecht de revoluties tegen de kapitalistische pers en daarmede

tegen de zoogenaamde persvrijheid.

De democratie kan er geen genoegen mee nemen, dat

politieke privilegiën vernietigd worden en tegelijkertijd over het

feit heen zien, dat de couranten, als instrument van het

kapitalisme, een grooteren invloed op het geestelijke en economische

leven oefenen, dan alle politieke lichamen te zamen.

De werking van elke politieke verandering in den laatsten tijd

is maar zeer bescheiden tegenover de macht, die van de pers

uitgaat en de democratie heeft daarom den zedelijken plicht

de pers aan de heerschappij van het kapitalistisme te onttrekken

en haar tot een werkelijk instrument in den geestelijken

worstelkamp te maken.

Elke nieuw opgerichte krant is thans feitelijk een nieuw

wapen van het kapitalisme tegen de democratie en de democratie

kan niet rustig toekijken, als het kapitalisme, waarvan

de macht thans in economische en politieke ontwikkeling

werd teruggedrongen, in de pers verder geheel ongebreideld

triomfeert.


114 MA A N D B L A D

De arbeidersklasse heeft er belang bij dat de economische

privilegiën evengoed opzij gezet worden als de politieke.

Het enkele woord „persvrijheid" lost het probleem van het

dagbladwezen niet op en de democratie kan zich, als haar

het schild der persvrijheid voorgehouden wordt, niet ervan

laten terughouden, het doel der economische gelijkheid energiek

te vervolgen.

Kranten, die geen ander doel hebben, dan de behoeften

van het kapitalisme te vervullen daardoor de economische

en de zedelijke omwenteling der maatschappij verhinderen

en geen middel schuwen om dat doel te bereiken, hebben

geen recht van bestaan.

Ue vraag rijst, of het niet mogelijk is de bevolking zelf

tot schut tegen het ingrijpen van het kapitalisme, door middel

van de pers in het gebied van geestelijk en economisch leven,

op te voeden. Vóór alles moet op dit stuk klaarheid komen:

de kapitalist mag niet incognito optreden en niet meer in

de mogelijkheid zijn dagbladen op te richten, zonder zijn

kapitalistische interesse openlijk uit te spreken.

ledere krant moet tot een openbare rekening en verantwoording

verplicht worden en hare inkomsten mededeelen,

zoodat de burgerij weet, welke kapitalistische macht er achter

zoo'n krant staat. Als men het kapitalisme al de persvrijheid

veroorlooft, dan moet het tenminste ontmaskerd worden. De

inperking van de macht van het kapitalisme op deze wijze is

niet een benadeeling van de persvrijheid maar eerst haar ware

grondvestiging.

Vóór alles moeten de stroomannen van het kapitalisme uit

de pers verwijderd worden, opdat de pers een van de middelen

ontnomen worde, waardoor zij haar ware gezicht voor de

openbaarheid verbergen kan.

Een verder middel tot bereiking van het doel is de beperking

van den omvang van alle dagbladen op een gelijke maat.

Papier is tegenwoordig slechts in beperkte mate voorhanden

en het zal dit altoos zijn, in den zin dat het als ruilmiddel

wordt gebruikt (? D.) Papier is dus openbaar goed, dat niemand

vermorsen mag.

Het ideaal zou zijn advertenties in de kranten te verbieden.

Toegegeven, wordt dat dit probleem heden nog niet rijp voor

oplossing is, en dat er nuttige advertenties zijn, evenveel echter

zijn er die niets dan misleiding genoemd moeten worden en er

slechts toe dienen den adverteerder de verbinding met de krant

te verzekeren. Ook het advertentiewezen is dus een middel

voor het kapitaal om de kranten aan zich te onderwerpen.

Een verder middel om de pers van de verbinding met de

plutocratie los te maken, zou zijn de hoofdredacteuren niet

uit krachten buiten de redactie aan deze op te dringen,

maar de redacteuren zelf een leidenden invloed te verzekeren

door de wettelijke bepaling, dat de redacteuren den hoofdredacteur

uit hun midden voor telkens een bepaalden tijd kiezen.

Resumeerend stelde AUSTERLITZ vast dat met een wet,

waardoor de pers slechts van den druk van den staat bevrijd

wordt, niet het noodzakelijke gedaan wordt om persvrijheid

te verzekeren. Het probleem bestaat in een organisch invoegen

van de pers in de socialiseering der wereld

Voor de „burgerlijke" journalisten kwam dr. WENGRAF

(president van „Concordia") krachtig tegen deze rede op.

Hij noemde haar een pleidooi voor de vestiging van een

socialistische partijheerschappij op het gebied der pers. Ook

de burgerlijke journalisten zijn van meening, dat de pers als

een organisch bestanddeel zich in de algemeene cultuurontwikkeling

voegen moet. Maar niet naar de opvatting van de

sociaal-democratie met hare geestelijke onverdraagzaamheid.

Het absolutisme van boven af, dat deze burgerlijke journalisten

met evenveel overtuigingskracht bestreden hebben als de

sociaal democraten, zou dan, als dank daarvoor, dat de vertegenwoordigers

der burgerlijke democratie meegeholpen hebben

de ketens voor de socialistische pers te breken, door een

absolutisme van onderop moeten worden vervangen l

Collega AUSTERLITZ heeft niet anders verdedigd dan de

meening dat slechts de socialistische pers reden van bestaan heeft.

Wat hij wil: Socialiseering van het advertentiewezen en

papiertoewijzing, loopt op een nationaliseering der pers uit.

Wie zal bepalen of een krant aan behoeften voldoet?

Dr. WENGRAF meent dat daarover, over kwantiteit en kwaliteit,

alleen de lezers hebben te beslissen. Als een staatsburger het

onaantastbaar recht heeft een afgevaardigde te kiezen, dan is

het zeker óók zijn recht een krant te kiezen. Spr. is hier

niet de vertegenwoordiger van eenige kapitalistische interesse,

maar van twee honderd journalisten, die evengoed arbeiders

zijn als zij in wier naam AUSTERLITZ spreekt.

Vermoedelijk zullen deze uitlatingen ook in onzen Kring

belangstelling wekken. Ik heb ze daarom voor ons Maandblad

vertaald. H. D.

Vertegenwoordiging van de Pers.

In de Mededeelmgen van de Directeuren-Vereeniging schrijft

de voorzitter, de heer A. G. BOISSEVAIN, het volgende:

De heer DEIBEL heeft in het vorig nummer de quaestie besproken

van de vertegenwoordiging van de Pers in hel algemeen, zooals

deze thans door den Nederland seheu Journalistenkring geschiedt. Zijn

bezwaren tegen de tegenwoordige regeling zijn van theoretischen en

van practischen aard.

Over de theoretische bezwaren wil ik kort zijn — want ik kan

er weinig tegen aanvoeren. Inderdaad vertegenwoordigt de vakvereeniging

van Journalisten niet de Pers in het algemeen. Ik wees

er vroeger reeds op, dat de Kring zou uitsluiten zoovele groote en

bekende Journalisten, die juist door hun beteekenis als journalist

„directeur" werden, van een BENJAMIN FJSANKLIN tot een PPLITZEJI

en een WILLIAM STEAD en een HARMSVVOKTH. Tot hen behooreu de

mannen, die de journalistiek der twintigste eeuw gemaakt hebbeu.

Of hun invloed een goede of een kwade was, doet er hier niet toe,

— zij vertegenwoordigen de journalistiek van onze eeuw beter dan

iemand anders. Zoo zijn er onder de Nederlandsche dagbladdirecteuren,

die niet schreven en mede redigeerden, — en ik geloof niet dat de

niet-schrijvende directeuren een groote meerderheid onder de Nederlandsche

directeuren vormen, — die een krachtige leiding hebben

gegeven aan de ontwikkeling van onze dagbladjournalistiek, dooide

keuze van en de instructies aan de journalisten. Zelfs al gingen

zij niet zoo ver als een bekend oud-coüega van ons, die verklaarde,

dat hij menscheu aanstelde, die schreven zooals hij wenschte. Ik

heb dat vroeger al eens gezegd en mijne meening is onveranderd.

Sedert dien is natuurlijk het vertegenwoordigend karakter van

den Kring nog meer verminderd, doordien juist leidende redacteuren

werden uitgesloten, indien zij mede de geheele economischeen zakelijke

leiding, — de „coinniercieele" leiding zeggen de journalisten, die

daarmede blijkbaar iets gerings bedoelen, — van het blad hebben

en de macht om alle hulpmiddelen van het blad ten volle te doen

dienen om redactioneel het blad zoo goed mogelijk te maken.

De heer DEIBEL kan er van overtuigd zijn, dat ik nooit zal erkennen,

dat het juist is hem en mij b.v. buiten de officiële journalistiek te

sluiten eii mijn derden knipredacteur, *) wien ik misschien niet zal

vergunnen twee woorden in ons blad te schrijven, daarin toe te laten.

Theoretisch ben ik het geheel en al met den heer DEIBEL eens.

Maar nu de praktijk. Dan is de eerste vraag: Heeft de tegenwoordige

toestand tot ernstige ongewensehtheden geleid? De heer DEIBEL

noemde er enkele op. Maar zijn die van dusdanigen aard, dat zij

niet uit den weg geruimd kunnen worden? Mij dunkt, neen. Indien

de Journalistenkring bewerkt of zelf toelaat dat aan personen, die

in het belang van de dagbladen, dat is in het belang van „de Pers",

eenig toegangsbewijs behoeven, dit wordt geweigerd, wijl zij geen

Kring-lid zijn, wijl zij b.v. dagblad directeur-hoofdredacteur zijn,

behoort dadelijk bij het bestuur van onze vereeniging geklaagd te

worden. Wij twijfelen er geen oogenblik aan, dat het bestuur van

den Kring dadelijk zou medewerken om het euvel te verhelpen. Mij

zijn zulke gevallen niet bekend, — waren zij mij bekend gemaakt,

dan zou het bestuur van onze vereeniging dadelijk zijn opgetreden,

en in het zeer onwaarschijnlijke geval, dat de Kring den misstand

niet zou hebben willen verbeteren, tot zeer krachtige en naar wij

overtuigd zijn, afdoende maatregelen zijn overgegaan. Ik persoonlijk

heb als directeur-hoofdredacteur nooit eenig dergelijk politiebewijs

'of toegangskaart ontvangen, maar ik heb op die ontvangst nooit

eenigen prijs gesteld, daar ik die papieren voor mijn werk niet

noodig heb. Ik geloof, dat redelijke en goede samenwerking met

den Kring mogelijk is.

De tweede vraag is: Zou een vertegenwoordiging, die in theorie

beter zou zijn, in de practijk beter werken? Zulk een vertegenwoordiging

zou ons, directeuren, moeten representeeren, maar toch zeker

in nog grooter getale de werkende journalisten. En wij zouden,

evenals thans, het werk en de last en de moeite van die vertegenwoordiging

— en die moet de heer DEIBEL niet gering schatten aan

de journalisten moeten overlaten. Wij hebben er zelven de menschen

en den tijd niet voor, mogen zij dan de eer en het genoegen ook

niet hebben? Mogen zij dan den enkelen keer, dat er op staatskosten

een receptie is of een rijtoer met vreemde gasten, ook niet alleen

het vak, waarvan zij toch zulk een groot en belangrijk deel vertegenwoordigen,

representeeren? Maar ik dwaal af. Zulkeen theoretisch

juiste vertegenwoordiging zou dus verschillende lichamen, directeuren

'en journalisten, moeten vertegenwoordigen. Maar naar mijn meening

is er nog een categorie die, nu de Kring zuiver vakvereenigingis, daarin

feitelijk niet meer thuis behoort: de hoofdredacteur.

De hoofdredacteur is feitelijk de onmiddelijke vertegenwoordiger

van den werkgever bij de journalisten en kan consequent geen lid

van de werknemersorganisatie zijn. Ik herinner mij trouwens, dat

er eens een conflict tusschen den tegenwoordigen Kring-voorzitter

als werkgever en een Kring-lid, diens werknemer, bescheidsrechterd

moest worden. In heel veel vertegenwoordigende zaken zijn het juist

de hoofdredacteuren, die de meest beslissende stem hebben. Zooals

trouwens in zoovele zaken, waarvoor de Kring optreedt, als journalist

in de eerste en voornaamste plaats de hoofdredacteuren hebben

mede te spreken. Welnu, in zulk een theoretisch juiste persvertegenwoordiging

zou zeker ook een vertegenwoordiger van de vereenigde

hoofdredacteuren moeten komen. En theoretisch is zulk een vereeniging

alweer zeer wel te verdedigen. Talrijke zaken kunnen zij regelen

en voor de Nederlandsche „pers" gezamentlijk vast stellen. Maar

practiscli verlang ik niets naar zulk een vereeniging en vind ik het

thans reeds welletjes met onze ééne vereeniging.

Er is nog een reden waarom ik er weinig voorvoel te knibbeleu

aan de vertegenwoordigende positie, die de Kring zich in de vele

jaren, dat hij de eenige vertegenwoordiging van de Pers was, ver-

*) Dit is een imaginaire persoonlijkheid; wij hebben geen knipredacteuren.

(A. G. B.)


overd heeft. Die positie versterkt de waardigheid, den socialen stand

v an den journalist naar buiten. En juist in ons land, waar het

domme publiek zoo gauw geneigd is, geringschattend over menschen

van „de pers'" te oordeelen, moeten wij, directeuren, dat toejuichen.

De belangen van de journalisten zijn in zooveel opzichten onze

belangen. Ea hoe beter en krachtiger zij voor hun eigen belangen

en daarbij voor de belangen van de journalistiek in het algemeen

kunnen opkomen, hoe beter voor de „Pers" hoe beter dus voor ons.

Zooals de heer DEIBEL weet, is het bovengaande slechts mijn

persoonlijke meening. De heer WIERDELS is minder laks en onverschillig

dan ik en zou zich warmer willen maken voor het „recht

voor allen" op vertegenwoordiging, voor de goede rechten van ons

arme, miskende directeuren. Ik heb alleen maar willen verklaren,

waarom van mij in deze geen actie te verwachten is."

De secretaris, de heer WIERDELS voegt aan deze beschouwing

toe: „Ook van mij is ten aanzien van dit onderwerp geen

beweging te verwachten. Ik heb alleen nu en dan mijn opinie

gezegd, maar ik ben het met den heer BOISSEVAIN meer eens,

dan hij schijnt te denken."

Wij hebben het artikel van den heer BOISSEVAIN met veel

genoegen gelezen en juichen zijn opvatting natuurlijk van

harte toe. Dat de Kring er niet toe zal meewerken een

directeur-hoofdredacteur ergens een toegangskaart te weigeren,

omdat hij geen lid is, spreekt van zelf. En met de uitdrukking

„commercieele leiding" bedoelt niemand onzer „iets gerings",

maar willen wij alleen scherp het onderscheid tusschen het

journalistieke en het „commercieele" doen uitkomen.

Intusschen heeft — in weerwil van het standpunt van

haar voorzitter en haar secretaris — de vergadering der

Directeuren-vereeniging besloten met den Kring „in onderhandeling"

te treden over het vraagstuk der vertegenwoordiging.

D. A. Zoethout. f

Met groot leedwezen werd in breeden kring het overlijden,

op nog slechts 49-jarigen leeftijd, vernomen, van den heer

D. A. ZOETHOUT, den directeur van den Tachygrafischen Dienst

der Tweede Kamer.

ZOETHOUT was in 1908, toen deze dienst werd ingesteld,

tot leider er van benoemd. Hij werd toen ambtenaar. Maar

met zijn hart bleef hij in de journalistiek. Hij kon er — wij

weten het van hem-zèlf — soms zoo vurig naar terugverlangen.

Want een journalist was hij, volop. In zijn Amsterdamschen

tijd is dat overtuigend gebleken. Hij had een voortreffelijke

pen, was scherpzinnig en slagvaardig, en voor ons vak was

het dan ook een verlies, dat hij er afscheid van nam. Den

Kring had hij in meer dan één opzicht gediend.

ZOETHOUT, Dortenaar van geboorte was — aldus lezen wij

in het Handelsblad — oorspronkelijk bestemd voor officier.

Nadat hij echter voor den militairen dienst was afgekeurd,

wijdde zich aan de journalistiek en deed, jong nog, reeds

van zich spreken, toen hij optrad als redacteur van het

Nieuwsblad vail het JSfoorden te Groningen, dat onder zijn

leiding tot grooten bloei kwam.

Omstreeks 1895 wer(j ^e heer ZOETHOUT met de hoofdredactie

van het volksblad De Echo te Amsterdam belast.

Hij schreef daarin met alleen de aantrekkelijke hoofdartikelen,

maar verzorgde ook de tooneelrubriek op zoodanige wijze,

dat het blad ook buiten den kring van zijn gewone lezers

groote waardeering vond. Aan zakelijke degelijkheid paarde

de heer ZOETHOUT een aangenamen schrijfvorm.

Vermelding verdient voorts, dat hij, die zich sterk aangetrokken

gevoelde tot- en groote bewondering had voor de organisatie

van het Amsterdamsche brandweerkorps, daarover een

belangrijk werk in het licht gaf.

Onder zijn redactie werd voortgezet het door des heeren

ZOETHOUT'S overleden zwager, mr. VAN SOMEREN BRAND,

begonnen seriewerk „De groote cultures."

Als journalist was de overledene, die ook gedurende eenige

tijd vooorzitter is geweest van de Vereeniging „De Amsterdamsche

Pers" bij zijn collega's zeer bemind.

* *

*

Op het kerkhof waren o. m. aanwezig de heer J. G. PIPPEL,

referendaris ter griffie van de Tweede Kamer, de heer

W. N. v. D. HOUT, namens het bestuur van den Ned. Journalistenkring,

de heer G. P. POLAK DANIELS namens de

Haagsche Journalisten Vereeniging, de onder-directeur van de

Tachygrafische Inrichting, de heer CORVER en alle andere

daaraan verbonden redacteuren.

Toen de kist in de groeve was neergelaten, trad de heer

V. D. HOUT naar voren en schetste den heer ZOETHOUT als

een bekwaam journalist en braaf en hartelijk collega, die zijn

vak boven alles liefhad. Spr. memoreerde zijn arbeid voor de

betere opleiding van den journalist, en hoe hij, ook nadat

hij niet meer direct met de dagbladpers in verbinding stond,

MA ANDBLAD 115

de journalistiek ongerept bleef lief hebben. Duidelijk bleek

dit uit zijn boekje over de Ned. journalistiek, 't welk het

vorig jaar verscheen en waarin hij o. a. schreef, dat de journalist

niet alleen goed ontwikkeld moest wezen, maar van

alle zaken verstand moest hebben. Aan deze beide eischen

voldeed de overledene volkomen en waar hij den Nederlandschen

journalist aan den buitenlander ten voorbeeld stelde,

daar wilde spr. hem ten voorbeeld stellen voor alles wat hij

voor de Nederlansche journalistiek had gedaan..

De heer CORVER huldigde den ontslapene niet alleen als

directeur maar bovenal als een hartelijk collega, die bij een

zachtheid van karakter door zijn hooge plichtsbetrachting een

grooten invloed op zijn omgeving uitoefende. De weduwe gaf

spr. tot troost, dat allen, die met haar man hadden samengewerkt,

de hoogste achting voor hem hadden en zijn gedachtenis

steeds in hooge eere zouden houden.

Een zwager van den overledene dankte voor de betoonde

belangstelling.

P. J. Blok.

Journalisten zijn vaak zwervers. Zij gaan van krant tot krant.

iNiet alzoo onze Rotterdamsche collega jP. J. BLOK, van

het Dagblad. Op den i en Juni j.1. was hij 25 jaar journalist

en al dien tijd is hij aan hetzelfde blad verbonden geweest.

Daar zal wel een tikje traditie bijgekomen zijn. Want de

vader van collega BLOK was eigenaar van de krant, waaruit

het Dagblad is gegroeid. En misschien dat de zoon, daarom,

ook uit piëteit bij voorkeur niet wenschte te veranderen van

werkkring.

Hoe het zij: in die kwart-eeuw heeft de heer BLOK zich in

Rotterdam niet alleen doen kennen als een ernstig werker,

als een journalist die zijn taak met liefde, nauwgezetheid en

talent verricht, maar ook werkelijk als een collega in den

besten zin het woord. Deze vakgenoot is bij ieder die hem kent

geacht en bemind om zijn trouw, onbaatzuchtig karakter, om

zijn stille bescheidenheid. Dat zij hem hun vertrouwen schenken

bewijst het feit, dat hij reeds vele jaren bestuurslid en penningmeester

van de R. J. V. is. In 1910 stelden de Rotterdammers

hem candidaat voor het Kringbestuur. Hij werd

gekozen en was een jaar lang tweede secretaris van den Kring.

Toen bedankte hij.

Hoe zijn Rotterdamsche vrienden van hem houden, bleek

treffend op 1 Juni. Zijn woning was een bloementuin. Een

indrukwekkend bloemstuk van de R. J. V., een prachtige

mand van commissarissen van het Dagblad, van zijn directeur,

van zijn Dagblad-collega.'s, en vele andere stukken en ruikers.

En de jubilaris, omringd door zijn huisgenooten, waaronder

zijn oude moeder, stond er stil en gelukkig. Den gansenen

middag was het een komen-en-gaan van vele vrienden.

Tegen drieën kwam een commissie, bestaande uit de heeren

A. VOOGD, H. HERMANS, mr. P. C. SWART en J. STUFKENS

den jubilaris namens de R. J. V. complimenteeren. Bij deze

commissie had zich collega D. HANS aangesloten. In een

aller-hartelijkste toespraak huldigde VOOGD den jubilaris en

gewaagde van de werkelijke behoefte die de Rotterdammers

hadden gevoeld, om hun veèl-te bescheiden collega, den

trouwen kameraad, vandaag van hun waardeering te doen

blijken. Hij bood hem een geschenk aan, bestaande uit door

den jubilaris zélf te bepalen muziek-literatuur: muziek is nj.

zijn stokpaardje. Collega HANS bracht daarna de hartelijke

gelukwenschen over van het Kringbestuur. In zijn antwoord

bracht BLOK dank aan zijn collega's. „Jullie hebben mij altijd

de samenwerking zoo prettig gemaakt" — zei hij — „ik heb

werkelijk veel aan jullie te danken."

Onder de gasten waren verscheidene personen uit tooneelkringen,

want BLOK is ook tooneel-verslaggever. Zoo kwamen

de heer en mevrouw TARTAUD hem gelukwenschen. En hoe

men zijn werk op prijs stelt, blijkt uit het feit, dat het

Rotterdamsche Tooneelgezelschap hem ook een cadeau zond.

Evenals de gezamenlijke muziek-verslaggers der Rotterdamsche

bladen. Ook van de Z^z^/d^-redacteuren ontving hij een

geschenk. Velen hadden een telegram gezonden: o.a. mevr.

DE HAAS-MANIFARGES en de heer en mevr. SPEENHOFF.

Zoo werd het een blije dag voor onzen vriend BLOK. Dien

hij ten-volle verdiende.

* *

In zijn Weekblad voor Rotterdam schrijft collega VOOGD

het volgenden over den jubilaris:

„Met een enkel woord moge in dit nummer vermelding

vinden, dat de heer P. J. BLOK I Juni zijn 25-jarig jubileum

als journalist herdacht. Dat dit in het bijzonder hier geschiedt,

het is omdat de jubilaris een hooggeschat medewerker van

dit Weekblad is, ook toen dit nog onder dezelfde redactie als


116

Rotterdamsch Weekblad verscheen. Ons blad heeft het nog

niet tot den 25-jarigen ouderdom gebracht, maar dat neemt

niet weg dat de redactie reeds zeer vele jaren met een gerust

geweten de verzorging der muziekrubriek kon toevertrouwen

aan den feesteling van morgei;, wiens initialen P. B. of P. j. B.

geleidelijk tot de oude bekenden zijn gaan behooren. Op het

deskundig en tegelijkertijd humaan oordeel van P. J. B.

wordt prijs gesteld. Wat in zijne critieken ons steeds heeft

getroffen, het is dat hij bij behoud van groote eerlijkheid en

onafhankelijkheid van oordeel, nimmer in het bijzonder zoekt

• naar hetgeen te misprijzen is, om daarop het volle licht te

doen vallen, maar veel liever al datgene releveert wat hoop

op de toekomst kan geven of iets beloven doet. P. J. B.

heeft er altijd een eer in gesteld op te bouwen en vandaar

dat. wanneer hij — ongetwijfeld tot zijn zeer groot leedwezen -

met den besten wil niet ingenomen kon zijn met het gebodene,

hij dit in zoodanigen vorm wist te gieten, dat niet onnoodig

werd gewond, maar integendeel de weg tot mogelijk herstel

werd aangegeven. Het is ons bekend, dat de lezers van dit

blad, die het in het bijzonder voorliet „Rotterdam's Muziekleven"

raadplegen, met deze wijze van critiseeren zeer zijn

ingenomen en ons dunkt dat dit naar aanleiding van den

komenden feestdag ook wel eens openlijk mocht worden

gezegd. Wij hopen BLOK nog vele jaren aan ons blad verbonden

te zien."

Het Maandblad-fonds.

Sinds de vorige opgave voor het Maandblad-fonds ontvangen:

149 J. S. B. B., Utrecht ƒ 1 —

150 J. F. L., A'dam „ 2.50

151 Feestavond A. P. „43-5°

152 F. L., A'dam „ 2.—

153 D.J.v.B., A'dam „ 1 —

Indie.

154 L.V.B., denHaag f 1.—

155 B. W., R'dam „10.—

156 H.J.V.D.P., denH.,, 1.—

157 J. G., te M. „ 2.50

De Inlandsche Journalistenbond.

MAANDBLAD

De voorzitter van den in Solo kort geleden opgerichten

Inlandschen Journalistenbond, de heer TJIPTO MANGOEN-

KOESOEMO, heeft enkele voorstellen gedaan, betreflende de te

voeren bondsactie, welke wij in de Sinar Hindia aantroffen.

Allereerst wordt als- doel van den bond vermeld aaneensluiting

ter bestrijding van de getroffen regelingen ten opzichte

van de dagbladpers, waarvan de Inlandsche journalisten het

slachtoffer zijn geworden, en in de tweede plaats om de kennis

van de Inlandsche journalisten uit te breiden, door het

instellen van cursussen, het houden van lezingen, voordrachten

e d aldus het Maleische blad. De middelen om tot deze

voornemens te geraken zijn op het congres in Solo met uitvoerig

besproken, doch de aanwijzing daarvan werd aan het

voorloopig bestuur overgelaten. Op bedoelde bijeenkomst

kwam alleen een weerstandsfonds tot stand, waaraan de bondsleden

1 pet. van hun inkomsten zullen moeten afstaan.

Voorts werd overeengekomen, dat de bond den noodigen

steun zou verkenen aan een lid, dat wegens een persdelict

vervolgd wordt, namelijk in den vorm van rechtskundigen

bijstand. . ,. ..

Ten slotte besloot het congres, om indien een drukkerij

gesloten wordt aan den betrokken journalist, tevens lid van

den bond, gedurende zes maanden financieelen steun te

verleenen. . ...

Om tot dit alles te kunnen geraken, stelt de bondsvoorzittei

thans voor een eigen orgaan uit te geven, terwijl het v ooiden

strijd om rechtvaardigheid te verkrijgen voor de Inlandsche

journalisten, noodzakelijk is om het persreglement te bestrijden.

Dan wordt nog voorgesteld om een persbureau op te richten.

De Inlandsche journalistenbond zal, hoewel een vakbond

zijnde, zich tevens op politiek terrein begeven. (Bat. N.)

Uit de Pers.

De ochtendbladen. — De Nieuwe Courant schrijft:

In zijn M. v. T. tot de acht-uren-wet schreef mr. AALBERSE dat

de" uitsluiting van nachtarbeid zal moeten zwichten voor redenen

van noodzakelijkheid wegens „omstandigheden van techmschen of

maatschappelijken aard." „Een reden van maatschappelvjken aard

is b v aanwezig voor het toelaten van den arbeid in courantendrukkerijen,

waar 's nachts de ochtendeditie der dagbladen moet

worden gereedgemaakt." In het V. V. der Tweede Kamer verklaren

sommige leden dat het doen verschijnen van ochtendbladen niet als

reden van maatschappelijken aard kan gelden. Voor renteniers moge

het verschijnen van ochtendbladen aangenaam zijn, maatschappelijk noodzakelijk

zijn zij niet.

Zulk een zinnetje klinkt verbijsterd. Wordt de wereld hervormd

naar het inzicht dezer „sommigen", dan zullen eerlang de ochtendbladen

niet meer verschijnen. Alleen de renteniers zullen daarover

treuren! Verbijsterend is zoo'n opvatting, omdat men tot nog toe

kon meenen dat Kamerleden niet geheel „weltfïemd"' zijn en toch

wel iets begrijpen van den befaamden „polsslag dezer tijden." Men

zal die meening moeten herzien. Onder de honderd vroede mannen

op het Binnenhof zijn er sommigen, die oordeelen, dat een ochtendbl.

alleen den renteniers aangenaam is, doch niet is van eenig nut voor

handeldrijvenden, neringdoenden, induatrieelen, kooplieden, in één

woord menschen van zaken. Neemt men nu en dan wel het verschijnsel

waar, dat een man van zaken, voordat hij aan zijn zaken

zich begeeft, het ochtendblad leest, dan moet dat aan een wonderlijke

afdwaling des geestes worden geweten. Wat ter wereld gaat het een

zakenman aan te weten welke feiten zich op de beide halfronden

hebben afgespeeld sedert hij zijn avondblad las? Hij zal dat immers

uit het eerstvolgend avondblad wel weer leeren en kan inmiddels

in zalige onwetendheid zijn zaken drijven! De wereld draait rustig

door en het is niet noodig liet laatste nieuws zoo spoedig mogelijk

te kennen. Dat mag voor renteniers een vermaak zijn, belangen van

maatschappelijken aard zijn hierbij niet betrokken

Wij zullen er ons wel voor wachten, het tegendeel te gaan betoogen.

Waartoe al die snelheid en haast tegenwoordig? Zaten onze grootvaders

niet gemoedelijk in het roefje van de trekschuit hun gouwenaars

te rooken ? Hadden die zoo iets als een ochtendblad? Endeden

die soms geen zaken? Nu dan ! Het moet nu maar eens uitzijn

met die nieuwerwetsigheden. Holland heelt geen haast. Leerde niet

de wijsheid der vaderen: Langzaam aan, dan breekt de lijn niet?

Waarom zou ons land het niet zonder ochtendbladen kunnen stellen?

W^t zegt u: opstuwen in de vaart der volkeren? Ons toerusten tot

de groote economische worsteling der komende jaren? Onze plaats

onder de zon heroveren en handhaven? Frases, meneer, allemaal

frases! Wij behoeven de dingen niet zoo gauw te weten, gerust niet.

"s Avonds aan de thee, heusch, dat is tijds genoeg. Aan 't ontbijt

heb je met de wereldgeschiedenis nog niet van doen. Je werkt ook

veel rustiger als je niet bent opgeschrikt door narigheden uit de

krant. Wat in hemelsnaam is de maatschappelijke noodzakelijkheid

van een ochtendblad? Larie, meneer, niets dan larie!

Personalia en Berichten.

De journalisten in de Ongevallenwet.

Minister AALBERSE heeft onder dagteekening van 3 Juni

een ontwerp tot wijziging der Ongevallenwet ingediend.

Het nieuwe art. 10 bepaalt, dat verzekerings-plichtig zijn

alle bedrijven, die niet uitdrukkelijk zijn vrijgesteld. Art. ir

bevat dan de vrijgestelde bedrijven.

Volgens dit ontwerp zullefi alle jour?ialisten onder de Ongevallenwet

vallen.

Wij komen er op terug.

Benoemingen.

Benoemd:

tot redacteur van Avondfiost de heer C. A. GERRITZEN;

tot waarnemend hoofdredacteur van het Soerabajasch

Handelsblad de heer J. KONING, redacteur aan dat blad,

tijdens het verlof van den heer J. G. BOON, die naar Europa

is vertrokken;

tot hoofdredacteur van Het Volk de heer J. J. DE ROODE.

— Bij de vereeniging „De Nederlandsche Dagbladpers"

zijn thans 83 van de 87 Nederlandsche dagbladen aangesloten.

Niet aangesloten zijn De Tribune (Amsterdam), Dagblad van

Helder en Hollands Noorderkwartier (den Helder), De Zeeuw

(Middelburg) en Friesch Dagblad (Sneek).

Verschenen is het eerste nummer van Ons Noorderkwartier,

onder redactie van collega C. NANNES GORTER te

Hilversum.

— Het Handelsblad keert, na zeer ruime afschrijvingen,

20 % dividend uit over 1918.

—- De Telegraaf keert, evenals het vorig jaar, 4 °/0 dividend

uit.

De Stichtsche Courant is aangekocht door en opgenomen

in De Standaard.

— Het vervolg van des heeren VAN DER HOUT'S artikel

over de Kring-geschiedenis komt in het volgend nummer.

Advertentiën.

Ontwikkeld jongmensch zoekt plaatsing als

REPORTER of

JONGSTE REDACTEUR

liefst in Den Haag. Brieven A. KRUL, Keizerstraat 36,

Scheveningen.

Gedrukt bij A. de la Mar Azn., Amsterdam.

More magazines by this user
Similar magazines