Het meerjarenplan Zandmaas 2 2009 (deel 1) - Zandmaas II
Het meerjarenplan Zandmaas 2 2009 (deel 1) - Zandmaas II
Het meerjarenplan Zandmaas 2 2009 (deel 1) - Zandmaas II
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
MEERJARENPLAN<br />
ZANDMAAS 2 <strong>2009</strong><br />
Perspectief op 2015-2050
MEERJARENPLAN<br />
ZANDMAAS 2 <strong>2009</strong><br />
Perspectief op 2015-2050<br />
Maastricht, februari <strong>2009</strong>
Colofon<br />
Uitgave:<br />
Provincie Limburg<br />
Afdeling Landelijk Gebied<br />
Postbus 5700<br />
6202 MA Maastricht<br />
Tel: +31 (0)43 389 70 70<br />
Fax: +31 (0)43 389 76 43<br />
E-mail: postbus@prvlimburg.nl<br />
Internet: www.limburg.nl<br />
9034 - februari <strong>2009</strong>
4<br />
Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
Inhoudsopgave<br />
Voorwoord 7<br />
1. Zwak en Sterk: <strong>Het</strong> noordelijk Maasdal in Limburg 9<br />
2. Van bedreigingen naar kansen 11<br />
3. Geschiedenis, reikwijdte, achter-grond en opzet van dit <strong>meerjarenplan</strong> 13<br />
3.1. De geschiedenis van het Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2 13<br />
3.2. Afbakening 14<br />
3.3. Doelen 15<br />
3.4. Veiligheids- en klimaatstrategie 16<br />
3.5. Opbouw Meerjarenplan 17<br />
4. Algemeen beleidskader 19<br />
5. Visie, beleid en ambities voor het <strong>Zandmaas</strong>gebied 21<br />
5.1. Water / veiligheid 21<br />
5.2. Ruimte, natuur, landschap, landbouw en cultuur 27<br />
5.5. Wonen 37<br />
5.7. Recreatie 38<br />
5.8. Werken 40<br />
5.9. Transport 40<br />
6. Samenhang <strong>Zandmaas</strong> 2, Pakket 1, VNK2 en IVM 43<br />
6.1. Integrale Verkenning Maas 43<br />
6.2. Samenhang met Pakket I – projectopdracht RWS Maaswerken 44<br />
7. Strategie, gericht op sturing en aanpak 47<br />
7.1. Strategie 47<br />
7.2. Wat oppakken 48<br />
7.3 Hoe oppakken 48<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
5
8. Potentiële projecten/initiatieven en clustering 53<br />
Clustering projecten 53<br />
8.1. Cluster 0, Roosteren-Roermond 57<br />
8.2. Cluster 1, Roermond tot brug Venlo 59<br />
8.3. Cluster 2, Venlo tot en met HWG Arcen 62<br />
8.5. Cluster 4, Well-Aijen tot aan Afferden 67<br />
8.6. Cluster 5, Afferden tot en met Mook 70<br />
9. Grondverwerving 73<br />
9.1 <strong>Zandmaas</strong> Pakket <strong>II</strong> – Veermangelden: 73<br />
9.2. Grondpolitiek nu en anticiperend op de lange termijn 75<br />
10. Financiering en tijdsplanning 77<br />
10.1. Aanwending 2004 tot 2008 77<br />
10.2. Aanwending tot 2015 77<br />
10.3. EHS begrenzing 2015 80<br />
10.4. Projectkosten en -financiering tot 2015 80<br />
10.5. Tijdsplanning 2015 – 2050 80<br />
10.6. Regiofinanciering 82<br />
10.7. Financiële planning <strong>Zandmaas</strong> 2 82<br />
11. Organisatie 83<br />
12. Communicatie 87<br />
Bijlage 1 89<br />
Hoogwaters van de Maas en de normen 89<br />
Bijlage 2. 93<br />
Overeenkomst Natuurrealisatie <strong>Zandmaas</strong> 93<br />
Bijlage 3. 97<br />
Begrippen en afkortingen 97<br />
Bijlage 4 99<br />
Kleine Atlas voor het <strong>Zandmaas</strong>gebied: 99<br />
6 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
Voorwoord<br />
Voor u ligt het <strong>meerjarenplan</strong> <strong>Zandmaas</strong> 2 – <strong>2009</strong>. <strong>Het</strong> is een logisch vervolg op de besluitvorming van maart<br />
2007 waarbij een eerste versie werd vastgesteld en tevens opdracht werd gegeven tot het voeren van een<br />
aantal naar het oor<strong>deel</strong> van de provincie noodzakelijke overleggen met instanties uit de samenleving zoals<br />
de LLTB en de natuur-beherende instanties, zo goed als de in het gebied aanwezige bouwgrondstoffenwinners.<br />
Ook waren inmiddels ter borging van de samenhang in het gebied noodzakelijke analyses in de vorm<br />
van thema-uitwerkingen tot stand gekomen en werd het eerste “werkjaar” van <strong>Zandmaas</strong> 2 geëvalueerd. Bovendien<br />
is gebleken dat veelal in de vorm van accentverschuivingen een aantal onderwerpen concreter en<br />
vooral ook beleidsmatig duidelijker verwoord moesten worden. Daarbij valt te denken aan het beleid tegen<br />
de achtergrond van de Integrale Verkenning Maas, maar ook aan een interferentie met het concreet en voor<br />
2015 nog te realiseren hoogwaterbeschermingsniveau waarbij bijvoorbeeld ook de “sluitstukkaden” uit Pakket<br />
I <strong>Zandmaas</strong> bezien moeten worden. Daarnaast waren er nieuwe ontwikkelingen zoals het uitkomen van<br />
het advies van de Deltacommissie, het verschijnen van een aantal (rijks) achtergrond rapporten en niet op de<br />
laatste plaats de ontwerpen van een aantal essentiële rijks beleidsnota’s.<br />
Al bij het ontwerp van dit <strong>meerjarenplan</strong> werd de tijdshorizon expliciet opgetrokken naar 2050 en is niet meer<br />
alleen volstaan met beschouwingen over de termijn tot 2015, de termijn waarbinnen de Overeenkomst Natuurrealisatie<br />
<strong>Zandmaas</strong> tussen Provincie en het ministerie van LNV gerealiseerd moet worden. <strong>Het</strong> <strong>meerjarenplan</strong><br />
is daarmee tevens meer een sturingsinstrument en een document van provinciaal klimaatbeleid geworden.<br />
De Provincie realiseert zich dat het beleid zoals neergelegd in dit <strong>meerjarenplan</strong> uitsluitend in samenwerking<br />
gerealiseerd kan worden. Samenwerking met het Rijk (met name Rijkswaterstaat) en de regio, maar ook met<br />
de sectoren die een bijzonder belang bij de ontwikkeling van het <strong>Zandmaas</strong>gebied hebben. Die oproep tot<br />
samenwerking doet niet alleen een beroep op constructief meedenken, maar tevens op het inzetten van bevoegdheden<br />
en het nemen van verantwoordelijkheid, ook in financiële zin. De kansen daarvoor doen zich nu<br />
voor. En de opgave is zoals door de Deltacommissie is verwoord urgent. <strong>Het</strong> niet aangaan van die uitdaging<br />
maakt de kosten en de schade op de lange termijn enkel groter. Klimaatverandering hoeft niet iets te zijn dat<br />
Limburg “overkomt”, het kan ook aangegrepen worden als kans om ambities en kwaliteiten te realiseren op<br />
basis waarvan ook aan toekomstige generaties welvaart en welzijn geboden kunnen worden.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
7
Veer bij Wessem 1909, Willem Jansen (1871-1949). Bron: Limburg Museum, Venlo<br />
8 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
1. Zwak en Sterk: <strong>Het</strong> noordelijk<br />
Maasdal in Limburg<br />
In al zijn diversiteit kan - over een afstand van ongeveer 85 Maaskilometers en een verval van ongeveer 20<br />
meter - het noordelijk Maasdal omschreven worden als een rivierlandschap waarin de Maas veelal verscholen<br />
ligt. Maar het is ook een gebied met een veelal landelijke sfeer die vele dagrecreatieve mogelijkheden<br />
biedt en onder meer voor wandelen en fietsen bekend staat vanwege bijvoorbeeld het Pieterspad. In het gebied<br />
is het historisch vestigingspatroon nog duidelijk herkenbaar hetgeen onder meer in de Maasdorpen en<br />
de kastelen langs de Maas tot uitdrukking komt. Daarnaast zijn er relatief grote natuurlijke eenheden met op<br />
de noordoost oever als belangrijkste het nagenoeg aaneengesloten gebied van Maasduinen.<br />
<strong>Het</strong> gebied en de rivier zelf dragen de sporen van hun historische ontwikkeling. Sinds de afscheiding van België<br />
en de winning van delfstoffen zijn de nautische aspecten van de Maas steeds belangrijker geworden. Niet<br />
de hoogwaterbescherming maar de scheepvaart was bepalend voor menselijke ingrepen die in dit <strong>deel</strong> van<br />
de Maas vanaf het begin van de 20ste eeuw met het hoogtepunt in de periode van de wederopbouw hebben<br />
geleid tot pogingen tot normalisatie, het stuwen van de Maas, de aanleg van het Lateraalkanaal en het rechttrekken<br />
van de vaarweg. Deze ingrepen hebben geleid tot aanzienlijke aanpassingen in het rivierbed van de<br />
Maas zonder dat daarbij inhoudelijk bijzonder rekening werd gehouden met de noodzaak tot hoogwaterafvoer.<br />
Daarnaast zijn in de periode van de industrialisatie en wederopbouw ook een aantal knelpunten – zoals<br />
de spoorbrug bij Buggenum - ontstaan die ten koste van het bovenstrooms gelegen gebied de afvoer van<br />
hoogwaters aanzienlijk belemmeren.<br />
Doordat enige ontwikkeling van betekenis als gevolg van het Besluit Rijks Rivieren van de jaren ’90 nagenoeg<br />
onmogelijk werd, er sprake was van een aanzienlijke versnippering in het gebied, de bereikbaarheid<br />
van de Maas op vele plaatsen zeer beperkt was, terwijl in het gebied aanwezige verblijfsrecreatieve voorzieningen<br />
hun hoogtepunt in de economische cyclus veelal reeds achter zich hebben liggen en voorzieningen in<br />
het gebied veelal structuurloos tot stand zijn gekomen, dreigt het gebied steeds verder op achterstand te komen,<br />
of – wat misschien nog erger is – worden belangrijke ontwikkelingskansen gemist.<br />
Hoewel in het Maasdal percelen aanwezig zijn die agrarisch van betekenis zijn en soms bijzonder geschikt<br />
blijken voor bijzondere teelten, is het bijvoorbeeld ook duidelijk dat op termijn glastuinbouw in het gebied<br />
niet meer tot de (bedrijfseconomisch verantwoorde) mogelijkheden zal behoren. Dit terwijl (nog) geen duidelijkheid<br />
geboden kan worden ten aanzien van agrarische vestigingen die in het gebied juist zouden kunnen<br />
bijdragen aan een duurzame ontwikkeling van rivier en gebied, en niet op de laatste plaats juist het beheer<br />
daarvan.<br />
Een op klimaatadaptatie gebaseerd beleid, waarbij rekening wordt gehouden met op de langere termijn<br />
steeds verder groeiende hoogwaterafvoeren van de Maas, biedt kansen om de belevingswaarden die aan de<br />
rivier verbonden kunnen worden gestructureerd tot uitdrukking te laten komen. De langs de Maas gelegen<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
9
dorpen kunnen hun relatie met de rivier weer herstellen. De belangrijke functie van de Maas in dit gebied –<br />
transport – kan ook ten bate van de regionale economische ontwikkeling uitgebuit worden. De ecologische<br />
en recreatieve ontwikkeling van het gebied verdient het om in een toekomst perspectief bevorderd te worden.<br />
Wanneer sommigen tegen de achtergrond van de klimaatverandering dit <strong>deel</strong> van de Maasvallei benoemen<br />
als “het Toscane van noordwest Europa” moet beseft worden dat Toscane zeker niet alleen een aangenaam<br />
toeristisch gebied is, maar ook een volwaardige en veelzijdig samengestelde economie behelst met bijpassend<br />
sociaal-economisch en cultureel leven.<br />
Een dergelijke ontwikkeling kan met een beleidskader als dit <strong>meerjarenplan</strong> <strong>Zandmaas</strong> 2 gestructureerd en<br />
visie-gestuurd worden. Bestuurlijk gesproken is het dan ook vooral een sturingsinstrument waarbij lokale, regionale<br />
en landelijke belangen met elkaar verbonden moeten worden. Een andere benadering zou al snel<br />
tot gevolg hebben dat het gebied voor werkelijke ontwikkelingen “op slot” zou blijven zitten en dat, als zich<br />
al mogelijkheden zouden voordoen, deze incidenteel en zonder ontwikkelingsvisie tot stand zouden komen.<br />
Een verdergaande versnippering met kans op verloedering van het gebied is als perspectief voor de provincie<br />
niet aanvaardbaar. Daarenboven zou het gebied niet anticiperend op groeiende hoogwaters tot ontwikkeling<br />
gebracht worden, maar telkens na een extreem hoogwaterincident “bij toeval” ter hand worden genomen.<br />
Gebleken is dat de belangrijkste kansen, die zich juist in een structureel ontwikkelingstraject kunnen<br />
voordoen, dan blijven liggen.<br />
DGR Kade, Baarlo<br />
10 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
2. Van bedreigingen naar kansen<br />
Dit <strong>meerjarenplan</strong> <strong>2009</strong> beoogt dan ook – een stap verder dan dat van 2007 – meer verdieping en structuur<br />
in de ontwikkelingsmogelijkheden te brengen en tot zodanige sturing en samenwerking te komen dat die ontwikkelingsmogelijkheden<br />
in het gebied concreet worden opgepakt. Uiteindelijk gaat het immers niet om papieren<br />
beleid, maar om voor de samenleving relevant en concreet handelen van overheid, bedrijfsleven en<br />
particulieren. De belangen van het gebied en haar bewoners en gebruikers staan daarbij voorop.<br />
<strong>Het</strong> gaat om het hier en nu van het <strong>Zandmaas</strong>gebied in relatie tot de toekomst, waarbij de nadruk ligt op ontwikkeling<br />
en kansen tot groei gecombineerd met het voorkomen van schade-risico en problemen in de toekomst.<br />
Door aan de toekomst te bouwen kunnen authentieke en met het stroomgebied consistente waarden<br />
gecreëerd worden. De kwetsbaarheid van het gebied is voor een belangrijk <strong>deel</strong> gelegen in de klimaatontwikkeling<br />
die naar verwachting hogere rivierwater afvoeren als historisch bekend met zich zal brengen. De Integrale<br />
Verkenning Maas gaat daarbij uit van een groei van de maatgevende hoogwaterafvoer 1/1250 naar<br />
4.600 m3/sec Borgharen per 2050 (zie voor een overzicht van hoogwaters en de normering van de Maas bijlage<br />
1). Dit lange termijn perspectief lijkt voldoende tegemoet te komen aan de zorgvuldigheidseisen die redelijkerwijs<br />
aan de overheid gesteld kunnen worden als “doorkijk” voor de in het <strong>Zandmaas</strong>gebied te bevorderen<br />
ontwikkelingen.<br />
Daarbij zijn als aanvullende kwetsbaarheden aan de orde dat achter de tot op heden gerealiseerde en op niveau<br />
gebrachte kaden (Mook-Gennep, Venlo en Roermond) een steeds groeiende economische waarde beschermd<br />
wordt en ook een stijgend slachtofferpotentieel gehuisvest wordt. Nog los van het gegeven dat het<br />
telkens verhogen van kaden geen haalbaar ontwikkelingsconcept is, is verdergaande dijk/kade aanleg ook<br />
ongewenst omdat die voor een niet onbelangrijk <strong>deel</strong> slechts schijnveiligheid biedt. Onderloopsheid respectievelijk<br />
gevaarzetting of risico vanwege kwelwater tijdens hoogwaters wordt door dergelijke maatregelen immers<br />
eerder bevorderd dan voorkomen. Daarenboven hebben dergelijke maatregelen vanwege het verval<br />
van de rivier eerder een hoogwaterbevorderend dan een beveiligend effect. De Maas zou door dergelijke<br />
maatregelen immers meer en meer in een korset gedwongen kunnen worden.<br />
De nu opgedane ervaring met de eerste versie van het <strong>meerjarenplan</strong> <strong>Zandmaas</strong> 2 leert dat met de daarin<br />
opgenomen gebiedsbenadering niet alleen de belangen van de Maas, maar ook die van het aanliggende gebied<br />
beter gediend kunnen worden. De nu opgedane ervaring leert ook dat er gewonnen kan worden op punten<br />
van duurzaamheidsperspectief en ruimtelijke kwaliteit en dat deze aanpak ook andere in het gebied aanwezige<br />
urgenties aan het licht kan brengen. Daardoor kan enerzijds werk met werk gemaakt worden, maar<br />
anderzijds ook in andere maatschappelijk relevante sectoren een ontwikkelingsslag naar de toekomst mogelijk<br />
worden. Op deze manier kan de bedreiging van de Maas bezien worden als een kans en uitdaging op<br />
weg naar een duurzame toekomst. Vanuit deze insteek beoogt dit nieuwe <strong>meerjarenplan</strong> zowel op de korte<br />
termijn (tot 2015), als op de lange termijn (tot 2030/50) tot resultaat te komen.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
11
Ooyen 1993<br />
12 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
3. Geschiedenis, reikwijdte, achter-<br />
grond en opzet van dit <strong>meerjarenplan</strong><br />
3.1. De geschiedenis van het Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2<br />
Naar aanleiding van de hoogwaters van 1993 en 1995 hebben de Limburgse waterschappen op grond van de<br />
Deltawet Grote Rivieren (DGR) – bij wijze van tijdelijke voorziening – kaden aangelegd die Limburg een beschermingsniveau<br />
van 1:50 moesten bieden. Gelet op de grote opgave om op een meer duurzame en definitieve<br />
wijze in een adequate bescherming te voorzien werd een samenwerkingsverband tussen provincie en<br />
de ministeries van Verkeer en Waterstaat (VenW) en Landbouw, Natuur en Visserij (LNV) aangegaan waarbij<br />
het projectbureau Maaswerken tot stand kwam om gezamenlijk tot dat resultaat te komen. Daarbij werd<br />
eind jaren ’90 duidelijk dat de grote rivierkundige werken zoveel tijd ten aanzien van studie, ontwerp en procedures<br />
zouden vergen dat versnelling noodzakelijk was. Deze versnelling werd gevonden door – voor wat<br />
het <strong>Zandmaas</strong>gebied betreft – met spoed een Tracébesluit te doen vaststellen en het pakket aan maatregelen<br />
te splitsen in onder andere een <strong>deel</strong> waarin vooral door kadevoorzieningen ten minste 70% van de Limburgse<br />
bevolking een bescherming tegen een hoogwatergolf met een kans van 1:250 zou worden geboden.<br />
Daarmee werd het pakket aan maatregelen dat voor het <strong>Zandmaas</strong>gebied werd voorzien, gesplitst in een<br />
Pakket I en een Pakket 2.<br />
Pakket 1 omvat twee hoogwatergeulen (Lomm en Well-Ayen) en vooral kade maatregelen. Tot het pakket behoort<br />
ook het na realisatie daarvan bezien waar nog meer kaden zouden moeten worden aangelegd ten einde<br />
aan het beschermingsniveau 1:250 te voldoen (de zogenoemde “sluitstukkaden”). Ook de verwerving van<br />
de gronden voor de nevengeulen Baarlo en Afferden behoren tot Pakket 1.<br />
In Pakket 2 zaten met name rivierkundige maatregelen die technisch gesproken (vanuit een vanwege het te<br />
bereiken normresultaat beperkte ontwerp-eis) maar een relatief geringe bijdrage leverden aan de hoogwaterbeschermingsdoelstelling.<br />
Zij leverden wel een aanzienlijke bijdrage aan de ecologische en duurzame ontwikkeling<br />
van de rivier. In het kader van de vaststelling van de POL aanvulling <strong>Zandmaas</strong> (2002) werden daar<br />
een aantal initiatieven uit de regio (met name Maascorridor) aan toegevoegd en werd een analyse gemaakt<br />
op basis waarvan deze maatregelen onderling vergelijkbaar werden en een voorlopige investeringsraming<br />
kon worden gemaakt. Dit met de bedoeling van de provincie en de departementen om dit pakket aan de opdracht<br />
van het projectbureau Maaswerken toe te voegen en daarvoor binnen de rijksbegroting (uit de zogenoemde<br />
ICES-middelen) aanvullende rijks financiering te krijgen. Bij het aantreden van het kabinet Balkenende<br />
I in 2003 bleken deze ICES-middelen echter “verdampt”. In overleg met de toenmalige bewindslieden<br />
heeft de provincie er echter aan vastgehouden dat een traject naar realisatie van <strong>Zandmaas</strong> 2 open bleef.<br />
Van de kant van het ministerie van LNV werd daartoe een bijdrage van € 30 + € 5 miljoen toegezegd. <strong>Het</strong> genoemde<br />
5 miljoen als multiplier op een regionale bijdrage van gelijke grootte. Daarbij werd afgesproken de<br />
hoogwaterstandeffecten van de geïnventariseerde ingrepen zo veel als mogelijk te optimaliseren.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
13
Inmiddels werd het projectbureau Maaswerken gereorganiseerd naar een strikt onder verantwoordelijkheid<br />
van het ministerie van Verkeer en Waterstaat (RWS) functionerende dienst, met een scherp afgebakende<br />
projectopdracht.<br />
Aanvankelijk werd de uitvoeringsopdrachtvoor Pakket 2 bij het ministerie van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit<br />
zelf neergelegd.<br />
Op 7 december 2005 werd tussen de provincie Limburg en de minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit<br />
– anticiperend op de introductie van de Wet Investeringen Landelijk Gebied – de Overeenkomst Natuurrealisatie<br />
<strong>Zandmaas</strong> gesloten. Hierin is vastgelegd dat de provincie Limburg de regie krijgt over de zogenoemde<br />
Veermangelden. Vanaf 2007 zijn deze gelden een verbijzonderd onder<strong>deel</strong> van het ILG.<br />
Kort samengevat houdt de overeenkomst (opgenomen als bijlage 2) in:<br />
€ 30 miljoen te verhogen met maximaal € 5 miljoen indien de regio minimaal € 5 miljoen bijdraagt<br />
gereed in 2015<br />
460 ha extra rijks-EHS (riviernatuur) te begrenzen<br />
inrichting nevengeulen Baarlo (Belfeld-West) en Afferden (Sambeek-Oost)<br />
in 2010 € 25 miljoen besteed<br />
aankoop ruilgronden toegestaan.<br />
In de overeenkomst is verder de verplichting voor de provincie opgenomen hiervoor een plan op te stellen.<br />
Met het Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> <strong>II</strong> 2007 en nu met het geactualiseerde Meerjarenplan <strong>2009</strong> geeft de provincie<br />
Limburg duidelijkheid over haar plannen voor het <strong>Zandmaas</strong>gebied tot en met 2015 én op hoofdlijnen<br />
tot 2050. Dit <strong>meerjarenplan</strong> <strong>2009</strong> legt ten opzichte van het <strong>meerjarenplan</strong> 2007 meer accent op IVM en lange<br />
termijn, versterkt de integrale gebiedsontwikkeling en publiek-private samenwerking en kiest voor een clusterbenadering<br />
van projecten.<br />
3.2. Afbakening<br />
<strong>Het</strong> Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2 betreft het <strong>Zandmaas</strong>gebied in Limburg gelegen vanaf de Maasplassen bij<br />
Roermond tot en met Geysteren aan de westoever en tot en met Mook aan de oostoever.<br />
<strong>Het</strong> tijdpad loopt van 2008 via 2015 naar 2050.<br />
<strong>Het</strong> Meerjarenplan is aanvullend op Pakket I dat door RWS Maaswerken wordt uitgevoerd, met dien verstande<br />
dat wel rekening wordt gehouden met ontwikkelingen die op elkaar aansluiten, respectievelijk – gelet op<br />
het lange termijn perspectief – elkaar mogelijk zouden kunnen verstoren. Daarbij moet met name gedacht<br />
worden aan de natuurvriendelijke oeverontwikkelingen zoals die zijn opgenomen in het Tracébesluit - POLaanvulling<br />
<strong>Zandmaas</strong> en het “hoofdstuk sluitstukkaden” waarvan de voorbereiding in overleg met de waterschappen<br />
en op initiatief van RWS Maaswerken momenteel zodanig ter hand wordt genomen dat oplevering<br />
per 2015 realistisch en haalbaar lijkt.<br />
<strong>Het</strong> <strong>meerjarenplan</strong> heeft een integraal gebiedsgericht karakter: niet alleen veiligheid en natuur krijgen aandacht<br />
maar ook wonen, landbouw, werken en recreatie. Een nauwe afstemming met het gebiedenbeleid van<br />
de provincie en in het bijzonder Vitaal Platteland ligt – met onderkenning van de verschillen in schaalniveau<br />
- hiermee voor de hand.<br />
14 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
<strong>Het</strong> Meerjarenplan heeft als basis bestaande beleidsplannen met achterliggende kennisdocumenten zoals:<br />
de overeenkomst LNV - Provincie over Natuurrealisatie <strong>Zandmaas</strong><br />
de plannen uit <strong>Zandmaas</strong> Pakket <strong>II</strong>+<br />
het Initiatiefplan Noordelijke <strong>Zandmaas</strong>, zoals 24 juni 2005 door Provinciale Staten vastgesteld,<br />
de studie Integrale Verkenning Maas (IVM)<br />
de Verordening waterkeren Limburg<br />
de evaluatie van het <strong>meerjarenplan</strong> 2007<br />
de thema-uitwerkingen <strong>Zandmaas</strong> <strong>II</strong> (natuur, grondstromen, archeologie, rivierkunde, hydrologie, land-<br />
bouw).<br />
en sluit aan op lopende trajecten zoals <strong>Zandmaas</strong> Pakket I in uitvoering door RWS Maaswerken en enige private<br />
initiatieven.<br />
<strong>Het</strong> karakter van het Meerjarenplan is flexibel; periodiek kan het plan aan de hand van voortschrijdend inzicht<br />
en initiatieven van derden geactualiseerd worden.<br />
3.3. Doelen<br />
<strong>Het</strong> doel van het Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong>2 is meerledig:<br />
inzicht geven in de provinciale visie, strategie en inzet van instrumenten voor <strong>Zandmaas</strong>2<br />
inzicht geven in de samenhang van de diverse projecten in het <strong>Zandmaas</strong>gebied en de wijze waarop de<br />
provincie hier mee omgaat.<br />
sturing geven aan de besteding van de Veermangelden (30 + 2 x 5 = 40 miljoen Euro);<br />
andere overheden, private partijen en maatschappelijke organisaties stimuleren hun eigen initiatieven<br />
hierop te laten aansluiten waardoor de gewenste ontwikkelingen rond het <strong>Zandmaas</strong>gebied versneld,<br />
kwalitatief verbeterd en/of beter betaalbaar worden<br />
sturing te geven aan de ontwikkelingen in het perspectief van 2050.<br />
een basis te leggen voor de fasering van de uitvoering van rivierwerken en gebiedsontwikkelingen op<br />
een langere termijn en daarbij anticiperend op de zich naar aanleiding van onder meer de klimaatontwikkeling<br />
aankondigende veranderingen rivier- en gebiedsbelangen proactief te borgen.<br />
Aldus kader en sturing bieden voor de (maatschappelijke) ontwikkelingen in het <strong>Zandmaas</strong>gebied. Bedrijven/<br />
private partijen kunnen hiermee rekening houden bij hun planvorming en uitvoering van projecten.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
15
Hoogwaterstanden kerk Steijl<br />
3.4. Veiligheids- en klimaatstrategie<br />
Voor wat betreft de veiligheidstrategie sluiten wij aan bij het rijksbeleid waarin naast en met accent op preventie<br />
ook het beheer van hoogwatersituaties en calamiteiten aandacht heeft. Dit heeft consequenties voor<br />
de ontwerpeisen per gebied. Zo menen wij dat bij ontwikkelingen rond Bergen tevens voorzien moet worden<br />
in een hoogwatervrije verbinding tussen (de dijkringgebieden van) Oud- en Nieuw Bergen. Voor de rivier en<br />
haar vallei blijft het adagium van “ruimte voor de rivier” uitgangspunt. De groei van de rivier is een natuurlijk<br />
proces. Wanneer daarmee niet wordt meebewogen, leidt dit tot zowel technisch als sociaal-economische enkel<br />
tot vooruitgeschoven (substantiële) meerkosten. Daarenboven is het zaak tot principiële keuzes te kunnen<br />
komen en niet enkel “het laag hangend fruit” en de gemakkelijke oplossingen te kiezen die nu als vanzelfsprekend<br />
behapbaar lijken. De ontwikkeling van het <strong>Zandmaas</strong>gebied moet gericht zijn op de toekomstige<br />
situatie zoals die – dankzij de voortgang van de wetenschap – als waarschijnlijk voorzienbaar wordt. De bewoners,<br />
gebruikers en mogelijke bezoekers van het <strong>Zandmaas</strong>gebied maken nu en in volgende generaties<br />
aanspraak op een functioneren van overheden en samenleving die (mogelijk ernstige) problemen voor hen<br />
voorkomen hebben. Een veilige Maas is een veilig Limburg, een mooie Maas is een mooi Limburg. De ontwikkeling<br />
van het <strong>Zandmaas</strong>gebied moet daaraan bijdragen en welvaart en welzijn bevorderen.<br />
16 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
Klimaatscenario’s.<br />
In het kader van de uitwerking van de clusters moet aangesloten worden bij het ontwerp van de rijks Beleidsnota<br />
Waterveiligheid. Dat vraagt extra aandacht voor de (betrouwbaarheid) van nuts en ICT voorzieningen,<br />
drinkwatervoorziening en milieubelasting tijdens hoogwaters. Om die reden is het opportuun een functionaris<br />
van de veiligheidsregio(s) bij de clusteruitwerkingen te betrekken.<br />
3.5. Opbouw Meerjarenplan<br />
<strong>Het</strong> Meerjarenplan <strong>2009</strong> wordt daarom opgebouwd uit vijf hoofdlijnen:<br />
beleidskader, visie, strategie en aanpak<br />
projecten, projectoverschrijdende aspecten en clustering projecten<br />
instrumenten tot 2015: grondverwerving, EHS(-begrenzing), Veermangelden<br />
tijdspaden en geld (<strong>2009</strong> – 2015 – 2050)<br />
organisatie en communicatie.<br />
Voor de visualisering bij dit Meerjarenplan zijn voor <strong>Zandmaas</strong> <strong>II</strong> kaartbeelden opgesteld. Daarop zijn<br />
onder meer topografie, aanduidingen vanuit het water- en natuurbeleid, begrenzingen van (potentiële)<br />
projecten en initiatieven, IVM en dijkringgebieden aangegeven.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
17
Zicht op Venlo (en vooral de Maas) vanaf Bleric k.<br />
Staalgravure S. Poppel naar een aquarel van Chr. Schül er, uitgegeven 1856.<br />
Bron: Limburg Museum, Venlo<br />
18 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
4. Algemeen beleidskader<br />
Voor dit Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> <strong>II</strong> zijn de belangrijkste beleidskaders:<br />
a.<br />
b.<br />
c.<br />
d.<br />
e.<br />
f.<br />
g.<br />
h.<br />
De LNV - Provincie Overeenkomst Natuurrealisatie <strong>Zandmaas</strong>.<br />
Hierin worden behalve de inhoudelijke doelstellingen ook randvoorwaarden aan de financiële bijdrage<br />
gesteld: deze bijdrage van het Ministerie van LNV is maximaal € 30 miljoen te verhogen met maximaal €<br />
5 miljoen indien de regio minimaal € 5 miljoen bijdraagt. Ook moet tot en met 2010 minimaal M € 25 besteed<br />
zijn aan inrichting en verwerving van gronden inclusief ruilgronden.<br />
Provinciaal Omgevingsplan (POL) 2006 en POL-aanvulling <strong>Zandmaas</strong> 2002.<br />
In het POL 2006 worden de strategische doelen voor het veerkrachtig watersysteem Maas in het gebied<br />
beschreven terwijl in de POL-aanvulling <strong>Zandmaas</strong> ten aanzien van de in het gebied te treffen kademaatregelen<br />
(<strong>Zandmaas</strong> I) concrete beleidsbeslissingen zijn op genomen en voor de (optioneel) te treffen rivierkundige<br />
maatregelen een beleidskader wordt geboden. Voorts zijn de natuurcompensatie en de ecologische<br />
ontwikkeling rond de Heukelomse beek in deze POL-aanvulling opgenomen. Daarmee ligt het<br />
strategisch kader vast, zijn tevens de mogelijkheden van (aanvullende) initiatieven bepaald en is (met<br />
<strong>Zandmaas</strong> Pakket I) ook duidelijk wat in ieder geval tot ontwikkeling zal komen (of al gerealiseerd is).<br />
<strong>Het</strong> Tracébesluit <strong>Zandmaas</strong>/Maasroute.<br />
Hierin zijn twee rivierkundige maatregelen (de hoogwatergeulen Lomm en Well-Ayen) als concrete beleidsbeslissing<br />
opgenomen (Lomm is vergund en in uitvoering, voor Well-Ayen is de vergunningverlening<br />
in voorbereiding). De verbetering van de Scheepvaartroute is hierin opgenomen en tevens is het project<br />
“natuurvriendelijke oevers” hierin opgenomen.<br />
De (rijks) beleidslijn Grote Rivieren.<br />
Deze is van invloed op de mogelijkheid ten aanzien van ontwikkelingen vergunningen te verlenen op<br />
grond van de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken (Ministerie VenW).<br />
Provinciaal gebiedsgericht beleid/”platteland in uitvoering”.<br />
Hierin zijn ten aanzien van de gebiedsgerichte ontwikkeling operationele doelen aangegeven.<br />
Stimuleringsplannen<br />
Hierin zijn voor de provincie Limburg ten aanzien van de ecologische ontwikkeling zowel beleidsuitwerking<br />
als doelen aangegeven.<br />
Kaderrichtlijn Water (KRW).<br />
Deze EU-richtlijn krijgt nu de vertaalslag naar het kwalitatief én kwantitatief waterbeleid in Nederland. In<br />
<strong>2009</strong> wordt het gehele maatregelenpakket vastgesteld inclusief realisatietermijnen en beschikbaarheid<br />
van budgetten. Voor de Maasvallei is daarbij relevant dat in dit kader ook voor Rijkswaterstaat investeringsmiddelen<br />
beschikbaar zullen komen.<br />
Integrale Verkenning Maas (IVM).<br />
Deze lange termijn verkenning heeft geresulteerd in een ruimtelijke reservering (voor het stroomgebied)<br />
van de Maas (gebieden waar op lange termijn (2050 en later) mogelijk ruimte geboden moet worden aan<br />
de rivier) hetgeen in principe is betrokken bij de vaststelling van het Provinciaal Omgevingsplan 2006<br />
waarin deze gronden zijn aangewezen als “veerkrachtig watersysteem Maas”. Voor de uitvoering van<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
19
i.<br />
deze maatregelen zijn van rijkszijde geen (toekomstige) financiële middelen gereserveerd. De reservering<br />
heeft wel onmiddellijke consequenties voor de uitvoering van werken en activiteiten in het beheergebied<br />
van Rijkswaterstaat.<br />
Initiatiefplan Noordelijke <strong>Zandmaas</strong>, 24 juni 2005 door Provinciale Staten vastgesteld. Hierin hebben<br />
Provinciale Staten een kader aangegeven waarbinnen, wat hen betreft prioritair, rivierkundige ontwikkelingen<br />
van Venlo tot Bergen gepositioneerd en tot uitvoering gebracht moeten worden. <strong>Het</strong> initiatiefplan<br />
werd in 2007 al in dit <strong>meerjarenplan</strong> geïntegreerd.<br />
Voor de wijze van aansturing en financiering speelt verder het ILG (Investeringsbudget Landelijk<br />
Gebied) vanaf 1 januari 2007 een belangrijke rol. De door LNV toegezegde bijdrage voor <strong>Zandmaas</strong> 2<br />
wordt vanaf 2007 via het ILG aan de provincie Limburg ter beschikking gesteld. Dit betekent dat de<br />
programmering in tijd (per jaar) en geld voor <strong>Zandmaas</strong> 2 afgestemd wordt met het ILG.<br />
Ayen 1995<br />
20 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
5. Visie, beleid en ambities voor het<br />
<strong>Zandmaas</strong>gebied<br />
Voorliggend Meerjarenplan is een flexibel plan dat in de tijd aangepast zal worden. Dit betekent uiteraard niet<br />
dat elk project of initiatief zonder meer past binnen het Meerjarenplan. Om te toetsen of een project past is<br />
het nodig om zowel een inhoudelijke visie te hebben hoe het <strong>Zandmaas</strong>gebied er op de lange termijn uit zou<br />
moeten komen te zien, als een strategie op welke manier deze visie tot werkelijkheid kan komen en hoe aan<br />
deze wordende werkelijkheid sturing kan worden gegeven. <strong>Het</strong> Meerjarenplan biedt de basis om verschillende<br />
projecten aan elkaar te verbinden, bakent het gebied waarbinnen deze tot stand kunnen komen af, en<br />
kan tot uitdrukking brengen waar ten opzichte van al vastliggende projecten (zoals bijvoorbeeld de hoogwatergeul<br />
Lomm) nog kansen voor meerwaarde liggen. Door de in het kader van de Integrale Verkenning Maas<br />
(IVM) verworven kennis op gebieds- en projectniveau te laten doorwerken kan richting gegeven worden aan<br />
de voor de transformatie van het gebied benodigde dynamiek en kunnen allianties ontstaan om de dynamiek<br />
te stimuleren, meerwaardes te creëren en tot concrete uitvoering te brengen.<br />
Voor doorwerking van de visie ten aanzien van het gebied op langere termijn (ook na 2015) zijn voor het<br />
<strong>Zandmaas</strong>gebied een aantal ontwikkelingen cruciaal:<br />
5.1. Water / veiligheid<br />
5.1.1. Maatregelen<br />
Vanuit het aspect water/veiligheid van de <strong>Zandmaas</strong> als onder<strong>deel</strong> van het hele Maassysteem zijn met<br />
name de maatgevende waterafvoeren belangrijk en tegen die achtergrond ook de klimaatverandering<br />
met de bijbehorende consequenties voor de neerslaghoeveelheden in de tijd. Deze laatste zal immers –<br />
tezamen met de statistische ontwikkeling van de afvoeren – tot aanpassingen leiden. Veiligheid is voor<br />
de gebiedsontwikkeling in het <strong>Zandmaas</strong>gebied leidend.<br />
Weerd ten noorden van Kessel. Foto Maaike Vellinga 2008<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
21
Voor de <strong>Zandmaas</strong> betekent dit dat de behoefte aan ruimte voor de Maas naar verwachting zal blijven toenemen.<br />
IVM geeft hiervan een goede indicatie.<br />
Iedere mogelijke locatie die tegen deze achtergrond van functionele betekenis kan zijn, zal (binnen de contour<br />
van het veerkrachtig watersysteem zoals in het POL 2006 aangegeven) voor de lange termijn gereserveerd<br />
moeten worden en zo nodig inzetbaar zijn. Juist om het effect daarvan af te bakenen en ruimtelijk te<br />
begrenzen is deze contour in POL 2006 opgenomen. Gelet op het nu opgestarte onderzoek naar de sluitstukkaden<br />
zal ook een herijking van het buiten/binnendijks gelegen gebied in de Maasvallei plaats kunnen vinden<br />
en zal bezien moeten worden waaraan deze dijkverbeteringen qua ontwerp-eisen moeten voldoen.<br />
Stuw Afferden<br />
Stuwen zijn niet alleen van betekenis voor het nautisch beheer van de rivier, maar ook voor de hoogwaterbescherming.<br />
Bij wassend water worden zij te beginnen benedenstrooms “gestreken”. Deze stuw bij Afferden<br />
bij omstreeks 600 tot 800 m3/sec tot de stuw bij Borgharen bij omstreeks 1200 – 1400 m3/sec. Boven dat volume<br />
is de rivier dus niet langer “gestuwd” maar geheel vrijstromend. Voor de scheepvaart blijven dan de kanalen<br />
beschikbaar tot dat het volume zodanig gegroeid is dat ook die onmogelijk is geworden.<br />
22 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
In totaal zijn ten behoeve van de nadere analyse rivierkunde op grond van <strong>Zandmaas</strong> <strong>II</strong> – 2007 35 projecten<br />
aangeleverd. Van deze 35 projecten zijn 11 projecten niet meegenomen in de effectbeoordeling. Van deze 11<br />
projecten was onvoldoende informatie beschikbaar of de ingreep was al meegenomen in <strong>Zandmaas</strong> I.<br />
Onderstaande tabel geeft een overzicht van het waterstandsverlagend effect van de projecten uit het Meerjarenplan<br />
<strong>Zandmaas</strong> (<strong>II</strong>) op de trajecten Roermond – Venlo (rkm 80 – 110) en Venlo – Mook (rkm 111 – 164).<br />
Verder is ook voor de drie grote woonkernen langs de <strong>Zandmaas</strong>, te weten Roermond (rkm 72 – 79), Venlo<br />
(rkm 102 – 109) en Gennep, Mook/Middelaar (rkm 151 – 163) bepaald wat de gemiddelde en maximale verlaging<br />
lokaal is bij een afvoer van 1x/250 jaar. De gebruikte trajecten van de woonkernen zijn in overeenstemming<br />
met het POL Kadeplan <strong>Zandmaas</strong> 2002.<br />
Waterstandverlagend effect (m) van alle projecten op verschillende riviertrajecten (1x/250 jaar):<br />
Traject Ligging (rkm)<br />
Gemiddeld<br />
(riviervak)<br />
Verlaging (m)<br />
Maximaal<br />
(lokaal)<br />
<strong>Zandmaas</strong> 72 – 165 -0,29 -0,57<br />
Roermond – Venlo 72 – 110 -0,23 -0,45<br />
Venlo – Mook 111 – 165 -0,34 -0,57<br />
Roermond 72 – 79 -0,15 -0,18<br />
Venlo 92 – 109 -0,38 -0,45<br />
Gennep, Mook/Middelaar 151 – 163 -0,18 -0,27<br />
Om daarover geen onduidelijkheid te laten voortbestaan betreft dit effect enkel het resultaat van een 24tal<br />
maatregelen zoals die in het kader van de thema-uitwerking van het <strong>meerjarenplan</strong> <strong>Zandmaas</strong> <strong>II</strong> – 2007 zover<br />
bleken te zijn ontwikkeld dat daaraan gerekend kon worden.<br />
Veel van deze maatregelen zijn ten aanzien van hun rivierkundig effect nog niet (helemaal) uit ontwikkeld. Op<br />
onderdelen lijken optimalisaties nog mogelijk en nodig.<br />
Zeker is dat de IVM doelstelling met deze maatregelen voor het <strong>Zandmaas</strong>gebied nog niet bereikt wordt, wel<br />
dat een aanzienlijke bijdrage kan worden geleverd.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
23
1,0<br />
0,8<br />
0,6<br />
0,4<br />
0,2<br />
0,0<br />
-0,2<br />
-0,4<br />
-0,6<br />
-0,8<br />
Volledige taakstelling IVM 1/250<br />
Berekende waterstandseffecten van 24 projecten <strong>Zandmaas</strong> 2<br />
Resterende Taakstelling na <strong>Zandmaas</strong> 2<br />
24 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong><br />
Effect van <strong>Zandmaas</strong> 2 (24 projecten)<br />
-1,0<br />
60 70 80 90 100 110 120 130 140 150 160<br />
Gemiddeld op de <strong>Zandmaas</strong> (rkm 72 – 165) bedraagt de verlaging 29 cm, de maximale verlaging (lokaal) bedraagt<br />
57 cm . Gebleken is dat het project met de grootste waterstandsverlaging de Reactivering Oude Maasarm<br />
is. <strong>Het</strong> meest effectief is het project Lateraalkanaal-West Fase voor de gehele <strong>Zandmaas</strong> en het benedenstroomse<br />
gebied (Brabant. Zuid-Holland/Rotterdam).<br />
Wij menen dat deze tussentijdse analyse aangeeft dat met optimalisatie van projecten en toereikende ontwerp-principes<br />
een goede opmaat wordt gevonden naar een uiteindelijk rivierkundig maar ook uit overwegingen<br />
van klimaatbeleid duurzaam verantwoorde ontwikkeling met resultaat tot een lokkend perspectief is<br />
geworden. <strong>Het</strong> doorzetten daarvan in nauwe samenwerking met Rijkswaterstaat Limburg en overige gebiedspartners<br />
geeft dan ook aanleiding tot een bestuurlijke hoge prioriteit. <strong>Het</strong> gebiedsontwikkelingsproces biedt<br />
op zo een manier ook kansen om de met de Integrale Verkenning Maas beoogde eindsituatie tijdig naar verwerkelijking<br />
te brengen.<br />
Waar alle maatregelen die in het <strong>Zandmaas</strong>gebied aan de orde zijn in het perspectief van IVM worden ontworpen<br />
en beoor<strong>deel</strong>d gaat de provincie uit van twee begrippen, te weten “IVM-klaar” en “IVM-proof”. “IVMklaar”<br />
betekent dat aan een gebiedsontwikkeling zodanige eisen gesteld moeten worden, respectievelijk kwaliteiten<br />
verbonden moeten zijn dat in het kader van IVM ook op lange termijn in het betreffende gebied geen<br />
aanvullende inrichtingswerken of veiligheidsmaatregelen meer nodig zijn.<br />
Bij de gebiedsontwikkelingen Ooyen-Wanssum en Maaspark Well is “IVM-klaar” een van de ontwerpeisen.<br />
Bij de rivierkundige beoordeling van de hoogwatergeul Raayweide is gebleken dat na realisatie ook dat gebied<br />
“IVM-klaar” zal zijn. De gebiedsontwikkelingen die op deze manier aan de orde zijn hebben veelal een<br />
zodanige lange doorlooptijd dat vrijwel altijd van een gefaseerde uitvoering sprake zal moeten zijn.<br />
Alle overige (<strong>deel</strong>) projecten dienen ten minste te voldoen aan het criterium “IVM-proof”. Dit wil zeggen dat<br />
zij als maatregelen geen negatief effect hebben op de op langere termijn in het gebied nog aanvullend te nemen<br />
maatregelen en zo mogelijk daarvoor al condities scheppen. Zo wordt gevonden dat de in het <strong>meerjarenplan</strong><br />
benoemde nevengeulen zo moeten worden aangelegd dat de aanzet voor de in dat gebied te treffen<br />
IVM-maatregel al gegeven wordt. De aanzet en het daarop gewenste vervolg moet naar ons oor<strong>deel</strong> zo
goed mogelijk aansluiten wij de natuurlijke processen ter plaatse en de kosteneffectiviteit van zowel de initiele<br />
als de vervolg ingreep zo gunstig mogelijk op elkaar afstemmen.<br />
5.1.2. Normen, keringen en buitensdijkse risico’s<br />
5.1.2.1. Normen<br />
<strong>Het</strong> rijk is voornemens om het normeringsstelsel ten aanzien van de grote rivieren te veranderen. <strong>Het</strong> rijk<br />
wil daarbij dat niet alleen de kans van overstroming van een kering, maar het falen van alle elementen die<br />
(mede) bepalend zijn voor de hoogwaterveiligheid binnen een dijkringgebied in aanmerking komen voor de<br />
beoordeling. <strong>Het</strong> in deze zin aanpassen van de normering is principieel juist. Terughoudendheid ten aanzien<br />
van de (hoogte van de) norm is evenwel op zijn plaats omdat de dijkringgebieden in Limburg niet in<br />
alle opzichten vergelijkbaar met die elders in het land. Een van de belangrijkste verschillen is wel dat zij bij<br />
een maatgevende afvoer (momenteel 3.800 m3/s ) verondersteld worden ondergelopen te zijn ten einde bij<br />
hoogwaters van boven de 1:250 als retentiegebied ten behoeve van het benedenrivierengebied te functioneren.<br />
Overstroombaarheid en de hoogte van waakhoogten zijn in het Limburgse <strong>deel</strong> van de Maas aanvullend<br />
complicerende punten voor besluiten over de toekomst van de gebieden in het rivierbed. Veelal is deze overstroombaarheid<br />
en daarop afgestemde waakhoogte niet in overeenstemming met de sociaal-economische<br />
waarden die beoogd worden binnen de dijkringgebieden beschermd te worden. Daar komt bij dat in geval van<br />
overstroming dijkringgebieden zodanig klein zijn dat zij ter stond en geheel overstromen. De provincie onderkent<br />
daarbij dat de Maasvallei respectievelijk de Maas zelf een voor hoogwaters uiterst gevoelig systeem is.<br />
Uit analyses lijkt afgeleid te kunnen worden dat wanneer de Limburgse dijkringgebieden niet langer (ook) als<br />
retentiegebied aangewend zouden worden dit tot gevolg zou hebben dat benedenstrooms een hoogwatergolfverhogend<br />
effect ontstaat van + 5 cm. Binnen het algemeen rivierbeleid – waarbij maatregelen geen gevolgen<br />
in termen van afwenteling op benedenstrooms gebied mogen hebben – lijkt deze problematiek niet<br />
goed oplosbaar tenzij op strategisch niveau het inzicht ontstaat dat zulks binnen de daar geldende waakhoogten<br />
danwel anderszins opgevangen zou kunnen worden.<br />
Nu er onder meer in het kader van dit <strong>meerjarenplan</strong> gewerkt moet worden aan definitieve contouren voor<br />
de ontwikkelingsrichting van de Maasvallei, de daarbij passende normering en daarop aansluitende maatregelen,<br />
meent de provincie dat een (strategisch) antwoord op deze situatie ontwikkeld moet worden. Op basis<br />
van een extern in te winnen onafhankelijk advies (waarbij met name gedacht moet worden aan het Expertise<br />
Netwerk Waterkeren) moet volgens de provincie een dergelijk antwoord mogelijk worden. Overigens<br />
kan daarbij in aanmerking genomen worden dat bij de berekeningen van de rivierkundige effecten van <strong>Zandmaas</strong><strong>II</strong>-2007<br />
in het kader van haar evaluatie is gebleken dat de 2de fase van de ontwikkeling van het retentiegebied<br />
Lateraalkanaal tot aan de zuidwestelijk delta van Nederland een hoogwaterstand verlagend effect<br />
heeft van een gelijke orde grootte (- 5 cm).<br />
5.1.2.2. Keringen<br />
Een groot aantal van de Limburgse dijkringgebieden onderscheiden zich van overige dijkringgebieden in<br />
Nederland omdat zij over vergelijkbare lengten als de fysiek aangelegde keringen bepaald worden door de<br />
geomorfologisch gegeven hoge gronden. Daarmee wordt ook zogenoemde achterloopsheid een belangrijk<br />
aspect voor de beoordeling van de veiligheid binnen het gebied. In zijn algemeenheid wordt het aan de<br />
provincie(s) toegeschreven dat zij belast zouden zijn met het toezicht op deze hoge gronden met name hun<br />
behoud. De provincie(s) ontberen daartoe evenwel ieder instrument. Daarenboven meent de provincie dat<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
25
het hier een beheertaak betreft die volgens het systeem van de wetgeving veeleer door het waterschap vervuld<br />
zou moeten worden. Door een opwaardering van de zogenoemde watertoets zou daaraan mogelijk inhoud<br />
gegeven kunnen worden maar dit toezicht zou tevens geregeld moeten kunnen worden via de keur van<br />
de waterschappen. Voor de veiligheid van de keringen zijn daarnaast de zogenoemde (hoog-)watergeleidende<br />
werken die in of aan de rivierzijde van de rivier voor de keringen zijn gelegen relevant voor het kerend<br />
functioneren van de kaden/dijken. Ook daarvoor bestaat – zo goed als de nu al bestaande zogenoemde verholen<br />
kaden - geen adequate regeling.<br />
Waar de Deltacommissie en de (ontwerp) rijksdocumenten ten aanzien van de keringen spreken van een<br />
nieuwe optie voor keringen ( de zogenoemde niet overstroombare klimaat- of Deltadijken) is de provincie er<br />
voorstander van dat de keringen en het riviersysteem voor de Maas op ons grondgebied robuust zullen zijn<br />
en in alle opzichten duurzaam bestendig om de uitdagingen ten gevolge van klimaatveranderingen op te kunnen<br />
vangen. Voor de Limburgse situatie doet zich daarbij naast de kering als fysiek “kunstwerk” tevens de optie<br />
voor van zogenoemde “verholen kaden”. Dit in de vorm van functioneel aanwendbare grondwerken die als<br />
waren het hoge gronden het functioneel gebruik binnen of aan de randen van de Maasvallei borgen, maar tevens<br />
achterliggend gebied voldoende (en duurzaam) bescherming bieden. Deze optie moet zowel bij de gebiedsuitwerkingen<br />
als bij het (rijks-) beleid verder betrokken te worden. Dit sluit aan op de rijksambitie dat het<br />
niveau van het rivierbed zoveel als mogelijk aangesloten zou moeten worden op natuurlijke situaties en processen,<br />
aangezien deze “verholen” kaden veelal zullen aansluiten bij of zullen functioneren als hoge gronden<br />
respectievelijk (glooiende) steilwand.<br />
5.1.2.3 Functie- en risicobeleid buitendijks:<br />
Naast het calamiteitenbeheersbeleid binnen de veiligheidsregio’s ontbreekt het op gebieds- project- en beveiligingsniveau<br />
aan beleid ten aanzien van de buitendijkse gebieden in onze provincie, het <strong>Zandmaas</strong>gebied<br />
in het bijzonder. Mede vanwege het rijksinstrumentarium dat in de praktijk het meest wordt ervaren door<br />
de Beleidslijn Grote rivieren is dat tot op heden ook niet als een (structureel) gebrek ervaren. Mede daardoor<br />
wordt in de praktijk onvoldoende onderkend dat met haar projectopdracht RWS Maaswerken zich bij de ontwikkeling<br />
van haar doelstellingen en de uitvoering van haar door het ministerie van Verkeer en Waterstaat<br />
gegeven opdracht, enkel oog heeft voor de in de Maasvallei wonende bewoners. Daarmee blijven de gebruikers<br />
van en de in de Maasvallei functionerende bedrijven (vanuit RWS Maaswerken geredeneerd) principieel<br />
buiten schot. Voor een rivierkundige en sociaal-economisch maatschappelijk verantwoorde ontwikkeling van<br />
het <strong>Zandmaas</strong>gebied vinden wij dit een ongewenste benadering die de veiligheidsituatie en ontwikkelingskansen<br />
in de Maasvallei miskent.<br />
Anderzijds moet onderkend worden dat ook in het recente verleden de oriëntatie ten aanzien van wel of niet<br />
te beveiligen functies en de inpasbaarheid daarvan niet altijd consistent en in het belang van lange termijn<br />
ontwikkelingen is geweest. De provincie meent dat ten aanzien van dit aspect expliciet en eenduidige beleidsontwikkeling<br />
aan de orde moet zijn. Daarbij gelden voor de provincie als uitgangspunten:<br />
- dat toereikende voorzieningen getroffen (zullen) worden om waar nodig evacuatie van personen (duurzaam)<br />
mogelijk te maken. In dit kader is met name een evacuatiebrug tussen Oud- en Nieuw Bergen<br />
exemplarisch, maar naar verwachting niet de enige maatregel in het <strong>Zandmaas</strong>gebied.<br />
- dat de in het <strong>meerjarenplan</strong> beoogde gebiedontwikkeling bewoners en bedrijven niet in een uit een oogpunt<br />
van veiligheid slechtere situatie komen dan thans het geval is. Wij maken daarbij de aantekening<br />
dat in zijn algemeenheid de bewoners en bedrijven die thans door de DGR-kaden een veiligheid van 1:<br />
26 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
50 geboden hebben gekregen ook als resultante van de te maken gebiedsvisies een veiligheid van vergelijkbare<br />
grootte geboden zou moeten worden terwijl voor bedrijven tevens in aanmerking genomen<br />
zou moeten worden in hoeverre zij grond of locatiespecifiek gebonden zijn. Kansen voor sanering zouden<br />
(al dan niet op termijn) al dan niet in relatie tot sociaal-economische schade ten minste onderkenbaar<br />
gemaakt moeten worden, opdat anders dan onder het huidige (rivier-)regime op die manier koude<br />
sanering, een “autonoom” sociaal- economisch verval en verlies aan draagvlak en spankracht in het<br />
<strong>Zandmaas</strong>gebied kan worden voorkomen.<br />
5.2. Ruimte, natuur, landschap, landbouw en cultuur<br />
De provincie vindt dat het nu en in de toekomst tot het karakter van de Maasvallei hoort en dat het een aan<br />
de rivier verbonden eigenschap van het gebied is, dat landbouw, natuur en landschap wezenlijke (ook economisch<br />
vertaalbare) waarden vertegenwoordigen die uniek zijn voor Nederland en een eigen plaats in het<br />
stroomgebied van de Maas hebben. Deze waarden zijn op grond van een historische ontwikkeling en met<br />
name aan de hand van de geschiedenis van de agrarische productie en bedrijfsvoering in het gebied ontstaan.<br />
Dat wil echter niet zeggen dat deze – zoals in het verleden al menigmaal het geval is geweest – niet<br />
voor verandering vatbaar zijn. Zo zal ook de natuur – al was het maar door de klimaatverandering – weliswaar<br />
eigen zijn aan het riviersysteem, maar mogelijk ook wezenlijk anders kunnen worden. Ook de landbouw<br />
zou door klimaatverandering “autonoom” aan verandering onderhevig kunnen zijn. Landbouw en natuur tezamen<br />
zijn nu en in de toekomst mede bepalend voor de landschappelijke kwaliteit die op basis van de vereiste<br />
veiligheidsopgave en gebiedsontwikkeling in het perspectief van klimaatverandering mogelijk wordt. <strong>Het</strong><br />
gaat daarbij enerzijds om een zwaarwegend maatschappelijk belang (veiligheid), anderzijds om anticiperend<br />
op klimaatverandering wegen te zoeken tot het creëren van mogelijke meerwaarden. Om die reden vindt de<br />
provincie dat nu onder het regime van Natura2000 vallende gebieden in relatie tot de veiligheidsopgave en<br />
klimaatverandering niet zonder meer buiten schot kunnen blijven. Bezien moet worden hoe in de toekomst<br />
op meer pragmatische wijze oplossingen voor dit spanningsveld gevonden kunnen worden. <strong>Het</strong> maatschappelijk<br />
belang van hoogwaterbescherming achten wij daarbij doorslaggevend maar tevens te richten op het<br />
dynamiseren van de aanwezige en potentiële natuurwaarden. Op die manier kan als resultante meerwaarde<br />
ontstaan in relatie tot zowel de doelstellingen die met Natura 2000 beoogd worden, als die welke in het kader<br />
van de Kaderrichtlijn Water worden voorgestaan.<br />
5.2.1. Ruimtelijke kwaliteit<br />
Voor het hele <strong>Zandmaas</strong>gebied is de ruimtelijke kwaliteit van overkoepelend belang voor de diverse functies.<br />
De Nota Ruimte en IVM geven hiertoe mede een aanzet. Bij alle projecten die naar uitvoering gebracht<br />
moeten worden zal het verbeteren/ verhogen van ruimtelijke kwaliteit zowel functioneel als in termen van belevingwaarde<br />
uitgangspunt moeten zijn. Naast belevingswaarden gaat het daarbij ook om kenbaarheid, herkenbaarheid,<br />
bereikbaarheid en de publieke toegankelijkheid van het gebied en de rivier.<br />
5.2.2. Natuur<br />
De provincie Limburg heeft haar natuurbeleid vastgelegd in de Nota Natuur en Landschapsbeheer 2000-<br />
2010. De daarin beschreven Ecologische Hoofdstructuur is ruimtelijk vastgelegd in het POL. Een verdere<br />
uitwerking van de EHS in natuurdoeltypen en subsidiemogelijkheden daarvoor heeft plaatsgevonden in<br />
de Stimuleringsplannen Natuur, bos en landschapsbeheer. De daar vastgelegde begrenzing voor de Ecolo-<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
27
gische Hoofdstructuur is bedoeld voor de lange termijn (tenminste 2018). Langs de Maas zijn daarin al een<br />
aantal gebieden als natuur begrensd en ge<strong>deel</strong>telijk al aangekocht en ingericht.<br />
Door de overeenkomst van LNV en provincie Natuurrealisatie <strong>Zandmaas</strong> zal dit per 2015 nog met 460 ha extra<br />
zijn uitgebreid. Daarbij dient bedacht te worden dat deze “natuur” op de eerste plaats dienstbaar zal moeten<br />
zijn aan de hoogwaterbescherming in het <strong>Zandmaas</strong>gebied.<br />
Gebleken is dat de 29 projecten van <strong>Zandmaas</strong> <strong>II</strong> - 2007 samen 3565 ha bevatten. Hiervan is 387 begrensd<br />
als bestaande natuur en 604 ha begrensd als nieuwe natuur. Daarnaast is 112 ha begrensd als Co-gebied –<br />
ofwel “nieuwe natuur te realiseren zonder EHS-subsidie” d.w.z. te realiseren via ontgrondingen e.d.- binnen<br />
het provinciaal stimuleringsplan.<br />
995 Ha is begrensd als Provinciale Ontwikkelingszone Groen, opgenomen in het POL.<br />
1467 Ha heeft geen enkele van de genoemde aanduidingen en is dus opgenomen als “wit” gebied. De projecten<br />
in het kader van <strong>Zandmaas</strong> 2 vallen <strong>deel</strong>s binnen begrenzingen van bestaand groen ruimtelijk beleid,<br />
voor 1400 tot 2400 ha echter niet. De met LNV overeengekomen extra begrenzing van 460 ha Rijks EHS<br />
komt hieraan <strong>deel</strong>s tegemoet. Hierbij past echter een kanttekening. Doordat bij deze berekening gerekend<br />
is met hele projectgebieden – en niet met de oppervlakte van de daadwerkelijke ingrepen – moet in de berekening<br />
een aanzienlijke overschatting zitten, die slechts door nadere detaillering van de projecten is terug<br />
te brengen.<br />
De provincie wil daarom bij het begrenzen van 460 extra EHS er van uit gaan dat deze extra gronden aansluiten<br />
op bestaande EHS inclusief de Robuuste Verbinding Schinveld-Mook, en dat de gronden liggen binnen<br />
de POG, en (<strong>deel</strong>s) in het winterbed van de Maas. <strong>Het</strong> gaat daarbij om natte en laaggelegen gebieden<br />
(inclusief kwelgebieden) die ecologisch de voorkeur hebben ten opzichte van drogere gebieden. Daarmee<br />
zou de nieuwe EHS dus ook eerder in het huidige Maasdal dan op de terrassen komen te liggen. Omdat gedetailleerd<br />
begrenzen maatwerk is, kan de definitieve begrenzing mogelijk ook in (zeer) beperkte mate buiten<br />
de POG komen te liggen.<br />
Om de vereiste voortgang te borgen heeft de provincie opdracht gegeven om tot begrenzing van de in de<br />
“overeenkomst natuurrealisatie <strong>Zandmaas</strong>” aan de orde zijnde 460ha te komen.<br />
<strong>Het</strong> begrenzen van 460 ha extra EHS betreft een actie die de in hoofdstuk 8 genoemde clusters 1 tot en met 5<br />
aangaat. <strong>Het</strong> concretiseren van de locaties en de inrichting moet versnellend werken voor de uitvoering van de<br />
diverse projecten in de clusters. <strong>Het</strong> geeft ook duidelijkheid naar betrokken overheden die met hun gebiedsontwikkelingen<br />
hier rekening mee kunnen houden. Ook voor maatschappelijk organisaties en de streek vindt<br />
de provincie het wenselijk dat meer zicht komt waar de 460 ha extra rijks-ehs rond 2015 zal zijn gerealiseerd.<br />
Tot slot geeft duidelijkheid over de 460 ha ook duidelijkheid in de besteding van de <strong>Zandmaas</strong>-2-gelden, de<br />
zogenoemde Veermangelden. <strong>Het</strong> begrenzen, maar ook de verwerving en inrichting van zoveel extra ha’s<br />
ehs kost veel tijd. De realisering zal plaatsvinden in nauw overleg met de eerdergenoemde overheden, maatschappelijke<br />
organisaties en streek. Tot 2015 is slechts nog 6 jaar. Voortvarendheid is daarom gewenst.<br />
<strong>Het</strong> eerste <strong>deel</strong> van deze door de Dienst Landelijk Gebied uit te voeren opdracht bestaat uit een advies aan<br />
de provincie waarin de verschillende mogelijkheden van begrenzing inzichtelijk worden gemaakt aan de<br />
hand van een tabel met ten minste de volgende aspecten: ecologie, realiseerbaarheid voor 2015, veiligheid<br />
en landbouw. Om tot dit inzicht te komen worden de ecologische visies voor het Maasdal geïnventariseerd en<br />
geactualiseerd. Dit wordt gebaseerd op de na te streven ecologische kwaliteiten in het Maasdal (zoals mede<br />
in de overeenkomst natuurrealisatie en het <strong>meerjarenplan</strong> verwoord). Wij menen dat op basis van het aan<br />
ons voorgelegde inzicht in juni <strong>2009</strong> een eerste stap besluitvorming voor ons college mogelijk moet zijn.<br />
28 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
Aandachtspunten daarbij zouden moeten zijn:<br />
- de nieuw te begrenzen EHS dient mede eventuele compensatievereisten van de projecten op te lossen.<br />
Verwacht kan worden dat er bijvoorbeeld dassenleefgebied ingericht moet worden.<br />
- mogelijk moet voorkomen worden dat er kleine landbouwenclaves te midden van potentieel of actueel<br />
natuurgebied overblijven.<br />
- de nieuwe EHS beslaat slechts gebieden die direct aan de rivier gerelateerd zijn.<br />
De natuurdoeltypen die aan de orde kunnen zijn betreffen:<br />
- 2, rivierlandschap<br />
- 7b ven en duinplas en<br />
- 8, moeras<br />
De in de overeenkomst “natuurrealisatie <strong>Zandmaas</strong>” eveneens genoemde typen 4 (duinlandschap) en 7a<br />
(brak water) zijn (mogelijk) wel voor andere delen van het Maasstroomgebied (Getijden Maas en de monding<br />
van de Maas), maar naar de mening van de provincie niet voor de Limburgse Maas relevant.,<br />
Na deze eerste besluitvorming door de provincie zal - als tweede <strong>deel</strong> van deze opdracht aan de Dienst Landelijk<br />
Gebied – een communicatietraject met de belangenorganisaties en de streek moeten worden ingezet.<br />
Voor de specifieke gebieden worden op basis daarvan uitwerkingsplannen opgesteld.<br />
Voor de realisatie van de doelstelling binnen de tijdslimiet van 2015 is daarnaast een grondanalyse van belang.<br />
Voorts wordt er vanuit gegaan dat bij de begrenzing vooral gebieden aan de orde zullen zijn die al min<br />
of meer “hard” zijn en dat het gebieden betreft die op korte termijn in uitvoering zijn en/of hoogwaarschijnlijk<br />
voor 2015 worden afgerond. Dat laatste betreft bijvoorbeeld de gronden in de Oude Maasarm in het cluster 3<br />
(Ooijen-Wanssum), maar mogelijk ook gebieden binnen of direct rondom bestaande ontgrondingen dan wel<br />
natuurgebieden die ontstaan na afronding van lopende of op afzienbare termijn te vergunnen ontgrondingen.<br />
Daarbij kan gedacht worden aan de omgeving van Lomm+, Maaspark Well en Zwaarveld. Inzicht moet ten<br />
minste worden verschaft in effecten op veiligheid en effecten op landbouw. Ook de mogelijkheden voor inzet<br />
van particulier en/of agrarisch natuurbeheer moeten worden bezien. Daarnaast dient te zijn nagegaan of het<br />
mogelijk is om lokale agrariërs bij het beheer van de EHS te betrekken<br />
Foto: DLG<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
29
De bescherming van natuurwaarden is in Nederland vastgelegd in de Flora- en Faunawet, in de Boswet en<br />
in de Natuurbeschermingswet. De ruimtelijke bescherming van de EHS is in de Nota Ruimte vastgelegd middels<br />
het “nee, tenzij” principe en is op provinciaal niveau verder uitgewerkt in de POL–herziening op onderdelen<br />
EHS en in de beleidsregel Mitigatie en compensatie natuurwaarden.<br />
Richting uitvoering en vergunningverlening van de <strong>Zandmaas</strong> 2 projecten is het daarom van belang goed<br />
zicht te hebben op de effecten van de plannen en inrichtingsmaatregelen op de bestaande natuurwaarden.<br />
Natuur kan niet alleen bekeken worden binnen de projectgrens, maar moet ook altijd bezien worden in een<br />
bredere context. Om die reden is ervoor gekozen het aspect natuur nader te analyseren zodat samenhang<br />
en mogelijke oplossingen tussen de projectgebieden naar voren kunnen komen.<br />
Op basis van de thema-uitwerking natuur zoals die in het kader van het <strong>meerjarenplan</strong> <strong>Zandmaas</strong> <strong>II</strong> - 2007<br />
werd uit gevoerd, kwamen concluderend de volgende punten naar voren:<br />
- Grootschalig grondverzet in het Maasdal kan hydrologische gevolgen op afstand hebben. Naast allerlei<br />
andere sectoren die daarmee geraakt kunnen worden is er sprake van een mogelijke invloed op<br />
Natura2000-gebieden. Een noodzaak tot projectaanpassingen en/of mitigatie en/of compensatie kan<br />
daardoor eventueel aan de orde zijn. <strong>Het</strong> voornaamste Natura2000-gebied in de invloedsfeer van het<br />
<strong>meerjarenplan</strong> is het Maasduinengebied – liggend op de oostoever van de Maas tussen globaal Venlo<br />
en Gennep. Andere relevante Natura 2000-gebieden binnen de invloedssfeer van het <strong>meerjarenplan</strong> zijn<br />
Oeffelter Meent, Boshuizerbergen, Leudal en Swalmdal.<br />
- Voor de uitvoering van de projecten zal – ten behoeve van het verkrijgen van een ontheffing in het kader<br />
van artikel 75 van de Flora- en faunawet resp. tb.v. een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet<br />
- bijna altijd een actuele inventarisatie of quick-scan uitgevoerd moeten worden omdat<br />
een <strong>deel</strong> van de inventarisaties verouderd of onvolledig is.<br />
Aangezien deze inventarisaties seizoenswerk zijn kan het veel tijd vragen voordat beoordeling op basis<br />
van de actuele inventarisaties aan de orde kan zijn. Dat kan vertragend werken in de voorbereiding van<br />
een project respectievelijk op de uitvoering.<br />
- In veel projecten is vooralsnog onduidelijk of en in welke mate zeldzame en bijzondere (en derhalve beschermde)<br />
soorten geraakt worden. Veel hangt er bijvoorbeeld vanaf hoe die soorten het betreffende terrein<br />
(en dan vooral het gebied van de daadwerkelijke uitvoeringswerken) gebruiken en dat gebruik wordt<br />
uit de soortenlijstjes per project onvoldoende duidelijk. Ook dit zal vertragend werken op zowel de planuitwerking<br />
als de uitvoering.<br />
- Voor een aantal soorten is wel op voorhand duidelijk dat er bij uitvoering van projecten mitigerende of<br />
compenserende maatregelen zullen moeten worden getroffen. Dat zijn bijvoorbeeld dassen, vleermuizen<br />
en roofvogels.<br />
Om die redenen is de provincie er voorstander van een gedragscode, waarin is beschreven hoe om te gaan<br />
met flora- en faunasoorten in een bepaalde omgeving. Deze zou in afstemming met de ontheffingverlener<br />
(LNV) tot stand moeten komen. Daarbij gaan wij er van uit dat met een concretisering van de planning ook<br />
een concretisering van de inventarisatieonderzoeken mogelijk wordt.<br />
Ten aanzien van de drie in <strong>Zandmaas</strong> 2 opgenomen nevengeulen zou een zone van minimaal 50 m aan<br />
weerszijden van de feitelijke nevengeulen prioritair moeten zijn teneinde natuurontwikkeling om de nevengeulen<br />
goed tot z’n recht te laten komen. Er kan dan sprake zijn van een min of meer robuust systeem.<br />
30 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
Bij het bovenstaande passen ten aanzien van de natuurontwikkeling nog een aantal nuancerende bemerkingen:<br />
- Gelet op de klimaatverandering en de voorzienbare langdurigheid van de veranderingsprocessen in de<br />
Maasvallei dienen er naar de mening van de provincie instrumenten aanwezig te zijn die voorkomen dat<br />
natuurwaarden autonoom van invloed kunnen zijn op dat veranderingsproces. <strong>Het</strong> veranderingsproces<br />
op zich zal meer en meer diversiteit en authenticiteit met zich brengen en telkens meerwaarde bieden<br />
ten opzichte van de nu (of dan) bestaande waarden. Deze waarden van nu mogen geen belemmering<br />
voor het veranderingsproces met zich brengen.<br />
- De klimaatverandering heeft eveneens tot gevolg dat er ten aanzien van soorten(bescherming) nog niet<br />
geziene effecten kunnen ontstaan. Basisgegeven is dat de morfologie en het substraat in het gebied zal<br />
veranderen, welke soorten daarop over enige decennia het beste onder “natuurlijke omstandigheden”<br />
zullen gedijen is nu niet zonder meer voorzienbaar, noch is zo’n voorzienbaarheid via “centraal gestuurde<br />
ecologische ontwikkeling” gericht op het ontwikkelen van specifiek genoemde soorten nastrevenswaard.<br />
<strong>Het</strong> nastreven van de ontwikkeling van natuurdoeltypen zoals sinds 1990 vastgelegd in rijks- en<br />
provinciaal beleid blijft een belangrijk natuurbeleidsdoel. Bijstelling van de voor een gebied vastgestelde<br />
natuurdoeltypen aan nieuwe omstandigheden en inzichten is daarbij evenwel goed mogelijk.<br />
Natuurgebieden kunnen van grote en/of voldoende ecologische betekenis en belevingswaarde zijn terwijl<br />
daarop een agrarische bedrijfsfunctie mogelijk blijft. Particulier natuurbeheer is een realistische optie om de<br />
kwaliteitsdoelstellingen in het <strong>Zandmaas</strong>gebied te bereiken.<br />
Anderzijds menen wij dat het door de natuurbeherende instanties te voeren beheer met name ten aanzien<br />
van het aspect extensieve veehouderij nog een verdergaande ontwikkeling zou moeten doormaken, zodanig<br />
dat daarin een zelfstandige regionaal economische waarde kan worden onderkend. Meer samenhang in en<br />
vergroting van de in het gebied noodzakelijke kuddes bieden kansen voor het “Limburgs Wildernis Vlees”.<br />
5.2.3. Land- en tuinbouw<br />
Ten aanzien van de reactie van de LLTB namens de ondernemers van het Maasveld Velden merken wij op<br />
dat recent in overleg is besloten om tot een gezamenlijke intentieverklaring ten aanzien van de uitplaatsing<br />
van de betreffende tuinbouwbedrijven te komen. Wij menen met hen dat de samenhang en aan het gebied te<br />
verbinden kwaliteiten zodanig verbonden zijn met de doelstellingen van het <strong>meerjarenplan</strong> dat deze ontwikkeling<br />
daarin haar eigen plaats behoeft. Bij de verdere ontwikkeling van het cluster 2 zal deze gebiedsontwikkeling<br />
dan ook nadrukkelijker dan tot nu toe betrokken worden.<br />
Overigens geldt hetzelfde voor de gebiedsontwikkeling Laerbroek in cluster 1.<br />
De land- en tuinbouw is een factor van betekenis in het <strong>Zandmaas</strong>gebied. Niet alleen heeft de land- en tuinbouw<br />
een economische waarde voor het gebied (waaronder werkgelegenheid) maar is deze van belang voor<br />
de leefbaarheid van de kernen langs de Maas. De landbouw zorgt voor een landschappelijke openheid die<br />
karakteristiek is voor het <strong>Zandmaas</strong>gebied. Dit draagt - mede door ook eigen initiatieven vanuit de land- en<br />
tuinbouw - waardevol bij aan natuur en recreatie in het gebied. Ontwikkelingsruimte is voor blijvende bedrijven<br />
daarom essentieel om bovenstaande waarden te behouden.<br />
Ten aanzien van de LLTB wil de provincie het overleg dat onder het Meerjarenplan 2007 is begonnen op hun<br />
verzoek voortzetten ten einde te bezien of ter zake van het realiseren van bovengenoemde natuur hectares<br />
een convenant kan worden afgesloten.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
31
Voor de glastuinbouw in het winterbed van de Maas is het perspectief beperkt en op termijn nihil; om aan de<br />
veiligheidsnormen vanuit de rivier te voldoen, schade te voorkomen en bedrijfseconomische ontwikkelingsruimte<br />
mogelijk te maken zal sanering gekoppeld aan vervangende perspectieven buiten het winterbed van<br />
de Maas daarom noodzakelijk zijn. Om die reden worden de ontwikkelingslocaties Maasveld Velden en Laerbroek<br />
(waar sprake is van uitplaatsing van glastuinbouwbedrijven) bij het <strong>meerjarenplan</strong> betrokken. In het<br />
winterbed van de Maas is grondgebonden landbouw mogelijk én gewenst. Deze inpassing van de agrarische<br />
sector buitendijks kan ontwikkelingsgericht plaatsvinden met oog voor combinaties van landbouw met andere<br />
functies.<br />
Bij Broekhuizervorst<br />
De in het kader van het <strong>meerjarenplan</strong> 2007 uitgevoerde landbouwkundige analyse leert dat van de 25 projecten<br />
waarvan voldoende gegevens beschikbaar waren van de daarin opgenomen 3378 ha. groot, 1087 ha<br />
niet bedrijfsmatig in agrarisch gebruik waren. Deze hectares zijn verder buiten beschouwing gelaten. 2291 ha<br />
is volgens de Basis Registratie Percelen (BRP) gegevens wél agrarisch in gebruik, onderver<strong>deel</strong>d naar 1206<br />
ha bouwland, 1030 ha grasland, 51 ha braak, 3 ha natuurterrein en 1 ha overig.<br />
In het gebied hebben 261 land- en tuinbouwbedrijven grond in gebruik. 233 bedrijven zijn hoofdberoepbedrijven.<br />
Hiervan liggen 23 bedrijven met de bedrijfsgebouwen in de <strong>Zandmaas</strong> projectgebieden. De overige bedrijven<br />
hebben alleen gronden in het gebied. De belangrijkste sectoren zijn akkerbouw/vollegrondstuinbouw,<br />
melkvee/rundvee en boomkwekerijbedrijven.<br />
Na realisatie van alle <strong>Zandmaas</strong> projectgebieden zouden 4 bedrijven helemaal geen grond meer hebben.<br />
<strong>Het</strong> aantal bedrijven met meer dan 40 ha neemt met 40% af, terwijl het aantal bedrijven 10-40 ha nagenoeg<br />
gelijk blijft. <strong>Het</strong> aantal bedrijven met
<strong>Het</strong> verdient daarom aanbeveling om in het kader van de <strong>Zandmaas</strong> te bezien of en zo ja welke verruwing<br />
in het Maasdal tot de rivierkundige (on-)mogelijkheden behoort (en waar) en welke landbouw daarbij mogelijk<br />
is. In het <strong>Zandmaas</strong>gebied worden goede mogelijkheden onderkend voor duurzame beweidingsvormen<br />
(ook intensieve).<br />
Daarnaast moet bij de verdere ontwikkeling in aanmerking worden genomen dat het Maasdal specifieke<br />
(agrarische) kwaliteiten heeft die van invloed op de project-/gebiedsontwikkeling moeten kunnen zijn. Bij<br />
de ontwikkeling op clusterniveau kunnen de daarvoor door verschillende LLTB-afdelingen aangegeven gebruikskwaliteiten<br />
betrokken worden.<br />
Veer te Steijl. Foto: DLG<br />
5.2.4. Archeologie<br />
Uit de op grond van het besluit tot vaststelling van het <strong>meerjarenplan</strong> <strong>Zandmaas</strong> 2007 – 2015 van maart 2007<br />
uitgevoerde analyse ten aanzien van het thema archeologie bleek dat een aanzienlijke kostenpost voorzien<br />
kon worden indien - geredeneerd vanuit de op grond van het provinciaal beleid vastgestelde aandachtsgebieden<br />
- op de daarvoor in het <strong>Zandmaas</strong>gebied in aanmerking komende locaties (zie kaartbeeld) onderzoek<br />
zou worden gedaan dat geheel dekkend en risicovrij zou plaatsvinden.<br />
Aangezien een dergelijke kostenpost verhinderend zou zijn om de in het <strong>Zandmaas</strong>gebied voorziene ontwikkeling<br />
tot stand te brengen is omgezien naar mogelijke alternatieven, waarbij enerzijds gewaarborgd diende<br />
te worden dat de in het gebied aanwezige archeologische waarden mede in het licht van de moderne wet- en<br />
regelgeving voldoende gerespecteerd zouden worden, maar dat anderzijds ook de (uiteindelijk maatschappelijke)<br />
kosten zoveel mogelijk beperkt zouden worden. Aangezien deze kosten sterk afhankelijk zijn van de<br />
gevolgde onderzoeksmethodiek, werd daarover overleg gepleegd met de RACM, die in het kader van de<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
33
(RWS)Maaswerken nauw betrokken is bij het archeologisch onderzoek in het Limburgse Maasdal. Als kenniscentrum<br />
heeft de RACM een Wetenschappelijk Beleidsplan opgesteld voor het behoud en onderzoek van<br />
archeologische waarden in het Maasdal. Een belangrijk uitgangspunt daarvan is de landschapsgerichte aanpak:<br />
de archeologische relicten worden in samenhang met het omringende landschap onderzocht.<br />
Om inzicht te kunnen krijgen in de archeologische potentie en de landschappelijke opbouw van de op het<br />
kaartbeeld aangegeven gebieden dienen als eerste stap in een aan snee komend plangebied een inventariserend<br />
booronderzoek en een oppervlaktekartering uitgevoerd te worden. Een dergelijk onderzoek bevestigt<br />
al dan niet of een gebied rijk is aan archeologische sporen en vondsten uit de prehistorie tot en met de<br />
Nieuwe Tijd.<br />
Archeologisch onderzoek Lomm; Bron: Delfstoffen Combinatie Maasdal DCM<br />
Naast de vaststelling van de archeologische potentie van het in aanmerking komend onderzoeksgebied levert<br />
een dergelijk onderzoek een gedetailleerd beeld van de verschillende landschappelijke eenheden, waaraan<br />
weer verschillende verwachtingen verbonden kunnen worden.<br />
Uit een dergelijk onderzoek blijkt ook of het betreffende projectgebied vanwege (een grote) landschappelijke<br />
gaafheid en diversiteit èn vanwege het mogelijk grote archeologische potentieel al dan niet geschikt is voor<br />
een gebiedsgericht onderzoek met landschapsarcheologische vraagstellingen.<br />
Wanneer dat het geval blijkt, dan kan een onderzoeksstrategie gekozen worden zoals die is gevolgd in de opgraving<br />
Lomm fase 2, waarbij de RACM als bevoegd gezag heeft opgetreden.<br />
Deze onderzoeksstrategie is ontwikkeld om met beperkt beschikbare financiële middelen een optimale kennis<br />
over de bewoningsgeschiedenis en het landschapsgebruik te genereren. Door middel van profiel- en<br />
proefsleuven is eerst de potentie van de verschillende landschappelijke eenheden voor het beantwoorden<br />
van de onderzoeksvragen vastgesteld. Na evaluatie van de resultaten zijn, direct aansluitend, enkele gebieden<br />
geselecteerd die vlakdekkend zijn opgegraven. Deze werkwijze van gecombineerd proefsleuvenonderzoek<br />
en opgravingen is zeer succesvol gebleken en heeft een goed inzicht gegeven in de bewonings- en<br />
landschapsgeschiedenis van de prehistorie tot in de Nieuwe Tijd.<br />
34 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
Perspectief op 2015 - 2050<br />
35
Archeologisch onderzoek hoogwatergeul Lomm, Bron: Delfstoffen Combinatie Maasdal DCM<br />
Deze onderzoeksmethode sluit bovendien goed aan op de suggestie opgenomen in het Wetenschappelijk<br />
Beleidsplan (RACM) om per plan- (project)gebied enkele archeologische ‘vensters’ te openen. Een ‘archeologisch<br />
venster’ kan worden omschreven als een representatief <strong>deel</strong> van een landschappelijke eenheid dat<br />
vlakdekkend hetzij met boringen hetzij met proefgleuven, wordt onderzocht op de aanwezigheid van archeologische<br />
waarden/-relicten. Op die manier kunnen zowel in-site als off-site fenomenen in hun onderlinge samenhang<br />
en in hun landschappelijke context worden onderzocht.<br />
De provincie Limburg is er voorstander van om op een vergelijkbare, landschapsgerichte wijze om te gaan<br />
met de daarvoor volgens het kaartbeeld in aanmerking komende projectgebieden. Daardoor kan een belangrijke<br />
tijd- en kostenbesparing bereikt worden op, zonder afbreuk te doen aan de internationaal en nationaal<br />
ter zake van kwaliteit en kwantiteit gemaakte afspraken en daaruit afgeleide wet- en regelgeving. De wetenschappelijke<br />
kwaliteit wordt geborgd in een uitgekiend programma van eisen per projectgebied en door een<br />
intensieve wetenschappelijke begeleiding waarbij ook specialisten van universiteiten en de RACM zullen<br />
worden betrokken. Een dergelijke aanpak leidt globaal tot een kostenreductie tot 1/3 van het in de risicoanalyse<br />
geraamde bedrag aan (maatschappelijke) kosten.<br />
De Provincie Limburg treedt voor de ontgrondingen - die in het <strong>meerjarenplan</strong> <strong>Zandmaas</strong> 2 op zijn genomen<br />
- op als de bevoegde overheid met betrekking tot archeologie. In het bij dit <strong>meerjarenplan</strong> opgenomen kaartbeeld<br />
zijn de archeologische aandachtsgebieden aangewezen, hetgeen tevens betekent dat de archeologische<br />
waarden in deze gebieden (ook ) van provinciaal belang worden geacht.<br />
Ten aanzien van het aspect archeologie is laatstelijk op 7 november 2007 een samenwerkingsovereenkomst<br />
tussen Rijkswaterstaat (RWS) en de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten betreffende<br />
“archeologisch onderzoek en vondsten bij de uitvoering van werken” gesloten, de zogenoemde 1% regeling.<br />
Nu gebleken is dat met <strong>Zandmaas</strong> 2 en een proactieve doorwerking van klimaatverandering niet alleen<br />
een regionaal maar ook een nationaal belang substantieel gediend wordt, meent de provincie dat van<br />
rijkszijde de faciliteiten van deze regeling onverkort op de hier aan de orde zijnde werken van toepassing zouden<br />
moeten zijn. Zulks is goed mogelijk door inbreng van de kant van Rijkswaterstaat in de samenwerking die<br />
per project(-gebied) wordt nagestreefd.<br />
36 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
5.5. Wonen<br />
De bevolkingsontwikkeling tot 2050 is slechts trendmatig in te schatten. Behalve een toe- of afname zal ook<br />
de bevolkingssamenstelling veranderen. Limburg vergrijst. Maar ook de bevolking elders in Nederland en<br />
West-Europa vergrijst. Dit betekent dat de woonwensen zich meer richten op wonen voor ouderen. Daar liggen<br />
kansen voor het <strong>Zandmaas</strong> gebied omdat een rivierengebied kwalitatief grote potentie heeft voor aangenaam<br />
wonen.<br />
Venlo en Roermond zijn echter ook steden waar de economische ontwikkeling zal doorgaan. Dat betekent<br />
dat een aantrekkelijke woonomgeving belangrijk is.<br />
Bij de ontwikkelingskansen moet er oog zijn voor het onderscheid stedelijk en landelijk wonen (in de dorpen)<br />
en is ook het onderscheid tussen binnen- en buitendijks wonen relevant. Met name in de dorpen is een harmonische<br />
ontwikkeling met het behoud van kansen voor de sociale structuur een belangrijk aandachtspunt.<br />
Daarenboven geldt met name voor de dorpen dat een versterking van het historisch vestigingspatroon onder<br />
meer met woningbouw tot de mogelijkheden kan behoren.<br />
Wonen: Maasveld Tegelen.<br />
5.6. Grondstromen<br />
Op voorhand lijkt voor realisatie van de projecten uit het <strong>meerjarenplan</strong> 2007 geen tekort aan bergingscapaciteit.<br />
Wel een mogelijk overschot. Daarbij moet in aanmerking genomen worden dat ca 10 mln. m3 naar andere<br />
locaties zal moeten worden getransporteerd. Clustering van diverse projecten ligt hierbij voor de hand<br />
en is sterk afhankelijk van de tijdsplanning. Bij uitvoering van IVM (tot 2050) kan wel een tekort ontstaan. De<br />
provincie meent dat de ondercapaciteit voor IVM nu in de overcapaciteit van <strong>Zandmaas</strong> 2 kan worden uitgenut.<br />
De provincie is bereid om in het vervolgtraject ten behoeve van het grondverzet, dat in het kader van IVM<br />
noodzakelijk zal blijken, in samenspraak met het rijk (RWS) tot oplossingsrichtingen te komen.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
37
Hoogwatergeul Lomm in uitvoering. Foto: Delfstoffen Combinatie Maasdal<br />
5.7. Recreatie<br />
Door de toenemende welvaart en de vergrijzing wordt de recreatiesector van steeds groter belang. Dat geldt<br />
ook voor de daarbij betrokken werkgelegenheid. Juist langs de Maas zijn er voor recreatie aan daaraan verbonden<br />
werkgelegenheid grote potenties. Naast continuïteit en sanering zijn nieuwe recreatie-markten van<br />
betekenis.<br />
De Provincie benadert de recreatiesector vanuit een brede focus onder de noemer leisure. Daar binnen stimuleren<br />
wij economische ontwikkelingen op het raakvlak van toerisme en recreatie, cultuur, landschap en<br />
natuur, sport, retail en evenementen. Van belang is dat er voldoende innovatie en vernieuwing plaatsvindt<br />
bij het bedrijfsleven binnen die sectoren en dat op regionaal schaalniveau organiserend vermogen ontstaat.<br />
<strong>Het</strong> is aan de regio’s om in afstemming met het provinciaal en ander relevant beleid (waaronder het Beheerplan<br />
Rijkswateren) te komen tot initiatief en doorzettingskracht waarin zij de gewenste ruimtelijke en economische<br />
ontwikkelingen weergeven.<br />
In het noordelijk Maasdal is met name de zichtbaarheid en beleving van de Maas als landschappelijk en toeristisch<br />
element een aandachtspunt. Daarnaast zijn er diverse locaties waar mogelijk nog ontwikkelingen<br />
plaats kunnen vinden. <strong>Het</strong> gaat met name om oude en nieuwe vergravingsgebieden zoals Leukermeer en<br />
Mookerplas. Ook biedt de rivierverruiming kansen voor toeristisch recreatieve en zo mogelijk ook economische<br />
ontwikkelingen. De reactivering van de oude Maasarm is daarvan een goed voorbeeld. Binnen deze<br />
ontwikkelingen is aandacht voor bestaande bedrijven nodig juist om deze tot innovaties en vernieuwing te<br />
brengen, maar ook om recente investeringen zo duurzaam mogelijk uit te nutten.<br />
38 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
Dagje stappen<br />
<strong>Het</strong> betreft de diverse vormen van recreatie: water, dagrecreatie, verblijfsrecreatie, recreatieve ontsluiting etc.<br />
Binnen de gebiedsontwikkelingen/clusters moet rekening gehouden worden met de gewenste ruimtelijke en<br />
economische ontwikkelingen voor de recreatie en deze dienen opgenomen te worden. <strong>Het</strong> stimuleren en benutten<br />
van private partijen is hierbij van belang. De ervaringen binnen de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum<br />
kunnen hierbij benut worden.<br />
Bij de doorontwikkeling van de betreffende clusters kan goed betrokken worden dat op grond van het Beheerplan<br />
Rijkswateren Rijkswaterstaat een aanzienlijk aanvullende inzet wil plegen om als rivierbeheerder voor<br />
de recreatievaart op en rond het water een goed gastheer te zijn.<br />
Spelevaren<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
39
5.8. Werken<br />
Naast de specifieke werkgebieden van Roermond en Venlo zijn er in het <strong>Zandmaas</strong>gebied ook lokale en regionale<br />
werkgebieden die potentieel een <strong>deel</strong> van de werkzame bevolking aan zich kunnen binden en die – in<br />
economisch opzicht – als kansrijk kunnen worden gezien. In dat kader zijn met name ook de Regionale Overslag<br />
Centra van Heijen en Wanssum van belang.<br />
Daarnaast acht de provincie de werkgelegenheid verbonden aan de functies in het rivierbed en de daaraan<br />
verbonden werken van betekenis. Op projectniveau zal deze concreet in beeld kunnen komen en bij de besluitvorming<br />
betrokken kunnen worden.<br />
5.9 Transport<br />
5.9.1. Scheepvaart<br />
De Maas is een belangrijke vaarroute voor vrachtvervoer. Deze functie is niet enkel – ook historisch - van<br />
betekenis voor het vervoer van Limburgse delfstoffen (vroeger vooral kolen, later ook mergel/cement en tegenwoordig<br />
vooral grind en zand) maar ook om de model-split van het weg verkeer te beïnvloeden (containervervoer),<br />
de aan- en afvoer van DSM en niet op de laatste plaats de aan- en afvoer van het zich economisch<br />
aan het herstructurerend Wallonië. Daarom blijven ook de (beroeps-) nautische aspecten van de Maas<br />
van belang.<br />
De Maas een Scheepvaartroute. Foto: DLG<br />
40 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
5.9.2. Kabels en leidingen<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
41
Op veel punten langs de Maas liggen kabels en leidingen die mogelijk de uitvoering van projecten belemmeren<br />
en ten minste ernstig kostenverhogend kunnen zijn.<br />
Zie bijgaande kaart die hiervan een beeld geeft. <strong>Het</strong> verdiepen van kabels en leidingen bij vergravingen is<br />
een hoge kostenpost waar terdege rekening mee moet worden gehouden. De provincie is van mening dat<br />
daarbij naast een maatschappelijke verantwoordelijkheid van de leidingbeheerders ook hier een nationaal<br />
belang gediend wordt waarbij via Rijkswaterstaat Directie Limburg – als rivierbeheerder - nationale faciliteiten<br />
ingezet zouden moeten kunnen worden. <strong>Het</strong> gaat daarbij met name om de “Na<strong>deel</strong>compensatieregeling verleggen<br />
kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorweg-werken 1999 (NKL 1999)”.<br />
Waar werken aan de orde zijn, zouden de betreffende kabels en leidingen op een duurzame diepte en breedte<br />
(IVM-klaar) klimaatbestendig en duurzaam gelegd moeten worden. De provincie verwacht van de kabelen<br />
leidingenbeheerders dat zij in het kader van hun planning van grootonderhoud en vervangingsinvesteringen<br />
ontwerpen en uitvoeren op de tijdshorizon zoals die vanuit het klimaatbeleid overzien kan worden, zodat<br />
ten minste rekening wordt gehouden met de situatie 2050-2100.<br />
Daarenboven zullen de beheerders van deze kabels en leidingen ook moeten borgen dat in geval van hoogwaters<br />
de nuts- en ict voorzieningen kunnen blijven functioneren. In samenspraak met rijksvertegenwoordigers<br />
willen de provincie (mede om inhoud te geven aan de rijksvisie die is neergelegd in ontwerp (rijks-)beleidsnota<br />
waterveiligheid) tot een gestructureerd overleg met de beheerders komen zodat afstemming en zo<br />
mogelijk versterking van de gebiedsontwikkelingen mogelijk wordt.<br />
42 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
6. Samenhang <strong>Zandmaas</strong> 2, Pakket 1,<br />
VNK2 en IVM<br />
6.1. Integrale Verkenning Maas<br />
De Integrale Verkenning Maas heeft in 2006 geleid tot een regeringstandpunt en biedt als studieresultaat<br />
een doorzicht op de lange termijn ontwikkeling van de Maasvallei op Nederlands grondgebied. <strong>Het</strong> regeringsstandpunt,<br />
dat doorwerkt in de beleidslijn Grote Rivieren en dat mede aanleiding is geweest om in het<br />
Provinciaal Omgevingplan Limburg 2006 het gebied ten behoeve van het “veerkrachtig watersysteem Maas”<br />
expliciet aan te geven, is voor wat de provincie betreft met name van belang als onderligger voor het in de<br />
(noordelijke) Maasvallei te voeren klimaatbeleid. Theoretisch is er bij de studie naar de mogelijkheden van<br />
maatregelen vanuit gegaan dat <strong>Zandmaas</strong> 1 en 2 uitgevoerd zouden zijn. Hoewel de atlas bij IVM een groot<br />
aantal aanvullende maatregelen inventariseert, die nu ook in dit <strong>meerjarenplan</strong> expliciet en met kaarten in<br />
beeld worden gebracht, gaat het in essentie om een grote hoeveelheid grondverzet waardoor voldoende<br />
ruimte wordt geboden om groeiende hoogwaters af te voeren. IVM maatregelen en <strong>Zandmaas</strong> 2 maatregelen<br />
overlappen elkaar veelal op locatie. Drie elementen zijn bij de doorwerking van IVM inmiddels van belang<br />
gebleken.<br />
6.1.1. Doorstroomprofiel<br />
In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat het stroomvoerend profiel van de Maas met 250 m2 vergroot<br />
dient te worden. Naarmate die verruiming dichter bij of aangrenzend aan de rivier plaatsvindt, des te groter<br />
is het effect. Deze profielverruiming moet bij de ontwerpeisen ten aanzien van de clusters betrokken worden<br />
en wel zodanig dat deze zoveel als mogelijk gerealiseerd wordt en in geen geval onmogelijk mag worden<br />
gemaakt.<br />
6.1.2. Gebiedsknelpunten<br />
Al meer malen – zoals bijvoorbeeld ten aanzien van de glastuinbouw ter hoogte van Velden, maar ook in het<br />
kader van het gebiedsatelier Baarlo – is bij gebiedsanalyses mede aan de hand van de inmiddels beschikbaar<br />
gekomen overstromingsrisico modellen gebleken dat zich in verschillende ontwikkelingsgebieden soms<br />
zodanig grote obstructies (gebiedsknelpunten) voor de rivier voordoen dat het gerechtvaardigd is daaraan<br />
en aan de sanering daarvan bijzondere aandacht te besteden. De sanering van dergelijke obstructies levert<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
43
een onevenredig grote bijdrage aan het rivierbelang zodat het veelal gerechtvaardigd lijkt daaraan bij de gebiedsontwikkeling<br />
prioriteit te geven. Dit is te meer van belang omdat daarmee tevens in de betreffende gebieden<br />
zelf concreet inhoud kan worden gegeven aan het noodzakelijk transformatieproces. Daarmee wordt<br />
tevens tegemoet gekomen aan de op grond van het ontwerp Nationaal Waterplan bij het rijk levende behoefte<br />
om inzicht te krijgen in belemmeringen binnen het rivierbed die in het kader van de lange termijn doelen<br />
relevant (kunnen) zijn.<br />
6.1.3. Kosten effectiviteit IVM verbeteren met <strong>Zandmaas</strong> 2<br />
Al bij de vaststelling van <strong>Zandmaas</strong> <strong>II</strong> - 2007 is als uitgangspunt gekozen de hinder voor de omgeving zoveel<br />
mogelijk te beperken en de mogelijkheden van bouwgrondstoffenwinning te optimaliseren. Dit brengt met<br />
zich dat winningsmogelijkheden zoveel als mogelijk moeten worden uitgenut en daarmee vrijkomende bergingscapaciteit<br />
zoveel als mogelijk benut moet worden. Een proactieve uitvoering van anders enkel onrendabele<br />
IVM maatregelen kan daaraan, aanzienlijk kosteneffectiever, een substantiële bijdrage leveren.<br />
6.2. Samenhang met Pakket I – projectopdracht RWS Maaswerken<br />
Onderkend wordt dat de projectopdracht van RWS Maaswerken voor hetgeen nu en op korte termijn binnen<br />
dat pakket aan de orde komt voor RWS Maaswerken richtinggevend moet zijn.<br />
Met het verschuiven van het ontwikkelingsperspectief voor dit <strong>deel</strong> van de Maasvallei treden ten aanzien van<br />
de projectopdracht van RWS Maaswerken verschuivingen op die ten minste onderkend en naar de mening<br />
van de provincie ook op korte termijn opgelost moeten worden. <strong>Het</strong> onverkort en inhoudelijk rigide uitvoeren<br />
van deze projectopdrachten leidt nu en in de toekomst tot situaties die immers hetzij zonder meer in strijd met<br />
het rijks- en provinciaal beleid moeten worden geacht, hetzij toekomstig gewenste ontwikkelingen aanzienlijk<br />
zouden compliceren. Dat geldt zowel hun inhoud als de aan de betreffende projectopdrachten verbonden<br />
budgetten, respectievelijk in de toekomst vereiste budgetten.<br />
Daarbij doen zich, zoals dat nu overzien kan worden, twee onderwerpen voor waarbij dat het geval zou<br />
kunnen zijn.<br />
6.2.1. Natuurvriendelijke oevers<br />
De realisatie van deze natuurvriendelijke oevers kan aan de organisatie en uitvoering van deze verder gaande<br />
maatregelen aanzienlijk in de weg staan. Nadere afstemming en flexibilisering van de scope van RWS<br />
Maaswerken lijkt daarom gewenst. Ten aanzien van het beleid met betrekking tot natuurvriendelijke oevers<br />
konden en kunnen wij – mede tegen de achtergrond van de Kaderrichtlijn Water en het op grond daarvan tot<br />
stand gekomen (stroomgebied ontwerp-)beheerplan op beleidsniveau - geheel instemmen. Naar ons oor<strong>deel</strong><br />
behoort de invulling daarvan echter op twee manieren beïnvloed te (kunnen) worden. Op de eerste plaats<br />
vindt de provincie dat natuurvriendelijke oevers mede moeten kunnen worden aangewend voor particulier/<br />
agrarisch natuur beheer. Dit brengt met zich dat niet onder alle omstandigheden tot verwerving door de<br />
overheid (al dan niet gevolgd door beheer door een natuurbeherende instantie) hoeft te worden overgegaan.<br />
Op de tweede plaats zijn natuurvriendelijke oevers op grond van het in 2002 vastgestelde Tracébesluit/POLaanvulling<br />
<strong>Zandmaas</strong> geprojecteerd in gebieden waarvan nu onderkend moet worden dat zij in aanmerking<br />
komen voor aanzienlijk wezenlijker transformatieprocessen terwijl RWS Maaswerken zich – vanuit haar opdracht<br />
volstrekt terecht – uitsluitend richt op verwerving van de betrokken oever gronden en realisatie van<br />
haar projectdoelstelling. In het kader van de clusteruitwerking kan voldoende expliciet worden gemaakt hoe<br />
44 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
en waar natuurvriendelijke oevers op korte termijn gerealiseerd kunnen worden en hoe en waar deze op langere<br />
termijn aan de orde zullen (kunnen) zijn. Om die reden meent de provincie dat het ministerie van Verkeer<br />
en Waterstaat de projectopdracht aan RWS Maaswerken moeten willen nuanceren.<br />
6.6.2. Sluitstukkaden<br />
Momenteel wordt door RWS Maaswerken in overleg met de waterschappen, de provincie en RWS Directie<br />
Limburg onderzoek gedaan naar de invulling van het hoofdstuk “sluitstukkaden”, dat er in moet voorzien dat<br />
per 2015 in Limburg het wettelijk veiligheidsniveau kan worden opgeleverd.<br />
Zonder los te laten dat het wettelijk veiligheidsniveau (conform de rijksgarantie) inderdaad ultimo 2015 voor<br />
het <strong>Zandmaas</strong>gebied moet worden opgeleverd menen wij dat bij de uitewerking van de sluitstukkaden moet<br />
worden betrokken hoe deze zich verhoudt met te nemen IVM maatregelen én dient geborgd te worden dat<br />
er geen werken in uitvoering worden genomen die aan een kosteneffectieve invulling van <strong>Zandmaas</strong> 2 en/of<br />
IVM in de weg zouden kunnen staan.<br />
Zoals al in het ontwerp van het <strong>meerjarenplan</strong> aangegeven moet als uitgangspunt gelden dat de DGR- kaden<br />
zoals die in Limburg zijn aangelegd gezien moeten worden als een tijdelijke voorziening ten einde – anticiperend<br />
op een veiligheidsniveau van 1:250 – een veiligheidsniveau van 1:50 als noodvoorziening tussentijds<br />
te borgen. Bij de vaststelling van de Verordening waterkering Limburg hebben Provinciale Staten dan ook<br />
mede betrokken dat de daarin aangeven belijningen/tracé’s zolang de Maasvallei in ontwikkeling is aan veranderingen<br />
onderhevig zullen kunnen zijn. Ook hebben wij aangegeven dat wij menen dat de belijning zoals<br />
die in de bijlage bij de Wet op de waterkering is opgenomen die van de (toekomstige) werkelijkheid behoren<br />
te volgen. Dit kan op basis van de Verordening. Pas met de brief van de staatssecretaris van Verkeer<br />
en Waterstaat van het vroege voorjaar van 2008 aan de Tweede Kamer is het onder<strong>deel</strong> sluitstukkaden actueel<br />
geworden. Aangezien het bij de “sluitstukkaden” om werken gaat met een levensduur van ten minste<br />
50 tot 100 jaar dient de uiteindelijke invulling proactief ook op die termijn gericht te worden, zijnde de termijn<br />
waarop ook de ontwikkeling zoals die in het <strong>meerjarenplan</strong> <strong>Zandmaas</strong> respectievelijk de Integrale Verkenning<br />
Maas is bedoeld, is gericht. Dit kan betekenen dat daar waar de gebiedsateliers voor de cluster 1 tot en<br />
met 5 tot andere dijktracé’s concluderen dan de huidige (tijdelijke) tracé’s van de DGR-kaden, deze resultante<br />
voor realisatie in aanmerking moet komen. Een andere ontwikkelingsrichting zou immers met zich brengen<br />
dat onderdelen van de plannen voor de sluitstukkaden niet goedgekeurd zouden (mogen) worden of dat op<br />
afzienbare termijn kapitaal vernietiging zou (moeten gaan) plaatsvinden. Een dergelijke opzet vindt de provincie<br />
maatschappelijk en bestuurlijk ongewenst. De provincie meent dan ook dat de projectopdracht van RWS<br />
Maaswerken ten aanzien van de sluitstukkaden in overleg met de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat<br />
ten aanzien van de realisatie van deze werken nuancering behoeft. De sluitstukkades moeten gezien worden<br />
als de keringen die het sluitstuk vormen van een duurzaam en klimaatbestendig zoveel als mogelijk op de natuurlijke<br />
processen aansluitend riviersysteem.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
45
Venlo 1993<br />
46 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
7. Strategie, gericht op sturing en<br />
aanpak<br />
7.1. Strategie<br />
Om te komen tot uitvoering bepalen de volgende uitgangspunten de strategie, zijnde ons sturingsinstrument:<br />
een integrale gebiedsgerichte benadering. <strong>Het</strong> streven is een transformatieproces per gebied dat dus<br />
breder is dan alleen veiligheid of natuur en dat ook letterlijk breder is dan alleen de Maasoevers. Geen<br />
sectorale ontwikkeling maar gebiedsontwikkeling, met het gezicht gekeerd naar de Maas, staat centraal<br />
toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkelingen met name op het gebied van hoogwaterbescherming<br />
(IVM-bestendig)<br />
initiatieven moeten de ruimtelijke kwaliteit van het gebied verhogen<br />
een flexibele aanpak; géén vastgelegd masterplan voor het hele <strong>Zandmaas</strong>gebied maar clustering binnen<br />
rivierkundig en civieltechnisch logische eenheden tot brede gebiedsontwikkelingen<br />
maximaal benutten van private initiatieven<br />
medefinanciering en realisatie uiterlijk in 2015 zijn bepalende criteria voor de inzet van bepaalde instrumenten<br />
op korte termijn (bijvoorbeeld de EHS-begrenzing en de inzet van de Veermangelden)<br />
medefinanciering en realisatie voor de termijn van na 2015 is nuttig en nodig en kan substantiële effecten<br />
op de kosteneffectiviteit op lange termijn hebben.<br />
De provincie onderscheidt initiatieven van:<br />
1. Private partijen<br />
Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld bouwgrondstoffenwinners, projectontwikkelaars en maatschappelijke<br />
organisaties als b.v. Stichting Limburgs Landschap. De provincie kan deze private initiatieven<br />
faciliteren met beleidsruimte bijvoorbeeld op het gebied van RO-beleid en vergunningen. <strong>Het</strong> betreft<br />
bij voorkeur een cluster van projecten waar tussen projecten vereffening van kosten en opbrengsten<br />
plaatsvindt. Indien nodig en wenselijk kan een beperkte bijdrage voor bijvoorbeeld een specifiek onder<strong>deel</strong><br />
van het project worden toegekend.<br />
2.<br />
Overheden<br />
Indien het initiatief voor een private partij niet aantrekkelijk is en het een publiek doel betreft (bijvoorbeeld<br />
sterk ecologisch getinte nevengeulen of maatregelen op gronden van de overheid) dan zal een overheid<br />
het initiatief kunnen/moeten oppakken.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
47
7.2. Wat oppakken<br />
Maatregelen passen binnen robuuste veerkrachtige watersystemen zoals, hoogwatergeulen, rivierverruimingen,<br />
rivierverdiepingen, weerdverlagingen en nevengeulen, daar waar noodzakelijk afgesloten door dijkringgebieden.<br />
Wenselijke ontwerpuitgangspunten hierbij zijn:<br />
1. knelpunten op systeemniveau (bijvoorbeeld spoorbrug Buggenum of Oeffelt).<br />
2. IVM (bij systeemknelpunten met overmaat)<br />
3. gebiedsontwikkeling ten minste IVM-proof en onder omstandigheden IVM-klaar<br />
4. knelpunten op gebiedsniveau (bijvoorbeeld Laerbroeck en Maasdal Velden)<br />
5.<br />
6.<br />
7.<br />
ontwikkelbaar rivierprofiel<br />
voorkomen kapitaalvernietiging voor 2050 (duurzaamheidscriteria)<br />
restant bergingscapaciteit ten behoeve van IVMmaatregelen.<br />
7.3 Hoe oppakken<br />
7.3.1. Inzet en aanpak<br />
De provincie kiest ten aanzien van de wijze van aanpak van projecten voor:<br />
1. integrale gebiedsontwikkeling bij voorkeur voor een (<strong>deel</strong>)cluster van projecten. Dit biedt handvatten om<br />
met alle betrokken partijen (publiek en privaat) stapsgewijs tot een goede en financieel optimale ontwikkeling<br />
te komen via gebiedsverkenning en intentieovereenkomst. Dit kan uitmonden in een gebiedsconcessie<br />
danwel PPS-samenwerking<br />
2. zelfrealisatie waar mogelijk; dit betekent dat de provincie beleidsmatig faciliteert maar in principe geen financiële<br />
bijdragen levert. Denk hierbij aan zandwinning gecombineerd met de realisatie van een natuurgebied<br />
dat substantieel bijdraagt aan veiligheid en ruimte biedt voor recreatie<br />
3. aanbesteden door overheid waar nodig; dit kan indien de grond in handen is van de overheid en het project<br />
sterk gericht is op overheidsdoelen.<br />
7.3.2. Ontwikkelingsproces<br />
<strong>Het</strong> ontwikkelingsproces dat wij voorstaan zien wij als volgt in vijf fasen:<br />
1. de fase van voorverkenning<br />
waarin met name naast de impact van de (groei van de) rivier de overige urgenties van het gebied worden<br />
geanalyseerd, de kansen en dilemma’s in beeld worden gebracht en de mogelijkheden voor bestuurlijke samenwerking<br />
worden verkend. In deze fase hebben ook een eerste financiële en markverkenning een plaats<br />
en een voorlopige juridische analyse op basis waarvan een vervolgstap kan worden ingericht.<br />
Deze fase wordt ingezet door de overheid(-heden) ongeacht of in het betreffende gebied al private initiatieven<br />
aan de orde zijn. Mocht dat het geval zijn dan worden zij bij deze startfase van de gebiedsontwikkeling<br />
betrokken.<br />
2.de fase van verkenning<br />
Waarin een (globaal) programma van eisen voor het gebied ontwikkeld wordt een (globale) financiële analyse<br />
wordt gemaakt en een eerste (globale) maatschappelijke kosten batenanalyse alsmede - na marktconsul-<br />
48 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
tatie - de organisatievorm naar realisatie en beheer wordt verkend. <strong>Het</strong> programma van eisen kan tevens gezien<br />
worden als ontwikkelingsprogramma.<br />
De ateliers voor de clusters omvatten in principe deze twee eerste fasen.<br />
Op basis hiervan kan een overeenkomst tot samenwerking tussen de betrokken overheden tot stand komen<br />
en daarop volgend eventueel een overeenkomst tussen overheid, gebiedspartijen en/of het bedrijfsleven.<br />
3. planfase<br />
Vervolgens komt de planfase aan de orde waarin het ruimtelijk ontwerp wordt geconcretiseerd het als dan<br />
niet aan de orde zijnde grondbeleid en het overig in te zetten juridisch instrumentarium wordt geëxpliciteerd<br />
en geactiveerd.<br />
Uitvoeringsstrategie (inclusief eventuele fasering) tezamen met een risicoanalyse zijn tevens het resultaat<br />
van deze fase. De maatschappelijke kosten-baten analyse van fase 2 wordt daarvoor verfijnd.<br />
Deze fase leidt tot die van realisatie en wordt dan ook in voorkomende gevallen afgerond met realisatieovereenkomsten,<br />
hetzij tussen overheden en opdrachtnemers hetzij tussen overheid en zelfrealisatoren, hetzij in<br />
een combinatie daarvan.<br />
4. realisatiefase<br />
In de realisatiefase wordt vergunning verleend en uitgevoerd.<br />
5. beheerfase<br />
In de beheerfase kunnen eventuele eigendomsoverdrachten en de financiële eindafwikkeling plaats vinden<br />
tezamen met (elementen van) evaluatie (“lessons learned”) en markering van het doelbereik.<br />
Voor het hele traject hecht de provincie aan communicatie naar betrokken partijen waaronder de bewoners<br />
en gebruikers van het betrokken gebied.<br />
Bij de afronding van fase 2 en 3 respectievelijk de start van fase 3 en 4 is publieke algemeen gelegitimeerde<br />
besluitvorming (gemeenteraden en provinciale staten) aan de orde.<br />
Dit ontwikkelingproces, dat gericht is op de lange termijn, mag de huidige “onderhanden” werken voor realisatie<br />
van de overeenkomst natuurrealisatie <strong>Zandmaas</strong> (de inzet van de zogenoemde M€ 40 Veermangelden)<br />
niet vertragen.<br />
7.3.3. Overheid – sectoren en bedrijfsleven<br />
Op 14 mei 2008 presenteerde de Commissie Fundamentele Verkenning Bouw (de zogenoemde commissie<br />
Dekker) haar advies “Privaat wat kan, publiek wat moet, vertrouwen en verantwoordelijkheid in het bouwproces”<br />
aan de regering. Op 16 juli 2008 heeft het kabinet een eerste reactie daarop aan de Tweede Kamer<br />
gestuurd. De commissie constateert dat er bij gebiedsontwikkeling door de bank genomen veel tijd is verstreken<br />
voordat de schop de grond in gaat. De oorzaak van deze traagheid ligt volgens de commissie in<br />
geworstel met EU-aanbestedingsregels, bestuurlijke drukte vanaf de initiatief- tot de onderhoudsfase, politieke<br />
discontinuïteit op alle niveaus en een hybriede sturingsmodel waardoor de integrale verantwoordelijkheid<br />
onhelder wordt. Juist deze onduidelijkheden komen het vertrouwen tussen overheden en bouw(bedrijfsleven)<br />
niet ten goede. Om die reden acht de commissie experimenteerruimte voor gebiedsconcessies nodig, waar-<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
49
ij een gebiedsconcessie wordt omschreven als een instrument waarbij publieke partijen de volledige verantwoordelijkheid<br />
hebben voor het proces tot en met een structuurvisie. Daarna nemen private partijen het stokje<br />
over. Overheden en marktpartijen zouden zo, naar de mening van de commissie, doen waar ze goed in<br />
zijn: stellen en legitimeren van kaders respectievelijk innoveren en ondernemen.<br />
De commissie ziet gebiedsconcessies als ultimiem instrument voor duurzame gebiedsontwikkeling.<br />
In haar reactie aan de Tweede Kamer heeft het kabinet aangegeven om binnen de bestaande wet- en regelgeving<br />
aan experimenten ten aanzien van de gebiedsconcessie medewerking te willen verlenen.<br />
Daarop volgend vergelijkend onderzoek binnen een zestal EU landen (“Anders maar niet beter”) leerde in de<br />
zomer van 2008 dat allen met verschillende van de gesignaleerde “probleemvelden” van doen hadden en dat<br />
in essentie cultuur(-verschillen) bepalend zijn voor de mate waarin dat het geval is.<br />
Ten aanzien van de gebiedsontwikkeling Ooyen-Wanssum (cluster 3) hebben de provincie en de regio bij het<br />
kabinet aangegeven beschikbaar te zijn voor een experiment met een gebiedsconcessie. Nu dat deze geen<br />
aanvullende ruimte in wet- en/of regelgeving zal krijgen vertaalt de provincie dat door een concessieachtige<br />
benadering die zoveel mogelijk aan de door de Commissie Dekker gesignaleerde problematiek tegemoet<br />
komt.<br />
Transparantie van en door de overheid is daarbij van groot belang, maar datzelfde geldt ook voor het bedrijfsleven.<br />
Aan de hand van de gebiedsprocessen zoals die binnen het <strong>Zandmaas</strong>gebied aan de orde zijn is een<br />
streven naar innovaties en het zoeken van leerpunten om wet- en regelgeving te verbeteren dan ook voor wat<br />
de provincie betreft aan de orde. Zowel in de totstandkoming van het Grensmaasproject als bij de al opgedane<br />
ervaringen in het <strong>Zandmaas</strong>gebied is gebleken hoezeer cultuurverschillen tussen overheden onderling<br />
algemene en sectorale overheden en de secotoren zoals die zich in de samenleving hebben georganiseerd,<br />
tot vertraging en – al dan niet op communicatie berustende – misverstanden kunnen leiden. De geschiedenis<br />
van de deregulering zoals die zich sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw ontwikkeld heeft leert eveneens dat<br />
ook herregulering inhoudelijk tot verzwaring van de regeldruk kan leiden en dat met verschuiving en ontwikkeling<br />
van de verschillende bestuurlijke culturen ook de bestuurlijke drukte eerder toe dan af neemt. De provincie<br />
meent aan dit streven naar innovatie en structuurverbetering inhoud te kunnen geven door haar rol als<br />
“middenbestuur” tussen regering en lokale overheden in te vullen zoals in dit <strong>meerjarenplan</strong> omschreven.<br />
Aandachtpunten zijn daarbij:<br />
hybride sturingsmodel<br />
onzekerheid door Europees aanbestedingsregime<br />
onzekerheid door juridische interpretatie van staatssteun<br />
stapeling van publieke verantwoordingsplicht<br />
bestuurlijke drukte door groot aantal publieke actoren<br />
onwennigheid met werken binnen duale politiek<br />
nemen van risico’s in relatie tot de kans op rendement<br />
geworstel met grondposities en fors opgedreven grondprijzen<br />
stapeling van instrumentarium en behoefte aan nieuwe instrumenten<br />
opnieuw bouwen aan onderling vertrouwen tussen publiek en privaat.<br />
50 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
“Middenbestuur” en de daarbij behorende functie van “regisseur in bestuurlijke processen” betekent ook een<br />
bijzondere positie in relatie tot de stands- en sectorale organisaties in de provincie. Deze is – gelet op het<br />
aantal aandachtpunten en de complexe wet- en regelgeving in het gebied van de Maasvallei noch eenvoudig<br />
noch eenduidig. <strong>Het</strong> is dan ook bijna vanzelfsprekend dat het binnen bereik brengen van de korte en lange<br />
termijn ambities alleen dan bereikt kunnen worden wanneer niet alleen de overheden eenduidig en op de<br />
doelstellingen/resultaten samenwerken, maar ook de betrokken stands- en sectorale organisaties en het bedrijfsleven<br />
daaraan meewerken en hun mogelijke bijdrage leveren. <strong>Het</strong> is daarbij naar onze mening een uitdaging<br />
om korte en lange termijn belangen zo goed als mogelijk in perspectief te brengen.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
51
Weerd ten noorden van Kessel. Foto Maai ke Vellinga 2008<br />
52 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
8. Potentiële projecten/initiatieven en<br />
clustering<br />
Er zijn op dit moment tientallen projecten en initiatieven bekend in het <strong>Zandmaas</strong> gebied. <strong>Het</strong> stadium van<br />
deze projecten varieert van een idee tot uitgewerkte plannen die klaar zijn voor vergunningaanvragen. <strong>Het</strong><br />
betreft grote en kleine projecten, initiatieven van private partijen maar ook van overheden, goedkope en dure<br />
projecten, sterk op veiligheid of natuur gericht of juist op zandwinning.<br />
Voor een goede sturing op uitvoering van <strong>Zandmaas</strong> 2 is het nodig inzicht te hebben in in ieder geval de<br />
plan- en uitvoeringsperiode, waterstandseffect, IVM-bestendigheid, natuur-, landbouw- en recreatieperspectief,<br />
kosten, opbrengsten, financieringsmogelijkheden, initiatiefnemers en koppelingsmogelijkheden. Dan<br />
ontstaat een beeld van de projecten tot 2015 en projecten na 2015. Dit onderscheid is gewenst om het instrumentarium<br />
dat tot 2015 beschikbaar is (460 ha extra EHS, Veermangelden) gericht in te zetten. Een aantal<br />
van de projecten zal ongeacht de inzet van de provincie tot stand komen. Anderen zullen van de provincie<br />
vragen om op een of andere manier gefaciliteerd te worden. Telkens kunnen er nieuwe projecten bijkomen<br />
maar ook projecten worden afgerond of stopgezet.<br />
Onderstaande schema’s geven slechts een beeld van de initiatieven/projecten in het <strong>Zandmaas</strong>gebied. Aan<br />
vermelding kunnen geen rechten worden ontleend. Bij de uitwerking per cluster en in de bijgevoegde atlas<br />
komen de projecten eveneens terug.<br />
Clustering projecten<br />
Achter in dit <strong>meerjarenplan</strong> zijn kaarten opgenomen met bekende mogelijke initiatieven en projecten in de het<br />
<strong>Zandmaas</strong>gebied. <strong>Het</strong> betreft meer dan 30 projecten. Zoals uit de visie/het beleid naar voren kwam hebben<br />
projecten relaties met elkaar; fysiek, rivierkundig, ecologisch, maar ook financieel waar het gaat om kosteneffectiviteit<br />
en mogelijkheden tot verevening. <strong>Het</strong> uitgangspunt om <strong>Zandmaas</strong> 2 niet als één groot vastgelegd<br />
masterplan uit te voeren - zoals bij de Grens- (Gemeenschappelijke) maas - maar per project, behoeft daarom<br />
enige nuancering. In de evaluatie van juni 2008 werd dit ook aanbevolen. <strong>Het</strong> principe blijft overeind maar<br />
zoveel als kan wordt een clusterbenadering gehanteerd. Wél de voordelen van in samenhang uitvoeren en<br />
niet de nadelen van één tijdrovend groot en telkens door de tijd achterhaald masterplan.<br />
In de hiernaast opgenomen kaart zijn de vijf clusters weergegeven waar in dit <strong>meerjarenplan</strong> voor het <strong>Zandmaas</strong>gebied<br />
in Limburg van wordt uitgegaan.<br />
<strong>Het</strong> betreft de clusters (in stroomafwaartse volgorde):<br />
0. Roosteren Roermond<br />
1. Roermond – brug Venlo<br />
2. Venlo t/m HWG Arcen<br />
3. Ooijen-Wanssum<br />
4. Well-Aaijen tot aan Afferden<br />
5. Afferden – Mook<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
53
54 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
Tot deze indeling is gekomen door toepassing van een combinatie van fysieke nabijheid, grondstromen<br />
(logistiek, bergingscapaciteit, private zandwinner), rivierkundige aspecten en ruimtelijke ontwikkelingen.<br />
<strong>Het</strong> cluster 0 van Roosteren tot Roermond, hebben wij opgenomen vanwege de tijdige tot standkoming van<br />
de regiovisie Midden-Limburg en de daarin opgenomen programmalijn Maasplassen. <strong>Het</strong>geen in dit gebied<br />
ten aanzien van (het bed van) de rivier te gebeuren staat heeft een zodanige samenhang met het overige<br />
<strong>Zandmaas</strong>gebied dat vanwege die samenhang en de mogelijkheid kansen te creëren integratie in het <strong>meerjarenplan</strong><br />
geboden is. De aansturing van dit cluster zal vanuit de programmalijn Maasplassen van de gebiedsontwikkeling<br />
Midden-Limburg plaatsvinden in afstemming met het programmamanagement Maas.<br />
Deze indeling van clusters betekent niet dat een cluster als één geheel in één keer uitgevoerd moet worden.<br />
Wel dat projecten gecombineerd worden indien mogelijk in de tijd, kosten en opbrengsten vereffend kunnen<br />
worden en/of ruimtelijke ontwikkelingen geoptimaliseerd worden.<br />
Aan deze clusterbenadering is een werkwijze van gebiedsontwikkeling gekoppeld. Gebiedsontwikkeling<br />
waarbij zowel publieke partijen én private partijen gezamenlijk tot gebiedsontwikkeling komen door het – al of<br />
niet samen - uitvoeren van projecten binnen de gebiedsontwikkeling.<br />
De rol van de overheden ligt hierbij bij voorkeur in kaderstelling en indien nodig bij het uitvoeren van projecten<br />
waarbij zelfrealisatie, PPS of gebiedsconcessie tot de mogelijkheden behoort. Aangezien het kabinet meent<br />
dat gebiedsconcessie (experimenten) zich binnen de huidige wet- en regelgeving moeten bewegen gaat het<br />
in alle gevallen om innovaties in de relatie tot overheid en bedrijfsleven waarbij onderling vertrouwen en verantwoordelijkheid<br />
een impuls kunnen krijgen.<br />
Voor een optimale benutting van private initiatieven met een maximaal maatschappelijk rendement is het<br />
gewenst voor een cluster vanuit de overheden een duidelijk integraal uitvoeringsgericht programmakader<br />
te formuleren. Dit kan gebaseerd worden op bestaand rivierkundig beleid, Vitaal Platteland en de visies op<br />
natuur, landbouw en ontgronding voor <strong>Zandmaas</strong> 2. Niet op de laatste plaats zullen de resultaten van de op<br />
grond van dit <strong>meerjarenplan</strong> te houden (interactieve) gebiedsateliers daarbij concrete inhoud moeten genereren.<br />
Op grond van dit <strong>meerjarenplan</strong> worden projecten per cluster gecombineerd en zo mogelijk vereffend in de<br />
tijd, kosten en opbrengsten (grondstromen / bouwstoffen) terwijl tevens gestreefd wordt naar optimalisatie<br />
van ruimtelijke ontwikkelingen (gebiedsontwikkeling). Nieuw is dat publieke en private partijen samenwerken<br />
bij het uitvoeren van projecten binnen de gebiedsontwikkeling.<br />
De spoedige uitwerking van de clusters achten wij om een veelvoud van redenen van groot belang:<br />
- om in samenspraak met (onder meer) het rijk een gemeenschappelijke agenda voor de lange termijn te<br />
kunnen ontwerpen<br />
- om tijdig (op basis van de systematiek van de ontwerp nota waterveiligheid) voorzieningen te kunnen<br />
treffen en om zo ten minste de tussentijdse veiligheidsopgave te borgen<br />
- om de bewoners en gebruikers van de betreffende gebieden duidelijkheid te bieden<br />
- om kansen te kunnen onderkennen die naast de veiligheidsopgave bijdragen aan de (ook uit maatschappelijk-economisch<br />
oogpunt) duurzame benutting van het gebied.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
55
Bij de clustergewijze aanpak van de <strong>Zandmaas</strong> geeft in eerste instantie de overheid aan welke ontwikkelingen<br />
in een gebied wenselijk zijn. Dit kan in de vorm van een gebiedsvisie. De omvang, gedetailleerdheid en<br />
status van deze gebiedsvisies zal per gebied verschillend zijn. Voor projecten liggend in een cluster/gebied<br />
zijn hiermee dan de beleidskaders bekend maar ook de samenhang en benodigde afstemming met andere<br />
projecten dient expliciet te worden.<br />
Op basis van de gebiedsvisie kunnen de in dat gebied relevante marktpartijen bij dit proces betrokken worden<br />
om hen een zo groot mogelijke rol bij de uitvoering ervan te geven.<br />
Per cluster kan één gebiedsvisie toereikend zijn, maar een cluster kan ook meerdere gebiedsvisies<br />
bevatten. De gebiedsvisies kunnen tot stand met behulp van een ontwerpatelier en vervolg-bijeenkomsten<br />
met de betrokken (ook gebieds-) partijen. Dit is mede afhankelijk van de situatie.<br />
Bij het atelier willen wij in ieder geval ook een functionaris van de veiligheidsregio betrokken zien.<br />
Noodzakelijk vinden wij het een beeld te hebben van de periode tot 2015 én van die tot 2030/2050.<br />
De noodzaak voor een lichte of zware planologische vastlegging bepaalt de vorm van de gebiedsvisie. Voor<br />
gebieden waar geen planologische vastlegging aan de orde is kan met een projectnota worden volstaan.<br />
Deze kan na vaststelling door ons college uitgewerkt worden in een inrichtingsplan waarbij ook de WILG,<br />
maar bij gebleken toegevoegde waarde ook andere aspecten van het provinciaal programmabeleid, op van<br />
toepassing kunnen zijn.<br />
Hieronder worden de clusters globaal en op hoofdlijnen beschreven. Deze beschrijving is gebaseerd op het<br />
inzicht van het huidige moment en betreft het “minimum” programma van hetgeen in het kader van de clusterontwikkeling<br />
in relatie tot de rivier aan de orde is. In samenspraak met de rivierbeheerder en<br />
het betreffende waterschap kunnen nog aanvullingen plaatsvinden.<br />
56 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
8.1. Cluster 0, Roosteren-Roermond<br />
Bij dit cluster worden de volgende IVM maatregelen betrokken:<br />
- hoogwatergeul Oude Maas<br />
- hoogwater-/nevengeul stuw Linne<br />
- hoogwatergeul Osen<br />
- hoogwater-/nevengeul Issabellagreend<br />
- (verlengde) hoogwatergeul Stadsweide Roermond (zie ook cluster 1)<br />
- meestromen / verdiepen Lateraalkanaal<br />
Voor het cluster zijn tevens (bestaande) rivierknelpunten in het traject Roosteren-Maasbracht van belang,<br />
waarvan die ter hoogste van Stevensweert de belangrijkste lijkt.<br />
Op grond van IVM zijn tevens twee rivierkruisende “droge” infrastructuurwerken belemmerend te weten:<br />
- de doorstroombaarheid van het tracé en/of de kunstwerken van de A2 in het gebied<br />
- de doorstroombaarheid van het tracé en/of de kunstwerken van de A68/N280<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
57
<strong>Het</strong> knelpunt rond de spoorbrug bij Buggenum wordt in het kader van cluster 1 al benoemd.<br />
In het kader van IVM is voorts een weerdverlaging aan de orde beginnend ten zuiden van de kern van Ohé<br />
tot aan ongeveer de Bouxweerd ten noorden van Buggenum met een (theoretisch) bereik van 250 m aan<br />
weerszijden van de rivier. <strong>Het</strong> te bereiken doorstroomprofiel is voor het ontwerp en de ruimtelijke consequenties<br />
alsmede voor het grondverzet bepalend.<br />
<strong>Het</strong> (op termijn) te bereiken doorstroomprofiel dient voldoende ruimte te bieden voor inpassing van die functies<br />
die voor de herontwikkeling en -inrichting van het Maasplassengebied functioneel vereist zijn zodanig dat<br />
duurzaam en veilig een opwaardering kan plaatsvinden.<br />
Well 1995<br />
58 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
8.2. Cluster 1, Roermond tot brug Venlo<br />
De belangrijkste ontwikkelingen in dit gebied van belang in dit <strong>meerjarenplan</strong> zijn:<br />
De overgang van het gebied Maasplassen naar het noordelijk Maasdal met de nevengeul Stadsweide, de<br />
spoorbrug Buggenum en de Asselse plassen.<br />
In een brede gebiedsontwikkeling moet bekeken worden of de oorspronkelijke ontworpen nevengeul met<br />
ecologische en recreatieve doelstelling aangepast moet worden tot een rivierverruimende maatregel, wanneer<br />
en hoe de spoorbrug verruimd wordt, hoe dit gecombineerd kan worden met weerdverlagingen, natuurvriendelijke<br />
oevers, delfstoffenwinning en natuur- en recreatieontwikkeling. Daarna kan tot uitwerking en uitvoering<br />
van (delen van) dit gebied worden overgegaan.<br />
Lateraal Kanaal met de spoorbrug Buggenum, foto: DLG<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
59
<strong>Het</strong> gebied ontgrondingen Neer<br />
Deze ontwikkelingen geïnitieerd door een bouwgrondstoffenwinner kunnen zowel gekoppeld worden aan de<br />
zuidelijke (Roermond) als de noordelijke ontwikkelingen (Baarlo) langs de Maas. Zelfrealisatie is uitgangspunt.<br />
<strong>Het</strong> gebied Baarlo<br />
(nevengeul Baarlo, Schering en Inslag, weerdverlaging, Berckterveld, Romeinenweerd, Stroomlijn, herinrichting<br />
Laarbroek)<br />
Ook hier moet in een brede gebiedsontwikkeling bezien worden of de oorspronkelijk ontworpen nevengeul<br />
met ecologische en recreatieve doelstelling aangepast moet worden tot een rivierverruimende maatregel en<br />
hoe gecombineerd kan worden met weerdverlagingen, natuurvriendelijke oevers, natuur- en recreatieontwikkeling,<br />
landbouwontwikkeling en eventueel bouwgrondstoffenwinning. Daarna kan tot uitwerking en uitvoering<br />
van (delen van) dit gebied worden overgegaan. De lange termijn opgave (IVM) moet voor het gebied concreet<br />
in beeld worden gebracht.<br />
Voor de ontwikkeling van het gebied is relevant dat onderkend wordt dat van Merum tot Kessel gebleken is<br />
van kritische krapte om de doelstellingen voor een duurzame en veilige afvoer van hoogwaters.<br />
Maasvallei – rivierbed ter hoogte van Baarlo: historische en huidige situatie met aangeven obstakels.<br />
Beeld: Groenplanning BV, Meersen<br />
60 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
(Potentiële) projecten beleids / bestuurlijk status aantal cm waterstand- planvormings- en potentieel extra<br />
kader ha verlaging uitvoeringsperiode rijks EHS<br />
te begrenzen<br />
ZMI ZM2 IVM t/m 2015<br />
Cluster 1: Roermond-Venlo<br />
Lateraal kanaal West fase 1 retentiebekken x Vóór 2015 0<br />
Lateraal kanaal West fase 2 (winter- retentiebekken + x 499 5<br />
bedverlaging, inclusief kleiwinning Zeven Ellen) pot. delfstofwinning (na 2015) x na 2015<br />
NG Stadsweide (Roermond) Stimuleringsplan x 87 2010 grondverwerving, (= al rijks-EHS) 0<br />
inrichting voor 2015<br />
Verruiming spoorbrug Buggenum Stimuleringsplan (rijks-EHS) x x 23 5 (= al rijks-EHS) 0<br />
incl. weerdverlaging<br />
Natuurontwikkeling Dorpsfront Buggenum x 2008 gestart (= al rijks-EHS) 0<br />
hoogwatergeul Bouxweerd x ontgronding in uitvoering pm<br />
Rijkelse Bemden x reeds ontgrond (= al rijks-EHS) 0<br />
Hoogwatergeul De Weerdbeemden x reeds ontgrond (= al rijks-EHS) 0<br />
Zomerbedverbreding en uiterwaard- x<br />
verlaging Beesel<br />
Nevengeul Baarlo (Belfeld-West) inrichting onder<strong>deel</strong> van x 60 mits grond verworven (= al rijks-EHS) 0<br />
LNV-Overeenkomst 2005, rijks EHS inrichting 2015 klaar<br />
grondverwerving x<br />
Weerdverlaging Baarlo huidig natuurgebied x 17 1 (= al rijks-EHS) 0<br />
Inslagen van Schering en Inslag, Baarlo gemeente Maasbree x planvorming loopt<br />
Ontwikkelingslocatie Laerbroeck uitplaatsing kassen uit x 2005 gestart<br />
winterbed, woningbouw<br />
Kadeaanpassing Roermond Tracébesluit x Vóór 2015<br />
Verruimen bocht Neer Tracébesluit x Vóór 2015<br />
Verdiepen/ verbreden sluis Belfeld Tracébesluit x Vóór 2015<br />
Verruimen bocht Steyl Tracébesluit x Vóór 2015<br />
Sluitstukkades Tracébesluit x Vóór 2015<br />
Rivierverruiming Belfeld km87-92 Tracébesluit x Vóór 2015<br />
Kadeverlegging Baarlo Tracébesluit x Vóór 2015<br />
Zomerbedverdieping R’mond-Venlo Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Weerdverlaging R’mond-Venlo Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Winterbedverlaging spoorbrug- Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Baarlo<br />
Uiterwaardverruiming Kesseleik, Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Reuver, Kessel,Baarlo,Blerick<br />
Stedelijk knelpunt Venlo Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Retentie Maasplassen Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
61
8.3. Cluster 2, Venlo tot en met HWG Arcen<br />
De belangrijkste ontwikkelingen in dit gebied van belang in dit <strong>meerjarenplan</strong> zijn:<br />
Hoogwatergeul Raaijweide (Venlo)<br />
Deze hoogwatergeul zal najaar 2008 in opdracht van de provincie aanbesteed worden. <strong>Het</strong> betreft een hoogwatergeul<br />
waar waterstanddaling, natuurontwikkeling, recreatie en opbrengend vermogen door zandwinning<br />
zijn geoptimaliseerd.<br />
Opruiming explosieven Raayweide, Blerick<br />
62 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
Gebied Venlo – Velden<br />
(hoogwatergeul Venlo-Velden, Maasdal Velden)<br />
<strong>Het</strong> ontwerp voor de hoogwatergeul Venlo-Velden is geoptimaliseerd naar hoogwaterstanddaling, natuurontwikkeling,<br />
recreatie en opbrengend vermogen door zandwinning. De realisatietermijn is onduidelijk mede<br />
vanwege de nog benodigde grondverwerving. Nadat er meer duidelijkheid is over het naastgelegen project<br />
Maasdal Velden (uitplaatsing kassen uit winterbed en herinrichting) is het gewenst te bekijken of tot een gezamenlijke<br />
gebiedsontwikkeling kan worden gekomen.<br />
Westoever CVI-Grubbenvorst-Broekhuizenvorst<br />
Dit betreft private initiatieven. De ontwikkeling van de CVI loopt autonoom door en is van groot belang voor<br />
de verwerking van delfstoffen binnen het gebied, met name het stuwpand Belfeld.<br />
Op de westoever zijn ook de hoogwatergeul Grubbenvorst en een rivierverruiming bij Lottum samen met<br />
eventuele weerdverlagingen van belang.<br />
Hoogwatergeul Lomm (Arcen Velden)<br />
Hoogwatergeul Lomm is als onder<strong>deel</strong> van Pakket 1 <strong>Zandmaas</strong> momenteel in uitvoering. Daarbij is belangrijke<br />
ervaring opgedaan met Archeologie. In het kader van optimalisaties zal naar verwachting op afzienbare<br />
termijn een voorstel voor een verbeterde hoogwatergeul door de zelfrealisator (Delfstoffen Combinatie Maasdal<br />
– DCM) in samenspraak met de gemeente worden voorgelegd.<br />
Hoogwatergeul Arcen.<br />
Ten aanzien van de hoogwatergeul Arcen is door de gemeente een voorverkenning uitgevoerd waaruit blijkt<br />
dat deze – ook in de context van gebiedsontwikkeling – aanzienlijke kosten met zich zal brengen. De resultaten<br />
van deze verkenning willen wij nochtans – als ontwerp-input – betrekken bij een verdere verkenning van<br />
de (on-) mogelijkheden in het gebied.<br />
Well 1993<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
63
(Potentiële) projecten beleids / bestuurlijk status aantal cm waterstand- planvormings- en potentieel extra<br />
kader ha verlaging uitvoeringsperiode rijks EHS<br />
te begrenzen<br />
ZMI ZM2 IVM t/m 2015<br />
Cluster 2: Venlo t/m HWG Arcen<br />
HWG Raaijweide grond verworven door LL x 16 5 per direct in uitvoering 16<br />
als regiofinanciering, (nu Co in<br />
convenant Maasboulevard Stimuleringsplan)<br />
Centrale Verwerkingsinstallatie privaat initiatief DCM x 15 1 nu planvorming ca 6<br />
<strong>Zandmaas</strong> (CVI) Raaijeind<br />
HWG Venlo-Velden grond <strong>deel</strong>s verworven x 113 5 afh. Van grondverwerving 113<br />
door LL als regiofinanciering inrichting ca 2012-2015<br />
Ontwikkelingslocatie Maasdal Velden provincie / gemeente x pm<br />
HWG Grubbenvorst privaat initiatief (DCM) x 78 2 planvorming loopt (DCM) ca 55<br />
realisatie vanaf 2010 (overig = rijks-EHS)<br />
HWG Lomm (en Lomm+) in uitvoering door DCM, x x 87+ pm 8 loopt (= al rijks-EHS) 0<br />
Pakket I, Tracébesluit<br />
HWG Arcen PPS (gemeente-initiatief) x 91 3 ca 60<br />
Weerdverlaging Grubbenvorst- pakket <strong>II</strong>+ x 54 2 54<br />
Houthuizen<br />
Hoogwatergeul Lottum met strategisch delfstofgebied; x 125 15 2012-2020 0<br />
natuurontwikkelingsproject privaat initiatief (DCM) na 2015<br />
Weerdverlaging Broekhuizen pakket <strong>II</strong>+ x 17 0 17<br />
(overig = rijks-EHS)<br />
Kadenplan Broekhuizen sluitstukkade Pakket I x 0 vóór 2012<br />
Zomerbedverdiep. Km 109-120 sluitstukkade Pakket I x Vóór 2015<br />
Sluitstukkades Tracébesluit x Vóór 2015<br />
Kadeaanpassing Venlo Tracébesluit x Vóór 2015<br />
Mitigatie peilopzet en compensatie Tracébesluit x Vóór 2015<br />
natuur<br />
Zomerb.verbreding Venlo-Velden Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Weerdverlaging Venlo-Broekhuizen Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x x<br />
Winterbedverlaging Venlo-Broekh. Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Uiterwaardverr. Venlo-Broekh. Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Nevengeul Lottum Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
64 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
8.4. Cluster 3, Ooijen-Wanssum<br />
Dit cluster is in de vorm van een gebiedsontwikkeling van start gegaan.<br />
<strong>Het</strong> betreft het gebied van Broekhuizenvorst tot en met Wanssum en bevat onder andere de daar gelegen<br />
oude maasarm.<br />
Een stuurgroep is geformeerd en heeft opdracht gegeven tot een projectbureau, gevestigd in Meerlo, dat<br />
gestart is met de planstudiefase. Dit houdt in dat gebaseerd op de nieuwe WRO een gebiedsvisie wordt<br />
gemaakt voor het hele gebied.<br />
De belangrijkste maatregelen binnen deze gebiedsontwikkeling zijn:<br />
- Reactivering oude maasarm Ooijen-Wanssum<br />
- Hoogwatergeul Ooijen<br />
- Kop van Ooijen<br />
- Hoogwatergeul Wanssum<br />
- Haven Wanssum<br />
- Woningbouw Wanssum<br />
- Rondweg Wanssum<br />
In het kader van het ontwerp op hoofdlijnen van de gebiedsvisie zal een marktconsultatie plaatsvinden. In het<br />
kader van de vaststelling van de gebiedsvisie zullen de projecten definitief gedefinieerd worden en besluiten<br />
worden genomen ten aanzien van de samenwerking met het bedrijfsleven. <strong>Het</strong>zelfde geldt voor de vervolgprocedures.<br />
De bij dit cluster opgenomen tabel met projecten is nog meer dan bij andere clusters enkel indicatief.<br />
Omdat deze gebiedsontwikkeling innovatief wordt opgepakt zal dit veel ervaringen opleveren voor de andere<br />
gebiedsontwikkelingen langs de Maas.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
65
(Potentiële) projecten beleids / bestuurlijk status aantal cm waterstand- planvormings- en potentieel extra<br />
kader ha verlaging uitvoeringsperiode rijks EHS<br />
te begrenzen<br />
ZMI ZM2 IVM t/m 2015<br />
Cluster 3: Ooijen-Wanssum<br />
HWG Ooijen plus privaat initiatief (Teunesen), x 68 7 68<br />
onder<strong>deel</strong> van Ooijen-Wanssum<br />
Kop van Ooijen privaat initiatief (Smals) x 145 145<br />
(= incl. HWG Ooijen) in gebied ooijen-wanssum<br />
HWG Wanssum pakket <strong>II</strong>+, onder<strong>deel</strong> van x 119 13 ca 100<br />
ooijen-wanssum (overig = rijks-EHS)<br />
Gebiedsontwikkeling Ooijen-wanssum onder<strong>deel</strong> CDA-plan, x 265 22? ca 100<br />
(excl HWG Ooijen en Wanssum) samenwerking prov., RWS, (excl HWG)<br />
gemeenten, waterschap,<br />
Nieuw Wanssum onder<strong>deel</strong> ooijen-wanssum x 0 0 0<br />
Waarden Wellerlooi 50 ha in bezit SLL x 180 0 vanaf nu mogelijk ca 165<br />
proefproject eroderende oevers Tracébesluit x Vóór 2015<br />
Mitigatie peilopzet en compensatie Tracébesluit x Vóór 2015<br />
natuur<br />
Sluitstukkades (in onderzoek) Tracébesluit x Vóór 2015<br />
Zomerbedverdieping B”huizen-Well Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Weerdverlaging Broekhuizen-Well Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Winterbedverlaging B’huizen-Well Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Retentie rondom HWG Oude M.A. Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Groene rivier Wanssum-Maashees Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Groene rivier Megelsum-Bl.wijk Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
66 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
8.5. Cluster 4, Well-Aijen tot aan Afferden<br />
De belangrijkste ontwikkelingen in dit gebied van belang in dit <strong>meerjarenplan</strong> zijn:<br />
Maaspark Well/ hwg Well-Aijen<br />
Dit betreft een privaat initiatief waarbij de hoogwatergeul onder<strong>deel</strong> uitmaakt van <strong>Zandmaas</strong> pakket I.<br />
Hoogwatergeul Vierlingsbeek<br />
Dit betreft vooral grondgebied van de provincie Noord-Brabant.<br />
Nevengeul Afferden, Hoogwatergeul Sambeek/Afferden, Leegveld Afferden<br />
Zie cluster Afferden-Mook.<br />
Voor de ontwikkeling van het gebied is relevant dat onderkend wordt dat voor de Zuidelijke Venloslenk gebleken<br />
is van kritische krapte om de doelstellingen voor een duurzame en veilige afvoer van hoogwaters.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
67
Ayen 1995<br />
68 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
(Potentiële) projecten beleids / bestuurlijk status aantal cm waterstand- planvormings- en potentieel extra<br />
kader ha verlaging uitvoeringsperiode rijks EHS<br />
te begrenzen<br />
ZMI ZM2 IVM t/m 2015<br />
Cluster 4: Well-Aijen tot aan Afferden<br />
Maaspark Well HWG Tracébesluit, 187 10 2006-2015 ca 22<br />
geheel zelfrealisatie PPS x (overig = rijks-EHS)<br />
HWG Well-Aijen Tracébesluit x 127 Vóór 2015<br />
Nevengeul Afferden (Sambeek-Oost) inrichting onder<strong>deel</strong> van x 72 -1 mits grond verworven (= al rijks-EHS) 0<br />
LNV-overeenkomst 2005, rijks EHS inrichting 2015 klaar<br />
grondverwerving x<br />
Hoogwatergeul Afferden/Sambeek privaat initiatief x<br />
Zuidereiland x ca 200<br />
Hoogwatergeul Vierlingsbeek x 15 2 0 (Brabant)<br />
Hoogwatergeul Maashees x 15<br />
Aanpassing oude sluis Sambeek Tracébesluit x Vóór 2015<br />
Heukelomse beek aankoop natuurgebied (Tracébesluit) x 170 Vóór 2015<br />
Peilopzet stuwpand Sambeek 25cm Tracébesluit x Vóór 2015<br />
Mitigatie peilopzet en Tracébesluit x Vóór 2015<br />
compensatie natuur<br />
Sluitstukkades Tracébesluit x Vóór 2015<br />
Riververdieping km 140-146 Tracébesluit x 8 Vóór 2015<br />
Proefpr. erod. oevers km 138-140 Tracébesluit x in uitvoering<br />
Hoogwatergeul Afferden/Sambeek Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x 12<br />
Geul Geijsteren IVM2 x 250 0<br />
Leegveld Sambeek Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Zomerbedverdieping Well-Afferden Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x x<br />
Weerdverlaging Well-Afferden Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Winterbedverlaging Well-Afferden Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Nevengeul Vortum Mullem Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Retentie ‘t Leuken Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
nevengeul Maashees Heukelom Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
69
8.6. Cluster 5, Afferden tot en met Mook<br />
De belangrijkste ontwikkelingen in dit gebied van belang in dit <strong>meerjarenplan</strong> zijn:<br />
Gebied Afferden<br />
(nevengeul Afferden, hoogwatergeul Afferden/Sambeek, Leegveld, Zuidereiland, ROC Heijen)<br />
In een brede gebiedsontwikkeling moet bekeken worden of de oorspronkelijke ontworpen nevengeul met<br />
ecologische en recreatieve doelstelling aangepast moet worden tot een rivierverruimende maatregel, gecombineerd<br />
kan worden met weerdverlagingen, natuurvriendelijke oevers, delfstoffenwinning en natuur- en recreatieontwikkeling.<br />
Daarna kan tot uitwerking en uitvoering van (delen van) dit gebied worden overgegaan.<br />
Gebied brug Oeffelt-Gennep, Genneperhuis, Lob van Gennep<br />
In dit gebied zijn diverse projecten opgestart gericht op natuur en cultuurhistorie (Genneperhuis) of natuur,<br />
landbouw en zandwinning (Lob van Gennep). Deze projecten zijn slechts beperkt op rivieraspecten gericht.<br />
De inzet van de Lob van Gennep als retentiegebied mede in het belang van het benedenstrooms gebied<br />
heeft in de veiligheidsstrategie op (Nederlands) stroomgebiedniveau grote betekenis.<br />
Hoogwatergeul Mook<br />
Dit betreft een privaat initiatief.<br />
70 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
Maasvallei – rivierbed ter hoogte van Afferden: historische en huidige situatie.<br />
Beeld: Groenplanning BV, Meersen<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
71
(Potentiële) projecten beleids / bestuurlijk status aantal cm waterstand- planvormings- en potentieel extra<br />
kader ha verlaging uitvoeringsperiode rijks EHS<br />
natuur te begrenzen<br />
ZMI ZM2 IVM t/m 2015<br />
Cluster 5: Afferden-Mook<br />
Regionaal overslagcentrum Heijen privaat initiatief x -1 2007-2015 ?<br />
Genneperhuis/Niersmonding gemeente, privaat x<br />
HWG Mook pakket <strong>II</strong>+ x 138 14 ? ca 130<br />
verruiming brug Oeffelt-Gennep pakket <strong>II</strong>+, x 28 12 ? (= al rijks-EHS) 0<br />
incl. weerdverlaging <strong>deel</strong>s Noord-Brabant x (Limburgs <strong>deel</strong>)<br />
oeverstroken Sambeek-Grave koppellen aan realisatie x<br />
75-100 m aankoop grond en 0-75 m oeverstroken 100 0 loopt <strong>deel</strong>s 100<br />
inrichting door Maaswerken (pakket I)<br />
Peilopzet stuwpand Grave 50cm Tracébesluit x Vóór 2015<br />
Sluitstukkades (in onderzoek) Tracébesluit x Vóór 2015<br />
72 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong><br />
Rivierverruiming km 155-175 Tracébesluit x Vóór 2015<br />
Kadeaanpassing Gennep Tracébesluit x Vóór 2015<br />
Kadeaanpassing Mook-Middelaar Tracébesluit x Vóór 2015<br />
incl. brugaanpass. Maas-Waalkan.<br />
Mitigatie peilopzet en compensatie Tracébesluit x Vóór 2015<br />
natuur<br />
Zomerbedverdieping Afferden-Mook Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x x<br />
Weerdverlaging Afferden-Mook Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Winterbedverlaging Afferden-Mook Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Retentie St Agatha Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x<br />
Retentie Lob van Gennep Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x x<br />
Nevengeulen Heijen en Oeffelt (2x) Int. Verkenning Maas 2 (RWS 2006) x
9. Grondverwerving<br />
9.1 <strong>Zandmaas</strong> Pakket <strong>II</strong> – Veermangelden:<br />
Door <strong>Zandmaas</strong> Pakket 2 dient per 2015 minimaal 460 ha nieuwe natuur ontwikkeld te worden die begrensd<br />
wordt als EHS. Deze nieuwe natuur zal <strong>deel</strong>s door derden worden gerealiseerd en <strong>deel</strong>s door de provincie.<br />
Voor het project is 35 + 5 miljoen euro beschikbaar voor proces, verwerving en inrichting. De gelden die jaarlijks<br />
ter beschikking komen worden vooralsnog geïnvesteerd in grond vooruitlopend op de definitieve plannen.<br />
Met de beschikbare middelen worden zowel toekomstige projectgronden als ruilgronden gekocht. Door<br />
de toekomstige verkoop van ruilgrond wordt inrichtingsgeld gegenereerd.<br />
Om tot een goede sturing te komen van grondverwerving worden aankoopplannen opgesteld. Een algemeen<br />
aankoopplan is weinig zinvol omdat vanwege de verschillen per projectgebied een op maat geschreven aankoopbeleid<br />
nodig is.<br />
Aankoopplannen zijn daarom nodig voor:<br />
- Hoogwatergeul Venlo-Velden<br />
- Hoogwatergeul Wanssum, Oude Maasarm Ooijen-Wanssum en integrale gebiedsontwikkeling.<br />
- Nevengeul Stadsweide Roermond<br />
Deze aankoopplannen worden in <strong>2009</strong> door DLG opgesteld. Voor de hoogwatergeul Wanssum en OMA worden<br />
naast een algemeen aankoopplan mogelijk <strong>deel</strong>uitwerkingen gemaakt door een nader vast te stellen partij.<br />
Als beschikbaar instrumentarium zal ook onteigening worden meegenomen. Indien dit instrument voor tijdige<br />
verwerving noodzakelijk blijkt zal het aankoopplan worden opgewaardeerd tot aankoopstrategieplan en<br />
ter vaststelling aan Gedeputeerde Staten worden voorgelegd.<br />
Voor de Stadsweide wordt bezien of onteigening haalbaar en/of wenselijk is. Dit hangt mede af van de onteigeningstitel<br />
die kan worden verkregen (rivier/veiligheid of natuur). Vooralsnog wordt er van uitgegaan dat de<br />
gronden in goed overleg tijdig kunnen worden verworven.<br />
In de Overeenkomst Natuurrealisatie <strong>Zandmaas</strong> zijn expliciete afspraken gemaakt over grondverwerving:<br />
1.<br />
2.<br />
verwerven en inrichten van 460 ha extra Rijks-EHS<br />
besteden van minimaal € 25.000.000 tot en met 2010 aan inrichting en verwerving van gronden inclu-<br />
sief ruilgronden.<br />
Daarom wordt onderscheid in aankoop van ruilgronden en aankoop van projectgronden gemaakt. Beide type<br />
gronden worden door de DLG in opdracht van de provincie verworven. Per jaar geeft de provincie de taakstelling<br />
in ha’s aan, gebaseerd op het beschikbare budget voor dat betreffende jaar.<br />
9.1.1 Ruilgronden<br />
Voor het verwerven van specifieke gronden is het vaak nodig om andere gronden (ruilgronden) al te verwerven<br />
waardoor met ruiling de gronden toch op de juiste plaats komen te liggen.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
73
Bij de <strong>Zandmaas</strong> spelen ruilgronden nog een aanvullende rol; zij vormen in feite een fonds waardoor per jaar<br />
het beschikbare budget van LNV voor <strong>Zandmaas</strong> in zijn geheel besteedt kan worden, ongeacht de vraag welke<br />
projecten al of niet gestart zijn. In latere jaren kunnen deze gronden geruild worden voor gronden binnen<br />
een project dan wel verkocht worden waardoor het geld aan de uitvoering van projecten besteed kan worden.<br />
Bij de aankoop van ruilgronden is daarom het belangrijkste criterium de courantheid van de gronden. De geboden<br />
grondprijs is conform de DLG-richtlijnen voor grondaankoop (agrarische waarde of natuurwaarde).<br />
Omdat in 2010 voor ca. 25 miljoen euro besteedt moet zijn en de uitvoering van veel projecten dan nog niet<br />
snel loopt, zal een groot ge<strong>deel</strong>te van die 25 miljoen euro tot en met 2010 besteed worden aan ruilgrond. De<br />
aankoop van ruilgronden blijft ook de komende jaren van belang. <strong>Het</strong> jaarlijks benutten van het beschikbare<br />
Veermangeld is ondanks de flexibele ILG-systematiek nodig om deze gelden zeker te stellen.<br />
9.1.2. Projectgronden<br />
Behalve ruilgronden worden ook gericht projectgronden gekocht. Dit zijn gronden die op een zodanige locatie<br />
liggen dat zij potentieel te begrenzen zijn als extra Rijks-EHS met natuurdoel natte riviernatuur zoals in de<br />
Overeenkomst tussen LNV en provincie afgesproken.<br />
Globaal is het zoekgebied voor deze gronden te duiden als het winterbed van de Maas gecombineerd met<br />
POG-gronden (POG = Provinciale Ontwikkelingszone Groen).<br />
Concreet kan gedacht worden aan gronden gelegen op locaties die zeer waarschijnlijk een ingreep zullen ondergaan<br />
in het kader van de veiligheid of natuurontwikkeling van de <strong>Zandmaas</strong> én waarvan het initiatief bij<br />
de overheden ligt.<br />
Gronden in bezit van private partijen die op basis van zelfrealisatie een initiatief willen oppakken, worden niet<br />
bij voorbaat verworven. Dit kunnen bouwgrondstoffeninners zijn maar ook bijvoorbeeld de Stichting Limburgs<br />
Landschap. Op deze gronden kunnen de eigenaren op basis van pure zelfrealisatie (geen bijdrage van de<br />
overheid) of zelfrealisatie met een projectbijdrage van de overheid de gewenste ingreep en inrichting verwezenlijken.<br />
Een mogelijkheid is dat ingeval van een overheidsbijdrage of ter verevening van kosten en baten dat<br />
bouwgrondstoffenwinners na de inrichting de grond schenken dan wel tegen natuurwaarde verkopen aan de<br />
overheid. Hierover moeten dan vooraf afspraken worden gemaakt. De Stichting Limburgs Landschap, Staatsbosbeheer<br />
of Natuurmonumenten kan de gebieden na inrichting beheren, eventueel na Rijks-EHSbegrenzing.<br />
De grondaankopen in het kader van Pakket I worden nu door het Grondbureau Maaswerken uitgevoerd (met<br />
name de nevengeulen Belfeld-West en Sambeek-Oost en natuurvriendelijke oevers). Projecten in het kader<br />
van de reguliere EHS die tevens tot de <strong>Zandmaas</strong> behoren (bijvoorbeeld nevengeul Stadsweide Roermond)<br />
worden regulier door DLG verworven en betaald uit het EHS-budget/ILG.<br />
9.1.3. Aanvullend instrumentarium<br />
In de aankoopplannen zal particulier natuurbeheer als optie meegenomen worden. Anderzijds hecht de provincie<br />
er aan dat geborgd wordt dat de doelstellingen metterdaad gehaald zullen worden en dat de overheden<br />
in de gelegenheid zijn als betrouwbare partner te functioneren. Om die reden is de provincie er voorstander<br />
van dat met in ieder geval de LLTB een convenant tot stand komt.<br />
74 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
9.2. Grondpolitiek nu en anticiperend op de lange termijn<br />
In het advies van de Deltacommissie wordt ten aanzien van het te voeren grondbeleid gesproken over een<br />
voorkeursrecht en het anticiperend aankopen van gronden ten einde op termijn als dan niet binnen- of buitendijks<br />
noodzakelijke inrichtingsingrepen te anticiperen. Uit de ontwerpdocumenten van het rijk blijkt dat het<br />
kabinet bereid is om op termijn te overwegen om van een voorkeursrecht gebruik te gaan maken. En eventueel<br />
tot anticiperende aankoop over te gaan.<br />
Naar ons oor<strong>deel</strong> spreekt daaruit een te terughoudende opstelling. Daar waar projecten operationeel gemaakt<br />
kunnen of moeten worden, moet een adequaat grondbeleid daarop anticiperend functioneren. In lang<br />
niet alle gevallen behoeft het daarbij zo te zijn dat gronden door de overheid verworven zouden moeten worden.<br />
Onder omstandigheden kan immers met een enkel privaatrechtelijk overeen te komen gebruiksrecht<br />
ter uitvoering van de inrichtingsmaatregel volstaan worden, bijvoorbeeld in het geval van agrariërs waarvan<br />
de gronden na uitvoering hun agrarische (hoofd-)functie kunnen behouden. Ook lijkt het mogelijk om inrichtingsmaatregelen<br />
tot stand te brengen volgens de drieslag ontwerpen, uitvoeren en onderhouden. Ook in<br />
dergelijke gevallen lijkt grondverwerving door de overheden niet zonder meer noodzakelijk. <strong>Het</strong> grondinstrumentarium<br />
zal daarom ingericht moeten worden aan de behoeften van het betreffende (project-)gebied, terwijl<br />
geborgd moet worden dat hetzij ter facilitering van een derde initiatiefnemer, hetzij ter borging van langere<br />
termijn belangen de ambities van de gezamenlijke overheden waargemaakt kunnen worden. Aangezien<br />
daarbij het lange termijn belang van de rivier daarbij altijd primair is, menen wij dat binnen het rivierbed onteigening<br />
op grond van het rivierbelang als laatste maar noodzakelijk sluitstuk op het instrumentarium in het<br />
gehele rivierbed inzetbaar moet zijn. Dit klemt te meer nu momenteel al blijkt dat zonder de inzet van dit middel<br />
de realisatie van de Overeenkomst Natuurrealisatie niet (tijdig) tot stand dreigt te kunnen komen omdat<br />
het Grondbureau van RWS Maaswerken (verantwoordelijk voor de grondverwerving in de gebieden voor de<br />
nevengeulen Baarlo en Afferden) met het huidige instrumentarium niet voldoende slagkracht lijkt te kunnen<br />
ontwikkelen. Naar ons oor<strong>deel</strong> komt de inzet van onteigening het het belang van de rivier ook overeen met<br />
de belangen die het ministerie van Verkeer en Waterstaat op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken<br />
en de Beleidslijn Grote Rivieren te Limburg voor staat.<br />
De grondverwerving in het <strong>Zandmaas</strong>gebied dient niet alleen dienstbaar te zijn aan het rivierbelang maar<br />
heeft daarnaast interferenties met de gebiedsontwikkelingen die met dit <strong>meerjarenplan</strong> worden ingezet. Eénduidigheid<br />
vanuit de overheden op en ten aanzien van de grondmarkt is daarom geboden. Dit moet mogelijk<br />
zijn door de invulling van één loket van de verwervende overheden van waaruit ook afstemming met mogelijk<br />
andere partijen kan plaatsvinden.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
75
Boerderij<br />
76 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
10. Financiering en tijdsplanning<br />
10.1. Aanwending 2004 tot 2008<br />
In dit <strong>meerjarenplan</strong> is onderscheid te maken in de projecten die tot 2015 worden uitgevoerd en de projecten<br />
die na 2015 (tot 2050) worden uitgevoerd. Tot 2015 betreft dit projecten die al in de planvormingsfase en<br />
grondverwervingsfase zitten. Na 2015 en zeker tot 2050 zijn bijvoorbeeld de dan nog op grond van IVM nog<br />
noodzakelijke maatregelen aan de orde.<br />
De financiering van <strong>Zandmaas</strong> <strong>II</strong> (oorspronkelijk -2003 - geraamd op een tekort van 350 miljoen euro) is<br />
slechts voor een klein <strong>deel</strong> gedekt met de zogenaamde Veermangelden; 30 miljoen euro + 5 miljoen euro extra<br />
indien de regio ook 5 miljoen euro bijlegt. Hiervan moet 25 miljoen euro in 2010 zijn besteed; het totale 40<br />
miljoen euro in 2015. Deze gelden zijn door LNV uit de ICES-natte natuur-gelden beschikbaar gesteld voor<br />
<strong>Zandmaas</strong> <strong>II</strong>; de regie hiervan is bij de provincie gelegd. Gekoppeld aan het geld ligt de taakstelling van 460<br />
ha extra rijks-EHS en de inrichting van de nevengeulen Baarlo en Afferden.<br />
Vanuit de Veermangelden werden tot en met 2007 de planvoorbereiding en voorbereiding uitvoering betaald<br />
van de drie nevengeulen, de hoogwatergeulen Raajweide en Venlo-Velden én de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum<br />
(incl. reactivering oude maasarm). Deze moeten gezien worden als voorfinanciering die uiteindelijk<br />
in de projectrealisatie verwerkt wordt. Tot nu toe zijn de uitgaven:<br />
Beschikbaar budget en uitgaven 2004 t/m 2007<br />
Jaar<br />
Inrichting + proceskosten<br />
x 1000 €<br />
Grondverwerving<br />
x 1000 €<br />
Totaal (inrichting + proces + grond)<br />
x 1000 €<br />
beschikbaar Uitgaven beschikbaar uitgaven Beschikbaar Uitgaven<br />
2004 140 140 140 140<br />
2005 1.000 471 1.000 471<br />
2006 1.000 845 1.600 1.600 2.600 2.445<br />
2007 1.000 710 3.500 3.500 4.500 4.210<br />
10.2. Aanwending tot 2015<br />
De onderstaande tijdplanning met mijlpalen en resultaten is met name gebaseerd op de afspraken vastgelegd<br />
in de LNV - Provincie Overeenkomst Natuurrealisatie. Aan deze plannen zijn de zogenoemde Veermangelden<br />
gekoppeld. Binnen de clusters zijn ook de projecten te onderscheiden die tot 2015 worden uitgevoerd.<br />
<strong>Het</strong> ministerie van LNV heeft maximaal € 30 miljoen te verhogen met maximaal € 5 miljoen indien de regio minimaal<br />
€ 5 miljoen bijdraagt, beschikbaar gesteld aan de provincie voor Natuurrealisatie <strong>Zandmaas</strong>. Dit geld<br />
is bedoeld voor grondverwerving, inrichting en procesgeld (planvorming).<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
77
De gelden zijn beschikbaar gesteld voor de periode 2004 tot en met 2015. In de periode 2007-2013 worden<br />
de gelden via het ILG beschikbaar gesteld en verantwoord. In 2010 moet 25 miljoen euro besteed zijn.<br />
Voorwaarde voor deze 35 miljoen Euro is zoals eerder genoemd een geldelijke bijdrage vanuit de regio van<br />
5 miljoen euro.<br />
De voortgang van projecten is van diverse factoren afhankelijk. Voorbeelden hiervan zijn de grondverwerving,<br />
de vergunningenverlening en de mede-financiering. Bij de realisatie van nevengeulen en hoogwatergeulen<br />
is het beschikbare tijdpad (tot en met 2015) daarom erg kort.<br />
Onderstaand is de programmering van de gelden weergegeven per jaar (vanaf 2004) te onderscheiden in<br />
gelden voor grondverwerving en inrichting; bij de grondverwerving betreft de netto-grondverwerving.<br />
Er kunnen ruilgronden worden gekocht die later worden verkocht. Bij de inrichtingskosten zijn naast advies<br />
en onderzoekskosten ook de procesgelden opgenomen.<br />
Programmering Veermangelden (x 1000 euro)<br />
Inrichting (incl.<br />
Jaar<br />
proceskosten)<br />
78 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong><br />
grondverwerving Totaal<br />
2004 * 140 140<br />
2005 ** 1.000 1.000<br />
2006 845 1.600 2.445<br />
2007 *** 1.000 3.500 4.500<br />
2008 2.000 3.500 5.500<br />
<strong>2009</strong> 2.000 3.500 5.500<br />
2010 2.455 3.500 5.955<br />
Totaal t/m<br />
9.400 15.600 25.000<br />
2010<br />
2011 **** 0 **** 0 **** 0<br />
2012 **** 0 **** 0<br />
2013 **** 0 **** 0<br />
2014 5000 5000<br />
2015 5000 5000<br />
Totaal 19.400 15.600 35.000<br />
regiobijdrage 5.000<br />
Totaal 40.000<br />
* Dit bedrag is door LNV besteed.<br />
** Dit bedrag is slechts voor €471.000 gebruikt.<br />
*** Dit bedrag is voor ca 700.000 besteed. In kader van het ILG kan dit de jaren erna besteed worden.<br />
**** In deze jaren komt geen Veermangeld beschikbaar van LNV; financiering kan in die jaren voor zandmaas 2-projecten wel<br />
plaatsvinden vanuit het ILG-budget, vanuit verkoop van ruilgronden en/ of door regiofinanciering.<br />
In de jaren 2007 tot en met 2013 zijn de Veermangelden onder<strong>deel</strong> van het ILG. Binnen deze periode is de<br />
LNV-bijdrage voor <strong>Zandmaas</strong> <strong>II</strong> niet precies gelijk aan de programmering in tabel 3. Er kan echter geschoven<br />
worden tussen jaren en tussen projecten. Tezamen met de mogelijkheid van ruilgronden aan- en verkoop<br />
geeft dit de flexibiliteit die nodig is bij de uitvoering van dit Meerjarenplan.
Bij de toekenning van een bijdrage uit de Veermangelden staat de provincie de volgende procedure voor<br />
ogen.<br />
Na uitwerking van een project- of gebiedsplan waarin behalve het concrete ontwerp of inrichtingsplan ook de<br />
financiering van het gehele project(gebied) is opgenomen, wordt een maatschappelijke kosten baten analyse<br />
(mkba) gemaakt. Deze is bij een voorzien tekort tevens een basis voor een kostentoedeling die moet leiden<br />
tot een financieringsarrangement.<br />
Bij deze mkba worden in ieder geval betrokken:<br />
– – bijdrage aan natuur (kwantiteit en kwaliteit)<br />
– – bijdrage aan veiligheid<br />
– – bijdrage aan ruimtelijke kwaliteit<br />
– – bijdrage van/aan overige relevante (gebieds-)functies<br />
Voorwaardelijk is in alle gevallen dat het betreffende project (een onder<strong>deel</strong> van) een integrale gebiedsontwikkeling<br />
moet betreffen en dat als uitgangpunt wordt gehanteerd dat privaat verantwoordelijkheid neemt en<br />
realiseert waar dat kan, publiek waar dat moet.<br />
<strong>Het</strong> bereik van de doelen moet – ook in de tijd - zeker zijn gesteld.<br />
Bij de toetsing in het <strong>meerjarenplan</strong> 2007 scoren een vijftal projecten potentieel positief voor een bijdrage<br />
vanuit de Veermangelden. Deze positieve score betekent echter nog geen toekenning of bijdrage.<br />
De inrichting van de twee nevengeulen Baarlo en Afferden vormen een afzonderlijke verplichting in de Overeenkomst<br />
Natuurrealisatie en kunnen om die reden in aanmerking komen voor een bijdrage uit de Veermangelden.<br />
De HWG Raaijweide en HWG Venlo-Velden omdat deze mogelijk niet budgettair neutraal uit te voeren<br />
zijn en wel een grote bijdrage leveren aan de waterstandsdaling voor met name Venlo. Door hun ligging<br />
nabij de stad Venlo vervullen zij ook een belangrijke recreatieve functie. De gebiedsontwikkeling reactivering<br />
oude maasarm (inclusief HWG Ooijen) levert niet alleen een grote bijdrage aan de waterstandsdaling maar<br />
is ook een vorm van integrale gebiedsontwikkeling waar de ruimtelijke kwaliteit van een groot gebied een belangrijke<br />
impuls kan krijgen. Van de overige projecten zijn er enkele die onder voorwaarden (bijvoorbeeld nevengeul<br />
Stadsweide indien voldoende andere kostendragers) eveneens mogelijk voor een beperkte bijdrage<br />
uit de Veermangelden in aanmerking zouden kunnen komen.<br />
Wanneer vanuit de Veermangelden een bijdrage zou worden toegekend, dan kan op verschillende manieren<br />
vanuit het ILG worden overgedragen. Welke wijze zal afhankelijk zijn van de uitvoerder van het project<br />
en het type bijdrage vanuit de Veermangelden (voor hele project, of voor specifieke onderdelen daarvan).<br />
Dit zal per project bezien worden. Een aanbestedingstechnisch, juridisch en fiscale toetsing zal hier onder<strong>deel</strong><br />
van zijn.<br />
Gezien de beperkte tijd tot en met 2015 is het wenselijk dat op korte termijn projecten die een beroep willen<br />
doen op Veermangelden geïnventariseerd worden inclusief versnellingsopties voor projecten waar de voortgang<br />
hapert. Dan kan ook de invulling van de regiofinanciering van 5 miljoen euro in kaart gebracht worden.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
79
10.3. EHS begrenzing 2015<br />
In de Overeenkomst Natuurrealisatie <strong>Zandmaas</strong> staat opgenomen dat in 2015 460 ha extra rijks-EHS<br />
begrensd moet zijn. De provincie kiest ervoor deze begrenzing niet volledig van te voren vast te leggen maar<br />
lopende het proces kansen te benutten en de begrenzing daar op af te stemmen. Gezien het tijdpad tot 2015<br />
is het nodig om nu sturing te geven waar deze komen te liggen. Dit zonder de volledige 460 ha nu al vast te<br />
leggen. In het zogenaamde POG- en witte gebied ín het winterbed van de Maas is voldoende ruimte voor de<br />
met LNV overeengekomen extra begrenzing van 460 ha Rijks-EHS natte natuur. Voor een concrete en zinvolle<br />
begrenzing van de 460 extra hectares is het zinvol een overkoepelend ecologische streefbeeld voor <strong>Zandmaas</strong><br />
<strong>II</strong> (projecten) te hanteren. Indien dit gecombineerd wordt met andere ruimtelijke wensen (bijvoorbeeld<br />
vanuit landbouw) én met realisatie voor 2015, dan kan richting gegeven worden aan de ligging van de 460 ha<br />
extra EHS langs de Maas. Hierbij kan agrarische natuurbeheer, particulier natuurbeheer, verbindingszones,<br />
natuurvriendelijke oevers en andere vormen van natuurontwikkeling onder<strong>deel</strong> van uitmaken.<br />
10.4. Projectkosten en -financiering tot 2015<br />
Een aantal projecten worden uitgevoerd op basis van zelfrealisatie; private partijen zoals bouwgrondstoffenwinners<br />
voeren het project uit en bekostigen met hun delfstoffen-opbrengsten de gebiedsontwikkeling en -inrichting.<br />
Andere financieringsvormen waarbij private partijen zoals bouwgrondstoffenwinners meebetalen zijn<br />
de gebiedsconcessie (wordt mogelijk als pilot in Ooijen-Wanssum uitgevoerd) of PPS-constructies.<br />
In de LNV-overeenkomst is ook opgenomen dat de regio 5 miljoen euro zal moeten bijdragen om het volledige<br />
€ 35 miljoen van LNV te krijgen. Regiofinanciering is al aangeboden door Limburgs Landschap bij de<br />
hoogwatergeulen Raaijweide en Venlo-Velden (financiering grondaankoop door SLL). Zoals hierboven aangegeven,<br />
is het wenselijk dat invulling van de regiofinanciering van 5 miljoen euro in kaart gebracht wordt.<br />
Gelet op de omvang en betekenis van de projecten menen wij er vanuit te mogen gaan dat deze bijdrage<br />
zonder meer geleverd zal worden.<br />
10.5. Tijdsplanning 2015 – 2050<br />
Een groot aantal inrichtingsmaatregelen die zijn opgenomen in de clusters hebben een realisatietermijn<br />
tussen 2015 en 2050. Hiertoe behoren veelal ook IVM-maatregelen.<br />
Voor het lange termijn perspectief is het noodzakelijk een goed overzicht te krijgen van de lange termijn<br />
projecten, de verwachte realisatietermijn en een globale inschatting van de netto-kosten.<br />
In deze periode zullen projecten ook via zelfrealisatie, gebiedsconcessie of PPS gerealiseerd worden. Voor<br />
het lange termijn perspectief vindt de provincie het nodig een goed overzicht te krijgen van de lange termijn<br />
projecten, de verwachte realisatietermijn en een globale inschatting van de netto-kosten. Samenwerking is<br />
voor de totstandkoming van zo’n lange termijn planning noodzakelijk.<br />
80 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
Cluster<br />
Cluster 1:<br />
Roermondbrug<br />
Venlo<br />
Cluster<br />
2: Venlo<br />
t/m HWG<br />
Arcen<br />
Cluster 3:<br />
Ooijen-<br />
Wanssum<br />
Cluster 4:<br />
Well-Aijen<br />
tot aan<br />
Afferden<br />
Cluster 5:<br />
Afferden-<br />
Mook<br />
status<br />
op basis<br />
van huidige<br />
“operationaliteit”<br />
aantal totale netto- kosten cm waterstand-<br />
Ha x €1000 Verlaging<br />
Totaal Totaal Totaal natuur (omputten waar mogelijk)<br />
ZMI ZM2 IVM<br />
Let op:<br />
hoogwaterstandeffecten<br />
Mogen niet zonder meer<br />
gesommeerd worden.<br />
10 7 8 686 + pm 79000 + pm Ca. 8 + pm<br />
6 11 5 580 +pm maximaal 53000 + pm ca. 41 + pm<br />
3 6 6 777+pm 30000 + pm ca. 42 + pm<br />
9 6 9 836+pm 2000 + pm ca. 31 + pm<br />
9 4 8 266+pm 45100 + pm ca. 25 + pm<br />
TOTAAL 37 34 36 3145 + pm 209100 + pm Nvt<br />
Bij het totaal bedrag van iets meer van 200 miljoen behoren drie nuanceringen:<br />
1. de bedragen hebben een foutmarge van ten minste 20%<br />
2. ten aanzien van cluster 3 is het bedrag gezet op het in het kader van MIRT van het rijk gevraagde bijdrage<br />
3. ten aanzien van lang niet alle projecten is (financieel) voldoende bekend of en zo ja welke baten daarbij<br />
nog een rol kunnen spelen, terwijl van anderen nog onvoldoende zicht bestaat op met name hun bijdrage<br />
op hoogwaterbescherming. Synergie met IVM maatregelen is evenmin in de beschouwing opgenomen.<br />
<strong>Het</strong>geen in dit stadium ook niet mogelijk is omdat daarvan ook nog onvoldoende (redelijk zekere) ramingen<br />
beschikbaar zijn. Een “verdiepingsslag” op dit punt is dan ook gewenst.<br />
Nochtans bevestigt dit getal de stellingname van de provincie in het kader van de Rijksvisie op het waterbeleid<br />
van de komende decennia, waarbij de staatssecretaris is gemeld dat voor een in de tijd gespreid (voor<br />
een belangrijk <strong>deel</strong> na 2015) bedrag van 200 miljoen euro een belangrijke stap in de realisatie van het rijks<br />
en provinciaal beleid gezet kan worden, aan kosteneffectiviteit gewonnen kan worden en win-win situaties<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
81
kunnen worden uitgebuit. Wanneer de hoogwaterstandseffecten van <strong>Zandmaas</strong> 2 (zie daarvoor 5.1.) op deze<br />
wijze gerealiseerd kunnen worden, en daarbij op de in dit <strong>meerjarenplan</strong> beschreven manier rekening wordt<br />
gehouden met IVM, dan zal er naar verwachting geen sprake van hoeven te zijn een wezenlijk <strong>deel</strong> van het<br />
voor IVM totaal geraamde bedrag ad 2,5 miljard euro te reserveren voor de <strong>Zandmaas</strong>. Wij denken in orde<br />
van grootte van 80 – 150 miljoen voor grondverzet en berging in het Maasdal zelf. Wel zal daarbij slim naar<br />
het scheppen van bergingscapaciteit voor 10 -15 miljoen m3 in situ moeten worden gekeken. Tegen de achtergrond<br />
van de ramingen waarvan de Deltacommissie gebruik heeft gemaakt (zie daarvoor 10.7) menen wij<br />
dat een rijks bijdrage in deze orde grootte alleszins gelegitimeerd kan worden.<br />
RWS zegt alleen in het kader van KRW (moeizaam) financiële ruimte te hebben om aan ontwikkelingen bij te dragen.<br />
Dit is erg weinig gezien ook de substantiële bijdrage aan veiligheid (HWG Raaijweide, HWG Venlo-Velden).<br />
Nu echter recent RWS de IVM-doelstellingen wil integreren in de <strong>Zandmaas</strong> <strong>II</strong> projecten, zal een bijdrage<br />
van RWS die deze extra kosten dekt, een integraal onder<strong>deel</strong> moeten uitmaken van deze IVM-aanpassingen<br />
aan de plannen.<br />
Private partijen zijn vooral actief bij projecten waarbij van een substantiële hoeveelheid bouwgrondstoffenwinning<br />
sprake is. Hierbij hebben zij vaak de gronden groten<strong>deel</strong>s in handen. De delfstoffensector heeft aangegeven<br />
clustering van projecten op stuwpandniveau voor te staan waarbij lucratieve en minder lucratieve<br />
projecten gekoppeld kunnen worden.<br />
10.6. Regiofinanciering<br />
Bij het beschikbaar stellen van de Veermangelden heeft LNV aangegeven dat mits de regio zelf 5 miljoen<br />
euro betaalt, LNV nog 5 miljoen euro extra beschikbaar stelt.<br />
10.7. Financiële planning <strong>Zandmaas</strong> 2<br />
<strong>Zandmaas</strong> 2 gaat over de tijdslijn van 2015 heen. Alleen de Veermangelden hebben 2015 als eindtijd. Voor<br />
een goede programmering en een goed onderbouwde claim voor mogelijk extra nodig rijks-geld, is het nodig<br />
een goed overzicht te hebben van de kosten én baten van de vele zandmaas <strong>II</strong> –projecten. Dit kan waar gewenst<br />
gecombineerd worden met IVM.<br />
Voor het maatregelenpakket IVM (Eijsden tot Hedikhuizen, zijnde 226 rivierkilometers) werd in het toemalig<br />
hoofdrapport IVM (2005) 3,6 miljard € geraamd. Nadere ramingen die in het kader van het advies van de<br />
Deltacommissie gebleken zijn kwamen op circa € 2 miljard tot 3 om 4.200 m3/s te accommoderen en nog<br />
eens € 2 miljard tot 3 om 4.600 m3/s te accommoderen. .<br />
Voor de accommodatie van het totaal van de IVM maatregelen wordt derhalve 4 tot 6 miljard € (prijspeil 2008<br />
exclusief BTW) gezien. Dit komt neer op gemiddeld € 17,5 tot 26,5 miljoen per rivierkilometer. Op basis van<br />
deze ramingen zou voor het gehele gebied van het <strong>meerjarenplan</strong> (inclusief cluster 0 zijnde 111 rivierkilometers)<br />
een bedrag van omstreeks € 2 tot 3 miljard aan de orde kunnen zijn. In het kader van de uitwerking<br />
van de clusters én in combinatiemogelijkheden ten aanzien van kosten en baten moet het volgens de provincie<br />
mogelijk zijn deze ramingen aanzienlijk te verfijnen en – getoetst aan kosten-effectiviteit - substantieel<br />
te beperken.<br />
Op basis van de systematiek van dit plan kunnen de dan aan de orde blijkende budgetten ten behoeve van<br />
dit <strong>deel</strong> van de rivier en de bij de clusters behorende gebiedsontwikkelingen ook in de tijd geprogrammeerd<br />
worden.<br />
82 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
11. Organisatie<br />
<strong>Het</strong> Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2 is vastgesteld door Gedeputeerde Staten na advisering van de Statencommissie.<br />
Organisatorisch valt het onder de verantwoordelijkheid van de programmamanager Maas, afdeling Landelijk<br />
Gebied. <strong>Het</strong> <strong>meerjarenplan</strong> wordt periodiek op basis van nieuwe feiten, omstandigheden en inzichten herzien.<br />
<strong>Het</strong> eerst komend ijkpunt wordt voorzien voor het najaar van 2010 met daaraan verbonden een vernieuwd<br />
<strong>meerjarenplan</strong> per 2011.<br />
<strong>Het</strong> operationeel maken van projecten zal via clusters gaan plaatsvinden. Onder een cluster kunnen meerdere<br />
gebiedsontwikkelingen vallen. Per cluster is een stuurgroep onder voorzitterschap van de provinciale<br />
portefeuillehouder Ontwikkeling Maasvallei. Daarin zitten naast de provincie ten minste ook de betrokken<br />
gemeente(n), het waterschap en een vertegenwoordiger van V&W/RWS. De relevante natuur-beschermingsorganisatie<br />
en de gebiedscommissies zijn vaak ook vertegenwoordigd. Deze laatste als adviseur. Binnen de<br />
stuurgroep zorgt een ieder (gemeente, waterschap) met behoud van eigen taak en verantwoordelijkheid voor<br />
de parallelle processen die nodig zijn voor de realisatie van een project. De provincie neemt het regisseurschap<br />
op zich als goedkeurend respectievelijk vergunningverlenend gezag. Afhankelijk van de gebiedsontwikkeling<br />
kunnen private partijen aansluiten bij de stuurgroep.<br />
De Provincie geeft elk jaar opdracht aan de Dienst Landelijk Gebied (DLG) voor in ieder geval de looptijd van<br />
de Overeenkomst Natuurrealisatie <strong>Zandmaas</strong> (dus voor de zogenoemde Veermangelden en tot en met 2015)<br />
het procesmanagement en het financieel- en administratiefbeheer voor het Meerjarenplan; dit gebeurt via de<br />
PO (Prestatie Overeenkomst Provincie - DLG) en de ILG-aansturing.<br />
Tegen de achtergrond van het advies van de Deltacommisssie en het (Ontwerp) Nationaal Waterplan moet<br />
de organisatie aansluiten bij de overlegstructuren op stroomgebied en landelijk niveau. Op stroomgebied niveau<br />
zijn in ieder geval de provincies Limburg, Gelderland en Noord-Brabant betrokken. In lijn met het advies<br />
van de Deltacommissie en het voorgestane rijks- en regionale beleid (“decentraal wat kan”) zouden deze zo<br />
zelfstandig mogelijk moeten kunnen opereren. De vragen en resultaten op nationale schaal kunnen naar dat<br />
niveau teruggekoppeld worden. <strong>Het</strong> verschil tussen bedijkte (Noord-Brabant en Gelderland) en de onbedijkte<br />
(Limburgse) Maas levert in die zin een complicatie op dat een wezenlijk andere benadering van de hoogwaterbescherming<br />
aan de orde is. De structuur borgt in ieder geval de eenheid in het stroomgebied van de<br />
Maas op nationaal niveau.<br />
Om die reden zijn wij er voorstander van een bestuurlijke stuurgroep en een ambtelijke begeleidingsgroep<br />
voor dit gebied in te stellen, waarbij de provincies het voortouw nemen. Als samenstelling wordt – naast de<br />
provincies - gedacht aan 1 waterschap en 1 gemeente per provincie. Rijksinstanties sluiten als adviseurs<br />
aan.<br />
<strong>Het</strong> secretariaat wordt gevoerd door Rijkswaterstaat in nauwe samenwerking met de rijksaccountmanager<br />
voor het gebied en de voorzitter van de ambtelijke begeleidingsgroep. I<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
83
Deze opzet ligt min of meer in het verlengde van die welke gekozen werd voor de totstandkoming van de Integrale<br />
Verkenning Maas. In de ambtelijke begeleidingsgroep kunnen eventueel meerdere instanties <strong>deel</strong>nemen.<br />
Te denken valt aan de drie provincies, vertegenwoordigers de waterschappen en per waterschap een<br />
gemeentelijke vertegenwoordiger. Daarbij achten wij informatie/raadpleging van en aan achterbannen (waterschappen/gemeenten)<br />
van groot belang. Dit dient gefaciliteerd te worden door provincie en rijk. In bepaalde<br />
fases kan eveneens informatie/raadpleging belangenorganisaties van belang zijn. Dit kan vooralsnog ad<br />
hoc (maar vergelijkbaar) ingevuld worden naar mate proces op stroomgebiedniveau vordert.<br />
Op landelijk niveau kunnen de gebiedsprocessen, studies, vragen en resultaten bij elkaar gebracht worden.<br />
Dit vraagt om een bestuurlijk en ambtelijk gremium. Deze gremia onder voorzitterschap de staatssecretaris<br />
en secretariaat van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. De secretarissen van de stuurgroepen en<br />
de voorzitters van de ambtelijke begeleidingsgroepen nemen <strong>deel</strong> aan ambtelijk voorbereidend overleg. De<br />
voorzitters van de stuurgroepen van de acht “Delta-gebieden” nemen <strong>deel</strong> aan het landelijk bestuurlijk overleg<br />
samen met vertegenwoordigers van Unie van Waterschappen, de Vereniging Nederlandse (Rivier-)Gemeenten.<br />
Dit kan samenvallen met het huidige Landelijk Bestuurlijk Overleg Hoogwaterbescherming.<br />
Tegen de achtergrond van deze structuur neemt voor het gebied van de Limburgse Maas, respectievelijk het<br />
<strong>Zandmaas</strong>gebied de provincies de regierol op zich om tot gebiedsprocessen te komen (organisatie, samenstelling<br />
groepen).<br />
De provincie meent dat dit voor de Limburgse situatie een goede “koepel” kan zijn die afstemming en synchronisatie<br />
op het niveau van het (nationaal) stroomgebied borgt.<br />
<strong>Het</strong> <strong>meerjarenplan</strong> <strong>Zandmaas</strong> kent clusters waarin deze structuur naar lokaal niveau kan worden doorvertaald:<br />
- Stuurgroepen onder voorzitterschap van de portefeuillehouder Ontwikkeling Maasvallei, met daarin vertegenwoordiger<br />
van Rijkswaterstaat DLb, het waterschap en de betreffende colleges van BenW. De voorzitters<br />
van de gebiedscommissies Vitaal Platteland functioneren daarin als adviseur.<br />
- Ambtelijke projectgroepen met een afspiegeling van de stuurgroep en afhankelijk van het belang aangevuld<br />
met vertegenwoordigers uit diverse sectoren en/of specifiek belanghebbenden zoals standorganisaties,<br />
bouwgrondstoffenwinners met grondposities en natuurbeherende instanties. De gebiedsmanagers Vitaal<br />
Platteland functioneren daarbij als adviseur.<br />
- Daarachter ambtelijke projectgroepen die op projectniveau situationeel verkenning, planvorming en realisatie<br />
van binnen de clusters gedefinieerde projecten (bege-)leiden.<br />
Voor de clusters 4 (Well – Afferden) en 5 (Afferden – Mook) is betrokkenheid van de provincie Noord-Brabant<br />
en de op de westelijke oever gelegen gemeenten alsmede het Waterschap AA en Maas van belang. Ongeveer<br />
vanaf de stuw Sambeek heeft Brabant een veiligheidsnorm van 1:1250.<br />
In het kader van de Maas zijn evenwel ook andere overlegstructuren van belang:<br />
a. Maaswerken:<br />
De bestaande overlegstructuren met betrekking tot de activiteiten van RWS Maaswerken kunnen gehandhaafd<br />
worden. Daarbij is het van belang dat alle projectonderdelen van Maaswerken gelijkwaardig aan de<br />
orde komen. Voorts is periodiek overleg tussen ons college en het managementteam van RWS Maaswerken<br />
en het functioneren van de Stuurgroep Maaswerken wezenlijk voor het realiseren van de gemeenschappelijke<br />
doelstellingen. Wij realiseren ons daarbij dat RWS Maaswerken op enige termijn als projectorganisatie zal<br />
ophouden te bestaan. Naar verwachting zal het directoraat-generaal van Rijkswaterstaat beslissen deze in<br />
84 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
de regionale directie te integreren. Deze integratie behoeft ons inziens als zodanig geen invloed op de overlegstructuur<br />
te hebben. Van wezenlijk belang vinden wij het dat kennis en vaardigheden adequaat zullen kunnen<br />
(blijven) worden ingezet.<br />
b. waterschappen:<br />
Wij vinden het gewenst ten aanzien van de keringen in Limburg een gestructureerd overleg met de beide waterschappen<br />
tot stand te brengen. Daarbij zou ook betrokkenheid van RWS Directie Limburg gewenst kunnen<br />
zijn.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
85
Broekhuizen 1926<br />
86 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
12. Communicatie<br />
De communicatie over het Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2 vindt zowel breed (over alle projecten en sectoren<br />
heen) als meer gebiedsgericht plaats.<br />
Extra aandacht zal gericht worden op gemeenten om hun betrokkenheid bij zandmaas 2 waar nodig te vergroten.<br />
Deze regionale partners (gemeenten, waterschappen, rijk, belangenorganisaties, private partijen, bewoners)<br />
kunnen ook via de website www.zandmaas2.nl en bijbehorende nieuwsbrief informatie verkrijgen<br />
over de stand van zaken. Met de sectoren delfstofwinners, landbouw en natuur wordt gericht overleg gevoerd<br />
over <strong>Zandmaas</strong> 2.<br />
De resultaten van het Meerjarenplan zullen elk half jaar als onder<strong>deel</strong> van de stand van zaken Programma<br />
Maas aan de Statencommissie én de regionale partners worden voorgelegd.<br />
Afzonderlijke projecten<br />
Communicatie over de afzonderlijke projecten is een integraal onder<strong>deel</strong> van de voorbereiding en uitvoering<br />
van het betreffende project. Voor de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum verzorgt het projectbureau dat in<br />
het gemeentehuis van Meerlo is gevestigd, de communicatie naar buiten. Bij andere projecten ligt de eerste<br />
verantwoordelijkheid bij gemeenten, provincie of private partijen,<br />
Bij mijlpalen zoals bijvoorbeeld het tekenen van intentie- of samenwerkingsovereenkomsten, de instelling van<br />
een stuurgroep, start en afronding van een project zal in nauw overleg met de betrokken partijen de pers worden<br />
betrokken.<br />
De communicatie voor dit <strong>meerjarenplan</strong> <strong>Zandmaas</strong> 2 wordt in een communicatieplan uitgewerkt.<br />
Daarbij moet extra aandacht worden besteed aan de bewoners en gebruikers van de gebieden per cluster,<br />
zodat zij enerzijds optimaal geïnformeerd zijn over de stand van zaken van de ontwikkelingen ten aanzien<br />
van hun gebied anderzijds ten aanzien van de mogelijk binnen hun gebied in uitvoering zijnde werken. Daarenboven<br />
moeten zij input kunnen geven op de ontwikkeling en kennis kunnen nemen van de output van de<br />
proces(fasen).<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
87
Hoogwater<br />
88 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
Bijlage 1<br />
Hoogwaters van de Maas en de normen<br />
Hoogwaters<br />
<strong>Het</strong> historisch verloop van hoogwaters in de Maas is in onderstaande tabel opgenomen.<br />
Daarbij is voor de 2de helft van de 19de eeuw gebruik gemaakt van gegevens ontleend aan een overzicht<br />
van de Sociëteit Momus te Maastricht. Deze hield van 1846 tot 1900 bij hoeveel liters soep in tijden van nood,<br />
waaronder hoogwaters, aan “behoeftigen” werden be<strong>deel</strong>d.<br />
Tableau Sociëteit Momus Maastricht, bron: Limburg Museum Venlo<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
89
1850-51 40.050 liter in 72 dagen<br />
1875-76 25.805 liter in 48 dagen<br />
1880-81 30.186 liter in 52 dagen<br />
01-01-1926<br />
gecorrigeerd 3000 m3/sec 45,90 + NAP<br />
08-02-1984<br />
2.466 m3 gecorrigeerd<br />
45,35 +NAP<br />
3.120 m<br />
22-12-1993<br />
3 /sec<br />
Gecorrigeerd 2.959 m3 /<br />
sec<br />
45,85 +NAP<br />
2.870 m<br />
31-01-1995<br />
3 /sec<br />
Gecorrigeerd 2.702 m3 /<br />
sec<br />
45.71 + NAP<br />
2002 (5 golven met 2.499 m<br />
maximum van)<br />
3 /sec<br />
45,46 + NAP<br />
2.735 m<br />
04-01-2003<br />
3 /sec<br />
Gecorrigeerd 2.547 m3 /<br />
sec<br />
45,56 + NAP<br />
90 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong><br />
Maastricht/Borgharen Roermond Venlo<br />
20,80 +NAP 18,35 + NAP<br />
20,85 + NAP 18,46 + NAP<br />
19,25 + NAP 17,16 + NAP<br />
19,97 + NAP 17,82 + NAP<br />
Tableau Sociëteit Momus Maastricht, detail. Bron: Limburg Museum, Venlo
Uit de liters soep die in Maastricht werden uitge<strong>deel</strong>d kan niet afgeleid worden hoe groot de golf was, noch<br />
hoe ernstig. In kronieken en archieven zullen bij onderzoek meer en betere indicaties voor het voorkomen en<br />
ernst van hoogwaters te vinden zijn. Alleen een <strong>deel</strong> van de maatschappelijke impact komt via deze ludieke<br />
bron tot uitdrukking. Dodelijke slachtoffers en schade aan gebouwen etc komen evenmin tot uitdrukking.<br />
Bij de cijfers van de 20ste eeuw moet er op gewezen worden dat de maximale waterstanden hooguit als indicaties<br />
voor de ernst kunnen dienen. In de 20ste eeuw zijn in de Maasvallei heel wat obstakels ontstaan die<br />
op de waterpeilen van invloed zijn, terwijl de bodem van de Maas en haar vallei in die periode ook gevoelig<br />
is gebleken voor erosie enerzijds en sedimentatie anderzijds.<br />
Ook de schade uitkeringen van het Rijk (1995 circa M€ 12 en 2002 circa M€ 6, en dan nog exclusief wezenlijke<br />
schadebestanddelen zoals die aan campings) geven geen betrouwbare indicaties. In de tussengelegen<br />
tijd is immers handelend opgetreden en zijn heel wat schade beperkende maatregelen getroffen.<br />
De voor Borgharen aangegeven volumes zijn voor zoveel aangegeven gecorrigeerd door het RIZA (de gespecialiseerde<br />
wetenschappelijke dienst van RWS. Tegenwoordig heet deze - na reorganisatie – RWS Waterdienst),<br />
dit op basis van nacalculaties.<br />
Hoogwaternormen en rivierdimensionering<br />
De normering voor hoogwaters en hoogwaterbeveiliging heeft twee in verschillende wetten vastgelegde uitgangspunten:<br />
De wet op de waterkering normeert de veiligheid (het beschermingsniveau) binnen de daarin aangegeven<br />
dijkringgebieden op 1:250 bij een volume van Borgharen van m3/sec 3.250.<br />
De dijkringgebieden zijn nader geregeld bij de provinciale verordening op de waterkering.<br />
Relevant is dus de kans (1:250) en een golfvolume. Deze kans 1:250 correspondeert concreet met een volume<br />
van 3.250 m3/sec. In de volksmond wordt de kans wel uitgedrukt als 1 keer in de 250 jaar, maar feitelijk<br />
is dat principieel onjuist. <strong>Het</strong> gaat om de kans van voorkomen per jaar. Die kan zich morgen voordoen. Des<br />
te groter het volume, des te kleiner de kans.<br />
Met de wet op de waterkering zijn ook twee voor Limburg nieuwe begrippen ingevoerd namelijk binnendijks<br />
en buitendijks gebied.<br />
<strong>Het</strong> binnendijksgebied is het gebied dat beschermd wordt door een dijk (kade). <strong>Het</strong> buitendijkse gebied ligt<br />
buiten de dijk(kring) en wordt niet beschermd. Behalve de hoge gronden zijn in Limburg alleen de dijkringgebieden<br />
beschermd. De stedelijke gebieden (Roermond, Venlo en Mook/Gennep/Middelaar) hebben daarbij<br />
prioriteit gekregen.<br />
De Wet Beheer Rijkswaterstaatswerken normeert het rivierbed van de Maas op 1: 1250 zijnde de golf van<br />
3.800 m3/sec. Daarmee wordt materieel het ruimtebeslag van de rivier bepaald. Binnen het gebied geldt in<br />
principe een vergunningplicht (waarbij Rijkswaterstaat bevoegd gezag is) en is de Beleidslijn Grote Rivieren<br />
van toepassing. Volgend op de Hydraulische Randvoorwaarden (met name de vaststelling van de golfvorm)<br />
wordt de dimensionering van het rivierbed vijfjaarlijks met behulp van een Koninklijk Besluit (feitelijk een vernieuwd<br />
kaartbeeld) bijgesteld.<br />
De toetsing van ontwikkelingen (werken) op grond van de Wet Beheer Rijkswaterstaatswerken vindt derhalve<br />
plaats aan de hand van de (consequenties ten aanzien van een) hoogwatergolf van 3.800 m3/sec.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
91
92 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
Bijlage 2.<br />
Overeenkomst Natuurrealisatie <strong>Zandmaas</strong><br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
93
94 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
Perspectief op 2015 - 2050<br />
95
96 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>
Bijlage 3.<br />
Begrippen en afkortingen<br />
- Binnendijks gebied<br />
- Buitendijks gebied<br />
een gebied dat door een dijk/kade tegen hoogwaters wordt beschermd.<br />
- B.R. P<br />
een gebied dat buiten de dijk/kade is gelegen en daardoor geen bescherming tegen hoogwaters<br />
wordt geboden.<br />
Basis Registratie Percelen (databank voor landbouwkundige analyse)<br />
- D.G.R. Deltawet Grote Rivieren 1996, op grond waarvan in Limburg (in principe als tijdelijke voorzieningen)<br />
in 1997 kaden zijn aangelegd met een beschermingsniveau van 1:50 (zijnde een<br />
hoogwatergolf van 2.700 m3/sec Borgharen)<br />
- DLG Dienst Landelijk Gebied<br />
- E.H.S. Ecologische Hoofdstructuur<br />
- I.L.G (wet) Investeringsfonds Landelijk Gebied<br />
- I.V.M. Integrale Verkenning Maas (studie 2006 ten aanzien van consequenties volume groei hoogwatergolf<br />
met regeringsstandpunt, doorwerkend in de beleidslijn Grote Rivieren)<br />
- hoogwatergeul (hwg)<br />
een rivierkundige ingreep die het rivierprofiel vergroot en in geval van hoogwater een waterstandverlagend<br />
effect heeft (niet te verwarren met een nevengeul)<br />
- Mkba Maatschappelijke kosten baten analyse: wetenschappelijk instrument om maatschappelijke<br />
kosten en baten bij een project- gebiedsontwikkeling in beeld te krijgen.<br />
- nevengeul (ng)<br />
een (veelal om een stuw) gelegde geul die in situaties van normaal stuwpeilbeheer een geringe<br />
hoeveelheid water langs de stuw leidt en daardoor een natuurlijk ecologisch systeem in relatie<br />
tot de rivier heeft. In het kader van IVM worden wanneer sprake is van nevengeulen vooral<br />
hoogwatergeulen en maasarmen respectievelijk riviervertakkingen bedoeld die bijdragen<br />
aan het stroomprofiel om hoogwaters af te voeren.<br />
- PO Prestatieovereenkomst, overeenkomst tussen provincie en Dienst Landelijk Gebied waarin de<br />
jaarafspraken en prestaties van DLG worden vastgelegd.<br />
- POG Provinciale Ontwikkelingszone Groen<br />
- RACM Rijksdienst voor Archeologie Cultuur en Monumenten<br />
- ROC Regionaal Overslag Centrum<br />
- SLL Stichting Limburgs Landschap<br />
- Verordening Waterkering Limburg<br />
Verordening van 2007 waarbij door Provinciale Staten uitwerking is gegeven aan de herziening<br />
van de Wet op de Waterkering.<br />
Perspectief op 2015 - 2050<br />
97
- Wwk Wet op de Waterkering – Bij de herziening van 2006 is Limburg integraal opgenomen in het<br />
algemeen Nederlands regime ten aanzien van waterkeren. De wet wordt geïntegreerd in de<br />
nieuwe Waterwet.<br />
- WBR Wet Beheer Rijkswaterstaatswerken<br />
Wet op grond waarvan met periodiek bij te stellen Koninklijk Besluit het ruimtebeslag van de<br />
rivier wordt gedefinieerd en op grond waarvan het bevoegd gezag Rijkswaterstaat vergunningen<br />
verleend tot het uitvoeren van werken/activiteiten die effect kunnen hebben op het (beheer<br />
van) de rivier.<br />
Baarlo 2003<br />
98 Meerjarenplan <strong>Zandmaas</strong> 2, <strong>2009</strong>