Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties - Sectorinstituut ...

siob.nl

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties - Sectorinstituut ...

Nieuwe bibliotheken,

nieuwe competenties

sectorinstituut

openbare bibliotheken

Op weg naar een passend opleidingenaanbod Programma opleidingen SIOB, uitgevoerd door Marjolein Oomes


Nieuwe bibliotheken,

nieuwe competenties

Op weg naar een passend opleidingenaanbod

Programma opleidingen SIOB,

uitgevoerd door Marjolein Oomes

sectorinstituut

openbare bibliotheken

Juli 2011


Inhoud

1 Introductie 4

1.1 Probleemschets 4

1.2 Definitie van competenties 6

1.3 Methoden die voor dit onderzoek zijn gebruikt 7

1.4 Leeswijzer 7

2 Ontwikkelingen in samenleving en branche 9

2.1 Maatschappelijke ontwikkelingen 9

2.1.1 Demografische ontwikkelingen 9

2.1.2 Onderwijs en educatie 10

2.1.3 Sociaal-culturele ontwikkelingen 13

2.1.4 Media, cultuur en informatie 15

2.2 Brancheontwikkelingen 19

2.2.1 Omvang van het gebruik 20

2.2.2 Bezuinigingen op het bibliotheekwerk 21

3 Andere dingen doen en dingen anders doen 22

3.1 Verschuivingen binnen de kernfuncties van de bibliotheek 22

3.1.1 Kennis en informatie: digitalisering, mediawijsheid en interactie

met de gebruiker 22

3.1.2 Lezen en literatuur: uitdagingen en tegenbewegingen rondom

ontlening 23

3.1.3 Ontwikkeling en educatie: taalontwikkeling en leven lang leren voor

verschillende doelgroepen 24

3.1.4 Ontmoeting en debat: belangrijk streven, maar weinig (h)erkenning

bij gebruikers 25

3.1.5 Kunst en cultuur: encyclopedierol ingevuld, maar weinig (h)erkenning

bij gebruikers 26

3.2 Een nieuw soort dienstverlening aan de gebruiker 27

3.2.1 Afstemming op doelgroepen 27

3.2.2 Snelheid en gemak: digitale dienstverlening 28

3.2.3 Nieuwe concepten voor de vormgeving en inrichting van de

dienstverlening 29

3.3 Andere taken en een andere manier van werken 30

3.3.1 Wegvallen van taken 30

3.3.2 Van productoriëntatie naar klantoriëntatie 30

3.3.3 Public affairs en aantonen maatschappelijke waarde 31

3.3.4 Cultureel ondernemerschap en (gemeentelijk) opdrachtgeverschap 31

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


3.3.5 Alternatieve financiering 32

3.3.6 Netwerken en verbindingen leggen 32

3.3.7 Projectmatig werken 32

3.4 Conclusie: een nieuw profiel voor de bibliotheekmedewerker 33

4 Aansluiting opleidingenaanbod op het nieuwe profiel van de

bibliotheekmedewerker 34

4.1 Mbo-opleiding Informatiedienstverlening (IDV) 35

4.1.1 Beroepscompetentieprofiel en kwalificatiedossier 35

4.1.2 Het huidige aanbod van IDV-opleidingen 37

4.2 Hbo-opleiding Informatiedienstverlening en -management (IDM) 39

4.2.1 Beroeps- en opleidingsprofielen 39

4.2.2 Het huidige aanbod van IDM-opleidingen 41

4.3 Conclusie: onvoldoende aansluiting tussen opleidingen en de wensen vanuit

het beroepenveld 42

5 De juiste competenties voor een passend opleidingenaanbod 44

5.1 Competenties die de branche heeft geformuleerd 45

5.1.1 Opleidingsprofielen van het HR-netwerk 45

5.1.2 Opleidingsprofielen voor branchecursussen en -trainingen 45

5.1.3 Functieprofielen in de cao 45

5.1.4 Functiebeschrijvingen in de FOBID-wiki 46

5.1.5 Match van de branchecompetenties met het nieuwe profiel

van bibliotheekmedewerker 46

5.2 De Competentie-index voor het bibliotheekveld 47

6 Conclusie en aanbevelingen 49

6.1 Conclusie 49

6.2 Aanbevelingen 52

6.2.1 Gebruik de competentie-index als gezamenlijke basis om op voort

te bouwen 52

6.2.2 Ontwikkel op basis van de index losse opleidingsmodules 53

6.2.3 Put voor de samenstelling van modules ook uit andere opleidingen 53

6.2.4 Zorg dat de instroom in de opleidingen een stimulans krijgt 54

6.2.5 Zorg ook dat de doorstroom van de opleidingen naar het beroepenveld

een stimulans krijgt 54

6.2.6 Realiseer structurele afstemming tussen bibliotheekbranche

en opleiders 55

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


4

1 Introductie

1.1 Probleemschets In het rapport De openbare bibliotheek tien jaar van nu

presenteren Huysmans en Hillebrink (2008) de meest urgente punten waar de bibliotheekbranche

op korte termijn aandacht voor moet hebben. Eén van deze aandachtspunten

omvat het zoeken van oplossingen voor het dreigende tekort aan personeel, in het bijzonder

personeel dat de inhoudelijke vernieuwing kan vormgeven. 1 Dit zogenaamde personeelsprobleem

is in twee componenten te splitsen. Het eerste probleem is de groeiende vraag

naar nieuw personeel. Dat zal ontstaan door de uitstroom van pensioengerechtigd personeel

in combinatie met het achterblijven van nieuwe aanwas van jonge mensen. Het tweede

probleem is dat het opleidingenaanbod niet aansluit bij de competenties van medewerkers

die vereist zijn om vernieuwing in de bibliotheekbranche vorm te geven.

Wat betreft het eerste deelprobleem is in onderstaande grafiek 2 te zien dat de (verwachte)

omvang van de uitstroom in aantal mensen en aantal FTE vanaf 2011 sterk zal toenemen.

Gevolg van deze uitstroom is een toenemende vraag naar nieuw personeel. De aanwas

vanuit de mbo- en hbo-opleidingen is momenteel echter niet genoeg om de vacatures

te vervullen. 3

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Introductie

Uitstroom medewerkers per jaar wegens bereiken pensioengerechtigde

leeftijd (totaal uitstroom periode 2010-2022: 2.922 medewerkers = 1.821 FTE)

Bron: WOB 2010

400

300

200

100

0

9550

3518

2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019

0 0

2020 2021

aantal

fte

16188

229141

Het tweede personeelsprobleem staat centraal in dit onderzoek en suggereert een lacune

in het opleidingenaanbod als het gaat om de kennis en vaardigheden die nodig zijn om de

inhoudelijke vernieuwing van bibliotheken vorm te geven. De branche vraagt niet alleen

nieuw personeel, maar vooral ‘jong personeel dat met de tijd mee kan, op de hoogte is van

ontwikkelingen op onder andere het gebied van ICT en het web en deze kan vertalen naar

producten en diensten van de organisatie’. 4 Dit vereist dat medewerkers een andere dan

de oorspronkelijke opleidingsachtergrond nodig hebben en beschikken over andere dan

de oorspronkelijke competenties. De huidige generatie bibliothecarissen is opgeleid in het

uitoefenen van specifieke vaardigheden, zoals het opsporen, selecteren en ontsluiten van

informatie, het verstrekken van inlichtingen en het geven van leesadviezen. In de loop van

de tijd is de maatschappelijke functie van bibliotheken verbreed. Gevolg is dat oude taken

zijn komen te vervallen en er nieuwe taken bij zijn gekomen. In de zich sterk ontwikkelende

digitaal georiënteerde en georganiseerde kennissamenleving worden andere competenties

verwacht dan voorheen. Administratieve, routinematige taken die geautomatiseerd en/of

gecentraliseerd, dan wel uitbesteed kunnen worden (bijvoorbeeld catalogiseren, selectie

en aanschaf van materialen, titelbeschrijven, administratie, boekverwerking) zijn ‘uit’.

Sociale vaardigheden, moderne informatievaardigheden, maatwerk, it, netwerken, samenwerken,

projectmanagement zijn ‘in’. Uit de branche gaan ook signalen op dat het huidige

opleidingenaanbod, dat opleidt tot de traditionele bibliothecaris, onvoldoende geschikt is

voor de bibliotheek van nu en van de toekomst. De opleidingen zouden niet aansluiten bij

de nieuwe uitdagingen van de bibliotheek en onvoldoende recht doen aan de diversiteit

aan leervragen die daaruit voortkomen. 5 Deze gedachte lijkt te worden ondersteund door

het feit dat op verschillende plekken initiatieven worden genomen tot het ontwikkelen van

speciale opleidingsmodules, cursussen en trainingen. Deze worden rondom verschillende

thema’s en op verschillende niveaus (landelijk, provinciaal en regionaal) georganiseerd en

worden los van de reguliere (bibliotheek)opleidingen aangeboden.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

366232

347211 361245

333206 334215

298176

363238

5


6

Introductie

In de Agenda voor de Toekomst van de Vereniging Openbare Bibliotheken 6 wordt over de

personeelskwestie gesproken als de meest urgente hindernis voor het kunnen slagen van de

inhoudelijke vernieuwing. Nieuwe aanwas om de grootschalige uitstroom van gepensioneerde

bibliotheekmedewerkers op te vangen wordt de komende jaren dan ook essentieel.

Minstens even belangrijk is dat deze nieuwe aanwas, evenals het huidige personeelsbestand

beschikt over de juiste competenties om vernieuwing in de bibliotheek vorm te geven. Een

goed opleidingsprogramma dat aansluit bij de eisen en vragen van deze tijd is cruciaal om dit

te realiseren. In voorliggend onderzoek wordt de mate van aansluiting van het opleidingenaanbod

op de competentie-eisen van bibliotheekmedewerkers in kaart gebracht. 7 De

centrale vraag van het onderzoek is tweeledig en luidt als volgt:

Welke competenties hebben bibliotheekmedewerkers nodig om hun werk te kunnen (blijven)

doen en in hoeverre sluit het huidige aanbod van (bibliotheek) opleidingen hierbij aan?

Om het antwoord op deze hoofdvraag te vinden, worden achtereenvolgens de volgende

onderzoeksvragen doorlopen:

• Met welke ontwikkelingen in branche en samenleving worden bibliotheken

geconfronteerd?

Welke competenties verlangen bibliotheken van hun medewerkers om met deze

veranderende wereld om te gaan?

• Hoe ziet het huidige (bibliotheek)opleidingenaanbod er uit?

In hoeverre komt dit tegemoet aan de competenties die worden gevraagd van

bibliotheekmedewerkers?

Na beantwoording van deze vragen zou duidelijk moeten zijn waar het opleidingenaanbod

aansluit bij de behoeften van de branche en waar lacunes zijn. Achterliggende doelstelling

van het onderzoek is om, wanneer deze ontbreekt, een betere aansluiting te realiseren

tussen vraag en aanbod. Om een eerste stap te maken richting realisering van deze doelstelling

en daarmee praktische toepassing van het onderzoek, stellen we onszelf tevens

de volgende onderzoeksvraag:

• Wat moet er gebeuren om een betere aansluiting te realiseren tussen opleidingenaanbod

en competentie-eisen van de branche?

Vooruitlopend op de aanbevelingen en discussie, zou een vervolgstap kunnen zijn om, daar

waar aansluiting ontbreekt, te investeren in de ontwikkeling van nieuwe opleidingsmodules.

1.2 Definitie van competenties In dit onderzoek staan de competenties van

bibliotheekmedewerkers centraal. Het begrip competenties omvat verschillende aspecten

die bepalen of iemand geschikt of bekwaam is om een bepaalde taak of functie met beoogd

resultaat uit te voeren. Dit kan om specifieke (vak)kennis, ervaring en/of vaardigheden

gaan, maar vaak wordt ook een bepaalde (beroeps)houding of attitude tot competenties

gerekend. Soms worden zelfs specifieke gedragsindicatoren of activiteiten ondergebracht

onder de noemer competenties. Vaak geven deze competenties weer wat voor proces

iemand moet volgen om bij het resultaat te komen. Verder zien sommigen competenties

als iets dat je leert, terwijl anderen ook kernkwaliteiten of persoonskenmerken die je niet

aan kunt leren meerekenen. Het verschilt dus per geval op welke manier en hoe breed het

begrip ‘competentie’ wordt gebruikt. Hierdoor verschilt ook vaak het niveau van formulering:

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Introductie

van heel abstracte competenties zoals ‘is klantgericht’ tot zeer gedetailleerde competenties

zoals ‘laat de klant merken dat hij 8 gezien is’. In dit rapport wordt gebruikgemaakt van een

zo ruim mogelijke definitie of afbakening van competenties, namelijk: het totaal aan aspecten

die een bibliotheekmedewerker moet doen, kunnen, weten, voelen en willen om het werk

goed te kunnen doen. We beperken ons daarbij tot competenties aangaande bibliotheekwerk

op mbo- en hbo-niveau.

1.3 Methoden die voor dit onderzoek zijn gebruikt Het onderzoek is

opgezet in drie fasen, waarin achtereenvolgens de verschillende onderzoeksvragen zijn

doorlopen.

Ter beantwoording van de eerste twee onderzoeksvragen is een documentanalyse uitgevoerd.

Op basis van deze analyse wordt een overzicht geschetst van ontwikkelingen in

samenleving en branche die van invloed zijn op de functie en dienstverlening van de

bibliotheek, de manier van werken en het geschikte medewerkerprofiel dat daarbij past.

Voor de analyse is gebruikgemaakt van verschillende notities, onderzoeken en beleidsstukken

die de afgelopen jaren zijn verschenen, zowel over de bibliotheek als over brede

maatschappelijke ontwikkelingen.

Om erachter te komen welke competenties centraal staan in het huidige opleidingenaanbod

(derde onderzoeksvraag) en in hoeverre deze passen bij wat de branche wenst (vierde

onderzoeksvraag) is eveneens een documentanalyse uitgevoerd. Bij deze analyse is gekeken

naar de documenten die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling en accreditatie van de

opleidingscurricula voor de hbo- en mbo-opleidingen van de reguliere opleidingsinstituten.

Dit zijn beroepscompetentieprofielen en scholings- of opleidingsprofielen. Voor informatie

over het curriculum van opleidingen (de te volgen vakken, de te behandelen thema’s en

de opbouw van de opleiding) zijn de websites van de verschillende opleidingsinstituten

bekeken en zijn gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van de opleidingen. Deze

gesprekken vonden veelal plaats in overkoepelend verband tijdens bijeenkomsten van landelijke

koepelcommissies, overleggen en kenniskringen waarin alle opleidingsinstituten

zijn vertegenwoordigd.

Tot besluit van het onderzoek en als beginpunt van het vervolgtraject (onderzoeksvraag 5)

is een totaaloverzicht van competenties geformuleerd die relevant zijn voor het bibliotheekwerk

in zo breed mogelijke zin. Deze index vormt het instrument op basis waarvan opleiders

aan de slag kunnen met het doen van aanpassingen in het huidige aanbod, opdat dit (meer)

naar wensen van de bibliotheekbranche wordt ingericht. Voor dit instrument is geput uit de

inzichten uit de hierboven besproken documentanalysen en aanvullend deskresearch naar

functie-, competentie- en opleidingsprofielen die zijn opgesteld voor en door Nederlandse

en buitenlandse brancheorganisaties.

1.4 Leeswijzer De volgende hoofdstukken bevatten de bevindingen uit de verschillende

onderzoeksfasen. Hoofdstuk 2 schetst een overzicht van de ontwikkelingen in branche

en maatschappij waarmee bibliotheken worden geconfronteerd. De manier waarop deze

ontwikkelingen hebben geleid of zullen leiden tot veranderingen in de kernfuncties, dienstverlening

en manier van werken van de bibliotheek, is het onderwerp van hoofdstuk 3.

Hoofdstuk 4 zoomt in op het huidige aanbod van reguliere mbo- en hbo-opleidingen. We

bespreken de officiële profielen die de basis vormen voor de ontwikkeling en accreditatie

van deze opleidingen en de mate waarin deze profielen en de opleidingscurricula aansluiten

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

7


8

Introductie

bij de in hoofdstuk 3 besproken verschuivingen in het bibliotheekwerk. Ook gaan we kort in

op enkele relevante ontwikkelingen die zich momenteel afspelen binnen het opleidingenveld

en die van invloed (kunnen) zijn op de toekomst van de opleidingen. In hoofdstuk 5

worden de lacunes in de bestaande competentieprofielen van de opleiders ingevuld met

inzichten uit competentieprofielen die door de branche zelf zijn ontwikkeld. De competenties

uit de profielen van opleiders en de relevante aanvullingen hierop uit de brancheprofielen

worden samengenomen en omgezet naar een totaaloverzicht van vereiste

competenties voor het bibliotheekwerk: de competentie-index voor het bibliotheekveld.

Deze index is te vinden in de bijlage. Het afsluitende hoofdstuk bevat een conclusie waarin

een samenvattend antwoord wordt gegeven op alle onderzoeksvragen. Ter beantwoording

van de laatste onderzoeksvraag worden enkele aanbevelingen gedaan voor het opzetten van

een vervolgtraject ter verbetering van de aansluiting tussen de vraag (vanuit de bibliotheekbranche)

en het aanbod (van de opleiders).

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


2 Ontwikkelingen in samenleving

en branche

In dit hoofdstuk wordt beschreven met welke ontwikkelingen in samenleving en branche

bibliotheken (in de nabije toekomst) geconfronteerd worden. We bespreken de belangrijkste

ontwikkelingen die zowel direct als indirect – bijvoorbeeld via overheidsbeleid –

van invloed kunnen zijn op het bibliotheekwerk en dus de bibliotheekmedewerker.

2.1 Maatschappelijke ontwikkelingen De besproken maatschappelijke ontwikkelingen

verdelen we onder in vier deelgebieden: demografie, onderwijs en educatie,

sociaal-culturele ontwikkelingen en media, cultuur en informatie.

2.1.1 Demografische ontwikkelingen

Demografische ontwikkelingen, zoals veranderingen in inwoneraantal en samenstelling

van de bevolking, zullen van invloed zijn op de hoeveelheid en het type diensten en producten

die van de bibliotheek worden gevraagd en verwacht. Voor bibliotheken is het

natuurlijk van belang dat zij in de afstemming van hun aanbod rekening houden met deze

vraag en verwachtingen.

Inwoneraantal

Momenteel telt Nederland circa 16,5 miljoen inwoners. In de periode 1997-2004 groeide

het aantal personen met 0,4% tot 0,8% per jaar (zie figuur 2.1). Daarna zakte de groei tot

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

9


10

Ontwikkelingen in samenleving en branche

onder de 0,2% in 2007, gevolgd door herstel in 2009 (0,5%). Voor de komende tien jaar

gaat het CBS uit van een bevolkingsgroei van gemiddeld 0,3% per jaar. 9

Vergrijzing en ontgroening

De vergrijzing (het toenemend aandeel 65-plussers in de bevolking) is tussen 1997 en

2008 vrij langzaam verlopen. Op 1-1-2010 telde Nederland circa 2,54 miljoen 65-plussers en

prognoses van het CBS stellen dat dit aantal zal stijgen tot 3,36 miljoen in 2020 en 4,10 miljoen

in 2030. Pas tegen 2040 wordt het hoogtepunt van de vergrijzing bereikt, wanneer

ook de huidige veertigers 65 jaar of ouder zijn geworden. Dan zullen 65- tot 79-jarigen

ruim 17% van de bevolking uitmaken, en 80-plussers meer dan 8%. 10

Daarentegen wordt verwacht dat het aandeel dat jongeren innemen in de totale bevolking

juist zal afnemen. In dit kader wordt ook wel gesproken over ontgroening van de samenleving.

De verwachting is dat het aandeel van de groep jongeren van 0 tot en met 19 jaar

tussen 2020 en 2030 met 3% zal dalen.

Verkleuring

Ook in de etnische samenstelling van de bevolking is in de afgelopen decennia veel veranderd

en zal in de komende decennia het een en ander veranderen. Het aandeel allochtonen

(het totaal van eerste en tweede generatie) is in de afgelopen periode toegenomen

van ruim 16% in 1997 tot 20% in 2009. De stijging komt vooral door niet-westerse allochtonen

(van bijna 8% in 1997 naar 11% in 2009). De groep westerse allochtonen groeide slechts

heel licht. Binnen de groep niet-westerse immigranten zullen de vier grote groepen (Turken,

Marokkanen, Surinamers en Antillianen/Arubanen) de komende jaren een relatief

bescheiden plaats innemen door de groei van nieuwe groepen niet-westerse immigranten.

Daarnaast zal migratie binnen Europa grote groepen nieuwe Nederlanders van westerse

afkomst brengen.

Demografische ontwikkelingen en de bibliotheek

Bovenstaande veranderingen in de samenstelling van de bevolking zorgen ervoor dat ook

in de dienstverlening van bibliotheken verschuivingen zullen plaatsvinden. Het inwoneraantal

stijgt en daarmee ook het aantal potentiële bibliotheekgebruikers. Men krijgt in

toenemende mate te maken met ouderen en met nieuwe Nederlanders. Dit zal implicaties

hebben voor de vraag naar diensten en producten.

2.1.2 Onderwijs en educatie

De bibliotheek is van oudsher sterk ingebed in het maatschappelijke domein onderwijs en

educatie. Huysmans en Hillebrink (2008) spreken over vier verbindingen tussen het onderwijs

en de bibliotheek:

• het opleidingsniveau van de bevolking;

• het verband met het basisonderwijs;

• het ‘een leven lang leren’;

• het literatuuronderwijs.’

Door deze verbindingen zien velen de bibliotheek als een instituut dat een belangrijke

bijdrage levert aan scholing en kennisontwikkeling van burgers en daarmee aan de kenniseconomie.

Onderstaand worden enkele belangrijke ontwikkelingen besproken met

betrekking tot het maatschappelijk domein ‘onderwijs en educatie’ die voor het functioneren

van de bibliotheek van belang zijn.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Ontwikkelingen in samenleving en branche

Kenniseconomie

Europa heeft de ambitie een vooraanstaande kenniseconomie te worden. Scholing en

opleiding zijn hiervoor essentiële elementen. Om dit te bevorderen zijn streefcijfers vastgesteld,

de zogenoemde Lissabondoelstellingen. Hierin is bijvoorbeeld afgesproken dat

‘in 2010 in alle landen van de EU 12,5% van alle 25- tot 65-jarigen een opleiding volgt. Voor

2020 is de afspraak om een deelnamepercentage van 15% te bereiken. De Nederlandse

regering heeft de doelstelling ambitieuzer geformuleerd en streeft naar een onderwijsdeelname

van 20% in 2020 en een plek in de top 5 van grootste kenniseconomieën. 11 Daarbij

vindt men het belangrijk dat aan de ene kant ruimte is voor scholieren en studenten om

te excelleren. En dat er aan de andere voor gezorgd wordt dat iedereen goed en passend

onderwijs krijgt waardoor er geen groepen buiten boord vallen. 12

Stijgend opleidingsniveau

Het opleidingsniveau in Nederland stijgt. 13 Dit wordt vooral veroorzaakt doordat onderwijssoorten

steeds beter op elkaar aansluiten en men vaker kiest voor hogere onderwijssoorten.

Jongeren kiezen bijvoorbeeld steeds vaker voor een route havo/vwo, in plaats van

voor het vmbo. Daarnaast wordt er steeds vaker gestapeld, wat betekent dat men na het

behalen van een diploma doorstroomt naar een hoger opleidingniveau. Veel vmbo-gediplomeerden

kiezen bijvoorbeeld voor doorstroming richting de havo en hbo’ers voor een

schakelprogramma in het WO. Op die manier kunnen ook de zich langzamer ontplooiende

leerlingen een hoger opleidingsniveau bereiken.

Door deze ontwikkelingen is de deelname aan het hoger onderwijs in tien jaar tijd toegenomen.

Het aandeel hoogopgeleiden in de Nederlandse bevolking steeg daardoor van

22% tot 28%. 14 De Nederlandse regering wil dit percentage hoger opgeleiden binnen de

beroepsbevolking verhogen naar 50% in 2020 om een van de sterkste kenniseconomieën

ter wereld te worden. 15

Aandacht voor basisvaardigheden

Ondanks de algemene stijging van het opleidingsniveau, zijn er echter ook zorgen over (de

kwaliteit van) het onderwijs. Omdat scholen de laatste decennia steeds meer aandacht zijn

gaan besteden aan allerlei zorg- en opvoedingstaken, is de kwalificerende functie van het

onderwijs onder druk komen te staan. Uit onderzoek van de onderwijsinspectie blijkt dat

er steeds meer leerlingen in het funderend onderwijs zijn die de basis vaardigheden in taal

en rekenen/wiskunde onvoldoende beheersen om goed te kunnen functioneren in de

samenleving. Gevolg van deze tekortschietende basisvaardigheden bij leerlingen en studenten

is dat de aansluiting tussen de verschillende onderwijstypen nog niet altijd soepel

verloopt. De regering is van mening dat het niveau in alle sectoren omhoog moet en

stuurt in het huidige beleid daarom weer sterker aan op de kwalificerende taak van het

onderwijs. Hierbij legt de regering het accent op de basisvaardigheden, zoals taal en rekenen.

Zo zijn op 1 augustus 2010 met de nieuwe wet ‘Referentieniveaus Nederlandse taal en

rekenen’ beschrijvingen vastgelegd van wat een leerling aan het primair-, voortgezet- en

middelbaar beroepsonderwijs aan het eind van een schooltype moet beheersen aan kennis

en vaardigheden op het gebied van de Nederlandse taal en rekenen. 17 Ook in de Wet OKE

(Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie), eveneens ingegaan op 1 augustus 2010,

staat de basisvaardigheid taal centraal. Deze wet is gericht op taalontwikkeling van jonge

kinderen middels voor- en vroegschoolse educatie. 18

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

11


12

Ontwikkelingen in samenleving en branche

Achterblijvers

Ander punt van aandacht in het onderwijsbeleid van de overheid is het tegengaan van

achterstanden. De algemene trend is dat het aandeel achterstandsleerlingen in het onderwijs

afneemt doordat het gemiddelde opleidingsniveau van ouders stijgt. Nog steeds is er

echter een percentage van rond de 15 à 18% dat achterblijft. 19 Vooral jongeren van wie

minimaal één ouder geboren is in een niet-westers land (niet-westerse allochtonen) blijven

vaak achter in hun leerprestaties. Ondanks een toename in het aandeel havo- en vwo-

gediplomeerden vanaf 1995, is deze groep ook oververtegenwoordigd in lagere onderwijssoorten.

Oorzaak van deze achterstand ligt in het feit dat deze kinderen veelal een

zwakke sociaaleconomische achtergrond hebben en dat het opleidingsniveau van hun

ouders laag is. Maar ook onder de autochtone bevolking is er een omvangrijke groep

leerlingen met een onderwijsachterstand. Onderzoek van het SCP toont zelfs aan dat er

in het basisonderwijs ongeveer evenveel achterstandsleerlingen van allochtone als van

autochtone afkomst zijn. 20 Ook deze groep mag dus niet vergeten worden.

De overheid investeert met extra middelen in het onderwijs om deze onderwijsachterstanden

tegen te gaan. Zo is in 2011 voor dit doel 120 miljoen euro beschikbaar gesteld voor

voor- en vroegschoolse educatie (VVE), een belangrijk speerpunt in het achterstandenbeleid.

Met deze investering wil men vooral het bereik van de doelgroep vergroten. 21

Brede scholen

Een ontwikkeling die parallel loopt aan de toegenomen aandacht voor taalontwikkeling

en het tegengaan van achterstanden, is de opkomst van de brede school. 22 Hier wordt

onderwijs gecombineerd met bijvoorbeeld opvang, zorg, welzijn, sport. Door deze samenwerking

werken verschillende sectoren aan een rijke en uitdagende leeromgeving die kinderen

de mogelijkheid biedt om hun talenten te ontdekken en ontwikkelen. Brede scholen

zouden een mogelijke oplossing zijn voor een vraag vanuit het onderwijs. Volgens voormalig

staatssecretaris Dijksma bestaat deze vraag enerzijds uit een groeiende behoefte

aan een betere aansluiting tussen schooltijd van de kinderen en werktijd van de ouders.

Deze behoefte komt voort uit het feit dat er steeds meer werkende ouders zijn. Anderzijds

is er behoefte aan meer focus op taal en rekenen, vaardigheden die door de druk op het

onderwijs de laatste jaren te weinig aandacht hebben gekregen (zie ook de paragraaf over

basisvaardigheden hierboven). Tot slot zou de brede schoolontwikkeling volgens Dijksma

ook een oplossing bieden voor de afname in tijd die leerkrachten hebben om les te geven

die het gevolg zou zijn van een stapeling van maatschappelijke problemen. 23

Het kabinet streeft naar 1.500 brede basisscholen en 460 brede scholen voor voortgezet

onderwijs in 2011 en spant zich extra in om gemeenten en scholen te helpen bij het realiseren

hiervan. In de periode 2008 tot en met 2012 stelt OCW hiertoe extra geld beschikbaar. 24

Laaggeletterdheid

In 1994 bleek uit de resultaten van het IALS-onderzoek (International Adult Literacy Survey)

dat 10% van de volwassen Nederlandse bevolking laaggeletterd was. De resultaten uit de

opvolger van het IALS, de Adult Literacy and Life Skills Survey (ALL) uitgevoerd in 2008,

bleek dat het gemiddelde niveau van geletterdheid in 14 jaar met nog eens 1,4% achteruit

bleek te zijn gegaan. 25 De verwachting met betrekking tot de toekomst is bovendien dat

het gemiddelde niveau van geletterdheid tot 2020 met 1% zal dalen. Omdat de teruggang

in geletterdheid het sterkst bleek te zijn bij middelbaar en hoog opgeleiden in de leeftijd

van 16 tot 34 jaar en bij middelbaar opgeleiden van 35 tot 44 jaar, zullen de inspanningen

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Ontwikkelingen in samenleving en branche

om laaggeletterdheid tegen te gaan de komende tijd vooral op jongeren gericht moeten

worden, alsdus Willem Houtkoop, onderzoeker bij het Expertisecentrum Beroepsonderwijs

(ECBO). Van de mensen op niveau 1 is 69% in Nederland geboren, sprak 67% Nederlands

als eerste taal en spreekt 78% thuis meestal Nederlands. Laaggeletterdheid is daarmee,

in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, vooral een zaak van autochtonen.

Laaggeletterden hebben grote moeite met lezen en schrijven waardoor zij in het dagelijks

leven minder goed kunnen functioneren. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

(OCW) streeft ernaar het aantal laaggeletterden in 2015 terug te brengen met 60%.

In 2006 werd hiertoe een Aanvalsplan laaggeletterdheid gelanceerd waarin voor de periode

2006 tot en met 2010 de maatregelen zijn beschreven die helpen analfabetisme en laaggeletterdheid

te bestrijden. In 2011 worden de activiteiten van het huidige aanvalsplan

afgerond. Daarnaast wordt in dit jaar gestart met het voorbereiden van een nieuw actieplan

dat door het kabinet zal worden geformuleerd en waarvan de uitvoering vanaf 2012

zal plaatsvinden. 26

Leven lang leren 27

Met het vaststellen van de Lissabondoelstellingen is een leven lang leren hoog op de agenda

komen te staan bij de Europese Unie en bij wereldwijde organisaties als de Unesco en de

OECD. Nederland vormt hierop geen uitzondering. Er worden stappen gezet om het beleid

rondom een leven lang leren vorm te geven. 28 Om mee te kunnen blijven draaien in onze

kenniseconomie moeten burgers niet alleen adequaat zijn opgeleid in het primair en

secundair onderwijs, maar dienen zij hun competenties (kennis en vaardigheden) voortdurend

te blijven ontwikkelen. 29 ‘Een leven lang leren’ geeft mensen de beste kansen tot

persoonlijke ontwikkeling en het leveren van een bijdrage aan de de economie. De Onderwijsraad

streeft er dan ook naar het leren in alle levensfasen te stimuleren. 30 De focus ligt

daarbij niet alleen op formeel leren (onderwijs), maar ook op informeel (al doende leren)

en non-formeel (cursussen, trainingen) leren.

Onderwijs en educatie en de bibliotheek

Verschillende ontwikkelingen binnen het maatschappelijk domein onderwijs en educatie

zullen in de nabije toekomst van invloed zijn op het functioneren van de bibliotheek. Het

streven van de regering om tot de top van kenniseconomieën te behoren en de wens die

er is om het percentage hoger opgeleiden te verhogen, bieden bibliotheken kansen om de

huidige verbindingen met het onderwijs te verstevigen en misschien zelfs nieuwe verbindingen

te leggen. Hetzelfde geldt voor de toenemende aandacht voor basisvaardigheden

in het onderwijs, voor achterblijvers, voor laaggeletterdheid en voor een ‘leven lang leren’.

De bibliotheek kan op al deze gebieden een belangrijke rol (blijven) spelen. In hoofdstuk 3

bespreken we hoe die rol eruit kan zien en welke gevolgen dit heeft voor de dienstverlening

en de manier van werken.

2.1.3 Sociaal-culturele ontwikkelingen

Bij sociaalculturele ontwikkelingen gaat het om de kenmerken van een cultuur en de leefgewoonten

van mensen. Deze zullen vooral van invloed zijn op de bibliotheek als het gaat

om verwachtingen en behoeften die mensen hebben aangaande de dienstverlening van

de bibliotheek. Cultuur- en leefkenmerken bepalen niet alleen wat voor materialen, kennis

of informatie bibliotheekgebruikers leuk en interessant vinden, maar bijvoorbeeld ook de

manier waarop, de snelheid waarmee, de kosten waarvoor, etc., hun hiertoe toegang

geboden wordt.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

13


14

Ontwikkelingen in samenleving en branche

Individualisering zorgt voor diversiteit in leefstijl

Individualisering verwijst naar een ontwikkeling die gekenmerkt wordt door het losser

worden van bindingen of het verzelfstandigen van individuen ten opzichte van de groep

en wegvallen van restricties. Een voorbeeld waarin deze processen zich kenbaar hebben

gemaakt, zijn de maatschappelijke domeinen woonsituatie en relaties. Algemeen gedeelde

ideeën over de levensloop, zoals het tijdstip waarop en de volgorde waarin belangrijke

gebeurtenissen dienen plaats te vinden, hebben hier meer en meer hun bindende karakter

verloren. Ook op het terrein van de levensstijl zijn burgers meer in staat gesteld om hun

eigen individuele voorkeuren te volgen: welvaartsstijging nam financiële drempels weg,

ontkerkelijking leidde tot verminderde religieuze remmingen, als gevolg van informalisering

ontstonden lossere omgangsvormen en de stijging van het onderwijsniveau bracht de

kunsten binnen het bereik van meer mensen. 31 Hoe we onze tijd besteden en wat we hier

aan uitgeven willen en kunnen we steeds meer zelf bepalen. Als gevolg is een grotere

diversiteit ontstaan in de indeling van de dagelijkse activiteiten.

Drukte en intensivering in de vroege levensloop

Tijdsbestedingsonderzoek van het SCP toont aan dat het tijdsbestedingspatroon, hoewel

door individualisering steeds meer gedestandaardiseerd, op algemeen niveau nog grotendeels

samenhangt met de levensloop. 32 Jongeren besteden relatief veel tijd aan onderwijs

en weinig aan werken, ouderen hebben de meeste vrije tijd, maar besteden ook veel tijd

aan het huishouden en aan zorgtaken. Mensen die zich tussen deze twee levensstadia in

bevinden, werken meer en gaan minder naar school. Als men de onderwijsleeftijd heeft

gepasseerd, wordt de tijdsbesteding veelal bepaald door de combinatie van betaald werk en

zorg. Deze fase krijgt ook wel de naam ‘het spitsuur van het leven’, omdat hier verschillende

verplichtingen samenkomen: arbeid, zorg voor de kinderen en zorg voor (hulpbehoevende)

ouders. Van dit spitsuur is niet alleen sprake bij mensen met kinderen. Taakcombinatie gaat

ook op bij (het groeiende aantal) mensen die deel uitmaken van eenpersoonshuishoudens

en bij tweeverdieners zonder kinderen. Ook zij moeten immers werken en zorg voor huishouden

combineren. 33

Uit onderzoek van het SCP blijkt dat de drukte door o.a. taakcombinatie bij ruim de helft

van de mensen in de ‘spitsuurleeftijd’ (20-65 jaar) leidt tot tijdsknelpunten. 34 Deze mensen

hebben meerdere keren per maand het gevoel het te druk te hebben en voelen zich meerdere

keren per maand gejaagd. Overigens komt deze ontwikkeling van wat ook wel toenemende

intensivering wordt genoemd niet alleen voort uit taakcombinatie, maar ook uit de wens van

mensen om volle en daarmee rijkere levens te leiden. 35 Naast de arbeids- en zorgverplichtingen

wil men in de vrije tijd indrukken opdoen en een bruisend sociaal leven onderhouden.

Flexibiliteit

‘Parallel aan drukkere agenda’s en de noodzaak tot plannen zijn er meer mogelijkheden

ontstaan om te improviseren’ 36 en tijd flexibel in te delen. Mogelijkheden tot het (gedeeltelijk)

uitbesteden van de zorg voor kinderen zorgen voor een grotere flexibiliteit in werktijden.

Hetzelfde geldt voor ontwikkelingen op het gebied van ICT en digitalisering, zoals

mobiele telefonie en internet. Mensen zijn permanent bereikbaar en daardoor meer wendbaar

in de plaats waar en het moment waarop men werkt.

Ook in het vrijetijdsdomein is meer flexibiliteit ontstaan. De winkeltijdenwet zorgde al voor

meer vrijheid in de tijdstippen waarop wordt gewerkt en gewinkeld. Daarnaast proberen

bedrijven zich met de ontwikkeling van gemaksdiensten en goederen steeds meer aan de

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Ontwikkelingen in samenleving en branche

drukke levens van mensen aan te passen. De samenleving ontwikkelt zich steeds meer in

de richting van een 24 uurseconomie waarbinnen globalisering en digitalisering ervoor

zorgen dat de consument steeds beter en sneller kan kiezen, uit steeds meer diensten en

producten. Ook kan de consument daarvoor steeds makkelijker betalen. Begrippen als

e-commerce en telewinkelen zijn niet meer weg te denken uit het economische domein.

Individualisering, intensivering en flexibiliteit nader bekeken

De trend van toenemende individualisering, intensivering en flexibilisering heeft verschillende

effecten teweeggebracht op de levens van mensen en de samenleving. Deze effecten

kun je van zowel een positieve als van een negatieve kant bekijken. Mensen met een positieve

benadering spreken over individuele vrijheid, autonomie, zelfredzaamheid en zelfontplooiing.

Ook ondernemingslust en keuzemogelijkheden worden vaak genoemd als

positief onderdeel van de trend. Negatieve geluiden worden de laatste jaren vaak geuit in

politiek en maatschappelijk debat. Deze geluiden zijn vaak te herleiden tot zorgen over de

afname van sociale cohesie en de gevolgen daarvan op de samenleving. Onderlinge banden

tussen inwoners zouden afnemen en relaties zouden in het gedrang komen. Als gevolg

schetst men het uiteenvallen van gemeenschappen en uiteindelijk zelfs van de samenleving.

Een afname in gemeenschapszin of verzwakking van de (lokale) gemeenschap zou ervoor

zorgen dat mensen ontworteld raken en moreel besef, burgerlijke betrokkenheid en solidariteit

afnemen. Derhalve worden negatieve ontwikkelingen zoals de stijgende criminaliteit,

onveiligheid, intolerantie, ‘hufterigheid’, en eenzaamheid onder ouderen gezien als rechtstreekse

gevolgen van individualisering. Hetzelfde geldt voor de afname van participatie

in verenigingsleven, contacten tussen collega’s, informele sociale contacten, vrijwilligerswerk

en filantropie. De 24 uurseconomie is volgens critici ‘het toppunt van doorgeschoten

individualisering die sociale integratie kapotmaakt’ 37 en zorgt voor een verwencultuur

waarin iedereen maar gewend is meteen te krijgen wat hij wil en de eigen materiële

belangen vooropstelt.

Sociaal-culturele ontwikkelingen en de bibliotheek

Bibliotheken kunnen op verschillende manieren worden beïnvloed door deze sociaal-

culturele ontwikkelingen en bijhorende gevolgen. Zij zullen geconfronteerd worden met

een palet aan leefstijlen, voorkeuren en gedragingen. Maar ook met de verwachting dat de

dienstverlening zo veel mogelijk wordt afgestemd op deze voorkeuren en dat de bibliotheek

tegemoetkomt aan de behoeften aan flexibiliteit en (keuze)vrijheid. Wat dit betekent voor

de dienstverlening, de manier van werken en de verwachte competenties van medewerkers,

is te lezen in het volgende hoofdstuk.

2.1.4 Media, cultuur en informatie

Binnen het domein van media, cultuur en informatie vervullen bibliotheken van oudsher

een belangrijke rol op het gebied van de productie en verspreiding van kennis of content.

Veranderingen binnen dit maatschappelijke domein kunnen een belangrijke invloed hebben

op de manier waarop de bibliotheek haar dienstverlening invulling geeft en de mate waarin

de bibliotheek binnen dit domein een rol kan blijven spelen.

Tijdsbesteding: media

Uit tijdsbestedingonderzoek van het SCP 38 blijkt dat met 19 uur per week het grootste deel

van het vrijetijdsbudget wordt besteed aan mediagebruik in de vorm van lezen, tv, audio

en computer. Dit getal is al 30 jaar ongeveer hetzelfde (18-19 uur). Wel hebben er in deze

jaren veranderingen plaatsgevonden in het type mediagebruik. Zo ging een geleidelijke

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

15


16

Ontwikkelingen in samenleving en branche

teruggang in het lezen van gedrukte media tot 2000 gepaard met een stijging in de televisiekijktijd

en (vanaf midden jaren tachtig van de vorige eeuw) van computergebruik. Sinds

2000 stoot onlinecomputergebruik het televisiekijken steeds verder van zijn eerste plaats.

Het mediagebruik is niet onder alle groepen gelijk. De vergelijking van jongere en oudere

leeftijdsgroepen leert dat nieuwe media telkens het eerst en innigst worden omarmd en

oude media het makkelijkst losgelaten door jongeren. 39 Tieners besteedden in 2005 al

net zoveel tijd aan ICT als aan televisiekijken. Verder zijn mannen meer mediagericht dan

vrouwen. Voor het lezen van gedrukte media geldt dat vrouwen meer in boeken, tijdschriften

en gratis huis-aan-huis verspreid drukwerk lezen dan mannen. Mannen lezen

daarentegen weer meer in kranten. Verder geldt dat hoe ouder men is, hoe meer men leest.

Vijfenzestigplussers zijn de grootste boekenlezers in alle genres: literatuur, romantische

en spannende fictie en non-fictie. Ook het opleidingsniveau heeft een positieve invloed op

de tijd die men besteedt aan het lezen van boeken.

Informatievoorziening via nieuwe media

Zowel de mate waarin als de manier waarop mensen informatie tot zich nemen, is de laatste

jaren sterk veranderd. Oude media zoals radio, tv en krant hebben deels plaatsgemaakt voor

nieuwe media zoals websites, livestreamkanalen, blogs, tweets en sociale netwerken. Om

de gebruiker beter te kunnen bereiken proberen de traditionele producenten van content

daarnaast hun content via verschillende media te verspreiden (crossmedialiteit) en per

kanaal tekst, beeld en geluid aan te bieden (multimedialiteit). 40 Veel kranten hebben bijvoorbeeld

hun toegankelijkheid uitgebreid naar internet en bieden daar, naast de reguliere

nieuwsartikelen, een veelheid aan extra achtergrondinformatie in tekst, maar ook in beeld

en geluid.

Ook de informatievoorziening over boeken heeft zich de laatste jaren voor een groot deel

verplaatst naar internet. Recensies, achtergrondinformatie en interviews worden gepubliceerd

op digitale nieuwspagina’s en daarvoor speciaal ingerichte websites. Uit markt onderzoek

onder inwoners van Brabant, Limburg en Gelderland blijkt dat internet voor veel mensen

een rol speelt in het zoeken naar een boek. Hoewel driekwart van de bibliotheekleden het

eens is met de uitspraak ‘de bibliotheek is voor mij inspiratiebron voor lezen en literatuur,’

blijkt ook dat medewerkers van bibliotheek (en boekhandel) slechts een marginale rol

vervullen als inspiratiebron bij de keuze van een boek. Veel vaker noemt men internet als

inspiratiebron, of andere bronnen zoals tips van familie en bekenden. 41

Adoptie van nieuwe media

Technologische ontwikkelingen op het gebied van nieuwe media hebben er voor gezorgd

dat de hoeveelheid, snelheid en toegankelijkheid van informatie sterk is toegenomen (en

nog steeds toeneemt). 42 De snelheid waarmee deze ontwikkelingen worden geadopteerd is

echter niet voor iedereen gelijk. Eerder was al te lezen dat tijdsbesteding aan media verschilt

tussen groepen. Jongeren besteden meer tijd aan nieuwe media dan ouderen. Het onderzoek

van Huysmans en De Haan (2010) laat zien dat naast leeftijd ook opleidingsniveau,

etniciteit en al dan niet betaald werken bepalend zijn voor de mate van adoptie van nieuwe

media. De resultaten tonen dat jongeren, hoogopgeleiden, autochtonen en betaald werkenden

nagenoeg over de gehele linie vooroplopen bij het uitproberen van nieuwe vormen

van media, informatie en communicatie. Echter de sociaaldemografische kenmerken

bepalen volgens de auteurs niet alles. Het adopteren van nieuwe media hangt ook af van

het ‘adopteertype’ waartoe iemand behoort: voorlopers, volgers en achterblijvers. De

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Ontwikkelingen in samenleving en branche

voorlopers hechten grote waarde aan technologische innovaties, zijn nieuwsgierig naar de

gebruiksmogelijkheden en zijn vaak goed geïnformeerd over de nieuwste ontwikkelingen.

Zij zijn ook veel vaker in het bezit van diverse vormen van nieuwe media dan de volgers en

achterblijvers. De volgers en zeker de achterblijvers staan gereserveerder tegenover de

nieuwe mogelijkheden. Ze zijn niet alleen later met de aanschaf, maar kenmerken zich

ook door een relatief lange leertijd en een tragere aanpassing van vaak decennialang

gekoesterde patronen van mediagebruik.

Publiek wordt producent van informatie

Maar niet alleen de hoeveelheid en de toegankelijkheid van informatie zijn veranderd, ook

de richting van de informatiestroom is veranderd. Content wordt niet langer alleen verstuurd

van een centrale instantie naar een groep gebruikers, maar content stroomt ook tussen

gebruikers onderling. 43 Nieuwe technologieën maken het mogelijk dat gebruikers zelf

informatie aan websites kunnen toevoegen (user generated content) en via het sociale web

of Web 2.0 zijn gebruikers steeds beter in staat gesteld om met elkaar te communiceren,

samen te werken en content zoals tekst, video of foto’s te creëren en uit te wisselen. Dankzij

deze social software zijn veel mensen spontaan informatie gaan publiceren en delen met

anderen 44 . Gebruikers zijn daarmee niet langer puur consument of raadpleger van informatie,

maar tevens aanbieder en cocreator van content. 45 Het passieve karakter van televisiekijken

aangeduid met de term lean backward maakt hiermee plaats voor actiever mediagebruik

(lean forward). 46

Ook bij de verstrekking en uitwisseling van (achtergrond)informatie over boeken heeft deze

ontwikkeling plaatsgevonden. Fora en weblogs en andere social media als Facebook en

Hyves vormen podia waarop lezers met elkaar van gedachten wisselen over titels en auteurs. 47

Cultuur op het web

Digitalisering en cultuur stond het afgelopen decennium een aantal keer centraal in onderzoek

van het SCP. In 2002 werd een onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van culturele

instellingen op het web. 48 Uit de resultaten blijkt dat websites van diverse culturele

instellingen (musea, theaters) naast basisinformatie ook informatie aanbieden over de

voorstellingen en de collectie, en informatie die tot interactie met de bezoeker kan leiden.

De verschillende typen informatie bleken ingedeeld te kunnen worden in twee dimensies.

De eerste dimensie is vooral gericht op de bezoeker van de site die op zoek is naar informatie

om een daadwerkelijk bezoek te kunnen organiseren (informatie over adres, openingstijden,

et cetera, en in het geval van theaters ook informatie over kaartverkoop). De tweede

dimensie is meer gericht op de virtuele bezoeker van de website, die niet per se van plan

hoeft te zijn een ‘fysiek’ bezoek aan het theater of museum te brengen. In het tweede

geval kan de bezoeker thuis op ieder gewenst moment bijvoorbeeld afbeeldingen van

schilderijen bekijken, concerten beluisteren, achtergrondinformatie opzoeken, et cetera.

Wat betreft deze tweede dimensie tonen de resultaten uit een onderzoek dat werd uitgevoerd

in 2006, dat vrijwel alle culturele instellingen rondom hun website hard werken aan

het digitaliseren en digitaal ontsluiten van onder andere museale collecties, oude films en

podiumvoorstellingen. 49 Vooral bij archieven en bibliotheken is van het digitaliseren van

materiaal in steeds grotere mate sprake.

In De Virtuele Cultuurbezoeker, de rapportage van het onderzoek dat werd uitgevoerd in

2008, staat (de belangstelling van) het publiek centraal wat betreft gedigitaliseerde cultuur.

De resultaten tonen dat mensen het internet toch met name nog raadplegen als het gaat

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

17


18

Ontwikkelingen in samenleving en branche

om praktische informatie voor een cultureel bezoek. Ook blijkt dat er een verschuiving heeft

plaatsgevonden in de richting waarop content wordt verstuurd. Steeds vaker gebruiken

culturele instellingen hun website om interactie te laten ontstaan: met hun (potentiële)

publiek of tussen mensen onderling uit dat publiek. Op die manier gaan culturele instellingen

mee in de hierboven beschreven trend waarbij publiek producent wordt. Liefhebbers

van cultuur kunnen bijvoorbeeld lid worden van een vriendenkring of gebruikersgemeenschap

(community), zich inschrijven voor nieuwsbrieven of een gastenboek van de site

invullen. Ook zijn culturele instellingen steeds vaker actief in social media als Twitter, Hyves

en Facebook. 50 Gebruikers kunnen hier informatie in verschillende vormen uitwisselen,

toevoegen en delen.

Mediawijsheid

De hoeveelheid informatie en media die burgers dagelijks tegenkomen stelt eisen aan de

kennis, vaardigheden en mentaliteit waarover burgers beschikken in het omgaan met media,

informatie en communicatie(technologieën). Belangrijk hierbij zijn vaardigheden rondom

het selecteren en interpreteren van content en het besef van kwaliteit en betrouwbaarheid.

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat nog lang niet alle burgers in staat zijn om de informatiebronnen

die zij dagelijks tegenkomen op een juiste wijze te kunnen interpreteren.

Zo vindt Walraven dat scholieren van het vwo tijdens speuren op internet weinig kritisch

te werk gaan. 51 Ze beoordelen de zoekresultaten, informatie en bronnen meestal niet en

kijken vooral of de informatie in het Nederlands is, of de site snel een antwoord geeft op

hun vraag en er leuk uit ziet. En ook uit een onderzoek dat recentelijk werd uitgevoerd in

opdracht van de stichting Mijn Kind Online, blijkt dat jongeren nog helemaal niet zo handig

zijn op internet. 52 De resultaten uit een vragenlijst tonen dat jongeren niet alles weten van

internet en ook niet altijd alles kunnen vinden. Zo blijkt onder andere dat ze: alles ‘vlugvlug’

doen; zich met name bezig houden met sociale contacten; zonder aarzeling overal op

klikken; tijdens het zoeken slechts een enkel pad in slaan, et cetera. Desondanks vindt 41%

van de jongeren in het onderzoek het zelf niet nodig om iets te leren of om ergens beter in

te worden op internet.

Vergelijkbare resultaten worden gevonden in het onderzoek van Van Deursen (2010). Hij

onderzocht het niveau van internetvaardigheden van de Nederlandse bevolking. Vaardigheden

werden daarbij uitgesplitst in technische of mediumgerelateerde vaardigheden

(knoppenkennis) en inhoudelijke vaardigheden. In het onderzoek moesten 300 proefpersonen

taken op internet uitvoeren, zoals een pdf-bestand opslaan, navigeren in verschillende

webdesigns, een tweesterrenrestaurant in Amsterdam opzoeken, en uitvinden hoe

je het goedkoopst naar Amsterdam kunt reizen: met de trein of met de auto. Algemene

conclusie van het onderzoek: het niveau van de internetvaardigheden van veel Nederlanders

is zorgwekkend. Men maakt veel fouten bij relatief eenvoudige taken, heeft moeite met

het kiezen van de juiste zoekwoorden en evalueert gevonden informatie in meer dan 90%

van de gevallen niet. Een vergelijking tussen leeftijdsgroepen toont aan dat het bij ouderen

schort aan de mediumgerelateerde vaardigheden en bij jongeren juist aan de inhoudelijk

gerelateerde vaardigheden. Een verassende conclusie is dat ouderen die de techniek van

internetten beheersen inhoudelijk hun weg beter vinden dan jongeren. De grootste verschillen

bij alle soorten vaardigheden zijn echter waar te nemen tussen lager en hoger

opgeleiden.

Bovenstaande zorgen over de mediawijsheid van burgers hebben geleid tot een brede

maatschappelijke discussie over de omvang en de kwaliteit van de informatievoorziening.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Ontwikkelingen in samenleving en branche

Sinds een advies van de Raad voor Cultuur (2005) wordt door de overheid ook sterk ingezet

op het thema ‘mediawijsheid’. In 2009 ging het Mediawijsheid Expertisecentrum officieel

van start onder de naam Mediawijzer.net. Het centrum krijgt geld van de overheid en wil

mensen helpen veilig, verantwoord en actief gebruik te maken van media.

E-books

De verkoop van ebooks en ereaders heeft de afgelopen jaren een flinke vlucht genomen.

In de Verenigde Staten wist Amazon met zijn e-reader Kindle een sterke positie op te bouwen

in de markt voor e-books. Eind 2009 berichtte de onlinewinkel al meer elektronische dan

papieren boeken te verkopen. Met verschillende vernieuwingen probeert Amazon het

digitale lezen een extra impuls te geven. Zo kunnen in de Kindle-store ook individuele

auteurs boeken aanbieden en wordt mensen de mogelijkheid geboden om aangeschafte

boeken eenmaal uit te lenen.

In Nederland stijgt de bekendheid en de verkoop van e-book en e-reader niet zo hard als in

de VS, maar wel gestaag. Dit blijkt uit een landelijk onderzoek dat april 2011 door GFK werd

uitgevoerd, in opdracht van Stichting Marktonderzoek Boekenvak (SMB). De resultaten

tonen dat inmiddels bijna vijf procent van de Nederlanders een e-reader heeft. Dit is twee

keer zo veel als een jaar geleden. Verder bericht SMB dat meer dan tien procent van de

Nederlanders ook van plan is om e-books te gaan kopen. Daarnaast blijkt inmiddels meer

dan een kwart van de mensen het e-book (zeer) aantrekkelijk te vinden. Het aantal mensen

dat e-books juist (zeer) onaantrekkelijk vindt, daalde van 51 procent in juli 2009 gedaald

tot 42 procent in april 2011. 53

Media, cultuur en informatie en de bibliotheek

Binnen het domein media, cultuur en informatie hebben bibliotheken te maken met een

variëteit aan ontwikkelingen. Al deze ontwikkelingen hebben invloed op de bibliotheek.

Dit geldt zowel voor de manier waarop als de mate waarin de bibliotheek haar functie binnen

dit domein in de samenleving invulling geeft. Mediagebruik verandert en de stroom van

informatie die burgers dagelijks over zich heen krijgen wordt sneller, opener, groter en

interactiever. De noodzaak om bij te blijven bij deze ontwikkelingen en een rol te kunnen

blijven spelen op het gebied van informatievoorziening, dwingt bibliotheken om op andere

manieren naar de dienstverlening te kijken. Hetzelfde geldt voor de opkomst van het e-book,

die er wel eens voor zou kunnen zorgen dat de noodzaak om een fysieke bibliotheek te

bezoeken voor materialen volledig verdwijnt. De aandacht zal steeds meer verschuiven van

content naar context en van vindbaarheid naar vaardigheid. Daarnaast zullen bibliotheken,

willen zij een rol van betekenis blijven spelen op het gebied van lezen en informeren, actief

naar hun gebruikers toe moeten en zich moeten presenteren via die kanalen waarbinnen

hun gebruikers actief zijn.

2.2 Brancheontwikkelingen In paragraaf 2.1 bespraken we ontwikkelingen en

trends in de omgeving van bibliotheken, die bepalend zijn voor de functie die bibliotheken

nu en in de (nabije) toekomst vervullen en de manier waarop zij dit doen. Ook binnen de

branche spelen zich enkele ontwikkelingen af die van invloed zijn op het bibliotheekwerk.

Zo is er de laatste jaren sprake van een afname in het gebruik (waarover meer in paragraaf

2.2.1) en worden bibliotheken geconfronteerd met gemeentelijke bezuinigingen (waarover

meer in paragraaf 2.2.3). Ook deze ontwikkelingen zijn natuurlijk van invloed op de functie,

taken en dienstverlening van bibliotheken. Zij spelen zich binnen de branche af, maar

hangen sterk samen met bredere maatschappelijke ontwikkelingen zoals zijn beschreven

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

19


20

Ontwikkelingen in samenleving en branche

in paragraaf 2.1. Zo kunnen ontwikkelingen in de omvang van het gebruik niet los gezien

worden van bijvoorbeeld ontwikkelingen op het gebied van digitale informatievoorziening.

De ontwikkelingen uit paragraaf 2.1 kunnen in die zin gezien worden als de achtergrond

waartegen een aantal belangrijke ontwikkelingen binnen de branche zich afspelen.

2.2.1 Omvang van het gebruik

In het onderzoek ‘De openbare bibliotheek tien jaar van nu’ geven de onderzoekers aan dat

bibliotheekgebruik sinds de jaren negentig van de vorige eeuw terugloopt in alle meetbare

vormen: lidmaatschappen, bezoek, leners, uitgeleende boeken en computergebruik. De

afname in gebruik is minder sterk onder ouderen, lager opgeleiden en vrouwen dan onder

mannen, werkenden en hoger opgeleiden. 54 Twee jaar na publicatie van het onderzoek

lijkt het er echter op dat de negatieve trend deels ombuigt. In de Bibliotheekmonitor van

het SIOB 55 is te zien dat na een periode van afname van ledenaantallen tussen 1999 en 2008

(toen het aantal leden met 3,97 miljoen het minpunt van de periode 1999-2009 bereikte)

in 2009 het aantal leden weer toenam tot 4,03 miljoen. De verandering in het aantal leden is

echter niet hetzelfde onder volwassenen en jeugd. Zo nam het aantal volwassen leden tussen

1999 en 2009 aanzienlijk af van 2,27 miljoen volwassen leden tot 1,95 miljoen. In de

periode 1999-2000 was het netto ledenverlies 56 zelfs 19,4 %. 57 Het aantal jeugdleden steeg

in de periode 1999-2009 daarentegen (vanaf 2005) met 0,6%. 58

Hoewel de negatieve trend in het aantal lidmaatschappen langzaam lijkt om te buigen, is

er wat betreft het aantal uitleningen bij zowel volwassenen als bij jeugdige leners nog steeds

sprake van een duidelijke afname. Uit deze daling van het aantal uitleningen blijkt dat de

traditionele voorziening in de vorm van de uitleen van boeken terrein lijkt te verliezen.

Ontlezing en concurrentie van grote internetaanbieders zullen hierin een aandeel hebben.

Deze ontwikkeling is met name gaande bij de jongere generaties. Er wordt dan ook wel

gesproken over een generatiegebonden ‘ontlening’: jongere generaties gaan in de basisschoolleeftijd

vaak naar de bibliotheek, maar hun – gratis – gebruik van de bibliotheek

loopt hard terug zodra ze volwassen worden. Eenmaal volwassen gaan zij minder vaak

naar de bibliotheek dan oudere generaties. Voor een ‘terugkeereffect’, volwassenen die

weer lid worden van de bibliotheek als ze zelf kinderen krijgen, is in een analyse op het

niveau van geboortecohort geen ondersteuning te vinden. 59

Uit het onderzoek ‘Leefsituatie Allochtone Stedelingen’ blijkt dat Turkse en Marokkaanse

Nederlanders een tegengestelde trend vertonen. 60 De onderzoeksgegevens tonen dat hun

bibliotheekbezoek in de periode 2003-2007 is toegenomen. Zij hebben hun achterstand

op autochtone Nederlanders inmiddels zelfs ingehaald. Alleen Surinaamse Nederlanders

komen significant minder vaak (3,9 keer jaarlijks) in de bieb. Verder blijkt uit het onderzoek

dat jonge Marokkanen en Turken veel vaker in de bieb te vinden zijn dan ouderen. Onder

autochtonen is het andersom: daar stijgt de bezoekfrequentie met de leeftijd. Uit een

vergelijking tussen autochtone en allochtone jongeren komt naar voren dat allochtone

jongeren in de 50 grootste steden vaker de bibliotheek bezoeken dan autochtone jongeren:

de Marokkaanse tiener komt ruim 6 keer en de Turkse ruim 4 keer zo vaak in de openbare

bibliotheek als de autochtone leeftijdgenoot. Zij lenen daarnaast ook meer boeken dan

autochtone jongeren. Alleen Turkse tieners zijn een geval apart. Hoewel zij vaker in de bieb

komen dan autochtone jongeren, lezen zij toch duidelijk minder boeken. Over het algemeen

loopt het bibliotheekgebruik dus terug, maar vormt vooral de groep jonge Turkse en Marokkaanse

Nederlanders met een relatief hoge bezoekfrequentie hierop een uitzondering.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Ontwikkelingen in samenleving en branche

2.2.2 Bezuinigingen op het bibliotheekwerk

Een andere belangrijke ontwikkeling die zich in de bibliotheekbranche afspeelt, zijn de

bezuinigingen die worden opgelegd door gemeenten. In 2009 werd bekend dat de landelijke

overheid zou gaan bezuinigen en dat het rijk de geldoverdracht via het gemeentefonds

zou verlagen. Omdat het grootste deel van de inkomsten van de bibliotheken uit gemeentelijke

subsidies bestaat, 61 werd al snel duidelijk dat hen door deze bezuinigingen een moeilijke

tijd te wachten zou staan. Om de omvang en mogelijke gevolgen van de bezuinigingen voor

het stelsel van bibliotheekvoorzieningen als geheel in te kunnen schatten, gaf het Sectorinstituut

Openbare Bibliotheken (SIOB) in de zomer van 2010 Kasperkovitz beleidsonderzoek

en advies opdracht hiernaar onderzoek te doen. In mei 2011 verscheen de rapportage van

het vervolgonderzoek waarin de verwachtingen en resultaten uit 2011 werden bevestigd,

dan wel bijgesteld en aangevuld. 62

De onderzoeksresultaten uit 2011 tonen dat een groot aantal bibliotheken (88%) in de periode

2012-2014 te maken krijgt met bezuinigingen door een of meer gemeenten in hun verzorgingsgebied.

Gemiddeld verwachten bibliotheken in de periode 2012–2014 een teruggang

in de subsidie met 9,1%. Veel respondenten uitten in 2010 de verwachting dat de hoeveelheid

bezuinigingsmaatregelen een grote impact zou hebben op onder andere het aanbod

en het bereik van de openbare bibliotheken. Die verwachting wordt in het meest recente

onderzoek bevestigd. De resultaten uit 2011 tonen namelijk dat de effecten inderdaad groot

zijn. Zo leiden de bezuinigingen bij veel bibliotheken tot een afname in het aantal volwaardige

vestigingen, een kleinere collectie en een vermindering van openingsuren en personeel.

De manier waarop gemeenten met de bezuinigingen omgaan verschilt per geval. Hierdoor

ontstaat een toenemende variëteit aan verschijningsvormen van ‘de bibliotheek’. Sommige

bibliotheken keren terug naar de kernfunctie ‘lezen en leesbevordering’ en laten de bredere

functies op het gebied van bijvoorbeeld ontwikkeling en educatie, kunst en cultuur,

ontmoeting en debat voor wat zij zijn. Een andere groep zet juist weer in op educatie,

mediaontwikkeling en mediawijsheid.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

21


22

3 Andere dingen doen

en dingen anders doen

Veranderingen in de samenleving op het gebied van onder andere mediagebruik, informatiezoekgedrag,

communicatie en tijdsbesteding, en de toenemende concurrentie van internet

en alternatieve aanbieders, in combinatie met ontwikkelingen die spelen in de branche,

vragen om een groot aanpassingsvermogen van de bibliotheken en daarmee hun medewerkers.

In hoofdstuk 3 staat centraal hoe de ontwikkelingen in samenleving en branche

van (mogelijke) invloed zijn op de vervulling van de kernfuncties van de bibliotheek (3.1),

de dienstverlening van de bibliotheek (3.2) en tot slot op de taken en manier van werken

van bibliotheekmedewerkers (3.2).

3.1 Verschuivingen binnen de kernfuncties van de bibliotheek In 2005

zijn de richtlijnen gepresenteerd waarin de vijf kernfuncties van openbare bibliotheken

beschreven zijn, te weten: kennis en informatie, ontwikkeling en educatie, kunst en cultuur,

lezen en literatuur en ontmoeting en debat. Onderstaande paragrafen beschrijven hoe

verschillende maatschappelijke ontwikkelingen raken aan de inhoudelijke invulling van

deze kernfuncties.

3.1.1 Kennis en informatie: digitalisering, mediawijsheid en interactie met de gebruiker

De digitalisering heeft de informatievoorziening ingrijpend veranderd. Deze is sneller, ruimer,

toegankelijker, internationaler en persoonlijker geworden. Deze veranderingen leggen

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Andere dingen doen en dingen anders doen

een grote druk op de bibliotheken en de manier waarop en mate waarin zij een rol spelen

op het gebied van kennis en informatie. Als gevolg van technologische ontwikkelingen is

de behoefte aan professionele bemiddeling van bibliotheekmedewerkers afgenomen.

Voor de advisering bij de keuze van een boek en het beantwoorden van een informatieve

vraag hoeven mensen niet langer een bezoek te brengen aan de bibliotheek, maar gaan zij

thuis op internet op zoek. De opkomst van mobiele en draadloze technologie maakt het

daarnaast mogelijk om dit niet alleen thuis, maar ook op elke andere gewenste plek te doen

middels laptop, palmtop of mobiele telefoon. Veel gebruikers en niet-gebruikers zien de

bibliotheek dan ook niet langer als het kennisinstituut waar zij moeten zijn voor het beantwoorden

van hun informatieve vragen. Omdat het individuele organisaties echter nog niet

altijd lukt om een passende reactie te geven op deze ontwikkelingen, dreigt de bibliotheek

aan maatschappelijke betekenis te verliezen. 63

Maar ontwikkelingen op het gebied van digitalisering en in het mediagebruik en informatiezoekgedrag

van mensen bieden de bibliotheek ook kansen. Met de opkomende zorgen

rondom kwantiteit en kwaliteit van de informatie blijft de functie van de bibliotheek als

betrouwbare bron van informatie belangrijk. Wel zal zij met haar aanbod maatschappelijk

relevant moeten blijven. ‘In de spannende en complexe wereld van digitale informatie zal

de bibliothecaris dan ook een gidsrol moeten vervullen op een ander niveau dan nu.’ 64 Een

relatief nieuwe rol voor de bibliotheek is dan ook weggelegd op het gebied van mediawijsheid.

Hoe deze rol eruit zou kunnen zien, werd beschreven in het adviesrapport dat Kwink

Groep in juni 2010 schreef, in opdracht van het SIOB en Stichting Bibliotheek.nl. In het advies

wordt een aantal randvoorwaarden geformuleerd waaraan bibliotheken moeten voldoen,

willen zij succesvol zijn op het gebied van mediawijsheid en door de buitenwereld gezien

worden als een logische aanbieder hiervan. 65 Het mediawijzer worden van het bibliotheekpersoneel

(opleiding en werving) is er hier een van. Hun taak is om burgers te ondersteunen

in het op de juiste manier vinden van de juiste informatie. Nadruk ligt daarbij niet alleen op

zoeken en vinden, maar steeds belangrijker wordt ook de ondersteuning in het selecteren

en interpreteren van en reflecteren op informatie. Om dit te kunnen doen moeten medewerkers

zelf ook toegerust zijn met kennis over en vaardigheden in de toepassing van

nieuwe technologieën van informatievoorziening, bijvoorbeeld op het gebied van bloggen,

RSS-feeds, Wiki’s, podcasts en sociale netwerken.

De ontwikkeling waarbij burgers informatie niet langer consumeren, maar tevens produceren,

leveren en beheren, benadrukt de noodzaak voor de bibliotheek om bij de invulling van de

kennis- en informatiefunctie in interactie te treden met de gebruiker en interactie tussen

gebruikers te faciliteren. In toenemende mate presenteren bibliotheken zich ook op sociale

netwerksites zoals Hyves en Twitter. Daarnaast is een rol voor de bibliotheek weggelegd bij

de voorlichting van burgers over de keerzijde van dit tweerichtingsverkeer in de informatievoorziening,

namelijk de (veiligheids)risico’s die het gevolg zijn van deze ontwikkelingen

op het gebied van informatie, bijvoorbeeld omtrent het achterhalen van persoonsgegevens

en schending van het auteursrecht.

3.1.2 Lezen en literatuur: uitdagingen en tegenbewegingen rondom ontlening

Het lenen van materialen ter ontspanning en leesplezier is nog altijd de belangrijkste reden

voor mensen om de bibliotheek te bezoeken. Toch lijkt de afname in de uitleningen te

duiden op een neergang van de traditionele kernfunctie lezen en literatuur. De concurrentie

van alternatieve aanbieders op het gebied van de verstrekking van materialen en achtergrondinformatie

daarover, zullen de druk op deze functie alleen maar verder vergroten.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

23


24

Andere dingen doen en dingen anders doen

Hetzelfde geldt voor het feit dat men voor advies over materialen liever vrienden of internet

raadpleegt dan de medewerker of catalogus van de bibliotheek. Ook hier ligt de uitdaging

voor bibliotheken om zich te presenteren via nieuwe (online) kanalen en interactie met en

tussen gebruikers tot stand te brengen.

Maar er zijn ook ontwikkelingen die de effecten van deze ontlening kunnen dempen. Zo

kan het groeiende aantal vijfenzestigplussers in de samenleving – een groep die van oudsher

meer tijd besteed aan het lezen van gedrukte media – zorgen voor een toename in het

aantal mensen dat boeken leent in de bibliotheek. Of deze groeiende groep mensen voor

hun leesbehoeften inderdaad een beroep zal doen op de bibliotheek, blijft echter de

vraag. ‘ Als alternatieve routes om een boek of informatie te bemachtigen eenvoudiger

zijn, zal de gebruiker daar zijn toevlucht zoeken.’ 66

Ook de bevindingen uit onderzoek onder allochtone Nederlanders bieden bibliotheken

moed over de leesfunctie. 67 Wanneer de groep jonge allochtone bibliotheekgebruikers

hun lees- en leengedrag ook in de toekomst trouw blijft, zullen bibliotheekgebruik en

lezen in deze groepen sterk toenemen. ‘Het leesklimaat in Nederland kan de steun van

de allochtone lezers, vooral van de Marokkanen, dus uitermate goed gebruiken.’ 68

3.1.3 Ontwikkeling en educatie: taalontwikkeling en leven lang leren voor verschillende

doelgroepen

Het ondersteunen van burgers om hun educatieve doelen te realiseren, is een belangrijke

taak van de bibliotheek. Deze taak vervult zij op verschillende gebieden, op verschillende

manieren en in samenwerking met verschillende partijen. In 2009 liet de VOB een onderzoek

opstarten om een actueel en uitgebreid overzicht te krijgen van de manier waarop

bibliotheken hun leerfunctie inrichten. 69 De onderzoeksresultaten tonen dat veel bibliotheekvestigingen

in Nederland wat betreft hun inrichting en faciliteiten (werkplekken met

pc, studieplekken, cursusruimten, et cetera) niet zodanig zijn ingericht dat dit de leerfunctie

stimuleert. Wel wordt er op veel andere vlakken gefaciliteerd en geparticipeerd in het

opzetten en organiseren van educatieve activiteiten. Verschillende ontwikkelingen binnen

het maatschappelijke domein onderwijs en educatie, die zijn beschreven in paragraaf 2.1.2,

zullen van invloed zijn op de mate waarin en manier waarop bibliotheken binnen dit

domein in de nabije toekomst een rol zullen en kunnen (blijven) spelen.

Een belangrijke rol voor bibliotheken is bijvoorbeeld weggelegd op het gebied van taalontwikkeling

binnen het primair onderwijs. Het onderzoek naar de leerfunctie toont dat

op grote schaal samenwerking plaatsvindt met educatieve instellingen voor de jeugd, zoals

basisscholen, peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en consultatiebureaus. Het betreft

dan vooral leesbevordering en voor- en vroegschoolse educatie aan de hand van landelijk

beschikbare, goed ontwikkelde programma’s. Bij sommige bibliotheken gaat deze samenwerking

zo ver dat bibliotheekvestigingen verplaatst worden naar de scholen. Ook binnen

brede scholen krijgen steeds meer bibliotheken een belangrijke plaats. Uit onderzoek van

Probiblio, dat is uitgevoerd in 2008, blijkt dat ongeveer driekwart van de bibliotheken

participeert in Brede School ontwikkelingen. Hierbij omschrijft de helft van de bibliotheken

haar rol als ‘bondgenoot’ (de bibliotheek ondersteunt eerder dan dat zij coördineert), 30%

als ‘kernpartner’ en 15% als ‘leverancier’ van diensten en materialen. Samenwerking vindt met

name plaats op het gebied van activiteiten rondom de kinderboekenweek en de Nationale

Voorleesdagen, het leveren van collecties en het organiseren van schrijversbezoeken. 70

Door de nadruk die de overheid in haar beleidsdoelstellingen legt op het aanleren van

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Andere dingen doen en dingen anders doen

basisvaardigheden, het tegengaan en wegwerken van achterstanden en de te verwachten

toename van het aantal brede scholen in Nederland, zullen bibliotheken hier in de toekomst

waarschijnlijk een (nog) belangrijke(re) rol gaan spelen opeisen.

Hoewel samenwerkingsactiviteiten op het vlak van ‘ontwikkeling en educatie’ momenteel

voornamelijk gericht zijn op de jongere doelgroepen, groeit het belang om ook oudere

burgers actief en aanhoudend hun kennis en vaardigheden te laten ontwikkelen. Door de

toegenomen nadruk op een leven lang leren en voortdurende ontwikkeling, zullen mensen

steeds vaker na het afronden van hun formele opleiding cursussen en andere opleidingen

volgen. Ontwikkeling en educatie gaan een leven lang door en ook voor mensen die zich in

de loop van hun leven verder willen ontwikkelen, kan de bibliotheek een rol van betekenis

vervullen. Op veel plekken werkt de bibliotheek al samen met aanbieders van andere onderwijstypen

dan het primair onderwijs, zoals volksuniversiteiten en ROC’s. 71 Maatschappelijke

aandacht voor ‘leven lang leren’ zal deze samenwerking doen toenemen en intensiveren

evenals de noodzaak tot het faciliteren van een (digtale en/of fysieke) leer- en werkomgeving.

Ook de rol die bibliotheken hebben in het ondersteunen van (volwassen) achterblijvers in

de samenleving vraagt om een focus die meer dan voorheen gericht is op verschillende

volwassen doelgroepen. Om te zorgen dat iedereen mee kan komen in het realiseren van een

kennissamenleving is aandacht geboden voor de relatief grote groep mensen die achterblijft,

bijvoorbeeld omdat zij moeite hebben met lezen en schrijven. De bibliotheek kan en wil

hier op veel plekken een belangrijke ondersteunende of faciliterende partij zijn. Bijvoorbeeld

door een bijdrage te leveren aan de bestrijding en het voorkomen van laaggeletterdheid en

bij het ondersteunen van de (groeiende) groep inburgeraars bij het opdoen van taalvaardigheid

en kennis over de Nederlandse samenleving. Met deze en hierboven beschreven

educatieve activiteiten kan de bibliotheek een belangrijke rol (blijven) spelen bij het streven

van de Nederlandse regering naar een plek in de top vijf van wereldwijde kenniseconomieën.

3.1.4 Ontmoeting en debat: belangrijk streven, maar weinig (h)erkenning bij gebruikers

In paragraaf 2.1.3 werd de afname van sociale cohesie geschetst als mogelijk gevolg van de

toenemende individualisering. In veel bibliotheken is aandacht voor de sociale functie.

Onder de noemer ‘ontmoeting en debat’ streeft men ernaar om burgers een aangename

verblijfplaats te bieden waar mensen voor hun plezier naartoe komen om in een veilige en

neutrale omgeving een krant of tijdschrift te lezen, en een kop koffie te drinken. Maar ook

met de organisatie van bijeenkomsten wordt ontmoeting, integratie en samenhang in de

gemeenschap nagestreefd. In de Richtlijn voor basisbibliotheken is hierover te lezen dat

‘de sociale cohesie wordt versterkt door het organiseren van activiteiten die zijn gericht

op integratie en inburgering, of het opwaarderen van een buurt’ 72 . Vooral bij bibliotheken

in kleine kernen, waar alternatieve openbare en neutrale plekken om elkaar te ontmoeten

vaak ontbreken, is veel aandacht voor deze sociale functie. Sommige bibliotheken zetten

ook nadrukkelijk in op deze functie in het beleid.

Door veel bibliotheken wordt ontmoeting en debat gezien als belangrijke kernfunctie van

de bibliotheek. Door veel burgers wordt de bibliotheek echter nog nauwelijks met deze

activiteiten geassocieerd. Klanttevredenheidsonderzoeken tonen vaak aan dat het ontmoeten

van andere mensen voor slechts weinig bibliotheekgebruikers een specifieke reden is om

de bibliotheek te bezoeken. Ook hebben maar weinig mensen interesse in het bezoeken

van lezingen, exposities of bijeenkomsten rond maatschappelijke thema’s. Hoe het gebruik

van de bibliotheek aangaande de functie ‘ontmoeting en debat’ zich in omvang precies

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

25


26

Andere dingen doen en dingen anders doen

verhoudt tot de meer traditionele functies zoals lezen en literatuur, is moeilijk in te schatten.

De belangrijkste reden hiervoor is dat het nog ontbreekt aan instrumenten om dit nauwkeurig

te meten. Of van een sociale functie werkelijk sprake is blijft dan ook voor een groot

deel de vraag. Daar komt bij dat door de ontwikkeling van een uitgebreide online dienstverlening

juist deze functie van de bibliotheek onder druk komt te staan. Als mensen immers

thuis kunnen blijven voor de vervulling van hun bibliotheekbehoeften, zullen velen zichzelf

een tochtje naar de fysieke bibliotheek besparen. Wel vormt de maatschappelijke aandacht

voor sociale cohesie voor bibliotheken een kans hier een rol te pakken. Doen zij dit en willen

zij dat deze rol ook zichtbaar is, dan vergt dit niet alleen deskundigheid op het gebied van

het organiseren en faciliteren van ontmoeting, maar ook op het presenteren en vermarkten

van deze functie.

3.1.5 Kunst en cultuur: encyclopedierol ingevuld, maar weinig (h)erkenning bij gebruikers

In de Richtlijn voor basisbibliotheken krijgt de bibliotheek binnen het domein kunst en cultuur

een encyclopediefunctie toegewezen. Binnen deze functie vervult de bibliotheek een brede

rol die verder gaat dan de band die zij vanouds heeft met literatuur. Met haar collectie van

onder andere bladmuziek, cd’s, dvd’s, informatieve boeken en tijdschriften stimuleert en

ondersteunt zij zowel actieve als passieve cultuurdeelname. Hetzelfde doen bibliotheken met

de presentatie van uitingen van en materialen over intellectuele en artistieke activiteiten.

Ook ondersteunt en faciliteert de basisbibliotheek gerichte dienstverlening voor culturele

manifestaties die elders in het verzorgingsgebied worden georganiseerd, bijvoorbeeld

door de verstrekking van programma-informatie en kaartverkoop. Maar bibliotheken

organiseren daarnaast ook zelf voorstellingen, concerten, tentoonstellingen en andere

culturele evenementen.

Net als bij de kernfunctie ‘ontmoeting en debat’ proberen sommige bibliotheken zich

duidelijk te positioneren en ontwikkelen als encyclopedie van kunst en cultuur. Zij gaan

steeds vaker de samenwerking aan met andere culturele organisaties. Op het gebied van

de organisatie van activiteiten komen de culturele en de sociale (ontmoetings)functie

samen. De maatschappelijke aandacht voor sociale cohesie kan dan ook tevens voor deze

functie dan een stimulerende factor zijn. Tegelijkertijd ontvangt de bibliotheek voor deze

functie, net als voor de ontmoeting- en debatfunctie, minder interesse en bekendheid van

haar gebruikers dan op haar meer traditionele functies. Verschillende onderzoeken laten

zien dat van interesse voor activiteiten zoals lezingen en tentoonstellingen slechts in kleine

mate sprake is bij zowel leden als niet-leden. Ook voor een cultuurpunt en waar bijvoorbeeld

informatie over en toegangskaarten voor (lokale) culturele activiteiten worden aangeboden,

toont men in onderzoek niet veel belangstelling. 73 Het gegeven dat culturele (achtergrond)

informatie, verkoopkanalen en zelfs de culturele uitingen zelf zich steeds meer naar het

web verplaatsen, zou deze functie van bibliotheken nog verder onder druk kunnen zetten.

Hoewel bibliotheken hierin veelal een maatschappelijke rol voor zichzelf zien weggelegd,

is het dus nog maar de vraag in hoeverre de rol van bibliotheken op het gebied van kunst

en cultuur toekomstbestendig is. Dit zal natuurlijk ook afhangen van de beleidskeuzes die

individuele basisbibliotheken maken en de deskundigheid waarmee deze functie wordt

ingericht. Kiezen bibliotheken ervoor zich op dit vlak wel degelijk in te zetten, dan vraagt

dat om specifieke competenties. Niet alleen in de vorm van (actuele) kennis over kunst en

cultuur, maar in de vorm van kunde om activiteiten te organiseren en samenwerking aan

te gaan met maatschappelijke en culturele partners.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Andere dingen doen en dingen anders doen

3.2 Een nieuw soort dienstverlening aan de gebruiker In de vorige

paragraaf was te lezen dat verschillende ontwikkelingen in samenleving en branche bij

bibliotheken zorgen voor verschuivingen binnen en tussen de kernfuncties van de bibliotheek.

Sommige functies lijken niet (meer) als vanzelfsprekend bij de bibliotheek te passen en

accenten en prioriteiten (zijn) komen te verliggen. In paragraaf 3.2 staan de veranderingen

centraal die betrekking hebben op de manier waarop bibliotheken vormgeven aan de

dienstverlening rondom deze kernfuncties. Hierin worden aspecten als afstemming op

gebruikerswensen (paragraaf 3.2.1) en snelheid en gemak (3.2.2) steeds belangrijker. En

met deze punten in het achterhoofd worden nieuwe concepten geïntroduceerd voor

vormgeving van en innovatie binnen de dienstverlening (3.2.3).

3.2.1 Afstemming op doelgroepen

Sociaal-culturele ontwikkelingen hebben gezorgd voor een palet aan leefstijlen, behoeften

en gedragingen. Bibliotheken hebben hierdoor te maken met een pluriformiteit aan klanten

en behoeften. Zowel de groep gebruikers als de groep niet-gebruikers bestaat uit een

verscheidenheid aan individuen met elk hun eigen achtergrondkenmerken, gedraging,

genrevoorkeuren, redenen om de bibliotheek (niet) te bezoeken, et cetera. Uit noodzaak

om de neergaande trend van bibliotheekgebruik te keren, wordt het steeds belangrijker dat

de producten en de collectie van de bibliotheek worden afgestemd op de (potentiële)

gebruiker. Een fundamentele verandering die heeft plaatsgevonden in bibliotheken is dan

ook die van een relatief aanbodgerichte organisatie naar een meer vraaggerichte organisatie.

Om deze transitie waar te maken zien bibliotheken zich steeds vaker gedwongen bedrijfseconomische

principes toe te passen op het gebied van marketing en communicatie, die

gericht zijn op het werven, vasthouden en tevredenstellen van gebruikers. Parallel aan deze

ontwikkeling groeide de afgelopen jaren het besef van het belang meer te weten over

(potentiële) gebruikers. Wie zijn zij? Wat doen zij? Hoe kan de bibliotheek hen (beter)

van dienst zijn? Gebruikersonderzoek, marktonderzoek en klantsegmentatie 74 worden

steeds vaker ingezet voor het ontwikkelen van dienstverlening op maat. Resultaat van dit

maatwerk is productdifferentiatie: een divers aanbod voor de verschillende geprioriteerde

doelgroepen.

De mate waarin verschillende doelgroepen binnen de dienstverlening van bibliotheken

specifieke aandacht krijgen, is niet stabiel. Ontwikkelingen in de samenleving zorgen ervoor

dat hierin accenten kunnen komen te verschuiven. Zo krijgen bibliotheken door de vergrijzing

in toenemende mate te maken met oudere doelgroepen. In een vooruitblik op de

samenleving vanuit demografie en individualisering stellen De Haan et al (2001) dat deze

toekomstige groep ouderen een ander, meer uitbundig, consumptiepatroon zal vertonen

dan de groep ouderen van vroeger en nu. Deze groep beschikt over een gemiddeld hoog

niveau van materiële welvaart, gewenning aan een actieve en afwisselende besteding van

de vrije tijd en een goede gezondheid. Dit maakt hen een welgestelde groep die nog lang

actief en vitaal zal blijven en daarmee een mogelijk zeer interessante doelgroep voor

bibliotheken. In de nabije toekomst zal dit leiden tot een grotere afstemming van bijvoorbeeld

collectie en activiteitenaanbod op deze specifieke groep. Maar ook in de manier

waarop diensten en producten worden aangeboden. Met de stijging van het aantal

senioren in de samenleving neemt ook het aantal (potentiële) bibliotheekgebruikers toe

die bijvoorbeeld een beroep moet doen op thuisbezorging en op mogelijkheden voor

aangepast lezen.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

27


28

Andere dingen doen en dingen anders doen

Zoals we reeds zagen in paragraaf 3.1.3, willen en kunnen bibliotheken ook voor de omvangrijke

groep laaggeletterden en groeiende groep nieuwe Nederlanders een betekenisvolle

rol (blijven) spelen. Door de ontwikkeling van een breed scala aan materialen en diensten

dat is afgestemd op alle groepen en behoeften kunnen bibliotheken voor nieuwe Nederlanders

functioneren als centra voor educatie, cultuur, informatie en ontmoeting en hen

ondersteunen in hun inburgering en het leren van de Nederlandse taal. 75 Het onderzoek

naar de leerfunctie van bibliotheken toont dat echter nog niet alle bibliotheken zijn ingericht

op deze groep nieuwe Nederlanders. In 2009 had iets meer dan de helft van de bibliotheken

een speciaal aanbod voor laaggeletterden en 40% voor anderstaligen. Anderstaligen kunnen

echter in een kwart van de bibliotheken in geen enkele vestiging terecht voor speciaal aanbod.

3.2.2 Snelheid en gemak: digitale dienstverlening

Een belangrijke verschuiving in de dienstverlening waarmee bibliotheken in ieder geval

afstemming zullen vinden met specifieke wensen en behoeften van verschillende doelgroepen,

is het aanbod van digitale diensten. Door veranderingen in het tijdsbestedingspatroon

van mensen en de knelpunten die zij hierin ervaren, ontstaat onder burgers een

steeds grotere behoefte aan snelheid en gemak. Alternatieve aanbieders, die snelheid,

toegankelijkheid, gemak, keuzemogelijkheid en individueel maatwerk hoog in het vaandel

hebben staan, zijn hen hierin tijdig tegemoetgekomen met de ontwikkeling van digitale

diensten en e-commerce. Daardoor geldt inmiddels voor de bevrediging van een variëteit

aan bibliotheekgerelateerde behoeften dat mensen het huis niet meer uit hoeven. Digitale

boekwinkels, zoals Amazon en bol.com bieden de mogelijkheid om 24 uur per dag, zeven

dagen per week te winkelen. Niet alleen zoeken, bestellen en betalen wordt online geregeld,

de producten worden daarnaast binnen afzienbare tijd thuis bezorgd. Ook voor de advisering

bij de keuze van een boek, evenals voor het beantwoorden van een informatieve vraag

hoeven mensen niet langer een bezoek te brengen aan de bibliotheek. Zij gaan via andere

wegen op zoek. De opkomst van mobiele en draadloze technologie maakt het mogelijk

om deze wegen niet alleen thuis, maar ook op elke andere gewenste plek te bewandelen

middels laptop, palmtop of mobiele telefoon.

Deze ontwikkelingen dwingen bibliotheken om de eigen dienstverlening eens goed onder

de loep te nemen en waar nodig aan te passen aan een veranderend verwachtings- en

behoeftepatroon van gebruikers. Het besef dat een grote innovatieslag nodig is om ook de

bibliotheek tegemoet te kunnen laten komen aan deze veranderingen en de bibliotheek

daarmee toekomstbestendig te maken, is in de hele branche doorgedrongen. Zowel de

Raad voor Cultuur in zijn advies ‘Bibliotheekvernieuwing 2009 – 2012’ 76 als de commissie-

Calff in het advies ‘Innovatie met Effect’ 77 ondersteunen dit besef en geven aan dat prioriteit

hierbij moet liggen bij de digitale dienstverlening. Uitgangspunt is daarbij dat relevante

content zo eenvoudig mogelijk toegankelijk is voor een zo groot mogelijk publiek.

E-commerce zal daarom ook voor bibliotheken een steeds belangrijkere plek innemen.

Momenteel bieden alle bibliotheken de mogelijkheid om online in de catalogus van de

betreffende bibliotheek te zoeken. Materialen kunnen via die weg tevens gereserveerd en

verlengd worden. Met de ontwikkeling van de Nationale Bibliotheek Catalogus worden

deze mogelijkheden verder uitgebreid. Gebruikers kunnen via een centraal georganiseerde

databank alle (fysieke en digitale) materialen zoeken en opvragen die bij openbare en

wetenschappelijke bibliotheken (en bij voorkeur ook andere partijen) beschikbaar zijn.

Daarnaast worden andere soorten content aangeboden zoals recensies op internet, covers,

persmappen en film- en geluidsfragmenten die met de betreffende titel in verband staan.

Mogelijkheden om online lidmaatschaps-, leen-, en boetegelden te betalen worden op

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Andere dingen doen en dingen anders doen

nog maar weinig plekken aangeboden. Maar ook aan de ontwikkeling van deze online

betaalfunctionaliteiten wordt op landelijk niveau momenteel wel gewerkt.

Met de gemaksdienst waarbij boeken worden thuisbezorgd, wordt door enkele bibliotheken

geëxperimenteerd. Maar vooralsnog bestaat deze dienstverlening voornamelijk voor mensen

die niet goed ter been zijn en dus niet zelf naar de bibliotheek kunnen komen om materialen

te halen. 78 Terwijl uit onderzoek blijkt dat voor bijna een kwart van zowel de leden als de

niet-leden het gebruik van de bibliotheek interessanter zou worden als zij materialen thuis

zouden ontvangen. 79 De komst van het e-book maakt de thuisbezorging van content

makkelijker. Niet alleen het zoeken en bestellen gebeurt dan online, ook de content komt

via een snelle en relatief gemakkelijke weg bij de aanbieder die deze kan raadplegen waar

en wanneer dat uitkomt. Voor veel mensen vormt het lezen van digitale e-books een aantrekkelijk

alternatief voor het papieren boek. 80 De ontwikkelingen binnen bibliotheken op

dit vlak zijn dan ook in volle gang. Veel bibliotheken zijn inmiddels druk bezig om hun leespubliek

voor te lichten over e-books en e-readers. In een steeds groter wordend aantal

bibliotheken kunnen leden ook al e-readers en e-books lenen, echter afspraken met uitgevers

zorgen ervoor dat de e-books nog niet voor een grotere groep lezers toegankelijk

worden. Zijn juridische barrières eenmaal weggenomen en e-books ondergebracht bij het

leenrecht, dan zullen bibliotheken in toenemende mate te maken krijgen met deze nieuwe

vorm van digitale dienstverlening. Dit zal niet alleen betekenen dat zij e-books aanbieden,

maar in eerste instantie ook dat de dienstverlening gericht is op het ondersteunen van

mensen bij het gebruik van deze nieuwe technologie.

3.2.3 Nieuwe concepten voor de vormgeving en inrichting van de dienstverlening

In de vorige paragraaf lazen we dat bibliotheken met de ontwikkeling van innovatieve

(digitale) diensten tegemoet proberen te komen aan de groeiende behoefte onder burgers

aan snelheid en gemak. Deze ontwikkeling wil echter niet zeggen dat het idee van een

bibliotheek als fysieke plek volledig overboord wordt gezet. Ook op dit vlak wordt druk

geïnvesteerd om de bibliotheekvestiging te behouden als aantrekkelijke verblijfplek waar

verschillende doelgroepen worden geïnspireerd en gestimuleerd tot lezen, lenen, bezoeken

en ontmoeting. Nieuwe concepten worden ontwikkeld die als uitgangspunt dienen voor de

inrichting van het gebouw en de dienstverlening. Zo nemen bibliotheken winkelformules

vanuit de detailhandel over waarmee ze zich tot een groot warenhuis omvormen. Voor de

totstandkoming van deze concepten maken bibliotheken vaak gebruik van marktonderzoek

en klantprofielen. In 2009 nam een groep van tien bibliotheken het voortouw in de ontwikkeling

van een franchiseformule voor openbare bibliotheken, gefinancierd door het

Ministerie van OCW. In deze formule staan onderlinge samenwerking en herkenbaarheid

van de bibliotheek centraal. De franchiseformulegedachte benadrukt de beleving van de

klant en op basis van de klantbehoefte wordt de organisatie ingericht. Termen als hospitality

(gastvrijheid) en hostmanship (gastheerschap) komen binnen deze concepten vaak terug

als belangrijke elementen in de dienstverlening. Van medewerkers wordt dan ook gevraagd

dat zij bij hun handelen redeneren vanuit de klantwens en dat zij tevens beschikken over

verkoopvaardigheden met als doel de uitleencijfers een impuls te geven.

Ook wat betreft het bibliotheekwerk voor de jeugd worden (nieuwe) dienstverleningconcepten

geïntroduceerd. In september 2010 lanceerde de VOB het project de Bibliotheek

van de 100 Talenten, een innovatief concept voor de jeugdbibliotheek van de toekomst.

Het concept werd ontwikkeld in samenwerking met designers, filosofen, architecten,

kinderen, bibliothecarissen, gameontwerpers en organisatiedeskundigen om in te kunnen

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

29


30

Andere dingen doen en dingen anders doen

spelen op de nieuwe manieren waarop kinderen zichzelf informeren en hun verbeelding

organiseren. Het nieuwe concept is toepasbaar op de inrichting van de jeugdafdeling van de

bibliotheek, maar ook op de programmering. Het idee is dat kinderen zelf een belangrijke

rol krijgen bij het gestaltegeven aan de nieuwe jeugdbibliotheek.

3.3 Andere taken en een andere manier van werken Door de verschuivingen

in de functies van de bibliotheek en de veranderende dienstverlening zullen

vanzelfsprekend ook verschuivingen plaatsvinden in de taken en werkzaamheden die

medewerkers uitvoeren. Doordat nieuwe keuzes (moeten) worden gemaakt tussen wat de

bibliotheek nog wel of niet doet en door technologische ontwikkelingen komen op sommige

plekken traditionele bibliotheektaken te vervallen en komen er op andere plekken juist

nieuwe taken bij. Sommige oude taken blijven deel uitmaken van het takenpakket, maar

dienen op een nieuwe manier te worden uitgevoerd. In onderstaande paragrafen bespreken

we welke traditionele taken minder relevant zijn geworden en welke nieuwe taak- en aandachtgebieden

er in de werkzaamheden van bibliotheekmedewerkers juist bij zijn gekomen.

3.3.1 Wegvallen van taken

Automatisering van routinematige taken en schaalvergroting door fusie hebben de laatste

jaren gezorgd voor het wegvallen van een flink aantal traditionele taken van bibliotheekmedewerkers.

Deze taken zijn weggehaald uit functies en geconcentreerd in een beperkt

aantal specialistische functies in de backoffice 81 , worden op centraal niveau opgepakt, of

uitbesteed aan andere partijen. Het proces van uitlenen en innemen is grotendeels geautomatiseerd,

evenals de verwerking van geretourneerd materiaal. Hierdoor zijn traditionele

baliewerkzaamheden veelal verdwenen of ingedamd. Hetzelfde geldt voor administratieve

taken zoals abonnementbeheer en facturering. Daarnaast zijn logistieke handelingen rondom

mediaverwerking de laatste jaren flink geëvolueerd door bijvoorbeeld de invoer van RFID

(Radio Frequency Identification) 82 . De rol van bibliotheekmedewerkers als adviseur op het

gebied van materiaalkeuze en als leverancier van achtergrondinformatie wordt daarnaast

meer en meer overgenomen door internet.

Momenteel vinden daarnaast veel bewegingen plaats waarbij bibliotheektaken worden

gecentraliseerd en opgeschaald. Deze ontwikkeling komt veelal voort uit de behoefte aan

en noodzaak tot het efficiënter inrichten van de bedrijfsvoering die bijvoorbeeld voortvloeit

uit (opgelegde) bezuinigingen. Fusies en de vorming van basisbibliotheken hebben er toe

geleid dat veel medewerkers geen aanschaflijsten meer zien, slechts enkelen zich bezighouden

met het doen van nieuwe aankopen en de verwerking van materialen wordt geregeld

op een centrale plek. Sommige backofficetaken worden daarnaast provinciaal georganiseerd

door PSO’s (provinciale steunorganisaties), bijvoorbeeld op het gebied van de collectievorming

en transport. Een voorbeeld van landelijke opschaling is de mogelijkheid die

NBD/Biblion biedt om materialen volledig uitleenklaar af te nemen. Met de oprichting van

Stichting Bibliotheek.nl is in 2010 een start gemaakt met de invoer van de landelijke digitale

bibliotheek, waarmee een verschuiving is ingezet naar een meer landelijke aanpak op het

gebied van bijvoorbeeld catalogiseren, collectioneren en websiteontwikkeling. Al deze

ontwikkelingen zorgen er voor dat veel traditionele backofficetaken verdwijnen uit het

takenpakket van bibliotheekmedewerkers.

3.3.2 Van productoriëntatie naar klantoriëntatie

In paragraaf 2.2.2 was te lezen dat in de afstemming van de dienstverlening de klant meer

en meer centraal komt te staan. Ook in de feitelijke dienstverlening op de werkvloer is dit

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Andere dingen doen en dingen anders doen

het geval. Met de invoer van zelfbediening in steeds meer bibliotheken hebben medewerkers

‘de handen vrij’ om achter de balie vandaan te komen, een proactieve houding aan te

nemen en klanten te woord te staan. Steeds meer bibliotheken nemen afscheid van het

werken achter balies. Ze wijzen hun frontofficemedewerkers een rol toe als gastvrouw of

gastheer die veel contact heeft met de klant of van informatiemedewerker die rondloopt.

Van deze gastvrouwen en wandelende informatiemedewerkers wordt verwacht dat ze

bewegen en herkenbaar zijn. Dit vraagt bij de medewerkers om kennis van de klant, de

vaardigheid om bij diens leefwereld aan te sluiten, inlevingsvermogen en interculturele

competentie. Met dit laatste wordt bedoeld dat iemand zich niet alleen bewust is van

verschillen en gelijkenissen tussen culturen, maar dat diegene ook beschikt over bepaalde

kennis en vaardigheden om te kunnen werken en communiceren met anderen wiens waarden,

gedragingen en omgevingen anders zijn dan de eigen. Bovendien komen in de omgang

met mensen (en in het bijzonder jeugd) competenties op het gebied van pedagogiek en

didactiek goed van pas.

3.3.3 Public affairs en aantonen maatschappelijke waarde

De recente (aankondiging van) bezuinigingen op het bibliotheekwerk hebben binnen

samenleving en politiek discussie en vragen teweeggebracht over de maatschappelijke

waarde van de bibliotheek en daarmee de rechtmatigheid van de bibliotheek als zijnde een

uit publieke middelen gefinancierde instelling. Cijfers over het afnemende gebruik van de

bibliotheek doen de twijfels hierover versterken. Voor bibliotheken is het hierdoor onontkoombaar

dat zij zich meer toeleggen op het aantonen van hun maatschappelijke waarde

of opbrengst, bijvoorbeeld op het gebied van taalvaardigheid, inburgering en-of sociale

cohesie. Bovendien groeit het belang van een sterke positionering en het creëren van

draagvlak bij burger en politiek.

3.3.4 Cultureel ondernemerschap en (gemeentelijk) opdrachtgeverschap

Twijfels over publieke legitimatie en (de aankondiging van) bezuinigingen vergroten ook

de noodzaak tot cultureel ondernemerschap. Volgens de Vereniging voor Nederlandse

Gemeenten (VNG) vergroten bibliotheken hun maatschappelijke legitimatie wanneer zij

‘zich sterker op hun omgeving oriënteren en actief nagaan welke bijdrage zij kunnen leveren

aan de doelstellingen van lokale overheden, onderwijsorganisaties, zorginstellingen en

eventueel het bedrijfsleven’. 83 Door een partnerrol te spelen voor gemeente en lokale

(maatschappelijke) organisaties, verankeren bibliotheken zich breder in de (lokale)

samenleving en kunnen zij voor meer burgers meer betekenen. Om dit te realiseren zijn

ondernemingsvaardigheden nodig. Belangrijk hierbij is dat de bibliotheken vanzelfsprekende

samenwerkingspartners worden binnen de lokale context en dat lokale partijen gaan

beseffen dat zij de expertise van de bibliotheken goed kunnen gebruiken. Investeren in

(nieuwe) contacten is hierbij cruciaal (zie paragraaf 3.3.4).

Vanwege het spelen van een partnerrol bij het uitwerken van gemeentelijk beleid, raakt het

thema cultureel ondernemerschap volgens de VNG aan het gemeentelijk opdracht geverschap.

Deze financierings- of opdrachtrelatie tussen bibliotheek en gemeente neemt steeds

vaker de vorm aan van budgetgestuurde contractfinanciering. Dit houdt in dat de gemeente

aan de bibliotheek een budget toekent dat aan de uitvoering van vooraf afgesproken taken

besteed moet worden. Deze vorm van financiering vergroot het belang van het vooraf helder

formuleren en op resultaatgerichte wijze nastreven van te leveren prestaties.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

31


32

Andere dingen doen en dingen anders doen

3.3.5 Alternatieve financiering

In de voorafgaande paragrafen zagen we dat bibliotheken hun publieke legitimatie kunnen

versterken door zich meer te ontwikkelen op het gebied van public affairs en te manifesteren

als cultureel ondernemer. Toch zullen bibliotheken zich, om een adequaat antwoord te

hebben op de rem op overheidssubsidies, ook minder sterk afhankelijk moeten maken van

deze subsidies en zich oriënteren op alternatieve financieringsbronnen. Dit vraagt bij

medewerkers niet alleen om een verbeterde professionaliteit op het gebied van lobby en

fondswerving, maar ook op het gebied van het schrijven van heldere resultaatgerichte

(financierings)plannen en commercieel handelen.

3.3.6 Netwerken en verbindingen leggen

Een belangrijke uitdaging waar bibliotheken die zich ontwikkelen richting het cultureel

ondernemerschap voor staan, is de verandering van een relatief op zichzelf staande organisatie

naar een meer lokale netwerkorganisatie. Binnen de verschillende kern functies

worden partnerschappen aangegaan met andere (lokale) organisaties. Zo wordt samengewerkt

met educatieve instellingen op het gebied van ‘ontwikkeling en educatie’ en met

culturele instellingen voor activiteiten rondom ‘ontmoeting en debat’. Het creëren en

beheren van netwerken en onderhouden van samenwerkrelaties wordt door deze ontwikkeling

steeds belangrijker. Bij medewerkers vraagt dit om een proactieve houding naar

lokale organisaties en vaardigheden die raken aan account- en relatiemanagement.

3.3.7 Projectmatig werken

In voorafgaande paragrafen bleek dat een aantal vaste routinematige taken aangaande

bijv. de uitleenfunctie van bibliotheken uit het takenpakket van medewerkers verdwijnen.

Tegelijkertijd komen er nieuwe taken bij. Vaak hebben deze nieuwe taken te maken met

de relatie tussen de bibliotheek en haar gebruikers, subsidiënt en de samenleving. Maar

ook wat betreft de inhoudelijke invulling van de kernfuncties zijn bibliotheekmedewerkers

de laatste jaren andere dingen gaan doen. Met de toekenning van de kunst en cultuur en

ontmoeting en debat tot kernfuncties van de bibliotheek is het producten- en dienstenaanbod

van veel bibliotheken bijvoorbeeld verbreed van het aanbieden van een collectie

naar de organisatie van verschillende soorten activiteiten. Met deze activiteiten willen

bibliotheken inspelen op actuele trends en ontwikkelingen en op wat leeft onder de doelgroepen.

Dit betekent dat veel werkzaamheden een ander, meer projectmatig karakter

hebben gekregen en een andere aanpak vergen dan de uitvoer van de meer traditionele en

routinematige werkzaamheden. Vaak wordt in een (multidisciplinair) projectgroep binnen

een bepaalde tijd toegewerkt naar een specifiek vooraf bepaald resultaat (bijvoorbeeld de

organisatie van een themaweek). Om dit te realiseren worden specifieke middelen (tijd,

geld en mensen) beschikbaar gesteld en wordt er vaak een projectleider verantwoordelijk

gesteld voor het behalen van het resultaat. Het werken in zo’n projectgroep vraagt om

inhoudelijke kennis van maatschappelijke trends en ontwikkelingen en organisatorische

vaardigheden op het gebied van samenwerken, onderling communiceren, plannen, en

resultaatgerichtheid. Voor projectleiderschap zijn daarnaast vaardig heden op het gebied

van aansturen en enthousiasmeren een pre.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Andere dingen doen en dingen anders doen

3.4 Conclusie: een nieuw profiel voor de bibliotheekmedewerker

Bibliotheken worden geconfronteerd met verschillende in- en externe ontwikkelingen die

er voor zorgen dat verschuivingen plaatsvinden in de functies, dienstverlening en manier

van werken van bibliotheken. Brengen we deze verschuivingen samen, dan vormt zich

langzaam een nieuw profiel van de bibliotheekmedewerker die beschikt over een breed

pakket aan competenties.

Kort samengevat is deze nieuwe medewerker bekend met de omgeving of context waarbinnen

hij de werkzaamheden uitvoert en bekend met de doelgroepen die daarbinnen

extra aandacht behoeven. Hij gedraagt zich als cultureel ondernemer met een extern

gerichte blik en een open en actieve houding. Daarbij legt hij zich niet alleen toe op het

realiseren van bibliotheekdoelen, maar heeft hij ook oog voor de doelen van andere maatschappelijke

organisaties en weet hij deze te verbinden met de doelen en activiteiten van

de bibliotheek. Op die manier weet hij de verankering van de bibliotheek in de samenleving

te versterken en bovendien een positieve bijdrage te leveren aan bekendheid, een sterke

positionering en draagvlak bij burger en politiek.

De medewerker levert een bijdrage aan de inrichting van de dienstverlening rondom de

vijf kernfuncties en de implementatie en inbedding van innovatieve concepten. Als gids

voor burgers in een informatiewereld weet hij zich probleemloos te redden met de zich snel

ontwikkelende communicatie- en informatietechnologieën. Op het gebied van educatie

kan hij individuele burgers ondersteunen en faciliteren en houdt hij zich bezig met thema’s

als mediawijsheid, leesbevordering, leven lang leren en laaggeletterdheid. Bij deze activiteiten

zet hij niet alleen uitgebreide kennis in over de relevante themagebieden, maar toont

hij zich ook vaardig op het gebied van didactiek en pedagogiek. Om (educatieve) activiteiten

vorm te geven vormt de medewerker een belangrijke spil tussen bibliotheek en onderwijs

en beschikt hij over de vaardigheden om een uitgebreid netwerk op te bouwen (zowel met

onderwijsorganisaties als met andere maatschappelijke organisaties).

Hoewel ‘lezen en literatuur’ bij sommige bibliotheken als kernfunctie terrein verliest, weet

de medewerker met actuele en brede maatschappelijke, culturele en literaire kennis een

stimulerende en adviserende rol te spelen bij het lezen en leesplezier van burgers. En hij weet

een prettige omgeving te creëren waarin bezoekers graag verblijven en met een passend

en aantrekkelijk aanbod (collectie en activiteiten) verleid worden tot gebruik, bezoek en

ontmoeting. In zijn handelen, richt hij zich proactief naar de gebruiker en stelt diens wensen,

eisen en behoeften te allen tijde centraal. De organisatie van projecten en activiteiten pakt

hij tot slot op efficiënte en effectieve wijze aan door toepassing van belangrijke principes

voor het managen van werk en projecten, waarbij hij ook de sociale communicatieve

aspecten rondom samenwerken en netwerken niet uit het oog verliest.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

33


34

4 Aansluiting opleidingenaanbod

op het nieuwe profiel van de

bibliotheek medewerker

Centraal in dit onderzoek staat de mate waarin competentie-eisen uit de branche aansluiten

op (competenties die aan bod komen in) het opleidingenaanbod. In hoofdstuk 3 was te lezen

hoe verschillende ontwikkelingen in samenleving en branche hebben geleid tot verschuivingen

in de functies en dienstverlening van bibliotheken. Gevolg is dat er ook verschuivingen

hebben plaatsgevonden in de taken die medewerkers uitvoeren en de kennis en

vaardigheden waarover zij dus moeten beschikken. In dit hoofdstuk kijken we in hoeverre

de huidige opleidingen ervoor zorgen dat (toekomstige) bibliotheekmedewerkers deze

kennis en vaardigheden inderdaad onder de knie krijgen.

In paragraaf 4.1 bespreken we de huidige reguliere (bibliotheek)opleidingen op mbo-niveau

en in paragraaf 4.2 op hbo- niveau. Beide paragrafen worden onderverdeeld in subparagrafen.

In de eerste subparagraaf geven we een korte omschrijving van de algemeen geldende

competentieprofielen die in het verleden zijn opgesteld voor de verschillende opleidingen.

Deze profielen zijn en worden gebruikt bij het accrediteren en (door)ontwikkelen van

opleidingsprogramma’s. Ze geven een beschrijving van de bekwaamheden waarover een

bibliotheekmedewerker zou moeten beschikken en de waardering van functies, taken en

werkzaamheden. Voor het mbo is een beroeps(competentie)profiel opgesteld waarin de

werkzaamheden en competenties zijn beschreven die nodig zijn voor het beroep van

informatiedienstverlener. Dit beroepscompetentieprofiel heeft de basis gevormd voor

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Aansluiting opleidingenaanbod op het nieuwe profiel van de bibliotheekmedewerker

het kwalificatiedossier voor de mbo-opleidingen informatiedienstverlening (IDV). Voor het

hbo zijn de competenties die de basis vormen voor de opleiding Informatiedienstverlening

en – Management (IDM) vastgelegd in het dossier ‘Kerncompetenties voor de informatieprofessional’.

We kijken hoe deze profielen tot stand zijn gekomen en in hoeverre ze aansluiten

bij de veranderingen in het bibliotheekwerk. 84

In de tweede subparagraaf zoomen we voor elk van de onderwijsniveaus in op het daadwerkelijke

aanbod van opleidingen. We bespreken welke verschillende opleidingsinstituten

de betreffende mbo- en hbo-opleidingen aanbieden, de mate waarin de opleidingscurricula

aansluiten op de (toekomstige) competentie-eisen uit de branche en de ontwikkelingen

die bij deze opleidingsinstituten spelen op het gebied van bijvoorbeeld instroom. Om deze

informatie boven tafel te krijgen zijn twee wegen bewandeld. Enerzijds zijn de websites

van de verschillende onderzoeksinstituten geraadpleegd voor algemene informatie over

vakkenpakketten en aandachtsgebieden. Daarnaast zijn verschillende overleggen en bijeenkomsten

georganiseerd en bijgewoond waarin is gesproken met vertegenwoordigers

van deze opleidingen. Deze overleggen vonden meestal plaats tijdens bijeenkomsten van

verschillende overkoepelende overlegorganen die door de opleiders zelf in het leven zijn

geroepen. Gedurende de verschillende gesprekken bleek duidelijk dat momenteel druk

wordt nagedacht en gesproken over de toekomst van de opleidingen en hun directe link

met het bibliotheekveld. Omdat bij veel opleidingen, evenals bij de bibliotheken, sprake is

van een periode van herbezinning, hadden de gesprekken dan ook niet alleen een kennismakend

en onderzoekend, maar ook in grote mate al een afstemmend en vooruitblikkend

karakter.

In de slotparagraaf (paragraaf 4.4) wordt een concluderend antwoord gegeven op de vierde

deelvraag over de mate van aansluiting tussen de competentie-eisen uit de branche en het

huidige opleidingenaanbod.

4.1 Mbo-opleiding Informatiedienstverlening (IDV) Op het mbo worden

studenten aan de opleiding Informatiedienstverlening opgeleid tot archiefmedewerker,

bibliotheekmedewerker of informatieverzorger. In deze paragraaf kijken we welke profielen

ten grondslag liggen aan de invulling en ontwikkeling van deze opleiding en in hoeverre

deze aansluiten bij de competentie-eisen uit het beroepenveld, namelijk de bibliotheken

(paragraaf 4.1.1). Voor de vindplek van de profielen verwijzen we naar de bronvermelding

en literatuurlijst. Ook bespreken we waar de opleiding wordt aangeboden en welke ontwikkelingen

er bij de aanbieders spelen die van invloed zijn op de toekomst van de opleidingen

(paragraaf 4.1.2).

4.1.1 Beroepscompetentieprofiel en kwalificatiedossier

De competenties die centraal staan in de IDV-opleidingen zijn vastgelegd in het beroepscompetentieprofiel.

85 Dit profiel wordt opgesteld in opdracht van en in samenwerking met

het georganiseerde bedrijfsleven en krijgt hiervan ook een formele status. In het profiel

staan drie aspecten centraal: kerntaken, werkprocessen en de vakkennis en vaardigheden

die noodzakelijk zijn bij de uitvoering van de werkzaamheden. Elk werkproces is afgezet

tegen een lijst van 25 vrij algemene competenties. Deze lijst heeft betrekking op wat men

noemt de bekwaamheden die aangewend worden bij de uitvoering van de werkprocessen

van een kerntaak.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

35


36

Aansluiting opleidingenaanbod op het nieuwe profiel van de bibliotheekmedewerker

Op basis van het beroepscompetentieprofiel is een kwalificatiedossier opgesteld, dat

eind 2010 is vastgesteld door het kenniscentrum ECABO. 86 In dit dossier wordt een korte

omschrijving gegeven van de beroepengroep, de taken die de beroepsbeoefenaar zoal

uitvoert en de competenties die hij daarbij nodig heeft. Tevens worden de diploma-eisen

beschreven. Deze eisen samen geven weer wat een gediplomeerde moet kunnen wanneer

hij op de arbeidsmarkt start. Het onderwijs gebruikt dit kwalificatiedossier voor de ontwikkeling

van het eigen opleidingsprofiel en daarmee het vormgeven van concrete

opleidingen en examens. Elke IDV-opleiding moet aan minstens 70% van de eisen uit het

kwalificatiedossier voldoen om te worden gekwalificeerd.

Aansluiting met het beroepenveld

Uit de competenties die zijn beschreven in het beroepscompetentieprofiel en kwalificatiedossier

blijkt dat de opleiding IDV zeer nadrukkelijk gericht is op een specifieke beroepsgroep,

namelijk bibliothecaris of informatiemedewerker. Specifieke aspecten van het

bibliotheekwerk worden helder en gedetailleerd beschreven, evenals de beroeps- en competentie-eisen

die daaruit voortvloeien. De beschreven werkzaamheden en competenties

hebben een duidelijk frontofficekarakter. De focus in dit profiel lijkt dan ook te liggen op

de wat zachte competenties rondom de omgang met klanten en uitvoerende activiteiten

rondom de begeleiding van activiteiten en het beheren en presenteren van materialen.

Daarbij worden competenties rondom didactiek en presentatie als belangrijk gezien en

ook de voor bibliotheken steeds belangrijker wordende competentie ‘ondernemend en

commercieel handelen’ wordt genoemd. Wat men hier precies mee bedoelt, wordt echter

niet nader beschreven.

Wat verder opvalt, is dat specifieke themagebieden en doelgroepen aangaande de brede

maatschappelijke functie van de bibliotheek, die in het bijzonder van belang zijn voor

openbare bibliotheken, op sommige plekken wel worden genoemd, maar niet zijn verwerkt

in de uiteindelijke kwalificatie-eisen. In de inleiding en in de discussiepunten wordt gerefereerd

aan enkele belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen die in hoofdstuk 2 en 3 van

dit rapport zijn beschreven. Men benoemt bijvoorbeeld het belang van kennis en vaardigheden

op het gebied van: winkelvaardigheden (gastvrouw/-heerschap, retail marketing),

actualiteit en culturele/maatschappelijke ontwikkelingen, (jeugd-)literatuur, leesbevordering,

dyslexie en analfabetisme, educatiebegrippen, -doelstellingen en -infrastructuren (op het

gebied van bijvoorbeeld media-, literaire-, kunst-, cultuur- en erfgoed educatie), mediawijsheid.

Deze relevante thema’s en competenties lijken echter op een later moment

aan het profiel te zijn toegevoegd en worden ook niet meegenomen in de uiteindelijke

kwalificaties waaraan opleidingen moeten voldoen. Zij worden dus ook niet meegenomen

in de diploma-eisen die uit het kwalificatiedossier worden afgeleid.

Om te benadrukken dat de kwaliteitseisen in het dossier wel degelijk aansluiten bij de veranderingen

in het bibliotheekwerk, wordt in het dossier aangegeven dat voor de beschrijving

van sommige werkzaamheden is gekozen voor een brede benaming. Achterliggende

gedachte hierbij is dat de werkzaamheden meerdere soorten kernfuncties van bibliotheken

kunnen raken, zoals leesbevordering en taalontwikkeling. Dit is bijvoorbeeld het geval bij

het opzetten en organiseren van projecten en activiteiten. De keuze voor een brede benaming

betekent echter niet dat de inhoudelijke kennis en vaardigheden die het vergt om

deze functies op basis van activiteiten en projecten vorm te geven ook werkelijk aan bod

komen in de opleidingen.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Aansluiting opleidingenaanbod op het nieuwe profiel van de bibliotheekmedewerker

4.1.2 Het huidige aanbod van IDV-opleidingen

De mbo-opleiding IDV is aan drie reguliere opleidingsinstituten in Nederland te volgen:

ROC Midden Nederland, ROC van Twente en ROC de Friese Poort. Deze instituten hebben hun

krachten gebundeld in de zogenoemde Bibliotheekacademie waarin ze samenwerken bij

o.a. de ontwikkeling van nieuw lesmateriaal en toetsen en bij de uitwisseling van docenten

en trainers. Naast het reguliere aanbod is het bij deze ROC’s ook mogelijk om voor een

bibliotheek maatwerkcursussen te laten ontwikkelen die zijn afgestemd op een specifieke

opleidingsvraag.

Teruglopende instroom

Cijfers van het ECABO laten zien 87 dat alle mbo-opleidingen momenteel te maken hebben

met een terugloop in de studentenaantallen. In het schooljaar 2010-2011 was sprake van

slechts 140 deelnemers van de mbo-opleiding IDV aan de verschillende ROC’s. In de voorafgaande

jaren (2005-2009) schommelde dit aantal nog tussen de 190 en 245. De gegevens

laten ook zien dat het aantal deelnemers dat zich in 2010 in het eerste verblijfsjaar bevindt

(dus de nieuwe instroom), ten opzichte van het vorige jaar meer dan gehalveerd is.

De reden voor de afnemende instroom zoekt men vooral in het imagoprobleem van het

bibliotheekvak dat ervoor zorgt dat jongeren geen interesse meer hebben voor de opleiding.

Deze ontwikkeling heeft geleid tot twijfels over de huidige arbeidsmarktrelevantie van de

opleidingen en zorgen over de toekomst. Op een aantal plekken is de opleiding IDV al volledig

uit het reguliere aanbod van een ROC verdwenen. Men acht de kans groot dat hetzelfde

gebeurt bij ROC’s die de opleiding IDV op dit moment nog wel aanbieden.

Behoefte aan korte trajecten

De opleiding Informatiedienstverlening kent twee leerwegen: de Beroeps Opleidende Leerweg

(BOL) en de Beroeps Begeleidende Leerweg (BBL). De eerste leerweg bestaat uit een

volledige dagopleiding inclusief beroepspraktijkvorming die op sommige opleidingen ook

in deeltijd te volgen is (deeltijd-BOL). De tweede leerweg is een deeltijdopleiding waarbij

een baan wordt gecombineerd met één schooldag in de week. Naast de terugloop in

studentenaantallen valt op in de cijfers van ECABO, dat onder studenten vooral behoefte

lijkt te zijn aan een verkorte leerweg. Zo’n 70% van de instroom bestaat uit studenten die

de opleiding verkort of in deeltijd volgen (zijinstroom of BBL). Studenten zijn daarnaast

opvallend vaak ouder dan 30 jaar (60%). Men verwacht dat ook in de komende jaren vooral

behoefte zal zijn aan zijinstroom. Daarnaast verwacht men dat er veel vraag zal zijn naar

het volgen van losse modules via het contractonderwijs. Sommige ROC’s werken dan ook

nauw samen aan de ontwikkeling van specifieke functietrainingen en opleidingsmodules

die ze naast het reguliere programma aanbieden.

Aansluiting met het beroepenveld

In paragraaf 4.1.1 was te lezen dat het kwalificatiedossier voor de opleiding IDV op veel

punten wel, echter op een aantal andere punten nog niet helemaal aansluit op de competenties

die door de bibliotheekbranche gewenst zijn. Uit de informatie op internet over de

opleidingen en in de gesprekken met opleiders blijkt dat de themagebieden die ontbreken

in het kwalificatiedossier inderdaad niet of onvoldoende in de opleiding voorkomen. Dit is

ook niet vreemd, aangezien men zich voor accreditatie in het curriculum voor 70%-80% aan

de geformuleerde kwalificaties uit het kwalificatiedossier moet houden. Gevolg hiervan is

ook dat de curricula van de verschillende ROC’s sterk op elkaar lijken.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

37


38

Aansluiting opleidingenaanbod op het nieuwe profiel van de bibliotheekmedewerker

In de gesprekken benadrukt men de bereidheid en de wens om samen met de branche

en het opleidingenveld een betere aansluiting te realiseren. Deze wens komt voort uit de

zorgen om de teruglopende instroom die op een afnemende arbeidsmarktrelevantie van

de opleidingen lijkt te duiden. Daarbij doen de opleiders een duidelijke oproep aan de

branche om met een gezamenlijk en breed gedragen beeld van het bibliothecarisvak te

komen waarmee opleiders bij de invulling van hun specifieke curricula rekening kunnen

houden. Opleiders geven aan dat de bibliotheekbranche niet eenduidig is in de wensen en

eisen voor de competenties van medewerkers. Men heeft hierdoor slecht zicht op wat de

branche nu echt wil. Een belangrijke oorzaak van deze versnippering zit hem in het feit dat

opleiders te maken hebben met verschillende bibliotheekorganisaties die zowel landelijk

(SIOB, VOB en tot januari 2011 ook de Werkgeversvereniging Openbare Bibliotheken), als

provinciaal (PSO’s) en regionaal (basisbibliotheken) opereren. Naast deze organisaties is

er bovendien nog een aantal overkoepelende partijen met vertegenwoordigers uit deze

verschillende lagen die zich gezamenlijk over het thema HRM en opleidingen buigt. Op die

manier is er een pluriform beeld ontstaan van groepen die zich bezig houden met het

thema opleidingen, elk met een eigen visie op de (gewenste) structuur en inhoud van

opleidingen. Wat betreft verschillen in opvattingen over de inhoudelijke invulling van

curricula legt de ene organisatie bijvoorbeeld nadruk op vaardigheden rondom informatie

en advies, en de ander vooral op gastvrouwschap (zoals men in opleidingen voor horecaberoepen

aangeleerd krijgt). En waar men bij de ene organisatie meer de richting op wil

van cultuurhuizen, ziet men bij een andere organisatie de toegevoegde waarde van bibliotheekmedewerkers

vooral op het gebied van onderwijs, didactiek en pedagogiek.

Wat betreft de structuur verschillen de opvattingen in de branche bijvoorbeeld over de

duur en het niveau van de opleiding. Sommigen vinden een specialistische voltijdopleiding

onontbeerlijk, terwijl men op andere plekken meer oren heeft naar een bouwwerk van

losse componenten of bibliotheekspecifieke modules. Deze modules kunnen samen een

volledige opleiding vormen, maar ook in deeltijd aangeboden worden, als contractonderwijs

of als vrijekeuzeruimte boven op een andere opleiding. Over dit vraagstuk geven

opleiders zelf aan dat de branche bij het aanbieden van deeltijdtrajecten of modules zou

moeten streven naar opleidingseenheden die apart gecertificeerd kunnen worden en

beloond met een volwaardig en officieel erkend diploma. Dit maakt het volgen van zo’n

module aantrekkelijker voor zowel student als werkgever, met het oog op arbeidsmarktmobiliteit

en financiering. Ook geeft men aan dat wel rekening gehouden moet worden met

het feit dat de oriëntatie bij specifieke modules puur ligt op beroepsspecifieke competenties

en niet op basiscompetenties zoals taal en rekenen. Deze beperking bemoeilijkt of verhindert

de doorstroom van gediplomeerden op de arbeidsmarkt en binnen het onderwijs

(naar het hbo). Bovendien beperkt het ontbreken van basiscompetenties de brede inzetbaarheid

van werknemers in zowel de bibliotheekbranche als daarbuiten, omdat de student

vooral leert wat deze morgen meteen kan gebruiken, maar niet wat deze later (eventueel

in een ander beroep) kan gebruiken.

Wat betreft het niveau van taken verschillen de opvattingen binnen de branche over het

niveau waarop het vak van informatieprofessional (zowel in front- als backoffice) moet

worden uitgevoerd. Dit meningsverschil sluit aan bij de discussie die in bibliotheken nog

geregeld wordt gevoerd over het opleidingsniveau dat noodzakelijk is om informatie en

adviesactiviteiten te kunnen (en mogen) uitvoeren in de frontoffice. In praktijk zijn twee

tendensen te onderscheiden. In de meeste gevallen is sprake van mbo’ers die taken uitvoeren

in de frontoffice en de zwaardere informatievragen doorspelen naar de hbo’er in

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Aansluiting opleidingenaanbod op het nieuwe profiel van de bibliotheekmedewerker

de backoffice. 88 In de praktijk blijkt dat er slechts in weinig gevallen sprake is van een

dergelijk complexe informatievraag dat deze doorgespeeld moet worden naar een hbo’er.

Veelal hebben vragen die medewerkers in de frontoffice gesteld krijgen betrekking op de

vindplek van materialen (en wc) en op praktische zaken zoals openingstijden en boetes. 89

Vervolgtraject

Tijdens de gesprekken met de opleiders wordt duidelijk aangegeven dat een eenduidig

beeld vanuit de branche gewenst is. Als dit beeld er is, zouden activiteiten op poten gezet

kunnen worden om een betere aansluiting van de opleidingen op dat beeld te realiseren.

Wel benadrukken de opleiders daarbij gebonden te zijn aan de eisen uit het kwalificatiedossier

dat in 2011 voor vier jaar is vastgelegd. Gevolg is dat men slechts kan meebewegen

binnen de vastgestelde kwalificaties of gebruik kan maken van de 20% vrije ruimte die niet

hoeft aan te sluiten bij officiële kwalificatie-eisen. Ook geeft men aan dat voor de realisatie

van een betere aansluiting niet bij uitstek investeringen nodig zijn in de ontwikkeling van

nieuwe cursussen en modules, maar dat voor een groot deel geput kan worden uit andere

mbo-opleidingen. Opleidingen die in deze context worden genoemd, hebben te maken

met vakgebieden binnen onder andere de horeca, ICT, en het onderwijs (bijvoorbeeld

onderwijsassistent).

4.2 Hbo-opleiding Informatiedienstverlening en -management

(IDM) Informatiedienstverlening en –management (IDM) is een vierjarige hbo-opleiding

die de oorspronkelijke opleiding BDI, opleiding voor Bibliotheek en Documentaire Informatieverzorging,

opvolgt. Paragraaf 4.2.1. bespreekt de profielen die de basis vormen voor de

ontwikkeling en accreditatie van de curricula van deze opleiding. Paragraaf 4.2.2 geeft een

beknopte beschrijving van de opleidingen zelf en de ontwikkelingen die daar momenteel

plaatsvinden.

4.2.1 Beroeps- en opleidingsprofielen

In 2000 werd het dossier ‘Focus op kennis’ opgesteld door een projectgroep van deskundigen

uit het werkveld van informatieprofessionals. 90 Het dossier vormt het geheel van enerzijds

een beroepsprofiel en anderzijds een opleidingsprofiel.

Het beroepsprofiel beschrijft de dominante ontwikkelingen waarmee de beroepspraktijk

te maken heeft. Tevens geeft het beroepsprofiel een beschrijving van de organisaties en

functies waarin de afgestudeerden van de opleiding IDM werkzaam zijn en van de competenties

waarover de beginnende beroepsbeoefenaar dient te beschikken om deze functies

adequaat te kunnen vervullen. De competenties zijn uitgesplitst in algemene en beroepsspecifieke.

De beroepsspecifieke competenties zijn, zoals de naam al aangeeft, specifiek

voor de bijdrage die de IDM’er levert aan de kerntaken van de organisatie. Ze zijn geordend

naar vier fasen: het absorberen, genereren, verspreiden en exploiteren van kennis.

De algemene competenties zijn niet specifiek voor de IDM’er en brengen tot uitdrukking

vanuit welke attitude en ‘geestegesteldheid’ de specifieke competenties in de praktijk

worden benut. Deze competenties worden onderverdeeld naar vier groepen: persoonlijk

meesterschap, expliciteren van eigen visie en vormen van een gemeenschappelijke visie,

het vermogen als groep te leren, systeemdenken.

Het tweede onderdeel van het dossier ‘Focus op Kennis’ wordt gevormd door het opleidingsprofiel.

Dit onderdeel bevat de afspraken die de hogescholen gezamenlijk hebben

gemaakt over de vertaling van het beroepsprofiel in een onderwijsprogramma. Elke

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

39


40

Aansluiting opleidingenaanbod op het nieuwe profiel van de bibliotheekmedewerker

individuele IDM-opleiding concretiseert de competenties, zoals vastgesteld in het beroepsprofiel

en zoals ze zijn opgenomen in het opleidingenprofiel, en werkt deze uit in het eigen

curriculum. Uitgangspunt is daarbij dat de vastgestelde competenties voor ten minste

70% deel uitmaken van de totale set competenties per opleiding.

Uit de behoefte om het bestaande profiel uit 2000 aan te scherpen en voor hbo-opleidingen

voor informatieprofessionals een gemeenschappelijke kern vast te leggen, nam het Landelijk

Overleg van IDM-opleidingen in 2006 het initiatief tot het opstellen van een nieuw competentieprofiel,

genaamd ‘Kerncompetenties voor de informatieprofessional, zestien illustraties’

91 . Voor het beschrijven van de kerncompetenties zijn de ‘bouwstenen’ uit het profiel

voor de Bachelor of ICT van het hbo als uitgangspunt genomen (analyseren, adviseren,

ontwerpen, realiseren en beheren). Het dossier bevat de uitgewerkte competenties en een

aantal voor het werkveld relevante beroepssituaties.

Aansluiting met het beroepenveld

Wat als eerste opvalt in het meest actuele IDM-profiel is dat de omschrijving van werkzaamheden

en competenties veel algemener is dan die in de mbo-profielen. Waar in de

mbo-profielen nog duidelijk bibliotheekspecifieke themagebieden aan bod kwamen, is dat

voor het hbo niet het geval. Wat we zien is een redelijk algemene en abstracte omschrijving

van het vak informatieprofessional, die los staat van het type organisatie waarbinnen dit

vak wordt uitgeoefend. Daarbij lijkt de nadruk nog steeds te liggen op juist de traditionele

aspecten van informatiedienstverlening voor het verzamelen, opslaan en beschikbaar stellen

van informatie. In hoofdstuk 3 was te lezen dat de noodzaak voor bibliotheken om mee te

gaan in ontwikkelingen op het gebied van media en informatie steeds groter wordt. Burgers

zien de bibliotheek niet langer als het kennisinstituut waar ze heen moeten voor hun informatieve

vragen en denken zichzelf wel te kunnen redden, bijvoorbeeld op internet. Bibliotheken

moeten daarom, om een rol te kunnen blijven spelen in de informatiefunctie, op

de hoogte zijn van en meegaan met de vele technologische ontwikkelingen waarvan op

dit vlak sprake is. Competenties die betrekking hebben op deze ontwikkelingen en dus de

meer moderne aspecten van informatiedienstverlening, (denk aan de inzet van nieuwe media,

social networks, cloud computing, open access, et cetera) blijven in het profiel onderbelicht.

Hetzelfde geldt voor het thema mediawijsheid, dat met het oog op deze nieuwe vormen

van informatievoorziening steeds belangrijker wordt.

Naast de (kennis- en) informatiefunctie is het bibliotheekwerk zoals gezegd opgebouwd

rondom vier andere kernfuncties: ontmoeting en debat, kunst en cultuur, ontwikkeling en

educatie en lezen en literatuur. Van medewerkers wordt verwacht dat zij ook deze functies

mede vorm en inhoud kunnen geven. Rondom deze kernfuncties blijft het hbo-profiel

echter volledig in gebreke. Specifieke doelgroepen die deze kernfuncties raken en themagebieden

zoals laaggeletterdheid, inburgering, leesbevordering en leven lang leren, komen

in de competentiebeschrijving voor de IDM-opleidingen niet terug. Andere essentiële

aspecten die te maken hebben met het feit dat bibliotheken zich moeten bewegen in

maatschappelijke en politieke context komen ook niet voor. Denk bijvoorbeeld aan de

omgang met klanten en stakeholders, cultureel ondernemerschap, lobby, het creëren van

draagvlak, subsidie- en fondsenwerving, et cetera.

Rondom organisatorische competenties is op enige punten wel degelijk sprake van aansluiting.

Aspecten als projectmatig werken, samenwerken in teams, plannen en organiseren

en resultaatgerichtheid worden voor bibliotheken steeds belangrijker. Op basis van het

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Aansluiting opleidingenaanbod op het nieuwe profiel van de bibliotheekmedewerker

IDM-profiel valt te verwachten dat dit aspecten zijn die in de hbo-opleidingen voldoende

aan bod komen.

4.2.2 Het huidige aanbod van IDM-opleidingen

De opleiding IDM wordt op de volgende vier hogescholen in Nederland aangeboden:

Hanze Hogeschool Groningen, Haagse Hogeschool, Saxion Hogeschool Deventer en de

Hogeschool van Amsterdam. Deze vier opleidingsinstituten hebben zich, tezamen met

Avans hogeschool in Breda, 92 verenigd in het Landelijk Overleg IDM. 93

Herstructurering

De beroepspraktijk van de informatieprofessional verandert en de hbo-opleidingen voor

informatieprofessionals moeten zich voortdurend aanpassen aan nieuwe omstandigheden.

De manier waarop en de mate waarin dit gebeurt verschilt per opleidingsinstituut. Zo heeft

elk instituut op basis van de eigen interpretatie van het vak van informatieprofessional een

aantal belangrijke veranderingen doorgevoerd in zowel de inhoud en opbouw als in de

benaming voor opleiding en vakken. Op enkele hogescholen heeft men de bestaande IDMopleidingen

op laten gaan in een nieuwe, bredere opleiding. De opleidingen zijn hierdoor

deel gaan uitmaken van bredere clusters. Vaak is het de student mogelijk gemaakt om

binnen deze clusters een eigen weg uit te stippelen met major- en minorprogramma’s. In

sommige gevallen ging deze ontwikkeling samen met de wijziging van de oorspronkelijke

naam Informatie Dienstverlening en – Management in een meer aantrekkelijke of ‘sexy’

naam. Bij Saxion Hogeschool in Deventer ging men op 1 januari 2011 van start met een

nieuw opleidingscluster genaamd Academie voor Creatieve Technologie (textielopleiding,

kunst en techniek, opleidingen onder Media, informatie en communicatie). Binnen dit

cluster maakte de opleiding IDM plaats voor de opleiding Human Information Design and

Strategy (HIDS). In Groningen werd de opleiding IDM ondergebracht in het Instituut voor

Communicatie en Media, in Den Haag in het domein ICT en media en in Amsterdam in het

domein Media, Creatie en Informatie. Afhankelijk van het domein waarin de opleiding is

ondergebracht, mag een afgestudeerde IDM’er na afronding van de opleiding de titel

Bachelor of ICT (Den Haag), óf Bachelor of Communication (Groningen, Deventer,

Amsterdam) dragen.

Teruglopende instroom

Een belangrijk punt dat ook de hbo-opleiders zorgen baart, is de forse terugloop van de

instroom op de IDM-opleidingen in Nederland. Het aantal nieuwe studenten daalde van

343 studenten in 1996 naar ongeveer 50 in 2008. Het totaal aantal studenten dat een IDMopleiding

volgt, daalde in deze periode van 1427 naar 437. Kennelijk vinden studiekiezers

het vak van informatieprofessional en de studie die hiertoe opleidt niet aantrekkelijk

genoeg. Ook kan het zijn dat de opleiders in onvoldoende mate de aandacht van studiekiezers

weten te trekken. Deze ontwikkeling is niet alleen nadelig voor de opleidingen,

maar ook voor de dagelijkse praktijk waarin de vraag naar informatiespecialisten op de

arbeidsmarkt juist toeneemt. Vacatures op het gebied van informatie-, content- en kennismanagement

binnen de bedrijfscontext staan nu al lang open en het vinden van gekwalificeerd

personeel voor deze functies wordt steeds lastiger. Om de instroom van de opleidingen

én de bekendheid van het beroep van informatiespecialist te verhogen, hebben de opleiders

en de vertegenwoordigers van het werkveld zich verenigd in een Taskforce arbeidsmarktcommunicatie

(TACIS). In deze Taskforce is men bezig met het ontwikkelen van een

arbeidsmarktcampagne die gericht is op scholieren.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

41


42

Aansluiting opleidingenaanbod op het nieuwe profiel van de bibliotheekmedewerker

Aansluiting met het beroepenveld

In paragraaf 4.2 werd geconstateerd dat het in de profielen die de basis vormen voor de

IDM-opleidingen ontbreekt aan specifieke competenties die te maken hebben met de

(vernieuwde) brede functie van de bibliotheek in de samenleving. Omdat de profielen de

basis vormen voor de ontwikkeling van opleidingscurricula mogen we verwachten dat deze

aspecten ook in de opleidingen zelf onvoldoende aan bod zullen komen. Uit de informatie

op de websites en gesprekken met de opleiders blijkt dat dit op veel punten inderdaad het

geval is. De focus in de thema’s en vakken binnen de curricula ligt op informatie- (en content)

management. De andere maatschappelijke domeinen waarbinnen de bibliotheek zich

begeeft (ontmoeting, debat, kunst, cultuur, educatie, lezen) komen in de opleidingen, net

als in de profielen, niet of zeer weinig aan bod. Wel kwam in de gesprekken duidelijk naar

voren dat de actuele technologische ontwikkelingen en gevolgen hiervan op het vak van

informatieprofessional, die ontbraken in het profiel, wel degelijk een belangrijke plek hebben

in diverse cursussen en modules. En ook mediawijsheid wordt in de meeste opleidingen

als belangrijk thema erkend en behandeld.

Vervolgtraject

Net als door de mbo-opleiders geven ook de hbo’ers aan zeer open te staan om gezamenlijk

na te denken over en aan de slag te gaan met het invullen van de zogenaamde ‘witte vlekken’

in de opleidingen. Ook het hbo zou daarbij gebruik kunnen maken van (vakken uit)

andere opleidingen waarbij specifieke bibliotheekrelevante thema’s wel aan bod komen.

Te denken valt aan een opleiding als de pabo, waarbinnen leren en didactiek belangrijke

onderdelen zijn. En eveneens overeenkomstig aan het mbo denkt men aan de samenstelling

van specifieke modules, die in de bestaande opleiding ingepast kunnen worden of in de

vrijekeuzeruimte bovenop een heel andere opleiding gevolgd kunnen worden. Tot slot

wordt ook hier duidelijk de wens geuit om een eenduidige boodschap en één aanspreekpunt

te hebben vanuit de bibliotheekbranche in plaats van een versnippering aan contactpersonen

en opvattingen over opleidingen.

4.3 Conclusie: onvoldoende aansluiting tussen opleidingen en de

wensen vanuit het beroepenveld Op basis van de inhoudelijke beschouwing en

beoordeling van de competentieprofielen voor het reguliere onderwijs, informatie op de

website van opleiders en gesprekken met opleiders kunnen we concluderen dat de bestaande

opleidingen voor (toekomstig) bibliotheekmedewerkers in onvoldoende mate recht doen

aan de veranderende (en breder wordende) rol van de bibliotheek in de samenleving en

daarmee gepaard gaande nieuwe manier van werken. Leggen we de inzichten uit de

besproken profielen bij elkaar, dan zijn op een aantal punten duidelijke witte vlekken of

themagebieden te benoemen die in de reeds bestaande competentieprofielen ontbreken,

maar die wel degelijk relevant zijn. Vooral die competenties die te maken hebben met de

maatschappelijke rol van de bibliotheek op andere dimensies dan kennis en informatie

ontbreken. En ook blijven organisatorische thema’s rondom het op efficiënte en projectmatige

wijze inrichten van de dienstverlening en de waarborging van draagvlak en financiële

zekerheid op veel plekken onderbelicht.

Tegelijkertijd worden opleiders op zowel mbo- als hbo-niveau geconfronteerd met een

zorgelijke terugloop in studentenaantallen. Om deze terugloop een halt toe te roepen en

de arbeidsmarktrelevantie van de opleidingen te borgen, geeft men aan met bibliotheken in

gesprek te willen over en aan de slag willen gaan met het realiseren van een betere aansluiting.

Bijvoorbeeld door de gezamenlijke ontwikkeling van bibliotheekspecifieke

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Aansluiting opleidingenaanbod op het nieuwe profiel van de bibliotheekmedewerker

opleidingsmodules. Deze modules zouden op verschillende manieren in het bestaande

onderwijsaanbod geïntegreerd en aangeboden kunnen worden: in de vorm van een los

onderdeel voor zij-instromers; als vast of vrijekeuze onderdeel in de reguliere IDV- of IDM-

opleidingen en als vast of vrijekeuze onderdeel voor studenten van andere opleidingen.

Voor de ontwikkeling van deze modules zou in veel gevallen geput kunnen worden uit

andere opleidingen waar competenties aan bod komen die ook voor bibliotheekwerk relevant

zijn. Wel benadrukken de opleiders dat het voor het aangaan van zo’n samenwerking

nadrukkelijk gewenst is dat zij te maken hebben met meer eenduidigheid aangaande de

opvattingen en wensen uit te branche.

De wens voor een eenduidig beeld uit de bibliotheekbranche vormt de achtergrond voor

het volgende hoofdstuk. Hierin werken we toe naar een alomvattend totaalbeeld van

gewenste competenties van bibliotheekmedewerkers, dat een brede vertegenwoordiging

van de branche draagt.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

43


44

5 De juiste competenties voor een

passend opleidingenaanbod

De voorafgaande hoofdstukken lieten zien dat bibliotheken worden geconfronteerd met

een variëteit aan ontwikkelingen die van invloed is op de functie die zij vervullen en de

manier waarop zij haar dienstverlening inrichten. Het huidige aanbod van reguliere mbo-

en hbo-opleidingen is onvoldoende ingespeeld op de taken voor medewerkers die daar uit

voortvloeien en het medewerkerprofiel dat daarbij past. De vijfde en laatste deelvraag in

dit onderzoek luidt: wat zou er aan het huidige opleidingenaanbod moeten veranderen

om een betere aansluiting met de competentie-eisen van de branche te realiseren? In

hoofdstuk 5 worden de bevindingen uit eerdere hoofdstukken samengebracht om tot een

antwoord te komen op deze deelvraag. Met in het achterhoofd de ontwikkelingen in

samenleving en branche (hoofdstuk 2); de verschuivingen in functie, dienstverlening en

manier van werken (hoofdstuk 3) en de bibliotheekrelevante competenties die in het huidige

opleidingenaanbod al wel aan bod komen (hoofdstuk 4), werken we toe naar een

algemene overview van de competenties waarop (toekomstig) bibliotheekmedewerkers

geschoold zouden moeten worden. Omdat in hoofdstuk 4 bleek dat de reeds bestaande

profielen voor het reguliere onderwijs op specifieke competentiegebieden lacunes overlieten,

staan we in paragraaf 5.1 eerst even stil bij andere bronnen waarmee we deze lacunes kunnen

invullen. Het totaalbeeld dat ontstaat, vormt het instrumentele eindresultaat van dit

onderzoek. Dit eindresultaat wordt in paragraaf 5.2 ingeleid en gepresenteerd in de bijlage.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


De juiste competenties voor een passend opleidingenaanbod

5.1 Competenties die de branche heeft geformuleerd Naast de profielen

die reguliere hbo- en mbo-opleiders hebben opgesteld, zijn de laatste jaren ook binnen de

branche initiatieven geweest om overzichtelijk te maken wat het bibliotheekwerk in verschillende

functies en op verschillende niveaus behelst en welke competenties daarbij passen.

Omdat deze profielen zijn ontwikkeld door de branche zelf, is te verwachten dat deze een

betere reflectie zijn van de eisen die de branche stelt aan haar medewerkers. We bespreken

kort de oorsprong en toepassing van deze brancheprofielen (paragraaf 5.1.1 tot en met

paragraaf 5.1.4) en de mate waarin deze profielen inderdaad beter tegemoetkomen aan de

ontwikkelingen en verschuivingen in het bibliotheekwerk (paragraaf 5.1.5).

5.1.1 Opleidingsprofielen van het HR-netwerk

In 2009 stelde de werkgroep Opleidingen van het HR-Netwerk in opdracht van VOB/WOB

twee opleidingsprofielen (mbo en hbo) op voor de bibliotheekbranche. 94 Aanleiding voor

het opstellen van deze profielen was een groeiende behoefte aan coördinatie op het gebied

van opleidingen. Men nam een enorme wildgroei waar van een zeer uitgebreid en divers

aanbod aan opleidingen, trainingen en cursussen voor bibliotheekmedewerkers, zowel

binnen als buiten de branche. Om betere coördinatie, efficiëntie en kwaliteitswaarborg te

realiseren ontstond het plan om een landelijk opleidingscentrum in te richten. De op te

stellen profielen zouden gelden als uitgangspunt voor de eisen waaraan de opleidingen in

het centrum zouden moeten voldoen. In de profielen wordt onderscheid gemaakt tussen

gedragscompetenties en vakmatige competenties. Rondom verschillende bibliotheekthema’s

zijn een hoofdcompetentie en subcompetenties op verschillende niveaus geformuleerd

(mbo-hbo).

5.1.2 Opleidingsprofielen voor branchecursussen en -trainingen

Naast de opleidingsprofielen die werden samengesteld door het HR-netwerk zijn de afgelopen

jaren ook profielen ontwikkeld voor de ontwikkeling van cursussen, trainingen of

opleidingsmodules rondom specifieke specialismen of taakgebieden aangaande het

bibliotheekwerk. Voorbeelden hiervan zijn de opleiding tot Mediacoach en de opleidingen

die zijn samengesteld voor het project Kunst van Lezen, op het gebied van leesbevordering

en mediawijsheid. 95 Binnen deze profielen krijgen bepaalde aspecten die in het reguliere

onderwijsaanbod onderbelicht blijven veel aandacht. Competenties zijn bijvoorbeeld

geformuleerd aangaande: didactiek en leerstijlen, schoolorganisatie en onderwijsprocessen,

het begeleiden van groepen, voorlezen en vertellen, leesbevordering en leesbeleving, jeugdliteratuur,

leerkrachten adviseren en ondersteunen, onderhouden van netwerken, et cetera.

5.1.3 Functieprofielen in de cao

Een functieprofiel biedt inzicht in welke bagage nieuwe medewerkers geacht worden met

zich mee te dragen in een bepaalde functie. Binnen de bibliotheekbranche wordt gebruikgemaakt

van verschillende functies en profielen, beschrijvingen en benamingen daarvan.

Hierdoor is het complex om een overzicht te geven van alle daarin geformuleerde competenties.

Wel kunnen we ons richten tot de cao waarin een aantal referentie- of voorbeeldfuncties

opgenomen, die zijn bedoeld als ijkmateriaal voor de waardering van bibliotheekfuncties.

96 De referentiefuncties vormen als het ware een model-beschrijving van een functie

met een erbij vermelde salarisschaal en kunnen dienen als handreiking voor het proces van

functiewaarderen door de werkgever. De specifieke invulling van de functies kan verschillen

per bibliotheek. Bij de referentiefuncties wordt beschreven wat de resultaatgebieden zijn

van de betreffende functie (werkzaamheden en verantwoordelijkheden), welke belangrijke

vaardigheden nodig zijn om de functie te kunnen bekleden en over welke kennis en ervaring

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

45


46

De juiste competenties voor een passend opleidingenaanbod

de medewerker moet beschikken. De competenties worden uitgesplitst in resultaatgebieden,

belangrijke vaardigheden, kennis en ervaring. De lijst geeft een breed beeld van de activiteiten,

verantwoordelijkheden van bibliotheekmedewerkers en de vaardigheden, kennis

en ervaring die daarbij moeten worden ingezet. Specialistische functies die niet zozeer

betrekking hebben op specifiek bibliotheekwerk zijn hierbij niet meegenomen (denk aan

managementassistent, ICT-adviseur, medewerker systeembeheer/gebouwbeheer, logistiek/chauffeur,

medewerker kwaliteitszorg, controller, medewerker P en O). Vanwege de

toename van het belang van marketing, communicatie en pr betrekken we de competenties

die worden genoemd bij de specifieke functies medewerker marketing en medewerker pr/

voorlichting wel bij het totaaloverzicht van relevante competenties voor het bibliotheekwerk.

5.1.4 Functiebeschrijvingen in de FOBID-wiki

Om de verscheidenheid aan functiebeschrijvingen bij elkaar te brengen, die naast en op

basis van de referentiefunctie uit de cao worden ontwikkeld, heeft de opleidingscommissie

van de FOBID een wiki opgezet met een overzicht van verschillende beschrijvingen van

bibliotheek- en informatiefuncties. 97 Doelen van deze wiki zijn om meer inzicht te verkrijgen

in de aard en het niveau van verschillende bibliotheek- en informatiefuncties en tot meer

uniformiteit in functiebeschrijvingen binnen de bibliotheekwereld te komen. De competenties

zijn uitgesplitst naar vereiste specifieke vaardigheden, functiespecifieke kennis,

vereiste routine/ervaring, competenties en persoonskenmerken.

5.1.5 Match van de branchecompetenties met het nieuwe profiel van bibliotheekmedewerker

Zoals verwacht, zijn de profielen die zijn ontwikkeld door de branche zelf, een betere reflectie

van het veranderende bibliotheekwerk dan de profielen die zijn opgesteld voor en door

het onderwijs. Op een aantal plekken vormen zij dan ook een goede basis om lacunes die

de profielen van het onderwijs open lieten, in te vullen.

In de omschrijving van bibliotheekfuncties, zoals gegeven in de cao en door de FOBID,

komen organisatorische competenties rondom bijvoorbeeld het werken aan projecten,

beleidsontwikkeling, cultureel ondernemen en marketing vaak voor. Hetzelfde geldt voor

sociaal-communicatieve competenties rondom contacten met klanten. Minder vaak vinden

we competenties terug op het gebied van lobby, het creëren van draagvlak en subsidie- en

fondsenwerving. Daarnaast komen competenties rondom de verschillende maatschappelijke

domeinen die de bibliotheek behelst ook in de functiebeschrijvingen maar weinig voor.

Dit geldt bijvoorbeeld voor themagebieden zoals mediawijsheid, laaggeletterdheid, leesbevordering,

et cetera.

De profielen die zijn opgesteld door het HR-netwerk doen op sommige punten meer recht

aan de werkzaamheden rondom de verschillende kernfuncties van de bibliotheek. De

genoemde competenties behelzen een bredere maatschappelijke functie dan ‘kennis en

informatie’. Vooral het thema mediawijsheid krijgt veel aandacht. De omschrijving van

andere competenties rondom de inhoud van de maatschappelijke functie blijft summier.

Wat opvalt is dat zelfs geen enkele competentie wordt geformuleerd over leesbevordering

en/of taalvaardigheid. De opleidingsprofielen die zijn opgesteld om trainingen of cursussen

samen te stellen op het gebied van bibliotheekspecifieke thema’s bieden hier een waardevolle

aanvulling. Het thema laaggeletterdheid wordt in zowel de profielen van het HR-netwerk

als in die van andere brancheprofielen niet genoemd.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


De juiste competenties voor een passend opleidingenaanbod

Wat betreft organisatorische competenties ligt in de profielen van het HR-netwerk de nadruk

op netwerken, marketing (richting verschillende doelgroepen) en klantgerichtheid. Projectmanagement

wordt niet expliciet als thema genoemd. En competenties die nodig zijn om

de bibliotheek financieel het hoofd boven water te kunnen laten houden, zeker in tijden

van bezuinigingen en afnemend draagvlak, krijgen evenmin hier aandacht.

Concluderend kan gezegd worden dat het totaal aan competenties in de brancheprofielen

beter recht doet aan het bibliotheekwerk van de toekomst dan de profielen die zijn opgesteld

voor en door de reguliere onderwijsaanbieders. Vooral een aantal specifieke bibliotheekgerelateerde

themagebieden die in de IDV- en IDM- profielen ontbreken, krijgen meer

aandacht. Competenties op het gebied van lobby en vertegenwoordiging en het educatieve

thema laaggeletterdheid ontbreken wel. Om deze themagebieden toch op te kunnen

nemen in het totaaloverzicht, putten we voor de formulering van competenties uit eigen

inspiratie en waar mogelijk uit internationale bronnen. 98

5.2 De Competentie-index voor het bibliotheekveld Achterliggend doel

van dit onderzoek is de realisatie of verbetering van een goede match tussen opleidingenaanbod

en de competentie-eisen van bibliotheekmedewerkers. In hoofdstuk 4 werd

geconcludeerd dat van die match op dit moment nog onvoldoende sprake is. Om een handvat

te bieden op basis waarvan branche en opleiders samen hun curricula verder kunnen

ontwikkelen hebben we een competentie-index voor bibliotheekmedewerkers geformuleerd

99 . Deze index biedt een totaaloverzicht van medewerkercompetenties die in bibliotheken

gewenst, dan wel noodzakelijk zijn. Voor de formulering van competenties is geput

uit de opleidingsprofielen, brancheprofielen, een aantal internationale bronnen en eigen

inspiratie. De formulering van de competentie-index is gebeurd in nauw overleg met vertegenwoordigers

uit de branche. 100 Daarmee vormt het een belangrijke instrument waarmee

tegemoet wordt gekomen aan de oproep vanuit het opleidingenveld tot een meer

eenduidig en gemeenschappelijk gedragen beeld vanuit de bibliotheekbranche.

De competentie-index wordt gepresenteerd in de bijlage. Hierin is te zien dat de competenties

zijn gecategoriseerd naar vier hoofdgroepen of categorieën. De competenties uit

de eerste categorie - ‘kernfuncties’ - hebben, zoals de naam al doet geloven, betrekking

op de kwalificaties van medewerkers om de dienstverlening in te richten rondom de vijf

kernfuncties. De categorie ‘cultuur en maatschappij’ heeft met name betrekking op de

maatschappelijke context waarbinnen bibliotheken opereren. Hierin worden belangrijke

aspecten benoemd die te maken hebben met omgevingsbewustzijn, cultureel ondernemerschap

en public affairs. De competenties die vallen onder ‘beleid en organisatie’

en ‘persoonlijke competenties’ vinden hun basis in respectievelijk activiteiten rondom

structuur (processen, planning) en cultuur (bijvoorbeeld samenwerken).

Ook in de index wordt de brede (veelomvattende) definitie van het begrip competentie

gehanteerd. Dit betekent dat er geen expliciet onderscheid wordt gemaakt tussen kennis,

vaardigheden, attitude, en taken. Verder is bij elke competentie een niveau aangegeven

(mbo of hbo). Uitgangspunt dat voor de toebedeling van niveau wordt gehanteerd is het

onderscheid dat AbvakaboFNV aanhoudt in de onderzoeksrapportage Van vak naar baan

(2009). Zij definiëren de scheiding mbo-hbo als zijnde een scheiding tussen front- en backoffice

(hoewel niet altijd en overal even rigide), ofwel tussen ontwikkelen en uitvoeren, evenals

tussen denken en doen. Naast de formulering van de competenties heeft ook de toebedeling

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

47


48

De juiste competenties voor een passend opleidingenaanbod

van het daarbij passende opleidingsniveau plaatsgevonden in nauwe samenwerking met

HRM-experts uit de branche.

Met de index streven we ernaar om alle aspecten die het bibliotheekwerk op mbo- en hboniveau

omvat mee te nemen. Dit betekent echter niet dat alle medewerkers die in een

bibliotheek werkzaam zijn ook over het totaal aan competenties moeten beschikken om

naar tevredenheid te functioneren. Competentiegebieden kunnen in de praktijk bijvoorbeeld

enkel worden toegewezen aan specifieke functies rondom een bepaald bibliotheekspecialisme.

Daarnaast blijft de keuze of bepaalde competentiegroepen vertegenwoordigd moeten

zijn een kwestie van keuzes van individuele bibliotheken. Zo behelst de index competenties

aangaande alle vijf de kernfuncties, maar hangt de werkelijke relevantie van competenties

af van de keuze of bibliotheken op al deze kernfuncties wel of niet een rol van betekenis te

willen vervullen.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


6 Conclusie en aanbevelingen

6.1 Conclusie

Welke competenties hebben bibliotheekmedewerkers nodig om hun werk te kunnen

doen en in hoeverre sluit het huidige aanbod van (bibliotheek) opleidingen hierbij aan?

Bovenstaande vraag stond centraal in dit onderzoek. Aanleiding van de vraag zijn diverse

geluiden vanuit de branche die duiden op een lacune in het opleidingenaanbod als het

gaat om die kennis en vaardigheden die studenten in hun opleiding wordt bijgebracht.

Om inhoudelijke vernieuwing te kunnen laten slagen is er sprake van een urgente behoefte

aan enerzijds de instroom van nieuwe mensen om de grootschalige uitstroom op te vangen

en anderzijds aan personeel met andere dan de traditionele competenties.

Onderstaand worden achtereenvolgens kort de resultaten besproken die betrekking hebben

op de hoofdvraag. De hoofdvraag is uitgesplitst in vier onderzoeksvragen die achtereenvolgens

aan bod komen. In paragraaf 6.2 wenden we vervolgens, ter beantwoording van

de vijfde deelvraag een blik op de toekomst. Hier doen we een aantal aanbevelingen ter

realisering van een betere aansluiting tussen opleidingenaanbod en branche-wensen.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

49


50

Conclusie en aanbevelingen

Met welke ontwikkelingen in branche en samenleving worden bibliotheken geconfronteerd?

De samenleving verandert. We worden gemiddeld ouder, gekleurder, hoger opgeleid en

drukker. Voor de bibliotheek biedt dit nieuwe kansen en uitdagingen. Zo betekent de vergrijzing

dat er binnen nu en een paar jaar een grote groep ouderen is die een belangrijke

(potentiële) doelgroep vormt voor de bibliotheek. De komst van nieuwe Nederlanders biedt

bibliotheken de kans een rol te spelen op het vlak van taalvaardigheid en inburgering. En

met activiteiten binnen de functie ‘ontwikkeling en educatie’ kunnen bibliotheken een

belangrijke rol spelen in de ambitie van de overheid om Nederland te ontwikkelingen tot

een vooraanstaande kenniseconomie. De bibliotheek kan mensen bijvoorbeeld ondersteunen

en faciliteren in hun doelstellingen rondom leven lang leren en acties opzetten voor

onderwijs en achterstandsgroepen op het gebied van taalvaardigheid. De zorgen om de

kwaliteit van het onderwijs en taalachterstanden onder specifieke groepen bieden bibliotheken

de kans om zich op het gebied van leesbevordering en de aanpak van laaggeletterdheid

nog meer maatschappelijk te verankeren.

Ook de meer directe omgeving waarin bibliotheken opereren, die van media, cultuur en

informatie, verandert snel. Oude media zoals radio, tv en kranten maken steeds meer plaats

voor nieuwe media, zoals websites, livestreamkanalen, blogs, tweets en sociale netwerken.

En ook de richting van de informatiestroom verandert: publiek wordt steeds vaker producent

van informatie. Bibliotheken kunnen en willen een belangrijke educatieve gidsrol spelen in

een wereld waarin de snelheid, toegankelijkheid en hoeveelheid informatie sterk toenemen.

Niet alleen als het gaat om het vinden en selecteren van informatie, maar ook wat betreft

de interpretatie ervan en het besef van kwaliteit en betrouwbaarheid. Een belangrijke uitdaging

daarbij is het veranderende vrijetijdspatroon van burgers en de daaruit voortvloeiende

groeiende behoefte aan flexibiliteit. Alleen wanneer digitale diensten worden ontwikkeld en

flexibiliteit wordt geboden (bijvoorbeeld in de openingstijden en met gemaks diensten)

kunnen bibliotheken tegemoetkomen aan het veranderende verwachtingspatroon dat

door concurrerende aanbieders wordt gevormd en gevoed.

Maatschappelijke aandacht voor (de afname van) sociale cohesie maakt dat de verblijfsfunctie

van de bibliotheek op veel plekken extra aandacht krijgt in de vorm van de inrichting

van speciale leeshoeken, werkplekken, horecagelegenheden, etc. Onder zowel de noemer

‘kunst en cultuur’ als onder ‘ontmoeting en debat’ worden verscheidene activiteiten georganiseerd

met niet alleen een educatief of informatief, maar ook een recreatief karakter.

Binnen de vervulling van traditionele kernfuncties van de bibliotheken vinden dus inhoudelijke

verschuivingen plaats en in de dienstverlening wordt men geconfronteerd met een ander

verwachtingspatroon van burgers. Tegelijkertijd zorgt de neerwaartse trend in het gebruik

ervoor dat bibliotheken zich genoodzaakt zien om zich meer ondernemend en commercieel

op te stellen. De klant en zijn behoeften komen steeds meer centraal te staan in de dienstverlening,

nieuwe concepten en formules worden ontwikkeld als uitgangspunt voor het

gebouw en de dienstverlening en er wordt gewerkt aan een netwerk van maatschappelijke

partners. Vraagtekens bij subsidiënten aangaande de legitimiteit van de instelling en

bezuinigingen als gevolg daarvan, doen het belang groeien van een sterke positionering,

het aantonen van toegevoegde waarde en het creëren van draagvlak bij burger en politiek.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Conclusie en aanbevelingen

Welke competenties verlangen bibliotheken van hun medewerkers om met deze

veranderende wereld om te gaan?

Het bibliotheekvak verandert. Door technologische ontwikkelingen en centralisering

verdwijnen traditionele werkzaamheden uit het taakpakket en door verschuivingen in de

maatschappelijke functie en in de dienstverlening komen er nieuwe taken bij. Van medewerkers

worden daardoor andere competenties verwacht. Men moet de dienstverlening

dusdanig kunnen vormgeven dat maatschappelijke doelen worden vervuld en meerwaarde

wordt geboden op de vijf kernfuncties van bibliotheken die verschillende maatschappelijke

domeinen bestrijken. Dit vergt kennis over en expertise op het gebied van bijvoorbeeld

leesbevordering, mediawijsheid, kunst en cultuur, literatuur, etc.. Bij de invulling van de

dienstverlening rondom deze kernfuncties wordt verwacht dat de medewerker de wensen

en behoeften van gebruikersgroepen te allen tijde centraal stelt. Dit uit zich in een proactieve,

benaderbare en gastvrije houding in de frontoffice en vergt dat medewerkers bekend zijn

met hun gebruikers(groepen) en diens wensen en behoeften. De aanpak van werkzaamheden

in de backoffice kenmerkt zich door een projectmatige, resultaatgerichte manier

van werken. En met een open en naar buiten gekeerde blik weet de medewerker vorm te

geven aan cultureel ondernemerschap. Tot slot weet de medewerker de juiste sociale

vaardigheden in te zetten om draagvlak te creëren in de samenleving en partnerrelaties

aan te gaan met maatschappelijke organisaties.

Hoe ziet het huidige (bibliotheek)opleidingenaanbod er uit?

Op het mbo wordt de opleiding Informatiedienstverlening aangeboden door drie reguliere

opleidingsinstituten in Nederland: ROC Midden Nederland, ROC van Twente en ROC de

Friese Poort. De opleiding kent drie varianten: een volledige dagopleiding (BOL), een deeltijdvariant

(deeltijd BOL) en een deeltijdvariant waarbij de student een baan combineert

met één schooldag in de week (BBL). De curricula hebben een sterke focus op frontofficewerkzaamheden

in de bibliotheek. Daarbij ligt de nadruk op de wat ‘zachte’ competenties

rondom de omgang met klanten en uitvoerende activiteiten rondom de begeleiding van

activiteiten en het beheren en presenteren van materialen.

De hbo-opleiding Informatiedienstverlening en –management (IDM) wordt aangeboden

op vier hogescholen in Nederland: Hanze Hogeschool Groningen, Haagse Hogeschool,

Saxion Hogeschool Deventer en de Hogeschool van Amsterdam. Deze instituten hebben elk

een eigen interpretatie van de (oorspronkelijke) opleiding IDM. De verschillende curricula

leggen dan ook verschillende accenten, bijvoorbeeld op communicatie of juist op ICT.

Ondanks de verschillen in curricula hebben de opleidingen allemaal een zeer duidelijke en

overeenkomstige focus, namelijk op informatiemanagement. In tegenstelling tot de opleiding

IDV leidt de opleiding studenten echter niet op tot een specifieke beroepsgroep

(bijvoorbeeld bibliotheekmedewerker), maar tot breed inzetbare informatieprofessionals.

In hoeverre komt het opleidingenaanbod tegemoet aan de competenties die worden

gevraagd van bibliotheekmedewerkers?

In hoofdstuk 4 werd geconstateerd dat de opleidingsprofielen die de basis vormen voor de

ontwikkeling van opleidingen onvoldoende tegemoetkomen aan de leervragen rondom

de kernfuncties van de bibliotheek. Omdat in de opleidingsprofielen de kwalificaties worden

vastgelegd waaraan in de opleidingscurricula moet worden voldaan, werd de verwachting

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

51


52

Conclusie en aanbevelingen

geuit dat ook de curricula van de opleidingen onvoldoende aan zouden sluiten op de competentie-eisen

van de branche. Uit de informatie die opleiders verstrekken op internet en

uit gesprekken met vertegenwoordigers van de verschillende opleidingsinstituten blijkt

dat dit inderdaad vooral het geval is. Het hbo-profiel biedt een zeer abstracte weergave van

het vak informatieprofessional in het algemeen. In profiel en curricula is dan ook weinig

sprake van specifieke raakvlakken met (actuele) uitdagingen en taken van openbare

bibliotheken. Relevante themagebieden die te maken hebben met andere domeinen dan

kennis en informatie waarop de bibliotheek een maatschappelijke functie bekleedt, ontbreken.

Wel krijgen organisatorische competenties rondom projectmanagement in de

hbo-opleiding veel aandacht. Het mbo-profiel is specifiek toegespitst op het vak van de

bibliotheekmedewerker en heeft een duidelijke focus op uitvoerende frontofficetaken. Er

wordt veel nadruk gelegd op het contact met klanten, de begeleiding van hen in hun zoektocht

naar informatie, de organisatie en begeleiding van activiteiten en het presenteren

van de dienstverlening. Specifieke themagebieden op andere domeinen dan kennis en

informatie (zoals leesbevordering, laaggeletterdheid en mediawijsheid) worden in het mboprofiel

wel genoemd, maar zijn niet toegevoegd aan de officiële kwalificaties en dus ook

geen verplicht onderdeel binnen de opleidingen. In beide opleidingen ontbreekt het verder

aan aandacht voor zaken als lobby en vertegenwoordiging. Al met al doen de huidige

opleidingscurricula in onvoldoende mate recht aan de veranderingen in het bibliotheekvak

als gevolg van ontwikkelingen in de samenleving en in de bibliotheekbranche.

6.2 Aanbevelingen De laatste onderzoeksvraag is direct gerelateerd aan het achterliggende

doel van dit onderzoek, namelijk de realisatie, dan wel verbetering van een goede

aansluiting tussen wensen van de branche en het opleidingenaanbod. De vraag luidt: wat

moet er gebeuren om een betere aansluiting te realiseren tussen opleidingenaanbod en

competentie-eisen van de branche?

Net als de bibliotheken zijn ook de opleidingen in beweging. Verschillende ontwikkelingen,

waaronder de veranderingen binnen het beroepsveld en de afnemende studentenaantallen,

hebben ervoor gezorgd dat men zich zowel bij de hbo- als bij de mbo-opleidingen bevindt

in een periode van herbezinning op de toekomst. Inhoud, structuur en benaming van

opleidingen worden aangepast om waar mogelijk betere aansluiting te vinden met de eisen

en wensen van studenten en die van het beroepenveld. In het hbo lijkt men vooral bezig te

zijn met het aantrekkelijker maken van de opleiding en het promoten van het vak informatieprofessional.

In het mbo heeft men net een nieuw kwalificatiedossier vastgesteld en wordt

op competentiegebieden die in de opleidingscurricula onderbelicht blijven veelal samenwerking

aangegaan met verschillende bibliotheekorganisaties aangaande maatwerktrajecten.

Vanwege de veranderingen binnen zowel het bibliotheekveld als dat van de opleidingen,

kregen de gesprekken met de opleiders al een sterk vooruitblikkend karakter, waarbij

samen werd gedacht en gesproken over de toekomst en dus een antwoord op de laatste

deelvraag. In onderstaande paragrafen bespreken we enkele belangrijke aanbevelingen en

aandachtspunten die in de gesprekken met opleiders naar voren kwamen en die in het

vervolgtraject in ogenschouw genomen dienen te worden.

6.2.1 Gebruik de competentie-index als gezamenlijke basis om op voort te bouwen

Zowel de vertegenwoordigers van de opleiding IDM (hbo) als die van IDV (mbo) geven aan

open te staan om in gezamenlijkheid met de branche na te denken over een goede aansluiting

tussen opleidingen en beroepenveld. Men erkent dat op specifieke inhoudelijke

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Conclusie en aanbevelingen

thema’s de opleidingen in gebreke blijven en geeft aan dat voor deze witte vlekken aanpassingen

kunnen worden gedaan in het aanbod.

Voor het opzetten van een gezamenlijk vervolgtraject ter realisatie van een betere aansluiting

tussen opleidingen- en beroepenveld benadrukken de opleiders het belang van een helder

en eenduidig beeld vanuit de bibliotheekbranche aangaande de gewenste competenties.

Aan deze oproep wordt tegemoetgekomen middels het instrument dat is gepresenteerd

in hoofdstuk 5. In deze competentie-index wordt een volledig en gedetailleerd beeld

geschetst van de kennis, vaardigheden, et cetera die nodig zijn om het bibliotheekwerk

vorm te kunnen geven. De competentie-index vormt een belangrijk instrument dat als

basis kan dienen voor de aanpassingen in het opleidingenaanbod waarmee een betere

aansluiting met het beroepenveld kan worden gerealiseerd. In deze index is namelijk vastgelegd

welke competenties relevant zijn voor het bibliotheekwerk in algemene zin en

welk opleidingsniveau bij deze competenties hoort. Om te zorgen dat de index een actuele

reflectie blijft van de competentie-eisen uit de branche, zou deze jaarlijks geagendeerd en,

indien nodig, herzien kunnen worden in bijvoorbeeld de HRM-commissie van de VOB. Binnen

deze commissie vertegenwoordigen HRM-experts de branche op het gebied van arbeidsverhoudingen

en HRM.

In gesprekken met HRM-experts binnen de branche wordt daarnaast aangegeven dat de

index mogelijk ook ingezet kan worden voor andere, meer HRM-gerelateerde doeleinden.

Bijvoorbeeld bij de beoordeling van functioneren of in het aannamebeleid. Of en hoe de

index hiervoor inderdaad gebruikt kan worden, zou nader onderzocht kunnen worden

door de HRM-commissie.

6.2.2 Ontwikkel op basis van de index losse opleidingsmodules

Eerder was te lezen dat vooral op mbo-niveau de opleiders merken dat het aantal voltijders

wordt overtroffen door het aantal deeltijders en dualisten. Daarnaast bieden bibliotheken

op grote schaal losse cursussen en trainingen aan. Kennelijk is het volgen van een cursus of

opleidingsmodule waarin men rondom een specifiek kernthema wordt om –of bijgeschoold

voor velen gewenst. Vaak gaat het om studenten die al in de bibliotheek werken en op

sommige gebieden nog niet beschikken over de juiste kennis en vaardigheden. Het ontwikkelen

van opleidingsmodules in plaats van volledige opleidingstrajecten heeft dan

ook de voorkeur.

De aanbeveling om te investeren in losse opleidingsmodules betekent overigens niet dat

gestreefd moet worden naar het volledig uitsplitsen van de bestaande voltijdopleidingen in

beroepsspecifieke modules. Een algemene component met basiscompetenties is immers

belangrijk voor de doorstroom van gediplomeerden op arbeidsmarkt en binnen het

onderwijs en voor de brede inzetbaarheid van werknemers. Daarom zouden de modules

zo moeten worden ontwikkeld, dat zij enerzijds ingepast kunnen worden in de curricula van

de huidige reguliere opleidingen en anderzijds ook als zij-instroom, minor of vrije keuzeruimte

te volgen zijn. Hierdoor wordt aansluiting met het beroepenveld gewaarborgd

voor nieuwe studenten die nog niet over een diploma beschikken, maar ook voor mensen

die deze basiscompetenties al in een eerdere opleiding hebben opgedaan en juist bijgespijkerd

willen worden op specifieke competentiegebieden.

Om nieuwe modules beter te laten passen op of in de bestaande opleidingscurricula, zou

men reeds bestaande vakken wat meer kunnen toespitsen op specifieke bibliotheektaken.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

53


54

Conclusie en aanbevelingen

Ook binnen het bestaande curriculum kan men nieuwe vakken ontwikkelen, waarbij gebruik

wordt gemaakt van de ruimte die niet volgens officiële kwalificatie-eisen hoeft te worden

ingevuld. Tevens zou het onderwijs meer gestructureerd en thematisch opgezet kunnen

worden rond (gesimuleerde) praktijkopdrachten bij bibliotheken. Het Innovatiel ab in

Deventer, dat is opgezet in samenwerking tussen Saxion Hogeschool en Overijsselse

Bibliotheken, is een goed voorbeeld van hoe hbo-studenten en mensen uit de bibliotheekpraktijk

samen aan de slag gaan met projecten rondom toekomstthema’s. Wat betreft de

ontwikkeling van opleidingsmodules met een duidelijke openbare bibliotheekcomponent

zal op het hbo overigens in mindere mate sprake zijn van zij-instromers. De zijinstroom in

opleidingen vanuit de bibliotheken heeft vooralsnog vaak een frontofficekarakter en richt

zich ook meer op het mbo. Binnen de reguliere voltijdopleidingen kunnen deze modules

ingepast worden in de vorm van een minor of vrijekeuzeruimte.

6.2.3 Put voor de samenstelling van modules ook uit andere opleidingen

Zoals de opleiders al duidelijk aangaven, hoeft voor het vinden van passende opleidingsmodules

niet altijd een heel nieuw ontwikkeltraject op te worden gezet. Rondom veel

opleidingsgebieden kan geput worden uit andere opleidingen waar competenties aan bod

komen die voor bibliotheken interessant zijn. Een belangrijke vervolgstap zou dan ook zijn

om goed in kaart te brengen welke andere opleidingen mogelijk interessant zijn voor studenten

die in de bibliotheek (willen/gaan) werken. De competentie-index kan gebruikt

worden als uitgangspunt of eisenlijstje om te onderzoeken of vakken en modules aansluiten

bij de wensen van de branche.

6.2.4 Zorg dat de instroom in de opleidingen een stimulans krijgt

Een belangrijke zorg van de opleiders op zowel mbo- als hbo-niveau, zijn de teruglopende

studentenaantallen. Ook voor het bibliotheekveld kan dit in de toekomst een zorg worden.

Het zou immers betekenen dat de spreekwoordelijke vijver van interessante kandidaten

voor vacatures steeds kleiner wordt. Voor de toekomstbestendigheid van de opleidingen

is het dan ook relevant dat deze afgestemd worden op de vraag van het beroepenveld.

Bovendien is het belangrijk dat zij een grotere toestroom van studenten weten te realiseren.

Op het hbo wordt momenteel hard gewerkt aan de promotie van de opleiding en het vak

van informatieprofessional. Voor het mbo zou een vergelijkbare actie op poten kunnen

worden gezet of zelfs worden aangesloten bij de initiatieven van de hbo’ers.

6.2.5 Zorg ook dat de doorstroom van de opleidingen naar het beroepenveld een

stimulans krijgt

In de inleiding werd het tweeledige personeelsprobleem geschetst dat bestaat uit het achterblijven

van nieuwe aanwas van jonge mensen en het ontbreken van de juiste match tussen

het opleidingenaanbod en de competenties van medewerkers die vereist zijn om vernieuwing

in de bibliotheekbranche vorm te geven. In de voorliggende rapportage ligt de focus op

de tweede component van dit personeelsprobleem. Omdat het eerste probleem echter

minstens even urgent is, willen we de rapportage niet afronden zonder ook hierop een blik

te hebben geworpen. Beperken we ons immers tot het goed onderwijzen van studenten op

basis van de juiste competenties, dan is de kans groot dat deze competenties uiteindelijk

niet eens in de branche terechtkomen.

Een grote veroorzaker van het uitblijven van nieuwe, jonge aanwas die vaak wordt genoemd,

is het slechte imago dat bibliotheken hebben. Bibliotheken staan niet bekend als interessante

werkgever met leuke functies en goede arbeidsvoorwaarden. Wat betreft het eerste

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Conclusie en aanbevelingen

aspect is het noodzakelijk dat bibliotheken werken aan het wegnemen van het stoffige

imago en laten zien wat voor interessante werkomgeving zij werknemers te bieden hebben.

In dit onderzoek zagen we dat het bibliotheekwerk een flinke hoeveelheid themagebieden

en maatschappelijke domeinen raakt, wat vraagt om een brede variëteit aan competenties.

Te denken valt aan didactiek, gastheer- of gastvrouwschap, marketing en communicatie.

Dit zijn richtingen die afstudeerders en baanzoekenden in eerste instantie niet associëren

met de bibliotheek. Om het imago en de bekendheid van het vak op te schroeven kunnen

bibliotheken samenwerking aan gaan met het onderwijs. Bijvoorbeeld door mensen uit

het bibliotheekveld middels gastcolleges een bijdrage te laten leveren aan het vakkenpakket,

of door interessante en uitdagende stage-, praktijk-, of afstudeeropdrachten te

formuleren. Ook behoort het geven van presentaties tijdens voorlichtingsdagen of banenmarkten

van het onderwijs tot de mogelijkheden.

Wat betreft het tweede aspect, namelijk de aantrekkelijkheid van bibliotheken als werkgever,

zijn meer fundamentele acties gewenst. Deze hebben te maken met cao-gerelateerde

zaken zoals salariëring en groeiperspectieven (zowel groei binnen de branche als groei naar

buiten toe). Veelal zal over deze zaken op landelijk niveau moeten worden onderhandeld,

maar natuurlijk kunnen individuele basisbibliotheken zich zelf ook inzetten in het aanbieden

van interessante en veelzijdige functies, een passend salaris en mogelijkheden tot scholing

en ontwikkeling.

6.2.6 Realiseer structurele afstemming tussen bibliotheekbranche en opleiders

Met dit onderzoek en de daaruit voortvloeiende competentie-index is de eerste stap gezet

richting een betere en eenduidige afstemming van opleidingen- en bibliotheekveld. Om te

waarborgen dat de aansluiting tussen branche-eisen en opleidingenaanbod wordt verbeterd

en behouden, dient deze afstemming een meer structurele vorm te krijgen. Hiertoe zou een

overlegstructuur kunnen worden opgezet tussen zo veel mogelijk vaste vertegenwoordigers

uit beide ‘kampen.’ Omdat zowel bij het hbo als op bij het mbo al sprake is van enkele

structurele overlegmomenten, zou het SIOB als vertegenwoordiger en aanjager vanuit de

branche kunnen plaatsnemen in reeds bestaande overlegstructuren.

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

55


56

Voetnoten

1 Huysmans en Hillebrink, 2008, p.200

2 De grafiek is ontleend aan de Bibliotheekmonitor (www.siob.nl/bibliotheekmonitor),

geraadpleegd op 14 april 2011

3 ECABO, 2010

4 Ecabo, 2010, p1

5 ECABO, 2010

6 Van Eijk et al., 2008

7 De focus van het onderzoek ligt op de medewerkers van openbare bibliotheken.

Wanneer we spreken over de bibliotheek, de bibliotheekbranche, bibliotheken of

bibliotheekmedewerkers heeft dit dan ook altijd betrekking op de openbare

bibliotheken en niet op de bibliotheeksector in het algemeen (dus niet op universiteitsbibliotheken

en de Koninklijke Bibliotheek). Dit betekent overigens niet dat specifieke

bevindingen of resultaten niet ook toepasbaar zijn op andere bibliotheken.

8 Vanzelfsprekend kan daar waar ‘hij’ staat ook ‘zij’ gelezen worden.

9 Voor prognoses aangaande bevolking en inwoneraantal, zie bijvoorbeeld:

www.statline.nl (thema: bevolking – prognoses)

10 Van Bijl et al., 2009

11 Hartgers en Pleijers, 2010

12 Tweede Kamer der Statengeneraal: Nota ‘de kenniseconomie in zicht’

13 Monitor trends in beeld (www.trendsinbeeld.minocw.nl), geraadpleegd op 12 mei 2011

14 Van Bijl et al., 2009

15 Onderwijsraad:

www.onderwijsraad.nl/publicaties/2005/de-helft-van-nederland-hoogopgeleid

16 www.onderwijsinspectie.nl

17 www.taalenrekenen.nl/referentiekader/rel_doc/downloads/Brief-taal-rekenen_stsec-

21mei2010.pdf/

18 www.wetoke.nl

19 Bijl et al., 2009

20 Vogels en Bronneman-Helmers, 2003

21 Bijl et al., 2009

22 Voor informatie zie bijvoorbeeld: www.bredeschool.nl

23 Zie: http://www.bredeschool.nl/actueel/nieuws/nieuwsitem/artikel/dijksma-in-debres-voor-brede-school.html

24 Voor informatie zie bijvoorbeeld: www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/brede-school

25 Op het moment van publiceren van de rapportage zijn de resultaten uit het ALL-

onderzoek nog niet officieel gepubliceerd. De eerste conclusies zijn te vinden in een

powerpointpresentatie van Houtkoop op de website van Ecbo, het expertisecentrum

beroepsonderwijs: www.ecbo.nl/ECBO/downloads/bijeenkomsten/Presentatie%20

Geletterdheid%20en%20gecijferdheid%20in%20Nederland.ppt

26 Dit wordt bericht in de Nieuwsbrief Beroepsonderwijs en Volwasseneneducatie van de

Rijksoverheid (Jaargang 1, Nummer 3, 20 juni 2011): http://abonneren.rijksoverheid.nl/

article/nieuwsbrief-beroepsonderwijs-en-volwasseneneducatie/ocw-nieuwsbrief-

beroepsonderwijs-en-volwasseneneducatie/actieplan-laaggeletterdheid/787/7176

27 Onderwijsraad, 2003

28 Hartgers en Pleijers, 2010

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Voetnoten

29 Volgens Borghans et al. (2009), genoemd in Hartgers en Pleijers, 2010

30 www.onderwijsraad.nl, geraadpleegd op 12 mei 2011

31 De Haan et al., 2001

32 www.tijdsbesteding.nl, geraadpleegd op 12 mei 2011

33 Bijl et al., 2009

34 Cloïn et al., 210

35 Bijl et al., 2009

36 Bijl et al., 2009, p 100

37 Bussemaker, 2004

38 www.tijdsbesteding.nl, geraadpleegd op 12 mei 2011. Zie voor cijfers over dit

onderwerp ook: Huysmans en de Haan, 2010.

39 Huysmans en De Haan, 2010

40 Huysmans en De Haan, 2010, p. 13

41 Expertisecentrum Kwaliteitszorg, 2008

42 Van Mil et al, 2010

43 Huysmans en Hilbrink, 2008, p 153.

44 Rubens, 2008

45 Bruynzeels en van der Eerenbeemt, 2001

46 Huysmans en de Haan, 2010, p 25

47 Zie bijvoorbeeld: http://bibliotheek.hyves.nl/

48 Broekhuizen en Huysmans, 2002

49 De Haan et al., 2006.

50 De Haan en Adolfsen, 2008

51 Walraven, 2008

52 Pijpers et al., 2010

53 Resultaten niet gepubliceerd, maar kort genoemd in berichtgeving op de website:

www.marktonderzoekboekenvak.nl/

54 Huysmans en Hillebrink, 2008

55 www.bibliotheekmonitor.nl, geraadpleegd op 12 mei 2011

56 Bestaande uit de optelsom van de mutatie in het ledenaantal van (13,8%) en de

toename van het aantal inwoners in Nederland (5,6%)

57 Een lichtpunt is dat het aantal volwassen leden in 2009 voor het eerst sinds 1999 weer

gestegen is en wel met 1,4% (gecompenseerd voor stijging aantal inwoners van 18 jaar

en ouder was de netto ledenwinst 0,5% (1,4% – 0,9%).

58 Hierbij is gecorrigeerd voor de toename in het aantal jeugdige bewoners van

Nederland (0 t/m 17 jaar) in dezelfde periode

59 Huysmans en Hillebrink, 2008, p. 15

60 Huysmans (2005); Huysmans (2006)

61 Volgens de Bibliotheekmonitor was dit in 2008 78% (www.bibliotheekmonitor.nl)

62 Kasperkovitz (2011); Kasperkovitz 2010

63 Sectorinstituut voor Openbare Bibliotheken, 2009

64 Van Eijk et al., 2008

65 Van Mil et al, 2010

66 Huysmans en Hillebrink, p 160

67 Huysmans, 2005 ; Huysmans, 2006

68 Huysmans, 2006, p4

69 Kasperkovitz et al., 2009

70 Probiblio, 2008

71 De rol van de bibliotheken bij deze initiatieven varieert van aanbieder of leverancier

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

57


58

Voetnoten

tot mede ontwikkelaar van nieuwe diensten en producten.

72 Vereniging van Openbare Bibliotheken en Vereniging van Nederlandse gemeenten,

2005, p 40. Voor meer informatie over de aanpak van laaggeletterdheid door

bibliotheken, zie: Kleijn et al., 2011.

73 Expertisecentrum Kwaliteitszorg, 2008

74 Een voorbeeld van een segmentatieonderzoek van bibliotheekgebruikers is de

MOSAIC-segmentatie die in 2006 is uitgevoerd in opdracht van de VOB. Hierbij

werden met behulp van een landelijke database van consumenteninformatie en

informatie uit een landelijk opgezet klantonderzoek een segmentatiemodel

ontwikkeld voor bibliotheken. In het handboek De Klant is Koningin is een uitgebreide

omschrijving gegeven van de zeven onderscheiden segmenten en hun wensen en

gedragingen aangaande de bibliotheek. Een andere opdeling van (potentiële)

klantgroepen wordt gemaakt in het onderzoek naar De Nieuwe Afnemer van de

Bibliotheek. In dit marktonderzoek, dat werd uitgevoerd in de provincies Noord-

Brabant, Limburg en Gelderland, ligt de focus op de niet-leden. De steekproef wordt

eerst uitgesplitst in twee groepen: leden en niet-leden, waarna de groep niet-leden

wordt opgedeeld in drie subsegmenten: de Genietende Weiniggebruiker, de Serieuze

Weiniggebruiker, en de Welgestelde Omnivoor.

75 VOB en IFLA, 2008; VOB en IFLA, 2009

76 Raad voor Cultuur, 2008

77 Calff, 2008

78 Wel wordt de laatste jaren op verschillende plekken onderzoek verricht naar de mogelijkheden

van het uitbreiden van deze dienstverlening naar andere doelgroepen en

samenwerking op dit vlak met bijvoorbeeld vervoersbedrijven. Daarnaast is SIOB

momenteel partner in een onderzoeksconsortium dat wordt gesubsidieerd vanuit het

Dinalog-programma van het ministerie van Economische Zaken. Binnen dit onderzoeksprogramma

gaan drie hoogleraren, een aio en enkele studenten aan de slag met

de vraag hoe de fysieke logistiek van de openbare bibliotheken landelijk het beste kan

worden vormgegeven.

79 Expertisecentrum Kwaliteitszorg, 2008

80 Blijkt uit onderzoek van de Stichting Marktonderzoek Boekenvak (SMB), in juli 2009

uitgevoerd door Intomart GfK (http://www.marktonderzoekboekenvak.nl/)

81 Woltjer en Molenkamp, 2009

82 Een technologie waarbij chips worden geplaatst in bibliotheekmaterialen waarop het

unieke identificatienummer en een locatie-aanduiding zijn opgeslagen.

83 Vereniging van Nederlandse Gemeenten, 2007, p 8

84 In deze profielen worden de begrippen competenties, vaardigheden, kennis en ervaring

door elkaar gebruikt. Wat in het ene profiel een competentie is, kan in het andere

profiel bijvoorbeeld ervaring, vaardigheid of resultaatgebied genoemd worden.

Ook wordt aan de hand van werkprocessen en taken beschreven op welk vlak en op

welke manier een medewerker competent moet zijn. Omdat in dit rapport een ruime

definitie van het begrip competentie wordt gehanteerd, kijken we naar het totaal aan

aspecten die een bibliotheekmedewerker moet doen, kunnen, weten, willen, et cetera.

om het werk goed te kunnen doen. In sommige gevallen betekent dit dat een

omschrijving die elders geen competentie (maar bijvoorbeeld een werkproces) wordt

in voorliggend onderzoek wel als zodanig wordt geïnterpreteerd.

85 Ecabo, 2010

86 Ecabo, 2011

87 Cijfers zijn niet gepubliceerd en hebben betrekking op studenten van reguliere

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Voetnoten

opleidingsinstituten. De studenten die een (deeltijd)opleiding volgens bij de particuliere

aanbieders (GO en SOD) zijn hierbij niet meegeteld.

88 Deze verdeling sluit aan bij de gedachte van het retailconcept waarin men uitgaat van

mbo’ers in de directe publieke dienstverlening.

89 Dit is ook de reden waarom ROC Midden Nederland in samenwerking met Probiblio in

2010 een opleidingsmodule heeft ontwikkeld op mbo-niveau 3. Niveau 4 achten ze te

hoog voor veel bibliotheekmedewerkers en ook niet essentieel voor het werk dat zij

moeten doen.

90 Landelijk overleg IDM, 2000

91 Landelijk overleg IDM, 2006

92 Hier is IDM als opleiding uit het aanbod verdwenen en wordt alleen nog een minor

kennis-en contentmanagement aangeboden die een IDM-component kent

93 De overleggen met opleiders hebben ook plaatsgevonden in de context van dit overleg.

Hierin is gesproken over de opleidingen en hun aansluiting op het bibliotheekwerk.

94 Het HR-netwerk is de vereniging van HR-professionals in de branche en heeft als doel

professionalisering van HRM binnen bibliotheken. De opgestelde opleidingsprofielen

zijn voor intern gebruik en dus niet openbaar gemaakt.

95 Zie voor een omschrijving van de opleidingen en daarin vertegenwoordigde competenties

bijvoorbeeld: Weterings (2010); www.mediacoach-bibliotheek.nl/Cursusgids%20Mediacoach%20Openbare%20Bibliotheek%202010.pdf

; www.siob.nl/upload/

documenten/opleidingen-kunst-van-lezen-presentatie-vakberaad-jeugdbibliotheekwerk-24-05-2011.pdf

96 http://www.wobsite.eu/referentiefuncties2007.pdf

97 http://sitegenerator.bibliotheek.nl/fobid/overig67/overig67.asp

98 American Library Association, 2009; Webjunction, 2009; Abels et al. 2003

99 Naar het voorbeeld van Webjunction (2009)

100 Deze is besproken in de HRM-commissie en met vertegenwoordigers werkgroep

opleidingen

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

59


60

hoofdstuktitel

Literatuurlijst

Abels, E., R. Jones, J. Latham, D. Magnoni, J.G. Marshall (2003).

Competencies for Information Professionals of the 21st Century. Revised edition.

www.sla.org/PDFs/Competencies2003_revised.pdf.

American Library Association (2009). ALA’s Core Competences of Librarianship. Final version.

http://www.ala.org/ala/educationcareers/careers/corecomp/corecompetences/finalcorecompstat09.pdf

Bijl, R., J. Boelhouwer, E. Pommer en P. Schyns (2009). De sociale staat van Nederland 2009.

Den Haag: Sociaal en Cultureel planbureau.

http://www.scp.nl/dsresource?objectid=23461&type=org

Broekhuizen, J. en F. Huysmans. (2002). Cultuur op het web. Den Haag: Sociaal Cultureel

Planbureau.

http://www.scp.nl/dsresource?objectid=21094&type=org

Bruynzeels, R. en F. van den Eerenbeemt (2001). De bibliotheek anders bekeken.

• Versie 1: De bibliotheek anders bekeken. Inspiratiebronnen voor bibliotheekvernieuwing.

http://www.debibliotheekandersbekeken.nl/content/De_Bibliotheek_anders_

bekeken_1.pdf

• Versie 2: Anders bekeken 2. Over de nieuwe vragen van de samenleving aan de openbare

bibliotheek.

http://www.debibliotheken.nl/fileadmin/documenten/pdf_oranje/pdf_publicaties/

Archief/Oud/De_Bibliotheek_Anders_Bekeken_versie_2.pdf

Bussemaker (2004). Markt, overheid en samenleving. Over de noodzaak de tegenstelling

tussen individualisme en gemeenschapszin te overstijgen. In: Schnabel, P. (2004 ).

Individualisering en sociale integratie. Den haag; Sociaal en Cultureel Planbureau.

http://www.scp.nl/dsresource?objectid=20887&type=org

Calff, J.S. (2008). Innovatie met effect. [Rapport van de adviescommissie bibliotheekinnovatie].

Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

http://www.biebkracht.nl/system/files/Innovatie%20met%20Effect%2C%20Commissie%20

Calff.pdf

Cloïn, M., M. Schols en A. van den Broek (2010). Tijd op orde? Een analyse van de tijdsorde

vanuit het perspectief van de burger. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Deursen, A.J.A.M (2010). Internet skills. Vital assets in an information society. (proefschrift).

Universiteit van Twente.

http://www.alexandervandeursen.nl/serendipity5/uploads/pubs/Dissertation_

VanDeursen.pdf

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


hoofdstuktitel

Literatuurlijst

Ecabo (2010). Informatiedienstverlening. Ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.

http://ecabo4.r-i.nl/sites/default/files/arbeidsmarktonderzoek/rapport-onderzoek-idv-

2010.pdf

Ecabo (2010). Beroepscompetentieprofiel bibliotheekmedewerkers. Versie 4 augustus 2010.

Ecabo (2011). Landelijke Kwalificaties MBO. Medewerker informatiedienstverlening.

Cohort 2011 – 2012.

http://prod.pub.kwalificatiesmbo.nl/DossierDetails.aspx

Eijk van, P., F. Meijer, J. Roelofs, H. van Soelen en H. Veen (2008). Agenda voor de toekomst.

De strategie van de Vereniging voor Openbare Bibliotheken voor de jaren 2009-2012.

Den Haag: Vereniging voor Openbare Bibliotheken.

Expertisecentrum Kwaliteitszorg (2008). De Nieuwe Afnemer (DNA) van de bibliotheek.

Resultaten van marktonderzoek in Gelderland, Limburg en Noord-Brabant.

Tilburg: Expertisecentrum kwaliteitszorg

Haan, J. de en A. Adolfsen (2008). De virtuele cultuurbezoeker; publieke belangstelling

voor cultuurwebsites. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Hartgers, M. en A. Pleijers (2010). Een leven lang leren met cursussen en lange opleidingen.

Sociaaleconomische trends, 2e kwartaal 2010.

http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/6F3D8B44-7E7D-4D27-ABCF-637784266389

/0/2010k2v4p19art.pdf.

Haan, de J., A. van den Broek, P. Schnabel (2001). Het nieuwe consumeren. Een vooruitblik

vanuit demografie en individualisering. Werkdocument 72. Den Haag: Sociaal en Cultureel

Planbureau http://www.scp.nl/dsresource?objectid=21281&type=org

Haan, J. de, R. Mast, M. Varekamp en S. Janssen (2006.) Bezoek onze site; over de

digitalisering van het culturele aanbod. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Huysmans, F. (2005). EEN BASTION IN BABYLON. Achterstand in bibliotheekgebruik van

Turken en Marokkanen verdwijnt. In: Hier en daar opklaringen. Nieuwjaarsuitgave 2005

(2005). p19-23. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Huysmans, F. (2006). Stutmarrokanen?! Of: de allochtone ruggengraat van de openbare

bibliotheek in de grote steden. Bibliotheekblad 10 (11): 22-24

Huysmans, F. en C. Hillebrink (2008). De openbare bibliotheek toen jaar van nu. Den Haag;

Sociaal en Cultureel Planbureau.

Huysmans, F. en J. de Haan (2010). Alle kanalen staan open; digitalisering van het mediagebruik.

Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

http://www.scp.nl/dsresource?objectid=26392&type=org

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

61


62

hoofdstuktitel

Literatuurlijst

Kasperkovitz, J.M., M. van Tits en S. von der Fuhr (2009). De leerfunctie van bibliotheken

in beeld. Den Haag: Sectorinstituut Openbare Bibliotheken.

http://www.siob.nl/upload/documenten/rapportageleerfunctie.pdf

Kasperkovitz, J.M. (2010). Een krimpend perspectief. Gemeentelijke bezuinigingen op

openbaar bibliotheekwerk in de periode 2010-2013. Amersfoort: Kasperkovitz beleidsonderzoek

en advies.

http://www.debibliotheken.nl/fileadmin/documenten/pdf_strategie/Rapport_

onderzoek_bezuinigingen_2010-2013_Een-krimpend-perspectief.pdf

Kasperkovitz (2011). Gemeentelijke bezuinigingen op openbaar bibliotheekwerk

Ontwikkeling van het bibliotheeklandschap in de periode 2010-2014. Amersfoort:

Kasperkovitz beleidsonderzoek en advies.

http://www.siob.nl/upload/documenten/rapportage-bezuinigingen-bibl-2011-

versie-19-mei.pdf

Kleijn, de M.M., A.S. Quak en L.S. de Ruig (2011). De aanpak van laaggeletterdheid door

openbare bibliotheken. Kansen en mogelijkheden voor de toekomst. Den Haag:

Sector instituut Openbare Bibliotheken.

http://www.siob.nl/upload/documenten/siob-rapport-laaggeletterdheid-2011.pdf

Landelijk overleg IDM (2000). Focus op kennis: nieuw beroeps- en opleidingsprofiel IDM.

Landelijk overleg IDM (2006). Kerncompetenties voor de informatieprofessional zestien

illustraties. Amsterdam: Landelijk overleg IDM.

http://www.scribd.com/doc/6276/kerncompetenties-voor-de-informatieprofessional

Mil. Van, B.P.A, J.W. Kuipers, M.E. van Gampelaere, B.R. Dunning (2010). De rol van de

bibliotheek bij het stimuleren van mediawijsheid. Eindrapport. Den Haag: Kwinkgroep.

http://www.siob.nl/upload/documenten/kwink-groep-de-rol-van-de-bibliotheek-bij-

het-stimuleren-van-mediawijsheid-1-juli-2010.pdf

OECD en Statistics Canada (2000). Literacy in the Information Age Final Report of the

International Adult Literacy Survey.

http://www.oecd.org/dataoecd/24/21/39437980.pdf

Onderwijsraad (2003). Advies Werk maken van een leven lang leren. Den Haag:

Onderwijsraad.

http://www.onderwijsraad.nl/upload/publicaties/388/documenten/website__werk_

maken_....pdf

Pijpers, R., W. van den Berg, E. Dijkerman en T. Marteijn. (2010). Einstein bestaat niet. Over

usability en surfgedrag van jongeren. Stichting Mijn Kind Online.

http://www.mijndigitalewereld.nl/media/images/Rapport-Einstein-bestaat-niet.pdf

Probiblio (2008). Onderzoek brede school. Hoofddorp: Probiblio.

http://www.probiblio.nl/media/52739/rapport%20onderzoek%20brede%20school%20

2008%20versie%20site.pdf

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


hoofdstuktitel

Literatuurlijst

Roelofs, J. SCHITTERENDE BIBLIOTHEKEN! Strategische HR agenda 2007-2010.

Concept voor de ledenvergadering 14 juni 2007.

http://sitegenerator.bibliotheek.nl/hrnetwerk/overig57/overig57.asp

Rubens, W.(2008). E-learning: trends en ontwikkelingen. Develop (4).

http://www.te-learning.nl/developrubens.pdf

Saxion hogeschool Deventer. Opleidingsplan postHBO-cursus mediacoach.

Deventer: Saxion Hogeschool.

http://www.siob.nl/upload/documenten/opleidingsplan-mediacoach-2011.pdf

Sectorinstituut voor Openbare Bibliotheken (2009). Sterk stelsel, groter bereik. Plan sectorinstituut

openbare bibliotheken 2010 – 2012.

http://www.siob.nl/publicaties/plan-siob-2010-2012/item162

Stalpers, C.(2004). De afhaker in beeld. Bibliotheekblad, 18, p. 32

Vereniging van Openbare Bibliotheken en Vereniging van Nederlandse gemeenten (2005).

Richtlijn voor Basisbibliotheken. Den Haag: VOB en VNG.

http://www.debibliotheken.nl/fileadmin/documenten/pdf_oranje/pdf_publicaties/richtlijn_basisbibliotheken.pdf

Vereniging van Openbare Bibliotheken en Vereniging van Nederlandse gemeenten (2007).

Brief aan de leden betreffende rijksbeleid bibliotheekvernieuwing vanaf 2008.

http://www.vng.nl/Documenten/vngdocumenten/2007_lbr/Ledenbrief_OZW-U200701491.pdf

Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) en International Federation of Library

Associations and Institutions (IFLA) (2008). IFLA Manifest De multiculturele Bibliotheek.

Den Haag: IFLA en VOB.

http://www.siob.nl/upload/documenten/ifla-manifest-de-multiculturele-bibliotheek.pdf

Vereniging van Openbare Bibliotheken (VOB) en International Federation of Library Associations

and Institutions (IFLA) (2008). De multiculturele samenleving. Richtlijnen voor de

bibliotheek. Den Haag: IFLA en VOB.

http://www.ifla.org/files/library-services-to-multicultural-populations/publications/multicultural-communities-nl.pdf

Vogels, R. en R. Bronneman-Helmers (2003). Autochtone achterstandsleerlingen: een

vergeten groep. Den Haag: SCP (Signalement, 2003).

http://www.scp.nl/dsresource?objectid=20982&type=org

Walraven, A., S. Brand-Gruwel en H.P.A. Boshuizen (2008). Information- problem solving:

A review of problems students encounter and instructional solutions. Computers in

Human Behavior, 24 (3), 623-648.

Webjunction (2009). Competency Index for the Library Field.

http://www.webjunction.org/c/document_library/get_file?folderId=67024497&name=

DLFE-16500008.pdf

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties

63


64

hoofdstuktitel

Literatuurlijst

Weterings, A. (2010). Competent in leesbevordering. Docentengids voor opleidingen

Pedagogisch Werk en Onderwijsassistent. Amsterdam: SWP.

http://www.lezen.nl/index.html?spsearch=&age_group_id=0&menu_item_id=3001&sp1=474

Woltjer, B. en I. Molenkamp (2009). Van vak naar baan. Onderzoek naar mogelijkheden

en maatregelen voor levensfasebewust personeelsbeleid in de openbare bibliotheek.

Zoetermeer: AbvakaboFNV.

http://www.abvakabofnv.nl/PDF/3944/201505/VAN_VAK_NAAR_BAAN_05-3002-0609.pdf

Kamerstukken en adviesnota

Raad voor Cultuur (2005). Mediawijsheid in perspectief. Advies van 13 juli 2005, met kenmerk

med-2005.02498/1. http://www.mediawijsheidinperspectief.nl/advies_mediawijsheid.php

Raad voor Cultuur (2008). Advies Bibliotheekvemieuwing 2009-2012. Advies van 19 mei 2008,

met kenmerk bib-2008.04884/1

http://old.cultuur.nl/files/pdf/advies/200805191202230.bib-2008.04884-1.pdf

Tweede Kamer der Statengeneraal (2009). Nota ‘de kenniseconomie in zicht’.

Vergaderjaar 2009–2010, 27 406, nr. 153.

http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/notas/2009/10/16/

nota-de-kenniseconomie-in-zicht.html

Geraadpleegde websites

http://www.trendsinbeeld.minocw.nl, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.

http://www.tijdbesteding.nl, Sociaal en cultureel planbureau

www.rijksoverheid.nl, Rijksoverheid

www.bibliotheekmonitor.nl, Sectorinstituut Openbare Bibliotheken

www.onderwijsinspectie.nl, Onderwijsinspectie

www.taalenrekenen.nl, Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen

www.wetoke.nl, (in opdracht van) Ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen

www.bredeschool.nl, Landelijk steunpunt brede scholen

www.onderwijsraad.nl, onderwijsraad

www.marktonderzoekboekenvak.nl, Stichting Marktonderzoek Boekenvak

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties


Colofon

Nieuwe bibliotheken, nieuwe competenties is een uitgave van het Sectorinstituut

Openbare Bibliotheken, Programma opleidingen SIOB, Den Haag, juli 2011

Onderzoek en rapportage: Marjolein Oomes, Programma Onderzoek en kennisdeling

onder leiding van Frank Huysmans

Tekstadvies en redactie: Jedit werkt voor tekst

Vormgeving: Comma-S ontwerpers, ’s-Hertogenbosch

© SIOB

ISBN 978-94-91231-05-6

www.siob.nl


sectorinstituut

openbare bibliotheken

Grote Marktstraat 43 | 2511 bh Den Haag

Postbus 16146 | 2500 bc Den Haag

t +31(0)70 30 90 222 f +31(0)70 30 90 299

www.siob.nl | infosiob@siob.nl

Den Haag, juli 2011

More magazines by this user
Similar magazines