DISCRETIE.

webstore.iisg.nl

DISCRETIE.

No. 531

Adres voor Redactie en Administratie:

Stalpertstraat 65, Den Haag. (Tel. 775417)

DISCRETIE.

Dinsdagochtend 12 Januari verscheen in de ochtendbladen

het volgende stukje:

„Gebleken is, dat een aantal bladen het voornemen

koestert, dan wel daaraan reeds gevolg heeft gegeven,

om verslaggevers of fotografen naar Krynica, de tijdelijke

verblijfplaats van Prins Bernhard en Prinses Juliana,

te zenden. In verband hiermede heeft H. M. de Koningin

den regeeringspersdiensi opgedragen een

dringend beroep te doen op de Nederlandsche

dagbladen, om geen verslaggevers of fotografen naar

het vacantieoord van den Prins en de Prinses naar

Polen of elders te willen zenden en eventueel reeds

vertrokken verslaggevers en fotografen alsnog te willen

terugroepen, teneinde het Jonge Paar ongestoord van

hun welverdiende en zeker door een ieder van harte

gegunde rust, te laten genieten".

Verschillende van onze dagbladen deelden aanstonds

mede, natuurlijk aan dezen wensch der Koningin te

zullen voldoen. „Zooveel mogelijk", schreef één onzer

redacties. Een andere maakte voorbehoud voor berichten,

die in de buitenlandsche pers zouden voorkomen;

zij behield zich het recht voor, die over te nemen.

Het Kringbestuur heeft geen aansporing aan de hoofdredacties,

en aan de journalisten in het algemeen, gezonden)

om aan dien wensch der Vorstin te voldoen.

Indien de Koningin een beroep, een dringend beroep

nog wel, op de bladen doet, spreekt het vanzelf, dat

de redacties daaraan gevolg geven. Het gezag der

Kroon heeft geen steun noodig, vandaar dan ook dat

ons Dagelijksch Bestuur, geen aansporing aan de bladen

zond, maar vertrouwde dat zij den wensch der Koningin

zouden opvolgen. En dit vertrouwen is zeer zeker niet

onjuist gebleken. De pers heeft den wensch der Koningin

ge-eerbiedigd.

Toch — £erlijk gezegd — was het wel een beetje

beschamend voor de pers, dat de Koningin zich genoodzaakt

zag, een dergelijk verzoek te doen en wereldkundig

te laten maken. Het zou niet noodig zijn geweest,

indien hier de geheele pers van meet af de verplichte

discretie in acht had genomen. Maar de zaak staat zoo,

dat de een de ander opjaagt. Dit geldt niet alleen voor

onze eigen pers. Bij tientallen stroomden Poolsche en

andere journalisten naar Krynica, en er waren krasse

maatregelen der Poolsche Regeering noodig, om het

Int. Instituut

Soc. Geschiedenis

Amsterdam 1 Februari 1937

Redacteur:

D. HANS

Dit blad verschijnt ten minste

éénmaal per maand.

Prinselijk Paar tegen een dergelijke onbescheidenheid

te beschermen. In onze eigen pers trouwens zijn — ook

omtrent het vertrek uit ons land — verhalen verschenen,

die voor het grootste deel gefantaseerd moesten zijn. En

kregen we niet dadelijk mededeelingen te lezen over

het dansen van het Jonge Paar en over den lach van

den Prins, die tot ver in het hotel hoorbaar was?

Het jammerlijke van de moderne toespitsing der publiciteit

is, dat velen de natuurlijke grenzen niet meer

kunnen vinden, en dat het aanzien der pers onder het

goede deel van het publiek schade lijdt.

Hier geldt het bekende koninklijke woord speciaal

voor journalisten: wij moeten ons zelf zijn en blijven.

D.w.z. wij moeten mensch zijn en blijven en geen slaaf

worden van een beroeps-ijver, die er alleen op gericht

is, meer te geven dan anderen, en daardoor in strijd

komt met de discretie en met den eerbied voor allerlei

persoonlijke rechten. Drijven wij het anders niet zoo

ver, dat men bang voor ons wordt? Loopen wij niet het

gevaar, dat men ons beschouwt als in-discrete indringers,

tegenover wie men op zijn hoede moet zijn?

Dit geldt ook van de foto's. Wij zagen in die eerste

dagen der huwelijksreis ergens een foto, zoo afschuwelijk,

vooral wat de Prinses betreft, dat de publicatie

haast een beleediging was. Ze was „telegrafisch overgebracht",

vandaar de mislukking, maar waarom plaatst

men ze dan?

Bedoeling van dit stukje is er op te wijzen, dat de

pers goed zal doen in den vervolge de noodzaak van

dergelijke wenschen der Koningin te voorkomen.

Wij mogen met vreugde constateeren, dat na het uiten

van dien wensch onze pers zich zeer discreet heeft gedragen.

Trouwens, vergeleken met wat er in het buitenland

gebeurt, is het hier bij ons gelukkig nog zoo erg

niet. Wat thans gebeurd is, kan zelfs zijn goede zijde

hebben voor de toekomst. Wij moeten ons zelf durven

zijn en blijven; de éene krant moet minder durven geven

dan de andere, wanneer de eischen der discretie dit

vorderen. Elke concurrentie-jacht moet hier ten eenenmale

worden vermeden.

Dan weten wij ook, dat er absoluut geen journalistieke

verdienste in zal liggen, om méér te hebben in tekst en

in beeld dan andere kranten en andere redacties, omdat

het meerdere is verkregen door overschrijding van de

grenzen der journalistieke betamelijkheid. Het geldt hier

het handhaven van de standing en de eer van ons werk.


10 DE J O U R N A L I S T

INHOUD. — Discretie. — Officieele mededeelingen: Agenda

Jaarvergadering; Kringbestuur; Het Bestuur; Ledenlijst. — Aange­

sloten Vereenigingen; Jaarverslag H.J.V. — Allerlei onderwerpen:

Collegiale ontboezeming; Pers en Persbureaux VII; Dr. J. M. C. van

Overbeek f; S. H. Tjabring. — De Amsterdamsche Pers. —

Buitenland: De Engelsche Pers. — Nagekomen Berichten.

Officieele Mededeelingen.

Jaarlijksche Algem. Vergadering

op Zaterdag 20 Haart 1937,

te Den Haag (plaats wordt nader bekend gemaakt).

1. Openingswoord van den Voorzitter.

2. Notulen der Algemeene Vergadering van 28 November

1936 te 's-Gravenhage.

3. Jaarverslagen van den Penningmeester over 1936.

(Zie volgend nummer).

4. Vaststelling van de bedragen:

a. over 1937 te storten uit de Kringkas in de

Weerstandskas (art. 23 H.R.). Het Bestuur stelt

voor het bedrag te bepalen op 20%.

h. over 1937 te storten uit de Kas van het Steunfonds

(weduwen en weezen). Het Bestuur stelt

voor het bedrag te bepalen op ƒ 100.

5. Verkiezing van een Voorzitter in plaats van den

heer D. Hans, die zijn functie neerlegt.

6. Afscheid van den Voorzitter en overdracht van het

Voorzitterschap.

7. Benoeming eener Commissie voor het nazien der

Rekening en Verantwoording over 1937.

8. Jaarverslag van den Secretaris over 1936. (Zie

volgend nummer).

9. Verkiezing van een bestuurslid in de vacature-Hans

(deze verkiezing is alleen noodzakelijk, wanneer een

der thans zittende bestuursleden tot voorzitter wordt

gekozen).

10. Verkiezing van twee bestuursleden wegens periodieke

aftreding van de heeren D. Kouwenaar en

L. Schotting. (De heer Kouwenaar stelt zich niet

meer herkiesbaar).

11. Verkiezing van twee leden der Commissie van Advies,

wegens periodiek aftreden van de heeren J.

Schraver en C. }. Schotel, die aan de beurt van

aftreding, doch herkiesbaar zijn.

12. Verkiezing van een redacteur van De Journalist

en van diens plaatsvervanger, inplaats van de heeren

D, Hans en D. Kouwenaar, die hun functies

neerleggen. (Volgens art. 33 H.R. moeten de Redacteur

en zijn vervanger gekozen worden uit de

bestuursleden).

13. Voorstel van het Bestuur om na art. 65 H.R. in

te lasschen een nieuw artikel:

Art. 65a.

(1) Het Bestuur stelt telken male een termijn

vast, waarbinnen candidaten voor de bestuurs-verkiezing

bij den secretaris kunnen worden opgegeven.

Later ingekomen kandidaturen zijn ongeldig.

(2) Candidaten kunnen worden gesteld door het

Bestuur eener aangesloten vereeniging of door tenminste

10 gewone leden van den Kring.

(3) Van de gestelde candidaturen wordt aan de

besturen der aangesloten vereenigingen tijdig voor

de algemeene vergadering mededeeling gedaan.

Toelichting. — Op aandrang uit den Kring is

het Bestuur er onlangs toe overgegaan, een termijn

te stellen voor de candidaatstelling bij bestuursverkiezingen.

Het is echter beter, dat deze regeling

steun vindt in het Reglement; vandaar het voorstel.

14. Voorstel van het Bestuur om art. 41 H.R., luidende:

„Er is een Dagelijksch Bestuur, bestaande uit den

Voorzitter, den onder-Voorzitter en den Secretaris.

De Penningmeester is plaatsvervangend lid",

als volgt te lezen:

„Er is een Dagelijksch Bestuur, bestaande uit den

Voorzitter, den Secretaris en den Penningmeester.

De onder-Voorzitter is plaatsvervangend lid".

Toelichting. — Het is noodzakelijk, dat de Penningmeester

tot het Dag. Bestuur behoort. Dit was

tot dusver ook steeds het geval, aangezien sinds

vele jaren de Penningmeester tevens vice-Voorzitter

was. Het is echter beter, ook met het oog op eventueele

scheiding dier functies, de bepaling uitdrukkelijk

vast te leggen.

15. Voorstel van de heeren D. A. Klomp, G. Koopman,

J. Werkman, G. H. W. ter Hoeven en }. Hansen,

om in art. 18 der Statuten de woorden „die onmiddellijk

herkiesbaar zijn" te vervangen door de woorden:

„Alleen de dagelijksche bestuursleden zijn onmiddellijk

herkiesbaar".

Toelichting. — De voorstellers verwachten van

de aanneming van dit voorstel een verhooging van

de belangstelling in het Kringleven in breeder kring.

Daardoor toch wordt de gelegenheid geopend om

de jongeren in de gelegenheid te stellen aan het

interne Kringleven deel te nemen en zich voor het

leidend werk te bekwamen. Ondergeteekenden erkennen,

dat stabiliteit in het bestuur wenschelijk is,

doch zij achten die stabiliteit voldoende verzekerd

door de bepaling, dat de leden van het dagelijksch

bestuur terstond herkiesbaar zijn. Niet ontkend kan

worden, dat het wel eens een nadeel kan blijken,

wanneer een aftredend bestuurslid niet onmiddellijk

herkozen kan worden. Dit nadeel kan echter tot

geringe proporties worden teruggebracht door de

mogelijkheid, om dit lid het daarop volgend jaar

weer te herkiezen. Een voordeel van deze regeling

is echter, dat men daardoor niet in de noodzakelijkheid

verkeert om tegenover aftredende leden, wanneer

men frisch bloed in het bestuur wenscht, tegencandidaten

te stellen, iets wat tegenover collega's

toch altijd eenigszins pijnlijk is. Een groot voordeel

is echter, dat door deze regeling de gelegenheid

wordt geopend om jongeren voor het leidende werk

te bekwamen.

PREADVIES. — Het Bestuur beveelt de aanneming

van het voorstel aan. Echter zou de redactie

moeten luiden: „Alleen de leden van het Dagelijksch

Bestuur zijn onmiddellijk herkiesbaar".

16. Rondvraag.

Candidaten voor de te vervullen bestuursplaatsen

kunnen tot 1 Maart a.s. worden gesteld bij den

Kringsecretaris, collega T. Cnossen, Noordeinde 39,

Den Haag.


KRIKGBESTUUR.

Het Bestuur kwam op 9 Januari, des avonds, te 's-Gravenhage

bijeen. Met kennisgeving waren afwezig de

heeren Biemond en Hoijer (gedeleg. H.J.K.).

De voorzitter, de heer Hans, richt woorden van gelukwensch

tot de aanwezigen bij de wisseling des jaars en

spreekt de hoop uit, dat de Kring een succesvol jaar

mag hebben. Hij herdenkt Dr. van Overbeek, die vele

jaren onze Rotterdamsche gedelegeerde was. Aan dezen

trouwen, bekwamen collega, die het niet gemakkelijk

heeft gehad in zijn leven, zullen we een goede herinnering

bewaren.

Vervolgens brengt de voorzitter dank aan hen, die

onder de beproefde leiding van Mr. van Bolhuis de

regeling bij het vorstelijk huwelijksfeest op zich hadden

genomen. Het secretariaat met mej. Belinfante en mevr.

Jars de Gubernatis aan het hoofd heeft voortreffelijk

werk gedaan. Als het Kringbestuur bij dergelijke gelegenheden

wel eens wat te veel op den achtergrond blijft, is

dit het gevolg van den organisatievorm. Wel dient er in

de toekomst voor gewaakt te worden, dat de representatieve

taak van den Kring niet door anderen (buiten den

Kring) wordt overgenomen. Dit onderwerp zal binnenkort

nader aan de orde komen.

Notulen. — De notulen werden tot een volgende

vergadering aangehouden.

Candidaten. — Zie elders. — Inzake de niet-toelating

van een candidaat-lid is de Commissie van Advies gehoord.

Deze achtte het standpunt van het Bestuur in

overeenstemming met de Statuten.

Ingekomen stukken. — Ingekomen is een schrijven

van een lid in Indië, inzake beïnvloeding van bepaalde

nieuwsberichten. Nadere inlichtingen zullen worden ingewonnen.

De Voorzitteti deelt mede,, dat voor een ontslagen

lid een meer bevredigende regeling is getroffen.

De Voorzitter doet mededeeling over een verschil van

meening in de Representatie-commissie, betreffende een

bepaalde uitnoodiging. Het bestuur verklaart unaniem

aan de zijde van den voorzitter te staan.

Jaarvergadering. — De jaarvergadering wordt vastgesteld

op 20 Maart a.s. Goedgevonden wordt, deze

in Den Haag te houden en de volgende jaarvergadering

in Rotterdam.

Besloten wordt het afscheid van den tegenwoordigen

en de verkiezing van den nieuwen voorzitter te doen

plaats vinden na de behandeling van het verslag van den

Penningmeester.

Aftredend zijn de bestuursleden Kouwenaar en Schotting.

De heer Kouwenaar meent zich niet herkiesbaar

te moeten stellen. Candidaten in de drie vacatures kunnen

worden gesteld voor 1 Maart a.s.

Voorgesteld zal worden aan het Huishoudelijk Reglement

een clausule toe te voegen, waarin de candidaatstelling,

als bij de vorige verkiezing is gevolgd, wordt

vastgesteld. Tevens zal worden voorgesteld een wijziging

van art. 41, inzake de samenstelling van het Dagelijksch

Bestuur.

Het voorstel-Klomp inzake niet-herkiesbaarheid van

de bestuursleden zal op de agenda worden gebracht;

het Bestuur is er voor. In de najaarsvergadering kan dan

behandeling plaats vinden van de verdere voorstellen-

Klomp. Het Dag. Bestuur zal hierover advies uitbrengen.

De andere punten worden aangehouden.

De volgende bestuursvergadering wordt bepaald op

20 Februari, 's middags te half drie.

HET BESTUUR.

Zooals de leden uit de agenda zien, zal de voorzitter

op 20 Maart afscheid nemen, eerst in een bestuurs- en

daarna in de ledenvergadering. Voorts stelt collega D.

Kouwenaar zich niet herkiesbaar als bestuurslid.

DE J O U R N A L I S T H

Eindelijk heeft collega Henri Dekking den wensch te

kennen gegeven, na wederom 10 jaar de Kringfinanciën

te hebben beheerd, zijn taak aan een andere kracht over

te dragen. Hij treedt dus af als penningmeester, echter

niet als bestuurslid.

LEDENLIJST.

Aangenomen als gewoon lid:

T. Chr. Bourgingnon, Rott. Nbld., W. de Withstr.

87a, Rotterdam-C.

B. M. Schilperoort, Bellevoystraat 68, Rotterdam.

Aangenomen als buitengewoon lid :

J. Groenewegen, N.H.Ct., Prinses Mariannelaan 148,

Voorburg.

Voorgedragen als gewoon lid:

Salomon Vaz Dias, De Zondagavond, Krammerstr. 6,

Amsterdam.

W. B. D. Hulstijn, De Zondagavond, Floralaan 6,

Bussum.

E. H. Granzow, Rott. Nbld., Rotterdam.

Bedankt als gewoon lid:

H. J. E. v. Beek, Deventer (wegens uittreding uit de

journalistiek).

J. P. C. v. Gurtzgen, Zeist (wegens uittreding uit de

journalistiek).

Overleden :

Dr. J. M. C. v. Overbeek, Amsterdam.

Adreswijzigingen:

H. L. Tissot van Patot, naar Suezkade 124, Den

Haag.

Dr. N. J. D. Versluys, naar Prinsengracht 860, Amsterdam.

L. W. Blok, naar Kanaalweg 130, Scheveningen.

A. M. de Jong, naar v. Alkemadelaan 231, Den Haag.

J. de Nobel, naar Noordeinde 7, Meppel.

Mej. Ch. J. J. F. Noë, naar Frankenstr. 2, Den Haag.

H. J. Kraus, naar Bilderdijkkade 24, Amsterdam.

J. Breunis, naar Citroenstr. 62, Den Haag.

J. B. Th. Wilbrink, naar Berglaan 88, Hillegersberg.

E. Kortebein, naar Steinstr. 2, Arnhem.

Aangesloten Vereenigingen.

JAARVERSLAG HAAGSCHE JOURNALISTEN-VEREENI-

GING OVER 1936.

Het afgeloopen jaar begon en eindigde voor ons in feeststemming.

Aan den aanvang van 1936 twee jubilea, n.1. van mevrouw

Wijnaendts Francken en van den heer Hotke. Voor het eerste

feest, geen journalistiek kroonjaar, is het huldigingscomité niet

uitgegaan van onze Vereeniging, al hebben verscheidene van onze

leden er zitting in gehad. De heer G. Polak Daniels vertolkte

daar, door verhindering van onzen voorzitter, die later zelf de

jubilaresse nog de hand is komen drukken, de gevoelens van onze

Vereeniging. Voor den heer Hotke nam ons bestuur het initiatief

tot de organisatie van een receptie, waarbij belangstelling uit

velerlei kringen werd ondervonden en die dan ook uitstekend

slaagde. Aan het eind van het jaar was het de heer de Ridder,

die in het zonnetje werd gezet door een comité, waarin onze voorzitter

en penningmeester zitting hadden, welke laatste den jubilaris

namens onze Vereeniging toesprak. Mochten we ons oprecht verheugen

over de vele blijken van waardeering, welke deze collega's

mochten ervaren, en hartelijk medewerken bij de verschillende ontvangsten,

in het Comité voor den heer Hotke was ons bestuur flink

vertegenwoordigd. Met leedwezen hebben we ons naar de laatste

rustplaats van den heer Jan Bos begeven, die nog in de kracht van

zijn leven als gevolg van een treurig ongeval, bij het verrichten

van zijn beroepsarbeid hem overkomen, overleed. In samenwerking

met de Buitenl. Persvereeniging werden een collega van de 3uitenl.

Persver., die op den dag, waarop dit ongeval plaats had, gerechtvaardigde

aanleiding tot ontslag had gegeven, tijdelijk persfaciliteiten

ontzegd. Ook de dood van den heer v. Lissa beteekende voor onze

vereeniging een verlies, al behoorde deze collega niet tot de trouwe

bezoekers van onze bijeenkomsten. Door vertrek uit den Haag werd

onze ledenlijst met drie leden verminderd, terwijl wij in den loop

van het jaar vijf nieuwe leden verwierven, en 1 buitengewoon lid,

en wij in November het eerelidmaatschap konden aanbieden aan de

heeren Bothenius Brouwer en Elout, zoodat ons vereenigingsjaar

eindigt met: 3 eereleden, 79 gewone leden en 15 buitengewone leden.


12

Er werden in 1936 5 perspenningen overgeschreven en vijf nieuwe

uitgereikt.

Ons bestuur vergaderde drie maal, er werden twee ledenvergaderingen

gehouden, ter voorbereiding van de Kringagenda's. Op

de eerste, onze jaarvergadering, werd tevens tot contributieverlaging

overgegaan, mede als voorbeeld voor den Kring, in welks vergadering

wij ook een amendement indienden op de voorgestelde contributiewijziging,

maar zonder succes.

Bij het jubileum van den Kring voorzitter was ons geheele bestuur

aanwezig, bij de jubilea van de heeren de Roode, Beeremans

en Lijsen zonden we telegrammen. Voor onzen voormaligen penningmeester,

den heer Herman v. d. Pol beproefden we een huldiging

uit te lokken en wendden ons daartoe tot het bestuur van

de Ned. Dagbladpers, maar het bleek, dat de heer v. d. Pol geen

huldiging wenschte, zoodat we ons bepaalden tot het zenden van

een telegram, waarop we een zeer hartelijk schrijven mochten ontvangen,

waaruit bleek, dat de heer van de Pol nog een aangename

herinnering bewaarde aan de jaren, dat hij lid was van ons bestuur.

Bij de jubilea van bekende persoonlijkheden, met wie ons bestuur

in den loop der jaren contact had, werden eveneens telegrammen

gestuurd, zooals aan de heeren van Geen, Loudon, van Gelder,

Montijn, Damme enz. Het contact met de overheid en andere

orqanisaties liet niet te wenschen. Bij overleg met den Hoofdcommissaris

van Politie toonde deze steeds bereidheid tegemoet te

komen in onze wenschen Wel was de regeling bij de Staten-

Generaal ook ditmaal nog niet voor allen volkomen bevredigend,

maar het verlaten van de Ridderzaal bracht althans geen moeilijkheden

mede.

Van verschillende zijden werd onze voorlichting ingeroepen bij

het verzenden van de uitnoodigingen aan de pers. Zoo o.a. bij

het Congres van de Ned. Weerbaarheid, bij een Westlandsche

bloemententoonstelling, bij een proeftocht van de Haagsche tram

enz. De verdeeling van de kaarten voor de opening der zitting van

de Staten-Generaal geschiedde weder door onzen voorzitter, in het

Comité Residentieweek had de secretaresse zitting.

Ons voornaamste werk werd tenslotte aan het eind van het

jaar de regeling van de persaangelegenheden bij het HuwelijK van

Prinses Juliana. Hoewel het slotbedrijf zich pas heeft afgespeeld in

1937, heeft de geheele voorbereiding plaats gehad in 1936 en de

persbelangen concentreerden zich in twee comités: dat onder voorzitterschap

van den heer A. J. Bothenius Brouwer, dat uitging van

het Comité voor de Luisterrijke Viering, en zijn bemoeiingen uitstrekte

tot al wat tot de werkzaamheid van bedoeld comité behoorde;

dat onder voorzitterschap van mr. J. J. van Bolhuis, dat

alle persbelangen omvatte, welke betrokken waren bij het Huwelijk

en feitelijk pas in volle werking kwam, toen het andere comité

reeds zijn hoofdtaak had vervuld. Het Comité van den heer B. Br.,

Commissie voor perszaken, genaamd, heeft n.1. in hoofdzaak gewaakt

voor de voorlichting van de pers en is daarvoor bijeengekomen

in een aantal vergaderingen, die voor het Comité Luisterrijke

Viering ten doel hadden de propaganda van de pers te krijgen,

voor de pers om nieuws te verzamelen over de feestlijkeheden en

de versiering der stad. De heer Bothenius Brouwer zelf neett als

voorzitter van het Comité zitting gehad in het Hoofdcomite en

als zoodanig hard gestreden voor het benoodigde aantal kaarten

voor de pers. In de eerste plaats werden voor het comité van il

leden kaarten verstrekt met dame, verder nog 100 kaarten voor

den eereavond voor de pers, waarin echter de kaarten voor de

orqanisaties inbegrepen waren. Ook bij het meedeelen van bijzonderheden

uit het programma heeft de heer Bothenius Brouwer veel

tact noodig gehad, om de pers de gegevens te verschaften

In het Comité hadden ongeveer dezelfde leden zitting als in

het Comité Persbelangen, slechts was in het Comité van den heer

B. Br. meer gedacht aan de bladen, in het andere meer aan de

te vervullen functies.

In het Comité Persbelangen, dat werd geïnstalleerd door den

voorzitter van den Ned. Journalisten-Kring, nadat het Knngbestuur

eerst de H J V. had verzocht zich met de regeling der persaanqeleqenheden

te bemoeien, waren De Ned. Katholieke Journalistenvereniging

en Buitenlandsche Persvereeniging vertegenwoordigd,

het secretariaat was eerst gevestigd Schuytstraat 172, op I Uecember

in de bureaux van de Haagsche Ct, en 4 Januari 1«/

in Rolzaal en Laireseszaal. w»„

Voorbereidende besprekingen van den Voorzitter, de heeien

Antcliffe Bon v d. Veer en de secretaresse hebben plaats gehad

met Politie, Post en Telegrafie, Gemeentelijke Telefoon, terwijl o.a.

ook een conferentie is gehouden, telefonisch, met de verschillende

betrokken autoriteiten, Commissaris der Koningin, Burgemeester

enz , en een met de militaire autoriteiten, in verband met de beeediqinq.

Voortdurend heeft het comité overleg gepleegd met den

reqeeringspersdienst, die belast was met de uitgifte van de kaarten

voor de kerk, en met deze lijsten uitgewisseld van de ingekomen

aanvragen. ,

Op het Secretariaat is gewerkt met enkel vrijwillige krachten,

n.1. een zestal jongelui van het Nat. Jongeren-Verbond en een

vijftal padvindsters met een paar leidsters. Doordat de beide Kamers

der Staten-Generaal zeer laat voortwerkten was het den meesten

leden van ons Comité niet mogelijk vóór eind December veel hulp

te qeven. Op het bureau van de Haagsche Cf. ontvingen wij deze in

ruime mate en Mme Jars de Gubernalis was er steeds als men

haar noodig had.

Behalve de uitgebreide correspondentie over aanvragen om kaarten

en faciliteiten en om huisvesting, werd gezorgd voor een kaartenstelsel,

waarin de aanvragen werden ondergebracht, voor telexberichten

om de pers op de hoogte te houden en voor lijsten voor

diverse belanghebbenden.

DE JOURNALIST

Voorts was er de documentatie, waarbij veel vertaalwerk kwam,

gedeeltelijk door mevrouw Jars de Gubernatis, gedeeltelijk door Mrs.

Antcliffe en het Int. Juridisch Instituut verricht.

De huisvesting gaf, bij het gebrek aan hotels, veel moeilijkheden,

maar tenslotte hadden we in hotel Pays Bas, Hotel Zeerust en

pension Eliza de noodige kamers, terwijl de heeren Sijthoff en

van Wijngaarden nog buitenlandsche collega's onderbrachten, zoodat

hierbij geen ernstige moeilijkheden zich hebben voorgedaan.

We hebben op het laatst zelfs fotografen, die bij de geïllustreerde

pers geen hulp vonden, onderdak kunnen verschaffen. De heer

van der Wielen, die secretaris was van het Comité voor Huisvesting,

heeft hierbij vooral zijn hulp gegeven.

Den 21 en December begonnen we met de verdeeling van de

coupe-files voor de bruidsdagen, daar de politie, bevreesd voor

te drukke opkomst van journalisten op den aanteekendag in de

nabijheid van het Stadhuis, liever niet had, dat tevoren de kaarten

in groote getalen werden uitgegeven. Ruim honderd van deze coupefiles

zijn uitgedeeld.

Met de uitgifte van de kaarten voor de beëediging, waarvan een

50 waren toegestaan, kon slechts een dag tevoren worden aangehangen.

Hierbij waren de aanvragen bovendien niet uitgebreid,

daar de meerderheid van de journalisten eerst de laatste dagen

in den Haag kwamen. Daarentegen was de liefhebberij voor den

eereavond zeer groot en we moesten in den aanvang uiterst zuinig

zijn, om niet groote buitenlandsche bladen teleur te stellen. Tenslotte

was het mogelijk nog eenige niet afgehaalde kaarten te verdeelen

onder aanvragers, die wij pas op het laatst een kans hadden

gegeven.

De kaarten voor vaste standplaatsen gaven aanleiding tot heel

wat misverstand en ontstemming, maar de politie wilde niet laten

circuleeren en de 244 plaatsen schenen in den aanvang een mooie

oplossing van de hiertegen geopperde bezwaren. Behalve deze

staanplaatsen in de open lucht hadden we eerst gemeend tribuneplaatsen

te kunnen krijgen voor buitenlandsche journalisten, die

geen kerkplaats konden krijgen. Doordat de gemeente de tribunes

verpacht had, was dit niet mogelijk, maar als compensatie werden

ons toegestaan plaatsen in da Openbare Leeszaal. Een oogenblik

scheen dit spaak te loopen, toen de directeur van de Leeszaal,

zonder ons te verwittigen, die plaatsen, welke 'we hadden uitgezocht,

weer had veranderd, wat bleek bij de bespreking over

telefoonaanleg. Tenslotte kregen we, dank zij het optreden van onzen

voorzitter en het commissielid De Rot, toch de eerstbeloofde plaatsen.

Een moeilijkheid deed zich bij de verdeeling der plaatsen voor,

welke den 4en werd begonnen, toen de vraag reeds zeer groot was

en wij van de Regeeringspers de lijst hadden ontvangen van hen,

die kerkkaarten zouden ontvangen, dus van ons slechts coupe-fiies,

zonder standplaats, verwachtten. Reeds hadden wij een geheelen

middag en avond en een halven ochtend de standplaatsen uitgegeven,

toen de politie kwam met een definitief goedgekeurde regeling,

welke, naar men verwachtte, dat weinig zou verschillen van

de oorspronkelijk overeengekomen regeling, maar tenslotte bleek

veel ongunstiger te zijn dan het eerst toegestane. Dank^ zij een

bezoek van den heer Bonsma aan den Commissaris van de Koningin,

die de beslissende stem had bij de politieregeling, werd de positie

van de pers gunstiger. De rede van mr. van Bolhuis aan de lunch

tot ontvangst van de Buitenlandsche en buitensteedsche colieqa's en

van enkele ambtenaren, die ons zeer ter wille waren geweest, heeft

evenals een telegram aan den Hoofdcommissaris verzonden, ongetwijfeld

ertoe bijgedragen, dat, zooals op de slotbijeenkomst van de

beide perscomités werd verzekerd, de politie in het algemeen zeer

soepel de regeling heeft toegepast. Op verzoek van de politie hebben

wij de ontvangers van coupe-files verklaringen laten teekenen,

welke ten doel hadden alle ongewenschte demonstraties te voorkomen.

De lunch in Hotel Witte Brug, de receptie dcor de Regeeringspers

op den avond van 7 Januari in de Ridderzaal aangeboden,

waar de Ministerpresident Colijn en de heer van Karnebeek verschenen,

en de excursie naar Amsterdam waar de Amsterdamsche

pers voorgegaan door den heer Kouwenaar, de collega's zeer

hartelijk ontving en de spoorwegen, dank zij de bemiddeling van de

heeren Cnossen en Bon en van Vreemdelingenverkeer, kosteloos

reizen Ie klasse aanboden, hebben zeker het hunne bijgedragen tot

den gunstigen indruk, dien de buitenlandsche journalisten meenamen,

en welke bleek uit de artikelen in de buitenlandsche pers en uit

brieven tot ons comité gericht.

Feitelijk komt een deel van de feestviering op rekening van 1937

maar het was niet mogelijk een grenslijn te trekken, dus zijn de

eerste zeven dagen van 1937 samengevloeid met het einde van 1936.

Het is niet mogelijk, meende onze Voorzitter bij de eindbijeenkomst

van het Comité, allen afzonderlijk te bedanken. Hier zij

dus nog slechts vermeld, dat bij de verdeeling van de plaatsen in

rijtuigen en auto's op 29 December, den dag van het défilé der

vereenigingen en op 7 Januari, de heeren van 't Veer en van der

Wielen hun medewerking gaven, terwijl onze penningmeester steeds

tot de zeer welkome bezoekers van ons bureau behoorde, en waar

het kon altijd op zijn rustige wijze zijn hulp verstrekte, v/at vooral

de laatste dagen, toen er allerlei kaarten moesten worden uitgegeven,

zeer gewenscht was. Ook de heer van Zuiden maakte zich

toen zeer verdienstelijk door zich te belasten met de bewijzen van

deelneming aan de excursie.

In elk geval is de samenwerking over het algemeen zeer aangenaam

geweest en hebben allen naar krachten hun deel bijgedragen

tot het slagen van de persregeling, waarbij natuurlijk fouten zijn

gemaakt, welke weer een waarschuwing zullen zijn voor een volgend

maal,

DE SECRETARESSE.


Allerlei Onderwerpen.

COLLEGIALE ONTBOEZEMING.

Over het algemeen ben ik dol op journalisten. Het

zijn aardige, hupsche menschen, die allerlei dingen zien,

die u en ik als gewone burgers zoo direct niet in de

gaten hebben, die naarstig met bloc-notes werken, die

her- en derwaarts uitzwermen en zoemen om de felkleurige

bloemen van het nieuws, om daar dan den

gulden honing uit te gaan puren, waar u en ik likkebaardend

naar uitzien. Op het knapperend-brosse

beschuitje der actualiteit smikkelen we dat dan naar

binnen en zijn den nijveren bijtjes innig dankbaar.

De heeren hebben hard gewerkt de laatste weken.

Ze hebben van de eene autoriteit naar de andere gedraafd,

gedreven, getikt, gebeld en getelext; ze zijn

langs de gesmukte wegen gesneld en hebben het goud

van hun ijver gevlochten door het sparregroen aan de

huizen, het vuur hunner vak-bedrevenheid heeft zich

gepaard aan de lichtglanzen langs Vijverberg en Kneuterdijk

en de vlammen van hun geestdrift flakkerden

méé in de hooggeheven vreugdevuren langs den Vijverdam.

En wanneer u hen in de Groote Kerk tijdens de

huwelijksinzegening, had zien hangen, hóóg boven de

mannen in goud en zilver, die aan hèn in laatste instantie

de verspreiding van hun roem en grootheid te danken

hebben, wanneer u hen daar, als één klomp intellect in

den hooge — zwarte jassen en witte bloc-notes — had

bezig gezien, zoudt ge, zoo dan nog tijd en plaatsruimte

ter beschikbaar bleef, volgestroomd zijn van waardeering

voor al die aardige menschen, die aan de reputaties van

anderen relief en decoratie verkenen, en zelve in den

schaduw der onpersoonlijkheid blijven, teneinde hun

plicht en niet dan hun plicht te vervullen,, zonder hope

op grootkruizen of minister-van-staat-schappen.

Maar soms gaan zij mij te vèr.

Eerlijk is eerlijk.

Daar was nu dat bericht dat het Prinselijk Paar te

Innsbruck was gearriveerd. Dat is tot daar aan toe.

Dat kan door een persbureau zijn doorgegeven. Dan

kunnen die goede journalisten niets aan doen. Maar dat

er dan zoo'n zinnetje bij komt: „De menigte juichte de

Prinses en den Prins hartelijk toe". Ziet, dit is mij te

gortig. Dat is dan toch maar een nadere mededeeling,

die op een oog- en oor-getuige-schap wijst ; en wanneer

dan blijkt, dat het Vorstelijk Paar heelemaal niet

in Innsbrück geweest is, dan krijgt zoo'n toegevoegd

zinnetje den smaak van een cliché, dan gaat een eenvoudig

burger als ik denken: ,,Dat zetten ze er zeker

altijd bij óók als het niet waar is , bij ieder

staatshoofd en in het vervolg gelóóf ik maar zoo

niet meer aan die toejuichingen" en die overweging is

dan niet alleen schadelijk voor het journalistiek prestige,

doch óók voor de hooge persoonlijkheden, die te hoog

en ons te lief zijn, dan dat wij hen zouden willen zien

verstard tot cliché's en gemeenplaatsen en ingeperst in

een harnas van niets-meer-zeggende zinsneden, die hun

hun menschelijkheid ontnemen. En menschelijkheid die

wij juist het diepst liefhebben in hen.

Nu óók met die huwelijksreis.

Dat het gansche volk belang stelt in het doen en laten

van de Prinses en den Prins, prachtig! Wanneer échte

liefde van een volk voor zijn Koningshuis daaraan ten

grondslag ligt — en dat is zoo bij ons, gelukkig — dan

is dat iets wat niet genoeg gewaardeerd kan worden.

Maar dat moet dan niet tot in het dwaze dóórgedraafd

worden. Dan moeten wij daarbij niet plaatjes gaan zetten

van Jan Kiepura en Martha Eggerth en van den burgemeester,

de wethouders en de veldwachters, den hoteldirecteur

en de brievengaarders van het plaatsje waar

Zij zijn.

Dan moet De Telegraaf, die Vrijdag zegt: „En als

we al wisten waar Zij zouden toeven, dan nóg

zouden wij er niet over schrijven ", niet Maandag

een artikel van drie kolom geven met „onthullingen"

DE J O U R N A L I S T 13

van Brusselsche stationschefs en Dordtsche veerlieden

en pathetische ontboezemingen.

Want pathetiek ten gerieve van de ontboezemingen

van mejuffrouw de weduwe Laps en heur vriendinnen

— Greshoff noemt dat „snotterstukjes in de krant" —

zet de frissche, doodgewone, pleizierige menschelijkheid

van een paar op de huwelijksreis in een scheef licht en

dat heeft dit paar nu juist heelemaal niet noodig.

Wij zijn er juist zoo blij om dat Prinses Juliana en

Prins Bernard ons in deze dagen verschenen zijn —

voor onze blikken en in ons hart — als twee aardige,

blije jonge menschen. Juist daarom hebben wij hen des

te liever.

Zij hebben voor onze diepe genegenheid het bedenkelijke

hoofd van den heer Kipura niet van noode; wij

behoeven niet te weten dat zij als twee menschen op

het Brusselsche perron stonden en als twee menschen

pleizier met elkander hebben, om hen even lief te hebben

als wij hen hebben.

Ik houd van de journalisten, zooals zij op mij komen

aangestormd met het aller-allerlaatste nieuws.

Maar ik zie hen niet graag met den hoed in den nek

en met een parelend voorhoofd, met de tong uit den

mond en een stompje potlood tusschen de tanden, achter

twee gezellige, menschelijke menschen aanrennen, om

ieder hunner bewegingen te noteeren en daar een pathetisch

papje van te roeren.

En ik ben er zeker van dat de heeren, die zoo hun

best doen om mejuffrouw de weduwe Laps op haar

wenschen te bedienen, zich deerlijk misrekenen in het

aantal van deze eerbre weduwvrouwen bij ons in Holland.

Laten de meneeren van die kanarie-pietjes-journalistiek

dan maar eens over nadenken.

Sans rancune!

E. ELIAS.

STOPPERS. DISCRETIE!

Uit de N. R. Crt.t

De klachten over de onbehoorlijke manieren van medewerkers

aan, de Londensche sensatiebladen nemen steeds toe. De Times

bevat van het Lagerhuislid Allen, een zeer fel ingezonden stuk

om zich te beklagen over de wijze, waarop genoemde bladen gewag

hebben gemaakt van het feit, dat de hertog van Kent mevrouw

Allen met zijn auto naar een zeker adres in de Fleetstraat had gebracht.

Deze „gele" pers drukte onmiddellijk foto's van mevrouw

Allen op de voorpagina af, vermelde dat zij een „ex-mannequin"

was, en voor de tweede maal gehuwd, en plaatste later zoogenaamd

verontwaardigd hoofdartikelen over afkeurenswaardige schandaalpraatjes

betreffende een verkoeling tusschen den heer en mevrouw

Allen. De moeder van mevrouw Allen, een ziekelijke oude dame,

werd voortdurend opgebeld en lastig gevallen door onbescheiden

reporters van de sensatie-pers, zoodat zij een zenuwtoe val kreeg.

In zijn ingezonden stuk schrijft de heer Allen over een „vervolging"

van iedereen, die ook maar eenigermate betrokken zou kunnen zijn

bij incidenten van overigens weinig belang, en hij geeft als zijn

meening te kennen dat het hoog tijd is, dat het parlement zich bemoeit

met iets dat tot een ondragelijk schandaal wordt.

Half December is deze zaak reeds in het parlement ter sprake

gebracht. Een lid vroeg den Minister van Binnenlandsche Zaken Sir

John of het hem bekend was dat reporters van zekere bladen na

de ramp van Lijster bij Croydon op 9 December de echtgenoote

en de moeder opbelden van iemand die denzelfden naam had als

een slachtoffer, met het gevolg dat de vrouwen hevig verschrikt

werden. De minister antwoordde, dat hij een wettelijke bestrijding

van dat euvel niet geschikt achtte, daar het hier ging om een

zaak van behoorlijkheid, en goeden smaak. Eind November werden

twee Britsche officieren gedood bij gevechten aan de noordwestelijke

grens van Britsch-Indië. De vader van een der officieren was een

zieke man van 80 jaar. Om hem te sparen sprak een tante van

den gesneuvelden officier met het departement van oorlog af, dat

dit den ouden man niets zou mededeelen, maar dat zij dat zelf zou

doen. Met een auto reed zij naar den ouden man toe, dien zij

bewusteloos aantrof. Een reporter had hem opgebeld

SensatieOouririGÜstielc.

In het weekblad De Prins kwam onlangs de volgende

mededeeling voor:

„Hiermede berichten wij, dat in verband met het

huwelijk van de Prinses De Prins een dag later zal

verschijnen".

Gelukkig bleek öp 7 Januari dit sensatie-bericht onjuist.


14 DE J O U R N A L I S T

PERS EN PERSBUREAU.

VII.

Bij het lezen van het verslag der bijzondere algemeene

vergadering van onzen Kring op 28 November j.1. te Den

Haag, waar de „tegenwoordige positie der pers" is besproken

naar aanleiding van de rede van onzen Kringvoorzitter

op 24 Oct. daaraan voorafgaande, is het mij

opgevallen, dat — waar de rol van het persbureau ter

sprake kwam — vrijwel alleen het A.N.P. en de telex

in het debat zijn betrokken. Dit verwonderde mij des te

meer, daar op de vergadering enkele leden aanwezig

waren, die of in direct contact staan met een of ander

persbureau, of die door hun werkzaamheden ten nauwste

zijn betrokken bij het wel of wee dier ondernemingen.

Misschien heeft de gedachte, dat „het spreken voor eigen

standje" te veel de aandacht zou trekken, hun van het

voornemen om iets te zeggen teruggehouden. Toch is

juist hun meening van groot belang en juist is hun woord

ook waard gehoord te te worden, zoodat het voorbeeld

van collega Cohen vrijelijk had kunnen worden nagevolgd.

Geen enkele toehoorder zou aan een oratio pro

domo hebben gedacht, doch juist die visie naar waarde

weten hebben te schatten.

Er is nog een tweede punt, dat mij frappeerde door

zijn. . . . afwezigheid, n.1. de invloed van het persbureau

op den inhoud van de krant. Weliswaar is, blijkens het

verslag der vergadering, een enkele maal de uniformiteit

van de tegenwoordige dagbladpers aangestipt, maar

daarnaast betroffen de discussiën meer de positie van den

journalist. Hoewel deze niettemin de allergrootste aandacht,

behoeft, zou het niet ondienstig zijn geweest, om

de geestelijke vervorming van de pers door uitwendige

invloeden — en dan niet door het A.N.P. alléén — aan

een' nadere, diepere beschouwing te onderwerpen. In

vorige artikelen heb ik er reeds het een en ander' over

geschreven, waarbij onderscheid is gemaakt tusschen verschillende

soorten persbureaux. Natuurlijk neemt het

A.N.P. een zeer bijzondere positie in, en het is ontegenzeggelijk

-iaardoor, dat dit bureau alléén het onderwerp

van gesprek is geweest in dit gedeelte der discussiën.

Men overschatte de technische werking en daarmee

gepaard gaanden invloed van het A.N.P. echter niet,

noch onderschatte men haar belangrijkheid in het internationale

en nationale berichtgevingsverkeer. Men beseffe,

dat wat men thans van het A.N.P. ondervindt,

(dus niet wat het uiterlijk is), een samenvoeging beteekent

van verschillende vroegere bureaux, welker berichten

de journalisten hadden te verwerken. In feite is, sinds

de oprichting van het A.N.P., de inhoud der berichtgeving

practisch gesproken dezelfde gebleven. Intensiever

echter is, door de vervolmaking der techniek, het verkeer,

of, zoo men wil, de omvangrijkheid. Het is daarom, dat

men wel spreken kan van samengevoegden arbeid van

vroegere bureaux, zonder gelijktijdig te beweren, dat het

daarvan de som is. Het is niet alleen de verbeterde techniek,

maar ook de geheel gewijzigde positie van deze

„samengevoegde bureaux" ten opzichte van de directeuren,

welke tot dit oordeel leidt.

Sommige collega's vieren haat en nijd, om journalistieke

redenen, bot op de telex, terwijl zij vroeger over Vaz

Dias, welks kopij zij toch ook gebruikten, nooit iets uitlieten.

Dit is een bewijs, dat de techniek den journalist

heeft overrompeld. Hij voelt zich als een geslagen vijand

en poogt zich er uit te redden door af te geven op zijn

overwinnaar. Onze Kringvoorzitter heeft in zijn rede een

spijtig geluid laten hooren over de vermechaniseerde

wereld, en in zijn toespraak valt zelfs een toon te beluisteren,

waaruit ik opmaak, dat hij hoopt de techniek een

halt te kunnen toeroepen. *) Zulke hoop is ijdel. De voortschrijdende

techniek valt, ook in de journalistiek, niet te

stuiten. De geschiedenis van de foto-reportage levert

daarvan o.m. een voorbeeld, en ook „de telex is een onvermijdbaar

logisch gevolg van den vooruitgang van het

verkeer". (Lievegoed).

Zoo de telex de journalisten „bedreigt", is het voor

ons taak en eisch nieuwe wegen te zoeken in de publiciteit.

Zegt immers onze Kringvoorzitter zelf niet naar het

woord van Stephen Foot, dat „veranderde tijden, veranderde

journalisten" noodig maken? Spreker bedoelde

het ontegenzeggelijk in geestelijken zin, maar ook in het

uiterlijke eischen veranderde tijden veranderde journalisten

èn. ... veranderde kranten! Naar een woord van

Henry Ford (om nu ook eens het oordeel van een nietjournalist

te citeeren) bergt „elke verandering nieuwe

mogelijkheden" in zich. Natuurlijk bedreigt de telex de

positie van sommige journalisten (er is al meer dan één

slachtoffer gevallen), maar daarmede mogen wij dit nieuwe

product der techniek — een product, dat nu eens niet

ter vernietiging, doch ter intensiveering van het verkeer,

en dus ten bate van de geheele menschengemeenschap

kan worden aangewend — allerminst veroordeelen.

Waar door de telex werk vrij komt, moet die arbeid op

andere, voor de krant nuttige wijze worden gebruikt. En

er is op iedere krant, d.w.z. in elk krantenbedrij f nog heel

wat te verrichten, waaraan tot nog toe weinig of in het

geheel geen aandacht wordt besteed. Elke journalist kan

zulke dingen voor zijn eigen bedrijf voor de vuist weg

opnoemen.

Waarom maken wij zoo'n misbaar om de telex en niet

om de nieuwe tele-type-zetmachines, van welke nieuwe

soort het dagblad De Telegraaf er onlangs drie heeft

aangekocht? Op het oogenblik heeft, voor zoover ik weet,

nog geen enkele collega zich gestoord aan deze telexzetmachine

(de tele-type-zetmachine kan namelijk ook in

samenwerking met telex-apparaten worden gebruikt). 2 )

Dat de typografen zich er drukker om zullen maken, zoo

zij het al niet gedaan hebben, spreekt vanzelf, maar het

neemt niet weg, dat wij onze oogen niet mogen sluiten

voor het feit, dat het niet alléén de telex is, die onze

aandacht behoeft. Er is in het krantenwezen bezig zich

een revolutie te voltrekken, waarbij de eerste slachtoffers

reeds gevallen zijn. Het eenige defensief der journalisten

kan bestaan in het volgen van nieuwe wegen, die langs

een omweg naar het hart van het bedrijf voeren en die

gevolgd moeten worden met een élan, dat niet te stuiten

moet zijn door de koude, harde techniek, maar dat daaraan

juist zijn energie moet ontleenen. Men bedenke, dat

wij op die techniek nog altijd een streepje vóór hebben.

n.1. den geest, waarvan ook onze Kringvoorzitter zeide,

dat hij „achter de telex staat".

Op het oogenblik is het nog zoo, dat de telex den geest

der journalisten beheerscht. Het moet echter zoo worden,

dat de journalisten de telex beheerschen. Zoo min als de

schrijfmachine en de vulpen een plaats in onze gedachten

innemen, wijl zij in het dagelijksche gebruik naar onze

eigen hand gezet worden, zoo moet ook in het groote

krantenbedrij f de telex het onmisbare, vanzelfsprekende,

maar. . . . beheerschte middel zijn, om de krant naar grootere

volmaaktheid te voeren.

JAN D. REMPT

*) Dit is niet juist. — Red.

2 ) De inleider heeft daarop wel degelijk gewezen. — Red.

STOPPERS. Te goedkoop ?

In de Parijsche pers is een actie gaande om bij de

algemeene prijsverhooging voor de tweede maal binnen

korten tijd de bladen daarin te laten deelen. Thans

kosten ze 30 centiem, behoudens een enkel, dat tot

40 of 50 gaat. Alle zouden voortaan 35, 40 of zelfs 50

centiem moeten kosten.

Volgens de Jour en andere gaan de productiekosten

den verkoopsprijzen te boven. Ze hebben van de algemeene

landerigheid te lijden en onder dien druk wordt

aan „ordening" van hooger hand gedacht: langs wetgevenden

weg zou een minimumprijs moeten worden bepaald

naar de mate van het aantal en den omvang deibladzijden.

De voorstellers gronden dit vooral op het

omhoogloopen van den papierprijs met 35 en binnenkort,

naar het heet, zelfs met 50 pet.

* *

*

Men herinnere zich, naar aanleiding van het bovenstaande,

wat op onze jongste algemeene vergadering

door collega Mendell over dit onderwerp is gezegd.


Dr. 1 M. C. VAN OVERBEEK. t

Dr. }. M. C. van Overbeek, die uit Amsterdam in

de Maasstad op familiebezoek was, is daar op 5 Januari

plotseling overleden, 66 jaar oud.

De heer van

Overbeek, die r.k.

geestelijke is geweest,

heeft o.a.

te München zijn

kunst-historische

studiën voortgezet.

Hij is te Freiburggepromoveerd

op een

proefschrift over

Hugo van der

Goes. Te München

en later te

Rome heeft hij

indertijd aan de

A^. /?. Cr. meegewerkt.

Na zijn terugkeer

in het land

is hij redacteur

voor beeldende

kunst, muziek en

de rubriek buitenland

aan het

dagblad Voorwaarts geworden. In die dagen is hij bestuurslid

van de Rotterdamsche Journalisten-Vereeniging

geweest en gedelegeerde der vereeniging bij het bestuur

van den Nederlandschen Journalisten-Kring. De collega's

hebben den omgang met dr. van Overbeek altijd zeer gewaardeerd.

Bij zijn vertrek uit Rotterdam heeft een algemeen

comité hem een hartelijke huldiging bereid. Een

tijd lang is hij daarna nog aan de redactie van Het Volk

verbonden geweest.

Hij had zich gespecialiseerd op de oude Italiaansche

en de oude Nederlandsche kunst, waarover hij vele lezingen

heeft gehouden en ook in week- en maandbladen

artikelen heeft gepubliceerd. Twee seizoenen heeft hij op

het kasteel Nyenrode gewoond, waar hij den bezoekers

voorlichting verstrekte omtrent de tentoongestelde kunstschatten.

Op 9 Januari is het stoffelijk overschot van dezen bekwamen

en trouwhartigen kameraad op Crooswijk ter

aarde besteld.

Tot hen, die gekomen waren om den overledene de

laatste eer te bewijzen, behoorden de heeren mr. P. C.

Swart en G. H. Hoek, namens de Rotterdamsche Journalistenvereniging,

eerstgenoemde ook namens den

Kring. E. Warffemius, namens de Rotterdamsche Kunstenaarsvereeniging

De Oase, G. M. Dersjant, namens

de vereeniging Kunst in Huis, W. H. R. van Manen,

W. Landré, J. J. van Elsacker, A. A. Lührs, K. Kos Koolhaalder,

H. C. Mac-Lean, mevrouw S. Dersjant en mevrouw

Henriëette Borsten-van Breemen. Voorts waren er

vertegenwoordigers van muziek- en zangvereenigingen en

van cultureele arbeidersorganisaties, o.w. de heeren M. v.

Eekeren, namens de kunstzinnige propagandacommissie,

en G. v. d. Pols, namens den Bond van Arbeidersmuziekvereenigingen.

Onder de tonen van het Largo van Handel, gespeeld

op het orgel, werd de kist, bedekt met vele kransen, in

de kapel op de baar geplaatst. Nadat de familie en eenige

vrienden van den overledene, die in den rouwstoet waren

meegekomen, waren binnengeleid, zong De Stem des

Volks Rechter Maasoever, onder leiding van den directeur

H. Altink, „Ecce quomodo moritur" van J. Handl.

De heer M. van Eekeren sprak namens de kunstzinnige

propagandacommissie. Hij wees er op, dat dr. van

Overbeek zijn belangstelling voor de korpsen en koren

reeds toonde, toen deze nog maar pas begonnen op te

DE J O U R N A L I S T 15

treden. Dat de vereenigingen een plaats van beteekenis

veroverden, is voor een groot deel te danken aan de hulp

en voorlichting van den overledene. Op het werk van het

Instituut van Arbeidersontwikkeling heeft dr. van Overbeek

het stempel van zijn groote kennis gedrukt. Steeds

heeft hij belangstelling gewekt voor het streven van het

Instituut en van de kunstzinnige propagandacommissie.

Voor al het groote en goede werk, dat dr. van Overbeek

aan deze cultureele instellingen wijdde, zegde spr. hem

dank.

Mr. P. O Swart sprak namens den Ned. Journalisten

Kring en namens de Rotterdamsche Journalistenvereeniging,

van welke vereeniging de overledene eenigen tijd

bestuurslid is geweest. Dr. van Overbeek, zoo zeide spr.,

was een prettig collega en een geestig kameraad. Slechts

van terzijde heb ik een blik in zijn leven kunnen slaan,

dat niet van vele moeilijkheden is gespaard gebleven.

Misschien heeft ook het verkeeren op een plaats, waar hij

zich niet thuis voelde, invloed op zijn persoonlijkheid gehad.

Mr. Swart herinnerde aan de groote liefde van den

overledene voor de Italiaansche taal, de Italiaansche

opera en zijn voortdurende bereidheid om Italiaansche

artiesten vriendschappelijk tegemoet te treden. Hij was

een vlot spreker, hield lezingen over kunst en leidde cursussen

en buitenlandsche reizen, waarbij hij door zijn

kennis van talen en kunst zijn gezelschappen veel kon

leeren. In het vereenigingsleven was hij een opgewekt,

gastvrij, hartelijk mensch; het was een voorrecht van zijn

kout te mogen genieten. De collega's zullen aan dezen

prettigen kameraad een warme herinnering behouden.

Hierna hebben nog verschillende personen uit kunstkringen

het woord gevoerd.

S. H. TJABRING.

Met het heengaan van S. H. Tjabring als correspondent

der Nieuwe Rotterdamsche Courant op 31 Dec. j.l„

na een arbeidsperiode van ongeveer 35 jaar, is een

merkwaardige figuur aan de journalistieke wereld in

Utrecht ontvallen. Merkwaardig vooral om de combinatie

journalist-spoorwegambtenaar. Of moeten we

de zaak omdraaien? Wanneer men ons zou vragen of

collega Tjabring zich meer journalist dan spoorwegambtenaar

voelde, zouden we die vraag niet kunnen beantwoorden.

Bij geen enkele belangrijke gebeurtenis in de

stad of daarbuiten ontbrak onze collega en hoe hij daartoe

zijn vacantie versnipperde of op andere geheimzinnige

wijze gelegenheid vond zijn bureauwerk bij de

N.S. aan te vullen, zóó dat zijn chefs er volledig genoegen

mee namen, weinigen zijn er die er het juiste van

hebben begrepen. Zeker is intusschen, dat noch de

krant noch de Spoorwegen ooit reden hebben gehad

zich over hun medewerker te beklagen, want zijns gelijke

in ijver en alomtegenwoordigheid moet nog geboren

worden. Dat er niettemin onder de collega's wel

eens geprutteld werd over het „instituut-Tjabring" is

begrijpelijk, gezien het feit der werkloosheid in onze

kringen. De beminnelijke figuur van Tjabring, zijn hulpvaardigheid,

accuratesse en belangeloosheid waren echter

oorzaak, da het gepruttel geen ernstige afmetingen aannam.

Zijn tijd moest het nu maar uitdienen. Ageeren

tegen iemand als Tjabring was eenvoudig ondenkbaar.

Onze nestor had één eigenaardigheid en daarvan

moet hier toch even melding worden gemaakt. Hij was

de vriendelijkheid zelf, maar men moest het niet wagen

ook maar een heel klein grapje te maken op de Koninklijke

Familie, of Tjabring veranderde tot onherkenbaar

wordens toe. Dan kon hij driftig worden en met

een vloed van woorden, soms haast onverstaanbaar van

agitatie, den schuldige tot de orde roepen. Wie Tjabring

heeft geobserveerd bij de aankomst van de Koningin

of van de Prinses, zal het zijn leven niet vergeten.

Dan werd hij aangegrepen door een zóó hevige

emotie, een zóó kinderlijke blijdschap, dat men er stil

van werd. Ook bij een parade kon Tjabring warm loo-


16 DE J O U R N A L I S T

pen. Hij was er een half uur tevoren, inspecteerde met

de hem eigen nauwgezetheid ieder onderdeel, en schreef

steevast in zijn krant, dat ,,het dit jaar al wèèr minder

was dan het vorige". Een parade op 31 Augustus kon

hem niet luisterrijk genoeg zijn. En aan luister ontbrak

het de laatste jaren inderdaad nogal eens.

Zoo leeft Tjabring in de harten der collega's als een

voorbeeld van plichtsbetrachting, ijver en liefde voor

het Vorstenhuis, Als een collega, die voor jong en oud

klaar stond en op wiens woord men kon vertrouwen.

Geen wonder, dat spontaan het verlangen naar voren

kwam, hem bij zijn vertrek een geschenk aan te bieden.

Wat zou men hem beter hebben kunnen geven dan een

paar geschiedkundige werken om zijn kennis van de

historie — die overigens zeer respectabel is — nog aan

te vullen? De collega's Koster, Raatgever, Pohl Sr. en

ondergeteekende hebben daarbij de gevoelens van allen

vertolkt en Tjabring nog eens nadrukkelijk de verzekering

gegeven, hoe zijn ruime opvatting van het begrip

collegialiteit ons steeds opnieuw heeft getroffen en

hoe allen tot het laatst in volle harmonie met hem hebben

samengewerkt.

Moge hij nog lang van een welverdiende rust genieten.

Hoewel Tjabring en rust zich nimmer zullen vereeniqen.

VAN DEINSE.

DE ENGELSCHE PERS

Buitenland.

Aan een artikel in De Perswereld ontkenen wij de

volgende bijzonderheden:

„De gunstige ontwikkeling van de Engelsche pers, in

1933 begonnen, heeft zich in het afgeloopen jaar voortgezet.

Natuurlijk hebben de geleidelijk verbeterde economische

omstandigheden in het Vereenigd Koninkrijk

daartoe het hunne bijgedragen. De opleving in handel en

industrie spiegelt zich af in krachtige reclame-campagnes,

zeer ten voordeele van de bladen. Bijna alle bladen

hebben in het afgeloopen jaar meer advertenties gehad

dan in jaren het geval is geweest. Dat geldt niet alleen

voor de groote Londensche pers, doch evenzeer voor de

provinciale bladen.

De Londensche Daily Telegraph kan er zich op beroemen,

het record te hebben, behaald wat betreft de

rubriek advertenties. In totaal verschenen in het blad

23172 kolom advertenties; 10572 kolom werd ingenomen

door groote, 12600 kolom door kleine annonces.

In het geheel verschenen in Groot-Brittannië aan 't

begin van dit jaar 150 dagbladen (waaronder 11 uitsluitend

gewijd aan sport en 4 aan handelsbelangen).

Schakelt men de sportbladen uit, dan verschijnen van

de overblijvende 139 dagbladen 50 des morgens en 89

des avonds.

De gunstige ontwikkeling van het krantenbedrij f blijkt

duidelijk uit de hoogere oplage-cijfers, zoowel wat de

Londensche groote pers als de provincie- en de Zondagsbladen

betreft.

Aan de spits van de dagbladen staat reeds bijna 23^

jaar zonder onderbreking het orgaan van de Arbeiderspartij,

de Daily Herald, met meer dan 2.000.000 ex. per

dag. Daarop volgt de Daily Express, welke in December

ook bijna de 2 millioen bereikte. De Daily Mail neemt de

derde plaats in, met een gemiddelde oplage van iets

meer dan 1% millioen per dag (in December). In 't

afgeloopen jaar is de oplage van dit blad voortdurend

gestegen. De News Chronicle had in het tweede halfjaar

van 1935 een gemiddelde oplaag van 1.348.000 (tegen

1.345.000 in 1934). De Evening Standard (avondblad)

haalde iets meer dan 400.000, de Evening News ruim

700.000, de Star ruim 476.000 (met inbegrip van de rensport-nummers

in het tweede halfjaar ruim 600.000).

Een wonder van vooruitgang mag de Daily Telegraph

worden genoemd. Eenige jaren geleden, toen het blad

in het bezit overging van gebroeders Berry en Lord

Iliffe, had het een gemiddelde oplaag van 99.000; deze

steeg echter om zoo te zeggen zienderoogen en bedroeg

in December j.1. niet minder dan ruim 460.000! (In Januari

zijn de 500.000 reeds overschreden). In December

1934 bedroeg de oplage nog slechts ruim 392.000.

Morning Post en Times blijven vrijwel stationnair,

hoewel laatstgenoemd blad wel voortdurend, doch zeer

langzaam, vooruitgaat. (1932 gemiddeld 178.534 per

dag; 1933: 179.530... 1934: 182.799; 1935: 186.325).

Van de in de provincie verschijnende bladen noemen

wij de Daily Record, Glasgow (gemiddeld 232.265 p.

dag); Huil Daily Mail (82.000); South Wales Evening

Post, Swansea (46.942); Grimsby Evening Telegraph

(25.000); Derby Evening Telegraph (45.000); Leicester

Evening Mail (60.000); Bristol Evening Post (63.763);

Liverpool Echo (220.367); Liverpool Daily Post

(47.000).

Het record der Zondagsbladen staat nog steeds op

naam van News of the World, met de reusachtige oplaag

van 3.350.000; daarop volgt People met 3.250.000.

Sunday Express bezet de derde plaats met 1.293.000 ex.

(in December j.1.) De andere Zondagsbladen blijven

alle (sommige zeer ver) onder de 1.000.000."

Nagekomen Berichten.

KRINGCONTRIBUTIE 1937.

De Penningmeester van den Kring verzoekt den leden,

ter voorkoming van administratie-kosten, de contributie

oyer 1937 te willen gireeren op zijn rekeningnummer

67966, vóór 15 Februari a.s. Daarna zal anders per kwi~

tantie worden gedisponeerd.

AANVULLING LEDENLIJST.

Voorgedragen als gewoon lid:

K. D. Koning, Hbld., Amsterdam.

Bedankt als lid:

G. Oznowicz, Busken Huetplein 1, Hilversum.

Mej. E. B. v. Wijk, Ruysdaelstr. 53 I, Amsterdam.

Adreswijzigingen:

L. Althoff naar Kleine Gartmanplantsoen 3, Amsterdam.

P. Kloppers naar Leemzoolscheweg 8, Laren (Gooi).

Dr. J. F. E. Einaar naar v. Baerlestr. 8a, Leiden.

DE AMSTERDAMSCHE PERS.

Voor het lidmaatschap van onze vereeniging heeft

zich aangemeld col'1. H. W. Assmann, van De Stad

Amsterdam en Panorama. Ev. bezwaren kunnen binnen

acht dagen worden ingediend bij den secretaris

_ _ _ _ ^ S. DE VRIES.

PERS-COMITÉ.

De Perscomité's, ingesteld bij de huwelijksfeesten,

zijn in een bijeenkomst op 18 Januari j.1. ontbonden. De

voorzitter, mr. J. J. van Bolhuis, betuigde allen, die

meewerkten, hartelijk dank, en bood den secretaressen

mej. E. J. Belinfante en mevr. Jars de Gubernatis bloemen

aan. De collega's Cnossen en Bon spraken namens

den Kring en namens de Kath. Journalisten-Vereeniging.

Advertentie.

VOOR INDIË.

Jong journalist (25 a 30 jaar) kan geplaatst worden

bij groot Indisch dagblad. Aanvangs-salaris ƒ 500.—

per maand. Brieven met uitvoerige bijzonderheden en

referenties onder letter A aan den Redacteur van „De

Journalist".

More magazines by this user
Similar magazines