DE JOURNALIST

webstore.iisg.nl

DE JOURNALIST

N^ 360 1 Maart 1923

DE JOURNALIST

Orgaan vanden Nederlandschen Journalisten-Kring

Adres voor Redactie en Administratie

BUSSUM Kon. Emmalaan 13

INHOUD. Officieele Mededeelingen: Agenda Algemeene Vergadering;

Kringbestuur; Vergadering; Commissie; Vacantieregeling;

Ledenlijst; Jaarverslag van den Penningmeester. —

Algemeene belangen: Beleid van den Redacteur. — Personalia

en berichten: Het „Dagblad". — Ingezonden: Veroordeeling

Van Staal. — Advertentie.

Officieele Mededeelingen.

Jaarlijksche

Algemeene Vergadering

op Zondag 4 Maart 1923

des voormiddags 11 uur

in Café RICHE, Korte Hoogstraat, boven de Passage,

te ROTTERDAM.

AGENDA:

1. Notulen van de Algemeene Vergadering van 8 October

1922 te Amsterdam.

2. Mededeelingen.

3. Jaarverslagen van den Penningmeester.

4. Benoeming eener commissie voor het nazien der

rekening over 1923.

5. Vaststelling van het bedrag der bijdrage over 1923,

uit de Kringkas te. storten in de Weerstandskas (art. 23

H. R.). Het Bestuur stelt voor, de bijdrage, evenals

vorige jaren, te bepalen op het reglementaire minimum

van 10 %.

6. , Verkiezing van een voorzitter, wegens periodieke

aftreding van den heer D. HANS, die herkiesbaar is.

7. Verkiezing van twee bestuursleden, wegens.periodieke

aftreding van de heeren A. G. BlEMOND te Zutphen

en mr. P. H. RiTTER Jr. te Utrecht, die herkiesbaar zijn.

8. Verkiezing van een voorzitter der Commissie van Advies,

wegens periodieke aftreding van den heer N. D.

KUIPER te Den Haag, en van een lid dier commissie,

wegens periodieke aftreding van den heer J. H. VAN DiJL

te Rotterdam. Beiden zijn herkiesbaar.

9. Jaarverslag van den Secretaris.

10. Voorstel van het Bestuur, om over 1923 een crediet

van f 1750 toe te staan voor het orgaan, berekend op

een omvang van gemiddeld 4 bladzijden per nummer.

11. Bespreking van het beleid van den redacteur van

De Journalist (art. 65 H. R.) en verkiezing van een

redacteur en een plaatsvervangend redacteur, wegens

periodieke aftreding van de heeren C. A. CRAYÉ en

G. POLAK DANIELS, die herkiesbaar zijn.

12. Rondvraag.

Redacteur:

CORN. A. CRAYÉ

Kringbestuur.

Dit blad verschijnt den eersten en

derden Donderdag van iedere maand

Het Kringbestuur kwam 24 Februari 's avonds half 7, te

's-Grayenhage bijeen. Aanwezig waren de leden HANS, voorzitter,

VOOGD, VAN DER HOUT, CRAYÉ, SCHOTTING, POLAK,

BlEMOND, RITTER, en de gedelegeerden KOUWENAAR (Amsterdam)

en HOLSBOER (Oostelijke Pers), VAN OOSTEN (Haarlem)

en VAN VOOREN (Rotterdam).

Reis Zuid-Afrika. — Bij de ingekomen stukken was een

uitnoodiging van het Koninklijk Nederlandsen Landbouw-

Comité, om een journalist aan te wijzen die een gezelschap

Nederlandsche landbouwers op een reis naar Zuid-Afrika zou

vergezellen. De kosten zouden voor eigen rekening komen.

Besloten werd mede te deelen, dat van de uitnoodiging geen

gebruik kan worden gemaakt.

Bemiddeling. — De Voorzitter deelde mede dat het Dag.

Bestuur bemiddelend was opgetreden in de zaak van twee

leden, die door den uitgever van een weekblad, waaraan zij

(als bij-functie) meewerkten, plotseling voor verdere medewerking

waren bedankt. Als gevolg van deze bemiddeling

zagen de beide collega's zich elk drie maanden honorarium

uitgekeerd.

Statuten-herziening. — Voorts deelde de Voorzitter mede,

dat het Dag. Bestuur 's middags had vergaderd met het

Dag. Bestuur van De Amsterdamsche Pers over de voorgestelde

statuten- en reglements-herziening. In deze conferentie

was overeenstemming verkregen. De zaak zal spoedig in een

speciale bestuursvergadering worden behandeld.

Dankbetuigingen. — Brieven van het bestuur van de

Rotterdamsche Journalisten-Vereemging en van den heer

E. W. DE JONG te Amsterdam, houdende dankbetuiging voor

de betoonde belangstelling bij jubilea, werden voor-kennisgeving

aangenomen.

Candidaturen. — Eenige nieuwe leden werden aangenomen

(zie elders).

Financieel Verslag. — In verband met het Financieel

Verslag van den Penningmeester, aanwijzend een tekort van

f 1800 (waaronder f 1000 van het vorig jaar) ontspon zich

een uitvoerig debat. Eenerzijds werd er op gewezen, dat de

financieele toestand niet gunstig is, anderzijds toonde men

aan dat 1922 een abnormaal-duur jaar is geweest, zoodat

over 1923 een gunstiger uitkomst mag worden verwacht. In

het bijzonder legde men er den nadruk op, dat, indien alle

leden aan hun contributie-verplichtingen zouden voldoen, het

tekort geheel of grootendeels zou verdwijnen. Nu dit niet

geschiedt, is de penningmeester telkens genoodzaakt een

bestaand tekort tijdelijk uit de Weerstandskas te dekken, wat

toch geen zuivere toestand is. Inmmiddels besloot het Bestuur

— op voorstel van den penningmeester — nog geen speciale

maatregelen voor te stellen, maar het tekort over te schrijven

op de nieuwe rekening, en dan aan het eind van het jaar

den toestand te beoordeelen. Eerst wanneer alle leden hun

contributies voldoen, kan een toestand van financieel evenwicht

worden bereikt.

De Voorzitter bracht een woord van oprechte waardeering

aan collega CRAYÉ, die er het afgeloopen jaar in geslaagd is

voor een belangrijk bedrag aan advertenties in het orgaan

geplaatst te krijgen (Applaus), en aan den penningmeester

voor zijn beheer over het afgeloopen jaar (Instemming).

Vacanties. — Het Dagelijksch Bestuur stelde voor, een

poging te doen, om in die gevallen, waarin de vacanties voor

journalisten te kort zijn, verbetering aan te brengen.

Dit werd aangenomen.

Na ampel debat besloot het Bestuur als zijn meening uit

te spreken, dat een vacantie van drie weken als minimum

kan worden beschouwd, terwijl voor nacht-redacteuren een

minimum van vier weken wenschelijk werd geacht.

Er werd voorts op gewezen, dat enkele directies een vacantiebijslag

uitkeeren. Een voorstel van een der leden, om als de


22 DE JOURNALIST

meening van het Bestuur uit te spreken dat overal zulk een

bijslag wenschelijk is, kon geen meerderheid verwerven.

Over de vacantie-aangelegenheid zal met het Bestuur der

Directeuren-vereeniging in overleg worden getreden.

Internationale Pers-Unie. — In verband met het feit. dat

wederom een internationale vergadering van vertegenwoordigers

van persvereenigingen wordt voorbereid (te Parijs) kwam deze

aangelegenheid opnieuw in het Bestuur ter sprake. Het Bestuur

besloot aan de voorloopige leiders het voorstel te doen, om

— in verband met den internationalen toestand — die bijeenkomst

opnieuw voor eenigen tijd uit te stellen, omdat er

thans, gezien de vroeger gebleken tegenstellingen, volstrekt

geen beter resultaat kan worden verwacht.

Honorarium van medewerkers. — In verband met dit

onderwerp nam mr. RITTER op zich, een nader advies aan

het Bestuur uit te brengen. Op dit oogenblik kunnen daaromtrent

geen verdere mededeelingen worden gedaan.

Arrestatie Nederlandsch journalist. — Op verzoek van een

der leden zal het Dag. Bestuur nagaan of er aanleiding

is informaties in te winnen in verband met de beweerde

arrestatie van een Nederlandsch journalist in het Ruhr-gebied.

Salarieering. — Nogmaals zal bij enkele bladen in het

Oosten des lands worden opgetreden ten behoeve der salarissen

van eenige collega's.

Persplaatsen. — Het Bestuur besloot zicli tot Gedeputeerde

Staten van Overijsel te wenden in verband met de persplaatsen

in de zittingszaal der Staten.

De vergadering werd hierna gesloten.

Vergadering.

Het Bestuur wekt de leden dringend op tot bijwoning van

de Jaarvergadering op aanataanden Zondag te Rotterdam.

Zij begint om n uur, in Café Riche, Korte Hoogstraat.

Niets is zoo onaangenaam als slecht-bezochte vergaderingen.

Moge dus een drukke opkomst de belangstelling der leden

toonen.

Commissie.

In verband met het feit, dat de financieele toestand van

den Kring het noodzakelijk maakt uit te zien naar middelen

om de inkomsten te versterken, en op grond van de overweging

dat nog zeer vele publicisten in aanmerking komen

voor het buitengewoon lidmaatschap van den Kring, besloot

het Dagelijksch Bestuur een beperkte commissie te benoemen,

die tot opdracht krijgt: het werven van buitengewone leden

en zoo mogelijk van donateurs

De Kringvoorzitter heeft de heeren W. N. VAN DER HOUT,

Kringsecretaris, C. J. SCHOTEL te Amsterdam en C. DE ROT

té Rotterdam uitgenoodigd in die commissie te willen zitting

nemen. Eerstgenoemde zal voorzitter zijn.

Vacantie-regeling.

Het Kringbestuur heeft besloten zich tot het Bestuur der

Directeuren-Vereeniging te wenden, teneinde in gevallen,

waarin dat noodzakelijk is, te komen tot verbetering der

vacantie-regeling. Men zie voor nadere bijzonderheden het

verslag der jongste Bestuursvergadering in dit nummer.

Mochten ' er leden zijn, die over deze zaak eenige opmerkingen

hebben te maken, mededeelingen ie doen of wenken te geven,

dan zal de Voorzitter daartoe gaarne gelegenheid schenken op

de algemeene vergadering van a.s. Zondag, bij de behandeling

van het jaarverslag van den Secretaris.

Ledenlijst.

Aangenomen als gewoon lid:

Z. J. W. VAN SCHREVEN, Amersfoorlsch Dagblad, Bisschopsweg

150, Amersfoort.

Aangenomen als buitengewoon lid:

J. HARINCK, Postbus 275, Den Haag.

J. W. BROEDET.ET, Van Blankenburgstraat 104, Den Haag.

Adresveranderingen:

L. P. VAN DEN BROEK naar Amstelkade 32 s , Amsterdam.

B. VAN EYSSELSTEYN naar Cronjéstraat 12, Gouda.

R. GÜARNIERI naar Oosteinde 20, Amsterdam.

H. A. MEERUM TERWOGT naar Saftlevenstraat i2 a , Rotterdam.

Mr. GERBERT SCHOLTEN naar Vondelstraat 98, Amsterdam.

Jaarverslag van den Penningmeester over 1922.

De penningmeester, die het vorig jaar optimistisch was wijl

het was gelukt iets van het kastekort in te halen, is weer

ietwat pessimistischer geworden, nu hij over 1922 een rekening

heeft aan te bieden die het bestaande tekort van f 104S.17

opvoert tot f 1813.20. Hieruit blijkt dus, dat het evenwicht

in de Kringfinancièn nog altijd niet is bereikt. Het heelt

naar 's penningmeessters heugenis ook eigenlijk nooit bestaan.

Het eenige verschil tusschen heden en verleden is dat, terwijl

toen nog kon worden geput uit fondsenbezit ter vereffening

van het tekort, zulks nu niet meer het geval is en het thans

als ongedekt op de rekening heeft te verschijnen, in de eerste

plaats zeker wel tot groot leedwezen van hem die over de

Kringfmanciën is gesteld en krachtens die positie de onaangename

taak heeft, de inkomsten op te voeren en daardoor

gestreng jegens in gebreke blijvende collega's op te treden

en anderzijds de uitgaven te remmen en mitsdien zijn

medebestuursleden in hun geestdriftig initiatief te temperen.

Dikwijls met bloedend hart, omdat ook hij uiteraard het nut

van sommige door hem bestreden uitgaven wel inziet.

Het behoeft nauwelijks betoog dat de werkzaamheden van

het Bestuur, ook in verband met de economische actie — in

het afgeloopen jaar vroeg de pensioenregeling bijv. druk overleg

— zich van jaar tot jaar uitbreiden. Het is nu reeds zóó

geworden dat minstgenömen elke maand een dubbele vergadering

— middag- en avondzitting — moet worden gehouden

dat zijn dus minstens 24 bestuursvergaderingen per jaar, nog

ongerekend de talrijke commissiebijeenkomsten. Het spreekt

vanzelf dat om zulk een over het geheele land verspreid

apparaat als het Bestuur nu eenmaal is, in werking te stellen,

ook tengevolge van de nog steeds hooge spoorweg- en andere

tarieven, die verhoogde werkzaamheid met niet onbelangrijke

kosten gaat gepaard. Een en ander is voldoende verklaringvoor

de gestegen bedragen der kosten voor bestuurs-en andere

vergaderingen, zelfs van de algemeene, die in het afgeloopen

jaar veelvuldiger waren dan anders. De penningmeester vleit

zich intusschen met de hoop dat, waar onder die vergaderkosten

ook verschillende bedragen verscholen zitten, betrekking

hebbende op de pensioen verzekering, de „partij ter andere"

straks ook een deel daarvan zal overnemen en ons met een

tegemoetkoming zal verrassen, welke dan 1923 zal ten goede

komen.

Een zware post op onze rekening vormen sedert de laatste

jaren ook de drukkosten voor De Journalist. Ik meen echter

te mogen verwachten dat, bij de gewijzigde toestanden in liet

typografisch bedrijf deze kosten in het nieuwe jaar niet

onbelangrijk zullen dalen. Dit zal waarschijnlijk ook invloed

oefenen op den post „ander drukwerk". In dien post zitten

inmiddels ook bedragen verscholen, die terug te voeren zijn

tot de pensioenregeling, waarvoor zie boven. Tevens bevat

hij de kosten voor het Jaarboekje tot welke uitgave men is

overgegaan, wijl het noode werd gemist en de kosten van

een reorganisatie-rapport en die van twee referendums. De

kosten van het jaarboekje zijn overigens door een kleinen

bijslag op de contributie verevend.

De overige posten van de uitgaven behoeven naar liet

voorkomt geen toelichting.

Wat de ontvangsten betreft, zal men ontwaren, dat het

gelukt is enkele niet onbelangrijke bedragen aan achterstallige

contributie in te vorderen, terwijl de opbrengst over 1922

ook niet onbevredigend is, dank zij ook de hulp van de

penningmeesters te Amsterdam en 's-Gravenhage bij de

invordering ondervonden. De Kring-penningmeester betuigt

voor die gewaardeerde medewerking gaarne zijn dank en het

ware te wenschen, dat deze hulp ook voor de andere plaatsen,

waar leden zijn gevestigd, zou zijn te vinden. Immers de

wanbetaling viert in onzen Kring levendig hoogtij. Voor

iemand die als journalist zijn drukke bezigheden heeft en

alleen zooveel mogelijk van zijn vrijen tijd aan het financieel

bestuur van den Kring kan geven, is het uiteraard onmogelijk

— hoe gaarne hij dan ook zou willen — het gesignaleerde

euvel met kracht te bestrijden. Zoo is over 1922 zeker nog

een bedrag van + f 600 onbetaald aanwezig, alleen van

de hier te lande gevestigde journalisten. Dit cijfer wordt

belangrijk hooger als het wordt vermeerderd met de contributie

dergenen die in het buitenland zijn gevestigd. Kwam

alles geregeld in, dan is het de vraag of nog wel van

onevenwichtigheid der financiën behoefde te worden gesproken !

Onder de ontvangsten zal men ook een hooge post aan

advertenties opmerken. De redacteur van De Journalist meende

aan het blad den omvang te kunnen geven dien hij noodig

achtte, indien hij ook zijn aandacht aan de advertenties

wijdde. Aanvankelijk is hem dit zoo wel gelukt, dat het


toegestane bedrag voor drukkosten per saldo niet al te zeer

werd overschreden. Het komt mij voor dat de redacteur voor

dit met aanvankelijk zoo goed gevolg bekroond initiatief

alle hulde verdient.

Met dit al is er een niet onbelangrijk ongedekt tekort en

het zou misschien op den weg van den penningmeester liggen

om met voorstellen te komen teneinde daarin te voorzien.

Naar zijn meening kan daarvoor niet in aanmerking komen

de toepassing van art. 22 Huishoudelijk Reglement dat aan

het Bestuur de machtiging geeft tot het voorstellen eener

extra-contributieheflïng. Daargelaten dat voor sommige leden

de contributie al vrij hoog is, is aan dien maatregel de

schaduwzijde verbonden, dat hij practisch alleen zou drukken

op hen die gewoon zijn aan hun verplichtingen te voldoen

en de anderen, die feitelijk het tekort veroorzaken, vrijuit

zouden gaan. Daar komt bij dat zulk een maatregel alleen

reden van bestaan zou hebben, als de financiën in evenwicht

waren, zoodat men het tekort kon afmaken op een bepaalde

som. Zoolang dit niet het geval is zie ik in een extra-heffing

voor ééns vooralsnog geen nut. Wel staat voor mij vast, dat

getracht moet worden alle leden zooveel mogelijk aan hun

verplichtingen te laten' voldoen en anders tot den rigoureusen

maatregel van royement over te gaan. Het is niet aangenaam

maar ik zie niet in dat er reden is een toestand te blijven

dulden waarbij slechts een deel contributie betaalt en het

andere er zich niets van aantrekt. Ik voel niets voor een

uitgebreide ledenlijst, wanneer deze een aantal namen bevat

die wel mee profiteeren van de actie van den Kring, maar

daartegenover niet erkennen ook iets voor hem te moeten

over hebben.

Komen de achterstallige bedragen in en krijgen wij voorts

nog teruggaaf van vele thans alleen door den Kring betaalde

kosten, dan hebben wij kans om van het tekort iets in te

halen.

In de derde plaats ware te overwegen of het Bestuur zijn

vergaderingen niet eenigszins zou kunnen matigen.

Verder meen ik te mogen rekenen op een verlaging der

verschillende drukkosten, terwijl in de laatste plaats ware te

overwegen of er nog niet meer buitengewone leden zouden

zijn te werven . . . indien zij tenminste betalen.

Ik heb inmiddels vernomen dat de redacteur inzake de

advertenties een overeenkomst heeft getroffen, die hem voor

1923 een hooger bate uit dien hoofde doet verwachten.

Voor ditmaal zou ik dus het tekort nog eens op nieuwe

rekening willen overschrijven, ieder voorts in overweging

gevende om bij het doen van voorstellen in aanmerking te

Ontvangsten:

Aan contributie 1920

1921

1922

„ vergoeding R. K. Journalisten-Vers .

„ depositorente

„ netto provenu advertentiën Journalist

DE JOURNALIST 23

nemen, dat de toestand van de Kringkas niet dan bij uitzondering

buitengewone uitgaven van beteekenis gedoogt.

De Pensioenverzekering.

De Penningmeester,

A. VOOGD.

Het afgeloopen jaar is voor den Kring op dit gebied zeer

belangrijk geweest. Immers voor de eerste maal kon de uitwerking

worden bespeurd van de regeling welke met behulp

van de Directeurenvereeniging is tot stand gekomen en die

strekt om telken jare bij de Nationale Levensverzekering-

Bank op pensioenboekjes een bedrag te doen storten,

overeenkomende met 10 % van het salaris en waarvan 5 °/0

door de directie en 5 °/0 door de aangesloten journalisten

wordt gedragen, voor zoover deze laatsten er niet de voorkeur

aan geven het door hen op te brengen bedrag aan een andere

wijze van verzekering te besteden waarmede zij hun eigen

belangen of die hunner gezinnen het meest gebaat achten.

Er bleek een aantal journalisten te zijn, die de voorkeur

gaven aan gemengde of andere verzekering, anderen die konden

aantoonen van reeds vroeger datum een dergelijke voorziening

te hebben getroffen, zoodat het daarvoor aangewende bedrag

geheel of gedeeltelijk kon worden afgetrokken van de som

die. zij uit eigen hoofde op de pensioenboekjes zouden hebben

moeten storten. Daar overigens deze wijze van verzekering

geheel buiten den penningmeester omging, kan hij te dien

aanzien geen cijfers geven.

Wat de oudere en nieuwe pensioenboekjes betreft kan

worden meegedeeld, dat door hem een bedrag van f 33885.10

aan de Nationale Levensverzekeringsbank is afgedragen. Gaat

men na dat in de afgeloopen jaren, toen de pensioenverzekering

nog een geheel persoonlijke uiting was van de leden

die daarvan het nut hadden ingezien, de stortingen zich

omstreeks de f 10.000 bewogen, dan blijkt er ditmaal omstreeks

f 24.000 meer door de handen van den penningmeester

te zijn gegaan.

Bepaalde conclusies omtrent de mindere of meerdere deelneming

aan deze wijze van ouderdomsvoorziening kunnen

uiteraard hieruit niet worden getrokkken.

Er werd reeds op gewezen dat het den leden volkomen

vrij stond een andere dan een pensioenverzekering te kiezen.

Evenmin mag uit het oog worden verloren, dat aan verschillende

bladen reeds een eigen regeling bestond of heette te

bestaan alvorens die, welke een uitvloeisel was van het overleg

Rekening van den Nederlandschen Journalisten-Kring over 1922

Totaal

Tekort

Totaal

f 192

„ 311

„ 5965

. 60

. 68

. 25

„ 643

/•7266

„ 1813

/•9079

65

05

42

17

90

19

20

39

Uitgaven:

Per nadeelig saldo 1921

„ 10 % bijdrage Weerstandskas . .

„ ander drukwerk

„ kosten administratieve hulp . . .'

„ subsidie Persmuseum

„ kosten Algemeene Vergaderingen. .

„ „ Bestuurs- en diverse commissievergaderingen

„ „ reis en verblijf bestuurs- en

commissieleden

„ bureaukosten Kringvoorzitter en secr.

Pensioencommissie . .

„ „ secretaris

„ „ penningmeester . . .

„ kosten diploma eereleden . . . .

„ bijdrage gedenkteeken Ind. journalisten

„ deskundig rapport Pensioenregeling

„ hulp aan vreemde journalisten . .

„ tegemoetkoming gedelegeerden . .

„ provisie en incasso

ROTTERDAM 31 December 1922

Totaal

f 1048

. 646

„ 2667

. 771

. 180

, 100

. 100

. 52

• 257

„ 1075

, 755

„ 179

„ 202

„ 112

. 428

. 50

. 100

. 100

. 36

; 131

„ 84

/•9079

17

91

75

43

45

35

92

10

75

15

25

20

90

06

39

A. VOOGD,

Penningmeester.


24 DE JOURNALIST

tusschen Directeurenvereeniging en Journalisten-Kring werd

ingevoerd, zoodat de uitgaven daarvoor buiten de bemoeiingen

van den Kringpenningmeester blijven.

In elk geval mag evenwel als indruk hier wel worden neergelegd

dat terwijl aan sommige bladen door gezamenlijke

medewerking van directeuren en journalisten met geestdrift

aan deze nieuwe voorziening werd meegearbeid, van anderen

weinig of niets werd vernomen. Het zal zoowel op den weg

van ons als op dien der Directeurenvereeniging liggen om,

waar zich nog bezwaren voordoen of afzijdigheid bestaat, te

trachten hierin verandering te brengen. Op de Directeurenvereeniging

niet in de laatste plaats, wijl het geen betoog

behoeft dat ook zij belang heeft bij algemeene deelneming,

al ware het slechts uit een oogpunt van wederzijdsche mededinging.

Hij die zich aan bepaalde verplichtingen onttrekt

schept een ongelijkheid in exploitatiekosten, welke de goedgezinde

werkgevers op den duur niet kunnen dulden.

In afwachting van het welslagen dezer pogingen behoeft

het journalisten dunkt ons niet te beletten om zelf een begin

te maken door 5 % van hun salaris ter plaatsing op een

pensioenboekje jaarlijks aan den penningmeester af te dragen.

Aan dit bedrag is men overigens niet gebonden. Het mag

ook meer zijn en den jongeren kan niet sterk genoeg worden

aangeraden hun pensioenkansen reeds nu door belangrijke

bijdragen aanzienlijk te verruimen. Elk bedrag op jongen

Ontvangsten: n:

Aan saldo 1921 . .

„ bijdrage Journalist


zouden gedijen tengevolge van „meer Kringleven", dat in

het orgaan tot uiting zou komen.

Ik veroorloof mij te meenen, dat de belangen van de

Kringleden het best worden gediend indien hun blad sober

van inhoud blijft, indien die inhoud beperkt blijft tot officieele

mededeelingen, berichten en entrefilets, waarvan het beroepsbelang

in het oog springt, personalia, wat journalistiek nieuws

uit Indië en tot ingezonden stukken van lezers, die iets op

het hart hebben, dat geacht kan worden de belangstelling

van ons allen te hebben. Aanvulling ware — indien noodig —

te verkrijgen met wat wetenswaardige berichten over de pers

in het Buitenland, met wat wij in het algemeen „aardige

stukjes" plegen te noemen en met dat kleingoed in de journalistiek,

dat „by common consent" een blad „frisch" maakt.

Een zoodanige opvatting van de functie van ons orgaan

lijkt mij gewenscht om verschillende redenen. Ze is het goedkoopst.

Ze is "oor de menschen, die het blad moeten lezen

en die toch al veel meer moeten lezen dan zij met vrucht

kunnen verwerken, het vriendelijkst. Het blad heeft veel

getobd met zijn redacteuren. Ook dat zou ophouden, indien

de redacteur zich zou beperken tot het strikt noodige van

zijn taak. Om redenen, waarvan ik de urgentie nooit heb

kunnen bevroeden, vindt hij het al te vaak noodig ingezonden

stukken van lezers van commentaar te voorzien. Deze

gewoonte is al zoo vaak fataal gebleken, dat het verbazing

moet wekken, dat ze zich zoo halsstarrig blijft handhaven.

Indien de Redacteur het aan de lezers overliet om van

instemming of afkeuring te doen blijken ten aanzien van een

of andere kwestie, dan zouden vele stormen in glazen water

achterwege blijven; en daarmede veel zieligs en vernederends.

De gedragslijn, welke ik het waag voor te stellen, lijkt mij

niet slechts de beste en nuttigste, doch ze voorkomt ook elk

verwijt van partijdigheid. De vraag of een bijdrage geschikt

of ongeschikt is, zal bij een redactie-politiek, zooals ik mij

die voorstel, zelden rijzen. Dat is een groot voordeel; want

zelfbewust als wij zijn, is het idee hinderlijk, dat een onzer

de waarde van onze pennenvruchten voor De Journalist in

twijfel kan trekken en ze zelfs kan weigeren; en het wordt

hinderlijker naarmate de Redacteur — zooals thans het geval

is —- op dit deel van zijn taak sterker den nadruk legt.

Uit hetgeen hieronder nog zal volgen, zal blijken, dat ik

van meening ben, dat de Redacteur van ons orgaan bij voorkeur

niet tevens bestuurslid moet zijn.

Mijn betrekking laat mij niet toe op de Algemeene Vergadering

tegenwoordig te zijn. Maar ik koester de stille

— misschien ijdele — hoop, 'dat een of meer collega's het

met mij eens zullen zijn en de Vergadering voor punt n

van de agenda een voorstel zullen doen. in den geest van

dit schrijven.

En nu nog eens de „Zonnige Jaren". Ik zou gaarne op

den voorgrond stellen, dat ik met grooten tegenzin dit onderwerp

opnieuw aanroer. Ofschoon ik het afdrukken van de

artikelen in De Journalist geen gelukkig gebaar achtte, vond

ik aanvankelijk geen aanleiding het voor het forum van ons

eigen wereldje af te keuren. Het leek mij beter er geen

kwestie van te maken. Het was — naar ik wilde aannemen —

een uitzonderingsgeval. Bovendien was de persoon van den

Voorzitter er mee gemoeid, een man die veel van zijn gaven

en zijn werkkracht in dienst stelt van onze belangen.

Maar de houding, door den Redacteur in de aangelegenheid

aangenomen, is oorzaak, dat ik deze overwegingen niet

langer laat gelden. Hij begon de plausibele bezwaren van een

lid tegen de opname voor te stellen als onredelijk en onvriendelijk.

Daarna ging hij nog veel verder. Hij veroorloofde zich

de. vrijheid om — klaarblijkelijk alleen gedreven door een

veilangen naar persoonlijke bevrediging — een groot stuk

uit een dagblad te knippen, waarin de „Zonnige jaren" met

eenige uitbundigheid werden geprezen en dit in De Journalist

te pubhceeren. Ik weet niet of de Redacteur beseft, dat er

Kringleden kunnen zijn, die in deze handelwijze een misbruik

van zijn positie zullen zien; die er bezwaar tegen hebben,

dat hij hun blad gebruikt om zijn haan koning te laten

kraaien. Zoo hij dat niet beseft, dan moge ik hem verzekeren

dat die er inderdaad zijn.

Als zoodanig is het geval „Zonnige Jaren" voor mij een

levendig bewijs van verkeerd redactioneel beheer. Het is

bovendien een voorbeeld van de redactioneele tendentie om

bestuursleden tegen leden in bescherming te nemen. Dat deze

tendentie tot uiting komt is begrijpelijk voor een ieder, die

bedenkt, dat de Redacteur tevens bestuurslid is en dat de

menschelijke aard zich nimmer verloochent. Maar, afgescheiden

van het feit, dat het Bestuur die bescherming'niet noodig

heeft, daar het er zelf voor kan zorgen, behoort ze niet tot

de taak van den Redacteur, die zelfs den schijn dat hij partij

zou kunnen kiezen dient te vermijden. Daarom lijkt het mij

beter, dat de Redacteur niet ook bestuurslid is.

DE J O U R N A L I S T 25

Nu de Redacteur met een matelooze aanhaling uit een

dagbladartikel de voortreffelijkheid van zijn oordeel heeft

trachten aan te toonen, moge hij mij toestaan er het volgende

tegenover te stellen.

De heer RITTER ziet de „Zonnige Jaren" van een letterkundig

standpunt. Letterkunde nu is een ongemeen vaag

begrip en het aantal „standpunten" er in is van een perverse

veelvuldigheid. Deze aanhaling uit de Letterkundige Kroniek

van het Utrechtsch Dagblad bewijst alleen duidelijker het

gebrek aan oordeel van den Redacteur.

Het is een fout van zijn kant om een dergelijk onvast en

gaseus element — het letterkundige — in een kwestie te

betrekken, welke dringend om nuchterheid en „vastigheid"

vraagt. Maar afgezien daarvan heeft ook de letterkundige

waarde van „Uit Zonnige Jaren" in het geheel niets met de

kwestie te maken.

Mijn standpunt — en ik hoop vurig dat van velen met

mij — is het volgende.

Onze Voorzitter heeft een opstel geschreven in De Journalist,

dat aanleiding kon geven tot protest. Het karakter

van het opstel deed voorzien, dat dit protest voor den persoon

van den Voorzitter onaangenaam zou zijn. Het ware daarom

beter geweest indien het achterwege ware gebleven. Dat

blijkt nu. De schrijver stelde zich voortdurend op den voorgrond

en hij vooronderstelde in zijn gedachtengang groote

belangstelling bij de lezers voor zijn persoon — en zelfs

voor zijn gezinsleven. Hij had — naar het mij voorkomt —

kunnen inzien, dat die belangstelling in zulk een intensieven

vorm niet bestaat; en dat zijn houding wrevel zou opwekken,

even goed als dat bij een zelfde optreden in het persoonlijk

maatschappelijk verkeer het geval is. Dit en niets anders is

dunkt mij de oorzaak van het dispuut. En de Redacteur heeft

door zijn overbodige inmenging de scherpte er van verhoogd.

Er is weer degelijk in deze zaak met het woord „persoonlijk"

geschermd. Ook ik ben schuw van persoonlijke opmerkingen.

Maar het is niet wel in te zien hoe men ze hier

ontgaan kan. De schrijver van „Uit Zonnige Jaren" is de

eerste geweest om — misschien literair, in elk geval glorieus

— het „persoonlijk element" naar binnen te halen. En indien

het eens gevleugelde woord „je moet niet persoonlijk worden",

dat een overigens zeer geestig collega uit Amsterdam mij op

een dienstreis, eenige jaren geleden, tot vervelens toe placht toe

te voegen, mij ook nu weer zou moeten treffen, dan zal ik het

aan den schrijver van de „Zonnige Jaren'' moeten doorgeven.

Vergun mij te besluiten met de mededeeling, dat ik onzen

Voorzitter persoonlijk niet ken; ik heb hem nooit gesproken

en herinner me niet hem ooit gezien te hebben. Ook wensch

ik voor niemand onder te doen in mijn waardeering voor

zijn werk voor den Kring.

LONDEN 17 Februari 1923. A. K. VAN RIEMSDIJK.

Antwoord.

Deze heer is een gevaarlijk Ingezonden Stukkenschrijver.

Een maand geleden schrijft hij een twintigtal regels. Niemand

heeft hem daarover iets gezegd of gedaan ... en dan komt

hij vier weken later nog eens plaats vragen voor bijna tienmaal

zooveel regels. Ik heb hem niet gevraagd, het stuk te

bekorten, aangezien het hier een persoonlijken aanval betreft

op het beleid van den redacteur. Bovendien, hij zal niet op

de a.s. jaarvergadering aanwezig zijn, vanwege zijn woonplaats.

Aangezien ik er ook niet zal wezen, daar ik niet gewoon

ben onze Zondagsche vergaderingen te bezoeken, veroorloof

ik mij hier eenige kantteeking.

Wat de „advertenties" betreft, ik kan mij volmaakt vinden

in de omschrijving van een „frisch" blad, die de heer VAN-

RIEMSDIJK geeft. En ik verzeker hem, indien zoo de inrichting

van ons orgaan wordt, dan is het meer „exploitabel" als

advertentie-object, dan thans. Omdat de publiciteitswaarde

van een orgaan voor den adverteerder hier vanaf hangt

met of de leden x duizend gulden per jaar te verteren hebben,

maar of de dames en heeren met dit inkomen hun orgaan!

waarin hij zijn goede geld aan reclames uitgeeft, ook lézen.

Nu de redactie.

Als onze „zelfbewustheid" lid van de commissie van beroep

moet worden — dan zal er wel geen redacteur meer te

vinden zijn, in noch buiten het bestuur. Juist, omdat wij

allemaal meer of .min met die kwaal behept zijn, bestaat de

onaangename noodzakelijkheid een redacteur aan te stellen

om er tegen te waken, dat de zelfbewusten niet in minder

dan tijd tegen elkaar in kampen overstaan. Een minister

heeft eens gezegd, dat hij twee prettige dagen in zijn ambtsloopbaan

had gekend: die van zijn benoeming, en die van

zijn ontslag. Een redacteur van ons Kringorgaan is dan

meestal nog één dag bij een minister achter: den eersten!

Of ik persoonlijk dan zoo te klagen heb? Eerlijk gezegd

neen. De twee of driemaal, dat ik een „ingezonden stuk".

dat over personen of over Kringactie liep, heb geweigerd op


26 DE JOURNALIST

te nemen, hebben de desbetreffenden zich daarbij neergelegd'

En van pennevruchten, die onder de rubriek „aardige stukjes',

vallen heb ik er nooit een geweigerd. Trouwens, die worden

uiterst schaars aangeboden. Er zal evenwel nooit een redacteur

gevonden worden, noch in, noch buiten den Bestuurskring,

die alle „ingezonden stukken" zoo maar opneemt, of alle

„aardige stukjes". Trouwens, de heer VAN R. is wel bijster

inconsequent. Want over het wèl opnemen van de bijdrage

van den heer HANS ... is dit kabaal ontstaan.

Dat een redacteur bestuurslid moet zijn — is in het reglement

bepaald uit hoofde van allerlei bezwaar, ondervonden

toen die bepaling niet bestond.

De commentaren onder Ingezonden Stukken.

Zijn natuurlijk in het algemeen onaangenaam. Toegegeven.

Maar in dit geval toch wel eenigszins vrijmoedig in debat

gebracht. De heer ZÜRCHER viel mij aan, een en andermaal.

De heer VAN RIEMSDIJK eveneens. Moet de redacteur dan

„den lezers overlaten om van instemming of afkeuring te

laten blijken"? Laat de heer VAN R. dan een „gaseus letterkundige"

trachten over te halen, de redactie te voeren, —

als er naar mijn kant klappen vallen, dan mag ik nu eenmaal

graag terugslaan.

De heer VAN RIEMSDIJK meent, dat ik „klaarblijkelijk

alleen gedreven door een verlangen naar persoonlijke bevrediging"

zoo'n groot stuk knipte uit het Utr. Dagblad. Dat

.was geen politiek artikel, waar men in een enkele alinea

citaat, de quitessence kon uitlichten. Wie daarvan een indruk

wou geven aan zijn lezers, moest wat breed citeeren. -

Waarom ik dat met genoegen deed? Het onvriendelijke stukje

van den heer ZÜRCHER, en de hooghartige 20 regels van den

heer VAN RIEMSDIJK hinderden mij sterk, wijl ter zake „de

persoon van den Voorzitter er mee gemoeid was, een man,

die veel van zijn gaven en zijn werkkracht in dienst stelt

van onze belangen."

En wat nu de hoofdgrief van den heer VAN RIEMSDIJK

betreft — ik ben evenmin als hij bang om eens persoonlijk

te worden. Hem heeft gehinderd, dat de heer HANS, in een

„persoonlijke herinnering" te veel over zich zelf sprak, „en

zelfs belangstelling voor zijn gezinsleven veronderstelde."

Dat is een eigenaardige opvatting, van wat mag voorkomen

in een geschrift, dat een „persoonlijke herinnering" wil geven.

Maar" indien dat de aangeboren of door opvoeding verkregen

fijngevoeligheid des heeren VAN RIEMSDIJK den eersten, den

tweeden en den derden keer dat De Journalist den overdruk

bracht, hinderde, had dan iemand van zijn aard dien indruk

„voor het forum van ons wereldje" moeten brengen? Zélfs

tóen collega ZÜRCHER hulptroepen vroeg?

Iemand die zóó fijngevoelig is, had niet — na de 20 regels

in Januari en de pagina van thans zijn getuigenis moeten

eindigen met te schrijven: „Ook wensch ik voor niemand onder

te doen in mijn waardeering voor zijn werk voor den Krihg".

Daarmee wordt patricische fijngevoeligheid in opspraak

gebracht. •&&

Het „Dagblad".

Personalia en Berichten.

In verband met wat ik de vorige maal over het oude

Dagblad schreef, mag er weleens aan herinnerd worden dat

die courant haar hoogen ouderdom ontleende aan het feit dat

zij een voortzetting was van de 's-Graveuhaagsche Courant,

waarin het Dagblad van 's-Gravenhage, ongemerkt, als van

den eenen op den anderen dag overging.

De Haagsche Courant, \trscheen drie maal 's weeks: des

Maandags. Woensdags en Vrijdags, en onmiddellijk nadat in

December 1826 het laatste nummer van de 's-Gravenhaagsche

Courant het licht had gezien, kwam 1 Januari 1827 het eerste

nummer uit van het Dagblad van 's-Gravenhage (later Dagblad

van Zuid-Holland en 's-Gravenhage) gedurende geruimen

tijd ook nog slechts drie maal 's weeks, in de Torenstraat

Wijk D 419, later sinds 1865, toen de courant eiken dag

werd uitgegeven, in het Westeind No. 20.

Het eigenaardige echter van de nieuwe editie van 1827

was, dat de stadsregeering de zaak had overgenomen, dat

met dien datum in Den Haag een officieele Stadscourant het

licht zag. Bovenaan het eerste nummer van 1 Januari 1827 van

het Dagblad van 's-Gravenhage leest men het volgende bericht:

„Door een samenloop van omstandigheden was de ''s-Gravenh.

Crl., sedert eenigen tijd, tot zulk een laagte vervallen, dat

zij, welke een der eerste in het Nederlandsch geschrevene

couranten had kunnen en behooren te zijn, bijna de laatste

was geworden. De Regering dezer stad dit inziende, wenschte

haar uit die laagte te verheffen. Zij begreep, wilde zij hierin

slagen, de courant meer onmiddellijk onder haar opzigt te

moeten stellen en besloot dus, met het begin dezes jaars,

deselve voor eigene rekening te nemen, en aan één ham­

Gedrukt bij A. de la Mar Azn., Amsterdam

leden *) de zorg voor deselve op te dragen. Dit lid, daartoe

uitgenoodigd, heeft die zorg wel op zich willen nemen, en

het is van nu ai', dat onder deszelfs toezicht, de 's-Gravenh.

Courant met'den titel van: Dagblad van 's-Gravenhage, het

licht zal zien. De kortheid des tijds heeft niet toegelaten.

zich omtrent vorm en papier vast te bepalen, maar hierin

zal de noodige voorziening gedaan worden. Om dezelfde reden

heeft men, m deze oogenblikken, zich geen nieuwe letter

kunnen aanschaffen, zoodra deze echter in gereedheid is, zal

deselve daartoe gebruikt worden.

De geest van dit Dagblad zal gematigd en onpartijdig zijn.

De gebeurtenissen der wereld in het algemeen, zullen daarin

naar waarheid voorgesteld en overwogen worden. Van hetgeen

in het Vaderland voorvalt zal in het bijzonder naauwkeurig

verslag worden gegeven. Het zal de strekking hebben om een

vergelijking te maken tusschen hetgeen wij dagelijksch elders

zien gebeuren en hetgeen wij zelven in Nederland ondervinden.

Het zal de natie zoeken opmerkzaam te maken op de

voorregten welke zij boven zoo vele andere Volken geniet.

Het zal trachten de activiteit te vermeerderen, den publieken

geest op te wekken. Ook de Kunsten en Wetenschappen zullen

daarin een plaats vinden. Nieuwe ontdekkingen zullen daarin

worden vermeld, voortbrengselen van Kunst zullen daarin

opgeteekend worden. Aankondiging van voorname binnen- en

buitenlandsche boekwerken, beoórdeelingen van Nederlandsche

boeken in vreemde journalen, Geschied- en Letterkundige

bijzonderheden zullen daarin van tijd tot tijd worden gedaan

en opgenomen. De namen der aanzienlijke vreemdelingen,

welke in deze stad aankomen, zullen daarin vermeld worden.

De Prijscourant der Effecten zal daarin geregeld geplaatst

worden, en wel zoodanig, dat in het Dagblad van Maandag"

de Prijzen voorkomen der Beurs van Zaterdag, in dat van

Woensdag en Vrijdag, die van de Beurs van Dingsdag en

Donderdag. Eenmaal 's weeks zal de Marktprijs der Granen,

tweemalen per maand het vertrek der Stoomboten worden

aangekondigd. In één woord, wat voor openbare en bijzondere

belanhen gewigtig of nuttig mag geacht worden, zal in het

Dagblad worden gevonden.

Dusdanig ingerigt, vleit zich de Regering der Stad 's-Gravenhage,

dat dit Dagblad overeenkomstig zijn zal aan den

stand van beschaving, waarop de Nederlanders, waarop hare

stadgenoten zich bevinden, en houdt zij zicli overtuigd, dat

zij, met deze hervorming, aan den wensch en aan de behoeften

van hare landgenoten voldoen zal.

De prijs van dit Dagblad blijft die der voormalige 's-Gravenh.

Courant. De jaargang zal kosten twaalf gulden."

Wat 'n pracht van een tijd! De regeering zorgende voor

gepaste lectuur voor hare onderdanen! En wat 'n rustige tijd!

Driemaal 's weeks de beursprijzen, opdat zij rustig een a twee

dagen overwogen konden worden. Tijd van vaderlijke landszorg,

waar zijt gij gebleven?

P. A. HAAXMAN.

*) Wie de officieele stads-redacteur was, bleef onvermeld.

Ingezonden.

Veroordeeling Van Staal.

Zou ik in ons orgaan de vraag mogen stellen, of het niet

op den weg ook van den Kring ligt, krachtig te protesteeren

tegen de veroordeeling door de Rotterdamsche rechtbank van

den heer VAN STAAL, redacteur van het Goudsch Weekblad,

tot vier maanden gevangenisstraf wegens beleediging van een

inspecteur van politie te Gouda? Het lijkt mij een geheel

cenig voorval in de geschiedenis der persdelicten. Dat er

boete geêischt wordt, nu ja, wij'weten nu eenmaal, dat elke

waarheid niet mag worden neergeschreven; hoewel hier toch

het algemeen belang van het publiceeren wel. zeer evident is.

Maar vier maanden gevangenis, omdat een collega schreef

dal een politie-inspecteur op zekeren avond beschonken was,

terwijl uit het getuigenverhoor duidelijk bleek, dat dat inderdaad

liet geval is geweest — is 't niet al te bar?

VAN ZUYLEN.

Advertentiën.

Jong Journaliste,

eenige jaren werkzaam geweest zijnde als redactrice-verslaggeefster

aan prov. blad, vlot styliste, van goede algem. ontwikkeling,

corresp. Fransch, Duitsch, Engelsch, steno-typiste,

zoekt plaatsing aan krant, desgew. bereid tevens adm. werkz.

waar te nemen. Goede refer, en proefverslagen beschikbaar.

Br. worden gaarne ingewacht bij de administratie van dit

blad, onder No. 1.

More magazines by this user
Similar magazines