Muismodellen - Nederlandse Vereniging van bioMedisch ...

nvml.nl

Muismodellen - Nederlandse Vereniging van bioMedisch ...

de DEC-AMC/UvA. Zij bestaat uit deskundigen op het gebied van

dierproeven, alternatieven voor dierproeven, proefdieren en hun

bescherming en ethische toetsing. De voorzitter en ten minste

twee van de andere leden zijn niet in dienst van het AMC/UvA.

De DEC beoordeelt het onderzoeksplan en gaat na of het belang

van een dierproef opweegt tegen het ongerief dat de betrokken

proefdieren ondervinden. Pas als de DEC een positief oordeel

heeft gegeven over de voorgenomen dierproeven, of het nu

voor onderzoek is of voor onderwijs met proefdieren, mogen

deze worden uitgevoerd. In de praktijk komt die toestemming er

vrijwel altijd, maar daar kunnen wel een aantal vraag-, advies- en

aanpassingsrondjes aan voorafgaan. Na afloop van een dierproef

vindt er een verplichte evaluatie plaats waarin het daadwerkelijk

ondergane ongerief wordt vastgelegd en die meespeelt in

eventuele volgende aanvragen.

Tijdens het experiment wordt van elk dier afzonderlijk een

welzijnsdagboek bijgehouden. Hierin wordt dagelijks vermeld

of een dier ongerief ondervindt, wat wordt afgelezen aan

gewichtsverlies, apathische houding, conditie van de vacht of

afwijkend gedrag. In praktijk is het ARIA/AMC dus te vergelijken

met een ziekenhuis met zo’n 12.000 tot 13.000 bedden en

evenzoveel dierdossiers. Naast toetsing heeft de DEC ook tot

taak de herkomst, huisvesting en verzorging van de dieren te

controleren evenals de bevoegdheid en de bekwaamheid van

de verzorgers, biotechnici en onderzoekers. In al deze aspecten

speelt de naleving en implementatie van de drie V’s (vervanging,

vermindering en verfijning) een grote rol. De DEC wordt hierbij

geassisteerd door de proefdierdeskundige, de zogenaamde

artikel-14-functionaris. Wanneer je werkt met dieren die genetisch

gemodificeerd zijn, krijg je ook te maken met de Commissie

Genetische Modificatie (COGEM). Deze commissie opereert

landelijk en richt zich vooral op de veiligheidsaspecten voor

mens en milieu bij het werken met genetisch gemodificeerde

organismen, waartoe niet alleen dieren worden gerekend

maar ook plasmiden, virussen enzovoorts. De taakstelling van

de COGEM is vastgelegd in de Wet Milieubeheer (art. 2.27) en

wordt binnen ons instituut uitgevoerd door de biologische

veiligheidsfunctionaris (BVF).

In Nederland bestaat voor het maken van genetisch

gemodificeerde dieren een ‘nee, tenzij’-beleid: je mag geen

genetisch gemodificeerde dieren genereren tenzij je daarvoor

een vergunning hebt. Om die reden kent ons land naast de

twee genoemde regelgevingen nog een derde die uniek is voor

Nederland. Wanneer er genetisch gemodificeerde dieren nieuw

gegenereerd worden, krijg je ook te maken met het Besluit

Biotechnologie bij Dieren (BBD) waarin de oprichting van de

Commissie Biotechnologie bij Dieren (CBD) wordt vastgelegd.

De CBD is een bij wet ingestelde, landelijke, multidisciplinaire

commissie van deskundigen die tot taak heeft de minister van

LNV (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit) van advies te

108

Analyse mei 2009

dienen bij het al dan niet verlenen van vergunningen voor het

verrichten van biotechnologische handelingen bij dieren. De

vergunning wordt alleen verleend als de biotechnologische

handelingen (waaronder het maken van transgene dieren valt)

geen onaanvaardbare gevolgen voor gezondheid, welzijn

en intrinsieke waarde van de betreffende dieren met zich

meebrengen en er geen (andere) ethische bezwaren zijn.

Onderzoekers in Nederland die genetisch gemodificeerde

dieren willen genereren voor hun experimentele vraagstelling

moeten dus een verzoek indienen bij de minister van LNV met

een uitgebreide onderbouwing: wetenschappelijk, klinisch en

maatschappelijk belang van de handelingen, geen beschikbare

alternatieven, beperkte aantasting van de intrinsieke waarde

van het dier, aantallen dieren enzovoorts. De minister legt dat

verzoek ter toetsing en advies voor aan de CBD. De CBD komt dan

binnen twee maanden met een conceptadvies naar de minister,

waarop de minister een conceptbesluit neemt dat gedurende zes

weken ter inzage ligt voor het ‘publiek’. Ieder die dat wil kan dan

kennisnemen van het besluit en daar ook bezwaar tegen maken.

Bij voldoende bezwaar wordt er een hoorzitting georganiseerd

waarin de CBD voorstanders (meestal de onderzoekers) en

tegenstanders (meestal organisaties als de Dierenbescherming,

Proefdiervrij maar soms ook individuen) aan het woord laat.

Hierna weegt de CBD de argumenten, geeft bedenkingen door

aan de minister, doet aanpassingen aan het advies en formuleert

ten slotte een definitief advies. Daarop neemt de minister een

definitief besluit, waartegen in beroep gegaan kan worden. Dit

proces is een tijdrovende (minimaal zes maanden durende) en

administratief zware aangelegenheid die na verloop van de jaren

geen nieuwe inzichten of argumenten meer oplevert. Er blijft

gewoonweg een fundamenteel verschil van mening bestaan

tussen de voor- en tegenstanders van genetische modificatie.

Opmerkelijk genoeg zijn er geen beperkende maatregelen

voor de import van genetisch gemodificeerde dieren en

onderzoekers kiezen daarom vaak voor het laten genereren

van hun genetisch gemodificeerde dieren in een land zonder

beperkende en tijdrovende wet- en regelgeving waarna het

importeren zonder beperkende maatregelen vrijelijk kan

plaatsvinden. Het verdwijnen van kennis en vaardigheid in

biotechnologische technieken uit Nederland is daarvan een

gevolg. Beide argumenten, het uitblijven van nieuwe inzichten

en de wegvloeiing van kennis, hebben ertoe geleid dat er op

dit moment overwogen wordt om het BBD en de CBD op te

heffen en toetsing van de biotechnologische handelingen

onder te brengen bij de DEC’s. Voorwaarde daarvoor is wel dat

de DEC uitgebreid wordt met deskundigen op het gebied van

biotechnologie. Gezien de zelfregulering en attitudeverandering

die het onderzoeksveld het afgelopen decennium heeft

gedemonstreerd zou een vereenvoudigde, doch niet

versoepelde, wet- en regelgeving zeker op zijn plaats zijn.

Literatuur

1 Nagy A, Gertsenstein M, Vintersten K, Behringer R. Manipulating the mouse embryo: A laboratory manual (third edition). Plainview, NY: Cold Spring

Harbor Laboratory Press, 2003.

2 Voncken JW, Hofker M. Wiley. Transgenic mice in biomedical research. In: Encyclopedia of molecular cell biology and molecular medicine, 2nd

edition, vol. 14. Weinheim: VCH verlag, 2005.

De auteurs

J.A.A. Spijkers heeft de Nieuwe Lerarenopleiding afgerond in de richtingen biologie en scheikunde en studeerde vervolgens af als moleculair bioloog

aan de Universiteit Nijmegen. Sinds 2005 is hij als zoölogisch analist werkzaam bij de faciliteit voor Genetisch Gemodificeerde Muizen van het ARIA/

AMC.

M.A. van Roon heeft scheikunde gestudeerd, is gepromoveerd bij de afdeling Anatomie en Embryologie van het AMC Amsterdam en heeft de

technieken en toepassingen van genetische modificatie geleerd tijdens haar eerste postdocperiode op het NKI/AvL in de groep van prof. dr. Anton

Berns. Sinds 1995 is zij hoofd van de faciliteit voor Genetisch Gemodificeerde Muizen van het ARIA/AMC.

Tezamen met analiste N. van Eeken, die sinds 2004 werkzaam is bij de faciliteit, zijn zij verantwoordelijk voor het genereren, saneren en cryopreserveren

van genetisch gemodificeerde knaagdieren voor onderzoekers binnen het AMC.

More magazines by this user
Similar magazines