Download PDF-bestand van document - Onderwijserfgoed

onderwijserfgoed.nl

Download PDF-bestand van document - Onderwijserfgoed

Onderwijsraad

Verslag van de werkzaamheden over de jaren 1972 en 1973

Staatsuitgeverij 's-Gravenhage, 1974


Aan de minister van onderwijs en wetenschappen te 's-Gravenhage


De Onderwijsraad is gevestigd: Bezuidenhoutseweg 123-125, 's-Gravenhage


Inhoud

In memoriam dr. K. Posthumus (1902-1972)/7

Ten geleide/11

Citaten/13

Algemene werkzaamheden van de Raad/16

Eerste Afdeling/36

Tweede Afdeling/43

Derde Afdeling/50

Vierde Afdeling/71

Vijfde Afdeling/77

Zesde Afdeling/81

Zevende Afdeling/86

Administratieve gegevens/92


Dr. K. Posthumus


In memoriam dr. K. Posthumus (1902 - 1972)

Het overlijden van Posthumus op zeventigjarige leeftijd roept in brede kring gevoelens

op, die bij het heengaan van andere ook bekende universitaire figuren

niet zo aanwezig zullen zijn. Hij die heenging werd door velen ten zeerste geacht,

werd door anderen bewonderd, verscheidenen waren ook enigermate

beducht voor hem en tenslotte was er een groep die bijzonder op hem gesteld

mocht heten, die van hem hield. Tot deze laatste reken ik mijzelf en vandaar

niet een evenwichtige bijdrage tot herdenking, maar een meer persoonlijke

ontboezeming.

Of dit verscheiden naar de mens gesproken nu er nog veel van Posthumus ten

behoeve van de herstructurering van het wetenschappelijk onderwijs mocht

worden verwacht, enkel tragisch is? Hem zijn stellig heel wat teleurstellingen

bespaard, nu 1973 en 1974 zeker niet worden gehaald als aanvang van de ter

tafel liggende plannen. Bovendien verscherpten zich in de laatste tijd de tegenstellingen

op onderwijsterrein en ging de billijkheid in het beoordelen van

elkanders standpunt steeds meer verloren. Dit onverwachte afscheid voorkomt

ontgoocheling.

Posthumus zal bekendheid houden juist vanwege zijn plannen welker verwezenlijking

heden tijdelijk wordt vertraagd. Toch waag ik te betwijfelen of zijn eigenlijke

betekenis lag in wat hij zelf als de voornaamste arbeid uit zijn laatste

levensperiode beschouwde. Voor de buitenwereld is dit stellig het geval geweest,

Zijn in persoonlijke stijl geschreven fraaie nota's - alleen op het allerlaatst

herhaalde hij een tikje zichzelf - de geharnaste gesprekken door hem

met kritische verslaggevers gevoerd, bieden behoudens wijzigingen op onderdelen

de inzichten van een man die ten aanzien van het Nederlands wetenschappelijk

onderwijs tot een vaste overtuiging was gekomen, die ieder het

zijne wilde geven, oog had voor de realiteit - zijn spaarzame aard schrok terug

voor het onbetaalbare - tot geen prijs het doceren van het onderzoek wilde

losmaken en door heldere formuleringen en strakke opbouw voor de toekomst

een bruikbaar geheel wist te scheppen.

7


Nu ben ik er, hoe vreemd het klinken moge, niet geheel zeker van of hij, indien

niet aangezocht voor deze herzieningsarbeid, met zulke gemodelleerde voorstellen

zou zijn gekomen, of hij dan niet eerder zijn kritische, zo niet sceptische

vermogens zou hebben benut om op schaduwzijden van andere projecten

te wijzen. Hij beschouwde wat hij ontworpen had als het best bereikbare.

Of hij, die omstreeks 1965 in onderwijszaken beslist geen ordenaar was, niet

mede uit hoofde van de naderhand verkregen dirigerende functie tot de door

hem verdedigde oplossingen gekomen is? Het lijkt mij goed verdedigbaar.

Over Posthumus' Indische jaren kan ik niet oordelen. Ze moeten in het vooroorlogse

tijdvak zeer gelukkig zijn geweest. Na 1945 zag hij het hem ten zeerste

ter harte gaande conflict met Indonesië zich toespitsen en hij heeft onder het

verloop van zaken - hij was een gevoelig, een kwetsbaar man - werkelijk geleden.

Beter toegankelijk zijn voor wie zoals ik nimmer in de tropen vertoefden,

de rectorale jaren aan de Technische Hogeschool te Eindhoven geweest. Ik

reken hen tot de grootste van zijn leven. Posthumus was een democraat, maar

ook een regent. Wie zijn lijn niet wilde volgen had het moeilijk. Het waren er

niet zo velen, die wilden afwijken want - van tijd tot tijd in uit het hoofd voorgedragen

meesterlijke jaarredes zijn beleid uiteenzettend - hij heeft na Dorgelo's

dood van 1961-1968 rector-magnificus, de instelling waarop hij trots was

met snelheid omhooggestuwd.

In de Onderwijsraad is Posthumus geruime tijd lid der Eerste Afdeling geweest

en van 1964 tot 1967 bekleedde hij het algemeen voorzitterschap, te kort om

een diep merk te drukken, lang genoeg om de indruk te vestigen dat hij een

voortreffelijk president was. Op de bijeenkomsten van de Raad was hij onbetwist

leider; zijn kijk op de vraagstukken was scherp, zijn besluitvaardigheid

groot en in het destijds niet drukke verkeer met het departement manoeuvreerde

hij uiterst bekwaam.

Zij die in Nederland gedurende de laatste vijftien of twintig jaren geregeld met

hem omgingen, zullen zich bovenal zijn persoon herinneren. Hij maakte als

mens - zo moet het ook in Bandung aan zijn voor die tijd 'reusachtige' lyceum

zijn geweest - de diepste indruk. Hij hield, had hij eenmaal een standpunt gekozen,

daaraan vast. Terzake van enkele lievelingsdenkbeelden door hem aangehangen

was het beter niet rechtstreeks de discussie te openen. Van zijn wet

die globaal weergegeven uitdrukt dat steeds zo ongeveer onder gevestigde omstandigheden

een 25% der kandidaten bij de overgangs- of eindexamens werd

afgewezen, ben ik nooit diep onder de indruk gekomen. Hij wist dit, gaf als de

kwestie niet ter discussie stond toe dat hij in Indië door het scheppen van een

nieuwe onderwijsvorm voor meisjes deze wet had doorbroken, zond mij ongevraagd

materiaal teneinde duidelijk te maken hoe hij tot formulering van zijn

8


inzichten was gekomen, en toonde alleen gegriefdheid als sommige zijner kennissen

van de 'wet van Posthumus' - het was ook de door hem gehanteerde

aanduiding - niet op de hoogte waren.

Hij was gul in zijn waardering van anderen. Hij hield van gezellige omgang.

Toen hij jaren geleden een ernstige terugslag in zijn gezondheid te boven

kwam, was hij kinderlijk gelukkig. Soms kon hij stil zitten te genieten, om plots,

al of niet uitgedaagd, zelf te beginnen. Toegerust als hij was met slagvaardigheid,

gave voor begripsbepaling, bij tijden scherp aanvallend zonder de balans

te verliezen, dikwijls met humor, bezette hij zonder te willen domineren,

een vooraanstaande plaats binnen nagenoeg elke kring. Hij wist wat hij waard

was en deed geen moeite dit te verbergen, maar evenmin verhulde hij zijn tekortkomingen.

Posthumus is, voorzover ik kan nagaan een dankbaar mens geweest. Hij zou

gaarne nog meer hebben verricht dan hij deed. Ik geloof dat hij af en toe wel

wat staatkundige activiteit had willen ontwikkelen, omdat hij die dingen anders,

belijnder, breder zowel als dieper beschouwde dan de middelmatige beroepspoliticus.

Hij was zich tevens bewust van overal aangetroffen niet af te schudden

menselijke beperktheden, die hem betrekkelijk vergeeflijk ook tegenover

grote misslagen deden staan. Tegelijk had hij iets zwaartillends, indien al niet

melancholisch. Het was geen moedeloosheid intussen waaraan hij zich overgaf:

hij bezat immers een strijdbare natuur. Maar de innerlijke opgewektheid leek

soms afwezig. Misschien dat hij daarom telkens afstand nam;hij uitte zich gaarne,

echter tot aan een zekere grens; verdriet dat hij gekend heeft is nagenoeg persoonlijk

door hem gedragen.

Over zijn wezenlijke geestelijke verworvenheden liet hij zich weinig uit. Hij

wilde wel eens laten doorschemeren of hij maatschappelijk-staatkundig een

aanlokkelijke behuizing gevonden had; zelfstandig als hij was, moest hij zich

onophoudelijk ergeren. Religieus van inslag, gaf hij grote schroom gevoelend

om over het niet aardse te spreken, af en toe te kennen wat er diep in zijn hart

leefde, waar hij de toekomst zag liggen, hoe hij geloofde aan een boven de

kerkmuren uitstijgende verbondenheid. Zij, die hem het beste kenden, hebben

meegedeeld dat hij 'blij naar huis' is gegaan. Het had voor zijn vrienden niets

verwonderlijks. Een snelle oogopslag, een plotselinge korte zin, soms een veelzeggend

gebaar legden meer bloot dan woorden. Posthumus wordt betreurd,

want hij was werkelijk bemind. Maar niemand onder hen die deze markante

figuur node missen misgunt hem die heenging dat hij de eeuwige rust gevonden

heeft.

9

I.A. Diepenhorst


Ten geleide

In dit verslag van de werkzaamheden van de Onderwijsraad over de jaren 1972

en 1973, hetwelk u hierbij wordt aangeboden, is opmerkelijk de verschuiving

van werkzaamheden van de afzonderlijke Afdelingen van de Raad naar centrale

commissies uit de Raad. Dergelijke uit de Raad gevormde centrale commissies

(enkele permanent, de meeste ad hoc) werden in de laatste jaren reeds herhaaldelijk

gebezigd, maar in de jongste jaren treffen èn de veelvuldigheid èn

de aard van de onderwerpen, die tot dergelijke commissies noopten.

In de beide verslagjaren kwamen de Afdelingen totaal 109 maal in voltallige

vergadering bijeen, terwijl de centrale commissies niet minder dan 54 maal vergaderden.

Deze werkwijze bergt het gevaar in zich van een uitholling van de afzonderlijke

Afdelingen. Zij kan er ook op wijzen, dat de indeling van de Raad in Afdelingen

(naar categoriale soorten van onderwijs) niet langer meer doelmatig is. Stellig

geldt dit voor de sectoren van het lager en middelbaar beroepsonderwijs, doch

het geldt ook - zij het in mindere mate - voor de sectoren van het wetenschappelijk

onderwijs en het hoger beroepsonderwijs. Zij kan er evenzeer op

duiden, dat fundamentele problemen, het gehele onderwijs rakende, in toenenemende

mate aan de orde komen. Juist die algemene verschuiving in onderwijsproblematiek

noodzaakt tot een nadere bezinning op het functioneren van

de Raad. De praktische ervaring van de laatste jaren wijst uit, dat alleen al om

redenen van efficiency een zekere bijstelling van de indeling van de Raad in

elk geval geboden is.

Overigens ligt ook nu het gewicht van de Raad nog steeds op het grondvlak

van de Afdelingen. Naast de 109 afdelingsvergaderingen werden er nog eens 21

vergaderingen van afdelingscommissies belegd, werden voor nader onderzoek

door commissies uit de Afdelingen 67 instellingen voor onderwijs bezocht en

werden afzonderlijke leden in enkele honderdtallen gevallen schriftelijk door

het secretariaat benaderd voor een bijdrage aan de meningsvorming.

De Raad verzoekt u om op de gebruikelijke wijze tot publikatie van dit verslag

over te gaan. Mogelijk kan bij de overweging van dit verzoek dan tevens op-

11


nieuw de vraag worden betrokken in hoeverre openbaarmaking van algemene

adviezen van de Raad, zoals er in dit verslag verscheidene worden genoemd, in

een groter aantal gevallen in een vroegtijdig stadium mogelijk zal zijn.

Namens de Onderwijsraad,

w.g. I.A. Diepenhorst w.g. H. Drop

(prof. dr. I.A. Diepenhorst, voorzitter) (mr. H. Drop, secretaris)

's-Gravenhage, 12 juli 1974

12


Citaten

(overgenomen uit het Raadsadvies dd. 14 december 1973 inzake het voorontwerp

van wet ontwikkeling hoger onderwijs)

I Bredere benadering nodig

'De Raad waardeert het, dat de TN ( = toelichtende nota op het voorontwerp)

een aanzienlijk bredere benaderingswijze te zien geeft dan de Nota (op weg

naar hoger onderwijs nieuwe stijl). Maar, zo vraagt de Raad zich af, moet voor

het beleid op de lange termijn niet eerder een visie vooropstaan welke, in een

bredere maatschappelijke context, de doeleinden van het onderwijs in Nederland

voor de nabije toekomst behoren te zijn? Een zekere cultuurfilosofische

benadering kan als uitgangspunt niet worden gemist. In dat raam zou dan ook

het adagium van de 'equal opportunities' nader moeten worden beschouwd, dat

in deze verkorte vorm voorgedragen, meer dan één probleem in zich bergt. Een

nieuwe benaderingswijze van de onderwijs-/vormings-/scholingsproblematiek,

veelszins aangeduid als permanente educatie, zal daarbij stellig naar voren

komen. Tegen deze algemene achtergrond zal dan de ontwikkeling van het hoger

onderwijs kunnen worden geschetst.

In de categorieën van de TN komt het vorenstaande er op neer, dat de culturele

factor, die op blz. 4/5 nu juist als afzonderlijk punt verborgen is gehouden (de

aanhef van 11.1 begint nog hoopvol 'drie' redenen aan te kondigen, maar noemt

er vervolgens slechts twee) uitwerking behoeft en vooropgesteld dient te worden.

Bij die uitwerking zal dan de permanente educatie (blz. 5) en de 'recurrent

education' (blz. 16) moeten worden betrokken, in welk verband tevens aandacht

ware te schenken aan moderne methoden van ontwikkeling (zelfontplooiing)

en nieuwe middelen (open universiteit/school) (blz. 17). Aldus zal het beleidsfilosofische

kader ontstaan voor de 'equal opportunities'. Een voorontwerp

van wet als het voorliggende zou als onderdeel van een pakket van maatregelen

nodig zijn. In feite zou het voorontwerp dan deel uitmaken van een gestructureerd

ontwikkelingsplan en zou meer fundamenteel beoordeeld kunnen worden,

welke weg nu wordt uitgelegd, in welke richting hij leidt en of het voorontwerp

in samenhang met andere maatregelen nu wel een verantwoorde stap is'.

II Biedt het voorontwerp een uitweg voor het capaciteitsprobleem?

'De Raad was in zijn advies van 28 april 1972 (over de Nota op weg naar hoger

onderwijs nieuwe stijl) van mening, dat de Nota geen uitweg bood voor de

problematiek van de te verwachten massaliteit van het hoger onderwijs. In de

TN wordt daaraan meer aandacht besteed. De Raad kan erkennen, dat de

13


toekenning van een toelatingsrecht tot het h.o. een verbetering behelst (blz. 42)

van het bestaande systeem van de toelaatbaarheid tot het h.b.o. (zie ook hieronder

bij artikel 15). Met betrekking tot het capaciteitsprobleem zal er echter in

feite slechts een op enigermate rationeler grondslag gebaseerde toedeling van

de beschikbare studieplaatsen komen - met ongetwijfeld daaraan verbonden

gevolgen. Conditio sine qua non voor een beteugeling van dit probleem is echter,

dat het aantal studieplaatsen bij de instellingen voor h.o. wordt uitgebreid,

hetgeen evenwel niet aanstonds gebeurt. Daarom rijst de bedenking, dat de TN

de zaken wat te rooskleurig voordraagt.

Het kernprobleem, of ter wille van de ontplooiingskansen van een ieder, die

daarvoor de geschiktheid heeft bewezen, blijkende uit een daartoe behaald diploma,

de facto de gelegenheid behoort te worden geboden tot het volgen van

hoger onderwijs - en wel in de studie van zijn keuze - ook indien de maatschappelijke

vraag naar gediplomeerden van die studierichting niet met het aanbod

in overeenstemming zou zijn, blijft immers onbesproken. Dat hier uit financiële

overwegingen voorzichtig wordt gemanoevreerd, laat zich verstaan. Daarbij

is het zicht op een te groot aanbod van niet adequaat te plaatsen academici

allerminst aantrekkelijk. Trouwens, met stelligheid valt over de behoeften van de

maatschappij in haar ongewisse ontwikkelingen weinig te zeggen. Toch dient

in het aangegeven dilemma een duidelijker standpunt te worden ingenomen.

Volledig kan worden ingestemd met de stelling, dat 'schaalvergroting zonder

hervorming rechtstreeks naar een crisis leiden zou' (blz. 11). Of echter de dan

gewezen uitweg van differentiatie in de onderwijsvoorzieningen, met name door

diversiteit te brengen in leeftijdsperioden van deelneming (blz. 16) en in methoden

van kennisoverdracht (blz. 17) wel voldoende is afgepaald om te kunnen

beoordelen of de effecten der gedane voorstellen genoegzaam zullen doorwerken

in relatie tot het gestelde doel, moet worden ontkend. Eerder dan deze diversiteit

van methoden en van leeftijdsperioden te zien als twee aanvullende

notities bij de hoofdoplossing van het rijker schakeren van de programma's van

het tertiair onderwijs zelf, dienen zij deel uit te maken van het te ontwikkelen

hoger onderwijs. Zij dienen 'inclusief' te zijn in de benadering van het differentiatieprobleem

en aldus een integrerend deel uit te maken van de visie, van

waaruit het hoger onderwijs zal worden opgebouwd.

Helaas valt te vrezen, dat de TN nog in sterke mate denkt in termen van schaalvergroting.

Overwegend, zo niet uitsluitend, kanaliseert de TN de ontwikkelingsmogelijkheden

binnen het schoolsysteem en concentreert deze in die zin,

dat ze op een vroege leeftijd worden afgesloten. De oplossing van een kernprobleem

als dat van de 'equal opportunities' wordt eenzijdig gevonden binnen

de structuren van het onderwijs, terwijl het bijvoorbeeld ook behoort te gaan

om de opheffing van belemmerende milieufactoren. De redressering of compensering

daarvan is naar verwachting - het wordt nog experimenteel onderzocht

- primair een zaak van het KBO en vervolgens van de middenschool, echter

14


evenzeer van het kader, waarin de structuur van het nieuwe hoger onderwijs

wordt geplaatst. De bestaande structurering van het onderwijs gaat er te eenzijdig

van uit, dat de ontplooiingskansen en vooral ook -behoeften reeds in een

vroeg ontwikkelingsstadium kunnen en moeten blijken. Toch is het maatschappelijk

functioneren vaak een stimulans - en zeker niet alleen in de negatieve

zin van hoe uit een gegeven situatie weg te komen - voor het ontdekken van

eigen mogelijkheden en behoeften. Veelal zal ook een zekere graad van volwassenheid

nodig zijn om eventuele belemmeringen en remmingen van het

milieu te overwinnen en een blik verruimende studie aan te vangen.

Een en ander versterkt de mening van de Raad, dat een meer afdoende beantwoording

van het capaciteitsprobleem eerst kan geschieden bij een verdere uitwerking

van de cultuur- en beleidsfilosofische uitgangspunten als waarvan onder

I sprake was. Het gevaar blijft anders te groot, dat slechts schijnoplossingen

gevonden worden, terwijl in feite in zulk een cruciale kwestie als die van

de capaciteit van het tertiair onderwijs, geen uitweg geboden wordt.'

Ill Sectorsgewijze invoering h.o.

'Met handhaving van het beginsel van een geleidelijke invoering van het hoger

onderwijs, pleit de Raad voor een sectorsgewijze realisering van de samenwerking

van h.b.o. en w.o., al naar de bereidheid en stand van ontwikkeling in de

desbetreffende sector. Reeds eerder heeft de Raad zich uitgesproken met betrekking

tot het h.t.o. De Raad was van mening, dat de genoemde sector in beginsel

gereed is voor samenwerking en een experiment zou kunnen opleveren,

waarmee opvolgende sectoren hun voordeel zouden kunnen doen. Te betreuren

valt, dat geen gevolg gegeven is aan het advies om althans voor de sector

h.t.o. alvast te beginnen op basis van de Experimentenwet-onderwijs - en wat

let om daarmee alsnog terstond een begin te maken? In de kringen van het

hoger technisch onderwijs en van het hoger landbouwonderwijs, waar men zich

reeds ver gaand op een zekere integratie c.q. coördinatie prepareerde, heeft het

voorontwerp, dat enerzijds een 'overall' regeling biedt, maar anderzijds uitgaat

van het hier besproken beginsel van de fragmentarisering, grote teleurstelling

verwekt. De motivering op blz. 29 TN is hier allerminst als doorslaggevend ervaren.

Weliswaar sluit de thans voorliggende regeling realisatie van sectorsgewijze

samenwerking niet uit, evenwel verdient een zodanige regeling de voorkeur,

dat invoering geschiedt op aanwijzing van de minister, zodra de desbetreffende

sector heeft gesteld daarvoor gereed te zijn. Daartoe zouden enkele

criteria in de wet (artikel 5 e.v.) of in de algemene maatregel van bestuur ingevolge

artikel 11 moeten worden neergelegd. Het kernbezwaar tegen het voorontwerp

is immers, dat geen algemene lijnen voor de ontwikkeling van het geheel

van het tertiair onderwijs worden getrokken. Daardoor blijven overeenkomsten

tot samenwerking van twee of meer partijen toch min of meer in de lucht

hangen - is althans het algemene kader tegen de achtergrond waarvan deze

moeten worden gezien, niet duidelijk.'

15


Algemene werkzaamheden

van de raad

Het college van voorzitters

Het college van voorzitters kwam in de verslagperiode zeven maal in afzonderlijke

vergadering bijeen, te weten:

in 1972:

op 23 maart, 22 juni en 28 september;

in 1973:

op 26 maart, 5 juni, 5 en 13 november.

Daarenboven vonder er regelmatig bijeenkomsten plaats in het kader van het

aan het slot van de vorige verslagperiode overeengekomen kwartaaloverleg tussen

de minister en staatssecretaris enerzijds en het college van voorzitters anderzijds.

De besprekingen in het college werden behalve door de algemene gang van

zaken in de Raad en de coördinatie van de werkzaamheden van de onderscheidene

Afdelingen, overwegend beheerst door de reeds van voorgaande jaren

daterende problematiek van een eventuele wijziging van de plaats en taak

van de Raad met name met het oog op het beleid ter zake van de onderwijsvernieuwing.

Voortgezet onderzoek naar plaats en taak van de Raad

Tijdens het zgn. kwartaaloverleg van minister Van Veen en staatssecretaris

Schelfhout met het college van voorzitters op 18 januari 1972, gaf de minister

met betrekking tot de plaats van de Raad als zijn centrale uitgangspunt aan,

dat ook in de behandelingsprocedures van aanvragen voor onderwijskundige

experimenten de Onderwijsraad zou moeten optreden als het finale adviescollege.

De minister deelde mede, dat aanvragen om subsidie voor experimenten

die ontwikkelingswerk in samenhang met onderzoek omvatten - en die, zoals

de Experimentenwet onderwijs bepaalt, bij de minister moeten worden ingediend

- voorbehandeld zouden worden door een door hem in te stellen departementale

commissie onderwijskundige experimenten (C.O.E.), waaraan enkele medewerkers

van de S.V.O. zouden worden toegevoegd. Experimenten die geen onderzoeksaspecten

vertonen, zouden echter buiten deze regeling blijven. De

S.V.O. zou de aanvrager bijstaan bij het opstellen van een definitieve aanvrage,

die voor finaal advies aan de Onderwijsraad zou worden voorgelegd. Van de

zijde van de Raad werd naar voren gebracht, dat het van belang zou zijn de

16


Raad meer bij de beleidsvoorbereiding te betrekken en hem ook in te schakelen

bij de eerste selectie van de voorlopige aanvragen. De plaatsbepaling als

finaal adviesorgaan behoeft immers een vroegtijdige raadpleging in een voorbereidende

fase allerminst uit te sluiten: integendeel, het eindadvies kan de

sanctionering zijn van een reeds eerder ingezette adviesprocedure.

Uit dit overleg resulteerde een nadere bespreking op 2 februari 1972 van de

algemeen secretaris van de Raad met de heren mr. L. van der Gaag en drs. H.

Veldkamp van het departement van onderwijs en wetenschappen over de reeds

voorlopig na overleg met de S.V.O. overeengekomen behandelingsprocedure.

Na invoeging van de Raad in de procedures werd de regeling gepubliceerd in

de Nederlandse Staatscourant van 21 maart 1972, No. 57.

Bij gelegenheid van het kwartaaloverleg van 18 april 1972 kwamen onder meer

de taak en plaats van de CO.E en haar verhouding tot de Onderwijsraad aan

de orde. De minister stelde voor, dat de Raad een waarnemer zou aanwijzen

in de CO.E., waardoor hij tijdig geïnformeerd zou kunnen worden over ontwikkelingen

met betrekking tot onderwijskundige experimenten. Mits niet de neiging

zou ontstaan deze waarneming te doen komen in de plaats van een formele

inschakeling van de Raad, maakte het college van dit aanbod gebruik en

wees als zodanig aan de algemeen secretaris. Tijdens de verslagperiode deed

de secretaris in elke bijeenkomst van het college van voorzitters verslag van

zijn bevindingen. In het algemeen gesproken heeft het waarnemerschap in de

CO.E. de Raad vroegtijdige informatie over uiteenlopende ontwikkelingen opgeleverd

en daarenboven in enkele gevallen tot verkorte adviesprocedures geleid.

Tijdens het kwartaaloverleg van 18 april werd ook gesproken over de plaats

en taak van de intussen in het leven geroepen centrale commissie overleg onderwijszaken:

de C.C.O.O. - een overleg tussen de vier landelijke centrale onderwijsorganisaties

onder voorzitterschap van de minister - en de verhouding

tot de Onderwijsraad. Ook ten opzichte van deze C.C.O.O. zou de Raad moeten

functioneren als het finaal orgaan in de laatste fase van de I.B.O.-formule (informatie,

beraad en overleg). Het college van voorzitters drong er op aan, dat

de Raad als beleidsadviserend college in een eerder stadium zou worden geraadpleegd

dan bij het overleg over de uitvoering van het beleid. De minister

kondigde een algemene beleidsnota, c.q. werkprogram aan, waarvan het zijn

voornemen was deze medio juli in de C.C.O.O. te brengen en vervolgens de

Onderwijsraad op de hoogte te stellen.

In het kwartaaloverleg van 4 juli 1972 erkende de minister, dat de advisering

door de Raad over het concept van zijn beleidsnota als gevolg van tijdnood in

de knel was gekomen, aangezien de nota tegelijk met de begroting bij de

Staten-Generaal zou worden ingediend. Het college betreurde dit in ernstige

17


mate, maar ging gaarne in op het aanbod van de bewindsman van een afzonderlijke

bespreking van de nota met een door de minister en zijn staf te verstrekken

toelichting in een wat breder samengestelde commissie uit de Raad.

Deze bespreking vond plaats op 11 september 1972 (zie verder onder Nota

onderwijsbeleid). Het college vroeg bij die gelegenheid opnieuw de plaatsbepaling

van de Raad en de eventuele herstructurering (Achtste Afdeling) aan

de orde te stellen. Afgesproken werd om in een volgende kwartaalbijeenkomst

de functie van de Raad, mede aan de hand van de in 1970 en 1971 geleverde

stukken nader te bezien.

Met het oog op deze bespreking behandelde het college van voorzitters in zijn

vergadering van 28 september 1972 enkele door de algemeen secretaris opgestelde

notities over de toekomst van de Onderwijsraad. Op 20 oktober werden

deze notities aan de minister toegezonden, vergezeld van een algemeen

overzicht van de verspreid bij het departement naar voren gebrachte reorganisatiewensen.

In het kwartaaloverleg van 30 november 1972 stelde minister Van Veen de toekomst

van de Onderwijsraad wel aan de orde, doch verklaarde bedoelde problematiek

intern nog niet helemaal te hebben kunnen bespreken. De minister

stelde voor de bespreking in een volgende bijeenkomst voort te zetten aan de

hand van een aantal door de directeur-generaal onderwijs op te stellen vraagpunten.

Intussen was de bewindsman bereid te verklaren dat, gehoord de daartegen

aangevoerde bezwaren, de voorgenomen overplaatsing van de Raad naar

Groningen, c.q. Zuid-Limburg, zijn aandacht had (zie ter zake onder Overplaatsing

Onderwijsraad).

De algemeen secretaris wendde zich vervolgens tot de directeur-generaal onderwijs

ter voorbereiding van de verdere discussies. Wegens ziekte van de DGO

werd de secretaris op 18 januari 1973 ontvangen door de plaatsvervangend

DGO, de heer J.Th. Schelfhout, die echter buiten de meningsvorming ter zake

stond. Wel deed de secretaris bij die gelegenheid zijn beklag over de gang van

zaken met betrekking tot een aantal punten, welke punten in de nu volgende

weken alsnog de aandacht kregen. Daartoe behoorde onder meer de reeds in

in 1971 aangekondigde herwaardering van de relaties van de Eerste Afdeling in

het kader van de nieuwe planningstructuur voor het post-secundair onderwijs.

Het kwartaaloverleg van 21 februari 1973 werd hieraan gewijd zonder evenwel

tot decisies te leiden. In verband met de op handen zijnde vorming van een

nieuwe regering vond vervolgens geen overleg met de bewindslieden meer

plaats.

In een brief van 12 juni 1973 zette het college van voorzitters in het kort de belangrijkste

problemen met betrekking tot de Onderwijsraad uiteen ten behoeve

18


van de nieuw optredende minister van onderwijs en wetenschappen, prof. dr.

J.A. van Kemenade. Het college werd vervolgens op 10 juli ter kennismaking

door de minister, vergezeld van de beide staatssecretarissen, prof. dr. G. Klein

en dr. A.J. Veerman, in audiëntie ontvangen.

Refererend aan bedoelde problematiek kondigde de minister aan met plannen te

zullen komen voor een betere overlegstructuur met het onderwijs en voor een

instrumentarium met het oog op de onderwijsvernieuwing. In dat bredere kader

zou ook de positie van de Onderwijsraad nader moeten worden bekeken, ter

zake waarvan nauw overleg met het college van voorzitters op prijs werd gesteld.

In de bijeenkomst met het college van voorzitters op 6 november 1973 bracht

de minister een concept-nota inzake een structuur voor vernieuwing en ontwikkeling

van het primair en secundair onderwijs ter tafel met het verzoek daarover

van gedachten te wisselen. Het college beraadslaagde over deze conceptnota

en over een Nota inzake de Stichting voor leerplanontwikkeling op 13 november

aan de hand van enkele notities van de algemeen secretaris.

Voor deze bespreking werden tevens de leden, de heren J.H. Ligteringen en

prof. dr. G. Wielenga uitgenodigd. De overleggingen resulteerden in een schema

van discussiepunten, dat in een nadere bespreking op 21 november werd vastgesteld

en op 23 november aan de minister aangeboden met h@t oog op een

discussie op 29 november d.a.v. Aangezien de behandeling van de concept-nota

in de C.C.O.O. intussen tot de aankondiging van de minister leidde, dat een

nieuw concept zou worden geschreven, werd de discussie met het college van

voorzitters in onderling overleg uitgesteld tot na het verschijnen van de nieuwe

nota, hetgeen in de eerste maanden van 1974 te verwachten zou zijn.

Overplaatsing Onderwijsraad

Op 19 oktober 1972 ontving de voorzitter van de Onderwijsraad een vertrouwelijke

mededeling vanwege de minister, dat de Onderwijsraad was toegevoegd

aan de concept-lijst van te spreiden Rijksdiensten. De voorzitter van de Raad

reageerde onmiddellijk in een brief van dezelfde datum aan de minister-president,

terwijl het gezamenlijke personeel van de Raad een protest-telegram aan

de ministerraad deed uitgaan in het bijzonder gericht tegen de gevolgde procedure.

Op 20 oktober werd de plaatsing op de lijst door de minister schriftelijk bevestigd.

Na overleg met de Centrale Commissie voor Georganiseerd Overleg in

Ambtenarenzaken volgde op 2 november bericht van overeenstemming over de

plaatsing van de Onderwijsraad op de voorlopige spreidingslijst.

Op 26 oktober verzond de Onderwijsraad aan de minister-president, met afschrift

aan de desbetreffende ministers, een uitvoerig memorandum tot stellingname

tegen het voornemen tot overplaatsing naar het Noorden of Zuiden des

lands.

19


Op 2 november verzond de algemeen secretaris daarenboven enkele aanvullende

overwegingen van persoonlijke aard, namens de medewerkers van het

secretariaat.

Het stemde tot voldoening, dat de minister van onderwijs en wetenschappen op

6 maart 1973 de mededeling kon doen, dat na diepgaande bestudering van de

aangevoerde argumenten de Onderwijsraad was afgevoerd van de door het Kabinet

opgestelde lijst van te spreiden instellingen (OR 202 Alg.).

Nota Onderwijsbeleid

Op 1 september 1972 werd de Onderwijsraad de Nota van ministervan Veen en

staatssecretaris Schelfhout inzake het onderwijsbeleid ter vertrouwelijke kennisneming

toegezonden. Aangezien het zittende kabinet inmiddels demissionair

was geworden en de minister er nochtans prijs op stelde deze Nota nog bij

de Staten-Generaal in te dienen, was het niet meer mogelijk geweest de Nota

in concept om advies aan de Raad toe te zenden. Op 11 september 1972 gaven

de minister en de staatssecretaris, vergezeld van hun staf een toelichting op de

Nota in een bijeenkomst met het college van voorzitters uitgebreid met de

leden van de Raad: mevrouw E. Hammelburg-de Vries, en de heren dr. M. Goudeket,

drs. G.A.J. Janssen, J.H. Ligteringen alsmede de tweede secretaris.

Het college van voorzitters besloot in zijn vergadering van 28 september om

een centrale commissie uit de Raad in het leven te roepen met tot opdracht

de Nota over het onderwijsbeleid (bijlage IV bij de Memorie van Toelichting

op de rijksbegroting 1973) in studie te nemen met name ter zake van de onderliggende

beleidsvisie en beleidsfilosofie. Het college overwoog hierbij, dat

de Nota in zekere zin aansloot bij adviezen van de Raad - eertijds voorbereid

door een tweetal centrale commissies-Van der Veen - respectievelijk in 1968

over een onderwijsplan en in 1970 over structuurvoorzieningen voor de onderwijsvernieuwing.

Daarenboven besloot het college de afzonderlijke Afdelingen

van de Raad te verzoeken zich uit te spreken over het haar regarderende gedeelte

van de Nota.

Tot leden van de Centrale commissie Nota onderwijsbeleid werden aangezocht:

drs. A.G. van der Veen - voorzitter

prof. dr. L. de Klerk - Eerste Afdeling

prof. dr. G.Th.M. Verhaak - Tweede Afdeling

mevr. E. Hammelburg-de Vries - Derde Afdeling

dr. J.R. van Blom - Vierde Afdeling

drs. R. Hajer - Vijfde Afdeling

mr. O.V.L. Guermonprez - Zesde Afdeling

drs. G.A.J. Janssen - Zevende Afdeling.

Als secretaris van deze commissie werd aangewezen de heer mr. CA.P.C van

20


Asseldonk. Wegens overbelasting werd de voorzitter reeds in de aanvang vervangen

door prof. dr. G.Th.M. Verhaak, terwijl ook prof. dr. L. de Klerk niet in

de gelegenheid was aan de werkzaamheden van de commissie deel te nemen.

De centrale commissie kwam in vergadering bijeen op 27 oktober en 1 december

1972 en op 4 januari en 19 maart 1973. De Afdelingen namen de Nota intussen

in behandeling respectievelijk:

de Tweede Afdeling op 19 januari 1973,

de Derde Afdeling op 8 december 1972 en 12 januari 1973,

de Vierde Afdeling op 26 januari en 23 februari 1973,

de Vijfde Afdeling op 2 november 1972,

de Zesde Afdeling op 2 oktober 1972 en 12 januari 1973,

de Zevende Afdeling op 16 november 1972.

De opmerkingen van de Afdelingen en van de centrale commissie werden in

een concept-rapport samengebundeld en op 27 maart door de centrale commissie

aan de leden van de Raad toegezonden met het verzoek dit concept in de

april-vergaderingen van de Afdelingen te bespreken.

Op 1 mei 1973 kwam de centrale commissie opnieuw bijeen voor een bespreking

van de reacties uit de Afdelingen op het concept-rapport. De commissie moest

constateren, dat zulke uiteenlopende bedenkingen tegen haar concept-rapport

naar voren waren gebracht, dat het niet mogelijk leek om nog op korte termijn

een voor de Raad algemeen aanvaardbaar advies op te stellen. Hoewel het college

van voorzitters voor deze zienswijze begrip had, was het toch van mening,

dat het juist met het oog op een nieuw optredende bewindsman van belang kon

zijn, dat de Raad zich reeds zelfstandig op enkele fundamentele problemen met

betrekking tot het onderwijsbeleid zou bezinnen. In afwachting van het door het

nieuwe Kabinet te voeren beleid besloot het college de reeds gemaakte opmerkingen

in portefeuille te houden, doch de commissie te verzoeken een aantal

vraagstellingen voor te bereiden voor een meer fundamentele discussie ter

zake van het onderwijsbeleid.

Met betrekking tot het gedeelte van de nota over het participatie-onderwijs

(hoofdstuk III.4) en het onderwijs en de vorming voor werkende jongeren (bijlage

2 van de Nota) besloot het college er mede in te stemmen, dat de mening

van de Zesde Afdeling ter zake als een afzonderlijk stuk aan de minister ter

kennis zou worden gebracht (zie hierover ook bij de Zesde Afdeling).

Ter voldoening aan het verzoek van het college van voorzitters kwam de centrale

commissie opnieuw bijeen op 30 juli en op 6 en 24 augustus 1973 en stelde

in deze vergaderingen een aantal discussiepunten op. Deze werden op 29

augustus aan de leden van de Raad toegezonden en behandeld in de vergaderingen

van:

de Eerste Afdeling op 13 oktober en 10 november,

de Tweede Afdeling op 21 september, 10 en 19 oktober,

21


de Derde Afdeling op 7 september,

de Vierde Afdeling op 26 oktober,

de Vijfde Afdeling op 4 oktober,

de Zesde Afdeling op 1 oktober,

de Zevende Afdeling op 20 september en 18 oktober.

De centrale commissie kwam vervolgens nog tweemaal bijeen op 1 november

en op 20 december 1973 ter afronding van haar werkzaamheden, waarbij zij

echter nu in haar overwegingen kon betrekken, dat de minister inmiddels een

contourennota voor het onderwijsbeleid in uitzicht had gesteld en dat er reeds

besprekingen gaande waren over een concept-discussienota ter zake van een

structuur voor de ontwikkeling en vernieuwing van het primair en secundair

onderwijs. De commissie meende daarom te mogen volstaan met het opstellen

van een overzicht van de door haar geredigeerde vragen en van de ontvangen

antwoorden, hetwelk zij op 20 december 1973 aanbood aan het college van voorzitters

(OR 198 Alg.).

Planning post-secundair onderwijs

Bij schrijven van 14 juni 1972 zond de toenmalige minister zonder portefeuille

het voorontwerp van wet, houdende voorzieningen inzake de planning van het

onderwijs aan de Raad voor advies. Dit ontwerp was een uitvloeisel van de

Nota inzake een verbetering van de planning van het post-secundair onderwijs

in Nederland, op 28 oktober 1971 aan de Staten-Generaal aangeboden en

ter discussie gesteld. Het beoogde de instelling van een Stuurgroep Post-secundair

Onderwijs en de oprichting van een Onderwijs Planbureau, alsmede een

regeling van taak, bevoegdheid, samenstelling en werkwijze van deze beide

nieuwe instanties.

Nadat dit ontwerp in de Eerste, Tweede, Vierde, Vijfde en Zevende Afdeling

van de Raad, respectievelijk op 9 september, 18 augustus. 22 en 7 september en

16 augustus 1972 was besproken kwam het op 26 oktober d.a.v. in behandeling

in een centrale commissie uit de Raad (commissie-Ketelaar) waarvan als leden

waren aangewezen door de genoemde Afdelingen:

Eerste Afdeling: prof. dr. J.A.A. Ketelaar (voorzitter),

prof. ir. J.J. Broeze,

Tweede Afdeling: dr. M. Goudeket,

drs. A. de Haas,

Vierde Afdeling: drs. A.G. van der Veen,

ir. A.P.A. Guyaux,

dr. ir. J.G. Veldink,

Vijfde Afdeling: drs. R. Hajer.

drs. W. de Hey,

Zevende Afdeling: L. de Waal,

drs. W.J. Vinke.

22


De commissie werd bijgestaan door de tweede secretaris en de adjunct-secretaris,

mr. B. Faber, en kwam bijeen op 26 oktober 1972. Na ontvangst van het

advies van de Academische Raad medio december 1972 kon het advies van de

Onderwijsraad worden uitgebracht op 18 januari 1973.

Van de gelegenheid werd gebruik gemaakt om in dit advies tevens dat van 23

maart 1971 (OR 170 Alg.) te verduidelijken, voor zover althans uit de reactie van

de toenmalige minister op het advies over bovengenoemde Nota van enig misverstand

kon blijken, waar deze stelde het oneens te zijn met de opvatting van de

Raad 'dat het voorgestelde planning-systeem slechts de budgettaire planning

zou omvatten'. De Raad zette daarom uiteen, wat zij verstond onder 'budgettaire

planning', en wees er op, dat zij voormelde opvatting bevestigd vond in het

voorgelegde voorontwerp.

In het advies herinnerde de Raad voorts aan het reeds eerder door de minister

toegezegde overleg met de Raad 'om tot een grotere duidelijkheid van de relaties

van de Raad tot het planningebeuren te kunnen komen'. Deze bezinning

vond plaats in het kwartaaloverleg van 21 februari 1973, waarbij het

college van voorzitters was uitgebreid met de leden van de Eerste Afdeling

de heren, prof. ir. J.J. Broeze, prof. dr. J.H. Christiaanse, prof. dr. J.A.A.

Ketelaar en prof. dr. D.A. de Vries, en de tweede secretaris. Bij dit gesprek

waren naast de minister tevens aanwezig de heer Piekaar, directeur-generaal

wetenschappelijk onderwijs, de heer Gathier, directeur-generaal van onderwijs,

de heer Leibbrandt, plaatsvervangend secretaris-generaal en de heer drs. J.

Verberg, vanwege de Informateurs voor de zgn. McKinsey-pIanning.

De minister bevestigde dat er voor de Raad een eigen taak zou blijven als finaal

beleidsadviesorgaan (OR 195 Alg.).

Ontwerp-voorlopige discipline-indeling

Omtrent de in de vorige verslagperiode binnengekomen adviesaanvrage over

een ontwerp-voorlopige discipline-indeling in verband met de planning postsecundair

onderwijs adviseerde de Raad op 18 januari 1972 overeenkomstig het

preadvies van de zgn. commissie-Ketelaar uit zijn midden.

Op 9 augustus 1972 ontving de Raad een herziene versie van dat ontwerp met

verzoek om advies vóór 15 december (aan Academische Raad en organisaties

voor hoger beroepsonderwijs vóór 15 november). Met betrekking tot dit ontwerp

is in de Raad dezelfde procedure gevolgd als met betrekking tot het bovengenoemde

voorontwerp onderwijsplanningwet.

De Raad bracht op 18 december 1972 zijn advies uit, nadat gebleken was, dat

voorshands geen nadere adviezen van de Academische Raad en van vorenbedoelde

organisaties waren te verwachten (OR 363 WO).

Discussienota Richtbedragen

Bij schrijven van 25 januari 1973 verzocht de minister de Raad advies uit te

23


engen over de Discussienota Richtbedragen: Basis voor een gerichte en doelmatige

planning, opgesteld door de Informateurs Planning Post-secundair Onderwijs.

Deze nota werd in behandeling gegeven aan een centrale commissie uit de Raad,

bestaande uit:

Eerste Afdeling: prof. dr. J.A.A. Ketelaar, voorzitter,

prof. dr. D.A. de Vries,

Tweede Afdeling: dr. M. Goudeket,

Derde Afdeling: drs. W.J. de Tombe,

Vierde Afdeling: ir. A.P.A. Guyaux,

dr. ir. J.G. Veldink,

Vijfde Afdeling: drs. W. de Hey,

W. Tasma,

Zevende Afdeling: L. de Waal,

drs. W.J. Vinke.

De commissie besprak deze nota in haar vergadering van 27 februari 1973.

Het advies van de Raad werd uitgebracht op 9 april d.a.v. (OR 204 Alg.).

Hoger onderwijs nieuwe stijl

De ontwikkelingen met betrekking tot het hoger onderwijs nieuwe stijl hadden

in de verslagperiode de bijzondere aandacht.

1 Op 15 januari 1972 berichtte de Eerste Afdeling van de Raad aan de minister,

dat de discussies naar aanleiding van de Nota van de commissie-Schlösser

(studiecommissie coördinatie technisch wetenschappelijk onderwijs - hoger

technisch onderwijs) en het eerste advies van de commissie-De Moor (advies

inzake de problemen in de faculteiten der sociale wetenschappen) haar tot de

overtuiging hadden gevoerd, dan de herstructurering van het wetenschappelijk

onderwijs en de integratie van het tertiair onderwijs niet op een al te uniforme

wijze zouden mogen geschieden. De Afdeling beval een proefneming op een

deelgebied aan, als hoedanig zij voorkeur uitsprak voor de sector van het technisch-tertiair

onderwijs (OR 358 W.O.).

2 Met de opdracht, de gedachten te laten gaan over een verdere ontwikkeling van

vorenbedoeld voorstel inzake een herstructurering van het tertiair-technisch onderwijs,

stelde het college van voorzitters van de Raad een centrale commissie

uit de Raad in, bestaande uit de heren

prof. ir. J.J. Broeze - voorzitter (Eerste Afdeling)

prof. dr. D.A. de Vries - Eerste Afdeling

ir. A.M.M. Bartels - Vierde Afdeling

ir. A.P.A. Guyaux - Vierde Afdeling

prof. ir. C. Rodenburg - Vierde Afdeling

24


drs. A.G. van der Veen - Vierde Afdeling

A. Stoel - Zesde en Zevende Afdeling.

De commissie werd bijgestaan door de adjunct-secretaris de heer mr. B. Faber

en kwam bijeen op 28 februari, 11 en 25 april, 17 mei en 23 juni 1972.

Tegen de achtergrond van nader gepreciseerde doelstellingen van het tertiairtechnisch

onderwijs wijdde de commissie een kritische beschouwing aan de bestaande

situatie om vervolgens een aantal wegen voor de toekomst uit te stippelen.

Bijzondere aandacht werd daarbij geschonken aan de overstapmogelijkheden,

de vrijstellingen, het jus promovendi, de titulatuur, enz.

De commissie bracht haar advies op 25 juli ter kennis van het college van

voorzitters, dat dit op 31 juli 1972 onder gebruikmaking van het recht van initiatief,

onder de aandacht van de minister bracht. Tevens verzocht het college dit

advies te publiceren als een bijdrage aan de discussies tot een nadere vormgeving

van een integratie tussen technisch wetenschappelijk onderwijs enerzijds

en hoger technisch onderwijs anderzijds (OR 358 WO).

Minister Van Veen ging op de argumentatie van dit advies in in zijn antwoordschrijven

d.d. 4 mei 1973, waarbij hij tevens een voorontwerp van wet hoger

onderwijs nieuwe stijl aanbood. Het advies van de commissie-Broeze werd als

bijlage van dit voorontwerp gepubliceerd (OR 403 WO).

3 De op 9 februari 1972 aan de Raad aangeboden nadere stukken inzake het

wetsontwerp herstructurering wetenschappelijk onderwijs omvatte ook een nota

'Op weg naar hoger onderwijs nieuwe stijl', welke nota daags tevoren was ingediend

bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal (zitting 1971 - 11697). De Raad

nam deze nota in bespreking in de vergaderingen van:

de Eerste Afdeling op 10 maart 1972;

de Tweede Afdeling op 17 maart 1972;

de Derde Afdeling op 10 maart 1972;

de Vierde Afdeling op 24 maart 1972;

de Vijfde Afdeling op 29 maart 1972;

de Zevende Afdeling op 16 maart 1972.

De Raad nam tevens kennis van het tweede rapport van de commissie-De Moor

betreffende het overheidsbeleid inzake het tertiair onderwijs.

Aan de hand van de in de Afdelingen naar voren gekomen opmerkingen stelde

de algemeen secretaris na overleg met de algemeen voorzitter een advies op,

dat op 28 april 1972 aan de minister werd aangeboden. In dit advies kwam de

Raad tot de teleurstellende conclusie, dat de nota niet geheel die visie bood

en niet die allure had als naar de mening van de Raad van een grote lijnen

trekkende beleidsnota zouden mogen worden verwacht. Deze conclusie werd

in het vervolg vrij uitvoerig toegelicht, waarbij met name kritiek werd uitgeoefend

op de voorstelling van zaken, dat in een niet ver verwijderde toekomst het hoger

onderwijs nieuwe stijl zou kunnen voorzien in de vraag naar onderwijs van

25


de kant van de studerenden. De nota bood daarvoor naar de mening van de

Raad geen enkele reële grond, doch stelde integendeel in uitzicht, dat er in de

nabije toekomst geleefd zou moeten worden met een schaarste aan onderwijsvoorzieningen.

De Raad was van oordeel, dat een wezenlijk nieuwe stijl van

hoger onderwijs voor nu en straks, waardoor inderdaad aan velen de kans geboden

zou worden om zich op een hoger niveau van ontwikkeling en opleiding

te ontplooien, om een andere benadering vroeg dan de nota gaf (OR 373 WO).

Op 30 mei 1972 zond de minister ter algemene oriëntering een vervolgnota toe,

die meer in het bijzonder een aantal gedachten ontvouwde inzake de inhoud

van een voorontwerp van wet ter bevordering van de samenhang van het wetenschappelijk

onderwijs en het hoger beroepsonderwijs. De Raad nam deze

nota, die op 29 mei op uitdrukkelijk verzoek van de vaste commissies voor het

wetenschapsbeleid en het wetenschappelijk onderwijs van de Tweede Kamer

der Staten-Generaal aan haar was uitgebracht, voor kennisgeving aan.

4 In aansluiting op de hiervoren genoemde vervolgnota, welke op 29 mei 1972 aan

de Staten-Generaal werd overgelegd, richtte d© minister zich in een brief van

22 augustus 1972 tot de Raad met een drietal vragen betrekking hebbende op

de zgn. verticale doorstroming h.b.o.-w.o. De Raad behandelde deze gerichte

adviesaanvrage respectievelijk in

de Eerste Afdeling op 14 oktober 1972;

de Tweede Afdeling op 15 september 1972;

de Derde Afdeling op 6 oktober 1972;

de Vierde Afdeling op 22 september 1972;

de Vijfde Afdeling op 7 september 1972;

de Zevende Afdeling op 19 oktober 1972.

Na ontvangst van het advies van de Academische Raad van 4 december 1972

bracht de Onderwijsraad zijn advies uit op 22 december daaraanvolgende. Daarin

gaf de Raad als zijn mening te kennen de opbouw van het hoger onderwijs

met een wezenlijk nieuwe stijl van veel meer importantie te achten dan het incidenteel

regelen van uitzonderingen. Ook al zou in het hoger onderwijs nieuwe

stijl wel een opening voor latere overgangen dienen te worden ingebouwd, dit

zou niet mogen geschieden op een wijze, dat toch weer de nadruk zou worden

gelegd op de verheven positie van het wetenschappelijk onderwijs boven het

hoger beroepsonderwijs. Dit zou in strijd zijn met het in de nota's beleden

principe van de gelijkwaardigheid van het verschillend geaarde w.o. en h.b.o.

(OR 377 WO).

5 Op 1 mei 1973 ontving de Onderwijsraad een voorontwerp van Wet ontwikkeling

hoger onderwijs, vergezeld van een toelichtende nota. De Raad werd in de

gelegenheid gesteld desgewenst ter zake vóór 15 december 1973 te rapporteren.

In een brief van 4 mei daaraanvolgende ging minister Van Veen uitvoerig

26


in op het advies van de Raad naar aanleiding van de eerste nota 'Hoger onderwijs

nieuwe stijl'. De minister sprak het vertrouwen uit aan de bezwaren van de

Raad zodanig tegemoet te zijn gekomen, dat de Raad thans tot een aanmerkelijk

gunstiger oordeel over de in het voorontwerp ingeslagen weg naar het hoger

onderwijs nieuwe stijl zou komen dan het geval was in het advies over de

eerste nota.

Het college van voorzitters besloot eerst af te wachten of het voorontwerp zou

worden gehandhaafd door de nieuw optredende bewindslieden. Staatssecretaris

Klein deed op 30 mei weten zich nog een definitief oordeel ten aanzien van het

voorontwerp voor te behouden, doch afwikkeling van de ingezette adviesprocedure

op prijs te stellen. In de Onderwijsraad kwam het voorontwerp vervolgens

aan de orde respectievelijk in

de Eerste Afdeling op 1 september 1973;

de Tweede Afdeling op 21 september 1973;

de Vierde Afdeling op 28 september 1973;

de Vijfde Afdeling op 6 september 1973;

de Zevende Afdeling op 20 september en 18 oktober 1973.

Aan de hand van de in deze vergaderingen naar voren gekomen opmerkingen

stelde de algemeen secretaris een concept-advies op. dat op 6 december werd

besproken in een centrale commissie uit de Raad. bestaande uit:

voor de Eerste Afdeling: prof. dr. I.A. Diepenhorst, voorzitter,

prof. ir. J.J. Broeze,

voor de Tweede Afdeling: prof. dr. G.Th.M. Verhaak,

voor de Vierde Afdeling: ir. A.P.A. Guyaux,

prof. ir. C. Rodenburg,

voor de Vijfde Afdeling: drs. W. de Hey,

voor de zevende Afdeling: L. de Waal.

Het advies werd op 14 december 1973 uitgebracht. De Raad kwam in zijn vrij

uitvoerige beschouwingen tot de conclusie, dat het voorontwerp en de daaraan

toegevoegde toelichtende nota nog niet voldoende zijn voldragen. De toelichtende

nota mist naar de mening van de Raad een duidelijke en ruime visie,

waardoor de kaders voor de ontwikkeling van het hoger onderwijs nog te weinig

op de toekomst lijken te worden afgestemd. De Raad bepleitte nadere bezinning

en gaf bij de artikelsgewijze bespreking reeds enkele aanwijzingen, hoe

naar zijn mening een duidelijker structurering voor de totstandkoming van het

hoger onderwijs zou zijn te verkrijgen. De Raad betreurde het dat de tijd verstrijkt

en niet inmiddels in de zin van het onder 2 genoemde initiatiefadvies van

de commissie-Broeze experimenteel met integratie in de sector van het technisch

tertiair onderwijs een aanvang wordt gemaakt (OR 403 WO).

27


Plan van scholen

I Algemeen

Op de laatste dag van de vorige verslagperiode (31 december 1971) kwam met

het oog op een zo volledig mogelijke informatie bij de Raad een discussiestuk

'Voortgezet onderwijs in het kader van de planprocedure' binnen (OR 64 WVO-

6). Dit rapport betrof die vormen van voortgezet onderwijs, waarvoor geen getalsnormen

in de wet zijn vastgesteld. Hoewel het stuk wel aan de orde kwam

in de vergaderingen van de desbetreffende Afdelingen, heeft de Raad zich niet

in een advies tot de minister gewend, in afwachting van de in het vooruitzicht

gestelde nota inzake het onderwijsbeleid, waarin de planprocedure in een meer

algemene beleidsplanning ter zake van het onderwijs zou worden opgenomen.

Bovendien had de staatssecretaris reeds op 27 en 28 januari 1972 in zijn overleg

met de vijf landelijke onderwijsorganisaties een opnieuw overdenken van deze

discussienota toegezegd. Op 11 december 1973 ontving de Raad een herziene

versie van deze zgn. interne (niet-wettelijke) getalsnormen (OR 213 Alg.), die

begin 1974 door het departement met de organisaties zou worden besproken.

Met betrekking tot de planprocedure doet zich voor de Raad de moeilijkheid

voor van het op een overzichtelijke wijze voldoende geïnformeerd zijn over een

veelheid van op zichzelf belangrijke details terwijl toch hoofdlijnen van beleid

evenzeer de aandacht verdienen. De Raad is in zijn advies van 15 juni 1973

ingegaan op de wijze van verstrekken van voldoende, voor hem relevante gegevens

om in staat te zijn volwaardig advies uit te brengen over een concept-plan.

De minister toonde hiervoor begrip in zijn brief van 3 augustus 1973 en deed bij

die gelegenheid enkele suggesties, waarover aan het einde van de verslagperiode

nog overleg gaande was.

Een moeilijkheid is ook, dat ingevolge de op 31 januari 1972 gewijzigde voortgangsprocedure

van aanvragen tot plaatsing op het scholenplan ingevolge artikel

65 e.v. van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Raad slechts gehoord

wordt over het eerste concept-plan van scholen. Dit betekent, dat in de daarop

volgende concepten nog aanzienlijke wijzigingen aangebracht kunnen worden

zonder dat de Raad daarover nog in concreto wordt gehoord (in 1973 10%

van de uiteindelijk op het plan figurerende scholen). Door een snellere uitwisseling

van informatie wordt de Raad zoveel mogelijk op de hoogte gehouden.

II Plan van scholen 1973/1975

Het eerste concept-plan van scholen 1973/1975, dat de Raad op 28 januari 1972

ontving, werd aan de orde gesteld in de februarivergaderingen van de Tweede,

de Derde, de Vierde, de Vijfde en de Zevende Afdeling. De hier gemaakte opmerkingen

werden ingebracht in de onderwerpelijke centrale commissie en besproken

in haar vergadering van 22 juni 1972.

Deze commissie bestond uit:

28


de heren prof. dr. I.A. Diepenhorst, voorzitter,

prof. dr. G.Th.M. Verhaak, Tweede Afdeling,

M. Wilbers, Tweede Afdeling,

H.A.J. van lersel, Derde Afdeling,

drs. A.G. van der Veen, Vierde Afdeling,

J.H. Ligteringen, Vierde Afdeling,

drs. Th.J. Westerhout, Vijfde Afdeling,

mejuffrouw mr. M.A.L.F.G. Noël, Vijfde Afdeling,

de heren L. de Waal, Zevende Afdeling,

A. Stoel, Zevende Afdeling.

De commissie werd bijgestaan door de tweede secretaris en de adjunct-secretaris

mr. W.J.E. van de Water.

Het advies werd uitgebracht op 12 juli 1972 (OR 64 WVO).

Ml Plan van scholen 1974/1976

Het eerste concept van dit plan ontving de Raad op 19 januari 1973. In de

februarivergaderingen bespraken de desbetreffende Afdelingen dit concept en

stelden hun opmerkingen ter beschikking van de centrale commissie. Deze

commissie onderging inmiddels enkele mutaties en bestond in 1973 uit:

de heren prof. dr. I.A. Diepenhorst, voorzitter,

prof. dr. G.Th.M. Verhaak, Tweede Afdeling,

dr. A. Brink, Tweede Afdeling,

J.A.A. Poncin, Derde Afdeling,

drs. A.G. van der Veen, Vierde Afdeling,

J.H. Ligteringen, Vierde Afdeling,

drs. Th.J. Westerhout, Vijfde Afdeling,

W. Tasma, Vijfde Afdeling,

B.H. de Jong, Zevende Afdeling.

De centrale commissie kwam op 10 mei in vergadering bijeen en bracht namens

de Raad een advies uit op 15 juni 1973 (OR 187 Alg.).

IV Cursorisch onderwijs en planprocedure

In zijn brief van 12 juli 1972 (OR 197 Alg.) richtte het college van voorzitters

zich eigener beweging tot de minister omtrent de verhouding tussen subsidiëring

van cursussen als bedoeld in artikel 75 W.V.O. en de planprocedure. Dit naar

aanleiding van in de Vijfde en in de Zevende Afdeling naar voren gebrachte

problemen in het bijzonder ter zake van de relaties respectievelijk tussen cursussen

kinderbescherming en m.b.o.-opleidingen aan sociale academies en tussen

cursussen en scholen voor middenstandsonderwijs.

In zijn antwoord hierop van 21 november 1972 gaf de minister een verduidelijking

van zijn beleid in dezen.

29


Instructieve omroep

Bij schrijven d.d. 2 september 1971, werd de Raad de als discussiestuk gepubliceerde

nota over de Instructieve omroep toegezonden (OR 186 Alg.). De minister

herinnerde er daarbij aan, dat er blijkens het regeerakkoord voorlopig

geen televisienet als in de Nota voorgesteld, zou komen. Niettemin stelde hij

prijs op het commentaar van de Raad. Het college van voorzitters besloot deze

Nota in alle Afdelingen afzonderlijk aan de orde te stellen en vervolgens aan

een centrale commissie uit de Raad, waarvoor elke Afdeling één lid zou aanwijzen,

te verzoeken aan de hand van het besprokene een eindadvies op te

stellen.

De Nota werd in de Eerste tot en met de Zevende Afdeling respectievelijk behandeld

op 11 december, 17 december en 12 november 1971, 28 januari, 3 februari

en 10 januari 1972 en 18 november 1971.

Als leden voor bedoelde centrale commissie werden aangewezen:

Voorzitter - prof. dr. I.A. Diepenhorst

leden:

Tweede Afdeling - mejuffrouw dr. CM. Westra

Derde Afdeling - G.J. Bartelsman

Vierde Afdeling - drs. A.G. van der Veen

Vijfde Afdeling - drs. R. Hajer

Zesde Afdeling - mr. O.V.L. Guermonprez

Zevende Afdeling - J. van Hemert.

Als secretaris fungeerde de adjunct-secretaris, mr. B. Faber.

In het op 25 juli 1972 uitgebrachte advies werd aangedrongen op een geheel

zelfstandige organisatie van de instructieve omroep, voor wat de televisie betreft

te verwezenlijken via een derde net, en zolang dit niet was gesticht de

noodzaak hiertoe te accentueren door voor de instructieve omroep, zo mogelijk

op beide bestaande netten, gedurende vier dagen per week een uur in het begin

van de avond op te eisen.

Het advies is gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 12 september

1972, nr. 177.

Onderwijsbevoegdheid officieren

Op 26 juli 1972 bood de minister het definitieve Rapport van de Commissie Onderwijsbevoegdheid

Officieren aan de Onderwijsraad aan. Over het Interimrapport

had de Raad reeds in 1969 een nogal kritisch advies doen uitgaan. In de

begeleidende brief ging de minister uitvoerig op dit commentaar in en verzocht

de Raad zijn mening over het definitieve rapport kenbaar te maken. Ter voldoening

aan dit verzoek werd het rapport in het najaar van 1972 besproken in

de vergaderingen van de Eerste, Tweede, Vierde en Zevende Afdeling, waarna

op 27 december 1972 advies werd uitgebracht. De Raad meende daarin de

kern van zijn bezwaren te moeten handhaven (OR 79381 OVO-II).

30


Veralgemening lager beroepsonderwijs

I Nadat reeds eerder een voorontwerp van een besluit l.b.o. - l.a.v.o. was ontvangen

en in de desbetreffende Afdelingen besproken, volgde op 24 november

1972 de officiële adviesaanvrage met toezending van het ontwerp-besluit. Dit

ontwerp kwam aan de orde in de vergaderingen van de Vierde Afdeling op 22

december 1972, de Vijfde Afdeling op 4 januari 1973 en de Zevende Afdeling op

21 december 1972. Vervolgens werd de behandeling voortgezet in een centrale

commissie, bestaande uit

de heren L. de Waal, voorzitter

J.H. Ligteringen, Vierde Afdeling

A. de Wit, Vierde Afdeling

mevrouw A.G. Visschedijk-Kuks, Vijfde Afdeling

de heren J. Heij, Vijfde Afdeling

J. van Hemert, Zevende Afdeling

drs. J.J.G. de Winter, Zevende Afdeling.

De centrale commissie kwam op 26 januari 1973 in vergadering bijeen en besprak

het ontwerp, mede aan de hand van de uit de Afdelingen naar voren gebrachte

opmerkingen. Na kennisneming van de adviezen van de organisaties

bracht de Raad op 20 februari 1973 zijn advies ter zake uit. De minister reageerde

hier uitvoerig op in zijn antwoordschrijven d.d. 14 maart 1973 (OR 88

WVO).

II In nauw verband met het voorgaande stond de adviesaanvrage van 22 maart

1973 omtrent een ontwerp-besluit tot wijziging van de eindexamenbesluiten l.t.o.,

I.h.n.o., I.m.o. en Le.a.o., met de bedoeling, in afwachting van de totstandkoming

van een eindexamenbesluit voor het gehele lager beroepsonderwijs, de mogelijkheid

in te voeren van een schoolonderzoek. Aangezien slechts een adviestermijn

van vier weken was toegestaan, werd het advies opgesteld aan de hand

van het besprokene in de Vijfde Afdeling op 5 april en met inachtneming van

de schriftelijke reacties van de leden van de Vierde en van de Zevende Afdeling.

Op 16 april 1973 werd het advies namens de Raad uitgebracht (OR 89

WVO).

III Mede in verband met de totstandkoming van het bovenbedoelde Besluit l.b.o./

l.a.v.o. (Stb. 1973, 167) ontving de Raad op 9 april 1973 een ontwerp tot wijziging

van de algemene maatregel van bestuur ex artikel 24 van de Wet op het

voortgezet onderwijs om advies. De Raad adviseerde hieromtrent op 11 mei

1973 na bespreking van dit ontwerp in de Vierde, de Vijfde en de Zevende Afdeling

(OR 90 WVO).

'Beleidsombuigende' maatregelen

In het kader van de in 1971 ingezette 'beleidsombuigende' maatregelen ontving

31


de Raad op 28 maart 1972 een ontwerp-besluit tot wijziging van de besluiten

l.a.v.o., I.e.a.o., I.h.n.o., I.m.o., l.t.o., m.ea.o., m.h.n.o. en m.m.o. om advies. Na bespreking

van dit ontwerp in de aprilvergaderingen van de Vierde, Vijfde en Zevende

Afdeling bracht de Raad op 12 mei 1972 advies ter zake uit (OR 87 WVO).

In een daarop aansluitende brief van 30 mei 1972 protesteerde de Raad ernstig

tegen het feit dat vóór de afloop van de adviesprocedure, namelijk op 10 mei

1972, reeds een circulaire vanwege de minister over invoering van de desbetreffende

maatregelen was uitgegaan.

Experimenten onderwijs

Behoudens hetgeen hierover bij de afzonderlijke Afdelingen nog zal worden

vermeld, mogen hier een viertal onderwerpen van meer algemeen belang worden

gememoreerd.

Het college van voorzitters wendde zich op 31 mei 1972 tot de bewindsman om

zijn aandacht te richten op de merkwaardige gang van zaken met betrekking

tot de als 'oneigenlijk' te noemen experimentele leraarsopleidingen. In verband

met de rechtsgeldigheid van de aan deze opleidingen te verwerven diploma's

drong het college op een spoedige formalisering van deze opleidingen aan (zie

ook bij Tweede Afdeling).

Het college van voorzitters vroeg in zijn schrijven van 19 oktober 1972 de bijzondere

aandacht van de minister voor het advies van de Zesde Afdeling d.d.

18 oktober ter zake van het LESPO (landelijk experimenteerplan sector participatie-onderwijs).

Het college achtte enkele in dit advies gerezen vragen en

naar voren gebrachte opmerkingen mogelijk ook van toepassing op de aangekondigde

experimenteerplannen voor het geïntegreerd voortgezet onderwijs

en voor het kleuter- en basisonderwijs. In het bijzonder ging de Raad in op het

juridische karakter van dit niet op de wet steunende plan, dat immers slechts

als een hulpmiddel van het bestuur is te beschouwen en niet als een algemeen

bindende regeling. De minister antwoordde uitvoerig bij zijn brief van 28 november

1972 (OR VI-58).

Op 10 april 1973 verzocht de minister zo spoedig mogelijk het oordeel van de

Raad te vernemen over een concept van een experimenteerplan voor het geïntegreerd

voortgezet onderwijs aan 12- tot 15-jarigen (GVO-I). Ter voldoening

aan dit verzoek werd het concept geplaatst op de agenda van

de Tweede Afdeling op 27 april

de Vierde Afdeling op 27 april

de Zevende Afdeling op 26 april

de Vijfde Afdeling op 3 mei

de Zesde Afdeling op 7 mei.

32


De centrale commissie scholengemeenschappen/middenschool nam het stuk op

16 mei in behandeling en bracht enige coördinatie aan in de uit de Afdelingen

naar voren gekomen opmerkingen. Op 8 juni d.a.v. werd - in afwachting van een

meer definitief ontwerp van een experimenteerplan - het voorlopige advies van

de Raad uitgebracht (OR 206 Alg.).

De nieuw optredende bewindsman zond in augustus een Nota experimentenmiddenschool

aan de C.C.O.O. toe en zette daarbij uiteen hoe hij zich de verdere

realisering van genoemd plan voorlopig voorstelde. Hierin kondigde hij

reeds de instelling van een innovatiecommissie middenschool aan.

4 In mei 1973 nam de algemeen secretaris als waarnemer in de COE kennis van

een concept landelijk-experimenteerplan KBO. Teneinde op een eventuele adviesaanvrage

voorbereid te zijn, werd dit plan op 23 mei reeds ter informatie

voorgelegd aan de leden van de Derde Afdeling. Op 13 september werd een

bijgesteld experimenteerplan KBO ter kennisneming doorgezonden. Ook de leden

van de Afdelingen voor het voortgezet onderwijs ontvingen hiervan een afschrift

(OR 84728 LO).

Richtlijnen toepassing artikelen 25 en 26 WVO

Op 23 februari 1973 werden de Raad ontwerp-richtlijnen toegezonden betreffende

de toepassing van de artikelen 25 en 26 van de Wet op het voortgezet

onderwijs (afwijking van de lessentabellen). Dit ontwerp werd niet alleen besproken

in de Tweede Afdeling, maar tevens in de Vierde, Vijfde en Zevende Afdeling.

Aan de hand van de gemaakte opmerkingen werd de minister namens de

Raad bericht, dat deze richtlijnen zijns inziens slechts een beperkte betekenis

konden hebben en geen stringent karakter dragen. Zij zouden weliswaar kunnen

dienen om een gelijke beoordeling en behandeling van de onderscheidene verzoeken

uit uiteenlopende sectoren van het onderwijs te waarborgen, maar

mochten niet verhinderen, dat elk geval op zijn eigen motivering en mérites

wordt beoordeeld (OR 271 AVO).

Scholengemeenschappen en middenschool

De centrale commissie uit de Raad, ingesteld ter afhandeling van verzoeken

ten behoeve van scholengemeenschappen ex artikel 26 van de Wet op het

voortgezet onderwijs en tevens ter bestudering van de problemen rond de zgn.

'middenschool', bestond aan het begin van deze verslagperiode uit de volgende

leden:

Tweede Afdeling: prof. dr. G.Th.M. Verhaak, voorzitter,

dr. A.J. van Duyvendijk,

M. Wilbers,

Vierde Afdeling: mr. F.J.W. Fabius,

33


Zesde Afdeling: J.H. Ligteringen,

A. de Wit,

Vijfde Afdeling: mevrouw A.G. Visschedijk-Kuks,

mr. O.V.L. Guermonprez,

drs. H.P.W. Schmitz,

Zevende Afdeling: J. van Hemert,

A. Stoel.

De heer Schmitz verliet de commissie op grond van zijn ontslag als lid van de

Raad. In de loop van de verslagperiode werd de heer A. Stoel vervangen door

de heer dr. K.J. Braakman, lid van de Zevende Afdeling. Eind 1973 trad de

heer M. Wilbers terug voor de heer C.A.M, van Dongen, lid van de Tweede Afdeling.

De commissie vergaderde in:

1972 op:

14 februari, 17 april, 12 juni, 18 september, 13 november en 11 december

1973 op:

12 maart, 9 april, 16 mei, 17 september, 12 oktober, 12 november en 10 december.

In deze vergaderingen werden 41 aanvragen behandeld om toepassing van genoemd

artikel 26. De aanvrage van de scholengemeenschap Bijlmermeer te Amsterdam

was aanleiding tot een bezoek van de voltallige commissie op 9 oktober

1972. Voorts bracht de commissie een orientatiebezoek aan de lagere

technische school 'St. Bemulphus' te Enschede op 8 november 1973.

Met het oog op een verzameladvies op 24 april 1973 (OR 273 AVO/Sch.) betreffende

een 24-tal scholengemeenschappen werden richtlijnen voor het opstellen

van minimumtabellen voor de brugklasse en voor de afdelingen m.a.v.o.-

3 en m.a.v.o.-4 aanvaard ter zake van scholengemeenschappen m.a.v.o.-l.b.o.

De centrale commissie zette in de verslagperiode haar meningsvorming ter zake

van een middenschool voort. Zij deed dit aan de hand van een discussieleidraad

van haar leden, de heren Schmitz en Stoel en vervolgens naar aanleiding van

een aantal door de voorzitter naar voren gebrachte notities. Tevens besprak zij

het gedeelte uit de nota van minister Van Veen en staatssecretaris Schelfhout

inzake de integratie van het onderwijs aan ca. 12- tot 15-jarigen. Ook nam zij

het experimenteerplan G.V.O.-I in behandeling.

De commissie had intussen een werkgroep gevormd, bestaande uit de heren

Van Hemert, Fabius en Stoel met tot opdracht om aan de hand van de tot dusverre

gevoerde discussies enkele gedachten op te stellen over de onderwijskundige

aspecten van een middenschool. (De plaats van laatstgenoemde werd

vanaf oktober 1973 ingenomen door de heer Braakman). De commissie bracht

34


in mei 1973 een concept-rapport uit in de vorm van een discussiestuk. Aan het

einde van de verslagperiode was de behandeling hiervan, onder meer aan de

hand van schriftelijke notities van de leden van de commissie, nog niet geheel

afgerond.

35


De eerste afdeling

Afdeling voor het wetenschappelijk onderwijs

Voorzitter van deze Afdeling was prof. dr. I.A. Diepenhorst.

De Eerste Afdeling van de Onderwijsraad kwam in de verslagperiode in totaal

veertien maal bijeen, te weten:

in 1972 op:

12 februari, 11 maart, 13 mei, 10 juni, 14 oktober, 9 december;

in 1973 op:

10 februari, 10 maart, 12 mei, 2 juni, 1 september, 13 oktober, 10 november, 8

december.

Had deze Afdeling voorheen een min of meer duidelijk afgebakend werkterrein,

de problemen, die in de beide verslagjaren aan de orde werden gesteld, reikten

in toenemende mate over haar grenzen heen. De toelating tot de universitaire

studie en de opzet van een nieuwe lerarenopleiding betreffen immers evenzeer

de sector van het v.w.o.; de herstructurering van het v.w.o., de planning van het

post-secundair onderwijs, de studiefinanciering, de ontwikkeling van een nieuw

stelsel van hoger onderwijs - om slechts enkele markante problemen te noemen

- zijn voor de sector van het h.b.o. evenzeer van wezenlijk belang. Onderwerpen

als de genoemde werden daarom niet uitsluitend door de Afdeling in

behandeling genomen, doch in samenwerking met (leden van) andere Afdelingen

en in centrale commissies van de Raad.

De in de vergaderingen door de Afdeling behandelde onderwerpen kunnen als

volgt worden gerubriceerd:

I Wijzigingen Wet op het wetenschappelijk onderwijs

De Afdeling ontving drie voorontwerpen van wet tot wijziging of aanvulling van

de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (wet van 22 december 1960, Stb. 559)

om advies:

1 Voorontwerp van wet, houdende wijziging van de Wet op het wetenschappelijk

onderwijs (inschrijvingsgelden en collegegelden) (OR 369 W.O.). In haar advies

van 10 maart 1972 stelde de Afdeling - voor dit onderwerp versterkt met enkele

leden voor het hoger beroepsonderwijs uit andere Afdelingen - voorop, dat de

36


Memorie van Toelichting op dit ontwerp het haar bijzonder moeilijk maakte niet

alleen met inachtneming van de gevraagde spoed te adviseren, maar inzonderheid

ook, haar advies gunstig te doen zijn. Zij betreurde de in de Memorie van

Toelichting neergelegde sterk economisch geïnspireerde visie op het wetenschappelijk

onderwijs, alsook het niet gelijktijdig treffen van een herzien stelsel

van studiefinanciering.

2 Voorontwerp van wet inzake de vestiging van een rijksuniversiteit te Rotterdam

(OR 379 W.O.), op 14 april 1972 aan de Afdeling toegezonden. Na ontvangst van

het advies van de Academische Raad met een begeleidend schrijven van de

minister d.d. 1 juni 1972, betuigde de Afdeling er haar instemming mede, dat

uiteindelijk was gekozen voor de instelling van een rijksuniversiteit in plaats

van een soort federatieve instelling.

3 Een positief advies werd uitgebracht ten aanzien van een verzoek, afkomstig

van de sectie klassieke oudheid van de Academische Raad, mede namens de

subfaculteiten klassieke taal- en letterkunde, om alsnog bij wetswijziging te

bepalen, dat voor de bezitters van een getuigschrift van met goed gevolg afgelegd

eindexamen in de afdeling B van een gymnasium als bedoeld in de hogeronderwijswet,

niet langer de beperkende voorwaarde zou gelden van artikel 26

(oud) tweede lid sub e, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (OR 407

W.O.).

II Wijzigingen Academisch Statuut

In de verslagperiode werden negen voorstellen tot wijziging van het Academisch

Statuut in behandeling genomen:

1 inzake de opneming in het Academisch Statuut van de afdeling en de studierichting

der bedrijfskunde (OR 353 W.O.; zie vorig verslag sub 11,12). De Afdeling

bracht op 13 maart 1972 een positief advies uit.

2 inzake de instelling van een tussenafdeling en studierichting der industriële

vormgeving (OR 367 W.O.). De Afdeling berichtte geen bezwaar aanwezig te

achten tegen inwilliging van het desbetreffende verzoek van de Technische

Hogeschool te Delft.

3 inzake een verzoek vanwege de Technische Hogeschool te Delft tot wijziging

van de naam 'Afdeling der Weg- en Waterbouwkunde' in 'Afdeling der Civiele

Techniek', en overeenkomstige wijziging van de daarmede corresponderende

studierichting alsook wijziging van de omschrijving van de vakken van het doctoraalexamen

(OR 385 W.O.). Aangezien het dossier nog niet volledig was, kon

in de verslagperiode nog geen advies worden uitgebracht.

37


4 inzake de splitsing van de afdeling der scheepsbouwkunde en vliegtuigbouwkunde

en tot naamswijzigingen van de desbetreffende studierichtingen (OR 386

W.O.). De Afdeling bracht op 18 december 1973 ter zake een positief advies uit.

5 inzake regeling van de studierichting Finoegristiek en doctoraalexamen Oudgermanistiek

en wijzigingen in artikel 93, sub c (kandidaatsexamen geschiedenis)

en in artikel 87, vierde lid (Japanse taal) (OR 390 W.O.). De Afdeling bracht

op 27 februari 1973 een positief advies uit, hoewel naar haar mening geen dringende

argumenten waren aangevoerd voor de regeling van een studierichting

Finoegristiek.

6 inzake wijziging van de regeling van de examens in destudierichting der geneeskunde

(OR 391 W.O.). De Afdeling sloot zich in haar op 20 maart 1973 uitgebracht

advies in grote trekken aan bij de door de Sectie Geneeskunde van de

Academische Raad gemaakte opmerkingen, met name voor wat betrof het opnemen

van overgangsbepalingen in het desbetreffende besluit, en voegde hieraan

toe het eveneens een noodzakelijke consequentie van het gekozen systeem

te achten, dat tegelijkertijd een goede professionele huisartsenopleiding wordt

gerealiseerd.

7 inzake een verzoek vanwege de Technische Hogeschool te Delft tot omzetting

van de onderafdeling der geodesie in een afdeling van gelijke naam (OR 394

W.O.). De Afdeling bracht op 18 december 1973 een positief advies uit.

8 inzake het opnemen van een overgangsbepaling, beogende het wegnemen van

belemmeringen voor degenen, die in 1972, 1973 of 1974 hun avond-v.w.o.-diploma

behaald hebben of zullen behalen zonder wiskunde-l in hun vakkenpakket,

omdat zij bij de aanvang van hun studie nog niet wisten, dat dit voor de daarna

door hen gekozen studierichting zou worden vereist (OR 406 W.O.). Aangezien

het dossier nog niet volledig was, kon in de verslagperiode nog geen advies

worden uitgebracht.

9 inzake een voorstel vanwege de rijksuniversiteit te Groningen tot instelling van

de studierichting der bedrijfskunde krachtens artikel 20 van de Wet op het wetenschappelijk

onderwijs, binnen een interfaculteit der bedrijfskunde in oprichting

(OR 408 W.O.). Aangezien het dossier nog niet volledig was, kon in de

verslagperiode nog geen advies worden uitgebracht.

Ill Artikel 200 Academisch Statuut

De Afdeling ontving in de verslagperiode twee verzoeken om advies betreffende

de toepassing van artikel 200 van het Academische Statuut:

38


1 inzake het ontwerp ministeriële beschikking betreffende vrijstelling van academische

examens op grond van in West-Duitsland afgegeven universitaire getuigschriften

(OR 398 W.O.). De Afdeling bracht op 20 maart 1973 een positief

advies uit onder het uitspreken van de verwachting, dat de regeling, na de nodige

ervaringen in de praktijk, na verloop van tijd enigszins gestroomlijnd zou

kunnen worden.

2 inzake het ontwerp ministeriële beschikking betreffende gelijkstelling kandidaatsexamen

Antilliaans recht met kandidaatsexamen Nederlands recht (OR 405

W.O.). In haar op 25 september 1973 uitgebracht advies berichtte de Afdeling,

dat zij in beginsel kon instemmen met de voorgestelde verruiming van de vrijstellingsregeling,

maar wel enige bedenkingen tegen de vormgeving hiervan

meende te moeten aanvoeren.

IV Beperking toelating w.o.

In de verslagperiode vond de reeds eerder door de Raad gevreesde invoering

van een numerus fixus voor het w.o. plaats. In verband daarmee behandelde

de Afdeling in chronologische volgorde de volgende adviesaanvragen:

1 Het ontwerp van wet, houdende voorzieningen van tijdelijke aard met betrekking

tot de inschrijving van studenten aan de Nederlandse universiteiten en

hogescholen (Machtigingswet inschrijving studenten) (OR 372 W.O.). Voor de

behandeling van dit ontwerp werd de Afdeling versterkt met enige leden voor

het hoger beroepsonderwijs uit andere Afdelingen. In haar op 10 maart 1972

uitgebracht advies, dat in verband met het spoedeisende karakter slechts globale

indrukken kon aangeven, wees de Afdeling er onder meer op, dat in de

onderwerpelijke stukken evenmin als bij het wetsontwerp verhoging collegegelden

aandacht werd besteed aan de eventuele consequenties voor het hoger

beroepsonderwijs (zie ook dit verslag onder I, 1).

2 De Afdeling nam kennis van het schrijven van de minister d.d. 10 februari 1972,

DGW/AZW 218412, betreffende procedure aanmelding van a.s. eerstejaarsstudenten

alsmede plaatsing (OR 365 W.O.).

3 De tijdelijke beperking van de inschrijving van studenten voor het studiejaar

1972/1973 voor een aantal studierichtingen (OR 382 W.O.) is besproken in een

vergadering waaraan ook enige leden van andere Afdelingen, uit de sectoren

van het h.b.o. en het v.w.o. waren uitgenodigd. Een advies werd uitgebracht op

23 juni 1972.

4 Aangaande de selectieprocedure bij toepassing in het cursusjaar 1973/1974 van

de Machtigingswet inschrijving studenten (OR 395 W.O.) werd op 14 februari

39


1973 een advies uitgebracht, waarin opnieuw werd gepleit voor toelating op

grond van een gewogen gemiddelde en tevens in overweging werd gegeven, in

verband met de als gevolg van de invoering van de Wet op het voortgezet onderwijs

te verwachten geringere toeloop, de voor de cursus 1972/1973 uitgelote

kandidaten thans rechtstreeks toe te laten.

5 Ten aanzien van de capaciteitsbepaling krachtens de Machtigingswet inschrijving

studenten (OR 401 W.O.) verklaarde de Afdeling zich in haar advies d.d.

14 juni 1973 akkoord met de voorgestelde beperkingen. Zij betreurde, dat de

Werkgroep methodebepaling capaciteitsberekeningen haar werkzaamheden niet

zo tijdig had kunnen afronden, dat de instellingen reeds voor het cursusjaar

1973/1974 van uniforme uitgangspunten en methoden voor die capaciteitsberekeningen

hadden kunnen gebruik maken en vroeg zich opnieuw af, of aan de

plaatsingscommissies niet een wettelijke basis moest worden gegeven.

6 Naar aanleiding van het voorontwerp van wet houdende verlenging en wijziging

van de Machtigingswet inschrijving studenten (OR 410 W.O.) berichtte de Afdeling

in haar advies van 14 december 1973, dat zij het met de Academische Raad

betreurde, dat deze verlenging onvermijdelijk was gebleken. Zij stelde voor het

recht op directe plaatsing uit te breiden tot en met de v.w.o.-abituriënten die

een gemiddeld eindexamencijfer van 7 of meer behaalden, daarbij zo mogelijk

uitgaande van een gewogen gemiddelde. Voorts achtte zij het gewenst degenen,

die zijn uitgeloot alleen het volgend cursusjaar nogmaals aan de loting te

laten deelnemen, ter voorkoming van een 'stuwmeer' van gegadigden.

V Andere onderwerpen

Nog enkele andere centrale beleidsonderwerpen hadden de aandacht:

1 Naar aanleiding van de haar toegezonden Nota van wijzigingen Wet herstructurering

wetenschappelijk onderwijs bracht de Afdeling op 11 april 1972 een

advies uit (OR 351 W.O.-I), waarin zij stelde, dat het nieuwe wetsontwerp ten

aanzien van de drie gewichtigste onderwerpen in die wijzigingen - te weten

het postdoctorale onderzoek, de herprogrammering en het postacademisch onderwijs

- geen wezenlijke verbeteringen behelsde. (In een nader advies d.d. 16

mei 1972 bracht de Tweede Afdeling de wens naar voren, dat de pedagogischdidactische

scholing van aanstaande leraren in ieder geval na het doctoraal

examen zou plaatsvinden.)

2 In een vergadering met enkele leden voor het hoger beroepsonderwijs uit andere

Afdelingen besprak de Afdeling het rapport van de commissie Studiefinanciering

Wetenschappelijk Onderwijs (commissie-Andriessen) (OR 364 W.O.). Na

deze bespreking bleken zes leden voor het voorstel Van Dijk te zijn en vijf leden

40


voor het voorstel van de meerderheid van de commissie-Andriessen.

De verzorging van de opleiding van eerstegraadsleraren door de instellingen

van wetenschappelijk onderwijs (OR 396 W.O.) kwam aan de orde in een vergadering,

waaraan ook door enige leden van de Tweede Afdeling werd deelgenomen.

Zich aansluitende aan het advies van de Academische Raad was de

Afdeling van oordeel, dat de eerstegraadsopleiding wat de COL-vakken betreft

uitsluitend aan de instellingen van w.o. diende te geschieden. In overeenstemming

met het algemeen gevoelen van de Tweede Afdeling was zij voorts van

mening, dat de pedagogisch-didactische vorming het best na de doctoraalstudie

kon worden gegeven. In verband met de vele onzekerheden ten aanzien van de

experimentele lerarenopleidingen konden weinig concrete uitspraken worden gedaan

met betrekking tot de doorstroming van de door die opleidingen afgeleverde

tweedegraadsleraren.

Op 20 november 1973 werd een advies uitgebracht betreffende het wetsontwerp

inschrijving en collegegeldbetaling (OR 409 W.O.). Hierin vestigde de Afdeling

er nogmaals de aandacht op, dat in het bijzonder nodig is een nieuwe regeling

van de studiefinanciering. De meningen in de Afdeling waren verdeeld met betrekking

tot de vraag of het collegegeld moest worden gehandhaafd op

f 1 000,- of verlaagd tot f 500,- of dat moest worden teruggekeerd tot de toestand

van vóór het totstandkomen van de wet van 6 juli 1972, Stb. 357.

In verschillende vergaderingen werd voorts aandacht besteed aan de ontwikkelingen

die het gevolg zijn geweest van de inwerkingtreding van de Wet universitaire

bestuurshervorming 1970 (OR 393 W.O.), meer in het bijzonder aan

de hand van de rapporten van de commissie-Polak ter zake.

Bijdragen aan de algemene werkzaamheden

Op verzoek van het college van voorzitters dan wel ten dienste van centrale

commissies uit de Raad nam de Afdeling nog de volgende onderwerpen in behandeling:

- Op 15 januari 1972 richtte de Afdeling zich tot de minister met een schrijven,

waarin zij onder meer mededeelde van oordeel te zijn, dat de integratie van

wetenschappelijk onderwijs en beroepsonderwijs niet als een afzonderlijk probleem,

maar in samenhang met de herstructurering van het wetenschappelijk

onderwijs en met de op de voorstellen van McKinsey gebaseerde verbetering

van de planning voor het post-secundair onderwijs moest worden opgevat. Deze

herstructurering en integratie zouden niet op een te uniforme wijze, maar voor

elke sector afzonderlijk tot een oplossing behoren te worden gebracht. De sector

van het technisch onderwijs kwam de Afdeling voor deze aanpak in eerste

41


instantie het meest geschikt voor.

Om deze gedachten verder te ontwikkelen werd het college van voorzitters

verzocht om in overleg met de Vierde Afdeling - die daartoe in beginsel reeds

de bereidheid had getoond - een centrale commissie ter zake te formeren. Voor

de Eerste Afdeling werden aangewezen de heren prof. ir. J.J. Broeze (voorzitter)

en prof. dr. D.A. de Vries.

- Met het oog op een namens de Raad uit te brengen advies besprak de Afdeling

de ministeriële Nota 'Op weg naar hoger onderwijs nieuwe stijl' (OR 373

W.O.) en in samenhang daarmede het tweede rapport van de Commissie Ontwikkeling

Wetenschappelijk Onderwijs (commissie-De Moor) (OR 360 W.O.).

- In de centrale commissie voorontwerp van wet hoger onderwijs werd namens

de Afdeling zitting genomen door de heren prof. dr. I.A. Diepenhorst (voorzitter)

en prof. ir. J.J. Broeze.

- Het voorontwerp onderwijs planning wet (OR 195 Alg.) en het daarmede verband

houdende ontwerp voorlopige discipline-indeling, herziene versie (OR 363

W.O.) werden in een vergadering van de Afdeling besproken ter voorbereiding

van de hierover door de daarvoor ingestelde centrale commissie uit te brengen

adviezen. Voor de Afdeling hadden in deze commissie zitting de heren prof. dr.

J.A.A. Ketelaar en prof. dr. D.A. de Vries.

- Ook de Nota richtbedragen planning (OR 204 Alg.) werd door een centrale

commissie uit de Raad besproken.

- Ten aanzien van de drie vragen betreffende de doorstroming h.b.o.-w.o., vervat

in het schrijven van de minister d.d. 22 augustus 1972 (OR 377 W.O.), gaf

de Afdeling haar oordeel ten behoeve van het centraal namens de Raad uit te

brengen advies.

- Na bespreking van de 'Nota instructieve omroep' (OR 186 Alg.), uitgebracht

namens de ministeries van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van

Onderwijs en Wetenschappen, vaardigde de Afdeling prof. dr. I.A. Diepenhorst

(voorzitter) af naar de ter zake ingestelde centrale commissie uit de Raad.

- De Nota inzake de onderwijsbevoegdheid van officieren (OR 79381 O.V.O.)

werd in de Afdeling besproken ten behoeve van het centraal namens de Raad

op te stellen advies.

42


De tweede afdeling

Afdeling voor het algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend wetenschappelijk

onderwijs

Als voorzitter van deze Afdeling fungeerde prof. dr. G.Th.M. Verhaak.

De Tweede Afdeling van de Onderwijsraad kwam in de verslagperiode in totaal

zestien maal bijeen, te weten:

in 1972 op:

18 februari, 17 maart, 21 april, 18 augustus, 15 september, 20 oktober, 15 december;

in 1973 op:

19 januari, 16 maart, 27 april, 18 mei, 15 juni, 31 augustus, 21 september, 19 oktober,

21 december.

Deze Afdeling richtte traditiegetrouw haar aandacht op de sectoren van onderwijs

zoals die aan haar zijn toevertrouwd. De meningsvorming in de Raad ter

zake van het geïntegreerd voortgezet onderwijs bracht haar evenwel over haar

grenzen heen ook op het terrein van het beroepsonderwijs, terwijl de aansluiting

met de voortgezette studie-opleidingen haar ook in aanraking bracht met

het h.b.o. en het w.o. De advisering namens de Raad over dit soort problemen

geschiedde in de regel via centraal daartoe ingestelde commissies.

De werkzaamheden van de Afdeling, in vrijwel alle gevallen verband houdende

met de toepassing van de Wet op het voortgezet onderwijs, de Overgangswet

W.V.O., of de regelingen tot uitvoering van deze wetten, ofwel met wijzigingen

daarin, kunnen worden verdeeld in de volgende categorieën:

I Verzoeken op grond van een of meer artikelen van de Wet op het voortgezet

onderwijs

In de eerste plaats moet hier de categorie van verzoeken worden genoemd, gebaseerd

op de volgende drie artikelen:

1 Verzoeken ex artikel 25 (afwijking van de artikelen 7 tot en met 12 en 15 tot en

met 18 en van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 22 en 23, ten behoeve

van de bijzondere inrichting van de school). De hierbedoelde verzoeken hadden

in een aantal gevallen betrekking op scholengemeenschappen.

43


2 Verzoeken ex artikel 26 (afwijking van de artikelen 10 en 11, van de voorschriften,

bedoeld in de artikelen 22 en 23, en voor zover nodig van overeenkomstige

voorschriften, gegeven bij of krachtens andere wetten, ten behoeve van een

scholengemeenschap).

3 In vele gevallen gingen verzoeken als bedoeld onder 1 en 2 gepaard met verzoeken

ex artikel 29, zevende lid (afwijking van het - ten aanzien van de eindexamens

- bepaalde bij of krachtens dat artikel, ten behoeve van de bijzondere

inrichting van het onderwijs). Deze verzoeken hadden betrekking op de volgende

onderwerpen:

Basistabellen

In totaal in 124 gevallen werd verzocht te mogen afwijken van de basistabellen.

Hieronder waren 25 verzoeken van I.V.O.-scholen om de voor hen geldende

toestemming tot afwijking met vier jaar te verlengen, alsmede 58 verzoeken van

avondscholen. In 94 gevallen werd een positief advies uitgebracht, in de overige

28 gevallen werd geadviseerd het verzoek niet in te willigen.

Eindexamenregeling

In 2 gevallen werd positief geadviseerd ten aanzien van een verzoek om te

mogen afwijken van de eindexamenregeling (OR 237 en 261 AVO).

Ongedeeld v.w.o.

Ten aanzien van 66 verzoeken om invoering van ongedeeld v.w.o. werd

inwilliging geadviseerd, zij het in een aantal gevallen onder bepaalde voorwaarden.

Latijn eindexamenvak atheneum

Van 23 verzoeken om invoering van Latijn als eindexamenvak op het atheneum

kregen 18 een positief advies; in 2 gevallen werd inwilliging onder voorwaarden

geadviseerd; in 3 gevallen afwijzing.

Eindexamenvakken

Positief werd eveneens geadviseerd ten aanzien van de invoering van Russisch

en van Spaans als eindexamenvak, waarbij wel de wens werd geuit als voorwaarde

te stellen, dat deze taal als tweede moderne vreemde taal in het vakkenpakket

zou worden gekozen (OR 256 en 298 AVO).

Stelopdracht Nederlands

De Afdeling verklaarde zich tegen uitbreiding van het experiment v.w.o.-eindexamen-b.2.-stelopdracht

Nederlands (OR 270 AVO). In zijn antwoord d.d. 5 ok-

44


tober 1973, deelde de staatssecretaris mede op grond van welke argumenten

hij toch tot deze uitbreiding had besloten.

Vastestoffysica

Een positief advies werd uitgebracht ten aanzien van het verzoek van de Commissie

Modernisering Leerplan Natuurkunde, op 8 scholen voor h.a.v.o. een

experiment te ondernemen in de vorm van het besteden van een vijftiental lessen

aan 'vastestoffysica' (OR 297 AVO).

Klassieke talen

De Afdeling verklaarde zich akkoord met het voorstel van de Commissie Modernisering

Leerplan Klassieke Talen, het mondeling examen met gecommitteerden

te vervangen door een schoolonderzoek, maar dan niet op basis van slechts

een éénjarige ervaring met ingang van het schooljaar 1974/1975, maar een

jaar later (OR 286 AVO). De staatssecretaris berichtte bij schrijven d.d. 1 oktober

1973, toch voor invoering in het schooljaar 1974/1975 te hebben gekozen.

Filosofie

Met betrekking tot een verzoek om invoering van filosofie als examenvak op

een gymnasium werd een positief advies uitgebracht (OR 265 AVO).

Expressievakken

Eveneens werd positief geadviseerd ten aanzien van een verzoek om uitbreiding

van het experiment eindexamen expressievakken met een tweede afdeling aan

6 scholengemeenschappen, die reeds met een afdeling aan dit experiment deelnamen

(OR 268 AVO).

4 Vervolgens moeten worden genoemd de verzoeken ex artikel 56.

In de verslagperiode bereikte de Afdeling één verzoek om toepassing van dit

artikel (aanwijzing van een school als bevoegd om aan de leerlingen op grond

van het met gunstig gevolg afleggen van een eindexamen aan de school het

in het vierde lid van artikel 29 van de Wet bedoelde diploma uit te reiken, met

andere woorden gelijkstelling van het eindexamen aan een niet door het Rijk

bekostigde school met dat aan een wel bekostigde school van dezelfde soort).

Het betrof hier een bijzondere school voor h.a.v.o. (OR 288 AVO).

II Andere onderwerpen

In de Afdeling kwamen voorts de volgende onderwerpen aan de orde, ter zake

waarvan de daaronder vermelde adviezen werden uitgebracht:

Eindexamens

1 In haar advies d.d. 27 januari 1972, verklaarde de Afdeling geen bezwaar te

45


hebben tegen een aantal overwegend technische wijzigingen in de regelingen

van de eindexamens der openbare en aangewezen bijzondere gymnasia, hogere

burgerüïholen-A en -B en middelbare scholen voor meisjes (OR 227 AVO).

2 Op 28 juni 1973 bracht de Afdeling een advies uit betreffende een ontwerp tot

wijziging van het Besluit eindexamens v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o. (OR 285 AVO).

3 Op 10 januari 1973 berichtte de Afdeling de minister, dat zij zich kon verenigen

met het voorstel het Programma Wiskunde eindexamen m.a.v.o.-3 te wijzigen in

dier voege, dat de duur van de zitting van het schriftelijk examen, waarop vierkeuze-opgaven

worden voorgelegd, van IV2 op 2 uur werd gebracht (OR 262

AVO).

4 In haar advies d.d. 31 januari 1973 deelde de Afdeling mede, in te stemmen met

het scheppen van de mogelijkheid voor v.w.o.-leerlingen, eindexamen in een

achtste vak af te leggen onder de voorwaarden gesteld in de ontwerp-circulaire

(OR 266 AVO).

Inrichting

1 Ten aanzien van twee verzoeken om invoering van een afdeling gymnasiumgamma,

waarvoor aan het vakkenpakket enkele nieuwe vakken ('menswetenschappen')

zouden dienen te worden toegevoegd, bracht de Afdeling op 12

april 1972 een ongevraagd advies uit, waarin zij onder meer bezwaar maakte

tegen de opvatting, dat de Onderwijsraad slechts dient te worden gehoord, indien

een gunstige beslissing wordt overwogen. Zij achtte het gewenst, dat een

hernieuwd, nader uitgewerkt verzoek, opnieuw in behandeling zou worden genomen

(OR 239 en 241 AVO).

In zijn schrijven d.d. 30 juni 1972 deelde de minister mede, een verzoek tot Ifc*

voering van een vak 'menswetenschappen' als één van de zeven eindexamenvakken

in welwillende overweging te zullen nemen indien het verzoek vergezeld

zou gaan van een verantwoord eindexamenprogramma en leerplan voor

dat vak.

2 Bij schrijven d.d. 14 september 1972, maakte de Afdeling een aantal opmerkingen

betreffende het vierde ontwerp Reglement Rijksscholen v.w.o.-h.a.v.o.m.a.v.o.

In antwoord hierop werd op 8/9 maart 1973 een overzicht gezonden van

de ontvangen reacties op dit vierde ontwerp. Op 23 augustus 1973 werd het Reglement

in zijn uiteindelijke vorm ter kennisgeving ontvangen (OR 249 AVO).

3 In haar advies d.d. 5 januari 1973 reageerde de Afdeling op twee brieven van

de minister betreffende ongedeeld v.w.o., te weten die van 27 september 1972,

en van 6 november 1972. De Afdeling maakte uit deze brieven op, dat het be-

46


leid van de minister gericht was op een algemene invoering van ongedeeld

v.w.o. Zij zou in dat geval de voorkeur geven aan een wijziging van de wet. De

door de minister in uitzicht gestelde circulaire zou naar haar oordeel niet te

uitnodigend mogen worden gesteld. De Afdeling deelde voorts mede, dat zij het

in de bijbehorende urentabel vermelde aantal lesuren voor Nederlandse taal en

letterkunde met één vermeerderd zou willen zien en zegde toe zich te zullen

beijveren, omtrent de binnenkomende individuele verzoeken met spoed advies

uit te brengen (OR 255 AVO). Met het oog hierop werd een uit drie leden van

de Afdeling bestaande commissie, te weten de heren dr. A. Brink, drs. A. de

Haas en dr. P.G.J. Vredenduin, aangewezen zich met de beoordeling van deze

verzoeken te belasten.

In zijn antwoord d.d. 1 juni 1973 deelde de staatssecretaris mede van oordeel

te zijn, dat hij in zijn beleid met de in het onderwijs levende wensen rekening

moest houden en daarom ruimte meende te moeten geven aan het verwezenlijken

hiervan. Hij had het voorstel, het aantal lesuren voor de Nederlandse taal

en letterkunde met één te verhogen tot dertien, niet overgenomen om de ruimte

tussen het aantal verplichte en het aantal mogelijke lessen niet kleiner te maken.

Voorts werd een voorstel tot wijziging van het Besluit avondonderwijs

v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o. en het Besluit eindexamen v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o. (voor

zover betrekking hebbende op het avond-v.w.o.) in het vooruitzicht gesteld,

waardoor het avond-v.w.o. ongedeeld zou worden. De desbetreffende adviesaanvrage

werd ingezonden bij schrijven d.d. 13 december 1973, maar kon in

de verslagperiode niet meer worden behandeld.

Leraarlessen

1 Naar aanleiding van de circulaires AVO-72-02 en 72-14, betreffende de vermindering

leraarlessen, bracht de Afdeling op 13 april 1972 een ongevraagd advies

uit, waarin zij erop wees, dat door de vrij abrupte invoering van deze vermindering

in vele scholen een zekere onrust was ontstaan. De Afdeling adviseerde

daarom dringend deze onrust weg te nemen door een uitdrukkelijke verklaring,

dat geen verdere beleidsombuigende maatregelen waren te verwachten en dat

met name vermindering of afschaffing van de taakuren niet werd overwogen

(OR 235 AVO).

2 Ten aanzien van een ontwerp-besluit tot wijziging van het Besluit v.w.o.-h.a.v.o.m.a.v.o.,

ertoe strekkende, dat het aantal leraarlessen voor de categoriale dagscholen

volgens dezelfde formule zou worden vastgesteld als voor de scholengemeenschappen

en waarbij tevens voor driejarige afdelingen voor m.a.v.o. een

nieuwe bepaling werd voorgesteld, welke min of meer als opheffingsnorm zou

kunnen gaan fungeren, kwam de Afdeling in haar advies d.d. 31 januari 1973

tot de conclusie, dat zij niet voldoende grond zag voor de totstandkoming van

dit besluit (OR 264 AVO).

47


Lerarenopleiding

1 In haar vergadering van 15 september 1972 had de Afdeling een bespreking over

de experimentele lerarenopleidingen met de heer dr. J. L. P. Brants, directeur

van de Directie Opleiding Docenten van het ministerie. Aan deze vergadering

werd tevens deelgenomen door de heren dr. J. R. van Blom en prof. dr. G. Wielenga

van de Vierde en W. Tasma van de Vijfde Afdeling.

De ministeriële Nota van antwoord op vragen van leden van de Centrale Commissie

voor Onderwijsoverleg (C.C.O.O.) was voor de Afdeling reden om op 18

december 1972 aan de minister een telegram te doen uitgaan om uiting te geven

aan haar grote vrees voor overijlde besluiten ten aanzien van de bestaande

part-time opleidingen van leerkrachten, ook in verband met de gewenste geografische

spreiding. Zij bracht haar bezorgheid onder woorden met betrekking

tot het tweevakkensysteem, het driegradenstelsel, de opleiding voor speciale

functies, de verhouding vakopleiding-beroepsopleiding en de realisering van

eigen levensbeschouwelijke grondslagen (OR 263 AVO-2).AIs reactie hierop kon

de heer Brants een aantal geruststellende mededelingen doen, alsmede de toezegging,

opnieuw een gesprek met de Afdeling te houden ter toelichting van

de algemene punten en de adviesaanvragen van de experimentele lerarenopleidingen.

Dit gesprek heeft plaats gevonden in de vergadering van 31 augustus

1973. De heer Brants werd hierbij vergezeld door de heer mr. A. M. J. J. Goossens;

de vergadering werd tevens bijgewoond door de heren Van Blom van de

Vierde en Tasma van de Vijfde Afdeling.

Op 14 september 1973 bracht de Afdeling advies uit over het bij schrijven d.d.

17 augustus 1973 toegezonden concept-model bekostigingsbeschikking lerarenopleidingen

(OR 263 AVO). Zij stelde hierin voorop de mening te zijn toegedaan,

dat het in casu ging om een 'oneigenlijke' toepassing van de Experimentenwet-onderwijs.

Voorts had zij tegen het model het grote bezwaar, dat

dit wel per opleidingsinstituut kon worden ingevuld, maar toch in wezen min of

meer de strekking had een algemene regeling in te voeren voor een nieuwe

vorm van onderwijs, waardoor het nagenoeg het karakter kreeg van een - overigens

in de Eperimentenwet-onderwijs niet voorziene - algemene maatregel

van bestuur, c.q. algemene beschikking. De Afdeling had voorts nog een aantal

opmerkingen betreffende de redactie van de afzonderlijke artikelen van de

overgelegde modellen. Zij behield zich het recht voor, na ontvangst van het met

een experimenteerplan ingezonden verzoek om bekostiging van het bevoegd

gezag van elk der opleidingen in haar desbetreffend advies eventueel nog wijzigingen

in overweging te geven.

In de verslagperiode is geen dergelijk verzoek om bekostiging ter advisering

ontvangen, wel een experimenteerplan van het Instituut Lerarenopleiding Voortgezet

Onderwijs 'Ubbo Emmius' te Groningen en Leeuwarden (OR 292 AVO).

2 In aansluiting aan een advies van de Eerste Afdeling drong de Afdeling er in

48


een brief d.d. 16 mei 1972, met klem bij de minister op aan, de mogelijkheid te

openen dat de pedagogisch-didactische opleiding van de aanstaande leraar

plaats vindt na het behalen van het doctoraal-getuigschrift (OR 351 WO-II).

Ill Bijdragen aan de algemene werkzaamheden

De Afdeling nam ten dienste van het college van voorzitters of van centrale

commissies uit de Raad nog de volgende onderwerpen in behandeling:

- het discussiestuk voortgezet onderwijs in het kader van de planprocedure

(OR 64 WVO-6);

- het eerste concept-scholenplan 1973-1975 (OR 64 WVO-8-13);

- de Nota 'Op weg naar hoger onderwijs nieuwe stijl' (OR 373 WO), later gevolgd

door het voorontwerp van wet ontwikkeling hoger onderwijs (OR 403 WO);

- het tweede rapport van de Commissie Ontwikkeling Wetenschappelijk Onderwijs

(commissie-De Moor) (OR 360 WO);

- het voorontwerp onderwijs planning wet (OR 195 Alg.);

- de doorstroming h.b.o./w.o. (OR 377 WO);

- de discipline-indeling met het oog op de planning post-secundair onderwijs

(OR 363 WO);

- het rapport van de commissie onderwijsbevoegdheid officieren (OR 79381

OVO II);

- ontwerp-richtlijnen voor de toepassing van de artikelen 25 en 26 WVO (afwijking

lessentabellen) (OR 271 AVO);

- de Nota over het onderwijsbeleid (bijlage IV van de Memorie van Toelichting

bij de begroting 1973 van onderwijs en wetenschappen (OR 198 Alg.), alsmede

de ter zake door de centrale commissie opgestelde vraagpunten;

- het scholenplan 1974/1976 (OR 187 Alg.);

- uitgangspunten voor het beleid ten aanzien van onderwijskundige experimenten

geïntegreerd voortgezet onderwijs voor de leeftijdscategorie van ca. 12-15

jaar (G.V.O.-I) (OR 206 Alg.).

49


De derde afdeling

Afdeling voor het kleuteronderwijs en het basisonderwijs

Voorzitter van deze Afdeling was prof. dr. I.A. Diepenhorst.

In de verslagperiode kwam de Afdeling 19 maal in vergadering bijeen te weten:

in 1972 op:

11 februari, 10 maart, 14 april, 12 mei, 9 juni, 1 september, 6 oktober, 10 november

en 8 december;

in 1973 op:

12 januari, 9 februari, 9 maart, 13 april, 8 juni, 17 augustus, 7 september, 5 oktober,

9 november en 14 december.

Ook de Derde Afdeling ondervond in de verslagperiode moeilijkheden als gevolg

van onduidelijkheid in de vanwege het departement gevolgde procedures

en van onoverzichtelijkheid van de beslissingsstructuren. Daarom valt, de jaren

1972 en 1973 overziende, allereerst een zekere mate van verkoeling op in de betrekkingen

tussen het departement en de Afdeling. De oorzaken hiervan worden

hieronder nader aangegeven. Eerst in de tweede helft van 1973 was er weer

sprake van een wat mildere verstandhouding.

A ALGEMEEN

In haar brief van 10 april 1972 (OR 111/24531-8) stelde de Afdeling vast, dat de

staatssecretaris enkele beslissingen van principiële aard genomen had - onder

meer inzake de remedial teaching ende rijksvergoeding voor extra leerkrachten

voor projectscholen - zonder het door de wet voorgeschreven advies van de

Onderwijsraad in te winnen. Met het oog hierop verzocht zij de staatssecretaris

haar nadere gegevens te verstrekken inzake het beleid, dat hij voerde, respectievelijk

voornemens was te voeren met betrekking tot de toepassing van artikel

56, tweede lid, van de Lager-onderwijswet 1920 in verband met onderwijsvernieuwingen

op scholen voor basisonderwijs. Deze gegevens achtte de Afdeling

van belang om ter zake dienende adviezen te kunnen uitbrengen. Niet alleen

echter bracht het antwoord d.d. 29 mei 1972 weinig klaarheid, maar ook moest

de Afdeling ongeveer tezelfder tijd vaststellen, dat de bewindsman opnieuw een

beslissing van principiële aard genomen had zonder de Afdeling advies te vragen

of haar er zelfs maar van in kennis te stellen. Bij brief van 17 juli 1972 (OR III/

24962-9) maakte zij daartegen bezwaar, terwijl zij bij schrijven van 16 augustus

50


1972 (OR 111/24531-10) haar ongenoegen over de hele gang van zaken uitte.

Naar aanleiding van deze laatste brief had de Afdeling in haar vergadering van

6 oktober 1972 een gesprek met de directeur KBO, de heer drs. K.G. Lub, terwijl

zij voorts een brief van de staatssecretaris, gedateerd 10 oktober 1972 ontving,

waarin deze de verwachting uitsprak, dat door een zorgvuldiger werkwijze in

de toekomst 'kortsluitingen' als vermeld, te voorkomen zouden zijn. Niettemin

waren deze ervaringen de samenwerking niet ten goede gekomen, terwijl teleurstellingen

niet uitbleven.

Bij brief van 29 januari 1973 verzocht de staatssecretaris om een algemeen advies

voor het schooljaar 1973/1974 over enkele categorieën verzoeken om toepassing

van artikel 56, tweede lid van de Lager-onderwijswet 1920, maar deed

op 24 januari daaraan voorafgaande reeds een daarop betrekking hebbende

circulaire het licht zien, terwijl hij voorts op verschillende verzoeken al een beslissing

genomen had. De Afdeling maakte tegen deze gang van zake bezwaar

bij schrijven van 1 maart 1973 (OR 111/84318).

Juist in deze zelfde tijd, maart 1973, bracht een commissie uit de Afdeling een bezoek

aan een gemeente met een aantal scholen met niet-Nederlandstalige kinderen

onder hun bevolking, ten einde zich over een bepaalde wijze van opvang

van zulke leerlingen waarover zij advies had toegezegd te oriënteren. Ter

plaatse moest deze commissie echter vaststellen, dat de bewindsman inmiddels

al een principiële beleidsbeslissing genomen had.

Kort daarop - 24 april 1973 - zond de Afdeling aan de leiding van een project

een brief (OR lll/84106-d) met afschrift aan de staatssecretaris, waarin zij een

uiteenzetting gaf van haar aandeel in de niet vlot verlopende afhandeling van

de subsidie-aanvrage voor dat project. Zij zag zich hiertoe genoopt, omdat zij

de indruk had, dat mededelingen dienaangaande van de kant van het departement

wellicht tot een niet geheel met de feiten in overeenstemming zijnde gevolgtrekking

aanleiding zouden kunnen geven.

De Afdeling verschilde voorts met de staatssecretaris van mening over de wijze

van adviseren over de subsidiëring van vernieuwingsprojecten op het terrein

van het kleuter- en basisonderwijs: de staatssecretaris ging er kennelijk impliciet

van uit, dat de taak van de Afdeling zich diende te beperken tot advies over

extra leerkrachten, nadat hij over die projecten zelf al een beslissing genomen

had; de Afdeling stelde zich daarentegen op het standpunt, dat een advies over

toepassing van artikel 56, tweede lid van de Lager-onderwijswet 1920 ten behoeve

van een project noodzakelijkerwijze een beoordeling van dat project zelf

inhoudt. Na deze zaak al eens aan de orde gesteld te hebben in haar brief van

17 februart 1972 (OR 111/82748-17), vroeg zij daarvoor nogmaals met klem de aandacht

in haar advies van 5 maart 1973 (OR IM/25369-9).

Ook de omvang van het aandeel van de Afdeling bij de uitvoering van artikel 2

van de Experimentenwet onderwijs bleef een onbesliste zaak, hoewel zij daarvoor

enkele malen aandacht vroeg (adviezen van 20 juli 1972, OR 111/25199/200

51


en 28 mei 1973, OR Hl/25486).

In haar advies van 26 maart 1973 (OR 111/84107-10), maakte de Afdeling er

bezwaar tegen, dat haar over het desbetreffende project pas een oordeel gevraagd

was, nadat de minister al een principe-beslissing over de subsidiëring

ervan genomen had. Zij gaf als haar mening te kennen, dat zij - óók in haar

hoedanigheid van eindadviesorgaan - reeds in een eerder stadium ingeschakeld

had moeten worden.

Een en ander vormde de achtergrond voor het besluit van de Afdeling in de

aprilvergadering van 1973 een in scherpe bewoordingen gestelde brief te doen

uitgaan, waarin de Afdeling een ernstig protest deed horen met de aankondiging,

dat bij voortduren van de moeilijkheden, een aantal leden niet zou aarzelen

de onder dergelijke omstandigheden enig mogelijke consequentie te trekken.

De algemeen voorzitter en secretaris van de Raad hielden deze brief evenwel

in portefeuille, terwijl de voorzitter op 27 april 1973 schriftelijk een klemmend

beroep op de leden van de Afdeling deed om hen te weerhouden van een wellicht

emotioneel wel te plaatsen, maar overigens in de gegeven situatie van

ministerswisseling weinig zinvol gebaar.

De Afdeling nam vervolgens een wat meer gedistantieerde houding aan, waarbij

als positief punt te vermelden valt, dat vanaf het voorjaar van 1973 veelvuldiger

persoonlijk contact van de Afdeling met functionarissen van de directie

KBO heeft plaatsgevonden. Dit heeft welliswaar nog geen oplossing gebracht

van eerder geschetste meningsverschillen, maar wel bijgedragen aan een mildere

verstandhouding.

B WETGEVING

I In haar vergadering van 11 februari 1972 beraadslaagde de Afdeling over een

haar om advies gezonden voorontwerp van wet, houdende voorziening in de

behoefte aan onderwijzers bij het gewooon lager onderwijs. Dit voorontwerp

hield verband met de omstandigheid, dat het toentertijd vooral in het westen

des lands onmogelijk bleek om alle vacatures bij het gewoon lager onderwijs

te vervullen, reden waarom in bepaalde gevallen en voor een beperkte periode

de mogelijkheid van aanstelling van een hoofdleidster in het eerste en tweede

leerjaar van een school voor gewoon lager onderwijs overwogen werd. Daar

de Afdeling het gesignaleerde onderwijstekort een acuut probleem achtte, dat

afgezien van de oorzaken ervan, op korte termijn een oplossing behoefde, kon

zij in haar advies van 6 maart 1972 met het voorontwerp als noodmaatregel instemmen.

Zij overwoog nog, dat de ervaringen met deze regeling, mits met

zorg begeleid, van nut zouden kunnen blijken te zijn bij de verdere voorbereiding

van de integratie van kleuter- en basisonderwijs (OR Hl/82979).

II Aan de hand van een preadvies van een daartoe gevormde commissie, be-

52


staande uit mevrouw Hammelburg-de Vries, de heren Bartelsman en De Haas

en mejuffrouw Vreugdenhil, bezag de Afdeling in haar vergadering van 14 december

1973 een voorontwerp van wet, houdende wijziging van de Kleuteronderwijswet

en de Lager-onderwijswet 1920. Dit voorontwerp beoogde verlaging

van de toelatingsleeftijd bij het kleuteronderwijs, beperking van de toelating

tot 4 maal per jaar, een wijziging van het teldatumsysteem bij kleuteronderwijs

en gewoon lager onderwijs, alsmede enkele met een en ander verband

houdende technische wijzigingen.

Op 20 december 1973 bracht de Afdeling advies uit. In beginsel kon zij instemmen

met een wijziging van het teldatumsysteem, mits de technische uitwerking

daarvan geen afbreuk zou doen aan de rechtspositie van de onderwijzers. De

voorstellen ter zake van de verlaging van de toelatingsleeftijd en de beperking

van de toelating evenwel achtte de Afdeling onderwijskundig nog onvoldoende

gefundeerd; zij legde hierbij, verwijzende naar eerdere voorstellen dienaangaande

harerzijds, ook een relatie met de opvang van peuters.

C BASISONDERWIJS

Ook in deze verslagperiode hielden diverse werkzaamheden van de Afdeling

rechtstreeks of zijdelings verband met de vernieuwing en verandering van het

basisonderwijs, hetzij in het algemeen, hetzij toegespitst op een bepaald project.

Daarnaast vergde de uitvoering van de haar door de Lager-onderwijswet 1920

opgedragen taak veel tijd en aandacht.

1 Vernieuwing en verandering van het basisonderwijs

De Afdeling bracht in de verslagperiode verschillende adviezen uit over projecten,

die vernieuwingen van het basisonderwijs in enigerlei vorm beoogden,

zulks al dan niet in samenhang met een onderwijsaanpak, in het bijzonder

afgestemd op kinderen die in sociaal en cultureel opzicht in het nadeel verkeren

In de regel vormde de toepassing van artikel 56, tweede lid van de Lager-onderwijswet

1920 ten behoeve van dergelijke projecten de aanleiding tot de adviezen

der Afdeling. In haar brief van 16 augustus 1972 verdedigde zij het standpunt,

dat initiatieven inzake de vernieuwing en de verbetering van het onderwijs,

die aan de basis genomen worden, onder bepaalde voorwaarden voor faciliteiten

in de vorm van extra leerkrachten voor rijksrekening in aanmerking moeten

kunnen komen (OR 111/24531).

a zgn. Van Calcar-project te Amsterdam

Aan het einde van de vorige verslagperioode verzocht de staatssecretaris om

advies over de toekenning van rijksvergoeding voor een aantal extra leerkrachten

ten behoeve van het zgn. Van Calcarproject te Amsterdam. Bij schrijven

d.d. 25 mei 1972 bracht de Afdeling advies uit. Hieraan ging een briefwisseling

met de staatssecretaris vooraf, waarin zij uit hoofde van haar positie als eind-

53


adviesorgaan het standpunt innam, dat, wil zij zich een ter zake dienend oordeel

kunnen vormen over een onderdeel van de aan een project te verlenen subsidie

(zoals de salariëring van extra leerkrachten), zij noodzakelijkerwijze inzicht in

dat project in zijn geheel zal moeten hebben. Om deze reden verzocht zij de

staatssecretaris om nadere gegevens over het Van Calcar-project, in het bijzonder

over de aard en de omvang van de door de SVO toegezegde subsidie.

Dit resulteerde in de toezending door de SVO van stukken die op deze subsidiëring

betrekking hadden. Intussen bracht de uit de Afdeling gevormde commissie

van preadvies, bestaande uit mevrouw Hammelburg-De Vries en de

heren Bartelsman en De Wit, op 17 maart 1972 een oriënterend bezoek aan

enkele der deelnemende scholen. Dezelfde commissie had kort daarop een

informatief gesprek met drie medewerkers van de SVO. Aan de hand van de

aldus bijeengebrachte gegevens kon de Afdeling in haar vergadering van 12

mei de behandeling van het project afronden. In haar advies sprak zij, na op

diverse aspecten van dit veelomvattende project te zijn ingegaan, als haar

oordeel uit, dat het verlenen van subsidie door de rijksoverheid verantwoord

te achten was. Vervolgens gaf zij de wettelijke regelingen aan, krachtens welke

deze rijkssubsidie haars inziens verleend kon worden (OR IM/82748).

b opbouwproject Lopikerwaard

Bij brief van 5 maart 1973 bracht de Afdeling advies uit over het onderwijsopbouwproject

Lopik, dat zich ten doel stelt het kleuter- en lager onderwijs in

deze gemeente beter af te stemmen op het milieu en de streekcultuur, zulks

als onderdeel van een geheel van activiteiten, die alle beogen de sociale en

culturele achterstand in Lopik (en vandaaruit in de regio Lopikerwaard) geleidelijk

weg te werken. Hoewel de Afdeling de indruk had, dat ook in dit geval

haar advies slechts verlangd werd over de in te zetten extra leerkrachten, nam

zij niettemin het gehele project in beschouwing. Hiertoe had een commissie

van preadvies, bestaande uit mevrouw Hammelburg-De Vries en de heren Bartelsman

en De Tombe, ter plaatse een gesprek met de verschillende belanghebbenden,

terwijl zij voorts een der deelnemende scholen bezocht. Overigens

bleek het uitbrengen van een ter zake dienend advies niet gemakkelijk, omdat

de minister al subsidie voor de schoolbegeleiding had toegezegd, een zaak,

waarvan de subsidie voor extra leerkrachten niet los te zien was. Voor de Afdeling

vormde dit aanleiding in haar advies een passage van algemene strekking

op te nemen over de wenselijkheid van een grotere coördinatie der activiteiten

rond projecten als het onderhavige (OR Hl/25369).

c samenwerkingsproject Colijnsplaat

Aan de hand van een preadvies van de heer Van der Geld bracht de Afdeling

op 5 april 1973 advies uit over een extra leerkracht voor het samenwerkingsproject

Colijnsplaat, dat zich ten doel stelt wegen te vinden, waarlangs de kleine

54


plattelandsschool, deel uitmakend van een besloten plattelandsgemeenschap,

uit haar isolement te halen zou zijn (OR 111/25482).

d gedifferentieerd onderwijs minstgeschootden (voorheen compensatieproject)

Bij schrijven d.d. 8 januari 1973 vroeg de minister de Afdeling om een oordeel

over het project Gedifferentieerd onderwijs aan kinderen van minstgeschoolden

in de leeftijdsgroep van 5-7 jaar (project IN-83). In deze brief deelde de bewindsman

mede op dezelfde datum aan de projectleiding te hebben laten weten

in principe een gunstige beslissing genomen te hebben. Met een oordeel van

de Afdeling zou, aldus de minister, nog rekening te houden zijn bij de definitieve

beslissingen die nog genomen zouden moeten worden naar aanleiding van de

begroting van het project.

In verband met een en ander deelde de Afdeling in haar advies van 26 maart

1973 mede, dat er 'naar haar indruk tussen een definitieve en een principe-beslissing

in het algemeen een zodanig nauw verband bestaat, dat de laatste de

omvang van de eerste wellicht tot in details bepaalt'. Wat het project zelf betreft,

had een commissie van preadvies, bestaande uit de heren Van Calcar,

Vlietstra en De Wit op 23 februari 1973 een bespreking met vertegenwoordigers

van de rijksinspectie, het project, de SVO, de bij het project te betrekken begeleidingsdiensten

en de Vereniging de Landelijke Pedagogische Centra. Mede

aan de hand van de gegevens die deze bespreking opleverde kon de Afdeling

de behandeling van het project in haar vergadering van 9 maart afronden (OR

111/84107).

e project Engels in het basisonderwijs

In juni 1972 vernam de Afdeling, dat bij de commissie onderwijskundige experimenten

ten departemente een aanvrage om subsidie voor de tweede fase (de

fase van de experimentele innovatie) van het project Engels in het basisonderwijs

te Utrecht ingediend was. Na op 28 november geinformeerd te hebben,

waarom de op grond daarvan te verwachten adviesaanvrage uitbleef, bereikte

deze haar in de loop van februari 1973, zij het zonder een volledig dossier. Ter

voorbereiding van het advies stelde een commissie uit de Afdeling, bestaande

uit mevrouw Hammelburg-De Vries en de heren Bartelsman en De Tombe, een

onderzoek ter plaatse in. In het advies d.d. 29 mei 1973 liet de Afdeling haar

positieve oordeel over de voortzetting van de subsidiëring van het project voorafgaan

door een algemene beschouwing over de plaats van het vak Engels in

het toekomstige basisonderwijs (OR 111/84106).

Afzonderlijke adviezen bracht zij nadien nog uit over de toepassing van artikel

90, zesde lid, respectievelijk 25, vijfde lid van de Lager-onderwijswet 1920 ten

behoeve van diverse aan het project deelnemende scholen en over toepassing

van artikel 3 bis voor de betreffende onderwijzers.

55


f project-Grandia

In haar vergadering van 10 maart 1972 discussieerde de Afdeling over het

project Onderwijs en sociaal milieu te Rotterdam aan de hand van een toelichting

door de projectleider, de heer Grandia.

g regionale onderwijsvoorzieningen ,:*isOs> mftk&Aïl

Op basis van een inleiding van de heer Van der Geld en diens nota Schooladvies-

en begeleidingsdienst wijdde de Afdeling in haar vergadering van 9 juni

1972 een beschouwing aan diverse aspecten van onderwijsbegeleidende diensten.

In dezelfde vergadering bezag de Afdeling de plaats en taak van provinciale

onderwijsraden, eveneens aan de hand van een nota van de heer Van der

Geld.

h contactscholenwerk

Ook door de werkzaamheden van de permanente commissie voor het contactscholenwerk

uit haar midden — bestaande uit mevrouw Hammelburg-De Vries

en de heren De Tombe en Van lersel (de laatste medio 1972 opgevolgd door

de heer Van der Geld) — had de Afdeling bemoeienis met verschillende vernieuwingsaspecten.

In haar vergadering van 12 mei 1972 beraadde zij zich op

het contactscholenwerk in het schooljaar 1972/1973. Omdat in veel gevallen de

oordeelvorming bemoeilijkt bleek te worden als gevolg van summiere en onvolledige

dossiers, bezocht de commissie, ten einde de situatie in de praktijk ter

plaatse te leren kennen, in het najaar van 1972 een reeks van contactscholen in

verschillende delen van het land. Haar bevindingen legde de commissie neer

in een verslag, dat onderwerp van bespreking vormde in de Afdelingsvergadering

van 9 maart 1973 (OR Hl/84360). De Afdeling achtte deze bevindingen van

dien aard, dat zij besloot het verslag toe te zenden aan de staatssecretaris en

het college van hoofdinspecteurs van het lager onderwijs. Dit leidde tot een

gesprek tussen vertegenwoordigers van het departement, het college van

hoofdinspecteurs en de commissie op 15 mei 1973 over de toekomst van het

contactscholenwerk. Bij deze gelegenheid bleek onder meer de wenselijkheid

van enkele gerichte voorwaarden bij de toepassing van artikel 56, tweede lid,

van de Lager-onderwijswet 1920 ten behoeve van contactscholen (zoals meerjarenplanning

en verslaggeving), ten einde aldus de door deze scholen genomen

vernieuwingsinitiatieven met enige waarborgen te omgeven.

Op 20 september 1973 had de commissie een gesprek met enkele vertegenwoordigers

der landelijke pedagogische centra. Aanleiding hiertoe vormde een

verzoek van de Afdeling aan de centra, om, indien mogelijk, de uitgangspunten

aan te geven van het beleid, dat zij in de toekomst met betrekking tot het contactscholenwerk

hopen te voeren.

De commissie contactscholenwerk bereidde voor het schooljaar 1972/1973 in

52, en voor het schooljaar 1973/1974 in 39 gevallen de uitgebrachte adviezen

voor.

56


2 Toepassing wettelijke bepalingen

In de verslagperiode heeft het uitbrengen van adviezen ingevolge de voorschriften

van de Lager-onderwijswet 1920 een belangrijk deel uitgemaakt van de

werkzaamheden der Afdeling. Een overzicht van deze adviezen is aan het slot

van dit hoofdstuk opgenomen. Enkeles aspecten van de advisering over de

toepassing van artikel 56, tweede lid worden hieronder belicht.

a Normen

Bij schrijven van 27 januari 1972 deelde de staatssecretaris mede, welke normen

hij voornemens was in het schooljaar 1972/1973 te hanteren bij verzoeken

om rijksvergoeding voor een extra leerkracht in verband met het leerlingenaantal

en/of de verlichting van de taak van het hoofd. Op 6 maart 1972 berichtte

de Afdeling bij wijze van algemeen advies zich met deze normen te kunnen

verenigen (OR Ml/83020).

Over soortgelijke normen, nu voor het schooljaar 1973/1974, handelde de brief

van de staatssecretaris d.d. 29 januari 1973. Van deze normen waren de schoolbesturen

inmiddels al per circulaire op de hoogte gebracht; bovendien bleek

een aantal verzoeken reeds met toepassing van deze normen afgehandeld te

zijn. Omdat zij deze gang van zaken niet geheel in overeenstemming achtte met

de strekking van het 'de Onderwijsraad gehoord'in artikel 56, tweede lid, liet de

Afdeling haar algemeen advies ter zake d.d. 1 maart 1973, voorafgaan door

een beschouwing over het karakter van een dergelijk algemeen advies. In haar

vergadering van 9 maart 1973 wisselde de Afdeling met de chef van de afdeling

basisonderwijs, de heer J. de Groot, hierover van gedachten (OR 111/84318).

b Vragenlijsten A en B

Reeds geruime tijd had de Afdeling de vragenlijsten A en B in gebruik als hulpmiddel

bij de advisering over verzoeken om toepassing van artikel 56, tweede

lid van de Lager-onderwijswet 1920 (en artikel 40, derde lid van de Kleuteronderwijswet)

op sociale indicatie. In de verslagperiode deed zich als gevolg

van de veranderende omstandigheden de behoefte voelen aan een herbezinning

op deze lijsten. Op verzoek van de Afdeling ontwierp een commissie uit haar

midden, bestaande uit de heren Van Calcar en Vlietstra, nieuwe vragenlijsten

A en B voor zowel basis- als kleuterscholen met kinderen die in sociaal en cultureel

opzicht in het nadeel verkeren. In haar vergadering van 8 december 1972

besloot de Afdeling deze ontwerplijsten ter beoordeling voor te leggen aan het

college van hoofdinspecteurs van het lager onderwijs en de hoofdinspectrices

van het kleuteronderwijs. Tijdens een tweetal besprekingen tussen de hoofdinspectie,

een vertegenwoordiger van de directie KBO van het departement en

de commissie uit de Afdeling op 17 april en 4 mei 1973 werd de tekst der lijsten

voorlopig vastgesteld. De lijsten zijn daarop, ten einde ze op hun bruikbaarheid

in de praktijk te toetsen, toegezonden aan 20 scholen voor gewoon

57


lager onderwijs en 12 kleuterscholen, die al ervaring hadden met de problemen,

tot welker oplossing de lijsten een bijdrage hoopten te kunnen leveren. Aan de

hand van de binnengekomen suggesties werd tijdens een afrondende bespreking

op 4 december 1973 nog een aantal verbeteringen in de tekst aangebracht.

De aldus tot stand gekomen lijsten hebben vervolgens ook goede diensten

kunnen bewijzen bij de toekenning van extra onderwijzers aan scholen, gelegen

in onderwijsstimuleringsgebieden.

c Onderwijsstimuleringsgebieden

In de regeringsverklaring van 28 mei 1973 werden maatregelen aangekondigd

ten gunste van gebieden met bijzondere onderwijsproblemen en meer in het bijzonder

het voornemen om ± 880 boventallige onderwijzers in dergelijke gebieden

in te zetten. Over de uitvoering van dit voornemen overlegde op 21 juni een

commissie uit de Afdeling, bestaande uit de heren van Calcar, Posthuma en Vlietstra,

met de chef van de afdeling basisonderwijs van het departement. De verzending

van een met spoed opgesteld advies moest evenwel opgeschort worden,

omdat blijkens de Nota inzake de bestrijding van excessieve werkloosheid

van de minister van sociale zaken d.d. 23 juni 1973 het inzetten der 800 boventalligen

een door dit departement gefinancierde maatregel in het kader van

de werkloosheidsbestrijding zou vormen, hetgeen een wijziging van het aanvankelijke

uitgangspunt betekende. Nadere voorstellen voor de effectuering van

deze maatregel bereikten de Afdeling van de kant van het departement van

onderwijs en wetenschappen op 4 juli. Deze hielden in het kort in het door de

schoolbesturen zoveel mogelijk doen aantrekken van onderwijzers die werkloos

waren of dat op korte termijn dreigden te worden en wel ten behoeve van vijf

categorieën van gevallen, van welke categorieën de onderwijsstimuleringsgebieden

er een vormden. De Afdeling adviseerde hierover in eerste instantie bij

brief van 11 juli 1973; dit advies moest zich gezien de geboden spoed tot hoofdzaken

beperken en droeg een algemeen karakter. Voor wat de onderwijsstimuleringsgebieden

betreft, stelde de Afdeling voor - en het departement nam dit

over - ter selectie van de scholen die op deze grond voor een extra leerkracht

in aanmerking wilden komen, gebruik te maken van de nieuwe vragenlijst A

voor het basisonderwijs (zie hierboven onder b.). Na een bespreking over dit

onderwerp in haar vergadering van 17 augustus met vertegenwoordigers van

de directies KBO en O. en P. en van de hoofdinspectie, bracht zij op 24 augustus

nog een tweede advies uit (OR Ml/84895).

In haar vergadering van 14 december 1973 overlegde de Afdeling opnieuw met

de chef van de afdeling basisonderwijs, nu over het beleid met betrekking tot

de onderwijsstimuleringsgebieden na het schooljaar 1973/1974. Onder meer

kwam hierbij de relatie aan de orde tussen de begrippen onderwijsstimuleringsgebied

en sociaal en cultureel in het nadeel verkerend. De conclusie was, dat

beide begrippen zoveel raakpunten met elkaar hebben, dat waar het de toe-

58


passing van artikel 56, tweede lid betreft een afzonderlijke benadering vooralsnog

minder juist zou zijn. Deze slotsom legde de Afdeling ten grondslag aan

haar advisering ter zake voor het schooljaar 1974/1975.

d In de vergadering van 10 november 1972 kwam de vraag aan de orde naar de

verdeling over het land van de extra leerkrachten ten behoeve van scholen met

kinderen die in sociaal en cultureel opzicht in het nadeel verkeren. Een in verband

hiermede door het secretariaat opgesteld overzicht over het schooljaar

1971/1972 - waaruit een nogal onevenwichtige spreiding bleek - vormde onderwerp

van bespreking in de vergadering van 9 maart 1973 (OR 111/84301).

e Niet-Nederlandstalige kinderen

Het aantal adviezen over toepassing van artikel 56, tweede lid ten behoeve van

scholen met niet-Nederlandstalige kinderen onder hun bevolking nam in de

verslagperiode eerder toe dan af. Verschillende dezer adviezen werden voorbereid

door commissies van preadvies, die in sommige gevallen een onderzoek

ter plaatse instelden. In haar vergadering van 9 november 1973 wijdde de Afdeling

een beschouwing aan het rapport 'Het onderwijs aan kinderen van buitenlandse

werknemers op de basisscholen, aanbevelingen en conclusies van de

interdepartementale werkgroep-Bent'. Van de meningsvorming in deze commissie

was de Afdeling al enigermate op de hoogte als gevolg van het waarnemerschap

door de adjunct-secretaris, de heer R. Gazendam in deze commissie. Met

de chef van de afdeling basisonderwijs wisselde de Afdeling in haar vergadering

van 14 december 1973 van gedachten over diverse aspecten van de opvang

van niet-Nederlandstalige kinderen.

In de verslagperiode bracht de Afdeling ook verschillende adviezen uM over

extra leerkrachten en leidsters ten behoeve van de kleuter- en basisscholen in

de Bijlmermeer, welker bevolking in niet onbelangrijke of zelfs overwegende

mate uit Surinaamse en buitenlandse kinderen bestaat. Nadat in de vorige verslagperiode

de Afdeling al een werkbezoek aan de Bijlmermeer gebracht had,

bezocht een commissie uit haar midden, bestaande uit mevrouw Hammelburg-

De Vries en de heren Bartelsman, Van Calcar en Vlietstra, op 28 september

1973 nogmaals een aantal scholen aldaar. De bevindingen van de commissie

vormden onderwerp van bespreking in de vergadering van 9 november 1973.

f Geen uitzonderingsregeling

In haar vergadering van 9 maart 1973 had de Afdeling een gesprek met de chef

van de afdeling basisonderwijs en de directeur van de afdeling onderwijs van

de gemeente Amsterdam over een verzoek van burgemeester en wethouders

van deze gemeente om een afwijkende, gunstiger leerlingenschaal toe te passen

voor het openbaar basisonderwijs in de oude stadswijken. Bij advies van 5

april 1973 deelde zij mede, dat naar haar oordeel een dergelijke schaalverla-

59


ging — hoezeer ook gewenst vanuit onderwijskundig oogpunt — een overschrijding

zou inhouden van de door de Lager-onderwijswet 1920 in het algemeen

en artikel 56, tweede lid in het bijzonder gestelde grenzen (OR Ml/25474).

Schattingen

Overeenkomstig artikel 85, eerste lid van de Lager-onderwijswet 1920 benoemde

de Afdeling in de verslagperiode 94 maal een deskundige tot het verrichten

van schattingen in de aldaar omschreven gevallen.

KLEUTERONDERWIJS

Peuterspeelzalen

In haar eigener beweging uitgebrachte advies van 28 juli 1972, deed de Afdeling

enkele aanbevelingen inzake de opvang van peuters. Aanleiding daartoe vormde

de overweging, dat het in snel tempo toenemende aantal peuterspeelzalen een

nadere bezinning nodig maakte op de vraag, in hoeverre hier een taak ligt voor

de overheid en meer in het bijzonder voor het ministerie van onderwijs en wetenschappen.

Aan de hand van aantekeningen van mejuffrouw Vreugdenhil en

de heer Van Calcar beraadslaagde de Afdeling in de vergaderingen van 14

april en 9 juni 1972 over deze aangelegenheid. Na gewezen te hebben op ongewenste

situaties (zowel in medisch-hygiënisch als pedagogisch-didactisch opzicht)

die zich bij de peuteropvang soms voordoen, pleitte de Afdeling voor een

actiever beleid ten aanzien van peuterspeelzalen, onder te brengen bij het

ministerie van onderwijs en wetenschappen. Aan de voorzieningen, die een

goede opvang en begeleiding van de peuter, zowel waar het het verzorgingsals

het educatieve aspect betreft, kunnen waarborgen, ware bijzondere aandacht

te schenken. Voorts achtte zij controle, stimulering en begeleiding van de kant

van rijksinspecteurs gewenst, evenals een afzonderlijke opleiding tot peuterleidster

(OR Ml/5877 KL).

Toepassing wettelijke bepalingen

Een overzicht van de adviezen, ingevolge diverse bepalingen van de Kleuteronderwijswet

in de jaren 1972 en 1973 uitgebracht, is aan het slot van dit hoofdstuk

opgenomen. Enkele meer algemene aspecten mogen hier afzonderlijk de

aandacht verkrijgen:

Artikel 16 (inhoud speel- en werkplan)

Desgevraagd gaf de Afdeling in haar brief van 25 januari 1972 aan de #aatssecretaris

als haar mening te kennen, dat zwemonderricht aan kleuters geen

onderdeel kan en mag vormen van het kleuteronderwijs in de zin van de

Kleuteronderwijswet. Zij wees in dit verband onder meer op de te grote verantwoordelijkheid

voor de leidsters (OR Ml/5693 KL).

60


Artikel 40, derde lid (rijksvergoeding extra leidsters openbare school)

In de verslagperiode kwamen nieuwe vragenlijsten A en B voor kleuterscholen

met kinderen die in sociaal en cultureel opzicht in het nadeel verkeren, tot

stand. Zie paragraaf C 2 b.

Het advies van 26 mei 1972 (voorbereid door mejuffrouw Vreugdenhil en de

heer Van Schagen) had betrekking op rijksvergoeding voor een extra leidster

aan een kleuterschool, wier kleuteraantal terugliep als gevolg van de aanwezigheid

van een alternatieve opvangmogelijkheid, welke door het ministerie van

CRM werd gesubsidieerd en wel op een veel royalere wijze dan ingevolge de

Kleuteronderwijswet mogelijk zou zijn (OR Hl/5820 KL).

c Artikel 46, eerste lid (verhoging exploitatievergoeding openbare school wegens

bijzondere omstandigheden)

In haar advies van 1 maart 1973 zette de Afdeling uiteen, dat, hoe onbevredigend

ook, de kosten, verbonden aan het vervoer van kleuters naar en van kleuterscholen,

niet te rekenen zijn tot de kosten van het kleuteronderwijs in de zin

van de Kleuteronderwijswet, weshalve het maken van deze kosten ook niet kan

leiden tot het aanwezig achten van bijzondere omstandigheden, als bedoeld in

artikel 46, eerste lid van die wet. Zij drong er bij de minister op aan de totstandkoming

van een vervoerkostenregeling voor het kleuteronderwijs te bevorderen

(OR Ml/5992 KL).

d Schattingen

Overeenkomstig artikel 63, eerste lid van de Kleuteronderwijswet benoemde de

Afdeling in de verslagperiode 56 maal een deskundige tot het verrichten van

schattingen in de aldaar omschreven gevallen.

E BUITENGEWOON ONDERWIJS

Een overzicht van de adviezen, uitgebracht ingevolge diverse bepalingen van het

Besluit buitengewoon onderwijs 1967, is aan het slot van dit hoofdstuk opgenomen.

In een aantal gevallen werden deze adviezen voorbereid door leden van

de vaste commissie voor het buitengewoon onderwijs uit de Afdeling, bestaande

uit de heren De Haas, De Wit, Van Schagen en Vlietstra.Enkele meer algemene

aspecten:

a Bij schrijven van 2 november 1973 adviseerde de Afdeling over een voorstel tot

wijziging van artikel 14, derde lid van het Besluit. Deze wijziging beoogde de

door dit artikellid gestelde speciale bevoegdheidseis voor het vak handenarbeid

te laten vervallen (OR Ml/85320). Reeds eerder, bij advies van 21 september 1973

had de Afdeling naar aanleiding vaneen concreet geval de aandacht gevraagd

voor de problemen die deze eis in de praktijk gaf, zij stelde bij die gelegenheid

voor een speciaal op het buitengewoon onderwijs afgestemde akte han-

61


denarbeid in het leven te roepen. Met de voorgestelde wijziging van artikel 14,

derde lid kon zij zich verenigen; wel wees zij nog op enkele consequenties

ervan, in het bijzonder de te verwachten uitbreiding van het vakonderwijs in

handenarbeid bij het buitengewoon onderwijs (OR Ml/84738).

b Het advies van 25 januari 1972 had betrekking op een voorstel van de Commissie

van Zes voor Schipperskinderen om door wijziging van het Besluit de

mogelijkheid te openen klassen voor zeer jeugdigen te verbinden aan scholen

voor continu-onderwijs aan schipperskinderen (OR IM/82727). De begeleiding

van aan dergelijke scholen gevormde speelleerklassen vormde het onderwerp

van het advies van 4 augustus 1972 (OR 111/83194).

c In haar advies van 31 augustus 1973 stelde de Afdeling zich positief op ten

aanzien van een te Groningen genomen initiatief tot een samenwerkingsverband

tussen een school voor gewoon lager onderwijs en een school voor schipperskinderen,

teneinde de mogelijkheid van integratie van beide vormen van onderwijs

te onderzoeken (OR 111/85103).

d Bij schrijven d.d. 10 april 1972 adviseerde de Afdeling over het voornemen van

de staatssecretaris in het schooljaar 1972/1973 aan de scholen voor buitengewoon

onderwijs een extra onderwijzer voor een of twee schooltijden per week

toe te staan ter verlichting van de taak van het hoofd. Zij kon zich met dit

voornemen verenigen met dien verstande, dat zij, gezien het beperkte karakter

ervan, liever niet van taakverlichting wilde spreken; in dit verband drong zij

aan op een spoedige inwerkingtreding van artikel 15, eerste lid (OR Ml/83093).

e Het advies van 11 juli 1973 had betrekking op het boventalligenbeleid ten aanzien

van afdelingen en scholen voor voortgezet buitengewoon onderwijs, waarvoor

met ingang van 1 augustus 1973 een glijdende leerlingenschaal gold (OR

OR IM/84693).

f In haar brief van 2 januari 1973 deed de Afdeling een aantal suggesties voor de

verslaggeving door remedial teachers, verbonden aan scholen voor kinderen

met leer- en opvoedingsmoeilijkheden en werkzaam ten behoeve van leerlingen

in het g.l.o. In dezelfde brief wijdde zij een beschouwing aan de vraag, hoe

extra hulp aan kinderen in het basisonderwijs het beste te verwezenlijken is

(OR Ml/83962). Tegenover de gedachte van extra hulp aan leerlingen in het

reguliere voortgezet onderwijs, vanuit de school voor buitengewoon onderwijs

die deze kinderen voordien bezochten, stelde de Afdeling zich in haar advies

van 26 juli 1973 in beginsel afwijzend op (OR Hl/84526).

g De vergadering van 5 oktober 1973 was gewijd aan een werkbezoek aan het

62


Instituut Bartimeushage te Doorn

F OPLEIDING ONDERWIJZERS

a In haar vergadering van 9 november 1973 discussieerde de Afdeling aan de

hand van een inleiding van de heer Hoekstra over het - op dat ogenblik overigens

al gedeeltelijk achterhaalde - rapport 'Samenvatting van de overwegingen

en conclusies van de werkgroep onderwijzersopleiding 1972'.

b Besluit opleiding onderwijzers

Bij schrijven van 6 maart 1972 adviserde de Afdeling over een voorstel tot wijziging

van artikel 4, eerste lid (OR IH/82978).

Het advies van 18 juli had betrekking op enkele wijzigingen in het Besluit, onder

meer strekkende tot vermindering van het aantal leraarlessen en verhoging van

de klassesplitsingsnorm voor de tweede leerkring. Aan de betreffende academiebesturen

was reeds per circulaire van 6 april 1973 medegedeeld, dat deze

zgn. beleidsombuigende maatregelen per 1 augustus van dat jaar van kracht

zouden worden. Deze gang van zaken achtte de Afdeling minder juist, omdat de

voorgestelde wijzigingen nu nog slechts aan te merken waren als een formele

bekrachtiging achteraf van een regeling, waarmede de besturen in de praktijk

al rekening moesten houden. Tegen de voorstellen zelf had de Afdeling ernstige

bedenkingen, omdat deze een afroming van het onderwijs aan de pedagogische

academie betekenden, hetgeen zeker In het licht van de komende

vernieuwingen in het kleuter- en basisonderwijs te betreuren viel (OR Hl/84765).

c Examenbesluiten

Bij brieven van 10 april 1972 adviseerde de Afdeling over enkele voorstellen tot

wijziging van de examenbesluiten lager onderwijs vrouwelijke handwerken, tekenen

en handenarbeid (wijziging van de examenprogramma's) (OR 111/83081-

82-83).

De verhoging van het bedrag van het examengeld in diverse examenbesluiten

lager onderwijs vormde het onderwerp van het advies van 21 november 1972

(OR Hl/83899).

Het advies van 31 augustus 1973 had betrekking op wijziging van de artikelen

10 en 11 van het Examenbesluit lager onderwijs lichamelijke oefening (opening

van de mogelijkheid het theoretisch gedeelte van het examen geheel of gedeeltelijk

schriftelijk af te nemen) (OR Ml/85023).

G OPLEIDING KLEUTERLEIDSTERS

Tegen het voornemen tot wijziging van artikel 18, eerste lid van het Besluit opleiding

kleuterleidsters 1968, strekkende tot vermindering van het aantal leraarlessen

in de afdeling A der opleidingsscholen, had de Afdeling dezelfde bezwaren

als tegen de overeenkomstige wijziging van het Besluit opleiding onderwijzers

63


(advies van 18 juli 1973, OR Hl/6295 KL). Zie paragraaf F b.

Het advies van 11 juli 1973 had betrekking op een wijziging van artikel 8, tweede

lid van het Besluit Staatsexamens kleuterleidster en hoofdleidster, strekkende

tot verhoging van het bedrag van het examengeld (OR Hl/6294 KL).

H BIJDRAGEN AAN DE ALGEMENE WERKZAAMHEDEN

- Namens de Afdeling had de heer De Tombe zitting in de centrale commissie

uit de Raad ter behandeling van de Nota richtbedragen planning (OR 204 Alg.).

- De heer Bartelsman had namens de Afdeling zitting in de centrale commissie

instructieve omroep.

- In haar vergaderingen van 10 november en 8 december 1972 en 12 januari

1973 besteedde de Afdeling aandacht aan de Nota over het onderwijsbeleid

(OR 198 Alg.). In de desbetreffende centrale commissie uit de Raad had mevrouw

Hammelburg-De Vries namens de Afdeling zitting.

- De heer Poncin volgde de heer Van lersel op als vertegenwoordiger van de

Afdeling in de centrale commissie planprocedure.

- In haar vergadering van 5 oktober 1973 besteedde de Afdeling aandacht aan

het experimenteerplan geïntegreerd voortgezet onderwijs - I (OR 206 Alg.).

I CIJFERMATIG OVERZICHT

Ten slotte volgt nog een cijfermatig overzicht van de door de Afdeling in de

verslagperiode uitgebrachte adviezen. Met betrekking tot de artikelen voorzien

van * geldt, dat voor de toepassing daarvan een meer algemeen advies is uitgebracht

ten behoeve van een groot aantal gevallen.

64


I Ingevolge de voorschriften van de Lager-onderwijswet 1920 werden de volgende

adviezen uitgebracht:

LO.-wet 1920

artikel

3, lid 2

3 bis

13, lid 4

19, lid 2

22 bis, lid 3

22 bis, lid 6

25, lid 5

27, lid 3

27, lid 4

28, lid 8

28, lid 8

laatste volzin

38. lid 3

jo. 37, lid 2

55 bis, lid 3

55ter, lid 4

55 quater

55 guater, lid 3

65

korte aanduiding 1972 1973

vergunning g.l.o.-school met minder dan

zes leerjaren

ontheffing bevoegdheidseis art. 129 sub b

vergoeding vervoerkosten leerlingen

ontheffing verplichting openbaar lager

onderwijs in elke gemeente

recht tot instandhouding te kleine

openbare lagere scholen

vergunning tot instandhouding te kleine

openbare lagere scholen

experimenteervrijheid openbare lagere scholen

verlenging termijn aanstelling hoofd, niet

voldoend aan eisen ex artikel 27, lid 1

vrijstelling hoofd openbare lagere school

van klasseonderwijs

vermindering verplichte onderwijzers

beroep vermindering verplichte onderwijzers

beroep onderwijzer wegens ontslag

verhoging exploitatievergoeding voor alle

scholen in de betreffende gemeente

beroep vaststelling exploitatieuitgaven

openbare scholen

verklaring, dat openbare school met betrekking

tot de exploitatievergoeding in bijzondere

omstandigheden verkeert

beroep tegen beschikking ex artikel

55 quater, eerste lid

176

1

72

40

4

5

348

37

153

200

3

59

49

15

13

254

17

167


L.O.-wet 1920 korte aanduiding

artikel

1972 1973

56, lid 2* rijksvergoeding extra onderwijzers bij het

openbaar lager onderwijs 329 408

73, lid 2 vergunning om te kleine bijzondere scholen

te mogen stichten 2 4

76, lid 2 beroep, betreffende medewerking kapitaalsvoorziening

2 —

77, lid 6 beslissing in geschil tussen gemeentebestuur

en schoolbestuur betreffende kapitaalsvoorzieningen 10 3

80, lid 5 geschil omtrent uitvoering raadsbesluit

tot medewerking — 1

81, lid 2 bouw en eerste inrichting bijzondere scholen 1 —

83, lid 3 beroep inzake uitleg van overeenkomst ex

artikel 83, lid 2 bis — 1

90, lid 5 afwijking van lesroosters of leerplan 1 1

90, lid 6 experimenteervrijheid bijzondere lagere scholen 14 24

96, lid 3 handhaving rijksvergoeding voor te kleine

bijzondere scholen 52 54

97, lid 2 c aanstelling tijdelijke onderwijzer voor langer

dan één jaar 90 136

97, lid 1,* #||fesvergoeding extra onderwijzers bij het

jo. 56, lid 2 bijzonder lager onderwijs 411 538

99, lid 3 beroep vaststelling rijksvergoeding

onderwijzersjaarwedde 1 —

101bis, lid 9 beroep inzake vergoeding vakonderwijzers

bijzondere scholen 1 —

101 ter* verhoging exploitatievergoeding bijzondere school,

die in bijzondere omstandigheden verkeert 6 7

101ter, lid 3 beroep tegen beschikking ex artikel 101ter,

eerste lid 18 18

66


L.O.-wet 1920 korte aanduiding

artikel

1972 1973

103, lid 9 beroep inzake de exploitatievergoeding

bijzondere scholen — 1

103bis, jo. 103, beroep inzake omvang vergoeding voor

lid 9 vakonderwijs — 1

109, lid 3 verlenging termijn aanstelling hoofd, niet voldoend

jo. 27, lid 3 aan eisen ex artikel 109, tweede lid 1 —

192, lid 1 verlenging termijn aanstelling hoofd, niet voldoend

aan eisen ex artikel 192, eerste lid 1 —

67


11 Ingevolge de voorschriften van de Kleuteronderwijswet werden de volgende

adviezen uitgebracht:

Kleuteronderwijs- korte aanduiding 1972 1973

wet, artikel

10, lid 2 stichting van te kleine openbare scholen 8 16

11, lid 2 instandhouding van te kleine openbare scholen 91 71

18, lid 2 beslissing inzake goedkeuring bestek voor

bouw openbare school — 1

40, lid 3 rijksvergoeding extra leidsters bij het

openbaar onderwijs 4 5

46, lid 1 verhoging exploitatievergoeding openbare

school wegens bijzondere omstandigheden 1 21

47, lid 5 beroep vaststelling exploitatie-uitgaven

openbare scholen — 2

51, lid 2 stichting van te kleine bijzondere scholen 5 24

55, lid 6 beslissing in geschil tussen gemeentebestuur en

schoolbestuur betreffende kapitaalsvoorzieningen — 1

59, lid 2 bouw en eerste inrichting bijzondere scholen 2 —

At, lid 3 volstrekt onvermijdelijk gemaakte bouwkosten 1 —

69, lid 2 handhaving rijksvergoeding voor te kleine

bijzondere scholen 178 277

70, lid 1 rijksvergoeding extra leidsters bij het

jo. 40, lid 3 bijzonder onderwijs 30 24

70, lid 3c aanstelling tijdelijke leidsters voor langer

dan één jaar 21 36

74, lid 1 verhoging exploitatievergoeding bijzondere school

die in bijzondere omstandigheden verkeert 4 141

75, lid 7 beroep inzake de exploitatievergoeding

bijzondere kleuterschool — 1

68


Hl Ingevolge de voorschriften van het Besluit buitengewoon onderwijs 1967 werden

de volgende aantallen adviezen uitgebracht:

Besluit b.o. korte aanduiding 1972 1973

1967, artikel

14, lid 4 vrijstelling benoemingseisen 1 —

15, lid 6 vermindering verplichte onderwijzers 24 32

55, lid 3, vergunning vorming afzonderlijke afdeling

jo. 36, lid 3 van dubbelgebrekkige kindenfn aan scholen

voor blinden 1 —

69, lid 2, vergunning vorming afzonderlijke afdeling

jo. 36, lid 3 van dubbelgebrekkige kinderen aan scholen

voor lichamelijk gebrekkigen 2 3

108, lid 2 vergunning vorming afzonderlijke afdeling

jo. 36, lid 3 van dubbelgebrekkige kinderen aan scholen

voor zwakzinnigen — 1

113, lid 2 vergunning vorming afzonderlijke afdeling

voor zeer jeugdigen aan internaatschool

voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen 1 —

133, lid 3,

jo. 36, lid 3

141

141,

69

lid 2

173, lid 3

173, lid 4

173, lid 5

174, lid 2*

177, onder c

188, lid 1

vergunning vorming afzonderlijke afdeling

van dubbelgebrekkige kinderen aan scholen

voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen

afschaffing derde schooltijd

verdeling leerstof scholen voor continuonderwijs

aan schipperskinderen over 6 jaren

rijksbijdrage nieuwe scholen

verlaging van het voor de rijksbijdrage

vereiste minimum aantal leerlingen

rijksbijdrage te kleine scholen

rijksbijdrage extra onderwijzers

aanstelling tijdelijke onderwijzer voor langer

dan één jaar 116 160

verklaring, dat de openbaü school m.b.t. de

exploitatievergoeding in bijzondere

omstandigheden verkeert 4 3

3

38

4

12

114

1

1

36

5

16

137


Besluit b.o. korte aanduiding

1967, artikel

1972 1973

189, lid 5, verhoging exploitatievergoeding bijzondere scholen 16 13

jo. 186, lid 6

190, lid 1 verhoging exploitatievergoeding bijzondere school,

die in bijzondere omstandigheden verkeert 14 11

190, lid 3 beroep vaststelling exploitatievergoeding bijzondere

scholen di® fti bijzondere omstandigheden verkeren — 2

34, lid 4, beroep verhoging exploitatievergoeding

jo. 32, lid 3 bijzondere scholen — 1

27, lid 4 vrijstelling hoofd openbare lagere school

van klasseonderwijs 44 55

77, lid 6 beslissing in geschil tussen gemeentebestuur

en schoolbestuur betreffende kapitaalsvoorzieningen 1 —

129, lid 1 b ontheffing bevoegdheidseis 1 —

70


De vierde afdeling

Afdeling voor het technisch beroepsonderwijs en het landbouwonderwijs

Voorzitter van deze Afdeling was drs. A.G. van der Veen.

De Vierde Afdeling van de Onderwijsraad kwam in de verslagperiode veertien

maal bijeen en wel:

in 1972 op:

28 januari, 25 februari, 24 maart, 28 april, 23 juni, 29 september en 22 december;

in 1973 op:

26 januari, 23 februari, 23 maart, 27 april, 25 mei, 28 september en 26 oktober.

De activiteiten van dezen Afdeling concentreerden zich in 1972 met name op de

problematiek van het vierjarig worden van het l.b.o. en de veralgemening van

de onderbouw van dit onderwijs. Hiermede zijn voor het beroepsonderwijs belangrijke

wijzigingen ingezet, aan de totstandkoming waarvan de Afdeling met

ambitie heeft meegewerkt. Zij gevoelde het echter in verschillende opzichten

als minder bevredigend als Afdeling niet het gehele lager beroepsonderwijs te

overzien en zich in voorkomende gevallen te moeten beperken tot een bijdrage

aan de desbetreffende centrale commissies uit de Raad vanuit de categoriale

onderwijssoorten van het l.t.o. en het LI.o.

Liep het aantal adviesaanvragen in de beide verslagjaren gestadig terug, de

problematiek van de integratie van het technisch-tertiair onderwijs nam een

groot deel van haar aandacht. Geregeld zocht zij met het oog op een geïntegreerde

benadering van het hoger onderwijs nieuwe stijl contact met vertegenwoordigers

uit de kringen van het wetenschappelijk onderwijs. In het algemeen

besteedde zij aan de advisering door de Raad via centraal ingestelde commissies

veel aandacht.

A Regelingen ingevolge de Wet op het voortgezet onderwijs

Onderstaande ontwerpen van algemene maatregel van bestuur werden de Afdeling

om advies toegezonden:

- ontwerp-Besluit tot wijziging van het Besluit lager landbouwonderwijs (OR 85

WVO);

- ontwerp-Besluit krachtens artikel 2, tweede lid van de Wet titel 'ing.' (OR

71


6304 TBO);

- ontwerp-Besluit houdende regeling van de eindexamens aan de school tot

opleiding van leraren voor het nautisch onderwijs (OR 6306 TBO);

- ontwerp-Besluit tot wijziging van het Interim-eindexamenbesluit hoger nautisch

onderwijs (OR 6308 TBO);

- ontwerp-Tweede eindexamenbesluit h.t.o. (OR 93 WVO).

B Toepassing van de Wet op het voortgezet onderwijs met betrekking tot:

1 artikel 23, vijfde lid

Evenals voorgaande jaren bracht de Afdeling na preadvies van het lid der Afdeling

de heer dr. ir. J.G. Veldink adviezen uit aan de minister van landbouw

en visserij betreffende de Rijksvoorschriften voor de subsidiëring van land- en

tuinbouwcurssussen en tuinbouwvakscholen (OR 6283 en 6307 LaO). Eveneens

bracht zij advies uit over het model-leerplan van de vervolgcursus booglassen

voor land- en tuinbouwers (OR 6303 LaO).

2 artikel 25

De nieuwe vierjarige structuur voor het lager technisch onderwijs, die - mede

voor het overig lager beroepsonderwijs - uiteindelijk gestalte kreeg in het Besluit

l.b.o.-l.a.v.o. van 29 april 1973 (Stb. 167), kondigde zich in het begin van

de verslagperiode reeds aan. Nadat de minister bij de behandeling van de begroting

voor het dienstjaar 1972 in de Tweede Kamer de toezegging had gedaan,

dat met toepassing van artikel 25 van de Wet op het voortgezet onderwijs met

ingang van het schooljaar 1972/1973 uitbreiding zou worden gegeven aan een

aantal experimentele vierjarige opleidingen, mits deze goed zouden zijn voorbereid

en zouden passen in de nieuwe structuur, nam het aantal aanvragen

van scholen voor l.t.o. om toepassing van dit artikel sterk toe.

Teneinde te bereiken, dat afdelingen, waarvoor nog niet of op zeer bescheiden

schaal verbrede opleidingen werden ontwikkeld (zoals de afdelingen mechanische

techniek en grafische techniek) zo snel mogelijk - in ieder geval met ingang

van het schooljaar 1972/1973 - met de experimentele opleidingen zouden

kunnen beginnen, werd op verzoek van de minister door de Afdeling voorrang

verleend aan de advisering van aanvragen hiertoe, evenals aan de aanvragen

voor projecten, die reeds in ontwikkeling waren (zoals bouwtechniek en consumptieve

techniek) en die de voortgang van het project niet zouden bemoei-

Ilffeen. De Afdeling benoemde daartoe uit haar midden een commissie, bestaande

uit de heren dr. J.R. van Blom, ir. A.P.A. Guyaux, J.H. Ligteringen en A. de

Wit, die, ondersteund door het secretariaat, gemachtigd werd de op de prioriteitenlijst

geplaatste verzoeken af te doen.

Deze verzoeken betroffen de projecten:

- algemene techniek (één school);

72


- bouwtechniek (twee scholen);

- consumptieve techniek (twee scholen);

- grafische techniek (drie scholen);

- mechanische techniek (twaalf scholen);

- Twente-project (vier scholen);

- cluster 'Budel' (drie scholen);

- theoretisch technisch onderwijs (vijf scholen);

- integraal vierjarige opleiding (twaalf scholen).

Nadat door leden van genoemde commissie aan veertien scholen bezoeken

waren afgelegd, werd de minister geadviseerd op vier verzoeken niet gunstig te

beslissen.

Behalve de 44 genoemde prioriteitsaanvragen werden in de verslagperiode nog

23 andere verzoeken voor toepassing van artikel 25 bij de Afdeling om advies

ingediend. Hiertoe bezochten leden van de Afdeling negen maal een school.

In afwachting van de invoering van het Besluit l.b.o.-l.a.v.o. zijn sedert september

1972 geen verzoeken om toepassing van dit artikel meer bij de Afdeling om

advies ingekomen.

3 artikel 29, zevende lid

Over verzoeken van lagere technische scholen te 's-Gravenhage en Heythuysen

en van de technische scholen voor het kledingbedrijf te Utrecht, Amsterdam en

's-Gravenhage (OR 6256, 6282 en 6300 TBO) om toepassing van artikel 29,

zevende lid, ten behoeve van een wijziging in de inrichting van het eindexamen

bracht de Afdeling - na preadvies van de leden van de Afdeling, de heren dr.

J.R. van Blom, ir. A.P.A. Guyaux en A. de Wit - een afwijzend advies uit, aangezien

de afwijking van het Eindexamenbesluit l.t.o. niet geschiedde in verband

met de 'bijzondere inrichting' van het onderwijs aan deze scholen.

4 artikel 107, tiende lid, juncto elfde lid, en artikel 108, vierde lid

Op verzoek van de minister, gedaan bij brief van 19 april 1972, voorzag de

Afdeling in haar vergadering van 28 april d.a.v. de ministeriële voorlopige gedragslijn

van commentaar, ter zake van de toepassing van artikel 107, tiende

lid, juncto elfde lid, inzake de opheffing van afdelingen, verbonden aan lagere

technische scholen, die door een te gering aantal leerlingen worden bezocht.

Een en ander in samenhang met de toepassing van artikel 108, vierde lid, inzake

de tijdelijke instandhouding van dergelijke afdelingen (OR 6268 TBO).

C Overige werkzaamheden met betrekking tot de Wet op het voortgezet onderwijs

1 Een nota van de heer ir. A.M.M. Bartels, lid van de Afdeling, inzake de verruimende

afdeling procestechniek bij het l.t.o. (OR 6305 TBO) besprak de Afdeling

in haar vergadering van 27 april 1973.

De Afdeling, die haar voorlopige opvattingen over de afdeling procestechniek

73


ij het l.t.o. op 12 november 1971 aan de minister had doen toekomen, besloot

de situatie met betrekking tot deze afdeling te bespreken met de directeur van

de Directie technisch beroepsonderwijs van het ministerie. Dit gesprek zou

kort na de verslagperiode plaatsvinden.

2 Op verzoek van de minister behandelde de Afdeling, in haar vergadering van 25

mei 1973, de door de commissie 'Assisterend Laboratoriumpersoneel/Analisten'

voorgestelde herstructurering van het hoger beroepsonderwijs aan scholen voor

laboratoriumpersoneel. Na preadvies van de heer ir. A.P.A. Guyaux, lid van de

Afdeling, deed de Afdeling haar gunstig advies uitgaan op 12 juni 1973 (OR

6309 TBO).

3 De Afdeling adviseerde de staatssecretaris, na preadvies van de heer prof. ir.

C. Rodenburg, lid van de Afdeling, over de omzetting van een industrie-avondschool

te Eindhoven in een avond-h.t.s. (OR 6311 TBO) op 20 juli 1973.

D Toepassing van de Overgangswet W.V.O.

1 artikel 108

De Afdeling bracht op grond van dit artikel adviezen uit over:

- het getuigschrift van tuinbouwvakonderwijzer (OR 83783 OVO);

- de akte Ni (OR 84431 OVO);

- de bevoegdheid in het vak veiligheid en hygiëne (OR 84648 OVO);

- het diploma van de applicatiecursus handvaardigheid (OR 84865 OVO);

- de akte Nq (OR 85095 OVO).

2 artikel 110

In verband met dit artikel werden door de Afdeling adviezen uitgebracht over:

- het diploma van de afdeling natuurkunde van de h.t.s. te Eindhoven en van

de part-time opleiding natuurkunde van dezelfde school (OR 82907 OVO);

- het diploma van de afdeling lassen ( + p.g.) van de uit 's Rijks kas bekostigde

dag- en avondscholen, uitgaande van het Nederlands Genootschap tot opleiding

van leraren voor het beroepsonderwijs (OR 84431 OVO);

- de middelbare akten agrarische economie en landbouwtechniek (OR 85015

OVO);

- de akte N XV (OR 85472 OVO).

E Bijdragen aan de algemene werkzaamheden

Op verzoek van het college van voorzitters of ten behoeve van centrale commissies

uit de Raad nam de Afdeling in de beide verslagjaren nog de volgende

onderwerpen in behandeling:

- De herstructurering van het tertiair technisch onderwijs werd in de vergade-

74


ing van 28 januari 1972 aan de orde gesteld. De Afdeling besloot naar aanleiding

hiervan mede te werken aan de vorming van een werkgroep, bestaande

uit leden van de Eerste en Vierde Afdeling, die tot taak kreeg op basis van de

voorhanden zijnde rapporten en voorstellen alleen ter zake van het tertiair technisch

onderwijs een operationeel model op te stellen. Voor de Vierde Afdeling

namen in deze werkgroep zitting de voorzitter van de Afdeling en de heren ir.

A.M.M. Bartels, ir. A.P.A. Guyaux en prof. ir. C. Rodenburg. Het door deze

werkgroep voorbereide initiatief-advies werd uitgebracht op 31 juli 1972 (OR

358 WO-24).

- De Afdeling gaf aandacht aan het door de minister aan de Raad toegezonden

discussiestuk 'Voortgezet onderwijs in het kader van de planprocedure' (OR 64

WVO-6). Het eerste concept van het plan van scholen 1973-1975 en dat van

het plan van scholen 1974-1976 (OR 64 WVO en OR 187 Alg.) werden voor wat

de haar regarderende gedeelten betreft door de Afdeling besproken in haar

vergaderingen van respectievelijk 25 februari 1972 en 23 februari 1973.

- Ten behoeve van het Raadsadvies ter zake, besprak de Afdeling het ontwerp-

Besluit tot wijzing van de Besluiten l.a.v.o., I.e.a.o., I.h.n.o., I.m.o., m.e.a.o., m.h.

n.o., m.m.o. en l.t.o. (OR 87 WVO). Het ontwerp-Besluit tot wijziging van de Eindexamenbesluiten

l.t.o., I.h.n.o., I.m.o. en I.e.a.o. werd eveneens in behandeling

genomen ten behoeve van het centraal uit te brengen advies.

- De nota 'Op weg naar hoger onderwijs nieuwe stijl' (OR 373 WO) besprak de

Afdeling in haar vergadering van 24 maart 1972. Het tweede rapport van de

commissie-De Moor betreffende het overheidsbeleid inzake het tertiair onderwijs

kwam eveneens in een Afdelingsvergadering aan de orde (OR 360 WO).

- Het ontwerp-Besluit tot wijziging van het Besluit ex artikel 24, derde lid, van

de Wet op het voortgezet onderwijs werd in de Afdeling besproken met het oog

op de centrale adviesvorming ter zake (OR 90 WVO).

- In haar vergadering van 22 september 1972 behandelde de Afdeling -- na

preadvies van de heren dr. J.R. van Blom en J.H. Ligteringen - het rapport van

de Commissie onderwijsbevoegdheid officieren (OR 79381 OVO).

- Namens de Afdeling namen de voorzitter van de Afdeling en de heren ir. A.P.

A. Guyaux en dr. ir. J.G. Veldink zitting in de centrale commissie van de Raad

ter voorbereiding van het advies over het voorontwerp van wet houdende voorzieningen

inzake de planning van het onderwijs (OR 195 Alg.) en van het advies

over het ontwerp van een voorlopige discipline-indeling (herziene versie) met

het oog op het planningssysteem voor het postsecundair onderwijs (OR 363 WO).

75


- De brief van de minister van 22 augustus 1972 inzake de doorstroming van

het h.b.o. naar het w.o. besprak de Afdeling in haar vergadering van 22 september

1972 (OR 377 WO).

- Ten behoeve van de leden, die door haar naar de centrale commissie uit de

Raad inzake het concept-besluit l.b.o.-l.a.v.o. waren afgevaardigd, nam de Afdeling

het voorontwerp van dit besluit van 15 mei 1972 in beschouwing (OR 88

WVO). In haar vergadering van 22 december 1972 besprak zij het definitieve

concept.

- in de Afdelingsvergaderingen van 26 januari 1973 en 23 februari 1973 boog de

Afdeling zich over de Nota over het onderwijsbeleid (OR 198 Alg.), waarna zij

haar vergadering van 27 april 1973 gedeeltelijk wijdde aan het door de centrale

commissie uit de Raad ter zake opgestelde rapport. In haar vergadering van 26

oktober 1973 beantwoordde de Afdeling de door deze centrale commissie opgestelde

vraagpunten met betrekking tot het onderwijsbeleid.

- In haar vergadering van maart 1973 besprak de Afdeling de om advies ontvangen

ontwerp-richtlijnen voor de toepassing van artikel 25 en 26 WVO, terzake

van afwijking van lessentabellen (OR 271 AVO).

- Verder beschouwde de Afdeling in haar vergadering van 27 april 1973 het

geïntegreerd voortgezet onderwijs voor de ca. 12- tot 15-jarigen (GVO-I) (OR

206 Alg.).

- Tenslotte besprak zij op 28 september 1973 het voorontwerp van wet ontwikkeling

hoger onderwijs (OR 403 WO).

76


De vijfde afdeling

Afdeling voor het sociaal-pedagogisch onderwijs, het huishoud- en nijverheidsonderwijs

en het kunstonderwijs

Als voorzitter fungeerde de heer drs. Th.J. Westerhout.

In deze verslagperiode kwam de Vijfde Afdeling tien maal bijeen en wel:

in 1972 op:

3 februari, 23 maart, 7 september, 2 november en 4 december;

in 1973 op:

4 januari, 5 april, 6 september, 4 oktober en 1 november.

De Afdeling functioneerde in de verslagperiode niet geheel zoals zij dit zou

wensen. Daarvoor zijn verschillende elkaar versterkende factoren aan te wijzen,

waarvan de kern is, dat haar vanwege het departement nu reeds enkele

jaren achtereen slechts weinige adviesaanvragen werden voorgelegd. Daardoor

kreeg een geregeld en voldoend substantieel functioneren van deze Afdeling

op de onderscheidene haar toevertrouwde werkterreinen niet voldoende reliëf.

De verzoeken om advies zijn als volgt te rubriceren:

I Ter uitvoering van de Wet op het voortgezet onderwijs werden de volgende ontwerpen

van algemene maatregel van bestuur en van ministeriële beschikking in

behandeling genomen en van advies voorzien:

- voorstellen tot wijziging van de ontwerp-a.m.v.b. eindexamen m.h.n.o. en ontwerp-beschikking

eindexamen m.h.n.o. (OR 78 WVO);

- de aanvulling van het Eindexamenprogramma I.h.n.o. (OR 94 WVO);

- enkele voorstellen ter zake van het Eindexamenbesluit m.h.n.o. en de Eindexamenbeschikking

m.h.n.o. in verband met het experiment v.h.b.o. (OR 95

WVO).

II Toepassing van de Wet op het voortgezet onderwijs

1 Verzoeken om advies inzake de goedkeuring van het leerplan ingevolge artikel

24, derde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs voor:

a het leerplan Hogere beroepsopleiding verpleegkunde (H.B.O.-V) aan het semi-

77


narium voor gezondheidszorg te Utrecht (OR 211 SPO). Dit verzoek werd behandeld

aan de hand van een preadvies van de heer drs. W. de Hey, die de

Afdeling onder meer informeerde over de voorgeschiedenis van de opleiding.

Een kwestie, die in dit kader nog aan de orde kwam, was de relatie tot de niet

onder hetzelfde ministerie ressorterende middelbare beroepsopleidingen voor

verpleegkunde die ongeveer gelijktijdig zouden beginnen. Benadrukt werd het

grote belang van een sluitend systeem van opleidingen voor verpleegkundigen.

b het leerplan H.B.O.-V. aan de R.K. hogere school voor verplegenden te Nijmegen

(OR 213 SPO).

c het leerplan van de School voor de journalistiek te Utrecht (OR 212 SPO). Mede

naar aanleiding van een vorig bezoek, brachten twee leden uit de Afdeling, de

heren ds. H.U. Buitink en drs. R. Hajer, wederom een bezoek aan de school

alvorens een preadvies uit te brengen. In de vergadering, waarin het leerplan

besproken werd, was ook de coördinerend inspecteur van het s.p.o., de heer

drs. J.A.J.M. van Huijgevoort, aanwezig om nadere informatie te verstrekken.

d het leerplan van de hogere beroepsopleiding voor boekhandel en uitgeverij

van de bibliotheekschool te Amsterdam (OR 215 SPO).

e het leerplan van de opleiding tot assistent-bibliothecaris van de bibliotheekschool

te Groningen (OR 205 SPO). Naar aanleiding van de door de Afdeling

over beide laatstgenoemde leerplans uitgebrachte adviezen heeft de inspecteur

van het sociaal pedagogisch onderwijs, de heer M.J.M. Raessens, op 26 oktober

1973 een gesprek gehad met de heren ds. H.U. Buitink en drs. R. Hajer, met de

bedoeling de Afdeling te informeren omtrent de nieuwste ontwikkelingen binnen

het bibliotheekonderwijs. Bij dit gesprek waren tevens de algemeen secretaris

en de adjunct-secretaris, mevrouw mr. W.G. van Lier-te Flierhaar aanwezig.

2 Verzoek om advies inzake de toepassing van artikel 25 van de Wet op het voortgezet

onderwijs ten behoeve van het experiment v.h.b.o. in verband met de mogelijkheid

tot afwijking van het Besluit m.h.n.o. (OR 46 HNO).

3 Verzoek om advies inzake de aanwijzing, als bedoeld in artikel 56, eerste lid,

van de Wet op het voortgezet onderwijs ten aanzien van:

a de gereformeerde hogere school voor sociaal pedagogisch onderwijs te Zwolle

(OR 214 SPO);

b afdeling o.v.b., verbonden aan de Gereformeerde huishoudschool te Groningen

(OR 41 HNO).

78


4 Het verzoek om advies ter zake van de te volgen procedure voor de aanpassing

van het m.h.n.o.-nieuwe stijl aan het wettelijk kader was voor de Afdeling

aanleiding zich te laten voorlichten omtrent de nieuwste ontwikkelingen binnen

het m.h.n.o. In het bijzonder had zij belangstelling voor de voorstellen van de

werkgroep m.h.n.o. inzake de afdelingen vormingsklas, KV/JV en kostuumnaaien/couture,

dit mede tegen de achtergrond van het tweede interim-rapport van

de structuurcommissie m.h.n.o./m.s.p.o. Voor haar vergadering van 1 november

1973 werden daarom uitgenodigd de coördinerend inspectrice van het h.n.o.,

mejuffrouw C.M. Koenraads, en de chef van de afdeling BVO/HNO, de heer R.

C. Paulus, die werd vergezeld door de heer dr. H.J.M. Weustink, plv. chef van

de afdeling BVO/J (OR 92 WVO).

III Toepassing van de Overgangswet W.V.O.

Verzoek om toepassing van artikel 108 van de Overgangswet W.V.O. inzake de

bevoegdheid maatschappelijke en beroepsvorming (OR 85128 O.V.O.).

Verzoek om toepassing van artikel 110 van de Overgangswet W.V.O., inhoudende

een wijziging van de beschikking van 25 juni 1970, DGO-1209 (OR 5145 OVO).

IV Toepassing van de Experimentenwet onderwijs

Verzoek om toepassing van de Experimentenwet ten behoeve van de opleiding

toegepaste huishoudwetenschappen 'Akademie Diedenoort' te Wageningen (OR

40 HNO). Alvorens een advies uit te brengen had de Afdeling in haar vergadering

van 3 februari 1973 enkele bestuursleden uitgenodigd om zich zo volledig mogelijk

te kunnen oriënteren. Aanwezig waren de voorzitter van het bestuur, de

heer ir. J.H. Bakker, het bestuurslid, mevrouw prof. drs. C.W. Visser, en de

directeur van de opleiding, de heer mr. S. Bartlema. Een belangrijk punt in de

bespreking was de plaats en functie van de nieuwe opleiding tussen de afdeling

huishoudkunde op m.h.n.o.-niveau en de afdeling landbouwhuishoudkunde aan

de Landbouwhogeschool, alsmede de vraag, hoe men de akademie zag in het

perspectief van een groeiende eenheid tussen het hoger beroepsonderwijs en

het wetenschappelijk onderwijs. Voor de Afdeling was het een vraag, of toepassing

van de Experimentenwet onderwijs noodzakelijk was om deze opleiding

te kunnen realiseren.

V Bijdragen aan de algemene werkzaamheden

De Afdeling nam ten behoeve van de algemene meningsvorming in de Raad op

verzoek van het college van voorzitters of eigener beweging nog de volgende

onderwerpen in behandeling:

- het ontwerp-besluit tot wijziging van de Besluiten l.a.v.o., I.h.n.o., m.h.n.o., enz.

(OR 87 WVO);

79


- het ontwerp tot wijziging van de eindexamenbesluiten I.h.n.o., I.m.o., l.t.o. en

I.e.a.o. (OR 89 WVO);

- het ontwerp-besluit l.b.o.-l.a.v.o. (OR 88 WVO). Dit ontwerp is besproken aan

de hand van een preadvies van mevrouw A.G. Visschedijk-Kuks en de heren

J. Heij en W. Tasma. De beide eerstgenoemden hadden tevens zitting in de

centrale commissie uit de Raad;

- het discussiestuk 'voortgezet onderwijs in het kader van de planprocedure'

(OR 64 WVO-6);

- de discussienota van de C.O.L.O. 'Organisatie leerplanontwikkeling' (OR 183

Alg.). De bespreking vond plaats in het kader van de algemene meningsvorming

ter zake, waarvan voor de overige Afdelingen reeds mededeling is gedaan

in het vorige verslag;

- het tweede rapport van de commissie-De Moor over het overheidsbeleid inzake

het tertiair onderwijs (OR 360 WO);

- het rapport van de Commissie Sassen/Roest inzake de coördinatie wetenschappelijk

onderwijs en sociale akademies (OR 368 WO);

- de brief van de minister van 22 augustus inzake de doorstroming h.b.o.-w.o.

(OR 377 WO);

- het voorontwerp van wet, houdende voorzieningen inzake de planning van

het onderwijs (OR 195 Alg.);

- de discipline-indeling met het oog op de planning van het postsecundair onderwijs

(OR 363 WO). De heren drs. R. Hajer en drs. W. de Heij werden namens

de Afdeling afgevaardigd naar de desbetreffend centrale commissie uit de

Raad;

- de nota over het onderwijsbeleid, als bijlage IV gevoegd bij de memorie van

toelichting op de begroting 1973 van onderwijs en wetenschappen (OR 198

Alg.);

- het scholenplan 1974-1976 (OR 187 Alg.). De brief van de minister van 3

augustus 1973, in antwoord op het door de Raad uitgebrachte advies, wasvoor

de Afdeling aanleiding voor een bespreking. Het lid, de heer W. Tasma, stelde

daartoe een notitie op ter zake van het v.h.b.o., welke opmerkingen de grondslag

vormden voor een nadere schriftelijke uiteenzetting aan de minister.

80


De zesde afdeling

Afdeling voor vorming en onderwijs werkende jongeren

Als voorzitter van deze Afdeling fungeerde de heer mr. O.V.L. Guermonprez.

De Zesde Afdeling kwam in de verslagperiode twintig maal bijeen en wel:

in 1972 op:

10 januari, 7 februari, 6 maart, 10 april, 24 april, 8 mei, 7 augustus, 2 oktober,

6 november en 11 december;

in 1973 op:

29 januari, 12 februari, 5 maart, 7 mei, 27 juni, 6 augustus, 1 oktober, 31 oktober,

5 november en 3 december.

Moest in het vorige jaarverslag worden vastgesteld, dat de Afdeling aanvankelijk

slechts weinig door het departement om advies werd ingeschakeld, in de

beide verslagjaren geschiedde dit in stijgende mate. Het participatie-onderwijs

heeft daarbij een centrale plaats ingenomen. De aan het einde van de vorige

verslagperiode reeds begonnen oriënterende besprekingen zowel in 'het veld'

als met het departement ter voorbereiding op de adviserende taak van de Afdeling

over de subsidieaanvragen op het terrein van dit nieuw te ontwikkelen

onderwijs, werden voortgezet.

Contacten met departement

Met de directie O.V.W.J. werd veelvuldig formeel en informeel contact onderhouden.

Zo hadden de directeur O.V.W.J., de heer mr. J.P.M. Weusten, en diens plaatsvervanger

de heer A.H. Koelink, op 6 januari 1972 een gesprek op het secretariaat

met de algemeen secretaris en de adjunct-secretaris mevrouw Van Lierte

Flierhaar, over de te volgen adviesprocedures met betrekking tot de aanvragen

om subsidie voor de verschillende initiatieven met betrekking tot een

integratie van het vormingswerk en het beroepsbegeleidend onderwijs. Aanleiding

hiertoe was de inschakeling van de S.V.O. bij aanvragen ingevolge de Experimentenwet

onderwijs, waardoor er een wijziging in de reeds afgesproken

procedure kwam. Op 6 maart 1972 waren de heren Weusten en Koelink in de

vergadering van de Afdeling aanwezig voor een informatief gesprek omtrent de

stand van zaken met de experimenten streekcentra. In dit gesprek kwam ook

het landelijk experimenteerplan participatie-onderwijs aan de orde. Op 14 april

81


1972 was er een gesprek met de heren Weusten en Koelink over de gang van

zaken met de eerste 15 aanvragen voor een experiment, gebaseerd op de Experimentenwet

onderwijs, en de aanwijzing van vijf aanvragen, die in aanmerking

zouden komen voor een begeleiding naar een definitieve aanvraag.

Op 6 november waren de heren Weusten en Koelink wederom in een Afdelingsvergadering

aanwezig om de Afdeling van de laatste ontwikkelingen binnen het

participatie-onderwijs op de hoogte te stellen. Hierbij werd onder meer uitvoerig

gesproken over de voorbereiding van de tweedagenprogramma's in verband

met de uitbreiding van de partiële leerplicht.

De beide heren, vergezeld van de heer drs. CA. van Maurik, verschenen vervolgens

in de vergadering van 29 januari 1973 ter toelichting op de zogenaamde

nieuwe aanvragen voor het jaar 1973.

Ook in de verdere loop van dit jaar werd geregeld contact tussen de directie en

het secretariaat onderhouden.

De Afdeling heeft dit intensieve contact met de directie O.V.W.J. op hoge prijs

gesteld. Het heeft haar veel informatie met betrekking tot haar adviserende taak

verschaft; het heeft haar ook begrip bijgebracht voor de welhaast onmogelijke

taak, waarvoor de directie is gesteld. Toch heeft zij met spijt moeten constateren,

dat de procedures niet altijd even glad verliepen. Dit niet alleen als gevolg

van allerlei factoren, die de beleids- en beslissingsstructuren minder doorzichtig

maken, maar ook door onverwacht genomen beslissingen, waardoor reeds op

gang gebrachte, in onderling overleg vastgestelde procedures werden doorkruist.

Ook het waarnemerschap van de secretaris in de Commissie onderwijskundige

experimenten heeft niet kunnen voorkomen, dat de Afdeling wel eens

voor verrassingen kwam te staan.

Niettemin heeft de Afdeling, zich bewust van de noodzaak van onderwijskundige

voorzieningen voor een achtergestelde groep als de werkende jongeren,

alsook van de problemen waar het departement mee te worstelen heeft, zich

tot het uiterste ingespannen om binnen de afgesproken termijnen haar adviezen

uit te brengen.

Om tot een zo gefundeerd mogelijk oordeel omtrent al deze aanvragen te kunnen

komen heeft de Afdeling zich omtrent het merendeel van de initiatieven ter

plaatse georiënteerd. De leden hebben daarvoor, ondanks hun drukke werkzaamheden,

veel tijd beschikbaar gesteld.

Andere contacten

Daarnaast heeft er ten vervolge op een gesprek met enkele leden van de stuurgroep

streekcentra op 5 juli 1971, nog een gesprek plaatsgevonden met een

delegatie uit de stuurgroep streekcentra in de afdelingsvergadering van 10 januari

1972. De delegatie bestond uit mejuffrouw F. Hoekstra en de heren dr. Q.

L.Th. van der Meer (voorzitter), H. Bartelsman, dr. J.J.M. Penders, H. Groeneveld

82


(secretaris) en drs. P.C.B.A. van Genk, uitvoeringsgroep streekcentra.

In dit gesprek werd onder meer een nadere toelichting gegeven op het advies

van de Stuurgroep over de in 1972 te starten experimenten en op het aan dit

advies ten grondslag liggende inventarisatierapport van de Uitvoeringsgroep

Streekcentra. Bovendien kwamen nog de plannen voor een stuurgroep-nieuwe

stijl ter sprake.

Voorts is er nog een informatief gesprek gevoerd met enkele medewerkers

van de S.V.O., de heren drs. C.J.H. Schepel, drs. D. Mentink en drs. J. Haantjes.

Bij dit gesprek, dat plaats vond op 15 juni 1972, was de Afdeling vertegenwoordigd

door haar voorzitter, de heer Guermonprez en de heer Stoel, die vergezeld

waren van de adjunct-secretaris, mevrouw Van Lier-te Flierhaar.

Zorgwekkende aanloop participatie-onderwijs

De confrontatie met het veld heeft de Afdeling van nabij doen kennis maken

met de vele zaak niet of nauwelijks te overkomen problemen, waarmee men in

de praktijk te maken krijgt.

De haars inziens zorgwekkende aanloop van het participatie-onderwijs was voor

de Afdeling aanleiding in een initiatiefadvies in te gaan op hetgeen in de nota

van minister Van Veen en staatssecretaris Schelfhout over het onderwijsbeleid,

bijlage IV bij de memorie van toelichting op de rijksbegroting 1973, over dit onderwijs

is geschreven. Het advies, dat werd uitgebracht op 22 juni 1973, (OR

VI/76) was voor minister Van Kemenade aanleiding de Afdeling uit te nodigen

tot een gesprek op 1 november 1973. De voltallige Afdeling werd daarbij vergezeld

door de algemeen secretaris en de adjunct-secretaris mevr. Van Lier-te

Flierhaar, terwijl de minister werd gesecundeerd door de heer A.H. Koelink,

plaatsvervangend directeur O.V.W.J. Met name de ontwikkeling van de zgn.

maatschappijcomponent vormde het centrale thema van het gesprek.

De verzoeken om advies zijn als volgt te rubriceren:

I Experimenten

- De voorlopige subsidie-aanvragen voor een experiment participatieonderwijs

te Drachten, Nijmegen, Den Haag, Roermond, Emmen, Deventer, Hengelo, Rotterdam,

Maastricht, Sittard, Breda, Dordrecht, Bergen op Zoom, Eindhoven,

Etten-Leur, Hilversum, Rozenburg (OR VI/38 en 40). Na een bezoek aan de

meeste daarvoor in aanmerking komende 'initiatieven'en na ampele bespreking

in verschillende afdelingsvergaderingen bracht de Afdeling een uitvoerig advies

uit op 30 mei 1972.

- De definitieve subsidie-aanvragen voor een experiment te Beetsterzwaag-

Drachten, Emmen, Den Haag, Nijmegen, Roermond en Tilburg (OR VI/60).

83


- De concept-aanvragen voor een experiment te Hengelo, Utrecht (Ravo), Amsterdam,

Rotterdam, Breda, Maastricht, Rotterdam, Utrecht (OR VI/69).

- De verlenging van het oriëntatiejaar van de experimenten te Beetsterzwaag/

Drachten, Den Haag, Nijmegen, Roermond en Tilburg (OR VI/72).

- De definitieve aanvragen voor een experiment te Hengelo, Amsterdam en

Breda (OR VI/73).

- De consept-aanvragen voor een experiment te Hoogeveen, Deventer en

Utrecht (Ravo) (OR VI/82).

- De aanvrage voor een samenwerkingsproject te Etten-Leur (OR VI/56).

- Het concept voor een bekostigingsbeschikking voor het experimentele streekcentrum

Tilburg (OR VI/57).

- De concept-beschikkingen voor de experimentele streekcentra te Drachten,

Emmen, Den Haag en Tilburg (OR VI/84).

- Het landelijk experimenteerplan sector participatie-onderwijs, het z.g. Lespo

(OR VI/58). Aan dit plan heeft de Afdeling in enkele vergaderingen aandacht

gewijd, waarna zij op 18 oktober 1972 advies uitbracht.

- In december 1973 ontving de Afdeling een verzoek om advies ter zake van

enige concept-richtlijnen voor het opstellen van een experimenteerplan (OR VI/

88). De besprekingen daarover waren aan het einde van deze verslagperiode

nog niet afgerond.

II Het Eesluit vormingswerk voor jeugdigen

Verzoeken om bekostiging ingevolge artikel 43, eerste lid van het Besluit voor

a een vormingsinstituut te

- Appingedam (OR VI/44)

- Groningen, Zwolle, Amersfoort en Rotterdam (OR VI/52)

- Hedel (OR VI/53)

- Raamsdonk (OR VI/62)

- Schoonhoven (OR VI/65)

- Amsterdam (OR VI/68)

- Ede (OR VI/77)

- Amsterdam, Barneveld, Enschede, Goes, 's-Gravenhage, Groningen, Naaldwijk,

Nunspeet, Ridderkerk, Rijssen, Staphorst, Aalburg en Zaandam (OR VI/79).

- Leerdam (OR VI/83).

84


een prot. chr. landelijke organisatie voor het vormingswerk (OR VI/79).

Verzoek om advies ingevolge artikel 42 van het besluit inzake de voorschriften

betreffende de vormingsprogramma's van het samenwerkingsverband van de

landelijke organisaties voor het vormingswerk (OR VI/75).

Verzoek om advies over een ontwerp tot wijziging van het Besluit vormingswerk

voor jeugdigen (OR 86 WVO).

III De Wet op het leerlingwezen

Verzoek om advies ingevolge artikel 28, tweede lid, ten behoeve van een praktijkopleiding

gericht op de opleiding tot chauffeur, werkzaam in het wegverkeer

(OR VI/67).

IV Bijdragen aan de algemene werkzaamheden

Andere onderwerpen, die op verzoek van het college van voorzitters of ten behoeve

van centrale Raadscommissies in behandeling werden genomen:

- De nota instructieve omroep (OR 186 Alg.). Ter zake van dit onderwerp leverde

de Afdeling een bijdrage aan de centrale commissie uit de Raad, na

uitvoerige discussies aan de hand van werkpapieren van de leden mejuffrouw

Klomp en de heren Kruk en Schmitz.

- De nota over het onderwijsbeleid (OR 198 Alg.). Zoals hierboven reeds blijkt,

werd mede naar aanleiding van deze nota een initiatiefadvies uitgebracht over

de ontwikkeling van het participatie-onderwijs. Daarnaast is er nog gesproken

over een aantal vraagpunten, met betrekking tot het onderwijsbeleid, opgesteld

door een centrale commissie uit de Raad. Namens de Zesde Afdeling had haar

voorzitter zitting in deze commissie.

- Voorts is nog aan de orde gekomen het experimenteerplan geïntegreerd voortgezet

onderwijs aan 12- tot 15-jarigen (G.V.O.-I) (OR 206 Alg.).

85


De zevende afdeling

Afdeling voor het middenstandsonderwijs, het economisch en administratief onderwijs

en het schriftelijk onderwijs.

Als voorzitter van deze Afdeling trad op de heer L. de Waal.

In de verslagperioode kwam de Zevende Afdeling van de Onderwijsraad zestien

maal in vergadering bijeen.

in 1972 op:

17 februari, 16 maart, 20 april, 18 mei, 15 juni, 16 augustus, 19 oktober, 16 november

en 21 december;

in 1973 op:

15 februari, 15 maart, 20 april, 17 mei, 23 augustus, 20 september en 18 oktober.

Deze nog betrekkelijk jonge Afdeling zag zich in de verslagperiode geplaatst

voor verscheidene interessante adviesaanvragen, zoals uit het onderstaande

moge blijken. Wel gevoelde zij het als een bezwaar, dat bij een veralgemening

van het onderwijs voor twaalf- tot vijftienjarigen, en stellig bij de zich voltrekkende

wijzigingen bij het lager beroepsonderwijs het werkterrein der Afdeling

slechts beperkt is tot enkele categorieën van het beroepsonderwijs. Zij accentueerde

daarom haar bijdragen aan de centrale commissies ad hoc uit de Raad.

I MIDDENSTANDSONDERWIJS

a Middelbaar middenstandsonderwijs

Het ontwerp-Eindexamenbesluit m.m..o. en de ontwerp-beschikking Eindexamenprogramma

m.m.o. werden behandeld in de Afdelingsvergadering van 17 februari

1972, zulks na preadvies van haar lid, de heer J. van Hemert. De Afdeling

bracht ter zake advies uit bij schrijven van 13 maart 1972 (OR 84 W.V.O.).

b Hoger middenstandsonderwijs

In haar vergadering van 18 mei 1972 stond de Afdeling stil bij de drie aanvragen

tot plaatsing op het scholenplan 1973-1975 van scholen voor hoger detail«

handelsonderwijs te Amsterdam, Apeldoorn en Tilburg, en in breder verband bij

de behoefte aan en de inrichting van zodanig onderwijs. Na preadvies van de

voorzitter bracht zij advies uit op 23 juni 1972 (OR Vll/46 MEA), waarin onder

meer werd gewezen op het belang van het vak distributie-economie.

86


c Cursorisch middenstandsonderwijs

Naar aanleiding van een memorandum van haar lid, de heer J. van Hemert, betreffende

de subsidiëring van het cursorisch middenstandsonderwijs, wijdde de

Afdeling in haar vergadering van 20 april 1972 aan dit punt een bespreking.

Omdat de Afdeling daarbij tot de conclusie kwam dat niet alleen op het terrein

van het middenstandsonderwijs, doch ook bij andere onderwijssoorten, de

maatstaven en de prioriteiten die bij de subsidiëring van het cursorisch onderwijs

aangelegd werden, zowel in hun relatie onderling als ten opzichte van de

normen die voor het schoolonderwijs golden, zich teveel aan de waarneming

onttrokken, werd dit probleem als van meer algemene strekking in de aandacht

van het college van voorzitters aanbevolen bij schrijven van de Afdeling van 19

juni 1972 (OR 43 MEA). Dit schrijven resulteerde in een bespreking van dit

probleem in andere Afdelingen van de Raad en in het schrijven van de Raad

aan de minister van 21 juli 1972 (OR VII/197 Alg.). Het daarop ontvangen antwoord

van de bewindsman van 21 november 1972 besprak de Afdeling in haar

vergadering van 17 mei 1973, zulks aan de hand van een nota van haar leden,

de heren J. van Hemert en drs. J.J.C, de Winter.

II ECONOMISCH EN ADMINISTRATIEF ONDERWIJS

a Lager economisch en administratief onderwijs

Ter zake van de invoering van het zogenaamde experiment vierjarig I.e.a.o. onder

toepassing van artikel 25 van de Wet op het voortgezet onderwijs en de

daarop betrekking hebbende aanvragen van een aantal geselecteerde scholen

berichtte de Afdeling bij schrijven van 13 juli 1972 (OR VII/52 MEA). Een nader

advies bracht zij uit op 12 oktober 1972 naar aanleiding van de nagekomen

verzoeken van drie scholen (OR VII/52 MEA).

b Middelbaar economisch en administratief onderwijs

M.e.a.o.

Ter zake van de voorgestelde uitbreiding van de bevoegdheid, verbonden aan

de akte van bekwaamheid M.O. Staatsinrichting + Q (schoolakte KXI), tot het

geven van vak Recht II aan scholen voor m.e.a.o., zulks met toepassing van

artikel 108 Overgangswet W.V.O., bracht de voorzitter preadvies uit in de vergadering

van de Afdeling van 18 mei 1972. Het advies van de Afdeling werd uitgebracht

op 6 juni 1972 (OR/83285 O.V.O.).

Avond-m.e.a.o.

Nadat de afdeling in haar vergadering van 15 februari 1973 met de heer mr. drs.

T.L.J. Steenmetser, plv. directeur B.V.O., de laatste ontwikkelingen rond het

avond-m.e.a.o. besproken had, kwamen in haar vergadering van 17 mei 1973 de

verzoeken aan de orde van 23 scholen voor avond-m.e.a.o. tot afwijking van het

87


Eindexamenbesluit m.e.a.o., dit met toepassing van artikel 29, zevende lid,

W.V.O. De Afdeling bracht ter zake advies uit op 8 juni 1973 (OR VU/57 MEA),

waarin zij tevens inging op de inrichting van het avond-m.e.a.o. zulks naar aanleiding

van de circulaire van 18 april 1973, AVB 73-32.

c Hoger economisch en administratief onderwijs

Omtrent het ontwerp-leerplan voor de, in verband met de voorgenomen driejarige

duur van de cursus, geherstructureerde opleiding van staffunctionarissen

bij toeristische bedrijven, uitgaande van het Nederlands Wetenschappelijk Instituut

voor Toerisme en Rekreatie, bracht de Afdeling advies uit op 12 oktober

1972 (OR VII/51 MEA). De behandeling in de Afdeling vond plaats in haar vergadering

van 16 augustus 1972.

In haar vergadering van 18 oktober 1973 gaf de circulaire van 21 september 1973,

MEL 3-256.164, inzake toelating tot de scholen voor h.e.a.o. gedurende de studiejaren

1973-1974 en 1974-1975, veel aanleiding tot commentaar. Ongevraagd

bracht de Afdeling dit commentaar ter kennis van de minister bij schrijven van

8 november 1973 (OR VII/60 MEA).

Ill INFORM ATICA-ONDERWIJS

a Middelbaar informatica-onderwijs

In haar vergadering van 15 juni 1972 bracht de voorzitter preadvies uit op

het verzoek tot de opneming in het scholenplan 1973-1975 van een r.k. middelbare

school voor informatica te Breda. Conform het preadvies reageerde de

Afdeling bij haar advies van 27 juni 1972 (OR VII/47 MEA).

b Bedrijfsinformatica-onderwijs

Ingeleid door een preadvies van het Afdelingslid, de heer A. Stoel, besprak de

Afdeling in haar vergadering van 16 augustus 1972 de realisering van de in het

scholenplan 1972-1974 opgenomen bedrijfsinformatica-afdelingen aan de scholen

voor h.e.a.o. te Groningen, Amsterdam en 's-Gravenhage. Eveneens ging zij

daarbij in op het leerplan voor een opleiding van deskundigen in de zachte

soft-ware van de commissie-Lunbeck. Het advies, waarin zij zich uitsprak voor

een geclausuleerde en getemporiseerde realisering van de voornoemde h.e.a.o.afdelingen,

bracht de Afdeling uit op 20 oktober 1972 (OR VII/50 MEA).

Op 9 januari 1973 nam de voorzitter deel aan de audiëntie bij de minister, die

aan de Subcommissie voor wiskunde en informatica bij het hoger beroepsonderwijs

(W.l.H.B.O.) van de Commissie Modernisering Leerplan Wiskunde verleend

werd naar aanleiding van haar bezwaren tegen de voorkeur die de bedrijfsinformatica-afdeling

aan de h.e.a.o.-school te 's-Gravenhage bij de realisatie

had gekregen boven een hogere informatica-opleiding.

88


Bij het uit deze audiëntie voortvloeiend tripartite overleg tussen het departement,

de Onderwijsraad en de Subcommissie W.I.H.B.O., onder voorzitterschap

van de plaatsvervangend directeur-generaal van het voortgezet onderwijs, de

heer J.Th. Schelfhout, waren namens de Afdeling aanwezig de voorzitter en het

lid, de heer A. Stoel.

c Hoger informatica-onderwijs

In aansluiting op haar besprekingen aan het eind van de voorgaande verslagperiode,

bracht de Afdeling eigener beweging op 15 februari 1972 advies uit

terzake van het ontwerp-leerplan voor de eerste twee leerjaren van een hogere

informatica-opleiding, zoals dat opgesteld werd door de subcommissie W.I.H.B.

O. (OR VII/41 MEA).

Het ontwerp-leerplan voor de integrale hogere informatica-opleiding, eveneens

van de Subcommissie W.I.H.B.O., kwam aan de orde in de twee elkaar opvolgende

vergaderingen van de Afdeling van 19 oktober en 16 november 1972, zulks

aan de hand van een preadvies van het lid, de heer A. Stoel. De Afdeling bracht

advies uit op 4 december 1972 (OR VI1/41 MEA-2).

IV SCHRIFTELIJK ONDERWIJS

In haar vergadering van 15 februari 1973 had de Afdeling een gesprek met

een vertegenwoordiging van het bestuur van de Stichting Inspectie van het

Schriftelijk Onderwijs (I.S.O.), bestaande uit de heren J. Velema (voorzitter),

E.J. Rutgers en P.H. Schroder (leden) en mr. C. Kaiser (waarnemend secretaris),

zulks ter oriëntatie omtrent de werkwijze van de LS.O. en de door haar gevolgde

normen. In dezelfde vergadering overlegde de Afdeling omtrent de problemen

die zouden rijzen bij de uitvoering van de Wet Erkenning Instellingen

Schriftelijk Onderwijs (Weiso) met de heren mr. drs. T.L.J. Steenmetser (plv.

directeur B.V.O.), drs. W.G.E. Winia (chef afdeling S.F.O.) en mr. C. Kaiser

(inspecteur S.F.O.). Daarbij kwamen tevens aan de orde de kwestie van de planning

en de werkwijze bij afdoening van de verzoeken om erkenning.

Haar daarop volgende vergadering van 15 maart 1973 wijdde de Afdeling onder

meer aan een bespreking van het ontwerp-besluit ex artikel 7, tweede lid, van

de Weiso, uitmondende in haar advies van 3 april 1973 (OR VU/8 S.F.O.).

Overeenkomstig de wens van de Afdeling kwam op 2 oktober 1973 een overleg

tot stand van de afdeling S.F.O. en de inspecteur S.F.O. met het secretariaat

van de Raad, zulks met het doel tot een duidelijker omlijning te geraken van

informaties en van normen, benodigd bij de beoordeling van de aanvragen tot

erkenning. Hierbij werd overeengekomen dat twee verzoeken om erkenning van

door de LS.O. reeds erkende instituten als test-case voor de Afdeling zouden

89


dienst doen

De Afdeling besloot in haar vergadering van 20 september 1973 dat, zodra deze

test-cases waren behandeld, de adviesaanvragen betreffende de verzoeken om

erkenning van door de I.S.O. reeds erkende instituten, die bij een eerste beoordeling

geen aanleiding geven tot principiële vragen, door een commissie uit

de Afdeling afgedaan zouden worden, bestaande uit de leden, de heren B.H. de

Jong en A. Stoel.

V BIJDRAGEN AAN DE ALGEMENE WERKZAAMHEDEN

Op verzoek van het college van voorzitters, dan wel ten dienste van centrale

Raadscommissies nam de Afdeling in de verslagperiode achtereenvolgens nog

de onderstaande onderwerpen in bespreking:

- Het discussiestuk 'Voortgezet onderwijs in het kader van de planprocedure'

(OR 64 W.V.O.-6).

- Het eerste concept-plan van scholen 1973-1975 (OR 64 W.V.O.).

- De nota 'Op weg naar hoger onderwijs nieuwe stijl' (OR WO 373).

- Het rapport 'Het overheidsbeleid inzake het tertiair onderwijs' van de Commissie

ontwikkeling wetenschappelijk onderwijs (tweede rapport van de commissie

De Moor) OR 360 WO.

- Het ontwerp-besluit tot wijziging van de Besluiten l.a.v.o. enz. (OR 87 W.V.O.).

- Het voorontwerp en vervolgens het ontwerp van het Besluit l.b.o.-l.a.v.o. van

15 mei 1972 (OR 88 W.V.O.).

- Het voorontwerp van wet, houdende voorzieningen inzake de planning van

het onderwijs (OR 195 Alg.).

- Het rapport van de Commissie onderwijsbevoegdheid officieren (OR 79381

O.V.O.), waaromtrent haar lid, de heer A. Stoel, een preadvies in de Afdeling

uitbracht.

- Het ontwerp van een voorlopige discipline-indeling (herziene versie) met het

oog op het planningssysteem van het post-secundaire onderwijs (OR 363 W.O.).

- De brief van de minister van onderwijs en wetenschappen van 22 augustus

1972, inzake de doorstroming van het h.b.o. naar het w.o. (OR 377 W.O.).

90


- De nota over het onderwijsbeleid (bijlage IV van de Memorie van Toelichting

bij de begroting 1973 van onderwijs en wetenschappen) (OR 198 Alg.).

- De door de centrale Raadscommissie Nota over het onderwijsbeleid opgestelde

vragen betreffende het onderwijsbeleid (OR 198 Alg.).

- Het ontwerp tot wijziging van de eindexamenbesluiten I.m.o., I.e.a.o., l.t.o. en

I.h.n.o. (OR 89 W.V.O.).

- De brief van de minister van 25 februari 1973, inzake toepassing van de artikelen

25 en 26 van de Wet op het voortgezet onderwijs (OR II 271 AVO).

- Het eerste concept-plan van scholen 1974-1976 (OR 187 Alg.).

- Het geïntegreerd voortgezet onderwijs voor de ca. 12- tot 15 jarigen (G.V.O.

I) (OR 206 Alg.).

- Het ontwerp-besluit tot wijziging van het Besluit artikel 24, derde lid, van de

Wet op het voortgezet onderwijs (OR 90 W.V.O.).

- De brief van de minister van 21 november 1972, (OR 197 Alg.) inzake de

subsidiëring van het cursorisch onderwijs. Zie eveneens punt I c van dit verslag.

- Het voorontwerp van wet ontwikkeling hoger onderwijs (OR I 403 W.O.).

91


Administratieve gegevens

A Samenstelling van de Onderwijsraad per 31 december 1973

College van voorzitters

Algemeen voorzitter van de Onderwijsraad

Onder-voorzitter van de Onderwijsraad

Voorzitter Eerste Afdeling

Voorzitter Tweede AfdlAË

Voorzitter Derde Afdeling

Voorzitter Vierde Afdeling

Voorzitter Vijfde Afdeling

Voorzitter Zesde Afdeling

Voorzitter Zevende Afdeling

Secretarts

prof. dr. I.A. Diepenhorst

drs. A.G. van der Veen

prof. dr. I.A. Diepenhorst

prof. dr. G.Th.M. Verhaak

prof. dr. I.A. Diepenhorst

drs. A.G. van der Veen

drs. Th.J. Westerhout

mr. O.V.L. Guermonprez

L. de Waal

mr. H. Drop

rooster van aftreding

per 1 januari:

Eerste Afdeling (Afdeling voor het wetenschappelijk onderwijs)

Voorzitter:

prof . dr. I.A. Diepenhorst

Onder-voorzitter:

vacature

Leden:

prof . dr. M.A. Beek

prol . ir. J.J. Broeze

prof . dr. J.H. Christiaanse

prol . dr. H. Deenstra

prol . dr. L. Geschiere

Prol . ir. R. van Hasselt

prol . dr. E.W. Hofstee

prof . mr. H.J.M. Jeukens

prol . dr. J.A.A. Ketelaar

prol . dr. M. van Straaten os.a

prof . dr. D.A. de Vries

prof . mr. J. Wiarda

92

1976

1979

1982

1979

1976

1976

1979

1979

1982

1979

1979

1979

1976


ooster van aftreding

per 1 januari*

Tweede Afdeling (Afdeling voor het algemeen voortgezet onderwijs en het voorbereidend

wetenschappelijk onderwijs)

Voorzitter:

Prof. dr. G.Th.M. Verhaak 1976

Onder-voorzitier:

dr. M. Goudeket 1982

Leden:

dr. A. Brink 1976

C.A.M, van Dongen 1976

dr. A.J. van Duyvendljk 1982

drs. A. de Haas 1979

dr. L.M.H. Joosten 1979

Th.C.A. Nass 1979

dr. P.G.J. Vredenduin 1982

mej. dr. C.M. Westra 1976

M. Wilbers 1976

C.C. Wijmans 1976

Derde Afdeling (Afdeling voor het kleuteronderwijs en het basisonderwijs)

Voorzitter:

prof. dr. I.A. Diepenhorst 1976

Onder-voorzitter:

mevr. E. Hammelburg-De Vries 1979

Leden:

G.J. Bartelsman 1982

dr. C. van Calcaf 1976

drs. M.G. van der Geld 1982

mr. J.J. de Haas 1979

A Hoekstra 1982

J A.A. Poncin 1976

H. Posiftuma 1982

mr. J.Th. de Ruwe 1976

E. van Schagen 1979

drs. W.J. de Tombe 1979

N.Y. Vlietstra 1976

mej. A.J. Vreugdenhil 1979

mevr. A.M.A. van Wesemael-Van Velthoven 1982

mr. H. Winkel 1976

prof. dr. J. de Wit 1979

93


ooster van aftreding

per 1 januari:

Vierde Afdeling (Afdeling voor het technisch beroepsonderwijs en het landbouwonderwijs)

Voorzitter:

drs. A.G. van der Veen 1982

Onder-voorzitter:

J.H. Ligteringen 1976

Leden:

ir. A.M.M. Bartels 1976

dr. J.R. van Blom 1979

mr. F.J.W. Fabius 1979

ir. A.P.A. Guyaux 1979

jhr. mr. W.CS. Laman-Trip 1979

prof. ir. C. Rodenburg 1976

dr. ir. J.G. Veldink 1976

prof. dr. G. Wielenga 1982

A. de Wit 1982

Vijfde Afdeling (Afdeling voor het sociaal-pedagogisch onderwijs, het huishoud- en nijverheidsonderwijs

en het kunstonderwijs)

Voorzitter:

drs. Th.J. Westerhout 1979

Onder-voorzitter:

vacature

Leden:

ds. H.U. Buitink 1976

drs. R. Hajer 1979

J. Heij 1976

drs. W. de Hey 1976

J. Kassies 1982

W. Tasma 1979

mevr. A.G. Visschedijk-Kuks 1982

mevr. M. van der Wall-Duyvendak 1979

94


ooster van aftreding

per 1 januari:

Zesde Afdeling (Afdeling voor onderwijs en vorming werkende jongeren)

Voorzitter:

mr. O.V.L. Guermonprez 1976

Onder-voorzitter:

vacature

Leden:

drs. P.J.H. Colijn 1976

mr. F.J.W. Fabius 1979

dr. J.H.N. Grandia 1979

mevr. C. van der Heiden-Bakker 1982

drs. M.R.A. Luijpen 1982

A. Stoel 1976

Zevende Afdeling (Afdeling voor het middenstandsonderwijs, het economisch en administratief

onderwijs en het schriftelijk onderwijs)

Voorzitter:

L. de Waal 1979

Onder-voorzitter:

A. Stoel 1976

Leden:

dr. K.J. Braakman 1976

J. van Hemert 1982

drs. G.A.J. Janssen 1979

B.H. de Jong 1979

drs. W.J. Vinke 1979

drs. J.J.G. de Winter 1982

95


B In de aanwijzing tot voorzitter, c.q. onder-voorzitter van de Onderwijsraad, of

Afdelingen van de Raad, deden zich de volgende mutaties voor:

Onder-voorzitter

Eerste Afdeling

Onder-voorzitter

Vijfde Afdeling

Onder-voorzitter

Zevende Afdeling

96

aangewezen bij K.B. van vacature

A. Stoel 8-11-1972,

nr. 41

prof. dr. L. de Klerk

m.i.v. 1-1-1973

mej. mr. M.A.L.F.G. Noël

m.i.v. 1-1-1973

L. de Waal


C Aftreding/benoeming van leden van de Onderwijsraad in de periode 1972-1973

afgetreden benoemd Afdeling

vacature C.Th. Bevelander

N.Y. Vlietstra

K.B. van 3-1-1972, nr. 17

dr. C. van Calcar,

K.B. van 14-2-1972, nr. 18

vacture dr. J. Selman ir. A.M.M. Bartels

K.B. van 14-2-1972, nr. 18

Vacature W.N.J. Baekers jhr. mr. W.C.S. Laman Trip

K.B. van 14-2-1972. nr. 18

vacature

prof. dr. ir. W.M.J. Schiösser

drs. H.P.W. Schmitz

K.B van 9-8-1872, nr. 141

vacature D.J.A. Geluk

ir. W.J.L.J. Merkx

K.B. van 25-1-1972, nr. 26

dr. A.L.M. Knaapen

K.B. van 28-2-1972, nr. 46

97

mevr. C. van der Heiden-Bakker

K.B. van 14-2-1972, nr. 18

A. Hoekstra

K.B. van 18-3-1972, nr. 66

drs. M.G. van der Geld

K.B. van 18-3-1972, nr. 66

prof. ir. C. Rodenburg

K.B. van 20-4-1972, nr. 17

mr. J.Th. de Ruwe

K.B. van 13-9-1972. nr. 27

dr. K.J. Braakman

K.B. van 13-9-1972, nr. 27

drs. M.R.A. Luijpen

K.B. van 5-10-1972, nr. 17

B.H. de Jong

K.B. van 8-11-1972, nr. 41

dr. L.M.H. Joosten

K.B. van 18-8-1973, nr. 33

(uitbreiding)

3

(uitbreiding)

3

(uitbreiding)

3

(uitbreiding)

4

3

(uitbreiding)

(uitbreiding)

6

(uitbreiding)

2


afgetreden benoemd afdeling

mevr. A.G. Visschedijk-Kuks —•

K.B. van 8-2-1972, nr. 21

drs. R.W. Kruk drs. P.J.H. Colijn

K.B. van 27-4-1972, nr. 48 K.B. van 18-8-1973, nr. 33

H.A.J. van iersel —

K.B. van 3-5-1972, nr. 28

prof. dr. J.C. Kamerbeek —

K.B. van 9-10-1972, nr. 18

dr. Ch.C.P. Pacilly —

K.B. van 2-11-1972, nr. 31

mej. mr. M.A.L.F.G. Noël —

K.B. van 4-12-1972, nr. 18

prof. dr. L. de Klerk —

K.B. van 4-12-72, nr. 18

W.A.J.P. Valkenier —

K.B. van 4-12-1972, nr. 18

mej. M. Kamphuis —

K.B. van 26-6-1973, nr. 15

mej. ds. mr. M.A. Klomp —

K.B. van 21-6-1973, nr. 46

S.A. Rozemond —

K.B. van 31-10-1973, nr. 27

98


D De samenstelling van het secretariaat per 31 december 1973:

Algemeen secretaris

Tweede secretaris

Adjunct-secretarissen

Chef de Bureau

Administratief personeel

de dames

de heren

vacature

mr. H. Drop

mr. C.A.P.C. van Asseldonk

mevr. mr. W.G. van Lier-te Flierhaar

mr. L. Brinkman

mr. B. Faber

R. Gazendam

mr. H.J. Tichelman

mr. W.J.E. van de Water

F.H.H. Reijckers

mej. E. Koes

mej. W.H.M. Bregonje

mej. E.P. Ligtvoet

mej. A.H. Koelemij

D. van Barneveld

R. Troost

N. Smakman

Met langdurig ziekteverlof wegens een ongeval: mej. A. van Triest.

99


O^W

Publikatie van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen

Uitgegeven door de Staatsuitgeverij te 's-Gravenhage, 1974

Produktie: Voorlichtingsdienst Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen

ISBN 9012 00575 2 P.K. 74.190/1.000-50/426497*-281

More magazines by this user
Similar magazines