15.09.2013 Views

De kunstrijder.pdf

De kunstrijder.pdf

De kunstrijder.pdf

SHOW MORE
SHOW LESS

Create successful ePaper yourself

Turn your PDF publications into a flip-book with our unique Google optimized e-Paper software.

Jonge Lijsters

2000 Nr. 5

Jonge Lijsters, reeks voor scholieren, is een uitgave van W olters­

Noordhoff, Groningen, en Wolters Plantyn, Deurne (België);

per jaar verschijnen vijf titels en een Lijsterwij{er.

Titeloverzicht Jonge Lijsters 2000

(ISBN Nederland 9001 55273 0; ISBN België 9030 1715° 2)

2000/1 - Thea Beckman De Gouden Dolk

(ISBN 9001 55274 9 )

2000/2 - Imme Dros Ongelukkig verliefd

(ISBN 9001 55275 7)

2000/3 - Bies van Ede Ijskoude handen

(ISBN 9°01 55276 5)

2000/4- Lydia Rood Weg van de {on

(ISBN 9001 5)278 I)

2000/5 - Jan Terlouw De Kunstrijder

(ISBN 9001 552773)

2000/ 6 - M. Letterie/ C. Markesteijn Lijsterwij{u

(ISBN 9001 55278 x)


Jan Terlouw

De Kunstrijder

2000

WOLTERS-NOORDHOFF

GRONINGEN

WOL TERS PLANTYN

DEURNE


Copyright © z989 Lemniscaat, Rotterdam

Uitgegeven met een licentie van uitgeverij Lemniscaat

ISEN 900Z 552:7:7 3 (Nederland)


I

Zelfs de meest onverbeterlijke langslaper wordt soms vroeg

wakker. Zelfs Patrick, die op door-de-weekse dagen meestal

door de wekker heen sliep en door zijn moeder praktisch uit

bed gesleurd moest worden, was deze zondagochtend wak­

ker toen de zon net over de horizon gluurde. Dat gebeurde al

vroeg, want het was de eerste dag van de wintertijd. De

vorige avond had hij alle klokken in huis een uur achteruit

gezet. Was hij daarom zo vroeg wakker? Onwaarschijnlijk.

Moest hij ergens heen? Nee, hij had geen bijzondere plan­

nen. Was dit op de een of andere manier een speciale dag?

Het was gewoon 28 september, hij was niet jarig, zijn moe­

der was niet jarig, de koningin was niet jarig.

Patrick opende voorzichtig zijn linkeroog en deed het

onmiddellijk weer dicht toen het vale licht van zijn kamer

erin doordrong. Aan dit vroege licht waren zijn ogen niet

gewend. Geen school. Geen afspraken. Geen verplichtin­

gen. Hij dook dieper onder de dekens en probeerde de

droom op te vatten waar die was afgebroken. Hij had aan de

manen van een paard gehangen, dwars door de weilanden

was het gegaan, maar achtervolgde hij iemand of werd hij

zelf achterna gezeten?

De slaap wilde niet terugkomen. Hij keerde zich op zijn

linkerzij. Het hielp niet. Deze ochtend moest hij meemaken

waar slechte slapers dagelijks - of liever nachtelijks - mee

tobben: ogen dicht of niet, deken of niet, hij was klaarwak­

ker. Zijn bil kriebelde. Hij gaf er een fanatieke krab over met

zijn nagels, zodat de jeuk veranderde in pijn. Zijn rug was

stijf van het liggen. Hij rolde zich op zijn buik en begroef zijn

hoofd in het kussen. Zijn adem maakte een warme plek en hij


kreeg het benauwd. Toen gaf hij het op. 'Ik ben wakker,'

verklaarde hij en hij schoof de dekens opzij.

Hij balde een vuist en stelde vast dat er nog niet de minste

kracht in zat. Hier zou nog geen tor voor op de loop gaan,

dacht hij. Zou Willemien van spierballen houden? Meisjes

zeggen altijd dat ze er niks om geven, wat niet per se waar

hoeft te zijn. In ieder geval had hij op dit vroege uur spier­

ballen van niks. Hij boog en strekte zijn armen om het bloed

beter te laten doorstromen. Dat hielp. Met het bloed stroom­

de ook de kracht toe.

In de muur aan het hoofdeinde van het bed waren boven

elkaar drie verchroomde stangen aangebracht. Hij greep de

laagste en trok zich op. Zo kon hij bij de volgende. Vanaf de

bovenste stang kon hij de rekstok bereiken, die aan het pla­

fond hing, twee meter boven zijn bed. Hij trok zich op,

strekte zijn armen, trok zich weer op, strekte zich opnieuw.

Twintig keer was de taks. Soms, als hij zichzelf wenste te

straffen, bijvoorbeeld voor te veel eten de vorige dag, moest

hij vierentwintig keer. Is dat vandaag het geval? vroeg hij

zich hijgend af. Nee, maar hij was nu toch al bij tweeëntwin­

tig. Na nog twee keer liet hij zich vallen. Het bed jankte.

Even bleefhij uitgeput op zijn rug liggen, maar zijn krachten

keerden snel terug. Hij ging op de rand van het bed zitten en

haalde diep adem. Dat voelde goed. Hij voelde zich sterk en

gezond. Met een handige zwaai wipte hij in zijn rolstoel, gaf

zichzelf een duw en freewheelde naar de badkamer, die te­

gen zijn slaapkamer was aangebouwd.

T-shirt uit en in het zitbad, heerlijk die warme straal op

zijn rug. Hij bleef langer zitten dan met het oog op de gas­

rekening verantwoord was, maar verdiende voor zijn gevoel

weer wat terug door even alleen de koude kraan open te

houden. De adem werd hem ontnomen, maar hij grijnsde en

schold zichzelf voor lafaard. Toch maar dicht nu, die kraan.

Ieder heldendom heeft zijn grens. Hij droogde zich af en

voelde hoe zijn huid tintelde. Lekker. Hetbed was vergeten.

De dag kon beginnen.

6


'Nou nou; zei zijn moeder toen ze hem aan zag komen. 'Ben

je ziek? Zo vroeg heb ik je nog nooit uit bed gezien.'

Ze zat, gekleed in een peignoir, met een wit gezicht aan de

keukentafel, een dampende kop oploskoffie voor zich, háár

manier om de bloedsomloop op gang te brengen.

'De ochtendstond heeft goud in de mond,' zei Patrick

opgewekt. Zijn moeder greep naar haar hoofd. 'Niet zo luid,

alsjeblieft!

'Vroeg in de morgen, mijn kracht bewust, doorstroomt

mij de lust van het leven,' fluisterde Patrick.

'J e bènt ziek,' zei zijn moeder medelijdend.

Patrick zag een dikke trage vlieg over het raamkozijn

scharrelen en hij zei: 'Zie je die vlieg van vorig jaar? Weet je

waar die me aan doet denken?'

'Jawel,' zei zijn moeder. 'Aan mij.'

'Alleen 's morgens. 's Avonds ben je een vliegend hert.'

'J e had "vliegende hinde" kunnen zeggen.'

'Een vliegend hert is een vlinder,' zei Patriçk. 'Een vlin­

der die hartelijke relaties met de roos onderhoudt. Je moet je

biologie eens wat opfrissen.'

'Een vliegend hert is gewoonlijk een kever,' zei moeder.

'Over opfrissen gesproken. Maar ik wenste niet te veronder­

stellen dat je me daarmee zou vergelijken.'

Patrick' s moeder heette Rosalinde, wat ze vreselijk vond.

Veel mensen kortten het af tot Roos en dat vond ze nog

erger. Daarom zei Patrick wel eens Vlinder tegen haar, het

insekt dat veel van de roos houdt, en daar had ze niks tegen.

'Wat heb je voor plannen vandaag?'

'Ik wou beginnen met een trainingsloopje van vijf kilo­

meter,' begon Patriek, 'en dan .. .'

Van sommige van Patrick' s opmerkingen had zijn moe-

der niet terug. Daar wende ze nooit aan.

'Wil je een ei?'

'J a, jij ook? Ik zal ze bakken.'

'Dan zet ik de rest klaar.'

7


Patrick haalde de bakboter en twee eieren uit de koelkast

en ging naar het fornuis, dat heel laag was. Niemand kon zo

lekker eieren bakken als hij, vond zijn moeder. Eerst de bo­

ter goed bruin, daarna op een zacht vuurtje met de eieren

erin, en ten slotte even kort omkeren om het bovenste dril te

smoren, maar zonder dat het geel hard werd. En dan op een

goed gesmeerde bruine boterham, mm! Een Patrick-ei, heet-

.

te dat in de wandeling.

Terwijl hij de boter in de pan liet smelten viel Patriek' s

oog op een oude krant die in het mandje met uien lag. Meer

dan een jaar oud, zag hij. Het Stadsblad? Ja, het Stadsblad.

'Lezing over zeventiende-eeuwse Nederlandse en Vlaamse

schilderkunst', las hij. 'Onze stadgenoot, mr. J.Th.G. van

Wijngaerden, vermaard kunstkenner en filantroop, heeft

gisteren .. .' De rest verdween om de vouw van de krant.

'Mam, wat is een filantroop?'

'Iemand die veel goed doet, die geld weggeeft voor goeie

doelen en zo.'

'Ah, iemand die rolstoelen koopt voor de kreupelen.'

'Ik heb gisteren een gulden gegeven voor de t.b.c.-be­

strijding,' zei zijn moeder. 'Volgens mij is er helemaal geen

t.b.c. meer.'

Patrick brak een ei en keek met verbazing in de pan. Het

ei had twee dooiers. Hij had wel eens gehoord dat het be­

stond, gezien had hij er nooit een.

'Gaaf,' zei hij. 'Moet je kijken, twee dooiers.'

'Een tweeling,' zei z'n moeder.

'Zouden daar twee kuikens uitgekomen zijn?'

'Dat neem ik aan.'

'Gek idee. Ga ik dus twee kuikens opeten. Dat is me te

gek. Een dubbele moord. Neem jij hem maar.'

ei.'

'Niks dubbele moord. Het zijn geen kuikens, het is een

'Het hadden kuikens kunnen worden.'

'Als je een beukenootje eet, denk je dan ook dat je eigen­

lijk een eeuwenoude beuk aan het omhakken bent?'

8


Tot op dat moment zou Patrick zich deze ochtend later

herinren. Vroeg uit bed. Vier keer extra optrekken zonder

speciale reden. Het ei met de twee dooiers. Maar vanaf het

moment dat ze tegenover elkaar zaten te eten, zoals iedere

zondagochtend, zou de dag zich in zijn geheugen vermengen

met andere zondagen. Je vindt een blauw vierkantje niet

terug in een blauw vlak. Waarschijnlijk had hij zegels in zijn

postzegelalbum geplakt. Of huiswerk gemaak.t. Of een boek

gelezen. Of naar een sportevenement op de televisie gekeken.

Patrick's zondagmiddag verdween in de niet onaangename

grijsheid van een stoet van soortgelijke zondagmiddagen.

Maar niet die zondagavond. Toen gebeurde er iets opmerkelijks.

Hij ging na het eten de stad in met Tom, zijn beste vriend.

Patrick kende hem al vanaf zijn zevende, toen hij voor het

eerst op de GENGK kwam. Tom woonde maar drie straten

verderop en ze zagen elkaar dagelijks.

'Ben je klaar?' gebaarde Tom.

'Ja, ik ga mee,' zei Patrick. 'Even overstappen in de racewagen.'

Terwijl hij praatte had hij zijn gezicht naar zijn kameraadje

gewend en hij articuleerde goed met zijn lippen.

Bij hem hoefde Tom nooit vragen wat ie zei.

Patrick wipte van de lichte, handbediende rolstoel die hij

altijd binnenshuis gebruikte in de zwaardere, die een accu,

elektromotor en hand sturing had. Daarmee kon hij een

vaartje van een kilometer of acht per uur halen.

'Actie,' zei hij.

Ze gingen vaak 's avonds even naar het centrum van hun

stadje, kijken of er iets te doen was. Zo noemden ze dat.

Want zelden was er iets te doen. Het ging er meer om even in

beweging te zijn.

'Kom niet onder de tram,' zei moeder. Ze kon het niet

laten. De hele dag moest ze zich beheersen om niet te zeggen:

'Kijk uit. Wees voorzichtig. Pas op bij het oversteken.'

9


Ze wist dat ze Patriek ermee ergerde en ze probeerde het te

laten. Trams waren er niet meer.

'Ik spring wel opzij,' zei Patrick. Dat kon hij niet laten.

Tom legde een hand op de rugleuning van de rolstoel en

ze gingen op weg. Spreken deden ze niet terwijl ze in bewe­

ging waren. Tom kon prima liplezen, maar dat ging natuur­

lijk beter als ze tegenover elkaar zaten. Praten kon hij niet.

Hij zei alles in gebarentaal. Het was een groot probleem dat

zijn ouders die taal maar gedeeltelijk kenden. Ze konden

hem wel begrijpen als hij gebaarde: 'Hoe laat gaan we eten,'

of: 'is er een schoon shirt,' maar ze begrepen hem niet of

nauwelijks als hij wilde vertellen dat hij ruzie had gehad met

een jongen op school, of wat hij zo geweldig had gevonden

aan een bepaalde film (met ondertiteling).

Patriek was de enige buiten de school waar hij op was,

met wie hij zonder veel problemen van gedachten kon wisse­

len. Patrick had de gebarentaal grondig geleerd, in de uren

dat ze samen op de dijk hadden gezeten om uit te kijken over

de uiterwaarden, in de winteravonden dat ze nog 's avonds

na het eten een uurtje samen doorbrachten, in de vakanties,

als er weinig te doen was.

Soms was er ineens een woord dat Tom niet kende, een

gewoon woord als medelijden, of nijd, of armetierig. Altijd

iets abstracts, iets wat je niet kunt aanwijzen. Als dat zich

voordeed schreef Patrick het woord op en probeerde met

voorbeelden duidelijk te maken wat het betekende.

Tom liep graag door de stad met zijn hand op Patrick's

stoel. Hij was blij met hun vriendschap. Hij was vrij klein en

tenger voor zijn bijna :vijftien jaar. Rennen kon hij als geen

ander, maar je moest hem niet vragen de piano te versjou­

wen. Hij had een innemend gezicht, smal vanaf de jukbeen­

deren toelopend op een kin met een kuiltje. Zijn donker­

bruine ogen hadden een weemoedige uitdrukking, vooral

als hij niet wist dat je naar hem keek. Merkte hij dat je hem

gadesloeg dan werden zijn ogen kleiner, zodat er rimpeltjes

10


omheen kwamen, en leken ze vrolijkheid uit te stralen. Tom

was in zijn stille,' eenzame wereld geen humeurige jongen

geworden. Hij observeerde de mensen en trok zijn humoris­

tische conclusies. Nog onlangs, toen iemand iets stoms zei,

had Tom naar Patrick gebaard: 'Het teken dat ik zou willen

maken zou door iedereen begrepen worden: Tot verbazing

van de omstanders was Patrick luid in lachen uitgebarsten,

want hij had zelf op het punt gestaan met zijn wijsvinger

tegen zijn voorhoofd te tikken.

Het plein in het centrum van de stad, dat eenvoudigweg

'de markt' heette, was vrijwel verlaten. Het gemeentehuis en

het bankgebouw waren donker. Achter de ramen van de drie

café-restaurants scheen licht, maar ze maakten niet de indruk

alsof het er een vrolijke boel was. Op zondag zijn de mensen

niet zo uitgaanderig. Ze kwamen wel Gert tegen, een branie­

achtige vent van minstens achttien, broer van een vriendje

van ze in de GENGK. Ze waren niet zo op Gert, maar hij liep

ongevraagd een eindje met hen mee, kennelijk had hij geen

vastomlijnde plannen voor de avond. Ze slenterden door de

Willemsstraat, met aan de ene kant het stadspark en aan de

andere het Jan Steen-museum. De duisternis was vroeg in­

gevallen, vanwege het terugzetten van de klok. Koud was

het niet. Tom en Gert gingen op een bank zitten, in de don­

kerte van een kastanje die al fiks bruin was. Patrick en Tom

konden moeilijk met elkaar praten vanwege het gebrek aan

licht en Gert scheen er geen behoefte aan te hebben veel te

zeggen.

Ook het park was verlaten. In de verte klonk het geluid

dat er altijd is, een optrekkende auto. Verder was het stil.

Tom raakte Patrick' s arm aan en knikte met zijn hoofd in

de richting van het museum. Er liep een meisje van hun

leeftijd in de richting van het gebouw. Onder haar rech­

terarm droeg ze een groot, rechthoekig pak. Haar arm kon

er amper omheen. Ze keek schichtig achterom en verdween

toen in de schaduw van het gebouw, een schaduw geworpen

door het licht van een lantaarn op het trottoir.

II


'Typisch,' zei Patrick, nauwelijks hoorbaar.

'Gek,' zei Gert.

'Laten we eens gaan kijken,' gebaarde Tom.

Ze gingen wat dichterbij, maar ze bleven in de donkerte

van de bomen.

'Ik ga wel even alleen,' gebaarde Tom.

'Laat hem maar even,' zei Patrick tegen Gert.

Tom schoot weg, onhoorbaar, lichtvoetig. Drie minuten

later was hij al weer terug. Met snelle gebaren maakte hij

Patrick duidelijk dat het meisje bezig was in te breken in het

museum. Ze had een kelderraampje ingeslagen en het had er

alle schijn van dat ze naar binnen wilde gaan.

'Heeft ze je gezien?' vroeg Patrick.

T om schudde zijn hoofd.

'Wat is dat allemaal?' informeerde Gert.

Patrick vertelde hem wat er aan de hand was, of liever

gezegd, hij noemde de feiten, want begrijpen deed hij er niks

van.

'Dat wordt mij te link,' zei Gert. 'Straks komt de politie

erbij en dan moeten wij vertellen wat er aan de hand is. Daar

voel ik geen donder voor. Ik hou het voor gezien.'

Hij draaide zich om en verdween om de hoek.

Tom trok tegelijk zijn wenkbrauwen en zijn mondhoeken

omhoog, waarmee hij wilde zeggen: 'Wat een held.'

'Het zou me niet verbazen als hij iets op zijn kerfstok

had,' zei Patrick. 'Er is iets met die Veenmannen. Ik heb .

gehoord dat Gert' s vader al eens een poosje vast heeft geze­

ten wegens oplichterij. Gert houdt niet van de politie, dat is

duidelijk. '

Intussen duwde Tom de rolstoel langzaam en zonder ge­

rucht te maken de zijstraat in, waarvan de ene kant bestond

uit woonhuizen en de andere uit de zijkant van het museum.

Ze vermeden het licht van de lantaarns. De huizen hadden

voortuintjes van ongeveer een meter diep en hekken met

spijlen. Het kostte niet veel moeite om Patrick's stoel in zo'n

12


tuintje te rijden. Van daaruit konden ze ongezien het mu­

seum gadeslaan. Vlak boven. de grond waren raampjes, on­

getwijfeld van een opslagruimte onder de eigenlijke zalen

van het gebouw. Van het meisje was geen spoor te beken­

nen, maar dat zou wel komen door de donkerte. Want vol­

gens Tom had ze wel degelijk een spoor nagelaten, namelijk

gebroken glas.

'Ze moet binnen zijn,' gebaarde Tom.

Lang hoefden ze niet te wachten om de juistheid van die

bewering vast te kunnen stellen.

T om stootte Patrick aan.

'Daar, links van die beuk.'

Ze stak haar hoofd naar buiten, keek een paar keer snel

om zich heen en klom, toen ze dacht dat niemand haar zag,

de straat op. Ze had een spijkerbroek aan en een donkerbruin

jack. Ze had kort, vrij donker haar en een aardig gezicht,

leek het, maar het kon zijn dat het gebrek aan licht een hand­

je hielp om de zwakke plekken an haar uiterlijk te ver­

hullen.

'Ooit gezien.?' zei Patrick met zijn lippen, zonder geluid

te geven.

'Nee,' schudde Tom. 'Jij?'

Ook Patrick schudde zijn hoofd. Ze moest in een ander

deel van de stad wonen, anders zou hij haar wel eens op

straat hebben gezien. Of kwam ze van buiten de stad? Op de

een of andere manier leek hem dat onwaarschijnlijk. Waar­

om? Ze was lopend gekomen, dat was het. Dat maakte de

indruk van niet veraf wonen. Kon natuurlijk onzin zijn.

Intussen was het meisje haastig de straat uitgelopen en om

de hoek verdwenen.

'Ze had het pak niet meer bij zich,' gebaarde Tom.

'Nee.'

Ze verlieten het tuintje en gingen naar een lichtere plek,

waar het gemakkelijker praten was.

'In dat pak zat natuurlijk een schilderij,' meende Tom.

1 3


Patrick knikte. Dat lag voor de hand.

'Nu moet jij me eens vertellen,' zei hij, 'waarom iemand

inbreekt in een museum om een schilderij daarheen te brengen.

Stelen oké. Maar brengen? Ik zal in het vervolg op

klompen gaan lopen, dan kun je ze bij een gelegenheid als

deze zien breken.'

'Je bedoelt, dan zal ik ze hóren breken,' grijnsde Tom.

'Laten we nog eens gaan kijken.'

Inderdaad, het raam was kapot, de scherpe uitsteeksels

waren verwijderd, het was niet moeilijk om erdoor te klimmen.

'Als ik eens even ging kijken,' opperde Tom.

'Als ze je snappen gelooft niemand dat het een of andere

meisje dat raam heeft gemold.'

'Ze snappen me niet.'

Patrick vond het nooit leuk dat hij in een rolstoel moest

zitten, maar soms moest hij er echt van kotsen. Djt was zo'n

moment.

'Hou de wacht,' gebaarde Tom.

Patrick had een zaklantaarn, die hoorde bij de vaste uitrusting

van zijn stoel. Dat was een van de dingen die zijn

moeder met stalen wil had doorgedrukt. Hij gaf hem aan

Tom mee en reed zetf een meter of twintig van het gebroken

raam weg. Dat was maar goed ook. Want Tom was amper

binnen of er kwam een langzaam rijdende politieauto over

de weg die tussen het park en het museum-lag. De bestuurder

keek de zijstraat in en zag Patrick. Hij remde, reed iets

terug en draaide de zijstraat in. Zowel de man die aan het

stuur had gezeten als de agent naast hem kwamen naar buiten.

'Is alles in orde, jongeman? 0, ben jij het, Patrick.'

'St, stil nou,' zei Patrick. 'Horen jullie hem niet?'

'Horen wie?'

'De nachtegaal. Er zit een nachtegaal in die beuk. Ach,

nou hoor ik hem ook niet meer. Hij baalt van jullie auto, dat

moet het zijn.'


De agent die Patrick kende heette Joop. 't Was wel een

aardige kerel, maar hij vond zichzelf een persoon van meer

gewicht dan hij in werkelijkheid was. Hij trok zijn gezicht in

een wijsgerige plooi en keek naar het gebladerte van de

beuk, waaraan in de donkerte natuurlijk niets te zien was.

'Stil,' zei hij gezaghebbend.

Ze luisterden. Patrick, aanvankelijk zeer tevreden met

zijn verklaring over zijn wat vreemde aanwezigheid in een

kale zijstraat, begon zich ongerust te maken. Als ze zo stil

waren zouden ze Tom opmerken als die terug kwam.

'Die horen we niet meer vanavond,' zei hij geleerd.

'Nachtegalen zijn heel gevoelige vogels. Als hun liefdeslied

eenmaal is onderbroken, is hun inspiratie voor minstens vier­

entwintig uur vertrokken.'

JooP knikte. Dat was absoluut juist, zoveel wist hij ook

wel van zangvogels.

'Dus ga ik maar eens op huis aan,' zei Patrick.·

'Kun je je alleen redden?' vroeg Joop. 'Anders gooien we

die stoel van je even achter in de wagen.'

'N ee, bedankt. Ik wil nog wat buitenlucht hebben.'

Hij begon zich langzaam in de richting van het park te

bewegen. JooP en de andere agent stapten in hun auto. Met

een zucht van verlichting zag Patrick hen verdwijnen. Hij

haastte zich terug naar de plek waar Tom naar binnen was

gegaan. Die stak: net zijn hoofd door het kapotte venster.

'Had je bezoek?' grijnsde hij.

'} a,' zei Patrick, 'twee agenten die even met me kwamen

luisteren naar een nachtegaal in de beuk daar. Hoor je hem?'

'Schitterend,' lachte Tom. 'Wat een verrukkelijk geluid.'

'Wat heb je gevonden?'

'Troep. Oude planken, beschimmelde lijsten van het jaar

nul, gebroken bloempotten. Er gaat een trap naar boven, die

eindigt hij een deur die op slot zit.'

'En het schilderij?'

'Het staat er wel degelijk, half verstopt achter een stapel

IS


oud hout. Het papier is er af, dat ligt, verfrommeld als prop,

bij de rest van de troep.'

'Wat is het voor schilderij?'

'Zo'n ouwe. Ik bedoel, je kunt precies zien wat het voor­

stelt. Het is een man met krullend haar, gekleed in kleren

van vroeger. Niet van heel vroeger, een paar eeuwen gele­

den of zo. Links onder staat heel vaag de naam van de schil­

der, maar ik kon het niet lezen. Ik zou zeggen dat het met een

R begint.'

'Ik weet geen schilder met een R,' zei Patrick. 'Ik ben niet

goed in schilders. Ja, Renoir. We hebben thuis een repro­

duktie van een werk van Renoir hangen, danseressen zijn

dat.'

'Rubens,' zei Tom. 'Of was dat een schrijver? Nee, dat

was een schilder. Allemaal blote dikke wijven.'

'Laten we maar eens op huis aan gaan. Anders belt mijn

moeder de politie.'

'Moeten we dit niet aan de politie vertellen?' vroeg Tom

zich af. 'Er is niet veel tegen als je iets komt brengen in plaats

van iets weg te halen, maar toch . .. er zit een luchtj e aan.'

'Ik vind het reuze gek,' zei Patrick. 'Ik snap er geen barst

van. Maar de politie, daar heb ik weinig zin in. Het leek me

een aardig meisje. Aan de manier waarop ze om zich heen

keek zou je zeggen dat ze weinig trek heeft in de politie. Het

enige wat je haar kunt verwijten is dat gebroken ruitje. Maar

ik maak me sterk dat het schilderij heel wat meer waard is

dan zo'n stukje glas.'

Tom knikte. Zoals vaak had Patrick precies onder woor­

den gebracht wat hij zelf ook dacht.

'Laten we het voorlopig voor onszelf houden,' gebaarde

hij . 'Ik ben er. Zie ik je morgen?'

'Morgenavond kom ik even langs,' zei Patrick. 'Pit ze.'

T oen hij thuis was aarzelde hij of hij zijn moeder zou

vertellen wat ze hadden meegemaakt. Hij besloot het niet

te doen. Ze zou zeker scherpzinnige opmerkingen maken,

16


maar hij wilde er liever eerst zelf nog eens over denken. Hij

zei welterusten, ging naar zijn kamer, trok zich twintig keer

op, aarzelde en deed het toen nog vier keer. Hij liet zich

vallen en sloot zijn ogen. De slaap liet lang op zich wachten.

Wat had dat meisje voor wonderlijk geheim?

17


2

Woensdagmiddag, na schooltijd, zat Patrick op de kade op

Tom te wachten. Ze hadden via Tom's moeder telefonisch

afgesproken dat ze elkaar aan het water zouden treffen. Pa­

trick kwam graag in de binnenhaven. Ook al was het maar

een kleintje, er was altijd wel iets te zien. Een aak die af­

meerde, een gezin dat zich inscheepte op een piepklein zeil­

bootje, een vrachtauto die werd uitgeladen. Vandaag werd

zijn aandacht niet getrokken door een industriële activiteit

maar door vijf, zes luid krijsende meeuwen, die duikvluch­

ten maakten, zich omhoog lieten voeren door de wind, een

toonbeeld van zowel rust als beweeglijkheid, van kracht en

souplesse, van drift en beheersing. Hij werd er zo door ge­

boeid dat hij niet opmerkte dat Tom al een poosje naast hem

stond, zijn ogen weemoedig gericht op het water van de

vaart.

Eén van de vogels maakte een looping, kwam vlak voor

hem langs en vloog opzij weg. Patrick volgde hem met zijn

ogen en toen zag hij zijn vriend.

'0 gut, ben je daar al? Sta je er al lang?'

Tom glimlachte en zijn glimlach leek de kade te ver­

lichten.

'Ik heb nieuws,' zei Patrick.

Hij haalde een uit het Stadsblad gescheurde pagina te

voorschijn en vouwde hem open.

'Van gisteravond. Moet je kijken, hier, bij gemengde be­

richten.' Hij las hardop voor: 'Zondag is een raam van de

kelder van het Jan Steen-museum ingeslagen. De kelder bevat

geen voorwerpen van waarde en er wordt niets gemist. Waar­

schijnlijk een daad van vandalisme.'

18


'Tjé,' zei Tom door zijn mond te tuiten.

'Wat leid je daaruit af?'

'Dat ze niet goed hebben gekeken,' gebaarde Tom.

'Was het schilderij echt goed verstopt of maar zo'n

beetje?'

'Ik kon het met een zaklamp direct vinden. Maar ja, ik

zocht dan ook,' verklaarde Tom. 'Toch is het gek. Ik heb

gezien dat er elektrisch licht is. Dat moeten ze toch aan­

gedaan hebben. Dan konden ze het haast niet missen.'

'Ik denk,' zei Patrick, 'dat ze het wel degelijk hebben

gevonden en dat geheim houden.'

'Waarom zouden ze dat doen?'

Patrick ging van zijn linkerbil op z'n rechter zitten. 'Ik

weet het niet,' zei hij. 'Ik heb m'n moeder een beetje zitten

uithoren. Zij herinnert zich dat er een jaar of wat geleden

verschillende kostbare schilderijen zijn gestolen, uit het Jan

Steen-museum en uit andere musea in de provincie. Daar is

heel wat over te doen geweest. De dader of daders zijn nooit

gevonden en de schilderijen zijn nooit teruggezien. Ik heb

dat toen niet gevolgd, waarschijnlijk las ik nog geen kranten.

Moeder weet het nog precies. Maar weet je, het klopt niet.

Stel dat het zo'n gestolen schilderij is, dat om een duistere

reden is teruggebracht. En stel dat ze het in het museum in

die kelder hebben gevonden. Dat willen ze toch niet stil­

houden? Dat zouden ze toch van de daken schreeuwen? Na

alle publiciteit die er over geweest schijnt te zijn kan dat

immers niet anders?'

T om had aandachtig naar deze uiteenzetting geluisterd en

hij had geen tekst. Het klopte inderdaad niet, maar wie kon

daar nou een touw aan vastknopen? Als Patrick het niet wist,

wat moest hij dan? Hij beschouwde Patrick als oneindig veel

slimmer dan zichzelf. Hij spreidde zijn handen en trok zijn

schouders op. Hij is zelf net een meeuw, dacht Patrick. Zo

dadelijk vliegt hij weg.

Ze herhaalden nog eens alle argumenten en konden uit-

19


eindelijk maar tot één slotsom komen: de mensen van het

museum hadden met hun neus gekeken. Het schilderij stond

nog tussen de troep.

'En dat is eeuwig zonde als het een kostbaar werk is,' zei

Patrick. 'Als we nu eens naar het Jan Steen gaan en we zeg­

gen tegen de directeur dat we een idee hebben. Het idee dat

iemand het raam heeft ingeslagen om een schilderij terug te

brengen. Dat zal hij onzin vinden, maar hij zal allicht even

gaan kijken. Wat vind je daarvan?'

'Waarom zeggen we niet dat we iemand een schilderij

naar binnen hebben zien smokkelen?'

'Omdat ze dan vragen waarom we niet direct naar de

politie zijn gegaan, of minstens naar hen.' (Diep in zijn hart

had Patriek een ander argument: ze zouden vragen hoe die

mysterieuze persoon er uitzag; als ze zouden zeggen dat het

een meisje van hun leeftijd was zouden ze haar misschien

makkelijker vinden en dat wilde hij niet. Waarom niet?

Voor zoiets liggen er geheime redenen in verwegge hoekjes

van je hart.)

'Ik heb er niks tegen,' gebaarde Tom.

En daarom stonden ze de volgende middag om een uur of

twaalf voor het museum.

'0 shit,' zei Patrick.

Er was een brede stenen trap van wel twaalf treden en

geen talud, geen glooiing waar hij met zijn rolstoel tegenop

kon. Dat had je nou altijd bij oude gebouwen. Bij de nieuwe­

re was het beter. Hij vond het belachelijk dat ze er bij dit toch

vrij veel bezochte museum niks op gevonden hadden.

'Op m'n krukken dan maar,' zuchtte hij.

Als klein kind had hij veel op krukken gelopen. Zijn li­

chaam was toen nog licht en hij was dicht bij de grond. Hij

had feitelijk bliksemsnel uit de voeten gekund, ofliever 'uit

de krukken'. Toen hij ouder werd veranderde dat. Als hij

viel kwam het harder aan, omdat hij groter was. Maar be­

langrijker was iets anders dat veranderde. Wanneer hij als

20


klein jongetje op de grond lag was er altijd wel een volwas­

sene in de buurt die hem optilde, op schoot nam, knuffelde,

tot de pijn over was. Met een grote jongen, die al dons onder

zijn neus krijgt, doe je zo niet. Als die met zijn krukken op de

grond valt, schrikken de volwassenen. Het ziet er enger uit.

Het maakt een grotere smak. Ze denken eerder dat je iets

gebroken hebt.

Twee keer was Patrick door bezorgde omstanders na een

val naar het ziekenhuis gebracht, hoe hij ook protesteerde.

Er moest gecontroleerd worden ofhij geen hersenschudding

had, vonden de barmhartige samaritanen, ze durfden er niet

de verantwoordelijkheid voor te nemen hem zonder meer

naar huis te laten gaan. Twee keer bleek er niks aan de hand

te zijn, maar hij walgde van de ervaring, Ze hadden in het

ziekenhuis eindeloos zitten zeuren over zijn ouders, en ze

hadden hem 'broer' genoemd, kortom, net gedaan of hij vijf

was. Als je niet kunt lopen schijnen ze te denken dat je her­

sens ook gehandicapt zijn.

Daarom liep hij nu buitenshuis zelden meer op zijn kruk­

ken. EnEn, nu moest het maar. Hij gespte ze los van zijn stoel

en kwam overeind. Een echt probleem was het niet, zelfs niet

de trappen op. Hij was sterk in zijn armen.

Ze vroegen aan de portier of ze de directeur konden spre­

ken en kijk, toen hadden ze er toch even gemak van dat ze

een handicap hadden. De portier behandelde hen alsof ze

van koninklijken bloede waren, plantte hen op een stoel en

kwam even later terug met een man die zich voorstelde als

Hendriks, conservator van het museum. Ze deden hun ver­

haal. Meneer Hendriks luisterde beleefd, liet niet merken dat

hij niets zag in hun theorie, en deelde mee dat er geen schil­

derij in de kelder was aangetroffen.

'Er staan daar geen schilderijen van enige waarde,' ver­

klaarde hij. 'De ruimte is zelfs niet beveiligd.'

'Ja, vanzelf,' zei Patriek. 'Als hij beveiligd was had nie­

mand er iets neer kunnen zetten zonder dat er toeters en

bellen afgingen.'

21


'Weet je wat,' zei meneer Hendrik.s, 'laten we samen die

kelder gaan inspecteren. 'Kun je de trap afkomen?'

"s Kijken,' zei Patrick.

Hij had het gauw gezien. Het was een akelig steile trap,

met maar aan één kant een leuning. Daar begon hij niet aan.

Hij ging op een bank zitten en beduidde de anderen dat hij

daar op hen zou wachten.

Meneer Hendriks en Tom gingen naar beneden. Tom zag

met één oogopslag dat het schilderij er niet meer stond. Het

tot prop verfrommelde pakpapier lag er nog wel. Wat hem

betrof konden ze onmiddellijk weer naar boven, maar hij

liep even belangstellend rond, zijn neus vooruit.

'Ik zie geen schilderij, jij?' zei de conservator met duide­

lijke lipbewegingen.

Tom schudde zijn hoofd. Ze gingen weer naar boven,

Tom lichtvoetig alsof hij zweefde, meneer Hendriks met de

tred van iemand wiens enige lichaamsoefening is het om­

slaan van bladzijden in kunstboeken. Met snelle, voor Hen­

driks niet te volgen handbewegingen vertelde Tom aan zijn

vriend dat het schilderij weg was. Patrick knikte kort.

'Helaas is er geen schilderij te vinden beneden,' zei de

conservator. 'Jullie interessante theorie blijkt niet te klop­

pen. 't Was toch een aardig idee.'

Patriek overwoog of hij zou zeggen dat er wel degelijk

een schilderij in de kelder was gezet. Hij besloot het niet te

doen, nog niet althans. Hij wilde eerst nadenken.

Ze bedankten de deskundige voor zijn vriendelijke be­

langstelling en vertrokken. Patriek legde een arm om Tom's

schouders om de museum trappen af te komen.

'Wat nu?'

'Een nachtje over slapen,' vond Patriek. 'Voorlopig be­

grijp ik er niets van.'

'Ik vond het wel gek dat hij ons te woord stond,' gebaarde

Tom. 'Welke museumdirecteur heeft er tijd voor de on­

zinnige bewering van een paar schooljongens?'

22


'Een kreupele en een dove,' zei Patrick. 'Die kun je niks

weigeren. Positive discriminatie heet dat:

Tom haalde zijn schouders op. Hij maakte dat minder

vaak mee, omdat zijn handicap minder zichtbaar was. Hij

ondervond dagelijks dat mensen zich van hem afwendden,

omdat hij niks zei.

Als gewoonlijk haalde Patrick die avond het Stadsblad uit de

brievenbus en direct werd zijn blik getroffen door een foto

op de voorpagina. Meisje neergeslagen, stond erboven. Het

artikel eronder meldde dat 'onze jeugdige stadgenote, de

vijftienjarige Victoria Roerig, gisteren door een onbekende

is neergeslagen en bewusteloos op straat achtergelaten'. Het

artikel vertelde waar het gebeurd was (in de Dillenburglaan)

en hoe laat (omstreeks tien uur in de avond) en dat het meisje

naar het ziekenhuis was gebracht. Ze was daar een nacht

gebleven. Vanmorgen was ze naar huis gegaan; haar ver­

wondingen waren niet ernstig. Ze was van achteren neerge­

slagen, ze had niet gezien wie het had gedaan. Ze was niet

bestolen, niet aangerand, ze had geen idee wat de dader had

bezield.

In een kort commentaar stelde het Stadsblad vast dat het

zelfs in hun eenvoudige provinciehoofdstad 's avonds steeds

gevaarlijker werd op straat. De lezers werd aangeraden niet

alleen in donker door verlaten straten te gaan.

Het artikel was niks bijzonders. Helaas staat er dagelijks

zoiets in de krant. Het was de foto die Patrick' s aandacht

trok. Hij was genomen toen het meisje op een brancard lag

en in een ziekenauto werd geschoven. Het leek hem toe dat

ze het was, de schilderijensjouwster, de geheimzinnige be­

zoekster van het Jan Steen-museum. Weliswaar had hij haar

alleen in het flauwe schijnsel van een lantaarn gezien, maar

hij was toch vrij zeker.

'Ik ga nog even naar Tom,' riep hij naar zijn moeder en

zonder op antwoord te wachten vertrok hij.

23


T oen hij bij Tom was liet hij hem zonder enige inleiding

de foto zien en vroeg: 'Wie is dat?'

Onmiddellijk maakte Tom het teken voor schilderij.

'Dat dacht ik ook,' zei Patrick.

'Misschien wordt het tijd om naar de politie te gaan, of het

onze ouders te vertellen,' vond Tom, maar zijn gebaren wa­

ren aarzelend, vol vraagtekens. Ze gingen langzaam in de

richting van de kade en hielden stil bij het water zonder nog

veel te zeggen. Ze waren dat gewend met z'n tweeën, lange

perioden van zwijgen. Je hoeft niet altijd te praten om het

gezelschap van iemand fijn te vinden. Ze wisten dat ze over

hetzelfde nadachten.

Patrick keek naar de bomen aan de overkant van de vaart,

zoals hij zo vaak had gedaan. Bomen verplaatsen zich niet.

Hun leven speelt zich af op die ene plaats waar hun wortels

zich in de aarde gegraven hebben. Ze veranderen van vorm,

van kleur. In dit jaargetijde waren ze bruin. Binnenkort zou­

den ze hun bladeren verliezen en in het voorjaar zouden ze

nieuwe krijgen. Ze staan roerloos op de windstille dagen en

ze buigen soepel mee met de wind als die opsteekt. Op reis

gaan ze niet. Ze kennen niet die drift van mens en dier om

ergens anders te zijn. Ze zijn verplaatsingsschuw.

Hoe zouden ze zijn als ze die schuwheid verloren en op

stap gingen? Die daar rechts, zou hij een prins zijn, mooi en

onbevreesd, door iedereen geliefd? Zou hij met snelle, trotse

schreden door gangen en zalen gaan, bemind door de mooi­

ste meisjes en bewonderd door de jongere prinsen? En die

daarnaast, zou dat een draak zijn, met een log lijf vol be­

weeglijke koppen, kromme poten met platvoeten, waarmee

hij langzaam en dreigend op je af zou komen? En zou hij,

Patrick, dat monster te lijf gaan met het zware hakmes waar­

mee ze in Suriname suikerriet hakten, het wat eigenaardige

cadeau dat hij vorig jaar van zijn vader had gekregen en dat

nu in zijn kamer aan de muur hing?

'Ik kan beter die prins erop afsturen,' mompelde Patrick,

24


en hij wendde zich tot Tom, die op een paaltje zat en drome­

rig naar de huizen langs de vaart keek zonder ze te zien.

'Ik wou dat ik begreep wat er aan de hand is,' zei Patrick.

'Als we onze mond open doen komt dat meisje misschien in

moeilijkheden. Ik kan niks verzinnen. Hoe zit het met jouw

verbeeldingskracht? '

Tom trok vragend zijn wenkbrauwen op.

'Verbeelding. Verbeeldingskracht. Ken je dat woord

niet?' Patrick spelde het met zijn handen.

Tom schudde zijn hoofd.

'Je hebt verbeeldingskracht als je je dingen heel reëel

voor kunt stellen. Stel, je denkt aan een tuin. Je hoeft er niet

echt te zijn om je voor te stellen hoe je over de paden wan­

delt, hoe de bloemen geuren, hoe de goudvissen in de vijver

zwemmen.'

T om knikte begrijpend. Daar was dus een woord voor.

Hij wist heel goed wat het was, hij lééfde praktisch met zijn

fantasie. Hij moest leren welk gebaar ervoor was, maar voor

het gemak maakte hij er voorlopig zelf een: hij wees met zijn

linkerhand naar zijn hart en tegelijkertijd met zijn rechter

naar zijn hoofd.

'Dat is het precies,' zei Patrick.

Met behulp van het nieuwe teken zei Tom: 'Mijn ver­

beelding zegt me dat het meisje het schilderij vroeger heeft

gestolen, spijt heeft gekregen, het heeft teruggebracht, dáár

weer spijt van heeft gekregen, het weer heeft opgehaald, en

daarna op straat is neergeslagen door iemand die het ook

wilde hebben.'

'Kan zijn,' zei Patrick, maar overtuigd klonk hij niet.

Tom wees op een telefooncel.

'Tja, dat kunnen we proberen,' zei Patrick.

De telefoon is een wonderlijk apparaat, dat je in enkele

seconden in verbinding kan brengen met iemand die op de

andere helft van de wereldbol woont, maar het is bovendien

nuttig omdat er telefoonboeken bijhoren, waaruit heel wat

2)


informatie te halen is. Het kostte Patrick en Tom niet veel

tijd om de naam Roerig op te zoeken, waarvan er maar één

bleek te zijn. Deze KJ. Roerig woonde in de Witte de Wit­

straat op nummer 86 en hij was van beroep procuratiehou­

der.

'Weet jij wat dat is?' vroeg Tom met een gebaar van zijn

wenkbrauwen.

'Nee,' zei Patrick. 'Niet iets wat ik met alle geweld wil

worden.'

'Het klinkt alsof je er veel mee verdient,' meende Tom.

'Ofhet is een duur woord voor een baantje dat niks voor-

stelt,' zei Patrick cynisch. 'Zoiets als symbiose-contractant.'

'Wat is dat nou weer?'

'Geen idee. Ik verzin het beroep op dit moment.'

Deze nutteloze conversatie diende er voorlopig toe om te

verhullen dat ze geen ideeën hadden. Wat moesten ze met

het adres van Victoria Roerig? Erheen gaan en aanbellen?

En dan? Een bloemetje brengen omdat ze geblesseerd was?

Misschien niet eens zo'n gekke gedachte. Een bloemetje na­

mens de GENGK.

'Ik moet nu gaan eten,' zei Patrick. 'Moeder zit op me te

wachten. Als we morgenmiddag eens in de Witte de Wit­

straat gingen kijken? Ik wed dat de procuratiehouder van­

nacht niet gaat emigreren. ' t Lijkt me een erg Nederlands

beroep.'

Tom knikte. Hij maakte een gebaar van slapen en een

goed idee krijgen. Daarna gingen ze ieder naar hun eigen

huis. Patrick at een heleboel bruine bonen, gebakken aard­

appels, speksaus en verse sla, een maaltijd waar hij dol op

was. Tom at een kleine portie gehakt met aardappels en

andijvie, want al smaakte het hem goed, hij was geen grote

eter. Geen van beiden had aandacht voor de maaltijd. Ze

peinsden over Victoria Roerig, die nu met hoofdpijn haar

bord leeg at waarbij ze, naar ze veronderstelden, in de Witte

de Witstraat aan tafel zat met haar roerige, procurerende


vader en een moeder van wie ze zich nog minder een ge­

dachte konden vormen.

Het was niet het eenvoudige Stadsblad, maar een landelijk

ochtendblad dat de volgende morgen nieuws bracht dat Pa­

trick en Tom interesseerde. Het stond zelfs op de voorpagi­

na, met een vrij grote kop. Die luidde: GESTOLEN

SCHILDERIJ DUIKT OP.

Tom kwam met de krant aanzetten. Gebarentaal kan z'n

voordelen hebben. Zonder onbeleefd te lijken tegenover Pa­

trick's moeder wees hij op het artikel en zei hij dat het, vol­

gens hem, wel degelijk om 'hun' schilderij ging.

'Let op de naam van de schilder. Op zijn voorletter,' ges­

ticuleerde hij.

Patrick begon haastig te lezen. Er stond dat het Jan Steen­

museum een envelop had gekregen met een foto van het drie

jaar geleden gestolen schilderij van Sir Joshua Reynolds er­

in. Een begeleidend briefje vermeldde dat de afzender het

kunstwerk in handen had gekregen via een kanaal dat ge­

heim moest blijven, dat hij zelf ook zijn identiteit niet wilde

prijsgeven, maar dat het museum het werk kon overnemen

tegen de bijzonder lage prijs van een half miljoen gulden. Als

men daarvoor voelde moest er een advertentie gezet worden

in het Stadsblad met de tekst: ak/coord, Jan Steen-museum.

Was dat bericht niet binnen een week geplaatst, dan zou het

schilderij naar Japan worden verkocht.

In een apart kadertje werd in herinnering geroepen dat

het ging om het 'zelfportret met hoed', waarschijnlijk uit

1772. Het schilderij was al in het begin van de eeuw in han­

den van het museum gekomen. Daarvóór had het behoord

tot een particuliere verzameling. In het najaar van 1985 was

het enige tijd uitgeleend geweest aan Parijs, tijdens de Rey­

noldstentoonstelling in het Grand Palais. Het artikel ver­

meldde ook nog dat het portret oorspronkelijk in het bezit

was geweest van de dochter van de hertogin van Devonshi-

27


e, Lady Giorgiana Cavendish. Er bestaat ook een schilderij

van de hand van Reynolds waarbij Lady Giorgiana op

schoot zit bij haar moeder.

'Het schilderij dat ik in de kelder van het museum heb

gezien,' gehaarde Tom. 'Ik hen er zo goed als zeker van. Het

stelde een man voor met een hoed op.'

'Kom op, we gaan naar het museum,' zei Patriek.

'Om wat te doen?'

'Iets opzoeken in een hoek.'

In de hal van het museum was een winkeltje waar re­

produkties en boeken verkocht werden. Zo gauw ze binnen

waren vroeg Patriek of er een boek met reprodukties van Sir

Reynolds was.

'Daar is vandaag een ongehoorde belangstelling voor,'

zei de verkoopster. 'Zeker de krant gelezen? Jammer genoeg

staat er geen reproduktie van het gestolen schilderij in dit

boek.'

'Ik wil toch graag even kijken,' zei Patrick, 'al kan ik niet

beloven dat we het kopen.'

Ze vonden in het boek inderdaad het portret van de her­

togin met haar dochter op schoot, en van een generaal, Sir

Banastre T arleton, en algauw stuitten ze op een zelfportret,

zij het dan niet dat met hoed. De reproduktie liet de schilder

zien, gekleed in een rode doktersjas, zoals ze in die tijd ge­

dragen werden.

T om knikte met grote overtuiging. 'Dat is het gezicht dat

ik op het schilderij in de kelder heb gezien.'

Patrick sloeg het boek dicht en gaf het terug aan de ver­

koopster. 'We kopen het de volgende keer,' zei hij. 'Ik zie

dat het zestig gulden kost. Dat is mijn zakgeld voor twee

maanden.'

'Geeft niet,' zei de verkoopster.

'Is er nog nieuws over het gestolen schilderij? Ik bedoel

nieuw nieuws.'

'Ze hebben mij niks verteld.'


'Dan gaan we maar weer eens.'

T oen ze op straat waren liet Tom weten dat hij het tijd

vond om die Victoria Roerig op te zoeken. Ze gingen op

weg naar de Witte de Witstraat, Patric k gemotoriseerd,

Tom lichtvoetig ernaast. Toen ze nog maar even op weg

waren werden ze ingehaald dooeen man. Je zou hem ook

een meneer kunnen noemen. Hij had een donker pak aan,

een onberispelijke vouw in zijn broek, de weinige haren die

hij nog bezat lagen keurig in het gelid op zijn ronde schedel

en hij had een bril met een zilveren rand op. Ondanks zijn

kalende hoofd was hij waarschijnlijk niet veel ouder dan

vijfenveertig jaar. Ze zouden dat allemaal niet zo gauw heb­

ben opgemerkt als hij hen niet had aangesproken.

'Kan ik iets voor jullie doen, jongens?'

'Ah, een barmhartige samaritaan,' gebaarde Patrick naar

Tom en die seinde terug: 'Een mensenvriend.'

'Wat zou u voor ons willen doen?'

'Je rolstoel een eindje duwen bijvoorbeeld,' zei de man

hartelijk.

'Dank u. Hij heeft een motor.'

'Wat interessant,' zei de keurige. 'Rijdt hij op een accu?'

'Hij wordt aangedreven door een elektromotor, die op

zijn beurt gevoed wordt uit een accu,' verbeterde Patrick. En

naar Tom gebaarde hij: 'Wat wil die kerel?'

Tom.

'Hij houdt van je omdat je in een rolstoel zit,' grijnsde

'Dus ik kan niks voor jullie doen?'

'Jawel, oprotten,' gebaarde Patrick, maar hij zei beleefd:

'Nee, dank u.'

Het leek of de meneer nog iets wilde zeggen. Hij aarzelde

een halve se.conde, maakte een gebaar alsof hij zijn hoed

wilde afnemen, bedacht dat hij er geen op

-

had, groette kort

en verdween om de hoek.

Tom haalde zijn schouders op en trok zijn gezicht in een

komische plooi.


'Dat was een padvinder, op zoek naar zijn goede daad

voor vandaag,' zei Patrick.

Ze gingen verder en bereikten na even zoeken de Witte

de Witstraat. Nummer 86 bleek een gebouw te zijn met drie

woonlagen. Een bordje in de gang verraadde dat E. J . Roerig

op de tweede verdieping woonde. Ze gingen weer naar bui­

ten en keken omhoog. Voor de ramen van de familie Roerig

hing vitrage. Niets bewoog. Niets te zien.

'Kom op, we bellen aan,' zei Patrick.

'Laat mij het woord maar doen,' gebaarde Tom.

Patrick lachte. 'Nee, wacht jij maar hier, dan hol ik gauw

even naar boven.'

Naast het bordje in de hal zat een belletje. Tom drukte

erop. Er begon iets te kraken in een speakertje achter een

blikken rooster en daarna zei een mannenstem:

'Ja? Wie is daar?'

'Is Victoria thuis?' vroeg Patrick.

'Nee,' zei de stem en onmiddellijk werd de verbinding

verbroken, althans, het gekraak hield op.

'Die meneer Roerig lijkt me een hartelijke, gastvrije

man,' zei Patrick.

niks.'

Tom drukte opnieuw op de bel.

'Hé, wat doe je? Wat moet ik zeggen?

'Dat mag jij bedenken,' grijnsde Tom. 'Uit mij krijgt hij

Opnieuw het gekraak en de stem van meneer Roerig, die

nog minder woorden gebruikte dan de eerste keer.

'Ja?'

'Kunt u me zeggen wanneer Victoria thuis komt?'

'Nee.'

Einde gekraak.

Patrick greep Tom bij zijn pols. 'Als je het hart hebt .. .'

Tom worstelde, maar Patrick deed zijn oefeningen niet

voor niks. Tom kwam niet los. Zeggen kon hij ook niks,

want zijn handen waren zijn mond.

30


'Naar buiten,' zei Patrick. Hij liet zijn vriend los. 'Zullen

we opbellen?'

'Dat hebben we nt feitelijk al gedaan,' meende Tom.

'Dan weet ik het niet meer. Misschien vanavond nog eens

gaan,' zei Patrick.

Dat deden ze, kort nadat de duisternis was ingevallen. Ze

zagen dat er twee ramen verlicht waren bij de familie Roerig.

De gordijnen waren dichtgeschoven en net als 's middags

bewoog er niets. De beide jongens staarden naar die ramen

en naar de deur, in de hoop dat er iemand naar buiten zou

komen. Daardoor zagen ze niet dat Victoria de Witte de

Witstraat in kwam, lopend. Ze ging niet uit, ze kwam thuis.

Ze zagen haar pas toen ze de voordeur van het gebouw

openduwde en met een snelle stap naar binnen ging.

'Maar dat is .. .', begon Patrick.

Ze was al weg, niet meer in te halen, vooral omdat er net

twee auto's door de overigens stille straat kwamen en de

jongens aan de overkant stonden.

'Zag jij wat ik zag?' vroeg Patrick.

Tom knikte. Hij maakte een gebaar.

'J a, dat pak onder haar arm. Daar kan maar één ding

inzitten. Een schilderij.'

31


3

Al sinds de oprichting, een jaar of tien geleden, was Patrick.

lid van de GENGK. Tom was er een paar jaar later bij gekomen

en daar hadden ze elkaar leren kennen. GENGK betekende

Gehandicapte En Niet-Gehandicapte Kinderen. De

club was gemaakt naar het model van de Engelse PHAB

clubs (Physically Handicapped and Able Bodied), waarvan

er in het Verenigd Koninkrijk een paar honderd zijn. In die

clubs komen kinderen met een handicap en kinderen die niet

met een handicap door het leven gaan samen. De bedo_eling

is dat kinderen zonder handicap leren inzien dat zij die wel

gehinderd worden door iets wat niet in orde is, toch een

volwaardig leven kunnen leiden. En de gehandicapte kinderen

kunnen er leren dat je zonder flauwe kul met de anderen

kunt lachen, ruziemaken en iets ondernemen.

Patrick. was langzamerhand te groot voor de GENGK.

Toch bleef hij af en toe komen, maar nu vooral om een

handje te helpen met de kleintjes. Ongemerkt was hij bezig

een van de leiders te worden. De officiële leiders waren in

het algemeen jonge vrouwen en mannen van een jaar of

twintig, dertig. Vlotte lui, die haarscherp in de gaten hadden

of je je aanstelde of je echt pijn had gedaan als je met je

rolstoel over de kop was gegaan.

Deze zaterdagmiddag ging Patrick. naar de GENGK omdat

hij Lucie wilde zien. Lucie was een meisje van net twaalf

jaar en hij was dol op haar. Dat was weinig origineel, want

hij kende niemand die niet ondersteboven ging van de charme

van dat kleine opdondertje. Ze had een gezichtje dat

bijna altijd straalde, ze had een ongekende energie, ze had

een levendige fantasie en ze was zo slim als een luis. Mensen


die haar meer dan een week kenden vergaten steeds dat ze

stekeblind was. Ze bewoog zich met een ongelooflijk gemak

en met sierlijke bewegingen. Kwam ze in een voor haar onbekend

huis dan ging ze even rond, betastte alles wat ze

tegenkwam en dan wist ze verder de weg. Ontmoette ze

iemand die ze wilde leren kennen dan vroeg ze of ze even

zijn of haar gezicht mocht aanraken, neus, mond, kin, oren,

en dan zei ze: 'aangenaam kennis te maken'.

Lucie zou hem helpen om in contact te komen met Victoria

Roerig, dacht Patrick. Want met die kennismaking ging

het voorlopig nog slecht. De vorige dag hadden hij en Tom

het ervoor over gehad om te laat op school te komen. Ze

hadden voor de deur van de Witte de Witstraat 86 gewacht

tot Victoria naar school ging. Dat had ze gedaan om kwart

over acht. Maar toen ze haar wilden aanspreken had ze geroepen

dat ze geen tijd had, ze was al laat en ze moesten de

weg maar aan iemand anders vragen. ' s Middags had Patrick

naar de tandarts gemoeten. Tom had toen ontdekt dat ze

omstreeks half vier weer was thuisgekomen. Gesproken had

hij haar niet; hij was niet zo sterk in conversatie.

En dus vroeg Patrick aan Lucie of ze hem wilde helpen in

contact te komen met een bepaald meisje.

'Ben je verliefd?' vroeg Lucie ernstig.

'Eh ... nou .. . '

'J a dus,' riep ze. 'Natuurlijk help ik je. Zeg maar wat ik

moet doen'.

Ofhij verliefd was, vroeg ze. Eigenlijk was hij altijd verliefd,

al jaren. Steeds weer op een ander. Er was altijd wel

een meisje waar hij speciaal naar keek, waar hij speciaal aan

dacht, waarvan hij hoopte dat hij haar die dag zou zien. Het

bleef altijd bij dromen en een warm gevoel van binnen, en

soms wanhoop, vanwege de rolstoel. Hij was er zeker van

dat de rolstoel een onoverkomelijke hinderpaal was. Ze deden

wel aardig hoor, té aardig soms. Wat moesten ze met

een jongen die niet kon hollen en in bomen klimmen en

tennissen en ...

33


Meestal liet hij zulke gedachten niet lang toe. Of hij bedacht

dat hij beter kano kon varen dan .een van de andere

jongens van zijn klas. Nog afgelopen zomer waren ze met de

school naar de plas geweest. Daar was een wat ze noemden

'ontspanningsoord', waar ze twintig kano's hadden. Ze wisten

niet dat zijn moeder hem al als klein kind had leren

zwemmen en dat ze hem later vaak in kano's had laten varen.

Met zijn sterke arm spieren en zijn goede techniek kon hij een

enorme vaart ontwikkelen. Daar hadden ze toch mooi van

opgekeken. Vooral David, die sterke beer. Die had hem nog

het langst bij kunnen houden, maar op het laatst had hij te

wild gedaan en toen was hij omgeslagen. Ze hadden hem

allemaal toegejuicht alsof hij J ulius Ceasar was en Wil1emi

en had een krans van bloemen gevlochten en op zijn

hoofd gezet.

Ja, Willemien. Zij was het op wie hij de laatste maanden

een beetje verliefd was geweest. Ze had een klein hoofdje

met een grote bos krullend haar en een eigenwijs uitstekend

kontje. Hij bedacht ineens dat ze weg was uit zijn dromen, al

een paar dagen was haar beeld weggeschoven, 't had plaatsgemaakt

voor ...

Verdorie, dat kon toch niet. Hij kon toch niet bezig zijn

verliefd te worden op een meisje dat hij uit de verte had

gezien, in 't donker bij het museum, voor haar huis in de

Witte de Witstraat, op een vage foto in de krant. Was hij

dáárom niet naar de politie gegaan? Wilde hij haar beschermen

uit een gevoel van, uit een gevoel van - van wàt eigenlijk?

Maandagmiddag zou het gebeuren. Het plan was met zorg

opgesteld. Tegen drieën waren ze in de buurt van het huis

van de familie Roerig, Patrick, Tom en Lucie. Als gewoonlijk

bewoog er niets achter de ramen op de tweede verdieping.

Toen het bijna half vier was posteerden ze Lucie voor

het gebouw dat nummer 86 had. Patrick en Tom gingen een

eindje uit de buurt.

34


Toen Victoria de straat in kwam floot Patriek schel op

zijn vingers en verschool zich daarna zo goed mogelijk achter

.een boom. Lucie wist nu dat Victoria in de buurt was.

'Is daar iemand?' vroeg ze hulpbehoevend. Ze bewoog

haar lange, witte, uitschuifbare stok langzaam om zieh heen.

'Jawel. Kan ik je helpen?' zei Victoria.

'Ik ben blind. Ik ben de weg kwijt.'

'Waar moet je heen?'

'Ik zoek de bushalte van lijn negen. Ik moet de verkeerde

straat ingeslagen zijn.'

'Die is in de Roerdompstraat. Ik zal je er even heen brengen.'

'0, hartelijk bedankt,' zei Lucie. 'Ik ben Lucie. Mag ik

even?' Ze betastte Victoria's gezicht. Ze voelde een smal

voorhoofd, lange oogwimpers, magere wangen, een ferme

kin, een rechte, sympathieke neus. 'Ben je blond?'

'Ja.'

'Blauwe ogen?'

'Ja.'

'Vijftien jaar?'

'Ja. Hoe weet je dat?'

'Dat hoor ik aan je stem.'

'Ook dat ik blauwe ogen heb?'

'Nee, dat heb ik geraden.'

'Ik heet Victoria,' zei Victoria. 'Kom, ik neem je arm.'

Natuurlijk kwamen ze vijftig meter verder twee jongens

tegen.

'Hé, Lucie,' riep Patriek. 'Dat is ook toevallig.'

'Patrick?' zei Lucie. 'Is Tom bij je?'

Tom raakte even haar wang aan.

'Dit zijn vrienden van me,' zei Lucie. 'Patriek, dat is die

hardloper, en Tom. Tegen Tom moet je praten met duidelijke

lipbewegingen, anders verstaat hij je niet.'

Er verscheen iets van achterdocht in Victoria's blauwe

ogen. Ze had die twee jongens eerder gezien. Wilden ze iets

van haar?

35


'Ik geloof dat we je vriendin niet kennen,' zei Patrick.

'Victoria. Ze brengt me naar lijn negen. Ik was de weg

kwijt.'

'Hallo,' zei Victoria.

'Waar ben je op school?' vroeg Patrick.

'Scholengemeenschap de Fliert, op het Borneoplein.'

'Ik zit op het Erasmuscollege en Tom hier zit op het Gat­

sonius Instituut.'

'0 ja,' zei Victoria. 'Ik moet zo naar huis. Zullen we gaan,

Lucie?'

'Ik ben eigenlijk een kunstverzamelaar,' zei Patrick ach­

teloos.

'Ik specialiseer me in werken van Engelse schilders.

Vooral Sir J oshua Reynolds interesseert me.'

Het leek of Victoria door de bliksem werd getroffen. Er

ging een schok door haar lijf. Een halve seconde stond ze

bewegingloos. Daarna draaide ze zich' abrupt om en holde

weg. Ze duwde de deur van nummer 86 open en verdween

uit het gezicht.

'Wat is dat nou?' vroeg Lucie.

'Ze is weggelopen.'

'Goed teken,' riep Lucie bemoedigend. 'Alleen verliefde

mensen doen zo gek. Ze heeft her helemaal te pakken van je,

Patrick.'

'Zou je denken? '

'Maar waarom begon je ineens over schilderijen verzame­

len? Je had moeten vragen of ze een ijsje wilde. Ik zou daar

zeker ja op gezegd hebben.'

'Lucie, wil je een ijsje?' zei Patrick.

'Nou, ik wel.'

'Dan gaan we dat halen. Kom op.'

Natuurlijk keek Patrick iedere morgen met veel belangstel­

ling in het Stadsblad, en de volgende morgen was het raak.

Er stond een advertentie in, met de mededeling:


AKKOORD, NA VERIFICATIE ECHTHEID, Jan

Steen-museum.


'Dat weet iedereen.'

'Ik weet ook dat jij het een poosje geleden in de kelder

van het museum hebt gezet. Op een zondagavond.'

'Heb je dat aan de politie verteld?'

'N ee,' zei Patrick. 'Alleen Tom en ik weten het.'

'Gaan jullie het aan iemand vertellen?'

'Dat hangt ervan af.'

'Ik zweer je dat ik niet om dat half miljoen heb gevraagd.

_ .

Ik weet niet waar het schilderij nu is.'

- -

'Hoe kwam je eraan!'

'Dat kan ik je niet zeggen,' zei Victoria.

'Hoezo kun je dat niet zeggen. Je hebt toch een mond? Je

kunt toch praten?'

'Goed, ik wil het niet zeggen.'

Patrick zag dat ze zenuwachtig was. Haar mond stond

strak. Ze klemde steeds haar tanden op elkaar. Ze deed haar

best om niet te huilen. Hij bewonderde haar omdat het lukte.

Haar kin stond op onverzettelijk, maar haar ogen keken hulpeloos.

Hij wilde dat hij haar kon troosten, kon helpen.

'Je zou me kunnen vertrouwen,' zei hij. 'Misschien kan ik

je helpen.'

'Waarom zou je me willen helpen? Je kent me niet eens.'

Ze zag dat hij een goed gezicht had, brede kaken en diepliggende,

bruine ogen. Zijn neus was eigenlijk te groot, 1naar

dat stond wel vertrouwenwekkend. NaaIles wat ze had meegemaakt

had ze ineens zo'n geweldige zin om een vriend te

hebben, iemand die haar geheim wilde delen, met wie ze kon

overleggen wat ze moest doen.

Hij pakte haar hand. 'Je hebt het koud,' zei hij.

'J a, ik heb het koud.'

'Hoe is het met je hoofd?'

'Hoe weet je dat nu weer,' zei Victoria. 'Ach ja, dat heeft

in de krant gestaan. Best. Er zit nog een bult op. Doet niet

meer pijn.'

'Vertrouw me,' zei Patrick hartelijk.


'Kun je morgenmiddag om tien over vier bij ons thuis

komen? Ik woon in de . . .'

'Witte de Witstraat 86, hoogste verdieping.'

'Je moet doorleren voor detective,' zei Victoria. 'Precies

tien over vier. Niet eerder, niet veel later. Gaat dat?'

'Ik heb gezien dat er een lift is. Hoe groot is die?'

'Daar kan je stoel in,' zei Victoria.

'Dan kom ik. Is het goed als ik Tom meebreng?'

'Liever niet,' zei Victoria. 'Ik vind het al eng genoeg met

jou alleen.'

'Goed, maar ik moet het Tom wel vertellen. Hij is zo

betrouwbaar als de Nederlandse Bank en zo gesloten als een

oester.'

'Tot morgen,' zei Victoria. 'Tien over vier.'

Tien over vier. De bel zat hoog. Hij richtte zich op met hulp

van een kruk. en drukte op de knop. Gekraak. De stem van

Victoria die zei: 'Ik kom eraan.'

Even later verscheen ze, met de lift. Ze hielp hem erin. Op

de hal van de tweede verdieping kwamen twee deuren uit.

Links woonde een oude mevrouw, zei Victoria. Ze stak een

sleutel in het slot van de rechterdeur.

'Zijn je ouders thuis?' vroeg Patrick.

Ze schudde haar hoofd. Hij reed naar binnen. Een vrij

smalle gang waar vijf deuren op uitkwamen. Hij zag dat hij

er met zijn grote rolstoel niet door kon. Er stond een kastje

in de weg. Victoria zag het ook. Ze krabde aan haar kin en

zei:

'Eh .. .'

'Ik heb mijn krukken,' zei Patrick.

Hij haakte ze los en kwam uit zijn stoel. Victoria ging

hem voor naar de laatste deur links. Hij ging naar binnen.

Het was de vreemdste kamer die hij ooit had gezien. In een

vrij brede, gemakkelijke fauteuil zat een kind. Een jongen.

Je zag onmiddellijk dat hij zeer zwaar gehandicapt was. Zijn

39


hoofd hing krachteloos achterover, half opzij. Hij maakte er

schokkerige bewegingen mee. Eén arm hing slap over de

linkerleuning van de stoel. De andere lag op de rechterleu­

ning, maar het leek niet of hij er veel mee kon uitrichten.

Zijn benen hingen als nutteloze voorwerpen op de grond.

In een hoek van de kamer stond een bed. Voor het ove­

rige was het vertrek ingericht als huiskamer, met een paar

leunstoelen, een lage tafel, een televisietoestel, een kast met

huisraad. Voor de ramen hing dichtgetrokken vitrage.

Het vreemdst waren de muren. Ze waren bedekt met gor­

dijnen. Geen wanddoeken, geen kleden, nee gordijnen, die

je kennelijk open en dicht kon trekken. Ze waren nu dicht,

zodat er feitelijk geen stukje muur te zien was.

'Dit is Tony,' zei Victoria. 'Hij is nu twaalf jaar.'

'Hallo,' zei Patrick. Hij ging op de leuning van een stoel

zitten, nam zijn beide krukken in zijn linkerhand en tikte

T ony bij wijze van groet op zijn arm. 'Ik ben Patrick.'

'Tony kan niet praten,' zei Victoria. 'Hij kan je wel ver-

staan, is het niet Tony?'

De invalide jongen stootte een paar onbegrijpelijke klan­

ken uit en bewoog heftig met zijn hoofd.

lang.'

hem.'

'Patrick is een vriend van me,' zei Victoria. 'Hij blijft niet

Nog meer wilde bewegingen van het hoofd van Tony.

'Hij ziet nooit vreemden. Je komst is opwindend voor

Patrick liet zijn krukken op de grond vallen, boog zich

voorover en pakte T ony met twee handen bij zijn armen.

'Ik ken meer kinderen die net zo gehandicapt zijn als jij,'

zei hij. 'Ze zitten bij ons op de club. Op de GENGK. Heb je

ooit van de GENGK gehoord?'

'Dn, un,' deed Tony.

'Hij heeft er nooit van gehoord,' vertaalde Victoria. 'Ik

ook niet, trouwens. Of wacht eens, er is hier vroeger een

meneer geweest die het er over heeft gehad. Ik geloof dat hij

meneer Van Wijngaerden heette. Ken je hem?'


'Onze voorzitter,' zei Patrick.

'Het is al jaren geleden,' zei Victoria.

'Hij is ook al jaren voorzitter. Zeg Tony, je moet eens

komen. Het is erg gezellig bij ons.'

Victoria wendde zich van het invalide kind af en keek

Patrick aan. 'Over twintig minuten moet je hier weg zijn. Ik

vertel je later wel waarom. Maar ik wil je iets laten zien.'

Ze begon de gordijnen die de muren bedekten open te

trekken. Er zaten gewone muren achter, bedekt met oud,

verkleurd behang. En er hingen schilderijen. Zeven schilde­

rijen, telde Patrick. Eén modern, met woeste strepen in aller­

lei kleuren, de andere oudachtig.

'Zie je niets bijzonders?' vroeg Victoria.

'Ik zie schilderijen.'

'Heb je verstand van schilderijen?'

'Niet bijzonder. Eigenlijk helemaal niet.'

'Dan valt het je waarschijnlijk niet op dat hier voor een

waarde van vele miljoenen hangt.'

'Allemachtig,' zei Patrick verbaasd. 'Zijn jullie zo rijk?'

'We zijn helemaal niet rijk. Gewoon, zou ik zeggen. Dit

zijn de schilderijen die de laatste jaren in deze provincie zijn

gestolen.'

Patrick liet zich achterover in zijn stoel zakken. 'Waarom

vertel je me dat?'

'Omdat, als jij mijn naam noemt bij de politie, en ze ko­

men kijken, dan gaat mijn vader achter mekaar de gevange-

. . ,

ms m.

trick.

'Daar hoort hij dan ook, zou je zeggen,' mompelde Pa­

'Het is minder eenvoudig dan het lijkt.'

Patrick vond het helemaal niet eenvoudig lijken. Kost­

bare, gestolen schilderijen in een gewoon burgermans flatje,

achter gordijnen, en een ernstig invalide kind om ze te bewa­

ken.

'Kijk eens naar dit schilderij,' zei Victoria.

41


Ze wees naar iets wat een man voorstelde met een bruine

mantel om en een zwierige hoed op zijn hoofd. Er begon

Patrick iets te dagen.

'Het zelfportret van Sir Reynolds: zei hij. 'Kijk eens

goed, van dichtbij.'

Hij raapte zijn krukken op en ging naar de muur. Het

schilderij weerkaatste het licht van de lamp, die ondanks het

vroege uur al aan was. Het schilderij ernaast deed dat niet.

Hij voelde met een vinger. Glad. Hij voelde aan het schilde­

rij ernaast. Dat voelde hobbelig, dat was verf.

'Dit eerste is een foto,' zei hij. Hij zag het nu heel duide­

lijk, gek dat het hem niet meteen was opgevallen. 'Het is een

foto van een schilderij.' Hij bekeek de andere schilderijen

nauwkeuriger. Nog twee leken hem foto's te zijn. De andere

zagen er echt uit.

'Dat klopt,' zei Victoria. 'Niet waar, Tony?'

Maar T ony leek zich niet in het minst te interesseren voor

wat er aan de wand hing. Zijn hoofd bewoog wat minder.

Als je al kon uitmaken waar hij zijn blik op wilde richten dan

was het op Patrick.

'Je moet weg,' zei Victoria. 'Mijn vader komt zo thuis. Hij

moet je hier niet aantreffen.'

Ze schoof de gordijnen voor de schilderijen. Patrick aaide

Tony over zijn dunne haar en hinkte de deur uit. Toen ze

beneden waren zei Victoria:

'Weet je de koffieshop op de markt? Als je daar vanavond

om half acht komt zal ik je uitleggen waar het allemaal om

gaat. Ik moet nu weer naar boven. Ik kan T ony niet alleen

laten.'

'Oké.'

'Vertel je niemand iets?'

Patrick knikte. Victoria ging de lift weer in. Ze was ze­

nuwachtig maar ze had iets resoluuts over zich. Regelnicht?

vroeg Patrick zich af. Dat was het niet. Regelnichten willen

orde in andermans leven aanbrengen, zij regelde haar eigen


leven, leek het hem. Langzaam ging hij op huis aan. Hij had

zin om met Tom te praten. Nog niet. Morgen misschien.

Was Tony een broertje van Victoria? Waarschijnlijk weL

Wat zag dat ventje bleek. Zou hij nooit buiten komen? Een

rolstoel had hij niet zien staan. Kom op, een paar uur geduld,

dan zou hij het allemaal horen. Het was zachtjes gaan regenen.

Auto' s trokken natte sporen over het asfalt. Gek, hij

had gedacht dat ze donker haar had, maar ze was blond. Dat

kwam waarschijnlijk door het weinige licht, die avond bij

het museum. En vrijdagochtend had ze een sjaal om haar

hoofd gehad. Blauwe ogen, heel helder. Ze keek je aan ook.

Een apart meisje. Hij vond het prettig dat hij haar 's avonds

weer zou ontmoeten, en niet alleen omdat hij nieuwsgierig

was.

43


4

Ongeveer drie miljard seconden tikken weg gedurende het

leven van iemand die vijfennegentig jaar wordt. Ze rijen zich

aaneen tot minuten, uren, dagen, jaren. Ze worden versla­

pen, ze worden gebruikt om te eten, te spelen, te leren, te

werken, lief te hebben, kwaad te zijn. Het leven van een

mens loopt niet als een klok. Het vérloopt, en verlopen is iets

anders dan lopen. De ene minuut is belangrijker dan de an­

dere. Victoria Roerig's leven bestond uit twee helften, van

elkaar gescheiden door één fatale seconde. Die seconde was

door de klokken de ruimte ingetikt op een nieuwjaarsdag, nu

meer dan vier jaar geleden.

Ze hadden een gewoon gezin, voordien. Vader Emile

Roerig, die een goede baan had bij een bank. Een rustige

man, die zelden zijn stem verhief, iets te zwaar maar niet echt

corpulent, dol op zijn vrouw en zijn twee kinderen, van wie

hij foto's maakte die hij met zorg inplakte in een steeds

groeiend aantal albums. Moeder Bertha Roerig, een voor­

naam geërfd van een tante, een vrolijk mens, een beetje la­

waaiig. In tegenstelling tot haar man knuffelde ze haar kin­

deren veel, ze liet dikwijls de melk overkoken en ze maakte

heerlijke maaltijden klaar. Ze reed slecht auto en dat was

vrijwel het enige punt waarover ze soms ruzie had met haar

man. Victoria was de oudste. Ze was een echte vaders-doch­

ter. Ze hield van haar vaders precieze, beheerste manier van

doen, misschien vooral omdat ze van haar moeder een beetje

moe werd. Haar broertje T ony daarentegen vond het heer­

lijk met zijn moeder te dollen en te gillen van het lachen. Hij

had ook haar donkere haar geërfd, dat krullend over zijn

voorhoofd hing, zijn oren onzichtbaar maakte en hem er

44


guitig deed uitzien, wat hij ook al deed door zijn kleine,

bruine ogen. Toen de fatale seconde aanbrak was hij acht

jaar, Victoria was toen elf. T ony was een en al leven en

beweging, behalve als hij tekende. Daar had hij al vanaf zijn

kleutertijd een zwak voor. Vader had hem natuurlijk voorzien

van prachtige dozen kleurpotloden en het was leuk om

hem daarmee in de weer te zien, het pun* van zijn tong

tussen zijn tanden, vellen vol tekenend met figuren die van

lieverlee inderdaad gingen lijken op de paarden, koeien en

vogels die hij ze verklaarde te zijn.

Zoals gezegd, het was een nieuwjaarsdag. De vorige

avond hadden ze thuis doorgebracht, met een bevriende familie,

die een tweeling had van veertien. Deze eerste dag van

het jaar gingen ze op bezoek bij een broer van Bertha, die in

Arnhem woonde. Er was een dun laagje sneeuw gevallen,

maar erg glad was het niet. Toen ze bij de familie in Arnhem

aankwamen werd er gezoend, gelukkig nieuwjaar gewenst,

werden er oliebollen en appelflappen gegeten en door de

volwassenen een glas wijn gedronken.

'Wie rijdt?' vroeg vader Roerig.

'Jij,' zei moeder met een volle appelflappenmond.

'V orige week heb ik ook gereden, toen we bij de Van den

Heuvels waren,' zei vader nauwkeurig.

'Dat is waar,' knikte Victoria.

'Goed goed,' knikte moeder, 'ik heb gisteren toch al te

veel gehad. Ik zal wel rijden.'

'Dan moet je wel dat glas wijn laten staan waar je zo

voortvarend uit staat te drinken.'

'Ik zet het weg,' zei moeder en met een lachj e terzij de naar

haar broer: 'Hij is zo'n Pietje Precies.'

Aan het eind van de middag, voldaan en een beetje rozig,

stapten ze in de auto, moeder aan het stuur, vader naast haar,

Victoria en T ony achterin. De laatste minuten die ze als

gezin bij elkaar waren, het onheil was op volle snelheid in

aantocht. Moeder reed op haar gebruikelijke nonchalante

45


manier, met veel commentaar op de andere weggebruikers,

die ze allemaal getikt vond.

'Wat wil die fietser nou, gaat hij rechtdoor of slaat hij af?

J a meneer, ik. zie u wel, maar ik ben aan het voorsorteren.

Man, dat licht is groen, rij nou door!'

'Je had hier links gemoeten, niet rechts,' zei vader.

'Goed, dan keren we om.'

Ze stopte voor een huis met een oprijlaan en wilde daar

achteruit insteken. Ze zag een laag paaltje over het hoofd en

botste daar tegenop.

'Hé,' riep vader, hard voor zijn doen.

Hij ging de auto uit en nam de schade op. Een deuk in het

linker achterspatbord.

'Dat kost weer vijfhonderd gulden,' zei hij kribbig.

'Rij dan zelf. Mijn hoofd staat er niet naar.'

'Ik heb gedronken.'

'Hoeveel?'

'Drie glazen wijn.'

'Och komaan,' zei moeder. 'Daar kun je toch wel tegen?'

Met een lichte tegenzin ging vader Roerig achter het

stuur. Het was niet in overeenstemming met zijn principes,

want in strijd met de wet. Ze reden Arnhem uit, de autoweg

op. De laatste seconden uit fase één van Victoria's leven

tikten weg. Ze passeerden een van de weinige vrachtauto's

die op deze vrije dag op de wegen waren. Het was een lange,

met een aanhangwagen.

'Papa,' zei Victoria, 'wat betekent expeditie?' Ze had dat

woord achter op de vrachtauto zien staan.

'Expeditie is de verzending van goederen,' antwoordde

haar vader. 'Of eigenlijk is het meer dan dat.' Hij was een

nauwkeurige man. Hij keerde zich half naar haar om. 'Het is

niet alleen de verzending van goederen maar ook alles wat

daarmee samenhangt. Het gereedmaken van de papieren.

Het schrijven van de facturen. Het .. .'

Hij wendde zijn ogen weer naar de weg. Te laat. De fatale


seconde was aangebroken. De rechter koplamp van de auto

raakte de rand van een viaduct. De auto zwaaide dwars over

de weg, botste met zijn achterkant tegen de vangrail aan de

overzijde. De vrachtauto achter hen remde uit alle macht

maar kon hen niet ontwijken. Met zijn linker voorspatbord

raakte hij hen amper, maar de slingerende aanhanger gafhen

een verpletterende mep. Er klonk een hartverscheurend geluid,

niet het geschreeuw van mensen maar dat van geblokkeerde

wielen schurend over het asfalt. De vrachtauto slingerde

door, nog veertig, vijftig meter en kwam toen tot stilstand.

Stilte. Na het korte moment van vreselijke, moordende

geluiden was er ineens niets meer te horen. Victoria lag met

haar hoofd naar beneden in het enige hoekje van hun auto

dat nog in tact was. Het verbaasde haar dat ze niet dood was.

Ze probeerde zich te bewegen. Ze voelde nergens pijn. En de

anderen? Paniek vlijmde door haar heen.

'Papa! Mama!'

Stilte. Ze hoorde nu het getik van weglekkende olie. Ze

duwde tegen de deur die het dichtstbij was. Hij viel open

alsof hij op dat kleine duwtje had gewacht. Ze kroop naar

buiten. De auto lag op z'n kop. Ze zag het bewegingloze

lichaam van haar vader hangen. De chauffeur van de vrachtauto

kwam op een holletje naar haar toe. Een andere auto

stopte. Er kwam een man uit die met zwaaiende armen liep in

de richting van waar hij gekomen was om andere auto's te

waarschuwen. Ineens waren er veel mensen die 'och' en 'wat

een ongeluk' en 'moet je dat zien' riepen. Victoria probeerde

door de kieren van het wrak te zien hoe het met haar vader

en moeder en T ony was. Voor zover ze kon onderscheiden

zaten ze ingeklemd tussen verbogen ijzer en ineens leek het

haar dat ze onmogelijk in leven konden zijn.

'Haal ze er uit,' riep ze vertwijfeld.

'Wie ben jij, m'n kind?' vroeg een meneer met een hoed

op.

47


'Die mensen daar, dat zijn mijn vader en moeder en mijn

broertje.'

'Hoe kom jij dan hier?'

'Ik zat ook in die auto.'

'Nee, m'n kind, dat is onmogelijk,' zei de meneer vriendelijk.

'Dan stond je hier niet zo.'

'Ik zat in die auto.'

'Dat schijnt vaker te gebeuren,' zei de meneer tegen zijn

vrouw die naast hem stond. 'Als iemand een ongeluk van

heel dichtbij ziet denkt hij dat hij er zelfbij was. Bij wie hoort

dit meisje?' vroeg hij in het rond.

Niemand antwoordde. De mensen stonden in een eerbiedige

kring om het wrak, als bij een begrafenis om de kuiL De

gezichten waren bleek, ontsteld. In tijden van vrede is de

gewelddadigheid van een ongeluk schokkend.

Het werd steeds drukker. De politie verscheen en mannen

met snijbranders en drie ziekenauto's. Victoria werd

meegenomen naar Arnhem, door een jonge politieagent, die

zelf heel ontdaan leek en niet wist wat hij moest zeggen. Op

het politiebureau vroegen ze haar wat er was gebeurd. Ze

konden nog steeds niet zeggen hoe erg haar ouders en T ony

eraan toe waren. Ze belden haar oom op, de oom waar ze

twee uur geleden nog zo vrolijk hadden gezeten. Hij kwam

haar halen en bracht haar naar tante Christien, die niet anders

wist te zeggen dan 'kind toch, kind toch'. Zelf ging hij

naar het ziekenhuis waar de verongelukte leden van het gezin

heen waren gebracht. Victoria kon zich later niet meer

herinneren hoe lang hij was weggebleven, maar toen hij

kwam zei hij met gebogen hoofd dat haar moeder dood was,

T ony was levensgevaarlijk gewond, vader zou er wel bovenop

komen. Victoria huilde en tante Christien huilde en

oom Hans schold op het verkeer in het algemeen en op

vrachtauto's in het bijzonder, omdat die te hard reden.

'Hij kon het niet helpen,' zei Victoria. 'Papa reed tegen

het viaduct op.'


'Heb je dat ook tegen de politie gezegd?' vroeg oom

Hans.

'Ja natuurlijk.'

'Dat zal de verzekering niet leuk. vinden,' zei oom Hans.

'Laat nou maar,' snikte tante Christien. 'Wat gebeurd is,

is gebeurd. Met dat gepraat brengen we Bertha niet terug.'

De volgende morgen ging Victoria zelf naar het ziekenhuis.

Ze mocht even bij Tony om het hoekje kijken. Hij was

bijna, onzichtbaar door het verband en er staken wel zes slangen

uit hem. Het stukje gezicht dat ze zag was doodsbleek en

niets aan hem bewoog. Bij haar vader bleef ze wat langer. Hij

was buiten kennis maar hij zag er minder eng uit. Meer alsof

hij sliep. Er kwam een meneer met een witte jas die zei dat hij

de dokter was en dat hij even met haar wilde praten.

'Ja meneer,' zei Victoria.

'Hoe heet je?'

'Victoria.'

Ze gingen zitten in een kantoortje. De meneer in de witte

jas streek over haar slecht gekamde haar en zei dat het een

vreselijk ongeluk was geweest.

'Gaat Tony ook dood?' vroeg Victoria.

'J e vader zal weer beter worden,' zei de arts. 'Hij heeft een

zware hersenschudding, maar voor zover we kunnen nagaan

heeft hij niets wat niet over zal gaan. Het kan wel een week

of zes duren voor hij weer naar huis kan.'

'Tony,' zei Victoria.

'Ik weet niet of hij het haalt. En als ... ' De dokter aarzelde.

'Als hij in leven blijft zal hij ernstig gehandicapt zijn.'

Victoria was ook vier jaar geleden al een rechttoe rechtaan,

een afgemeten meisje. Ze hield niet van omwegen. 'Je

bent totaal onromantisch,' had haar moeder wel eens gezegd.

Haar moeder had natuurlijk niets geweten van de galante

prinsen en goudeerlijke zeerovers die haar in haar dromen

het hofkwamen maken afkwamen schaken, maar in het

dagelijks leven noemde ze de dingen graag bij hun naam.

49


'Wat is er met hem? Is hij blind? Is hij doof? Moet hij in

een rolstoel?'

'Hij is waarschijnlijk niet geschaad in zijn zintuigen. Zeker

weten we dat niet. Maar in ieder geval is hij onder het

middel volledig en voorgoed verlamd. Hij heeft zijn rug

gebroken. Maar ook hoger in zijn ruggegraat en in zijn

hoofd is er schade. Misschien zal hij niet meer bij zijn volle

verstand zijn. Misschien kan hij niet meer praten. We moeten

afwachten. Ik schat de kans dat hij in leven blijft niet

hoger dan vijfentwintig procent.'

Toen al was door Victoria' s hoofd gegaan dat Tony beter

dood kon gaan en ze had het later nog vaak gedacht. En toch

zou ze het nu vreselijk vinden als hij zou sterven. Ze was aan

hem gehecht zoals ze aan haar voeten of aan haar handen

gehecht was. Hij hoorde bij haar, onlosmakelijk, hij was een

deel van haar leven.

Ze was twee maanden bij haar oom en tante blijven wonen.

Ze was zelfs een poosje in Arnhem op school geweest.

Ze had tweemaal in de week haar vader bezocht, die na drie

dagen bij kennis was gekomen en daarna met starende ogen

in zijn bed had gelegen. Over het ongeluk kon ze niet .met

hem praten. Hij vroeg hoe het op school ging en of oom en

tante aardig voor haar waren. Nooit zei hij iets over de toekomst,

over hoe het nu moest, over naar huis gaan.

T ony ging niet dood. Ze kon aan zijn ogen zien dat hij

leefde, maar er was geen enkel contact mogelijk. Toch ging

ze steeds even bij hem kijken en ze streek met een vinger

over zijn wang. Ze verlangde naar het moment dat ze terug

kon naar haar oude huis, haar oude school, haar bureautje,

haar spulletjes, haar vrienden. Tegelijkertijd kon ze zich het

leven thuis niet voorstellen, zonder mama, zonder T ony. Ze

leefde als in een dichte mist, het uitzicht naar alle kanten

belemmerd, maar met het gevoel dat er ieder ogenblik een

windvlaag kon komen die de horizon zichtbaar zou maken.

In haar hart was ook mist. Enerzijds verweet ze haar vader

50


dat hij het ongeluk had veroorzaakt. Hij had gereden nadat

hij had gedronken en hij had niet opgelet. Het was zijn

schuld allemaal. Anderzijds had ze zo'n zielsmedelijden met

hem, omdat hij alles kwijt was en om zijn grote, starende

ogen. Ik ben nu alles wat hij nog heeft, dacht ze, maar ze kon

hem niet bereiken. Als ze hem op zijn voorhoofd kuste

scheen hij dat nauwelijks te merken en toen ze een keer

mama' s naam noemde had hij niets meer gezegd. Na negen

weken kwam hij uit het ziekenhuis en ze keerden met z'n

tweeën terug naar huis. Daar woonden ze samen, als in een

droomwereld. Ze spraken over de dingetjes van alle dag,

verder nergens over. Er kwam een rechtszitting over het

ongeluk. Victoria's vader werd veroordeeld. Zijn rijbewijs

werd hem voor een jaar afgenomen. Dat liet hem volmaakt

onverschillig, hij was niet van plan ooit nog een auto te

besturen. De rechter zei dat hij geen geldboete of gevangenisstraf

zou opleggen omdat meneer Roerig al gestraft was

door de ernstige gevolgen van het ongeluk. De chauffeur

van de vrachtwagen was ook aanwezig. Hij probeerde meneer

Roerig aan te spreken, maar die staarde voor zich uit en

zei niks terug. Later kwam hij een keer aan de deur toen

Victoria alleen thuis was.

'Ik ben Willem van Schuppen,' zei hij. 'Ik bestuurde de

vrachtauto op I januari.'

Hij had een blauwe trui aan die strak om zijn dikke buik

en zijn forse armen spande. Hij was een jaar of dertig en hij

zag eruit of hij een olifant zou kunnen optillen.

'Mijn vader is er niet. Kom maar even binnen,' zei Victo,..

ria.

Hij zat ongemakkelijk in het kleine fauteuiltje waarin

moeder altijd had gezeten en hij wist niet goed hoe hij tegen

een meisje van nog geen twaalf moest praten. Dat meisje

wist het zelf heel goed. Gewoon namelijk.

'Ik wou zeggen hoe erg ik het vind,' zei Willem van

Schuppen. 'Ik. heb er een tijd niet van kunnen slapen.'


'U kon er niks aan doen,' zei Victoria.

'Normaal gesproken rijd ik niet op zon- en feestdagen.

Dit was een spoedkarwei. Ik denk. nog vaak dat als ik één

minuut eerder of één minuut later .. .'

Zulke gedachten had Victoria ook vaak. Ze kon het niet

goed onder woorden brengen, maar haar gedachten kwamen

erop neer dat het ongeluk op zóveel manieren voorkomen

had kunnen worden. Als mama niet tegen het paaltje

gereden was. Als zij niet gevraagd had wat ' expeditie' was.

Als het laatste stoplicht in Arnhem op groen had gestaan.

Duizenden omstandigheden die samen leidden naar die ene

fatale seconde.

'U kon er niks aan doen,' zei ze nog eens.

'Hoe is het nou met je broertje?'

'Hetzelfde. Hij beweegt zich niet. Hij zegt niks. Ik weet

niet of hij me begrijpt als ik tegen hem praat.'

'Ik ben een paar keer in het ziekenhuis geweest,' zei Willem

van Schuppen. 'Je vader zei geen woord.'

Victoria knikte. Ze wist er alles van.

'Ik ga weer eens op huis aan. Morgen moet ik naar J oegoslavië

met een vracht sla en andijvie. Hier, ik geef je mijn

adres. Als je me nodig hebt kun je me altijd opbellen. Als ik

in 't land ben tenminste.' Hij schreef een adres en een telefoonnummer

op de rand van een krant.

'Het beste dan maar.'

'Durft u nog wel te rijden?' vroeg Victoria.

'Eerst had ik er last mee. Ik zag het ongeluk steeds weer

voûr m'n ogen gebeuren. Schrikachtig, zal ik maar zeggen.

Nu gaat het beter. Nou, aju.'

Victoria liet hem uit. Daarna scheurde ze het beschreven

randje van de krant en borg het weg in haar bureautje. Ze

vertelde haar vader niet van het bezoek van de chauffeur. Hij

zou er alleen maar op reageren door nog stiller te zijn dan

anders.

Na een half jaar kwam Tony thuis. Ze konden in het


ziekenhuis niets meer voor hem doen. Niet alleen was hij

vanafhet middel verlamd, hij kon ook nauwelijks zijn armen

gebruiken. Hij kon niet praten, hij stootte onsamenhangen­

de klanken uit. Hij kon niet duidelijk ja-knikken of nee­

schudden, want de bewegingen van zijn hoofd waren wild en

ongecoördineerd. Het ziekenhuis raadde aan om T ony in

een tehuis of een 'instituut' te laten opnemen. Zijn vader

wilde er niet van horen. Hij zou zelf voor T ony zorgen.

Dat kon. Hij had tijd. Hij was voor vijfenzeventig pro­

cent arbeidsongeschikt verklaard. Hij deed thuis nog wat

werk voor de bank; Victoria betwijfelde in de jaren die volg­

den steeds meer of het iets voorstelde. Misschien was het

puur vriendelijkheid van de bank. Bijna iedere dag ging hij

daar een uurtje heen, tussen vier en vijf uur, als Victoria

thuis was uit school om op Tony te passen. Haar vader ont­

week altijd haar blik. Hij keek schichtig opzij als ze iets op­

merkte wat aan mama deed denken. Hij gaf haar cadeaus.

Hij gaf haar nooit een standje als ze te laat thuis kwam, wat

trouwens zelden voorkwam want ze had iets van het nauw­

keurige van haar vader. Hij kookte het eten. Hij is eeuwig

aan het weer-goed-maken, begon Victoria te begrijpen. Ze

wou dat hij eens kwaad op haar zou worden. Ze schold tegen

hem. Het resultaat was dat hij haar de volgende dag een

fototoestel cadeau gaf en nog minder met haar sprak.

Met Tony was hij anders. Niet alleen zorgde hij voor zijn

zoon met de grootst denkbare liefde en toewijding, hij praat­

te ook tegen hem als hij dacht dat Victoria het niet hoorde.

Zoete woordjes, als tegen een baby.

'Je kon zo mooi tekenen,' zei hij . 'Je had een groot schil­

der kunnen worden. Je zou beroemd geworden zijn, zoals

Van Gogh ofPicasso. Ik zal de mooiste schilderijen voor je

kopen, zodat je er tenminste naar kunt kijken. Dat is het

enige wat je nog kunt: kijken. Ik koop zulke mooie schilde­

rijen voor je dat je er nooit op uitgekeken raakt.'

In de weken die volgden kwam hij soms met een schilde-


ij thuis. Hij hing ze op in de kamer rechts voor, die speciaal

voor T ony was ingericht. Victoria vond de schilderijen niet

bijzonder mooi, ze zag liever Donaid Duck. Maar haar vader

zei dat het echte kunstwerken waren. Niemand anders dan

Tony mocht ze zien, zei hij . Daarom hing hij gordijnen op,

die dicht gingen als de dokter kwam, zelfs de enkele keer dat

ze oom Hans en tante Christien op bezoek kregen.

Victoria was twaalf toen de schilderijen in huis kwamen

en ze zocht er niets meer achter dan een gril van haar vader.

Want Tony keek nauwelijks naar de kunstwerken. In het

begin nog wel, later leek hij iedere belangstelling ervoor te

verliezen. Een gril van haar vader . .. Langzaam drong het

tot de ouder wordende Victoria door dat haar vader niet

meer helemaal normaal was. Zijn hersenschudding, of de

geestelijke schok, of de combinatie van beide, ze wist niet

waar ze het precies aan toe moest schrijven. Papa is een

beetje getikt, realiseerde ze zich steeds scherper. Ze bekeek

hem met andere ogen. Ze ging hem zien als het derde slacht­

offer van een vreselijk ongeluk, waaraan alleen een samen­

loop van omstandigheden schuld was. Of bijna alleen. Zij

was de enige die er ongedeerd af was gekomen. Er groeide

een groot medelijden voor haar vader in haar. Hij had niets

meer, alleen zijn schuld. Zijn enige toekomst was boete doen

en lijden.

Ongemerkt, langzaam, nam ze de leiding in huis over. Ze

zorgde dat er genoeg medicijn voor T ony was voor het

weekend. Ze maande haar vader om de rekeningen te beta­

len. Ze overtuigde haar vader dat ze een abonnement op een

krant moesten nemen, om te weten wat er in de wereld ge­

beurde. En het was door die krant dat ze de waarheid over de

schilderijen ging beseffen.

Een week of zes geleden had ze een artikel gelezen over

schilderijendiefstallen in hun provincie die een jaar of drie

eerder hadden plaatsgevonden. Er was nooit een spoor van

de kunstwerken teruggevonden. Er stond bij om welke

54


werken het ging en uit welke musea ze waren ontvreemd. En

ze besefte: die doeken hangen bij T ony. Mijn vader heeft ze

voor T ony gestolen. Daarom had hij ze allemaal naar de

kelder gebracht toen vorig jaar de kozijnen geverfd moesten

worden. Daarom waren ze verstopt achter gordijnen. Hij is

echt gek, dacht ze. Hij was altijd zo'n eerlijke, precieze man

geweest. Hij overtrad nooit regels. Eerst verbaasde ze zich

erover dat hij de diefstallen had kunnen uitvoeren zonder

gepakt te worden, maar toen ze er langer over nadacht be­

greep ze het wel. Juist omdat hij zo secuur was èn omdat hij

een beetje gek was, kon het hem lukken. Met behulp van zijn

nauwkeurige aard had hij iedere inbraak tot in de puntjes

kunnen voorbereiden, en omdat hij een beetje gek was had­

den zenuwen hem geen parten gespeeld. Waarschijnlijk had

hij in zijn verwarde geest gemeend dat wat hij voor Tony

deed volstrekt geoorloofd was.

En zo had Victoria er nog een probleem bij. Haar vader

was een dief. Als er werd ontdekt wat hij had gedaan ging hij

de gevangenis in, of ze stopten hem in een gesticht voor

geestelijk gestoorden. Ze kon er met niemand over praten.

Ze voelde zich even gehandicapt als T ony. Gevangen in een

wirwar van verdriet en geheimen, draden uit het verleden

die zich mengden met het heden en die een web vormden

waaruit ze zich niet kon bevrijden. Ze had een tong en een

mond die ze evenmin kon gebruiken als T ony dat kon. Van

de twee mensen die verleden en heden met haar deelden was

de een geestelijk in de war, de ander lichamelijk een wrak en

niet aanspreekbaar. Ze voel de zich zo alleen dat ze soms uit

het dakraam ging hangen om over het stadje te kijken: was

er dan niemand? Ze probeerde zich te uiten in een dagboek,

maar ze hield niet van schrijven. Zoals de barbier van koning

Midas in een gat in de grond fluisterde dat zijn vorst ezels­

oren had, riep zij soms in de polder, als ze daar alleen fietste:

'mijn vader is een dief.

Maar Victoria was een meisje van de daad. Ze overwoog


wat ze kon doen. Ze kon de schilderijen niet eenvoudigweg

van de haken nemen en terugbrengen of bij de politie afleve­

ren. Niet alleen was het gevaar groot dat men hen dan op het

spoor zou komen, zelfs als dat niet het geval was zou haar

vader misschien amok maken en zichzelf verraden. Ze dacht

dat het 't beste zou zijn om de schilderijen ongemerkt terug

te smokkelen naar de musea waaruit ze waren ontvreemd.

Als het dan later toch uit zou komen leek het misschien op

lenen, niet op stelen. Toen ze zover was met haar plannen

begon ze foto's te maken van de schilderijen, met haar nieu­

we toestel. Eerst mislukte dat. Het licht van de flitslamp

werd erin weerkaatst, de kleuren waren niet goed, één kant

was donkerder dan de andere. Maar na een paar keer probe­

ren had ze negatieven die een heel goed resulaat oplever­

den. Voor de veiligheid ging ze steeds naar een andere foto­

zaak. Ze liet de foto van het schilderij van Sir Reynolds

vergroten tot het formaat van het echte schilderij. Ze kocht

een lijst die zo goed mogelijk leek op de oorspronkelijke

lijst. Het resultaat was niet gek. Natuurlijk, zo gauw je

nauwkeurig keek zag je dat het een foto was, maar op het

eerste gezicht viel het niet op. Ze verwisselde het schilderij

voor de foto, onder de ogen van T ony natuurlijk, en ver­

borg het schilderij in de kelder. In de dagen die volgden

bereidde ze nog een andere 'vervalsing' voor, van een schil­

derij van Metsu. Haar vader merkte niets. Vorige week zon­

dagavond was ze met het werk van Sir Reynolds naar het Jan

Steen-museum gegaan en had het daar verstopt in de kelder.

Ze merkte niet dat ze werd gadegeslagen door Patrick en

T om. Twee dagen later ging ze opnieuw op pad, nu met het

werk van Metsu ingepakt bij zich, op weg naar het Nieuw

Provinciaals Museum. Toen ze door de Dillenhurglaan

kwam had ze ineens een harde klap op haar hoofd gekregen.

Ze was even buiten bewustzijn geweest en toen ze bijkwam

was het schilderij verdwenen. Er stonden mensen om haar

heen en een ziekenauto was in aantocht. Tegen de politie


had ze natuurlijk niet kunnen zeggen dat ze beroofd was.

Intussen had ze ook in de krant gelezen dat het eerste schil­

derij te koop werd aangeboden.

Victoria moest vaststellen dat ze lang niet zo'n goede an­

ti-dief was als haar vader een dief. De operatie was een totale

mislukking geworden. Twee kostbare schilderijen waren op

drift. Terwijl ze zich onbespied waande was ze gezien door

twee jongens, die intussen ook haar identiteit kenden. Ze

had een bult op haar hoofd, ze kon geen nieuw plan beden­

ken, ze was de wanhoop nabij.

57


5

Twee uur zaten ze nu al in de koffieshop. De drukte op de

markt was geluwd. Verkeer was er bijna niet meer. De kof­

fieshop was vrijwel leeg. De eigenaar, in een wit jasje, veeg­

de gebakkruimels van de glazen toonbank. Patrick had naar

Victoria's verhaal geluisterd zonder veel te zeggen. Een en­

kele maal had hij een vraag gesteld. Hij wist van de gevolgen

van verkeersongelukken. Verschillende kinderen op de

GENGK hadden hun handicap op die manier opgelopen.

Vijfenzestigduizend doden op de weg per jaar, in West-Eu­

ropa alleen al. Dat duizelingwekkende getal stond af en toe

in de krant, daar werd soms met verbijstering over gespro­

ken. Zoveel als de inwoners van de stad Luxemburg. Ieder

jaar. Over de gewonden hoorde je zelden iets. Anderhalf mil­

joen per jaar in Europa. Ernstig gewonden, minder ernstig

gewonden. Velen die in een rolstoel terechtkwamen. Slacht­

offers voor het leven.

Patrick had het er soms met zijn moeder over. Waarom

schreeuwen de mensen moord en brand als er een trein ont­

spoort (8 doden), als er een stuwdam doorbreekt (12)' do­

den), als er een olieschip in aanvaring komt met een vracht­

schip (3 doden), en worden de tienduizenden doden op de

weg geaccepteerd? Waarom is een aardbeving, een vulkani­

sche uitbarsting, een vliegramp voorpaginanieuws en wordt

het onuitsprekelijke leed dat op de weg wordt veroorzaakt

nauwelijks genoemd? Ze kwamen er niet uit. Houden men­

sen dan zoveel van hun auto? Of denken ze: dat zal mij niet

gebeuren?

'Zal ik nog koffie voor je halen? ' vroeg Patrick. 'Of wil je

liever een cola?'


'Niks meer, dank je.'

'Ik ben blij dat je me in vertrouwen hebt genomen,' zei

Patrick.

'Ik heb er geen idee van waar die schilderijen terecht zijn

gekomen. We kunnen er samen over denken. Maar er is iets

wat ik erger vind dan de gestolen

-

kunstwerken.'

Victoria keek verbaasd.

'T ony. Het is vreselijk wat hem is overkomen, maar dat is

nu eenmaal een feit. Daar valt niks aan te veranderen. Zoiets

moet je helaas accepteren. Maar weet je, Victoria, je hebt er

waarschijnlijk nooit aan gedacht: T ony heeft van je vader

cellulair gekregen. Hij zit in een gevangenis. En dat hoeft

niet. Dat is slecht.'

'Ik begrijp je niet,' zei Victoria. 'Tony kan niets, helemaal

niets. Niet lopen. Niet praten. Niet iets doen met zijn han­

den. Wat kan mijn vader anders doen dan hem goed ver­

zorgen?'

'Hij begrijpt wat je zegt, is het niet?'

'Meestal wel.'

'Hoe weet je dat?'

'Ik ken hem natuurlijk door en door; zei Victoria. 'Ik zie

het aan zijn ogen. Ik leid het af uit de bewegingen van zijn

hoofd, hoe ongecoördineerd hij er ook mee slingert.'

'We hebben op de GENGK een jongen die spastisch is. Ik

ben trouwens ook spastisch, maar Karel is het veel erger. Hij

is zoiets als Tony. Hij komt vaak, feitelijk iedere zaterdag.

Hij gaat ' s zomers mee met vakantie. Hij heeft een stoel die

hij met een paar vingers kan besturen. Hij slingert met zijn

hoofd.- Maar weet je; hij lacht. Hij lacht zelfs vaak. Lacht

Tony wel eens?'

'Ik heb T ony na het ongeluk nooit meer zien lachen,' zei

Victoria peinzend. 'Ik denk niet dat hij het nog kan.'

'Daar ben ik niet zo zeker van. En dan nog iets. Karel

heeft een groot bord waar de letters van het alfabet op staan.

Wij gaan met onze vinger langs die letters. Je kunt aan zijn

59


ewegingen zien wanneer je moet stoppen. Bijvoorbeeld bij

de T. Dan begin je opnieuw en Karel geeft aan dat je bij de V

moet stoppen. TV dus. Je vraagt of hij wil dat de televisie

wordt aangezet. Uit de bewegingen van zijn ogen zie je dat

hij dat inderdaad wil. Je zegt: "Ja ja, jij wilt Carry Tefsen

zien. Hij heeft een oogje op Carry Tefsen." Hij lacht. Hij

hoort erbij. Er is communicatie mogelijk.'

'Bij T ony kan dat niet,' zei Victoria, maar er klonk aarzeling

in haar stem.

'T ony moet andere mensen zien. De wereld is groter dan

die kamer, ook voor hem. Hij heeft er recht op andere impulsen

te krijgen dan die van je vader, hoe goed die ook voor

hem zorgt. Kon Tony lezen voor hij verongelukte?'

'Ja. Hij kende in ieder geval de letters.'

'Ik maak zo'n leeskaart voor hem,' zei Patrick. 'Zul je

proberen hem daarmee iets te laten zeggen?'

'Beloofd,' knikte Victoria.

'J e moet me nog iets beloven. Je moet met T ony een keer

naar de GENGK komen.'

'Dat vindt mijn vader nooit goed.'

'Ik dacht dat jij tegenwoordig de baas was?'

'Niet als het over Tony gaat.'

'J e moet het toch voor mekaar zien te krijgen,' zei Patrick

koppig.

'Je schijnt je meer te interesseren voor mijn broertje dan

voor de gestolen schilderijen,' zei Victoria.

Patrick lachte breed. 'Dat komt doordat ik meer verstand

heb van gehandicapte kinderen dan van gestolen ;childerijen.'

Hij trok zijn gezicht in een scherpzinnige plooi. 'Het

eerste werk, dat van Sir Reynolds, is in handen gevallen

van . . . ; ik weet het niet.'

'En ik weet het ook niet,' zei Victoria.

'Maar we gaan het uitvinden.'

'Hoe?'

'Geen idee. Eens overleggen met Tom.'

60


'Ga je alles aan Tom vertellen?' vroeg Victoria met een

bezorgd gezicht.

'Tom is mijn vriend. Hij is volkomen betrouwbaar. Hij

weet al van het schilderij van Reynolds en hij weet wie je

bent. Als je het goed vindt vertel ik hem het belangrijkste

van wat jij mij hebt verteld.'

Victoria knikte. 'Dat zal dan wel moeten.'

'Daarna maken we een plan. Een plan in drie punten: de

schilderijen in de musea; je vader uit de gevangenis; Tony hij

de GENGK.'

Victoria lachte opgelucht. 'Ik ben blij dat ik je alles heb

verteld,' zei ze. 'Ik ben blij dat je me gezien hebt, die avond

bij het Jan Steen-museum.'

Patrick dacht: ze vertrouwt me. Ze wil dat ik haar help. Ik

weet niet hoe dat moet, maar ik zal alles doen wat ik kan.

Wat heeft ze veel meegemaakt. Ze heeft knokige knieën en

een knokige kin. Haar wangen zijn te mager, zodat haar

jukbeenderen uitsteken. Waarom vind ik haar dan toch zo

mooi?

T om leefde in zijn stille wereld en hij had die wereld zo goed

mogelijk naar zijn smaak ingericht. Overdag ging hij naar

een school voor gehoorgestoorde kinderen en leerde daar

wat er ook op andere scholen wordt onderwezen. Bovendien

probeerde men de leerlingen te laten spreken, dat wil zeggen

klanken uit te brengen die ze zelf niet konden horen. Tom

was daar niet goed in. Op school deed hij plichtsgetrouw

mee, maar buiten de lessen bracht hij het geleerde nooit in

praktijk. Hij specialiseerde zich op liplezen en op gebaren­

taal. Dat laatste was natuurlijk alleen nuttig tegenover ie­

mand die de gebaren ook kende, zoals Patrick en andere

doven, maar van het liplezen had hij uitzonderlijk veel ge­

mak. Hij begreep erg veel en wat hij niet uit de lipbewegin­

gen kon opmaken vulde hij aan met zijn niet geringe fanta­

sie.


In Tom's stille wereld speelden ook kleuren een grote rol.

Hij was dol op de natuur, vooral op de bossen in de herfst, als

de bladeren bruin en rood en oranje werden. Hij hield van

vogels met hun veelkleurige vedertooi. Hij hield van kleren,

uitgestald in de etalages van de modewinkels, of zoals ze

gedragen werden door modebewuste vrouwen, door arties- .

ten, door de kunstenmakers in het circus. Hij hield van mo­

derne schilderijen, waarvan Patrick zich schouderophalend

afvroeg wat ze voorstelden, maar die voor Tom een prikkel

waren voor zijn verbeelding.

Doofheid maakt eenzaam. Ook Tom was vaak eenzaam,

maar als hij had kunnen horen zou hij evenmin weinig

spraakzaam zijn geweest. Zo was zijn aard.

Toen Patrick hem in grote trekken de geschiedenis van

Victoria vertelde ging zijn fantasie meteen met het verhaal

op de loop. Hij dacht dat Tony misschien niet door de beste

artsen was behandeld en dat hij alsnog kon genezen. Voor

meneer Roerig moesten ze nieuwe vrienden zoeken. Hij zou

dan zijn schuldcomplex verliezen, opnieuw trouwen en weer

gelukkig worden. En ze gingen Victoria zelf natuurlijk hel­

pen de schilderijen terug te brengen, en de twee die gestolen

waren op te zoeken. Hij had trouwens een theorie 'bedacht

over het werk van Sir Reynolds. Meneer Hendriks was de

schuldige, de conservator van het museum. Ga maar na, hij

(of misschien iemand anders van het museum) was de enige

die het schilderij kon hebben gevonden. Door het per brief

aan zijn eigen museum aan te bieden sloeg hij twee vliegen in

één klap: zijn museum, dat hij natuurlijk zo mooi mogelijk

wilde hebben, kreeg het gestolen kunstwerk terug en hij

werd er zelf een half miljoen beter van.

'Het zou kunnen,' zei Patrick.

Tom knikte vol overtuiging.

'Hoe gaan we uitvinden of je theorie klopt?'

'Nou,' vond Tom, 'we zetten nog zo'n gestolen schilderij

in de kelder van het museum, we houden de hele nacht de


wacht om te kijken of niemand het van buitenaf weghaalt, en

als het dan toch te koop wordt aangeboden weten we dat de

dief in het museum zit.'

'Het zou kunnen,' zei Patrick nog eens. Erg overtuigd

klonk het niet.

'J e gelooft er niet in, hè?'

'Ik denk aan het tweede schilderij,' zei Patrick. 'Volgens

mij hebben de beide gevallen met elkaar te maken. Denk jij

dat die meneer Hendriks Victoria in elkaar heeft geslagen?

Hoe wist hij trouwens van het bestaan van Victoria af?'

Tom hief zijn handen in een vragend gebaar omhoog.

'Tja, daar moet ik nog iets voor bedenken.'

'En toch zou je wel eens gelijk kunnen hebben,' peinsde

Patrick. 'Weet je nog dat we die meneer Hendriks een be­

zoek hebben gebracht in het museum? Met toch eigenlijk een

onzinnig idee: iemand heeft een schilderij gebracht, niet ge­

stolen. Hij ging meteen mee kijken. Misschien was dat iets té

ijverig. Alsof hij zijn onschuld wilde bewijzen.'

'Ik heb de gangen van die meneer Hendriks nagegaan,'

gebaarde Tom. 'Iedere morgen loopt hij van zijn huis door

de Steenweg, de laan van Nieuw Guinea, de Edisonstraat en

over het marktplein naar het museum. Om kwart voor ne­

gen gaat hij van huis. ' s Avonds om zes uur gaat hij via

dezelfde weg terug.'

'Wat een misdadig gedrag,' grijnsde Patrick.

'Misdadigers zijn vaak heel gewone mensen,' meende

T om te weten.

'Ik weet wat,' zei Patrick. 'We vragen Victoria om nog

een afdruk van het schilderij van Metsu te laten maken. Je

weet wel, het schilderij waarvoor ze op haar hoofd is getim­

merd. Met die foto gaan we naar Hendriks toe en we vragen

hem of hij weet waar het origineel is. Als hij het zelf heeft

gestolen van Victoria zal hij toch wel gek kijken. Dan mer­

ken we misschien iets aan zijn reactie.'

Tom knikte enthousiast. Het zou nog beter zijn als die


Hendriks de foto van het schilderij niet in het museum, op

zijn eigen terrein te zien kreeg, maar ergens ander s , vond hij.

Bovendien was het niet zeker dat hij hen nog een keer zou

ontvangen.

'Werkt hij ook op zaterdag?' vroeg Patrick.

Tom knikte.

'Dan lokken we hem zaterdagmorgen naar ons huis,' zei

Patrick. 'Mijn moeder werkt op zaterdag.'

Tom dacht even na. Patrick woonde in een zijstraat van

de laan van Nieuw Guinea, dus Hendriks kwam er vlak

langs. Maar hoe kregen ze hem bij Patrick thuis?

'Lucie,' zei Patrick.

Toen de volgende zaterdagmorgen aanbrak was alles tot in

de puntjes voorbereid. Victoria had een afdruk op posterfor­

maat laten maken van het negatief van het schilderij van

Metsu. Die lag opgerold klaar in Patrick's kamer. Zijn moe­

der was naar haar werk. Lucie stond, met haar vrolijke ge­

zicht in een zo hulpeloos mogelijke plooi, in de laan van

Nieuw Guinea bij een voetgangersoversteekplaats. Patrick,

Tom en Victoria hadden zich een eindje verder verdekt op­

gesteld. Toen meneer Hendriks eraan kwam floot Patrick

kort en hard op zijn vingers. Het werd een gewoonte.

'Schobbejak,' fluisterde Victoria. 'Zo heb je mij er ook in

laten luizen.'

'Voor een goed doel,' grinnikte Patriek.

Lucie had intussen een stapje in de richting gedaan van de

voetstappen die ze hoorde aankomen en met haar liefste

stemmetje zei ze:

'Is daar iemand?'

Meneer Hendriks stond stil. 'Wat is er, m'n kind?'

'Ik ben blind, meneer. Ik durf niet naar de overkant.'

'0, dan zal ik je even helpen.'

Hij nam Lucie bij de hand en begon met haar over te

steken.


'Eigenlijk moet ik naar de J.P. Coenstraat,' zei Lucie zo

charmant als ze kon. 'Die is iets verderop.'

'Zal ik je daar even brengen?'

'N ou, als het niet te veel moeite is .'

Vergenoegd zagen de anderen, die vanuit de verte volgden,

hoe Lucie keuvelend aan de hand van meneer Hendriks

in de richting van Patrick' s huis liep. Toen, ineens, gebeurde

er iets totaal onverwachts, nog vóór de twee de J.P. Coenstraat

ingeslagen waren. Een snel rijdende auto stopte abrupt

bij de man en het meisje. Twee mannen sprongen eruit. Meneer

Hendriks werd bij zijn armen gegrepen en in de auto

gesleurd. Lucie werd half meegetrokken. Daarna werd ook

zij in de auto geduwd, de mannen sprongen naar binnen en

voordat de anderen beseften wat er gebeurde scheurde de

auto weg en verdween om een hoek.

Even bleven ze verbijsterd staan. Toen sprintte Tom

weg, de auto achterna, tot aan de hoek. Hij kwam terug en

schudde mismoedig zijn hoofd.

'Ik. bedacht te laat dat we het nummer moesten onthouden,'

gebaarde hij. 'Ik. kon het niet meer zien. Ik. geloof dat

het laatste cijfer een zes was. Hebben jullie erop gelet?'

Patrick en Victoria schudden hun hoofd.

'Ze zijn ontvoerd,' zei Patrick onthutst. 'Ik. dacht dat

zoiets alleen in films gebeurde. We moeten naar de politie.'

Victoria knikte. 'Maar ik ga niet mee,' zei ze. 'Gaan jullie

maar en zeg niet dat ik erbij was.'

Ze voelt zich een misdadigster, dacht Patrick. Ze denkt

altijd aan het gevaar dat haar vader loopt. Hij merkte dat zijn

handen beefden. Waar waren ze aan begonnen? Een ontvoering,

dat was niet leuk meer. Dat gaf niet meer dat lekkere

gevoel van spanning, van sensatie. Dit was echte harde misdaad,

hier moest de politie achteraan.

'Tom en ik gaan wel,' zei hij. 'Ga jij maar naar huis. We

zullen je op de hoogte houden. Kan ik je opbellen?'

Victoria knikte.


'We zullen tegen de politie zeggen dat er een man en een

meisje zijn ontvoerd. Dat we dat toevallig gezien hebben.'

'Jullie kunnen misschien beter zeggen dat het er op léék

dat ze ontvoerd werden,' zei Victoria.

'Goed. We zullen zeggen dat het meisje iemand is die we

kennen van de GENGK en dat de meneer waarschijnlijk

meneer Hendriks is van het museum, waar we onlangs op

bezoek zijn geweest.'

Tom knikte. Zo was het misschien het beste.

'Je kunt het ook per telefoon doen,' gebaarde hij. 'Dat is

misschien nog veiliger.'

'Kom mee naar ons huis dan zal ik meteen bellen,' zei

Patrick.

Ze gingen allebei mee en Patrick belde de politie. De

reactie was nogal ongelovig, de man aan de andere kant van

de lijn scheen te denken dat ze te veel films op de televisie

hadden gezien. Maar hij noteerde Patrick' s naam en adres en

zei dat hij er werk van zou maken. Patrick hing op en ver­

telde de anderen wat de rechercheur had gezegd.

En toen was er ineens niks meer. Leegte. Niks meer te

doen. Geen plannen. Geen theorieën.

'J e had dus gelijk dat er iets met die Hendriks aan de hand

is,' zei Patrick tegen Tom, maar hij kon er niks bij bedenken.

'Ik ga maar eens naar huis,' zei Victoria zonder over­

tuiging. Ze wilde niet naar huis. Ze had zich verheugd op dit

contact met nieuwe vrienden. Blijven wilde ze ook niet,

want er hing iets in de lucht waar ze eng van werd. Onheil.

Verwijt. Verwijt? Of verbeeldde ze zich dat? Was het haar

schuld? Ja, natuurlijk was het haar schuld. Zonder haar zou­

den die jongens hier niet in verwikkeld zijn. Waarom zeiden

ze niks? Ze zei zelf ook niks. Ze zaten natuurlijk in over

Lucie.

'Je kunt gerust blijven,' zei Patrick. Erg hartelijk klonk

het niet. Daar had hij zelf de pest over in, maar het kwam er

nu eenmaal zo uit. Hij voelde zich enorm schuldig en hij wist

66


niet wat hij moest doen. Hij had beter moeten weten. Veel te

gevaarlijk om een klein meisje als Lucie bij zoiets te be­

trekken. Een klein meisje? Vergeleken bij hem was Lucie

een stokoude vrouw. Hij was er zeker van dat ze niet stuk te

krijgen was. Die zat heus niet te huilen in een hoekje van die

auto. Waarschijnlijk had ze de ontvoerders nu al om haar

kleine pinkje gewonden. Terwijl hij het liefst in huilen zou

uitbarsten van onzekerheid en schuldbesef.

'N ou, ik ga maar eens,' zei Victoria nog eens.

Verdorie, wat zat hij daar nu indolent. Hij moest iets be­

denken waardoor ze weer een beetje fut in hun donder kre­

gen.

'Waarom kom je straks niet naar de GENGK?' zei hij.

'Kun je eens zien hoe het daar toegaat en of het iets is voor

Tony. Het is vandaag zaterdag. De GENGK is open van­

midag.'

'Goed,' zei Victoria. 'Waar is het?'

Patriek gaf het adres.

'Tot straks dan.'

Toen ze weg was bleven Patrick en Tom in een sfeer van

nog grotere leegte achter. Zij, die anders zoveel te doen en te

praten hadden, wisten niet hoe ze de tijd moesten doorko­

men. De wijzer van de klok ging tergend langzaam. Ze

draaiden plaatjes voor Patrick,· maar hij luisterde niet. Ze

speelden videoclips op de televisie voor T om, aar hij keek

niet. Ze begonnen een partijtje schaak en ze maakten blunder

op blunder.

'Het kan dagen duren voor we iets horen,' zei Patrick.

Tom trok een vragend gezicht.

'Het kan dagen duren voor we iets horen.'

'Ik versta je niet,' gebaarde Tom.

'J e let niet op,' zei Patrick geïrriteerd.

T om wendde ontmoedigd zijn hoofd af. Het was waar,

als iets hem sterk bezighield vond hij het moeilijk zich te

concentreren op liplezen. Hij kon er slecht tegen als Patrick


nijdig op hem was. Als je kunt spreken is zo'n situatie op te

lossen met een grap, een kwinkslag, een plagerij.

Patrick zag Tom's smalle rug en wist dat hij onredelijk

was. Hij greep zijn vriend bij een arm.

'Kom op, Beethoven, doe je best.' Hij gebruikte nu ook

gebarentaaL 'Ontvoeringen zijn meestal ingewikkeld. De

daders moeten in contact treden met de familie en laten we­

ten wat hun eisen zijn. Ze willen losgeld. Er moet een plan

worden bedacht om dat losgeld over te dragen. Het kan

dagen duren voor we iets horen, ook al heeft de politie ons

beloofd te laten weten hoe het verder afloopt.'

Tom knikte.

'Zullen we naar de GENGK gaan?'

'Het is nog te vroeg.'

Ze draaiden het nummer van de weersverwachting, al

kon het hun niks schelen wat voor weer het zou worden.

Patrick klemde de hoorn tussen zijn hoofd en zijn schouder

en vertaalde balorig in gebaren hoe de weersgesteldheid was

op het vliegveld Eelde, op het vliegveld Zuid-Limburg en op

Zestienhoven.

'Misschien worden Lucie en meneer Hendriks 00 dit mo-

,

ment op Eelde, op het vliegveld Zuid-Limburg of op Zes­

tienhoven in een klein particulier vliegtuigje geduwd en af­

gevoerd naar het buitenland,' bedacht Tom somber.

'Stel dat die Hendriks . .. ' begon Patrick. Hij maakte zijn

zin niet af. Die theorieën van hen leidden tot niks.

Maar Tom was gek op theorieën. 'Stel dat die Hendriks,'

gebaarde hij , 'inderdaad bij de diefstal is betrokken. Hij

heeft een partner. En die partner heeft hij bedonderd. Hij

heeft de schilderijen achterover gedrukt en wil het half mil­

joen alleen opstrijken. Nu heeft die partner hem ontvoerd.'

'Het zou kunnen,' zei Patrick.

Tja, het zou kunnen, maar het kon net zo goed anders

zijn. Hoe konden ze dat weten?

Zo sleepten ze zich voort door een paar uur leegte, tot het

68


eindelijk tijd was om naar de GENGK te gaan. Ze trokken

hun jacks aan en gingen op weg. De GENGK had voor zijn

bijeenkomsten de beschikking over een verenigingsgebouw,

op alle zaterdagen. De huur daarvan, de activiteiten op bij­

zondere dagen, zoals met sinterklaas en met Kerstmis, en

vooral de vakanties kostten natuurlijk vrij veel geld, meer

dan de meesten van de ouders konden opbrengen. Want veel

van de kinderen die lid waren van de GENGK kwamen uit

gezinnen waar men het moest doen met een minimumloon.

Daarom werden er geregeld acties ondernomen om aan geld

te komen. In het algemeen liep dat goed. Vooral bedrijven

waren nogal eens bereid om iets te doen, vooral als de naam

van het bedrijf dan werd vermeld in het programma van zo'n

evenement.

In het verenigingsgebouw kon je tafeltennissen, biljarten,

muziek maken, videobanden bekijken, schilderen, kleien, en

vooral dingen met elkaar doen, zoals spelletjes, toneelstuk­

jes, dansen, of gewoon een feestje op touw zetten.

T oen ze net binnen waren kwam ook Victoria. Ze keek

onwennig rond in de zaal met kinderen, de meesten tussen

de zes en de twaalf, heel wat van hen in een rolstoel. Behalve

Patrick en Tom trok niemand zich wat van haar aan.

'Kijk, daar zit Karel,' zei Patrick.

Hij nam Victoria mee naar de zwaar gehandicapte jon­

gen. Zijn hoofd hing opzij en hij staarde met een nietszeg­

gende blik voor zich uit. Waar zou hij nou aan denken?

vroeg Patrick zich af. Zóu hij ergens aan denken, of zweef­

den zijn gedachten vrij en ongeordend in een ruimte zonder

structuur, zonder logica, zonder tijd? Doolden zijn gedach­

ten door een droomland schap, zoals wanneer je slaapt?

'Hallo Karel, dit is Victoria.'

Karels hoofd veerde op, zwaaide door, bleef in beweging.

'Un,' zei hij,

'Hoe staat het leven? Nog veroveringen gemaakt van de

week? '


Karel lachte. Hij bewoog zijn hand in de richting van de

leeskaart die in een tas opzij van zijn rolstoel stak. Hij was

niet in staat hem te pakken. Patrick deed het voor hem. Hij

vouwde hem open en legde hem op Karels knieën. Deze

leeskaart was uitgebreider dan wat hij Victoria had beschre­

ven. Naast letters stonden er ook trefwoorden op, zoals hon­

ger, w.c., koud, warm, moe, klootzak. Vooral dat laatste

woord was erg bruikbaar gebleken, en ook nu deed het weer

goed dienst. Want toen Patrick met zijn vingers langs de

woorden ging zag hij aan de reactie van Karel dat hij iemand

deze benaming had toegedacht. Het onderwerp van zijn on­

genoegen bleek Piet te zijn, die de radio op een andere zen­

der had gedraaid. Patrick herstelde het euvel, wat Piet intus­

sen niks meer kon schelen, en sprak nog een poosje met

Karel. Lang duurde dat niet, want enkele ogenblikken later

greep Tom hem met ongewone vinnigheid in zijn nek en

draaide zijn hoofd in de richting van de deur. Met recht en

reden. Want in de deuropening stond Lucie opgewekt te

praten met een ander meisje.

'Koekoekeloeloe,' zei Patrick zinloos.

'Ze hebben haar losgelaten,' gebaarde Tom en er was

opluchting te zien in de beweging van zijn handen.

Hij greep Patrick's stoel bij de handvatten en duwde hem

in de richting van hun kleine vriendin.

'Hé Lucie.'

Ze kwam hen tegemoet, haar gezicht stralend.

'Hoe ben je vrij gekomen?'

'De ene kerel heb ik geveld met een linkse directe en de

andere met een rechtse hoek,' zei Lucie.

'En meneer Hendriks? Kom op, vertel.'

'Laten we een rustig hoekje opzoeken. Is Tom daar ook?'

'J a. En Victoria.'

T om raakte haar wang aan, zijn gebruikelijke groet. Ze

vonden een plekje waar ze ongestoord konden praten en

daar vertelde Lucie tot in detail wat haar en meneer Hen­

driks was overkomen.

70


6

Meneer Hendriks kreeg niet de gelegenheid om de gezichten

te zien van de mannen die hem overvielen. Hij werd van

achteren vastgegrepen en nog voor hij goed en wel in de

auto zat was er een blinddoek voor zijn ogen gebonden. Ook

Lucie werd geblinddoekt, kennelijk wisten de mannen niet

dat dit weinig zin had. Hendriks schreeuwde luid, proteste­

rend, bang, maar ook daarvoor kreeg hij maar kort de gele­

genheid. Hij kreeg een doek voor zijn mond en kon zich toen

verder in stilte en in het donker gaan zitten afvragen wat er

aan de hand was.

'Worden we ontvoerd?' vroeg Lude. 'Waarom?'

'Bek houden,' zei een van de mannen. 'Anders bind ik

hem dicht.'

In stilte werd de tocht voortgezet. Hendriks voelde met

zijn hand aan het portier en stelde vast dat de deur op slot zat.

Dat verraste hem niet. Aan zijn andere kant zat een van de

ontvoerders en daarnaast Lucie. Hij bracht voorzichtig zijn

hand naar de blinddoek maar stopte daarmee toen de bruut

naast hem zei:

'Als je die lap weghaalt trem ik je in mekaar.'

Ze sloegen verschillende malen een hoek om en stopten

soms ook kort, waarschijnlijk voor een verkeerslicht. Na

ongeveer tien minuten gingen ze met een flink vaartje recht­

door, kennelijk waren ze de stad uit. Na nog weer een kwar­

tier werd er vaart geminderd, ze sloegen linksaf, nog een

keer links en rechts en daarna stopte de auto.

'Uitstappen,' snauwde een van de mannen.

Meneer Hendriks kwam stijfjes en aarzelend uit de auto.

Voor Lucie was het natuurlijk een peuleschil.

71


Ze werden bij een arm gepakt en een huis, althans een

gebouw ingevoerd. Ja, het was beslist groter dan een huis.

Ze gingen een lange gang door, waar de voetstappen een

nagalm hadden die je in een gewone woning niet hoort. Ge­

sproken werd er niet. Ze hoorden het geluid van een sleutel

in een slot. Daarna werden ze een vertrek ingeduwd. Klik,

zei het slot. Ze waren gevangen.

'Waar zijn we?' vroeg Lucie.

'Ik weet het niet,' antwoordde meneer Hendriks. 'Het

lijkt wel een gevangenis. Is hier iemand? '

Lucie deed een paar stappen links en rechts, tastte om zich

heen, ze voelde een paar stoelen, een raam zonder tralies

ervoor en ze zei:

'Volgens mij zijn we alleen.'

De conservator rukte de blinddoek van zijn ogen. Ze be­

vonden zich in het klaslokaal van een school. Lage ramen

gaven uitzicht op een verlaten schoolplein. Aan de muren

hingen ouderwetse platen met vlinders, kevers, en dieren uit

het woud. En een kaart van Palestina zoals dat er omstreeks

het jaar nul moest hebben uitgezien. De banken waren aan

de kant geschoven. Midden in het lokaal stond een stoel. En

op die stoel stond het zelfportret van Sir J oshua Reynolds.

'U mag de blinddoek nu afdoen, meneer Hendriks,' zei een

krakerige stem.

Hendriks keek achter zich. Op de tafel van de onder­

wijzer lag een walkie-talkie.

'Mijn excuses voor het ongemak,' zei de stem. 'Kunt u me

goed verstaan?'

'Jawel.'

'Het was niet mijn bedoeling uw dochtertje ook lastig te

vallen, maar ik wist niet dat u haar vandaag mee zou nemen

naar het museum. Maak je niet ongerust, beste meid, over

een uur ga je weer terug naar huis.'

'Wat wilt u van me?'


'Geduld, mijn waarde professor. U bent toch professor? '

'Ik geef één dag in de week college aan de universiteit van

Utrecht.'

'Goed. Ziet u het schilderij van Reynolds staan?'

'Natuurlijk zie ik dat.'

'Ik heb u dat werk voor een half miljoen aangeboden. U

hebt me via het Stadsblad doen weten dat u verificatie op

echtheid wenst. Dat begrijp ik. U wilt geen kat in de zak

kopen. Maar hoe had u zich dat voorgesteld, beste meneer

Hendriks? Ik kon u het schilderij moeilijk even aanreiken

voor onderzoek. En als ik u had uitgenodigd om bij mij op

bezoek te komen, dan had u vast een hele rij politieauto's

achter u aan gehad. Niet zichtbaar, in 't geniep natuurlijk. Of

u had een zendertje bij u gehad waardoor de politie u kon

volgen. Of andere ingewikkelde voorzieningen waar een

eenvoudig iemand als ik geen weet van heeft. Daarom leek

het me beter u op een onverhoeds moment effenes mee te

nemen. U lijkt me niet iemand die als gewoonte een zen­

dee op zak heeft. Nou, 't was makkelijk genoeg, want u

bent een man met vaste regelmaat, zal ik maar zeggen. Ie­

dere morgen om kwart voor negen van huis, en steeds de­

zelfde route. Dus dacht ik, we nemen die meneer zaterdag­

morgen even mee. Zoals ik al zei, ik heb u niet genoeg dagen

gadegeslagen om te weten dat u 's zaterdags uw dochtee

meeneemt. Foutje.'

'Geeft niet, hoor,' zei Lucie vriendelijk.

'En nu wilt u dat ik onderzoek ofhet schilderij echt is,' zei

meneer Hendriks geïrriteerd.

'Dat hebt u piekfijn begrepen.'

'Dat gaat niet, man.'

'En waarom gaat dat dan niet?'

'Omdat daar apparatuur voor nodig is. Ik zou metingen

moeten doen. Ik heb chemische middelen nodig om te bepa­

len hoe oud de verf is. Het enige wat ik bij me heb is een

loep.'

73


'Daar zul je het dan mee moeten doen.'

'Ik zal onmogelijk tot een definitieve conclusie kunnen

komen,' zei meneer Hendriks.

'Dat zou ik toch maar proberen,' zei de stem. 'Ik heb een

goed bod uit Japan. Als goeie vaderlander hou ik het werk

liever in eigen land, maar zaken gaan voor 't meisje. Aan het

werk, professor.'

Meneer Hendriks legde het schilderij plat op een bank,

haalde de loep uit zijn vestzak en begon het werk zorgvuldig

te bekijken. Lucie scharrelde door het lokaal, betastte alles

wat haar handen tegenkwamen. Ze deed haar blinddoek af.

Niet dat het verschil maakte, ze had er een speciale bedoeling

mee. Ze raakte meneer Hendriks hand aan.

'Het spijt me dat je hierin betrokken bent, m'n kind,' zei

de conservator.

Ze trok aan zijn arm zodat hij zich bukte.

'Niet laten merken dat ik blind ben,' fluisterde ze in zijn

oor.

'Waarom niet?'

'Dat leg ik later wel uit,' zei Lucie.

Wat heeft dat kind een lef, dacht meneer Hendriks. Hij

had inderdaad een dochter, iets ouder dan Lucie. Zijn Monique

zou waarschijnlijk hebben zitten huilen in een hoek.

Hij ging door met het onderzoek van het schilderij. Hij

kende het werk goed en voor zover hij met zijn eenvoudige

hulpmiddel kon nagaan leek het echt. Zeker kon hij daarvan

onmogelijk zijn.

'Meer kan ik niet doen,' zei hij in de richting van de walkie-talkie.

'En, wat vindt de professor ervan?' vroeg de stem.

'Het ziet er echt uit. Ik ben niet zeker.'

'Toch zult u op grond van uw onderzoek nu moeten beslissen

of u een half miljoen voor het doek wilt geven.'

'Dat kan ik toch onmogelijk doen, man. Wat dacht je, dat

ik persoonlijk een half miljoen bezat? Het moet worden

74


overlegd met het curatorium van het museum, met de ge­

meente en met de verzekeringsmaatschappij.'

'U kunt me de beslissing laten weten via een advertentie

in het Stadsblad. Binnen tien dagen. En nu u toch hier bent,

kijk eens in die kast naast het schoolbord.'

Hendriks deed de deur van de kast open. Op een plank

lag een klein schilderij. Hij nam het op en legde het naast de

Reynolds op een bank.

'Hebt u het gevonden?' zei de stem door de speaker.

'Gabriël Metsu,' mompelde de conservator. 'Dit meester­

werk is het eigendom van het Nieuw Provinciaals Museum.

Omstreeks dezelfde tijd gestolen als onze Reynolds.' En als­

of zijn gehoor bestond uit een collegezaal vol studenten en

niet slechts uit een meisje van twaalf en een microfoon ging

hij verder: 'Het doek staat in de catalogi als "Kind aan het

raam". Een tijdlang is het toegeschreven geweest aan Jean

Baptiste Weenix, midden zeventiende eeuw. In 1921 heeft

het gehangen op de tentoonstelling die was ingericht ter ge­

legenheid van de driehonderdste geboortedag van Weenix,

in Amsterdam. Daar is voor het eerst het vermoeden geuit

dat het wel eens een werk van Metsu kon zijn. Sinds de jaren

vijftig is men daar zeker van. De gelaatstrekken van het kind

vertonen duidelijk gelijkenis met die van het beroemde "zie­

ke kind" van Metsu. Ook de afmetingen van het schilderij

zijn vrijwel hetzelfde. Het werk-is lang in het bezit geweest

van de familie Klemens-Knüpfer. De laatste telg heeft het

vermaakt aan het Nieuw Provinciaals Museum, waar het een

ereplaats had tot het is gestolen.'

'U bent goed op de hoogte,' zei de stem.

'Het is mijn vak,' zei meneer Hendriks bescheiden.

'Het is dus echt,' stelde de stem vast.

'Dat zeg ik niet. Ook bij dit schilderij kan ik dat on­

mogelijk met zekerheid vaststellen zonder chemische en fy­

sische hulpmiddelen.'

'Voor het geval het werkje u mocht interesseren,' zei de

75


stem, 'het is te koop voor één miljoen gulden. Een spotprijs,

dat zult u met me eens zijn.'

'Het werk is het eigendom van het Nieuw Provinciaals

Museum,' herhaalde meneer Hendriks.

'Misschien wilt u zo vriendelijk zijn uw collega van dat

museum mijn aanbod over te brengen. Dat spaart moeite en

kosten.'

'Zoals u wilt.'

'En zegt u erbij dat het schilderij echt is, volgens u.'

'Ik zal zelf weten wat ik mijn collega's van het Provinciaals

museum vertel,' antwoordde de conservator kribbig.

'En nu zou ik gaarne vertrekken.'

'Dat kan,' zei de stem. 'Doet u de blinddoeken voor. Ook

bij uw dochtertje. Ik zal u laten wegbrengen.'

Meneer Hendriks blinddoekte Lucie en zichzelf. Het slot

van de deur werd omgedraaid en ze werden, veel zachtzinniger

dan op de heenweg, naar de auto gebracht. In de laan van

Nieuw Guinea werden ze op de stoep gezet. Meneer Hendriks

had zich vast voorgenomen om snel de blinddoek van

zijn hoofd te trekken om het gezicht van minstens één van de

mannen te zien. Dat mislukte volkomen, want hij zag een

snel wegrijdende auto en de achterhoofden van twee mannen,

ieder met een hoed op. Te laat bedacht hij dat hij beter

naar het nummerbord van de auto had kunnen kijken. Hoewel,

hoe groot was de kans dat er voor de gelegenheid een

vals nummerbord op was gezet?

'Toen we waren afgezet in de laan van Nieuw Guinea heeft

meneer Hendriks me naar huis gebracht,' besloot Lucie.

'Zelf zou hij naar de politie gaan en vertellen over de ontvoering

en over de schilderijen.'

'Natuurlijk hebben wij al direct de politie opgebeld,' zei

Patrick.

'0 ja? Ja, dat had ik natuurlijk kunnèn bedenken.'

'We weten nu dus dat meneer Hendriks niks met de diefstal

van de schilderijen te maken heeft,' zei Patriek.


Tom keek teleurgesteld.

'Sorry Tom. Daar gaat je theorie.'

'Och,' gebaarde Tom, 'morgen bedenk ik . . :

Hij bleef midden in het gebaar steken, want opnieuw trok

de deuropening zijn aandacht. Nu was het een grote politieagent

die zijn netvlies vulde.

'Wat is er?' vroeg Lucie.

'Er komt een smeris binnen,' verklaarde Patrick.

Het gebruikelijke rumoer in de zaal was stilgevallen.

'Is hier een zekere Lucie de Wit?' vroeg de politieagent.

'Jawel,' zei Lucie.

'Zou je even met me mee naar het bureau willen gaan?

We willen je graag een paar vragen stellen:

De stilte in de zaal werd nog dieper, alsof Lucie net beschuldigd

was van een gewapende roofoverval. Ze voelde

dat natuurlijk haarscherp aan.

'Ik heb niemand vermoord,' zei ze. 'Ze willen me hebben

als getuige, omdat ik zulke scherpe valkeogen heb.'

Ze gafPatriek en Victoria een stootje, raakte even Tom's

hand aan en liep op de agent toe. Hij nam haar ann, toch een

beetje alsof ze gearresteerd werd en samen gingen ze naar

buiten. Met de politie-Porsche waren ze in een ogenblik bij

het hoofdbureau. Een man met een gewoon pak aan, die zich

bekend maakte als inspecteur Saarloos, ontving haar. Hij gaf

haar een stoel en probeerde haar op haar gemak te stellen.

Dat was nauwelijks nodig, want al was Lucie een beetje opgewonden

door het avontuur, zenuwachtig was ze niet in het

minst. Dat lag eenvoudig niet in haar aard.

'Dus jij bent Lucie de Wit,' begon de inspecteur.

'Ia meneer:

'En je bent blind?'

'Ia meneer. Vanaf m'n geboorte. Mag ik even uw gezicht

aanraken?'

Het was eerder de inspecteur die niet op z'n gemak was.

Aarzelend stond hij op en liep naar Lucie toe. Snel gingen

77


haar vingers over zijn gezicht. Ze voelde dat hij zware wenkbrauwen

had, nogal dikke wangen, zeker in verhouding tot

zijn neus, die vrij klein was.

'Bruine ogen?'

'Ja,' zei de inspecteur verlegen. 'En donkerblond haar.'

Hij ging terug achter zijn bureau, waar hij zich veiliger

voelde.

'Dank u wel. Aangenaam kennis te maken,' zei Lucie.

'Meneer Hendriks heeft me verteld wat jullie is overkomen,'

zei de inspecteur. 'Daar wil ik je graag wat over vragen.'

'Ja meneer.'

'Kende je meneer Hendriks?'

'Nee. Hij hielp me met oversteken. Het is een aardige

man.'

'Heb je begrepen waarom meneer Hendriks meegenomen

werd?'

'Ik geloof het wel. Ze wilden dat hij onderzocht of een

gestolen schilderij echt was of vals. Of eigenlijk twee schilderijen.'

'Wat waren dat voor schilderijen?'

'Ik kon ze niet zien,' zei Lucie.

'0 ja, neem me niet kwalijk. Je kon dus-ook niet zien waar

jullie waren.'

'Meneer Hendriks zei dat het een school was. Ik denk een

school die niet in gebruik is.'

'Natuurlijk niet. Het is immers zaterdag. Er is vandaag

geen school.'

'Ik bedoel niet vandaag. Ik bedoel dat hij al een tijd leeg

staat.'

'Waarom?' vroeg inspecteur Saarloos verrast

'Zo rook het. Het rook, hoe moet ik het zeggen, naar niks

eigenlijk. Een beetje muf. Onze school ruikt altijd een beetje

naar zweet en naar natte regenjassen. En naar spullen die de

schoonmaakdienst gebruikt.'


Jij hebt je ogen niet in je zak, wilde de inspecteur zeggen,

maar hij bedacht zich op tijd. 'Je hebt goed opgelet,' zei hij

waarderend. 'Is er nog iets anders wat je is opgevallen?'

'Misschien kunnen we er nog eens naar toegaan,' stelde

Lucie voor.

'Helaas weten we niet waar het is. Meneer Hendriks had

geen idee. Hij was geblinddoekt.'

'Misschien kan ik het terugvinden,' zei Lucie. 'Ik denk het

eigenlijk wel.'

eh . . .'

Saarloos keek ongelovig. Hij kuchte en begon: 'Hoe

'Ik doe het ook wel eens met m'n vader, bijvoorbeeld als

we naar oma gaan. Dan zeg ik waar hij links en rechts moet

gaan en meestal klopt het. Ik heb vanmorgen niks gezegd

toen we meegenomen werden, om maar goed op te kunnen

letten.'

De inspecteur keek naar het intelligente, smalle gezichtje

van het blinde meisje. Zou het mogelijk zijn? Hij had ge­

dacht een verlegen kind bij zich te krijgen, waar hij amper

een woord uit zou kunnen krijgen en kijk, als hij niet oppaste

nam zij de leiding van het gesprek. Hij was al verbaasd ge­

weest toen hij bij haar thuis was geweest. Op zijn bellen had

niemand opengedaan. De buurvrouw had gezegd dat de va­

der niet thuis was en de moeder had griep. Ze was even

meegelopen en met een sleutel die ze kennelijk voor zulke

gelegenheden had was ze naar binnen gegaan en toen had hij

de koortsige vrouw even kunnen spreken. Lucie was thuis­

gekomen met een raar verhaal waar ze maar half naàr had

geluisterd, want ze had een smerige hoofdpijn. Lucie had

haar sinaasappelsap gebracht en toen was ze weer wegge­

gaan, waarschijnlijk naar de GENGK. De inspecteur had

gevraagd wanneer haar man thuiskwam, want hij wilde het

kind graag een paar dingen vragen, in aanwezigheid van een

van de ouders. Lucie's moeder had gezegd dat haar man pas

laat kwam, maar Lucie kon haar eigen woordje wel doen en

79


ze had er geen bezwaar tegen als hij met haar alleen sprak.

Toen had hij een agent erop uit gestuurd om die GENGK en

het meisje op te sporen. Hij had nog steeds niet geloofd dat

hij veel uit het kind zou krijgen. Ouders denken zo vaak dat

hun kinderen het genie van de eeuw zijn. En kijk, deze moe­

der had volkomen gelijk gehad. Hier was een meisje dat

inderdaad haar woordje wist te doen. Hij besloot haar se­

rieus te nemen.

'Kom op, we gaan,' zei hij 'In de politieauto.'

Hij chauffeerde zelf. Hij wilde haar naast zich op de voor­

bank nemen, maar ze zei:

'Ik kan beter achterin zitten, net als vanmorgen.'

Ze reden naar de laan van Nieuw Guinea. De inspecteur

stopte.

'Hier was het, volgens meneer Hendriks.'

Langzaam reed meneer Saarloos in dezelfde richting als

de ontvoerders 's morgens.

'Vanmorgen scheurde de auto met een rotvaart weg,' zei

Lucie. 'Nu geeft het nog niet, want ik weet dat we de eerste

links namen, de Walter Scottlaan in. Ja, deze. Nu moet u een

stuk sneller rijden, anders vergis ik me. Volgens mij zijn we

nu bijna bij de Breedstraat, rechts. Daar moeten we in, en

dan meteen weer links, de Nassaulaan.'

'We zijn nu in de Nassaulaan,' zei de inspecteur en er

klonk bewondering in zijn stem.

'Hier ergens stopten we even,' zei Lucie. 'Is hier een ver­

keerslicht?'

'We zijn net door groen gereden. Ik zal toch even stop­

pen, dat lijkt me beter voor je herinnering.'

'Nog een minuut of twee rechtdoor,' zei Lucie, 'en dan

links. Ik weet niet of er meer wegen links zijn en ik weet niet

hoe ze heten.'

'Helaas zijn er verschillende,' zei inspecteur Saarloos.

'T oen we linksaf gingen hoorde ik buiten een hoop ge­

schreeuw. Er waren veel mensen.'

80


De inspecteur reed langzaam verder. 'Wacht eens, hier

rechts zijn sportvelden. Kan het dat geweest zijn?'

'J a, dat was het,' zei Lucie beslist. 'Een voetbalwedstrijd,

of hockey misschien.'

De inspecteur sloeg linksaf.

'Hier rechts?' vroeg Lucie aarzelend.

'Er is hier geen weg naar rechts, maar de weg maakt een

scherpe bocht . .. nu.'

'J a, dat was het,' zei Lucie.

De inspecteur stopte.

'Waarom stopt u? Dat deden we vanmorgen niet.'

'Een rood verkeerslicht. Het zal vanmorgen op groen ge­

staan hebben,' meende de inspecteur.

'Van hier af reden de ontvoerders veel harder.'

'Dat kan kloppen. We zijn nu op de provinciale weg en

we rij den in oostelijke richting.'

'Nog wat sneller, lijkt me,' zei Lucie. 'Zo ja.'

Ze reden een poosje door zonder iets te zeggen.

'Ik ben niet erg goed in tijd schatten,' zei Lucie toen. 'Ik

zou zeggen dat dit een kwartier geduurd heeft. Misschien

iets korter. Daarna stopten we, waarschijnlijk weer bij een

verkeerslicht en daarna gingen we links.'

'We rijden nu een dorp binnen dat Oosterwijhe heet,' zei

de inspecteur. 'En hier is een verkeerslicht.'

'Is er rechts van ons een bakkerswinkel of zoiets?'

'Een grÇ>entewinkel.'

'Ik hoorde vanmorgen een nogal luide winkelhel.'

Inspecteur Saarloos stopte, stapte uit de auto en opende

de deur van de winkel. De bel was in de auto duidelijk te

horen.

'Ja hoor, dat was het,' zei Lucie. 'Hier dus links. Nu

rechts. Nu weer links. Nog even rechtdoor. Hier ergens

stoppen. We zijn een gebouw in gegaan aan de rechterkant.'

De inspecteur pakte haar hand. 'Je bent het meest op­

merkelijke meisje dat ik ooit heb gezien, Lucie. We staan

81


voor een hek. Achter dat hek is een oude school. Op het

schoolplein staat een bord dat mededeelt dat het sloopbedrijf

G.L. Bolderman en Zonen dit gebouw gaat afbreken. Ik herinner

me dat ik pas in de krant heb gelezen dat er een nieuwe

school in Oosterwijhe is geopend.'

Lucie lachte vrolijk. Het had best mis kunnen gaan. Eén

keer te vroeg of te laat naar links of naar rechts ...

'Het ziet er verlaten uit,' zei de inspecteur. 'Ik ga eens een

kijkje nemen. Vind je het erg om even te wachten?'

'Ik ga natuurlijk mee,' zei Lucie.

Binnen wachtte hen een teleurstelling. Lucie vond natuurlijk

gemakkelijk het lokaal terug waar ze de schilderijen

hadden gezien. Maar er was geen spoor van de mannen of

van een schilderij te bekennen.

'Ze hebben deze ruimte alleen vanmorgen even gebruikt,'

zei de inspecteur. 'Ze begrepen natuurlijk dat we vroeg of

laat deze school zouden vinden. Zoveel oude scholen zijn er

niet. Ik zal hier een ploeg heen sturen om te zoeken naar

vingerafdrukken en andere sporen. Hier ligt een stuk uitgespuugd

kauwgum. Het is nog zacht. Weet je soms of een

van de mannen kauwgum kauwde?'

'N ee, dat weet ik niet,' zei Lucie. 'Ik heb niks geroken.'

De inspecteur keek nog wat rond en besloot toen dat ze

naar huis gingen. Het gebouw zou nog diezelfde dag worden

uitgekamd. Mensen in de buurt zou worden gevraagd of ze

iets hadden opgemerkt. Het was zeer de vraag of dat iets zou

opleveren, want de school lag nogal eenzaam.

Een half uurtje later leverde meneer Saarloos Lucie thuis

af. Hij zei nog eens dat ze een formidabele meid was en dat ze

een grote carrière bij de politie voor de boeg had. Als hij zo'n

opmerkingsgave had als zij was hij al lang hoofdcommissaris

geweest, zei hij. Daarna ging hij terug naar het hoofdbureau.

Er was nog veel werk te doen.

Lucie ging naar boven en probeerde haar verhaal te slijten

aan haar moeder, die de rest van de avond in haar koorts-

82


en haar dochter in de slag zag met boeven en politie­

en, maar die, gewapend met het zwaard Excalibur, ie­

n de baas bleef.


7

Je raakt er niet over uitgedacht waarom de dingen zijn zo

ze zijn, waarom ze gebeuren zoals ze gebeuren. Waarom

de één dom en de ander intelligent? Waarom is de één sle

en de ander goed, althans minder slecht? Waarom word

één omringd door aanbidders, bewonderd en ten dans

vraagd en is de ander een muurbloempje? Waarom word

één een sportkampioen en verslappen bij een ander van

verlee de spieren, zodat hij eerst in een rolstoel terecht ko

en in een bed zal eindigen, zoals Geert? Waarom kan de

prachtig viool leren spelen en is de ander zo doof dat hij

eens weet wat muziek is?

Waarom is het kwaad in de wereld? Sommigen den

dat het allemaal berust op Gods wijze, door ons onbegre

raadsbesluiten. Vroeger dacht men dat een gehandica

moest boeten voor een duistere zonde, van hemzelf of

zijn ouders. Hij werd bespot en soms uitgestoten. Er zijn

culturen waar gehandicapten worden geliefkoosd en v

troeteld, je stemt de goden gunstig door ze even aan te

ken.

Patrick liet Victoria het verenigingsgebouw zien wa

de GEN GK bijeen kwam en ze maakte kennis met de kin

ren die er lid van waren. Ze zag twee jongens in een rols

tafeltennissen, ze zag een blinde jongen een andere jon

(zonder handicap) inmaken met schaken, ze hoorde

blind meisje pianospelen, zo'n twintig meisjes en jong

gehandicapt en niet gehandicapt, waren met elkaar bezig

amuseerden zich.

Het vraagstuk liet Patrick nooit los. Waarom? Was

stom toeval dat hij spastisch was geboren of had het


eden? Een oorzaak was te vinden, je kon het medisch be­

schrijven. Hij leed aan een spastische verlamming van zijn

benen, het gevolg van hersenletsel opgedaan tijdens zijn ge­

boorte. Maar waarom had hij dat opgedaan? Waarom hij en

niet iemand anders? Was er een reden?

Natuurlijk was er geen reden. Stom toeval. Altijd weer

kwam hij tot die conclusie en altijd weer was er iets in hem

dat zich er tegen verzette het slachtoffer te zijn van toeval.

Op toeval kun je niet kwaad worden. Toeval is onzijdig,

geslachtloos, karakterloos. Toeval is koudbloedig, onaan­

doenlijk, onvermurwbaar. Patrick haatte toeval.

Hij vertelde Victoria alles over de GENGK wat van be­

lang kon zijn voor Tony. Er waren kinderen voor wie de

club heel veel betekende, ook zwaar verminkte kinderen als

haar broertj e. Trouwens, er waren ook verschillende kinde­

ren zonder handicap die de GENGK niet graag zouden mis­

sen.

'Ik zal proberen er met mijn vader over te praten,' zei

Vïctoria. 'Als het niet lukt kun jij misschien eens op bezoek

kom,n en het er met hem over hebben.'

'Natuurlijk,' zei Patrick.

T om was al naar huis gegaan en Lucie was nog steeds niet

terug. Waarschijnlijk kwam ze niet meer. Het begon laat te

worden.

'Ik moet weg,' zei Victoria. 'We weten nu dat de Rey­

nolds en de Metsu bij dezelfde man zijn. Hoe vinden we

hem? '

'Misschien vindt de politie hem,' zei Patrick.

Victoria zuchtte. 'Dan komt uit dat hij mij heeft neerge­

slagen, de politie komt bij ons kijken en mijn vader gaat de

gevangenis in.'

'Dus moeten we hopen dat de politie hem niet vindt,' zei

Patrick.

'Ik weet het niet meer.'

'Ik bel je morgen op. Als ik m'n briljante idee heb gehad.'


Een beetje bedroefd zag Patrick haar gaan. Waarom kon

hij niks voor haar doen? Het probleem ging boven zijn

macht. Pessimistisch gestemd ging hij zelf ook naar huis.

Zijn moeder was er al. Ze vroeg vol belangstelling wat hij

die dag had gedaan.

'Naar de GENGK geweest,' zei hij.

Zou hij het bij die mededeling laten? Zou hij verzwijgen

wat ze werkelijk hadden meegemaakt?

Hij was dol op zijn moeder. De andere jongens en meisjes

waren te beklagen dat ze het moesten doen met de dames die

zij moeder noemden. Geen van hen kon in de schaduw staan

van de zijne. Miste hij zijn vader? Absoluut niet. Die was

weggegaan toen zijn zoon ruim een jaar was en het zichtbaar

werd dat hij leed aan een spastische verlamming. Daar kon

vader niet tegen, daar knapte hij op af. Moeder had hem

laten gaan zonder-een woord van verwijt en ze had de liefde

voor haar zoon verdubbeld. Patrick zag zijn vader weinig,

hoogstens één keer per jaar. Wat hem betrofhoefde het hele­

maal niet. Als ze elkaar ontmoetten gaf zijn vader hem gro ce

cadeaus, ook alweer uit schuldbesef, dacht Patriek. Hij ver­

geleek het in zijn gedachten met het verhaal van Victoria; hij

had het gedrag van meneer Roerig toch liever.

Het kon hem eigenlijk allemaal weinig schelen. Hij had

genoeg aan zijn moeder. Ze kenden elkaar door en door. Ze

wisten haast altijd wat de ander dacht. Ze vonden dezelfde

mensen sympathiek of antipathiek. Ze maakten dezelfde

soort grappen, behalve over zijn handicap. Patriek wist dat

zijn moeder zich soms verlaten voelde, een vrouw zonder

man, maar hij wist ook dat ze gelukkig was omdat ze hem

had.

Zou hij zijn moeder in vertrouwen nemen? In zijn hart

wilde hij dat graag. Het voordeel was dat ze goede raad zou

geven, het nadeel dat ze zich zorgen over hem zou maken.

Onzin allemaal. Twee andere dingen telden veel zwaarder.

Het voordeel was dat hij zich eerlijker tegenover haar zou

86


voelen. Het nadeel dat het eigenlijk tijn geheim niet was,

maar dat van Victoria. En dat gaf voorlopig de doorslag. Hij

had het recht niet over Victoria's narigheden te praten, en

dat was haast onvermijdelijk als hij over de ontvoering be­

gon.

'Heb je de boodschappen gedaan?' vroeg zijn moeder.

Ai, totaal vergeten.

'Ik zie het al, vergeten.'

'Sorry.'

'Mooie boel voor het weekend. Als beloning voor deze

daad van zorgvuldigheid gaan we buitenshuis eten,' zei

moeder.

'Vurige kolen op mijn hoofd.'

Een uurtje later gingen ze op weg, naar 'De tovenaars­

leerling' in de Mozartstraat, een groot café-restaurant.

'Je bent stil vanavond,' constateerde moeder. 'Zit je er-

gens mee?'

'Waar zou ik mee zitten?'

Een vraag waarop geen antwoord werd verwacht.

Het was rustig op straat. De winkels waren dicht. Bij

sommige waren de rolluiken al neergelaten, een troosteloze

verschansing tegen inbraak en een beeld van wantrouwen.

De herfst had nu definitief ingezet. Afgevallen bladeren

plakten aan de kozijnen. De trottoirs lagen vol kastanjes, die

lichtbruin-glimmend lagen te wachten op de dartele voet die

ze over de straat zou laten keilen. Niet alle voeten zijn dartel.

Patrick probeerde de kastanjes te vermijden, want het hob­

belde vervelend als hij er overheen reed.

Net voor ze het restaurant bereikten passeerden ze een

oude dame die kennelijk boodschappen had gedaan, want

haar armen waren vol pakjes. Te veel pakjes: één ervan ont­

glipte haar en viel op straat, naast Patrick' s rolstoel. Hij

stopte en reikte opzij om het op te rapen. Hij kon er net niet

bij. De oude mevrouw stond hulpeloos naast haar eigendom,

haar handen te vol en haar knieën te stram om het zelf op te


apen. Met een rolstoel kun je snel voor- of achteruit, een

eindje opzij gaan kost meer tijd. Voordat Patrick aan die

manoeuvre .kon beginnen had zijn moeder zich al gebukt en

had de dame het pakje gegeven.

'0, dank u, heel vriendelijk.'

'Sorry,' zei Patrick's moeder tegen haar zoon. Ze haatte

gebeurtenisjes als deze. Ze wilde dat ze thuisgebleven waren.

Ze haatte de mevrouw. Ze haatte het pakje.

'Geeft niet,' zei Patrick, maar het was of er een grauw

waas over de heldere avond was getrokken.

Ze gingen het restaurant binnen en zochten een plaats. De

mensen keken.

Of ze keken heel nadrukkelijk niet.

Patrick en zijn moeder waren daaraan gewend. Ze wisten

dat de mensen het niet konden helpen. Je kijkt of i e kijkt niet,

er zijn weinig andere mogelijkheden. Soms kun je er niet

tegen. Je zou ze op hun bek willen slaan.

Ze zochten in het menu en beslisten wat ze wilden eten. Er

kwam een ober, een nette man met een volstrekt neutraal

gezicht. Als je hem op straat in een gewoon pak was tegen­

gekomen had je met geen mogelijkheid kunnen zeggen ofhij

directeur van een bank was ofklerk, diplomaat of postbode.

'Mevrouw? ' vroeg hij afgemeten, zijn opschrijfboekje in

de aanslag.

'Eh . .. geef mij maar gebakken tong en vooraf . .. wat is

de soep van de dag?'

'Tomatensoep. '


'Goed, vooraf graag een kop tomatensoep.'

'Dat is genoteerd,' zei de ober, 'En wat neemt hij?'

'Vraag het hem zelf,' zei Patrick's moeder bits. 'Zijn tong

is niet gehandicapt.'

De ober keek verongelijkt.

'De kip met gember en ook de soep van de dag vooraf,'

zei Patrick.

Er zijn mensen die neerslachtigheid bij hun geboorte heb-

88


en meegekregen zoals een ander een wipneus. Ze merken

haarscherp op dat de zon onder gaat en hebben er geen oog

voor dat hij 's morgens ook weer opkomt. Ze stellen in de

herfst dagelijks vast dat het steeds vroeger donker wordt, en

vergeten er in het voorjaar notitie van te nemen dat de zon

steeds hoger aan de hemel komt te staan. Ze doen bretels aan

en een riem om en denken nog dat hun broek af zal zakken.

Patrick en zijn moeder hoorden niet bij deze categorie. Ze

waren allebei van nature opgewekt en optimistisch, ze lach­

ten veel en hadden hun spot voor de bretels en broekriemen.

Maar ook zij konden inklappen. Meestal gebeurde dat met

één van hen en dan was daar nog de ander om de opvrolijker

te zijn. Moeilijk was het als ze tegelijk, en om dezelfde reden

in een put doken, zonder iemand in de buurt om een touw­

laddertje aan te reiken.

Dat was nu het geval. Ze· aten zwijgend, of bijna zwij­

gend, net gesprek beperkte zich tot opmerkingen over de

kwaliteit van het gebodene, de temperatuur in het restau­

rant, het feit dat het over twee maanden alweer sinterklaas

was. Anders zouden ze het gehad hebben over het uitge­

streken gezicht van de ober, ze zouden hebben bepaald op

welk dier hij het meest leek, ze zouden . ..

'Het is hier warm.'

'J a, erg warm.'

Waarom kan iemand zich niet aan zijn eigen haren uit het

moeras trekken? Waarom zijn de bananen krom?

Allebei besloten ze in stilte minstens tien keer dat het

afgelopen moest zijn. Waarom de avond verpesten? Waar­

om maakten ze niet wat leuks van dit uitje?

Ze zagen geen kans de cirkel van neerslachtigheid te

doorbreken. Ze aten met lange tanden. De tong was droog,

net als Roos' eigen tong en de kip was niet lekker, net als

Patrick zelf. Iedere keer dat de ober achter Patriek langs

moest zag hij kans tegen de rolstoel te botsen, wat een irrite­

rend schokje gaf. De bloemen op hun tafeltje waren verlept.


De man aan het tafeltje naast hen rookte een stinkende si­

gaar.

'Over twee maanden is het alweer sinterklaas.'

Balen balen. Patrick voelde zich alsof hij uit een trechter

met graan moest klimmen; geen beginnen aan, hij liet zich

liever meevoeren naar de nauwe opening, wat had het voor

zin weerstand te bieden?

Zijn moeder zag hoe traag hij at. Ze zag dat zijn anders zo

heldere ogen dof waren en niets leken te zien. Ze zag hoe hij

zijn ellebogen steunde op de leuningen van de rolstoel om te

gaan verzitten. En als een zwarte moddergolf overspoelde

haar de eeuwig onbeantwoorde vraag: waarom?

De volgende dag was het over. De zon stak kordaat zijn

bovenste rand over de horizon, vastbesloten er een mooie

dag van te maken. Er hing een lichte nevel, die gauw zou

oplossen. Patrick en zijn moeder merkten van die eerste uren

niets, want ze sliepen. Maar toen ze eenmaal op waren en hun

Patrick-eitje aten bleek dat de sombere gedachten verdwe­

nen waren. Ze spotten zelfs met hun neerslachtigheid van de

vorige avond. Patrick zei dat zijn moeder op een slak had

geleken met de versnelling in de achteruit en hij kreeg zelf te

horen dat hij haar had doen denken aan haar vroegere aard­

rijkskundeleraar, die zo langzaam sprak dat je tussen iedere

twee woorden een broodje kon gaan halen bij de bakker.

'Over twee maanden is het alweer sinterklaas,' zei moe­

der sloom en ze lachte.

'Ik vraag een paar rolschaatsen,' zei Patrick en hij stak

zijn tong naar haar uit.

Na het ontbijt, tegen twaalven, belde hij Victoria. Ze ont­

moetten elkaar op de kade en ze brachten een paar uur samen

door.

'Mijn briljante idee laat nog even op zich wachten,' zei

Patrick.

'Het mijne ook.'


Dat was de enige toespeling die ze op de schilderijen

maakten. Ze spraken over hun leven, hun familie, de school,

hun vrienden, en ze vonden elkaar aardig.

Patrick ging nog even met haar mee naar binnen en

maakte kennis met meneer Roerig. Hij was een lange, grau­

we man, die ondanks het feit dat het zondagmiddag was een

das droeg, maar geen colbert. Hij bekeek Patrick eerst met

wantrouwen, maar toen bleek dat Tony zeer in deze vreem­

deling was geïnteresseerd ontdooide hij een beetj e. Dat wil

zeggen, hij schraapte zijn keel en stelde een vraag: 'Zit je bij

Victoria op school?'

'Nee, dat niet,' antwoordde Patrick.

Meneer Roerig vroeg niet verder. Hij boog zich over zijn

zoon en veegde met een servet diens mond af.

'Ik heb een spastische verlamming,' zei Patrick tegen T 0-

ny. 'Wat is er met jou aan de hand?'

T ony bewoog heftig met zijn hoofd.

'Auto-ongeluk,' zei Victoria.

Veel verder kwamen ze niet. Patrick sloeg het aanbod van

Victoria dat ze thee zou ztten af. Terwijl ze met hem mee

ging naar beneden, zei ze dat het bezoek toch goed was ge­

weest. Als hij vaker kwam zou haar vader misschien aan hem

wennen en dan kon hij met zijn GENGK op de proppen

komen.

's Avonds maakte Patrick, zoals bijna iedere zondag­

avond, nog een wandelingetje met Tom. Het duurde niet

lang of het begon te regenen.

'Ga nog even mee koffiedrinken,' zei Patrick.

Tom knikte. Buiten was er niet veel aan en met Patrick's

moeder kon hij het goed vinden. Ze zat te lezen toen ze

binnenkwamen, haar leesbril op haar neus. Ze keek over de

rand heen en zei: 'De politie heeft net gebeld. Ze willen je

morgenochtend spreken, Patrick. Ik heb gezegd dat je naar

school moest, maar ze vonden dat je maar moest spijbelen.

Het was belangrijk, zeiden ze. Ik mocht meekomen als ik


wilde. Ze willen Tom ook zien, liefst tegelijkertijd. Ze willen

graag dat je tolk voor hen bent. Ze wilden niet zeggen waar

het over gaat.'

'0,' zei Patrick.

Zijn moeder bestudeerde zijn gezicht. Hij keek een beetje

onbeholpen, zoals wanneer ze hem een cadeautje gaf, of

vooral als hij háár er een gaf.

'Wat is er aan de hand?' vroeg ze.

Patrick gebaarde naar Tom: 'Heb je het verstaan?'

Tom schudde zijn hoofd. De rand van het boek had in de

weg gezeten. Patrick stelde hem op de hoogte en zei daarna

tegen zijn moeder: 'We hebben gistermorgen gezien dat er

een man en een meisje in een auto werden gesleurd. Toen

hebben we de politie gebeld om het te melden. Ik denk dat ze

willen weten of we gezien hebben wat voor auto het was en

zo. ,

'En daar heb je me niks van verteld? Je ziet zoiets span-

nends en je vergeet het te vertellen?'

'Ik was niet zo spraakzaam gisteravond.'

Moeder keek argwanend.

'Tom, heb jij het aan je ouders verteld?'

Tom schudde zijn hoofd. Hij maakte een paar snelle ge­

baren.

.

1S .

,

'Wat zegt hij?'

Patrick grijnsde, 'Hij zegt dat hij nooit erg spraakzaam

Rosalinde stond op en schonk koffie in voor de jongens.

T om ging zitten. Patrick hees zich op uit de rolstoel en plofte

neer op de leren bank.

'Als ik niets méér te horen krijg, doe ik zout in je koffie,'

dreigde zijn moeder.

Wit.'

'Het meisje was Lucie,' zei Patrick. 'Je weet wel, Lucie de

'Dat blinde kind?'

Patrick knikte. 'Maar ze is alweer terug. We hebben haar

gisteren op de GENGK gezien.'


'Waar was ze dan geweest? Wat was er gebeurd? Ver­

dorie, hou me niet zo in spanning.'

Patrick keek vragend naar Tom. Die haalde zijn schou­

ders op.

'Het staat morgen allemaal toch in de krant,' gebaarde hij .

Natuurlijk, meneer Hendriks zou geen geheim maken

van wat hij had meegemaakt. En dus vertelde Patriek dat

meneer Hendriks gestolen schilderijen had moeten keuren

en dat Lucie er per ongeluk bij betrokken was geraakt.

'Vreemd dat je me dat niet meteen hebt verteld,' zei zijn

moeder.

Patrick en Tom zaten in een kale kamer met rechte banken

in het politiebureau. Inspecteur Saarloos liet hen een kwar­

tiertje wachten, misschien om hen zenuwachtig te maken.

Daar slaagde hij in. Ze waren lang niet zo koelbloedig als

Lucie. Er zaten nog verscheidene andere mensen in het ver­

trek, een vrouw met een behuild gezicht, een ongeschoren

man, een jong stel dat onophoudelijk met elkaar zat te fluis­

teren.

'Denk er aan, we zeggen onder geen voorwaarde dat Vic­

toria erbij was toen Lucie ontvoerd werd,' gebaarde Patrick.

'En als Lucie dat heeft verklapt?'

Tja, ik ben niet voor niks zenuwachtig, dacht Patrick. Er

kan van alles mis gaan. Hij wou dat hij rustig op school zat.

Daar miste hij een uur Frans, een vak waar hij een grote

hekel aan had, maar nu leek het hem verrukkelijk.

'Ik zal net doen alsof ik niks versta,' gebaarde Tom. 'Dat

geeft ons tijd om te overleggen, als jij zogenaamd de vraag

aan het vertalen bent.'

Een dikke bromvlieg, die zijn tijd lang had overleefd,

kroop traag over de ruit, die streperig was van het vuil. Een

kwartier kan lang duren. De ongeschoren man haalde zijn

neus op. De vrouw veegde langs haar gezicht met een zak­

doek. Het tweetal fluisterde. De deur ging open, een man

93


kwam binnen, draaide een zinloos rondje in het vertrek en

ging weer weg.

Tom keek Patrick aan en glimlachte.

En toen werden ze gehaald. Ze werden naar het bureau

van inspecteur Saarloos gebracht, die zichzelf voorstelde en

daarna uitvoerig hun namen ging opschrijven, geboorteda­

tum, adres, de hele boel.

'Ik wil jullie een paar vragen stellen.'

Hij wachtte even en keek hen aan. Patrick voelde zijn hart

kloppen, wat het altijd deed, maar wat hij zelden voelde.

'Patrick,' zei de inspecteur, 'ben jij een ornitholoog?'

Dit was een openingszet waar Patrick niet van terug had.

Een ornitholoog? Zijn wenkbrauwen gingen omhoog. En

Tom gebaarde: 'Waar heeft hij het over?'

'Een ornitholoog is een kenner van vogels,' zei meneer

Saarloos. 'Het schijnt dat jij dat bent.'

'Ik kan nauwelijks een mus van een ooievaar onderschei­

den,' zei Patrick.

De inspecteur drukte op een knopje en zei in een apparaat

dat op zijn bureau stond: 'Laat JooP Lakerom even binnen-

-

komen.'

Een ogenblik later stapte de agent binnen die Patrick ken­

de als JooP en met hem stapte in zijn herinnering de nachte­

gaal binnen.

'Op zondagavond 25 september heb jij, laat in de avond,

in de straat naast het Jan Steen-museum, tegen JooP ver­

klaard dat je naar een nachtegaal zat te luisteren. Klopt dat?'

'Dat is juist, inspecteur,' antwoordde JooP voor Patrick.

'Patrick?'

'Jawel, inspecteur.'

'Ik heb nog nooit gehoord dat er nachtegalen in die buurt

zijn aangetroffen.'

'Ik meende er vast een te horen, maar hij hield zijn mond

toen de politieauto eraan kwam.'

'En waar was Tom?' vroeg de inspecteur. 'Naar ik hoor

94


zijn jullie op vrije dagen bijna altijd samen. Waar was Tom

die avond?'

Patrick wendde zich naar zijn vriend, alsof hij de vraag

overbracht. In werkelijkheid overlegden ze.

'T om gaat nooit mee als ik naar vogels ga luisteren,' zei

Patrick. 'U begrijpt, zijn gehoor . . .'

'Eh, ja,' zei de inspecteur. Hij voelde weer dezelfde ver­

legenheid in zich opkruipen als een paar dagen eerder met

Lucie. Die kinderen met hun handicaps begonnen op zijn

zenuwen te werken. 'Luister, jongeman, ik denk dat terwijl

jij zogenaamd je ornithologische belangstelling uitleefde,

Tom zich bevond in de kelder van het museum, voor welk

doel hij een ruit had ingeslagen.'

T om wachtte even tot Patrick een paar gebaren had ge­

maakt en pas toen hief hij zijn armen ten hemel om zijn

verbazing te uiten over zulke onzin.

'Hij begrijpt niet waar u zulke, eh on ... eh, hoe u daarbij

komt.'

'J oop, je wordt bedankt,' zei de inspecteur. En toen de

agent weg was, vervolgde hij :

'Jij was in het straatje naast het museum op de avond dat

het ruitje is ingeslagen. Jullie zijn tweemaal daarna in het

museum geweest, één keer met het vreemde verhaal dat ie­

mand een schilderij in het museum zou hebben gebracht, en

één maal om het boek met reprodukties van Sir Reynolds te

bekijken. Toen meneer Hendriks werd ontvoerd om hem te

laten bestuderen of het schilderij dat eertijds uit het Jan Steen

is gestolen echt is, waren jullie in de buurt om dat waar te

nemen. Dat is me allemaal een beetje té toevallig. Vertel op,

wat hebben jullie ermee te maken?'

Patriek nam zijn tijd om dit allemaal naar Tom te ver­

talen. Heerlijk om niet meteen te hoeven antwoorden.

'Ik kan die gebaren van jullie niet volgen,' zei de inspec­

teur, 'maar volgens mij zitten jullie te overleggen wat je zult

antwoorden. Ik kan natuurlijk iemand anders laten komen

om met Tom te spreken.'

95


'Ik heb dat kapotte ruitje die avond gezien,' zei Patriek.

'Daarom was ik er zo in geïnteresseerd wat er over in de

krant stond. Ik heb het de volgende dag aan Tom verteld en

toen zijn we gaan fantaseren.'

T om maakte een paar gebaren.

'Ja, en toen dachten we later dat we misschien gelijk had­

den gehad en dat meneer Hendriks zelf een schilderij achter­

over heeft gedrukt. We wilden opnieuw met hem in contact

komen, maar we durfden er niet nog een keer heen te gaan.

Daarom hebben we Lucie gevraagd om mee te doen. Ze zou

vragen of hij haar wilde helpen met oversteken en dan zou­

den wij er later bijkomen. Maar voor het zover was werden

ze in een auto gesleurd. We zijn ons rot geschrokken.'

Met een paar snelle gebaren vertelde hij aan Tom wat hij

had gezegd. Hij was tevreden over zichzelf. Hij vond dat het

overtuigend had geklonken, waarschijnlijk omdat hij zo

dicht mogelijk bij de waarheid was gebleven.

'Zo,' zei de inspecteur. 'Dus jullie hebben dat ruitje niet

zelf ingeslagen.'

zien.'

'Natuurlijk niet,' zei Patriek verontwaardigd.

'En jullie hebben het schilderij van Reynolds nooit ge­

'Nee,' zei Patriek naar waarheid. Tom had het gezien, hij

niet. De inspecteur was het niet met zichzelf eens of hij hen

geloofde. Hij had het gevoel dat er meer achter zat, maar hoe

kon dat? Konden twee gehandicapte jongens bij een schilde­

rijendiefstal betrokken zijn? 't Wilde er moeilijk bij hem in.

Anderzijds, helemaal open kaart speelden ze niet.

Hij liet hen vertrekken. Ze voelden zich opgelucht toen ze

buiten stonden. Direct naar school gaan leek hen een beetje

overdreven. Ze streken neer in de koffieshop op het markt­

plein en trakteerden zichzelf op een ijsje.

'Er is weinig speurwerk voor nodig om erachter te komen

dat we die zondagavond samen naar de stad zijn gegaan,'

gebaarde Tom.


'Jij was al eerder naar huis.'

'En wie gelooft dat?'

'Als ze echt op ons gaan letten hebben ze over een poosje

Victoria ook ontdekt. V ergeet niet dat ze zal opvallen, omdat

ze pas is overvallen,' zei Patrick. Hij schrok zelf van die ge­

dachte. Alle schilderijen moesten daar weg. Het was veel te

onveilig geworden.

De Franse les was intussen voorbij. Ze gingen ieder naar

hun eigen school. Ze vonden dat het leven behoorlijk inge­

wikkeld was.

97


8

De volgende morgen kreeg Patrick zijn IDEE. Waar kwam

het vandaan? Was het de condensatie van de verwarde dro­

men die hem voor zijn gevoel de hele nacht hadden achter­

volgd? Werd het aangevoerd door de herfststormen, die om

het huis loeiden en een fluitend geluid gaven in de schoor­

steen? Was het idee het gevolg van een onbewust gevoerd

gesprek met zichzelf? Was het bij hem opgekomen omdat hij

op grond van een hogere, onbegrepen rechtvaardigheid aan

de beurt was? Was het een logisch gevolg van de gebeurte­

nissen, een conclusie die niet uit had kunnen blijven?

Wat ook de ontstaansgrond was van het idee, waar het

ook vandaan kwam, Patrick genoot. Hij floot terwijl hij zijn

douche nam. Hij, dOe onmuzikale, aan wie op school altijd

vriendelijk verzocht werd niet mee te zingen als de inspec­

teur van het onderwijs op bezoek kwam en de tijd was geko­

men om ook de vocale prestaties van de klas te beoordelen,

hij floot. Zijn moeder nam er uit de verte nota van, vertrok

haar gezicht in een pijnlijke grimas en dacht: of hij heeft een

kaakverscheurende kiespijn, of hij heeft het wondermiddel

geslikt waardoor hij ineens kan lopen.

Patriek wiegde zijn idee in zijn astrale armen, hij knuffel­

de en zoende het, hij bewonderde de schoonheid ervan met

dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee een moeder vaststelt

dat er geen mooiere baby is dan de jonge prins die zij net het

leven heeft gegeven. Ik heb nu een paar maal gezegd tegen

Victoria dat ik binnenkort met mijn briljante idee zou ko­

men, dacht hij, en kijk, daar is het. Hij was aanvankelijk

bereid zijn idee kritisch onder de loep te nemen. Hij liet er

geen ontwrichtende argumenten op los. Het idee was goed,


het was waar, het kon niet kapot, dat wist hij zo'zeker als de

beer weet dat honing lekker is, als de regen weet dat hij naar

beneden moet, als de hand weet dat hij zich moet terug­

trekken als hij zich brandt.

Natuurlijk was het een eenvoudig idee. Hij had het weken

eerder kunnen hebben. Hij had het móeten hebben, het was

oerstom dat hij er nu pas opkwam. Maar ja, waren niet alle

ideeën eenvoudig als je ze eenmaal had? Columbus had zich

niet van de wijs laten brengen toen iemand had gezegd dat

het ontdekken van Amerika eigenlijk doodsimpel was. Die

had een ei met een klap op tafel gezet. 0 zo. De wasknijper

was ook zo ingewikkeld niet, maar iemand was er wel miljo­

nair door geworden. Nee, hij ging zijn eigen idee niet af­

kraken.

Tenzij het verkeerd was natuurlijk. Hij kon het mis heb­

ben. Het was zelfs waarschijnlijk dat hij het mis had. Er

konden duizend redenen zijn waarom hij het niet bij het

rechte eind had, De kans dat hij gelijk had was miniem.

Miniem? Helemaal niet miniem. Groot, kolossaal, het was

bijna zeker. Er was geen andere oplossing. Het verklaarde

alles.

Het fluiten hield op. Het denkproces begon. Het wonder­

middel heeft toch niet gewerkt of de kiespijn is over, dacht

zijn moeder. Het idee moest getoetst worden op bruikbaar­

heid, op waarheidsgehalte, dacht Patrick. Dat kon misschien

deze zelfde dag nog gebeuren.

Terwijl hij met zijn moeder zat te ontbijten kostte het hem

moeite niet te praten over wat hem bezighield.

'Wat floot je prachtig,' zei moeder spottend.

'Ik ben een expert op het gebied van nachtegalen,' ont­

hulde Patrick. 'In feite ben ik een amateur-ornitholoog.'

'Sj onge jonge.'

Hij slokte zijn thee haastig naar binnen en ging toen naar

de telefoon om Victoria op te bellen. Ze was nog net niet

naar school. Hij sprak af dat ze elkaar 's middags zouden

99


ontmoeten. Weinig dingen in dit leven zijn zo stimulerend

als creativiteit. Als je het gevoel hebt dat je iets nieuws tot

stand hebt gebracht kan de dag niet meer kapot. Het werkt

als een drug. Je wordt er high van. Patrick vond het een

verrukkelijk gevoel.

Tom ging natuurlijk ook mee. Ze hadden afgesproken bij

Brinkers, de koffieshop op het marktplein. Victoria trakteer­

de. Ze zei dat ze veel zakgeld kreeg, al was de laatste tij d alles

opgegaan aan het laten maken van de foto's en het kopen van

de lijsten.

'J e hebt indruk op mijn vader gemaakt,' zei ze. 'Hij vroeg

me dingen over je. Vooral waarom je in een rolstoel zit.'

'Dat vragen mensen altijd. Maar nooit aan mij .'

Ze likten in alle rust aan hun ijsje. Patrick vond dat het

moment was gekomen.

'Ik denk dat ik weet waar de schilderijen zijn,' zei hij

achteloos.

T om staarde hem met open mond aan.

'Zei je wat ik denk dat je zei?' gebaarde hij .

Patrick knikte en likte.

'Ben je met je hoofd tegen een boom gereden? ' infor­

meerde Victoria met warme belangstelling. 'Hersenbescha­

diging opgelopen? Zonnesteek? De ziekte van Melodius? '

'Wat is de ziekte van Melodius?'

'Een nieuwe ziekte voor het verschijnsel dat jij hebt.

Waanvoorstellingen' die zich plotseling voordoen, bij het

eten van ijs.'

'Ik denk dat ik het weet,' glimlachte Patrick. 'En jij zou

het ook kunnen weten, Tom.'

'Ik?'

'Ja, jij. Je beschikt over dezelfde gegevens als ik.'

'Lucie weet het niet eens, en die is toch bijna helderzien-

de,' vond Tom.

Victoria zei: 'Ik weet wat. Je vertelt ons wáár de schilde-

100

...


ij en zich volgens jou bevinden en daarna leveren we je lief­

devol af bij de Zonneheuvel.'

den.

De Zonneheuvel was een tehuis voor geestelijk gestoor­

'Ik denk dat de Reynolds en de Metsu te vinden zijn in de

kelder, of misschien ook gewoon in een kast, of eventueel

zelfs aan de muur, van een gebouw in de Pottenbakkersstraat,

om precies te zijn Pottenbakkersstraat 53. '

'Zullen we dan nu maar gaan?' zei Victoria medelijdend.

'Wil je niet weten waarom de schilderijen daar zijn?'

'Ik bedoel naar de Zonneheuvel,' verduidelijkte Victoria.

Maar Tom sloeg met zijn vlakke hand tegen zijn hoofd.

'Gert Veenman,' spelde hij.

Patrick knikte.

'Die zondagavond . .. In plaats van weg te gaan heeft hij

ons bespied. Hij is Victoria gevolgd.'

'Zo moet het gegaan zijn,' zei Patrick.

'Moet ik uit deze pantomime opmaken dat jij hem ge-

looft?' vroeg Victoria aan Tom.

Tom knikte wel vijf keer, er kwam geen eind aan.

'Zou ik dan mogen weten . . .'

Patrick ging nu ook over op gebarentaal. 'En je herinnert

je dat gebouw in de Pottenbakkersstraat?'

'Ja, daar was ik toch bij,' gebaarde Tom.

'Vertel,' siste Victoria.

'Het is nog meer in verval geraakt,' gebaarde Patrick ver­

der. 'Er komt nooit iemand. Een veilige plaats.'

'Zo dadelijk gaan alle ramen hier eraan,' fluisterde Victo­

ria. 'Dan gil ik zo hard dat ze het niet houden. Vertel!'

'Tja, dat gaat nu even niet,' zei Patrick. 'Ik moet nodig

weg. Naar de Zonneheuvel.'

Victoria stond op en gaf hem een dikke klapzoen op zijn

wang. Toen een op de andere. 'Vertel,' smeekte ze.

'Nog twee,' zei Patrick. 'Dan is alles vergeven en ver­

geten.'

101


Hij kreeg ze en hij vertelde.

'Tom en ik kennen een familie Veenman. De vader heeft,

of had vroeger, een schoonmaakbedrijf. Hij maakte veel

schoon voor de overheid, vooral scholen. Daarom had hij

sleutels van die scholen. Pottenbakkersstraat 53 is een oud

herenhuis, dat in de jaren na de oorlog, toen er te weinig

scholen waren, een tijd heeft dienst gedaan als Atheneum, of

hoe dat toen heette. Of eigenlijk was het Atheneum over een

stuk of wat van dat soort gebouwen verspreid.

Nadat het nieuwe Atheneum op het Javaplein in gebruik

is genomen hebben al die gebouwen een andere bestemming

gekregen, behalve dat in de Pottenbakkersstraat. Te oud, te

vervallen. De nieuwe school heeft er een tijdje spullen in

opgeslagen en daarna is het gebouw min of meer vergeten.'

'Ga verder,' zei Victoria met glinsterende ogen.

'Jeroen Veenman heeft een tijdje bij de GENGK gezeten.

Zo hebben we die Veenmannen leren kennen, onder andere

een oudere broer Gert. Op een zaterdagavond wilden we

tafeltennissen en toen was er geen enkel ballee meer. En de

winkels waren dicht. Die Gert was er toevallig, kwam zijn

broertje halen of zoiets, en die zei dat hij er een paar wist te

liggen. We zijn toen met hem meegegaan naar Pottenbak­

kersstraat 53. Hij bleek een sleutel te hebben. Hij had een

hele bos sleutels, Tom en ik hebben nog tegen elkaar gezegd

dat die Veenmannen waarschijnlijk kopieën maakten van de

sleutels van alle gebouwen waar ze schoonmaakten. Want ze

deugen niet. Die vader heeft een keer een proces aan zijn

broek gehad wegens oplichterij en Gert heeft al eens een

poosje in een jeugdgevangenis gezeten.'

'Hij zat bij zo'n jeugdbende die inbraken pleegde,' ge­

baarde Tom en Patriek vertaalde het.

'Nou, die zondagavond dat we jou zagen bij het museum,

was Gert er ook bij. Hij ging meteen weg, hij wilde er niks

mee te maken hebben, zei hij. Wij dachten dat hij bang was

voor de politie, maar dat was natuurlijk reuze stom van ons.

102


Hij rook een kans. Ik ben ervan overtuigd dat hij alles heeft

gezien, dat hij jou is gevolgd, en dat hij je twee dagen later

op je hoofd heeft geslagen en je het andere schilderij heeft

afgepikt. Maar eerst heeft hij natuurlijk die zondagnacht de

Reynolds uit het museum gehaald. De makkelijkste inbraak

van zijn leven.'

'Of zijn vader heeft het gedaan, of zijn nog oudere broer,'

gebaarde Tom.

'Hoe ben je op het idee gekomen?'

'Waarschijnlijk door het verhaal van Lucie over die verlaten

schooL Dat heeft me aan die Veenmannen met hun

scholen doen denken.'

'Ze kunnen de schilderijen net zo goed ergens anders hebben

verstopt,' zei Victoria.

'Natuurlijk. Maar die Pottenbakkersstraat is een prachtig

plekje.' Er viel even een stilte. Ze moest"en diep ademen om

hun opgewondenheid de baas te worden. De baas van de

koffieshop keek in hun richting. Misschien vond hij dat ze

wat lang bleven met maar één consumptie.

'Dit vraagt erom gevierd te worden met een tweede ijsje,'

zei Victoria.

'Ja,' zei Patriek, 'ik zal ze halen.'

'Niks ervan. Vandaag trakteer ik.'

Toen ze terugkwam zei ze: 'Ik heb me vergist. Het is niet

de ziekte van Melodius, het is het theorema van Melodius. De

man was een genie.'

'En wat nu?' gebaarde Tom.

'Erheen,' vond Patriek.

'Ik weet niet,' aarzelde Victoria. 'Mijn vader verwacht

me. Vanavond heb ik gitaarles. Ik kan niet mee.'

'Ik moet ook naar huis,' liet Tom weten. 'Kunnen we het

bezoek aan de Pottenbakkersstraat uitstellen tot morgen?'

'Oké,' zei Patriek.

'Komen jullie dan morgen na school bij mij,' stelde Victoria

voor. 'Dat vindt T ony ook leuk. Hij was helemaal opgewonden

over die twee bezoekjes van jou, Patriek.'

1°3


Aldus werd afgesproken. Nog een dag wachten voor het

jonge genie zou weten of hij het bij het rechte eind had.

Ze kwamen in het uur dat meneer Roerig naar de bank was.

T ony bewoog heftig, van puur enthousiasme volgens Victo­

ria. Tom zag voor het eerst de wonderlijke kamer met de

gordijnen, die even open gingen om hem de resterende

kunstwerken te tonen. Patriek zat in een stoel naast T ony en

praatte met hem. Hij vertelde dat hij gewoonlijk in een rol­

stoel zat, maar dat die niet langs het kast je in de gang kon

Hij vertelde hoe hij aan zijn handicap kwam. Hij vertelde

over de GENGK. Tom volgde het van een afstandje met zijn

ogen. Victoria lette op het gezicht van haar broertje.

'Hij volgt precies wat je zegt,' zei ze.

'Dat denk ik ook,' zei Patriek en hij ging door met de

gehandicapte jongen te vertellen over het leven buiten, over

hoe lastig het kon zijn om over een steil brugge* te gaan,

over hoe vervelend sommige mensen waren en hoe aardig

anderen.

'Wil je een ritje maken in mijn rolstoel? Hier, in het trap­

pehuis?' Tony's hoofd ging wild van links naar rechts, van

rechts naar links.

'Volgens mij betekent dat "ja",' zei Patriek.

Hij liep met zijn krukken naar zijn rolstoel en bracht die

door de voordeur naar de overloop. Victoria en Tom pakten

elkaars handen met gekruiste armen beet, zodat er een

stoel* gevormd werd, en droegen Tony daarop naar de

rolstoel. Hij hing er raar scheef in maar dat gaf niet. Terwijl

Patrick steunend op zijn krukken toekeek reden ze het kind

over de gang, een paar meter heen, een paar meter terug.

Nog eens en nog eens.

En T ony lachte.

Toen Victoria dat zag kreeg ze het even te kwaad. Ze liet

het aan Tom over om de stoel te duwen en ging naar het

keukentje om haar gezicht een koude plens te geven. Patriek


ging haar langzaam achterna. Hij leunde tegen het aanrecht.

'Gaat het?'

Ze lachte naar hem met haar natte gezicht. 'Ik ben toch zo

sentimenteel,' zei ze.

'J e vader moet een rolstoel voor hem kopen.'

'Ja, dat moet hij . Patrick, je bent een . .. je bent een .. .'

'Wat ben ik?'

'J e bent een held.'

T oen ze dat gezegd had ging ze snel weer naar de voor­

deur en daar zag ze haar vader op de bovenste trede van de

trap naar beneden staan. Hij keek naar zijn zoon, die nog

steeds door Tom heen en weer gereden werd. Hij zei niks,

hij bleef kijken. Het was een vreemde scène: Victoria en

Patrick in de deuropening, de dove, glimlachende jongen

die het zwaar gehandicapte kind over een afstand van nog

geen vier meter heen en weer reed en de grijs geworden

vader, die met een openhangende jas stond te kijken als naar

een circusvoorstelling. Het duurde minutenlang. Niemand

zei wat. Stap stap stap gingen de voeten van Tom.

'Hû . . . ûn, hû . .. ûn,' deed Tony en hij lachte.

Toen zijn hoofd verder dan gebruikelijk opzij zakte liep

meneer Roerig naar hem toe en tilde hem uit de stoel.

'T ony wordt moe,' zei hij en hij droeg zijn zoon terug

naar de kamer. Daarna ging hij naar een kast en haalde er

drie repen chocola uit, die hij uitdeelde zonder iets te zeggen.

Patrick en Tom voelden dat ze nu maar beter weg konden

gaan en met Victoria gingen ze naar het park. Ze waren de

Pottenbakkersstraat even vergeten, maar nu was die weer

aan de beurt.

'Volgens mij is je vader heel aardig,' zei Patrick.

Victoria knikte.

'Hij moet niet gepakt worden. De schilderijen moeten bij

jullie weg, hoe eerder hoe beter.'

'Misschien zeg ik het tegen hem,' zei Victoria.

'Maar nu die andere twee. Ik stel voor dat we vanavond

105


laat, zeg na elf uur, proberen in te breken in de Potten­

bakkersstraat,' zei Patrick. 'Ik klim wel in de regenpijp. Mo­

gen jullie zo laat nog weg?'

'Ik heb een huissleutel,' zei Victoria. 'Mijn vader en T ony

slapen tegen die tijd.'

'Ik mag zeker niet,' gebaarde Tom. 'Maar ik kan vanuit

het raam van mijn slaapkamer in de kastanje komen. Heb ik

meer gedaan.'

'Ik overtuig mijn moeder wel,' zei Patrick. 'En als we dè

Reynolds en de Metsu vinden, hoe nemen we ze dan mee en

waar brengen we ze naar toe?'

'Ik zal een paar oude paarde dekens meebrengen,' stelde

Victoria voor. 'Jij woont het dichtst bij de Pottenbakkers­

straat, Patrick. Kunnen we ze bij jou verstoppen?'

'Ze kunnen wel in de fietsenkelder.'

'Tot vanavond elf uur dan. In de Pottenbakkersstraat,

voor nummer 53. Nou nee, niet vlak ervoor. Een bee* uit

het zicht.'

'T ot straks.'

Het gebouw stond een meter of veertig van de weg. Er was

een hek om het terrein, maar dat was zo geteisterd door de

tand des tijds dat zelfs Patrick er gemakkelijk door kon ko­

men. Ze waren blij toen ze uit het schijnsel van de lantaarn

op de Pottenbakkers straat waren en in de luwte van het oude

huis konden overleggen hoe ze naar binnen konden komen.

Het spreken met Tom werd bemoeilijkt door het gebrek aan

licht, maar met behulp van de zaklantaarn lukte het.

T om verdween geruisloos voor een inspectie. Een mi­

nuut of vijflater was hij terug, met de mededeling dat er aan

de achterkant een bijkeuken was met een kapot raam. Het

zou hem geen moeite kosten daar binnen te komen. Ze gin­

gen er met z'n drieën heen. Hoewel ze nu echt uit het gezicht

van de weg waren, klopte het hart hen toch in de keel.

'Gaan jullie maar,' zei Patrick. 'Ik verdedig de tuin.'

106


Victoria probeerde zijn gezicht te zien. Dat lukte niet,

door de duisternis of omdat hij het had afgewend?

Ze liepen om. Intussen was Tom er al in geslaagd het

raampje open te maken. Hij klom naar binnen en even later

schoof hij de grendel van de achterdeur open. Victoria gaf

Patrick een kneep in zijn arm en verdween naar binnen.

Patrick bleef in het donker achter. Tom had de zaklamp

meegenomen. Het duurde lang. Hij reed naar de linkerzijkant

van het gebouw, daarna naar de rechterkant. Hij probeerde

iets op te vangen van het schijnsel van de lamp in het

gebouw, maar hij zag niks. Horen deed hij evenmin iets,

behalve de geluiden van de straat. Stopte daar een auto? Ja,

wel degelijk. Hij zag de lichten over de tuin scheren, voelde

dat zijn hart een slag oversloeg, maar er was niks aan de

hand. De auto was bezig achterwaarts een particuliere garage

aan de overkant van de Pottenbakkersstraat in te draaien.

Het zou toch aardig zijn als ik nu werkelijk een nachtegaal

hoorde, dacht Patrick, maar natuurlijk was daar geen

sprake van. Hij probeerde op zijn horloge te kijken. Te donker.

Hoe lang waren ze nu al weg? Een kwartier? Een half

uur? Ineens was hij ervan overtuigd dat ze de schilderijen

niet zouden vinden. Hij was er nog steeds zeker van dat Gert

achter de diefstal zat, maar hij kon ze op duizend andere

plaatsen verborgen hebben.

Nu waren ze toch vast al een uur weg. Zijn moeder zou

ongerust zijn. Hij had gezegd dat hij nog weg moest, dat hij

niet kon zeggen waarheen, dat ze hem moest vertrouwen.

Hij wist dat het moeilijk voor haar was hem te laten gaan.

'Ontvoering, politie en nu dit,' had ze gezegd. 'Waar ben je .

mee bezig? Waarom mag ik het niet weten?'

'Het is voor een goed doel,' had hij gezegd, 'ik zal het je

later uitleggen.' Rot vond hij het wel. Hij had nooit echt

geheimen voor haar. Ze zat zeker op hem te wachten, ze zou

niet naar bed gaan voor hij terug was.

Hoorde hij iets in het huis? Zijn ogen priemden door de

1°7


donkerte. Ja, de deur van de bijkeuken ging open en twee

gestalten kwamen naar buiten. Hadden ze iets in hun handen?Ja,

waarachtig, Tom had een groot ding in zijn armen

en Victoria iets kleiners. De schilderijen, ze hadden ze!

Kan iemand fluisterend juichen? Victoria kon het.

'We hebben ze, we hebben ze!' juichte ze zachtjes. Ze

zette haar pak tegen de rolstoel en omhelsde Patrick. 'Je had

gelijk. We vonden ze in een kast in een lokaal waar nog een

vierkantsvergelijking op het bord stond. Kijk!'

Ze hield het schilderij een eindje bij Patrick vandaan en

scheen er met de lantaarn op. Het was de Metsu, 'Kind aan

het raam', met lijst en al, onbeschadigd. Daarna scheen ze op

de Reynolds, 'Zelfportret met hoed', die Tom op zijn voet

had gezet om de lijst niet modderig te maken.

'Sorry dat het zo lang heeft geduurd,' zei Victoria. 'We

zijn in de kelder begonnen en toen van lieverlee naar boven

gegaan. Het was een heel werk in het donker.'

'Geeft niet. Hier zijn de paardedekens.'

Tom wikkelde de schilderijen erin en zette ze voor Patrick's

voeten op de rolstoel. De straat was verlaten. Als ze

nu de politie tegenkwamen ... Gelukkig was het niet ver en

ze bereikten Patrick's huis zonder dat iemand hen zag.

'Mijn moeder is zeker nog op,' zei Patrick. 'Hier is de

sleutel van de fietsenkelder. Tom, jij weet wel welk vak van

ons is, hè? Als jullie ze in een hoek zetten met wat ouwe

rommel ervoor, vindt niemand ze. Mijn moeder komt er

zelden.'

Maar net voordat de beide anderen naar binnen wilden

gaan, sloeg hij met zijn vuist in zijn open hand.

'We zijn stommerds. We moeten de Reynolds nu meteen

naar het Jan Steen brengen. We kunnen morgen niet opnieuw

zo laat op stap gaan. Er is bijna niemand op straat. We

weten de weg. Wat we-met de Metsu doen, zien we later nog

wel. Dat schilderij is klein en handzaam, dat past achter de

rugleuning van mijn stoel. Daar kunnen we ook overdag

108


mee over straat. Maar dit grote bakbeest ... Kom op, we

brengen het meteen weg. Zetten jullie eerst de Metsu even in

de fietsenkelder.'

'Het rijdende genie heeft weer gesproken,' zei Victoria.

'Ik volg de leider.'

Het liep allemaal gesmeerd. Tom bracht de Metsu naar

beneden en zonder last te hebben van politieauto's of andere

ongemakken bereikten ze het Jan Steen-museum.

'Hier ligt een baksteen,' constateerde Victoria.

Met de hand van de professional sloeg ze het splinternieuwe

ruitje van de kelder van het museum in. Ze had tenslotte

oefening. Tom klom naar binnen en kreeg het schilderij

door Victoria aangereikt. In een oogwenk was hij weer buiten

en ze maakten zich uit de voeten.

'Operatie met succes uitgevoerd,' zei Patrick. Hij voelde

zich alsof hij het bevel voerde over een heel legerkorps.


9

Op een punt waar een rivier zich door een nauwe opening

moet wringen ontstaat een stroomversnelling. Om iedere

seconde evenveel water door die nauwte te krijgen als daar

waar de rivier breed is, moet het water wel sneller gaan.

Patrick had het gevoel dat zijn leven in zo'n stroomver­

snelling was geraakt. In een paar weken balden zich een

massa emoties samen, waardoor het binnen in hem woelde

en kolkte. Hij hield dingen verborgen voor zijn moeder, zijn

grote vriendin, en zijn moeder wist dat. Hij had een meisje

ontmoet waar hij meer om gaf dan om enig meisje daarvoor.

Ze was niet gehandicapt en ze zou dus nooit iets om hem

kunnen geven, daarvan was hij zeker. Hij was betrokken in

een zaak van diefstal, echte misdaad dus. En hij had het

gevoel gekregen dat hij leiding kon geven, dat Tom en Vic­

toria wachtten op wat hij zou beslissen.

Dat was veel tegelijk. En daar was ook nog Tony. Hij

moest T ony helpen om iets van de wereld te zien, om weg te

komen uit zijn kooi. Want een kooi was het, als van een

kanarie, die immers ook goed van voedsel en drinken wordt

voorzien.

Ik moet orde scheppen, dacht Patriek. Orde in mijn ge­

voelens en orde in de dingen die moeten gebeuren. Hij

maakte in zijn hoofd een lijstje.

r. Ik moet Victoria beschouwen als een goede vriendin en

niks méér. (Hij wist diep in zijn hart dat punt één zou misluk­

ken.)

2. Ik moet mijn moeder laten weten dat ze me kan ver­

trouwen en dat ik haar vertrouw.

seum.

De Metsu moet terug naar het Nieuw Provinciaals Mu­

IlO


4. Alle overgebleven schilderijen moeten zo gauw mogelijk

weg bij de Roerigs.

5. Tony moet mee naar de GENGK.

Punt twee was het gemakkelijkst. Dat regelde hij meteen

de volgende morgen aan het ontbijt. De vroege ochtend was

een goed moment; zijn moeder was dan traag van reactie,

zowel haar bewegingen als haar hersens waren dan langzaam.

'De kwestie is,' zei Patrick, 'dat ik een meisje heb ontmoet.'

Zijn moeder legde haar mes neer en keek hem aan met

een blik waaraan hij zag dat ze plotseling veel wakkerder

was.

'Ze is doof, blind, ze zit in een rolstoel en ze heeft acht

gouden kiezen.'

'Vooral die gouden kiezen interesseren je,' zei moeder.

'Je bent op haar geld uit.'

'Ze is aardig en ze heeft geen gewone handicap,' zei Patrick.

'Wel een ongewone. Ze heeft een probleem, dat ik

haar help oplossen. En omdat het háár probleem is en niet

het mijne, kan ik je niet alles vertellen .'

'En daarvoor moet je 's avonds om elf uur de deur nog

uit. Daarvoor wil de politie je spreken. Daarom vergeet je

me te vertellen dat Lucie gekidnapt is. Ik begrijp dat het om

een kleinigheid gaat,' zei moeder cynisch .

'Dat zei ik niet.'

'Als het om een grotigheid gaat, vind ik dat ik het moet

weten. Je bent minderjarig.'

'J e moet me vertrouwen,' zei Patrick en er klonk iets

koppigs in zijn stem.

Zijn moeder bekeek hem aandachtig. Hij keek haar recht

in de ogen. Ze zag ineens dat hij dons op zijn bovenlip had,

en een paar blonde haren op zijn kin. Hij was bezig een man

te worden. Hij is meer een man dan veel volwassenen, dacht

ze.

III


'Je weet dat ik meer van je hou dan van iemand anders in

deze wereld,' zei ze, 'en dat ik je meer vertrouw dan wie ook.

Maar ik ben nog verantwoordelijk voor je.'

'Ik doe wat ik vind dat ik moet doen,' zei Patrick.

'Doe je dingen die in strijd zijn met de wet?'

Patrick dacht even na. 'Misschien zou de politie het niet

helemaal eens zijn met wat ik doe. Maar ik doe niets slechts.

Je moet me vertrouwen.'

'Natuurlijk vertrouw ik je, maar je maakt het me moeilijk.

Het zou toch kunnen dat je iets onverstandigs doet.'

Dat is maar al te waar, dacht Patriek, maar hij had, geen

zin die gedachte uit te spreken.

'Gebruik je hersens beter dan ooit,' zei zijn moeder.

Zij had ook iets koppigs, haar zoon had het van niemand

vreemd.

Ze had al jaren geleden besloten dat hij zo zelfstandig

mogelijk zou worden. Er was iets beschermends in de houding

van bijna alle mensen die Patrick kenden. Weinig mensen

schijnen voor honderd procent te kunnen geloven dat

iemand die een handicap heeft toch een krachtige persoonlijkheid

kan zijn, iemand die leiding kan geven, een krachtpatser.

Zij kende haar Patriek. Ze wist wat hij in zijn mars

had. Ze had voor zichzelf gezworen dat hij gerespecteerd

zou worden om alles wat hij wèl had, niet beklaagd om het

enige wat hij niet had, namelijk sterke benen .

. Nu moest zij zelf afstand doen van haar wens om hem te

beschermen. Ze vocht al dagen met zichzelf om dat op te

brengen. Ze werd verscheurd van zorg. Ze had duizend redenen

om hem af te houden van wat hij aan het doen was. Hij

was een kind. Hij had nog niet veel ervaring. Hij kon zichzelf

in ernstige moeilijkheden brengen. Men zou haar verwijten

dat ze hem zijn gang had laten gaan. Niemand kon

van haar verlangen dat ze een jongen van nog geen zestien

alleen liet rondscharrelen in het schemerdonker van wat mag

en wat niet mag. En toch deed ze dat.

112


'Ik vertrouw je,' zei ze. 'Laat me niet langer in ongerust­

heid en onzekerheid dan nodig is.'

Ze is geweldig, dacht Patrick. Wat had Victoria tegen

hem gezegd? Je bent een held, had ze gezegd. Dat was wat

zijn moeder was. Een heldin. Maar hij zei: 'Als ik het won­

denniddel heb gevonden laat ik het je meteen weten.'

Vervolgens moest de Metsu naar het Nieuw Provinciaals

Museum. Dat werd nog diezelfde dag geregeld. Tom en hij

pakten het schilderij in een deken en bonden die achter de

rugleuning van de rolstoel. Daarover gooide Patrick achte­

loos een windjack. Je zag er echt niks van. Vervolgens gin­

gen hij, Tom en Victoria als gewone toeristen het museum

bezichtigen. Ze kochten kaartjes, spraken er hun tevreden­

heid over uit dat het gebouw zo goed toegankelijk was voor

rolstoelen en bewonderden de kunstschatten die het mu­

seum rijk was.

'Een echte Gerard Dou,' zei Patrick met voorgewende

deskundigheid nadat hij met zijn scherpe ogen vanuit de

verte een kaartje had ontcijferd. 'Wat een compositie! Wat

een kracht van schilderen.'

'Nou,' zei Victoria, 'de kunstkenners zijn het erover eens

dat dit een van zijn zwakkere werken is. Er is met name

kritiek op de kleur van de lucht. Te veel grijs.'

baar.

'Waar hebben jullie het over?' vroeg Tom met een ge­

'We bespreken de kwaliteit van het tentoongestelde,'

verklaarde Patrick. 'Zoals je weet zijn wij erkende experts.'

'Met kleurpotloden en ruitjespapier,' grijnsde Tom.

Ze gingen van zaal naar zaal. Bijna overal waren suppoos­

ten, die met belangstelling naar de rolstoel keken, zonder dat

te laten merken, dachten ze. Na een kwartiertje kwamen ze

in een klein zaaltje dat een beetje donkerder was en waar

niemand toezicht hield. Tom wees naar een lege haak aan de

muur.

1I3


'Een prima plek,' vond Victoria.

Ze haalden snel de Metsu uit de deken en hingen hem op.

Hij leek er op zijn gemak te hangen, niks onwennig.

'Nu vlug ervandoor,' vond Victoria.

'Eerst nog een paar zaaltjes bekijken,' was de mening van

Patrick. 'We hebben ervoor betaald. Heel rustig. Geen pa­

niek. Er kan ons niks gebeuren.'

'Het zou een peuleschil zijn om een ander schilderij mee

te jatten,' gebaarde Tom. 'Ik geloof dat ik in het inbrekers­

vak ga.'

N a nog een kwartier waarin ze in een lacherige stemming

kwamen, verlieten ze het museum. Punt drie van Patriek' s

lijstje was afgewerkt.

De volgende dag stond op een opvallende plaats in de

kranten dat er opnieuw een ruitje was ingeslagen in het Jan

Steen-museum, nu met het wonderlijke doel om de eertijds

gestolen Reynolds, het schilderij waarvoor onlangs anoniem

een half miljoen was gevraagd, hetzelfde werk dat de heer

Hendriks onder dwang had moeten bekijken op echtheid,

terug te bezorgen. De mensen van het museum en van de

verzekering waren natuurlijk verrukt, de politie tastte in het

duister. Patrick werd opnieuw bij inspecteur Saarloos geroe­

pen, deze keer zonder Tom. De inspecteur vroeg hem het

hemd van het lijf, maar Patriek zei dat hij geen verstand had

van schilderijen en dat hij niet begreep wat de politie van

hem wilde. De zaak was werkelijk mysterieus. Niemand kon

er een touw aan vastknopen. Ook Patrick' s moeder niet. Ze

keek uit haar ooghoeken naar haar zoon en ze was ervan

overtuigd dat hij er iets mee te maken had. Maar wat?

Ze veronderstelde dat hij op mysterieuze wijze achter de

verblijfplaats van het gestolen schilderij was gekomen en

zich tot taak had gesteld het terug te bezorgen. Nou ja, het

was in ieder geval een nobele daad.

Nu punt vier, dacht Patriek. Aan punt één probeerde hij niet

II4


te denken, maar hoe vaker hij met Victoria in aanraking was

des te meer was juist dat punt in zijn gedachten. De vijf

overgebleven schilderijen moeten weg bij meneer Roerig.

We kunnen ze niet allemaal vervangen door foto's. Daar

hebben we niet meteen geld voor en het kost te veel rijd.

Die mening werd nog versterkt toen hij een meneer zijn

hoed zag afnemen. Het was een man met een donkere regen­

jas aan en een bril met een zilveren rand op zijn neus. Twee­

maal in de voorbije week had Patrick de man gezien en het

had een belletje doen rinkelen in zijn hoofd. Ik heb hem

eerder gezien, dacht hij, maar hij kon zich niet herinneren

wáár. Tot hij de man opnieuw tegenkwam en die zijn hoed

afnam voor een mevrouw die hij blijkbaar kende. Toen zag

Patrick een ronde schedel met een paar haren er op en hij

herinnerde zich een middag toen hij op weg was naar Victo­

ria (die hij toen nog niet kende), samen met Tom was hij

geweest, toen diezelfde man hen had aangesproken. 'Een

padvinder die zijn goede daad voor vandaaKnog moet doen'

had hij, Patrick, gezegd.

Wat wilde die man? Patrick kon niet vaststellen of hij

echt door de man werd gevolgd, maar het leek ofhij zijn best

deed hem tegen te komen. Zou hij van de politie zijn? Dan

mocht hij in ieder geval niet ontdekken dat Patrick en Victo­

ria elkaar kenden. De schilderijen moesten weg, zo gauw

mogelijk.

voor.

Hij maakte een plan en legde het aan Tom en Victoria

'Mijn vader is wel geestelijk afwezig,' zei Victoria, 'maar

dat merkt hij beslist.'

'En wat doet hij dan?'

'Dat weet ik niet.'

'Waarschijnlijks niks,' dacht Patriek.

'Het is een goed plan,' vond Victoria. 'Als vader er moei­

lijk over doet, dan is dat jammer. De schilderijen moeten zo

gauw mogelijk terug naar waar ze vandaan komen, daar heb

je groot gelijk in.'

115


Dus werd het plan uitgevoerd. Ze leegden hun portemon­

nees en stelden vast dat ze honderdvijftig gulden bij elkaar

konden brengen. Tom had het meeste, want die spaarde al

een poosje voor een hometrainer. Victoria beloofde dat ze

het geld zo gauw mogelijk terug zou betalen.

'Dat komt wel goed,' zei Patrick en Tom glimlachte zijn

charmantste glimlach.

Tot hun vreugde was het herfstvakantie. Dat gaf hun de

gelegenheid de volgende morgen naar de rommelmarkt te

gaan. Patrick had bedacht dat hij daar wel eens oude, waar­

deloze schilderijen had zien liggen, die je met lijst en al voor

tien of twintig gulden kon kopen. Het is onvoorstelbaar wat

je allemaal op de markt kunt krijgen, nieuwe dingen, half

nieuwe dingen, kostbaar antiek, troep. Ze zagen oude kap­

stokken, verroeste gordijnroeden, stukjes afvoerpijp van

plastic, soms niet langer dan twintig centimeter, hoefijzers,

geribbelde puddingschaaltjes, een verwarmingsradiator uit

de vorige eeuw, lampekappen, keukenstoelen, en tussen dat

alles ook een schilderij in prachtlijst, dat wil zeggen breed,

vol krullen en tierelantijnen, en zeer vuil.

'Wat moet dat schilderij kosten?' vroeg Patrick aan de

man die kennelijk de eigenaar was van de tentoongestelde

pracht.

De man sleurde het te voorschijn en bekeek het met ver­

tedering. 'Een echte De Koster,' zei hij . 'Geschilderd kort na

de middeleeuwen. 't Heb artistieke waarde èn antiquiteits­

waarde. Tachtig gulden, met de lijst erbij.'

Het schilderij stelde een haven voor, waarin de zee klotste

en golfde alsof het midden op zee was bij windkracht tien.

De schilder had waarschijnlijk nooit begrepen waar een ha­

ven voor was. Hij had het water bevolkt met zóveel schepen

dat het ook wat dat betreft met de veiligheid niet pluis was.

Kortom, hij had royaal gebruik gemaakt van de vrijheid van

de kunstenaar om de dingen van hun realiteit te ontdoen.

Maar misschien waren sommige barken en driemasters geen

u6


produkten van zijn hand maar strepen vuil, daar verzameld

op stoffige zolders.

'Zeven en een halve gulden,' zei Patrick.

'Veertig.'

Patrick zei dat het vod met een tientje goed betaald was en

Victoria vroeg met goed gespeelde verbazing wat hij in vre­

desnaam met dat onmogelijke ding wilde.

'Tien gulden, en geen cent meer,' bood Patrick.

'De lijst alleen is het dubbele waard,' zei de marktkoop­

man. 'Nou, neem maar mee, voor een tientje en een knaak.'

Patrick betaalde de man twaalf en een halve gulden en het

schilderij werd voor zijn voeten op de stoel gezet. Ze gingen

verder en ze slaagden erin nog drie meesterwerken te kopen,

voor een totaalbedrag van zestig gulden. Vier was genoeg,

want Victoria had nog een foto reproduktie klaar staan van

een prachtig schilderij van Willem Maris. Met hun buit gin­

gen ze richting Witte de Witstraat, waar ze de schilderijen

tijdelijk in de kelder van de Roerigs zouden opslaan. Tot

Patrick' s ergernis kwamen ze weer de man met de hoed te­

gen. En hij sprak hen nog aan ook, net als de eerste keer.

hij .

'Zo, jongelui, gaan jullie in de schilderijenhandel?' grapte

'We krabben de doeken af en gebruiken ze opnieuw,' zei

Patrick. 'Ik heb schilderles.'

'Zo zo,' zei de man. 'Wat interessant. Afkrabben, hè?

Maak je vorderingen?'

'Ik schilder met mijn voeten,' zei Patrick. 'Dat doen alle

gehandicapten, zoals u natuurlijk weet.'

Tom wendde zich af om in de kraag van zijn jas te lachen,

maar Victoria holde ineens weg, het schilderij dat ze bij zich

had onhandig onder haar arm.

'Hé, Vi . . . '

Op het laatste moment bedacht Patrick dat die meneer

niet hoefde te weten wat haar naam was.

'Hé, vissebekje,' riep hij, niet erg hoffelijk maar het was

het enige wat hem te binnen schoot.

117


De meneer stond er ongemakkelijk bij. Hij wist niks zin­

nigs te zeggen, lichtte zijn hoed en liep door. Patrick en Tom

gingen achter Victoria aan en haalden haar dicht bij haar

huis in.

'Wat heb je?'

'J e mag zulke dingen niet zeggen.'

Ze had een vuile streep over haar gezicht, waarschijnlijk

opgelopen bij een te innige omhelzing met een van de schil­

derijen van de markt. Patrick zag dat er nu door die vuile

plek een voortje liep, daarin gegroefd door een traan. Hij

begreep het niet. Waarom huilde ze? Om dat 'vissebekje'?

Nee, natuurlijk niet. Ze was weggehold toen hij een grap had

gemaakt over zijn handicap. Kon ze daar niet tegen? Waar­

om niet?

Geen ogenblik kwam de gedachte bij hem op dat ze er

niet tegen kon omdat het om hém ging. Dat die traan was

omdat ze niet wilde dat hij ongelukkig was. Dat kon hij

geloven van zijn moeder, die hij soms nog op een traan be­

trapte, al deed ze haar best ze weg te houden. Dat maakte hij

bij tijd en wijle mee van zijn tante Saskia, een zuster van zijn

vader, die de enkele keer dat ze hem zag tranen van medelij­

den vergoot en zich daarna tegoed deed aan de taartjes die

zijn moeder voor haar kocht. Hij haatte het mens.

Ach, natuurlijk, het was om T ony. Ze had gedacht dat die

niet eens met zijn voeten zou kunnen schilderen. Terwijl hij

vroeger zo van tekenen hield. Stom van hem. Hij moest zijn

grote klapper wat vaker dichthouden.

'Sorry,' zei hij . 'Ik dacht niet aan Tony.'

'Ja, Tony,' zei Victoria. Ze was blij dat hij haar gedrag

daarop gooide. 'Je hebt nog niet eens een leeskaart voor hem

gemaakt, zoals je beloofd hebt.'

'Ik zal het vanavond doen.'

Victoria kon zichzelf wel slaan. Hij deed alles voor haar.

Hij nam risico's. Hij bedacht plannen. Hij had de schilderij­

en teruggevonden. Hij kocht van zijn zakgeld meesterwer-

II8


ken van De Koster. Hij was de enige die Tony had laten

lachen. En het enige wat zij kon zeggen was: 'Je hebt geen

leeskaart gemaakt.'

'Ik ben een trut,' riep ze en meteen holde ze weer weg, nu

om de sleutel van de kelder te gaan halen.

Natuurlijk keek Patrick elke dag nauwletted in de krant of

er iets werd geschreven over de teruggebrachte schilderijen.

De Metsu werd pas ontdekt twee dagen nadat ze hem het

museum binnen hadden gesmokkeld. Althans, er werd pas

na twee dagen over geschreven. Ook van die vondst werd

uitvoerig in de krant melding gemaakt. En er werd natuur­

lijk driftig gespeculeerd over het hoe en wat. Wie was de

mysterieuze dief die eerst kostbare wer_ken stal, ze daarna te

koop aanbood, maar voordat daarover een beslissing was

genomen ze vrijwillig terugbracht? En hoe was hij of zij er in

geslaagd de Metsu het museum in te krijgen? Het werd de

bezoekers niet toegestaan grote tassen mee te nemen in de

tentoonstellingsruimte. Die moesten in de garderobe wor­

den afgegeven. De krant die Patrick las suggereerde dat wel­

licht een van de eigen mensen van het museum bij de zaak

betrokken was.

De drie samenzweerders genoten van al die speculaties.

Zij waren de enigen die wisten hoe het zat. Dat wil zeggen,

dat dachten ze. Ze voelden zich goden op de Olympus, die

neerzagen op het ijverige, maar dom aandoende gewriemel

van de mieren onder zich. Ze voelden zich sterk als Goliath

en vooral slim als David. Ze hadden de touwtj es in handen.

Hun borstkas zwol en ze haalden diep adem.

T ot de krant van donderdag verscheen. Daarin stond met .

een grote kop op de voorpagina: DE METSU IS EEN VER­

VALSING. En breed werd in het artikel uitgemeten dat het

beroemde werk van Gabriël Metsu 'Kind aan het raam' , dat

indertijd uit het Nieuw Provinciaals Museum was gestolen

en een paar dagen geleden op onverklaarbare wijze terug


was gebracht, een knappe vervalsing was. De directeur van

het museum verklaarde met stelligheid dat het gestolen werk

echt was geweest. Hij vond het een macabere grap om een

vervalsing terug te brengen. Een dure grap ook, trouwens.

Want de vervalsing was met grote zorg en met grote des­

kundigheid geschilderd. Met het blote oog was niet te zien

dat het een vervalsing betrof.

Natuurlijk had men onmiddellijk in het Jan Steen-mu­

seum ook de weer opgedoken Reynolds aan een grondig

onderzoek onderworpen. Maar dat werk bleek wel degelijk

het echte te zijn. En dus, besloot de krant, werd de zaak van

de gestolen schilderijen hoe langer hoe vreemder.

Weg Olympus. Ze tuimelden naar beneden volgens een

nieuwe wet van Newton, die zegt dat zelfvertrouwen gelijk

is aan verbeelding gedeeld door werkelijkheid. Ze voelden

zich bij de neus genomen. Ze waren niks wijzer dan de poli­

tie, de directeur van het museum, de mensen van de krant.

'Het schilderij moet verwisseld zijn hij die Veenmannen,'

zei Victoria. 'Bij ons is het niet gebeurd.'

Patrick schudde zijn hoofd. 'Dat geloof ik niet. Dat is niks

voor de Veenmannen. Daar zijn het geen mensen voor.'

'Hoezo niet?'

"k Weet niet. Het is te subtiel voor ze. Ze zijn ruwer. Ze

zouden niet op de gedachte komen. En áls ze op de gedachte

kwamen zou het minder netjes zijn uitgevoerd!

Victoria keek naar haar nagels, waarop ze de laatste

maand niet meer had gebeten. Haar handen waren nu veel

langer, leek het, ze stelde met genoegen vast dat ze eigenlijk

best mooie handen had. Zou Patrick dat ook vinden? Een

oplossing voor de vervalsing van de Metsu kon ze er niet in

lezen.

Tom probeerde te fluiten. Het was een afgrijselijk geluid,

want hij hoorde niet wat hij deed.

Patrick zei: 'Zou je willen proberen een konijn na te doen

in plaats van een ekster in doodsnood?'

120


'Maken konijnen geen geluid?' vroeg Tom, vriendelijk

gebarend.

'Ik snap er geen bliksem van,' zei Patrick.

'Ik ook niet, maar dat geeft niet,' gebaarde Tom. 'Ik be-

grijp ook niet hoe de televisie werkt.'

'Dat is wat anders.'

'Waarom is dat wat anders?'

'Omdat je een boek kunt kopen en lezen hoe dat zit met

de televisie. Er is geen boek te koop waarin staat wie de

Metsu heeft vervalst.'

Tom glimlachte. 'Jij komt natuurlijk morgen weer met

een briljant idee,' meende hij.

'Telefoon voor je,' zei moeder met haar hoofd om de deur

van Patrick's kamer. 'Ene Victoria. Is ze dat? '

'Dat is ze.'

Hij racete naar de woonkamer en nam de hoorn. 'Met

Patrick.'

'We hadden in het rommelkamertje een ouwe kist staan,'

zei Victoria, 'met wat dekens er in. Die dekens heb ik onder

mijn bed gesmeten en de kist heb ik naar de kelder gezeuld.

De schilderijen passen erin. Ik heb ze met veel kranten inge­

pakt om ze goed te beschermen. Ze zijn vast een miljoen

waard.'

'Ja,' zei Patrick.

'Ons plan om ze met een bakfiets op te halen kan niet

doorgaan.'

'Waarom niet?'

'Ons huis wordt in de gaten gehouden.'

Daar had je het gedonder. Ze waren te laat. Patrick had

steeds geweten dat ze moesten opschieten met het weghalen

van de schilderijen.

'Politie?' Hij keek met een scheefhoofd naar zijn moeder.

Had ze het gehoord? Natuurlijk had ze het gehoord.

'Ik weet niet of het de politie is,' antwoordde Victoria.

'Het lijkt er niet erg op. Meestal slentert er een vent van

I21


een jaar of twintig, vijfentwintig rond met een roodbruin

geruite jack aan. Soms een wat jongere kerel. Een enkele

keer een man die eerder vijftig is.'

'Zijn ze er altijd?'

'N ee. Althans, ik zie ze niet altijd.'

'Hoe weet je dat ze op jullie huis letten en niet op de

buren?'

'Weet ik niet. Voel ik aan m'n eksterogen.'

'Wie staat er nu? '

'Het geruite jack.'

'Ik ga even voorzichtig kijken,' zei Patrick. 'Met Tom.

Zonder dat ze het merken. Ik bel je straks terug.'

aan.

Hij legde de hoorn op de haak. Zijn moeder keek hem

'Wáár ga je voorzichtig kijken?' informeerde ze achter­

dochtig.

bij.'

'In een straat. Op klaarlichte dag. Geen sikkepit gevaar

'H'm,' zei moeder.

Patrick trok zijn jas aan en haalde Tom af. Samen gingen

ze naar de Witte de Witstraat, dat wil zeggen ze gingen naar

het terrein van de verlaten fabriek van Doreman en Co dat

met een schutting aan de Witte de Witstraat grensde. Tom

had bedacht dat ze van daaruit ongemerkt die straat konden

bespieden. Patrick zag de hoge schutting en wist dat hij daar

nooit overheen zou kunnen kijken.

'Klereklotekankerzooi,' mompelde hij .

Tom trok vragend zijn wenkbrauwen op .

. 'Ik ga wel voorop,' zei Patrick moedeloos. Zijn stan­

daardgrap, al lang niet meer leuk. Tom lachte niet, hij ging

naast de rolstoel op de grond zitten.

Patrick had jaren gehad waarin hij op momenten als deze

in een zwart gat viel, waar hij dagen niet uitkwam. Dagen

van machteloos, eenzaam protest, uitgevochten in een grau­

we wereld van ontmoediging en toekomstloosheid. Dagen

122


waarin iedere seconde een minuut leek, iedere minuut een

uur. Dagen waarin hij hoopte dat hij een ongeneeslijke ziekte

zou oplopen, liefst door de schuld van iemand anders,

zodat hij met een verwijt op zijn lippen tragisch dood zou

kunnen gaan.

Hij was die depressies te boven gekomen. Hij was gaan

inzien dat hij een volwaardig leven kon leiden, ook al kon hij

niet over schuttingen klimmen. Hij had gemerkt dat ook

mensen bij wie alles goed functioneert vaak gehandicapt

zijn, door domheid, door zelfbeklag, door afwezigheid van

zelfspot, door dikdoenerij, door zelfzucht. Hij had begrepen

dat er veel mensen waren met wie hij niet zou willen ruilen,

ook al hadden ze de benen van een kampioen hardloper.

Maar op momenten waar hij vroeger in een depressie zou

zijn gegleden, zoals nu, had hij nog de herinnering aan die

depressies. Het was alsof hij de nevelige velden waarin hij

vroeger had moeten dwalen nog zag liggen, mistroostigheid

op een pas afstand.

'Ga eens kijken,' zei hij tegen Tom.

Zijn vriend met de zachte ogen en de weemoedige glimlach

kende hem door en door. Hij wist wanneer hij er moest

zijn en tegelijk niet zijn. De doofstomme wist wanneer hij

moest zwijgen.

Langzaam kwam hij overeind. Hij keek Patrick aan. Die

.

knikte. 'Vertoon je kunsten.'

Met lenige bewegingen klom Tom tegen de schutting op.

Geruisloos ook nog. Kleine richeltjes waren genoeg voor

zijn dunne vingers, een verroeste, half uitstekende spijker

bood steun voor zijn zoekende voet. Hij heeft iets van een

aap, dacht Patrick, zo'n kleintje, een resus-aapje.

T om loerde over de rand van de schutting. Lang had hij

niet nodig. Met een lenige sprong kwam hij naar beneden en

bracht verslag uit.

'De oudste broer van Gert,' gebaarde hij. '} acob Veen-

,

man.

123


'Ah.'

't Was niet verwonderlijk, al met al. De Veenmannen

waren de schilderijen kwijt. Ze wisten niet hóe, maar ze wis­

ten wel waar ze vandaan kwamen. Misschien was daar meer

te halen.

'Het verwondert me dat ze niet hebben ingebroken bij

Roerig,' peinsde Patrick.

'Te moeilijk misschien,' vond Tom. 'Er is maar één deur

en die is zwaar beveiligd, heb je dat gezien? Het is drie hoog

en er zijn geen balkons. Daar kom je niet gemakkelijk in.

Meneer Roerig neemt geen risico's meer in zijn leven. Vei­

ligheid voor alles.'

Patrick knikte. Dat moest het zijn. De Veenmannen

wachtten er liever op of dat meisje met de spillebenen op­

nieuw met een schilderij naar buiten zou komen.

Ze gingen terug naar huis. Patriek belde Victoria op en

vertelde wie haar in de gaten hield.

'Enig,' zei ze. 'Ik ben dol op die kerel.'Onzichthaar voor

Patrick wreef ze over haar hoofd, waar nog steeds een ge­

voelige plek zat. 'Wat doen we nu? De schilderijen moeten

weg en we kunnen ze de deur niet uitkrijgen.'

'Ik denk erover na,' zei Patrick. 'Als ik wat kan verzinnen

bel ik je op.'

Het was niet Patrick die iets verzon, het was Victoria zelf.

Voor er een half uur voorbij was belde ze Patrick opnieuw

op. 'Willem van Schuppen,' zei ze.

Willem van Schuppen? 0 ja, de vrachtauto-chauffeur,

die van het ongeluk.

'Ik had zijn telefoonnummer op de rand van een krant

geschreven. Ik heb het gevonden in mijn bureautje. Ik heb

hem opgebeld. Laat hij nou thuis zijn. Ik heb gevraagd ofhij

een kist voor me wil vervoeren. Dat wilde hij. 't Is een aardi­

ge vent. Hij komt morgen tussen vier en vijf, als mijn vader

niet thuis is.'

'Geniaal,' zei Patrick. 'Tom en ik zullen er ook zijn.'

124


'Dan ziet die Veenman jullie naar binnen gaan.'

'Dat moet dan maar.'

Willem van Schuppen was een man van zijn woord. Om

kwart over vier reed hij voor met een klein model vrachtau­

to. Hij was nog zwaarder geworden dan Victoria zich her­

innerde van enkele jaren eerder. Zijn gezicht was rood ver­

brand, omdat hij net terug was van een reis naar Zuid Italië,

naar hij zei. Hij vertelde dat hij een poosje eerder een foto

van Victoria in de krant had gezien. Iemand had het Stads­

blad voor hem meegebracht, omdat hij die familie Roerig

immers kende.

'Iemand had je neergeslagen,' zei hij. 'Hoe gaat het nou?

Ik had nog op willen bellen, maar ja, daar komt het dan niet

van. ,

Patrick liep op zijn krukken naar het raam, waar vitrage

voor hing zodat hij van buiten niet gezien kon worden.

'De vent die Victoria die klap op haar hoofd heeft gege-

ven staat daar in de straat,' zei hij droogjes.

Van Schuppen kwam naar het venster.

'Die daar, met dat rood-bruine jack aan.'

'Waarom heeft hij dat gedaan? Waarom staat hij daar?

Waarom rekent de politie hem niet in?'

'Weet ik niet. Ze kunnen het niet bewijzen, denk ik.'

Hoofdschuddend keek Willem van Schuppen nog een

ogenblik naar Veenman, een krachtig uitziende knaap, met

bakkebaarden tot midden op zijn wang. Een meisje als Vic­

toria op haar hoofd slaan, hij had er geen woorden .voor.

'Er staat een kist in de kelder die naar het station moet,'

zei Victoria. 'Naar het loket waar je koffers in bewaring

geeft. Heet dat niet het depot? Ik kan niet mee, want ik moet

op Tony passen. Misschien wilt u het ontvangstbewijs op­

sturen.'

'Da's prima,' zei Wil1em.

Hij ging met Victoria en Tom naar de kelder. Patriek

12)


leef bij Tony. Hij zat op een krukje bij het raam en zag hoe

Jacob Veenman een sigaret draaide Even later kwam Van

Schuppen naar buiten, de kist op zijn schouder. Victoria en

T om lieten zich niet zien. Veenman kwam een stapje dich­

terbij en volgde met grote belangstelling de bewegingen van

de vrachtrijder. Die opende de achterdeur van zijn voertuig

en zette de kist erin. Hij sloot de deur weer. Tot zijn ver­

bazing -zag Patrick hem daarna in de richting van Jacob

Veenman lopen, net toen Tom en Victoria binnenkwamen.

Patrick wenkte ze haastig naar het raam. Van Schuppen zei

wat. Tom tuurde naar zijn lippen.

'Als ik het goed zie zegt hij dat hij het niet op heeft met

kinderlokkers,' gebaarde hij en Patrick vertaalde dat weer

voor Victoria. 'J acob Veenman zegt dat hij op kan donde-

ren. ,

'Dit was niet de bedoeling,' zuchtte Patrick. 'Nu ver­

moedt Veenman dat de vrachtauto, en dus de kist, met Vic­

toria te maken heeft en dus gaat hij de vrachtauto volgen.

Die motorfiets op de hoek is vast van hem.'

'Klopt,' zei Victoria.

'Dat mag niet gebeuren. Tom, je moet erheen. Of nee, je

kunt niet met Willem praten. Victoria . .. '

Maar Tom greep hem bij zijn haar en draaide zijn gezicht

weer naar het raam. Ze zagen dat Willem van Schuppen

geweldig uithaalde en de sterke J acob Veenman een opla­

waai verkocht waarvan hij languit in de berm belandde.

Daarna werd hij aan het rood-bruine jack omhoog gesleurd,

omgedraaid en hij kreeg nog een formidabele trap tegen zijn

niet geringe achterwerk. Nu was de echte wet van Newton

in werking, die zegt dat een kracht uitgeoefend op een massa

een versnelling veroorzaakt. Hij maakte een paar snelle pas­

sen, struikelde, botste met zijn hoofd tegen de kalende aca­

cia. Opnieuw viel hij.

Willem van Schuppen wreef met zijn hand over de vuist

die de eerste slag had toegebracht, wierp de verslagene een

126


10

'Het bezit van de zaak is het eind van 't vennaak', zegt een

oud spreekwoord. We willen iets bereiken en onze vreugde

ligt erin dat voor elkaar te krijgen; we denken er niet over

wat we doen als onze droom in vervulling is gegaan. We

veronderstellen dat de wereld voor ons open gaat als we het

eindexamen hebben gehaald. Als die dag is gekomen zijn we

blij, we hangen onze schooltas uit het raam of aan de vlagge­

stok, we vieren feest, en pas als de vuile glazen op het aan­

recht staan denken we: en nu? De vreugde ebt weg en komt

pas terug als we ons een nieuw doel hebben gesteld.

Patrick staarde uit het raam en zag zonder echt te kijken

hoe een traag regentje de laatste bladeren van de bomen

weekte en ze vastplakte op het wegdek. Geen vrolijke war­

reling, geen laatste dans van de bruine vlinders in een on­

stuimige herfststorm, het was meer een lamlendig opgeven

van de strijd door de bomen, die kaalgeplukt de komende

winter moesten trotseren. Een koude regen, die een huive­

ring langs je ruggewervels stuurde, die zelfs de meest solide

jas op den duur doorweekte, die je iedere lust ontnam om de

straat op te gaan.

Trouwens, wat moest hij daar zoeken? Iedere activiteit

die hij kon bedenken leek nutteloos, iedere handeling over­

bodig. Hij probeerde te bedenken wat hij een jaar geleden op

een dag als deze zou hebben gedaan. Misschien zou hij naar

de bibliotheek zijn gegaan om iets interessants op te zoeken

voor zijn werkstuk. Hij deed altijd erg zijn best op werk­

stukken; op het laatste, dat ging over het onderwerp slapen.

had de leraar geschreven: 'Dit werkstuk is een pronkstuk'.

Nu was hij weer met iets bezig, over de evolutietheorie van

128


minachtende blik toe en reed weg. Langzaam krabbelde J a­

cab Veenman overeind. Hij voelde voorzichtig aan zijn hil­

len, wat de drie hoven uitermate amusant vonden. Hij liep

voetje voor voetje naar zijn motor en probeerde erop te gaan

zitten. Dat bleek helemaal niet te bevallen. Hij kwam er weer

af en betastte opnieuw het getroffen lichaamsdeel. Daarna

liep hij langzaam de straat uit.

De drie boven vielen hikkend van het lachen in hun stoe­

len, wat ook bij Tony grote agitatie en veel hoofdbewegin­

gen veroorzaakte.

'De schilderijen zijn het huis uit,' zei Victoria.

Patrick gluurde achter het gordijn dat de muur bedekte.

Hij zag dat De Koster en de zijnen er hingen.

'Wat zei je vader ervan?'

'Volgens mij heeft hij het nog niet gezien. De gordijnen

zijn tegenwoordig bijna altijd dicht.'

'Die hele actie op de markt was dus eigenlijk overbodig,'

zei Patrick. 'We hadden ook krantefoto's op karton kunnen

plakken en die op kunnen hangen.'

'Misschien wel,' zei Victoria.

Hoe dan ook, punt vier van mijn lijstje is afgewerkt, dacht

Patrick. Nu nog punt vijf.

'En punt één?' fluisterde een klein duiveltje in zijn oor.

'En punt één?'

127


Darwin, wat best boeiend was, maar hij kon er de ware be­

langstelling niet voor opbrengen. Wat stelde zo'n werkstuk

nou voor? Uiteindelijk schreef je alles over uit boeken die

door anderen waren geschreven, je bedacht niks echt zelf.

Waardeloos.

Tom was deze week met zijn klas in België. Ze gingen

kerken bekijken in Gent en in Brussel en grotten in de Ar­

dennen. En Victoria? Ach, wat kon hem die griet schelen.

Er gebéurde niks meer, dat was het 'm. Er was geen span­

ning meer. Er werden geen schilderijen meer gestolen. Hij

werd niet meer bij de politie geroepen. Lucie was al in geen

weken meer ontvoerd. Saai, dat was het.

Ze hadden nog een hoop pret gehad toen ze de schilderij­

en vanuit het depot op het station terug hadden bezorgd. Dat

was lachen geweest. Tenminste, achteraf. Want het was ook

wel hartstikke spannend geweest, hij had geregeld geen hon-

o ger gehad vanwege de vlinders in zijn buik.

Ze hadden steeds één schilderij uit de kist gehaald en de

rest teruggegeven in depot. Dat had kunnen opvallen, maar

gelukkig waren er steeds andere mannen aan het loket ge­

weest. Hoe dan ook, niemand had er erg in gehad dat zij het

waren die ervoor zorgden dat er om de paar dagen een ver­

baasd verhaal in de krant had gestaan. Het grootste en moei­

lijkst te vervoeren schilderij van de vijf die Willem van

Schuppen voor hen naar het stationsdepot had gebracht, was

er een van Jan Toorop, met de titel 'Kastanje aan het water ­

studie in navolging van de pointillétechniek van Seurat'. Het

doek werd inderdaad bijna helemaal in beslag genomen door

een kastanjeboom, geschilderd met een heleboel kleine stip­

jes, die je eigenlijk alleen goed kon onderscheiden als je door

je oogharen keek. Ze hadden het werk opnieuw in de kelder

van het Jan Steen-museum gezet, waarbij er voor de derde

maal een ruitje had moeten sneuvelen. Maar tenslotte kwam

het doek ervandaan en het was meneer Hendriks vast wel

een ruitje waard om het terug te hebben. Ze hadden er trou-


wens een hartelijk briefje bijgevoegd, getypt op een oude

schrijfmachine van Tom, waarin stond dat hij het kreeg als

vergoeding voor de aangedane last tijdens de ontvoering, en

dat ze hoopten dat hij van zijn kant zijn dochtertje (was haar

naam niet Lucie?) twintig repen chocolade zou geven. De

kranten hadden daar allemaal uitgebreid verslag van gedaan

en Lucie had de repen gekregen. Daar hadden de jonge samenzweerders

zelf nog van geprofiteerd, want Lucie was

niet krenterig.

Het tweede schilderij, dat waarvan Victoria indertijd al

een gefotografeerde reproduktie had gemaakt, was van Willem

Maris, 'Portret van een meisje'. Dit kunstwerk hadden

ze een paar dagen later bij de burgemeester persoonlijk bezorgd.

De burgemeester woonde in een huis met een enorme

tuin eromheen, · meer een park, en in die tuin stond een

prieeltje. Daarin hadden ze op een avond de Willem Maris

neergezet, verpakt in plastic, en omdat de burgemeester in

de gure herfstdagen dat tuinhuisje wellicht niet dagelijks bezocht

hadden ze hem een brief geschreven waarin hem werd

aangeraden een kleine excursie naar dat gebouwtje te ondernemen.

Ze hadden ook vermanend geschreven dat de musea

in zijn gemeente hun kunstschatten niet zo moesten laten

slingeren en dat de politie wat ijveriger moest zijn met de

opsporing. Patrick en Victoria hadden bij het opstellen van

dit geschrift gevonden dat het wat ver ging, maar Tom had

staan dansen van plezier en dus hadden ze het maar laten

staan. De brief, die was ondertekend met het woord 'antidief

werd in zijn geheel in de kranten afgedrukt en de stad

amuseerde zich kostelijk. Er werd even gesuggereerd dat de

twee teruggegeven werken waarschijnlijk vals waren, net als

de Metsu, maar onderzoek wees uit dat ze zo echt waren als

de burgemeester zelf, en hoe echt die was bleek uit het plezier

waarmee hij de ene persconferentie na de andere gaf.

Het drietal kreeg de smaak te pakken. Het derde schilderij,

'Kaïn's berouw', waarschijnlijk geschilderd door een

130


leerling van Rembrandt in het midden van de zeventiende

eeuw, werd door van Gend en Loos bezorgd bij de dominee

van de gereformeerde kerk. Ook dit was grotendeels een

verzinsel van Tom, wiens ouders gereformeerd waren en die

in een voortdurend conflict met zijn ouders was ofhij 's zon­

dags naar de kerk moest of niet. Hij hield stug staande dat hij

het gesprokene niet kon verstaan, wat zijn vader en moeder

sterk in twijfel trokken vanwege zijn bekwaamheid in het

liplezen, terwijl ze bovendien betoogden dat zelfs als hij hier

en daar wat miste het samenzijn in de kerk toch zijn beteke­

nis had. Vooralsnog was de strijd onbeslist, want Tom ging

ongeveer om de week.

Deze keer maakte hij geen enkel bezwaar om de dienst bij

te wonen. Want in de brief aan de dominee hadden ze ge­

schreven dat hij, natuurlijk een uitmuntend kenner van het

achtste gebod, gebukt moest zijn gegaan onder het verdwij­

nen van de schilderijen. (Het achtste gebod van de wet van

Mozes zegt dat je niet mag stelen.) De dader had berouw,

evenals de op het kunstwerk afgebeelde Kaïn, die het zesde

gebod had overtreden (je mag niemand vermoorden) . De

dominee wilde misschien wel zo vriendelijk zijn om het

schilderij terug te laten bezorgen bij het museum dat er de

rechtmatige eigenaar van was. Verder had de ondertekenaar

van de brief nog een verzoek, namelijk of de predikant de

volgende zondag wilde preken over een zin die te vinden

was in Genesis 4 vers IO, waar staat: 'Wat hebt gij gedaan?'

De naam van de ondertekenaar van de brief was deze keer

'zondaar'.

Opnieuw besteedden de kranten uitvoerig aandacht aan

het terugbezorgde schilderij en het begeleidende schrijven,

waar Patriek en de zijnen onbedaarlijke pret om hadden. En

ze hadden nog meer plezier toen Tom twee dagen later

meldde dat de dominee had gepreekt over de tekst die staat

in Johannes 9 vers 2), waar staat: 'Ofhij een zondaar is, weet

ik niet.' En tijdens de preek had hij wel tien keer geroepen:

131


'wat hebt u gedaan?' Maar toen Patrick en Victoria vroegen

wat de dominee verder had gezegd moest hij het antwoord

schuldig blijven; zoals gewoonlijk had hij weinig van de

preek begrepen.

Ze waren steeds vermeteler geworden. Het vierde schil­

derij was van Sj. van der Vooren, het enige moderne werk

van de zeven die meneer Roerig indertijd had ontvreemd.

Het heette eenvoudigweg 'Compositie' en het stelde niks

begrijpelijks voor. Het waren vooral kleuren die bij elkaar

waren gebracht, blauw, geel, rood, wit, met een dikke, roya­

le kwast. Patrick vond er niks aan. Tom vond het prachtig.

Ook Victoria was van het schilderij gaan houden in de loop

van de jaren. Ze zei dat ze het voor zichzelf altijd 'nacht­

zeilen' noemde, want het werk riep bij haar de gedachte op

aan een zeilschip dat bij woeste zee in de nacht op weg is naar

een belangrijke bestemming.

Die zelfbedachte titel had Patrick op een idee gebracht.

De mevrouw die soms bij hen schoonmaakte deed datzelfde

werk voor de winkel in scheepsbenodigdheden, de water­

sportwinkel die hun stadje rijk was. Aan de achterkant van

die winkel, op een geheim plaatsje, hing een sleutel aan een

spijker, niet te vinden als je het niet wist. Maar Patrick wist

het, want hij had de schoonmaakster hem er een keer af zien

nemen, toen ze samen op weg waren geweest naar hun huis

en zij even een doos met schoonmaakspullen in de winkel

had gezet. Met behulp van die sleutel slopen ze op een avond

de zaak in en installeerden het schilderij van Van der Vooren

in de etalage. Ze verplaatsten de blokken, harpjes en kom­

passen die er lagen, zodat het doek alle ruimte had en de

voorbijgangers meteen zou opvallen. Ook de eigenaar van

de watersportwinkel kreeg natuurlijk een brief, die voor

hem werd klaargelegd op de toonbank. Ze schreven dat de

schilderkunst op het water zelden werd beoefend, daarente­

gen wel vaak aan het water. Hoeveel kunstwerken waren

niet gemaakt van meren, rivieren, slootjes en zeeën? Daar-

132


om kon het haast niet anders of hij , eigenaar van een water­

'sportwinkel, hield veel van de beeldende kunsten. Hij wilde

wel zo vriendelijk zijn dit schilderij, dat zo kennelijk was

geïnspireerd door een storm op de oceaan, terug te bezorgen

bij het museum dat er de rechtmatige eigenaar van was. Het

schilderij was op drift geweest, zei de brief, het had een tijd

rondgezwalkt zonder baken, zonder vuurtorens, maar nu

had het de veilige haven dan toch weer bereikt. De onder­

tekenaar noemde zich deze keer 'nachtzeiler' .

De eigenaar van de sportwinkel was absoluut verrukt dat

hem deze eer te beurt was gevallen. Voordat hij de politie

belde zorgde hij dat er een heel stel persfotografen zijn etala­

ge kwamen fotograferen en hij smaakte het genoegen dat

zelfs het televisiejournaal zijn winkel filmde voordat de poli­

tie het doek weg had laten halen. Dit gaf hem een boel pu­

bliciteit, want ook de landelijke dagbladen schreven nu

steeds stukken over de wonderbaarlijke thuiskomst van de

gestolen schilderijen, meestal op een losse, relativerende

toon, maar toch ook met kritiek op de politie die geen klaar­

heid in deze zaak kon brengen. Journalisten zochten de

schilder Sj. van der V o oren op en vroegen hem wat hij er

allemaal van vond. Die antwoordde dat hij het best vond.

Verder schilderde hij liever dan dat hij praatte en of ze dus

maar op wilden hoepelen. Voor ze dat deden vroegen ze nog

wat hij ervan vond dat het werk met nachtzeilen werd ver­

geleken en ofhij dat bedoeld had. Sj . van der Vooren zei dat

iedereen vrij was om in een schilderij te zien wat hij wilde en

dat hij nimmer zou onthullen wat hij had bedoeld. De jour­

nalisten (er waren er drie tegelijk gekomen) vroegen toen of

hij nu nog beroemder zou worden en toen greep hij een van

verf druipende kwast, met de bedoeling een nieuw kunst­

werk te gaan scheppen, maar zij dachten dat hij hun neus een

kleurtje wilde geven en ze dropen af.

Na deze episode had Patriek begrepen dat het zeer ge­

vaarlijk zou zijn om nog eens met een schilderij over straat te

133


gaan. Het kon niet anders of de politie moest nu zeer waak­

zaam zijn. Ongetwijfeld zou het ze nu opvallen als iemand

met een groot pak over straat ging, zeker als dat laat in de

avond gebeurde. Gelukkig was het laatste kunstwerk dat

terugbezorgd moest worden geen schilderij maar een teke­

ning, een houtskooltekening om precies te zijn. Hij was ge­

maakt door Kokoschka en heette 'Eekhoorn' . De drie vrien­

den gingen voor de laatste keer naar het depot van het sta­

tion en vroegen om hun kist, die door Tom en Victoria naar

een stil plekje werd gesjouwd. Daar haalden ze de tekening

uit de lijst en rolden hem voorzichtig op. Zo kon hij on­

gemerkt worden vervoerd. De lijst werd in elkaar getrapt;

de stukken smeten ze in een container met puin. De kist

lieten ze domweg staan, ergens in een hoek van het eerste

perron, nadat ze zich ervan hadden overtuigd dat er geen

oud etiket met een adres er op zat.

Wat te doen met deze Kokoschka? Ze hadden er een paar

dagen over nagedacht. Al te gekke dingen durfden ze niet

meer te doen. Ten slotte hadden ze de opgerolde tekening in

een koker gestopt en die per PTT opgestuurd naar de teken­

academie. In een korte briefhadden ze de wens uitgesproken

dat de leerlingen even goed zouden worden als Oskar Ko­

koschka. De eekhoorn was een spaarzaam dier en een tijd­

lang had ook de ondertekenaar van deze brief zich onledig

gehouden met het verzamelen van allerhande dingen. Maar

langzamerhand was hij tot het inzicht gekomen dat kunst

gezien moet worden en dat deze eekhoorn beter op zijn

plaats was in het museum, waar iedereen naar toe kon gaan.

De toekomstige beroemdheden die nu nog op de tëkenaca­

demie waren zouden het daar ongetwijfeld mee eens zijn en

ze wilden vast wel zo vriendelijk zijn de Kokoschka terug te

bezorgen bij de rechtmatige eigenaar. De ondertekening van

deze brief luidde: 'ex-verzamelaar'. Uit die ondertekening

zouden de mensen kunnen opmaken dat het hiermee afgelo­

pen was. Veiligheidshalve werd de oude schrijfmachine

weggegooid.

134


De schilderijen waren weer thuis. Victoria kon opgelucht

ademhalen. Ze waren niet gesnapt door de politie. Patrick's

moeder had bij ieder bericht in de kranten over de wonder­

lijke terugbezorging van de gestolen kunstwerken haar zoon

onderzoekend aangekeken en een zacht snufje laten horen.

Gezegd had ze niets.

Nog steeds regende het. De lucht was egaal grijs, het solide

grijs dat zich in geen uren zal laten verdrijven. De schaarse

voorbijgangers gingen schuil onder een paraplu en liepen

met gehaaste stap. Er kwam een doorweekt hondje voorbij,

op een sukkeldrafje, een toonbeeld van troosteloosheid.

Ook Patrick voelde zich troosteloos. Toen het stationsdepot

leeg was, had hij een leeskaart voor Tony gemaakt. Daarop

had hij groot de letters van het alfabet geschreven, en verder

had hij er een aantal tekeningetjes op gemaakt: van een

brood, van een deken, van een w.c., enzovoort. Hij was

ermee naar de Roerigs gegaan en hij had T ony uitvoerig

uitgelegd wat de bedoeling was. Hij ging met zijn vinger

langs de letters en T ony moest met een beweging of met een

geluid aangeven als hij moest stoppen. Zo kon hij woorden

spellen. Maar je kon ook de tekeningen aanwijzen, dat ging

vlugger, bijvoorbeeld hrood als hij honger had, of deken als

hij het koud had.

Het was een volkomen mislukking geworden. T ony leek

er niets van te begrijpen, hij sloeg woester met zijn hoofd

dan ooit, er was geen touw aan vast te knopen. Patrick was

diep teleurgesteld geweest en hij had zich geschaamd voor

Victoria. Ze had gezegd dat ze het zelf nog wel eens zou

proberen en dat hij nu maar op moest houden, want T ony

werd veel te opgewonden. Misschien moest hij ook maar

weggaan, haar vader kwam zo dadelijk thuis en die was niet

op zijn gemak als er vreemden waren. Hij had gevraagd of ze

elkaar de volgende dag zouden zien, dan was het immers

zaterdag, maar ze had geantwoord dat ze erg veel te doen

13 5


had en of het een paar dagen kon wachten. Hij had zich

natuurlijk groot gehouden en gezegd dat hem dat eigenlijk

ook beter uitkwam en dat ze nog wel zouden zien. Een paar

dagen later had ze opgebeld om te vragen ofhij langskwam,

maar het had geklonken alsof ze liever had dat hij wegbleef.

Ze voelde zich zeker dankbaar of zo, of ze vond dat ze zich

dankbaar moest voelen. Nou, daar had hij geen behoefte

aan, ze kon met haar dankbaarheid op het dak gaan zitten.

Natuurlijk moest ze niets van hem hebben, dat sprak vanzelf.

Hij was een humorloos, pedant ventje, en bovendien had

hij klotebenen. 't Kon hem trouwens niks schelen. Hij had

vrienden zat. D'r knieschijven staken uit en ze was nog ei­

genwijzer dan hij. Ze interesseerde hem eigenlijk helemaal

niet. Hij ging Willemien weer eens opzoeken, die was veel

romantischer. Die rotregen, het was nou net geen weer om

uit te gaan. En Tom kwam vandaag ook al niet, die zat nog

steeds in België. Morgen kwam hij terug, maar dan had hij

een controle in het ziekenhuis of zoiets. Nergens goed voor

natuurlijk, hij zou daarna nog steeds niks horen. Patrick

moest zelf ook geregeld naar de een of andere medische

dienst. Waarschijnlijk was dat om hem te sarren, want ge­

holpen had het nog nooit. Witte jassen hadden ze altijd aan,

waarschijnlijk om hem te imponeren. Hij moest weinig van

ze hebben.

Zou Victoria thuis zijn? Hij kon natuurlijk bellen. V ragen

of T ony al iets van de leeskaart begreep. Ja, en dan zeker

weer dat vriendelijke toontje horen, vragen of hij kwam,

allemaal uit dankbaarheid omdat hij die paar lullige schilde­

rijen bij haar had weggehaald. Als ze wilde dat hij kwam had

ze zelf nog wel eens gebeld. Tenslotte had hij laatst niet

gezegd dat hij niet wilde komen, maar dat hij niet kon. Nee,

ze vond het al lang best dat hij niet meer ieder ogenblik aan

kwam zetten. Niet meer dat gemier met die rolstoel in het

gangetje. Niet meer dat allesweterige toontje aanhoren. Ze

had hem verdragen voor het goeie doel, om van de schilde-


ijen af te komen, maar nu hoefde het gelukkig niet meer. Ze

was er met ere af, want ze had zelf het laatst contact gezocht.

Zou hij dan toch maar bellen? Nee, hij dacht er niet over,

hij verdomde het. Hij ging zich niet opdringen. Hij zou ook

niet weten wat hij bij haar moest doen. Ze kon niet eens

schaken. Saaie meid eigenlijk.

De neerslag buiten was overgegaan in een dreinerig mot­

regentje. Het was nog geen vier uur en toch werd het al

donker. Het zou nog weken duren voor de dagen weer gin­

gen lengen.

Verliefdheid is een vreemd iets, een gevoel dat niet lijkt te

gehoorzamen aan de wetten van oorzaak en gevolg, aan de

regels van de logica, aan de voorschriften die gewoonte en

omgeving je opleggen. Het maakt een evenwichtig mens

wispelturig, een beheerst mens driftig, een daadkrachtig

mens onzeker. Kortom, verliefdheid gooit je ondersteboven

en keert je binnenstebuiten. Victoria was nog niet vaak ver­

liefd geweest. Eén keer vluchtig, op een jongen in haar klas

die kunstzinnige bruine ogen had en gedichten schreef. Het

was overgegaan toen hij een kinderachtig snorretje op zijn

bovenlip had laten groeien. En één keer behoorlijk ernstig,

op een jongen die twee klassen hoger zat, die onverwachte

dingen zei en die tenniskampioen van de school was. Het

had lang geduurd voor hij haar had opgemerkt, want ze was

niet het type dat om een aantrekkelijke jongen heen liep te

draaien. Helaas, kort nadat zijn belangstelling was gewekt

vertrokken zijn ouders, met medeneming van de jonge held,

voorgoed naar Canada.

Ze had dat gevoel van verliefdheid niet zo prettig gevon­

den. Ze had geen wispelturige aard en ze hield niet van on­

zekerheid. Ze was gesteld op haar vaste gewoonten, ze haat­

te onlogische redeneringen en gelaten afwachten ofhet een

jongeman beliefde haar op te merken, dat was helemaal niks

voor haar. Het liefst liep ze op haar stevige, knokige benen,

137


haar kin vastbesloten vooruit, recht op haar doel af. De ver­

liefdheid op die J ochem (hoe zouden ze dat in Canada uit­

spreken?) had van binnen alles in de war gegooid, wat op­

windend was geweest, maar ook een beee storend.

En nu was daar Patrick. Er was geen twijfel aan dat ze

verliefd op hem was. De verwarrende gevoelens van toen

met Jochem waren tien keer zo erg aanwezig. Ze dacht ei­

genlijk altijd aan hem, ook als ze met iemand anders praatte,

ook als ze ijverig en efficiënt een repetitie zat te leren, zelfs

als ze sliep. Ze vond hem geweldig, in alles wat hij zei, in

alles wat hij deed. Ze wist dat hij fouten moest hebben, maar

ze zag ze niet. Dat hij in een rolstoel zat maakte geen enkel

verschil. Ze zag het amper meer. Onlangs had ze hem be­

schreven aan een vriendin op school, en pas tegen het eind

van haar lofrede had ze er aan gedacht te zeggen dat hij niet

kon lopen. Hij gaf niks om haar, daar was ze zeker van. Nou

ja, hij gaf wel iets om haar, maar hij voelde niet dat bij­

zondere, dat ondersteboven en binnenstebuiten. Natuurlijk

voelde hij dat niet. Zij was maar zo'n heel gewoon meisje, zo

een van dertien in een dozijn. En ze was niet romantisch, dat

hadden jongens vaak tegen haar gezegd. Als in een film 'ze

elkaar kregen', en haar vriendinnen tranen in hun ogen had­

den, moest zij lachen. Als de kaarsjes van de kerstboom aan­

gingen en iedereen diep ademhaalde om het gevoel ruimte te

geven in zijn borstkas, snoot zij hard haar neus, niet van

aandoening maar omdat ze verkouden was. Ze droeg geen

oorbellen want ze vond het gek om gaatjes in haar oren te

laten maken. Ze droeg platte schoenen, zelfs op feesten,

want op hakjes zwikte ze. Ze vond hoge hakken trouwens

lelijk. Totaal onromantisch scheen ze te zijn. Ze had een

vierkante kin en dus zou ze ook wel een vierkante ziel heb­

ben.

Zoals Patrick haar met de schilderijen had geholpen, dat

was ongelooflijk, dat was geniaal, meesterlijk, heldhaftig. En

zoals hij met Tony omging . .. Ze had nog nooit iemand

138


zoals hij ontmoet. Ze was niet verbaasd dat hij niks meer van

haar wilde weten nu alles achter de rug was. De schilderijen

waren interessant geweest, niet zij.

Had ze niet moeten vragen of hij weg wilde gaan, die

middag net voor haar vader thuiskwam? Dat begréép hij

toch, aan haar vader was nu eenmaal een steekje los. N atuur­

lijk begreep Patrick dat, het kwam haar voor dat hij alles

begreep. Maar hoe hij gevraagd had of ze elkaar de volgende

dag zouden zien, mijn hemel, het had geklonken alsof hij

hoopte dat ze elkaar drie jaar niet zouden zien. Dus had ze

een smoesje verzonnen, om het hem makkelijk te maken.

Het hele weekend was ze geen vijf stappen van de telefoon

geweest, in de hoop dat hij zou bellen. Natuurlijk had hij dat

niet gedaan, ze had het van tevoren in haar hart geweten.

Met de moed der wanhoop had ze een paar dagen later zelf

gebeld. Had ze daar een spijt van . .. Hij had geklonken alsof

hij zich amper herinnerde wie ze was.

Haar vader was naar de bank, hij zou als gewoonlijk te­

gen vijven thuiskomen. Zou ze daarna een keer onopvallend

langs Patrick's huis lopen? Misschien zou hij haar toevallig

zien. En omdat het regende, en ze zielige, kletsnatte haren

zou hebben, was er een goeie kans dat hij haar binnen zou

vragen.

Ze leek wel gek. Dat was het 'm nou met die verliefdheid.

Je bedacht de belachelijkste dingen. Stel dat haar vader of

een leraar, of de burgemeester, of wie dan ook, van haar zou

vragen om in de regen langs het huis van iemand te gaan

lopen in de hoop . .. ze zou hem voor gek verklaren. En zelf

bedacht ze het. Onzin, ze kon immers de telefoon pakken?

Daar was hij voor. Een paar weken geleden belde ze nog

gewoon op als ze hem iets wilde zeggen. Of niet soms? Jaze­

ker, dat deed ze. Nou, ze kon toch bellen en zeggen: 'Ik heb

zin om je te zien.' Ze zeggen dat meisjes nooit achter jongens

aan moeten lopen. Daar houden ze niet van. Maar zij was nu

eenmaal zo. Ze ging altijd recht op haar doel af.

139


Weet je wat, ze zou bellen en als er niemand opnam dan

was dat een teken dat hij niks om haar gaf. Als er wel iemand

opnam zou zij gauw neerleggen. Dan kon ze later beslissen

of ze het nummer nog eens zou draaien.

Kinderachtig, kinderachtig, kinderachtig, dacht ze, maar

ze nam toch de hoorn van de haak en draaide. Twaalf keer

liet ze de bel overgaan. Geen antwoord. Nou, dat staat dan

vast, dacht ze, tegen alle regels van haar geliefde logica in.

Hij geeft niks om me, zoals ik al vermoedde. Ze kon niet

weten dat Patrick in de regen in het park zat, op de plaats

waar hij haar voor de eerste keer had gezien.


11

Op de GENGK kon je mensen treffen van allerhande slag.

Neem nou Paul. Hij was zwart, geboren in Suriname,

opgegroeid in Rotterdam. Achtentwintig jaar, sterk en spor­

tief. Zijn hele leven had hij gevoetbald, eerst op straat, later

in clubs. Bijna was hij professional geworden; het was mis­

lukt omdat hij niet hard genoeg kon lopen. Hij had gevaren

op een tanker, hij had in de haven gewerkt, zijn jonge ge­

zicht had al enkele van de groeven die erin worden gekerfd

als je moet vechten om je staande te houden. Met slappe

smoesjes hoefde je bij Paul niet aan te komen. Als hij werd

geprezen omdat hij zoveel tijd gaf aan de GENGK haalde hij

zijn schouders op en zei 'Ik ben werkeloos. Als ik in dezelfde

tijd bankier kon zijn, deed ik dàt.' Hij wist wat het was om

het moeilijk te hebben. Als je jankte om een schram lachte hij

je uit, gaf je er desnoods een frisse bij. Jankte je om iets wat

dieper zat dan een schram, dan hield hij anderen op een

afstand en liet je betijen.

Of neem meneer Van Wijngaerden. Hij was de voorzitter

van de GENGK. Een man van hoge beschaving, die veel

voor de vereniging had gedaan. Hij zorgde ervoor dat er

's zomers geld was om met vakantie te gaan, hij stuurde

banketletters op het sinterklaasfeest en soms verscheen hij

zomaar, op een zaterdagmiddag, met.een doos lekkers in zijn

armen. Hij zocht soms de ouders van gehandicapte kinderen

op en overreedde ze om hun kind naar de GENGK te sturen.

Ook bij meneer Roerig was hij indertijd, kort na het ongeluk,

verschillende keren geweest. Hij had zelfs wel op­

gepast bij T ony, toen meneer Roerig nog druk was geweest

met het proces. Maar hij was er niet in geslaagd het zwaar

invalide jongetje naar de club te krijgen.


Meneer Van Wijngaerden kon soms ook lang zwijgend in

een hoek zitten, met een van de kinderen slapend op zijn

schoot. Hij scheen zelf een dochtertje gehad te hebben, lang

geleden, maar ze was gestorven. De meisjes en jongens van

de GENGK moesten soms aan dat onbekende kind denken

als hij daar zo zat.

En dan had je Teuntje, ook een van de leiders. Ze was

vijfentwintig en een wonderlijk mens. Het ene ogenblik

schreeuwde ze als een kerel en deelde links en rechts klappen

uit, het andere ogenblik was ze de zachtaardigste persoon die

je je denken kunt, een engel van barmhartigheid, die troostte,

kusjes en streelt jes gaf, of met zoete woordjes een woedend

kind dat zijn kameraadje de hersens in wilde slaan tot

betere gedachten bracht. Een leidster was ze eigenlijk helemaal

niet, daarvoor was ze veel te wispelturig, en ze was ook

zeer kippig, ze had een bril op met ongelooflijk dikke glazen.

Op een zaterdagmiddag, begin december, ging deze

Teuntje samen met Paul en een stuk of twaalf kinderen van

de GENGK naar de Caddumsche Hei, om een oude schaapskooi

te bezoeken, een beetje aan terreinverkenning en kompaslezen

te doen en gewoon om lekker buiten te zijn. De

zaterdag ervoor hadden ze sinterklaas gevierd, heel leuk

maar wel erg binnen. Nu hadden ze weer eens zin in wat

anders. Meneer Van Wijngaerden had hun de Caddumsche

Hei aangeraden; hij had daar in de buurt een buitenhuisje.

Patrick en Tom hadden zich opgegeven om mee te gaan.

Er waren twee blinde kinderen bij, Lucie en een jongen van

tien, verder twee kinderen in een rolstoel en een jongen die

leed aan vallende ziekte. De andere kinderen hadden geen

handicap, maar sommigen waren pas acht en dat kun je soms

ook een handicap noemen. Een beetje hulp van de al wat

oudere Patrick en Tom was best welkom.

Het kon Patrick allemaal weinig schelen. Hij had in weinig

dingen zin, de laatste tijd. Victoria had hij nu al twee

weken niet gezien. Op een middag was hij tegen vieren naar


haar huis gegaan, nog niet helemaal vastbesloten of hij aan

zou bellen. Terwijl hij daarover zat te dubben, op veilige

afstand van de deur van het flatgebouw, had hij haar aan zien

komen, vrolijk babbelend met een jongen van hun leeftijd.

Het was een leuke jongen geweest, zo te zien, met krullend

haar en vooral twee gezonde, sterke benen. Die vent was

met Victoria naar binnen gegaan. Gelukkig hadden ze hem

niet gezien. De belevenissen met Victoria waren afgelopen

en uit, basta, einde. Hl; zei dat duizend keer tegen zichzelf en

hij probeerde haar uit zijn hoofd te zetten. Hij was vastbesloten

haar niet meer lastig te vallen.

Paul reed het busje van de GENGK voor. Hij opende de

grote achterdeuren, haalde een hendel over en liet met hulp

van een motore een beweegbaar platform naar buiten en

naar beneden komen. Daar werden één voor één de rolstoelen

opgereden, die zo zonder inspanning in het busje

kwamen en met een paar klemmen op de bodem werden

vastgezet. Zo konden ze niet op de loop gaan als het busje de

bocht doorging of hard moest remmen.

Toen iedereen was ingeladen gingen ze op weg. De stemming

was vrolijk. Ze lieten zich niet terneerslaan door de

zwijgzaamheid van Patrick of door het sombere, windstille

weer en de grauwe lucht.

'The rain in Spain stays mainly in the plain,' zong

T euntje, die een mooie stem had

'Wie weet wat dat betekent?' vroeg Paul.

Niemand scheen het te weten.

'Kom op, Patrick. Jij leert toch Engels?'

'De regen in Spanje blijft vooral op de vlakte,' zei Patrick.

'Pet,' zei Paul. 'Dat klinkt niet, dat kun je niet zingen, dat

is een vertaling van niks. Wie weet er iets beters?'

'Ik,' zei Leen, die twaalf was en die de mooiste sinterklaasgedichten

had gemaakt. 'Het been van Leen heeft

geen gespleten teen.'

Dat viel in de smaak en ze zongen allemaal uit volle borst:

Het been van Leen heeft geen gespleten teen.

143


'Ik weet een andere in het Engels,' zei Teune (ze was dol

op rijmpjes en versregels). 'How much wood would a woodchuck

chuck, if a woodchuck could chuck wood?'

'Wat betekent dat?'

'Doet er niet toe. Wie weet een passende vertaling?'

'Ik,' riep Lucie. 'Welke voet doet een voetbal goed, als

die voetbal heel ver moet?'

'Die van Gullit,' schreeuwde Pim.

Tom raakte Patrick's arm aan. 'Wat doen ze?'

'Ze zijn aan het rijmen.'

Tom's ogen veranderden in vraagtekens. 'Wat is dat, rijmen?'

Mensenlief, hoe moest ie dat nu uitleggen. Blijkbaar had

T om van het sinterklaasfeest niets begrepen. 'Het is net

zoiets als ritme,' zei hij. Hij maakte met zijn vingers een

roffel* op Tom' s hand. 'Dit voelt beter dan dit.' Hij maakte

een onregelmatig roffel*. 'Met rijmen is het net zoiets. Je

brengt systeem in de woorden. Je hebt toch wel eens een

versje gelezen? Nooit gemerkt dat de laatste woorden van

twee regels op elkaar lijken? Neem nou pluldcen en buldcen.

Die woorden betekenen totaal verschillende dingen, maar

de laatste vijf letters zijn hetzelfde. Dat geeft een bepaald

effect in de klank.'

Tom vroeg niet verder. Hij trok zich terug in zijn eenzaamheid.

Als hij in de put zat, kon hij zich niet uiten. Soms

ging hij naar zijn kamer en trok dikke zwarte lijnen op een

papier, woeste lijnen, tot de punt van het potlood brak. Hij

had een zusje van vier jaar en dat kleine wurm had nu al meer

contact met hun ouders dan hij ooit had gehad.

Zijn vader vertelde soms dingen over zijn werk, over

mensen die hij had ontmoet. Tom kon dat niet altijd volgen.

Liplezen is moeilijk. Meestal 'zag' hij een paar woorden van

een zin en de rest verzon hij erbij. Gisteren had zijn vader

weer iets verteld wat hij niet had begrepen en waar zijn moeder

hard om had gelachen. Hij had zijn vader gevraagd het te

herhalen en toen was die ongeduldig geworden.

144


'Een woordgrapje. Dat snap jij toch niet,' had hij gezegd.

T om was het gewend dat dingen hem voorbij gingen.

Erger was dat hij niks kon zeggen, behalve stompzinnige

dingen die iedereen begreep, zoals 'mag ik de jus'. Alleen op

school kon hij iets kwijt, en bij Patriek. Maar met zijn ou­

ders, en zijn zusje, daar werd hij soms wanhopig van. 'Spre­

ken is zilver, zwijgen is goud,' zeiden de mensen. Wat hem

betrofkonden ze met dat spreekwoord de kachel aanmaken.

Ze kwamen bij de Caddumsche Hei en parkeerden de bus

op een groot, leeg parkeerterrein. Kennelijk was de belang­

stelling voor de natuur op deze donkere, kille middag ge­

ring. Daarna gingen ze de hei op, over smalle paadjes, soms

over onontgonnen terrein, wat met de rolstoelen een hele

toer was. Patriek had zijn lichte, met de hand voortbewogen

stoel meegenomen. Met hulp van Tom kon hij zonder grote

problemen meekomen. Het was een onderneming die ty­

pisch was voor de GENGK: geen handicap houdt ons tegen,

door een beetje samenwerking kunnen we overal komen. Er

viel wel eens iemand tijdens de activiteiten van de club. Er

kwam geregeld een kind met een buil thuis. Eens had een

jongen zijn pols gebroken. Als de ouders klaagden zeiden de

leiders van de GENGK: 'Wat wilt u, dat we ze in de watten

leggen? Kinderen zonder handicap halen ook hun knie open

als ze op het grint vallen. Als u wilt dat uw kind een volwaar­

dig leven leidt, dan moet u ook een zeker risico durven lo­

pen.' Tot nu toe had nog nooit een van de ouders hun kind

om een schram of buil van de GENGK gehaald.

Lucie kwam bij Patrick en Tom lopen, haar hand op de

rugleuning. 'Wat zie je?' vroeg ze.

'Verdomd weinig eigenlijk,' zei Patriek. 'Het wordt ne­

velig. De hei ziet er grauw uit. Recht voor ons doemt de

schaapskooi op. Ernaast staan drie of vier bomen. Het lijkt of

er geen kleuren meer zijn in de wereld. Alles is grijs. Ik moet

zeggen dat je vandaag niet veel mist.'

'Mist,' herhaalde Lude.


Ze bereikten de schaapskooi, die totaal verlaten bleek. Ze

hadden gehoopt honderd dikgewolde, mekkerende schapen

aan te treffen, en een oude herder met een pijp in zijn mond

die een trui zat te breien en die hun een verhaal zou vertellen

over een vet verleden, toen er nog heksen waren en de biete­

bauw op de loer lag. Een hond zou aan zijn voeten . liggen,

één oog slapend, het andere waakzaam gericht op de scha­

pen.

Niks ervan. Leeg. Zelfs geen keutel was er te vinden.

Ze rustten even uit, aten de koeken die ze hadden meege­

kregen en dronken een kop chocomel.

'Kijk Stef eens,' zei Leen.

Stef was een van de jongens van acht. Hij was bezig om in

een boom te klimmen. Hij was al wel zes meter hoog.

'Hé daar,' riep Paul. 'Terug jij!'

Stef keek naar beneden en schrok van zijn eigen moed.

Terug is lastiger dan heen.

'Blijf zitten en hou je vast,' riep Pau!. 'Ik kom bij je.'

Op een holletje ging hij naar de boom en klom erin. Hij

had Stef gauw bereikt en greep hem vast. Toen gebeurde het

ongeluk. De tak waarop ze stonden moet verrot zijn ge­

weest. Hij brak af, na een seconde van angstaanjagend ge­

kraak. Paul greep met zijn vrije hand om zich heen, vond

niet zo gauw steun, drukte toen Stef tegen zich aan en draai­

de zich al vallend zó dat hijzelf het eerst op de grond kwam

en Stefboven op hem. De kleine jongen had dan ook niets, al

huilde hij hard van schrik. Maar Paul, die in zijn zorg voor

zijn beschermeling zijn eigen val niet had kunnen breken,

lag bewusteloos op de grond, één been kennelijk gebroken

en algauw een bloedplasje naast zijn hoofd.

'Idioot! Sukke!!' schreeuwde Teuntj e, terwijl ze op hem

toeholde. Ze knielde bij hem neer en streelde zijn gezicht.

'Paul. Zeg eens wat. Hé Paul, toe nou.'

Patrick vertelde in snelle, korte zinnetjes aan Lucie en de

blinde jongen wat er was gebeurd. Hij haalde de verband-


doos, die ze altijd bij zich hadden, uit de tas en reikte hem

Teuntje aan. Die onderzocht de wond waaruit Paul bloedde

en verbond hem. Daarna droegen ze hem met z'n allen de

schaapskooi in.

Toen hij op de meest beschutte plaats lag, zijn hoofd op

een jas en nog steeds bewusteloos, kwam Teuntje op haar

knieën bij Patrick zitten om te overleggen wat ze moesten

doen.

'Er zijn volgens mij twee mogelijkheden,' zei Patrick. Hij

draaide zijn gezicht in de richting van Tom, want hij wilde

diens mening weten. De kinderen dromden om hen heen,

heel stil om geen woord te missen. 'We kunnen een brancard

maken en Paul meenemen. We zouden hem op twee rol­

stoelen kunnen steunen, met de kinderen die goed ter been

zijn aan twee kanten ernaast om te zorgen dat hij er niet

afvalt en om te duwen. De brancard kunnen we maken door

de twee hooivorken die daar staan door de mouwen van een

paar jassen te steken.' .

Hij zweeg even, om het idee te laten doordringen. Nie­

mand zei iets.

'Ik denk dat het een slecht plan is,' ging Patrick verder.

'Paul zou wel eens een ernstige hersenschudding kunnen

hebben. Zo iemand schijn je niet te moeten vervoeren. An­

ders houdt hij zijn hele leven hoofdpijn, zeggen ze. Daarom

is de tweede mogelijkheid waarschijnlijk beter. Een paar van

ons gaan hulp halen. Een ambulance. Een dokter. De an­

deren wachten hier en zorgen dat Paul blijft liggen als hij

bijkomt.'

'Zijn been is gebroken,' constateerde Lucie nuchter.

'Goed, dat hij warm blijft dan.'

Tom liep naar de deur van de schaapskooi en keek naar

buiten. Hij wenkte Patrick en T euntje.

'Ai,' zei Patrick.

De al eerder aansluipende mist had de schaapskooi be­

reikt. Het zicht was niet meer dan vijftig meter en werd snel

minder, ook al omdat het al over half vier was.

147


'Dan zal ik maar gaan,' zei Teuntje aarzelend. Ze keek

kippiger dan ooit. Háár zicht was misschien vijf meter.

Tom maakte een paar snelle gebaren.

'Tom zegt dat je het nooit haalt. Hij wil zelf gaan.'

Ze waren een ogenblik besluiteloos. Een van de kleinere

kinderen begon te huilen. Hij werd door Teuntje getroost.

Patrick zei: 'Alleen iemand die goed kaart kan lezen vindt

de weg. In alle bescheidenheid mag ik misschien zeggen dat

ik dat ben. Kijk, we zijn hier.'

Hij spreidde een kaart uit op zijn knieën. 'Hier ergens

moet het buitenhuisje van meneer Van Wijngaerden zijn.

Hij heeft het me een keer aangewezen. Het is waarschijnlijk

ongeveer het dichtstbijzijnde punt waar een telefoon is. Als

er niemand is kunnen we het verderop proberen, hier (hij

wees het aan). Daar wonen zeker mensen.'

'Hoe ver is dat?' vroeg Teuntje.

Patrick keek naar de schaal van de kaart. 'Een kilometer

of drie.'

'Je vindt het nooit in deze mist.'

'Ik heb een kompas meegebracht. Ik zou het fijn vinden

als Tom en Lucie en Leen meegingen.'

Ze keken nog even naar Paul, die zachtjes kreunde, maar

nog niet echt bij kennis was. Daarna gingen ze met z'n vieren

op weg. Patrick keek op de kaart in welke kompasrichting

het buitenhuis van meneer Van Wijngaerden lag. Dat bleek

op II 5 graden te zijn. Met behulp van het kompas bepaalde

hij in welke richting dat in de werkelijkheid van het heide­

veld was en zei toen: 'Lucie en Leen, die kant op.'

Tom en hij bleven waar ze waren, terwijl de beide an­

deren zich hand in hand in de opgegeven richting begaven.

Patrick volgde hen met zijn ogen en keek van tijd tot tijd op

het kompas.

'Iets naar links! Nog iets. Zo is het goed.'

N et voordat ze niet meer te zien zouden zijn riep hij dat ze

moesten blijven staan. Geholpen door Tom ging hij in zijn


olstoel naar hen toe. De mist werd dichter. De schaapskooi

verdween uit het gezicht.

'Als je loopt met het kompas in je hand ga je zwalken,' zei

Patrick. Ze hadden dit verschillende keren geoefend met de

GENGK, maar nooit hadden ze het echt nodig gehad. 'Oké,

Leen en Lucie, daar gaan jullie weer. Die kant uit. Goed zo.

Iets naar rechts. Stop, ik zie jullie niet meer.'

De rolstoel hobbelde over de ongelijke heidepollen. Kleine

druppeltjes hingen aan ieder haartje van hun wenkbrauwen.

Hun geroep over het in mist gehulde veld begon luguber

te klinken.

'Kom op,' zei Lucie. Ofschoon ze geen last had van het

geringe zicht, voelde ze de beklemming. Haar jas werd nat.

Ze was blij dat Patrick erbij was. Bij hem voelde je je veilig.

'Stop!' riep de jonge generaal in zijn rolstoel. 'Ik zie jullie

niet meer. Tom, wil je je stappen tellen tussen hier en de

plaats waar ze nu zijn?'

Tom telde. Toen ze zich bij Lucie en Leen gevoegd hadden

gebaarde hij met twee handen dat hij zestig passen had

gedaan.

'Ongeveer zeventig centimeter per stap, dat maakt ruim

veertig meter,' zei Patrick, 'We hebben nu vijfentwintig

keer zo'n stukje gedaan, dus we zijn ruim een kilometer gevorderd.

Vooruit maar weer, en kijk of je rechts van je een

putje van de brandweer ziet, Leen.'

Het duurde maar even of Leen riep al dat hij het putje zag.

'Goed zo, dan zijn we precies op koers. Dat kan ook

moeilijk anders,' zei Patrick zelfverzekerd.

Hij voelde zich alsof Victoria onzichtbaar naast hem liep.

Ze keek mee over zijn schouder naar de kaart. Ze knikte

bewonderend toen ze langs het putje kwamen. De beklemming

die de anderen voelden, in dit onbekende, in mist gehulde

landschap, waar buiten de geluiden die ze zelf maakten

niets te horen was, geen vogel, geen auto in de verte, waar in

alle richtingen niets was te zien dan grijze sluier, had op hem

149


geen vat. Haar onzichtbare aanwezigheid inspireerde hem

op een manier die hij nog niet eerder had meegemaakt. Voor

haar moest hij , wilde hij, zou hij alles goed doen. Hij nam de

beslissingen met een grote innerlijke zekerheid. Zijn rust

straalde uit naar de anderen. Hij wilde dat ze trots op hem

kon zijn.

Ze deden er bijna een uur over, maar ze kwamen haar­

scherp uit op het kleine weggetje waar Patrick hen heen had

geloodst. Twintig meter verder links stond een vakantie­

huisje. Tot hun vreugde was er licht aan.

'Dat heb je 'm knap geflikt,' zei Leen bewonderend en

Lucie kwam liefdevol aan zijn neus trekken. Tom belde aan.

Het duurde even. Daarna ging de deur op een kier open,

tegengehouden door een ketting.

'Wie is daar?' vroeg een onbekende stem.

'We zijn van de GENGK,' antwoordde Patrick. 'Is me­

neer Van Wijngaerden thuis?'

De ketting werd losgemaakt en de deur ging verder open.

Een grote man stond op de mat. Hij had lang haar, dat op zijn

schouders zou vallen als hij het niet achter zijn hoofd tot een

staart bij elkaar had gebonden. Zijn gezicht was bruin, alsof

hij net drie weken in Zuid-Spanje had gezeten. Het was een

gezicht dat graag lachte maar dat waarschijnlijk ook heel

kwaad kon kijken. 't Was een heel bijzonder gezicht, waar­

van je moeilijk kon zeggen of je het aardig of juist niet zo

aardig vond en dat je er ook weinig over vertelde of de man

dertig of zestig was of iets ertussenin. Hij had een wijde,

blauwe trui aan en een broek van ribfluweel. Zijn sport­

schoenen waren vuil, wellicht had hij vroeger in de middag

tien kilometer over de hei gerend, daar zag hij wel naar uit.

'Wat doen jullie in de mist?' zei hij verbaasd.

'Iemand van ons heeft een ongeluk gehad,' zei Patrick.

'Hij ligt in de oude schaapskooi. Er moet een ambulance

naartoe.'

'Kom eerst maar eens binnen. Meneer Van Wijngaerden

15°


is er niet. Ik ben een vriend van hem. Hij heeft me zijn

zomerhuis uitgeleend. Mijn naam is Gijs van Oerle, maar de

meeste mensen noemen me Vincent.'

Patriek stelde zichzelf voor en noemde daarna de namen

van de anderen. 'Lucie; met de valkeogen. Tom; uitvinder

van de geluidsbarrière. Leen; zijn handicap is dat hij met ons

moet omgaan.'

De man met de paardestaart lachte en ging hen voor naar

de woonkamer. Dat was een groot vertrek, want wat bescheiden

door meneer Van Wijngaerden als buitenhuisje

was aangeduid was een ruime bungalow, groter en mooier

dan de dagelijkse woning van een van de vier die er nu op

bezoek waren. In de kamer was het een soort woestenij. De

vloer was bezaaid met schetsen, soms complete tekeningen,

soms niet meer dan een paar houtskoollijnen. Er stond een

schildersezel met een doek erop waar kennelijk aan werd

gewerkt, er lagen tubes verf, een nat palet, potloden, waterverf,

kortom de kamer zag er uit als het atelier van een zeer

slordige schilder.

'Het is hier een beetje een troep,' zei Gijs van Oerle,

terwijl hij met zijn voet wat vellen papier wegschoof om

ruimte te maken voor de rolstoel. 'Dus jullie zijn van de

GENGK. Daar heb ik veel over gehoord van Van Wijngaerden.

Vertel eens wat er is gebeurd.'

Terwijl Patriek verslag deed van hun belevenissen zat hij

op de rand van een stoel, met een schetsbloc op zijn knie, en

hij tekende aan één stuk door, ook als hij iets zei. Iedere paar

minuten sloeg hij een vel om en begon op een schoon blad.

'En jullie hebben het van de schaapskooi door de mist hierheen

kunnen vinden?' vroeg hij.

'Patriek kan bijna alles,' zei Lude.

'Ik ben vooral goed in de hinkstapsprong,' zei Patrick.

De schilder stond op en ging telefoneren. In een paar

minuten had hij geregeld dat er een ambulance bij hem langs

zou komen, om vandaar naar de schaapskooi te gaan.

1)1


'Hij is er over tien minuten,' zei hij .

'Bent u schilder?'

'Wat een opmerkingsgave,' glimlachte Van Oerle.

'Daarom noemen ze me Vincent. Ik heb van kind af aan

altijd getekend en geschilderd.'

'Mogen we zien wat u nu aan het tekenen bent?' vroeg

Patrick.

'Zeker wel.'

Hij toonde het schetsblok. Het bleek dat ze allemaal al op

papier stonden, in verschillende houdingen, de rolstoel,

Tom die zijn windjack met zijn vinger door het lusje over

zijn linkerschouder had hangen.

'Goh,' zei Leen, 'wat kunt u dat goed.'

Vincent lachte en gafhem een podood. 'Zet eens een paar

willekeurige strepen.'

Leen zette een rondje, een vierkantje en een rechte lijn op

het papier.

der.

'Nu mag Lucie zeggen wat ik moet tekenen,' zei de schil­

'Paul die uit de boom valt,' zei Lude.

Ze vonden het ongelooflijk. In een paar minuten was de

valpartij in beeld gebracht, in een prachtige tekening, waar­

bij de verrichtingen van Leen keurig in de scène waren op­

genomen. Patrick beschreef fluisterend aan Lucie wat ze za­

gen.

'Wilt u dit niet eens een zaterdagmiddag op de GENGK

komen doen?' vroeg hij . 'Ik weet zeker dat iedereen het

prachtig zal vinden.'

'Zeker wel. Meneer Van Wijngaerden heeft het me ook al

eens gevraagd. Nu ik jullie heb leren kennen zal ik het beslist

doen.' Hij bleef grappen uithalen met zijn podood. Hij te­

kende een karikatuur van Patrick, een portret waarin som­

mige dingen van zijn gezicht overdreven werden. Hij kreeg

een idioot hoog voorhoofd en een knots van een neus. En

toch léék het. Vooral Tom keek zijn ogen uit. Via Patrick

vroeg hij of je zoiets kon leren.

1)2


'Iedereen kan het een béétje leren,' zei de schilder.

'Hoe goed je wordt hangt van twee dingen af: hoeveel

talent je hebt en of je bereid bent er hard voor te werken.'

'Wat zou ik het graag leren,' gebaarde Tom.

De schilder gaf hem het potlood. 'Teken eens een paard.'

Tom begon met het paardehoofd, waaraan hij zorgvuldig

twee oren toevoegde, ogen met wimpers, een ...

'Vlugger,' zei Vincent. 'Met een paar streken. Alleen wat

je het belangrijkste vindt aan een paard.'

Tom probeerde het.

'Niet gek. Misschien heb je wel talent. Ik kan je geen les

geven, daar ben ik te ongeduldig voor. Maar er zijn genoeg

goeie tekenleraren. Kijk, ik teken een paard zó.'

In minder dan een minuut stond er een paard op papier,

zo mooi dat ze allemaal applaudisseerden. Ook Lucie.

'Maar jij kunt het niet zien,' zei de schilder bedroefd.

'Ik hoor aan de anderen dat het mooi is,' zei ze vrolijk.

'Mag ik uw "gezicht voelen? Wat hebt u lang haar. Nog langer

dan ik. En wat een grote ogen hebt u. Het lijkt alsof alles

groot aan u is.'

'Dat is zo,' zei Vincent. 'Alleen ben ik niet een groot

schilder.'

Zijn gasten protesteerden luidkeels.

'Een handige schilder ben ik. Een groot schilder was de

.

,

man naar wle ze me noemen.

Het geluid van een sirene veegde die gedachte weg en

door het raam zagen ze een blauw zwaailicht. Ze waren Paul

bijna vergeten, zo opwindend vonden ze de vriend van meneer

Van Wijngaerden. Maar nu was de ban gebroken, ze

kwamen snel in actie. Het werd een ingewikkeld heen en

weer gerij in de mist. Lucie en Leen in de ziekenauto. Patrick,

Tom en rolstoel in de Landrover van de schilder. Met

een grote omweg, via de provinciale weg en een zandpad,

naar de schaapskooi.

Paul, die was bijgekomen, met Teuntje in de ziekenauto.

1 53


In twee ritten met de Landrover alle kinderen naar de bus.

Vincent aan het stuur van de bus, terug naar het clubgebouw

van de GENGK. David, een van de andere leiders van de

GENGK, in zijn eend met Vincent terug naar de Landrover.

Vincent met de Landrover terug naar het vakantiehuis van

meneer Van Wijngaerden, David met de eend naar zijn ei­

gen huis.

'Nou,' zei Patrick tegen zijn moeder, 'we hebben weer

eens wat meegemaakt.'

bij?'

Ze luisterde met belangstelling naar zijn verhaal.

'Dat heb je goed opgelost,' zei ze.

'Wij allemaal samen.'

'Natuurlijk, jullie allemaal samen. Was Victoria er ook

'Victoria is toch geen lid van de GENGK.'

'Ik dacht dat ze misschien voor de gezelligheid meege­

gaan was,' zei moeder en ze wendde zich af om koffie in te

schenken.

daan.'

'Dan had ik haar moeten vragen, en dat heb ik niet ge­

'Alsjeblieft, hier is je koffie.'

'Dank je.' Hij roerde lang, in gedachten verzoen.

15 4


12

Weer was een week voorbij gegaan. Op iedere minuut volgt

een andere, en nog een, en nog een. De tijd is als een reusachtig

stenen wiel dat langzaam over de vlakte rolt, door

niets tegen te houden. Een week verloopt; de afdruk van die

week staat in het spoor van dat stenen wiel. Die afdruk is

blijvend. Wat in die week is gebeurd, is gebeurd, dat zal

nooit meer veranderen. Nieuwe gebeurtenissen zullen nooit

meer worden toegevoegd. De geschiedenis heeft maar één

spoor, bestaat maar uit één afdruk. Het heeft geen zin om te

zeggen: áls nu eens in plaats van dát ... ; je kunt dezelfde

periode niet tweemaal beleven.

Voor Patrick was het een week geweest die er wat hem

betreft net zo goed niet had kunnen zijn. Er had niets plaatsgevonden

wat hij zich zou herinneren. Hij had Victoria niet

gezien, noch gesproken.

Hij had gehoord dat het goed ging met Paul, maar deze

zaterdagmiddag ging hij toch maar weer naar de GENGK,

met Tom, om wat preciezer te horen hoe het met Paul was.

En daar, in hun gebouw, werd de dag ineens uit de rij van

alledaagse dagen gerukt, kwam er een lijstje om, werd hij

veranderd in een punt des tijds. Want toen ze nog maar net

binnen waren ging de deur open en daar was Victoria. Ze

was niet alleen. Ze was met Tony. Hij zat in een splinternieuwe

rolstoel, een heel moderne, de mooiste die Patrick

ooit had gezien. Hij was natuurlijk elektrisch en hij kon op

verschillende manieren gestuurd worden, onder andere

door een knop op de leuning te bewegen. Op die knop lag de

hand van Tony.

Even wist Patrick niet ofhij naar Victoria en haar broertje


toe zou gaan. Want als je het voorwerp van al je overpein­

zingen, het onderwerp van al je dromen, ineens in levende

lijve voor je ziet, dan gebeurt er iets vreemds in je ziel. Aan

de ene kant valt het een beetje tegen: ze is een heel gewoon

meisje, met een verse pukkel bij haar mondhoek. Aan de

andere kant is het zo heerlijk, krijg je zo'n ruim gevoel in je

borstkas, dat je als een vogel naar de toppen van de bomen

zou kunnen vliegen.

Patrick vloog niet, maar hij ging op Victoria af. Hij had

willen uitschreeuwen hoe blij hij was haar te zien, maar hij

zei: '0, hallo.'

Ik stoor hem, dacht Victoria.

'Dag Tony. Wat goed dat je gekomen bent. Welkom bij

de club.'

Tegenover Tony zat Patrick niet om woorden verlegen.

'Wat heb je een schitterende stoel, zeg. Daar is de mijne niks

bij. Potverdorie, het lijkt wel een RoUs Royce.'

T ony lachte.

'Heb je die van je vader gekregen?'

T ony sloeg met zijn hoofd.

'Nou en of,' zei Victoria. 'Jij krijgt de mooiste stoel die er

is, heeft vader gezegd, is het niet waar, Tony.'

Ze gingen in een hoek zitten, om rustig te kunnen praten.

'Wou je niet wat anders doen?' vroeg Victoria.

'Nee, we zaten ons net een beetje te vervelen,' zei Patrick.

'Je komt heel gelegen.'

Een erg complimenteuze opmerking was dat niet.

'Er is veel gebeurd,' zei Victoria. 'Vooral met vader.

Neem nou de schilderijen. Ik was er natuurlijk heel gespan­

nen over wat hij zou zeggen als hij ontdekte dat ze weg

waren. Hij zei niks. Helemaal niks. Ik kon niet eens merken

dat hij het zàg. Maar een paar dagen later, toen ik thuiskwam

uit school, waren de gordijnen weg . .. De roeden ook. En de

twee lelijkste van de schilderijen die we op de markt hebben

gekocht. Ik zei: "Goh, de gordijnen zijn weg." Hij reageerde

niet.'


'Dus hij wéét wat we hebben gedaan. Hij heeft de krant

gelezen en zijn conclusies getrokken,' meende Patrick.

'Dat denk ik ook,' zei Victoria. 'Nou, en een paar dagen

later zei hij dat hij een rolstoel voor T ony ging kopen. Er

kwam een man die precies naging wat Tony kan en wat hij

niet kan. Weet je nog wel, T ony. Jij scheen het niks leuk te

vinden. Een paar dagen later was deze stoel er. Hartstikke

mooi. Hartstikke duur.'

'Wat goed van je vader.'

'Nou, dat vind ik ook. En Tony is helemaal gek met zijn

stoel. We zijn naar een lege parkeerplaats gegaan en daar

heeft hij geoefend met het besturen van zijn slee.'

Tom maakte een gebaar.

'T om denkt dat je nog eens in een formule I terecht

komt,' vertaalde Patrick.

T ony zwaaide enthousiast met zijn hoofd.

'Het schijnt dat T ony iets weet wat ik niet weet,' constateerde

Victoria. 'Wat is een formule 1?'

'Iets voor mannen onder mekaar,' verklaarde Patrick.

'Het is een racewagen.'

Intussen was David, een van de leiders, bij hen komen

staan. Victoria en Tony werden aan hem voorgesteld. Hij

vroeg of T ony een nieuw lid van de club werd en Victoria

zei dat ze kwamen uitvinden of haar broer het hier leuk

vond.

'Vast wel/ zei David. 'Zullen we samen eens rondkijken

wat hier allemaal is?'

Hij nam de rolstoel bij de handvatten.

'Ik ga mee,' gebaarde Tom.

Hij bedoelde het goed. Hij had natuurlijk opgemerkt hoe

mat Patrick de laatste weken was en zijn conclusies getrokken.

Gepraat erover hadden ze niet. Maar soms is niet spreken

veelzeggender dan tienduizend woorden en Patrick wist

dat Tom wist dat ...

Kortom, Tom meende er goed aan te doen Patrick en

1 )7


Victoria een poosje alleen te laten en daar vergiste hij zich in.

Want toen er geen bliksemafleider meer was, steeg de spanning

tussen hen tot honderdduizend volt. Ze wisten niet

meer wat ze moesten zeggen. Ze wisten niet hoe en waarnaar

ze moesten kijken. En hun verwarde gevoelens concentreerden

zich op één hartstochtelijk verlangen: ik wou dat Tom

en T ony terug kwamen.

'Heb je de krant van gisteren gelezen?' vroeg Patrick.

Het klopt dus, dacht Victoria vernyijfeld. Hij verveelt

zich met me. We hebben elkaar weken niet gezien en hij

denkt aan de krant van gisteren.

Ze keek langs Patrick heen naar een poster van Amnesty

International, zonder die te zien.

Ze kijkt langs me heen, dacht Patrick. Een jongen in een

rolstoel, dat vindt ze een vervelend gezicht. Ze is bang dat ik

het medelijden op haar gezicht zal zien.

'Ik heb hem bij me,' zei hij. 'Wacht even, ik. pak 'm.'

Hij reed naar zijn tas, die in een hoek stond. Voor Victoria

voelde het alsof hij afstand tussen hen wilde maken, alsof

ze lijfelijk te dichtbij was voor zijn smaak.

'Kijk,' zei Patrick, 'dit moet je beslist even lezen.' Terwijl

ze las vertelde hij al wat er in het door hem aangewezen

artikel stond. 'Het Nieuw Provinciaals Museum heeft ruzie

met de verzekeringsmaatschappij waar ze hun schilderijen

verzekerd hebben. De verzekering zegt dat de Metsu natuurlijk

altijd vals is geweest. Van de andere schilderijen die

teruggekomen zijn is vastgesteld dat het echt dezelfde

werken zijn die indertijd zijn gestolen. Het ligt dus voor de

hand dat ook de Metsu, "Kind aan het raam", die is teruggekomen,

dezelfde is die indertijd is verdwenen. Intussen is

gebleken dat het werk vals is. Dus was het altijd al vals, is de

mening van de verzekering, en was het veel te hoog verzekerd.

Het museum vindt dat onzin. Ze zeggen dat het schilderij

eindeloos is onderzocht, juist omdat men een tijd heeft ge-


dacht dat het van Weenix was. Het mag dan vreemd zijn dat

alleen dit ene werk voor een ander is verwisseld toen het op

drift was, het museum is er zeker van dat ze een vervalsing

hebben teruggekregen voor een echt.'

Door te praten over iets wat niet direct met hen tweeën te

maken had stroomde het bloed weer wat gemakkelijker door

zijn aderen.

'Het moet altijd vals geweest zijn,' zei Victoria. 'Tenzij

het door die Veenmannen is omgewisseld. Dat zou natuurlijk

kunnen.'

'Misschien moeten we de Veenmannen alsnog aangeven

bij de politie. Daar heb ik wel zin in, want ze hebben jou op je

hoofd geslagen.'

Toen hij dat zei kreeg hij een kleur. De opmerking was

uit zijn mond gevallen, stom van hem. Ze mocht onder geen

voorwaarde merken dat hij zoveel om haar gaf. Ze zou zich

verplicht voelen haar dankbaarheid om te zetten in iets anders

en dat kon nu eenmaal niet.

'Die bult op mijn hoofd is al vergolden, door een trap

onder een kont,' vond Victoria.

'Veenman kan de politie op het spoor van je vader zetten,'

zei Patrick kortaf. 'We vertellen het niet.'

Victoria gaf de krant terug. 'Waarom ben je al die tijd niet

gekomen?' vroeg ze ineens. Ze kon het niet meer binnen

houden. Ze had nu eenmaal dat directe.

'0, ik had het druk.' Hij deed alsofhij geboeid was door

iets wat in de op zijn schoot teruggelegde krant stond. 'Paul

is uit een boom gevallen en we zaten in de mist en ... '

Hij begon te vertellen over hun avontuur bij de oude

schaapskooi. Door veel te praten kun je veel verhullen. Hij

had me mee kunnen vragen op die tocht, dacht Victoria. Hij

is me gewoon vergeten, dat is het en niks anders.

'0, daar is Tony. Hoe vind je de GENGK? Heb je zin om

hier geregeld te komen?'

1 59


Toen Patrick en Tom later die middag naar huis gingen

kwamen ze weer eens de man met de hoed tegen, of beter

gezegd, hij kwam hun achterop. Ze hadden hem al een tijd

niet gezien. De regenjas was nu een jas van zwaardere stof,

de hoed leek dezelfde. Ook was zijn haardos niet weelderiger

geworden, wat bleek toen hij het hoofddeksel hoffelijk

voor hen afnam.

'Ik zou jullie graag even willen spreken,' zei hij.

De jongens bleven staan.

'We zijn elkaar al eerder tegengekomen. Mijn naam is

Sparendonk.'

'Ik heet Patrick. Dat is Tom. Hij is doof.'

'Ik weet het,' zei meneer Sparendonk. 'Om jullie de waarheid

te zeggen, het is niet helemaal toeval dat we elkaar

eerder hebben ontmoet.'

'Dat dacht ik al.'

'Ik zag jullie het eerst toen jullie in het Jan Steen-museum

waren en met de conservator spraken. Ik stond in de hal bij

de kiosk en ik hoorde gedeeltelijk wat jullie zeiden, over de

mogelijkheid dat er een schilderij zou zijn neergezet in de

kelder. Ik vond dat heel opmerkelijk en ik ben jullie achterna

gelopen, zonder jas aan en zonder hoed. Ik heb er een flinke

verkoudheid aan overgehouden.'

'Wat intens zielig,' gebaarde Tom.

Meneer Sparendonk aarzelde of hij verder zou gaan. Hij

keek vragend naar Patrick.

'T om betuigt u zijn oprechte deelneming met dat ongemak.'

'0, dank je. Jullie moeten weten dat ik een agent ben van

de verzekeringsmaatschappij SOLIDE. Wellicht bekend?

Wij verzekeren vooral roerende goederen, zoals schilderijen.

,

'Ik vind dat meer ontroerende goederen,' zei Patrick.

Meneer Sparendonk glimlachte, maar hij kon het toch

niet laten om even uit te leggen: 'Roerende goederen zijn al

160


die goederen die verplaatst kunnen worden of zichzelf kunnen

verplaatsen, althans .. .' Hij besloot dat hij de kleine lettertjes

maar onvermeld zou laten .

. Patrick en Tom wachtten op wat hij verder te zeggen zou

hebben. Hij stond er ongemakkelijk bij. Met zijn één meter

zevenentachtig torende hij hoog boven hen uit. Patrick wees

naar een bank die even verderop stond, zeer functioneel in

gevallen ' als deze.

'Wilt u daar niet even gaan zitten?'

'Graag.'

T om bleef staan, een hand op de rugleuning van de rolstoel.

Bij hem had je nooit het gevoel dat staan vermoeiend

kan zijn. Hij maakte veeleer de indruk dat hij zijn best moest

doen om niet weg te vliegen.

'De zaak is,' zei meneer Sparendonk vriendelijk, 'dat de

gestolen en later terugbezorgde schilderijen bij SOLIDE

verzekerd zijn. We hebben een paar jaar geleden hoge uitkeringen

moeten doen, die we nu weer teruggekregen hebben.

Jullie begrijpen wel dat we de antidief heel dankbaar

zijn.'

Patrick en Tom knikten vaagjes.

'Jullie hebben er iets mee te maken,' zei meneer Sparendonk.

'0 ja?'

'Ik ben daarvan overtuigd.'

De jongens reageerden niet.

'Als jullie me alles vertellen zit er misschien een mooie

beloning voor jullie in.'

'Ik heb niets te vertellen,' zei Patrick. 'Jij, Tom?'

T om schudde zijn hoofd.

'Aan de andere kant,' vervolgde meneer Sparendonk, en

zijn vriendelijkheid kreeg ineens iets geniepigs, 'als jullie me

niet alles vertellen wat je over deze zaak weet, dan voel ik me

verplicht om de politie alles mede te delen wat ik te weten

ben gekomen over de betrokkenheid van jullie beiden en het

meisje Victoria.'

161


Patrick schrok. Daar had je het gedonder. Die kerel wist

van Victoria.

'Ik begrijp het niet,' zei hij. 'U bent toch tevreden? De

schilderijen zijn terug. U hebtuw geld terug. Wat wilt u nog

meer?'

'Ik wil bewijzen hebben dat de Gabriël Metsu, het werk

"Kind aan het raam", al een vervalsing was toen het werd

gestolen. Daarvoor moet ik weten wat er is gebeurd. We

hebben het Nieuw Provinciaals Museum indertijd een hoge

som voor het schilderij uitgekeerd. Die willen we terug hebben.

We betalen niet voor vervalsingen.'

'Waarom denkt u dat wij er iets mee te maken hebben?'

'Om een heleboel redenen. Ik zal er drie noemen.

T en eerste, jullie meer dan normale belangstelling voor

de zaak, al in een vroeg stadium. Denk aan jullie bezoek aan

het Jan Steen-museum.

Ten tweede hebben jullie het Nieuw Provinciaals Museum

met een bezoek vereerd kort voordat de vervalste Metsu

daar weer is aangetroffen. Het werk past uitstekend achter

de rugleuning van die stoel, is het niet?

Ten derde hoorde ik van mijn collega bij de NS, de stationsdetective,

dat er een lege kist is aangetroffen. Ik heb wat

navraag gedaan bij het depot. Neem me niet kwalijk, maar

jullie vallen een beetje op met die eh ... rolstoel. Zaten er

schilderijen in die kist? Allemaal met de tenen geschilderd?'

Van die laatste woorden schrok hij zelf. 'Eh, neem me niet

kwalijk.'

Patrick en Tom overlegden in gebarentaal. De foto's van

de schilderijen moesten weg bij meneer Roerig. Die waren

te verdacht. Het zou moeilijk zijn iets te bewijzen, maar het

vuur zou hun na aan de schenen worden gelegd.

'De politie kan natuurlijk ook heel gemakkelijk achter

deze en andere dingen komen,' merkte meneer Sparendonk

nog op. 'Op het ogenblik hebben ze de zaak laten rusten. De

schilderijen zijn terug en ze zijn druk met de roofoverval bij


meneer Geraers, van vorige week. Maar het zou me weinig

moeite kosten hun belangstelling weer te wekken.'

'Stel dat we iets weten,' zei Patrick. 'Aan de ene kant bent

u ons dan dankbaar, want de schilderijen zijn terug. Aan de

andere kant wilt u de politie op ons dak sturen vanwege die

Metsu.'

'Dat is correct,' zei meneer Sparendonk.

'Ik kan het niet volgen,' gebaarde Tom.

'Tom begrijpt het niet, en ik evenmin.'

'Nou kijk,' zei meneer Sparendonk. 'Stel ik laat per ongeluk

een tas vallen waarin een aantal kostbaarheden zit. Jij

raapt hem voor me op, maar vóór je hem teruggeeft pik je

mijn portemonnee er uit. Ik ben je dan dankbaar voor het

oppakken van mijn tas en ik geef je toch een draai om je oren

voor het pikken van mijn beurs.'

'Wij hebben niks van u gepikt, geen beurs en geen schilderij.'

'Vertel me dan wat je weet.'

Hij kreeg geen antwoord.

'Dan zit er weinig anders op dan dat ik een gesprekje ga

hebben met inspecteur Saarloos,' zei de verzekeringsagent.

'Wacht nog een paar dagen,' zei Patrick gejaagd.

'Dus je erkent dat jullie iets weten?'

'Misschien weten we iemand die iets weet. Meer kan ik er

echt niet over zeggen.'

T om maakte een gebaar waaruit zijn verbazing b1eek.

'Goed, ik zal een paar dagen wachten,' beloofde de heer

Sparendonk. 'Stel mijn geduld niet te lang op de proef.'

Hij lichtte zijn hoed en vertrok met bedaarde pas. Een

man met weinig emoties en veel vasthoudendheid.

'Weten wij iemand die iets weet?' gebaarde Tom.

'Nee. Ik wou tijd winnen. Alle sporen van de schilderijen

moeten weg bij de Roerigs. Vooral de foto's die Victoria

heeft gemaakt.'

Ze overlegden nog een tijdje wat ze moesten doen. De


iljante ideeën bleven uit. Patrick zei dat hij Victoria

's avonds nog zou bellen. Daarna gingen ze elk naar hun

eigen huis.

Patrick zocht het telefoonnummer van Victoria op. Niet

dat hij het niet uit zijn hoofd kende, maar hij zocht het toch

op. Misschien om tijd te winnen, om nog even te kunnen

denken voor hij het draaide. Misschien omdat hij zichzelf

niet wilde toegeven dat hij het uit zijn hoofd kende. Misschien

omdat hij hoopte dat zijn moeder thuis zou komen en

zou merken dat hij haar nummer moest naslaan. Want naar

zijn smaak vroeg zijn moeder iets te vaak naar haar. Het

werd tijd dat ze begreep dat het over en uit was tussen hem

en Victoria. Nooit áán geweest trouwens.

Hij draaide en kreeg haar meteen zelf. Ze klonk opgewekt.

Misschien was die andere jongen op bezoek. Hij vertelde

van de man met de hoed en van de verzekeringsmaatschappij

SOLIDE. Haar stem klonk ineens mat. Maakte ze

zich zo ongerust?

'Ik zal zorgen dat de foto's vanavond nog de deur uitgaan,'

beloofde ze.

Nee, vrolijk was ze ineens niet meer. Ach, natuurlijk, die

vent zat erbij en ze wilde niet dat hij te weten kwam wat er

gaande was. Of ze was bang dat hij zich intussen verveelde.

Patrick wilde nog vragen hoe Tony het op de GENGK had

gevonden, maar op dat moment kwam zijn moeder binnen.

Daarom zei hij snel 'dag' en legde de hoorn neer.

'Iemand die ik ken?' vroeg zijn moeder.

'Victoria.'

'0, komt ze vanavond? Ik wil haar nu wel eens ontmoeten.'

'N ee, ze komt niet.'

'Heb je het haar wel gevraagd?'

'Hè moeder, hou nou eens op,' zei Patrick geërgerd.

'Je bent altijd wat lichtgeraakt als het over haar gaat, is

het niet?'


'Ik moet vanavond naar mijn training voor snelwandelen,'

zei Patrick pesterig.

Maar deze keer had zijn moeder wisselgeld.

'Ach ja, dat is waar ook. Je sportschoenen staan klaar in

het halletje,' zei ze.

'Ze was op de GENGK. Met Tony, dat invalide broertje.

Zijn vader heeft een volautomatische, gestroomlijnde, super

power rolstoel voor hem gekocht. Het nieuwste van het

nieuwste. 't Is dat ik al gehandicapt ben, anders zou ik het

voor dat apparaat willen worden.'

'Zo is het wel weer genoeg voor vandaag,' zei moeder.

'Heb je de boodschappen gedaan?'

Deze zaterdag was hij ze niet vergeten.

'Goed, dan praten we niet meer over Victoria Roerig. En

dat is dan waarschijnlijk ook weer niet goed. Want je ver­

toont alle symptomen van ...

'

Ze stopte midden in de zin. Hij zag er zo verdrietig uit.

'Geeft ze niet om je?' Het was iets wat zij zich niet kon

voorstellen. Als antwoord pakte hij zijn krukken.

'Ik ben bezweet. Ik ga een douche nemen.'

Zijn moeder bleef onbeweeglijk staan en staarde naar de

plek op de bank waar hij had gezeten. Even onbeweeglijk zat

een paar kilometer verderop Victoria, een hand onder haar

kin. Ze was zo blij geweest toen hij belde, voor het eerst in

weken. Ze had gehoopt dat hun ontmoeting die middag alles

weer als vroeger zou maken, dat hij weer zou komen, dat ze

ijsjes zouden eten bij Brinkers. Ze had hem nog niet eens

verteld dat Tony vorderingen maakte met de leeskaart, ze

konden echt al een bee* met hem praten. Zelfs haar vader

gebruikte die kaart nu om Tony te laten zeggen of hij iets

wilde hebben. 't Was weer om die afschuwelijke schilderijen

dat hij had gebeld. Wat kon haar die verzekeringsman schelen.

Natuurlijk, ze zou de fotoreprodukties weggooien, Patrick

had gelijk. Het zou nu moeilijk zijn iets tegen haar

vader te ondernemen, er waren geen bewijzen, en hij was


zelf nauwelijks aanspreekbaar. Het enige wat Patrick had

geïnteresseerd was het avontuur geweest. De spanning. Het

raadsel. Nu wist hij amper nog dat ze bestond. Ging hij maar

naar Canada. Met de uitspraak van zijn naam zouden ze daar

geen moeite hebben.

Ze betrapte zich erop dat ze een traan in haar rechterooghoek

had. Weg er mee. Ze ging niet zitten grienen om

zo'n knul. Ze zou er eens wat meer werk van maken om te

bedenken wat er allemaal niet aan hem deugde. Hij kon zo

arrogant in die rolstoel zitten. Als een soort koning, waar

iedereen maar naar toe moest komen. Nou, hij was geen

koning, zelfs geen prins. Ze dacht wel vaak aan hem als aan

een prins. Hij was het niet, zelfs niet een heel klein pestprinsje.

Tom ergerde haar ook. Ze wist namelijk zeker dat

die Patrick wèl een prins vond.

De traan was naar haar kin gezakt en lag daar nu op te

drogen. En toen was er ineens nog een en nog een. Victoria

stond op en liep fudoos naar haar kamer om een zakdoek te

halen.

166


13

Het was een week later, zaterdag 22 december. Weer een

week zonder inspiratie, zonder vreugde, zonder rJn. Patrick

maakte zich klaar om naar de GENGK te gaan, want meneer

Van Wijngaerden had beloofd die middag zijn vriend Vin­

cent mee te nemen. EigeIÛijk ben ik de afgelopen weken pas

echt gehandicapt, dacht Patrick. Wat heb je aan je leven als

je nergens zin in hebt, als je de televisie vervelend vindt, je

boeken saai, je moeder irritant en je er geen behoefte aan

hebt je vrienden te zien? Hij kende een jongen van zestien

die nooit naar een fe es* ging omdat hij zich angstig voelde

in gezelschap van anderen. Eigenlijk is het of die jongen niet

kan lopen, dacht Patrick. Hij kende een meisje dat van bin­

nen werd opgegeten door jaloersheid. Ze kon het niet heb­

ben als iemand anders een mooie nieuwe jurk aan had, als zij

niet het hoogste cijfer had, als een jongen een ander meisje

aardiger vond dan haar. Hatelijkheden en venijnige opmer­

kingen spoten uit haar mond als puntige pijlen en ook zij

ging niet naar feestjes, omdat ze niet werd uitgenodigd. Ge­

handicapt, dacht Patrick, net zoals ik nu gehandicapt ben,

omdat ik tot niks kom, omdat mijn gedachten in dat ene

misselijke kringetje ronddraaien: Victoria.

Toen hij bij de GENGK aankwam zag hij tot zijn ver­

rassing dat ze er was. Ze had Tony gebracht en ze was niet

meteen weer weggegaan. Waarschijnlijk wilde ze Vincent

aan het werk zien. Patrick ging op hen af.

'Hoi.'

Ze lachten allebei verlegen en gebruikten Tony als blik­

semafleider.

ny?'

'T ony snapt de leeskaart,' zei Victoria. 'Is het niet, T 0


De gehandicapte jongen gaf een ruk met zijn hoofd.

'Zullen we een kleine demonstratie geven? Vertel eens,

hoe heet deze jongen?'

Ze hield T ony de leeskaart voor en ging met haar vinger

langs de letters. Als het kind een ruk met zijn hoofd gaf

schreef ze de laatste letter op en begon opnieuw. Nu was het

niet zo gemakkelijk om de goeie ruk met het hoofd eruit te

pikken, Tony's hoofd was steeds in beweging. Maar toch

kon je er iets van maken, want het resultaat van deze eerste

publiekelijke proeve van bekwaamheid leverde de letters P

A T IK op, wat toch niet gek was. Patrick applaudisseerde

dan ook enthousiast, waar Tony zichtbaar mee in zijn schik

was.

'Je lijkt Helen KeIler wel,' zei Patrick. 'Weet je wie dat

was? Een meisje dat niet kon zien en niet kon horen en dat

toch doctor werd in de dit of dat.'

'Un,' zei Tony.

'Wat betekent dat? Kom op, leeskaart.'

Op zijn beurt wees hij de letters aan, maar er kwam niks

begrijpelijks uit. Het beste wat Patrick ervan maken kon was

ZWANG, een woord waar hij geen raad mee wist.

'Keulen en Aken zijn ook niet op één dag gebouwd,' zei

Patrick. 'Je leert het nog wel.'

'De fotoreprodukties zijn het huis uit,' zei Victoria. 'Ik

heb ze verscheurd en met de vuilnis meegegeven.'

'Zonde eigenlijk.'

'Ach, het waren maar fo to's. Mijn vader heeft ze voor me

van de muur gehaald. Ik zei: die dingen moeten weg. Hij

begreep het meteen. Hij is echt niet gek. Hij is . .. vreemd.

Hij vroeg ook hoeveel ze gekost hadden. Hij heeft me geld

gegeven voor jullie. Voor die monsters van de markt. Ik heb

het nu niet bij me. Jij en Tom krijgen het binnenkort wel.'

Dan zie ik haar in ieder geval nog een keer, dacht Patrick.

'Als de politie nu zou komen kan er weinig gebeuren,'

vond Victoria. 'Ze krijgen geen woord uit mijn vader. Die

168


kan zwijgen tot je er gek van wordt. Tony is ook niet zo

mededeelzaam. '

'En jij?'

'Ik denk niet dat ik mijn mond voorbij zou praten.'

'Dat denk ik ook niet,' zei Patrick.

Intussen waren meneer Van Wijngaerden en de schilder

die ze Vincent noemden binnengekomen. Er was in de grote

zaal van de GENGK een klein podium, waar Vincent op

ging staan: hij had een flapover bij zich, een standaard waar­

aan grote vellen papier hingen, die je makkelijk bovenlangs

om kon slaan. Hij zei dat hij kort geleden enkele leden van

de club had ontmoet die hem hadden gevraagd een demon­

stratie sneltekenen te komen geven en hier was hij dan.

Natuurlijk had hij de volle aandacht van alle aanwezigen,

zodat Patrick, Tom (die intussen ook was gearriveerd) en

Victoria niet onmiddellijk zagen dat T ony in grote opwin­

ding was geraakt. Hij maakte heftige bewegingen met zijn

ele lichaam en zijn hoofd zwaaide heen en weer als een

boom in een orkaan.

'Hé, Tony, wat is er?' fluisterde Victoria.

Meer bewegingen.

'Laat me beginnen met hectekenen van meneer Van

Wijngaerden,' zei Vincent. Het was ongelooflijk hoe hij met

houtskool in minder dan een minuut een gezicht op het pa­

pier had geschetst waarin de voorzitter van de club duidelijk

te herkennen was.

'Op welk dier lijkt meneer Van Wijngaerden het meest?'

'Op een duif,' riep iemand.

'Goed, dan maken we een duif van hem.' Een paar snelle

bewegingen met de staaf houtskool, een stapje achteruit om

even te kijken, nog een paar lijntjes, een schaduw die werd

aangebracht en daar was meneer Van Wijngaerden, nu ge­

karikaturiseerd als een duif.

Applaus van de zaal, meer agitatie bij Tony.

'Wat is er toch?'


'De leeskaart,' zei Patrick.

Victoria ging met haar vinger langs de letters, maar weer

kwam er iets uit waar ze geen raad mee wisten. F l ED was

niet iets dat ze wat zei.

Intussen ging Vincent door met zijn kunsten. Hij kon

letterlijk alles en iedereen tekenen en dat met een vaart waar

ze stil van werden. Hij bleef wel een uur aan de gang en toen

hij ophield kreeg hij een daverend applaus. Hij maakte een

beleefde buiging en trok zich toen terug aan een tafeltje bij

meneer Van Wijngaerden, waar hem een glaasje fris werd

geserveerd door Teuntje. Tony was enigszins tot rust geko­

men. Tom ging naar de kelder om te tafeltennissen. Victoria

en Patrick bleven bij elkaar zitten, allebei blij met de aan­

wezigheid van de ander, zonder dat ze het van elkaar wisten.

In tegenstelling tot een week eerder ging er nu vrede uit

van dat samenzijn. Ze loopt niet bij me weg, dacht Patrick.

Ze vindt het niet vervelend dat ik er ben. Ze heeft er geen

hekel aan om naar me te kijken.

Hij maakt geen aanstalten om iets te gaan doen, peinsde

Victoria. Het is weer een beetje zoals een maand geleden. Hij

vindt me natuurlijk onromantisch en saai, maar hij vindt het

ook een beetje prettig dat ik er ben.

Ze zeiden weinig. Ze voelden dat ieder woord dat wat er

tussen hen was aan stukken kon scheuren. Kleine zinnetjes

zeiden ze, over de thee die niet erg warm meer was, over hoe

knap het was om zo te kunnen tekenen, over de GENGK,

die geen gekke club was en dat T ony het kennelijk leuk

vond.

'Dn,' zei Tony.

Tom kwam terug. Er waren te veel liefhebbers voor tafel­

tennissen, hij zou het later nog wel eens proberen. Hij ging

bij hen zitten, zonder veel aan de sfeer te veranderen. Tom

stoorde eigenlijk nooit.

Maar ineens vroeg hij toch hun aandacht. Hij stootte Pa­

trick aan en maakte enkele gebaren.


'Tom zegt dat die meneer Van Oerle iets zei over de

Metsu,' vertaalde Patrick zacht.

Victoria trok haar wenkbrauwen op. 'Van Oerle?'

'De schilder. Die Vincent wordt genoemd.'

De kunstenaar zat te praten met meneer Van Wijngaerden,

met gedempte stem, zodat ze er niets van konden horen.

Maar Tom zag hun lippen bewegen.

'Hij heeft het over de kranteberichten over dat schilderij

"Kind aan het raam",' gebaarde Tom. 'Ik kan niet zien wat

meneer Van Wijngaerden antwoordt.'

'Er stond gisteren weer een artikel over in het Stadsblad,'

zei Patrick. 'De verzekeringsmaatschappij wil het geld terug

dat ze indertijd hebben uitbetaald. Ze dreigen met een proces.

Overigens heb ik nu al een week niks van die meneer

Sparendonk gehoord.'

Opnieuw agitatie bij Tony. Opnieuw probeerden ze met

de leeskaart uit hem te krijgen wat hij wilde zeggen. Opnieuw

konden ze er niets anders van maken dan F l ED.

Het werd lawaaiiger om hen heen. Anderen kwamen bij

hun groepje zitten. Meneer Van Wijngaerden kwam Tony

begroeten. Hij zei hoe blij hij was dat de jongeheer Roerig

nu toch lid van de GENGK was geworden en hij bewonderde

de rolstoeL Patrick ging Gijs van Oerle een hand geven.

De middag vulde zich met alle woorden en gebeurtenisjes

waaruit het leven van een gemeenschap bestaat.

Zoals altijd bracht Patrick ook deze zaterdagavond met zijn

moeder door. Ze kookten samen, aten samen en deden samen

de afwas. Patrick voelde zich meer ontspannen dan in

weken het geval was geweest.

'Je hebt vanmiddag Victoria gezien,' zei zijn moeder.

'Hoe weet je dat?'

Ze glimlachte. 'Zoiets weten moeders.'

Hij stak zijn tong naar haar uit.

'Wat doen we, televisie of een potje Scrabble?'

171


'Kun je tegen je verlies?' vroeg Patrick.

'Een vraag die zich vanavond niet zal voordoen,' zei zijn

moeder. Ze waren allebei goed in het spel en het hing werkelijk

van het geluk af wie er won.

Moeder trok de laagste letter en begon. Dat zag er al

meteen somber uit voor haar zoon, want ze legde het zevenletter

woord schedel neer; vijftig punten extra dus. Maar

Patrick kwam sterk mee, door met een s die hersenpan meervoudig

te maken en het woord 'slabje' te presenteren, met

een behoorlijk hoge woordwaarde.

Ze gingen een tijd gelijk op. Halverwege legde moeder

het woord 'stal' neer en Patrick zag meteen dat hij daar 'dief

voor kon zetten. D IE F. Er ging een schokje van herkenning

door hem heen. Hij dacht aan T ony en de leeskaart.

Had het F lED van T ony eigenlijk 'dief betekend? Had

Victoria's broer willen zeggen dat de schilder een dief was?

Had Van Oerle de Metsu vervalst? Dat hij er het talent voor

had was zeker. Maar wanneer? Hoe had hij het origineel in

handen gekregen? Zonder dat was het waarschijnlijk onmogelijk

een goede vervalsing te maken. Van een foto? Nee,

dan kreeg je natUurlijk nooit de kleuren echt gelijkend.

'J ouw beurt.'

'Ja, sorry.' Hij legde de dief neer en zag gedurende de rest

van het spel geen kans meer zijn moeder bij te houden. Zijn

gedachten waren elders. T ony had de schilder herkend, dat

leek hem meer dan waarschijnlijk. Tom had uit de verte

gezien dat hij over de Metsu had gesproken. Hij had een

spoor, dacht hij. Een aangename opwinding maakte zich van

hem meester, zoals een aantal weken geleden, toen hij op het

spoor van de Veenmannen was gekomen.

Hij verloor met meer dan honderd punten, waarvan zijn

moeder achteloos opmerkte dat ze het immers had voorspeld.

HiJ ruimde haastig het spel op en ging toen zoeken in

de paperassen die hij in de loop van de maanden over de

schilderijenzaak verzameld had. Hij vond algauw wat hij


zocht: fotokopieën van de kranteberichten over de diefstallen,

vier jaar geleden. Het eerste werk dat was ontvreemd

kwam uit het Nieuw Provinciaals Museum: Gabriël Metsu's

'Kind aan het raam'. Pas enkele maanden later waren van

lieverlee de andere zes doeken gestolen.

En juist de Metsu is vervalst, dacht Patrick. Dat kan geen

toeval zijn. Daar moet een oorzakelijk verband liggen.

Hij zei zijn' moeder welterusten en ging naar bed. Het

duurde een tijd voor hij in slaap viel en in zijn dromen verschenen

wonderlijke gedrochten, die zich opbliezen tot ze

dikke dekbedden werden die hem als golven overspoelden.

Heet had hij het, heel heet. Hij duwde zijn dek weg, kreeg

het koud, kroop er weer onder en zo worstelde hij zich door

de nacht.

De volgende morgen deed hij zijn oefeningen, douchte

en ging toen in de keuken het zondagse Patrick-eitje bakken.

Toen de boter bruin was brak hij een fors uitziend ei op de

rand van de pan. Het ei had twee dooiers.

'Da's ook sterk,' zei hij. 'Eerst zie je er nooit een en nu

twee binnen een paar maanden.'

'Ik haal de eieren tegenwoordig bij een boer,' zei zijn

moeder met een geeuw. 'Steeds bij dezelfde. Waarschijnlijk

heeft die kippen met een aanleg voor het krijgen van tweelingen.

Bij mensen komt dat ook voor. 't Schijnt erfelijk te

zijn.'

Patrick luisterde niet naar deze uiteenzetting. Hij keek

naar het mandje met de uien, dat naast het fornuis op een

laag bankje stond. De uien lagen op een oude krant. Net als

drie maanden geleden. 't Was nu een andere krant, maar hij

wist als de dag van gisteren wat hij toen had gelezen: Lerjng

over {eventiende-eeuwse Nederlandse en Vlaamse sch.ilderkunst.

En er had verder gestaan dat meneer Van Wijngaerden

die had gehouden.

'Wat zit je daar naar die uien te staren,' merkte zijn moeder

op. 'Is er iets mee?'

173


'N ee,' antwoordde hij afwezig.

'J e bent anders wel bezig een dubbeldooierig ei te ver­

branden.'

'Sorry. Ik zal het zelf opeten. Jij krijgt een ander,' zei hij .

Meneer Van Wijngaerden, kunstkenner en filantroop,

had er gestaan. Een filantroop was iemand die veel weggaf,

had zijn moeder hem nog uitgelegd, niet iemand die dingen

steelt. En meneer Van Wijngaerden gaf veel dingen weg. Hij

was ontzettend aardig voor de GENGK. Ook voor andere

goeie doelen scheen hij veel te geven. Bovendien was me­

neer Van Wijngaerden rijk. Hij woonde in een huis dat op

een kasteel leek, zo groot was het. Patrick en Tom waren er

wel eens geweest. En hij had een auto met een chauffeur. Of

drie auto's. Hij reisde ieder ogenblik naar Amerika of waar

ook heen, en hij scheen, behalve de bungalow op de Cad­

dumsche Hei, nog een huis in Italië te hebben. En afgezien

van dat alles, meneer Van Wijngaerden was reuze sympa­

thiek. Hij liet zich niet voorstaan op zijn rijkdom. Hij deed

prettig en gewoon tegen kinderen met een handicap. De

kleintjes nam hij op schoot. Hij was een van de aardigste

mensen die Patrick kende. Maar hij hàd het kunnen doen.

Heel in het begin, toen T ony nog maar net terug was uit het

ziekenhuis, was meneer Van Wijngaerden verschillende ke­

ren op bezoek geweest om meneer Roerig te wijzen op de

mogelijkheden van de GENGK voor Tony. Hij had zelfs

een paar keer opgepast toen meneer Roerig naar de recht­

bank moest of waarheen dan ook. Hij had die Vincent mee

kunnen nemen om de Metsu na te schilderen. Alleen Tony

zou het gezien hebben en die kon niks zeggen. Vandaag was

Tony in opw41ding geraakt toen hij Vincent had gezien, ja,

maar ook meneer Van Wijngaerden. En Vincent had het

over de Metsu gehad tegen meneer Van Wijngaerden. En T 0-

ny had het woord 'dief aangegeven. Nou ja, 'fied'.

Zwijgend at Patrick zijn hard gebakken ei met de twee

dooiers. Het viel niet op, hun ontbijt verliep meestal zwijg-

174


zaam. Gedachten tolden door zijn hoofd. Het was absurd om

te geloven dat meneer Van Wijngaerden een dief was. Maar

het idee had zich in zijn hoofd genesteld en liet zich niet meer

verdrijven.

De volgende middag om twee uur stonden ze met z'n drieën

op de stoep bij de erevoorzitter van de GENGK, Patrick,

Tom en Victoria. Patrick had een goed deel van de nacht

allerlei plannen gemaakt. In gedachten had hij ingebroken in

het huis van meneer Van Wijngaerden en had hij alles ondersteboven

gehaald om te kijken of het schilderij er was.

Een onzinnig plan. Ten eerste was er altijd personeel in huis.

Ten tweede was het huis waarschijnlijk beveiligd. En ten

derde wilde hij niet inbreken bij iemand die hij aardig vond,

ook al omdat hij het natuurlijk helemaal mis had.

Hij had overwogen om een anonieme brief te schrijven,

waarin zou staan dat het schilderij onmiddellijk terug moest

worden bezorgd, ondertekend met 'de zondige nachtzeiler'

of zoiets. Hij had bedacht dat hij een afbeelding van het

schilderij zou kunnen sturen (die waren volop te koop in het

Nieuw Provinciaal Museum) met daarop de simpele mededeling:

ik wil naar huis.

Deze en alle andere plannen had hij verworpen. Hij had

de volgende morgen Victoria en Tom bij een geroepen en ze

verteld wat hem bezig hield. Ze hadden geen ogenblik geloofd

dat hij gelijk kon hebben. Meneer Van Wijngaerden

stal geen schilderijen, dat stond voor hen vast. Ten slotte

had hij gezegd:

'Er zit niks anders op. Ik ga het hem recht in zijn gezicht

vragen.' De anderen hadden het hem krachtig ontraden,

maar hij had de telefoon gepakt, het nummer gedraaid en

meneer Van Wijngaerden zonder moeite aan het apparaat

gekregen, misschien omdat het de dag voor Kerstmis was en

hij geen zaken te doen had.

Patrick had gezegd dat hij iets wilde vragen en ofhij langs

175


mocht komen. 'Dat is goed,' had meneer Van Wijngaerden

vriendelijk geantwoord. 'Kom maar om twee uur: Toen

hadden de anderen gezegd dat ze meegingen, zodat ze hem

konden troosten nadat hij zich belachelijk had gemaakt.

Een man in een donkere broek en een kort wit jasje deed

open. Hij nodigde hen binnen, nadat hij gevraagd had of een

van hen Patrick was. Dat ze ineens met z'n drieën waren

sroeen hij geen bezwaar te vinden. Patrick merkte op dat hij

zonder probleem de gang in kon rijden, want de deur was

breed en er was een glooiinkje gemaakt waardoor de drem­

pel geen moeilijkheden opleverde.

Meneer Van Wijngaerden kwam hen hartelijk tegemoet.

Hij opende een van de vele deuren die op de hal uitkwamen

en ging hen voor naar een enorm vertrek, waarin behalve

twee leren bankstellen, die je schenen uit te nodigen om een

dutje te doen, ook veel planten stonden, en een kast met

glazen deuren met daarachter kopjes en bordjes en andere

voorwerpen van heel dun porselein. Hij vroeg wat ze wilden

drinken, koffie of thee of iets fris. Tom kon hem heel goed

verstaan, want als hij iets zei keek hij Tom aan en hij bewoog

zijn lippen langzaam en duidelijk.

Patrick voelde zich hoe langer hoe onprettiger. Moest hij

zo dadelijk zeggen: 'ik denk dat u een dief bent?' Alles sprak

er tégen. Aan de muren hingen, open en bloot, schilderijen

die er kostbaar uitzagen. Meneer Van Wijngaerden zag hem

kijken en zei verklarend: 'Oude meesters, die ik van mijn

vader heb geërfd:

'Die zijn vast hoog verzekerd,' zei Victoria.

Meneer Van Wijngaerden glimlachte. 'Ik zal maar niet

zeggen voor hoeveel.'

'Verzamelt u schilderijen?' vroeg Patrick, met een kleur.

'Nee hoor. Dat was een hobby van mijn vader. Ik. zie

schilderijen eigenlijk liever in een museum. Ten eerste heb

ik dan de zorg niet van diefstal of brand, en ten tweede kan

daar iedereen er van genieten:


De moed zonk Patrick in de schoenen.

'En, beste vriend,' zei hun gastheer, 'at kan ik voor je

doen.'

Patrick. zei niks.

'Je wilde me immers spreken?'

'Eh ... ja,' zei Patrick..

Er viel een ongemakkelijke stilte.

'Je hebt vast geld nodig voor de een of andere activiteit

van de GENGK,' zei meneer Van Wijngaerden behulpzaam.

Patrick. had altijd gevonden dat Jan van Schaffelaar een '

moedige man was, want die was in Barneveld van de toren

gesprongen en dat is geen kleinigheid. Maar nu wenste hij

dat hij op dat simpele torentje stond en niets anders te doen

had dan eraf te wippen. Hij zag de vriendelijke ogen van

meneer Van Wijngaerden en hij voelde dat zijn vrienden

hem zwijgend toeriepen: 'Hou je mond, je mag zo'n aardige

man niet beschuldigen van diefstal.'

'We zouden zo graag uw huis van binnen willen zien,' zei

hij beverig.

Meneer Van Wijngaerden keek verwonderd. 'Je wilt een

rondleiding door het huis?'

Patrick. knikte. Zijn hoofd was vuurrood.

"t Is een wat vreemd verzoek, maar ik heb er geen bezwaar

tegen,' zei meneer Van Wijngaerden. 'Zou je misschien

uit willen leggen waarom je het huis wilt zien? 0,

wacht eens, ik geloof dat ik het begrijp. Je wilt controleren

ofhet huis van de voorzitter van de GENGK toegankelijk is

voor rolstoelrijders. Nou, dat zal je meevallen. Ga maar eens

mee.'

'J e bent absoluut van Lotje getikt,' gebaarde Tom, terwijl

ze opstonden.

'Hou je mond, dove kwartel.'

'J e denkt zeker dat de Metsu frank. en vrolijk op de overloop

hangt. Ofben je soms van plan een kijkje in de brandkast

te nemen?'

177


'Man, ga jodelen leren.'

'Is er iets?' vroeg meneer Van Wijgaerden, die hen zag

gebaren.

'Tom moet zo nodig, maar hij durft het niet te vragen,' zei

Patrick.

'Die deur daar,' wees meneer Van Wijngaerden, want ze

waren inmssen in de hal beland.

Tom knikte en liep naar de w.c.-deur, terwijl hij Patrick

liet weten: 'Ik zal maar gaan, anders sta je nog meer voor

schut.'

Ze wachtten even tot hij terug was. Enthousiast gebarend

kwam hij naar buiten.

'T om zegt dat de w.c. een wonder is en dat ik moet gaan

kijken.'

Meneer Van Wijngaerden lachte. Patrick reed naar de

w.c. toe en nam een kijkje. Het was inderdaad een pracht

vanuit het oogpunt van een rolstoelrijder. De deur was

breed, zodat hij er gemakkelijk door kon. Aan twee kanten

waren stangen aangebracht naast de w.c.-pot, die opklapbaar

waren, zodat het een peuleschil was voor iemand die

niks met zijn benen kon om het sanitaire apparaat te beklimmen.

Verder was er een lage wastafel met een kraan

waaraan een heel lange hendel zat, zodat hij met een elleboog

bediend kon worden. Een droomtoilet voor mensen

met een handicap, dat was het.

'N ou nou,' zei Patrick. 'Zoiets moois heb ik nog nooit in

een particulier huis gezien. Zelfs bij de GEN GK is het behelpen,

hiermee vergeleken.'

Meneer Van Wijngaerden opende deur na deur voor hen.

De ene kamer was nog mooier dan de andere. Ieder vertrek

was prachtig ingericht, maar dikke tapijten waren er niet,

zodat Patrick overal makkelijk kon komen. Nog nooit hadden

ze zo'n schitterend huis gezien.

N aar boven gingen ze ook. In de huizen van zijn vrienden

was dat voor Patrick altijd een enorm probleem. Hier niet.


Er was een lift met een deur die breed genoeg was om Pa­

trick en zijn stoel door te laten. De bedieningsknoppen zaten

laag. Alle lichtknopjes in huis zaten trouwens laag en ook de

knoppen van de deuren.

'Het is geweldig,' zei Patrick. En in een opwelling voegde

hij eraan toe: 'Hier woont iemand met een rolstoel. Is uw

vrouw . . .'

'Nee.' Meneer Van Wijngaerden schudde het hoofd.

'Mijn vrouw is al vijftien jaar dood.'

Een verklaring voor het feit dat het huis zo goed was

aangepast aan de behoeften van gehandicapten gaf hij niet.

Ze waren intussen op de eerste verdieping en ook daar

keken ze hun ogen uit naar de ruimte van het huis en de

prachtige inrichting.

'Dit is mijn werkkamer.' Hun gastheer ging hen voor. De

ramen zagen uit op de tuin. Er stond een groot bureau en de

wanden waren bedekt met boekenkasten, maar er stonden

ook een paar comfortabele fauteuils en een laag tafeltje en er

was een kleine bar met flessen en glazen. Ook was er een

open haard, met ernaast een bak houtblokken. Links van de

schoorsteen was een nis in de muur met een fraai bewerkt

houten deurtje ervoor.

'Ik heb nog nooit zo'n mooie kamer gezien,' zei Victoria.

'Ik werk hier graag,' zei meneer Van Wijngaerden.

Maar Patrick keek gefascineerd naar het houten deurtje

en de nis. 'Kijk eens achter dat deurtje,' gebaarde hij naar

Tom.

'Dat kan ik niet doen.'

'Val er tegen aan of zoiets. Ik móet zien wat er achter is.'

'Willen jullie nog iets drinken?' vroeg meneer Van Wijn-

gaerden.

'Nee, dank. u wel,' antwoordde Victoria meteen beschei­

den, maar Patrick zei: 'Heel graag. Hebt u cola?'

Meneer Van Wijngaerden ging naar de kleine bar en buk­

te zich om in het lage kastje erachter te kijken.

179


'Nu,' gebaarde Patrick.

Met een paar snelle passen was Tom bij de nis. Hij klapte

het deurtje open, wat mogelijk was omdat het sleuteltje in

het slot stak. In de ondiepe nis hing het schilderij van Metsu,

'Kind aan het raam'.

Meneer Van Wijngaerden kwam overeind van achter de

bar, zijn gezicht iets roder vanwege het bukken. Hij zag eerst

de gezichten van Patrick en Victoria, pas daarna, geleid door

hun blik, het open deurtje. Een ogenblik stond hij roerloos.

Hij probeerde een terloopse opmerking te maken, zoals ' ook

een mooi doek, vinden jullie niet' , maar de woorden wilden

niet uit zijn keel komen. Hij zette met een beheerst gebaar de

fles cola op de bar, liep op Patrick. toe en legde zijn twee

handen op diens schouders.

'Dáárvoor ben je gekomen,' zei hij.

Patrick knikte. Hij wenste dat hij bewusteloos aan de voet

van de toren van Barneveld lag.

Meneer Van Wijngaerden, plotseling een vermoeide

man, ging in een stoel zitten. Met een hoofdgebaar beduidde

hij Victoria en Tom hetzelfde te doen. Een poosje was het

doodstil.

'J ouw vader heeft indertijd niet alleen dit schilderij, maar

nog een stel andere gestolen,' zei hij tegen Victoria. 'Ik begrijp

dat nu. Eigenlijk heb ik het altijd vermoed. Jullie hebt

ze de afgelopen maand terugbezorgd. Ik dacht dat het je

vader was. Ik dacht dat hij bij zinnen was gekomen.' Hij

sprak heel zacht, mompelend bijna. Tom kon het niet volgen.

Hij keek vragend naar Patrick, die hem met een paar

gebaren op de hoogte stelde.

'Ik ben dus een dief,' zei meneer Van Wijngaerden.

'Waarom?'

Meneer Van Wijngaerden keek Patriek aan. Er was een

onmetelijk droevige blik in zijn ogen.

'Ik wil mijn daad niet goedpraten, wel verklaren,' zei hij.

'Mijn vrouw is vijftien jaar geleden gestorven bij de ge-

180


oorte van ons dochtertje Myrjam. Ze had een ernstige afwijking

aan haar rug. Ze heeft nooit een stap kunnen lopen.

Maar ze was voor mij een engel op aarde. Ik wist dat ik haar

niet lang zou kunnen houden. De tien jaar dat ze heeft geleefd

waren de mooiste van mijn leven. Ze was altijd vrolijk.

Ze was mijn grote vriendin. Ze zag het metéén als iets me

dwars zat. Ze las m'n gedachten als een open boek. Mensen

vroegen me soms of het geen last was om een gehandicapt

kind te hebben. De werkelijkheid was dat ik nergens liever

was dan thuis, bij haar.'

Hij wachtte even, alsofhij zijn bezoekers de gelegenheid

wilde geven iets te vragen. Ze zeiden niets. Patrick gebruikte

zijn handen om het Tom gemakkelijk te maken te volgen

wat meneer Van Wijngaerden vertelde.

'Kort voor haar dood was ik eens in het Rijksmuseum in

Amsterdam. Ik zag daar het schilderij van Metsu, "Het zieke

kind". Het was sprekend mijn dochtertje. Het kind op het

schilderij was jonger, maar Myrjam was altijd klein gebleven

en ze had een heel jong gezichtje. Toen ze gestorven was

kwamen er dagen dat ik me haar gezicht niet voor de geest

kon halen. Dat was vreselijk. Ik zag haar als een engel, met

vleugels en een harpje, en een zoet gezichtje, zoals op de

plaatjes in een poëzie-album. Ik had natuurlijk foto's, maar

ik werd er te weemoedig van om ernaar te kijken. Het herinnerde

me te veel aan de momenten dat die foto's waren

genomen. Ik ging weer naar het Rijksmuseum. Bij het schilderij

van Metsu was er genoeg afstand en toch genoeg intensiteit

om in vrede aan haar te kunnen denken.

Het zal een jaar later geweest zijn toen ik bij jullie thuis

kwam, Victoria. Ik had gehoord van jullie vreselijke ongeluk.

1k deed in die tijd veel voor de GENGK, want hoewel

ze er niet vaak kwam, sprak Myrjam er altijd met enthousiasme

over. Ik wilde nagaan of we iets voor Tony konden

doen.

] e vader was in een diepe depressie. Nooit heb ik met

181


iemand zoveel medelijden gehad als met hem. Er zijn geen

woorden voor om te beschrijven wat hij moest doormaken.

Ons verdriet was even groot, maar het zijne was bevuild,

beklad door schuldbesef. Ik kon niet met hem praten, hij was

nauwelijks toegankelijk. Is dat nog zo?'

'Het is iets beter geworden,' zei Victoria.

'Hij wilde in die tijd maar één ding en äat was bij T ony

blijven. Maar er waren dingen die hij moest doen. Hij moest

naar de bank en hij moest naar de rechtbank. Het enige waar

ik hem mee kon helpen was af en toe op T ony passen. Hij

scheen mij te vertrouwen; het verdriet verbond ons.

Op een dag, toen ik oppaste, braakte Tony. Ik zocht een

handdoek om hem schoon te maken. Daarvoor maakte ik

een kast open. In die kast stond een schilderij, gewikkeld in

een deken. Ik kon het niet laten het uit te pakken. Het was dit

schilderij .'

Hij stond op en knipte een lamp aan boven de nis. In alle

pracht hing daar het kunstwerk.

'Metsu moet hetzelfde kind als model hebben gehad voor

dit werk als voor dat in het Rijksmuseum. Maar, zoals jullie

zien, is dit kind niet ziek. Dit "kind aan het raam" kijkt

gezond en vol leven naar buiten om te zien of haar vader al

thuiskomt van zijn werk. Ik wist meteen dat ik het moest

hebben. Ik wilde het kopen, maar er viel met je vader niet te

praten. Hij scheen nauwelijks te horen wat je zei, dus ben ik

er niet over begonnen. Bovendien hoorde ik korte tijd later

dat het werk gestolen was. Ik heb toen aan mijn vriend Gijs

van Oerle gevraagd ofhij een kopie van het schilderij wilde

maken. Hij begreep me. Hij heeft Myrjam goed gekend, hij

had ook zijn verdriet om haar. Iedereen die haar kende was

kapot van haar dood. Gijs is een keer of vijf gekomen als ik

oppaste bij Tony. Hij heeft een prachtige vervalsing gemaakt.

Ik weet zeker dat meneer Roerig het verschil niet

heeft kunnen zien. Ik heb het origineel mee naar huis genomen.

Gijs van Oerle wilde onder geen voorwaarde betaald


worden. Zelfs een cadeautje heeft hij niet willen aanvaarden.

Hij vond dat hij daardoor een dief zou worden.'

Meneer Van Wijngaerden liep naar het barretje en pakte

enkele glazen.

'Jullie hebben nog altijd je cola niet gehad.'

Hij schonk in. Nog steeds zeiden de jongelui niets. Ze

namen voorzichtig een slok, meer om zich een houding te

geven dan omdat ze dorst hadden.

'Ik. zal me melden bij de politie,' zei meneer Van Wijn­

gaerden.

'Dat is niet nodig,' zei Patrick. 'Wij zullen er met nie­

mand over praten. Het schilderij moet wel terug naar het

Nieuw Provinciaals Museum.'

Victoria en Tom knikten.

'Ik zou niet weten hoe ik het daar ongemerkt moet krij­

gen,' zei meneer Van Wijngaerden. 'De bewaking is de laat­

ste tijd verscherpt. Ik vermoed dat jullie daar meer van we­

ten.'

Patrick keek zijn vrienden aan. Ze gaven allebei een klein

knikje. 'Wij wisselen het valse doek in voor het echte. Wij

zullen uw vrachtrijders zijn.'

Meneer Van Wijngaerden keek met een peinzende blik

naar de jongen in de rolstoel.

'Patrick is onze vrachtrijder,' zei Victoria. 'Hij is onze

kunstrijder.'


14

Het Nieuw Provinciaals Museum was niet de grote trekpleister,

deze sombere dag voor Kerstmis, waarop de wolken

laag hingen en de dag nauwelijks kans kreeg een gaa* in de

nacht te boren. De mensen liepen met haastige pas door de

winkelstraten, hun boodschappentassen gevuld, hun gedachten

gericht op slaolie, kaarsvet en truffels. Een enkeling

zeulde nog een kerstboom naar huis, op het laatste moment

ontrouw aan zijn besluit er dit jaar van af te zien.

Nee, het museum was dun bevolkt. Maar het leek er veel

op dat de weinigen die er waren zich verzamelden om de

pseudo-Metsu. Dat was natuurlijk niet zo'n wonder. Er was

veel publiciteit geweest om dat schilderij. Een kunstwerk

met een 'verhaal' is interessanter dan een kunstwerk 'zomaar',

waarmee het museum overigens vol hing.

De drie vrienden hadden hun toevlucht genomen tot de

vertrouwde methode: het schilderij was vastgemaakt achter

de rugleuning van Patrick's rolstoel en aan het oog onttrokken

door een deken. Als ze er genoegen mee hadden

genomen het werk op een willekeurige plaats op te hangen,

was er geen probleem geweest. Lege zalen genoeg. Ze hadden

er echter hun zinnen op gezet de kopie mee terug te

nemen en dat was moeilijker.

Victoria stelde voor dat zij de mensen weg zou lokken

door een paar zalen verderop te gillen dat ze aangerand

werd, om daarna bewusteloos inéén te zijgen in de armen

van een suppoost, maar Patrick wilde niet dat de aandacht op

haar werd gevestigd. Er mocht geen enkel spoor naar de

Roerigs leiden.

Tom stelde voor dat hij acrobatische toeren zou gaan


verrichten op de trapleuning, een plan dat evenmin genade

kon vinden in de ogen van de anderen.

Patrick stelde voor dat hij kerstliedjes zou gaan zingen,

wat onmiddellijk zou leiden tot een massale uittocht uit het

museum. Goede raad was duur.

Patrick zei: 'We kunnen van het plan afzien en een andere

keer terugkomen. Daar heb ik niet veel zin in. Ik ga de mensen

weglokken uit het zaaltje waar ons schilderij hangt.'

Hij legde zijn plan uit. De anderen vonden dat hij erg de

aandacht zou trekken, maar ze wisten niks beters.

'Dat is juist de bedoeling,' zei Patrick.

Ze zorgden dat de rolstoel dichtbij de namaak-Metsu was

en ze wachtten tot er nog maar vijf mensen in het zaaltje

waren. Nog minder zou het niet gauw worden. Toen het

moment gekomen was haakte Patrick zijn krukken los en

stond op. De mensen keken uit hun ooghoeken. Hij hinkte

naar de ruime doorgang die naar de naastgelegen zaal voerde.

Daar liet hij zogenaamd per ongeluk een kruk uit zijn

handen vallen, riep 'verdorie', gooide zich naar voren, smeet

ook de tweede kruk weg en liep op zijn handen de zaal uit.

Als klein kind had hij vaak op zijn handen gelopen', hij was er

erg goed in geweest. De laatste jaren had hij het weinig meer

gedaan; nu hij zwaarder was vereiste het meer inspanning.

Maar door zijn oefeningen 's morgens was hij sterk in zijn

armen en het fijne gevoel voor evenwicht had hij nog altijd.

De mensen keken nu voluit. Drie van de bezoekers volgden

hem naar de andere zaal, een bejaard echtpaar deed nog

even net of ze verdiept waren in de kunstwerken. Maar na

een minuut of twee was hun kunstbegeerte verzadigd en

gingen ook zij eens kijken wat die arme jongen met de krukken

aan het uitspoken was.

Patrick draaide een rondje op zijn handen langs de oude

meesters in het belendende vertrek en keerde daarna terug

naar zijn krukken. Toen was de valse Metsu al verwisseld

voor de echte, want daarvoor hadden Victoria en Tom


hoogstens een minuut nodig gehad. Ze reden de stoel naar

Patrick toe en Victoria vroeg meewarig waarom hij niet rustig

in het voertuig kon blijven zitten.

'Sorry. Ik. had even wat beweging nodig:

Tom begon een gesprek, met razend snelle bewegingen,

niet omdat hij zulke belangrijke mededelingen had te doen,

maar omdat hij de aandacht van de mensen weer op iets

anders wilde richten.

'Kom, we gaan,' zei Victoria.

Op hun gemak gingen ze naar buiten, een echt schilderij

armer, een goede daad rijker. Opnieuw gingen ze naar het

vorstelijke huis van meneer Van Wijngaerden en de namaak-Metsu

werd in de nis gehangen.

'Kunt u deze kopie van het origineel onderscheiden?'

vroeg Victoria.

'Nee,' zei meneer Van Wijngaerden. 'Alleen toen ik ze

naast elkaar zag kon ik een heel klein beetje verschil zien.'

'Waarom moest u dan zo nodig het origineel hebben?'

vroeg Patrick verbaasd.

De voorzitter van de GENGK keerde zijn handpalmen

naar buiten. 'Dat weet ik niet.'

Tom maakte een paar gebaren.

'Tom zegt dat de ziel van het meisje in het echte doek is,

omdat de kunstenaar haar zag toen hij haar schilderde, omdat

het schilderij met het meisje in hetzelfde vertrek is geweest.'

Meneer Van Wijngaerden liep op Tom toe en legde zijn

handen op diens tengere schouders.

'Jij hebt me begrepen,' zei hij.

Hij ging de jongelui voor naar beneden en liet hen uit. Hij

kuste Victoria en daarna ook de beide jongens.

'Ik. heb mijn halve leven in Italië gewoond,' zei hij verontschuldigend.

'Daar doen we dat zo: Hij snoot zijn neus.

'Ik. zal jullie altijd dankbaar blijven. Zelfs als het allemaal

toch nog uitkomt en ik moet toch nog naar de gevangenis,

186


dan ben ik. blij dat jullie mijn fout hebben hersteld. Aanvaard

me als jullie vriend en kom zo vaak als je zin hebt.'

Hij wuifde hen na tot ze de hoek om waren. Het avontuur

was voorbij . Het leven kon zijn gewone gang hernemen. Die

gedachte viel op Patrick als een natte, verstikkende deken.

Geen Victoria meer, behalve misschien af en toe met Tony

op de GENGK. Niet meer dat heerlijke gevoel van samen

iets doen, iets tot stand brengen. Niet meer het gevoel dat ze

vertrouwen had in wat hij bedacht. Einde, basta, afgelopen.

Zijn schouders zakten iets naar beneden, misschien drie mil­

limeter, maar Tom zag het. Toen ze op het punt waren geko­

men waar Victoria linksaf moest, om na deze lange middag

naar huis te gaan, maakte hij een paar snelle gebaren en

holde weg.

'Tom zegt dat hij nog vlug een boodschap moet doen,' zei

Patrick verbaasd.

'0.' Victoria aarzelde even. 'Ik moet hier linksaf.'

'Tot kijk. Prettige kerstdagen.'

Met trage passen liep ze de Denneweg op en met even

trage bewegingen reed hij rechtdoor. Hij had het gevoel dat

hij op weg was naar een strafkamp, het strafkamp van saaie

dagen en weken en maanden zonder haar. Maar opeens

hoorde hij een snelle stap en hij zag dat ze aan kwam hollen,

haar knokige knieën wezen vastbesloten in zijn richting.

'Ik wou je nog wat vragen,' zei ze met een hoogrode

kleur. 'Ik zou het zo fijn vinden om je af en toe te blijven

zien. Ik weet wel dat je me saai vindt en eigenwijs en stom,

maar door jou word ik misschien een beetje minder saai en

eigenwijs en stom. Ik . .. '

'Wat? Vind ik jou saai en . .. dat is wat jij mij allemaal

vindt. En kreupel ben ik. ook nog.'

'Er is niemand op de wereld om wie ik. zoveel geef als om

jou,' zei Victoria en ze keek hem recht in zijn ogen.

Het was alsof de zon regelrecht door de dikke wolkenlaag

priemde. De toekomst leek zich te vertonen als een onbe-


perkte hoeveelheid schone, heldere lucht, die je kon inademen

zolang en zoveel je wilde.

'Ik geef ook om jou,' zei Patrick.

Hij vond zichzelf stommer dan ooit. Hij, die nooit om

tekst verlegen zat, wist niks beters uit te brengen dan: ik geef

ook om jou. Hij wilde zeggen dat hij net van het donker in

het licht was gekomen, van de kelder in de tuin, dat de dagen

die als een grauwe sliert voor hem hadden gelegen nu als een

rij edelstenen waren geworden. 'Ik geef ook om jou,' was

alles wat er uitkwam, maar Victoria hoorde er genoeg in en

er sprongen tranen in haar ogen. Patrick zag ze en er was

niemand op de wereld met wiens leven hij zou willen ruilen.

De laatste dag van het jaar kreeg Patrick onverwacht bezoek.

Hij was alleen thuis. Zijn moeder deed nog snel wat

boodschappen, want Victoria zou de volgende dag komen

eten, wat trouwens al de derde keer in een week was.

De bezoeker was meneer Sparendonk, van de verzekeringsmaatschappij

SOLIDE. Patrick was niet al te verbaasd

hem te zien, want hij had op tweede kerstdag een briefje op

de bus gedaan, gericht aan de man met de regenjas en de

hoed, waarin stond dat het de moeite waard kon zijn om nog

eens na te gaan of de Metsu werkelijk vervalst was.

Meneer Sparendonk ontdeed zich van de bekende attributen

en nam plaats op de sofa. Hij aanvaardde het aanbod dat

Patrick thee zou zetten, vroeg toen ongemakkelijk of dat wel

ging, kreeg een kleur, kon zichzelf wel voor zijn hoofd slaan

vanwege zijn onhandigheid en keek ten slotte toe hoe zijn

gastheer snel het nodige deed.

'Een nieuwe expertise heeft uitgewezen dat de Metsu

"Kind aan het raam" echt is,' zei meneer Sparendonk.

'Dat doet me plezier,' zei Patrick.

'Ik heb gehoord dat je de dag voor Kerstmis een nummertje

op de handen lopen hebt weggegeven in het museum.'

188


'Een plotselinge bevlieging,' onthulde Patrick.

'Je bent een eigenaardige jongeman. Je bent waarschijn­

lijk niet bereid om uit te leggen . . .'

'Wàt uit te leggen?' vroeg Patrick vriendelijk.

'Laat maar. SOLIDE is tevreden. We krijgen het uit-

gekeerde bedrag terug.'

'N og een kop thee, meneer Sparendonk? '

'Graag. Dank je.'

'Ik. wou nog zeggen dat ik er bewondering voor heb,'

begon meneer Sparendonk, 'dat je, ondanks je handicap . . .'

Hij liep weer vast. Hij kreeg weer een kleur.

'U staart u blind op m'n handicap,' zei Patriek. 'U denkt

er steeds aan en u durft er niet over te praten. Waarom

vraagt u niet wat er met mijn benen aan de hand is? Dat zou

toch een gewone vraag zijn. Ik weet heus wel dat u steeds die

rolstoel ziet. Pas als we er over durven te praten zult u hem

vergeten. Ik ben zo geboren. Ik ben spastisch.'

'Is er een kans dat .. .' Daar had je het weer. Wat moest hij

zeggen?

'Dat je beter wordt?' De jongen was niet ziek. 'Dat het

over gaat? '

donk.

'Dat je verandert?'

'Ik zal nooit kunnen lopen,' zei Patrick.

'Daarom vind ik het zo moeilijk,' zei meneer Sparen­

'Vanwege dat nooit. Ik ga straks naar huis en ik vergeet

het. Jouw handicap blijft.'

'Dat is waar,' zei Patriek. 'Eens in de week roep ik shit en

nog zo het een en ander. Maar meestal denk ik aan de dui­

zend dingen die ik wèl kan en wil en zal doen. Ik kan niet

lopen, oké.' Hij wreef over zijn voorhoofd. 'Maar dit hier zit

boordevol plannen.'

'Ik ben blij dat ik je heb leren kennen,' zei meneer Sparen­

donk. 'Ik bedoel, afgezien van wat je voor SOLIDE hebt

gedaan. Overigens willen we je een cadeautje geven.'


'Niet nodig,' zei Patrick.

'We hadden gedacht, over een paar jaar. Als je achttien

bent. Dan mag je je rijbewijs halen. Er zijn tegenwoordig

prachtige aangepaste auto' s. We zullen zorgen dat je er een

krijgt. Dan kun je gaan, eh gaan waar je wilt.' Bijna had hij

gezegd 'gaan en staan ' en dus kreeg hij weer een kleur.

'Voor Tom zullen we ook zoiets doen,' zei hij nog.

Patrick kreeg ook een kleur, van plezier. Een auto, dacht

hij. Dat moest hij meteen aan Victoria vertellen.

'Ik moet ervandoor,' zei meneer Sparendonk. 'Gelukkig

Nieuwjaar.'

Toen hij weg was maakte Patrick een rondje door de

kamer op zijn handen. Hij had er de smaak weer van te

pakken gekregen. Ten slotte bleef hij hijgend op het tapijt

liggen. Hij keek naar het plafond maar zijn blik werd daar­

door niet tegengehouden. Die reikte verder, naar de jaren

die in het verschiet lagen.

Gelukkig Nieuwjaar, dacht hij . Wat een mooie wens.

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!