Dyademagazine februari

dyade.nl

Dyademagazine februari

nummer 2 | februari 2007 | maandelijkse uitgave van Dyade

> Hoe staan wij er (financiëel) voor?

> Betaald ouderschapsverlof vanaf 1 januari 2007

> Gelijke kappen voor ongelijke monniken?

magazine


C O L O F O N

Dyademagazine is een uitgave van

Dyade .

Dyademagazine verschijnt elf maal

per jaar.

Redactie

Clemens Geenen

Marieke de Korte

Hans Koster

Arjan van Kuijk

André van Oort

Arja van der Rhee

Rinus Welleman

Herman de Wild (hoofdredacteur)

Met medewerking van

Bianca Brouwer

René van Eijk

Teunis Jansen

Redactie-adres

Postbus 611

3430 AP Nieuwegein

redactiedyade@dyade.nl

Abonnementen

Klanten van Dyade ontvangen een

exemplaar van het Dyademagazine

per bevoegd gezag plus een exemplaar

per school. Voor niet-klanten

en extra abonnementen kost het

Dyademagazine

€36,25 per jaar. Voor opgave van

abonnementen en adreswijzigingen

kunt u contact opnemen met uw

Dyadevestiging.

Advertentie-informatie

Arja van der Rhee

Tel. (030) 630 56 05

Hoewel aan de productie van Dyade

veel zorg wordt besteed, kan het

voorkomen dat iets aan onze aandacht

ontsnapt. De Stichting Dyade

Dienstverlening aanvaardt geen aansprakelijkheid

voor de eventuele

gevolgen van drukfouten, onjuistheden

of onvolledigheden in de

gepubliceerde informatie.

Vormgeving

Stroom, Krommenie

Coverfoto | foto’s pag. 26-29

Marco van Hal, Amsterdam

Illustraties

Mieke de Haan, Gouda

Drukkerij

Nivo, Delft

4

5

6

8

10

14

15

16

19

22

24

26

27

6

In dit nummer:

d e r a c e n d e r e c h t e r

Over de schreef

Onderwijshuisvesting is maatwerk

10

Betaald ouderschapsverlof vanaf 1 januari 2007 gewijzigd

De jaarrekening en de accountantscontrole

Gelijke kappen voor ongelijke monniken?

Variabel belonen in het onderwijs

k o r t

v e e l g e s t e l d e v r a g e n

Ed’le Brabant, were di!

De zegetocht van het natuurlijk leren

Het onderwijsnummer in de etalage

Hoe staan wij er (financieel) voor?

Gemoedsbezwaard

Waar vindt u ons?

Kalender

Foto voorpagina: leerlingen van de scholengemeenschap Were Di, Valkenswaard.

Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

3

16

?

r

k

v


d

e r a c e n d e r e c h t e r

Over de schreef?

In de onderstaande zaak komt aan de orde de

professionele afstandelijkheid die docenten ten

opzichte van studenten in acht dienen te

nemen.

Betrokken docent was vanaf 1998 werkzaam in dienst

van de Technische Universiteit Delft (TUD). Bij brief van

31 mei 2000 hebben de vertrouwenspersonen van de

TUD een klacht over seksueel intimiderend gedrag van

betrokkene onder de aandacht van de decaan van de

faculteit gebracht. De klacht betrof een voorval in juni

1999, waarvan de desbetreffende studente kort nadien

melding had gemaakt, maar ten aanzien waarvan zij pas

actie wenste te ondernemen na haar afstuderen. In de

brief werd tevens nog vermeld dat in 1996 een andere

studente een vergelijkbare klacht over betrokkene had

ingediend, die destijds met hem was besproken.

Gevraagd werd om betrokkene opnieuw te onderhouden

over zijn niet te tolereren gedrag.

Naar aanleiding van deze brief heeft de decaan met

betrokken docent gesproken en de inhoud van dit

gesprek bevestigd in een schrijven. Betrokken docent

heeft op dit schrijven gereageerd en zijn kant van de

zaak nogmaals belicht.

Bij brief van 15 juni 2002 heeft de studente MB, in een

brief aan de opleidingsdirecteur verslag gedaan van een

voorval met betrokkene op 31 januari van dat jaar. De

opleidingsdirecteur heeft deze brief in handen gesteld

van de decaan. De decaan heeft deze brief opgevat als

een volgende klacht over seksuele intimiteiten dan wel

seksuele intimidatie door betrokken docent en betrokkene

met onmiddellijke ingang geschorst en de toegang

tot de gebouwen ontzegd. Nadat betrokkene in de gelegenheid

was gesteld zich te verantwoorden heeft het

college bij besluit van 15 juli 2002 betrokkene disciplinair

ontslag verleend per 18 juli 2002.

Hiertegen stelt betrokken docent bezwaar in. Het college

heeft het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.

Vervolgens stelt betrokkene beroep in bij de voorzieningenrechter

van de Rechtbank. Deze verklaart het beroep

van betrokkene gegrond. De voorzieningenrechter heeft

daartoe overwogen dat bij de voorbereiding het beginsel

van hoor en wederhoor niet voldoende is toegepast en

dat de onderzoeksactiviteiten alsnog dienen te worden

uitgevoerd. Op 23 december heeft het college een nieuw

besluit genomen, nadat zij de zaak had onderzocht.

Alsnog wordt betrokkene ontslag verleend wegens

plichtsverzuim. Hiertegen stelt betrokkene hoger beroep

4 Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

door mr. Bianca Brouwer

in bij de Centrale Raad van Beroep. De raad overweegt

als volgt. Het onderzoek dat opnieuw is verricht voldoet

aan de daaraan uit een oogpunt van hoor en wederhoor

te stellen eisen. Dit oordeel wordt niet anders doordat

er geen directie confrontatie heeft plaatsgevonden tussen

betrokkene en MB, nu gezien de aard van hetgeen is

voorgevallen te billijken valt dat MB niet meer met

betrokkene geconfronteerd wilde worden.

Ten aanzien van hetgeen in 1996 is voorgevallen staat

voor de raad vast, dat betrokkene aan een studente een

voorstel heeft gedaan tot seksueel contact. Betrokkene

heeft dit voorstel naar eigen zeggen gedaan toen de studente

in de put zat om haar weer in haar normale doen

te brengen. Het voorstel was volgens betrokkene een

reactie op de avances van de studente en het contact is

gestaakt toen de studente had aangegeven niet gediend

te zijn van zijn voorstel. De raad is van oordeel dat het

college deze gedraging van betrokkene terecht heeft

aangemerkt als ernstig plichtsverzuim.

Ten aanzien van hetgeen in 1999 is voorgevallen staat

voor de raad vast dat tijdens een bezoek in Milaan, dat

betrokkene in Milaan een hotelkamer heeft gedeeld met

een studente. De studente heeft daarover verklaard dat

betrokkene ondanks gemaakte afspraken toch probeerde

bij haar in bed te komen en haar in zijn armen te

nemen, waarna de studente in de badkamer is gevlucht.

Betrokkene heeft hiervan verklaard dat hij een kamer

met studente heeft gedeeld en dat de problemen die

hieruit voorkwamen welhaast voorspelbaar waren.

Uit een en ander concludeert de raad met het college

dat betrokkene ook toen volstrekt over de scheef is

gegaan en de in acht te nemen afstand verre heeft overschreden.

Ten aanzien van de gebeurtenissen in januari 2002 is

de raad van oordeel, dat vaststaat dat betrokkene in een

gesprek op 31 januari 2002 met MB over haar wens om

in Italië af te studeren, opmerkingen heeft gemaakt over

haar uiterlijk en haar haarkleur en dat hij haar heeft

vastgepakt en een zoen heeft gegeven.

De raad acht vermelde plichtsverzuimen aan betrokkene

ten volle toe te rekenen en verwijtbaar en acht daarbij

niet van belang of de betrokken studentes misschien in

enige mate aanleiding hebben gegeven tot de gewraakte

gedragingen, nu het tot de verantwoordelijkheid van

docenten behoort onder alle omstandigheden een professionele

afstandelijkheid ten opzichte van studenten

in acht te nemen. Ook de raad acht daarom de zwaarste

straf gerechtvaardigd en niet onevenredig aan het

begane plichtsverzuim. De raad verklaart het beroep van

betrokkene dan ook ongegrond.

Bianca Brouwer is jurist en werkt vanuit Dyade Amsterdam.


Onderwijshuisvesting is maatwerk

Aanvragen onderwijshuisvesting indienen vóór 1 februari 2007!

Onderwijs speelt een heel belangrijke rol in de

samenleving. Om kwalitatief goed onderwijs te

kunnen geven moet een aantal randvoorwaarden

worden ingevuld. Goed en gekwalificeerd onderwijspersoneel

is daarvoor als eerste van belang. Maar

ook goed geoutilleerde schoolgebouwen vormen

een belangrijke randvoorwaarde voor het geven van

kwalitatief hedendaags onderwijs. Anders gezegd:

een mooi en functioneel schoolgebouw is één van

die voorwaarden die leerprestaties kan verhogen.

De onderwijshuisvesting voor het basisonderwijs,

(voortgezet) speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs

is de verantwoordelijkheid van de gemeente.

door Teunis Jansen

Verordening Bijna alle gemeenten in Nederland hanteren de

Modelverordening onderwijshuisvesting van de VNG. In deze

verordening zijn de voorzieningen in de huisvesting van scholen

als volgt omschreven:

> nieuwbouw voor een school die voor het eerst voor rijksbekostiging

in aanmerking is gebracht, dan wel nieuwbouw ter

gehele of gedeeltelijke vervanging;

> uitbreiding van een schoolgebouw;

> gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van een bestaand

gebouw ten behoeve van de huisvesting van een school;

> (ver)plaatsing van bestaande noodlokalen;

> terrein voor zover benodigd voor schoolgebouwen zoals

hierboven genoemd;

> inrichting van het onderwijsleerpakket (leer- en hulpmiddelen

en meubilair) voor zover dit nog niet eerder door het rijk

of gemeente is bekostigd;

> medegebruik van een ruimte voor het onderwijs in een

gebouw dat al bij een andere school in gebruik is en medegebruik

van een gymnastiekruimte.

Maatwerk In de verordening zijn de aan te vragen voorzieningen

dus duidelijk omschreven. Maar onderwijshuisvesting

laat zich steeds minder zo ‘zwart-wit’ vangen in een verordening.

De basisbegrippen moeten worden omschreven, maar

alles is voortdurend in beweging. Dat vereist - veel meer dan

eerder het geval was - een regelmatige herziening van het

onderwijsgebouwenbestand. Daarom wordt er nu veel meer

aandacht besteed aan een flexibele indeling van schoolgebouwen.

Onderwijs is veelal een samenhangend geheel met andere

voorzieningen. Zo zijn voor-, tussen- en naschoolse opvang

van invloed op een schoolgebouw, maar ook de brede schoolontwikkeling

is bepalend voor de omvang van de onderwijs-

huisvesting. Dat wil niet zeggen dat al de voor deze ontwikkelingen

benodigde ruimte kan worden aangevraagd op grond

van de verordening voorzieningen huisvesting, maar onderwijshuisvesting

maakt steeds meer deel uit van een totaal gemeentelijk

voorzieningenniveau en daarop afgestemd gemeentelijk

accommodatiebeleid.

Integraal huisvestingsplan Steeds meer gemeenten gaan

over tot maatwerk en leggen dit vast in een

integraal huisvestingsplan. Een dergelijk plan voorziet samengevat

in de volgende zaken:

> het onderwijshuisvestingsbeleid en voorzieningenniveau van

scholen (en eventueel aanverwante instellingen) voor de

komende jaren (nieuwbouw en onderhoud);

> de daarbij te maken afspraken met besturen en scholen;

> de beschikbaarheid van de benodigde middelen.

Samenwerking gemeente en besturen Het voorzien in

onderwijshuisvesting is in eerste instantie een kerntaak van de

gemeente. De gemeente kan dit niet alleen. Er is een wisselwerking

nodig tussen gemeente en besturen en directies van

scholen enerzijds en met onderwijs samenwerkende instellingen

anderzijds.

Termijn voor indiening van aanvragen Aanvragen voor

voorzieningen in de onderwijshuisvesting en aanvragen voor

eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair dienen in

praktisch alle gemeenten ingediend te worden voor 1 februari

van het jaar voorafgaande aan de toekenning. Dit betekent

dat aanvragen die in 2008 eventueel voor vergoeding in aanmerking

komen voor 1 februari 2007 bij het college van burgemeester

en wethouders van de gemeente waar de school

gevestigd is moeten worden ingediend.

Een aanvraag om onderwijshuisvesting dient te voldoen aan

verschillende voorwaarden. Zo dient ondermeer inzicht te worden

gegeven in de benodigde huisvesting op grond van leerlingenaantallen

en -prognoses, maar zal met name ook moeten

worden ingegaan op het inhoudelijk beleid van de school en

de huisvesting die daarvoor nodig is. Een goed onderbouwde

aanvraag is van belang voor de beoordeling van die aanvraag.

Uiteraard kunt u zich hiervoor laten ondersteunen door de

huisvestingsspecialisten van Dyade. U kunt hiervoor contact

opnemen met uw eigen Dyadevestiging, uiteraard ook nog

voor het indienen van aanvragen voor 1 februari 2007. U

hoeft voor die datum niet alles in finesses klaar te hebben,

maar de aanvraag moet er dan wel liggen!

In een volgend magazine zal meer specifiek worden ingegaan

op de verschillende actuele ontwikkelingen binnen onderwijshuisvesting

en het belang van een integraal huisvestingsplan

(IHP) voor de gemeente en de scholen.

Teunis Jansen is advieur Dyade Advies en werkt vanuit Dyade Ede.

Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

5


Betaald ouderschapsverlof vanaf

1 januari 2007 gewijzigd

De CAO-primair onderwijs 2006-2008 en de CAO-voortgezet

onderwijs zijn nu geïmplementeerd. Eén van de zaken die

vanaf 1 januari 2007 in combinatie met de belastingwetgeving

gewijzigd is, is de regeling waar veel gebruik van wordt

gemaakt: het betaald ouderschapsverlof. Hoe ziet de regeling

er vanaf 1 januari 2007 uit?

De regelgeving in de CAO’s primair onderwijs

en voortgezet onderwijs De regelingen

betaald ouderschapsverlof staan vermeld in artikel

8.21 van de CAO-primair onderwijs 2006-2008 en in

bijlage 6 van de CAO-voortgezet onderwijs

2006/2007. Inhoudelijk komen de voornoemde teksten

overeen, samengevat ziet dat er als volgt uit:

1. De werknemer heeft per kind recht op 415 uur

ouderschapsverlof met behoud van salaris.

2. Het recht op betaald ouderschapsverlof bestaat

voor een kind dat nog niet de leeftijd van 8 jaar

heeft bereikt. Dit verlof en de opname van dit verlof

kan uiterlijk duren tot de datum waarop het

kind de leeftijd van 8 jaar heeft bereikt.

3. Over de uren waarin de werknemer betaald ouderschapsverlof

geniet behoudt hij 55% 1 van zijn salaris.

Dit wordt geëffectueerd door in elke maand

waarin de werknemer betaald ouderschapsverlof

geniet een gelijk percentage op zijn salaris in mindering

te brengen. Dit percentage wordt berekend

met behulp van de formule (A / (415 x wtf)) x

(55% 1 10 / B), waarin A gelijk is aan het aantal

uren betaald ouderschapsverlof en B gelijk is aan

het aantal maanden waarin betaald ouderschapsverlof

wordt genoten.

4. Er bestaat een terugbetalingsverplichting wanneer

de werknemer ontslag neemt of hij wegens plichtsverzuim

wordt ontslagen.

5. Er bestaat een terugbetalingsverplichting indien de

werknemer op eigen verzoek een betrekking aanvaardt

voor minder uren dan hij direct voorafgaande

aan het ouderschapsverlof vervulde.

6. De terugbetalingsverplichting is niet van toepassing

indien de werknemer ontslag neemt of zijn

werktijdfactor wordt verminderd omdat hij een

betrekking aanvaardt bij een andere onderwijsinstelling

die door de rijksoverheid wordt bekostigd.

Voor de gedetailleerde teksten verwijzen wij u naar

de betreffende CAO’s.

6 Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

door Arjan van Kuijk

Wat betekent de nieuwe regeling nu voor de

werknemer? De werknemer heeft vanaf 1 januari

2007 dus standaard recht op een vergoeding van

55%.

Om ten opzichte van de oude regeling er niet of

nauwelijks qua salaris op achteruit te gaan, kan er

gebruik gemaakt worden van een extra fiscale compensatie

in de vorm van een heffingskorting van de

Belastingdienst, de zogenoemde ouderschapsverlofkorting.

Voorwaarde om voor de ouderschapsverlofkorting

in aanmerking te komen, is deelname aan de

levensloopverlofregeling in het jaar dat het verlof

wordt genoten.

Hoe ziet de korting eruit? De ouderschapsverlofkorting

van de Belastingdienst bedraagt 50% van

het wettelijk minimumloon per opgenomen verlof

uur: € 1.300,80 bruto per maand, dat komt neer

op € 3,75 per uur (in 2006 waren deze bedragen:

€1.284,60 per maand en € 3,71 per uur).

De werknemer met een normbetrekking (werktijdfactor

1,000) heeft met ingang van 1 januari 2007,

puntsgewijs, de volgende rechten:

1. De werknemer heeft recht op 415 uur betaald

ouderschapsverlof.

2. De werknemer krijgt voor deze uren 55% loon

doorbetaald van de werkgever.

3. De hoogte van de totale omvang van het ouderschapsverlof

(betaald en onbetaald) bedraagt

voor de werknemer in het primair onderwijs 995

uur en voor de werknemer in het voortgezet

onderwijs 830.

4. De werknemer heeft recht op 415 uur ouderschapsverlofkorting

van de Belastingdienst en

krijgt voor deze uren een heffingskorting van

€ 3,75 per uur (totaal maximaal € 1.556,25) bij

deelname levensloopregeling. Bij drie maanden

volledig verlof is dat € 518,75 per maand.

5. De ouderschapsverlofkorting bedraagt maximaal

het verschil tussen het fiscale jaarloon in het

huidige kalenderjaar (2007) en het fiscale jaarloon

(2006) in het voorgaande kalenderjaar.


De werknemer kan een extra korting ontvangen

(bovenop de ouderschapsverlofkorting) op de

verschuldigde loonbelasting via de werkgever van

een jaarlijks door de Belastingdienst vast te stellen

bedrag. Het bedrag is voor 2007, net als in 2006,

maximaal € 185,- per gespaard kalenderjaar. Het

bedrag is afhankelijk van het opgenomen bedrag uit

de levensloopregeling en dient ook daadwerkelijk

eerst te zijn overgemaakt op de levenslooprekening.

Voor de aanvraag van de ouderschapsverlofkorting

heeft de werknemer na afloop van het kalenderjaar

een verklaring van de werkgever nodig met de volgende

gegevens:

> Naam, adres en loonheffingnummer van de werkgever.

> De periode in het kalenderjaar waarin de werknemer

ouderschapsverlof heeft genoten.

> Het aantal uren in het kalenderjaar dat de werknemer

ouderschapsverlof heeft genoten.

De werkgever kan deze verklaring opvragen bij Dyade.

Tenslotte is het van belang te vermelden dat er geen

sprake is van overgangsrecht: alle, vanuit 2006,

genieters van betaald ouderschapsverlof ontvangen

vanaf 1 januari 2007 een vergoeding van 55%. Ook

deze verlofgenietenden dienen vanaf 1 januari 2007

de ouderschapsverlofkorting aan te vragen!

De ouderschapsverlofkorting kan worden teruggevraagd

door middel van de aangifte in de inkomstenbelasting

of via een voorlopige teruggaaf. Voor verdere

informatie omtrent de ouderschapsverlofkorting

en de voorlopige teruggaaf willen wij u verwijzen naar

www.belastingdienst.nl of u kunt u vraag stellen via

de Belastingtelefoon: 0900 - 0543.

Aan de genoemde bedragen kunnen geen rechten

worden ontleend, deze informatie is bevestigd door

de Belastingtelefoon.

1 Omdat dat de fiscale regeling afdrachtvermindering ouderschapsverlof, die de werkgever ontving, met ingang van

1 januari 2007 is vervallen, is het doorbetalingpercentage bij betaald ouderschapsverlof verlaagd van 75% naar 55%.

Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

7


De jaarrekening en de accountantscontrole

Het kalenderjaar 2006 is ten einde, lumpsum in het

primair onderwijs is een feit. Wat betekent dit voor het

verplichte jaarverslag over 2006? Uiterlijk 1 juli 2007

moet dit jaarverslag met de goedkeurende accountantsverklaring

bij het Cfi zijn gedeponeerd.

In dit artikel willen wij nader ingaan op de verplichte

accountantcontrole en de vastgestelde tariefsverhoging

die mede is doorgevoerd naar aanleiding van de stelselwijziging.

Wat is er zoal gewijzigd in de accountantscontrole?

Binnen de sector primair onderwijs is lumpsum in

het kalenderjaar en de stelselwijziging een feit. Dit

betekent dat de sector primair onderwijs haar financiële

huishouding moet inrichten conform het batenen

lastenstelsel en verantwoorden conform het

OCW-voorschrift op de jaarverslaggeving. Voorheen

was het kasstelsel de methodiek waarmee de financiën

werden verwerkt en een accountantcontrole was

niet verplicht.

Wat is nu de rol van de accountant in dit proces?

De accountant moet een volledige controle uitvoeren

op het financiële gedeelte van het jaarverslag. De

accountant zal de controle uitvoeren zoals vastgelegd

in de grondslagen voor de jaarrekening die zijn

gebaseerd op het Burgerlijk Wetboek (Boek 2, titel

9). De accountant moet de waardering van bezittingen

en schulden volgens deze grondslagen controleren.

De wijziging van kasstelsel naar het stelsel van

baten en lasten heeft tot gevolg dat onder andere de

grote aanschaffingen (vaste activa) gewaardeerd en

afgeschreven moeten worden conform de grondslagen.

Om de waarde van de vaste activa te bepalen is

in veel gevallen een nulmeting uitgevoerd.

Een ander gevolg van de stelselwijziging is dat er

voorzieningen getroffen moeten worden voor toekomstige

verplichtingen en risico’s die voortvloeien

uit de huidige bedrijfsvoering. Bijvoorbeeld voorziening

onderhoud gebouwen en voorziening

(flex)bapo. De accountant zal moeten toetsen of de

getroffen voorzieningen aanvaardbaar zijn.

De accountant zal bovendien toetsen of de cijfers

een zodanig inzicht geven dat er een verantwoord

oordeel kan worden gevormd omtrent het vermogen

(de bezittingen en schulden van de instelling) en de

8 Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

door Rinus Welleman

exploitatierekening. Uiteraard moet de accountant

ook een controle uitvoeren of de subsidies rechtmatig

zijn besteed. Tot 1 augustus 2006 geschiedt dit

door middel van de aanvraag vaststelling rijksvergoeding

(AVR). Dit betekent niet dat met het vervallen

van de controle AVR het bovenstaande komt te vervallen.

De controle AVR verschuift naar de controle

op de jaarrekening, want de accountant zal nog

steeds een controle moeten uitvoeren op de rechtmatige

besteding van de subsidiegelden.

Wat is de rol van Dyade?

Dyade heeft in samenspraak met haar huisaccountant

PwC een reviewmodel en een procedure jaarrekening

opgesteld om een optimale kwaliteit te

kunnen leveren in het jaarrekeningproces. Er zal

per klant een balansdossier worden opgesteld. Het

balansdossier wordt stap voor stap opgebouwd aan

de hand van een 44 punten tellende procedure. Het

balansdossier bevat ook de onderbouwing van de

verantwoording van de balans en exploitatierekening.

Voorbeelden van te beantwoorden vragen zijn:

> Zijn alle investeringen verwerkt conform investeringsgrenzen?

> Zijn alle afschrijvingen verwerkt?

> Is er aansluiting tussen de jaarrekening

en de jaarlijkse OCW-rijksbijdrage?

> Zijn vorderingen en/of schulden van OCW en

overige instanties volledig opgenomen?

> Is er aansluiting van liquide middelen inclusief

derdengelden?

> Is er een goede onderbouwing van de

voorzieningen?

> Is de exploitatie gecontroleerd? Zijn er omvangrijke

afwijkingen ten opzichte van de begroting en de

exploitatie van voorgaand jaar?

> Zijn de richtlijnen Europese aanbesteding gevolgd?

> Etc.

Hoe komen de kosten van de accountantscontrole tot stand?

Als gevolg van de verbreding en verdieping van de

regels en richtlijnen op de controle van de jaarrekening,

heeft de huisaccountant van Dyade (PwC) haar

tarieven moeten verhogen.

De voorheen geldende tarieven waren gebaseerd op

de oude regelgeving en waren in de basis vastgesteld

in 2003.

De vaktechnische eisen zijn verscherpt door de nieuwe

accountancywetgeving (Wta) en de daarmee

samenhangende richtlijnen voor de accountantscontrole

(RAC).

Als u deze tarieven afzet tegen de tarieven die voor

soortgelijke controles gebruikelijk zijn in het bedrijfsleven,

dan kunnen wij concluderen dat de nieuwe

tarieven zeker niet aan de hoge kant zijn.


In dit kader geeft PwC uitleg wat er wijzigt onder

lumpsum

Ingaande 1 augustus 2006 heeft een wijziging plaatsgevonden

in de bekostigingsystematiek vanuit het ministerie van

Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) aan onderwijsinstellingen

in de sector primair onderwijs. Per genoemde

datum is de declaratiebekostiging vervangen door een lumpsumfinanciering.

Met de inwerkingtreding van een nieuwe bekostigingssystematiek

heeft eveneens een wijziging plaatsgevonden in de wijze

van verantwoording. Tot en met 31 juli 2006 is het bestuur

verplicht door middel van een aanvraag vaststelling rijksvergoeding

(AVR) de rijksbekostiging te laten vaststellen.

Ingaande het kalenderjaar 2006 dient het bestuur verantwoording

af te leggen met behulp van een financieel jaarverslag.

Voor de controle van het financieel jaarverslag is het

Controleprotocol OCW 2006 van toepassing, waarin de

door de accountant te controleren aspecten met betrekking

tot het financieel jaarverslag en de bekostigingsgegevens

worden beschreven. Hierbij wordt aangegeven dat de

accountant onderzoek dient te doen naar de elementaire

beginselen van ‘good governance’ binnen de onderwijsinstelling.

De accountant dient naast de controle van het

financieel jaarverslag bij uw administratiekantoor daarom

vanaf dit jaar eveneens aandacht te besteden aan de kwaliteit

van uw interne beheer. Het gaat hier om het totale

interne beheer dat zich naast de controleomgeving bij

Dyade tevens uitstrekt tot in uw school- en bestuursomgeving.

Dit kan onder andere plaatsvinden door middel van

interviews met het bestuur en directie, maar indien noodzakelijk

geacht ook door aanvullende waarnemingen op

school- of bestuursniveau.

Hierbij zullen wij na overleg met Dyade zoveel als mogelijk

gebruik maken van een standaard vragenlijst om op een efficiënte

en effectieve wijze inzicht te krijgen in de totale interne

beheersing (met name de administratieve organisatie en

interne controle en governance) van uw stichting of vereniging.

Daarnaast eisen de nieuwe accountantswetgeving (Wta) en

daarmee samenhangende de richtlijnen voor de accountantscontrole

(RAC) tevens een directe opdrachtrelatie en

contactmomenten tussen accountant en schoolbestuur,

onder andere in het kader van een juiste toepassing van de

fraude richtlijn.

Gelet op de verdergaande eisen in het controleprotocol en

de aangepaste richtlijnen voor accountantscontrole dienen

accountants meer door eigen controles verificatiewerkzaamheden

uit te voeren en deuitkomsten van hun werkzaamheden

in voldoende mate te documenteren. Dit houdt een

verzwaring van de controlewerkzaamheden van de accountant

in. Indien hieraan niet wordt voldaan, bestaat het risico

dat bij een review door de auditdienst van OCW geconcludeerd

wordt, dat in onvoldoende mate werkzaamheden zijn

verricht (voorbeeld hiervan is de nieuwe regel ‘niet gedocumenteerd’

betekent ‘niet gecontroleerd’).

Wij hopen met dit artikel meer duidelijkheid te hebben

gegeven over de accountantscontrole.

Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

9


Gelijke kappen voor ongelijke

Variabel belonen in het onderwijs

De invoering van de Wet BIO maakt het vraagstuk van het

belonen van werknemers actueler dan ooit. In 1998 schreef OCW

nog in een publicatie dat het werken met competenties niet mag

leiden tot competitie. Maar in de praktijk willen scholen meer

mogelijkheden tot beloningsdifferentiatie krijgen. Het druist in

tegen het gezonde verstand dat een werknemer die de kantjes er

vanaf loopt evenveel betaald krijgt als een werknemer die zich

met hart en ziel inzet. Maar ook het denken over binding en

motivatie speelt hierbij een belangrijke rol.

10 Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

door Clemens Geenen

Een school moet zich niet alleen afvragen hoe zij aan

goede medewerkers komt, maar ook hoe zij die vasthoudt.

Beloningsbeleid kan een instrument zijn om

werknemers te binden en te motiveren. In dit artikel

vindt u een aantal visies op variabel belonen met

daarbij ook tegengestelde standpunten. De discussie

is in het onderwijs nog maar net op gang gekomen.

Dit artikel wil stof tot nadenken geven.

Beloning Het begrip beloning is in de economie

een vergoeding die de organisatie geeft aan de

medewerker voor de door hem geleverde bijdrage

aan die organisatie. De vergoeding kan van financiële,

maar ook van niet-financiële aard zijn. Een

schouderklopje is een voorbeeld van het laatste,

dat in sommige culturen is uitgegroeid tot benoeming

van medewerker van de maand; inclusief letterlijk

een plaats in de eregalerij. Dit laatste komt voor

in China, Rusland en de Verenigde Staten, dus het

kan bijna niet uitblijven of u loopt binnenkort achter

zonder zo’n galerij. In hun standaardwerk ‘Belonen

in strategisch perspectief’ uit 2000 maken Miranda

Langedijk en Petri Ykema ten aanzien van de financiële

vergoeding onderscheid tussen:

1. Het vaste inkomen (salaris, vakantiegeld en

eindejaarsuitkering).

2. Salarisverhogingen (vaste periodiek en CAOverhoging).

3. Secundaire en tertiaire arbeidsvoorwaarden

(vakantie- en verlofdagen, pensioen, fiets- en

spaarregeling).

4. Variabele beloning (gratificatie of toelage).


monniken?

Niveau waarop Aard van het criterium

de beloning van

toepassing is KWANTITATIEF KWALITATIEF

Individu Resultaat Merit-rating

Skill

Competenties

Groep / Afdeling Resultaat/ Teamcompetenties

teambeloning

Organisatie Winstdeling Kerncompetenties

Kenmerkend voor variabele beloning is dat de hoogte

van de beloning per jaar kan verschillen. Variabel

belonen komt in verschillende vormen voor. In het

boek worden variabele beloningssystemen getypeerd

aan de hand van het organisatieniveau en de aard

van het te belonen criterium.

Beloningsbeleid In de handleiding

‘Teambeloning: Hoe werkt dat?’ van de BVE Raad

komen we de volgende definitie van beloningsbeleid

tegen: “Beloningsbeleid is erop gericht het arbeidsgedrag,

de competenties en de prestaties van medewerkers

in een door de organisatie gewenste richting

te beïnvloeden.” Beloningsbeleid staat dus niet op

zichzelf, maar is verbonden met de organisatie en de

doelstellingen die de organisatie heeft.

CAO-primair onderwijs 2006-2008 Het primair

onderwijs kende al in de vorige CAO de mogelijkheid

van beloningsbeleid. De vakbonden liepen er

niet warm voor, maar het RPBO maakte het mogelijk

en daardoor kwam het ook in de CAO terecht. De

werkgever kon alleen overgaan tot Incidentele beloningsvormen

op basis van vastgesteld beleid. Dit

beleid moest in overleg met de personeelsgeleding

van de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad

tot stand komen en het decentraal georganiseerd

overleg (DGO) diende te worden geïnformeerd. In

de praktijk werd er zeer spaarzaam van deze mogelijkheid

gebruikgemaakt.

In artikel 6.1 van de nieuwe CAO-primair onderwijs

2006-2008 lezen we dat een werknemer jaarlijks op

1 augustus één periodiek erbij krijgt, tenzij hij/zij op

het maximum van zijn salarisschaal zit. Op grond

van een goede beoordeling kan de werknemer een

extra periodiek krijgen. Dat was ook al mogelijk

onder de vorige CAO, maar is nu expliciet opgenomen.

Nieuw is dat de werkgever de werknemer één-

malig de jaarlijkse periodiek kan onthouden bij

twee achtereenvolgende negatieve beoordelingen.

De CAO-primair onderwijs kent ook nog andere

beloningsmogelijkheden. Artikel 6.19 bepaalt dat

“de werkgever op grond van een beoordeling van de

werknemer, in bijzondere omstandigheden gratificaties

en toelagen kan verstrekken”. Hiervoor geldt nog

steeds dat de werkgever daar beleid voor moet

formuleren, dat afgestemd moet worden met het

personeelsgeleding van de (gemeenschappelijke)

medezeggenschapsraad. Er geldt wel een maximum.

De extra beloning voor een individuele werknemer

kan nooit meer bedragen dan 15% van het jaarsalaris.

De CAO-primair onderwijs noemt de mogelijkheid

van teambeloning niet, maar sluit het ook niet

uit. De werkgever heeft hier dus mogelijkheden voor.

Bij de invoering van het persoonlijk ontwikkelingsplan

en de competentieprofielen is er een compromis

gesloten tussen ministerie en vakbonden. De

vakbonden gingen akkoord met differentiatie in de

beloning, maar naar de bovenkant. In de nieuwe

CAO is er een doorbraak waarbij ook periodieken

onthouden kunnen worden. De looptijd van de huidige

CAO-primair onderwijs is twee jaar. Misschien

dat er in 2008 nog meer verschillende kappen voor

de monniken mogelijk worden.

Incidentele beloningsvormen of beloningsdifferentiatie?

Beloningsdifferentiatie is een ruimer

begrip dan incidentele beloningsvormen. In de

vorige CAO-primair onderwijs komen we alleen de

term incidentele beloningsvormen tegen (zie art. C15

van de CAO-primair onderwijs). In de nieuwe ook

de term beloningsdifferentiatie (zie art. 6.19). In de

nota ‘Werken in het onderwijs 2006’ wordt hieronder

verstaan: “het toekennen van extra bonussen,

toelagen, periodieken, premies of onkostenvergoedingen

(bijvoorbeeld tegemoetkoming in hogere

woonlasten, hogere reiskostenvergoeding) in

verband met goed functioneren, het leveren van een

bijzondere prestatie of het uitvoeren van bijzondere

taken, of het honoreren van relevante (onbetaalde)

ervaring bij (her)indiensttreding”. Het doel van beloningsdifferentiatie

is het optimaliseren van de inzet

van medewerkers.

Beloningsdifferentiatie in het primair

onderwijs Scholen ontvangen al een aantal jaren

een apart Budget voor arbeidsmarkt- en personeelsbeleid

(voorheen schoolbudget). Hierdoor hebben

zij meer mogelijkheden gekregen voor beloningsdifferentiatie.

Uit de nota ‘Werken in het onderwijs 2006’

blijkt dat 58% van de scholen in het primair onderwijs

hiervan gebruikmaakt. Zij besteden ongeveer 5%

van bovengenoemd budget voor beloningsdifferentiatie.

Er zijn geen actuele gegevens bekend op welke

gronden extra beloningen worden toegekend.

Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

11


Lerarensalarissen In de Haagse politiek is het

afgelopen jaar veel gezegd over lerarensalarissen.

Een hoger salaris zou het beroep aantrekkelijker

maken. Of deze standpunten de verkiezingen overleefd

hebben, zal bij de kabinetsformatie moeten

blijken. Klopt de beeldvorming over te lage lerarensalarissen?

Het onderzoeks- en adviesbureau Hay

Group heeft in 2006 de salarisschalen in het

onderwijs vergeleken met die van 150.000 andere

functies. Het aanvangssalaris van veel leraren blijkt

gelijk te zijn aan het modale inkomen in Nederland

van € 30.000,-. Meer dan 50% van de leraren

verdient € 42.200,- en dat is slechts € 200,- onder

het marktgemiddelde. Het onderzoek van Hay Group

maakt in ieder geval duidelijk dat een variabele

beloning niet nodig is om een te laag salaris aan te

vullen.

Competentiebeloning In opdracht van OCW

heeft Berenschot in 1998 samen met de Vereniging

van Samenwerkende Landelijke Pedagogische Centra

(VSLPC) een competentiemodel voor leerkrachten

ontwikkeld. Het model gaat uit van tien competenties

op drie opeenvolgende beheersingsniveaus.

Beloning vindt niet meer plaats op basis van het

aantal dienstjaren, maar op basis van de individuele

prestaties van de leerkracht. Iedere twee jaar moet

de school de ontwikkeling van de leerkracht beoordelen.

Een leerkracht die een bijzonder goede

ontwikkeling laat zien, stijgt sneller in salaris. Nog

hetzelfde jaar heeft Regioplan onderzoek gedaan

naar het draagvlak voor competentiebeloning. Niet

minder dan 42% van de leerkrachten en 49% van de

schoolleiders waren voorstander van competentiebeloning.

De bonden waren in die tijd fel tegen

competentiebeloning. Beloning volgens het competentiemodel

van Berenschot heeft het dan ook niet

gehaald. OCW heeft hiervan geleerd door bij de

invoering van de Wet BIO de angel van de competentiebeloning

eruit te halen. De verwachting is

echter dat, zodra we allemaal gewend zijn aan het

voeren van beoordelingsgesprekken, het maken van

POP’s en het werken met competenties, competentiebeloning

weer op de agenda komt te staan.

Teambeloning In 2001/2002 hebben vijf teams

van het ROC Utrecht en ROC West-Brabant geëxperimenteerd

met teambeloning. De beloning bestond

uit 1% van het brutojaarsalaris van alle teamleden.

De besteding moest ten goede komen aan het team

en de teamontwikkeling (bijvoorbeeld laptops of een

teambuildingsdag). Naar aanleiding hiervan heeft de

BVE Raad een handzame handleiding gemaakt die u

gratis kunt downloaden via www.ipb.intermax.nl. In de

inleiding staat te lezen dat teambeloning belangrijk is

om teamontwikkeling te stimuleren: “De kunst bij

prestatiebeloning is een goede balans te vinden

tussen individuele beloning en teambeloning. Te

grote individuele beloningsverschillen binnen een

team leveren ongezonde rivaliteit en onvrede op.

12 Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

Teveel nadruk op de prestaties van het team met te

weinig oog voor de individuele kwaliteitsverschillen

leveren ook gevoelens van oneerlijkheid op en werken

negatief door naar het teamfunctioneren. Zeker in

het onderwijs is het lastig om behaalde teamresultaten

naar individuen te differentiëren. De onderlinge

afhankelijkheid is groot.”

Een belangrijke voorwaarde voor het invoeren van

teambeloning is een professionele cultuur. Afspraken

over extra prestaties en extra beloningen worden niet

van bovenaf, maar in onderling overleg tussen

schoolleiding en team bepaald. Intervisie en feedback

zijn belangrijk. “Alleen dan kan het management

de beloningsverschillen verantwoorden en

zullen de verschillen geaccepteerd worden door de

medewerkers.” Het implementatietraject voor teambeloning

bestaat uit zeven stappen:

1. Enthousiasmeren (overtuigen en vertrouwen

scheppen).

2. Werven (een team doet mee op basis van vrijwilligheid).

3. Contracteren (afspraken maken over o.a.

prestatieindicatoren, de wijze van beoordeling

en de aard van de teambeloning).

4. Uitvoeren (aansturing is noodzakelijk).

5. Bewaken (tussentijdse evaluatie van de voortgang).

6. Beoordelen en belonen.

7. Afsluiten (evaluatie met het hele team en

feestelijke afsluiting).

Volgens de IPB-monitor 2004 komt teambeloning in

het primair onderwijs nog nauwelijks voor. Dat is

jammer omdat teambeloning schijnt bij te dragen

aan de innovatiekracht van organisaties. Uit onderzoek

van de Erasmus Universiteit blijkt dat teambeloning

medewerkers stimuleert om “kennis uit te

wisselen, extra inzet te vertonen en gezamenlijke

doelstellingen te realiseren”. Zie voor het volledige

rapport: www.erasmusinnovatiemonitor.nl.

Kritiek op prestatiebeloning “Prestatiebeloning

wint langzaam terrein.” Zo luidde de kop van een

artikel in De Volkskrant van 26 oktober jl. In 2005

heeft driekwart van het personeel in Nederland

behalve salaris ook een bonus ontvangen. In 2000

was dat nog 70%. De hoogte van de bonus was

gemiddeld 7% van het bruto-inkomen.

Prestatiebeloning ligt in het onderwijs gevoelig.

Desondanks lezen we in de nota ‘Werken in het

onderwijs 2006’ dat een meerderheid van de leraren

voor een of andere vorm van prestatiebeloning is.

Toch is kritiek op prestatiebeloning niet verstomd.

In IntermediairPW van 20 december 2004 trekt Peter

Boerman fel van leer tegen prestatiebeloning. Hij

somt een aantal redenen op waarom prestatiebeloning

niet presteert:


1. Het werkt niet

“Elke 5 uur verschijnt ergens ter wereld een publicatie

over het effect van prestatiebeloning. Maar

een eenduidig en ondubbelzinnig (positief) effect

van prestatiebeloning op de productiviteit is wetenschappelijk

nog nooit aangetoond. Individuele

prestaties mogen soms (tijdelijk) verbeteren, maar

dit geldt nog niet voor de hele organisatie, zeker

niet op de lange termijn.”

2. Het is duur

“Nederlandse werknemers die een of andere vorm

van prestatiebeloning ontvangen, verdienen dan ook

tot 10% meer dan vergelijkbare werknemers met een

standaard loon. De productie stijgt echter zelden

evenredig hard mee.”

3. Het demotiveert

“Als de medewerkers het systeem niet eerlijk vinden -

omdat ze weinig invloed op het resultaat hebben, of

omdat ze er toch niet voor in aanmerking komen, of

er geen vertrouwen in hebben dat de leidinggevende

in staat is tot een goed oordeel - blijkt prestatiebeloning

een enorme demotivator te zijn, met name in

Nederland.”

4. Het beloont het verkeerde

“Zet een bonus op het aantal gemaakte producten,

en de voorraden zullen zich opstapelen in uw magazijn.

Maar hoe zit het met de kwaliteit? Oftewel: je

krijgt wat wordt beloond. En dat is niet altijd hetzelfde

als wat de organisatie beoogt.”

5. In een team werkt het niet

“Weinig medewerkers zien teambeloning zitten als

dat inhoudt dat ook een klaploper in het team extra

beloning ontvangt.’’

6. Het maakt onzeker en bang

“Zo kan het systeem mensen bang maken voor

fouten of risico’s. Ze durven de baas niet meer tegen

te spreken, uit vrees hun bonus mis te lopen.”

7. Je krijgt geen differentiatie

“Leidinggevenden durven meestal niet te differentiëren,

bang als ze zijn voor ongemakkelijke blikken van

anderen. En dus krijgt ieder de bonus, waarmee het

systeem verwordt tot de traditionele periodiekenmachine

waar het nu juist mee wilde afrekenen.”

Het artikel is af en toe polemisch van toon, maar

juist daardoor wel interessant. Vergelijkbare kritiek

komt ook naar voren in het proefschrift van Reiny

van Silfhout uit 2005. Zij deed onderzoek naar de

vraag waarom prestatiebeloning in Nederland

minder voorkomt dan in andere landen. Een meerderheid

van werknemers en leidinggevenden vindt

dat beloning in eerste instantie gebaseerd moet zijn

op de zwaarte van de functie en dan pas op prestaties.

Medewerkers verwachten meer dan leiding-

gevenden negatieve gevolgen zoals willekeur,

opjagen, jaloezie of verminderderde onderlinge

samenwerking. “De rol van het management is dus

zeer belangrijk voor het welslagen van een prestatiebeloningssysteem.

Als managers het niet goed doen,

worden de vooroordelen tegen prestatiebeloning

(willekeur etc.) snel bevestigd.”

Invloed op motivatie Wat is een schouderklopje

waard? Uit onderzoek blijkt dat niet-financiële

aspecten zoals functie-inrichting, carrièreontwikkeling

en werksfeer een veel groter effect hebben op

betrokkenheid van medewerkers dan financiële beloningen.

Tot 30% van het verschil in bedrijfsresultaten

komt door verschillen in werkklimaat. Hierbij speelt

de leidinggevende een cruciale rol. Coachend leidinggeven

wordt een belangrijke troef voor een

school in het binden en motiveren van medewerkers.

Volgens een artikel in Management Team van

november 2005 is het motiveren van medewerkers

echt niet zo moeilijk. “Gewoon een kwestie van

gezond verstand en van aanpakken.” Via www.mt.nl

vindt u een handig overzicht van 99 manieren om

uw medewerkers voor u te laten rennen. De suggesties

staan per rubriek gerangschikt.

Belonen in strategisch perspectief Miranda

Langedijk en Petri Ykema constateren in hun boek

dat bij het invoeren van een (variabel) beloningssysteem

bijna alle aandacht gaat naar het systeem

zelf. Het invoeringsproces en de vraag of het systeem

wel past bij de organisatie krijgen onvoldoende

aandacht. De kans is dan groot dat het nieuwe

beloningssysteem niet landt in de organisatie. Zij

sommen een aantal voorwaarden op voor het

plaatsen van belonen in een strategisch perspectief.

De school:

1.Weet wie ze is (welke karakteristieken heeft onze

organisatie?).

2. Weet wat ze wil bereiken met de beloning.

3. Communiceert over wie ze is en over wat ze wil

bereiken met de beloning (welk gedrag krijgt

welke beloning?).

4. Streeft naar een blijvende fit (moeten we het

beloningssysteem herijken omdat de organisatiedoelen

zijn veranderd?).

Meer informatie Laat u zich niet ontmoedigen

door alle goedbedoelde kritiek. Variabel belonen kan

een belangrijk instrument zijn om medewerkers te

stimuleren tot gewenst gedrag. Gedrag dat bijdraagt

aan het realiseren van de doelstellingen van uw

schoolorganisatie. Wilt u meer weten over de ondersteuning

die Dyade Advies u op dit gebied kan

bieden, neem dan contact op met de organisatieadviseur

van uw Dyadevestiging.

Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

13


k

14 Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

k o r t

s SZW geeft subsidie voor meer vrouwen in besturen

Het ministerie van SZW geeft subsidie aan negen emancipatieprojecten die het aantal

vrouwen in raden, commissies en besturen moet vergroten. Het gaat om vrouwen in een

achterstandspositie, bijvoorbeeld vrouwen die weinig invloed hebben op besluitvorming.

De projecten krijgen in totaal een bedrag van 0,8 miljoen euro. De overheid wil een evenredige

vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in besturen en andere organen die

besluiten nemen. Behalve in de politiek, kan dat ook zijn in het onderwijs, in wijkraden,

ouderraden, verenigingsbesturen of in besturen van belangenorganisaties of zelforganisaties.

Het project Stap voor stap naar een hogere trap van Osmose (adviesbureau voor

multiculturele vraagstukken in Arnhem) stimuleert allochtone moeders actief te worden

op basisscholen. Dit leidt tot een meer evenredige afspiegeling van de multiculturele

samenstelling van de scholen. Daarnaast krijgt de stem van allochtone moeders ook meer

aandacht in de medezeggenschaps- en ouderraden en de schoolbesturen. Met dit project

worden 20 allochtone vrouwen in een besluitvormende positie geplaatst bij basisscholen

in verschillende gemeenten in Gelderland. Organisaties die zich bezighouden met deze

thema’s kunnen jaarlijks een subsidieaanvraag indienen. De eerstvolgende subsidieronde

is op het gebied van rechten en veiligheid. Aanvragen voor subsidies voor deze projecten

kunnen tot uiterlijk 1 maart 2007 worden ingediend. Een beschrijving van alle projecten

en meer informatie over het indienen van subsidieaanvragen staan op

www.emancipatieweb.nl.

b

Belastingkorting voor ouders

omgezet in uitkeerbare kindertoeslag

De kinderkorting, een korting die ouders krijgen op de te betalen

belasting, wordt met ingang van 2008 vervangen door een kinder

toeslag. Hierdoor profiteren voortaan ook ouders met een laag

inkomen van deze tegemoetkoming in de onderhoudskosten van

kinderen. Staatssecretaris Geus van SZW heeft hiertoe een wetsvoorstel

bij de Tweede Kamer ingediend. Op dit moment kampen

bepaalde huishoudens met het probleem dat ze de belastingkorting

niet kunnen verzilveren. Werkende alleenstaande ouders en alleenverdieners

met een salaris gelijk aan het minimumloon betalen te

weinig belasting om voor het totale bedrag aan belastingkortingen in

aanmerking te komen.

Ze profiteren daardoor niet of nauwelijks van (een verhoging van) de

kinderkorting. Door de belastingkorting te vervangen door een uit te

keren toeslag is dit probleem opgelost. Alleenstaande werkende ouders

met een inkomen op het niveau van het minimumloon zien door de

toeslag hun inkomen met gemiddeld 5,4 procent stijgen. Voor een

werkende alleenverdiener met kinderen is dat 2,4 procent. Circa

1,2 miljoen gezinnen hebben straks recht op kindertoeslag. Het gaat

om ouders met een kind dat jonger is dan 16 jaar en voor wie ze ook

kinderbijslag ontvangen. Voor jongeren tussen de 16 en de 18 jaar

hebben de ouders alleen recht op de toeslag als ze het kind in belangrijke

mate onderhouden. De hoogte van de toeslag is afhankelijk van

het inkomen van de ouders en varieert van 0 tot 77 euro per maand.

Nu is dat ook al zo met de kinderkorting. De Belastingdienst/Toeslagen

voert de regeling uit in nauwe samenwerking met de Sociale

Verzekeringsbank (SVB). In 2009 zal ook de Wet tegemoetkoming

onderwijsbijdragen en schoolkosten voor kinderen tot 18 jaar in

dezelfde regeling worden ondergebracht als de kindertoeslag.

i

Impuls voor innovatie

Meer dan duizend scholen hebben bij het PO Platform

Kwaliteit en Innovatie een aanvraag ingediend om in aanmerking

te komen voor een subsidie van 3.000 euro. Het doel

van de stimuleringsregeling Leren van elkaar is onder meer het

actief delen en verspreiden van kennis. Veel aanvragen hebben

te maken met kwaliteitszorg, leerlingenzorg, onderwijs anders

organiseren, taal en lezen en de integratie van techniek en

ICT. Het PO Platform is nu bezig met de toekenning van de

625 stimuleringssubsidies. Helaas moet worden vastgesteld

dat niet alle aanvragen voldoen aan de criteria. Ook zijn aanvragen

gedaan die niet geschikt zijn voor deze impulsregeling,

maar die bijvoorbeeld wel passen in bestaande programma’s

en projecten, zoals Verbreding Techniek Basisonderwijs, ICT

op school of Versterking cultuureducatie. In bepaalde gevallen

worden aanvragers doorverwezen naar andere subsidieverstrekkers.

Ook voor de stimuleringsregeling Leren met

experts is belangstelling. Dit betreft diepteprojecten waarin

wordt samengewerkt met externe experts. In deze aanvragen

is er eveneens veel aandacht voor thema’s als technisch lezen,

kwaliteit en leerlingenzorg. Bij de beoordeling staat het innovatieve

gehalte centraal, afgezet tegen de landelijke ontwikkelingen.

Aanvragen moeten gericht zijn op duurzame ontwikkeling

en verbetering van het onderwijs en de resultaten moeten

overdraagbaar zijn. De sluitingstermijn voor deze regeling is

31 januari 2007.


? ?

? ??

v

1 Tabakswet

2 Extra

3 Gelden

4 Vaststelling

v e e l g e s t e l d e v r a g e n

Is het verplicht op school bij elke ruimte een rookverbodsticker op te hangen?

In de Tabakswet staat dat bij elke ruimte waar niet gerookt mag worden een aanduiding verplicht is

met een goed leesbare tekst 'roken verboden' of met een rookverbodsticker.

In de wet worden onder meer genoemd: hallen, gangen, trappen, liften, vergaderzalen, leslokalen,

toiletten, kantines, recreatie- en soortgelijke ruimten, overige ruimten voor zover deze voor het

publiek toegankelijk zijn.

In de praktijk keurt de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA, voorheen Keuringsdienst van Waren) het

goed als er bij alle ingangen van het schoolgebouw een duidelijke tekst te lezen is in de trant van: “in

dit gebouw mag niet worden gerookt, met uitzondering van de daarvoor aangewezen rookruimtes”.

Het is dan niet nodig om bij elke ruimte in het gebouw aan te geven dat er niet gerookt mag worden.

Dergelijke borden zijn niet standaard voorhanden. Men laat vaak zelf een bord maken.

Bron: Besturenraad

middelen overblijfwerk

Hoe is de situatie met betrekking tot extra middelen scholing overblijfmedewerkers?

De subsidie voor scholing van overblijfmedewerkers in het schooljaar 2006/2007 is verhoogd met € 1.120.000,-.

Aanvragen die aanvankelijk geheel of gedeeltelijk zijn afgewezen wegens uitputting van het budget, zijn opnieuw

beoordeeld. U hoeft dus geen nieuwe aanvraag in te dienen. De aanvragen zijn beoordeeld volgens de in de subsidieregeling

vastgestelde criteria. De besturen die in aanmerking komen voor extra subsidie ontvingen in december

2006 een beschikking. Meer informatie over de subsidie vindt u op de site van het Cfi.

versterking cultuureducatie

Worden de gelden voor de versterking van de cultuureducatie in het primair onderwijs

en in het schooljaar 2007/2008 toegevoegd aan de lumpsumbekostiging?

Nee, de middelen worden in het genoemde schooljaar nog als bijzondere bekostiging toegekend aan de scholen.

De regeling Versterking cultuureducatie is op 26 januari 2005 gepubliceerd en wordt voor het schooljaar

2007/2008 verlengd. Daardoor is er nog geen sprake van toevoeging aan de lumpsumbekostiging.

schoolgewicht

Hoe werkt de 80%-systematiek voor het vaststellen van het schoolgewicht?

Nieuw is het plafond van 80%, waarmee een maximum in de bekostiging wordt aangebracht. Alle leerlingen tellen

mee voor het bepalen van het schoolgewicht, maar er wordt een maximum vastgesteld voor de gewichtenmiddelen

die een school krijgt.

Het plafond van 80% geldt vanaf 1 augustus 2006 en betekent dat het schoolgewicht nooit hoger kan zijn dan 80%

van het totaal aantal ongewogen leerlingen.

Een voorbeeld:

Een school heeft 100 leerlingen.

50 leerlingen hebben een gewicht van 1,2.

40 leerlingen hebben een gewicht van 0,9.

Het schoolgewicht wordt als volgt bepaald:

50 x 1,2 = 60

40 x 0,9 = 36

10 x 0,0 = 0

Totaal 96

-/- drempel 9% (dit percentage moet nog worden vastgesteld) van het totaal aantal ongewogen leerlingen

Dit geeft een schoolgewicht van 87. 80% van het aantal ongewogen leerlingen is 80.

Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

15


Ed’le Brabant, were di!

De zegetocht van het natuurlijk leren

De slag bij Woeringen van 5 juni 1288. Welke Brabander

kent die niet? De overwinning van hertog Jan van Brabant

op de aartsbisschop van Keulen en zijn handlangers staat

dan wel niet in de canon van de vaderlandse geschiedenis,

maar wel in het geheugen van menig inwoner van Brabant

gegrift. Op een kritiek moment in de strijd schijnt hertog

Jan te hebben geschreeuwd: “Edel Brabant, verweert u!”. De

Brabanders hielden stand en behaalden uiteindelijk een

klinkende overwinning. Geen wonder dat veel sportverenigingen

hier ‘Were Di’ heten. Ook de scholengemeenschap in

Valkenswaard heet zo.

Were Di bestaat uit twee sectoren: havo/vwo en

vmbo. Wat Were Di zo bijzonder maakt, is dat

leerlingen op het vmbo kunnen kiezen tussen twee

verschillende lesmethoden. Behalve de reguliere

methode waarin de leerstof centraal staat, biedt

Were Di ook de methode aan die gebaseerd is op

de principes van het natuurlijk leren. Dat gebeurt in

een aparte afdeling die hier Were Di Drie genoemd

wordt. Natuurlijk leren betekent dat de leerling de

verantwoordelijkheid krijgt voor zijn eigen leerproces.

Plaatsvervangend rector Jacques Marsmans is op

Were Di verantwoordelijk voor onderwijs. De redactie

legt hem een aantal vragen voor.

16 Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

door Clemens Geenen

Were Di biedt twee verschillende lesmethoden aan: het

regulier leren en het natuurlijk leren. Waarom heeft Were

Di hiervoor gekozen?

“We hebben een aantal studiedagen voor havo/vwo

en vmbo georganiseerd over nieuwe manieren

van leren die beter aansluiten op de eisen van de

moderne tijd. We krijgen nu eenmaal een andere

leerling binnen dan een aantal jaren geleden. We

hebben vervolgens een groep docenten die dat wilde

de ruimte gegeven om samen met Alex van Emst van

APS die andere vorm van onderwijs op te zetten.”

Wat houdt het natuurlijk leren bij Were Di in? Welke

verschillen zijn er met het regulier leren?

“Wat het eerste opvalt, is dat er geen traditioneel

lesrooster is. Er is ook geen klaslokaal met een groep

en een docent of vakdocent. Zestig tot zeventig leerlingen

zitten in een grote ruimte. Anders dan bij het

regulier leren zitten leerlingen van kader-, beroepsen

theoretisch leren bij elkaar. Leerlingen werken in

groepjes van drie aan opdrachten, of liever gezegd

aan prestaties. Deze prestaties zijn leerlinggestuurd

in plaats van docentgestuurd zoals bij het regulier

leren. Er is veel ruimte voor buitenschools leren.


Leerlingen bellen bijvoorbeeld bij buurtbewoners aan als

ze een buurtonderzoek willen doen. Bij het natuurlijk leren

hoort geen huiswerk.”

Wat levert natuurlijk leren op?

“Natuurlijk leren is absoluut niet vrijblijvend zoals je wel

eens leest over bijvoorbeeld Iederwijs scholen. Er zijn drie

docenten of assistenten aanwezig die we coaches noemen.

Die coachen en spreken leerlingen voortdurend aan. Zij

leren leerlingen ook om elkaar aan te spreken. Op het

moment dat een leerling van het groepje van drie afhaakt,

hebben de andere twee dat onmiddellijk in de gaten. En is

dat onderwerp van gesprek. Welke ontwikkeling van de

leerling is belangrijker? De ontwikkeling van kennis van een

vakgebied of de persoonlijke ontwikkeling? Dan zeggen we

met z’n allen die persoonlijke ontwikkeling is belangrijker.

Als we zorgen dat die ontwikkeling goed loopt, dan gaat

het met het vak ook wel. Dit uitgangspunt zien wij door

resultaten bevestigd. Het leren van leerstof loopt bij het

natuurlijk leren niet achter bij het regulier leren. Wat betreft

persoonlijke ontwikkeling lopen leerlingen bij het natuurlijk

leren in het oog springend voor. Were Di Drie heeft een

leerling-volg-jezelfsysteem. Dat wil zeggen dat ze op leerlijnen

en op ontwikkelingslijnen zichzelf beoordelen. En dat

doen ze in gesprek met de leerlingen uit hun groepje en een

coach. Anders dan het traditionele rapport stellen ze zo

hun vooruitgang vast. Door middel van een digitaal

portfolio op internet wordt dit met ouders gecommuniceerd.

Een aantal malen per jaar vindt een vertraagde week

of oogstweek plaats en dan stellen leerlingen vast wat ze in

de afgelopen periode hebben geleerd en wat de vooruitgang

is. En dat wordt doorgesproken met de ouders. Zij

vieren - zoals in een traditionele samenleving - de oogst

van die periode.”

Hoe wordt de keuze tussen regulier leren en natuurlijk leren

gemaakt?

“In principe maken ouders de keuze. We hebben geleerd

dat het natuurlijke leren niet voor iedere leerling een goed

concept is. Natuurlijk leren is ongelooflijk prikkelrijk. Voor

leerlingen met een stoornis in het autistisch spectrum is

natuurlijk leren een ramp. Die hebben meer behoefte aan

onderwijs dat heel gestructureerd wordt aangeboden. Als

we het niet verantwoord vinden dan laten we het kind ook

niet tot Were Di Drie toe.” Ouders die hun kind willen

inschrijven kunnen overdag Were Di bezoeken. Ik kom

regelmatig met gasten de ruimte binnen. Dat stoort niet.

Anders dan bij het regulier leren praten leerlingen met

elkaar en lopen ze door elkaar heen. Als je niet weet wat

er aan de hand is, kan dit misschien wat chaotisch overkomen.

Maar het is geen chaos. Er hangt een heel andere

dynamiek. Kinderen zijn allemaal bezig.”

Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

17


Wat betekent dit voor het team?

“Het sleutelwoord bij natuurlijk leren is betrokkenheid

van docenten. Als je een docent hebt in Were

Di Drie die heel erg betrokken is bij deze manier van

onderwijs dan heb je een hele goeie. Als je een

docent hebt die voorstander is van regulier leren dan

krijg je natuurlijk een ander resultaat. De docenten

van Were Di Drie zijn voortdurend bezig met het verder

ontwikkelen van het team en hun coachende

vaardigheden. Zij geven elkaar constant feedback.

In dit opzicht gaan ze op een heel andere manier

met elkaar om dan dikwijls bij het regulier leren.

18 Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

Overigens hebben ze hierdoor wel een trend gezet

in de school. Ook bij het regulier leren wordt steeds

meer gewerkt in teams en coaching en feedback

toegepast.”

Wat betekent dit voor het schoolgebouw?

“Voor het nieuwe leren heb je geen gewone lokalen

nodig. We hebben de muren tussen lokalen gesloopt

om zo één grote ruimte te krijgen. In deze ruimte

moeten twee liefst drie docenten kunnen werken,

zodat een docent een individuele leerling of groepje

kan coachen terwijl de andere twee aandacht kunnen

geven aan de groep. In zo’n grote ruimte werken

leerlingen ook als één team en spreken elkaar aan op

hun gedrag en functioneren. Daar vinden ze veel

steun aan elkaar.”

Welk advies geeft u uw collegadirecteur mee die ook wil

starten met het nieuwe leren?

“Wat belangrijk is dat alleen docenten die achter het

nieuwe leren staan hiermee aan de slag gaan. Dat

geldt ook voor de ouders van de leerlingen. Alleen

dan kan het slagen. Laat een docent die goed is in

regulier leren dat ook blijven laten doen. Respecteer

dat er andere oplossingen zijn dan het natuurlijk

leren. Accepteer ook dat je een wat onduidelijkere

organisatie krijgt. Schoolregels eenduidig vaststellen

is bijvoorbeeld moeilijk. Bij natuurlijk leren praten

leerlingen en lopen door elkaar heen. Bij regulier

leren niet. Het is af en toe moeilijk uit te leggen

waarom dingen daar wel kunnen en ergens anders

niet. Bereid je ook op voor dat natuurlijk leren

onrustgevoelens kan oproepen bij docenten die op

de reguliere wijze onderwijs geven. Geef hen de

waardering die zij verdienen.”


Het onderwijsnummer in de etalage

Lumpsum was nog niet eens echt ingevoerd, toen er een nieuw

projectbureau zich bekendmaakte. Dit projectbureau, het PMV,

zette u aan het eind van het afgelopen schooljaar aan het werk met

de niet geringe taak om alle sofinummers binnen te halen. Inmiddels

is het sofinummer gepromoveerd naar BSN (burgerservicenummer)

en noemt men het persoonsgebonden nummer (PGN) nog vaker

onderwijsnummer. Hoezo minder regels? Waar heeft het allemaal

voor nodig en hoe komt het zo?

Wet onderwijsnummer (WON) Het onderwijs

leeft van de afkortingen, die bij voorkeur uit drie letters

bestaan. De WON dateert alweer van een jaar

of zes geleden. Toen meldde het ministerie: “In het

cursusjaar 2002/2003 wordt het sofinummer als

persoonsgebonden nummer in het onderwijs ingevoerd.

(…) De Informatie Beheer Groep (IBG) in

Groningen gaat het bestand beheren. (…) De scheiding

van beheer en gebruik moet misbruik van de

persoonsgegevens voorkomen. Alleen de IBG zelf,

de Inspectie, gemeentebesturen, de Sociale Verzekeringsbank,

Centrale Financiën Instellingen (Cfi) en

het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) mogen

de gegevens gebruiken. (…) De gegevens

worden tot 10 jaar na de laatste inschrijving

bewaard.” Goed, de wet is bedoeld om uw administratieve

lasten te verlichten en om adequate

beleidsgegevens te genereren. Tot slot, niet geheel

onbelangrijk, is het onderwijsnummer het gegeven

waarop uw bekostiging is gebaseerd. Inmiddels zijn

we zes jaar verder en veel heeft u er tot op dit

moment nog niet van gemerkt. Dat heeft zo zijn

redenen. De invoering bleek minder eenvoudig dan

gepland. Andere onderwijssectoren gingen het primair

onderwijs voor en het bleek aardig complex.

Spagaat De wet is een tikje dubbel: enerzijds dient

het de administratieve last te verlichten en anderzijds

- u merkt het aan de post van de afgelopen maanden

en dit is nog slechts het begin - is er een behoorlijke

aanslag op uw administratieve rek door de

vraag naar de juiste gegevens. Dit pijnlijke dilemma

zal voorlopig nog even aanwezig zijn. Het is helaas

niet mogelijk om eerst de lasten te verlichten en dan

het nummer effectief in te voeren. Het gaat andersom,

naar men hoopt. Eenvoudig zal dat echter niet

zijn. Alle pogingen de afgelopen jaren om minder

regels te maken zijn nauwelijks effectief gebleken,

maar dit terzijde.

door René van Eijk

De stand van zaken Na het voortgezet onderwijs

en de sector beroeps- en volwasseneneducatie is nu

in het primair onderwijs het PGN aan de beurt.

Met de invoering van het PGN wordt in het primair

onderwijs een nieuwe keten gemaakt, die bestaat uit

onder andere een nieuwe technische infrastructuur,

gegevensstromen, procedures en afspraken tussen de

verschillende ketenpartners. De primaire partners in

deze nieuwe keten zijn de instellingen primair onderwijs,

de IBG en het Cfi. De ervaringen in het voortgezet

onderwijs en de sector beroeps- en volwasseneneducatie

leren dat de invoering van het PGN, met

name door de afhankelijkheden die in de keten tot

stand komen, een complex traject is. De organisaties

die zich bezighouden met ondersteuning aan bestuur

en management hebben daarom een stichting in het

leven geroepen, die de invoering in het primair

onderwijs goed moet laten verlopen. Voor de invoering

van het PGN in het primair onderwijs hebben

deze veldpartijen (besturenorganisaties en de AVS)

een procesmanagement veld (PMV) ingericht. Het

PMV stuurt de softwareleveranciers aan om de aanpassingen

van de administratiepakketten te realiseren

en bereidt de instellingen primair onderwijs in

diverse fasen voor op de nieuwe werkwijze.

Daarnaast zorgt PMV samen met OCW voor een

goede regie binnen het project.

Het PMV ontwikkelde een zogenaamde PGN-scan in

twee fases om de instellingen primair onderwijs voor

te bereiden op de uitwisseling van gegevens conform

de Wet op het onderwijs met de IBG. Het doel van

de PGN-scan is om via iteraties1 een kwalitatief2 en

kwantitatief3 hoog niveau van WON-gegevens te

bereiken, in het bijzonder de burgerservicenummers,

door instellingen primair onderwijs. De gegevens van

de PGN-scan fase 2 zullen ook éénmalig worden

gebruikt voor een eerste vulling van het Basis

Register Onderwijs (BRON) voor beleidsinformatie. >>

Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

19


Indien de meetresultaten van de PGN-scan daar

aanleiding voor zijn, kan PMV in overleg met haar

partners besluiten om extra maatregelen te nemen

die moeten bijdragen aan de succesvolle invoering

van het persoonsgebonden nummer in de sector

primair onderwijs. Het resultaat van de laatste

meting bepaalt of de kwaliteit van de verzamelde

WON-gegevens voldoende is voor een instelling

primair onderwijs om te kunnen deelnemen aan de

conformiteitsfase. De criteria voor het slagen van een

instelling primair onderwijs voor de PGN-scan zijn:

de bekostigingsinformatie moet volledig zijn en de

beleidsinformatie moet nagenoeg volledig zijn en

voldoen aan waardelijsten en referentietabellen.

Wat volgt? Bij de volgende stap die we de conformiteitsfase

noemen, is er sprake van een echte uitwisseling

met de IBG. Uw leerlingadministratiesysteem is

dan zo aangepast, dat het 'onder water' de gegevens

vasthoudt die invoert en/of wijzigt in uw leerlingenadministratie.

Die gegevens levert u met frequente

tussenpozen via internet aan de IBG.

Dit houdt in dat u niet online hoeft te zijn als u uw

leerlingenadministratie bijwerkt. Het houdt ook in

dat u niets dubbel hoeft te doen. Als u verbinding

maakt met het internet sluist uw leerlingenadministratiesysteem

de gegevens die u hebt ingevoerd via

een beveiligde verbinding door naar de IBG. Het is de

bedoeling dat scholen één keer per week verbinding

maken met de IBG. Ook de terugmeldingen van de

IBG ontvangt u via internet. Daar moet u uiteraard

wél wat mee doen. Het kan zijn dat er iets niet klopt

in de persoonsgegevens van de leerling, of dat er een

onderwijsnummer wordt toegewezen dat u moet

invoeren in de leerlingenadministratie.

In de conformiteitsfase kijkt men zorgvuldig of in alle

gevallen alles loopt zoals het moet. Ook in deze fase

begeleidt het PMV uw school tot het moment dat u,

bij wijze van spreken, met losse handjes mutaties aan

kunt leveren en met uitzonderingsgevallen overweg

kunt. Als u alles kunt verwerken op de juiste manier

is er sprake van de laatste stap:

De uitwisseling met de IBG Overdracht van uw

school aan de Informatie Beheer Groep. Vanaf dat

moment beantwoordt de IBG uw vragen. Uw school

is nu immers gecertificeerd voor de geautomatiseerde

gegevensuitwisseling. Alle leerlingen die de IBG

gecontroleerd opneemt in haar eigen bestand

(BRON), worden geanonimiseerd aangeleverd aan

het Cfi. Voor deze leerlingen ontvangt u bekostiging.

Het is de bedoeling dat per 1 augustus 2009 bekostiging

plaatsvindt op basis van de nieuwe manier van

gegevenslevering. De oktobertelling en de groepentellingen

komen dan te vervallen.

Tot slot Geen enkel invoeringstraject is hetzelfde.

De invoering van het onderwijsnummer is dan ook

uniek. Wat oppervlakkig lijkt op een simpel invoeren

van een nummer per leerling, blijkt onder water een

heidens karwei. Alle partijen zijn ervan overtuigd dat

het proces zorgvuldig dient te verlopen en iedereen

doet er ook echt zijn best voor om de last voor de

scholen te beperken, maar er is wel werk aan de

winkel.

Excuses voor de overlast tijdens de verbouwing.

René van Eijk is adviseur bij de AVS en lid van het dagelijks

bestuur van de Stichting PGNO.

Het burgerservicenummer

Het BSN is een uniek identificerend persoonsnummer dat iedereen krijgt, die

ingeschreven staat in de Gemeentelijke basisadministratie en persoonsgegevens

(GBA) of de nog te vormen Registratie niet-ingezetenen. Getalsmatig is het

burgerservicenummer gelijk aan het sociaal-fiscaalnummer (sofinummer),

dat wil zeggen dat het ook uit negen cijfers bestaat en dat het voldoet aan de

elfproef. Het BSN onderscheidt zich van het sofinummer voor wat het bereik

ervan betreft en de wijze waarop wettelijk is vastgelegd wat met behulp van

het BSN mag gebeuren.

1 Iteraties zijn regelmatig terugkerende cycli in een project waarbij elke cyclus een hoeveelheid functionaliteit toevoegt die door de

opdrachtgever wordt gekeurd, getest en van commentaar voorzien.

2 De gegevens moeten voldoen aan alle toetsingscriteria zoals formaat, lengte, optionaliteit en domein.

3 De gegevens van alle leerlingen moeten worden uitgewisseld.

Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

21


Hoe staan wij er (financieel) voor?

Verkorte inleiding stuur- en kengetallen voor het primair

onderwijs, inclusief een voorbeeld van een set kengetallen

Scholen hebben van oorsprong iets met getallen. Leraren geven

cijfers, beoordelen leerlingen en delen rapporten uit.

Leerlingen krijgen toetsen en testen. Ze gaan over of blijven

zitten.

Iedere school bepaalt met grote regelmaat en vaak met getallen

de kwaliteit en het niveau van leerlingen. De school is vaak ‘een

wereld in getallen’, om maar eens de titel van een rekenmethode

te citeren. Maar zeggen die getallen iets? En wat dan? Hoe

kunnen scholen getallen benutten om het inzicht in de financiële

situatie te verhogen? Welke getallenlenen zich hiervoor en

wat doet u met de uitkomsten? Ken- en stuurgetallen kunnen

een rol spelen bij het beantwoorden van de vraag of de school

‘de dingen goed doet’. In dit artikel vindt u een beschrijving

van mogelijke financiële ken- en stuurgetallen en wat u ermee

kunt.

22 Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

door André van Oort

Wat zijn ken- en stuurgetallen?

Kengetallen

Kengetallen bevatten niet meer dan feitelijke, vergelijkende

informatie. Een voor de hand liggend kengetal is de leraarleerlingratio,

de verhouding tussen het aantal leerlingen en

het aantal personeelsleden dat onderwijs verzorgt.

Kengetallen zijn zinvol om op een aantal punten de staat van

de school in kaart te brengen of een probleem te analyseren.

Maar de getallen kunnen ook aanleiding geven om een

gesprek over het beleid te starten.

Een kengetal is een berekende verhouding tussen twee mogelijk

interessante grootheden. Men ziet in één oogopslag of de

eigen waarden hoger of lager zijn dan de gemiddelde score

binnen een onderwijssector. Voor het primair onderwijs geldt

dat ná het indienen van het jaarverslag 2006 voor het eerst

kengetallen primair onderwijs landelijk zullen worden gegenereerd

en teruggerapporteerd aan de instellingen. Let op: het

is gevaarlijk om puur uit de vergelijking van de kengetallen

conclusies te trekken. Ze krijgen pas écht waarde wanneer:

1. De uitkomsten niet komen uit een éénmalige meting,

maar over meer jaren worden berekend en de gebruiker

daardoor trends kan onderscheiden van incidenten.

2. De uitkomst kan worden afgezet tegen een voor de

organisatie haalbare norm.

3. Het aantal kengetallen beperkt blijft, omdat men anders

door de bomen het bos niet meer ziet.

Wordt aan bovenstaande voorwaarden voldaan dan winnen

conclusies aan waarde. Er ontstaat informatie die helpt bij

het bepalen van de juiste koers. De directie gaat als het ware

vanzelf aan de hand van de gevonden verhoudingen doelstellingen

bepalen en dat leidt dan tot stuurgetallen.

Stuurgetallen

Stuurgetallen bieden informatie waarmee gestuurd wordt.

Ze kunnen gebruikt worden bij het bewerkstelligen van veranderingen

en verbeteringen. Aan stuurgetallen is een norm of

streefwaarde verbonden. Daarmee zijn stuurgetallen altijd

verbonden met de visie en ambities van de school.

Anders gezegd: als de school niet helder is in haar doelen en

ambities dan heeft het werken met stuurgetallen geen zin.

Als je niet weet waar je naar toe wilt en daar geen tussenstappen

voor uitzet, bereik je het doel niet.

Beide voeten op de grond Ken- en stuurgetallen hebben

nut maar ze vertellen bijna nooit het hele verhaal. Een school

is een complexe bundeling van kennis, vaardigheden, krachten

en faciliterende middelen. Getallen kunnen wijzen op

doelmatigheid en doelgerichtheid. Het blijven wél deelwaar-


Voorbeeld Set kengetallen

Basisschool De Circusclown Per 1/12/2006

1. solvabiliteit 1 79,1%

2. solvabiliteit 2 81,1%

3. solvabiliteit 3 61,7%

4. liquiditeit 2,5

5. rentabiliteit -0,0001

6. resultaat/totaal vermogen 0,0%

7. weerstandsvermogen 46,2%

8. beleggingen/eigen vermogen 47%

9. eigen vermogen/baten 58,7%

10. algemene reserve/baten 16,5%

11. personele lasten/totale lasten 85%

12. materiële lasten/totale lasten 15%

13. afschrijvingslasten/totale lasten 2,9%

14. huisvestingslasten/totale lasten 5,8%

15. ov. instellingslasten/totale lasten 6%

16. totale lasten (personeel en materieel)/

aantal leerlingen € 3.431

17. materiële lasten/aantal leerlingen € 516

nemingen. Neem echter beslissingen op basis van meer

dan getallen alleen en hecht niet alleen aan de cijfers.

In het primair onderwijs bestaat er - behalve als het om

resultaten van de leerlingen gaat - een zekere afkeer tegen

het meten. Maar iedere zelfstandige organisatie wil zijn

geleverde prestatie en de gerealiseerde kwaliteit meten.

Tóch zal uit de cijfers kunnen blijken dat op uw school

bijvoorbeeld per leerkracht relatief veel minder leerlingen

zijn dan een vergelijkbare school 1 . Anders gezegd: uw

leerlingen kosten veel geld per leerkracht. U had al het

gevoel dat uw financiële resultaten niet best waren? Met

de combinatie van deze gegevens kunt u aan de slag gaan

om uw financieel resultaat te verbeteren. Of heeft u een

beter idee? Meten is broodnodig, maar moet echter meer

zijn dan het uitrekenen van een verhouding. Overeind blijft

staan dat getallen controleren nuttig is om te zien of de

plannen daadwerkelijk omgezet zijn in daden. Getallen geven

tevens aan of de organisatie langdurig perspectief heeft om

voort te blijven bestaan.

Definities kengetallen

Voorbeeld set kengetallen Bovenstaand een voorbeeld

van een set kengetallen zoals die door Dyade voor een klant

zijn samengesteld.

Kengetallen winnen aan waarde als ze vergeleken kunnen

worden met de getallen voor de hele sector of getallen van

vergelijkbare scholen. De kengetallen voor de hele sector zijn

nog niet bekend. Het Cfi heeft echter toegezegd de kengetallen

op basis van de jaarrekeningen 2006, snel (binnen enige

weken) nadat deze ingediend zijn te verspreiden.

Wij raden u aan om net als de klant uit bovenstaand voorbeeld

al vast na te gaan denken en te werken met kengetallen

om de nodige ervaring op te doen. Meer informatie over

kengetallen kunt u vinden in het artikel Ken uw kengetallen,

Dyademagazine nummer 7-8, juli-augustus 2005. Ook kunt

u contact op nemen met de afdeling Advies van uw eigen

Dyadevestiging.

Indien u meer wilt lezen over ken- en stuurgetallen bevelen wij

u de brochure ‘Laat de getallen spreken’, een uitgave van

Projectbureau Lumpsum PO en Q*Primair, aan. De brochure

is in december 2006 naar de scholen gestuurd.

1 Over kengetallen gesproken. U kunt op www.onderwijsincijfers.nl het nodige vinden. Hier kunt u bijvoorbeeld kijken naar het aantal leerkrachten van uw

school vergeleken met scholen met vergelijkbare leerlingaantallen. Er is geen ingewikkelde autorisatie voor nodig. Dit kan simpelweg met het aangeven

van uw brinnummer.

1.

2.

3.

4.

5.

6.

eigen vermogen (inclusief egalisatierekening)

totale vermogen

eigen vermogen (inclusief egalisatierekeningen en voorzieningen)

totale vermogen

(eigen vermogen -/- materiële vaste activa)

balanstotaal

vlottende activa

vlottende passiva (schulden)

resultaat gewone bedrijfsvoering

totale baten

eigen vermogen -/- materiële vaste activa

totale rijksbijdrage

Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007 23


Gemoedsbezwaard

Wat in Staphorst bekend is, is dat nog niet in Amsterdam. En

omgekeerd. Een verschijnsel dat veel Nederlanders nieuw in de

oren zal klinken is dat van de gemoedsbezwaarden.

Amsterdammer Wouter Bos heeft daar als staatssecretaris van

Financiën eens een heel betoog aan gewijd, maar dat is in

Staphorst beter geland dan bij zijn buren. De problematiek

bestaat al heel lang en komt vrijwel alleen in Nederland voor.

Het toont aan waarin een land rekening houdt met verschillen

in achtergronden van zijn bewoners.

Achtergrond “Een gemoedsbezwaarde vindt het afsluiten

van verzekeringen in strijd met Gods voorzienigheid.

De Heere bestuurt alle dingen en niets in het leven

gebeurt bij geval. Voor- en tegenspoed komt uit Gods

vaderlijke hand. Christenen mogen niet door het afsluiten

van verzekeringen proberen onder Gods besturing uit te

komen” (citaat uit het Reformatorisch Dagblad van 29

september 2005).

Op grond van deze opvatting over de voorzienigheid

bestaat er bij de aanhangers van deze gedachte ook verzet

tegen inenting en andere (voorbehoeds)middelen,

maar dat valt verder buiten het kader van dit artikel.

De groep waarin deze problematiek speelt wordt politiek

vertegenwoordigd door de SGP en vindt een kerkelijk huis

in de zogenoemde rechterzijde van de gereformeerde

gezindte (voor de specialisten op de kaart van kerkelijk

Nederland: Gereformeerde Gemeente in Nederland, Oud

Gereformeerde Gemeenten, een deel van de Hersteld

Hervormde Kerk en enkele kleinere, deels zelfstandige

groepen), maar de groep valt er zeker niet mee samen.

Tot voor kort waren er ongeveer 5.000 gemoedsbezwaarden.

Bij de invoering van de verplichte ziektekostenverzekering

is dat aantal opgelopen tot ongeveer

elfduizend, doordat ook kinderen en zelfstandigen onder

deze wet vallen. Het gaat dan om 0,07 procent van de

bevolking.

Verzekeren De gemiddelde Nederlander staat bekend

om zijn risicomijdend gedrag. Naar internationale maatstaven

is hij daarom oververzekerd. Maar tegelijk kent

Nederland een groep mensen die bezwaren heeft tegen

elke vorm van verzekeren. De groep die aan geen enkele

24 Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

door Hans Koster

‘De groep die aan geen enkele vrijwillige

verzekering deelneemt, kan ook ontheffing

krijgen van de zogenoemde verplichte

verzekeringen’.

vrijwillige verzekering deelneemt, kan ook ontheffing krijgen

van de zogenoemde verplichte verzekeringen.

Daarvoor moet men officieel erkend worden als

gemoedsbezwaarde. Die erkenning kan aangevraagd worden

bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De SVB

behandelt de aanvraag en kan de erkenning verstrekken.

Die geldt dan voor de AWBZ, de Zorgverzekeringswet,

AOW, ANW, ZW, WAO, WIA en de WW. Ook de AOW

geldt dus als verzekering, want er wordt maandelijks premie

betaalt of ingehouden en het is niet zeker dat het tot

uitbetaling komt.

Gemoedsbezwaarden betalen geen premie aan deze verzekeringen.

Ze zijn daarmee nog niet goedkoper uit, want

ze betalen een vervangende belasting die in grote lijnen

op hetzelfde bedrag neer komt. Die belasting wordt door

de overheid op een aparte rekening gestort. Voor de

AOW is dat de Spaarregeling gemoedsbezwaarden voor

de AOW. Uit deze spaarregeling krijgen de gemoedsbezwaarden

een vergoeding als ze 65 worden. Die vergoeding

is niet oneindig, maar beperkt tot het gespaarde

bedrag. Als dat op is, is er verder geen uitkering. In plaats

van premies voor de sociale verzekeringswetten betaalt de

gemoedsbezwaarde premievervangende loonbelasting. De

Belastingdienst stort die premievervangende loonbelasting

op een rekening van het College voor

Zorgverzekeraars (CVZ). De spaartegoeden van een gezin

worden op deze rekening samengevoegd.

Gemoedsbezwaarden kunnen voor vergoeding van hun

zorgkosten een beroep doen op die rekening, maar ook

hier alleen voor zover het spaartegoed voldoende is.

Gemoedsbezwaarden hebben geen recht op de zorgtoeslag

die via de Belastingdienst kan worden verstrekt aan

mensen met lagere inkomens. Deze toeslag geldt als tegemoetkoming

in de premie voor de zorgverzekeringen.

Gemoedsbezwaarden betalen geen premie, want ze hebben

geen verzekering.

Morele bezwaren Er is een verschil tussen gemoedsbezwaarden

en mensen met morele bezwaren tegen

bepaalde vormen van zorg, zoals abortus en euthanasie.

Mensen met morele bezwaren tegen deze vormen van verstrekkingen

kunnen een zogenoemde ‘prolife polis’ afsluiten

bij enkele verzekeraars. Dit valt niet onder de regeling

gemoedsbezwaarden.

Kinderbijslag Een aparte plaats in deze regelingen

wordt ingenomen door de kinderbijslag. Alle Nederlandse

ingezetenen hebben hier onder dezelfde voorwaarden

recht op, ook als er nooit iets voor betaald is. Een deel

van de gemoedsbezwaarden ziet ook hier een vorm van

verzekering in en weigert er gebruik van te maken. In dat

geval kunnen gemoedsbezwaarden in aanmerking komen

voor aftrek van uitgaven van levensonderhoud voor kinderen

die jonger zijn dan 27 jaar.

Pensioen Veel werknemers hebben een verplichte

pensioenregeling. Dit is feitelijk ook een verzekering, want


de premiebetaling staat vast, maar de uitkering niet. Erkende

gemoedsbezwaarden kunnen vrijgesteld worden van betaling

van pensioenpremies en betalen dan vervangende spaarbijdragen

voor hun pensioen. Die bijdragen worden gestort op een

speciale, rentedragende spaarrekening. Na het bereiken van

de pensioengerechtigde leeftijd wordt dit in één keer of in

termijnen uitgekeerd aan de pensioengerechtigde, afhankelijk

van de regeling van het pensioenfonds. Er is ook een regeling

om dit fiscaal vergelijkbaar te maken met het betalen van

pensioenpremies, maar dat gaat de kaders van dit artikel te

buiten.

Recht op AWBZ verstrekkingen Alle Nederlandse ingezetenen

hebben onder dezelfde voorwaarden recht op verstrekkingen

via de AWBZ. Dit recht bestaat ook als er nooit premie

voor is betaald of afgedragen. Gemoedsbezwaarden die dit

als verzekering zien en daarom weigeren in aanmerking te

komen voor een vergoeding van de AWBZ kunnen in aanmerking

komen voor aftrek van buitengewone lasten wegens ziektekosten.

Als een belastingplichtige voor zijn ziektekosten een

bijdrage van derden ontvangt (bijvoorbeeld van een kerkgenootschap

of een kloosterorde) kan er niet meer gesproken

worden van het drukken van ziektekosten op de belastingplichtige

en wordt er dus geen aftrek van buitengewone lasten

voor dat deel verleend (volgens een uitspraak van de Hoge

Raad).

Een Nederlands verschijnsel? Toenmalig staatssecretaris

Wouter Bos heeft onderzoek laten verrichten naar de fiscale

behandeling van mensen met gemoedsbezwaren tegen verzekeringen

in alle landen van de EU, de Verenigde Staten, Canada

en Australië. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat alleen in

de Verenigde Staten en Canada speciale regelingen zijn voor

mensen met gemoedsbezwaren. Deze regelgeving heeft met

name betrekking op sociale verzekeringen. In de Verenigde

Staten kunnen gemoedsbezwaarde werknemers en werkgevers

vrijstelling vragen voor het betalen van premies. Voorwaarde

hierbij is dat zij lid moeten zijn van een religieuze groepering

die aan een bepaalde kwalificatie voldoet. Dit geldt ook voor

zelfstandigen. Daarnaast zijn leden van een religieuze orde die

een eed van armoede hebben afgelegd automatisch vrijgesteld

van het betalen van sociale verzekeringspremies over loon ontvangen

voor werkzaamheden verricht voor de religieuze orde.

In enkele afzonderlijke staten van de Verenigde Staten zijn nog

aanvullende premievrijstellingen mogelijk voor mensen die lid

zijn van een bepaalde religieuze groepering. In Canada kunnen

mensen die lid zijn van een bepaalde religieuze orde ook worden

vrijgesteld van het betalen van sociale verzekeringspremies.

Voorwaarde hiervoor is dat zij een eed van armoede afleggen

en hun gehele inkomen afstaan aan de orde. In Nederland

wonen de gemoedsbezwaarden voornamelijk in de zogenoemde

‘biblebelt’; een gebied dat loopt van Zeeland, via Zuid-

Holland en de Betuwe naar de Veluwe, met uitlopers in

Rijssen, Staphorst en Urk. De gemeente Neder-Betuwe (o.a.

Opheusden en Kesteren) is recordhouder met 4,8% van de

inwoners; het bekendere Staphorst scoort 1,76%.

Tenslotte Het verschijnsel gemoedsbezwaarden, zoals het is

uitgewerkt is uniek in Nederland. Er is slechts een kleine groep

die er gebruik van maakt, maar er is groot draagvlak in politiek

en bestuur om deze kleine groep tegemoet te komen in hun

principiële bezwaren. Het past in een tolerant Nederland waarin

niet ieder alles hoeft te begrijpen om er toch ruimte voor te

geven.

Voor dit artikel is o.a. gebruik gemaakt van informatie van de

Sociale Verzekeringsbank, het ministerie van Financiën, het

ministerie van VWS, de Belastingdienst en van de website van

het reformatorisch dagblad (www.refdag.nl). Omdat de informatie

telkens aan veranderingen onderhevig is kunnen er geen

rechten aan worden ontleend.

Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007 25


Waar vindt u ons?

Dyade Amersfoort

a Amersfoort

Utrechtseweg 371 | Postbus 1402 | 3800 BK Amersfoort

tel. (033) 469 82 00 | fax (033) 461 28 49

Dyade Ede

e Ede

Horapark 3 | Postbus 8040 | 6710 AA Ede

tel. (0318) 67 51 11 | fax (0318) 62 23 63

Dyade Nieuwegein

c Centraal Bureau

Fakkelstede 2 | Postbus 611 | 3430 AP Nieuwegein

tel. (030) 630 56 00 | fax (030) 630 56 91

n

Nieuwegein

Fakkelstede 2 | Postbus 611 | 3430 AP Nieuwegein

tel. (030) 602 85 60 | fax (030) 602 85 91

Dyade heeft ten behoeve van al haar klanten mantelcontracten afgesloten. Omdat wij onderhandeld hebben

voor alle klanten van Dyade, hebben wij condities bedongen die u als klant afzonderlijk nooit kunt bedingen.

Als klant van Dyade kunt u van deze gunstige condities (gratis) profiteren.

Zie www.dyade.nl Diensten > Dyade Voordeelservice. Voor algemene informatie belt u met (030) 630 56 12.

De belangrijkste mantelcontracten

Dienst / product Partner van Dyade Uw voordeel Hoe u kunt deelnemen?

Bankarrangement

Elektronische beveiliging

IP Aanvullingsplan

Kopieermachines

Motorrijtuigenverzekering

Papier

print- en kopieerpapier

(Personeels)advertenties

het plaatsen van advertenties

in de media

Schoolmeubilair

Verbruiksmateriaal

pennen, potloden, stiften,

linialen etc.

Website

het maken van een eigen site

voor bestuur of school

Ziektekostenverzekering

> ING Bank/Postbank

> ABN-AMRO

Initial Varel Security

ABP/Loyalis

Rex-Rotary

Univé

Proost & Brandt

Meyson communicatieadviesbureau

Presikhaaf

Ahrend

Meyson communicatieadviesbureau

VPZ/VGZ

26 Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007

Dyade Noord-Holland

a Amsterdam

Slotermeerlaan 69 | Postbus 9052 | 1006 AB Amsterdam

tel. (020) 585 95 00 | fax (020) 585 95 55

a Aalsmeer

Zwarteweg 123 | Postbus 111 | 1430 AC Aalsmeer

tel. (0297) 38 82 88 | fax (0297) 38 82 99

Dyade Rotterdam-Middelburg

r Rotterdam

Scheepmakershaven 64 | Postbus 1080 | 3000 BB Rotterdam

tel. (088) 392 33 33 | fax (010) 414 72 27

m Middelburg

Dam 10 | 4331 GJ Middelburg

tel. (0118) 61 11 59 | fax (0118) 61 30 46

kijk op www.dyade.nl voor een routebeschrijving

> hoge rente op rekeningcourant

> beleggen onder de onderwijs

condities

> geen bankkosten

> beveiligingsoplossingen op maat

> 20% korting

> lage all-in afdrukprijs

> 10% korting

> goede kwaliteit papier tegen een

bodemprijs

> tot 35% korting op reguliere

advertentietarieven

> aantrekkelijke (leverings)condities

> geen verzendkosten bij een laag

bestelbedrag

> hoge kortingen (tot 38%)

> u kunt gebruik maken van een

pakket dat speciaal voor het

onderwijs gemaakt is

> lage premie

Aanmelden via de vestiging

Aanmelden via tel. (020) 651 61 14

Aanmelden via tel. (045) 579 61 11

Aanmelden via de vestiging

Aanmelden via de vestiging

Inschrijven via www.dyade.nl >

Diensten > Dyade Voordeelservice

Aanmelden via tel. (020) 585 95 13

of per mail advertenties@dyade.nl

Aanmelden via tel. (026) 368 56 85

Inschrijven via www.dyade.nl >

Diensten > Dyade Voordeelservice

Aanmelden via tel. (020) 585 95 13

of per mail advertenties@dyade.nl

Aanmelden via www.dyade.nl > Diensten

> Dyade Voordeelservice


02/03

februari

maart

Elke maand >

Elke maand >

Elke maand >

Elke week >

07/02

20/02

23/02

07/03

20/03

23/03

2007

KALENDER

Formulier maandopgave geweigerde vacatures toezenden aan Cfi als een vacature geweigerd wordt

door een eigen wachtgelder. Een kopie van het formulier aan de afdeling Dyade Personeel zenden.

Vervangingsmutaties tijdig indienen (binnen drie maanden). Wanneer de termijn wordt overschreden,

kunnen de kosten niet meer worden gedeclareerd bij het Vervangingsfonds.

Gewerkte invaldagen moeten liefst direct, maar uiterlijk vóór de 5 e van de volgende maand voor

verwerking worden aangeboden.

Toezenden personeelsmutaties aan de afdeling Dyade Personeel.

Wij verzoeken u personeelsmutaties gespreid - bijvoorbeeld wekelijks - aan te bieden via

www.dyade.nl > Dyade Extranet > Dyade Personeel > Web Personeelsmutaties. Ook als u nog op de

‘ouderwetse’ manier via formulieren aanlevert, is het van belang de mutaties niet tot vlak voor de

uiterste datum op te sparen.

Mutaties die uiterlijk voor 17.00 uur worden ingeleverd, worden verwerkt in het salaris van februari.

Laatste mogelijkheid blokkering salarisbetaling februari.

Het salaris over de maand februari wordt uitbetaald.

Mutaties die uiterlijk voor 17.00 uur worden ingeleverd, worden verwerkt in het salaris van februari.

Laatste mogelijkheid blokkering salarisbetaling maart.

Het salaris over de maand maart wordt uitbetaald.

Dyademagazine | nummer 2 | februari 2007 27

More magazines by this user
Similar magazines