No. 539 1 November 1937 H. DEKKING. ENKELE KRING- EN ...

webstore.iisg.nl

No. 539 1 November 1937 H. DEKKING. ENKELE KRING- EN ...

No. 539

Adres voor Redactie:

Flatgebouw Westzeedijk 128 b

Rotterdam (Telefoon 50538)

INHOUD. Enkele Kring- en Vakaangelegenheden. — Officieel.

— Bestuurs- en Algemeene Vergaderingen. — D. A. van Waal­

wijk f. — L. P. van den Broek. — Jubilea, Mutaties enz. •—

De persvrijheid en de F.I.J. — Rechtszaken en Pers. — Allerlei.

ENKELE KRING- EN

VAKAANGELEGENHEDEN.

(Inleidingsrede voor de jongste algemeene vergadering).

Nu ik de eerste maal een Kringvergadering leid, wil

men mij wel vergunnen enkele opmerkingen te maken,

die voor een deel hun aanleiding vinden in een half jaar

ervaring als Kringvoorzitter.

In de eerste plaats iets over het bestuur zelf. Ik heb

er reeds op gewezen dat het zoo noodzakelijk is dat

men, bij het bezetten van bestuursplaatsen in de, toekomst

er rekening meê houdt, dat collega's, die geschiktheid

en lust hebben óók voor de leidende plaatsen in

het bestuur, daarin moeten worden gekozen. Men mag

niet zonder meer bestuursplaatsen bezetten maar er nu

in het bijzonder bij bedenken, dat er na niet zoo langen

tijd, een nieuwe voorzitter noodig is, een nieuwe secretaris

(collega Polak Daniels heeft den Kring bijzonder

aan zich verplicht, door het opeens vacant gekomen

secretariaat op zich te nemen) later ook eens een penningmeester.

Er moet gelegenheid worden gegeven tot

opleiding voor de leidende functies, die niet geimproviceerd

kunnen worden.

De Kring kan, dunkt me, den collega's in het bestuur

niet dankbaar genoeg zijn voor den ijver, de toewijding

en de werkkracht, die zij jaren aaneen aan de leiding

van de Kringzaken gaven, maar het is toch niet wenschelijk,

dat die op den duur zoo aldoor in ongeveer

dezelfde handen moet blijven. Hans was 26 jaar in het

Kringbestuur, Polak 17 jaar, Schotting 21 jaar, Biemcnd

totaal 26 jaar, ik van 1901 termijnen en nu weer 12 jaar,

Kouwenaar zat 15 jaar in het bestuur, zij allen — ik

noem er maar een paar — hebben groote verdiensten

voor het Kringleven, maar we moeten nu aan de toekomst

denken en méér leden in het bestuur betrekken

met het oog op die toekomst. Mijn plan is met de besturen

de plaatselijke en gewestelijke vereenigingen deze

ernstige quaestie thans afdoende te behandelen.

In de tweede plaats ot>er het Kringverband. De toeneming

van het ledental blijft duren. Journalisten — dit

is een opmerking van den secretaris — verhuizen ge­

Int. Instituut

Soc. Geschiedenis

Amsterdam

Redacteur:

H. DEKKING.

1 November 1937

Adres voor Administratie

Vaillantlaan 523

Den Haag

weldig veel. Ons nieuw Jaarboekje is alweer op de

meeste bladzijden wat de adressen betreft, onjuist geworden.

Maar aan den Kring zijn zij trouwer dan aan

hun huizen en bij een goed deel der leden is de belangstelling

in het Kringwerk bemoedigend. De aandacht, die

zoo pas in alle plaatselijke en gewestelijke vereenigingen

aan de voorstellen tot wetsherziening — men moge over

die voorstellen denken zooals men wil — werd gegeven,

bewijst een sympathiek medeleven en een gevoel van

waardeering voor de toekomst van den Kring.

Sinds ik voorzitter ben bemerk ik, uit vele bezoeken

en tallooze brieven van hoeveel beteekenis onze Kring

is in het leven van veel meer journalisten dan ik ooit

had kunnen vermoeden en dat verheugt mij uiteraard

zeer.

Daarentegen is voor onze instituten van verzekering

de belangstelling onvoldoende. Onze pensioenverzekering,

zoo goedkoop en zoo veilig als men maar wenschen

kan, heeft te weinig deelnemers en er komen veel te

weinig jonge leden zich aanmelden, of zich met hun

directies verstaan, voor onze Pensioenverzekering. En

onze weduwepensioeneering, voordeeliger dan één

maatschappij ze kan aanbieden, wordt door nog veel en

veel te weinig leden gevraagd. Wendt u toch eens tot

den penningmeester, die graag bereid is u in te lichten

hoe ge, door den Kring, uw eigen toekomst en die uwer

weduwe kunt verzekeren.

Een enkel woord over onze poging tot arbeidsbemiddeling,

onze Arbeidsbeurs. Dit initiatief hangt niet zóó

in de luoht als blijkbaar enkele leden gelooven. Het is

nog wel niet veel, maar één journalist vond door haar

tusschenkomst reeds plaatsing en de leider van één onzer

groote dagbladconcerns vroeg mij dezer dagen voor twee

redacteursplaatsen hem gegadigden aan te wijzen. Ik

heb hem aanstonds de bij mij berustende sollicitatiestukken

toegezonden. En verder hoop ik met den heer

Henny van de Directeurenvereeniging aan directies en

hoofdredacties in een circulaire het adres en het doel

onzer bemiddeling nog eens uitdrukkelijk onder de

oogen te brengen.

Ten derde en ten slotte de algemeene toestand in ons

vak. Hans heeft daarover in de najaarsvergadering van

het vorig jaar in een magistrale rede tot u gesproken.

Er is sindsdien niet veel ten goede veranderd. Integendeel.

Over de telex zal geen verstandig journalist een

boos woord meer zeggen. Onze technische beroepsver-


114 DE JOURNALIST

vulling wordt er met enkele tientallen procenten door

vergemakkelijkt.

We erkennen ook de groote verdiensten van het voortreffelijk

ambitieus nieuwe algemeene persbureau, het

A.N.P., zonder er blind en doof voor te zijn dat het al

meer doordringend alles tot zich trekkend initiatief daarvan

voor ons aldoor bedenkelijker zou kunnen worden.

Ik heb er onlangs in de contactcommissie over gesproken

en ik hoop dat men 't zal 1 willen aanvaarden: dit

steeds meer concentreeren van verslaggeverswerk op één

man van het A.N.P. is voor de journalisten, maar óók

voor de bladen zelf, niet te aanvaarden.

Dat de Ned. Dagbladpers allerlei conferenties afwijst

die tenslotte niet anders zijn dan sluiksche methoden

om in het redactioneel gedeelte gratis advertenties te

krijgen is toe te juichen. De pogingen daartoe worden

trouwens al minder.

Doch zoodra men voor wel goede en wel algemeenbelangrijke

conferenties gaat zeggen (en telkens weer

neemt het publiek dit over): we zullen één man van het

A.N.P. sturen, doet men ons kwaad, doet men de bladen

zelf kwaad. Een ervaring van 45 jaren heeft mij geleerd

hoeveel goede en voor ons blad zelf nuttige connecties

we opdoen, door aan conferenties, waarin mannen,

ondernemingen, colleges van beteekenis leiding hebben,

deel te nemen.

Een voorbeeld:

Ik heb nog dezer dagen met enkele collega's een

quaestie met de Ned. Jaarbeurs behandeld waarvan ik

hoop dat een goede oplossing zal worden gevonden.

Niet alleen de voortreffelijke inleidingsrede van collega

Graadt van Roggen, telkenmale vóór de opening der

Beurs gehouden, die ons persoonlijk telkens veelzijdig

oriënteert in het commercieele en industrieele leven van

ons land, zooals die op de Beurs blijkt, de te weinig

onder de publieke aandacht gebrachte uitnemende tafelrede

van den heer Fentener van Vlissingen die er op

volgt, maar ook de gelegenheid, daar geboden, om met

allerlei sommiteiten op het gebied van handel, bedrijf,

bankwezen, spoorwegen e.t.q. in aanraking te komen

zal een verstandige leiding den vertegenwoordigers van

haar blad niet laten verzuim door óók aan één man van

het A.N.P. dit werk — prematuur uitgevoerd — over

te laten.

Directies en redacties komen toch voor het aanzien,

den naam, de publiciteitskracht van hun eigen blad

allereerst op.

Intusschen, alle dingen hebben hun keerzijde. Ik

gevoel volstrekt niet de behoefte om te probeeren als

treurspeldichter met het thema: Het dictatorschap van

het A.N-P. me voor te doen. Daarvoor heb ik te veel

vertrouwen in de vlijt en de toewijding van mijn collega's.

We moeten geen mopperende Don Quichots

worden. En dat zijn we ook niet.

Wie trouw kranten leest ziet er, naast het clichèwerk

van het Nieuwsbureau, nog zooveel frisch', belangrijks,

goeds en eigens in, merkt op dat althans het meerendeel

der dagbladen zoozeer een zelfstandig karakter bewaart

en er zoo naar streeft andere te overtreffen, dat we wel

mogen gelooven: „onze garde sterft niet en ze geeft zich

ook niet over." f Als de overal dreigende concurrentie

van het A.N.P. ons allen prikkelt om onzen speurzin

en onze activiteit hooger op te voeren in het belang van

ons eigen blad, dat ons vóór alles ter harte gaat, als we

dus aldoor toonen: „neen, terugtreden doen we niet, we

zullen u vóór zijn en 't beter doen dan gij het kunt, nu,

dan heeft óók het A.N.P. zijn sympathieken kant voor

ons beroep, wordt het zelfs een drijfkracht voor sterker

en stouter beroeps-ethiek.

Officiëele Mededeelingen.

LEDENLIJST.

Voorgedragen als gewoon lid:

B. S. Korsten, Haarl. Dbld., Bronsteeweg 51, Heemstede.

J. J. Zweeres, Haarl. Dbld., Merkmanstr. 5, Haarlem.

W. Alenson, Almelo's Dbld., Grootestraat 133,

Almelo.

L. J. Groeneveld, Ned. Chr. Persb., Daendelsstr. 57,

den Haag.

Aangenomen als gewoon lid:

R. Kroes, Agrar. Pers, Noordeinde 7, Meppel.

J. S. Zody, versch. bh, Beethovenstraat 154, Amsterdam

Z.

H. Algra, Friesch Dbld., Huizumerlaan 30, Huizum.

Aangenomen als buitengewoon lid:

F. K. A. Rombach, Phohi, Ruusbroecklaan 17, Eindhoven.

Joh. Hartog, versch. bl„ Dalweg 4, Baarn.

Gravin M. L. Chelkowska, versch. bl., Rittergut Borków

bij Kalisz (Polen).

Adresverandering:

Mej. Resa Roos, versch. bl., naar Laan van Meerdervoort

25a, den Haag.

J. A. Ages, K.L.M., naar Hooistraat 5a, den Haag.

M. Nitzowitsch, Avp.jNwsbr., naar Weimarstr. 58a,

den Haag.

H. Ch. Kool, Arb.pers, naar Uiterwaardenstr. 226hs.,

Amsterdam Z.

L. Althoff, Arb.pers, naar Jan Luykenstraat 43,

Amsterdam.

C. J. Wisse, Arb.pers, naar Grevelingenstraat 14hs.,

Amsterdam Z.

T. Douwes, A.N.P., naar Diezestraat 31, Amsterdam

Z.

Th. da Silva Rosa, Hand.bl., naar Nierstraat 19bov.,

Amsterdam.

H. W. Eldermans, Tel., naar Kuinderstraat 59, Amsterdam

Z.

O. H. B. Kniep, Dbl. v. Rott., naar Breitnerstr. 105 b.,

Rotterdam.

N. van der Veen, N. Prov. Gron. Ct., naar J. C. Kapteijnlaan

26a, Groningen.

Mr. A. S. Lissauer, A.N.P., naar Vondelstraat 194,

den Haag.

R. Dinger, N. R. Ct., naar Homeruslaan 33, Utrecht.

Sj. Broersma, Handelsblad, Smolna ui 19 m. 8, Warschau,

Polen.

BESTUURSVERGADERING.

Het Bestuur vergaderde op 23 October. Aanwezig

alle Bestuursleden en de gedelegeerden behalve die van

den Haag en Haarlem.

Candidaturen. — Eenige nieuwe leden worden toegelaten

(zie elders in dit nummer). Eén aanvrage wordt

aangehouden.

Ingekomen stukken. — Eenige ingekomen stukken

worden afgedaan.

Contactcommissie. — De Voorzitter brengt verslag

uit over besprekingen, in de contactcommissie gevoerd,

betreffende persuitnoodigingen in verband met de me-


dedeelingen der commissie voor deze uitnoodigingen en

het A.N.P.

Politie en Pers. — De Secretaris brengt verslag uit

over inlichtingen, te bevoegder plaatse ingenomen over

de onzekerheid, ontstaan door de circulaire van den

Minister van Justitie aan de politie-autoriteiten betreffende

mededeelingen over strafzaken. Deze inlichtingen

waren zóó bevredigend, dat van het aanvragen van een

audiëntie bij den Minister is afgezien.

Algemeene vergadering. — Het Bestuur heeft ten

slotte zijn houding vastgesteld naar aanleiding van de

ingenomen voorstellen van de plaatselijke en gewestelijke

vereenigingen i.z. de statuten- en reglementsherziening.

Het Bestuur heeft zijn volgende vergadering vastgesteld

op Zaterdag 27 November a.s.

DE STATUTEN EN REGLEMENTS­

HERZIENING.

Aan Plaatselijke en Gewestelijke vereenigingen

wordt verzocht zoo dra mogelijk den naam van de door

haar in de commissie voor de statuten- en reglementsherziening

aangewezen vertegenwoordiger aan den

voorzitter te willen mededeelen. Diens bedoeling is in

de tweede helft van November de commissie te Amsterdam,

in het gebouw van het Persmuseum samen te

roepen.

VERZOEK AAN ONZE LEDEN.

De ledenlijst van den Kring is opnieuw gedrukt en

aan de leden verzonden.

Het Bestuur verzoekt den leden dringend even de

nieuwe lijst in te zien en eventueele fouten in naam,

adres of functie te willen mededeelen aan het Kringsecretariaat,

Schiefbaanstraat 15, den Haag.

Van verhuizing wordt steeds opgave bij het secretariaat

verwacht. Een formulier voor adreswijziging

(V/i cent) kan daarvoor dienen.

ALGEMEENE VERGADERING

op Zaterdag 23 October

gehouden te Rotterdam, in Tivoli.

Presentielijst.

Aanwezig zijn de gewone leden Dekking, Lunshof, Kouwenaar,

Pohl, Borstlap, Van Vooren, Stork, mr. J. F. E. Belinfante, Schilperoort,

Rugaart, de Jongh, Stavenga, Hendriks, Beeremans, Biemond,

P. H. de Wit, mr. M. Rooy Jr., Polak Daniels, Crayé,

D. J. Wessel, Adema, Leeninga, Rempt, Zalsman, Van Erk,

Kingma Bokjes, Wanting, Rebel, mr. Kuyper, Schraver, Jhr. Witsen

Elias, Pattist, Van der Wielen, De Ridder, Westerbaan, Van den

Bergh, Cohen, Coucke, Gleichman, Menke, Nitzowitzch, De

Kwaadsteniet, Hugo Bos, Klomp, J. Werkman, Koopmans, B.

Hansen, Van Manen, Van Dam, D. Hoekstra, Berding, Van Eek,

C. Meyer, G. Werkman, Van der Laan, mr. Van Bolhuis, Wildenberg,

De Rot, Van Overbeek, J. A. Polak, Hans, Cnossen, Schotting,

Sarlet, Baarda, mr. J. C. de Wit, mr. dr. van Heuven Goedhart,

Ott, Kuil, Hoek, en drie heeren, wier namen onleesbaar zijn.

Voorts de buitengewone leden Lievegoed en Santcroos.

Herdenking.

De Voorzitter, de heer Henri Dekking, opent te ruim vier uur

de vergadering, en zegt, terwijl allen opstaan:

Den voorzitter van den Kring wordt geen enkele maal de droeve

plicht bespaard om bij den aanvang der vergaderingen vrienden

en makkers te herdenken, die wij moesten verliezen sinds onze

vorige samenkomst.

Ook mij, de eerste maal, dat ik Uwe bijeenkomst leid, is die

plicht opgelegd.

Vijf bekwame, trouwe, voorbeeldige confrères, zijn ons sinds

Maart ontvallen:

Jacob Hollander, L. Bochardt, Etty Leal,

R, C. Verweyck, Nico Klein.

Het tragische in dit heengaan treft niet zóó onverbiddelijk hard

bij het verscheiden van hen, wier levenswerk was verricht: Verweyck,

een man aan wien ook de Kring groote verplichtingen had

maar die zijn helaas te korten rusttijd was ingegaan; Bochardt, een

bescheiden collega, maar wiens trouwhartigheid en bekwaamheid

voor wie hem kenden stralende deugden waren, ook hij reeds in

DE JOURNALIST 115

het otium getreden; doch vooral een man in den bloei van zijn

jaren: Jacob Hollander de eerlijkheid, de humor, de arbeidsvreugd

zelf; Etty Leal een prachtig opgewekt en vreugd rond zich spreidend

makker en vooral ook Nico Klein, wiens plotseling verscheiden

met rouw een jong gezin sloeg, zelf een jong man, die in wat hij

reeds aan arbeid gaf zoovele gcede verwachtingen wekte.

Wij hebben er vijf verloren, aan wier graf wij met de woorden

van Claudius konden zeggen: „Ach, sie haben einen guten Mann

begraben" en waarbij dan velen dachten „Und mir war er mehr".

Collega's, wij weten het: den journalisten, evenmin als den

„Mensch" flicht die Nachwelt keine Kranze", ons werk gaat met

ons heengaan verloren en het onverbiddelijke leven doet zelfs de

frase: „wij zullen hen niet vergeten" op de lippen besterven.

Hoevelen hebben wij er reeds zien gaan, levenden kwamen in

hun plaats, namen hun werk op, wischten hun beeld weg.

Maar als zij onze vrienden zijn geweest, trouwe en goede eigen

collega's, ja dan gaan nog wel lang droevige herinneringen naar

hen uit.

Dat zal voor alle deze vijf het geval zijn. Gij die hen persoonlijk

zoo goed heeft gekend, met hen hebt gearbeid, laat hun heuchenis

niet te snel in u worden verdrongen.

En wij allen, journalisten, laat ons één ocgenblik van herdenken

thans geven aan de vijf collega's die wij uit onzen Kring, met

leedwezen en deelneming voor wie achter bleven, zagen heengaan.

Moge ik aan deze herdenking nog een eerbiedig woord toevoegen.

De volgende week — 29 October — zal het honderd jaar zijn

geleden dat Dr. Abraham Kuyper werd geboren. Men weet dat

deze verjaardag op zeer bijzondere wijze zal worden gevierd. In

onzen Kring zullen wij ons herinneren dat Dr. Abraham Kuyper

onze voorzitter is geweest en onze eerevoorzitter en bovendien

een tot nog toe ongeëvenaard journalist, die aan een dagblad en

aan een weekblad de groote beteekenis heeft geschonken van zijn

wijsheid, zijn talent en zijn overtuiging, jaren lang.

Nu de Ned. Journalistenkring enkele dagen voor den eeuwdag

bijeen is, wil hij landgenooten verzekeren dat voor hem Abraham

Kuyper een monumentale gestalte blijft, dien hij met eerbied en

dankbaarheid herdenkt.

De Voorzitter heet het eere-lid van den Kring, den heer D, Hans,

welkom, evenals den heer Lievegoed, chef van den Regeeringspersdienst.

Inleidend woord.

De Voorzitter spreekt vervolgens de rede uit, welke op een

andere plaats in dit nummer is afgedrukt.

Mededeelingen.

De Secretaris, de heer Polak Daniels, deelt mede, dat mejuffrouw

Belinfante en de heer Strengholt bericht hebben gezonden, de vergadering

niet te kunnen bijwonen.

De Justitie en de Pers.

De Voorzitter geeft het woord aan den heer Lievegoed, tot het

doen van een mededeeling.

De heer A. J, Lievegoed, chef van den Regeeringspersdienst, zegt:

Naar aanleiding van het artikel „Justitie, politie en

pers" in De Journalist van 1 October jl., bl. 101, zou ik

alvorens hieromtrent verdere mededeelingen te doen,

vooraf willen vaststellen, dat een circulaire of aanschrijving

inzake een verbod tot het verstrekken van mededeelingen

aan derden uit stukken van strafrechtelijk

onderzoek, van den tegenwoordigen minister van Justitie

niet is uitgegaan. De aangelegenheid, waarop in genoemd

artikel gedoeld werd, dateert namelijk niet van

enkele weken geleden, doch van vele maanden geleden.

Dit doet overigens tot de zaak zelve weinig af in verband

met hetgeen ik gemachtigd ben te verklaren, namelijk:

dat minister Geseling zijnerzijds geen beperking

wenscht te brengen in de wijze waarop de pers tot dusver

door de politie wordt ingelicht; dat de minister niet

gevoelt voor een centrale regeling van deze aangelegenheid;

dat de minister voorstaat een soepele regeling terzake

door de betrokken plaatselijke overheden.

Het wil mij dan ook voorkomen, dat elke aandrang

van de zijde van den Kring bij den Minister terzake

thans overbodig is geworden.

Ik wil hieraan nog toevoegen, dat de Regeeringspersdienst

steeds bereid zal worden bevonden om, wanneer

geruchten opduiken omtrent ministerieele beschikkingen,

welke de pers raken, hieromtrent inlichtingen in te winnen

en van zijn bevindingen mededeeling te doen.

De Voorzitter dankt den heer Lievegoed voor zijn mededeeling.

De heer Kouwenaar vraagt: Kunnen wij niet onze blijdschap

uitspreken over deze mededeeling? Donkere wolken heeft ze opeens

weggevaagd. Hij waardeert de inlichting namens den minister zeer.

De heer Rebel vraagt of de Minister zijn verklaring niet ter kennis

van de autoriteiten wil brengen. Want deze mededeeling zal


116

alle politie-autoriteiten wel niet bereiken. De eerste aanschrijving

is door sommigen gaarne aangegrepen om de berichtgeving in te

krimpen.

Hetzelfde heeft zich voorgedaan na het verzoek van de legerautoriteiten,

niet over te gaan tot publicatie van de z.g. proefmobilisatie.

Toen daarop te Arnhem zich een geval van spionnage

voordeed, zei de commandant van de marechaussee: u weet wel:

hierover niets in de pers! Ik wierp tegen, dat deze zaak niets met

de proef-mobilisatie te maken had, maar de commandant zei: u hebt

u te houden aan de afspraak, en zoo konden we niets in de courant

zetten. (Stemmen van protest).

De heer Van Bolhuis merkt op, dat dit geval buiten de afspraak

viel, zoodat de heer Rebel het wel had kunnen publiceeren.

De Voorzitter is overtuigd, dat het A.N.P. zooveel mogelijk

bekendheid zal geven aan de mededeeling.

DE JO URNALIST

De wetsherziening

De Voorzitter stelt thans aan de orde de „wetsherziening", de

voorstellen tot herziening van Statuten en Huishoudelijk Reglement.

Hij verzoekt de vergadering in de eerste plaats formeel vast te

stellen art. 65a H.R. (pag. 83 De Journalist) aangezien dit artikel

reeds in een vorige vergadering is vastgesteld.

De heer Beeremans (Haarlemsche Journalistenkring) stelt voor in

sub 2 van dat artikel in te voegen tusschen de woorden „door" en

„ten minste", de woorden „de aangesloten vereenigingen of".

De heer Van Bolhuis (Haagsche Journalisten-Vereeniging) herinnert

aan het amendement van zijn organisatie (pag. 103 De Journalist)

strekkende dat in geval gestelde candidaten zich terug trekken

al. 2 van art. 65a van toepassing zou zijn.

De heer Kouwenaar (Amsterdamsche Pers) wijst op het amendement

van de A.P. (pag. 106 De Journalist) op sub 2 en 3 van

De Voorzitter neemt thans zijn voorstel, om dit artikel aanstonds

vast te stellen, terug. De daarin bedoelde regeling blijft, zonder

bezwaar van deze vergadering, voorshands gelden.

Hij brengt thans allereerst in behandeling het voorstel, de herzienningsplannen

te stellen in handen van een commissie. Want als

de vergadering daartoe besluit, kunnen de beraadslagingen zeer

worden bekort.

De heer Kouwenaar beveelt het voorstel van de Amsterdamsche

Pers aan: een commissie van veelzijdige samenstelling, die binnen

zes maanden een rapport moet uitbrengen. Het zou verkeerd zijn,

nu al lijnen uit te stippelen, waaraan de commissie zich houden

moet.

De her-vorming van den Kring tot een bond met afdeelingen

blijkt een zeer levend idee te zijn. Gelijk de graankorrels uit de

Indische koningsgraven: zoodra die in de aarde gelegd worden,

vertoonen ze weer kiemkracht.

Zoowel de Oostelijke Pers als Friesland vereenigen zich met

het voorstel der A.P. Oók naar de formuleering. Misschien is het

goed te zeggen, dat de A.P. niets anders bedoelt, met het voorstel,

dan wat er in staat. Wij willen de hééle kwestie aanhangig maken

bij die commissie. Daardoor is een rustige, gezette behandeling

verzekerd.

De heer Klomp moet zich met kracht tegen het voorstel van de

A.P. verzetten,. Het voorstel-Klomp c.s. is al een jaar geleden ingediend.

Spr. 'heeft den indruk dat het bestuur er geen raad mee

weet. Bovendien is er hier strijd met de convocatie voor deze algemeene

vergadering. Kouwenaar moet nu ook niet zoo gewichtig

doen over dat voorstel van Amsterdam: er waren maar tien menschen

op de vergadering.

Zijn wij nu hiervoor heelemaal naar Rotterdam gekomen?

Over de persvrijheid is nog nooit een uitspraak geweest van den

Kring. Daarom wil men in Alkmaar, dat de N.J.K. nu eindelijk

eens met een uitspraak komen. Als de heele zaak der Statuten enz.

commissariaal wordt, laat men zich dan in ieder geval uitspreken

over art. 1.

De Voorzitter: Thans is alléén de motie van de A.P. aan de

orde. En niet de persvrijheid. Alle plaatselijke en gewestelijke vereenigingen

zijn vóór een commissie.

De heer Berding deelt mee, dat de Oostelijke Pers zeer waardeert,

dat haar voorstel op de agenda is gekomen. Hij heeft echter

den indruk gekregen, dat de voorbereiding niet voldoende is geweest

en gaat daarom accoord met de motie van de A.P.

De heer Beeremans komt op tegen de opmerking van de H.J.V.

(in De Journalist); eenige jaren geleden is er een beslissing genomen

over den bond met afdeelingen, nu moet men dit niet weer

naar voren brengen. Waarom niet? Er is toch een voortschrijdende

meening en overtuiging in den Kring.


De heer Santcroos: Er is toch in 40 jaar wel iets veranderd.

De heer Cnossen: Zeker, doch waarschijnlijk méér, dat aanleiding

moet zijn, om de statuten niet te wijzigen, dan om ze wel te herzien.

Het parlement leert, dat het verkeer met anderen een verzachtende,

opvoedende waarde heeft. De overtuiging inzake de persvrijheid

van ons allen, persoonlijk en organisatorisch, staat zoo

sterk, dat ze niet in verdrukking komt door de toelating van eenige

menschen, die anders denken.

De statuten moeten in dezen zin géén bepaling bevatten.

De heer L. Ph. Stork stelt mede namens de leden Hansen, Klomp,

Koopmans en G. Werkman een motie voor:

De ledenvergadering enz.

toejuichend, dat het bestuur aan de F.I.J. heeft medegedeeld

prijs te stellen op de persvrijheidbepaling in de internationale

statuten;

in aanmerking nemende, dat deze kwestie in de commissie

tot herziening der statuten aan de orde komt;

spreekt nogmaals als haar meening uit, dat het behoud van

de persvrijheid moet worden beschouwd als een kostelijk

goed voor land en volk.

De Voorzitter heeft bezwaar de motie aan de orde te stellen.

De heer Van Overbeek heeft met schrik den loop der debatten

gevolgd. Het debat is niet voorbereid. De persoonlijke gevoelens

hier geuit geven niet de stemming in den Kring weer.

De heer Van Bolhuis is van oordeel, dat de heer Cnossen de

zaak waarom het gaat, te klein ziet. Het is niet de kwestie enkele

menschen te weren, die tweeslachtig of dubbelhartig zijn, maar om

een geestelijk element op den voorgrond te stellen, dat tot een aanfluiting

wordt gemaakt.

De dampkring, oeconomisch beschouwd, heeft geen waarde. Toch

heeft niets zooveel waarde als de dampkring.

Zoo is het ook met de persvrijheid.

De heer Leeninga maakt een opmerking over de organisatie van

den Kring. De gang van zaken heeft nooit aanleiding gegeven tot

ergernis of tot ontevredenheid: Dat is een compliment, voor de

menschen, die de zaken geleid hebben. Maar dit beteekent niet, dat

de zaak daarmee principieel in orde is.

Als niet anders kan blijken, hoe de leden over de Kringzaken

denken, dan door een bond met afdeelingen, dan moet die bond

met afdeelingen er komen.

De persvrijheid hebben we natuurlijk allen lief..

Gegeven het feit, dat alle leden daarover niet kunnen spreken,

wat is er tegen, dat wij bij referendum uitmaken, of de persvrijheid

in de statuten zal worden opgenomen of niet?

De heer Santcroos vraagt de commissie ook aandacht te schenken

aan de vraag, of het niet wenschelijk is, te breken met het buitengewoon

lidmaatschap. Heeft dat instituut nog wel waarde voor den

Kring?

De heer Rugaard vindt het verdrietig, dat deze vergadering nu

geen resultaat heeft.

Een voorstel-Van Overbeek tot sluiting van het debat over te

gaan, wordt zonder stemming aangenomen.

De Commissie.

De vergadering besluit, dat de commissie bestaan zal uit den

Voorzitter, plus één vertegenwoordiger van alle plaatselijke en gewestelijke

vereenigingen plus den heer Klomp.

De rondvraag.

De heer Werkman vraagt, waarom er geen uitstapjes meer worden

georganiseerd.

De Voorzitter houdt zich aanbevolen voor een goed idee

De heer J. C. de Wit is getroffen door den tegenstand van de

A.P. om te vergaderen in Utrecht of Zwolle.

De Voorzitter: Het bestuur heeft zijn goeden wil getoond. Maar

inderdaad zijn steeds de vergaderingen buiten de drie groote steden

mislukt. Vanmiddag zijn hier nu 74 leden geweest.

Notulen.

De notulen van de vorige vergadering, opgenomen in De Jour*

nalist, worden goedgekeurd.

Sluiting.

Tegen zes uur sluit de Voorzitter de vergadering.

D. A. VAN WAALWIJK, f

Te Leiden is op 84-jarigen leeftijd overleden de heer

D. A. van Waalwijk, oud-directeur van het Nieuwsblad

voor Nederland.

De heer van Waalwijk, die te Amsterdam werd geboren,

is zijn loopbaan als telegrafist begonnen. Hij

voelde zich echter aangetrokken tot de journalistiek. Als

redacteur-directeur kwam hij aan het Rotterdamsch

D E J OURNALIST 117

Nieuwsblad. Later ging hij naar de hoofdstad, waar hij

het Nieuwsblad voor Nederland stichtte, welk blad een

tijd van grooten bloei heeft gekend. In 1914 trad hij af

als directeur en werd het Nieuwsblad voor Nederland

overgenomen door het dagblad De Telegraaf.

De heer Van Waalwijk was één der oprichters van

den Kring. Hij teekende den oproepingsbrief voor de

statueerende vergadering op 17 October 1883 te Amsterdam

en hij stelde daar de eerste van de vele moties

voor die onder ons zijn behandeld.

In het eerste bestuur, onder presidium van A. G. C.

van Duyl werd hij opgenomen (Derkinderen was toen

secretaris), maar al aanstonds werd hij secretaris en

met groote toewijding en werkkracht heeft hij in de

eerste moeilijke jaren meê leiding gegeven en het voortbestaan

van den Kring krachtig verdedigd.

In het bestuur had hij zitting van 1884—1892 en van

1895—1897. Daarna heeft hij zich uit het Kringverband

langzaam teruggetrokken. Toch was hij nog in 1898

secretaris van de commissie van ontvangst der buitenlandsche

journalisten bij de kroning van H. M. de

Koningin.

Naar Kouwenaar in de N.R.Ct. herinnert was Van

Waalwijk stichter van het Ned. Persmuseum in zijn

eersten vorm. Hij kocht daartoe de collectie van den heer

Beijers, directeur van het Nieuws van den Dag, en de

verzameling-Hartkamp aan, en benoemde laatstgenoemde

tot conservator daarvan. Het Museum werd gevestigd

in het gebouw Concordia op den N.Z. Voorburgwal,

den zetel van het Nieuwsblad voor Nederland, waar een

geheele zaal ervoor werd ingericht. Later, toen het

Nieuwsblad voor Nederland door de Telegraaf gekocht

was, heeft de Holdert de geheele verzameling ten geschenke

gegeven aan de stichting Het Nederlandsch

Pers-Museum, die zich uit verschillende journalistieke

en andere vereenigingen (o.a. de Vereeniging tot bevordering

van de belangen des boekhandels, die een

eigen collectie kranten bevat) gevormd had, om het

Museum voor ondergang te behoeden, in stand en up

to date te houden. Dat is, naar men weet ,tot heden

gelukt.

Kouwenaar heeft bij de begrafenis van Van Waalwijk

het Kringbestuur vertegenwoordigd en daar een kort

herdenkingswoord gesproken.


118 D E J O URNA L 1ST

UIT HET VADERLANDSCHE

JOURNALISTIEKE LEVEN.

L. P. VAN DEN BROEK.

Als dit nummer van De Journalist het licht ziet, zal

onze collega en ons mede „Kring"-lid L. P. van den

Broek op zijn lauweren gaan rusten, want met ingang

van 1 November 1937 is hij als „medemaker van de dagelijksche

krant" op pensioen gesteld. Wel niemand van

zijn collega's en mede-,,Kring"-leden, die hem kennen,

zullen het Van den Broek misgunnen, vooral niet als

men weet, dat hij een staat van dienst van meer dan

40 jaar tot zijn credit heeft. Na 30 jaar aan De Telegraaf

en De Courant, Het Nieuws van den Dag verbonden te

zijn geweest, heeft de directie van deze bladen gemeend,

dat voor hem de tijd gekomen was voor een rustiger

leven en hem, onder toekenning van pensioen, ontheven

van zijn dagelijkschen arbeid. Van den Broek heeft zich

hierbij van ganscher harte neergelegd, ook al omdat zijn

gezondheidstoestand af en toe te wenschen laat.

Met Van den Broek heeft een collega ons gelid verlaten,

zooals wij er zelden een hebben ontmoet. Een goed

geharnast journalist, die in vele takken van het krantenbedrijf

met groote toewijding en kennis van zaken werkzaam

was, — maar bovenal een goed mensch, met een

gevoelig hart voor zijn medemenschen en... (dit zouden

we niet gaarne vergeten te vermelden) zijn vrienden de

dieren en dan weer in de eerste plaats voor de noodlijdenden

onder deze creaturen der schepping. Een man,

met een hoog rechtsgevoel. Een collega, bij ieder gezien

en door ieder geacht, die nooit kwetst en met ieder op

goeden voet leeft. Iemand, die, zoover ons bekend, geen

vijanden heeft, maar alleen vrienden.

Wij gelooven, dat wij hem hiermede, zonder overdreven

loftuiting, geteekend hebben, zooals hij is en

ieder, die met hem in aanraking komt, hem kent.

Voor ons, leden van De Telegraaf en CourantjN. v.

d. D.-redactie is het niet prettig te weten, dat wij dezen

collega voortaan niet meer dagelijks in onze bureaux

zullen ontmoeten. Maar daartegenover staat een troost,

n.1. dat wij ervan overtuigd zijn, dat hij ons niet zal

vergeten en zijn vriendschap ook gedurende zijn ambteloos

leven zal blijven schenken.

Van den Broek, namens alle collegades en collega s

wenschen wij je na het afscheid van de krant nog vele

gelukkige jaren toe.

* *

*

Hier volge in 't kort zijn journalistieke loopbaan.

Na het eindexamen van de 5-j. H.B.S. te Haarlem,

trad hij al spoedig in dienst van een provinciaal blad

te Edam en later bij Haarlems Dagblad. Voor de Hollandsche

Revue (onder leiding van Frans Netscher)

verzorgde hij een aantal jaren lang de zoozeer bekende

overzichten der tijdschriften. Hij verhuisde naar Amsterdam,

om als redacteur verslaggever van de Echo

op te treden en toen het dit blad niet meer naar den

vleeze ging, wist hij zich een positie te veroveren bij

Telegraaf. Dat was in 1907. Hij is dit blad dertig jaar

trouw gebleven en was in de laatste zeventien jaar

belast met de redactie van de volkseditie De Courantj

Het N. v. d. D. Het grootste gedeelte van zijn journalistieke

loopbaan heeft hij bureau-dienst verricht, zoodat

hij dus tot de stille werkers behoorde.

Amsterdam. "- A -

JUBILEA.

Op 21 October was de heer F. J. Koster redactiechef

aan de Utrechtsche Courant, 25 jaar in de journalistiek.

Deze jaren is hij, met een korte onderbreking, steeds aan

genoemd blad werkzaam geweest.

De Ned. Journalistenkring heeft hem telegrafisch op

zijn feestdag geluk gewenscht.

Het Dordrechtsche Nieuwsblad bestond op 22 dezer

50 jaar. Ook aan dit jubileum heeft de Kring aandacht

geschonken door een felicitatietelegram. Het blad zond

den Kring een fraaie massieve aschbak als gelegenheidsgeschenk

uit de glasfabriek Leerdam. In de bestuurskamer

van het Persmuseum heeft deze een plaats gekregen.

Max van Poll.

Op 3 November zal de heer Max van Poll, een der

voormannen in de Katholieke Perswereld, veertig jaar

journalist zijn. In het huldecomité dat zich voor de viering

van dit jubilé heeft gevormd, namen de voorzitter

en de secretaris van den Kring, en Mr. van Bolhuis,

voorzitter van de H.J.V. zitting.

Mutaties in onze Dagbladwereld.

In ons vorig nummer werden eenige mededeelingen

gedaan over combinatie van eenige bladen in Almelo en

een redacteursbenoeming aldaar, die, naar nader blijkt,

verbetering behoeven. De feiten zijn als volgt: Naast

het bijna 56 jaar bestaande vier maal per week verschijnende

Nieuwsblad van het Oosten, voorheen Twentsch

Zondagsblad, werd medio September het Dagblad van

het Oosten opgericht. Met laatstgenoemd blad werd per

1 October 1,1. Almelo's Dagblad samengevoegd, met

welks uitgevers een zekeren vorm van samenwerking

werd gevonden.

De heer H. Klaassen, hoofdredacteur van het Nieuwsblad

van het Oosten, is tevens hoofdredacteur van het

Dagblad van het Oosten, Almelo's Dagblad, Eerste redacteur

is de heer N. H. Lindeman. De heer H. Alenson,

voorheen redacteur van de Provinciale Overijselsche en

Zwolsche Courant, is in gelijke functie benoemd aan

de bovengenoemde Almelosche bladen, welke worden

uitgegeven door Hilarius' Courantenbedrij f N.V. i.o.

Verdwijnende kranten.

De beide door de N.V. Gooi en Sticht, Hilversum,

geëxploiteerde r.k. nieuwsbladen, de Gooische Post en

het Nieuwsblad van Bussum, houden met 1 November

op te bestaan. De abonnementenlijst der beide kranten

is overgenomen door V.K.P. voor haar blad De

Nieuwe Dag.

Onze collega J. A. Veldman, uit Delft, is benoemd tot

adjunct-directeur van de Opregte Steenwijker Courant

(Drukkerij G. Hovens Gréve) te Steenwijk.

Tot correspondent te Parijs van De Locale Pers is

benoemd de heer Th. Oegema. te Neuilly sur Seine,

vroeger te Leeuwarden.

OVER JOURNALISTIEKE WERKZAAMHEID.

Meermalen is er in „De Journalist" van den laatsten

tijd in oppositioneelen geest over den telex geschreven.

Ik heb de beoordeelingen niet altijd billijk en juist geacht.

Het A.N.P. is de opvolging van het persbureau

Vaz Dias en in dit verband is de telex niet anders dan

een belangrijk verbeterde overbrenging van het dagelijksche

nieuws. Zou de telex niet bestaan, dan ontvingen

de aangesloten dagbladen immers hetzelfde nieuws

op een slechtere en voor hanteering door de redacties

minder comfortabele wijze. Gelukkig brengt nu de telex

ons den nieuwsstroom op klare en duidelijke wijze over.

Ik geloof dan ook, dat in den grond de geopperde

bezwaren meer zijn voortgesproten uit de bij journalisten

zeer begrijpelijke en te waardeeren vrees voor toenemende

uniformiteit van den inhoud onzer couranten.

Een vrees, welke ook weer onderstreept wordt door

mooie en nuttige activiteit van het A.N.P. onder leiding

van den journalist Van de Pol. Neemt men nu bij

voortduring vele dagbladen van eenzelfden verschijningsdag

ter hand, dan kan daaruit toch wel gelukkig

geconstateerd worden, dat van uniformiteit geen sprake

is. Hét ligt ook in den aard van het beestje. Elk dagblad


is een scherp individueel lichaam en een onderneming,

met een scherp individueel karakter. Aan elke courant

is gelukkig steeds zooveel eigens, dat men zich voor bewering

van uniformiteit heeft te hoeden. Immers wordt

door het vooropzetten van zulk een oordeel het belang

van het dagbladbedrijf in het algemeen, en van de journalisten

in het bijzonder, niet gediend.

En hebben de collega's-journalisten het niet zélf zeer

sterk in de hand, om het aparte en het eigen karakter

van het dagblad, waaraan zij verbonden zijn, te bevorderen?

In de eerste plaats toch behoort de bewerking

van het A.N.P.-nieuws tot de mogelijkheden, voor zoover

de tijd het toelaat. Voorts heeft elk dagblad naast

het A.N.P. nog vele bijzondere medewerkers op het

breede terrein van voorlichting en berichtgeving. Maar

waarop ik hier voornamelijk bedoel te wijzen, is het geheel

apart locale en streek-nieuws, dat alle redacties

zelve in de hand hebben. Mag ik dus, na zoovele jaren

van rijke ervaring, vooral den jongeren journalisten een

ding op het hart binden: cultiveer het stads- en het

streek-nieuws zooveel mogelijk! Het maakt Uw courant

gansch verscheiden van andere dagbladen en het is stellig

een barrière tegen gevreesde en schadelijke uniformiteit.

Op het gebied van verslaggeverij en vooral van

reportage is men nooit uitgeput. Voor den nijveren journalist,

die zich goed in de zaken inwerkt en op de hoogte

van actueele en komende gebeurtenissen blijft, valt er

nieuws te peuren in overvloed. Het behoort tot het mooiste

werk en een groote reeks van jaren heb ik in 's Rijks

hoofdstad met dit bijzondere bijltje gehakt. Denkt er eens

over na, hoe geheel anders de inhoud van Uw courant er

door wordt dan die van anderen. En zoekt hierin Uw

kracht! De mooie, zuivere en actueele journalistiek gaat

nooit verloren en kan door correspondentiebureaux noch

geschaad, noch omlaag gebracht worden.

Voor de algemeene berichtgeving het A.N.P. met zijn

technische prachtige overbrenging per telex! Zet Uw

volle en rijke eigen werk daarnaast!

Nijmegen, 26-10-'37. D. MANASSEN.

De gratis Pers.

De raad van den heer Leo W. Blok aan „de vakmenschen"

om voor de gratis advertentie-blaadjes ten

aanzien van hun honorarium water in hun wijn te doen

en aldus een extra „zakduitje" aan de „uitgevertjes" er

van te verdienen, lijkt mij buitengemeen verstandig.

Die gratis-advertentieblaadjes toch beconcurreeren

met hun advertentie-tarieven van 2 en 3 cent per regel

de plaatselijke en gewestelijke bladen en trachten zich

van de advertenties der plaatselijke winkeliers meester

te maken. En soms lukt dat ook.

Hoe gezelliger die blaadjes dus worden, hoe meer zij,

dank zij de welwillende medewerking van inzichtvolle

„vakmenschen" door hun niets betalende lezers op prijs

gesteld worden, des te meer zullen de plaatselijke en gewestelijke

bladen, die er wèl een redactie en nieuwsdiensten

op na moeten houden, op die redactie moeten

beknibbelen en overgaan tot de goedkoope confectiecopie.

De wegbezuinigde vakmenschen kunnen dan probeeren

rijk te worden van hun zakduitjes bij hun uitqevertjes.

y W. F. N. VAN SCHAIK.

VORDERINGEN VAN JOURNALISTEN.

Naar aanleiding van het stukje van den heer Van

Zijst in ons vorig nummer wordt er ons van directeurszijde

op gewezen dat de daarin behandelde klacht, zoo

algemeen genomen, door de leiders der dagblad- en tijdschriftbedrijven

niet kan worden aanvaard.

Onze zegsman is van meening, dat, wanneer een journalist,

lid van den Ned. Journalistenkring, een vordering

heeft op een blad en dit blad die vordering niet betwist

doch ook niet uitbetaalt, het de eenige juiste weg is, dat

deze journalist zich wendt tot het bestuur van den Kring,

DE JOU RNALI S T 119

hetwelk zich dan op zijn beurt tot het bestuur van de

N.D.P. kan wenden. Zulks lijkt hem ook meer in het

directe belang van den journalist dan de publicatie van

een stukje in De Journalist, waarin maar raak gegeneraliseer

wordt. Ik behoef, aldus onze geachte opponent,

zeker niet te zeggen, dat het o, zoo gevaarlijk is allerlei

verhalen dadelijk aan te nemen zonder meer. Ik bedoel

hiermede, dat wanneer dergelijke klachten als bovenbedoelde

ons zouden bereiken, het mij heelemaal niet

verwonderen zou, wanneer er, na nader onderzoek, verschillende

als ongegrond terzijde zouden worden gelegd.

De heer van Zijst werpt met zijn artikeltje een blaam op

de Directies der dagbladen en dat gaat m.i. niet aan,

wanneer niet feiten genoemd en onderzocht zijn. Of een

Directie van een blad weinig of volgens iemands inzicht

te weinig betaalt, is m.i. een kwestie tusschen de Directies

van dagbladen en den medewerker. Vindt de medewerker

het hem voorgestelde honorarium te weinig,

welnu dan moet hij zijn medewerking weigeren. Ik ben

het, wat betreft de honoreering van medewerkers niet

steeds geheel eens met hen, die dit volkomen zakelijk

behandelen, doch hoe het ook zij, dit vind ik een

kwestie apart. Ik heb mij slechts geërgerd aan de blaam,

die bedoelde journalist op de dagbladdirecties meende

te mogen werpen.

Iets Nieuws ?

In het Octobernummer van De Journalist vind ik het

denkbeeld van een journalistieke „arbeidsbeurs" besproken

en wel als „iets nieuws". Mag ik de oudere leden

van den Kring er even aan herinneren, dat zoo'n instelling

in onze vereeniging al tweemaal heeft bestaan. In

No. 4 (Nov. 1896) der „Maandelijksche Mededeelingen

van het Bestuur van den Nederlandschen Journalistenkring"

(zoo heette het Kringorgaan destijds) kan men

het eerste nummer van een „Plaatsingsregister" aantreffen,

geheel in overeenstemming met het thans weer geopperde

denkbeeld, welk nieuwtje was te danken aan

het initiatief van den Kringsecretaris D. A. van Waalwijk.

Verder dan tot die ééne publicatie heeft deze

„arbeidsbeurs" het niet gebracht. Er was te weinig belangstelling

voor.

Toen, zes jaar later, ondergeteekende secretaris van

den Kring was geworden, heeft hij het denkbeeld van

Van Waalwijk nogmaals in proef genomen en in No.

35 (Dec. 1902) der „Mededeelingen van den Nederlandschen

Journalistenkring" werd de rubriek „Vraag

en Aanbod" geopend. Ditmaal liep het beter: gedurende

de volgende iy2 jaar vindt men een, soms vrij omvangrijke,

lijst van aanbiedingen (zeer zelden ook eens

een vraag) in de „Mededeelingen", maar ten slotte is

ook deze proef weer doodgeloopen en onder mijn opvolger

Meyroos is ze, na Juli 1905, gestaakt. Moge de

derde proef nu definitief succes hebben.

C. K. ELOUT.

Natuurlijk heeft Elout gelijk; zijn opmerkingen zijn

voor ons niet nieuw. We herinneren ons de lijsten

van „Vraag en Aanbod" in de „Mededeelingen" nog

zeer wel.

Maar als zóó lang geleden iets werd beproefd en is

mislukt, mag dan een, trouwens op andere schaal opgezette

poging die nu wordt herhaald, niet iets nieuws

worden genoemd? In de September-Journa/isÉ vindt men

vermeld: „Nieuw is het plan niet, er is voorheen ook al

gepoogd in De Journalist een geregelde vacaturelijst aan

te leggen, maar wellicht zijn de tijdsomstandigheden

thans iets gunstiger dan voorheen."

Overigens leze men wat in het openingswoord van

onze jongste vergadering hieromtrent werd gezegd.

DE PERSVRIJHEID EN DE F. I. J.

Naar men zich herinneren zal, werd op de vergadering

van het uitvoerend comité der F.IJ. te Parijs in

Juni jl. een motie aangenomen, waarin, op grond eener

ingestelde enquête, werd geconstateerd, dat de pers-


120 D E JOURNALIST

vrijheid het ideaal der journalisten blijft en dat er geen

aanleiding bestaat, om de statuten der Federation of

den geest, waarin ze tot nu toe zijn toegepast, te wijzigen.

Maar tevens, dat niets in deze statuten zich verzet

tegen samenwerking op het terrein der beroepswerkzaamheden

met niet bij de F.I.J. aangesloten vereenigingen,

als de gelegenheid zich voordoet.

Deze motie, compromis na een lang en heftig debat,

is voor onze Fransche zustervereeniging, het Syndicat

National des Journalistes, aanleiding geweest, om in een

resolutie, aangenomen door haar Conseil d'Administration,

te verklaren, dat de persvrijheid de bestaansvoorwaarde

voor de journalistiek is en de moreele grondslag

van de F.I.J. Door het besluit van Juni jl. is volgens

het „Syndicat", op de formuleering in de statuten inbreuk

gemaakt. De persvrijheid wordt immers niet imperatief

voorgeschreven, als in 1926, maar is nog slechts een

ideaal. Bovendien werd het als verzoenend amendement

bedoeld voorstel, waarin de omschrijving uit de statuten:

„de bescherming der persvrijheid en der vrijheid van den

journalist" was opgenomen, uit de voorgestelde motie

geschrapt, in strijd met den geest der F.I.J. en onder

afwijzing van de aangeboden verzoening.

De Fransche vereeniging teekent tegen deze nieuwe

tendenzen, welke zij noodlottig acht voor het internationale

journalistieke geweten, protest aan en hoopt, dat

de F.I.J. eerlang tot de beginselen, waarop haar aanzien

en waardigheid berusten, zal terugkeeren. Het „Syndicat",

dat er een eer in stelt, om aan de onafwijsbaar

geachte wederinvoering der persvrijheid in de geheele

wereld mede te werken, blijft verknocht aan de F.I.J.,

die door de Fransche organisatie is gesticht en méér moet

zijn dan een internationale vakvereeniging, te weten een

vereeniging, die een moraal in haar vaandel schrijft en

vasthoudt aan het vrijheidsbeginsel. Een beginsel, buiten

hetwelk er slechts geknechte bladen en gemuilbande

journalisten bestaan. Het „Syndicat" zal er overigens

trotsch op zijn, met de zustervereenigingen samen te

blijven werken tot heil der F.I.J. en der journalistiek.

* *

*

Noteeren we ten slotte nog, dat krachtens de motie

over de beroepscode, te Parijs aangenomen een permanente

commissie zal worden belast met het voorbereiden

der noodige documentatie en het onderhouden van contact

te dien opzichte met de aangesloten vereenigingen.

HOLSBOER.

Rechtzaken en Pers.

Twee artikeltjes in het Nederlandsch Juristenblad van

18 September betreffen een onderwerp, dat ook in

De Journalist meer dan eens ter sprake is gekomen. Het

wonderlijke is, dat zij beide van dezelfde hand zijn —

n.1. van mr. G. H. E. Nord Thomson te Leiden — maar

dat hun strekking, dunkt mij, nogal uiteenloopt. Met het

eene opstel, „Rechtzaken en Pers", kan ik mij althans

grootendeels vereenigen — met het andere, „Openbare

terechtzitting", — allerminst.

Het eerstgenoemde artikeltje betreft de twee hoofdmomenten,

waarop de Pers contact heeft met misdrijven

en overtredingen: als het feit is gebeurd en als het wordt

berecht. De schrijver merkt hierover op:

,,A. als het feit is gebeurd.

De Pers doet hiervan mededeeling. Zij kan dit op twee wijzen

doen; het feit vermelden zonder of mèt aanduidingen omtrent den

(vermoedelijken) dader.

Het eenig juiste dunkt mij de eerste omdat:

1. de verdachte nog maar verdachte is en het niet aangaat dat het

publiek al oordeelt en veroordeelt met alle gevolgen van dien: verlies

van reputatie, maatschappelijke minachting of verachting, schade

in beroep of bedrijf — zulks terwijl de verdachte onschuldig of minder

schuldig kan blijken te zijn.

2. de gegevens van de Pers onjuist of onvolledig kunnen zijn.

Wil de Pers wel aanwijzingen geven dan geschiede dit niet door

het noemen van beroep of het geven van initialen doch door het

noemen van den vollen naam, want:

a. wat voor den eenen verdachte weinig hinderlijk kan worden

geacht is voor den ander zeer ernstig. Initialen als J. P. of L. B. K.,

zeggen meestal niets, maar andere staan gelijk met naamsvermelding.

Bij een auto-ongeval mij overkomen, meldde een courant: Mr. N.

Th. (let wel: zelfs niet Mr. N. T. maar Th.) te Leiden.

b. initialen vermelden als P. J. of L. B. K. staat gelijk met het

opgeven van raadseltjes en kunnen onaangenaam zijn voor hen die

er niet mee worden bedoeld.

B. als het feit wordt berecht.

De Pers geeft verslagen — vaak door goede, soms door minder

goede verslaggevers. Den minder goeden kan het volgende worden

verweten:

Ie. zij begrijpen de juridische portee niet en daarom krijgt de

lezer een volkomen fout beeld van de zaak, van den verdachte of

de beslissing van den Rechter. Mij is als kantonrechter-plaatsvervanger

in de pers en van de zijde van bekenden een buitengewoon

slechte „critiek" (te mild vonnis) ten deel gevallen, omdat een

verslaggever volkomen in strijd met de feiten het ten laste gelegde

heeft weergegeven. De critiek zou gerechtvaardigd zijn geweest als

het verslag de waarheid behelsd had.

2e. zij nemen uitvoerig op de sensationeele gebeurtenissen en

uitspraken tijdens de behandeling van de zaak op de zitting en ook

het requisitoir van het O.M.; van wat de verdediger zegt komt

weinig in de courant. — Dit is onrechtvaardig tegenover den verdachte.

Als het publiek hem leert kennen zooals het O.M. hem ziet,

en daar wordt niet tegenover gesteld hetgeen de verdediger vaak

omtrent hem kan mededeelen, krijgt het een volkomen verkeerden

indruk van den verdachte. Het tegenovergestelde ware minder erg:

uit de dagvaarding, welke vermeld wordt, blijkt toch al voldoende

wat den man kan worden verweten; de mededeelingen van den verdachte

of diens verdediger kunnen veel rechtzetten en het publiek

anders doen oordeelen en het ook vaker de uitspraak van den

Rechter beter doen begrijpen. De verdachte en ook het publiek

hebben recht op objectieve verslagen.

3e. zij oordeelen te vaak over Rechter, O.M. of raadsman —• de

verslaggever vergete niet dat hij niet is tooneelrecensent of Kameroverzichtschrijver.

De oplossing ware m.i. dat, met behoud van de reeds werkzaam

zijnde goede en geschoolde verslaggevers, door de couranten jonge

juristen zouden worden aangesteld om de minder goed te vervangen.

Voor pas beginnende advocaten en misschien ook voor ouderen

moet dit werk zeer aantrekkelijk zijn.

Ten aanzien van het aanduiden van de persoon van den terechtstaande

verdachte, geldt ook hier hetgeen hierboven sub A is geschreven."

Tot zoover, wat dit betreft, mr. Nord Thomson. Ik

zou op zijn punten het volgende commentaar willen

geven:

A. 1. Er zijn vrij talrijke gevallen, waarin twijfel

omtrent den dader uitgesloten is: betrapping op heeterdaad;

bekentenis (soms). Aanduiding door het beroep,

eventueel ook den leeftijd en de woonplaats (een 17jarige

loodgieter te Hilversum) kan, dunkt mij, in den

regel geen kwaad. Er zijn speciale gevallen (b.v. oplichting),

waarin de politie, als vóór een rechterlijke

uitspraak, in het algemeen belang om publicatie soms,

óók van den naam, verzoekt; evenals er gevallen zijn,

dat het belang van den (vermoedelijken) dader eischt,

de aanduiding van zijn persoon voorloopig zoo vaag

mogelijk te houden. Een bekwame en fatsoenlijke verslaggever

zal steeds naar bevind van zaken weten te

handelen.

Aanduiding door initialen, in gemengde berichten en

rechtbank-verslagen, vind ook ik een dwaasheid, die

hoe eer hoe beter moet worden afgeschaft. Initialen zeggen

niets óf zij zijn insinueerend, kunnen althans allerlei

misverstand en gissingen oproepen. Dezer dagen nog

weer verspreidde het A.N.P. een strafzaak-verslag,

waarin gerept werd van „een vertegenwoordiger van de

beroemde schildersfamilie M." — Mouve, Maris, Mesdag?

Misschien geen van allen; maar waartoe dan die

letter? In gevallen, dat de naam „publiek domein" is

geworden — b.v. de Onnes-zaak — vermelde men den

naam voluit; anders in het geheel niet.

2. Dat de gegevens onjuist of onvolledig kunnen zijn,

is onvermijdelijk. Voor het bewijsmateriaal in een rechtszaak

geldt hetzelfde! Wèl moet deze wetenschap een

reden zijn, voorzichtig te wezen met commentaar, bijvoorbeeld

met al te overijlde aantijgingen bij auto-ongelukken,

waarvan de schuldvraag nog niet door den

rechter is vastgesteld.

B. Hiervan kan, dunkt mij, slechts gezegd worden:

„wien de schoen past, trekke hem aan".

Voor de slot-tirade, over de jonge juristen, kan, dunkt

mij, Buziau's woord gelden: „daar zit wat in". Men

overdrijve echter niet: een goede verslaggever kan zich,

ook zónder academischen graad, soms uitmuntend in


echtzaken inwerken, vooral als hij, in moeilijke gevallen,

deugdelijke informaties inwint; en een bekwaam

jurist hoeft niet altijd een goed stylist te zijn. Verder

meen ik, dat er wel iets vóór te zeggen is, juristen, die

journalistiek werk aan kunnen en ambieeren, ,,de rechtbank"

te geven; er zijn trouwens al verscheidenen op

dat gebied werkzaam. De resultaten zijn, journalistiek

bezien, echter lang niet altijd beter dan van niet-juristen!

Wat B, 3e betreft- dit is, meen ik, volkomen juist,

behalve ten opzichte van den politierechter, die immers

zeer eenvoudige zaken behandelt. Overigens moet men

commentaren op vonnissen e.d., als men ze geeft, in elk

geval los houden van de verslagen van die vonnissen,

om gevaarlijke verwarring te vermijden. Dat het schrijven

van die commentaren de noodige bevoegdheid

eischt, spreekt vanzelf.

Veel verder gaat dezelfde schrijver in zijn m.i. wat

pathetische artikeltje „Openbare terechtzitting". Hij zou

maar liefst de openbaarheid, van regel, uitzondering

willen maken, onder anderen om daarmee te bereiken....

„het goeddeels verdwijnen van de kolom rechtzaken in

de couranten", die hij, wel èrg pessimistisch, „cursussen

in het booze" noemt. Waartoe dan juristen aangesteld

om dit tot een minimum te reduceeren werk? Natuurlijk

kan van een rechtbank- of misdaad-verslag wel eens een

ongunstige werking uitgaan; maar die is vrijwel te vermijden,

als onze bladen niet vervallen in de indiscreties,

waar een deel der buitenlandsche pers zich zoo graag

op toelegt. De openbaarheid der rechtspraak is echter,

naar mijn overtuiging, een belang, dat het zwaarst

weegt.

Dat ook in ons land sommige bladen tegenwoordig

weleens geen maat weten te houden bij het geven en

„opwerken" van détails uit de crimineele wereld, is al

vaker, en terecht, opgemerkt, ook in dit blad. Uitingen

in juridischen kring als die, hierboven geciteerd, zullen

daarvan vooral dan ook wel een gevolg zijn. Laten wij

er allen toe meewerken, dat klachten in dit opzicht zoo

weinig mogelijk worden vernomen!

}. A. LEERINK.

Is our face red 1

Moeten wij, jongere journalisten, ons schamen voor

het gebrek aan ideeën, dat een dagbladdirecteur in het

vorige nummer van De Journalist bij zijn jongere medewerkers

constateert? Schiet de komende generatie inderdaad

zooveel te kort? Ik kan het me niet voorstellen. Het

is geen onbekend verschijnsel, dat oudere en meer ervaren

menschen in de jeugd ernstige tekortkomingen ontdekken

en dan plegen te wijzen op vroeger, toen het zoo héél

anders was. Toen er ook nog strenge winters, zedige

meisjes, degelijke kranten zonder plaatjes en hardwerkende

jongelui waren. Gezichtsbedrog! Misschien heeft

bedoelde dagbladdirecteur het slecht getroffen met de

keuze van zijn redactiepersoneel. Maar geeft hij ze ook

wel de gelegenheid zich ten volle te ontplooien? Krijgen

ze ook de waardeering, die hun toekomt en is er een

leiding, die hen steeds opnieuw weet te bezielen? Want

heel vaak staat of valt het succes van een redactie bij

de leiding; en dat kan gerust een strenge leiding zijn,

zonder dat wij daarom het initiatief van de jongere

krachten behoeft te verlammen. En gebeurt 't — vooral

bij provinciale bladen — niet, dat de redactioneele krachten

al te veel hooi op de vork moeten nemen, zoodat er

voor zelfstandigen arbeid niet veel gelegenheid overblijft?

Ook een journalist wil wel eens rustig een avond aan

zijn gezin wijden! Ik geloof dan ook, dat de ontboezeming

van dien dagbladdirecteur tegenover onzen voorzitter wel

wat erg pessimistisch is; onder de jongeren zijn er stellig

nog genoeg, die, wanneer zij er de gelegenheid toe krijqen,

energie en ideeënrijkdom weten te ontwikkelen,

die op de onderhavige redactie blijkbaar ontbreekt.

Nog eens: is our face red?

D E JOURNALIST 121

EEN DER JONGEREN.

Bataviasche journalisten-vereeniging.

In een bijeenkomst van journalisten, verbonden aan de

Europeesche pers te Batavia, is besloten tot oprichting

van een journalistenvereeniging met ongeveer dezelfde

doelstelling als de Nederlandsche Journalistenkring, doch

met een plaatselijke werkingssfeer. In de omschrijving van

het doel wordt de bevordering van de ideëele belangen

der pers in het algemeen vooropgesteld. Daarnaast wil

de vereeniging streven naar de behartiging van de ideëele

en stoffelijke belangen der journalisten te Batavia in het

bijzonder.

In het bestuur hebben zitting de heeren E. W. Ostreig

(voorzitter, mr. A. J. J. Hammelburg, W. C. van Meurs,

H. W. Halkema en W. C. Koenders.

De Vrouw en Toestanden in de

Journalistiek.

Naar aanleiding van het drietal antwoorden, dat

inkwam op het ingezonden stuk — De Vrouw en de

journalistiek — mag ik even op enkele punten terugkomen.

Immers, een en ander geeft een beantwoording,

geen oplossing.

De heer Person schrijft, dat in Holland, zij het na

een regelmatige, voorafgaande carrière, een free-lance

journalist kan bestaan. Hierover loopen de meeningen

uiteen. De Secretaresse van de H.J.V. schreef mij: „In

Holland kan ook de man niet leven van zijn pen, het

schrijven van losse artikelen."

Er zijn andere meeningsverschillen. De heer Person

vindt mijn schrijven, laten we zeggen, beneden A.P. Een

andere, niet minder bevoegde journalist en hoofdredacteur

zei: „uw geheel eigen manier van schrijven". Dit

is het tegengestelde van afbrekenden zin. Trouwens,

mijn klacht is niet, dat geen toegang werd verkregen tot

verschillende bladen, maar — dat ondanks deze medewerking

— men er geen bestaanszekerheid heeft. In

de afgeloopen vier, vijf jaar, werden vijf bladen, waaraan

ik meewerkte (twee Indische, twee magazines, een

Haagsch weekblad) opgeheven. Een veranderde van

indeeling, de nieuwe redacteur voelde in tegenstelling

met zijn voorganger, niets voor vrouwenreportages! Een

berichtte, dat de redactrice in verband met de tijdsomstandigheden

en bezuiniging over de geheele linie, zelf

de rubriek ging verzorgen, tot dusver door mij waargenomen.

Volkomen ben 'k het eens met Mej. v. d. Ende, dat

ook voor het meisje de praktijkopleiding als volontaire

aan een provinciaal blad goed, zoo niet noodzakelijk is.

Maar welke (en hoevele) bladen geven het solliciteerende

meisje deze kans? Waar treft men deze vacatures

voldoende aan? 'k Geloof, dat dit een lacune is, die door

den Kringvoorzitter wel heel fijn en juist werd gevoeld.

Wat echter het tijdstip betreft, waarop ondergeteekende

tot het inzicht kwam, dat over het algemeen de

directies van de dagbladen weinig voelden voor vrouwelijke

krachten op grond van de opgedane ervaringen,

hierover bestaat eenig misverstand. Dit is geen vlucht,

geen noodsprong na een z.g. teleurstellende carrière,

maar was de eersre indruk, dien ik als gloednieuw lid

van den Kring ontving, toen op de vraag van den mij

introduceerenden journalist, het afbrekende antwoord

van de dagbladdirectie inkwam. Een oordeel, waarop

geen enkele vorm van protest o[ tegenspraak is gekomen.

De feiten hebben mij e.a. niet weerlegd.

Met genoegen (geen leedvermaak!) las ik uit het artikel

van den hr. Van Zijst, dat ook de mannelijke collega's

in los verband hetzelfde risico dragen. Hieraan

werd niet getwijfeld. Mijn klacht betrof hoofdzakelijk de

geringere kans, die de vrouw in het bezetten van de

vaste functies krijgt. Natuurlijk zija er heel veel bladen,

die behoorlijk met hun medewerkers omgaan, maar er

zijn ook andere, 'k Mag even wijzen op de taktiek van

onbekende uitgevers en bladen, die per advertentie medewerkers

en copy vragen, waarna men de grootste

moeite heeft (soms moet de tusschenkomst van de admi-


122 DE JOURNALIST

nistratie van het dagblad, waarin de bewuste advertentie

uitkwam, worden ingeroepen) om de copy weer in handen

te krijgen. M.i. werkt de angst om door reclameeren

de kans op medewerking te verliezen, dergelijke wantoestanden

in de hand. Wanneer buitenstaanders wisten,

hoe nonchalant de journalisten onderling (redactie

tegenover medewerkers) omsprongen met hun geestesproducten,

dan zou men lichtelijk verbaasd zijn. Of niet?

Zou men — het papier is geduldig — een juist criterium

vinden?

Feit is, dat de kleinste zichtzending „stoffelijke" goederen

beschermd wordt. Artikelen, welke niet binnen

zooveel tijd terugkomen, worden als behouden beschouwd.

Wanneer een dergelijke stelregel werd toegepast

bij copy-zending, van beide kanten werd aanvaard,

dan zou er tenminste eenige regel zijn. Het moeilijke is

ook, dat copy, welke men ter inzage zond en waarvan

men een doorslagje behield, zelfs na tijden en vergeefsch

aandringen op behandeling, niet mag worden afgezonden

aan een ander blad. Eigendom, geen eigendom? Een

kwestie voor H.H. advocaten.

Met dit al is de kwestie — de vrouw in de journalistiek

— niet opgelost en ik zou op deze wijze bij de leidende

figuren in den Ned. Journalistenkring willen aandringen

op een zorgvuldig, zakelijk onderzoek in deze, d.w.z.

indien men, ook in de toekomst, gesteld is op de vrouw

als journaliste. Welke werkgelegenheid er voor de vrouw

is en _ dit vooral — welke bladen (al of niet provinciaal)

haar de gelegenheid willen geven tot deze praktijkopleiding?

Wanneer een bepaald procent van de beschikbare

volontairsplaatsen werd opengezet voor de

vrouw (dit in onderling overleg van het Kringbestuur

met de dagbladdirecties), dan zou zij, evenals haar mannelijke

collega's, dezelfde bestaanskansen en mogelijkheden

krijgen.

JO OOMS.

ASSO STAAKT DEN STRIJD.

Althans op het journalistieke front.

Er is thans reden te veronderstellen dat Asso wijzer

is geworden en dat het Arnhemsche Instituut, op welks

gestes wij eenige malen de aandacht vestigden, begonnen

is zich zelf te onderwijzen, met het gevolg dat het

er achter is gekomen dat het nobele vak journalistiek

niet door middel van een schriftelijken cursus van bedenkelijk

gehalte aan Jan en alleman kan worden geleerd.

Uit het week Wij, welk blad geregeld met de advertenties

van Asso begunstigd pleegt te worden, blijkt ons

nl. dat de opleiding voor journalist is geschrapt. Om de

veertien dagen verschijnt de gebruikelijke snoeverige

annonce, die een waschlijst bevat van alle vakken die

de brave „bovenmeester" v. d. Bij heet te kunnen onderwijzen.

Het nummer van 10 September vermeldde nog

bij de A-cursussen „journalist (verslaggever, enz.)" en

bij de cursussen voor dames „journaliste (verslaggeefster

enz.)", doch het nummer van 24 September bevatte

wel de overige fraaie opsomming, maar niet de zoo even

aangehaalde vakken. Daar de advertentie blijkbaar in

matrijsvorm beschikbaar was gesteld, waren deze vakken

gewoon weg gestoken, hetgeen dan ook een van de

redenen was dat ons het feit opviel.

Mogen wij ons vleien met de gedachte dat een en

ander een gevolg is van onze actie? In het bevestigende

geval blijft nog de vraag bestaan of er inzicht is doorgebroken

in het brein van den Assoleider, of dat de

man zich dermate belachelijk voelde gemaakt, dat hij

den cursus in journalistiek maar staakte om te voorkomen

dat zijn klanten lastige vragen gingen stellen

over dit onderwerp, die wel eens zouden kunnen eindigen

met het opzeggen van het vertrouwen (voor zoover

aanwezig) in het instituut.

Mocht er inderdaad sprake zijn van inzicht, dan valt

slechts te hopen dat zich dit uiteindelijk ook zal uitbreiden

over vele van de overige vakken, waar Asso

„unverfroren" les in geeft, en waartegen stellig eveneens

tallooze bedenkingen zijn te uiten.

De Haagsche journalisten-opleiders gaan nog onverdroten

voort. Dat ook het Succes-instituut, waarvoor de

blaadjes Succes en Fit propaganda maken, moge komen

tot het besef dat het maatschappij, vak en vakgenooten

qeen dienst bewijst met zijn streven..

Brieven onder Nummer zooveel.

Bur, v. d. Blad,

de Journalist is een blad voor wat

de Kringleden aan wenschen, bezwaren

en verlangens op hun hart hebben

De dringende uitnoodiging van onzen nieuwen Redacteur

in de Journalist van 1 Mei j.1. brengt mij ertoe, een

wensch, een verlangen, een bezwaar op papier te zetten.

Ben bezwaar tegen „Br. onder No. zooveel", een verlangen

naar klaarheid, een wensch tot verandering.

Wie de journalistiek tot beroep gekozen heeft, blijft

in vele opzichten een mensch als ieder ander, en zoo

kunnen er ook voor hem tientallen redenen bestaan

waarom hij van betrekking wil of moet veranderen.

Nu komen er in ons vak, zeker meer dan in andere,

aanstellingen voor zonder voorafgegane „openbare inschrijving",

maar dat neemt niet weg, dat in vele gevallen

toch journalisten gevraagd worden per advertentie.'

Per advertentie, eindigend met het stereotiepe „brieven

aan het bureau van dit blad".

En nu ben ik ervan overtuigd dat juist de besten onder

ons het zeer onaangenaam vinden, op een dergelijke

advertentie te antwoorden. Menschen zonder principes,

zonder politieke of godsdienstige richting, zonder relaties

èn... zonder werk, alléén hun kan het onverschillig laten,

aan welk blad zij hun geestesarbeid zullen gaan geven.

Een man van karakter doet niet gaarne een uiteenzetting

van zijn levensbeschouwing, van zijn carrière, van

zijn familie-, financieele-, en de hemel weet van welke

andere omstandigheden nog, alles in een brief, waarvan

hij in de verste verte niet zeker is, aan wien hij hem

richt!

Het geval is denkbaar, dat de heer X verbonden is aan

krant A, heel graag wil overgaan naar krant B, doch

onder geen voorwaarde naar krant O De advertentie

stelt hem voor het raadseltje: wie heeft haar geplaatst,

B, C, of... misschien wel A?! Dit laatste zou, zooal geen

ontslag, toch een ongewenschte verhouding tengevolge

kunnen hebben.

Ook de kwestie van geschiktheid speelt een rol. Zelf

heb ik eens gesolliciteerd naar een positie die — te oordeelen

naar de advertentie — voor mij geknipt scheen.

Ik had er daarom de onkosten voor over, een pakketje

werk-voorbeelden bij te voegen. Ik kreeg het terug met

een vriendelijk briefje van een vak-weekblad. Bedankt

voor de sollicitatie, maar u hebt van ons vak geen verstand.

Nee, dat wist ik waarlijk zelf ook wel. Geen haar op

mijn hoofd zou eraan denken, bij dat blad in dienst te

treden. Maar waarom laat men dan de moeite doen?

Bij dagbladen kunnen dezelfde factoren van belang

zijn, speciaal bij die van confessioneele of politieke richting.

Het verwekken van zulke verwikkelingen lijkt mij

overigens zoo onnoodig. Waarom die geheimzinnigheid?

Waarom kan de adverteerder zijn naam niet noemen?

Er steekt toch geen schande in, als men een redacteur

of een verslaggever vraagt? De toevoeging „uitsluitend

schriftelijke sollicitaties" kan overbodig bezoek op de

redactie voorkomen.

Een journalist is geen; jongste bediende, die met evenveel

plezier brieven dichtplakt over koffie-leveranties als

over effecten-transacties.

Er bestaan gelukkig nog vele journalisten, die liever de

nagels van hun vingers zouden opeten dan mee te strijden

voor een ideaal dat het hunne niet is.

En deze hebben er recht op te weten, wie hun vertrouwelijken

brief, wie hun gemoeds- en levensbeschrijving,

in handen krijgt.

D. J. WESSEL.


PUZZLE-RUBRIEK.

(Alle zich respecteerende week- en maandbladen houden er een

puzzle-rubriek op na. „De Journalist" alleen tot nog toe niet. Zoudt

U niet eens kunnen overwegen een dergelijke rubriek in het leven

te roepen, maar dan met specifiek journalistieke puzzles? Materieel

vindt U eiken dag in overvloed in alle kranten en er zijn raadseltjes

bij, die den meest verwenden puzzle-maniak meer zorgen zullen geven

dan de ingewikkeldste kruiswoord- en lettergreeppuzzles, zonder dat

het nu bepaald noodig zal zijn om een spijkers op laag water zoekenden

Journali-varius met de verzorging der rubriek te belasten.

Daarnaast kan de rubriek ook een zekere opvoedkundige waarde

krijgen, omdat de argelooze puzzle-schrijvers — wanneer ze tenminste

over genoeg gevoel voor humor beschikken •—• natuurlijk gaan

meepuzzlen en dan al peinzende misschien tot de conclusie komen,

dat het toch wel wenschelijk is, in het vervolg minder onbegrijpelijke

taal te gebruiken.

Ik zou U echter willen aanraden met het oog op het welzijn der

Kringkas geen geldprijzen voor de goede oplossers uit te loven.

Tevens ben ik zoo vrij U hierbij een concept-begin-rubriekje aan

te bieden; in de samenstelling ervan moest ik mij natuurlijk beperken

tot knipsels uit hier verschijnende bladen.)

Een filmrecensie uit „Haarlem's Dagblad":

Van „Corsikaansche Liefde" hebben we èn door

den zang en het spel van Toni Rossi èn door het

vlotte, vaak gunstige spel en het tempo der overige

hoofdrollen, ten volle genoten. Het scenario is zeer

gemakkelijk aanvaardbaar, iets wat bij het gros der

scenario's nogal moeilijk is, en het is logisch en

gezellig, soms zelfs tragisch, uitgewerkt.

Opgave: Leg in minstens tien woorden uit, of Toni

Rossi gezellig, tragisch, gunstig, moeilijk, logisch of nogal

vlot is.

Een AiV.P.-bericht:

Zaterdag is te Hoek van Holland de bemanning

van de reddingsboot „President ]. V. Wierdsma", in

verband met het toekennen door de Duitsche regeering

van de eere-medaille van het Duitsche Roode

Kruis met oorkonde aan schipper J. van Dam, door

een der directeuren van de Zuid-H ollandsche maat.

schappij tot redding van schipbreukelingen, den

heer mr. J. Th. van Munster, gehuldigd.

Opgave: 1. Bereken het aantal voorzetsels tusschen

Hoek van Holland en Munster.

2. Wanneer inplaats van de Zuidhollandsche de

Zeeuwsche opening was gebruikt, hoe zou dan na vijf

zetten de positie van „gehuldigd" zijn?

De Alkmaarsche correspondent van het „Handelsblad":

Het was opvallend, dat de acoustiek niet meewerkte.

De gedachte om het orgelspel door middel

van een microfoon in het afgesloten gedeelte te doen

klinken, bleek een goede oplossing te zijn geweest.

Zonder eenige onderbreking heeft de gemeente het

orgel den zang doen begeleiden.

Opgave: Wat heeft de schrijver het orgel de

gemeente willen laten doen?

Een vergaderingverslag uit „Haarlem's Dagblad":

Iedere blinde heeft een gevoel van afhankelijkheid

en dit is zeker niet bepaald „goed" te noemen

poor hun moraliteit. Door de diensten, die een geleidehond

hen kan aanbieden, vervalt dit gevoel

zeer dikwijls. Maar een groot bezwaar van zoo'n

hond, prachtig dier dat het is, is dat het aanschaffen

erg duur is, zoodat de wat minder gefortuneerden

niet in de gelegenheid zijn, zoo'n prachtigen

vriend te koopen.

Opgave: Vertel een beetje „vlug" of iedere blinde

inderdaad te „kampen" hebben met hun moraliteit. Wat

is het dat het is dat een hond dat gevoel doet vervallen?

Uit het verslag van een zangconcours in „Haarlem's

Dagblad":

Ons Genoegen, Zaandam, dir. J. Mienes, zingt

DE JOURNALIST 123

het verpl. nr. wat stroef; de muzikale visie van

Mienes waarborgt een goede uitvoering; van mf—

ppp aan het slot drijft iets op. (Temperatuur?)

Opgave: 1. Wat waarb. de 'letterk. visie v. d.

schrijver?

2. Geef een korte, doch duidelijke analyse van den

vierden regel (Onbegrijpelijk?) W.

Vrijheid in gebondenheid.

Onder dezen titel behandelt collega Rugaart in zijn

Nieuwe Apeld. Courant den toestand van de Duitsche

pers, die hem, wat de gelijkstelling betreft aan eenheidsworst

doet denken:

„Gründlich", als de Duitscher steeds geweest is, wordt

in Duitschland niets nagelaten om de nu bovendrijvende

meening in te hameren in, tot gemeen goed te maken

van geheel het volk. En een van de doeltreffende middelen

daartoe is de gelijkschakeling van de pers — en

van de radio — welke beide verschijningen in het maatschappelijke

leven voor de groote massa immers de bronnen

zijn, waaraan zij in hoofdzaak haar geestelijke dorst

pleegt te laven.

De rijksperschef van de N.S.D.A.P. dr. Dietrich —

zoo schrijft hij verder — heeft zich scherp gekeerd tegen

„hen, die achter het masker van een z.g. persvrijheid en

staande buiten de verantwoordelijkheid der regeeringen

de internationale pers laten worden tot een haard van

gevaren der wereldpolitiek".

Helaas heeft dr. Dietrich hierin gelijk. Inderdaad is

de wereldpers, zoo niet geheel dan toch voor een goed

deel, in handen van een groep belanghebbenden, die vooï

niets terug deinzen als 't er om gaat hun financieele

belangen te dienen — men herinneren zich de onthullingen

voor de Washingtonsche commissie, wat bekend

is geworden over de rol van de pers tijdens den oorlog

1914—1918 en den invloed van b.v. het Fransche wapenkapitaal

op de openbare meening in Frankrijk en

in geheel de wereld — een ontzettend gevaar. Zooals

ook de groote en kleine persbureaux een gevaar kunnen

zijn, wanneer zij in dienst staan van bepaalde coterieën.

„De bevrijding der pers van de zoogenaamde persvrijheid",

aldus dr. Dietrich verder, „is een der grootste

daden in de geschiedenis van den geest, die het nationaal-socialisme

en het fascisme volbracht hebben."

In het licht van het bovenstaande gezien, daargelaten

of een soortgelijke prestatie in Rusland bij dr. Dietrich

ook bewondering wekt, zou men geneigd zijn deze laatste

bewering van den Duitschen perschef te onderstreepen.

Wanneer in navolging van het Duitsche voorbeeld

de pers van de nu vaak misbruikte vrijheid zou

zijn ontroofd, zou daarmede een bron van veel ellende

en internationale onrust, welke het menschdom dikwijls

met haar goed en bloed moet betalen, buiten werking

gesteld worden. Wat een zegen voor de wereld zijn zou.

Maar, er is een groote „maar" aan dezen gedachtengang

verbonden.

Laten we een oogenblik aannemen, dat ideëel gesproken

de opvatting van dr. Dietrich, gesteld zij zou tot

een werkelijkheid worden, ons de oplossing zou brengen

van het vraagstuk der persvrijheid, practisch beteekent

zij, dat wijst de ervaring in Duitschland tot dusver uit,

een onder volstrekte voogdij stellen van den menschelijken

geest.

We kunnen de vrees niet van ons afzetten, volledig

erkennend het schromelijk misbruik, dat van de persvrijheid

gemaakt wordt, dat daarmede het kind met het

badwater wordt weggegooid. Onderdrukking van de

geestelijke vrijheid, onderdrukking en vernietiging van

het zelfstandig denken en oordeelen van den mensch,

komt neer op een geestelijke castratie.


124 DE JOURNALIST

Nederlandsche

Journalisten kring

Nederlandsche

Spoorwegen

Legirimah'ekaart voor buirenlandsche

journalisten, die Nederland

bezoeken.

Carte d'identité pour journalistes

érrangers qui visitent les Pays-Bas.

Geldig van

Valable du

t.m.

au

NED. SPOORWEGEN.

No.


Den houder dezer Legitimatiekaart wordt

voor reizen op de lijnen der Nederlandsche

Spoorwegen een korting van 50 %

op den gewonen enkele-reisprijs verleend.

Het plaatsbewijs tegen verminderden prijs

is slechfs te zamen met de Legitimatiekaart

geldig.

De Legitimatiekaart geeft geen recht op

korting van den toeslag voor D-treinen,

P-treinen e.d,

De Legitimatiekaart is niet geldig indien

zij niet van den droogstempel der Nederlandsche

Spoorwegen voorzien is.

CHEMINS DE FER NEERLANDAIS

Au porteur de la présente carte d'identité

il est alloué, sur les lignes des chemins

de fer néerlandais, une reduction de 50 °/o

sur Ie prix ordinaire des voyages simples.

Le billet a prix reduit n'est valable qu'avec

la carte d'identité.

La carte d'identité ne donne pas droit

a reduction du supplément pour les trains

D, trains P et assimilés.

La carte d'identité n'est pas valable si

elle n'est pas revêtue du timbre sec des

chemins de fer néerlandais.

Telexnet door Europa.

Naam van den houder

Nom du porteur

Woonplaats

Domicile

Op het te Belgrado gehouden congres van de geallieerde

persbureaux zijn twee resoluties aangenomen,

voorgesteld door de Nederlandsche delegatie, welke het

Algemeen Nederlandsch Persbureau A.N.P. vertegenwoordigde.

In de eerste resolutie werd de wenschelijkheid uitgesproken

van de instelling eener commissie ter bestudeering

van de financieele mogelijkheid en technische uitvoerbaarheid

van een Europeesch verreschrijversnet

(gelijk aan het in Nederland reeds geruimen tijd werkend

telexnet, dat door het hoofdbestuur van de P.T.T.

aan het A.N.P. in exploitatie is gegeven). Als voorzitter

Naam van het blad

Nom du journal

Handteekening van den houder

Signature du porteur

Ned. Spoorwegen

Chemins de fer

Néerlandais

Ned. Journalistenkring

Cercle des Journalistes

Néerlandais

Deze Legitimatiekaart moet getoond worden,

zoowel bij het koopen der enkelereis-kaarten

tegen verlaagden prijs, alsmede

bij elke controle der plaatsbewijzen,

ook bij het verlaten van het station van

bestemming.

La présente carte d'identité doit être

exhibié lors de l'achat des billets simples

a prix reduit, lors du controle des billets

et a la sortie de la station d'arrivée.

De korting voor

buitenlandsche

journalisten

Aan de directie der

Spoorwegen werd de

hierbij afgedrukte legitimatiekaartvoorgesteld

en door haar

goedgekeurd. Zij omvat

vier paginaatjes op

karton gedrukt en is

nu ter beschikking van

buitenlandsche journalisten

die daartoe tot

het Kringbestuur een

aanvrage richten. De

Spoorwegdirectie voorziet

de kaart vóór de

uitgifte van een droogstempel.

Door één onzer leden,

die als buitenlandsche

correspondent

werkzaam is, werd den

voorzitter gevraagd

aan de spoorweg directie

uitbreiding van

de hier bedoelde faciliteit

ook voor hem en

zijn collega's te verzoeken.

Dit is beproefd

doch de directie deelde

mede dat zij geen reductie

aan andere dan

buitenlandsche journalisten

wenschte toe te

staan.

der commissie is aangewezen de heer H. H. J. van de

Pol, directeur van het Algemeen Nederlandsen Persbureau.

De commissie zal haar eerste vergadering houden

in de eerste helft van November te Amsterdam.

In de tweede Nederlandsche resolutie, welke aangenomen

werd, is de wenschelijkheid uitgesproken, dat de

administraties van de P.T.T. in de verschillende landen

eveneens tot een studie zullen komen van de financieele

en technische mogelijkheid van een Europeesch verreschrijversnet.

Ten congresse werd met waardeering kennis

genomen van de resultaten van den arbeid, door de

Nederlandsche administratie der P.T.T. op dit gebied

reeds in Nederland verkregen.

More magazines by this user
Similar magazines