Niet nu en niet zo

webstore.iisg.nl

Niet nu en niet zo

Redactie: J. J. F. VAN DEN BERGH, Mr. E. ELIAS.

YGE FOPPEMA. Redactie-adres: Nieuwe Zijds Kolk 28,

Amsterdam-Centrum.

EXTRA-NUMMER

EIND MEI 1 949

Niet nu en niet zo

Een regeling van het perswezen

vraagt diepgaande bezinning

In de Memorie van Toelichting,

behorende bij het ontwerp van wet

op de journalistieke verantwoordelijkheid,

delen de Minister van Onderwijs,

Kunsten en Wetenschappen,

prof. dr. F. J. Rutten en de Minister

van Justitie, mr. Th. R. J. Wyers,

o.m. mede, dat de meerderheid van de

Commissie-Pompe „streeft naar het

ontwerpen van een algemene perswet

waarin o.m. zouden kunnen

worden geregeld:

(1*) een publiekrechtelijke organisatie

van het perswezen, waarvan

de uitgeverijen van dagbladen,

nieuwsbladen en tijdschriften, de

persbureaux, de journalisten en de

redacteuren deel uitmaken;

(2) de tuchtrechtspraak over

degenen, die tot de „orde van de

Nederlandse pers" behoren;

(3) de verhouding tussen de commerciële

en redactionele leiding van

dagbladen, nieuwsbladen en tijdschriften;

(4) de openbaarheid van de

financiën der uitgeverijen."

„De commissie heeft" — aldus de

ministers — ,,dit denkbeeld in genen

dele laten varen en ook de regering

acht een wettelijke regeling van het

perswezen op de wijze als hierboven

werd aangeduid, met handhaving van

het aan artikel 7 van de Grondwet

ten grondslag liggende beginsel,

aanbevelenswaardig.

Intussen bestaat in bovengenoemde

commissie geenszins eenstemmigheid

met betrekking tot de wijze, waarop

die gedachten dienen te worden uitgewerkt.

Wanneer de commissie haar

rapport zal hebben uitgebracht zullen

(de ministers) indiening van de

voorstellen bij de Staten-Generaal

niet bevorderen, dan nadat de organisaties

van journalisten en uitgevers,

en niet in de laatste plaats de

pers zelve ten volle de gelegenheid

DOOR M. VROLIJK

hebben gehad zich hieromtrent te

uiten."

Tot zover acht ik de M. v. T. een

zeer redelijk stuk. Het is waarlijk

geen onbelangrijk doel wat de commisie,

ingevolge de haar op 2 April

1947 gegeven opdrachft, nastreeft.

Dat de commissie in die opdracht

zelf tijdens haar werk een verandering

aanbracht, kan voorshands buiten

beschouwing blijven, daar de regering

daarmee accoord blijkt te zijn

gegaan. In ander verband kom ik

hierop evenwel terug.

Het gestelde doel is ook niet van

zodanige aard, dat ik het bij voorbaat

zou willen afwijzen. Sommige schrijvers

„tegen" het wetsontwerp dat

thans ter tafel ligt, hebben dat

implicite wel gedaan, maar ik maak

mij daarvan nadrukkelijk los.

De redelijkheid is vooral te vinden

in de toezegging van de regering, dat

de definitieve resultaten van het

werk der commissie in de ruimste

zin onderwerp van openbare discussie

zullen zijn, voordat het tot de

indiening van wetsontwerpen bij de

Staten-Generaal zal kunnen komen.

De aard van de te regelen materie,

die voor de vrijheid van drukpers een

zo voorname rol speelt maakt overigens,

dat elk ander regeringsstandpunt

ten deze afkeuring zou verdienen.

Dit klemt temeer, wanneer

men goed in het oog houdt, dat met

het plan van de commissie de publiekrechtelijke

organisatie van het gehele

perswezen gemoeid is.

mmm

Red.: J. W. L. v. MASTRIGT, A. L. G. M. v. OORSCHOT,

S. H. A. M. ZOETMULDER. Red.-adres: Koningsstraat 22 B,

Hilversum.

P. B. O.

Over de publiekrechtelijke organisatie

van het bedrijfsleven zijn de

pennen jaren lang in beweging geweest.

Toen destijds de organisatie-

Woltersom te ongereder ure in het

leven werd geroepen, mocht het

DIT NUMMER

verschijnt als orgaan van de

Nederlandse Journalistenkring

en de Katholieke Nederlandse

Journalistenkring, onder gemeenschappelijkeverantwoordelijkheid

-van beide redacties.

Het is zo goed als geheel gewijd

aan het wetsontwerp inzake

de journalistieke verantwoordelijkheid

en wat daarmee

samenhang,,, ter voorbereiding

van het Federatiecongres op

28 Mei a.s. Na de voorlichting,

door de collega's Rooy en

Hanekroot in het vorige nummer

van De Journalist en De

Katholieke Journalist gegeven,

komen hier voornamelijk tegenstanders

van het onderhavige

wetsontwerp aan het woord. Besturen

en redacties menen op

deze wijze de objectiviteit naar

beste weten, te hebben gediend.

onderwerp zeker niet onbesproken

heten. En na de bevrijding is er bepaald

een hausse geweest in publicaties

op het stuk van de P.B.O.,

welke al spoedig gebaseerd konden

zijn op een concreet voor-ontwerp

van wet, door ir. Vos als Minister

van Handel en Nijverheid zonder

voorbehoud aan de publieke opinie

prijs gegeven.

Het vraagstuk van de definitieve

publiekrechtelijke organisatie van

het perswezen is intussen nog nagenoeg

niet aan de orde geweest.

Hangende het werk van de Commissie-Pompe

is het zelfs niet in ruimere

kring in bespreking gekomen. Dat

zal stellig alsnog geboden zijn en

het lijkt mij bezwaarlijk wanneer

daarmee niet reeds een begin gemaakt

wordt voordat uitgewerkte

voorstellen van de Commissie-Pompe

ter gedachtenbepaling kunnen dienen.

Waarbij ik mij niet ontveins,

dat het probleem voor het perswezen

neteliger is dan voor vrijwel

elk ander terrein van het maatschappelijk

leven.

Haast

Keren wij terug tot de Memorie

van Toelichting. Het tot dusverre

1


daaruit besprokene kan tot uitvoerige

bespiegelingen aanleiding geven,

maar niemand behoeft zich

daarover verontrust te voelen. Anders

is het gesteld met de mededeling

die op de reeds aangehaalde

passages volgt.

Zij luidt, dat er een onderwerp is,

,,ten aanzien waarvan niet alleen

in de commissie eenstemmigheid bestaat,

doch waaromtrent ook de

publieke opinie zich bij vele gelegenheden

reeds in positieve zin

heeft uitgesproken, te weten de

wenselijkheid om de strafrechtelijke

bescherming tegen misdragingen

door middel van de drukpers begaan,

met een tuchtrechtelijke uit te

breiden." De ambtsvoorgangers van

de beide aan het woord zijnde ministers

(dr. Gielen en mr. Van Maarseveen

— V.) „waren van oordeel, dat

deze materie zonder verwijl om

regeling vraagt en met hun instemming

heeft de commissie haar voorstellen

hieromtrent bij wijze van

tussenrapport ingediend. Dit vormt

de grondslag van hef onderhavige

wetsontwerp".

Ziezo — daar staat men dan toch

even van te kijken. De algemene

perswet, die de genoemde vier punten

dient te behelzen, zal niet zonder

de zorgvuldigste voorbereiding aanhangig

worden gemaakt, maar

evenzo vrolijk wordt dan toch een

van die puntenen zeker niet het

onbelangrijkste — aan het geheel

onttrokken, uitgewerkt tot een zelfstandig

wetsontwerp en als zodanig

zonder dat de gedachte aan een

voor-ontwerp ook maar gerezen

schijnt te zijn — naar de tweede

kamer gestuurd!

Nu moet ik hier direct aan toevoegen,

dat de wijze waarop in de

M. v. T. de vier punten onder elkaar

zijn geplaatst, een verkeerde indruk

kan wekken. Goed beschouwd leiden

deze punten niet het afzonderlijke

bestaan, dat men wellicht uit hun

rangschikking onder het hoofd „algemene

perswet" zou kunnen afleiden.

M.i. zijn de punten 2, 3 en 4

onderdelen van punt 1 en daaraan

dus ook onder- en niet nevengeschikt.

Zodat bijv., wanneer de thans

voorgestelde tuchtrechtspraak zelfstandig

mocht worden ingevoerd, zij

bij de totstandkoming van een algehele

publiekrechtelijke regeling stellig

in haar geheel in het nieuwe

kader herziening behoeft.

Het losmaken van punt 2 uit de

reeks komt mij dus weinig gelukkig

voor, gezien de behoefte der Commissie-Pompe

aan een algemene

perswet. Daar komt iets ernstigers

bij. De betekenis van deze wettelijke

tuchtregeling mag voor de practische

uitoefening van de journalistiek niet

onderschat worden. Het is zeer wel

mogelijk, dat vele bezwaarden, om

met mr. Rooy te spreken, meer het

sentiment dan het verstand-aan het

woord laten. Dat sentiment speelt

echter ook een voorname rol bij die

voorstanders van het wetsontwerp,

2

die op voorhand verzekeren dat het

„wel mee zal vallen".

Bij de opwekking van de voorzitter

onzer Federatie om toch geen

spoken op klaarlichte dag te zien,

wil ik mij gaarne aansluiten. Maar

toch lijkt het mij bijster moeilijk om

te profeteren of eventuele spokenzieners

al of niet gelijk zullen krijgen.

Wanneer de tuchtrechtelijke

instanties, door de regering ingesteld,

eenmaal reilen en zeilen, doen zij

dat in alle onafhankelijkheid, zoals

het betaamt. Maar er is dan toch

bepaald iets anders gaande dan met

onze eigen Raad van Tucht: een

rechtspraak binnen de organisaties,

alleen al door de volledige benoemingsbevoegdheid

der organisatiebesturen

blijvend bepaald door een

sfeer van deskundigheid. En ook

iets anders dat overeenkomt met de

oorspronkelijke opdracht welke de

regering aan de Commissie-Pompe

meegaf: de vraag onder ogen te zien,

of een tuchtrechteiijke bescherming

tegen misdraging-en door middel

van de drukpers begaan in het leven

moet worden geroepen, ,,in dier

voege, dat aan een in te stellen of

te erkennen organisatie van journalisten

de bevoegdheid wordt toegekend

tot het in eigen kring opleggen

van tuchtmaatregelen".

Men kan hiertegenover spreken

van een overeenkomst met de strekking

van het tot dusverre door de

organisaties gevoerde beleid, maar

moet daarbij dan toch wel een flink

stuk generalisering voor lief geven

aan wie het nemen wil. De eigen

tuchtregeling valt niet zonder meer

gelijk te stellen met het voorstel dat

thans voortijdig ter tafel is komen

te liggen.

Een ogenblik aannemende dat er

goede gronden waren om dit voorstel

toch afzonderlijk te doen — dan

is het mij, als gezegd, nog niet duidelijk,

waarom in dit geval de aanbieding

van een voor-ontwerp achterwege

is gebleven. Daartegen past

slechts een krachtig protest. De

heren Rooy en Hanekroot hebben in

de Commissie Pompe zitting genomen

cp eigen verantwoordelijkheid. Men

kan dus in gemoede niet aanvoeren,

dat de organisaties als zodanig in

het voorstel zijn gekend. Men kan

— achteraf — slechts betreuren,

dat de voorzitters van N.J.K. en

K.N.J.K. aldus in zekere zin als

„particulier persoon" bij voorbaat

partij zijn in de discussie die thans

ter elfder ure nog een bescheiden

kans krijgt. En dan partij met de

complete en indrukwekkende voorsprong

die het lidmaatschap van een

lichaam als de Commissie in kwestie

nu eenmaal kan meebrengen. Het

uitstel van het congres, waarop door

de afdelingen moest worden aangedrongen,

heeft de kans op een

vruchtbare gedachtenwisseling weliswaar

verbeterd, maar ik kan in de

hele gang van zaken toch geen

waarborgen ontdekken voor een nu

reeds waarlijk verantwoorde en af

te ronden discussie. Het a.s. congres

kan daarvan waarschijnlijk niet meer

dan het begin opleveren.

Samenvattend concludeer ik, dat

het congres wijs zal doen zich uit te

spreken voor het aanhouden van dit

wetsontwerp tot de geesten in de

journalistiek waarlijk gerijpt zullen

zijn, besluiten onzerzijds verantwoord

kunnen worden geacht en de

gedachte van de algemene publiekrechtelijke

regeling — waarvan de

tuchtrechtspraak volgens de wet een

deel uitmaakt — gedragen kan worden

door het rechtsgevoel van de vakgenoten.

Een uitspraak die met de

meeste klem door onze besturen ter

kennis van regering en volksvertegenwoordiging

dient ie worden

gebracht.

Bijkomstig

Een voordeel van het wetsontwerp

heet de erkenning van het beroep.

Maar men hoeft tekst en voorlichting

niet kwaadwillig te lezen, om

er uit te concluderen dat die erkenning

door de voorstellers toch wel

min of meer in de sfeer van het

bijkomstige is gehouden. In het gunstigste

geval valt te zeggen, dat de

tuchtregeling de prijs is die er voor

wordt geëist en dat de overheid op

die prijs bijzonder gesteld is.

De tuchtregeling die nu, nodeloos

overhaast en op onelegante wijze

aanhangig is gemaakt, kan naar

buiten bezwaarlijk een andere indruk

wekken, dan dat er aan de Nederlandse

pers toch wel wat steken los

moeten zijn. Er is in buitenlandse

bladen een aanzienlijke dosis demagogie

weggegeven over de Nederlandse

persbreidel die op komst zou

zijn, maar de indruk die ik hier noem

is een element, dat aan die demagogie

is voorafgegaan en dat in het

wetsontwerp besloten ligt. Al ware

het alleen om de merkwaardige

tegenspraak welke in de M. v. T.

te vinden is. Bestrijding van excessen

is het hoofddoel; de „betrekkelijk

hoge uitzondering" het gevaar.

Maar bij de toelichting op de m.i.

te misprijzen bewoordingen van de

tuchtrechtelijke norm (art. 35) wijzen

de ministers een bepaalde formulering

van de hand, omdat, nota

bene, talloze pogingen tot ontduiking

daar het gevolg van zouden zijn.

Kan men hieruit een andere indruk

krijgen dan dat het gaat om talloze

excessen? Wanneer het sentiment

hier een kans krijgt, dan is dat toch

alleen aan de schrijvers van het

staatsstuk te wijten!

Intussen: de Commissie-Pompe

moge eenstemmig van oordeel zijn,

dat de tuchtregeling in deze vorm

er moet komen; de publieke opinie

moge zich bij vele gelegenheden reeds

in positieve zin hebben uitgesproken

— men zou dan toch ten minste het

rapport van de commissie met de

argumenten wel eens willen lezen

en ook willen vernemen, hoe het

met die vele positieve uitspraken

precies gesteld is.

Moeten wij, als journalisten, zo

noodzakelijk meehameren op het


aanbeeld van de ondeugdelijkheid

der Nederlandse pers? Het verhaal

is zeer geliefd sinds de bevrijding en

er moge aanvankelijk enige waarheid

in gezeten hebben. Maar is de toestand

nog zo? En dan: is die toestand

zo schrikbarend, dat dit wetsontwerp

uitkomst moet brengen? De

commissie kreeg haar opdracht in

1947; naar verluidt, verscheen haar

tussenrapport vele maanden geleden.

Wij schrijven thans 1949 en ik

zou graag nu met de stukken op

tafel zien aangetoond, dat de Nederlandse

pers noodzakelijkerwijs tekort

schiet in hoedanigheid; erger, dat op

haar terrein de excessen welig tieren.

Hoe zijn de ervaringen van onze

eigen Raad van Tucht? Men had

toch ten minste mogen verwachten,

dat dat instituut tijd van leven zou

hebben gekregen om zich te ontwikkelen

en tot resultaten te komen.

Een overzicht van zijn ervaringen

is ons toch nimmer voorgelegd en

daarmee ontbreekt tevens elke mogelijkheid

tot toetsing van de eens gekozen

opzet aan de practische mogelijkheden

en aan dat wat de regering

thans wil. Een nieuw vraagteken

in de rij, die aan de door de

regering verkozen procedure het

aanzijn dankt.

Er is veel en soms ontstellend

onbegrip voor taak en wezen van de

pers. Niet het minst bij overheidsinstanties.

Men make zich daarover

toch vooral geen illusies. Alle mooie

woorden in de Memorie van Toelichting

over de functie van de pers veranderen

niets aan die practijk. De

totstandkoming van de wettelijke

tuchtregeling kan dat evenmin. Zij

zal bij velen buiten onze rijen slechts

de mening doen post vatten of versterken,

dat het toch wel hoog tijd

werd.

Wij zullen er overigens goed aan

doen, de oorzaak voor dit onbegrip

niet 'altijd bij voorbaat te zoeken aan

de kant van de pers. Dat is een facet

van de zaak, waaraan ook wel eens

te weinig aandacht ten deel valt.

Persvrijheid

Brengt het ontwerp de persvrijheid

in gevaar? Weer een vraag waarbij

het sentiment zijn kans krijgt. Los

daarvan geef ik een bevestigend antwoord.

Al was het alleen door het

preventieve element, dat coll. Hanekroot

bijv. zo nadrukkelijk op de

voorgrond heeft gesteld. Wel te verstaan:

het preventieve element van

een wet, die krachtens de geest van

de Grondwet toch in de eerste plaats

als repressief moet worden aangemerkt.

Het betoog van coll. Hanekroot

over de persvrijheid kan ik

trouwens niet geheel overzien. Hij

spreekt min of meer terloops van

„een bepaalde interpretatie van art. 7

der grondwet", waarop men „dan"

zijn bezwaren baseert. Accoord;

maar die ,.bepaalde interpretatie" is

toch veelszins gemeengoed en een

keuze tussen deze en een andere interpretatie

lijkt mij een zaak, die

noch in het nummer van „De Jour­

nalist", noch op het as. congres in

het voorbijgaan uit de doeken kan

worden gedaan.

Over de tekst van het wetsontwerp

is nog veel te zeggen. De door verschillende

collega's geopperde bezwaren

zijn van velerlei aard. Ik kan

er niet aan denken, daar een complete

catalogus van te bieden. Ik

heb ook geenszins de pretentie, hier

een praeadvies te geven als dat van

coll. Rooy, dat zulk een vertrouwdheid

met de materie verraadt. Mijn

bedoeling is geen andere, dan het

aangeven van enkele uitgangspunten,

ten dienste van de bezwaarden.

In die opzet past de waarschuwing,

dat het wezen van de pers elke vergelijking

met het tuchtrecht voor

medici, advocaten enz. hachelijk

maakt. Het zoeken naar analogie nu

is een van de trekken die het wetsontwerp

kenmerkt.

Erecode en jurisprudentie

De algemene norm van art.- 35

acht ik in al haar vaagheid een gevaar

voor de rechtszekerheid. De

journalist weet daarmee in de practijk

van het werk niet meer waar

hij aan toe is. Voor het eigen tuchtrecht

een bezwaar, dat zich. overwegen

laat, voor een wet — die

maar niet een, twee drie gewijzigd is

> als de practijk daartoe de behoefte

doet ontstaan en zeker niet, wanneer

zij een stuk rechtspraak regelt —

een bezwaar dat overweegt. Uit deze

algemene bepaling zal de journalistieke

erecode op de duur concreet

naar voren moeten treden. Stukje

voor stukje, door de jurisprudentie

van persgerecht en perskamer. Ik

begrijp zeer wel dat de journalistieke

gedragingen niet punt voor punt

netjes in artikelen voorzien en vastgelegd

kunnen worden. Maar aangenomen

dat er een zekere communis

opinio bestaat over de erecode —

waarom dan niet althans de poging

gewaagd, haar alsnog werkelijk te

codificeren? Zodat de vakgenoot op

een aantal concrete punten wèl weet

waar hij aan toe is ?

Thans krijgt men de figuur, dat

een aantal journalisten gedurende

een aantal jaren voor het persgerecht

zal verschijnen, in zekere zin

op hoop van zegen en dat dank zij

hun feilen het nageslacht wellicht

over een pracht van ëen, in jurisprudentierecht

neergelegde, erecode

beschikken zal. Is dat rechtvaardig,

wanneer niet vooraf een ernstige

poging is ondernomen om meer

vastheid te verzekeren; wanneer

geen regelen bestaan bijv. voor de

verdeling der verantwoordelijkheid

binnen het raam der organisatie van

een redactie en bij dit alles bovendien"

de sociale positie van de journalist

(dienstbetrekking) een groot

vraagteken blijft opleveren?

Om via de rechtspra.ak tot een

enigszins vaststaande mening omtrent

de erecode te komen is een

niet gering aantal uitspraken nodig.

Uitspraken liefst tot en met de hoogste

instantie gezocht. Er zal ook

een zekere vastheid in die uitspraken

moeten komen; dat vraagt herhaling

en bevestiging. En zullen

alle onzekerheden die er zijn, aan de

rechtsprekende colleges worden

voorgelegd? Om werkelijk goede

resultaten te verkrijgen zou het inderdaad

wel eens nodig kunnen zijn,

dat" een stroom van veronderstelde

delinquenten naar Amsterdam trekt.

In het ontwerp-Advocatenwet toont

de regering merkwaardigerwijze wel

oog te hebben voor de hier aangestipte

bezwaren. Voor de advocaten

wil zij juist bij de wet een einde

maken aan een toestand van onzekerheid,

die voor de journalisten

door een andere wet dreigt geschapen

te worden.

De directeuren

Een andere vraag die rijst is,

waarom directeuren en uitgevers

deel van de recht sprekende instanties

moeten uitmaken. Volgens de

M. v. T. is men in perskringen van

de noodzaak daarvan „algemeen overtuigd".

Is dit een typisch staaltje

Van feitelijk onjuiste of van onverantwoordelijke

voorlichting, welke

artikel 35 juist beoogt te treffen?

Ik zie voorshands niet in, welke bijzondere

geschiktheid directeuren en

uitgevers hebben om te kunnen oordelen

over alle zaken welke met de

journalistieke erecode verband houden.

Ik vraag mij bovendien af, of

de benoeming van de juristen, in de

colleges door de regering — zonder

voorgeschreven advies der organisaties

— een waarborg kan inhouden

voor althans enige kennis van het

perswezen, die toch wel zeer node

gemist zal kunnen worden.

Het verschoningsrecht zij hier

even aangestipt. Het ontwerp voorziet

er niet in. Men zou dat begrijpelijk

kunnen noemen in een gedachtengang,

waarin de erkenning van

journalistiek zo duidelijk als toegift

wordt verstrekt op de vervulling van

dat zo urgent geheten verlangen der

regering: uitbreiding van de tegen -

misdragingen door middel van de

drukpers te nemen maatregelen. Aan

de bemoeiingen der organisaties

dankte alsnog de Commiss'e-Van

Vierssen Trip haar ontstaan. Het

resultaat van haar bevindingen is

mij onbekend. Het kan een verbete-"

ring van het ministeriële voorstel

inhouden. Een verbetering evenwel,

die m.i. aan de hoofdbezwaren tegen

dit voorbarig ingediende en ten onrechte

afgesplitste wetsontwerp weinig

vermag af te doen.

Conclusie

Bij deze keuze uit bezwaren en

vragen moge ik het laten. Hopenlijk

brengt de 28ste Mei voldoende gelegenheid

voor aanvulling en verduidelijking.

Gelegenheid ook om

rustig kennis te nemen van de argumenten

over en weer. De bereidheid

hiertoe bij allen, of zij zich thans

3


voor- dan wel tegenstanders noemen,

is de eerste voorwaarde voor

het slagen van de discussie. Een

discussie die m.i. dient te leiden tot

een uitspraak van het congres,

waarin, zoals ik hierboven reeds aangaf,

aangedrongen wordt op intrekking,

subsidiair aanhouding van de

behandeling van het wetsontwerp

1179. Daarnaast besluite het congres

tot het in het leven roepen van een

breed samengestelde commissie térbestudering

van de vraagstukken

welke passen in het kader van een

algemene perswet, zoals dat door de

CommissiePompe is aangegeven en

waartoe ook de wettelijke tuchtregeling

behoort. Een commissie, welke

tevens tot taak zal hebben de belangstelling

voor deze vraagstukken

binnen de afdelingen der organisaties

voortdurend te activeren. Alleen

door het intense meeleven van alle

vakgenoten zullen wij kunnen komen

tot die hechte basis van gemeenschappelijk

gerijpte overtuiging, welke

nodig is om de overweging van

verdere regeling van ons beroep

verantwoord en vruchtdragend te

doen zijn.

* Nummering van mij (V.).

Naschrift:

Het bovenstaande was geschreven,

toen het Nederlands Juristenblad van

14 Mei verscheen. (Jrg. 1949, afl. 20;

uitg. Tjeenk Willink, Zwolle). Daarin

schrift prof. mr. J. C. van Oven over

„Journalistengiide en verschoningsrecht"

en prof. mr. J. M. van Bemmelen

in aansluiting daarop over

„Regelen nopens de verantwoordelijkheid

van journalisten".

In een waardering van de standpunten

der beide hooggeleerde

auteurs kan dezerzijds uiteraard niet

meer worden getreden. Hun artikelen

verdienen evenwel ruime aandacht

ook onder journalisten (V.).

4

CONGRES WETSONTWERP

Vraagpunten voor het Congres

1. Moet het tuchtrecht voor journalisten

bij de wet worden geregeld;

a. los van een algemene

persregeling, b. in het verband

van zulk een peirsregeling ?

2. Moet voor een wettelijke tuchtrechtspraak

een register van

journalisten worden gehouden?

3. Indien sub 2 ontkennend wordt

beantwoord, moet dan op andere

wijze de kring der journalisten

worden afgepaald; a. door wettelijke

definitie, toe te passen

door de tuchtrechter; b. als gevolg

van een wettelijk verplicht

lidmaatschap van de krachtens

de wet representatief verklaarde

verenigingen van journalisten ?

4. "Indien sub 2 bevestigend wordt

beantwoord, moet de wet voor

de weigering tot inschrijving

o.m. als norm stellen, dat er gegronde

vrees bestaat, dat de inschrijving

van de betrokkene „de

eer van de stand der journalisten

zal schaden" ?

5. Moet de beslissing omtrent de

inschrijving aan een wettelijk ingesteld

persgerecht worden opgedragen

?

6. Indien sub 5 ontkennend wordt

beantwoord, moet deze beslissing

dan gelegd worden in handen

van de krachtens de wet representatief

verklaarde verenigingen

van journalisten?

7. Moet de titel journalist wettelijk

worden beschermd ?

8. Indien de vraag sub 7 bevestigend

wordt beantwoord, moet de

wet op deze bescherming de

sanctie stellen, dat degene, die

niet gerechtigd is zich journalist

te noemen, geen journalistieke

arbeid mag verrichten bij wijze

van hoofdberoep?

9. Moet de tuchtrechtspraak worden

opgedragen aan een wettelijk

ingesteld persgerecht?

10. Indien sub 9 bevestigend wordt

beantwoord, moet dit gerecht

dan in meerderheid bestaan uit

in de pers werkzame personen,

JOURNALISTIEKE VERANTWOORDELIJKHEID

Het aanvankelijk op 7 Mei belegde congres der Federatie over het

ontwerp van Wet op de Journalistieke Verantwoordelijkheid is uitgesteld

tot 28 Mei. (Voor de redenen van dit uitstel zie men het elders

in dit nummer opgenomen verslag van de vergadering der besturen

van de N.J.K. en van de K.N.J.K.)

Aangezien de beslissing tot uitstel op 5 Mei (nationale feestdag)

werd genomen, was het onmogelijk de leden hiervan individueel op de'

hoogte te stellen. Door mededelingen over de telex aan alle dagbladredacties

met verzoek een bericht in de bladen op te nemen, via de

radio-omroep, en aan de afdelings-secretariaten, is getracht zoveel

mogelijk bekendheid aan het uitstel tot 28 Mei te geven.

Wij vestigen de aandacht van alle leden er op, dat ihet congres, dat

thans op Zaterdag 28 Mei a.s. in de Dietsche Taveerne, Oudkerkhof 31,

Utrecht wordt gehouden, om 13.30 uur aanvangt (dus niet om 13 uur).

Men gelieve deze mededeling als een convocatie te beschouwen.

i

en wel a. uitsluitend uit journalisten,

b. uit journalisten en uitgevers

?

11. Indien sub 9 ontkennend wordt

beantwoord, moet dan de wet de

Raad van Tucht der Federatie

van Nederlandse Journalisten

als tuchtrechtelijk college erkennen

?

12. Moeten de leden van een wettelijk

ingesteld persgerecht benoemd

worden: a. door de

Kroon, op voordracht van de ministers

van Onderwijs, Kunsten

en Wetenschappen' en van Justitie,

op aanbeveling van de

krachtens de wet representatief

verklaarde verenigingen van

journalisten en uitgevers; b.

door de bovenbedoelde verenigingen,

welke benoeming dooide

Kroon dient te worden bekrachtigd

?

13. Moet ten aanzien van de beslissingen

van het tuchtcollege de

mogelijkheid van hoger beroep

worden geopend; a. op een bestaand

rechterlijk college, al dan

niet aangevuld met in de pers

werkzame personen; b. op een

speciaal daartoe in te stellen

college, waarvan de meerderheid

al dan niet zal bestaan uit buiten

de pers staande personen ?

14. Moet in art. 35, lid 1 van het

wetsontwerp inplaats van de

zinsnede: , ,feitelijk onjuiste

voorlichting" gelezen worden:

„onjuiste weergave van

feiten" ?

15. Moet als norm in art. 35 gelden:

a. strijd met de zorgvuldigheid,

die de journalist in het maatschappelijk

verkeer betaamt; b.

strijd met de eer van zijn stand ?

16. Moeten de hierboven weergegeven

normen voor de tuchtrechtspraak

worden beperkt tot gevallen

van opzet, of moeten deze

zich mede uitstrekken tot gevallen

van grove schuld?

17. Moet de tuchtrechter de in art.

35 onder a. tot en met e. genoemde

maatregelen kunnen opleggen

?

18. Moet ook de verantwoordelijke

redacteur van een tijdschrift,

nieuwsblad of persbureau aan

een soortgelijke tuchtrechtspraak,

als voor journalisten zal

gelden, worden onderworpen?

19. Moet de uitgever, of de directeur

van een persbureau ter

zake van de feiten, genoemd in

art. 37, aan een soortgelijke

tuchtrechtspraak worden onderworpen

?

20. Moeten de foto-journalisten begrepen

zijn in de wettelijke definitie

van journalist?

21. Moet het wetsontwerp worden

aangevuld in deze zin, dat radiojournalisten:

a. worden begrepen

in de wettelijke definitie van

journalist; b. aan de tuchtrechtspraak

van journalisten worden

onderworpen ?


De stok is opgeheven!

Honderden malen hebben buitenstaanders

zowel als vakgenoten ons

voorgehouden: de pers van na de

oorlog staat op een heel wat lager

peil dan die van voor de oorlog. Het

is zo. En het is maar een schrale

troost en ee,n zwakke verontschuldiging,

dat zulks niet alleen ten aanzien

van de pers het geval is. Zoeken

wij naar een oorzaak, dan zien wij,

dat de daling van het niveau voor

zeker niet meer dan 2 pet te wijten

is aan kwade wil (opzet of grove

schuld) en, voor de overige 98 pet

aan ondeskundigheid (gebrek aan

algemene ontwikkeling, aan juiste

opleiding, aan helder inzicht, aan gevoel

voor verantwoordelijkheid, aan

begrip van eigen arbeid, aan vakbekwaamheid,

aan ervaring).

Het is een gelukkige omstandigheid,

dat er allerwege gezocht wordt

naar verbetering van het peil onzer

bladen. Uit eigen kring zijn allerlei

denkbeelden naar voren gekomen

en ten dele reeds verwezenlijkt! —

om aan de ondeskundigheid een einde

te maken. Daar is tijd voor nodig en

die tijd moet men ons gunnen. Ook

zijn er maatregelen genomen ter beteugeling

van de kwade v/il, en wel

in de vorm van verenigingstuchtrechtspraak.

Is dit alles nu voldoende

? Och, op die vraag is het

antwoord nog niet te geven. De

maatregelen en besluiten zijn nog

van zo jonge datum, dat het effect

ervan nog maar ternauwernood

waarneembaar is.

De overheid grijpt in

Ondertussen verdient het feit de

aandacht, dat ook de overheid gemeend

heeft ter zake iets te moeten

ondernemien,. Op 24 Maart 1947 werd

bij beschikking van de ministers van

O., K. en W. en van Justitie een

commissie onder leiding van prof.

mr. W. P. J. Pompe ingesteld, die

voornamelijk tot taak kreeg na te

te gaan:

Ie. of het aanbeveling verdient

het uitgeven van dagbladen enz. bij

de wet te regelen;

2e. of er aanleiding is om de bestaande

strafbepalingen tegen misdragingen

door middel van de pers

uit te breiden;

®e. of het wenselijk is aan een

journalistenorganisatie de bevoegdheid

toe te kennen tot het in eigen

kring opleggen van tuchtmaatregelen.

Bekijkt men de opdracht aan de

commissie met een critisch oog, dan

blijkt, dat de overheid twee jaar geleden

niet de behoefte gevoelde de

door G. H. WERKMAN

ondeskundigheid te bestrijden, wèl

om de kwade wil de kop in te drukken.

Ongetwijfeld behoort het tot de

taak ener regering kwaadwillenden

tot de orde te roepen, maar in dit geval

had de ministeriële voortvarendheid

toch wel een wrange bijsmaak. Ik

kan mij niet aan de indruk onttrekken,

dat de regering veel en veel meer

kwade wil heeft gezien dan ondeskundigheid;

dat zij door middel van

een vergunningsstelsel - met - voorwaarden,

benevens strafrechtelijke

en tuchtrechtelijke maatregelen de

(immers kwaadwillende) pers geducht

heeft willen breidelen; kortom,

dat zij zich een stok heeft willen

verschaffen om de hond te slaan.

Wensen voor een pers wet

Nu is inmiddels bekend geworden,

dat de commissie al doende haar

raison d'etre voor een goed deel in

positieve zin heeft omgebogen. Dat

pleit voor haar gezonde inzicht. De

meerderheid harer leden is allengs

gaan streven naar een algemene

perswet, regelend:

Ie. een publiekrechtelijke organisatie

van het perswezen;

2e. een tuchtrechtspraak voor de

pers;

3e. De verhouding tussen commerciële

en redactionele leiding;

4e. de openbaarheid der financiën.

Het zou m.i. geen kwaad kunnen

als zij daaraan nog zou toevoegen:

5e. de journalistieke erecode;

6e. het verschoningsrecht;

7e. het recht op de toegang tot de

bronnen van het nieuws;

8e. de bestrijding der beunhazerij;

9e. de opleiding der journalisten;

10e. de sluiting van het beroep.

Misschien is de volgorde dezer tien

onderwerpen wat willekeurig, maar

zij vormen, meen ik, tezamen toch

wel de globale samenvatting van

hetgeen er binnen de grenzen van

onze beroepsbezigheden aan brandende

vraagstukken bestaat. Ik geef

terstond toe: de oplossing te vinden

voor al die tien vraagstukken is een

reusachtig karwei, maar de omvang

van een taak mag nu eenmaal geen

reden zijn haar uit de weg te treden.

Het zou nuttig zijn de eommissie-

Pompe, al dan niet gewijzigd of uitgebreid,

van haar oorspronkelijke opdracht

te ontheffen en haar in deze

zin een nieuwe te verstrekken,. In

feite heeft zij dat ten dele zelf al

gedaan.

Het spreekt natuurlijk vanzelf, dat

een rapport ter voorbereiding van

een algemene perswet in brede krin­

genen niet in de laatste plaats

in die der vakmensen — besproken

zou moeten worden. De opdrachtgevende

ministers hebben dat ook

wel zo aangevoeld; immers, zij hebben

de verschijning ter gelegener tijd

van een voorontwerp-van-wet aangekondigd,

een stuk-ter-beraadslaging,

waaraan gedokterd kan worden alvorens

het als een officieel wetsontwerp

bij Koninklijke boodschap der

Stateneneraal wordt, aangeboden.

Op dat punt kunnen wij derhalve

gerust zijn; wij zullen niet overrompeld

worden.

Op het ogenblik echter dreigen wij

op een onderdeel van dit geheel wèl

overrompeld te worden. Daar is

eensklaps datgene uit het denkbeeld

der commissie gelicht, waarover

binnen die commissie min of meer

toevallig eenstemmigheid bleek te

bestaan en waaromtrent — als wij de

memorie van toelichting op wetsontwerp

1179 mogen geloven — ook

de publieke opinie zich bij vele gelegenheden

reeds in positieve zin

heeft uitgesproken, te weten de wenselijkheid

om de strafrechtelijke bescherming

tegen misdragingen door

middel van de drukpers met een

tuchtrechtelijke uit te breiden. Het

wil mij voorkomen, dat eenstemmigheid

in de commissie over een onderwerp,

dat nota bene buiten haar opdracht

valt — punt 3e. spreekt

slechts van het toekennen van tuchtrechtspraak

in eigen kring aan een

journalistenorganisatie — geenszins

urgentie van het vraagstuk impliceert.

Het een heeft met het ander

niets te maken. Stel u voor, dat de

commissie eenstemmig van oordeel

ware geweest, dat de kranten voortaan

met blauwe inkt moeten worden

gedrukt: zou dat dan een reden zijn

geweest om terstond een dienovereenkomstig

wetsontwerp in te dienen?

En dan die publieke opinie!

Sinds wanneer staan ministers ervoor

in, dat zij haar kennen ?

Was die stok nodig?

Op verzoek nu van de ministers

van O., K. eni W. en van Justitie (die

uit het vorige Kabinet, wel te

verstaan), die van oordeel waren, dat

deze materie zonder verwijl om regeling

vraagt, heeft de commissie-

Pompe een tussenrapport ingediend,

waarop het wetsontwerp op de journalistieke

verantwoordelijkheid is gebaseerd.

Ik meen te weten, dat alle

leden dit tussenrapport hebben, ondertekend

— uit niets blijkt trouwens

het tegendeel — en dat verbaast mij.

Dat verbaast mij, omdat de leden-

5


journalisten van die commissie, die

tot de bekwaamsten onzer collega's

behoren, blijkbaar het psychologische

effect varj deze handeling hebben

onderschat. Immers, nu ligt daar een

wetsontwerp voor ons en het spreekt

van verantwoordelijkheid, van een

beroepsregister, van een persgerecht,

van tuchtrechtspraak. De regering

heeft de stok geheven om de hond te

slaan!

Neen, zeggen de juristen terstond,

als dit ontwerp wet geworden is,

moet de regering die stok ter hand

stellen aan het onpartijdige persgereeht,

dat zelf als een onafhankelijk

lichaam van geval tot geval zal

uitmaken of het zal slaan. Maar de

stok blijft een stok, de hond blijft

een hond en de keus blijft beperkt

tussen slaan en niet-slaan. Is er

sprake van opzet, dan slaan. Is er

sprake van grove schuld, dan ook

slaan. En voor de rest och, die

98 pet ondeskundigheid is blijkbaar

geen materie, die zonder verwijl om

regeling vraagt.

Misverstand te vrezen

Voor mij weegt die 98 pet ondeskundigheid

49 maal zwaarder dan

die 2 pet kwade wil. Ik ben het dus

niet eens met de (voormalige) ministers

van O., K. en W. en van Justitie,

ik ben het ook niet eens met de commissie-Pompe

en ik ben het helaas

evenmin eens met onze voorzitter,

die de stok ook al zo hard nodig

vindt. Dit wetsontwerp moet alle

vakgenoten kopschuw maken en alle

buitenstaanders tot het oordeel brengen,

dat het toch wel bar en bijster

gesteld is met die journalisten-vantegenwoordig.

Waarom zouden wij

ertoe moeten medewerken die gedachten

te doen postvatten?

De kopschuwheid, voortvloeiend

uit het simpele feit, dat dit wetsontwerp

van ons het prijsgeven van

een kostbaar goed verlangt zonder

er iets anders voor in de plaats aan

te bieden — bijvoorbeeld het verschoningsrecht!

— wordt geenszins weggenomen

door mr. Rooy's opmerking,

dat het in het kader van de hier

beoogde wet tevens mogelijk zal zijn

om een oplossing te vinden voor dat

recht. Te meer niet, daar Hanekroot

ons in het gelaat slingert, dat wij

ons niet behoeven te verbeelden, dat

wij zo'n recht in lengte van jaren in

generaliserende zin toegekend zullen

krijgen. Ik vind dat, eerlijk gezegd,

een onbetamelijke opmerking voor

een vakgenoot, die gekozen is om de

belangen van velen onzer te behartigen.

Maar afgezien daarvan, ik

vrees, dat de tegenwoordige ministers

van O., K. en W. en van

Justitie wel eens van oordeel zouden

kunnen zijn, dat het verschoningsrecht

nu net geen materie is, die

zonder verwijl om regeling vraagt.

Wij vinden dat wel. Welnu, als dat

recht zo goed past in het thans aanhangig

zijnde ontwerp, laten de

ministers het dan ndg even aanhouden

tot de commissie onder leiding

van jhr. mr. G. W. van Vierssen Trip

ook haar rapport gereed heeft. De

6

ene urgente materie kan dan aan de

andere gekoppeld worden, tezamen

met die andere acht, die ik in het

begin van dit artikel heb genoemd.

Daar gaat dan weliswaar weer een

paar jaar mee heen, maar, wie weet,

misschien slijt die urgentie er dan

ook wel een beetje af. Dat zou alles

veel eenvoudiger maken

Geen tuchtrecht zonder

verschoningsrecht

Maar in alle ernst, geen tuchtrecht

zander verschoningsrecht. Voor wat

hoort wat. Trouwens, de ministers

maken in hun memorie van toelichting

een vergelijking met de medici

en de advocaten, die ook een tuchtrecht

hebben. Maar als er dan per :se

vergeleken moet worden, hebben die

ook niet het verschoningsrecht? En

is dit laatste niet veeleer karakteristiek

voor het „nobile officium" dan

het eerste ?

Terecht staat in de memorie van

toelichting, dat de bescherming van

de journalistieke titel een lang gekoesterde

wens is. De ministers én

hun raadgevers moeten echter wel

een vreemde kijk op deze wens

hebben als zij menen, dat het verschaffen

van een middel tot zelfkastijding

die bescherming tot een

feit maakt. Bescherming van een

titel is waardeloos als zij niet gepaard

gaat met bescherming van het

beroep. En daarmee nu neemt wetsontwerp

1179 een loopje.

Immers, het spreekt van en erkent

dus „verantwoordelijke redacteuren

van nieuwsbladen en tijdschriften,

die geen, journalist zijn". Wil men

ons beschermen, ook in stoffelijke

zin, dan moeten er honderden, misschien

zelfs enige duizenden redactiestoelen

vrijgemaakt worden voor

beroepsjournalisten. Elke advocaat

kan ongestraft de journalistiek beoefenen

(ook als het onderhavige

ontwerp wet wordt!), maar geen

journalist moet het wagen zich in de

advocatuur te werpen. En dat geldt

tevens voor elke arts, elke geestelijke,

elke ingenieur, ja elke kruidenier.

Dit maatschappelijke euvel is

historisch gegroeid, maar dat is geen

reden om het te laten voortbestaan.

Op het ogenblik zijn weer tientallen

collega's werkloos, maar een gepensionneerde

burgemeester-tevens-ex-

Kamerlid, redigeert een maandblad

met een oplage van 110.000 exemplaren.

Verantwoordelijk werk! De

brave man doet het op een wijze,

waarop noch straf-, noch tuchtrechtelijk

iets aan te merken is, maar hij

ontneemt een bona fide journalist een

stuk werkgelegenheid. En zo zijn er

zeer velen. Dit is maar een los

voorbeeld.

Bescherming" van de titel? Goed!

Bescherming van het beroep? Nog

beter, maar dan geen erkenning van

beunhazen en onderkruipers .(ik schrik

voor deze woorden niet terug, ook al

betreft het hier hoogst fatsoenlijke

mensen!) Een tegenvoorstel: laten

wij eisen, dat er in Nederland geen

blad mag verschijnen, dat niet onder

leiding van een beroepsjournalist

staat. Voor velen onzer, die om een

schamele bete broods voor hun gezin

en zichzelf verlegen zitten, is dit een

materie, die zonder verwijl een regeling

vraagt.

Er wordt een register van journalisten

gehouden, zegt artikel 23 van

wetsontwerp 1179. En aan de inschrijving

in dat register kan men

dan — o, voorrecht! — het recht

ontlenen om de hond te zijn, die de

stokslagen incasseert. Hoe eenvoudig

toch. Men vraagt zich af hoe het

mogelijk is, dat een uitgebreide commissie

twee jaar lang heeft moeten

beraadslagen om tot die oplossing te

geraken. Ik vrees, dat onze geachte

voorzitter mij ook van pure demagogie

gaat verdenken, zelfs zonder dat

is naar de parallel met Goedewaagens

beroepsregister verwijs. Maar ik

waag het erop. Ik zie heus het grote

verschil wel tussen een register in

handen van de uitvoerende en een in

handen van de rechterlijke macht.

Maar toch

Eerst het nod\gste

Maar toch vraag ik mij af: worden

onze kranten nu heus beter door de

inschrijving in dat register? Daar

gaat het immers om! Brengen wij de

journalistiek er mee op een hoger

peil? Dat is toch het doel! Ik geloof

het niet. Zulk een inschrijving levert

immers geen enkele waarborg voor

deskundigheid. Wat wij in de eerste

plaats nodig hebben is:

Ie. een diploma van vakbekwaamheid;

2. een waarborg voor integriteit;

3. een wet, die alleen aan beroepsjournalisten

het recht geeft de journalistiek

te beoefenen.

•Het onderhavige wetsontwerp wil

alleenen dan nog op een hoogst

ongelukkige wijze — punt 2e. regelen,

omdat de publieke opinie dat

heet te verlangen, hetgeen niet is

aangetoond. Wij hebben evenveel

belang bij punt ie, en punt 3e. Wij

moeten waken tegen een vorm van

wetgeving, die ons alleen plichten

oplegt en ons geen, rechten verschaft.

Ik zal nu niet verder ingaan op de

mérites van het wetsontwerp, dat

ook in onderdelen vele bezwaren

heeft (werkgevers in een rechtsprekend

college e.d.,), maar mij bepalen

tot de slotsom, die leidt tot verwerping

van dit ontwerp. Gaarne wil ik

aan die negatieve eis een positief

voorstel verbinden: laat de Federatie

als haar oordeel uitspreken, dat:

Ie. de tuchtrechtspraak niet losgemaakt

behoort te worden van de

toekomstige algemene perswet;

2e. wetsontwerp 1179 derhalve ingetrokken

dient te worden;

3e. het aangekondigde voorontwerp-van-wet

tot algehele regeling

van het perswezen met grote en welwillende

belangstelling tegemoet

wordt gezien;

4. de Federatie te gelegener tijd

haar oordeel over dat voorontwerp

na grondige bestudering ter openbare

kennis zal brengen.


Positie van de

Mr. M. Rooy, in zijn toelichting op

het wntwerp van wet op de journalistieke

verantwoordelijkheid in het

laatste nummer van De Journalist,

meende dat er twijfel zou kunnen bestaan

over de vraag of fotojournalisten

..journalistieke arbeid" verrichten

doch dat die twijfel dan

nader uit de weg moet worden geruimd

en wel zijns inziens in de zin

van de Statuten van de Federatie.

Ook meent mr. Rooy dat vooral de

free lancers (zelfstandigen, zoals zij

in de kring hunner collega's genoemd

worden) onder de fotojournalisten in

de practijk tevens als ondernemer

optreden en dat deze vermenging van

journalistieke en economische activiteit

afbreuk zou doen aan de journalistieke

onafhankelijkheid van de

betrokkenen.

Ik kan het met deze gedachtengang

niet eens zijn. Noch de Wetgever,

noch, naar ik meen, de Statuten

uwer organisatie trekken de

journalistieke onafhankelijkheid van

free lance journalisten in twijfel of

uiten twijfel ten aanzien van de

journalistieke integriteit van de

directeuren-hoofdredacteuren. En de

verslaggevers die regelmatig tezamen

met fotojournalisten op pad zijn

zullen mij zeker wel het genoegen

willen doen, naar waarheid, te verklaren

dat de manier waarop dezen

hun persfoto's vervaardigen niet

minderwaardig is aan de wijze

waarop zij hun nieuws vergaren.

En het verrichten van journalistieke

arbeid? Het ontwerp van wet

verstaat daaronder o.m.: „het medewerken

aan de redactionele inhoud

van een dagblad, nieuwsblad of tijdschrift",

en ik ben blij. dat mr. Rooy

zelf althans van mening is dat het

maken van foto's voor deze publicaties

wel degelijk als „journalistieke

arbeid" aan te merken is, al

zou hij graag de titel van journalist

zien weigeren aan de groep fotojournalisten.

Het zou mij buitengewoon spijten

indien dit laatste inderdaad zou gebeuren.

De persfotografen van voor

de oorlog, door het misbruik dat de

bezetter van het fotobeeld gemaakt

heeft tot het besef gekomen van de

journalistieke waarde van hun werk,

hebben zich na de bevrijding verenigd

in de Nederlandse Vereniging

van Fotojournalisten, welke organisatie

door haar Statuten en de wijze

waarop deze gehandhaafd worden

de verandering van fotograf en-voorde-pers

tot journalisten-middels-defoto

met kracht heeft bevorderd.

Wie er belang in stelt, leze de Statuten

van de NVF, neme kennis van

het examen dat adspirant-leden

moeten afleggen om als fotojournalist

erkend te werden en beseffe de

betekenis van het feit dat de NVF

reeds in het voorjaar van 1947 een

wettelijk erkende tuchtraad en Raad

van Arbitrage in het leven heeft geroepen.

Natuurlijk komt de NVF op

f oto j our nalisten

voor de stoffelijke belangen van

haar leden doch de voorlichting die

zij daarbij geeft tot het handhaven

van de Auteurswet en de prijsafspraken

die zij tot stand bracht

hebben ertoe geleid dat de fotojournalistiek

na de oorlog niet alleen

meer aantrekkelijk is voor loopjongens,

„waar wat in zit", maartevens

voor mensen die hart voor het vak

hebben ter wille van de journalistiek

en die deze journalistiek liever met

de camera dan met de pen'uitoefenen.

En alweer roep ik de journalisten

die regelmatig met fotojournalisten

optrekken tot getuige.

Na de oorlog had de NVF de gelegenheid

zich aan te sluiten bij de

Vakgroep Fotografie en aldus de

mogelijkheid tot wettelijke bescherming

van het vak. Maar de NVF

heeft (tegen het economische belang

harer leden in) geweigerd, zogoed

als de meeste van haar. leden zijn

doorgegaan met het vervaardigen

van persfoto's tegen betaling van

tientjes, terwijl zij met het uitoefenen

van de vakfotografie honderdjes

hadden kunnen verdienen. Er zijn

wel leden van de NVF die naast de

fotojournalistiek ook vakfotografie

bedrijven, al waren het maar de

Ach, iets nieuws is de combinatie

niet en nog maar enkele nummers

geleden hebben onze leden kunnen

lezen, hoe een huisvrouw over de

radio de journalisten de mantel uitveegde

over het verbreiden van de

huishoudelijke eendags-legenden, die

we geruchten noemen. Inderdaad maken

zelfs de ernstigste beoefenaren

van het Vak zich wel eens schuldig

aan legendevorming maar dan toch

meer, doordat zij iets te mooi wilden

maken. Het verhaal vindt dan

nogal eens de weg naar het buitenland

en vroeg of iaat keert het als

echte legende terug naar. zijn oorsprong,

waar het dan amper meer

herkend wordt.

Waar moet het evenwel • heen,

wanneer mannen der wetenschap een

verhaal uit de pers tot het rijk der

legenden verheffen ?

Vóór het stedeke Zaitbommel vermaard

werd door de tante Mathilde

van coll. Elias, genoot het reeds

een zekere bekendheid door het „Impromptu",

waarin dr. Ant. van Anrooy

de liefde^ van Eduard Manet

voor de Bommelse beiaardiersdochter,

een ontdekking ter plaatse van

niemand minder dan Liszt, beschreven

had en voorts door de krijgsoverste

Maarten van Rossum. Het

was aan deze beruchte maarschalk,

dat een collega in zijn jeugd een verhaal

wijdde, dat hij volledig uit zijn

in de locale historie gedoopte duim

gezogen had en dat hij een kwart

coiiega's in de kleine plaatsen die

van de fotojournalistiek nooit zouden

kunnen bestaan, doch v/ier diensten

voor de kranten en de fotopersbureaux

onmisbaar zijn. Maar zij

zijn in onze vereniging buitengewoon

lid, en hebben minder rechten dan

de gewone leden, die — zoals de

Statuten omschrijven — „in belangrijke

mate en geregeld als hun beroep

persfoto's vervaardigen en deze

aan persorganen ten verkoop aanbieden".

Zij die zorg hebben voor vermenging

van journalistieke en economische

activiteit door fotojournalisten

en daarin aanleiding vinden hen

buiten de wet op de journalistieke

verantwoordelijkheid te houden hebben,

vrees ik, ongelijk. De fotojournalisten

hebben niet meer reden dan

vele journalisten om hun journalistieke

werk door economische belangen

te doen beïnvloeden en zij zijn

daartoe evenmin bereid als deze

laatsten. En blijkt er een zwakke

broeder te zijn dan zal er de wet

op de journalistieke verantwoordelijkheid

zijn. De gemeenschap en de

Pers hebben er recht op in gelijke

mate beschermd te worden tegen

mala fide fotojournalisten als tegen

onverantwoordelijke journalisten. Dat

heeft de oorlog wel geleerd.

S. PRESSER.

Pers en legendevorming

eeuw later nog maar eens geplaatst

had in het speciale Paasnummer van

het blad, waaraan hij inmiddels verbonden

geworden was. Eind vorig

jaar kreeg hij. een prachtig boek ter

recensie toegezonden: „Een jaarkring

van legenden", onder hoofdredactie

van prof. dr. A. G. van Hamel

door een keur van medewerkers

vezameld en bij W. de Haan N.V. te

Utrecht uitgegeven. En daarin trof

hij tot zijn verbazing als een wasechte

legende zijn verhaal over

Maarten van Rossum. Het was een

beetje bekort, er was wat aan gekrabd

en er was wat aan gepoetst,

maar het bleef hetzelfde thema en

dezelfde uitwerking.

Collega vond dit dermate merkwaardig,

dat hij een omzichtig gesteld

briefje aan prof. van Hamel

schreef, of die hem eens met de

inzender van dit verhaal in kennis

kon brengen; doch hij heeft er nooit

antwoord op gekregen. Hij zit nu

met de duimen in de oksels, dat hij

dan toch maar een „officeel" erkende

legende aan de wereld heeft geschonken.

Maar hij herinnert zich te rechter

tijd, dat het weleer Koos Speenhof

Sr. overkomen is, dat een van

diens zangen als volksliedje van

onbekende herkomst opgenomen is

geworden in een niet minder wetenschappelijk

verzamelde bundel liederen

van het volk. En is dit niet een

benijdenswaardig blijk van aangeslagen

te hebben? S. Z.

7


Gezamenlijke bestuursvergadering van U I en K.N.J.K.

Over het aanstaande Congres

Zaterdagmiddag 7 Mei 1.1. kwa>

men de besturen van N.J.K. en

K.N.J.K. te Utrecht in de „Dietse

Taveerne" in spoedvergadering bijeen.

Het N.J.K.-bestuur was, behoudens

coll. Piebenga uit Leeuwarden,

volledig aanwezig, terwijl ook de

redacteuren van „De Journalist", de

coll. Mr. Elias en Yge Foppema

tegenwoordig waren. Van het

K.N.J.K.-bestuur waren alleen de

coll. Hanekroot, Bruna en Wilbrink

en de redacteur van .,De Kath. Journalist",

coll. Zoetmulder aanwezig,

in verband met het feest der R.K.

Universiteit te Nijmegen en met de

omstandigheid, dat dit bestuur de

vorige avond in vergadering bijeen

was geweest.

De voorzitter van de Federatieraad,

coll. Mr. M. Rooy, opende de

vergadering en heette in 't bijzonder

welkom de nieuwe N.J.K.-bestuursleden,

die voor de eerste maal na

hun verkiezing tot bestuurslid, ter

bestuursvergadering waren. Voorts

zette hij uiteen, waarom deze gezamenlijke

vergadering der beide besturen

is belegd.

Toen het wetsontwerp inzake de

journalistieke verantwoordelijkheid

was verschenen, heeft het Federatiepresidium

besloten, dat de coll. Rooy

en Hanekroot artikelen zouden publiceren

in ,,De Journalist" en „De

Kath. Journalist" ter toelichting

op het wetsontwerp, in het tot stand

komen waarvan zij een aandeel hebben

gehad door hun lidmaatschap

der Staatscommissie-Pompe (waarin

zij niet als voorzitters der N.J.K.

en K.N.J.K., doch op eigen verantwoordelijkheid

zitting hadden).

Toen echter bleek, dat rekening

moest worden gehouden met een

spoedige behandeling van het wetsontwerp

in de afdelingen der Twee •

de Kamer, heeft het Federatie-presidium

besloten op korte termijn een

congres der beide organisaties te

OOK U, COLLEGA

dient No. 1179 van de „Witte

stukken" te bezitten!

Daarin zijn afgedrukt de tekst en

Memorie van Toelichting' van, het

wetsontwerp inzake de journalistieke

verantwoordelijkheid.

Lees wat de commissie-Pompe

voor U heeft gewrocht, alvorens

er over te oordelen!

Te 'bestellen op elk postkantoor;

prijs 35 cent.

8

beleggen, waar aan de hand der in

de organen te, verschijnen artikelen,

gelegenheid zou zijn voor de leden

der beide organisaties om zich óver

het wetsontwerp uit te spieken. Bij

de bepaling van de datum voor dit

congres — 7 Mei — heeft hst presidium

helaas verzuimd rekening te

houden met het jubileum der R.K.

Universiteit te Nijmegen. Intussen

bleek, dat het wetsontwerp in de

kringen der journalisten nog al be

roering had gewekt en aanleiding

had gegeven — spr. is van mening,

veelal door onvoldoende bestudering

der materie — tot veel misverstand.

Aan een verzoek van de afdelingen

's-Gravenhage en Amsterdam der

N.J.K. om het congres uit te stellen,

opdat er gelegenheid zou zijn voor

een grondiger voorbereiding van het

congres, heeft het Federatie-presidium

eerst kunnen voldoen, nadat

gebleken was, dat het afdelingsonderzoek

der Tweede Kamer eerst

op later datum zou plaatst hebben

sn er dus voor de journalisten organisaties

gelegenheid zou zijn om ook

bij uitstel van het congres tijdig hun

tnening ter kennis van de Tweede Kamer

te brengen, wat — waar de Ned.

OagbIadpers-1945 zulks reeds had

gedaan — te meer wenselijk werd

geacht. Vandaar, dat het presidium

besloten heeft het congrefcuit te stelten

— behoudens goedkeuring dezer

bestuursvergadering — tot 28 Mei

ELS., waardoor er voor de afdelingen

gelegenheid zou zijn in eigen kring

zich in deze materie te yerdiepen en

ook de mogelijkheid voor deze gemeenschappelijke

vergadering der

beide besturen werd geopend, in

welke vergadering beslissingen kunnen

worden genomen om de leden

der organisaties nog meer omtrent

de materie, waarover het hier gaat,

te oriënteren.

De Voorzitter besloot met de

verzekering, dat coll. Hanekroot en

hij er prijs op gesteld hebben dit

overzicht van het verloop der feiten

te geven. Kennisneming daarvan kan

tevens een antwoord geven op de

geuite critiek, dat het jongste nummer

der beide organen alleen artikelen

pro het wetsontwerp bevatten.

Op het openingswoord volgde gedachtenwisseling,

waarbij het beleid

van het presidium, gehoord de toelichting,

werd goedgekeurd en verschillende

wenselijkheden, in verband

met de voorbereiding van het te houden

congres werden geopperd.

Naar aanleiding dezer besprekingen,

besloot de vergadering,

I dat het congres 28 Mei a.s. te

Utrecht in de „Dietse Taveerne" zal

worden gehoudeln, (aanvang 13.30

uur);

II dat een extra nummer van „De

Journalist" en „De Kath. Journalist"

nog vóór 21 Mei a.s., als gemeenschappelijk

nummer der beide organen

zal verschijnen, waarin tegenstanders

van het wetsontwerp gelegenheid

zullen krijgen, ter voorlichting

der leden, zich uit te spreken en

binnen- en buitenlandse persstemmen

over het wetsontwerp zullen

worden geciteerd. Voorts zal in dit

extra-nummer worden opgenomen

een samenvatting van het rapport

der commissie-Van Vierssen Trip

over het verschoningsrecht van de

journalist, welke commissie zo snel

beeft gewerkt, dat haar rapport

reeds bij de besturen is ingediend;

III dat een schrijven aan de besturen

der afdelingen van de beide

organisaties zal worden gezonden,

inzake door die afdelingen te houden

vergaderingen ter besprekingvan

het wetsontwerp. Daarbij zal de

wenselijkheid worden uitgesproken

om, — in verband met het te verschijnen

extra-nummer der organen

— deze vergaderingen zo mogelijk

tussen 21 en 28 Mei te houden en aan

deze vergaderingen, in verband met

de opbouw der organisaties — waarbij

de algem. ledenvergadering dier

organisaties (het congres is als een

gezamenlijke ledenvergadering der

organisaties te beschouwen) de hoogste

macht is — een zuiver oriënterend

karakter te geven;

IV dat, om aan deze besprekingen

en ook aan de discussie in het congres

leiding te geven, een serie

vraagpunten zullen worden geformuleerd,

welke vraagpunten bij het

schrijven aan de afdelingen zullen

worden gevoegd en in het extranummer

der organen zullen worden

opgenomen;

dat voor deze gecombineerde alg.

vergadering zullen gelden de bepalingen

der Huish. Reglementen van

de organisaties, inzake vergoeding

der reiskosten van de delegaties der

afdelingen uit de Kringkassen en dat

getracht zal worden van de Directie

der Ned. Spoorwegen faciliteiten te

verkrijgen voor de leden inzake de

reiskosten, verbonden aan het bezoek

van het congres;

dat voor bijwoning van dit congres

— gezien de beperkte tijd van voorbereiding

— geen individuele convocatie

meer aan de leden zal worden

gezonden, doch dat aan de afdelingsbesturen

zal worden verzocht, in

hun convocatie der afdelingsvergaring,

plaats, datum en uur van aanvang

van het congres te vermelden.

Nadat aldus de verder te volgen

procedure eenstemmig was geregeld

heeft de vergadering de „vraagpunten"

nader geformuleerd, zoals

deze elders in dit extra-nummer zijn

afgedrukt.

v. d. B.

STEMMEN UIT DE PERS

Over het Wetsontwerp

schrijft de Daily Express (Londen»)

onder het hoofd „Dutch folly":

The Dutch people have had much

support in Britain for the firm

action they took in Indonesia. They

have been praised for conducting

themselves manfully in face of

anarchy and disorder, despite the

opposition of powerful forces abroad.

But if a measure of Press control

now before the Dutch Parliament

is allowed to pass, that support will

have to be reconsidered.

For this Bill on Journalistic

Responsibilities would give the Dutch

Government dictatorial powers. It

is proposed to set up a Press

tribunal and a register of journalists.

The tribunal would exercise

special disciplinary jurisdiction

over journalists.

Penalties for breach of standards

would range from a simple warning

to fines up to £ 1,000 and deprivation

of the right to write. Disregard

of 'a sentence of the tribunal would

involve imprisonment.

Charges against journalists

could be brought by interested

parties, the Public Prosecutor, journalists'

organisations, or proprietors.

No non-registered person would

be able to practise journalism for profit,

or even call himself a journalist.

The declared objects of these

proposals are the usual ones — to

counter incorrect, misleading, or

irresponsible information in the

Press.

But how in fact could such powers

be used?

To prevent criticism. To suppress

the truth when it was inconvenient

to the Government.

If the Bill becomes law, then the

Dutch Government moves towards

dictatorship. And, as such its friends

in Britain would no longer be

confident that it was the safe

custodian of Holland's overseas

possessions.

(De Nieuwe Courant, Den Haag,

tekende hierbij aan of de heren éérst

eens het wetsontwerp willen lezen.)

De Chicago Tribune heeft onder de

titel „De consequente Nederlanders"

en artikel gepubliceerd, waarin volgens

het ANP o.a. wordt gezegd:

„Wij moeten toegeven, dat de Nederlanders

ten minste consequent zijn.

Hun vijandige gezindheid tegenover

de vrijheid van pers in Amerikaanse

zin kwam tot uiting, toen zij Seymour

Korman, correspondent van de Chicago

Tribune, weigerden toegang te

verlenen tot Nederlands Nieuw

Guinea."

Voorts schrijft het blad: „Een

wetsontwerp in Nederland stelt voor,

dat de gehele Nederlandse pers zal

beantwoorden aan regelingen, opge­

steld door de regering en dat

redacteuren en verslaggevers onderworpen

kunnen worden aan boete,

schorsing uit hun beroep van één

tot vijf jaar en, bij herhaalde „delicten"

voor het leven."

Omtrent een krachtens deze wetgeving

in te 'stellen jury zegt het

blad: „Het is duidelijk, dat een journalist,

die een levenspositie en een

salaris van de staat aanvaardt, niet

langer zichzelf is, doch dat hij strikt

genomen een marionet van de regering

zou zijn."

Ten aanzien van de registratie en

classificatie van journalisten merkt

de Chicago Tribune op: „Zij zouden

gedwongen zijn in een gesloten hok

binnen te gaan onder toezicht van

de regering."

Het liberale Engelse blad Manchester

Guardian heeft een scherp

artikel gepubliceerd tegen het Nederlandse

wetsontwerp Tuchtrechtspraak

voor journalisten dat, zoals

onze lezers weten, „onverantwoordelijke

berichtgeving" zal bestraffen.

Het blad schrijft dat de vrees

bestaat, dat dit wetsontwerp de deur

opent voor willekeurige censuur en

de vrijheid van meningsuiting onderdrukt.

„Wat moet men verstaan

onder misleidende en onverantwoordelijke

berichtgeving?" zo vraagt het

blad zich af. „Berichten, die door de

ene redacteur als verantwoordelijk

en in overeenstemming met de waarheid

worden beschouwd kunnen door

een ander opgevat worden als geheel

in strijd met de feiten."

Het blad vraagt zich af, of het

peil van de Nederlandse journalistiek

werkelijk zo laag is, dat zulke maatregelen

noodzakelijk zijn.

Elseviers Weekblad:

Het onderwerp tot ordening van

de journalistiek heeft gelukkig een

bijzonder slechte pers gehad, maar

heeft toch al reeds onherstelbaar

kwaad aangericht. Een man met

grote ervaring op het gebied van de

buitenlandse voorlichting zeide bij

de publicatie van het ontwerp, dat

reeds een objectief en volstrekt eerlijk

en kort bericht over dit onderwerp

in de Verenigde Staten de vraag

zou doen rijzen, of Nederland soms

achter het IJzeren Gordijn was komen

te liggen.

Nu zijn er in de Verenigde Staten

ook kranten, die ons slecht gezind

zijn en daartoe behoort zeker de

(overigens slecht gerenommeerde)

Chicago Tribune. Deze krant heeft

een ons vijandige en leugenachtige

verslaggever in Indonesië en publiceert

over de Indonesische kwestie

de grootst mogelijke en meest kwaadaardige

nonsens.

Natuurlijk heeft deze courant de

indiening van dit wetsontwerp tot

regeling van de journalistiek aangegrepen

om ons land af te schilderen

als een neo-fascistische staat.

Om deze aanval hebben we echter

gevraagd. De volstrekt overbodige en

door niets gewettigde ordening van

de journalistieke stand is niet alleen

de overbodige vrucht van een — met

een variant op Potgieter — „regelkunst

des dagelijkschen levens",

maar ook een dankbaar doelwit voor

builtenlandse vijanden van ons land.

En „Americus" in De Groene:

Onlangs werden er, vrijwel te

zelfder tijd, twee mededelingen gepubliceerd

over de verantwoordelijkheid

van de pers.

De ene kwam voor in de Memorie

van Toelichting bij het ontwerp voor

een Nederlandse Perswet. Daar kon

men lezen:

„Waar in een moderne democratie

de" directe band tussen Regering en

Volksvertegenwoordiging enerzijds

en kiezers anderzijds nu eenmaal

zeer los is geworden, is voor de pers

de taak weggelegd een waardevol

medium te zijn tussen de staatsorganen

en de bevolking. Voor alle

sectoren van het perswezen geldt de

niet te onderschatten verantwoordelijkheid

van de pers ten aanzien van

de voorlichting De wetgever

tot nu toe heeft nagelaten de

verantwoordelijke positie van de

journalist en de uitgever van persorganen

in zijn gezichtskring te

betrekken "

De andere was vervat in een rede

van Erwin D. Canham, voorzitter

van de American Society of Newspaper

Editors. Hij zei:

Er is wat de Amerikaanse

pers'betreft een wedloop tussen haar

^roeiend besef van verantwoordelijkheid

en objectiviteit, en de gevaren

van ordening Alleen als de

Amerikaanse bladen een steeds

beter begrip tonen voor hun objectieve

verantwoordelijkheid met betrekking

tot het nieuws en jegens

de behoeften der gemeenschap, mooen

zij hopen te ontsnappen aan de

contróle-maatregelen, die van toepassing

zijn op alle instellingen van

openbaar nut. Voor de verspreiders

van denkbeelden kunnen zulke contróle-maatregelen

nodig zijn .... Er

is een journalistieke traditie gegroeid

van objectiviteit bij het brengen

van het nieuws, een traditie die

de bladen een flink stuk in de richting

van dat verantwoordelijkheidsgevoel

heeft gebracht, waarvan hun

voortbestaan ten slotte afhankelijk

is Ik ben overtuigd, dat vrijheid,

in toom gehouden door verantwoordeliikheids-besef,

het winnen zal...

Hier heeft men nu twee mededelingen

die het over hetzelfde hebben

— de verantwoordelijkheid van

de pers. En toch is het net alsof

over volkomen-verschillende dingen

9


wordt gesproken. In het ene geval

gaat het over een wet die verantwoordelijkheid

moet afdwingen, in

het andere over verantwoordelijkheid

om ingrijpen van de wetgever

te voorkomen. Het is duidelijk, dat

men hier te maken heeft met opvattingen

die zo ver uit elkander liggen,

dat men bijna zou kunnen zeggen,

dat hier verschillende talen worden

gesproken.

Ik citeer deze nogal bekorte zinsneden,

omdat men mij wel de vraag

heeft gesteld, hoe de reactie in Amerika

zal zijn op de nieuwe Nederlandse

„Perswet". Het antwoord is

niet moeilijk: Die reactie zal zeer

ongunstig zijn. De Nederlandse wet

zal worden beschouwd als het soort

overheidsbemoeiing met de pers, dat

in de Verenigde Staten uit den boze

is. Maar om te begrijpen waarom de

reactie zo ongunstig zal zijn, dient

men te weten dat hier woorden

worden gebezigd die uiteenlopende

betekenissen hebben, omdat hun

achtergrond, ja hun geschiedenis, zo

verschillend is.

Het is misschien overbodig te

herhalen, dat Amerika een land is

van ondernemers-vrijheid. Het is zo'n

land omdat het jong is en omdat er,

economisch bezien, plaats is voor

zoveel vrijheid — zij het niet zoveel

plaats als er placht te zijn. Br is

een traditie die zich richt tegen

overheids-bemoeiing, een traditie die

zich handhaaft al is de bemoeiing

toegenomen. Nergens stuit de overheid

op zoveel wantrouwen als in de

pers. De geschiedenis van de Amerikaanse

pers is het relaas van haar

worsteling om zich vrij te maken van

overheids-contróle. Zeker, in de laatste

tijd heeft de leus van „een vrije

pers" evenzeer betekend: vrijheid

om winst te maken, als: vrijheid om

nieuws te brengen. Maar het symbolisch

element werd daardoor niet

vernietigd. Het verschil tussen de

twee opvattingen komt nergens zo

duidelijk uit als in de twee grondwetsbepalingen

die op de vrijheid

van drukpers betrekking hebben. De

Nederlandse grondwet zegt: „Niemand

heeft voorafgaand verlof

nodig om door de drukpers gedachten

of gevoelens te openbaren, behoudens

ieders verantwoordelijkheid

volgens de wet". De Amerikaanse

Grondwet bepaalt, dat „het Congres

geen wet mag maken... die de vrijheid

van het woord of de vrijheid

van drukpers verkort". Met andere

woorden, in Nederland valt de klemtoon

op vrijheid van drukpers onder

de wet, in Amerika valt de klemtoon

op vrijheid van drukpers boven de

wet. Als men die verschillen in opvatting

en traditie begrijpt, dan zal

men ook begrijpen, waarom een

maatregel als de Perswet door Amerikanen

als onduldbaar zou worden

beschouwd — hoe ook het Nederlandse

Parlement er ten slotte over

•moge oordelen.

Dit schrijft Ons Vrije Nederland:

Wij hopen, dat het wetsontwerp,

waarin zo vaderlijk gesproken wordt

10

over „de eer van den stand van den

journalist" nimmer wet wordt. Juist

daarom vervult de reactie in een deel

van onze pers op het conflict tussen

het technisch personeel van „De

Telegraaf" en de gastbladen „Trouw"

en „Het Parool" ons met zorg. Wanneer

wij in deze kolommen enkele

der meest opvallende uitingen citeren

en critiseren, dan is dat niet,

omdat wij in dit conflict partij zouden

willen kiezen; daarvoor is het

te gecompliceerd en heeft het te

vele facetten, die zonder een grondige

kennis van de voorgeschiedenis

niet zijn te beoordelen. Doch wij doen

dat, omdat wij vrezen, dat vele

voorstanders van een wetsontwerp,

dat wij funest achten voor de vrijheid

en de onfhankelijkheid van onze

pers, in deze uitingen argumenten

voor hun standpunt zullen kunnen

vinden.

* *

*

En dit de Haagse brievenschrijver

van De Linie:

Hij liep daar, aan het overvolle

Scheveningse strand, alleen en, naar

mij voorkwam, ondanks de drukte,

in zich zelf gekeerd, mijn vriend de

journalist. Ik klampte hem aan, en

om hem een weinig opgang te brengen,

wenste ik hem geluk met de

onderscheiding, welke de journalistenstand

binnenkort zou ten deel

vallen. Maar hij was voor die attentie

niet zeer gevoelig.

— Hou op, interrumpeerde hij mijn

toespraak — hou op want die plannen

met ons vak vormen voor mij

een voortdurende ergernis. Wie zijn

wij ? vroeg hij pathetisch, terwijl hij

me dwong met hem stil te staan. Wij

zijn schrijvers, opmerkers, vertellers,

wij beoordelen en verordelen, wij

prijzen en becritiseren, en we doen

dat in artikelen en artikeltjes, die

meestal niet langer dan een dag

leven. Verweg de meesten van ons

hebben plezier in hun vak, we voelen

ons onafhankelijk en iedere dag leren

we de mensen beter kennen, we kennen

hun gebreken en hun deugden,

en we doen dat zoveel mogelijk

onpartijdig, hoewel de journalist ook

maar een mens is.

Al gebeuren er natuurlijk wel eens

ongelukjes, onze Nederlandse pers

staat toch op een behoorlijk peil en

kan een vergelijking met de andere

landen best verdragen. Maar wat wil

men nu? Men wil ieder van ons een

nummer geven, we zullen geregistreerd

wordenen hij sprak dat

woord „geregistreerd" uit met een

toon van de diepste verachting! We

zullen een eigen „Pers-gerecht" krijgen,

onze journalistenstand moet

worden beschermd en opgeheven,

ons verantwoordelijkheidsbesef moet

bevorderd worden, we krijgen een

tuchtregeling Mijn hemel, riep

hij uit terwijl wij onze wandeling

voortzetten, hebben wij ons dan zo

slecht gedragen ?

Ik moest hem toegeven, dat ik me

geen bijzondere overtredingen kon

te binnen brengen, behalve dan de

periodieke overtredingen van „De

Waarheid".

— Juist, gaf hij toe, en vooreerst

zijn dat uitzonderingen, die zich beperken

tot één dagblad en bovendien

zou aan dat soort van overtredingen

direct een einde worden gemaakt, als

de rechter inplaats van honderd

gulden boete een boete van duizend

gulden oplegde, want deze dagbladuitgevers

zijn beste lieden, maar ze

betalen niet graag herhaaldelijk een

hoge boete. Waarom nu weer zo'n

georganiseerd bedrijf? Dat ligt ons

niet, we zijn nu eenmaal vrije vogels,

die niet in een kooitje kunnen leven.

Ze zeggen, dat we een eigen stand

vormen of behoren te vormen. Best

mogelijk, maar die vormt zich dan

vanzelf, en daar hebben we de wetgever

toch niet voor nodig ?

— Man, ging hij voort, wat wij

nodig hebben is: vrijheid, vrijheid,

en nog eens vrijheid. Excessen worden

vanzelf wel geweerd. In ons

kleine land kennen de journalisten

elkaar, er bestaat onder ons een

prettige kameraadschap, we oefenen

over het algemeen ons vak. sportief

uit, er bestaat helemaal geen behoefte

aan registratie of zoiets, noch aan

een eigen rechtspraak, noch aan

geforceerde stand.

— Ik krijg, zei hij, het onplezierige

gevoel, dat, als wij in het kooitje

gezet worden, iedereen op ons gaat

letten of wij wel precies binnen de

paadjes blijven, of v/ij wel keurig

netjes zijn of wij wel, wat men

noemt, gekuiste taal schrijven, — nu,

dat houden wij eenvoudig niet uit.

Bovendien hebben we al sinds jaren

onze eigen vakorganisaties en die

werken uitstekend. • Neen, neen, ik

moet van al die plannen niets hebben

en de meesten van mijn collega's

evenmin.

— Heb je Kamerleden onder je

kennissen? vroeg hij ten slotte.

— Een enkele, antwoordde ik,

ontwijkend.

— Groet ze dan van me en vertel

ze, dat dit nu eens een ontwerp is,

dat ze, wat mij betreft, gerust kunnen

verwerpen. Mijn krant zal het ze

niet kwalijk nemen en ik geef je de

verzekering, dat we ons desniettemin

keurig' zullen blijven gedragen.

En daarna veroverden wij met z'n

tweeën de laatste lege stoeltjes op

een terras en bestelden iets van

sinaasappels en water.

* *

Mandril gromt (hij penne van

Elias):

Tuchtrechtspraak en registrering

voor de vaderlandse journalistenstand

hangen in de lucht. Het vakder-vakken

wordt bedreigd door gemaatregel

dat het zoutende zout uit

de pap gaat zuigen. Dit is een aangelegenheid,

een complex van aangelegenheden,

die veel ruimer kring

dan die der journalisten aangaat.

Naar mijn oordeel is dit een der

belangrijkste zaken die het gehele

Nederlandse, zowel geestelijke als

politieke, leven aangaat. Mèt (en het

verband ligt in de censuur op en de

overheidsinmenging in het geestelijke

leven en de geestelijke vrijheid van

alle staatsburgers) met het ontwerp-


wet op de leesbibliotheken. Het is een

miserabel teken des tijds dat slechts

zeer weinigen buiten de nauwe kringen

der belanghebbende vakgenoten

zich van deze dingen ook maar in

het geringste wat aantrekken. Deze

kolommen eigenen zich niet tot juridische

en staatsrechtelijke vertogen.

Deze plaats is ongeschikt voor agitatie

waar de hoogste goederen ener

werkelijke Democratie op het spel

staan. Doch hier mag althans wel

de dreiging van het gevaar worden

geconstateerd: het gevaar dat instanties

en paragrafen ten gerieve

van de almachtige, bemoeizuchtige

en wijsneuzige Staat zullen worden

opgeroepen, die naast de mogelijkheden

van burgerlijk- en strafrecht,

levensgevaarlijk moeten worden voor

wat ons bovenal lief is; voor het

enige dat het leven het leven waard

doet zijn: de geestelijke vrijheid. Dat

zo weinigen dit gevaar en zijn consequenties

herkennen, dat zo weinigen

in opstand zijn gekomen reeds

bij de eerste tekenen van deze dreiging,

is het meest bedroevende.

En dit is van prof. mr. F. J. F. M.

Duynstee in De Gelderlander:

Opvallend is vooreerst dat deze

regeling buiten een publiekrechtelijke

organisatie van de journalistieke

were'd staat. Zij kent alleen journalisten

e.a. als eenlingen en boven

hen een persgerecht. Nu is deze

figuur ook b.v. bij de medici'bekend

en bij de advocaten komt het practisch

hierop ook enigermate neer.

Toch is dit een defect, temeer, omdat

— terecht — generlei diploma

voor het z vi n van journalist is geëist.

Het uitoefenen van de journalistiek

als hoofdberoep sluit nimmer het uitoefenen

daarvan als neVenberoep uit.

En waar ligt hier de grens? Schorsing

of ontzetting t.a.v. het eerste

laat het tweede geheel onverlet: men

gaat door, doch niet meer bij wijze

van „hoofdberoep". Bij advocaten en

medici ligt dit geheel anders; men

kan daar niet doorgaan bij wijze van

nevenberoep. Ik geloof dat men met

een publiekrechtelijke ordening hier

een meer bevredigende oplossing had

kunnen vinden.

Opvallend is vervolgens, dat nimmer

rechtspersonen onder de regeling

kunnen vallen! Een verschijningsverbod

tegen periodieken heeft

men niet gewild. En toch. lijkt ons

dit het eerst nodige. Het is een gemakkelijke

weg, om de natuurlijke

personen alléén te treffen. Doch het

is tevens een zeer gevaarlijke weg.

Toen men de extremistische partijen

het dragen van kentekenen wilde

verbieden, verbood men alle partijen

om kentekenen te laten voeren. Er

is een groot gevaar aan deze methode,

welke steeds meer toegepast

wordt, verbonden: de elementen die

te kwader trouw zijn, zijn hier veelal

slechts stropoppen in dienst van

machtige rechtspersonen; verdwijnt

de een van het tapijt, hij wordt wel

geholpen door de instelling en een

Op naar het Congres!

Het wetsontwerp inzake de journalistieke

verantwoordelijkheid heeft

in de kringen der Ned. journalisten

beroering gewekt. Het bestuur der

Federatie van Ned. Journalisten

heeft door het organiseren van het

congres te Utrecht de gelegenheid

willen openen om de Tweede Kamer

der Staten-Generaal in kennis te

stellen van de mening der Nederlandse

journalisten over dit wetsontwerp.

In verband hiermede is het

wenselijk, dat zoveel mogelijk leden

der beide organisaties naar Utrecht

komen. De regeling inzake reductie

op de reiskosten (men zie elders in

dit nummer) maakt dit, met. name

voor de collega's, die ver van het

centrum des lands wonen, gemakkelijker.

Om dit congres, behalve aan de

behandeling van het voor de journalistiek

zo belangrijk onderwerp,

ook dienstbaar te maken aan het

collegiaal verkeer van de leden der

organisaties, zal het Federatiebestuur

trachten in dezelfde lokaliteit,

waarin het congres gehouden wordt,

de gelegenheid te openen voor de

collega's elkaar te ontmoeten en een

eenvoudige maaltijd (circa ƒ 2.50) te

gebruiken.

ander oefent het „hoofdberoep" uit!

De mazen, die voor elementen te

kwader trouw bestaan, springen

dermate in het oog, dat men hiervan

niet al te veel kan verwachten.

Een verschijningsverbod is hier de

enig doeltreffende en juiste oplossing.

Thans evenwel legt men de

bona fide pers toch wel aan zeer

netelige banden. Wat is dat ten

slotte „de eer van de journalistenstand"

wat is dat „oneerlijke of onverantwoordelijke

voorlichting", wat

is dat >>de zorgvuldigheid, die de

journalist in het maatschappelijk

verkeer betaamt"? Als wij eens

denken aan al hetgeen over het Indonesische

probleem pro en contra het

regeringsbeleid geschreven is, hoe

licht kan men dan niet gevallen

vinden, waarin achtbare persorganen

wel enigermate „onzorgvuldig" geweest

zijn, waarin zij beticht kunnen

worden van „oneerlijke of onverantwoordelijke

voorlichting". Het klinkt

in dit verband misschien onvriendelijk,

maar niet valt in te zien, waarom

journalisten en verantwoordelijke

redacteuren van dagbladen,

nieuwsbladen of tijdschriften, uitgegeven

door het Rijk nu buiten de hele

wet zouden moeten vallen! Bestaat

er wel één geval, waarover de publieke

opinie te hoop loopt, waarin

men niet graag overdrijft, hetzij aan

de ene, hetzij aan de andere kant,

waarin men niet qualificaties gebruikt,

welke scherper klinken, dan

zij worden bedoeld, waarin men ten

slotte niet vaak moet afgaan op

horen zeggen en geruchten? De

term „eer van, de journalistenstand"

moge dan al 'vaag wezen, de journalisten

plegen hieromtrent een duidelijk

geweten te hebben, maar om

daarnaast nog eens al die uitermate

rekbare en practisch niet te handhaven

normen te gaan stellen, dit

lijkt ons een zeer ernstige bedreiging

voor de journalistieke vrijheid. De

normen zijn voor de bona fide journalisten

te rekbaar; de sancties zijn

zwaar in kringen die gezagsgetrouw

zijn. Anderzijds hapert het in deze

regeling aan doeltreffende voorzieningen

tegen de mala fide pers als

zodanig en ontbreekt de regeling een

werkelijke sanctie juist ten aanzien

van diegenen, op wie een uitspraak

van een persgerecht of van een

Gerechtshof geen indruk zal maken.

Ten slotte lijkt het toch ook niet

bijster gelukkig, dat men ook hier

weer vervolgende en berechtende

instantie tot in hoger beroep op het

Hof toe, in één en dezelfde hand

heeft gelegd. In dit verband mag

men zich afvragen, of men niet

beter had gedaan om het Gerechtshof

zelf te laten beslissen en niet een

kamer, waarin het lekenelement

doordringt? Hoe dit zei, men mag

toch zeker twijfelen aan de vraag,

of de leden-uitgevers wel gelukkig

zijn aangeduid, doordat een ieder die

, een functie" bij een . uitgeverij of

persbureau heeft bekleed benoembaar

is bij persgerecht of perskamer

van het Hof.

Wij zien in het ontwerp een symptoom

van een methode van cureren

aan zekere ongewenste oppervlakteverschijnselen,

maar een gebrek aan

moed, om de problemen die hier liggen

zélf doeltreffend en rechtvaardig

aan te pakken. Daardoor wordt de

bona fide pers en de mala fide pers

maar weer onder één noemer gebracht

ten nadele van de vrijheden

van de eerste. Of De Waarheid nu

op een „nette" toon haar geestelijk

gif spuit, dan wel of zij een toon

aanslaat, welke overeenstemt met de

qualiteit van het gif, dit lijkt me een

zaak waarover verschillend kan

worden gedacht. Ik gevoel er voor,

dat iedereen maar schrijft op eigen

toon en dat we maar liever met

moeten proberen om goed en kwaad

te nivelleren achter begrippen als

eer van de journalistenstand", eerlijke

en verantwoordelijke voorlichting

zorgvuldigheid de journalist m

het ' maatschappelijk verkeer betamend;

zolang men het kwaad zelf

niet aantast zijn dit niet veel meer

dan leuzen. De eer van de journalistenstand

wordt aangerand door communistische

propaganda niet door

de toon waarop deze wordt gevoerd.

Communistische propaganda is oneerlijke

en onverantwoordelijke voorlichting,

niet de toon waarop deze

wordt gevoerd. Communistische propaganda

is in strijd met iedere zorgvuldigheid

in het maatschappelijk

verkeer betamend, niet de toon

waarop deze wordt gevoerd.

Hoe grover de toon waarop de^e

propaganda wordt gevoerd, hoe eerlijker

en zorgvuldiger in dit geval!

11


„Voorlichting"

De oogst aan persstemmen over

het wetsontwerp op de journalistieke

verantwoordelijkheid is groot. Zij is

zelfs gerijpt in het buitenland, 'tot

in de Verenigde Staten toe. Het is

onmogelijk iedere persstem hier te

laten weerklinken; in een koor kan

men de afzonderlijke stemmen ook

niet meer horen. Men beoordeelt het

totale klankbeeld. Het is akelig het

te moeten bekennen, maar het klinkt

menigmaal erg vals.

Het is nog vriendelijk, dat de

„Daily Express" wel wil weergeven

wat de bedoelingen van de wet zijn,

doch het is goedkoop de feiten op

zichzelf juist weer te geven, indien

men dit slechts doet als een aanloopje

om boosaardige beschuldigingen

te uiten. „Dictatoriale macht"

aan de Nederlandse regering, het

onderdrukken van de waarheid indien

deze aan de regering niet aangenaam

zou zijn. Het betekent precies

zoveel als de rechterlijke macht

in Nederland beschuldigen van een

corrupte geesteshouding. De wet

schept op dezelfde voet als voor de

gehele Nederlandse rechtspraak

geldt, de waarborg voor de onafhankelijkheid

van de journalistieke

tuchtrechters: zij worden voor het

leven benoemd en die benoeming is

de enige bemoeienis die de uitvoerende

macht met de journalistieke

tuchtrechtspraak zal hebben, net als

bij de gewone rechtspraak geldt. De

„Daily Express" heeft de eerste prijs

in het geven van feitelijk onjuiste

en onverantwoordelijke voorlichting.

Dat zij ook oneerlijk is, meen ik er

aan toe te mogen voegen.

Maar zij moet die prijs delen met

de redactie van het weekblad de

„Christelijk-Historische Nederlander".

Het blad begint met de bewering

„te weten", dat men van regeringswege

maatregelen overweegt

inzake de vrijheid der journalisten.

Het blad weet nog meer en de nauwkeurigheidsgraad

van die wetenschap

wordt heel aardig gekarakteriseerd

door het citaat, dat het geeft

uit Vondel's „Roskam". Zelfs dat is

n.1. fout. Het blad weet dan, dat aan

een wet op het perswezen hier geen

behoefte is tenzij men de meningsuiting

aan banden wil leggen,

tenzij men gerechtvaardigde critiek

het zwijgen wil opleggen. Wij mogen

nooit uit, het oog verliezen, dat onze

persvrijheid vastligt in de grondwet.

Daaraan mag niet getornd worden.

En althans nimmer in allerlei vage

bewoordingen. Dan kan elke regeringsambtenaar

straks censuur toepassen,

dan zijn we weer aangeland

in het systeem '40—'45.

Collega Rooy heeft de redactie in

een ingezonden stuk reeds van antwoord

gediend:

„Ik tart u in de wet aan te tonen

enigerlei bevoegdheid van welke regeringsambtenaar

dan ook buiten

benoeming van de leden van het

persgerecht door de Kroon. U geeft

12

met deze voorlichting aan uw lezers

een indruk, welke geheel strijdig is

met .de feitelijke inhoud van het

wetsontwerp. Eenvoudige kennisneming

van de inhoud daarvan zou

•U van deze feitelijke onjuistheid

hebben kunnen overtuigen. Ik meen

dan ook, dat U in'uw artikeltje, wat

de door mij gesignaleerde punten

betreft, U schuldig hebt gemaakt —

om in de terminologie van het wetsontwerp

te spreken — aan „feitelijk

onjuiste voorlichting door grove

schuld". U levert met dit artikeltje

m.i. het beste bewijs, dat er in Nederland

behoefte bestaat aan een

tuchtrechtspraak voor journalisten

en verantwoordelijke redacteuren van

nieuwsbladen en tijdschriften. Nederland

kent weliswaar geen grote persschandalen,

doch uw artikel staat

niet op zichzelf. Helaas komt dergelijke

' feitelijk onjuiste voorlichting

veel voor. Ik acht dit verschijnsel

op de duur voor de juiste voorlichting

van óns volk veel funester dan

een enkel groot persschandaal. Dit

zou door het publiek op zijn juiste

waarde worden onderkend. De onjuiste

voorlichting, gelijk U die in

bedoeld artikeltje geeft, valt de lezer,

die zelf gewoonlijk van de Kamerstukken

geen kennis krijgt, juist niet

op en is naar mijn gevoelen te vergelijken

met een voortsluipend gif".

Van enigszins andere aard is —

om nog eens een binnenlandse persstem

te kiezen — wat de „Gelderlander"

over het wetsontwerp in het

midden heeft gebracht. Ik laat nu

het kennelijke geraaskal van A. den

Doolaard — door de redactie toch

maar van „zeer groot belang" geacht

— buiten beschouwing, maar

neem een artikel van prof. mr. F.

Duynstee. Geen journalist, doch een

hoogleraar, die in dit geval afkeurenswaardige

journalistiek bedrijft

door het geven — onder verantwoordelijkheid

van een journalist — van

„feitelijk onjuiste voorlichting", en

laten wij uit respect voor een hoogleaar

veronderstellen, dat het niet

door grove schuld is.

Prof. Duynstee immers dicht, aan

het ontwerp een politieke strekking

toe. Hij ziet in het wetsontwerp „een

symptoom van een methode van

cureren aan zekere ongewenste oppervlakteverschijnselen,

maar een

gebrek aan moed om de problemen

die hier liggen zélf doeltreffend en

rechtvaardig aan te pakken. Daardoor

wordt de bona fide pers en de

mala fide pers maar weer onder één

noemer gebracht, ten nadele van de

vrijheden van de eerste. Of „De

Waarheid" nu op een „nette" toon

haar geestelijk gif spuit, dan wel of

zij een toon aanslaat welke overeenstemt

met de kwaliteit van het gif,

dit lijkt me een zaak waarover verschillend

kan worden gedacht."

En verder:

„De eer van de journalistenstand

wordt aangerand door communistische

propaganda, niet door de toon

waarop deze wordt gevoerd. Communistische

propaganda is oneerlijke

en onverantwoordelijke voorlichting,

niet de toon waarop deze wordt gevoerd."

De wens van prof. Duynstee om

via de wetgeving de communistische

pers op politieke gronden aan te

pakken is volledig zijn zaak en hier

geheel en al buiten het geding. De

onjuistheid van zijn voorlichting

schuilt in het feit, dat hij aan de wet

een politieke strekking toekent, die

zij niet heeft, en haar juist in dit opzicht

een ernstige tekortkoming verwijt.

Waar leest prof. Duynstee toch,

dat de bedoeling van de wet politiek

zou zijn? In de letter van de wet of

in de Memorie van Toelichting? Dat

hij dan de passages aanwijze. Hij zal

dit niet kunnen, want zelfs de gedachte

aan politiek is bij het ontwerpen

van deze wet bij iedereen afwezig

geweest. Prof. Duynstee echter

suggereert, dat die bedoeling er wel

was. Hij verwijt het ontwerp, dat

het tekort schiet wegens gebrek aan

moed en dat het daarom maar de

bona fide en de mala fide pers onder

één noemer brengt en over de ,,toon"

spreekt, waar de zaak zelf — communistische

propaganda n.1. — aan

de orde zou moeten worden gesteld.

Fantasie. Bona fide en mala fide

pers in politieke zin kent dit wetsontwerp

niet. Het kent alleen en het

wil uitsluitend kennen begrippen als

„eerlijkheid", „juistheid", „zorgvuldigheid"

en „goede manieren", niet

om daardoor de pers van een bepaalde

politieke strekking te treffen,

maar om iedere journalist zonder

onderscheid te treffen, die tegen deze

normen zondigt. De rest is verdichtsel

en in strijd met de eerlijkheid, althans

met de zorgvuldigheid, die de

journalist bij de voorlichting betaamt.

Ook een verschijningsverbod van

persorganen, waar prof. Duynstee op

een andere plaats in zijn artikel voor

pleit, ligt daarom buiten het bestek

van dit wetsontwerp. Het gaat immers

niet om organen en hun strekking;

het gaat uitsluitend om tucht

te stellen onder journalisten en uitgevers.

Als prof. Duynstee andere

dingen wil, dan is dat zijn zaak, maar

het gaat niet aan dit wetsontwerp te

verwijten, dat het niet dat andere

wetsontwerp is, waarnaar hij verlangt.

Het wordt bedenkelijk, wanneer

men dan spreekt van „gebrek

aan moed", dus van tekortschieten in

het realiseren van een bedoeling, die

men in dit geval zonder een schijn

van bewijs in het wetsontwerp heeft

geïnterpreteerd. Onzorgvuldige en

onjuiste voorlichting.

Tot slot nog een citaat uit een

Reuter-exerpt van een beschouwing

van de Haagse correspondent van de

Manchester Guardian:

,The proposed law seems to have

two origins. One is the desire of

the journalist's federation to make

the profession a protected one with

official recognition. The other is a

Roman-Catholic drive towards a

corporation conforming to the Quadragesimo

Anno encyclical".

Nu weet u tenminste wie er weer

achter zit. Weest op uw hoede!

L. H.


Het verschoningsrecht van de journalist

Mogelijkheid van

Daar de Commissie i.z. het verschoningsrecht

van de journalist een

rapport heeft uitgebracht, dat de

mogelijkheid aan de hand doet tot

een wettelijke regeling van het verschoningsrecht

te komen door aanvulling

van het ingediende ontwerp

van wet op de journalistieke verantwoordelijkheid,

menen wij dat een

beknopte samenvatting van het

rapport in dit nummer, dat speciaal

aan het wetsontwerp is gewijd, wel

bijzonder op haar plaats is.

Alvorens deze samenvatting te

geven, willen wij nog even in herinnering

brengen dat de genoemde

commissie is ingesteld door de

N.D.P. '45, de N.J.K. en de K.N.J.K.

Zij bestond uit jhr. mr. G. W. van

Vierssen Trip, oud-vice-president van

de rechtbank te Rotterdam en voorzitter

van de raad van beroep voor

de directe belastingen te Rotterdam

I; mr. H. Dikkers, directeur van de

Prov. Overijsselse en Zwolse Courant;

mr. H. M. Planten, directeur

van het Algemeen Handelsblad; mr.

J, Derks, hoofdredacteur van De

Tijd, en mr. A. Stempels, wnd. hoofdredacteur

en parlementair redacteur

van de Nieuwe Rotterdamse Courant.

Als secretaris was aan de commissie

toegevoegd mr. A. E. van

Rantwijk, secretaris van de Federatie.

Op 19 April werd de commissie

door Mr. M. Rooy, in zijn hoedanigheid

van voorzitter der Contactcommissie

van de N.D.P. 1945 en van

de Federatie, geïnstalleerd. Na enkele

kele vergaderingen, bracht zij reeds

op 2 Mei haar rapport uit. Een

v/oord van lof voor de spoed waarmede

de commissie onder de voortvarende

leiding van de heer Van

Vierssen Trip heeft gewerkt, mag

hier zeker niet ontbreken.

Hier volgt een overzicht van de

voornaamste punten- van het rapport.

Actualiteit van het

verschoningsrecht.

De Commissie begint haar rapport

met te constateren, dat de kwestie

van het verschoningsrecht door twee

feiten in een nieuw stadium is gekomen.

In de eerste plaats heeft de

Hoge Raad in het bekende arrest

van 18 December 1948 de vraag of

de journalist zich op een verschoningsrecht

kan beroepen, ontkennend

beantwoord.

Na deze uitspraak kan worden

verwacht, dat er een einde komt aan

de soepelheid, tot nu toe door justitie

en politie over het algemeen betracht.

Bovendien kan worden verwacht,

dat de bronnen van de journalisten

terughoudender gaan worden.

Enige feiten bevestigen deze

verwachting reeds.

wettelijke regeling

In de tweede plaats kan het ingediende

ontwerp van wet op de journalistieke

verantwoordelijkheid, indien

het in zijn huidige vorm tot wet

mocht worden verheven, aanleiding

geven tot een conflict tussen gewone

rechtspraak en tuchtrechtspraak.

Weliswaar komt het ontwerp

tegemoet aan een van de bezwaren,

te vinden in het arrest, van

de Hoge Raad, namelijk dat „het

beroep van de journalist voor ieder

zonder uitzondering openstaat en

niet met voldoende waarborgen is

omringd", doch het is allerminst zeker,

dat dit een wijziging in de jurisprudentie

ten gevolge zal hebben.

Het eigenaardige geval zou zich dan

voor kunnen doen, dat een journalist

door voor de rechter te zwijgen, naar

het oordeel van het persgerecht volkomen

naar behoren zou handelen,

doch dat de rechterlijke macht hem

zou kunnen gijzelen en veroordelen.

En omgekeerd zou een journalist,

die zijn zwijgplicht niet nakomt en

dus volgens de rechterlijke macht

niet anders doet dan zijn wettelijke

plicht tot het geven van getuigenis

vervullen, naar het oordeel van

het persgerecht . onbehoorlijk kunnen

handelen. Men kan menen dat

deze situatie zich niet licht zal voordoen,

doch onmogelijk is zij niet. Een

dergelijk pijnlijk conflict moet

worden vermeden. Het kan ook

worden vermeden, indien een regeling

van het verschoningsrecht wordt

opgenomen in de wet op de journalistieke

verantwoordelijkheid.

Gronden van het

verschoningsrecht

De beroepseer van de journalist

houdt in, dat hij zijn bronnen of relalies

niet in moeilijkheden mag brengen.

Hij heeft zich dus als getuige in

een strafzaak • tegen een van zijn

bronnen of relaties te onthouden van

het geven van getuigenis. Louter eer

leidt echter nog niet fier se tot de

eis, dat een verschoningsrecht door

ieder worde erkend. „Maar meer

grond krijgt deze eis — aldus het

rapport — a's er sprake is van b er

o e p s eer. Nog steviger wordt deze

grond, als de beroepseer betrekking

heeft op een beroep, dat in het maatschappelijk

leven een gewichtige en

veelzijdige functie heeft. Kan men

dit beroep alleen verantwoord en in

het algemeen belang uitoefenen als

men deelgenoot van vertrouwelijke

zaken wordt gemaakt, dan bestaat

er een hechte basis voor de eis van

een erkend verschoningsrecht.

Aldus is het gesteld met het beroep

van de journalist. Dat er een

journalistieke beroepseer bestaat,

wordt ook door tegenstanders van

toekenning van een verschoningsrecht

aan journalisten erkend. Dat

de journalistiek een gewichtige en

veelzijdige functie heeft zal niemand

serieus kunnen ontkennen. Dat

de journalist vaak kennis moet nemen

van vertrouwelijke aangelegenheden

om zijn taak verantwoord en

dus met de nodige „background" te

kunnen verrichten, wordt door de

overheid erkend, zoals ondubbelzinnig

blijkt uit het feit, dat meer en

meer door overheidsinstanties vertrouwelijke

persconferenties worden

belegd. Dit verschijnsel is een symptoom

van het heersen der opvatting,

dat het beroep van de journalist een

vertrouwensberoep is.

Deze opvatting heerst terecht. De

pers moet in staat zijn met kennis

van alle — dus ook vertrouwelijke

— zaken het hare bij te dragen tot •

de vorming van de publieke opinie

en eventueel openbaar te maken wat

ten onrechte verborgen dreigt te

blijven."

Oorzaken van niet-erkenning

Na te hebben geconcludeerd, dat

het zich niet kunnen beroepen op het

verschoningsrecht, een ernstige belemmering

voor de goede uitoefening

van het journalistieke beroep kan

opleveren en dat een wettelijke voorziening

in dit tekort derhalve geboden

is, analyseert de Commissie de

oorzaken van het niet principieelerkennen

van het verschoningsrecht.

Deze zijn h.i.:

1. Een eenzijdige visie op de betekenis

van het verschoningsrecht.

In de regel wordt slechts één

aspect van het verschoningsrecht

voor de verschillende vertrouwensberoepen

in het licht gesteld:

n.1. de positie van degene, die

vertrouwen vraagt. Let men

alleen op dit ene aspect, dan is

er inderdaad verschil tussen de

positie van de biechteling, de patiënt

en de cliënt (van de advocaat),

die er belang bij hebben

dat de door hen onthulde geheimen

nimmer worden geopenbaard,

en van degene, die een geheim

aan een journalist mededeelt. Beziet

men het verschoningsrecht

echter in ruimer verband, dan is

deze conclusie gewettigd: „De

gemeenschappelijke grond voor

het verschoningsrecht is in alle

vertrouwensberoepen — dit geldt

dus evenzeer voor de journalist

als voor de medicus, de geestelijke

of de advocaat — gelegen

in de eis, dat de maatschappelijke

functie van het vertrouwensberoep

vervuld worde."

2. Een eenzijdige visie op het beroep

van de journalist, nl. deze,

dat zijn functie zou bestaan „in

het openbaar maken van feiten",

13


hoewel zij „onnoemelijk veel meer

omvat".

3. De vrees dat het verschoningsrecht

tot misbruik aanleiding zal

geven. Elk recht kan tot misbruik

aanleiding geven. De vrees

voor ernstig, misbruik behoeft

naar het oordeel der Commissie,

gezien het verleden, niet uitermate

groot te zijn. In een wettelijke

regeling kunnen bovendien waarborgen

tegen misbruik worden

opgenomen.

4. Gebrek aan vertrouwen in het

verantwoordelijkheidsgevoel van

de journalist. De hieromtrent

heersende denkbeelden stroken

niet met de feiten. Men vergeet

hier onder meer dat er journalistenorganisaties

zijn, die ijveren

voor verheffing van het journalistieke

beroep, en die reeds een

onderlinge tuchtrechtspraak in het

leven hebben geroepen. „Het hieruit

sprekende streven kan één der

waarborgen tegen het onder 3.

genoemde misbruik zijn, al zij

toegegeven, dat deze waarborg

slechts in de kring der georganiseerden

zal kunnen werken."

5. Onbekendheid met hetgeen in

een aantal andere landen ten aanzien

van het verschoningsrecht

van de journalist geldt. Dank zij

welwillend door Prof. Mr. A. J.

P. Tammes ter beschikking gestelde

gegevens, heeft de commissie

een overzicht in haar rapport

kunnen opnemen waaruit blijkt,

in tegenstelling tot hetgeen hierover,

wel eens beweerd wordt, dat

in een aantal landen het verschoningsrecht

wel wordt erkend, hetzij

in de wet, hetzij door de jurisprudentie,

al is dit in het ene geval

ruimer dan in het andere.

(Zwitserland, Engeland, enkele

N.-Amerikaanse staten; de vooroorlogse

— door het nazi-regime

gewijzigde! — Duitse, Oostenrijkse

en Tsjechoslowaakse wetgevingen;

het in 1945 in België

ingediende ontwerp van wet tot

instelling van een orde van journalisten,

voorzag in een volledige

erkenning van het beroepsgeheim).

Mogelijkheid van wettelijke

regeling

Ter bereiking van waarborgen

tegen misbruiken, welke uit een verschoningsrecht

kunnen voortvloeien,

wil de commissie dit recht duidelijk

omgrenzen. Deze grenzen zullen

moeten samenvallen met die van behoorlijke

journalistiek.

Een beroep op het verschoningsrecht

zal men aan de journalist dan

slechts mogen toestaan, „voor zover

vaststaat, dat hij in het feitencomplex

van de dienende zaak als een

behoorlijk journalist zijn functie

heeft vervuld. Bij de beoordeling

daarvan zij maatstaf de vraag, of hij

mag worden geacht in het algemeen

14

belang, conform de eer van zijn

stand en in het algemeen met inachtneming

van de zorgvuldigheid,

welke een journalist in het maatschappelijk

verkeer betaamt, te hebben

gehandeld. Daar het hier vragen

betreft, in het bijzonder liggend in de

sfeer van de normen, die binnen het

journalistieke beroep gelden, kunnen

deze vragen het beste worden beoordeeld

door een instantie met tuchtrechtelijk

karakter. Inschakeling van

zulk een „derde instantie" is reeds

in 1905 ter vergadering van de Nederlandse

Juristenvereniging gesuggereerd

door de heer Plemp van Duiveland."

Als deze „derde instantie" zou de

Commissie het persgerecht, voorzien

in het wetsontwerp op de journalistieke

verantwoordelijkheid, willen

laten optreden. Zij ziet de oplossing

aldus:

„Indien een rechterlijke autoriteit

een journalist als getuige hoort, en

zijn beroep op de artikelen 218 en

284 van het W.v.Sv. of op art. 1946

B.W. niet wenst te aanvaarden, verzoekt

deze rechterlijke autoriteit het

in hoofdstuk II van het ontwerp bedoelde

persgerecht te adviseren over

de vraag, of dat beroep moet worden

toegelaten. Het persgerecht onderzoekt

vervolgens de gedragingen

van de journalist in deze zaak, waarin

hij als getuige was opgeroepen.

Het "onderzoekt, voor zover nodig,

of eventuele publicaties van de journalist,

welke aanleiding zijn geweest

tot zijn oproeping als getuige, geacht

mogen worden in het algemeen belang

te zijn gedaan. Het door het

persgereclit uitgebrachte advies is

bindend.

Wanneer de feiten aanleiding zouden

kunnen geven tot het opleggen

van tuchtmaatregelen, behandelt hst

persgerecht het desbetreffende geding

ook zonder klacht, dus ambtshalve,

(als in art. 41 bedoeld) op de

voet van de artikelen 43 t/m 48 van

het ontwerp.

Luidt het advies van het persgerecht

aan de rechterlijke autoriteit

afwijzend, dan zal de journalist zich

niet met vrucht op art. 218 W.v.Sv.

kunnen beroepen (hetgeen niet wil

zeggen, dat hij toch getuigenis zal

geven; hij kan immers blijven zwijgen,

en zich als consequentie daarvan

laten veroordelen). In het andere

geval erkent de rechterlijke autoriteit

het beroep op art. 218 W.v.Sv.

Wordt het ontwerp wet, dan zou

het een niet onbevredigende oplossing

van de kwestie van het journalistieke

verschoningsrecht zijn, wanneer

een regeling als de geschetste

erin was opgenomen. De opneming

zou kunnen gschieden door invoeging

van enige bepalingen in hoofdstuk

IV van het ontwerp.

Het spreekt vanzelf, dat, indien

een beroep op art. 218 door de rechter

is aanvaard, al of niet na bindend

advies van het persgerecht, een

gelijk verschoningsrecht in de betrokken

zaak zal geiden voor de

directie en het overige personeel van

het betrokken persorgaan, zoals

typografen, redactiebedienden, telefonisten

enz. Op dezelfde wijze moet

immers ook b.v. de typiste van een

advocaat of de assistente van een

arts zich kunnen verschonen. Dezelfde

gedachte vindt men terug in

de onder II vermelde buitenlandse

regelingen."

Minderheidsstandpunten

Het lid der commissie mr. Planten

is het met het rapport en. zijn conclusies

niet eens, waarbij komt, dat

hij zich ook niet met het ontwerp

van wet op de journalistieke verantwoordelijkheid

kan verenigen. Hij

onderschrijft het arrest van de Hoge

Raad van 18 December 1948. Een en

ander evenwel onder uitdrukkelijke

erkenning van de morele zwijgplicht

van de journalist, waarover

in de commissie geen verschil van

mening bestaat. Hij grondt zijn standpunt

op vrees voor misbruik van het

verschoningsrecht, en vrees voor

verzwakking van de positie van de

journalist, indien het advies van het

persgerecht een beroep op verschoningsrecht

afwijst. Bovendien vreest

hij, dat de journalist zijn zegsman

tegenover het persgerecht zal kunnen

noemen, hetgeen z.i. aan de vertrouwelijkheid

afbreuk zou kunnen

doen.

Het lid der commissie, de directeur

mr. Dikkers is voorstander van

een beperkt verschoningsrecht. De

beperking zal z.i. moeten zijn, dat

het zich slechts uitstrekt tot het

noemen van de bron. Hij wijst de

regeling voor een persgerecht als

bedoeld in het ontwerp van wet op

de journalistieke verantwoordelijkheid

af, doch zou wel het bindend

advies willen toelaten van een hoogstaand

onafhankelijk college, uit en

door vakgenoten samengesteld.

F. J. A. Berding t

In de ouderdom van 66 jaren is

7 Mei te Zwolle overleden de heer

F. J. A. Berding, oud-redacteur van

de „Provinciale Overijsselsche en

Zwolse Courant" en gedurende vele

jaren vóór de oorlog en ook nog

enkele jaren daarna, bestuurslid van

de Ned. Journalisten Kring. Woensdag

11 Mei is zijn stoffelijk overschot

te Zwolle ter aarde besteld. Bij de

begrafenis hebben de vice-voorzitter

van de N.J.K., coll. J. Schraver, en

het Kringbestuurslid, coll. Visser,

het N.J.K.-bestuur vertegenwoordigd.

In dit speciale nummer van „De

Journalist" en „De Katholieke Journalist"

mocht, ondanks het bijzonder

karakter van dit nummer, het overlijdensbericht

van deze collega, die

gedurende een zo lange reeks van

jaren in de Nederlandse Journalistiek

en in de N.J.K. een belangrijke plaats

heeft ingenomen, niet ontbreken.

Het Juni-nummer van „De Journalist"

zal ongetwijfeld gelegenheid

bieden zijn zo werkzaam leven nader

te herdenken. v. d. B.


Het standpunt van de N.D.P. 1945

Het Bestuur van de N.D.P. 1945

heeft aan het Federatiebestuur doen

toekomen een nota over het Ontwerp

van Wet op de Journalistieke Verantwoordelijkheid.

Deze nota luidt

als volgt:

„Het Bestuur heeft zich afgevraagd,

of aanneming en invoering

van een Wet, als de onderwerpelijke,

geacht moet worden bevorderlijk te

zijn voor een juiste ontwikkeling vanen

het ontstaan van goede verhoudingen

in het Nederlandse perswezen.

Unaniem is het Bestuur van oordeel

deze vraag ontkennend te moeten

beantwoorden. Daarbij laat het Bestuur

zich leiden door de volgende

overwegingen:

Sinds de bevrijding van 1Ö4I5 verkeert

het Nederlandse perswezen

nog steeds in een stadium van ontwikkeling,

waarvan het einde nog

niet in het zicht is. Het zou niet van

vroed beleid getuigen, om in deze

ongewisse situatie — waarin uiteindelijk

langs natuurlijke wegen een

zekere consolidatie moet worden bereikt

— in te grijpen door bij een

Wet een straffe organisatie van het

perswezen in het leven te roepen,,

welker deugdelijkheid men niet van

tevoren aan de eisen van de practijk

heeft getoetst. Dit laatste ware zeer

wel mogelijk geweest, door bijvoorbeeld

eerst eens aan te zien, hoe de

verenigingstuchtrechtspraak binnen

het kader van de Federatie van

Nederlandsche Journalisten functionneert.

Daarenboven trekt het Bestuur —

naar het meent op zeer goede gron­

den — sterk in twijfel, of de onderhavige

Wet, instede van de rust en

de goede orde in het Nederlandse

perswezen te verzekeren, niet veeleer

zal leiden tot onrust en deining, alsmede

tot tal van procesvoeringen met

politieke en onzuivere achtergronden,

kortom zal blijken te zijn een instrument,

dat zal worden gehanteerd in

een niet te overzien aantal gevallen,

waarvoor het kennelijk niet is

bedoeld.

Het Bestuur denkt hier zowel aan

verschil van inzicht tussen dagbladen

en hunne lezers onderling met betrekking

tot hetgeen een juiste en

verantwoorde berichtgeving moet

worden, geacht (bijvoorbeeld van verkiezingsresultaten

in binnen- en buitenland,

aspecten van het Atlantisch

Verdrag etc), als aan démarches bij

de Nederlandse justitie door gezanten

van buitenlandse mogendheden,

die in Den Haag geaccrediteerd zijn:

Het is op deze gronden, dat het

Bestuur een principieel afwijzend

standpunt tegenover het Ontwerp

inneemt."

Het is te betreuren, dat de N.D.P.

tot een zo snelle afwijzing van de

wet gekomen is en nog wel op zulke

in het algemeen gehouden argumenten.

Als men de bovenstaande opmerkingen

leest, dan vraagt men zich

tevergeefs af, waarom het einde van

de ontwikkeling van het Nederlandse

perswezen bereikt moet zijn, alvorens

men journalisten en uitgevers

onder tucht gaat brengen. (Wanneer

zal dat trouwens ooit bereikt zijn en

De reiskosten der congressisten

De besturen van N.J.K. en K.N.J.K. stellen er hoge

prijs op, dat zoveel mogelijk leden der organisaties het

congres der Federatie van Ned. Journalisten op 28 Mei

a.s. te Utrecht bijwonen.

Zij zijn in de gelegenheid om de leden die niet in het

bezit zijn van een perslegitimatiekaart der Ned. Spoor­

wegen, dezelfde faciliteiten te verschaffen, waarop de

houders dier kaarten voor reizen 3de klasse beschikken,

n.1., dat voor de reis van woonplaats—Utrecht v.v. het

verschil tussen een retourbiljet 3de klasse en een enkele

reis-biljet zal worden gerestitueerd.

Om de administratieve afwikkeling hiervan te verge­

makkelijken is in dit nummer van het orgaan een bon

opgenomen, welk door hen, die aanspraak maken op be­

doelde restitutie, moet worden ingevuld en bij hun komst

op het congres bij een daarvoor in te richten bureau moet

worden ingeleverd, waarna verrekening der reductie

volgt.

Deze zelfde regeling geldt voor de leden der delegaties

wie zal dit uitmaken?). Doch als

men denkt aan het einde van een

ontwikkeling, dan lijkt het maar al

te logisch, dat de discipline van het

tuchtrecht die ontwikkeling kan bevorderen

en dan geeft men bovendien

impliciet toe, dat er op zichzelf

voor tuchtrecht aanleiding bestaat.

Wat in ontwikkeling verkeert heeft

het stadium van de volmaaktheid nog

geenszins bereikt. Dat het ontwerp

een straffe organisatie aan het perswezen

oplegt is in hoge mate voor

bestrijding vatbaar. Tuchtrecht legt

geen organisatie aan het perswezen

op. Zijn bijkomstig gevolg, het beroepsregister,

kan men misschien

straffer vinden dan de voorzichtigheid

gedoogt, althans op de wijze,

waarop het in het ontwerp wordt

voorgesteld. Dat laat zich denken. In

dit geval ware een voorstel tot amendering

op zijn plaats geweest.'

Aanzien hoe de verenigingstuchtrechtspraak

functioneert is op zichzelf

natuurlijk een verstandige raadgeving.

Doch we hebben het nu aangezien.

Zij functioneert niet. De

tuchtgenoten die er tot dusver voor

in aanmerking kwamen blijken geen

lid te zijn of onttrekken zich door te

bedanken tijdig aan de berechting.

De verwachting en de vrees, die

de N.D.P. ten slotte met betrekking

tot de uitwerking van het tuchtrecht

uitspreekt is niet meer dan een verwachting,

waartegen de waarschijnlijkheid

pleit. Er is niets dat een

tuchtrechter kan dwingen een klacht

in behandeling te nemen, indien hij

daarvoor geen termen aanwezig acht.

Hij kan iedere klacht seponeren.

Waarom moet men nu juist verwachten,

dat persgerecht en perskamer

direct zullen beginnen met de normen

voor het in behandeling nemen

van de afdelingen, die recht hebben op restitutie van het

gehele reisbedrag. Op het congres zullen zij de reductie

ontvangen, die ook de andere leden genieten, terwijl het

restant der reiskosten door de penningmeesters der afdelingen

via het Federatiebureau nader zal worden verrekend.

Alleen wanneer bij de aanvang van het congres de

bon, duidelijk en volledig ingevuld wordt inge­

leverd, kan aanspraak worden gemaakt op de bedoelde

reductie. Daarom is het noodzakelijk, dat de betrokke­

nen, bij aankoop van hun retour, zich vergewissen van de

enkele-reisprijs, opdat zij die op hun bon kunnen in­

vullen!

De besturen der beide kringen vertrouwen, dat de leden

hun volle medewerking zullen verlenen om de afwikke­

ling dezer verrekening vlot te doen verlopen, daar het

onmogelijk is het Federatiebureau achteraf met een inge­

wikkelde, tijdrovende administratie te belasten.

15


van klachten bijzonder ruim te stellen?

Moet men op grond van het

gewone gezonde verstand en het

eigenbelang van de mensen om niet

meer werk op zich te nemen dan

strikt noodzakelijk is niet eerder

verwachten, dat het persgerecht de

normen voorzichtig zal stellen?

Maar al zou men eens in de begintijd

enige zaken aannemen die bij

nader inzien toch eigenlijk geen

object voor tuchtrechtspraak zouden

blijken op te leveren, moet men dan

een zo sterke onrust en deining verwachten,

dat deze een argument

tegen het tuchtrecht zouden opleveren

? Br zal een waardevolle jurisprudentie

ontstaan en op grond daarvan

zullen de vergissingen vanzelf

afnemen. En wat de mogelijkheid

van démarches van gezanten van

buitenlandse mogendheden betreft,

dat levert natuurlijk wel een suggestieve

politieke veronderstelling

op, doch laten wij nu inderdaad eens

kijken naar de ervaring met het verenigingstuchtrecht.

Tot dusver heeft

er geen enkele gezant een klacht

ingediend. Eén gezant, die zijn voelhorens

uitstak en voor de keuze werd

gesteld een klacht in te dienen, heeft

verkozen niets van zich te laten

horen.

Het is jammer, dat de N.D.P. het

bij deze vage en wel zeer summiere

bestrijding heeft gelaten. Een dieper

gaand onderzoek naar de mérites van

de zaak had haar waarschijnlijk' tot

andere constructief-critische gedachten

gebracht, naar het voorbeeld

van haar representatieve leden, die

deel hebben uitgemaakt van de Commissie-Pompe

en het ontwerp in zijn

stadium van voorontwerp mede

ondertekend hebben.

L. H.

WIST UDAT....

=z Rodriguez Lopez van de Nieuwe

Post een veroordeling heeft gekregen

(een maand voorwaardelijk,

proeftijd drie jaar, boete duizend

gulden) wegens smaad? (dit als eerste

lessing van uw nieuwsdorst);

= collega Brunklaus de Linie heeft

verlaten en nu Limburgs correspondent

van de Volkskrant is?

= de New Yorkse correspondent

van die zelfde krant, Albert Balink

(van de Knickerbocker) na wekenlang

verblijf in Nederland, naar zijn

Amerikaanse penaten is terugkeerd?

= G. H. ter Stege hoofdredacteur

werd van de Emmer Courant;

= P. N. Gaanderse, met een voortreffelijke

staat-van-dienst, afscheid

heeft genomen van het Rotterdams'

Nieuwsblad ?

= het bestuur van de Nederlandse

Sportpers (sectie van de Fed. van

Ned. Journalisten) als volgt is samengesteld:

Herman Levy, voorzitter;

J. Liber, seer,; J. Cottaar,

penningm.; B. In 't Hout en J. Wintraecken,

commissarissen ? en dat

Chr. Geudeker zich niet had herkiesbaar

gesteld?

= De Nieuwe Eeuw dertig jaar bestaat,

te welker (ook óns verheugende)

gelegenheid zij met een zeer

fraai en lezenswaardig jubileumnummer

is uitgekomen?

= de resultatenrekening van het

N.R.C.-concern sluit met een batig

saldo van ƒ 161.781?

= de grootste krantenlichtreclame

in Nederland die van Het Parool is

op het gebouw Hirsch aan het

Leidse Plein te Amsterdam?

= de heer F. Jansma uit Hoogezand

wellicht de oudste, nog steeds

geregeld werkende journalist in

Nederland is? (of is er iemand,

ouder dan 85 jaar, die hem die titel

betwist ?)

= er tot 1965 geen ,,Friese Courant"

en tot 1955 geen „Nieuwsblad

van Friesland" of „Hepkema's Courant"

mag verschijnen?

— de heer W. N. Freni zijn functie

als secretaris-penningmeester van

de Nederlandse vereniging van Persbureaux

heeft neergelegd?

= het bestuur van de P.C.J.V. er

zó uitziet: Mr. Dr. A. Veerman te

's-Gravenhage, Ie voorzitter; W. C.

F. Scheps te ''s-Gravenhage, 2e voorzitter;

B. van der Ros, Bergselaan

55, Rotterdam-N., Ie secretaris; P.

Taekema te Ede (Gld.), 2e secretaris;

J. de Haan te Groningen Ie penningmeester;

J. C. Aschoff te Santpoort,

2e penningmeester en J. W.

Jongedijk te Haren (Gr.) ?

= zelfs het Algemeen Handelsblad

schreef over Mr. Luce, ofschoon deze

heer nooit ofte nimmer aan een

Nederlandse universiteit rechten

heeft gestudeerd?

= wij (persoonlijk) ons altijd erg

ergeren aan dit ge-mr en ge-mrs en

ge-miss in Nederlandse kranten,

omdat wij dat zo oer-kleinburgerlijk

vinden ?

= er zelfs landen zijn waar ze hele

persbaarden hebben?

--•= wij er nu toch maar weer in geslaagd

zijn zelfs voor een extra

(vlug) nummer deze wissewassen

aan de stormloop des tijds te ontplukken

?

REDUCTIEBON REISKOSTEN CONGRES

Ondergetekende (naam en voorletters)

wonende

gewoon*) N.J.K.*) bij * naam p-ersonderneming *)

buitengewoon*) lid van de , werkzaam • •

adspirant*) K.N.J.K.*) als freelance*)

verklaart: a. niet in het bezit te zijn van een perslegitimatiekaart der Ned. Spoorwegen;

b. komende van > voor bijwoning van het congres der Federatie op

28 Mei te Utrecht gereisd te hebben op een 3de klasse retourbiljet, kostende ƒ

De prijs van een enkele reis 3de klasse over hetzelfde traject bedraagt „

Hij verzoekt restitutie van het verschil van ƒ

Handtekening

NB. Restitutie geschiedt alleen indien dit biljet, volledig ingevuld (blokletters a.u.b.) en ondertekend, wordt

ingeleverd vóór het begin der vergadering. Zie de toelichting aan de keerzijde.

*)Wat niet van toepassing is, gelieve men door te halen.

16

More magazines by this user
Similar magazines