beknopte omschrijving (in concept) - Landschapsmanifest

landschapsmanifest.nl

beknopte omschrijving (in concept) - Landschapsmanifest

Beknopte omschrijving

Landschapscollectie - C O N C E P T

Wat is de werkwijze van de experts?

Een aantal landelijke specialisten op het gebied van cultuurhistorie en

landschap, Hans Renes (VU/UU), Guus Borger (UvA), Lammert Prins

(RACM), Henk Baas (RACM), Jelle Vervloet (WUR) en Theo Spek (RACM/

RUG) hebben vooral gekeken naar de cultuurhistorische waarden

op landschappelijk niveau. Hierbij is gebruik gemaakt van een in de

wetenschappelijke wereld gebruikelijke indeling van landschapstypen,

uitgebreid met het militaire landschap en het landgoederenlandschap.

Om in de Landschapscollectie te komen, dient een landschap van

een omvang te zijn dat het de meeste karakteristieken van het

betreffende landschapstype kan bevatten. Ook moet een beheerder

voldoende van het landschap in eigendom hebben om de ruimtelijke

kwaliteit ervan te kunnen sturen. Sleutelbegrippen zijn onder andere

ruimtelijke samenhang, representativiteit, gelaagdheid en gaafheid

van ondergrond, zeldzaamheid, kavelpatroon en begroeiing. De staat

van onderhoud is minder meegewogen.

1. Reitdiepdal

Het Reitdiepdal draagt nog de sporen van zijn ontstaan onder invloed

van zee en getij en vertelt het verhaal van vijfentwintig eeuwen bewoningsgeschiedenis.

Er is veel reliëf in het land, zoals oeverwallen,

wierden en dijken, en oude prielen, geulen en meanders, herinnerend

aan het sterk kronkelende Reitdiep, voordat deze werd rechtgetrokken.

Ook het oorspronkelijke verkavelingspatroon (onregelmatige

blokverkaveling) en het oude wegenpatroon is, ondanks de aanleg

van een aantal moderne wegen in recente tijden, op veel plaatsen

goed bewaard gebleven.

2. Westerwolde

Zeer gaaf esdorpenlandschap in het uiterste oosten van de provincie

Groningen langs de oude stroomdalen van de Westerwoldse Aa en

Ruiten Aa. Het dalsysteem zelf vertoont een interessante chronologie

met verlaten meanderbochten van zeer diverse afmetingen en

ouderdom. Op de grote en kleine dekzandkoppen ten weerszijden

van het dal komen talrijke archeologische vindplaatsen voor uit de

Steentijd, Bronstijd, IJzertijd en Vroege Middeleeuwen.

3. Beetsterzwaag

Het dorp is ontstaan op een zandrug vanuit het westelijk gelegen

Oud-Beets en was al in de 17de eeuw vermaard om de daar

aanwezige buitenhuizen. Vooral in de 19de eeuw vindt een groei

plaats naar een deftig dorp met ‘een kilometer adellijke huizen’,

omringd door tuinen, parken en bossen, waaraan o.a. de namen

van bekende ontwerpers als Roodbaard, Springer en Van Lunteren

zijn verbonden.

Fotograaf: Natuurmonumenten, Joop van Reeken


4. Friese meren

Zeer karakteristiek voor het Friese laagveenlandschap zijn de grote

meren, vaak ontstaan als gevolg van turfwinning, in combinatie met

oeverafslag. In tegenstelling tot veel meren in Holland, zijn veel van

de grotere Friese meren niet drooggelegd. Dit gebied kenmerkt zich

door de aanwezigheid van veel water in combinatie met een gaaf

bewaard gebleven verkavelingspatroon.

5. Marpolders

De Friese droogmakerijen zijn in de regel veel kleiner dan de Hollandse,

als gevolg van een beperktere kapitaalvoorziening, een geringere

druk op de cultuurgrond en de wijdverbreide aanwezigheid

van zandbodems. De Marpolders bezitten in de Hempensermeer een

prachtig voorbeeld van Friese droogmakerij uit 1784, al is de noordkant

verstoord door de aanleg van de weg Leeuwarden-Drachten. De

droogmakerij kenmerkt zich door een regelmatig, vierkant, verkavelingspatroon,

een ringdijk en een ringsloot. Het is momenteel een

waardevol weidevogelreservaat, met diverse blauwgraslanden.

6. Mieden

De Mieden ligt op de overgang van het Fries-Drentse keileemgebied

en het Lauwersmeergebied, en kenmerkt zich nu als een open veenweidelandschap.

Het gebied herbergt vele sporen uit het verleden,

zoals (afgedekte) pingoruïnes, dekzandruggen, kreekruggen, sporen

van turfwinning of kerkplaatsen. De 10e/11e eeuwse veenverkaveling

met veervormige afwateringssloten is in grote delen van het

gebied nog goed herkenbaar.

7. Noard-fryslan buitendyks

Het betreft een prachtig voorbeeld van een buitendijkse zomerpolder,

die laat zien hoe kwelders werden bedijkt en later ook werden

ingepolderd. Op dit moment worden veel zomerpolders weer omgevormd

tot kwelders, maar de getuigenissen van dit proces blijven

goed herkenbaar. Opvallende en tamelijk unieke elementen in dit

gebied zijn de ‘dobben’, buitendijkse drinkpoelen die als heuvels in

het vlakke landschap opduiken.

8. Slachtedyk

Het betreft een zeer oude ‘binnendijk’ van Westergo, zo rond 1200 in

gedeelten aangelegd. Het is de enige dijk die niet is afgegraven nadat

Westergo geheel door een ringdijk was beschermd. De Slachtedijk is

door samenwerking tussen Barradeel, Franekeradeel, Manaldumadeel,

Baarderadeel en Hannaarderadeel aangelegd. Deze samenwerking

gaf de dijk de naam De Vijf Delen Slachtedijk. In de dijk liggen

talrijke ‘zijlen’ (uitwateringssluizen), waar men door middel van

schotbalken het water kon blokkeren.

9. Terschelling (gedeeltelijk)

Het Waddeneiland Terschelling bestaat grotendeels uit duinen, maar

ook uit dorpen met cultuurland. In het grensgebied van duinen en

‘polder’ ligt een zone met elzenhagen. In cultuurhistorisch opzicht

zijn de duingebieden interessant door een aantal bijzondere elementen,

zoals de duinweitjes en tuinen.

10. De Klenkce

Historische havezathe met gaaf bewaard beekdal- en heidelandschap

bij Oosterhesselen in het zuidoosten van Drenthe. Het uit de late

13e eeuw stammende landgoed heeft een fraai 17e-eeuws landhuis

en vier tot het landgoed behorende boerderijen. De geometrische

structuur van het landgoed gaat vloeiend over in het aangrenzende

esdorpenlandschap van de Klencker Esch, het stroomdallandschap

van het Drostendiep en de heidevelden en jeneverbesstruwelen van

het Klenckerveld.

11. Drentse Aa

Beek- en esdorpenlandschap van uitzonderlijk hoge cultuurhistorische,

aardkundige en ecologische waarde. Meer dan zesduizend jaar

continue bewoning, waardoor landschap zeer veel pre- en proto-


historische, middeleeuwse en vroegmoderne tijdlagen en relicten

vertoont. Meer dan 3500 archeologische vindplaatsen. Talrijke

hunebedden, grafheuvels, urnenvelden, Celtic fi elds en karrensporenbundels.

Uitzonderlijk gave cultuurlandschapspatronen met enkele

tientallen historische esdorpen, middeleeuwse essen, 17e-19e-eeuwse

beekdalverkavelingen en grote heidevelden als het Balloërveld en

de Gasterense Duinen.

12. Dwingelderveld

Het grootste natte heideveld van Noordwest-Europa, samengesteld

uit de voormalige veldgronden van de nederzettingen Ansen, Dwingeloo,

Lhee en Kraloo, ligt op een moeilijk doorlatende ondergrond

van keileem waarin tal van veentjes en natte slenken zijn ontstaan.

Zeer waardevol in cultuurhistorisch opzicht is aan de zuidoostzijde

de overgang van het heideveld naar het kleine esgehucht Kraloo. Een

markant cultuurhistorisch element uit de meer recente tijd is de grote

radiotelescoop aan de noordkant, die onlangs de monumentenstatus

heeft gekregen en door vrijwilligers wordt onderhouden.

13. Fochteloerveen –Veenhuizen

Uitgestrekt hoogveenreservaat op de grens van Friesland en Drenthe

dat als één van de weinige gebieden in ons land nog een indruk

geeft van de uitgestrektheid en open vegetatie van de voormalige

Noord-Nederlandse hoogveenlandschappen. Het gebied bevat talrijke

historische verveningssporen, hoofdzakelijk ontstaan door boerenvervening.

Aan de westrand van het gebied ligt de 13e-eeuwse

randveenontginning Fochtelo. Ten oosten van het Fochteloerveen is

in de 14e eeuw de randveenontginning Veenhuizen gesticht.

14. Orvelte

Museumdorp in Midden-Drenthe met uitzonderlijk goed bewaarde

dorpsstructuur, historische gebouwen en landschapsopbouw. In de

jaren ’60 beschermd als prototype van een Drents esdorp. Zowel de

open structuur van het dorp zelf, de talrijke historische gebouwen,

als de goed bewaarde essen, groenlanden en heidevelden geven nog

een goed inzicht in de opbouw van het 19e- en vroeg 20e-eeuwse

Drentse esdorpenlandschap. De Noordesch heeft als enige es in Drenthe

nog de originele kleinschalige esverkaveling.

15. Kamperhoek/Ketelbos

In de noordpunt van Oostelijk Flevoland, tegen het Ketelmeer en

de A6 ligt het gebied Kamperhoek/Ketelbos. Dit 40 ha grote gebied

bestaat uit drie onderdelen: de Pleisterplas (een voormalig zanddepot),

het Ketelbos, en een terrein met vochtig grasland. Het gebied is

van belang als oudste vorm van natuurbouw in Nederland, waarvoor

het besluit in 1965 werd genomen door de toenmalige Rijksdienst

voor de IJsselmeerpolders. Deze dienst liep in het ‘maken’ van natuur

voorop in Nederland.

16. Schokland

Schokland was een eiland in de Zuiderzee dat maar weinig boven het

water uitstak. Als gevolg van enkele zware stormen en landafslag

in de 18de en 19de eeuw werd het leven op Schokland uiteindelijk

onhoudbaar en werd het eiland in 1859 ontruimd. Na de drooglegging

van de Noordoostpolder werd Schokland “een eiland op het

droge”. De oude keileembult die de kern vormt van Schokland is

duidelijk zichtbaar in het vlakke polderland, evenals restanten van de

voormalige dorpen. De contouren van het eiland zijn door middel van

beplantingen rondom het eiland zichtbaar gemaakt.

17. Ankeveen en Kortenhoef

Veenontginningsgebied begrensd door de Horstermeer. Restanten

van de typisch bij dit landschapstype passende strookvormige

percelen die gebruikt worden als grasland. Huizen en boerderijen

gebouwd in linten aan bewonings- en ontginningsassen. Sporen van

turfwinning in de vorm van legakkers, petgaten en verbreedde sloten.

Voormalige veenderijplassen zijn droog gelegd. Dieper liggende

droogmakerijen accenturen verschillen in polderpeil.


18. Landgoederen Zuid-Kennemerland

Deze landgoederenreeks ligt ingeklemd tussen de bebouwing van

Santpoort, Haarlem, Heemstede aan de oostzijde en de jonge duinen

aan de westzijde. De landgoederen ontwikkelden zich tussen de 16de

en de 20ste eeuw op strandwal, strandvlakte en afgegraven jonge

duinen. Ondanks de ruimtedruk van nabijgelegen stad en dorpen

is het karakter van een reeks landgoederen betrekkelijk goed in

stand gebleven. Het gebied vormt een aaneenschakeling van tuinen,

parken en bossen, waarbij naar inrichting vaak is ingespeeld op landschappelijke

kwaliteiten van strandwal, strandvlakte en duinen.

19. Naardermeer

Het Naardermeer is een mislukte droogmakerij aan de noordfl ank van

het Gooi, gelegen op de grens van de kleipolders langs de voormalige

Zuiderzee en het zuidwaarts gelegen veengebied. Dankzij de toestroom

van water uit het Gooi via doorlaatbare zandlagen in de ondergrond

is het meer de eeuwen door een open waterplas gebleven.

Het Naardermeer is dus niet door vervening ontstaan. Rond het meer

is de historische gegroeide structuur van het agrarische cultuurlandschap

nog goed herkenbaar.

20. Nijenburg/Kooimeer

Op de oostelijke fl ank van de strandwal Limmen-Heiloo ligt ten noorden

van Heiloo het landgoed Nijenburg. Het hoogteverschil tussen

de strandwal en de strandvlakte wordt nog geaccentueerd door het

opgaande hout van de Heilooër Bosschen. In de strandvlakte ligt het

Kooimeer, de naamgever van de aanpalende Alkmaarder stadswijk.

Het Kooimeer is één van de vele kleine droogmakerijen rond Alkmaar

die het begin vormen van de rijke bedijkingstraditie van Hollands

Noorderkwartier.

21. Stelling van Amsterdam

De Stelling van Amsterdam is een verdedigingslinie van onderling

samenhangende gebouwen, kaden, sloten, kanalen en sluizen met

een totale lengte van 135 km. De Stelling werd tussen 1883 en 1920

rond Amsterdam gebouwd en vormt de laatste fase in een lange militaire

traditie waarin water werd gebruikt om het land te beschermen

tegen vijandige dreigingen of aanvallen. Een echte waterlinie dus.

De meest tot de verbeelding sprekende onderdelen van de Stelling

zijn waarschijnlijk de 42 forten. In het oog springen ze niet, want de

meeste forten liggen verscholen in hoog opgaand hout.

22. Texel

De zuidpunt van Texel wordt gekenmerkt door een onregelmatige

oude verkaveling- en wegenstructuur en een grote landschappelijke

verscheidenheid op korte afstand. De jonge duinen in het westen

vallen op door lange ruggen die gescheiden worden door langwerpige

laagten. De Hoge Berg op Texel draagt haar naam met recht. De

hoge keileembult is gevormd tijdens één van de vroegere ijstijden

en vormt nog steeds de kern van het eiland. Keileem is een zeer

taaie, stenige grondsoort die goed bestand is tegen de slag van het

water. Dankzij de keileem in de ondergrond kan Texel al eeuwenlang

weerstand bieden tegen de oprukkende zee en heeft Nederland de

ons vertrouwde vorm. Niet zonder reden wordt de Hoge Berg dan

ook aangeduid als het ophangpunt van de Nederlandse kust. Op de

Hoge Berg treft men een bijzondere vorm van perceelscheiding aan.

Het gaat om de zogeheten tuunwallen, aarden wallen die zijn opgebouwd

uit graszoden. Meestal is een tuunwal een meter hoog en aan

de bovenzijde een halve meter breed.

23. Veengebied Midden Noord-Holland

Het Veengebied Midden-Noord-Holland valt uiteen in twee deelgebieden,

te weten het Schermereiland en het Wormer- en Jisperveld.

De ruimtelijke inrichting van beide deelgebieden wordt gekenmerkt

door een onregelmatige strokenverkaveling en brede sloten. Water is

dominant aanwezig in het landschapsbeeld. Met name de verkaveling

van het Wormer- en Jisperveld weerspiegelt duidelijk de ongeregelde

gang van zaken in de niet-landsheerlijk geleide veenontginningen.


Ten zuiden van het Zwet overheerst een noord-zuid gerichte verkavelingsrichting,

maar ten noorden van deze brede waterloop botsen

verschillende ontginningsrichtingen op elkaar.

24. Veengebied Waterland

De ruimtelijke inrichting van het Waterlandse veengebied wordt

gekenmerkt door een onregelmatige strokenverkaveling en brede

sloten. Karakteristiek voor het gebied is een zeer open, bijna boomloos

landschap dat doorsneden wordt door een dicht patroon van

waterlopen. Water is dominant aanwezig in het landschapsbeeld.

Rietkragen en rietlanden onderstrepen het natte karakter van het

gebied. De verkaveling weerspiegelt de ongeregelde gang van

zaken in de niet-landsheerlijk geleide veenontginningen. Op tal van

plaatsen treft men verlaten huisplaatsen aan. Daaruit blijkt dat het

nederzettingspatroon in Waterland sinds de ontginning ingrijpend is

veranderd.

25. Wierdijk

Vanouds werden dijken aangelegd en opgehoogd met kleizoden. Stak

men die zoden binnendijks, dan ging dat ten koste van hoogwaardige

landbouwgrond en was de schade groot. Buitendijks gestoken zoden

waren minder kostbaar, maar even schadelijk. Door buitendijkse

aardhaling verlaagde men het maaiveld en werd de zee uitgenodigd

om bij storm met nog meer kracht de dijk te belagen. Bij dijkonderhoud

en dijkverzwaring drong zich steeds weer de vraag op waar

men bij de minste schade de maximale hoeveelheid aarde kon halen.

26. Zuidfront vesting IJmuiden

De ‘Festung IJmuiden’ maakte deel uit van de ‘Atlantikwal’, de serie

verdedigingswerken die de Duitse bezetter langs de gehele West-

Europese kust heeft aangelegd. IJmuiden was erg strategisch door de

aanwezigheid van de havens en de hoogovens. De Festung bestond

uit een groot aantal bunkers, maar ook uit draketandversperringen,

tankgrachten en zelfs opgehoogde duinen. Op die manier werd ook

het landfront zo sterk mogelijk ingericht. In het duingebied ten zuiden

van IJmuiden zijn veel sporen van de Festung bewaard gebleven,

hetgeen het gebied een bijzondere toegevoegde waarde geeft, naast

de aanwezige natuurwaarden.

27. s-Gravelandse Buitenplaatsen

Reeks van naast elkaar gelegen, rechthoekig begrensde landgoederen,

voortgekomen uit een ontginningsconcessie voor van een stuk heide

ten westen van Hilversum, met een totale omvang van ca vier bij 1,25

kilometer. De concessie uit 1625 werd verleend aan zes vermogende

Amsterdamse participanten die hier 27 identieke kavel lieten aanleggen.

Daarbij werden twee of tweeëneenhalve kavel samengevoegd

tot één aaneengesloten eigendom. Deze regelmatige verkaveling en

strakke landschappelijke en stedenbouwkundige opzet is sindsdien

nauwelijks meer gewijzigd. Het aanvankelijk gemengde karakter van

agrarisch gebied en luxe woonoord veranderde eind 17de eeuw in

een meer uitgesproken buitenplaatskarakter dat het sindsdien heeft

behouden. Uniek als type aanleg en gaaf bewaard gebleven.

28. Dal van de Overijsselse Vecht

Smal rivierdal, tot aan ca 1900 eeuw ingeklemd tussen uitgestrekte

heidevelden. De sterk kronkelende Vecht, gekanaliseerd in 1908,

zorgde voor hoogteverschillen en verschil in terreinomstandigheden

over korte afstand. Stuifduinen, bossen, heide, akkerland, weiden,

veengebieden en enkele buitenplaatsen wisselen elkaar af. Onderlinge

samenhang van terreinomstandigheden, grondgebruik en daaraan gekoppelde

(agrarische) bebouwing is nog goed afl eesbaar, te meer daar

de agrarische gehuchten de afgelopen eeuw nauwelijks zijn gegroeid.

De kanalisatie van de rivier wordt deels weer ongedaan gemaakt.

29. Kampereiland

Gebied in de voormalige delta van de IJssel, sinds ca het jaar 1000

ontgonnen en in fasen tot in de 17de en 18de eeuw ingepolderd.

Typerend zijn de vele tientallen, goed herkenbare huisterpen. Deze


ieden plaats aan één boerderij en liggen verspreid over het landschap

waarin verder restanten van kreken en prielen aan de invloed

van de zee in het gebied herinneren en de verscheidene dijken en

kaden van de bedijkingsgeschiedenis getuigen.

30. Landgoederen Twente

De stuwwal van Oldenzaal was bijzonder populair bij de Twentse

textielfabrikanten, vooral door het heuvelachtige karakter en de

ligging ten opzichte van de steden. Het glooiende landschap bood

de mogelijkheden voor de aanleg van modieuze landschapsparken.

Op de Tankenberg, Hakenberg of Paaschberg verschenen fraaie

buitenhuizen met aangelegde tuinen. Nog altijd vormt dit landschap

een fraai ensemble van (voormalige) buitenplaatsen, met daartussen

oude boerderijen en bossen. Kleine beekjes stromen af naar de

Dinkel, die ter plaatse nog fraai meandert.

31. Reestdal

Het stroomdal van het riviertje de Reest met zijn aangrenzende cultuurlandschappen

vormt één van de meest gave beekdallandschappen

van ons land. Omdat de sterk meanderende loop van de Reest al

vanaf de Middeleeuwen de politieke grens vormde tussen Drenthe en

Overijssel is deze loop nooit gekanaliseerd. In het oosten ontsprong

het riviertje vroegere in uitgestrekte hoogveenmoerassen. Langs de

midden- en benedenloop ligt ten weerszijden van het dal een langgerekte

keten van hoge dekzandkoppen die reeds in het Mesolithicum

bezocht werden door jagers en vissers. Vanaf de Volle Middeleeuwen

zijn deze koppen in gebruik genomen als éénmanses met op de fl ank

een individuele boerderij. Zo ontstond het huidige hoevenlandschap,

dat op een aantal plaatsen wordt afgewisseld door fraaie 17e-eeuwse

havezathen met bijbehorende landgoederen.

32. Twickel

Het landgoed Twickel is 4000 hectare groot, en bestaat uit akkers en

weilanden, bossen en eeuwenoude eiken, heidevelden en vennen.

Daartussen slingeren zich beken en houtwallen. Karakteristiek zijn

de ongeveer honderdvijftig boerderijen, die herkenbaar zijn aan

de zwart-witte luiken. Andere belangwekkende gebouwen zijn de

watertoren, de (water)molen(s) en de houtzagerij. Het van oorsprong

middeleeuwse huis zelf wordt omringd door tuinen die in hun variatie

de tuinhistorie sinds de renaissance tot heden tonen. U vindt er

een uitgestrekt park in Engelse landschapsstijl en een ‘formele tuin

in de Franse neo-barokstijl. Opvallend is ook de ommuurde moestuin.

33. Wieden - Weerribben (gedeeltelijk)

Veenontginning bestaande uit lange, smalle, naast elkaar gelegen

graslandpercelen dat vanaf eind 16de eeuw door turfwinning een

nieuwe gedaante aannam. ‘Ribben’ zijn de stroken land waarop de

uitgebaggerde turf te drogen werd gelegd. ‘Weren’ of ‘petgaten’ zijn

verveende delen die volliepen met water. Door voortgaande vervening

werden de ribben steeds smaller, de weren steeds breder. Door

erosie (stormen) ontstonden grote watervlakten, de Wieden. In de

Weerribben is het niet zo ver gekomen. Na de vervening groeide het

open water van de weren geleidelijk dicht en bepaalde de rietteelt,

samen met moerasbos, hooiland en open water de aanblik van het

grotendeels onbewoonde landschap. Het oude verkavelingspatroon

van de Weerribben bleef echter herkenbaar. Het gebied vormt nu het

grootste aaneengesloten laagveenmoeras in Noordwest-Europa.

34. Eemland

Onderdeel van een oud veenontginningsgebied uit de 12e eeuw, dat

later verdronken is. Veen weggeslagen of met een laag klei overdekt.

Kans op sporen oude bewoning onder het kleidek. Het merendeel

van het gebied wordt beslagen door een zone met karakteristieke

strookvormige percelen die ondanks de ruilverkaveling nog aan de

oorspronkelijke verkaveling doen denken. Dit gebied is ook waardevol

door zijn grote openheid, een eigenschap die thans in het Nederlandse

veenontginningsgebied steeds zeldzamer aan het worden is.

De rest van het gebied wordt beslagen door de oeverlanden van de


kronkelende eeuw. Voornamelijk buitendijks gebied die de Eem als

laaglandstroom accentueert.

35. Grebbelinie

Zuidelijk deel van een voormalige militaire verdedigingslinie door

de Gelderse Vallei, die oorspronkelijk doorliep tot aan de kust van

de voormalige Zuiderzee. Begonnen in 1745. De linie bestaat uit een

reeks met elkaar samenhangende forten, dijken en waterwerken. Dit

had ten doel een aantal inundatievlaktes in het leven te roepen die

een vijandelijke aanval op Holland moesten vertragen totdat de eigenlijke

linie, de Nieuwe Hollandse Waterlinie in werking was gesteld.

De linie heeft tevens grote cultuurhistorische betekenis als symbool

van de strijd die het Nederlandse leger daar in de meidagen van 1940

tegen een Duitse overmacht leverde.

36. Haarzuilens

Rond 1900 ontstaan complex van een in geromantiseerde middeleeuwse

stijl opgetrokken kasteel en een dorpje met huizen in vakwerk-

en cottagestijl. Dit geheel is omgeven door parken en tuinen

waarvan de onderdelen in verschillende stijlen zijn aangelegd. Het

groots opgezette geheel is ontworpen door het architectenbureau

van P.J.H. Cuypers, op een plek waar de ruïne van het oude kasteel

De Haar stond en het dorpje Haarzuilens, dat voor de bouw van

het nieuwe complex werd afgebroken! De totstandkoming van

dit geheel is uniek en het heeft, ondanks enige verdichting van

de dorpsbebouwing, de originele opzet en karakter grotendeels

behouden.

37. Kamerikse Nessen

In 1494 werd de Oude Meije vergraven tot de Grecht. Daarmee

werd de vaarweg van de Oude Rijn bij Woerden via Woerdens

Verlaat, de Mijdrecht en de Amstel naar het noorden verbeterd.

Het nog steeds aanwezige jaagpad op de oostelijke kade langs

de Grecht getuigt van het belang dat deze vaarweg eertijds heeft

gehad. Ten behoeve van de scheepvaart werden enkele meanders

afgesneden en stukjes boerenland opgeofferd. Door die afsnijdingen

zijn de Kamerikse Nessen ontstaan, een aantal boezemlandjes

op de westelijke oever van de Grecht die eeuwenlang extensief zijn

gebruikt als hooiland. Vroeger onland, nu een verzameling waardevolle

natuurgebieden die als natuurlijke parels glanzend de Grecht

begeleiden.

38. Landgoed Linschoten

Het landgoed Linschoten is ontstaan op de grens van het rivierkleigebied

en het verder van de grote rivieren gelegen klei-op-veenlandschap.

Blijkens de ruimtelijke inrichting van het gebied ging

het om een restgebied dat van verschillende zijden in ontginning is

genomen. Het aan de noordzijde van de zogeheten Lange Linschoten

gelegen landgoed is een van de meest omvangrijke historische

buitenplaatsen van het Groene Hart. De kern van het complex wordt

gevormd door een romantisch park in landschapsstijl dat rond het

midden van de 19e eeuw is aangelegd volgens een ontwerp van de

bekende architect J.D. Zocher jr.

39. Landgoederen Langbroek

De landgoederenzone van Langbroek ligt op de overgang van de

Utrechtse Heuvelrug naar het Kromme Rijngebied. De centrale as

van het gebied wordt gevormd door de Langbroeker Wetering,

vanouds de centrale afwatering van dit klei-op-veengebied. De

ruimtelijke inrichting van de landgoederenzone is zeer regelmatig,

een duidelijke aanwijzing dat de ontginning van het gebied

indertijd van hoger hand is aangestuurd. Op de gelijkvormige

percelen staat een rijke afwisseling van kastelen, landgoederen en

oude boerderijen te midden van parkbossen en landbouwgronden.

Laanstructuren en zichtlijnen verbinden de buitenplaatsen met hun

landschappelijke omgeving. Daarnaast vormt de gradiënt naar de

Utrechtse Heuvelrug een visuele verrijking voor het Langbroekse

coulissenlandschap.


40. Stichtse Venen

Karakteristiek voor de Stichtse venen ten oosten van de Vecht zijn

de lange doorgaande kavels. De uitgestrekte veenplassen met hun

legakkers, petgaten en verlandingsverschijnselen herbergen veel natuurwaarden

en hebben een grote recreatieve betekenis. Alle stadia

tussen open water en geheel verlande moerassen zijn hier te vinden.

Langs de boorden van de Vecht is het veen afgedekt door een laag

rivierklei. Waar deze laag te dik was, heeft men om begrijpelijke

redenen afgezien van het wegbaggeren van de veenlaag. Het hoog

opgaande hout rond de kastelen en de buitenplaatsen langs de Vecht

contrasteert fraai met de grote open ruimte van het uitgestrekte

veen- en plassengebied.

41. Aalten

Het landschap rond Aalten kenmerkt zich door afwisseling van

weilanden, essen, beken en landgoederen, zoals Eppink en Walfort.

De voormalige havezate Walfort dateert uit de middeleeuwen, het

huis vormt nu het middelpunt van een fraai landgoed. Een groot

aantal kleine bosjes liggen verspreid door het landschap, hetgeen de

kleinschaligheid benadrukt. Het Aaltense Goor is een oud cultuurlandschap

met kleine percelen grasland, omgegeven door heggen.

Het vormt het restant (een reservaat) van een oud cultuurlandschap

dat eertijds veel ruimer was verspreid. Dit oude cultuurlandschap is

tijdens de ruilverkaveling van Harreveld-Zieuwent en Aalten grotendeels

verloren gegaan.

42. Arkemheen (gedeeltelijk)

Poldergebied op de overgang van het hogere Pleistocene zand en de

voormalige Zuiderzee. Verkaveling aan de westzijde strookvormig,

naar het oosten toe onregelmatiger. Hier nog sporen van kronkelende

beekloopjes. Grondgebruik: grasland. Nagenoeg onbewoond.

Weidse vergezichten. Resten van oude bewoning, voormalige veenontginningsnederzettingen

op verdronken terpjes in de ondergrond.

43. Heerlijkheid Marienwaerdt

De Heerlijkheid Mariënwaerdt is een landgoed van ruim 900 hectare

in de Betuwe, gelegen in de kom van de rivier de Linge tussen

de dorpen Beesd en Tricht. Op het terrein van een vervallen abdij

ontwikkelde zich vanaf de 18de eeuw een landhuis, dat uitgroeide

tot een complex bestaande uit drie landhuizen, zeventien boerderijen

waarvan veertien monumentale hofsteden en vele hooibergen en

vloedschuren. Grote delen zijn agrarisch natuurgebied met uitgestrekte

akkers, boomgaarden, bossen en weilanden. De structuur

en het aanzien van het gebied hebben de afgelopen eeuw slechts

ondergeschikte wijzigingen ondergaan waardoor het gebied een zeer

gaaf karakter heeft.

44. Hemmen

Klein dorp, tevens landgoed. Typerend voor het rivierenlandschap.

Stroomruggen en kleine kommen wisselen elkaar af. Het gebied

wordt doorsneden door talrijke resten van oude stroomgeulen van

voorlopers van de Rijn. De huizen en de boerderijen zijn gelegen op

kunstmatig opgeworpen hoogten die men hier aanduidt als woerden.

Hoog opgaand hout met hardhout ooibos en karakteristieke lanenstructuren

begeleid door hoog opgaand geboomte completeren het

historische beeld. Aan het einde van een zichtas vinden we de resten

van het voormalige kasteel. Parkaanleg in Engelse stijl. Dicht bij het

kasteel een ommuurde kasteeltuin die zeer fraai is ingericht.

45. IJssellandschap bij Voorst

Het rivierenlandschap langs de IJssel behoort tot de meest gave

cultuurlandschappen langs onze grote rivieren. Het IJssellandschap

ten oosten van Voorst is hiervan een prachtig voorbeeld. In het

landschap zijn diverse oude meanderbochten te herkennen met in

de binnenbocht het karakteristieke microreliëf van kronkelwaarden.

Interessante cultuurhistorische elementen zijn verder het beekdal van

de Voorster Beek, het oude kerkenpad bij Voorst en de oude toren

van het Slot Nijenbeek aan de IJssel bij Gietelo.


46. Kampenlandschap Hackfort c.a

Rondom het van oorsprong 14e-eeuwse kasteel Hackfort ligt een

besloten kampenlandschap met boerderijen, essen, kampen, bosjes,

sloten, poelen, houtwallen en singels. Door het landgoed stroomt de

Baakse beek, hier ook wel Hackfortse beek genoemd. Het landgoed

kent ook een groot aantal karakteristieke oude boerderijen kent,

met hooibergen en oude boomgaarden. Bij het kasteel ligt aan de

Hackfortse beek een oude watermolen.

47. Stuifzand- en heidelandschap Kootwijk-Hoog Buurlo

Grootste stuifzandgebied van Noordwest-Europa, ontstaan door

grootschalige beweiding en plaggenlandbouw tijdens de Late Middeleeuwen

en Nieuwe Tijd. Icoon voor de overexploitatie van gemeenschappelijke

gronden door de vroegere mens. Talrijke archeologische

relicten, deels begraven onder het stuifzand. Vroegmiddeleeuwse

voorgangers van Kootwijk zijn in de jaren ’70 opgegraven in het

stuifzand. Uitgestrekte heidevelden en vliegdengebieden. Historische

schaapskooien en wegenpatronen.

48. Landgoederen Winterswijk

Vanwege de zeer gevarieerde bodemkundige ondergrond kent het

landschap van Winterswijk ook in landschappelijk opzicht een sterke

variatie. Op de hogere dekzandgronden en keileemplateaus die direct

langs de beken lagen vond plaatselijk al in de prehistorie bewoning

plaats. Een groot deel van het landschap is echter pas vanaf de Middeleeuwen

in gebruik genomen, met als belangrijkste kenmerken

een sterk verspreide bewoning met bijbehorende éénmansessen en

weilandkampjes, omzoomd door houtranden. Door het achterwege

blijven van rigoreuze ruilverkavelingen is het cultuurlandschap in

deze streek nog altijd zeer kleinschalig en uitzonderlijk gaaf.

49. Marienborn

Indrukwekkende landgoederenzone ten westen van Arnhem. Gaat

terug op oud kerkelijk bezit (o.a. klooster Mariëndaal) waar het

Arnhemse patriciaat buitenplaatsen heeft gesticht. Dit zijn onder

andere Mariëndaal, Lichtenbeek en Warnsborn. Gradiëntsituatie op

de zuidhelling van een stuwwal. Hier ontstond een afwisselend landschap

met golvende akkers en graslanden, afgewisseld met tuinen

en parken en karakteristieke lanenstructuren. Het gebied wordt doorsneden

door de Slijpbeek.

50. Oldenaller

Landgoed gelegen op de overgang van het hogere pleistocene zand

en de voormalige Zuiderzee. Verkaveling hoofdzakelijk blokvormig,

onregelmatig. Vooral aan de zuidkant houtsingels. Statige lanen

begroeid met hoog opgaand hout. Grondgebruik aan de noord- en

westzijde voornamelijk grasland. Hogerop ook akkers maar voornamelijk

bosaanplant op voormalige heidevelden.

51. Speulder- en Sprielderbos

De historische bosgebieden van de nederzettingen Speuld en Spriel

op de stuwwal van de Noordwest-Veluwe vormen tezamen één van

de grootste en best bewaarde malebossen van de Veluwe. Reeds

in de late prehistorie was dit gebied relatief dicht bewoond getuige

de talrijke grafheuvels en nederzettingssporen relicten ter plekke.

Bovendien is enkele jaren geleden een groot Celtic fi eldcomplex

ontdekt in dit bos (omwalde akkers uit de IJzertijd). Het Speulder- en

Sprielderbos bestaat voor het merendeel uit hoogopgaande eiken- en

beukenbomen die in de volksmond bekend staan als het ‘bos van de

dansende bomen’.

52. Staverden – Leuvenhorst

Landgoederengebied aan weerszijden van de Staverdense Beek.

Dicht bij dit natuurlijke, kronkelende loopje onregelmatige graslandpercelen.

Aan de randen kleine hoger gelegen dekzandkopjes

met kampen die door houtwallen omgeven zijn. Oude boerderijen

waarvan de oorsprong teruggaat tot de middeleeuwen. Naar het


zuiden toe, grenzend aan het Uddelermeer karakteristieke jonge,

van oorsprong zeer drassige heideontginning: Meerhoeve. Naar het

noorden toe uitgebreid bosgebied met sporen van een ouder onregelmatig

padenpatroon.

53. Veluwefl ank boven Epe

Bovenste gedeelte van het dal van de Vlasbeek en de Dorpsche Beek

westelijk van de aan de kop van het dal gelegen buurschap Tongeren.

Tegenstellingen open, gesloten. Overgang van hoog naar laag.

Dicht bij Tongeren houtwallen en houtsingels. In het gebied komen

naast oudere weilanden in het natste gedeelte, jonge heideontginningen

voor met de voor deze kenmerkende regelmatige structuur.

54. Veluwezoom

Het zuidoostelijke gedeelte van de Veluwe. Landschappelijke gradiënt:

vanuit het dal van de IJssel tot boven op de stuwwal met uitgestrekte

bossen en heidevelden. Dicht bij de rivier en op de fl anken van de

stuwwal vinden we bewoning. Niet alleen dorpen maar ook kastelen

en buitenplaatsen. Heel apart is de Plantage bij de hof van Dieren,

een fraai aangelegde bosaanplant waarvan de structuur terug gaat

tot de 18e eeuw. Voorts aan de lage zijde het kasteel Middagten met

aanpalende tuinen, akkers en weilanden. Boven op de stuwwal een rijk

bodemarchief met prehistorische vondsten uit meerdere perioden.

55. Waardenburg en Neerijnen

Zowel het binnendijkse als het buitendijkse gebied vallen onder dit

gebied. Het terrein is georiënteerd rond het kasteel Waardenburg

en het Huis Neerijnen, die respectievelijk uit de 13de en 14de eeuw

dateren. Het bijbehorende lanenstelsel is van voor 1800. Binnendijks

is het landschap typisch voor het rivierengebied. Het is een van de

weinige uiterwaarden waarin bos en hoge grienden voorkomen. Omdat

dorpsuitbreiding beperkt bleef en het historische grondgebruik

niet wezenlijk veranderde is het historisch-ruimtelijke karakter van

het gebied nog steeds sterk dominant.

56. Wolfheze

Terrein waarin het verdwenen dorpje Wolfheze. Van het tufstenen

kerkje zijn in de ondergrond alleen nog de funderingen terug gevonden.

Resten van oude akkerkampen liggen verscholen onder een

heideveld. Een voor hoog Nederland zeer zeldzame situatie. Van de

oude wegenstructuur is nog veel zichtbaar. Sporenbundels, maar ook

begeleidende wallen. Ook een deel van de wallen rond de akkers zijn

nog gespaard gebleven

57. Landgoed Bergh

Imposant, van oorsprong 12e-eeuws kasteel op de noordoostfl ank

van de stuwwal van het Montferland met uitgestrekt landgoed

op deze stuwwal. Het kasteel begon rond 1100 als mottekasteel

(omgrachte heuvel met houten verdedigingstoren) en werd door

de Heren van Bergh in de latere Middeleeuwen uitgebouwd tot een

zeer invloedrijke burcht. Het bijbehorende landgoed bevat tal van

cultuurhistorische relicten uit onder meer de Middeleeuwen en de

Nieuwe Tijd.

58. Landgoederen Wassenaar

Ten zuiden van Wassenaar is de geleidelijke overgang tussen de

strandwallen en de wat lager gelegen strandvlaktes aan weerszijden

daarvan op veel plaatsen nog goed herkenbaar. De ruimtelijke

samenhang tussen de besloten strandwallen en het open en waterrijke

veenlandschap van de strandvlakten is op veel plaatsen goed

bewaard gebleven. Daardoor vormt de zone met landgoederen ten

zuiden van Wassenaar in de westelijke Randstad een gebied met

hoge cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten.

59. Nieuwkoop

De Nieuwkoopse Plassen zijn door vervening ontstaan. Het veen

werd hier eertijds gebaggerd en op het land te drogen gelegd. Zo

ontstonden grote trek- of petgaten, met daartussen de vaak smalle

legakkers. De rijkdom aan planten en vogels maakt dit moerasgebied


zeer belangrijk. Daarnaast is van belang dat het plassengebied van

Nieuwkoop behoort tot de stiltegebieden in de Randstad.

60. Veenontginningen bij Berkenwoude

De ruimtelijke inrichting van het noordelijke deel van de Krimpenerwaard

wordt bepaald door lange en smalle kavels. Over een afstand

van meer dan tien kilometer heeft de verkaveling langs de rivier

dezelfde richting. Daaruit blijkt dat de ontginning van dit veengebied

in de middeleeuwen van hoger hand is aangestuurd. Het landschap

wordt gekenmerkt door een grote openheid en de dominante

aanwezigheid van water. De eerste bewoners hebben zich gevestigd

op de wat hogere gronden langs de Hollandse IJssel. Zo ontstond het

lange bebouwingslint langs deze rivier. De eerste boerderijen zijn

waarschijnlijk op lage huisterpen gebouwd.

61. Vlietlanden – Aalkeetbuitenpolder

De Vlaardingse Vlietlanden behoren tot de boezem van Delfl and.

Na de invoering van de molenbemaling werden deze vlietlanden

gebruikt als bergboezem wanneer er door hoge buitenwaterstanden

niet uitgewaterd kon worden. Enige malen per jaar stonden deze

landen zodoende onder water. In droge tijden werden deze boezemlanden

extensief gebruikt als hooiland. Daardoor is daar een rijke

vegetatie tot ontwikkeling gekomen. Tegenwoordig is het beheer

van het grasland en het waterpeil afgestemd op de geschiktheid van

het gebied voor weidevogels. Dat geldt ook voor de graslanden in de

aangrenzende Aalkeet-Buitenpolder. In deze polder ligt nog een van

de weinige eendenkooien die in Midden-Delfl and is overgebleven.

62. Zouweboezem

Kort na 1277 werd door het nieuw gestichte hoogheemraadschap

van de Alblasserwaard tussen de Lek en de Linge een dwarsdijk

aangelegd. Deze dijk, thans bekend als de Zouwedijk, beroofde het

gebied van de Vijfheerenlanden van zijn natuurlijke afwatering in

westelijke richting. Ter verbetering van de afwatering werd daarop

het riviertje de Zederik, dat bij Arkel in de Linge uitstroomde, door

middel van een nieuw kanaal verbonden met de Lek bij Ameide. Dit

nieuwe kanaal staat thans bekend als de Oude Zederik. De eeuwen

door zijn de boezemlanden in gebruik geweest voor de griend- en

rietteelt. Ten behoeve van de instandhouding van deze cultuurhistorische

en natuurwaarden wordt de griend- en rietcultuur nog steeds

op beperkte schaal voortgezet.

63. zuidelijke Diefdijk

In 1284, kort na de aanleg van de Zouwedijk, besloten de heren van

Arkel, Vianen, Hagestein, Everdingen en Ter Leede tot onderlinge

samenwerking ter verbetering van de waterhuishouding van het

gebied dat later bekend zou staan als de Vijfheerenlanden. Een van

de eerste resultaten van die samenwerking was de aanleg van de

Diefdijk tussen de Lek bij Everdingen en de Linge bij Leerdam. De

aanleg van die dijk bood de heren de mogelijkheid hun landen te

beschermen tegen het uit Gelderland toestromende polder- en overstromingswater.

Doorbraakgaten laten zien dat de dijk deze functie

niet altijd naar behoren heeft vervuld. Het zogeheten Wiel van Bassa

is een van de grootste doorbraakgaten in Nederland.

64. Kop van Schouwen/Schelphoek

De Kop van Schouwen is een cultuurhistorisch bijzonder duingebied,

ontstaan in diverse verstuivingsperioden. Op grond van de

hoogteverschillen worden lage duinen (binnenduinen, de oudste) en

hoge duinen (buitenduinen) onderscheiden. De laagste delen van de

binnenduinen waren het vochtigst en werden in gebruik genomen

als cultuurland. Dat is te zien aan de begreppeling en de houtwallen

van de elzenmeten. Een elzenmeet is omringd door een lage houtwal

of sloot. De Schelphoek is een heus ‘lieu de memoire’: een krekengebied

ontstaan bij de watersnoodramp van 1953, toen een 500 meter

breed gat in de dijk bij Schelphoek geslagen werd. Caissons en een

betonschip in de herstelde dijk herinneren hier nog aan.


65. Zak van Zuid-Beveland

De poelgronden en dijken in de Zak van Zuid-Beveland zijn onderdeel

van het zuidwestelijk zeekleigebied. Het betreft hier een gebied op de

overgang van oudland en nieuwland. Rond Nisse zijn nog restanten

te zien van de meidoornhagen, die hier als perceelsscheiding dienden.

Kenmerkend zijn de vele moerneringssporen (bij Sinoutskerke

en Nisse. Het ‘hollebollig land’), vliedbergen, (bloem)dijken, wielen

(Zwaakse Weel) en de redelijk gave (ring)dorpen. De opeenvolgende

kleinschalige bedijkingen getuigen van de gefaseerde landschapsontwikkeling.

Binnen het zuidwestelijk zeekleigebied is dit samen met de

Yerseke Moer het enige overgebleven stuk oudland in Zeeland.

66. Staats-Spaanse linies

Aan het eind van de 17e eeuw ontstond het idee om het gehele

grondgebied van de Republiek door middel van ononderbroken linies

af te grenzen. Hierbij maakte men gebruik van de natuurlijke omstandigheden,

zoals hoogveenmoerassen en rivieren. In het krekengebied

van Zeeuws-Vlaanderen lagen reeds verschillende vestingen, zoals

Hulst, Sas van Gent en Sluis. Deze werden opgenomen in de Staats-

Spaanse linie, evenals een groot aantal nieuw aangelegde schansen

die verschillende kleinere accessen (zoals dijken) afsloten. Oude

vestingsteden, kleine schansen, oude dijken, sluizen en kreken zijn

nog voor een groot gedeelte in het landschap aanwezig.

67. Yerseke en Kapelse Moer

Feitelijk betreft het hier één gebied, dat door de latere aanleg van het

kanaal door Zuid-Beveland in tweeën is gedeeld. Het is een zogenaamd

‘Oudland’ en het zijn in Zeeland de laatste gebieden waar de

ruilverkaveling en andere recente ontwikkelingen het landschap grotendeels

ongemoeid hebben gelaten. Het kanaal door Zuid-Beveland

vormt tegenwoordig een harde grens. De vroegere moerneringsactiviteiten

zijn hier nog goed herkenbaar in de vorm van ‘hollebollig land’.

Tevens zijn er talrijke drinkpoelen voor het vee in verband met het

zoute grondwater. De vroegere kreken zijn nog goed te herkennen.

68. Verdronken land van Saeftinghe

Het Verdronken land van Saeftinge toont het Zeeuwse landschap zoals

dat er voor de bedijkingen uit moet hebben gezien: een ongerept

gebied met lage beplanting, doorsneden door geulen en honderden

kleine geultjes. In de bedijkte gebieden liggen nog altijd de restanten

van dit soort systemen, maar hier kun je het systeem nog in volle

glorie bewonderen. Menselijke sporen die getuigen van de mislukte

pogingen om het gebied in te polderen geven het gebied een extra

verhaal mee.

69. De Brand

De Brand wordt gekenmerkt door de indeling in hoevestroken

(boshoeveontginning) met een mooie landschappelijke geleding in

de strook vanaf de ontginningsbasis op de dekzandruggen, waar de

bewoning en de akkers, via een lagere zone met grasland naar de

laagste delen met (hakhout)bos. Mogelijk zijn delen van het oorspronkelijke

bos steeds blijven bestaan, al is het wel sterk door de mens

aangepast: door omzetting in eikenhakhout en door de aanlag van

rabatten. De hakhoutcultuur is waarschijnlijk geïntensiveerd met de

opkomst van de schoenenindustrie (eekschillen voor leerbewerking).

70. De Mortelen

De Mortelen zijn bijzonder als een ‘beemdontginning’ die heeft geleid

tot een kleinschalig landschap. Het natte, lage en door stroompjes

doorsneden gebied (nederzettingen met laar namen) is vanuit

de oude nederzettingen op de dekzandrug van Oirschot ontgonnen.

Deels gebeurde dat in de Late Middeleeuwen, maar de laatste

gemeenschappelijke weidegronden verdwenen pas in de Nieuwe

Tijd. Het langdurige beheer als hooilanden leidde tot de vorming

van blauwgraslanden, een tegenwoordig zeldzaam halfnatuurlijk

landschapstype.

71. Dommeldal

De Dommel vormt een van de weinige beken op de zandgronden


die grotendeels aan kanalisatie ontsnapten. Wel is in de afgelopen

eeuw een reeks meanders afgesneden, maar de oude beddingen zijn

nog in het terrein zichtbaar. In het dal langs de beek liggen hooi- en

weilanden, in de hogere dekzandgebieden buiten het beekdal liggen

de boerderijen en de bouwlanden. Verder van de beek af gaat dit

landschap over in bossen en jonge ontginningen op de vroegere

heidevelden. Plaatselijk staan nog rijen populieren, die herinneren

aan de klompenindustrie in deze streek.

72. Kampina

Heidegebied met middeleeuwse ontginningen (Balsvoort) in de rand,

tot aan jong ontginningslandgoed. Een van de eerste heidegebieden

die door een natuurbeschermingsorganisatie (in dit geval Natuurmonumenten)

werden verworven.

73. Mastbos

Het Mastbos is een van de oudste aangeplante bossen in Nederland

en het eerste dat werd ingeplant met naaldbomen. In 1514 liet de

Baron van Breda hiertoe een bosbouwer, ene Hans Scaller, met

dennenzaad uit Neurenberg komen. De naam van het bos verwijst

naar de aangeplante dennen of ‘masten’. Hoewel het bos nadien een

aantal malen opnieuw is ingeplant, is het lanenpatroon nog altijd

herkenbaar.

74. Noordpolder van Ossendrecht

Het Brabantse zandlandschap eindigt aan de westzijde met de

‘Brabantse Wal’, een steilrand die ooit door erosie door de rivier de

Schelde is gevormd. Ten westen van die rand lag in de Middeleeuwen

een veengebied, dat later is ontwaterd en verkaveld voor de

landbouw. De meeste gebieden hebben daarbij in de loop van de tijd

een nieuwe inrichting gekregen. De Noordpolder van Ossendrecht is

een van de weinig gebieden waar het oude veenweidelandschap nog

herkenbaar is. De markante begrenzing door de Brabantse Wal maakt

het landschap uniek.

75. Oude Buisse Heide

De Oude Buisse Heide is een 19e-eeuws ontginningslandgoed, dat is

afgesplitst van het oudere landgoed De Moeren, dat voortkomt uit

een begin 17e-eeuwse turfafgraving. De vaarten die voor de afvoer

van de turf zijn gegraven, zijn nog in het landschap herkenbaar. De

Oude Buisse Heide is vooral bekend geworden door de dichteres en

activiste Henriëtte Roland Holst, die het landgoed in 1914 erfde en in

1945 vermaakte aan Natuurmonumenten.

76. Wouwse Plantage

Oudst bekende voorbeeld van een aangeplant bos in Nederland. In

1504 liet de Markies van Bergen op Zoom dit gebied met heide, vennen

en struikgewas omvormen tot een productiebos met lanen. In de

19e eeuw particulier geworden.

77. Vloeiweiden – Plateaux

De bevloeiing van hooilanden met voedselrijk beekwater is al vele

eeuwen toegepast. In de 19e eeuw is op enige schaal geëxperimenteerd

met nieuw aangelegde vloeiweiden, regelmatiger

en grootschaliger dan de oude. Het vloeiweidensysteem van

de Pelter Heggen in het reservaat De Plateaux, aangelegd in

1847, vormt het mooiste voorbeeld van een dergelijk 19e-eeuws

vloeiweidensysteem in Nederland. Het systeem raakte rond 1920

buiten gebruik en is daarna met populieren beplant. Natuurmonumenten

heeft het systeem hersteld en bevloeit nu weer een

gedeelte.

78. Maasheggen

Het Maasheggengebied vormt het belangrijkste heggenlandschap

van ons land. De graslandpercelen zijn gescheiden door heggen van

voornamelijk meidoorn. Meidoorns vormen heggen die voor het vee

ondoordringbaar zijn en die hier in het verleden de ideale veekering

vormden. Sloten zouden in dit relatief hooggelegen gebied een deel

van het jaar water bevatten en slibden bij overstromingen dicht. In


het verleden werden de meidoorns ‘gevlochten’, een praktijk die de

laatste jaren opnieuw wordt toegepast.

79. Geuldal zuid

De omgeving van Epen vormt binnen Zuid-Limburg een afwijkend

gebied door de complexe geologische en bodemkundige gesteldheid.

Bijzonder is het grote aantal heggen, vakwerkboerderijen en

watermolens.

80. Gulpdal bij Wittem

Diep in het Heuvelland ingesneden beek, die in Gulpen uitstroomt

in de rivier de Geul. Het dal is smaller en intiemer dat het Geuldal.

Een groot deel van de nog gebruikte doorwaadbare plaatsen in

Nederland ligt in de Gulp. In het beekdal ligt het middeleeuwse huis

Neubourg met het bijbehorende landschapspark waarin enkele

oudere lanen.

81. Leudal

Diep in een Maasterras ingesneden beekdal. De middenloop van

de Leubeek werd als een van de weinige beken op de Nederlandse

zandgronden in de twintigste eeuw niet gekanaliseerd. Daarnaast

van belang als een zeldzaam voorbeeld van een middeleeuws kloosterlandschap,

met het klooster St Elisabethsdal en de daarbij horende

watermolens en bouwlandkampen.

82. Mookerheide - St. jansberg

De Mookerheide vormt een heide- en bosgebied op de meest zuidelijke

stuwwal van Nederland. Het gebied staat in het nationale geheugen

gegrift door de Slag op de Mookerheide (de beide schansen

hebben overigens niets met die slag te maken). Een grote Romeinse

villa, die al gebruik maakte van het nog altijd hoog gewaardeerde

uitzicht over het Maasdal, is enkele jaren geleden in de vorm van een

buizenframe gereconstrueerd. Onderaan de stuwwal ligt de Plasmolen,

een watermolen die wordt gevoed door gegraven sprengen.

83. Oud Valkenburg

De omgeving van Oud Valkenburg vormt een gaaf deel van het

lösslandschap, met de meanderende beek met de ernaast liggende

graslanden, het kerkdorp Oud-Valkenburg op de rand van de overstromingsvlakte

en de bouwlanden op de helling daarachter. In het

dal naast het dorp liggen de beide middeleeuwse kastelen Genhoes

(de naam betekent simpelweg Het Huis) en Schaloen, omgeven door

lanenstelsels.

84. Savelsbos

Bosgebied op de steile westhelling tussen het Maasdal en het Plateau

van Margraten. Een van de weinige gebieden in ons land die waarschijnlijk

nooit ontbost zijn. Wel is het bos vele eeuwen intensief als

hakhout geëxploiteerd. In het bos zijn nog sporen te vinden van prehistorische

mijnbouw: de gangen in de helling die door neolithische

mijnwerkers zijn uitgegraven om vuursteen te winnen.

85. Sint-Pietersberg

Krijtheuvel tussen de Maas en de Jeker, ten zuiden van Maastricht. In

de Middeleeuwen in gebruik als weidegebied van de bewoners van

het dorp Sint Pieter en van de boerderijen langs de Jeker. Zeker sinds

de 15e eeuw is er kalksteen (mergel) gewonnen in ondergrondse

gangen, die in de loop van de tijd uitgroeiden tot een dicht gangennet.

In de twintigste eeuw werd de berg grotendeels afgegraven

door kalksteenwinning in dagbouw. Daarnaast is er een lange militaire

geschiedenis, van het middeleeuwse kasteel Lichtenberg (met

Valkenburg het enige Nederlandse hoogtekasteel), via het in 1701

gebouwde fort St Pieter tot het gebruik van de gangen als Navohoofdkwartier

tijdens de Koude Oorlog.

More magazines by this user
Similar magazines