Rapport 'Leidsche Rijn bouwt een kathedraal! - Belvedere

belvedere.nu

Rapport 'Leidsche Rijn bouwt een kathedraal! - Belvedere

Belvedere studie;

Leidsche Rijn bouwt

een kathedraal!

Een zoektocht naar het verhaal van het

Leidsche Rijn park.

1

1


2

Colofon:

uitgave: Projectbureau Leidsche Rijn, Utrecht, 2004

i.s.m.: Projectbureau Belvedere Utrecht

Projectteam:

Ernest Pelders: Projectbureau Leidsche Rijn

Rob Hendriks: Projectbureau Leidsche Rijn

Edzo Bindels: West 8

Marco van der Pluym: West 8

Erik Graafstal: afd. Archeologie, gem. Utrecht

Herre Wynia: afd Archeologie, gem. Utrecht

Theo Kuijpers: Wijkbureau Leidsche Rijn

Verdieping:

Gerrie Andela. Welstand Utrecht

Hans Ophuis: Projectbureau Leidsche Rijn

Twan Zeegers Projectbureau Leidsche Rijn

Workshops: 4 en 11 Juli

Joost van den Boogert Projectbureau Belvedere

Ruud Brouwers: Kwaliteitsteam Utrecht

Jan Schutte: Historische Vereniging Vleuten de Meern

Ruud Koch: Ontwerp Stedelijke Omgeving, gem. Utrecht

Martin Vos: Stichting Bouwloods Utrecht

Alfons Vernooij Provincie Utrecht

Saskia Kemperman Provincie Utrecht

Arne Haitzema ROB

Reint Kleinbeekman St. Landschapsbeheer Vleuten de Meern

Tabe Tietema St. Landschapsbeheer Vleuten de Meern

Michiel Purmer: Natuurmonumenten

Allart van Leerdam Staatsbosbeheer

Sarcha van Breukelen Utrechts Landschap

Paul Baltes: Terra Incognita

Wim Kersten: Terra incognita

Informatie:

Projectbureau Belvedere

Postbus 389

3500 AJ Utrecht

tel: (030) 2305010

E-mail: info@belvedere.nu

Internet: www.belvedere.nu


Inhoud pagina nr.

2. Inleiding 5

3. Leidsche Rijn park, een collage van parkfragmenten 9

4. Cultuurhistorie van het park 19

4.1 De natuurlijke ondergrond 23

4.2 Leven in de schoot van het landschap 31

4.3 Opgenomen in een wereldrijk 37

4.4 Het landschap krijgt vorm 45

4.5 De stad rukt op 51

5. Het ontwikkelingsperspectief 65

6. Markante elementen in het park 71

6.1 Den Engh 75

6.2 De Hoge Woerd 81

6.3 De Binnenhof 89

6.4 De Vikingrijn 97

6.5 Het Lint 103

7. Communicatie 109

7.1 Informatieverstrekking 112

3


Ernest Pelders

2.Inleiding

5


6

Inleiding

‘De verhalen van vroeger geven ons identiteit in

de toekomst’. Met dit motto is binnen de Utrechtse

nieuwbouwwijk ‘Leidsche Rijn’ de zoektocht

begonnen om het verleden beleefbaar te maken

voor een nieuwe generatie. In het centraal

gelegen Leidsche Rijn Park (300ha) ligt een

schatkamer aan relicten die hierbij aangegrepen

kunnen worden. In de studie ‘Leidsche Rijn bouwt

een Kathedraal’ wordt binnen het park een start

gemaakt met deze zoektocht.

Met behulp van de subsidie Belvedere van

het Stimuleringsfonds Architectuur is deze studie

verricht. Het is een studie om het

planvormingsproces van het Leidsche Rijn Park te

verrijken. In deze studie is de vrijheid genomen om

vanuit een cultuurhistorisch perspectief de opgave

te benaderen. Hierdoor ontstaan creatieve en

inspirerende ideeën die niet altijd even realistisch

zijn maar wel een inspirerende voorbeeldwerking

kan uitgaan voor Leidsche Rijn als daarbuiten. Dit

boekwerk vormt een soort van reisverslag van het

doorlopen traject en moet dan ook als zodanig

gelezen worden.

Leidsche Rijn Park

Het Leidsche Rijn Park vervult met zijn centrale

ligging in allerlei opzichten een strategische functie:

als schakel tussen de verschillende woonmilieus

en de bestaande voorzieningen- en infrastructuur,

als ecologische corridor en als attractie en

identiteitsverstrekker van Leidsche Rijn. Een grote

diversiteit van groene voorzieningen en functies

op het gebied van sport en recreatie zal

hier de komende jaren moeten worden

geaccommodeerd. Door een zorgvuldige stapeling

van nieuwe functies op waardevolle

cultuurhistorische relicten kan het Leidsche Rijn

Park op termijn uitgroeien tot een rijk geschakeerd

landschapspark met lange biograsche lijnen.

Met het ontwerp van West 8 voor het Leidsche

Rijn Park is een robuust kader voor de verdere

ontwikkeling geschapen. Talrijke aspecten vragen

echter nog om een nadere uitwerking, juist ook op

het vlak van de cultuurhistorie. Bijvoorbeeld: hoe

kan de cultuurhistorische hoofdstructuur ingepast

en versterkt worden binnen het parkontwerp?

Hoe kunnen de verspreide cultuurhistorische

relicten effectief worden gepresenteerd? Hoe

kan het onzichtbare zichtbaar worden, krijgt het

verbrokkelde weer samenhang en hoe wordt

gebruiksinfrastructuur ontsloten?


Deze vragen staan centraal in deze studie en

komen in de volgende hoofdstukken aanbod:

Hoofdstuk 1 ‘Leidsche Rijn park, een collage van

parkfragmenten.’

Gerrie Andela laat middels een analyse de plaats

van het Leidsche Rijn Park binnen de traditie van

het parkontwerp zien. Hierbij wordt aan de hand

van vergelijkbare parken uitspraken gedaan over

beleving, gebruik en ontwikkeling.

Hoofdstuk 2 ‘Cultuurhistorie van het park.’

De biograe van Leidsche Rijn wordt in 5

tijdsperioden besproken. Per tijdsperioden wordt

een ‘schatkaart’ afgebeeld van het park en

de directe omgeving, waarop de belangrijkste

elementen in en rond het park zijn geïnventariseerd.

Elk element wordt in beeld en woord nader

toegelicht zodat een goed beeld ontstaat.

Hoofdstuk 3 ‘The making of….’

De ontwikkeling van een park van deze omvang

moet meer als proces dan als project gezien

worden. In dit hoofdstuk wordt dit

ontwikkelingsproces beschreven. Een langdurig

traject waarin regie en image building belangrijke

peilers vormen. Imago verwerf je door verhalen van

het verleden, het heden en de toekomst.

Hoofdstuk 4 ‘Markante elementen in het park.’

In dit hoofdstuk zijn 5 waardevolle plekken

in het park uitgewerkt. Per plek wordt de

historische context geschetst en een prikkelende

hypothese opgesteld. In workshops werd een brede

groep betrokkenen uitgedaagd om het culturele

erfgoed zichtbaar en beleefbaar te maken. De

verschillende ideeën zijn inspirerend en niet altijd

even realistisch. Inspiratie stond dan ook boven

realisatie.

Hoofdstuk 5 ‘Communicatie’

In het laatste hoofdstuk wordt naast de verbeelding

en verwijzing in het park ook nagedacht over de

communicatie in en over het park. Hoe kun je

‘het prachtige cultuurhistorische verhaal’ vertellen

en kenbaar maken aan de parkbezoeker. Actief en

passief.

Inleiding

Proces

Deze Belvedere studie laat zien dat cultuurhistorie

een prachtige inspiratiebron kan zijn voor nieuwe

ruimtelijke ontwikkelingen. De leefomgeving wint zo

aan kwaliteit doordat herkenning en identicatie

wordt bevorderd. Met dit rapport heeft Leidsche

Rijn inspirerend gedachtegoed opgedaan dat

de planvorming positief zal beïnvloeden. Hierbij

staat de vertaalslag van een archeologische

verkenning naar een inspirerend verhaal in woord

en beeld centraal. Kennis over de geschiedenis,

de kwaliteiten van de plek en de mensen

die er leven en werken geven inzicht in dit

verhaal. De mogelijkheid om deze stap te nemen

in het voorbereidingstraject van elke willekeurig

planvormingstraject (stad of land) geeft nagenoeg

de garantie dat iedere landschapsarchitect,

architect of ontwikkelaar dit als inspiratiebron zal

gebruiken voor de toekomstige invulling.

A rcheologische

verkenning

Programma van

Eisen

V oorlopi g –

Definitief

Ontw erp

Realisati e en

Beheer

V erdieping va n

A rcheologi sche

Feiten / Figuren

‘Het verhaal’

in w oord en

beeld

Deze stap kost tijd en geld in het reguliere

ontwikkelingsproces. De inbreng van kennis en

middelen vanuit het Belvederefonds komt in deze

als zeer welkom.

Daarnaast heeft de Belvedere studie veel kennis

opgeleverd voor alle betrokken partijen. De

bewustwording dat cultuurhistorie geen

onomstotelijk vastliggend feit is maar een

´bewegende´ vakdiscipline met

ontwikkelingskracht vormt een groot winstpunt. Met

dit gegeven zijn we overtuigd dat het Leidsche Rijn

Park kan uitgroeien tot een schatkamer voor het

collectieve geheugen van Leidsche Rijn: ‘Leidsche

Rijn bouwt een kathedraal’.

7


3.Leidsche Rijn park, een collage van parkfragmenten

Gerrie Andela

9


10

3.Leidsche Rijn park, een collage van parkfragmenten

Leidsche Rijn Park

Gerrie Andela

Een park waar men kan wandelen, skaten, etsen

en paardrijden, een park voor sport en spel, een

park dat ook toegankelijk is voor autoverkeer, een

park met bijzondere architectuur, een park dat het

oorspronkelijke gebruik van het gebied laat zien

en een belangrijke ecologische waarde heeft; dat

zijn de ambities voor het nieuwe park van ruim

300 hectare groot in het hart van de VINEX-locatie

Leidsche Rijn. Een ieder moet er iets van zijn

gading kunnen vinden. De een komt er om

van de natuur te genieten, de ander om te

sporten of juist wat te slenteren, weer een ander

zoekt een picknickplekje, buigt zich over het

archeologisch erfgoed of laat het gehandhaafde

cultuurlandschap op zich inwerken.

Alles lijkt er mogelijk. Zowel door de omvang als

de multifunctionele opzet onderscheidt het park

in Leidsche Rijn zich van de parken die de

afgelopen decennia in Nederland tot stand zijn

gekomen en zich vooral onderscheiden door

hun nadrukkelijke architectonische vormgeving.

Het Utrechtse park is meer gelaagd; zowel

in conceptueel als functioneel opzicht vormt

het een collage van parkfragmenten die

terugvoert naar verschillende thema’s en tradities

uit de geschiedenis van het stadspark en het

landschapsontwerp.

Zo zijn er de stedenbouwkundige betekenis van

een park als instrument voor stadsverfraaiing

en vaak luxe stadsuitbreiding en de sanitaire

waarde waarbij het park vooral een reinigende

en heilzame functie werd toebedacht. Dit was

vooral bij de negentiende eeuwse stadsparken

het geval. Sport en spel drukten hun stempel op

de volksparken uit de periode daarna, het begin

van de twintigste eeuw. Behalve deze functionele

eisen was ook de locatie en de ondergrond

(de genius loci) van beslissende invloed op de

vormgeving. Die bepaalde wat er mogelijk was

met betrekking tot de waterhuishouding, hoogte-

en laagteverschillen en de vegetatie. Al deze

noties manifesteren zich bij het Leidsche Rijn park.


De hoofdstructuur van het park wordt bepaald

door: een ongeveer vijftig meter brede strook,

het J.P. Thijsselint, rondom het hele park, met

aaneengesloten grasweides, bosstroken en een

verhard pad; een centraal gelegen groengebied,

de Binnenhof , dat door een muur van de andere

parkdelen wordt afgescheiden; en de Vikingrijn,

ofwel de herstelde loop van de Oude Rijn, die

vroeger door het gebied liep. Elk gebied kent zijn

eigen sfeer en karakter. Markeert het lint vooral de

grens van het park en biedt het gebruikers door zijn

afwisseling van intieme besloten ruimten en ruime

doorzichten een steeds veranderend perspectief

op de omgeving, de Binnenhof is vooral een plek

voor rust en ruimte. Met zijn loofbossen, bosquets

en statige lanen krijgt het de sfeer van een

eigentijdse buitenplaats met bijzondere culturele

voorzieningen. Daarnaast zal hier de

oorspronkelijke landschapsstructuur van vletsloten

te beleven zijn.

Een bezienswaardigheid op zich vormt de muur.

Die varieert in hoogte, vorm en materiaaltoepassing.

De Vikingrijn heeft het karakter van

een meanderende, natuurlijke waterloop, die

het park aan zijn omgeving verankert, zowel in

landschappelijk als recreatief opzicht.

Behalve deze elementen die een belangrijk

ecologische waarde hebben, zijn er nog de

zogeheten sportbossen, ingesloten tussen het lint

en de Binnenhof, met sportvelden, een enkele

manege en ruimte voor scoutinggroepen. Hier ligt

het accent op actieve sportbeoefening.

Central Park

Leidsche Rijn park, een collage van parkfragmenten

Parkaanleg als instrument voor stadsplanning

De aanleg van het park betekent een verrijking voor

de stad Utrecht. De centrale ligging te midden van

bestaande en nieuwe woongebieden en de wijze

waarop het park in zijn omgeving is verbonden,

zowel in topograsch en programmatisch opzicht

als uit oogpunt van infrastructuur, sluit aan op

de wijze waarop in de negentiende eeuw de

eerste openbare stadsparken werden aangelegd,

het eerst in het buitenland en later ook in Nederland.

Inspiratiebron vormde de aanleg van Regentspark

(1811) in London naar ontwerp van John Nash.

In de randen van het park was een luxe bebouwing

opgenomen die appelleerde aan de wens van de

gegoede klasse om een in ‘natuurlijke’ omgeving

te wonen. Door verkoop van de bouwgrond

kon ook een deel van de aanlegkosten worden

terugverdiend. Het principe kreeg in talloze plaatsen

navolging. Vernieuwend was Joseph Paxton.

Hij nam bij het Birkenhead Park (1843) in de

nieuwe gelijknamige stad Birkenhead niet alleen

woningbouw op, maar paste ook een gescheiden

verkeerssysteem toe met wandelpaden en een

doorgaande weg voor het stadsverkeer.

Het park vormde op zijn beurt weer een belangrijke

inspiratiebron, onder andere voor de aanleg van

Central Park (1858) in New York door Frederick Law

Olmsted. De New Yorkse elite meende dat de

stad niet achter kon blijven bij de ontwikkelingen

in Europa en wenste daarom ook de aanleg

van een openbaar stadspark, aangelegd volgens

de regels van de Engelse landschapsstijl met

een fraaie, afwisselende beplanting, slingerende

wandelpaden en waterpartijen, met mooie en

verrassende uitzichten en culturele voorzieningen.

Regent Park

11


12

Central Park

Parc des Buttes Chaumont

Parc des Buttes Chaumont

Een geschikte locatie was een 350 hectare

groot moerasachtig terrein met rotsachtige

uitstulpingen in het hart van het toen nog

onbebouwde Manhatten, dat niet alleen als

ongezond werd beschouwd maar ook ongeschikt

voor commerciële ontwikkeling. Gedicteerd door

de topograsche omstandigheden ontwierp

Olmsted samen met architect Calvert Vaux een

park waarin ze enkele elementen uit de bestaande

context handhaafden, zoals de beboste heuvel en

het grote waterreservoir, maar voor het overige

zetten ze deze context ink naar hun hand.

Het hele terrein werd opgeschoond, hier en daar

geëgaliseerd en op andere plaatsen uitgediept.

Vooral de aanleg van een groot grasveld en van

enkele meren, waarin al het water in het gebied

verzameld werd, noopten hiertoe. Hoewel men

het park opvatte als een ‘ rus in urbe’, als een

Amerikaans’ landschap in de stad, was de stad

wel degelijk in het park aanwezig, niet alleen door

naar buiten gerichte zichtlijnen, maar ook door

de introductie van het stadsverkeer via een viertal

verdiept liggende doorgaande verkeerswegen.

Van woningbouw in het park was geen sprake, wel

kwamen er culturele voorzieningen (musea).

De aanleg, die acht jaar duurde en waarbij

duizenden werklieden betrokken waren, gaf een

impuls aan de bebouwing van de omgeving.

Dankzij het succes van Central Park kwam in

de Verenigde Staten een ware parkbeweging op

gang.

Stadsbestuurders uit tal van plaatsen (Buffalo,

Boston, Chicago) richtten zich tot Olmsted met

het verzoek een park te ontwerpen op plaatsen

die veelal ongeschikt waren voor woningbouw

of commerciële ontwikkelingen, opdat ook deze

locaties werden opgenomen in het stadsweefsel.

In Parijs waren behalve hygiënistische vooral

esthetische overwegingen van invloed. In opdracht

van Napoleon III maakte Jean Charles Adolphe

Alphand niet alleen bestaande parken (Bois de

Boulogne, Bois de Vincennes) publiek toegankelijk,

maar ontwierp ook een aantal nieuwe, waaronder

het Parc des Buttes Chaumont (1864), dat werd

aangelegd op een voormalige vuilstort.

Met behulp van dynamiet liet hij bestaande

rotspartijen op blazen om een dramatisch

landschap te kunnen scheppen met grotto’s,

watervallen, hangbruggen en talrijke bosschages.

Een hoogtepunt, ook in letterlijke zin, vormde

een klein rond Sibilletempeltje op de top van

een dertig meter hoge grillige rots. Hoewel het

gebied een volstrekt eigen, landschappelijke sfeer

kreeg, ontwierp Alphand het park wel degelijk als

onderdeel van het stedelijk systeem.


Als ‘groene long’ kreeg het een reinigende

functie toebedacht terwijl het als element van

stadsverfraaiing deel uitmaakte van ‘Les

Promenades de Paris’,

ofwel de publieke ruimte van Parijs. Op detailniveau

kwam de samenhang tot uitdrukking in de stoffering

van het park met banken, lantaarnpalen, hekjes

en afvalbakken die ook elders in de stad

werd toegepast .Het park als instrument van

stadsplanning speelde evenzeer een rol bij het

tot stand komen van het Vondelpark (1864) in

Amsterdam. Een aantal prominente burgers van de

stad nam het voortouw tot de oprichting van een

‘Rij- en Wandelpad’ nabij de bestaande Leidsche

Bosjes bij de Overtoom, destijds al een geliefde

wandelroute. Ontwerpers waren J.D. Zocher en L.P.

Zocher. Naar de mode van die tijd veranderden

zij het natte weidegebied in een circa 48

hectare groot landschapspark volgens de principes

van de Engelse landschapstijl, maar zonder de

hoogteverschillen die elders wel werden

aangebracht. De topograe van het gebied gaf

hier geen aanleiding toe, nog afgezien van het

veel grotere grondverzet dat hiervoor nodig zou zijn

geweest met aanzienlijk hogere kosten.

De nanciering van de aanleg vond plaats door

geldinzamelingen en, ook hier, door verkoop en

exploitatie van aangrenzende gronden.

Voorts leverde de melkboerderij, die door de

ontwerpers in het plan was ingepast, een bijdrage

aan de aanleg- en onderhoudskosten van het park.

In Utrecht gaf de aanleg van het Wilhelminapark

(1897) op het Oudewijkerveld, eveneens

aangelegd in de landschapsstijl naar ontwerp van

H. Copijn, aanleiding tot een luxe bebouwing

in de directe omgeving. In al deze gevallen

was er sprake van een innige samenhang tussen

parkaanleg en stadsuitbreiding. De aanwezigheid

van een ‘natuurlijke’ omgeving vormde een

stimulans voor het bebouwen van de

aangrenzende gebieden, terwijl in het park dikwijls

culturele voorzieningen tot stand kwamen,

aansluitend op educatieve karakter van het park.

In de moderne stedenbouw van de twintigste

eeuw ging deze nauwe relatie veelal verloren;

de voorheen duidelijke gedenieerde stadsparken

gingen op in een systeem van groenstroken, buurt-

en wijkgroen, waarbij de natuur werd opgevat als

een grenzeloze ruimte.

Dit is bijvoorbeeld goed te zien bij de Utrechtse wijk

Overvecht, waar de wooneenheden zijn ingebed

in een samenhangende structuur van bomenrijen,

parkzones, grasvelden en vijverpartijen.

Leidsche Rijn park, een collage van parkfragmenten

Parc des Buttes Chaumont

Vondelpark

13


14

Amsterdamse bos

In ecologisch opzicht mag het dan aan de

omgeving zijn gerelateerd, uit stedenbouwkundig

oogpunt vormt het Leidsche Rijn park weer de kern

van een woongebied, dat in de toekomst mogelijk

nog verder zal worden uitgebreid.

Het biedt volop ontspanningsmogelijkheden voor

zowel de bewoners van de nieuwe wijken als voor

de Utrechtenaren in het algemeen.

De opzet sluit bebouwing in het park niet uit, mits

die ten goede komt aan de totaalopzet en de

schoonheid van het gebied en geen storende

werking heeft ten aanzien van ander gebruik.

Culturele betekenis

Het Leidsche Rijn park bevat ook andere klassieke

ingrediënten van parkaanleg. Het meest in het oog

vallend is wel het lint, dat het parkgebied niet

alleen duidelijk afbakent en markeert, maar ook

essentieel is voor de beleving van het gebied.

In die zin refereert het aan het wandelpad in het

laat achttiende en negentiende eeuwse

landschapspark met zijn schilderachtige taferelen

en talrijke folies die verwezen naar andere culturen

of naar gebeurtenissen uit het verleden. De

wandelpaden in deze parken bepaalden de

lay-out en structuur en stuurden de esthetische

ervaring, de waarneming en het inzicht. Al

wandelend kon men de natuur leren kennen

in verhouding tot kunst, de relatie tussen natuur

en landschap begrijpen, of kennismaken met

de verschillende landschapskarakters die werden

opgeroepen door naald- of loofhout, bloemen

en heesters in samenhang met bijvoorbeeld een

sombere gotische ruïne, een Romeinse tempel,

een inscriptie of een Chinese pagode. Via de

waarneming bood de wandeling de mogelijkheid

tot een esthetische ervaring. In de stad kreeg

het stadspark een dergelijke functie. Exotische

bomen en heesters, bloembedden, standbeelden,

vergezichten, melksalons, muziektenten, en ook

medewandelaars boden behalve vermaak en

plezier tal van observaties en inzichten. Juist door

deze cultuur van ervaring vormde het park een

vitaal onderdeel van het stedelijk leven.

In de twintigste eeuw, vooral na de Tweede

Wereldoorlog, ging deze culturele betekenis van

het stadspark grotendeels verloren. Aan het eind

van de eeuw kreeg de architectonische

vormgeving van parken opnieuw aandacht,

evenals het scheppen van natuurbeelden.

Vooral het door Ives Brunier (OMA) ontworpen

Museumpark (1987) in Rotterdam met zijn

aaneenschakeling van vier verschillende,

nadrukkelijk ontworpen parksferen, die worden

beleefd via een wandeling door het park, werd

toonaangevend.


Het lint van het Leidsche Rijn park biedt

mogelijkheden om de geschiedenis van het gebied

te ontsluiten en een culturele betekenis te verlenen

aan de ervaring van het park. Het verbindt

belangrijke archeologische terreinen en

cultuurhistorisch waardevolle structuren en

objecten, zoals de Hoge Woerd met de resten van

Romeinse legerkampen, de ridderhofstad Den Eng,

de nog uit te graven Oude Rijn, de Alendorperweg

met zijn lintbebouwing en, van recenter datum, de

relicten van de glastuinbouw.

Ook maakt het de beleving mogelijk van

natuurgebieden als de Haarrijnseplas en van

natuurzones die in de strook zelf worden

opgenomen.

Ook vangt men een glimp op van het oude

cultuurlandschap met de langgerekte percelen

en vletsloten in de Binnenhof en wellicht ook

van de culturele voorzieningen die hier komen. In

het noordelijke en zuidelijke deel domineren de

sportvoorzieningen het beeld.

Nooit is het zicht hetzelfde. Al wandelend, joggend

of etsend verandert, evenals in het vroegere

landschapspark steeds het perspectief. Maar de

ouderwetse folies zijn verdwenen. Ze zijn vervangen

door nieuwe betekenis verlenende objecten en

elementen, die evenzeer inzicht bieden en

aanzetten tot reectie of oogstrelend zijn en een

esthetische genoegen geven.

Herstel van de symbiose

Een bijzondere plaats nemen de sportvoorzieningen

in. Sommige mensen zullen van oordeel zijn dat

deze grotendeels private terreinen in feite niet tot

het ofciële park behoren, maar dat is betrekkelijk.

Visueel en functioneel maken ze er deel van uit.

Daarbij is sport niet meer weg te denken uit het

dagelijks leven en, belangrijker nog, de

fenomenen sport en spel hebben een wezenlijke

bijdrage geleverd aan denken over de functie

en betekenis van stadsparken. Dit was vooral

rond 1900 en in het begin van de twintigste

eeuw het geval, toen de landschappelijk

aangelegde stadsparken niet langer voldeden aan

het veranderende behoeftepatroon. Gestimuleerd

door de opkomst van de lichaamscultuur, de

toenemende medische kennis en de trek naar

buiten kwam er meer belangstelling voor actieve

sportbeoefening, zoals voetbal, tennis en atletiek.

De activiteiten vereisten veelal een speciale

accommodatie, die aanvankelijk vooral in

bestaande parken werd ingevoegd.

Leidsche Rijn park, een collage van parkfragmenten

Kralingse bos

15


16

Dit was bijvoorbeeld het geval in Central Park,

waar onder de voortvarende leiding van

parkcommissioner Robert Moses in de jaren twintig

en dertig meer dan twintig, deels verharde

speelvelden werden aangelegd.

Daarnaast raakte echter ook een nieuw type park

in zwang, het volkspark, waarbij de sport- en

spelvoorzieningen van meet af bepalend waren

voor het ontwerp. Vooral in Duitsland raakte het in

zwang.

Toonaangevend werd het Stadtpark (1910) in

Hamburg, ontworpen door F. Schumacher, dat ook

de gedachtevorming in Nederland

beïnvloedde. Hoezeer het karakter van de

stadsparken veranderde, komt duidelijk naar voren

bij de aanleg van het Kralingse Bos in Rotterdam,

ongeveer even groot als het Leidsche Rijn park.

Ging het eerste ontwerp van de Dienst

Gemeentewerken (1911) uit nog uit van een

aanleg in de landschapsstijl, waarin enkele

sportaccommodaties (atletiekbanen) op een

verhullende wijze waren opgenomen, in het

tweede, van M.J. Granpré Molière, P. Verhagen,

A. Kok en M. Klijnen (1920) kregen de voorzieningen

voor sport en spel een duidelijke eigen plaats in het

ontwerp. In een tegenplan van de hoogbejaarde

tuinarchitect L. Springer (1928) waren ze weer

weggemoffeld, terwijl ze in het uiteindelijke,

uitgevoerde ontwerp van de Dienst (1933) op

een rationele wijze met oog op een doelmatige

ontsluiting in de randen van het park werden

geprojecteerd. Een nieuw fenomeen in dit park was

ook de auto, die evenzeer op beperkte schaal in

het Leidsche Rijn park wordt toegelaten.

Naar Amerikaans voorbeeld kwam in het

Rotterdamse park in de buitenrand een toerweg

tot stand, ontworpen op de belevingswaarde

voor de automobilist. In programmatisch opzicht

droeg ook het Amsterdamse Bos (vanaf 1931)

de sporen van de Duits volksparken. Verspreid

over het bos kwamen tal van voorzieningen,

voor roeien, paardensport, zwemmen, terwijl in de

rand, grenzend aan de woonbuurten, vooral de

teamsporten (voetbal) een plaats kregen.

Daarnaast werden evenwel elders in de stad ook

afzonderlijke sportparken aangelegd, een trend

die doorzette met de opkomst van de moderne

stedenbouw, die uitging van een functiescheiding

in wonen, werken, recreatie en verkeer. Als gezegd

werden de parken opgenomen in een systeem

van groenelementen, waarmee de integrale

benadering van de vroeg twintigste eeuwse

parkaanleg verloren ging.


In Leidsche Rijn wordt de symbiose weer hersteld;

zwaar in de beplanting gezet en onderling met

elkaar verbonden door het lint vormen de drie

sportcomplexen zowel in programmatisch als in

ruimtelijk opzicht een wezenlijk onderdeel van het

park.

Een ‘hortus conclusus’ in Leidsche Rijn

Vormt doorgaans een restaurant of andere publiek

trekkende plek het hart van een park, in Leidsche

Rijn wordt dat ingenomen door een tweede

park. Ingekapseld door de sportgebieden en het

Jac.P. Thijsselint ligt hier een groot middengebied,

omringd door een speciaal gemetselde muur.

De afmetingen, die ongeveer overeenkomen

met die van het Vondelpark mogen dan wel

buitenproportioneel zijn, toch ademt het domein de

sfeer van een omsloten tuin, een ‘hortus conclusus’,

waar de dynamiek van de stad wordt geweerd.

Schreef Adriaan Geuze van West 8 al niet eerder

dat het de taak van een landschapsarchitect is zich

toe te leggen op het scheppen van tuinen:

‘Tuinen in de meest traditionele zin: ommuurde

oases met een mystieke, gecondenseerde natuur,

en een extreme beheersing van details en een

liefdevol onderhoud. Een plek met seizoenen,

verbeelding en contemplatie. Juist in een land dat

veel voller wordt, waarin de individuele expressie

van huizen en tuinen de boventoon voert, is het

genot van grootschalige authenticiteit urgency.

Hiermee kan de stedeling zich immers oriënteren op

de werkelijkheid. […] Verscholen in de ruis liggen

daar weldadige tuinen, zoals de Vondelparken en

de Keukenhof. Daaraan moeten we werken.’

De Binnenhof is zo’n tuin, een plaats voor rust en

bespiegeling, afgezonderd van de buitenwereld

door een muur, een plaats waar het landschap

interieur is geworden.

Door een ‘eeuwigdurend’ groeiproces van

duurzame boomsoorten moet de plek uitstijgen

boven ‘de waan van de dag’. De hof wordt

voorgesteld als een eigentijdse buitenplaats, met

loofbossen, geschoren bosquets, statige lanen,

bloementuinen en tal van andere elementen zoals

een labyrint, een Belvedere en een rozentuin.

De omschrijving verwijst naar zijn traditionele

voorganger uit de zeventiende en achttiende

eeuw. Ook toen gold de buitenplaats als een

oord van verpozing, bezinning en reectie, maar

evenzeer van nut. Vaak waren er landerijen,

moestuinen, boomgaarden, jachtbosjes en

hakhoutpercelen te vinden, waarvan de

opbrengsten voor eigen gebruik waren bestemd

of werden verkocht. Dit laatste element speelt

vooralsnog nauwelijks een rol van betekenis bij de

Binnenhof, maar wellicht ontwikkelt het particulier

initiatief zich in deze richting.

Leidsche Rijn park, een collage van parkfragmenten

Boomgaarden en moestuinen passen immers

uitstekend in dit voormalige tuinbouwgebied. Bij

een zorgvuldige afweging en inpassing hoeft dit

geen afbreuk te doen aan het concept van de

buitenplaats.

Dat geldt ook voor de culturele functies - een

beeldentuin of een kunsthal - die hier gedacht

zijn. Zoals het Filmmuseum een bijzondere verrijking

vormt van het Vondelpark, zo zou een dergelijke

voorziening ook de Binnenhof, en natuurlijk ook het

gehele park, een extra betekenis geven.

Voor de inrichting van het groene hart vormt

het bestaande cultuurlandschap een belangrijke

leidraad. Hierin wijkt het gebied wezenlijk af

de buitenplaatsen uit het verleden, die veelal

werden aangelegd volgens een bepaalde stijl -

de Franse barok - waaraan de bestaande context

ondergeschikt werd gemaakt of op een ingenieuze

wijze ingepast. De oude linten, de Alendorperweg

en Utrechtse weg, blijven met hun bebouwing

gehandhaafd als belangrijke structuurbepalende

elementen. Ook wordt het nog herkenbare netwerk

van vletsloten en langwerpige percelen zoveel

mogelijk bewaard en geïntegreerd. Hier en daar zal

zelfs het huidige agrarisch gebruik van de kavels

worden voortgezet, wat overigens bij verschillende

historische buitenplaatsen ook gebeurde vanwege

de economische betekenis van de percelen. Wel

werden ze opgenomen in het totaalplan, zoals ook

hier wordt beoogd.

De aanleg van de Binnenhof, maar ook van het

park in zijn geheel, met die talloze mogelijkheden

en functies, die uiteenlopende sferen, die

verschillende natuurbeelden, vraagt een

zorgvuldige bewaking van het uitvoeringsproces.

Anders dan een gebouw kent de tuin- en

landschapsarchitectuur het tempo van een

langzame transformatie. Planten, bomen en

heesters hebben hun eigen dynamiek. Een

dynamiek die geduld vraagt en pas op langere

termijn de resultaten zal opleveren die nu worden

geschetst. Toch is dit geduld de moeite waard

zoals talloze oude stadsparken laten zien. Er mag

dan nauwelijks meer worden geaneerd, intensief

gebruikt worden ze wel.

17


Erik Graafstal/ Herre Wynia

4.Cultuurhistorie van het park

19


20

1885

1900

1950

1975

1990

2005

2020


Het Leidsche Rijnpark: een schatkamer vol

verleden

Vanaf 1997 wordt ten westen van de stad Utrecht

gebouwd aan de nieuwe wijk Leidsche Rijn. Eén

van de aspecten waardoor het nieuwe stadsdeel

zich van begin af aan heeft onderscheiden van

andere grote uitbreidingslocaties, is de omgang

met het bestaande landschap.

Dit landschap omvat alle zichtbare en onzichtbare

erfgoedwaarden en gebiedseigen kenmerken op

het gebied van geomorfologie, bodem,

waterhuishouding, ecologie, archeologie,

historische geograe en gebouwde monumenten.

In de afgelopen 10.000 jaar hebben natuurlijke en

menselijke factoren het uiterlijk van het landschap

bepaald, en zij zullen dit de komende duizenden

jaren blijven doen. Het leesbare resultaat van de

geschiedenis vormt als het ware de biograe van

het landschap.

In de hoofdstukken 3.1 - 3.5 zal de biograe van

Leidsche Rijn in vijf paragrafen worden besproken.

In het fundament wordt gelegd komt het ontstaan

van de ondergrond aan de orde: het fundament

waarop de kathedraal vorm krijgt.

In de volgende paragraaf, In de schoot van het

landschap, betreden de eerste mensen voorzichtig

de dicht begroeide oeverwallen om de eerste

kleine gaten in de natuurlijke vegetatie te hakken.

Hun boerderijen en veestapels gebruiken de

mogelijkheden van dit gevarieerde landschap,

maar de natuur wint het voorlopig nog van de

cultuur. Dit verandert als Leidsche Rijn met de

komst van de Romeinen wordt opgenomen in

een wereldrijk. Het is voor het eerst dat de mens

grote invloed krijgt op de natuurlijke omgeving.

De stroomruggen worden nu volledig in cultuur

gebracht en efciënt geëxploiteerd voor de

landbouw. Reikten de contacten in de periode

ervoor nauwelijks verder dan de nabijgelegen

nederzettingen, door de Romeinse aanwezigheid

kwamen de bewoners plotseling in contact met

een compleet nieuwe cultuur. Heel diep zou deze

hier echter niet wortel schieten.

Wanneer de grenzen van het imperium rond

400 terugschrijden, raakt het gebied grotendeels

ontvolkt en kan de natuurlijke vegetatie zich

herstellen. De nieuwe ontginningen vanaf de

vijfde eeuw vormen het begin van de volgende

paragraaf, het landschap krijgt vorm. Een belangrijk

deel van de natuurlijke processen en menselijke

activiteiten uit de navolgende eeuwen zijn in het

huidige landschap nog zichtbaar.

4.Cultuurhistorie van het park

Vanaf de elfde eeuw wordt ook het tot dan toe

ondoordringbare veengebied ten noorden en ten

zuiden van de stroomrug op de natuur veroverd.

Het gebied is daarmee denitief veranderd van

een natuur- in een cultuurlandschap. In deze

periode worden de belangrijkste structurerende

elementen, zoals wegen en waterlopen, voor de

daarop volgende eeuwen vastgelegd.

De belangrijkste veranderingen daarna hebben te

maken met het landgebruik. Want met het groeien

van de bevolking van de stad Utrecht nam ook de

invloed van de stad op de omgeving toe. Deze

veranderingen zijn beschreven in de paragraaf de

stad rukt op. Zo ontwikkelde het plangebied zich

vanaf het begin van de twintigste eeuw tot de

moestuin van Utrecht en veranderde het in de

glazen stad die hier tot voor enkele jaren lag.

Het aantal mensen dat in Utrecht wil wonen nam

steeds meer toe en daarmee ook de behoefte aan

nieuwe huizen.

Om aan deze vraag te voldoen werd in de Vierde

Nota Ruimtelijke ordening Extra (VINEX) een gebied

dat veertien keer zo groot is als het centrum

van Utrecht, aangewezen om 100.000 nieuwe

bewoners te huisvesten. Het was het begin van

een in de bewoningsgeschiedenis van Leidsche Rijn

ongeëvenaarde transformatie van een agrarisch

naar een compleet stedelijk gebied.

In vijf paragrafen zal een korte presentatie gegeven

worden van de biograe van het landschap.

Per paragraaf wordt een ‘schatkaart’ afgebeeld

van het Leidsche Rijn Park en directe omgeving,

waarop de belangrijkste elementen in en rond

het Park zijn geïnventariseerd. Per legendanummer

worden één of meer afbeeldingen met een

bijschrift gepresenteerd die een beeld geven van

het betreffende object. Dit kan, zoals bij Den Engh,

een beeld van de huidige situatie zijn, maar ook,

zoals bij de beschrijving van de fysische geograe,

een referentiebeeld van een poolwoestijn. De

opeenvolgende ‘schatkaarten’ geven zo toegang

tot de biograe van het Leidsche Rijn Park: Een

schatkamer vol verleden.

21


4.1 De natuurlijke ondergrond

Het fundament wordt gelegd

Aan het einde van de ijstijden is een groot deel

van Nederland één kale vlakte waar de wind vrij

spel op heeft. Het eens over de koude en droge

poolvlakte rondstuivende zand wordt nu, van vier

meter onder het huidige maaiveld, opgebaggerd

uit de Haarrijnse Plas en gebruikt om verschillende

plandelen van Leidsche Rijn op te hogen.

Aan het einde van de ijstijden stroomde de Rijn

in vele vlechtende stromen, enige kilometers ten

zuiden van Utrecht, richting het westen.

Rond 10.000 jaar geleden begon een

klimaatverbetering, het begin van het Holoceen,

waardoor de ijsmassa’s smolten en de zeespiegel in

de Noordzee vele meters steeg. Door de zeespiegel

en temperatuurstijging werd het laaggelegen

gebied achter de strandwallen steeds natter en

vond op het zand van de voormalige poolwoestijn

veenvorming plaats, waardoor grote gebieden in

het westen van Nederland veranderden in voor de

mens ontoegankelijke moerassen.

De Rijn veranderde door veenvorming, waarbij het

veen als een soort natuurlijke dijk functioneerde,

van een vlechtende in een meanderende rivier.

Het is rond 4000 v. Chr. dat een zijtak van de

Rijn het gebied ten westen van Utrecht bereikt, en

daar door het veen heen breekt, om de daarop

volgende duizenden jaren de ontwikkeling en

gebruiksmogelijkheden van dit gebied te bepalen;

het fundament is gelegd.

Dat de Rijn zo bepalend is geweest heeft te maken

met het karakter van een onbedijkte rivier.

Deze treedt buiten zijn oevers en vormt vlak naast

de bedding zandige ruggen of oeverwallen.

Op enige afstand bezinken de jnere en daardoor

lichtere kleideeltjes waardoor zogenaamde

komgronden ontstaan. Aangezien een actieve

rivier haar loop voortdurend verlegt, door de

stroming slijt de buitenbocht steeds verder uit,

ontstaat uiteindelijk een kilometers brede zone

waarin hoog gelegen oeverwallen, oude geulen en

laag gelegen kleigebieden elkaar afwisselen, een

voor de mens ideaal gebied om zich in te vestigen.

De zandige gronden waren buitengewoon geschikt

voor de landbouw, de laaggelegen komgronden

en veenmoerassen zaten vol met wild en gevogelte

en de rivier leverde vele soorten vis.

Rond 3000 v. Chr. ontstaat, ergens ten noorden van

De Meern, uit de hoofdstroom van de Rijn een zijtak

die tot in de derde eeuw na Chr. verantwoordelijk

is voor het ontstaan van de, vier kilometer lange en

vierhonderd meter brede, Heldammer stroomrug.

23


24

De Poolwoestijn

Zo heeft een groot deel van Nederland er 10.000 jaar

geleden uitgezien; koud en zonder begroeiing.


In de lange periode dat de Rijn door het

plangebied stroomde zijn er perioden met een

grote en minder grote waterafvoer te reconstrueren.

Het archeologisch onderzoek van de

afgelopen jaren lijkt bijvoorbeeld een zeer droge

periode vanaf het einde van de Romeinse tijd of

de vroege Middeleeuwen aan te tonen. Vanaf de

achtste eeuw na Chr. lijkt de Rijn nog één keer tot

leven te komen om aan het begin van de twaalfde

eeuw, met het afdammen van de Kromme Rijn bij

Wijk bij Duurstede, denitief te stoppen.

De rivier, waarover in de loop van de geschiedenis

duizenden schepen van en naar Utrecht hebben

gevaren, verdween langzaam als brede waterloop

uit het landschap. De laatste restgeul van de,

toen al Oude Rijn geheten, rivier is echter in zeer

uiteenlopende vormen in het huidige landschap

bewaard gebleven. Soms als een prachtige brede

waterloop, zoals ten zuiden van Vleuten, maar

ook als een klein slootje. Op sommige plaatsen

is de rivier geheel verdwenen en is de kronkelige

lijn alleen nog in de vorm van een kadastrale of

gemeentegrens herkenbaar.

In het plangebied van het Leidsche Rijn Park

is een groot deel van de ontstaansgeschiedenis

van de bodem zichtbaar. Ten noorden van de

Smalle Themaat begint het uitgestrekte Hollands

veengebied. Vanaf Den Engh richting het zuiden

ligt de stroomrug van de Oude Rijn met ter

hoogte van het Binnenhof een aantal prachtige

waterlopen die de laatste fase van de Oude Rijn

vertegenwoordigen.

Na het verlanden van de rivier in de twaalfde eeuw

blijft de Oude Rijn, zij het indirect, het landschap

bepalen. Het is de door de Rijn afgezette klei die

uitermate geschikt bleek te zijn voor het gebruik

in de dakpan en baksteenindustrie. De gewonnen

klei werd met behulp van kleine schepen, via de

enigszins gekanaliseerde restgeul van de Oude Rijn,

afgevoerd. De rivier die eens verantwoordelijk was

voor de aanvoer van de klei word vervolgens weer

gebruikt voor de afvoer daarvan.

Een voorbeeld van een ooibos op de oever van een rivier

Nadat de Rijn vanaf 4000 voor Christus door het veen

heen gebroken is ontstaat op de zandige oeverwallen

een ooibos bestaande uit eik es en iep. Vanaf de Bronstijd

begint de invloed van de mens op de natuurlijke

vegetatie en worden in het bos de eerste

gaten geslagen.

De natuurlijke ondergrond

Referentiebeelden rivierlandschap

Een luchtfoto van een groot meanderend riviersysteem.

Als een slang kronkelt de rivier door het landschap.

Buitenbochten schuiven op en binnenbochten verlanden.

De restgeul van de Oude Rijn

In het rivierengebied wisselden hoog- en laaggelegen

gebieden elkaar af. In de nagenoeg ondoordringbare

natte kom- en veengebieden groeiden elzen, riet en mos.

Voordat de mens in het rivierengebied op grote

schaal het uiterlijk van het landschap ging bepalen

moet de vegetatie er op de volgende manier

uitgezien hebben.

Op de hoger gelegen gronden groeiden de

zogenaamde ooibossen die een mengsel van

eik, es en iep bevatten. De nattere gebieden

bestonden voornamelijk uit riet-zeggenvegetatie en

elzenbroekbos. Vanaf met name de Romeinse tijd

wordt de invloed van de mens op de natuurlijke

vegetatie steeds groter. In de Romeinse tijd is er

een enorme vraag naar hout en voedsel waardoor

de ooibossen in de eerste eeuwen na Christus vrij

snel zullen zijn verdwenen. Na het vertrek van de

Romeinen herstelt de vegetatie zich weer om vanaf

de Middeleeuwen onder invloed van een steeds

grotere vraag uit steden weer te veranderen in een

cultuurlandschap. Vanaf de elfde eeuw worden

dan ook de tot dan toe ontoegankelijke

veenmoerassen ontgonnen.

25


26

3

x

1

x

x

2


2. De Alendorperwetering.

De Alendorperwetering vanaf de Alendorperweg. Het is

dit water waar Willibrord over naar Utrecht is gevaren.

3. De Oude Rijn bij Vleuten.

De natuurlijke ondergrond

1. Na 10.000 jaar weer in de zon.

Op deze afbeelding is te zien dat een dikke veen en

kleilaag van het zand is verwijderd. Op de voorgrond

is het zand te zien dat in de poolwoestijn heeft rond

gestoven en vervolgens in het Holoceen is bedekt met

veen en klei.

De Alendorperwetering vanaf de

Alendorperweg richting het

zuidwesten. De Oude Rijn loop ligt

rechts van één van de oude linten

en vormt daardoor een zeer sterk

cultuurhistorisch lint

De Oude Rijnloop ten zuiden van Vleuten. Dit is één van

de locaties waar de Oude Rijn nog een zeer breed proel

heeft.

27


28

De natuurlijke ondergrond

Een luchtfoto uit 1936 van het plangebied ten noorden

van de Esdoornlaan. In de verkaveling is de restgeul

van de Oude Rijn prachtig te zien. In dit deel van het

plangebied zal de Vikingrijn worden gegraven


30

Ijzertijd, Pre Historie


4.2 Leven in de schoot van het landschap

Leven in de schoot van het landschap

Het archeologische onderzoek dat de laatste

decennia in het Nederlandse rivierengebied is

uitgevoerd, onder andere bij de aanleg van

de Betuweroute, heeft duidelijk gemaakt dat de

stroomruggen in dit dynamische landschap al

vroeg intensief bewoond zijn geraakt. Door hun

diversiteit in vegetatie en diersoorten was dit een

aantrekkelijk leefmilieu, met allerlei mogelijkheden

voor akkerbouw, veeteelt, visvangst en, aanvullend,

jacht. Het is fascinerend om te zien hoe kleine

gemeenschappen van boeren zich in deze

omgeving staande wisten te houden en aan te

passen aan de steeds weer wisselende locale

omstandigheden. In de prehistorie was het niet de

mens die zijn wil oplegde aan het landschap eerder

omgekeerd.

Op zijn laatst in de Midden-Bronstijd (ca. 1800-1100

v. Chr.) streken de eerste bewoners neer op de

stroomrug van de Oude Rijn, mogelijk vanaf de

hogere zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug.

Inmiddels was het boerenbedrijf geperfectioneerd

tot een bestaanswijze die de mogelijkheden van

het landschap - gegeven de stand van de techniek

- optimaal gebruikte. De Bronstijd-boeren bouwden

lange boerderijen met een stevig houtskelet, dat

het gebouw in drie ‘schepen’ verdeelde. Hierin

leefden mens en vee onder één dak, waarbij de

koeien paarsgewijs in veeboxen opgesteld stonden

in het lange stalgedeelte. Archeologen spreken

daarom vaak van ‘woonstalhuizen’. De wanden

waren opgebouwd uit staken en vlechtwerk,

afgestreken met klei; de daken waren gedekt

met riet. Kortom, alle bouwmaterialen werden

betrokken uit de naaste omgeving.

Delen van het natuurlijke ooibos werden gerooid

om plaats te maken voor erven, bouwhout te

verkrijgen en kleine akkers aan te leggen. Deze

werden bewerkt met primitieve krasploegen en

spaarzaam bemest. Als zich geen calamiteiten

voordeden, was de opbrengst aan gerst en

emmertarwe net in balans met de behoeften de

kleine leefgemeenschap. Schapen leverden de

grondstof voor de kleding. Vele handen waren het

jaar rond bezig met spinnen en weven. Ook het

vaatwerk maakte men zelf: het werd met de hand

gevormd uit locaal gewonnen klei en gebakken in

eenvoudige veldovens.

Deze levenswijze hield de rest van de prehistorie

stand. We zien wat veranderingen in het

aardewerk, de bouw van de boerderijen verandert

enigszins, maar tot in de Late IJzertijd (250 - 12 v.

Chr.) verandert er niet heel veel in de balans tussen

mens en landschap.

31


32

Impressie van het leven in een nederzetting kort voor het

begin van de jaartelling. De oogst is van de akkers en het

land wordt bewerkt met een eenvoudige krasploeg. Het

graan ligt veilig opgeslagen in enkele spiekers, verhoogd

aangelegde schuren voor de oogstberging. Op de

voorgrond wordt een portie graan voor consumptie

gereed gemaakt op een maalsteen van basaltlava.

De boerderijen waren geheel geconstrueerd met

bouwmaterialen uit de nabije omgeving: eikenhout

voor het ‘skelet’ van de boerderij, minder schaarse

houtsoorten voor staken en vlechtwerk van de wanden,

klei om deze mee af te strijken en riet voor op het dak.


De boerderijen werden veelal door twee rijen

middenstaanders in drie ‘schepen’ verdeeld. In het

stalgedeelte stond het vee paarsgewijs opgesteld in

veeboxen. Rond de boerderijen lagen bijna altijd één of

meer kleine schuurtjes, soms ook omgreppelde mijten, die

dienden voor de berging van oogstgewassen, veevoer,

riet etc..

Nederzettingen uit de Bronstijd in het rivierengebied

bestaan vaak uit één enkel erf. Hier bevonden zich

een groot ‘woonstalhuis’, enkele schuurtjes voor de

oogstberging, mijten voor de opslag van hooi, riet, hout

en dergelijke, heiningen om het vee in of buiten te sluiten,

en wat akkers van hooguit enkele honderden vierkante

meters.

Leven in de schoot van het landschap

De horizon van deze vroege gemeenschappen

lag nauwelijks verder dan de rand van de

stroomrug. Heel veel sociale geleding kenden

deze samenlevingen ook niet; leiderschap zal er

hoogstens zijn geweest op het niveau van een

reeks verwante familiegroepen. Huwelijksrelaties

en uitwisselingsnetwerken ondersteunden een

gevoel van stamverwantschap. Zulke netwerken

moeten voor een deel verder hebben gereikt

dan de regionale gemeenschap, want sommige

producten zoals maalstenen, brons en later ook

zout, werden door ruil uit ver verwijderde bronnen

betrokken.

De afhankelijkheid van het locale milieu bracht met

zich mee dat de bewoning niet plaatsvast was.

De locatie van de nederzettingen luisterde nauw.

Ideaal waren de hoog opgeslibde oeverwallen

van jonge stroomgordel. Daarentegen was het

onverstandig om al te dicht bij een actieve

rivierbedding te zitten. Omdat de rivieren hun

loop geleidelijk of soms ook ineens verleggen,

veranderden de condities voor bewoning dus in

de loop van de generaties. Ook uitputting van de

akkers speelde een rol. Door ervaring wist men dat

juist voormalige boerderij-erven vruchtbaar waren

vanwege de daar opgehoopte meststoffen.

Zo zien we een patroon van erven en akkers in

de loop der eeuwen door het landschap ‘zwerven’

en elkaar opvolgen. Daarbij speelt natuurlijk een rol

dat de levensduur van de boerderijen ongeveer

samenviel met de duur van een generatie, namelijk

ongeveer 30 jaar. Plaatsvaste nederzettingen

zouden pas rond de overgang van de IJzertijd naar

de Romeinse tijd ontstaan.

33


34

1

3

2


Leven in de schoot van het landschap

1: een nederzetting uit de IJzertijd aan de

Wilhelminalaan

In 2001 werd aan de Wilhelminalaan een groot

gedeelte van een nederzetting uit de IJzertijd

opgegraven. De positie van de wand- en

dakdragende palen van een ca. 25 m lange boerderij

is hier gemarkeerd met paaltjes. Hierin leefden mens

en vee – het meest kostbare bezit – onder één dak

2: de Bronstijdnederzetting aan de

Middelweerdweg

Een van de meest bijzondere vindplaatsen in Leidsche

Rijn is een nederzettingsterrein uit de Bronstijd gelegen

langs de Burgemeester Middelweerdweg. Op grond

van de goede conservering en de zeldzaamheid

van bewoningssporen uit deze periode is het terrein

beschermd op grond van de Monumentenwet.

In 1993 kon in het talud van een kort daarvoor gegraven

sloot de donkere bewoningslaag van deze nederzetting

worden waargenomen. Deze is ontstaan als gevolg van

opeenhoping van afval, zoals houtskool, fosfaat, kleine

aardewerkfragmentjes etc.. Vanuit het oude loopniveau

was op dit punt een diepe kuil of greppel ingegraven,

waarvan de donkere opvulling zich hier in doorsnede

duidelijk aftekent tegen de lichter gekleurde ondergrond.

3: een vindplaats aan de Alendorperweg

De meeste archeologische vindplaatsen in Leidsche

Rijn zijn in 1992-1993 in kaart gebracht door

oppervlaktekartering van akkers en boomgaarden.

Aardewerkscherven zijn daarbij de voornaamste

vondstcategorie. Deze scherven uit de Late IJzertijd

werden in de zomer van 2004 ontdekt tijdens de aanleg

van de sportlocatie UVV en betekenen een nieuwe stip

op de prehistorische bewoningskaart van Leidsche Rijn.

35


4.3 Opgenomen in een wereldrijk

Opgenomen in een wereldrijk

Rond het begin van de jaartelling werd Midden-

Nederland de uitvalsbasis voor een reeks van

Romeinse veroveringscampagnes ten noorden van

de Rijn. In het jaar 47 maakte keizer Claudius een

einde aan deze veroveringspolitiek en legde hij de

grens van het Romeinse rijk denitief vast op de

zuidoever van de Rijn. Langs de Nederrijn, Kromme

Rijn en Oude Rijn ontstond vanaf dat moment

een gordel van ongeveer 17 kleine legerkampen

(castella), waarin telkens ca. 400 soldaten gelegerd

waren. De forten waren verbonden door een weg,

die snelle troepenverplaatsingen mogelijk maakte.

Deze verdedigde grens (in het Latijn: limes) hield

stand tot omstreeks 270 na Chr. en werd in de 4e

eeuw nog een aantal malen hersteld en opnieuw

bezet. Deze limes loopt voor een klein stukje door

het Leidsche Rijn Park; een van de best bewaarde

castellum-terreinen van ons land ligt zelfs op de

Hoge Woerd, in de uiterste zuidwestpunt van het

plangebied.

De Romeinse aanwezigheid betekende dat de

horizon van de inheemse bevolking dramatisch

werd verbreed. Voor het eerst maakt het gebied

van het tegenwoordige Leidsche Rijn deel uit van

de hoofdstroom van de geschiedenis. Voor het

eerst ook zien we ruimtelijke ingrepen die het

niveau van het individuele erf overstijgen. Het feit

dat de grens van het Romeinse rijk midden door het

gebied liep, bracht de bewoners ervan in contact

met verre streken, exotische artikelen en keizerlijke

propaganda.

De grote motor in dit verband was het Romeinse

leger. De bewoners van dit gebied waren als

onderdeel van het stamverband van de Bataven

of Cananefaten verplicht tot het leveren van

rekruten aan het Romeinse leger. De krijgsdienst,

die als regel 25 jaar duurde, bracht boerenzoons

uit dit gebied naar verre oorden en betekende

omgekeerd ook dat troepen uit verre windstreken,

bijvoorbeeld Noord-Spanje of Bulgarije, in onze

contreien gelegerd werden. Vanaf de 2e eeuw

verwaterde deze troepenuitwisseling en werden

de legereenheden langs de grenzen steeds meer

aangevuld met rekruten uit de regio.

37


De castella werden al gauw culturele en

economische centra van Midden-Nederland. De

aanwezigheid van honderden soldaten met een

vast salaris betekende dat een zwerm van

handelaren,ambachtlieden en kroegbazen

neerstreek voor de poorten van de legerkampen.

Voor de Hoge Woerd zijn de contouren van het

kampdorp (vicus) bij benadering bekend.

Voor de poorten van het legerkamp lag trouwens

ook het badhuis, waarvan soldaten en

omwonenden op gezette tijden gebruik mochten

maken. In de vicus daarnaast de vrouwen en

kinderen die de soldaten erop na hielden. Na hun

diensttijd werden deze gezinnen wettelijk erkend en

zullen sommige veteranen relatief vermogend zijn

teruggekeerd naar hun vroegere woonplaats.

Ook op andere manieren was het leger een

economische gangmaker. De Romeinse troepen

hadden enorme hoeveelheden graan, vlees, leer

en paarden nodig. Het lijkt erop dat de inheemse

bevolking zich in de loop van de Romeinse tijd ging

toeleggen op een wat grootschaliger productie

van een of meer van deze producten.

Er zijn zelfs aanwijzingen dat het Romeinse gezag de

hand heeft gehad in een van bovenaf opgelegde

reorganisatie van het beschikbare cultuurland in

het achterland van de limes. De productie van

goederen voor het Romeinse leger vertaalde zich

vooral in de 2e eeuw in een sterk stijgende welvaart

voor de inheemse bevolking.

Een castellum was in zekere zin een omwalde kazerne, zoals duidelijk blijkt

uit deze impressie van een - wat groter - fort in Engeland. Een groot deel

van de binnenruimte werd ingenomen door soldatenbarakken, die in blokken

rond de hoofdassen van het fort gegroepeerd lagen. In de achterste helft

van het castellum lag het stafgebouw, geankeerd door onder meer de

commandantswoning - een heuse villa. Rond het jaar 200 waren de meeste

castella in Nederland voor een deel in steen opgetrokken.

Opgenomen in een wereldrijk

Onder meer via het leger raakten steeds grotere

delen van de locale bevolking vertrouwd met de

provinciaal-Romeinse cultuur, waarvan het Latijnse

schrift, de Romeinse godenwereld, gecultiveerde

kleding en allerlei nieuwe voedselproducten, zoals

wijn, olijfolie en vissaus, deel uitmaakten.

De Romeinse grens was in deze leefwereld geen

harde grens. Ook aan de overzijde van de Rijn, in

het plangebied van het Leidsche Rijn Park, lagen

inheemse nederzettingen, zij het dat zij op een

of andere manier minder verweven lijken te zijn

geweest met de economie van de grenszone.

Die grens was voor het overige verre van een

verdedigingslinie. Zij was veel meer een soort

militaire corridor, een zorgvuldig bewaakte bundel

van infrastructuur. Deze bestond behalve de weg

uit een reeks van voorzieningen op het gebied van

logistiek (schepen, afmeerplaatsen, bouwdepots,

kadewerken), waterbeheer (bruggen, schoeiingen,

dammen) en communicatie (wachttorens).

Het onderzoek in Leidsche Rijn heeft voor het

eerst goed in beeld gebracht hoe intensief de

grenszone was ingericht en vooral ook: hoezeer

Romeinse ingenieurs en soldaten in gevecht zijn

geweest met het Nederlandse rivierwater. Een

blijvend monument van die strijd is het schip dat

in 2003 werd opgegraven: tijdens zijn laatste vaart

lijkt het te zijn gebruikt voor onderhoudswerken

langs de geplaagde limessector ten westen van De

Meern.

39


40

Romeinse tijd

2

1

3


1.de Hoge Woerd

Opgenomen in een wereldrijk

Het castellum op de Hoge Woerd (nr. 31) was tussen ca.

50 en 400 onderdeel van een gordel van legerkampen

op de zuidoever van de Rijn. Ongeveer 17 van

die legerplaatsen vormden de ruggengraat van de

Nederlandse limessector.

De kern van het ensemble wordt gevormd door het

fort, dat nu schuilgaat onder de Castellumlaan. Langs

de uitvalswegen en in brede schil ten oosten van het

castellum ontwikkelde zich een kampdorp (vicus). Ten

noorden van het fort lag het badhuis, dat op gezette

tijden voor diverse groepen uit de populatie opengesteld

was. Aan de westzijde werd de nederzetting begrensd

door de rivier, aan de overige zijden door uitgestrekte

grafvelden.

De Hoge Woerd is een van de zeer weinige Romeinse

militaire complexen langs de Nederlandse limessector die

nog min of meer vrij in het terrein liggen. Daarom zijn

grote delen van het terrein beschermd op grond van de

Monumentenwet.

41


42

2.Het badhuis

Een van de verborgen schatten van de Hoge Woerd zijn

de fundamenten van het badhuis, die iets ten noorden

van het castellum vlak onder het maaiveld liggen.

Hier zien we de noordewesthoek van het complex,

blootgelegd tijdens een verkennend onderzoek in het

voorjaar van 1940. De Duitse inval zou een einde aan

dit onderzoek maken. Het badhuis stond in de namiddag

in ieder geval open voor de soldaten, maar ook de

bewoners van het kampdorp mochten er waarschijnlijk

op gezette tijden gebruik van maken.

3: het kampdorp

Opgenomen in een wereldrijk

Over de omvang, bewoners en functies van de

kampdorp (vicus), die we steevast rond Romeinse forten

vinden, weten we eigenlijk niet zo veel. Over het

algemeen wordt de populatie ongeveer even groot

geschat als die van het legerkamp, enkele honderden

dus minstens in het geval van de Hoge Woerd.

Daaronder waren naast handelaren, ambachtslieden

en kroegbazen ook de gezinnen van de soldaten.

Hun woningen en winkels lagen zijlings in lange linten

langs de uitvalswegen van het legerkamp en langs de

omleidingsweg die we aan de achterzijde ervan mogen

vermoeden.

Bronzen beeldje van de Mercurius, beschermgod van

handel en reizigers, gevonden langs de Groenedijk in het

gebied van de vicus. Mercurius moet zich thuis hebben

gevoeld in deze comMerciële omgeving. Dit beeldje kan

er zelfs gemaakt zijn: het is duidelijk een half-fabrikaat,

waaraan nog het een en ander gevijld moest worden.

Een maker van Mercuriusbeeldjes in de vicus - het kan

nauwelijks mooier!


44

Middeleeuwen


4.4 Het landschap krijgt vorm

Het landschap krijgt vorm

Bij het onderzoek in Leidsche Rijn is gebleken

dat de grote Romeinse grensweg met de eraan

gelegen wachttorens omstreeks de 4e eeuw op

veel plaatsen door de rivier werd verzwolgen. Niet

alleen de voormalige rijksgrens verviel en werd -

zeker na 400 - niet meer bewaakt.

Ook de landelijke nederzettingen werden in de 3e

eeuw verlaten. Tussen ca. 270 en 450 gaapt er

een gat in de bewoning van Leidsche Rijn; we

vangen hoogstens een glimp op van ongeregelde

Germaanse troepen die het voormalige castellum

bezetten, al dan niet in naam van het Romeinse

gezag. In deze periode moet het cultuurland

grotendeels zijn verwilderd en zal de oude

ooibosvegetatie van de stroomruggen zich hebben

hersteld.

De middeleeuwse geschiedenis van het gebied

begint dus met een schone lei. Het tegenwoordige

cultuurlandschap heeft op deze basis in een aantal

fasen vorm gekregen. In de 5e eeuw werd het

gebied vrij plotseling, zo lijkt het, in bezit genomen

door nieuwe groepen bewoners, die banden

hadden met het Frankische rijk dat zich op dat

moment ten zuiden van ons land ontvouwde.

De oude Romeinsegrenszone met zijn half-ruïneuze

castella werd in de eeuwen erna opnieuw een

frontlinie, ditmaal in de opmars naar het noorden

van het Frankische rijksgezag en de ermee

verbonden christelijke missie. Er komen steeds meer

aanwijzingen dat het gebied ten westen van

Utrecht, scharnierpunt in de Frankische politiek,

relatief dicht bevolkt was, met name langs de

verlande bedding van de Rijn.

In de 8e eeuw kiest de Rijn ten westen van

Utrecht een nieuwe loop en is dan nog eenmaal

gedurende enkele eeuwen een serieuze rivier.

Het is de tijd van de handelsnederzetting Dorestad

(bij Wijk bij Duurstede), van de vroege Utrechtse

bisschoppen en hun snelle machtsontplooiing, en

van de Vikinginvallen. Rond 1100 was de Oude

Rijn een rustige rivier geworden van een meter of

30 breed. Het is deze restgeul die de ruggengraat

vormt van het hele cultuurlandschap van Leidsche

Rijn. Veel van de nederzettingen uit de 8e tot

de 11e eeuw liggen direct aan deze waterloop

en de oudste ontginningen vinden we langs de

restgeul, op de hoogste delen van de stroomrug.

Ze zijn nog heden ten dage te herkennen aan hun

onregelmatige, enigszins blokvormige verkaveling.

Rond het jaar 1000 was een groot deel van

de stroomrug van de Oude Rijn weer in cultuur

gebracht. De Utrechtse bisschop beschikte hier

over uitgestrekte landgoederen, die hij in de

11e eeuw als inkomstenbron toewees aan de

verschillende kapittels van de Utrechtse kerk of

in leen gaf aan adellijke heren en zijn eigen

dienstmannen.

45


46 4

1

2

2 2

2

2

2

7

6

3

5

2

2


Het landschap krijgt vorm

Ook in het Leidsche Rijn Park zijn in de verkaveling of

naamgeving resten terug te vinden van deze grote

domeinen, die in naam van de eigenaar werden

beheerd door een meier.

Door middel van herendiensten of afdrachten in

natura brachten grondgebonden boeren op deze

wijze de middelen bijeen die de kerk en ridderstand

in staat stelde hun specieke levenswijze te volgen.

Vanaf het midden van de 11e eeuw werden voor

het eerst ook de uitgestrekte veengebieden buiten

de stroomrug ontgonnen. Dit gebeurde op initiatief

van de bisschop, die daartoe concessies uitgaf

aan betrouwbare dienstmannen. De ontginning

vereiste allereerst de ontwatering van het veen

door middel van een stelsel van evenwijdige sloten,

die via weteringen afwaterden op de rivieren.

In het noordelijk deel van het Leidsche Rijn Park

gebeurde dit vanuit de Smalle Themaat, aan de

zuidkant vanuit de huidige Leidsche Rijn. Het heeft

er alle schijn van dat de heren van Den Engh een

leidende rol hebben gespeeld bij de organisatie

van deze ontginningen in het noorden.

Omstreeks de 13e eeuw moet het gebied door

al deze ingrepen een voor ons al bijna vertrouwd

aanzicht hebben gekregen.

Het land was systematisch verkaveld en in

de lagere delen ingericht in polders met hun

eigen organisaties voor waterbeheer. Boerderijen

lagen in lange linten aan de basis van de

ontginningsblokken; het latere wegenstelsel gaat

hierop grotendeels terug. Verspreid over het oude

land van de stroomrug lagen een tiental kasteeltjes,

waaronder Den Engh en het Huis te Vleuten.

Deze woontorens - veel meer waren zij niet

- waren fungeerden als verdedigbare woning

van de leenmannen van de bisschop en locale

potentaten. Heel voorzichtig zien we in de 14e en

15e eeuw ook de aanzet tot de latere dorpen

Vleuten en De Meern.

Het landschap van de Late Middeleeuwen bleef

tot de 19e eeuw grotendeels intact, zij het dat

zich in het grondgebruik en de infrastructuur allerlei

veranderingen voordeden die te maken hadden

met de nabijheid van de stad Utrecht.

47


48

1. Nieuwe bewoners vanaf de vijfde eeuw

De plattegrond van een boerderij uit de vroege

Middeleeuwen, opgegraven in Parkwijk. Voor de bouw

van de boerderijen werd gebruik gemaakt van materiaal

uit de directe omgeving. Voor de staanders en de

wanden werden bomen, voor het dak riet en voor

de wanden wilgentenen en klei gebruikt. Het hout is

verdwenen, een donkere verkleuring in de bodem geeft

aan waar het hout gestaan heeft. Op de foto zijn

de paaltjes voor de wanden aangegeven met kleine

paaltjes en de dakdragende palen met grote palen

aangegeven.

2. Restgeul van de Oude Rijn

De Vikingen. Vanaf het begin van de negende

eeuw vond een aantal Vikingaanvallen plaats. In 834

en 837 werd Dorestad (Wijk bij Duurstede) en in

857 Utrecht geplunderd. Naast de plunderingen werd

door de Vikingen vooral handel gedreven. Over de

gereactiveerde restgeul van de Oude Rijn hebben de

bekende Vikingschepen gevaren.

3. Domeinen, Alendorp

Een luchtfoto uit de jaren dertig. De restgeul van de

Oude Rijn kronkelt van rechts naar links door het beeld.

Duidelijk is te zien dat een groot deel van het landschap

geordend is rond de geul.

Het domein Alendorp. De grond ten westen van Utrecht

was in handen van de bisschop die hij in leen gaf

aan verschillende Utrechtse kapittels die georganiseerd

waren in zogenaamde domeinen waarvan die van

Alendorp een voorbeeld is. Op de afbeelding is ook de

onregelmatige blokverkaveling zichtbaar.

4. Blokverkaveling

Vanaf de vijfde eeuw wordt de stroomrug langzaam

op de natuur veroverd waardoor een onregelmatige

verkaveling, de zogenaamde blokverkaveling, ontstaat.

Op een kaart uit het begin van de vorige eeuw zijn de

verschillende grote kavels, met name op de stroomrug

van de Oude Rijn, goed te zien. Een groot deel van deze

kavels heeft een vroegmiddeleeuwse oorsprong.


5. Den Engh

Als een groene oase ligt het complex Den Engh in

het met zand opgespoten deelgebied Terweide. Op de

voorgrond ligt de Thematerweg.

Den Engh in 1832. Ten noorden van het kasteeleiland ligt

een fraai aangelegde tuin met waterpartijen. De huidige

boerderij met koetshuis staat tegenover het kasteel op

het terrein van een omgracht voorterrein.

Eén van de poorten van Den Engh vanuit het westen,

wellicht een inspiratiebron voor nieuwbouw?

6. Het Leywerk

Het landschap krijgt vorm

Het Leywerk vormde de waterverbinding tussen de Oude

Rijn bij Huis te Vleuten en Den Engh. Het Leywerk kwam

samen met de Vleutensewetering in het zogenaamde

Zwanengat om vervolgens via de Proostwetering richting

het noorden in de Vecht uit te komen.

7.De Smalle Themaat.

Vanaf de elfde eeuw worden de uitgestrekte

veengebieden ten noorden en ten zuiden van de

stroomrug ontgonnen. De ontginning vond plaats vanaf

een ontginningsbasis waarop haaks de te ontginnen

percelen zijn uitgezet. De bewoning vond plaats aan de

kop van de kavels.

De Smalle Themaat, één van de mooiste linten in het

Leidsche Rijn Park, Rechts op de foto de pre-Vinex

woonwijk het Weer en links van het dijkje het veengebied.

49


De stad rukt op

4.5 De stad rukt op

Vanaf de elfde en twaalfde eeuw neemt het aantal

inwoners van de stad snel toe. In de periode daarna

is de groei beperk. Zo wonen in 1375 ongeveer 20.000

mensen in Utrecht, in 1748 zijn dit er niet meer dan

25.000. Vanaf de negentiende eeuw groeit het aantal

inwoners weer sterk, rond 1900 wonen 102.086 mensen

binnen de gemeentegrens waarvan een kleine 12.000

mensen buiten de singels van de stad. In de periode

van de vroege stadsontwikkeling zal met name de

directe omgeving van de stad onder invloed van haar

bewoners hebben gestaan. Maar met het groeien van

het aantal inwoners werd ook de invloedssfeer steeds

groter. De structuur van het landschap met wegen,

waterlopen en dorpen Vleuten en De Meern, waarvoor

in de Late Middeleeuwen de basis is gelegd, zal in

de periode 1500 tot het begin van Leidsche Rijn niet

wezenlijk meer veranderen.

Het landgebruik zal daarentegen wel sterk wijzigen en

van grote invloed zijn op de uiterlijke verschijningsvorm

van het plangebied. Een grote verandering in

landgebruik heeft direct te maken met het groter

worden en verstenen van de stad vanaf de

late Middeleeuwen. De vraag naar dakpannen en

bakstenen nam sterk toe waardoor langs de Vecht

en langs de Oude Rijn een bloeiende kleiverwerkende

industrie ontstond. Met name in de achttiende,

negentiende en twintigste eeuw werd in Leidsche Rijn

op grote schaal klei gewonnen. Voor de afvoer en het

transport van de duizenden kubieke meters klei werden

vanaf de belangrijke doorgaande waterlopen zoals de

Leidsche Rijn en de Alendorperwetering, brede sloten

het in gegraven waardoor kleine schepen of vletten op

een doeltreffende wijze dichtbij de kostbare grondstof

konden komen. Na eeuwen kleiwinning ontstond met

name in het gebied rond het toekomstige Binnenhof

een karakteristiek landschap met laaggelegen en

door brede sloten van elkaar gescheiden percelen.

Op de percelen waar (nog) geen klei werd

gewonnen heeft tot in de negentiende eeuw het

voor het rivierengebied karakteristiek landgebruik

plaatsgevonden. Dit bestond uit akkerbouw op de

hoger gelegen stroomruggronden en veeteelt in de

lager gelegen kom en veengebieden.

Uit deze periode dateren dan ook een groot aantal

monumentale boerderijen die met name op de wegen

aan de rand van de stroomrug, zoals de Zandweg

en de Rijksstraatweg, liggen. In het Leidsche Rijn Park

ligt een beperkt aantal boerderijen waarvan Den Engh

het mooiste voorbeeld is. Vanaf de negentiende eeuw

werd het traditionele landgebruik vervangen door

productie boomgaarden en hoveniersbedrijven die,

door de stadsuitbreidingen van Utrecht in oostelijke

(Abstede) en westelijke richting (ter hoogte van

het tegenwoordige station en de Jaarbeurs), zijn

verdreven.

51


52

5

8

6

4

7

3

1 2


Vanaf het begin van de twintigste eeuw

ontwikkelde zich met name langs de

Weslandsetuin, Alendorperweg en Utrechtseweg

een nieuwe glazen stad. Dat dit juist op deze

locaties begonnen is heeft direct te maken met

het afkleien of afvletten. De grond kwam hierdoor

dermate laag te liggen dat deze niet meer

geschikt was voor landbouw maar wel voor de

intensieve glastuinbouw. De vletsloten dienden

vervolgens voor de aanvoer van brandstof voor het

verwarmen van de kassen en voor het afvoeren

van de tuinbouwproducten richting de veiling in

Utrecht. Door de intensieve tuinderij ontstaat langs

een aantal oude linten, zoals de Utrechtseweg en

de Alendorperweg, een nieuw type architectuur,

de tuinders- of kwekerswoningen. Dit zijn vrijstaande

huizen op grote percelen met direct daar achter

schuren, boomgaarden en of kassen.

In de gehele periode vanaf de late Middeleeuwen

tot het einde van de twintigste eeuw vindt een

langzame maar constante groei van de bevolking

plaats. Langs de bestaande wegen komen, mede

door een intensiever landgebruik, steeds meer

huizen te staan. De dorpen Vleuten en De Meern

groeien gestaag door. Een aantal kastelen, zoals

Voorn, huis Vleuten en Den Engh groeien in

de zeventiende eeuw uit tot buitenplaatsen die

in handen zijn van rijke Utrechtse families en

worden omgebouwd van gesloten verdedigbare

middeleeuwse torens naar open landhuizen met

grote tuinen en oprijlanen, waarvan de Enghlaan

een prachtig voorbeeld is.

In de stad vonden in de twaalfde eeuw diverse

waterstaatkundige werken plaats die van directe

invloed waren op de waterhuishouding van het

gebied ten westen van de Stadsbuitengracht.

Zo werden aan het begin van de twaalfde eeuw

de Stadsbuitengrachten en een groot deel van

de Oudegracht gegraven, waardoor een groot

deel van het door de Kromme Rijn aangevoerde

water via de Vecht ging stromen en de Oude Rijn

vermoedelijk veel minder water te verwerken kreeg.

Met het verlanden van de Oude Rijn werd het

noodzakelijk een verbinding tussen West Nederland

en Utrecht te maken. In de middeleeuwen

werd hiervoor de Vleutense wetering en de

Leidsche Rijn aangelegd. In eerste instantie bestond

de Leidsche Rijn uit aan elkaar gekoppelde

ontginningsweteringen die breed genoeg waren

voor de toenmalige schepen. In de zeventiende

eeuw ontstond echter de behoefte aan een

grotere en regelmatige transportcapaciteit.

Om aan deze vraag te kunnen voldoen is men

in 1665 begonnen met het verbreden van de

Leidsche Rijn en deze te voorzien van een jaagpad

waardoor de trekvaart mogelijk werd. Tot ver in

de negentiende eeuw bleef de trekvaartverbinding

tussen Utrecht en Leiden, via de Leidsche Rijn, de

belangrijkste route naar het westen.

53


54

1. Intensiveren landgebruik

Luchtfoto van de kruising tussen de Alendorperwetering

en de Alendorperweg. Op de afgevlette kavels werden

vanaf het begin van de vorige eeuw de kassen

gebouwd. In de tientallen jaren die daarop volgden ging

de technologische ontwikkeling van de glastuinbouw

door en werd steeds meer ruimte ingenomen door grote

kassencomplexen. Het grootste deel van de meer dan

honderd hectare kas is ondertussen gesloopt om plaats

te maken van onder andere het Leidsche Rijn Park.

3. Boerderij Den Engh

In het plangebied hebben relatief weinig boerderijen

gelegen waarvan boererij Den Engh één van de mooiste

voorbeelden is. Langs de Alendorperweg ligt een klein

aantal boerderijen waarvan nummer 42 a mede door de

ligging langs de Oude Rijn de mooiste is.

5. De kassen van Wilhelminalaan 18.

Een van de grootste historische kassencomplexen van

Leidsche Rijn ligt achter Wilhelminalaan 18. Het complex

bestaat uit zes grote druivenserres met in het midden

de restanten van de stookruimte, bestaande uit een

schoorsteen met waterbak en olieopslagplaats.

Kaart met de vletsloten in het gebied rond de

Alendorperwetering. De Oude Rijn geul ligt als een

slagader door het gebied waar de vletsloten als kleinere

aders op aansluiten. Deze brede sloten zijn ontstaan om

de gedolven klei met behulp van kleine bootjes of vletten

richting de steenbakkerijen te varen.

4. De Alendorperweg

Eén van de karakteristieke tuinderswoningen zoals er

veel meer langs de Alendorperweg liggen. Over het

algemeen liggen deze vrijstaande woningen wat verder

van de weg en liggen de schuren en kassen direct achter

de huizen.

Luchtfoto van de Alendorperweg waarop het karakter

van het lint met vrijstaande woningen duidelijk is te zien.

Het merendeel van de opkassen is ondertussen gesloopt.


2. Het afvletten

Dit is één van de schaarse beelden van het afkleien of

afvletten. Op de foto gebeurt het met de hand. Met

name aan het einde van de negentiende en het begin

van de twintigste eeuw dringt de mechanisatie ook in

deze bedrijfstak door en werd van zeer veel kavels in

Leidsche Rijn de bruikbare klei verwijderd.

Een tweede leven voor vletsloten. Op kavels die door

het afvletten laag waren komen te liggen worden vanaf

het begin van de vorige eeuw kassen gebouwd. De

vletsloten waren in eerste instantie bedoeld om de klei

af te voeren. Ze kregen een tweede leven met de

komst van de kassen waarbij het water werd gebruikt

voor de aanvoer van brandstof en de afvoer van de

tuinbouwproducten richting de veiling in Utrecht. Dit is

een overzicht van de kassen achter Utrechtseweg 13-15.

6. De kassen achter Utrechtseweg 13-15

Achter Utrechtseweg 13-15 staat een rij met verschillende

typen kassen en uit verschillende perioden. De ligging

naast een brede vletsloot, de variatie en de

onderhoudsstaat maakt dit complex tot één van de

meest waardevolle in Leidsche Rijn.

De stad rukt op

Deze functie werd pas in 1855 overgenomen

door de spoorlijn Utrecht - Den Haag. Door het

toenemende gebruik van de auto is in de jaren

dertig van de vorige eeuw begonnen met de

aanleg van de A12. In 1937 wordt een kruispunt

met de A2 aangelegd op de plaats waar later

knooppunt Oudenrijn wordt gerealiseerd. Met de

aanleg van de A2 en het Amsterdam Rijnkanaal

wordt een tijdelijke barrière opgericht die tot

in de jaren negentig van de vorige eeuw de

woningbouw van de stad Utrecht tegen zou

houden. Met het aanwijzen van de VINEX locatie

Leidsche Rijn werd ook deze barrière genomen en

zal het gebied ten westen van het Amsterdam

Rijnkanaal een grote Utrechtse wijk worden met

het Amsterdam Rijnkanaal als een nieuwe Oude

Gracht.

7. Oprijlaan naar Den Engh.

Het deel van de Enghlaan ten noorden van het spoor.

De laan wordt aan beide zijden geankeerd door

fruitbomen.

8.Het Appellaantje

Het Appellaantje vanuit het zuidoosten met op de

achtergrond de historische kassen van de

Wilhelminalaan.

De oprijlaan van Huis te Vleuten, ook wel Appellaantje

genoemd, ligt ten zuiden van Wilhelminalaan 18. De

oprijlaan heeft het uiterlijk van een dijk maar dit komt

omdat de percelen aan beide zijden in het verleden

zijn afgevlet. Net als bij de Enghlaan groeien op deze

oprijlaan ook fruitbomen.

55


56

De schoorsteen van het kassencomplex achter

Wilhelminalaan 18 is één van de best bewaarde uit

Leidsche Rijn en zal zeker moeten blijven staan.

Het spoor doorsnijdt de Enghlaan. Aangezien de spoorlijn

in de toekomst op een zes meter hoog talud komt te

liggen kan deze oude lijn weer hersteld worden.

Een vletsloot in het plangebied. Duidelijk is te zien dat het

perceel van rechts van het water is

afgegraven. In dit geval is het maaiveld dermate hoog

gebleven dat er nog een boomgaard op kon groeien.

Luchtfoto van het noordelijk deel van het toekomstige

Leidsche Rijn park met de Enghlaan. De oprijlaan werd

in de negentiende eeuw doorsneden door de spoorlijn

Utrecht - Den Haag.

Het interieur van de druivenserre van de Utrechtseweg

met de kenmerkende gebogen spanten.


De stad rukt op

57


De stad rukt op

1838

59


Kuypers gemeente Atlas

De stad rukt op

1865

61


De stad rukt op

1900

63


5.Het ontwikkelingsperspectief

Hans Ophuis/ Twan Zeegers

65


Hans Ophuis/ Twan Zeegers

Inleiding

Het ontwikkelingsperspectief

The making of … Leidsche Rijn Park

Parken ontstaan niet bij toeval. Parken liggen

evenmin bij toeval op een bepaalde plek.

Parken ontstaan uitsluitend daar waar ze als

noodzakelijke voorziening voor de stad worden

gezien. Doorgaans op plaatsen waar het zonder

meer volbouwen van het terrein op weerstanden

stuit. Natuurlijke belemmeringen zoals steile

rotswanden, beekdalen en moerasland zijn in

het verleden veelvuldig als park ingepast in

nieuwe uitleg gebieden. Maar ook kunstmatige

elementen zoals buitenplaatsen, begraafplaatsen,

steengroeven en industriecomplexen worden zodra

ze binnen bereik van de stad komen vaak als park

ingepast.

Het Leidsche Rijn Park past in deze traditie. De

beoogde ligging van het park in een gebied dat

tot voor kort het economische hart vormde van

Vleuten-De Meern is allerminst paradoxaal.

De intensieve glastuinbouw, tot voor kort de

belangrijkste vorm van grondgebruik, kan geen

blijvende bijdrage leveren aan de onherroepelijk

ingezette koers van verstedelijking van dit

eeuwenoude cultuurlandschap. De kassen moeten

wijken. Het doortrekken van de bebouwing tot

aan de bestaande dorpskernen van Vleuten en

De Meern stuit echter op grote bezwaren van

de bewoners. De hete adem van de grote stad

zou weinig over laten van de dorpse identiteit die

beide kernen kenmerkt. Alleen een open ruimte

van voldoende formaat kan het tij keren…

Masterplan Leidsche Rijn (1995)

Het Masterplan voor Leidsche Rijn uit 1995,

een gezamenlijk product van de toenmalige

gemeenten Vleuten-De Meern en Utrecht, dicht

het antwoord. Tussen beide dorpskernen en

het stedelijk uitleg gebied van Utrecht moet

een robuuste bufferruimte komen:” één groot,

samenhangend groengebied in het hart van

het gebied”. Een park van ruim 300 ha. met

voldoende ruimte om tegemoet te komen aan

een breed palet van landschappelijke, ecologische

en cultuurhistorische waarden waaraan de

toekomstige bewoners van Leidsche Rijn behoefte

zal hebben. Dit ‘centrale park’ wordt aangeduid

als een voorziening van essentieel belang zonder

welk de ontwikkeling van een locatie van 30.000

woningen met ongeveer 70.000 inwoners niet de

allure en het gewenste kwaliteitsniveau kan halen.

67


68

De ruimtelijke scheiding van het groene

middengebied moet de identiteit van de twee

gemeenten duurzaam waarborgen, met als

uitgangspunt landelijkheid en kleinschaligheid voor

Vleuten-De Meern en stedelijkheid voor Utrecht.

Door de centrale ligging in het gebied verbindt het

park bovendien alle deelgebieden (de bestaande

dorpskernen en de nieuwe woongebieden) van

de Vinex locatie Leidsche Rijn met elkaar. “Een

maximale vervlechting met het omringende

woongebied” en “de recreatieve, ecologische en

landschappelijke structuur in groter verband” is een

belangrijke ambitie.

Het park als het groene hart van Leidsche

Rijn; als een belangrijke plek voor ontmoeting

en ontspanning voor de bewoners van Utrecht.

Een centraal gelegen ruimte die bovendien

uitstekende vooruitzichten biedt om bestaande

sportvoorzieningen te herhuisvesten die elders

moeten wijken voor de ontwikkeling van Leidsche

Rijn.

Prijsvraag Kremlin West8 (1997)

In 1997 schrijven beide gemeenten gezamenlijk

een besloten ideeënprijsvraag uit. Met als doel

het verkrijgen van inspirerende ideeënschetsen die

betrokken kunnen worden bij het opstellen van

een ‘masterplan’ voor het park. De positionering

van het park in de context van Leidsche Rijn,

de strategie, de fasering en exibiliteit worden

als belangrijke ontwerpaspecten uitgelicht in het

voorlopige programma van eisen van de prijsvraag.

Deels gaat het hierbij om ‘harde eisen’,

noodzakelijk te realiseren programmapunten; deels

om ‘aanbevelingen’ en ‘mogelijkheden’ die

afhankelijk van functies en middelen de

mogelijkheid bieden het ontwerp een extra kwaliteit

mee te geven.

Omdat de periode van realisering zich zeker

tot 2015, en waarschijnlijker nog jaren daarna

zal uitstrekken wordt de ontwerpers nadrukkelijk

gevraagd een uitvoeringsstrategie te bedenken

die ruimte biedt aan nieuwe, onvoorziene

ontwikkelingen en behoeften.

Vanwege het grote aantal urgente

programmaonderdelen zoals de te verplaatsen

sportaccommodaties en de in te passen nieuwe

infrastructuur moet de uitvoeringsstrategie ook een

basis vormen voor een goede afstemming tussen

beschikbare grond (verwerving) en benodigde

grond (realiseringsplanning park, gronduitgifte).

Vanaf medio maart 1997 wordt de verdere

uitwerking en ontwikkeling van het programma en

het ontwerp voor het centrale park ondergebracht

bij het Ontwikkelingsbedrijf van de gemeente

Vleuten-De Meern. Een taak die tot dan toe

was opgedragen aan het Gemeenschappelijk

Projectbureau Leidsche Rijn (GPB).

Het ontwerp ‘Kremlin’ van bureau West 8 wordt

uit een vijftal inzendingen unaniem als winnend

ontwerp uitgekozen. Het jury rapport roemt het

ontwerp als “ambitieus, met respect voor de

omgeving. Een ontwerp dat een sterk raamwerk

biedt op verschillende niveaus, nieuwe poëtische

elementen bevat en ruimte biedt aan

onvoorspelbare ontwikkelingen”.

Ontwikkelingsplan: haalbaarheids- en

inpassingstudie (2001)

Het voorlopig ‘ Ontwikkelingsplan’ voor het centrale

park van september 1998 is de eerste vertaling

van het prijsvraagontwerp. In dit document

schetsen de ontwerpers de ambities voor het

ontwikkelingskader, het gebruiksconcept, het

verkeersconcept, het beheersconcept en de

uitvoeringsaspecten. Vervolgens worden voor elke

ambitie oplossingsrichtingen geformuleerd en wordt

ingegaan op de onderzoeksvragen en strategie die

hiermee samenhangen.

Gesteld wordt dat er behoefte is aan een “redelijk

eenvoudige en snel te realiseren ruimtelijke structuur

waarbinnen de huidige situatie geleidelijk (dat wil

zeggen: de komende decennia) kan evolueren

naar een volwaardig park”. Een vijftal ruimtelijke

structuren: de ommuring van het ‘Kremlin’, het

herstel van de loop van de Oude Rijn, het Jacques

P. Thijsselint, het Kremlinpark en het Sportbos

vormen het raamwerk waarbinnen het park volgens

de ambities kan groeien. “Zodra ‘lint’, ‘water’ en

‘muur’ eenmaal gesloten zijn, dan is er sprake van

een heldere ruimtelijke structuur, waarbinnen en

waarlangs de verschillende delen van het centrale

park in relatieve rust kunnen worden ontwikkeld”.

Het resultaat is uiteindelijk:”een op natuur, rust

en cultuur gerichte centrale kern, omringd door

een actief, op de omringende wijken gericht

recreatiepark...”.

In mei 2000, aan de vooravond van de

samenvoeging van Vleuten-DeMeern en Utrecht,

wordt het denitieve ‘Ontwikkelingsplan’

vastgesteld. De naam van het park wordt van

‘centrale park’ omgedoopt in ‘Rijnsche Park’.

In tegenstelling tot het voorlopig

‘Ontwikkelingsplan’ van West 8, dat vooral bedoeld

was als een nadere ruimtelijke en strategische

uitwerking van het parkontwerp, is het denitieve

‘Ontwikkelingsplan’ geen ontwerp, maar een

haalbaarheid- en inpassingstudie. In dit document

wordt het parkprogramma en het ruimtebeslag

van de programmaonderdelen nader in kaart

gebracht. Ook wordt een eerste poging gedaan

de haalbaarheid van de ruimtelijke structuur

van het parkontwerp te toetsen op nanciële

uitgangspunten, fasering en benodigde

verwervingen.


Daarnaast worden afspraken gemaakt over de

status van diverse planonderdelen, zoals de

bestaande bebouwing en het ‘lint’. Een nieuwe

toevoeging aan het parkprogramma zijn de ‘nader

uit te werken locaties’: gebieden die met het oog

op risico’s in de grondexploitatie van het park nog

niet van een denitief programma zijn voorzien.

Het programma van eisen: van Droom naar Daad

(2004)

Na de samenvoeging van Vleuten- De Meern

en Utrecht in Januari 2001 komt de planvorming

voor het park bij het projectbureau Leidsche Rijn

te liggen. Besloten wordt om de planvorming

te richten op een uitvoeringskader. Dit

uitvoeringskader wordt het Programma van Eisen

Leidsche Rijn Park dat door de gemeenteraad van

Utrecht in 2004 wordt vastgesteld. De basislosoe

in het Programma van Eisen wordt ingegeven

door de gedachte dat landschapsontwikkeling

een transformatieproces is dat 10 tallen jaren

duurt waarbij de beperkingen van de nanciële

middelen de prioriteit van de projecten en het

tempo zullen bepalen.

Er wordt een onderscheid gemaakt in 2 fasen.

De eerste fase tot 2010 - de transformatie - stelt

zich tot doel om de basis layout van het

park te voltooien: de verwervingen worden

afgerond, de sportvelden voor 3 sportverenigingen

- Desto, V.V. de Meern en UVV - aangelegd,

de verschillende nieuwe voorzieningen en functies

zoals een nieuw zwembad, een manege, een

politiepost, scoutingterreinen en tuincentra worden

gerealiseerd.

Van de kernelementen van het park worden

het Jacq P. Thijsselint en de bosaanplant van

het Binnenhof als hoofdstructuur aangelegd.

Investeringen in groen is daarbij het motto.

De geraamd investeringen hiervoor bedragen € 135

miljoen.

De tweede fase start vanaf 2010:

de ruimtelijke - groene - contour van het Leidsche

Rijn Park is zichtbaar gemaakt. Zij vormt de

ondergrond voor een kwaliteitsslag in het tweede

decennium van de 21 e eeuw: de aanleg

van de “parkmuur”, de uitvoering van het

het Jac p. Thijsselint in zijn denitieve vorm en

de realisering van de Vikingrijn. Met name de

parkmuur is onderwerp van studie waarbij een

combinatie van “muur” elementen, ook functies

zoals horeca, cultuur en wonen mogelijk moeten

zijn. De investeringen voor fase 2 bedragen € 40

miljoen.

Het ontwikkelingsperspectief

De cultuurhistorische en archeologische

belangwekkende gebieden den Eng en de Hoge

Woerd zullen in een eigen ontwikkelingstempo

worden aangehaakt aan het Leidsche Rijn Park en

het in het bijzonder het lint.

De strategie is er op gericht dat de in relatief korte

tijd van vijf jaar gerealiseerde basis layout de

garantie biedt voor een kwaliteitsslag in het park

die in de daaropvolgende periode van jaren en

zelfs decennia (2025) gemaakt kan worden.

Op het eerste gezicht lijkt het paradoxaal dat

een aantal woningbouwlocaties in het Programma

van Eisen worden toegevoegd aan het Leidsche

Rijn Park. Leidsche Rijn sluit hierbij echter naadloos

aan op de rijke tradities van parkontwerpen.

Zonder aanvullende woningbouw en uitgifte van

aangrenzende gronden zouden veel gekoesterde

stadsparken, zoals het Wilhelminapark in Utrecht,

het Vondelpark in Amsterdam en Sonsbeek in

Arnhem in hun aanlegfase nauwelijks van de

grond zijn gekomen. Voor het Leidsche Rijn Park

geldt hetzelfde. Totaal zullen in het Leidsche

Rijn Park een totaal van tussen de 300 en 400

woningen gerealiseerd. De belangrijkste locaties

voor woningbouw zijn de locatie Enghwetering

en de locatie Burgemeester Middelweertweg.

De doelstelling hierbij is dat woningbouw een

kwaliteitsimpuls geeft aan het park.

Het park krijgt hiermee duidelijk grenzen. Nieuwe

en mogelijk revolutionaire woonconcepten c.q

parkwoongconcepten worden gerealiseerd.

Wonen en parkbeleving zijn daarbij niet mee

elkaars tegenpolen maar zorgen voor een verrijking

van het Leidsche Rijn Park landschap.

De gemeenteraad van Utrecht stemt op 12 februari

2004 in met het programma van eisen van het

Leidsche Rijn Park na een 4 uur durende debat over

de positie van woningbouw in het Leidsche Rijn Park

en de mogelijke aantasting van de kernwaarden

van het park. Gevraagd wordt in een motie om

“dun en gecamoueerd te bouwen in het Leidche

Rijn Park op een zo klein mogelijk oppervlakte van

10 hectare. Zo wordt eens te meer duidelijk dat

het Leidsche Rijn Park in zijn uitwerking onderdeel

is van maatschappelijk en politiek roerige en soms

emotionele dialogen en discussies.

69


70

10 jaar Leidsche Rijn Park (2005)

De eerste 10 jaar van het Leidsche Rijn Park zijn

verstreken:

De ontwikkeling van strategische groene buffer

naar het ontwerp Kremlin, ontwikkelingsplan en

Programma van Eisen hebben hun beslag

gekregen. Maar kunnen we ook al spreken van

tastbare resultaten: de 3 luchtfoto’s van 1995,

2000 en 2004 vertellen het verhaal. Transformaties

worden langzaam en ook versneld zichtbaar. De

verdwijnende kassen in het Binnenhof maken plaats

voor piepjonge aanplant, de aanleg van de

sportvelden en de Stroomweg worden zichtbaar:

the making off is gaande.

Naast de zichtbare verandering voltrekken zich

ook psychologische veranderingen in gedrag en

betrokkenheid van de mensen bij het park.

In 10 jaar tijd voltrekt zich het proces van verzet

tegen verkoop van bijv. de kassen, de ellenlange

discussies over “plannen en uitgangspunten” naar

een meer gemeenschappelijke betrokkenheid op

datgene wat iedereen bindt : het beleven en

deelnemen aan de making off van het park:

bomen planten en genieten van de nieuwe prille

natuur.

Participatie en draagvlak van direct betrokkenen

spelen hierbij een grote rol. Het in workshops

tot stand laten komen van het basisontwerp van

de Binnenhof zijn een verrijking voor ontwerpers

en bewoners. Het aanplanten en aanleggen

van de paden door vrijwilligers van het Vleutens

landschapsbeheer schept een band tussen

gemeente en burgers.

De losoe dat het park zonder hulp “buiten”

(natuur en milieuverenigingen, Vleutens

Landschapbeheer, platform Alendorperweg etc.)

nooit tot wasdom zal komen is een blijvend

gegeven. De oprichting van de Vrienden van het

Leidsche Rijn Park en een comité van aanbeveling

hiervoor zijn het tastbare bewijs hiervoor.

Het Leidsche Rijn Park : The story continuous 2005

- 2025

De footprint van het Leidsche Rijn Park wordt

langzaam zichtbaar, het eerste zaad is gezaaid.

De strategie voor het Leidsche Rijn Park voor de

nabije en verdere toekomst is gebaseerd op de

volgende elementen:

-De overtuiging dat ambitie en missie in het

kernachtige ontwerp overeind zullen blijven:

parkmuur en Vikingrijn worden gerealiseerd en de

het Thijsselint voltooid.

-De evolutie en zelfstandige ontwikkeling van de

parkonderdelen ons zullen verrassen op een nog

niet te voorspellen wijze

Het ontwikkelingsperspectief

-Het Leidsche Rijn Park een plek gaat krijgen in

de harten van de Leidsche Rijners en daarmee de

betrokkenheid van de burgers bij de ontwikkeling

en beheer van het park.

Op welke wijze de mix van de 3 elementen

hun beslag gaat is natuurlijk onvoorspelbaar in

zijn uitwerking, een schets van een visionair en

imaginair beeld van het park is natuurlijk altijd

mogelijk. Het beste bewijs wordt geleverd in

Leidsche Rijn bouwt een kathedraal : deel 2 in 2015.

Kader: dagboekfragment van Ingmar…. ( 14 jaar)

Zondag 15 augustus 2015

“Vanmiddag is het eindelijk zover. Yes. De Fourth

World treedt op het plaza van het Binnenhof.

Mooie plek daar, zij spelen in de Arcades van de

muur, hebben ze gaaf bedacht. Veel beter als

die stadions waar je op elkaar ingekooid staat te

luisteren. En de akoestiek is ook nog voortreffelijk.

Wat ik altijd doe als ik naar het plaza ga is mijn

skeelers aan en racen over de Thijssebaan.

Is wel drukker geworden. Maar de laatste politie

actie om de scooter te weren heeft gelukkig wel

geholpen. Jammer van dat deel bij de Hinderstein:

moeten we nog steeds over de Stroomweg heen.

Hadden ze niks anders kunnen bedenken.

Zonder die barrière leg ik het rondje af in 22 minuten

en doe dat maar eens na..”

“Vandaag gaat Merel mee naar de Fourth World.

Merel is geen skeeler. Als we gaan lopen zijn

we sneller. We nemen de Oost entree van de

Binnenhof: is wel een grappig boogconstructie

geworden zeker met de Leidsche Rijn die er

onder doorloopt.Ik hoorde dat er verderop bij de

Esdoornlaan nogal gedoe is over het verbreden

van de Leidsche Rijn. Snap ik wel maar de mensen

moeten niet zo zeiken. .Zal wel weer het zoveelste

wijkreferendum worden. Ik ben in ieder geval voor.

Met Merel lopen we dan door het mooiste deel van

het Binnenhof via de Beukenlaan gaat hardstikke

snel en hopelijk hebben we op de terugweg tijd om

bij de lelievijver te gaan chillen. De laatste tijd lijkt

het wel een grote chillplek voor de jeugd. Is wel

jammer want dan heb je nauwelijks nog privacy”.

geraadpleegde bronnen:

* Masterplan Leidsche Rijn, 1995, gemeente VDM, gemeente

Utrecht

* Voorlopig programma van eisen voor de ideeënprijsvraag voor

het centrale park van Leidsche Rijn, 19 februari 1997, GPB

* Voorlopig Ontwikkelingsplan, Centrale Park, September 1998,

gemeente VDM, gemeente Utrecht, West 8

* Rebuilding Central Park, a management and restoration plan,

Elizabeth Barlow Rogers, MIT 1987

* Ontwikkelingsplan Rijnsche Park, mei 2000, gemeente VDM,

gemeente Utrecht

* LSPVE Leidsche Rijn Park, 2003, PBLR


6.Markante elementen in het park

71


72

Den Engh

Grens

De Hoge Woerd


6.1 Den Engh: Een ridderhofstad uit de 13 -14de eeuw

6.2 De Hoge Woerd: Een Romeins Castellum

6.3 De Binnenhof: Een cultuurlandschap

6.4De Vikingrijn: Herstel van de Oude Rijn loop

Markante elementen in het park

De komende hoofdstukken laten zien dat het park

vele verhalen herbergt. Samen vormen ze een

prachtige schatkamer vol verleden.

Dit waardevolle gegeven moet een vertaling

krijgen in het toekomstige park. De biograe

moet leesbaar worden. Om inspirerende ideeën

op te doen is met verschillende vakdisciplines de

vrijheid genomen om vanuit een cultuurhistorisch

perspectief een vertaalslag te maken.

In opgezette workshops is gezocht naar subtiele

verwijzingen, letterlijke vertalingen en reconstructies,

oude rituelen en nieuwe functies.

In deze workshops zijn in drie afzonderlijke groepen

nieuwe ideeën ontwikkeld. Aan de hand van

een hypothese worden de groepen geprikkeld om

nieuwe ideeën te ontwikkelen.

Het vormt een bonte scharkering aan ideeën

die in dit hoofdstuk aan bod komen. Zij zijn

inspirerend voor projectbetrokkenen, vakwereld en

geïnteresseerden die het Belvedere gedachtegoed

een warm hart toedragen.

Bij een opsomming van deze inspirerende beelden

moet het niet blijven. Daarom is per item een

paragraaf ‘en… hoe nu verder?’ geformuleerd.

In dit hoofdstuk worden enkele lessen omschreven,

keuze momenten benoemd en acties en

6.5 Het Lint: Een nieuwe lijn in het landschap: ´God´s nger´.

73


6.1 Den Engh: Een ridderhofstad uit de 13 - 14 de eeuw

75


76

Den Engh

Den Engh in betere tijden getekend vanuit het

noordoosten. In de zeventiende eeuw veranderde Den

Engh van een weerbaar kasteel in een buitenhuis.

Cultuurhistorie

De resten van de oude ridderhofstad Den Engh

bevinden zich op de grens van de stroomrug, een

grens van zand, klei en veen. De ridderhofstad

bestond uit een woontoren met een omgrachting

en een voorburcht. Zij waren in bezit van

riddermatige heren. In het landschap zijn

verschillende kastelen en ridderhofsteden op de

rand van de Utrechtse stadsvrijheid gebouwd.

Het verzamelen en verhandelen van

landbouwproducten uit het gebied gebeurde op

deze plekken.

Deze verdedigbare plekken waren onderling

verbonden middels water en wegen. Deze oude

ontginningsstructuren zijn terug te vinden.

Vanuit het westen: de Thematerweg, en de oude

oprijlaan ten zuiden: de Enghlaan.

Het landschap krijgt vorm:

Met de ontginning worden waterstructuren

aangelegd die het landschap zijn huidige

structuur geven. De herkenbare wyberstructuur van

Den Engh is zo ontstaan. Helaas zijn met de

nieuwbouw vele oude waterlopen verdwenen.

De spoorlijn snijdt het zicht op de Enghlaan.

Dit wordt met de verhoging van het spoor middels

een onderdoorgang hersteld. Helaas wordt het

zicht op Den Engh ontnomen door een misplaatst

wild woonhuis.

De zichtlijn vanaf de Smalle Themaat wordt

binnenkort doorsneden door Stroomweg De Tol.

Zorgvuldige inpassing is gewenst. Het casco van

de oude boerderij vertelt de verhalen van de

afgelopen 4 eeuwen. De burcht is verloren gegaan,

in 1900 stonden de 50.000 moppen te koop

aangeboden in de krant. Alleen de fundamenten

zijn terug te vinden, een prachtig ensemble in

het groen dat de confrontatie aangaat met de

nieuwbouw.

Het einde van kasteel Den Engh.


Problematiek

Op welke manier moet Den Engh blijven bestaan

t.o.v. de stad in ontwikkeling?

Welke waarden willen we terugvinden in het park

als verbinding met het verleden?

In welke mate mag je de plek ontwikkelen?

Hypothese

We hebben Den Ham als ‘icoon´ allemaal op ons

netvlies. Den Engh kan ook die kracht hebben:

herstel de dominantie van de ´buitenmacht´ in dit

gebied door het terugbrengen van het volume van

het immense kasteel van weleer. Dit als referentie

aan het verleden, maar wel functioneel genoeg

om het gebied te begrijpen en bruikbaar te maken.

Herstel de poorten en kies voor een woonvorm

waarbij de bewoner leeft als de recreant in het

gebied: het publieke karakter van het gebied

waarborgen met respect voor wat er is.

De boerderij die het zicht nu ontneemt verplaatsen.

Evt. wat woningbouw voor dekking van die kosten.

Met dit icoon ontstaat een heldere verbinding

tussen het park en Haarzuilens en wordt een

verbinding gemaakt tussen het noordelijke en

zuidelijke deel van het park.

Smalle themaat

Den Engh

Enghlaan Ù

Den Engh: Een ridderhofstad uit de 13-14 de eeuw

Den Engh

Den Engh

Drie inspirerende ideeën:

Groep 1: een sociale ontmoetingsplek.

De beslotenheid van Den Engh wordt nu zeer

gewaardeerd. Het is een unieke plek om uit

te beelden hoe een Ridderhofstad destijds

functioneerde naar zijn omgeving; een veilige

verzamelplek waar van alles gebeurden. Den Engh

moet in het park ook zo’n plek vormen: een plek

waar je kan eten, drinken, spelen en verblijven.

Hier moeten de rituelen teruggebracht worden! Je

moet er bv. kunnen trouwen en midsummer feesten

organiseren voor de lokale buurt.

De beslotenheid van de locatie moet benadrukt

worden. Waar vroeger de plek omsloten was door

water zal nu de Nieuwbouw de begrenzing vormen.

Een prachtig contrast.

De slechte toestand waarin de monumentale

boerderij verkeerd vraagt om de nodige middelen.

Door nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden in het

gebied zelf aan te wijzen wordt het exploitief

interessant. Nieuwe ontwikkelingen moeten wel het

karakter van de plek versterken zodat het contrast

met zijn omgeving sterker wordt.

Samenvattend:

- creëer een sociaal-culturele ontmoetingsplek;

- zorg voor goede aanhaking op zijn directe

omgeving;

- gelden uit nieuwe ontwikkelingen in stijl worden

benut voor het opknappen van oude

monumenten.

77


78

Den Engh , herstel van de machtsfactor

uitkijktoren reconstructie


Groep 2: Herstel van de machtsfactor

Machtsfactor van welleer ziet er nu ´verrommeld´

uit. De oude ontginningsassen moeten weer

betekenis krijgen. Dit kan door het assenkruis, wat

gevormd wordt door de twee ontginningsassen,

aan te duiden met een hoog gebouw.

Met dit zichtpunt heeft Den Engh weer uitstraling

naar zijn omgeving. Er wordt over de oude

ontginningsassen weer een verbinding gelegd met

Haarzuilens en met het zuidelijke parkdeel.

Naast de ontginningsassen was er ook een

intensief watersysteem. Dit watersysteem moet

waar mogelijk hersteld worden. Hierdoor wordt de

wyber vorm van het terrein versterkt. Door het

water een recreatieve functie te geven wordt de

verbinding met zijn omgeving ook over het water

versterkt.

Dominantie van de Ridderhofstad in de omgeving

terugbrengen door massaliteit van bouwvolume

terug te brengen. Dit kan als reconstructie of als

moderne vertaling: bv. kolom van staal. Het moet in

ieder geval de massaliteit uitstralen van weleer.

De functie kan deels publiek zijn, maar zeker

ook privaat, bijvoorbeeld een modern klooster of

een woongemeenschap. Beperkte woningbouw

op Den Engh zal een woongemeenschap creëren

die trots is op hun gebied.

Samenvattend:

- dominantie van welleer laten zien door het

neerzetten van volume: een icoon (evt. privaat);

- herstellen van de oude waterstructuren;

- bouwvolume ontwikkelen met bijzondere

woonleefvorm mbv ontwikkelaar.

Groep 3: De Hofstad

Een moderne invulling geven aan het begrip

Ridderhofstad: Hof-stad Den Engh met de nadruk

op hof. In het verleden werden de land- en

tuinbouwproducten uit de omgeving opgeslagen

op Den Engh. Deze productie met aanverwante

functies symbolisch terugbrengen op Den Engh:

kwekerij, voorbeeldtuinen (herstel oude tuinen),

historisch waardevolle druivenkassen neerzetten,

eten onder de kersen!

Den Engh: Een ridderhofstad uit de 13-14 de eeuw

Initiatieven helpen het gebied door de tijd heen te

ontwikkelen: fruittuinen, st. de Bouwloods, kwekerij

(met voorbeeldtuinen) etc.

Met deze functies ontstaat er een kleurrijk palet aan

sferen die bij elkaar gehouden worden door de

omsluiting met water.

Laat het eiland het eiland weer zijn. De gracht

en groen herstellen: een groen ‘Landmark’. Den

Engh zal zich als groene oase manifesteren in de

huizenzee van Terwijde.

Samenvattend:

- de fruit/tuinbouw wordt eenbindend thema;

- diverse functies verzameld op een omsloten

eiland. Eenheid door water;

- bouwloods en andere lokale initiatieven benutten

En …hoe nu verder?

Voor Den Engh worden verschillende ideeën

aangedragen. Deze zijn behoorlijk verschillend

maar hebben allen de overeenkomst om het

verhaal van weleer op een eigentijdse manier te

vertalen. Er zouden twee ontwikkelingsstrategieën

onderscheiden kunnen worden:

-Directe ontwikkelingsmogelijkheden moeten

aangeboden worden om de renovaties te

bekostigen. Met deze commerciële impuls worden

op de korte termijn de bestaande monumentale

panden hersteld. Met deze ontwikkelingsstrategie

vraagt om een strak voorwaarde document.

-Het ontwikkelingsproces gebeurt onder

gemeentelijke regie. De monumenten worden

door gemeente in samenwerking met

belangengroepen/stichtingen en andere

initiatiefnemers hersteld. De gemeente stelt

spelregels op voor toekomstige ontwikkelingen en

schept het kader. Afhankelijk van de initiatieven

zal het gebied zich door de tijd heen ontwikkelen.

Het gebied krijgt zo een trager ontwikkelingstraject

waarbij eindbeelden niet gedicteerd worden.

79


6.2 De Hoge Woerd: Een Romeins Castellum

81


De Hoge Woerd

28.000 bezoekers

gevonden Romeins schip

Ligging castellum

in huidige situatie

Castellumlaan

46

t Zand

Groenedijk

De Hoge Woerd: Een Romeins Castellum

Cultuurhistorie

Het Romeinse Schip gevonden in Leidsche Rijn

(‘De Meern 1’), heeft 28.000 bezoekers getrokken

binnen twee weekenden! Opvallend veel gezinnen

kwamen kijken. Het schip is nu naar Lelystad. De

grote vraag is: komt het ooit terug naar Leidsche

Rijn?

Ja, want De Hoge Woerd is dé plek voor het schip.

Op de Hoge Woerd zijn de resten gevonden van

een Romeins grensfort, een ommuurde kazerne.

Deze maakt deel uit van de Nedergermaanse

Limes. Soldaten die hier gestationeerd waren

kwamen vanuit heel Europa. Oostelijk naast het

fort lag het kampdorp (vicus) waar ‘gewoon’

geleefd werd door ambachtslieden, kinderen en

vrouwen rond het jaar 100. Daarnaast is de

oude loop van de rivier teruggevonden en een

badhuis. Fundamenten zijn net na de oorlog 40-45

blootgelegd. Ten noorden van de vindplaats is een

grafveld gevonden.

In Leidsche Rijn zijn veel resten gevonden van de

Romeinse rijksgrens: op twee woningbouwlocaties

is in het stedenbouwkundig plan de oude loop

van de Romeinse weg zichtbaar gemaakt. Het

Castellum in de Hoge Woerd is echter minder

goed terug te vinden op dit moment. Op sommige

plaatsen is het bebouwd en er loopt een weg

overheen.

De Hoge Woerd ontwikkelen als samenkomstlocatie

van de verschillende archeologische vondsten,

maar anders dan een museum van potten

en scherven. Het verleden moet hier zichtbaar

gemaakt worden in samenspel met de omgeving.

Maak gebruik van het verleden, en haal de

wortels uit de verschillende culturen die hier leefden

naar voren (Romeinse soldaten uit Zuid en Oost-

Europea).

Problematiek

De huidige situatie heeft totaal geen uitstraling wat

het archeologisch verleden betreft.

De potentie ligt allemaal onder de grond.

Het enige wat te zien is, is de lichte bolling van het

maaiveld. Het visualiseren/ beleefbaar maken van

dit gebied betekent een complete transformatie!!

Het is Alles of Niets.

Hypothese

Als je nu in het gebied bent beleef je niets van het

verleden. Pas bij navraag blijkt er ´iets´ ondergronds

te zitten. De plek moet je begrijpen door het

opnieuw bouwen van ‘historische’ elementen.

Daarbij het verleden als inspiratiebron gebruiken,

maar pas op voor een ridicuul themapark.

Wat is de verhouding met het Leidsche Rijn Park en

met De Binnenhof, maar ook met het Lint?

83


84

Het Castellum terug laten komen in het landschap d.m.v. land-art

Het verleden kenbaar maken niet reconstrueren

beleving d.m.v. virtual reality


De Hoge Woerd

Drie inspirerende ideeën:

Groep 1: Samenkomst van verschillende tijdslagen

De Hoge Woerd is een complex gebied: Het is

een rijksmonument, er ligt veel oude en nieuwe

infrastructuur, oude en nieuwe bebouwing en

het is onderdeel van het Leidsche Rijn Park.

´Samenkomst´ van allerlei geschiedenislagen is

hier goed voelbaar. De verschillende lagen vormen

samen een wirwar aan structuren die het rommelig

maakt. Hier door is de plek slecht leesbaar.

De geschiedenis zou uit elkaar gerafeld moeten

worden om hem leesbaar te maken. De

verschillende tijdslagen zouden door middel van

een doorsnijding inzichtelijk gemaakt kunnen

worden. Verschillende niveaus waarbij elke periode

in een laag te herkennen zijn:

-De bestaande Castellumlaan (al een verstoring

van het monument) zou zich hiervoor kunnen lenen

om de diepte in te gaan en af te dalen naar de tijd

van de Romeinen.

-De groene dijk inpassen als oud historisch lint.

-De nieuwbouw en infra die een eigen laag

vormen.

-Een eigentijds ´Limesmuseum´ op niveau.

Dit verheft zich boven het maaiveld en kan de plek

in een breder perspectief plaatsen.

-Met digitale tijdvensters kunnen ook andere

tijdsperiodes verbeeld worden.

Deze benadering ageert tegen een letterlijke

vertaling van wat er ooit was!!! Geen kant- en-

klaar product willen maken, er moet gezocht

worden naar de magie van de plek en niet het

oorspronkelijk bouwwerk. Geen reconstructie!

3 manieren van vertalen:

Extreem Vertaling

De Hoge Woerd: Een Romeins Castellum

Samenvattend:

-De complexiteit van de plek laten zien door

verschillende lagen in de tijd;

-gebruik maken van de infrastructuur die er is;

-geen reconstructie van het Castellum.

Groep 2: Attractie park

De Hoge Woerd moet zich ontwikkelen tot een

plek met nationaal of zelfs internationale allure.

Het verleden moet zichtbaar worden gemaakt

door de koppeling van verschillende initiatieven.

Een grote, voor publiek toegankelijk locatie biedt

met verschillende ‘functies’ een divers aanbod

van recreatie. Middels een passe-partouts kunnen

diverse ‘attracties’ bezocht worden.

Het feitelijke monument wordt omzoomd door

een palissade rondom met wachttorens. De

bestaande bebouwing krijgt hierbinnen een plek.

Het Castellum zelf wordt deels zichtbaar gemaakt

door de fundamenten op maaiveldniveau te

markeren.

Initiatieven die rondom het monument ontwikkeld

kunnen worden: Een eigentijds multifunctioneel

badhuis maken (‘Therme 2010’ met sport, leisure,

bieb), het Limes infocentrum, evt. het provinciaal

depot. Terra Incognita is een initiatief dat de mens

in relatie tot de natuur brengt waarbij 5 plekken

langs de Limes worden beleefd. “Rondje Limes”,

dit rondje begint in het Utrechtse deel, vervolgens

in Turkije/Spanje/ Marokko/ etc. De initiatieven

moeten wel gerelateerd zijn aan elkaar, zodat het

ook als een geheel gepromoot kan worden.

Gematigd

Atractieve Subtiel

Gezinnen

Fanatiekelingen

spectaculair abstract

Hoge belevingswaarde weinig dynamisch

(bv. reconstructie)

(bv. kunst)

Ontwikkelingsmogelijkheden Beperkte

in de markt

ontwikkelingsmogelijkheden

Exploitabel Goedkoop in beheer

Bereikbaarheid is belangrijk Plaatsechtheid is belangrijk

85


86

Limes studies

De Hoge Woerd is met zijn grensfort (Castellum)

een bijzonder onderdeel van de Limes. Het

Stimuleringsfonds Belvedere wil middels

verkennende studies laten zien hoe de Hoge

Woerd verbijzonderd kan worden als onderdeel

van de Limes. Dit betekent een extra verdieping

van dit onderzoeksrapport. Twee ontwerpteams

(met verschillende disciplines) leveren ideeen en

gaan deze in workshops uitdiepen. De resultaten

van deze studies zullen inspirerend moeten

werken op de planvorming van Leidsche Rijn.

Bij Projectbureau Belvedere is meer informatie te

verkrijgen.


Samenvattend:

- plek met hoge attractieve waarde krijgt

internationaal belang

- diverse functies gerelateerd aan archeologie,

leisure en educatie.

- een markering van het Castellum;

Groep 3 ‘Afstemmen programma en lobbyen.

Op de Hoge Woerd moet gezocht worden naar

een programmatische bevruchting.

Diverse functies moeten elkaar sterk maken.

Een Archeologisch centrum met landelijke

aantrekkingskracht kan gecombineerd worden

met een natuur- en milieu centrum (NMC) .

Dit NMC trekt mensen uit de directe omgeving.

Een slimme stapeling van gebruiksmogelijkheden

en functies maakt dat de plek aantrekkelijk wordt

voor dagelijks gebruik. Aanhaking van andere

functies moeten thematisch afgestemd worden

bv.

Huisvesting van de gemeentelijke dienst

Archeologie of een depot voor archeologische

vondsten en het Romeinse Schip. De plannen

moeten dusdanig ingepast worden dat de

plek van het castellum gemarkeerd wordt.

De verschillende programmaonderdelen moeten

elkaar versterken zodat De Hoge Woerd een plek

wordt waar altijd iets te doen is. De ambities

moeten hierbij hoog ingestoken worden.

Plan maken met alle genoemde ambities,

prijskaartje aanhangen en dan lobbyen bij

verschillende belanghebbende partijen en

bedrijfsleven. Het unieke en internationale

karakter van dit Limes project moet middelen

kunnen losmaken.

Samenvattend:

- stapeling van diverse programma onderdelen;

- terugbrengen van het Romeinse Schip;

- middels lobby partijen committeren.

En …hoe nu verder?

De Hoge Woerd is een monument dat volkomen

onzichtbaar is in het bestaande landschap.

De aanwijzingen in het landschap zijn dermate

subtiel dat voorkennis nodig is om de locatie te

herkennen. Een prachtig stukje archeologie dat

voor eenieder verborgen is. Een logisch gevolg is

dat alle ideeën die ontwikkeld worden over dit

gebied pleiten voor een nieuwe markering in het

landschap. Een ontwikkeling om het verborgen

verhaal te vertalen middels een eigentijdse vorm.

Hierin kunnen we twee verschillende

benaderingen onderscheiden:

-een ontwikkeling om ‘de magie’ en ‘de

echtheid’ van de plek voelbaar te maken;

-een ontwikkeling die vraagt om ‘een tastbare

vertaling’ van hetgeen wel eer geweest is.

De Hoge Woerd: Een Romeins Castellum

Beide benaderingen roepen verschillende

Belvedere-discussies op:

De magie van de echtheid

De kracht van monumenten zit hem vaak in

het onbekende. Hierdoor wordt de fantasie

geprikkeld en wordt een sfeer gecreëerd die

blijvend inspirerend is. Het monument zal op zo’n

manier voor ieder persoon een eigen verhaal

vertellen.

Om deze magie echter op te roepen moet

het monument een eigen plek innemen in het

bestaande landschap. Het moet een plek zijn

die één sfeer uitademt. Wanneer de bestaande

situatie, na conservering, te weinig tot de

verbeelding spreekt kan overwogen worden

om geschikte delen van het monument te

ontmantelen. Ontmanteling is uiterst gevoelig

maar kan wel de aantrekkingskracht en de

verbeelding enorm stimuleren.

Een aanroering van het monument enerzijds moet

een meerwaarde opleveren voor het behoud van

het monument anderzijds.

De tastbare vertaling

In de vertaling van een eeuwen oud verhaal

naar een eigentijdse ontwikkeling kan dat op heel

veel verschillende manieren. Dit kan van heel

attractief, educatief tot uiterst subtiel.

De attractieve vertaling, die pleit voor

reconstructie en attractieve belevingswaarde

versus de subtiele verwijzing die inspeelt op het

verhaal en de fantasie. Beide uiterste trekken hun

eigen doelgroepen aan. Om grip te krijgen op de

Hoge Woerd zijn de volgende drie manieren van

vertalen, met enkele karakteristieke naast elkaar

gezet.

Bij de ontwikkeling van De Hoge Woerd moet

goed in beeld gebracht worden wat de

gewenste uitstraling en doelgroep is.

Na bepaling van de doelgroep kan er naar een

gepaste vertaling gezocht worden.

Om deze afweging voor de Hoge woerd goed te

kunnen maken worden drie analyses uitgevoerd:

-Nader onderzoek naar de magie van de plek.

-Het uitvoeren van een programmaverkenning

waarbij diverse functies elkaar kunnen versterken.

-Analyseren van de gewenste doelgroep en

uitstraling.

87


6.3 De Binnenhof: Een cultuurlandschap

89


Cultuurhistorie

De Binnenhof bevindt zich op een oud

cultuurlandschap, op een oude stroomgordel van

de Rijn. Dit is terug te vinden in het oud, typisch

blokvormig verkavelingpatroon met onregelmatige

eenheden. Rond 1852 is de spoorlijn Utrecht-Den

Haag aangelegd. Voor die tijd, vanaf de 9e/10e

eeuw, waren de Domeinen in het bezit van de

lokale adel en de Utrechtse kerk.

Dit oud domeingoed is in de 9e of 10e eeuw

ontgonnen. Archeologie heeft hier niet de hoofdrol,

maar de lijnstructuren van het kaartbeeld.

Een vergeten bedrijfstak: vanaf de 16e eeuw start

de kleiwinning in dit gebied. In De Binnenhof

voornamelijk tijdens de 19e en 20e eeuw.

Het land wordt perceelsgewijs afgegraven en klei

wordt afgevoerd in vletschuiten. De vletsloten

waren oorspronkelijk 4 tot 5 meter breed, nu

afgekalfd tot 3 meter breed: ´De gronden zijn dus

afgevlet´.

De vletsloten van de toekomstige De Binnenhof zijn

allen verbonden en haken aan op de Leidsche Rijn.

Een compleet waternetwerk met ontsluitingsfunctie.

De grond is gaan inklinken en werd begin 20e eeuw

geschikt voor tuinbouw en kassen.

De ontwikkelingen in de tuinbouw volgen zich snel

op en er verrijst een besloten glazen stad.

Tuinders die hier heen trekken zijn vaak

weggedreven door oprukkende bebouwing elders.

Vanuit de diverse perioden zijn kasopstanden aan

te treffen in het gebied. Aan de Utrechtseweg

13/14 staat een prachtig ensemble waar

verschillende typen kasopstanden aanwezig zijn:

bv. druivenkas.

Aan de linten door De Binnenhof bevinden zich

karakteristieke kwekerswoningen. De proelen van

de Utrechtseweg en Alendorperweg zijn echter

verbreed bij de ruilverkavelingen.

Opgave

De Binnenhof heeft zichzelf op de kaart gezet.

Immers, de rijkste gronden op de oeverwal zijn

uitermate geschikt geweest voor allerlei teelten.

Het gebied heeft zich ontwikkeld tot een

tuinbouwgebied met vollegrondsteelt en kassen.

Met deze ontwikkeling is het ook de duurste

grond geworden die gevrijwaard bleef voor

woningbouwontwikkeling.

Met de ontwikkeling van De Binnenhof hebben

de ontwerpers ingespeeld op deze waardevolle

bodem. Het betekent voor de ontwikkeling van

dit parkgedeelte dat de duurste gronden

getransformeerd moeten worden in een functie

zonder opbrengsten.

Hypothese

Hoe kan de geschiedenis van een plek onderdeel

worden van het ontwerp?

De Binnenhof: Een cultuurlandschap

Behoud van de historische elementen,

terugbouwen van constructies uit het verleden

(fysiek), integreren van rituelen uit het verleden

(niet-fysiek), integreren van relicten uit verleden in

de rituelen van deze tijd (niet-fysiek).

Een voorbeeld van het integreren van rituelen

uit het verleden is het gebruik van de vletsloten

tijdens de kleiwinning: vervoer over water is

nu verdwenen, maar terughalen ervan geeft

toegevoegde waarde aan het beleven van het

gebied.

De Binnenhof ligt op hogere gronden. Dit is goede

grond voor duurzame bomen. De Binnenhof is de

geschiedenis van morgen, voor vele toekomstige

generaties die ook hun sporen toe kunnen voegen

aan het park waardoor een schatkamer van natuur

& cultuur ontstaat.

Een culturele opgave, waar de geschiedenis van

morgen tot zijn recht kan komen.

Er wordt een club voorgesteld die het ´bewaakt´

zoals een museumdirecteur zich ontfermt over

zijn museum en werkt aan zijn collectie. Hiervoor

moeten wel eerst radicale keuzes gemaakt worden,

zoals de keuze voor een muur, die de schatkamer

afschermt tegen lawaai van het spoor en van de

beslommeringen van alledag. De Binnenhof kan zo

een park op zichzelf worden. Een muur zoals in

de traditie van het Vondelpark. Hiervoor moet een

coalitie van investeerders gevonden worden die

het nut zien van bebouwing, natuurontwikkeling en

recreatie met een lange termijnsvisie (50-200 jaar).

Het inrichten van het park niet met een engelse

landschapstijl, want we hebben hier te maken met

een zeer unieke structuur. Voor de inrichting kijken

naar de context, de rationele vormen van het

Hollandse landschap meenemen in landschap.

Het cultuurlandschap van vroeger mag nog

aeesbaar zijn, terug te vinden in het landschap,

maar heeft een nieuwe functie gekregen, zoals de

ruïnes in de oerwouden.

Het Binnenhof

91


92

De Binnenhof

De Binnenhof met zijn muur is in tegestelling

tot Den Engh en De Hoge Woerd een nieuw

ontworpen parkelement. De wisselwerking met

cultuurhistorie moet hier opgezocht worden en is

minder vanzelfsprekend. De uitdaging is des te

groter.

Groep 1

De muur is een nieuw element in het landschap en

moet zijn eigenheid gaan vinden in materialisering

en tijd:

Met de materialisering kan een verwijzing gemaakt

worden naar de eigen streek:

Bijvoorbeeld goedkope materialen gebruiken, zoals

klei uit de Haarrijnsche plas, stro van het Lint

dat gemaaid wordt vermengd met leem of

afval van de puinresten van de 60-er jaren

binnenstad. Wellicht is er een kostenbesparing te

halen voor twee Utrechtse projecten (POS en LRP)

te combineren?

Door de muur in de tijd te laten groeien zal er

eigenheid per tijdsperiode ontstaan. Er wordt in

het begin een start gemaakt door de fundering

aan te leggen in het landschap. Hierdoor wordt

de situering gexeerd maar niet de invulling.

Vervolgens wordt per jaar bekeken welk deel met

welke functies wordt aangelegd. Door de tijd heen

zullen door ervaringen en nieuwe opvattingen en

behoeften veranderingen optreden in de muur.

Er is enig research nodig voor de logistiek, maar ook

voor de juridische vastlegging van de bestemming.

Laat de muur maar groeien.

Inrichting van De Binnenhof: karakteristieke

verkavelingstructuur behouden bij de ontwikkeling

van het bos. Een natuurlijke ontwikkeling van

het bos nastreven. Deze natuurontwikkeling zal

in samenhang met oude strakke cultuurhistorische

lijnen een gevarieerd beeld opleveren.

De Binnenhof moet de tijd krijgen om tot wasdom te

komen, 300 jaar misschien?

Samenvattend:

-fundamenten van muur zo spoedig mogelijk

aangeven, rest van de muur groeit in de tijd;

-muur opbouwen uit materialen uit de omgeving;

-niet alles willen beheersen en geeft het de tijd


Groep 2

De Binnenhof ligt op hogere gronden. Dit is goede

grond voor duurzame bomen. De Binnenhof heeft

een lange tijdshorizon en wordt de geschiedenis

van morgen. Vele toekomstige generaties kunnen

hun sporen toe voegen aan het park. Hierdoor

ontstaat een schatkamer van natuur & cultuur.

Een culturele opgave, waar de geschiedenis van

morgen tot zijn recht kan komen.

De Binnenhof wordt een groene stad met een

stadsmuur. Zoals de binnenstad van Utrecht. De

poorten van De Binnenhof zijn wezenlijk onderdeel

van het park: maak grote kunstwerken van de

entrees. De muur maakt het verschil tussen binnen

en buiten.

De verschillende kavels in de Binnenhof kunnen

vergeleken worden met de immuniteiten uit de

binnenstad. Elke plek een eigen sfeer.

Een in te stellen club ´bewaakt´ zoals een

museumdirecteur zich ontfermt over zijn museum

en werkt aan zijn collectie. Bestaande kasrelicten

zouden tot de collectie kunnen behoren. De muur,

die de schatkamer afschermt tegen lawaai van

het spoor en van de beslommeringen van alledag,

wordt in deze losoe onvermijdelijk.

Samenvattend:

-ontwikkelen van cultureel- en natuurerfgoed van

de toekomst;

-Muur is essentieel;

-Organiseer een kwaliteitsbeheerder.

De Binnenhof: Een cultuurlandschap

93


94

Vletsloten


Groep 3:

Behoud van de historische elementen,

terugbouwen van constructies uit het verleden

(fysiek), integreren van rituelen uit het verleden

(niet-fysiek), integreren van relicten uit verleden in

de rituelen van deze tijd (niet-fysiek).

In de binnenhof kan dat op verschillende manieren

tot uiting komen:

-Een voorbeeld van het integreren van rituelen

uit het verleden is het gebruik van de vletsloten

tijdens de kleiwinning: vervoer over water is

nu verdwenen, maar terughalen ervan geeft

toegevoegde waarde aan het beleven van

het gebied. De traagheid van roeibootjes of

uisterbootjes benadrukt de sfeer van De Binnenhof

en verwijst naar het oude gebruik van de vletsloten.

Maak van de Binnenhof een ‘Hollands Venetië’

-Een ander voorbeeld is het voortzetten van

de tuinbouw. De bestaande bedrijvigheid zou

op kleine schaal voortgezet kunnen worden:

volle grondsteelt is attractief, oude kasopstanden

kunnen geïntegreerd worden, griendbosjes kunnen

door locale partijen beheerd worden. De plek

bouwt voort op de bestaande identiteit.

Een foto van het interieur van een druivenserre uit

de jaren 20 met langs het glasoppervlak de grote

druiventrossen.

Een foto uit een folder van een restaurant in Amsterdam.

Is dit één van de nieuwe mogelijkheden van hergebruik

van een oude kas?

De Binnenhof: Een cultuurlandschap

-De bestaande woonlinten zoveel mogelijk

integreren zodat lokale mensen, die de

geschiedenis kennen, hun verhalen en gewoonten

kunnen overdragen aan de toekomstige

parkgebruiker.

Samenvattend:

-vervoer over water een nieuwe functie geven;

-lokale gebruiken en initiatieven integreren;

-bestaande bewoners betrekken.

En …hoe nu verder?

Met de Muur wordt een nieuw ontworpen

parkelement in een bestaande setting ontwikkeld.

Een gebiedsvreemd element dat moet landen

en gaan ‘communiceren’ met zijn omgeving. Dit

roept andere vragen op dan het inpassen van

reeds bestaande fysieke elementen in hedendaags

gebruik.

Hoe kan de muur onderdeel worden van het

bestaande landschap?

-Gebruik maken van lokale materialen (puin

van het centrum van Utrecht) of optrekken

met gebiedseigenbeplanting (groene muur van

Elzenhagen)

-Functies herbergen zoals tuinbouw, opslag van

appels, etc.

Of wordt er bewust voor gekozen om de

confrontatie aan te gaan met het bestaande?

-wordt er nieuwe geschiedenis geschreven;

-markering van diverse tijdsperiodes door een

langzame ontwikkeling.

In hoeverre een nieuw te ontwerpen muur past

in zijn omgeving en in hoeverre deze ageert, zijn

belangrijke onderzoeksvragen voor het vervolg.

95


6.4 De Vikingrijn; Herstel van de Oude Rijn

97


De Vikingrijn: Herstel van de Oude Rijn Loop

Cultuurhistorie

De Vikingrijn, is dat dat slootje? Dit is dé

rivier waarover de Vikingen hun veroveringen

landinwaarts deden. Eigenlijk is alles van de

geschiedenis over deze waterloop gegaan. Nu

verland tot een miezerig watertje van 6 á 7 meter

breedte. Dat is te weinig om de functie van vroeger

te bekrachtigen. De Rijn is een meanderende

rivier, met ontelbaar verschillende rijnlopen. Het is

een dominante lijn geweest voor de belangrijkste

cultuurontwikkeling in dit gebied. De Utrechtse

Dom is aan deze stroom ontstaan! De naam

Vikingrijn geeft wel aan dat deze stroom van

enige importantie was. Echter, door de eeuwen

hen heeft deze rivier verschillende functies gehad.

Van Romeinse Grens tot veilingsloot. Het wordt dus

ook belangrijk welke tijdsperiode je zichtbaar wilt

maken. Of wordt het een rivier met een totaal

nieuw gezicht?

Het Binnenhof

De Vikingrijn

99


100

Opgave:

Dilemma is dat grote delen van de Rijn verland

zijn. De maximale breedte is echt te minimaal.

De bestaande sloot door het landschap moet

voldoende kracht en status gegeven worden,

zodat het zich als Vikingrijn kan manifesteren. Maar

deze ruimte is niet altijd aanwezig. De Esdoornlaan

ligt op een lokale weg (op een dijk) uit de

Middeleeuwen. Het opwaarderen van de Rijn zal

ten koste gaan van een oud lint, wat heeft

prioriteit? Hoe hoog zijn de ambities? Door strak

vast te houden aan de oorspronkelijk structuur

zullen veel haalbaarheidsproblemen ontstaan, met

als ´worse-case´ scenario dat hij er helemaal niet

komt.

Hypothese

Parkontwerp is een harmonie vinden tussen natuur

en beleving. Hoe krijgen we cultuur- historische

waarden van het gebied beleefbaar in het park?

Dit betekent concessies doen: welke geschiedenis is

het meest relevant? Welke geschiedenis kan je het

beste vertellen?

Vervoer over water is een belangrijk aspect

geweest in dit gebied. Dit moet je expliciet maken

in het park. Niet alleen omdat het vroeger zo was,

maar omdat het een totaal andere beleving van

het park geeft.

Technisch gezien is de Leidsche Rijn (het water)

een hard gegeven. Vroeger was de Vikingrijn een

keihard gegeven, als fysieke grens. Kan dit in de

toekomst weer? Het rehabiliteren van de beleving

van het verleden vanuit de praam is belangrijker

dan het letterlijk conserveren van de watergangen

of historische tracé van de Oude Rijn. Beleving van

de breedte, de ligging, van de rivier.

De Vikingrijn

Vervoer over water is een belangrijk aspect

geweest in dit gebied. Dit moet je expliciet maken

in het park. Niet alleen omdat het vroeger en

daarmee een stuk geschiedenis herintroduceert,

maar ook om een totaal andere beleving van het

park te bieden.

Vroeger was de Vikingrijn een keihard gegeven,

als fysieke grens. Hoe kan je dit gevoel weer terug

brengen? De beleving, de breedte en continuïteit

en het karakter zijn de onderwerpen die door de

verschillende werkgroepen zijn aangegrepen:

De beleving

De Rijn is een meanderende rivier, met ontelbaar

verschillende rijnlopen. Het is een dominante lijn

geweest voor de belangrijkste cultuurontwikkeling

in dit gebied. Van Romeinse Grens tot veilingsloot.

Door de tijd heeft de rivier zijn kracht letterlijk

achteruit zien gaan. Het rehabiliteren van de

beleving van het verleden vanuit de praam is

belangrijker dan het letterlijk conserveren van de

watergangen of historische tracé van de Oude Rijn.

In het park kan deze beleving op recreatieve wijze

weer zijn stempel drukken. De attractieve waarde

geeft de rivier weer betekenis en dominantie. De

bevaarbaarheid is een must.

De breedte en continuïteit

Als de beleving centraal staat wordt maatvoering

belangrijk. Er moet een duidelijke hiërarchie

zijn in het watersysteem. Dit betekent dat de

waterloop zichtbaar breder moet zijn dan andere

waterpartijen in het gebied. De rijn heeft maat

nodig. De breedte en de continuïteit zijn essentieel

om de recreatieve gebruiks- en belevingswaarde

te verhogen. Een maatvoering van 20 meter

moet worden nagestreefd. Om recreatief gebruik

mogelijk te maken is 12 meter het minima.

Karakter

Een ander aspect in de beleving is het karakter van

de rivier. Het karakter van een rivier zou benadrukt

moeten worden:

-meanderend

-verschil in breedte

-stroming

-verschil in oevers: auw in de binnenbocht

en steil in de buitenbocht

-natuurlijk karkater door beplanting.


Samenvattend:

- de beleving van en op het water zijn essentieel

- de Vikingrijn moet zijn dominantie terug krijgen

- geef het water een zijn eigen rivierkarakter

En …hoe nu verder?

Met de ontwikkeling van de Vikingrijn komen enkele

dilemma’s naar boven.

De rijn is een meanderende rivier die door de

tijd heen op verschillende plaatsen heeft gelegen.

Sommige delen of patronen zijn nu nog in het

landschap te ervaren, andere zitten in de bodem

verscholen. De plaatsechtheid kun je verschillend

interpreteren.

Het oppakken van bestaande patronen in het

landschap lijkt in eerste instantie de meest logische

weg maar geeft ook problemen met de ambitie

die uitgesproken is om de rivier in vol ornaat te

herstellen. Beperkte ruimte levert veel planologische

problemen.

Andere (onzichtbare) tracés bieden wel de

mogelijkheid om de ambities te verwezenlijken. Met

deze optie ontken je de bestaande patronen in het

landschap.

De verschillende tracés bieden in ieder geval de

mogelijkheid om te verkennen welke loop het

meest kansrijk is.

De Vikingrijn: Herstel van de Oude Rijn Loop

Een ander dilemma ontstaat als twee

cultuurhistorisch waardevolle patronen over elkaar

heen liggen. Bv: De Viking rijn en de Esdoornlaan.

Welke is het meest relevant? Of kiezen we niet? In

de afweging kunnen verschillende uitgangspunten

gehanteerd worden:

-de huidige verschijningsvorm en betekenis

-de toekomstwaarde

-de betekenis van weleer en de vertaal-

baarheid

-de zeldzaamheid en vervangbaarheid

-haalbaarheid

Parkontwerp is een harmonie vinden tussen natuur

en beleving. Hoe krijgen we cultuur- historische

waarden van het gebied beleefbaar in het park?

Hiervoor moeten wel overwogen keuzes gemaakt

worden.

Voor het vervolg moeten de keuzes inzichtelijk

gemaakt worden en moet een beslissing genomen

worden!

101


102


6.5 Het Lint; Een nieuwe lijn in het landschap: “God’s Finger”

103


104

7

1

8

kralen aan het Lint

4

7

9

6

3

2

1

2

3

4

5

6

7

8

9

De Haarrijnseplas

De Rijnkennemerlaan

Den Engh

De Vletsloten

De Hoge Woerd

Nederzetting burgermeester

Middelweerdweg

Vikingrijn

Huis ter Vleuten

De Hindersteinlaan

5


Cultuurhistorie

Het Lint is het verbindend element van allerlei

plekken met hun eigen karakter in het park. Er wordt

een nieuw element over het bestaande landschap

gelegd. Het Lint moet maat hebben,

30 meter is minimaal. Hierdoor wordt er een ruimte

gecreëerd die op zichzelf staat en waar je goed

zicht hebt op de lucht. (het moet geen laantje

worden).

Het eerste idee voor vandaag was om over het

toekomstige tracé van het Lint te lopen, dan kom je

de complete bewoningsgeschiedenis van Leidsche

Rijn tegen. Het Lint wordt dan een

communicatiemiddel om de cultuurhistorie van het

gebied te vertellen.

Het Lint gaat in totaal over 6 belangrijke

archeologische vindplaatsen. Hoe moet je die

bewaren? Een groot deel van de Nederlandse

archeologie is onzichtbaar. Hoe gaan we vertellen

wat er in de grond zit?

-De Hoge Woerd:

nu vreselijk versnipperd door infrastructuur, maar

archeologische toplocatie.

Burgemeester Middelweerdweg:

Nederzetting uit bronstijd/ijzertijd: één van de

oudste bewonersplekken van de Leidsche Rijn. Wat

er te zien is zijn een paar verkleuringen in de grond

(niet echt opvallend). Er werd in die tijd alleen

gebruik gemaakt van materialen uit de

omgeving (anders dan de Romeinen die van alles

aansleepten).

De sporen van de nederzettingen kan je

accentueren, bijvoorbeeld door verschillende

begroeiing.

´t Appelllaantje (oprijlaan van Huis ter Vleuten):

het huis wordt opgeofferd voor de

spoorverdubbeling. Misschien is het wel leuk om de

oprijlaan wel zichtbaar te houden.

Hindersteinlaan:

Hier staan 50 jaar oude monumentale

druivenkassen. Prachtige theehuizen.

- Noordelijke deel van het park: de overgang van

de stroomrug in veengebied.

Ridderhofstad Den Engh:

hoe ga je de oude oprijlaan en zichtlijn

terugvinden? De Smalle Themaat wordt binnenkort

doorsneden door ´t Lint en door de Stroomweg de

Tol.

aansluiting van het Lint op ´t Zand:

een oude brede vletsloot, hoe zorg je ervoor dat

die niet gaat concurreren met het Lint of de

Vikingrijn en toch blijft behouden?

Het Lint: Een nieuwe lijn in het landschap: “God’s nger”

Als je over het Lint loopt vertelt het park een

geschiedenis van verschillende tijden. Natuurlijk is

de insteek van het Lint altijd ecologisch geweest:

de verbinding van ecologische gebieden. Maar we

kunnen er cultuurhistorisch toegevoegde waarde

aan meegeven, of sterker, het Lint ook als

cultuurhistorisch verbindend element maken?

Opgave

Het Lint, een eigenwijs nietsontziende verbinding

rondom het park. ´God´s-nger´, alsof god met zijn

vinger een streep heeft getrokken door dit

landschap. Inpassing van bestaande structuren en

bebouwing is beperkt mogelijk en maakt de

realisatie opgave zeer confronterend.

Hypothese

Vaak is er maar een beperkt deel van de

geschiedenis zichtbaar. Welke delen van de historie

willen we vertellen en hoe moet dat beeld er

uitzien? Wat is de wijze van communicatie? Eerst is

er het ´ding´ dat je geïnteresseerd maakt, dan volgt

het verhaal.

Het Lint is een autonoom element, juist om te

communiceren en harmonie in het park terug te

brengen. Het Lint ´dendert door´ en loopt niet

volgens de bestaande topograe of kavelrandjes.

Het Lint heeft een minimale maat van 30 meter,

liever breder. Het aangeven van de verbindende

kwaliteiten van het Lint is ook belangrijk om zo de

continuïteit ervan te behouden. Niet af laten leiden

door ditjes en datjes langs de track.

Het Lint

105


106

Jac. P. Thijsselint

Het lint is ook een nieuw ontworpen lijn door het

landschap: ‘God’s nger’. Deze lijn verbindt alle

verschillende elementen en onderdelen van het

park aan elkaar, zoals een snoer de kralen bij

elkaar houdt. In de werkgroepen worden deze

twee aspecten van het lint apart benoemd:

Het snoer: het doorgaande, allesverbindende lint

met zijn eenduidigheid in vormgeving

De kralen: de verschillende plekken en

verbijzonderingen die aan elkaar geschakeld

worden door het lint.

Het snoer

Het lint ontleent zijn kracht aan zijn herkenbaarheid.

Overal heeft het lint dezelfde opbouw. Deze

ogenschijnlijke eenvoud krijgt kracht doordat het

harmonie brengt in het totale park. Je moet het

lint ook niet an sich bekijken maar in zijn bredere

context. De maatvoering van 30 meter en breder

creëert prachtige zichtlijnen. Met de modellering

van het lint moet hierop ingespeeld worden.

De eigenwijsheid en eenduidigheid gaat een

spanning aan met het bestaande landschap. Alsof

God met zijn vinger een streep door het landschap

heeft getrokken, niets ontziend.

Er wordt niet ingespeeld op de geschiedenis maar

er wordt nieuwe geschiedenis geschreven.

Het contact met zijn omgeving en ondergrond

wordt puntsgewijs (kralen) toegestaan.

De track vormt een belangrijk verbindend element.

Alle parkbezoekers komen in eerste instantie

in aanraking met dit pad. Het verzorgt de

verdeling en routing van bezoekers.

Toegankelijkheid vanuit de omgeving en van

de verschillende parkonderdelen moet helder en

eenduidig worden vormgegeven.

Informatievoorziening en routebeschrijving is

inherent aan het lint verbonden. Gebruik één soort

vertelmiddel, geen chaos aan bordjes, maar één

familie van informatiemiddelen.

Ecologie vormt een zeer belangrijke functie in

het lint (niet voor niets het Jac.P. Thijsselint).

De ecologische potentie van het lint is groot

omdat het een allesverbindend element is in het

park. De continuïteit van gras en bomen heeft

dus ook voor planten en dieren een belangrijke

verplaatsingsfunctie. De hoogteverschillen in het

maaiveld wel beleefbaar houden. Verschillende

hoogte en verschil in grondsoort geeft differentiatie

in beplanting.


De kralen

Het Lint heeft zelf geen cultuurhistorische betekenis,

maar al wandelend kom je verschillende

cultuurhistorische elementen (kralen) tegen uit

verschillende geschiedenislagen. Het Lint als snoer

verbind de kralen aan elkaar. Op deze manier kan

het lint de biograe van het landschap vertellen. De

leesbaarheid van het landschap wordt puntsgewijs

en selectief aan de passant helder gemaakt.

Dramatiseer, ensceneer de zichtlocaties en poets

de rest weg.

Al wandelend over het lint worden de volgende

punten getoond:

1.De Haarrijnseplas (2000): maak de openheid

van de veenafgraving voelbaar. Creëer een

venster waardoor contact gemaakt wordt met het

veenlandschap.

2.De Rijnkennemerlaan (1962): de aansnijding van

deze as voelbaar maken, oude stukken houtkaden

(van 200 meter) bestaan nog en kunnen als

artefact ingepast worden.

3.Den Engh (Middeleeuwen): directe aanhaking op

deze plek is een must. Kruising met de Smalle

Themaat en de Enghlaan moeten aangegrepen

worden om directe verbinding mogelijk te maken.

Thematiek van fruitteelt hier aangrijpen.

4.De vletsloten in het gebied vormen in het lint

geen prioriteit. Daarvoor hoef je ze niet allemaal

te handhaven, kies er een paar mooie uit en maak

deze beleefbaar met bruggetjes.

5.De Hoge Woerd (Romeinse tijd): directe

aanhaking

op deze plek is een must. Creëer een grote

‘tuinkamer’ aan het lint waar de Romeinse tijd tot

leven wordt geroepen.

6.Nederzetting Burgemeerster Middelweerdweg

(Bronstijd): de patronen van eerdere bewoning

in platte vlak zichtbaar maken door verschil

in begroeiing. Dmv grondwerk kunnen subtiele

verwijzingen verbeeld worden. (landart)

7.Vikingrijn: met een brug over Vikingrijn. Creëer

op de brug een zitplek waardoor een uitzichtpunt

ontstaat over het water.

8.Huis ter Vleuten: doorsnijding van de oude

oprit met appelboompjes als proel handhaven/

herstellen. Hoogteverschillen in proel

dramatiseren.

9.De Hindersteinlaan (19de eeuw): oude kassen

opknappen en hier of op Den Engh situeren.

Nieuwe horeca of andere initiatieven in opstarten.

Belangrijk is dat de plekken een verbijzondering zijn

aan/ in het lint. Ze hebben hun eigen maaiveld,

sfeer en materialisering. Ze contrasteren met het

uniforme grootse lint en zijn plekken met een

menselijke schaal. De plekken vormen aanleidingen

om te zitten, spelen en te verblijven.

Het Lint: Een nieuwe lijn in het landschap: “God’s nger”

Op deze plekken kan van alles gebeuren en

moeten nader uitgewerkt worden.

Samenvattend:

-schrijf nieuwe geschiedenis met het Lint

-verzorg eenduidig de routing en

informatievoorziening

-niet alles willen laten zien, wees selectief: alleen de

cultuurhistorische kralen oppoetsen tot pareltjes.

-elke plek heeft eigen materialisering, eigen

maaiveld niveau en sfeer.

En …hoe nu verder?

Met de aanleg van het lint ontstaat een unieke

kans om de verschillende losse elementen aan

elkaar te knopen. Het verbrokkelde wordt door

samenhang weer leesbaar. Het lint moet als uniform

element snel aangelegd worden.

Met de verbijzonderingen langs het lint moet

selectief omgegaan worden: welke worden wel

en welke worden niet aangegrepen. De vertaling

van deze plekken naar een eigentijdse parkinvulling

moet per plek opgepakt worden.

Naast de uitwerking van de verschillende plekken

moet ook de samenhang helder worden.

Middels een moderne informatievoorziening kan

iets verteld worden over: de plek zelf en de plek in

zijn bredere context.

107


108


7 Communicatie

Theo Kuijpers/ Ernest Pelders

109


110

Communicatie

7 Communicatie

In het midden van de locatie Leidsche Rijn komt

een groen hart. Een groen hart temidden van

diverse soorten van nieuwe woongebieden die nu

nog veelal in aanbouw zijn. Utrecht wordt met het

nieuwe stadsdeel Leidsche Rijn ruim 80.000 nieuwe

bewoners rijker; de stad Utrecht heeft over circa

10 jaar bijna 400.000 inwoners. Mensen die daar

wonen, werken en … recreëren.

Voor hen, zowel degene die in of vlakbij het groene

hart van Leidsche Rijn wonen of komen te wonen,

als zij die iets verder weg leven wordt het Leidsche

Rijn Park gerealiseerd.

Een park voor ontmoeting en ontspanning voor

alle bewoners van Leidsche Rijn en Utrecht en

communicatie over (de wording van) dit park is

heel erg nodig, om niet te zeggen een voorwaarde,

om dit park in de harten en hoofden van de

(toekomstige) gebruikers te krijgen.

Maar ook is het park een essentieel onderdeel bij

het creëren van een goede, gezonde en prettige

leefomgeving voor vele Leidsche Rijners.

Het Leidsche Rijn Park is een nieuw deel van

Leidsche Rijn en Utrecht, met een oud verhaal van

bewoners en bewoning, die ook hun sporen in

het landschap hebben nagelaten. Daarmee is het

Leidsche Rijn Park een bron en een voedingsbodem

voor verhalen en dus een erg aantrekkelijk en zeer

interessant gebied.

Communicatie óver en óm

Communicatie gaat over het overbrengen van

informatie. Informatie waarbij de ander of de

anderen in staat gesteld worden zich omtrent

iets concreets, zelfstandig en bewust een mening

te vormen en/of om wederzijds begrip te

bewerkstelligen.

Bij de communicatie betreffende het Leidsche

Rijn Park kan het gaan óver het park in

wording en het kan gaan óm het park, om via

communicatie (bijvoorbeeld kennisoverdracht of

ervaringen) committent te krijgen bij de actieve

en passieve gebruikers van dat park en bij alle

toekomstige bewoners van Leidsche Rijn.

De boodschap van deze communicatie is dan

ook nog zeer complex en moeilijk. Enerzijds

wordt het park nu gerealiseerd. Een realisatie

in stukjes en fases die telkens een uitleg en

toelichting behoeven. Anderzijds moet nu ook al

het waardevolle van het park naar voren gebracht

worden om daarmee goede en verantwoorde

gebruikers en genieters van dit park te krijgen.

Voorwaar geen geringe opgave.


Ook speelt een belangrijke rol de verbondenheid

die de huidige bewoners met het gebied, dat park

moet gaan worden, hebben en waar zij in zijn

opgegroeid. Aan de ene kant zien zij dat hun

bekende wereld van kassen, tuinderijen, sloten, etc.

,maar ook hun leven totaal verandert, en, aan de

andere kant wordt verwacht dat zij ambassadeurs

van het nieuwe park zijn en worden.

De drijfveer en ook de ambitie voor de

communicatie over en om het park moet zijn de

wetenschap dat zonder de steun van de bewoners

van heel Leidsche Rijn, de huidige als wel de

toekomstige, dit nooit een goed park zal kunnen

worden.

Waar gaat het om?

Het Leidsche Rijn Park bewaart (straks) een

ruime uitsnede uit een cultuurlandschap dat

meerdere fasen heeft doorgemaakt en waarop

de factor tijd nog steeds mag blijven inwerken.

Met deze uitspraak wordt het leidmotief van de

communicatie duidelijk, namelijk: het onzichtbare

zichtbaar en (weer) beleefbaar maken. Waarmee

ook geschetst wordt dat hier een unieke kans ligt

om datgene wat de tand des tijds verborgen heeft

niet alleen weer zichtbaar te maken, maar er zelfs

nieuwe of andere functies aan toe te voegen zijn.

Het begrip de ‘biograe van het landschap’ is zeer

wel op dit hele gebied van toepassing en biedt

heel veel aanknopingspunten en mogelijkheden

voor communicatie naar gebruikers en (specieke)

doelgroepen.

Zoals gesteld: het Leidsche Rijn Park is een nieuw

park met oude verhalen die opgehangen kunnen

worden aan elementen in het landschap die

nog steeds zichtbaar zijn en/of opnieuw zichtbaar

gemaakt kunnen worden. Meer nog: er zijn in het

gebied nog heel veel plekken waar in het verleden

een historische gebeurtenis of ontwikkeling heeft

plaats gevonden, deze plaatsechtheid heeft voor

de beleving van de gebruikers van het park een

uiterst belangrijke waarde. De communicatie moet

hiervan gebruik gaan maken. Want de nieuwe

verhalen over oude (en nieuwe) geschiedenissen

die daarmee vastzitten aan onderdelen en delen

van het Leidsche Rijn Park geven kansen voor

beleving en dus verankering.

7 Communicatie

Het gaat erom, om het landschap en de

waardevolle onderdelen van dit landschap

beleefbaar en zichtbaar te maken voor zo

veel mogelijk interessegroepen die het park

gebruiken en gaan gebruiken. Interessegroepen

als wandelaars en etsers, maar ook

natuurliefhebbers en rustzoekers, cultuurliefhebbers

en natuurliefhebbers, actieven en passieven,

individuen en groepen. Voor hen moet de

geschiedenis van dit gebied zichtbaar en

herkenbaar gemaakt worden.

tekening van Jac. P. Thysse uit: Het Naardermeer,

1912

Jac. P.Thijsse was niet alleen een van de

oprichters van de Vereniging tot behoud van

Natuurmonumenten, maar was vooral een

Amsterdamse onderwijzer die kinderen en

volwassenen naar natuur leerde kijken en natuur

leerde waarderen. Zijn grote bekendheid kreeg hij

door zijn befaamde ‘Verkadealbums’.

En hoe dan wel?

De trefwoorden, die bij deze communicatie horen,

zijn: uitnodigend, uitdagend, aanlokkend maar

ook confronterend met een controleerbare en

hand te haven kwaliteit. Goed zichtbaar en met

een laagdrempelige informatiewaarde, waardoor

velen er gebruik van kunnen maken. Denken in

doelgroepen en in het gebruik van en door die

doel- en interessegroepen moet richtinggevend zijn

voor de uitvoering van de communicatie. Immers

alleen op die manier is het gewenste gebruik van

het park en haar voorzieningen te realiseren.

Dit betekent niet dat er een woud aan informatie-

route- en andersoortige borden en ook ge-

en verbodsborden tevoorschijn moet komen. De

uitdaging voor de ontwerpers van het Leidsche

Rijn park ligt in de opgave om een zodanig

goede kwalitatieve en doordachte aanleg en

inrichting van het landschap en/of de onderdelen

te creëren, dat daarmee gewenst gedrag en

beleving als vanzelfsprekend daarvan het gevolg is.

Daar levert deze studie diverse ideeën voor aan.

111


112

Daarmee zullen bijvoorbeeld naam- en

routebordjes niet onvermijdelijk zijn, waarschijnlijk

zijn zij zelfs noodzakelijk voor een noodzakelijke

geleiding en gericht bewustwordingsproces voor

gebruikers van het park.

Kansen voor communicatie

Een op maat geschreven communicatie (en

educatie)plan is noodzakelijk zijn voor een

planmatige en beheersbare aanpak van het

communicatie-instrument. Regie in deze is zeer

wensbaar en zelfs voorwaarde. Niet alleen om

daarmee een goed en evenwichtig beeld te laten

ontstaan van het park en haar historie, maar ook

om daarmee het gewenst gebruik van het park en

haar voorzieningen te bewerkstelligen.

De grootste kans en tevens uitdaging is de wording

van het landschap te laten zien, te laten beleven

en daarmee uit te leggen. Deels om begrip, deels

om de (nieuwe) bewoners van Leidsche Rijn trots te

laten zijn op hun leefomgeving.

De zes periodebeschrijvingen van dit boek zouden

verteld kunnen worden. Elke plek een stuk van

de geschiedenis. Hierdoor ontstaat begrip over

het cultuurhistorische element en zijn context. Een

hoofdstuk wordt eraan toegevoegd en dat is de

toekomst. Hierin worden de nieuwe parkelementen

beschreven.

Tijdsperiode Situering in het Lint bij…

Het fundament wordt gelegd 10000-4000 v Chr De Vikingrijn

Leven in de schoot van het

landschap

1800 v Chr- 0 Burg. Middelweerdweg

Opgenomen in een wereldrijk 0-200 n Chr De Hoge Woerd

Het Landschap krijgt vorm 11de –15de eeuw- Den Engh

De Stad rukt op 19de – 20ste eeuw De Binnenhof

Leidsche Rijn bouwt een

kathedraal

21ste eeuw De Muur

7.1 Informatieverstrekking

Door de informatievoorziening bewust een plek te

geven biedt je de bezoeker een keuze om al

dan niet gebruik te maken van deze informatie.

Deze vorm dringt zijn informatief niet op en levert

educatief veel op. Met het verhogen van de

gebiedskennis zal ook de nieuwe bewoner zich

sneller thuis gaan voelen in Leidsche Rijn en

belangrijker nog trots worden op zijn leefomgeving.

Met het opstellen van een informatieplan kunnen

deze onderdelen verder uitgewerkt worden. Het

Projectbureau moet in samenwerking met het

Wijkbureau Leidsche Rijn dit verder uitwerken.


Bezoekerscentrum

Ervaring bij andere grote stadsparken

(Amsterdamse Bos) leert dat een zichtbaar centrum

in de vorm van een bezoekerscentrum of

andersoortig entreegebouw of poortgebouw hierin

een belangrijke rol kan spelen. Een dergelijk

punt kan ook het kristallisatiepunt zijn voor

allerlei vrijwilligers en activiteiten. Maar ook voor

aanbieders van activiteiten en faciliteiten. In

het bezoekerscentrum kan de schatkamer van

het collectieve geheugen gepresenteerd worden.

Vanuit dit punt kunnen digitale info verstrekt worden

voor een Internetsite en Infocellen in het park.

Internetsite

Ook zal om het gebruik van het park bij de Leidsche

Rijners en anderen uit de regio te stimuleren goed

gecommuniceerd moeten worden -op velerlei

manieren en wijzen- over de mogelijkheden van

het park, zoals: kan ik er wandelen? Fietsen?

Picknicken? Luieren? Natuur ontdekken? Vliegeren?

Met de hond spelen? Is het er mooi? Maar ook

zaken over de toegankelijkheid als: is er iets voor

alle culturen en alle leeftijden? Leuk en niet leuk?

Kom ik iets tegen of moet ik ergens naar toe? Deze

informatie moet ook via een site verstrekt worden.

De multimedia stelt ons in staat een breed publiek

te informeren.

Infocellen

De infocellen bieden specieke informatie over een

plek in het park. Het Jac.P.Thysse lint - pakt en raakt

alle oude en nieuwe delen van Leidsche Rijn en is

daarmee een snoer die oud en nieuw met elkaar

verbindt. Het is een track door de tijd. Afhankelijk

van de plek word je in contact gebracht met de

desbetreffende tijdsperiode. Met behulp van de

infocel wordt in beeld en/of geluid het verhaal

vertelt aan de parkbezoeker. Moderne media

kunnen hier een prima invulling aan geven. Dit kan

in direct contact staan met het bezoekerscentrum

of werkt stand alone.

7.1 Informatieverstrekking

Zo’n informatievoorziening kan van alles zijn: een

folly, een digitale infocel of belpunt. Het vormt een

plek die als een tijdsmachine fungeert. Afhankelijk

van de plek word je in contact gebracht met de

desbetreffende tijdsperiode. In beeld en/of geluid

wordt het verhaal verteld aan de parkbezoeker.

Moderne media kunnen hier een prima invulling

aan geven.

Er wordt informatie verstrekt over, hoe het

landschap er destijds uitzag, welke bewoners er

toen waren, welke gewoonten en activiteiten ze

hadden en hoe zij hier leefde. Tevens wordt er

verteld wat er nu nog zichtbaar en voelbaar is

vanuit die tijd.

Een familie van Informatiedragers

Op veel plekken is er veel te vertellen of te laten

zien. Dat vraagt om informatie ter plekke, informatie

om een route te kunnen volgen, informatie over

details, informatie over …

Mede daarom is nagedacht over een aantrekkelijk

en sluitend systeem van een familie van

Informatiedragers voor heel Leidsche Rijn. De

familie bestaat uit verschillende typen die voor

verschillende aandachtsvelden zoals natuur, milieu,

archeologie, cultuur, water, etc gebruikt kunnen

worden en ook elk een eigen karakter hebben.

De familie bestaat uit de volgende typen:

tegel (waarop dmv. symbool of woord aandacht

voor een plek gevraagd kan worden), infopaneel

(informatie of toelichting over bijv. een

wordingsgeschiedenis van een plek of situatie),

, naambord (van plek, huis, situatie met nadere

informatie), routeaanduiding (tbv. wandelaars of

etsers), lezenaar (eenvoudige toelichting of

informatie bijv.onderdeel van een ontdek- of

natuurpaden) en loertoeter. Van de loertoeter, in

feite een informatiebord met een kijkbuis, bestaat

ook een variant die geschikt is om ‘in’ de grond

te kunnen kijken., naar bijvoorbeeld een vondst,

leidingen, bodemdieren, wortels, etc.

113


114


Deze informatiedragers hebben een eigen

specieke uitstraling en zijn daardoor goed in

het veld herkenbaar als informatiedrager en

infopunt. Opzet is door een unieke nummering

per informatiedrager dat dezen vindbaar zijn

op kaarten en ook aanklikbaar zijn op digitale

mappen. Daarmee is het voor bezoekers mogelijk

om routes te plannen.

Samenvattend

De wording van het Leidsche Rijn Park is een

lang en daardoor kwetsbaar proces. Het wordt

veel minder kwetsbaar als (nieuwe) bewoners dit

park ‘in hoofd en harten’ gaan dragen. Dit is

een belangrijke voorwaarde voor het slagen van

het wordings-, maar ook het daaropvolgende

beheerproces van het park. En wil dit slagen dat

zal er veel en goed gecommuniceerd moeten

worden. Het doel daarvan is om de (nieuwe)

bewoners het/een verhaal te geven dat binding

geeft. Het gaat daarbij om:

Integreer oud en nieuw. Laat oud en nieuw

samen gaan. Geef nieuwe waardevolle functies en

gebruiken aan oude plekken en plaatsen. Zoek en

vindt nieuwe inhouden van hetgeen als waardevol

wordt ervaren.

Presenteer en laat zien en/of maak beleefbaar.

Gebruik aanleg en inrichting om te duiden en uit

te leggen. En maak passende functies op de juiste

plekken

Communiceer actief en passief. Passief door

de inrichting en de aanleg te laten spreken;

actief door gerichte programma’s, activiteiten en

voorzieningen.

7.1 Informatieverstrekking

tekening van Jac. P.Thysse, uit: Waar wij wonen,

1937

Zoals Jac P. Thijsse ons liet wegdromen met

zijn prachtige informatieve tekeningen uit de

befaamde ‘Verkadealbums’, zo zouden de

parkbezoekers door de Kathedraal van Leidsche

Rijn heen moeten wandelen. Vol verwondering

lezen ze ‘het verhaal’!

115

More magazines by this user
Similar magazines