Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting van 2012. - VWGC

vwgc.be

Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting van 2012. - VWGC

1. Inleiding

HOOFDSTUK 4

Wijkgezondheidscentra in Vlaanderen

Jan De Maeseneer, Leen De Roo, Sara Willems

In de jaren 1970 ontstonden in Vlaanderen de eerste wijkgezondheidscentra met als

bedoeling om op wijkniveau op de eerste lijn een multidisciplinair (huisarts, (thuis)

verpleging, maatschappelijk werk, kinesitherapie, diëtist, ...) antwoord te bieden op de

lichamelijke, psychische en sociale problemen van de lokale bevolking, met bijzondere

aandacht voor preventie en gezondheidspromotie en participatie van de doelgroep. 1

Intussen zijn er 21 wijkgezondheidscentra in Vlaanderen, verenigd in een Vereniging

voor Wijkgezondheidscentra. 2 Een wijkgezondheidscentrum werkt multidisciplinair

en heeft een gemeenschapsgerichte werking in een duidelijk omschreven geografi

sch gebied. Het werkt actief samen met lokale en regionale (beleids)partners op de

domeinen gezondheid en welzijn. Op deze domeinen doet het aan preventie van ziekte

en bevordering van gezondheid en welzijn via integrale zorgverlening (medisch, psychisch,

sociaal). Wijkgezondheidscentra werken met het forfaitaire betalingssysteem3 en hebben een brede toegankelijkheid. Via dit systeem schrijven patiënten zich in bij

het wijkgezondheidscentrum en verbinden zich ertoe dat ze steeds op het centrum

een beroep zullen doen wanneer ze een huisarts of verpleegkundige nodig hebben.

Patiënten dienen niet te betalen voor een huisbezoek of raadpleging bij de huisarts en

hoeven geen prestatiebriefjes meer in te wisselen bij het ziekenfonds. Voor medicatie,

verzorgingsmateriaal, een raadpleging bij de specialist, enzovoort dienen patiënten wel

nog te betalen. De centra werken permanent aan de verbetering van de kwaliteit van de

zorgverlening. Juridisch hebben de centra een vzw-structuur, ze zijn onafhankelijk en

pluralistisch, behoren niet tot een ideologische of levensbeschouwelijke zuil en zijn niet

gebonden aan een politieke partij. Van bij de aanvang hebben wijkgezondheidscentra,

hoewel ze zich richten op alle inwoners in een bepaalde buurt, bijzondere aandacht

gehad voor de maatschappelijk meest kwetsbare groepen en de aanpak van armoede en

uitsluiting op het vlak van gezondheid.

In deze bijdrage vertrekken we van de historische ontwikkeling en proberen we te begrijpen

waarom wijkgezondheidscentra nog steeds niet ‘decretaal bestaan’ in Vlaande-

233


Armoede en sociale uitsluiting

ren. Vervolgens gaan we nader in op de vraag hoe wijkgezondheidscentra een bijdrage

kunnen leveren aan het terugdringen van sociaaleconomische gezondheidsverschillen.

We gaan ook in op de mogelijkheden die het concept ‘gemeenschapsgerichte eerstelijnsgezondheidszorg’

biedt. Verder maken we een SWOT-analyse van de huidige positionering

van wijkgezondheidscentra op het snijpunt van de sectoren ‘welzijn’ en ‘gezondheid’

en analyseren het raakvlak met samenlevingsopbouw, buurt- en vormingswerk.

Ten slotte bekijken we mogelijke toekomstige ontwikkelingen.

2. Wijkgezondheidscentra: het laatste ‘kind’ van mei ’68, op zoek naar

decretale erkenning

De maatschappelijke omwenteling in mei ’68 leidde tot een aantal vernieuwende initiatieven

op het vlak van onderwijs (zoals het project Onderwijs, methodescholen, ...),

buurtontwikkeling (zoals buurthuizen met aandacht voor maatschappelijk kwetsbare

groepen), samenlevingsopbouw en ook in de sector van de eerstelijnsgezondheidszorg.

De achtergrond van deze ontwikkelingen staat onder andere gedocumenteerd in het

boek van Piet Reckman, Naar een strategie en methodiek voor sociale actie. Reckman

komt in zijn boek tot de volgende werkomschrijving: “In elk geval is sociale actie gericht

op radicale veranderingen van structuren van de samenleving, van het sociaal systeem.

Doorgaans wordt sociale actie verricht door een groep, die dan een sterke consensus

dient te hebben, zowel met betrekking tot het zicht op een meer humane, rechtvaardige

en vrije samenleving, als wel met betrekking tot inzicht in de eigen aard van de

bestaande sociale werkelijkheid en die gemotiveerd door de spanning tussen conceptie

en bestaande orde zo strategisch en methodisch mogelijk, het sociaal systeem op zijn

scharnierpunten aanpakt, teneinde het noodzakelijke proces van radicale sociale veranderingen

in het leven te roepen en te voeden” (Reckman, 1971, p. 36).

Het boek bevat een uitgebreide inventaris van strategieën en methodieken met

aandacht voor het formuleren van duidelijke doelstellingen, de analyse van problemen,

situatie en actie, het ontwikkelen van draaiboeken en evaluatie en toetsing. Het

was dit soort analyse die studenten in opleiding voor beroepen in de gezondheidszorg

(artsen, maatschappelijk werkers, verpleegkundigen, ...), buurtwerkers en actoren in

de samenlevingsopbouw ertoe bracht om ook op zoek te gaan naar nieuwe vormen

van zorgverstrekking in het kader van de eerstelijnsgezondheidszorg. Het is dan ook

niet toevallig dat de eerste wijkgezondheidscentra dwarsverbindingen hadden met

progressieve sociale bewegingen en voortkwamen uit kritische groepen van gezondheidswerkers

zoals de sociomedische werkgroep in Gent (Medico-Sociale Werkgroep,

1970). De onderliggende maatschappijvisie kwam duidelijk tot uiting in de keuze voor

de vestiging van wijkgezondheidscentra in wijken met een hoge concentratie van

maatschappelijke problemen en uitdagingen (zoals etnisch-culturele minderheden,

kansarmoede, ...).

234


Wijkgezondheidscentra in Vlaanderen

De eerste wijkgezondheidscentra hadden dwarsverbindingen met progressieve sociale

bewegingen en kwamen voort uit kritische groepen van gezondheidswerkers

Sociale actie was het middel om sociale innovatie te realiseren. Het ging om het afscheid

van de ‘liberale geneeskunde’ en het creëren van een nieuwe relatie tussen de bevolking

en zorgverstrekkers. Via gezondheidsvoorlichting werd de informatie-asymmetrie

teruggedrongen en gezondheidswerkers schoolden zich in horizontale communicatie

(onder andere via ‘methodisch werken’, patiëntgerichte vraagverheldering en onderhandelen

met de patiënt als belangrijke innovaties). Ziekte werd niet langer gezien als

een louter biologische stoornis, maar er werd gekozen voor een biopsychosociale multidisciplinaire

benadering, met veel aandacht voor de ziekmakende factoren in woon-,

leef- en werkomstandigheden. Ook de context kreeg veel aandacht, waarbij versterking

van het sociaal weefsel en ‘empowerment’ van individuen en groepen via intersectorale

samenwerking tussen gezondheid, welzijn, tewerkstelling, school, ... werden uitgebouwd.

Patiëntenparticipatie, de patiënt actief betrekken bij het uittekenen van het

beleid rond dienstverlening, deed haar intrede.

In de werkgroep ‘Wijkgezondheidscentrum’ aan de Universiteit Gent defi nieerden vierdejaarsstudenten

geneeskunde in het kader van een opdracht sociale geneeskunde (prof.

K. Vuylsteek) in 1974 een wijkgezondheidscentrum als “een samenwerking van verschillende

gezondheidswerkers (verpleegkundige, huisarts, maatschappelijk werkenden, kinesitherapeut,

...) op basis van gelijkwaardigheid wat betreft functie, beleid en fi nanciële

vergoeding. Het is de bedoeling te komen tot een integrale (psycho-socio-somatische)

verzorging van de bewoners van een wijk en om een gezondheidszorg in dienst van en

onder beheer van de bevolking van een wijk mogelijk te maken door informatie en bewustwording.

Een wijk is een verzameling van mensen met een aantal gelijke belangen,

noden en mentaliteit, die wonen in eenzelfde geografi sch omschreven gebied.”

Het in de praktijk brengen van deze uitgangspunten was niet evident. Nemen we als

voorbeeld van sociale innovatie het verbeteren van de fi nanciële toegankelijkheid. Aanvankelijk

werd dit ingevuld door het werken tegen terugbetalingstarieven (waarbij het

zogenaamde ‘remgeld’ aan de patiënt niet werd gevraagd). Dat stuitte snel op weerstand

van de Orde der Geneesheren, die hierin een vorm van oneerlijke concurrentie

zag (het ‘ronselenvan patiënten). Deze strategie van ‘werken tegen terugbetalingstarief’

kwam onder druk te staan toen de terugbetaling werd teruggeschroefd in het kader

van besparingsmaatregelen. Daarom werd gezocht naar een nieuwe betalingsvorm, los

van de betaling per prestatie, de ‘forfaitaire betaling’. Een wetsvoorstel ter zake haalde

nooit de bespreking in de plenaire zitting van de Kamer, maar onderhandelingen met

het RIZIV (Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering) leidden in 1982 tot

een reglement waarbij een vast maandelijks bedrag per ingeschreven patiënt werd uitgekeerd

aan wijkgezondheidscentra.

235


Armoede en sociale uitsluiting

3. Eerstelijnsgezondheidszorg, wijkgezondheidscentra en

sociaaleconomische gezondheidsverschillen

Zoals alom bekend, bepalen structurele determinanten (zoals werk, inkomen, opleidingsniveau)

de sociale stratifi catie in de samenleving. Op het vlak van gezondheid

en welzijn leidt de sociale stratifi catie tot een verschillende kwetsbaarheid en een

verschillende blootstelling en zo tot sociaaleconomische gezondheidsverschillen. Met

deze term verwijzen we naar systematische verschillen in gezondheid tussen verschillende

sociale groepen (mannen versus vrouwen, sociale klassen, etnische groepen,

...) die niet het gevolg zijn van louter biologische verschillen tussen groepen (bijvoorbeeld:

een verschil in hormonale mechanismen tussen mannen en vrouwen), maar wel

van onderliggende sociale mechanismen, zoals sociale uitsluiting, armoede, ongelijke

toegang tot essentiële voorzieningen en diensten zoals onderwijs. Het is algemeen

geweten dat maatschappelijk kwetsbare groepen hogere risico’s hebben (ongezondere

werkomstandigheden, minder gezonde leefomgeving, ...) en dat ze vaak ook kwetsbaarder

zijn (door chronische aandoeningen, leefstijlfactoren, ...). Dat leidt uiteindelijk

tot ongelijkheid op het vlak van gezondheid (ze zijn meer ziek, hebben een lagere

gezonde levensverwachting, ...). Zo mogen 25-jarige mannen met een diploma hoger

onderwijs verwachten om gemiddeld nog 55,03 jaar te leven, terwijl dit voor 25-jarige

mannen met enkel een diploma lager onderwijs meer dan vijf jaar minder is. En deze

kloof lijkt niet af te nemen.

Dit vraagt om een fundamentele analyse, ook vanuit het perspectief van de eerstelijnsgezondheidszorg,

des te meer omdat in het rapport Closing the gap in a generation:

Health equity through action on the social determinants of health de Wereldgezondheidsorganisatie

concludeert dat gezondheidszorgsystemen zorgen voor een betere gezondheid

indien de eerstelijnsgezondheidszorg (ELGZ) de basis vormt (Commission on Social

Determinants of Health, 2008). Dit betekent een ELGZ-model met zowel een aanpak

aangepast aan sociale determinanten, waarbij preventie en promotie in evenwicht zijn

met de investeringen voor curatieve interventies, als een klemtoon op de eerstelijnszorg

met adequate doorverwijzing naar gespecialiseerde gezondheidszorg.

Wijkgezondheidscentra proberen een concrete invulling te geven aan de aanpak van

sociaaleconomische gezondheidsverschillen. Hoe gebeurt dit?

Een sterke eerstelijnsgezondheidszorg kan in eerste instantie via een toegankelijke

dienstverlening inspelen op die verschillen in kwetsbaarheid. Wijkgezondheidscentra

doen dit door een laagdrempelige, geïntegreerde interdisciplinaire dienstverlening voor

ingeschreven patiënten, waarbij de centra zich universeel opstellen en toegankelijk zijn

voor alle inwoners binnen een geografi sch omschreven gebied. Centraal staat dus de

universele benadering, geoperationaliseerd via een territoriaal concept: patiënten die

wonen in een bepaald geografi sch omschreven gebied, kunnen zich inschrijven in het

betreff ende wijkgezondheidscentrum. Tevens hanteert het wijkgezondheidscentrum

een acceptatieplicht, waardoor er geen enkele vorm van risicoselectie ontstaat. Deze

236


Wijkgezondheidscentra in Vlaanderen

territoriale benadering staat haaks op een categoriale benadering die gericht is naar

specifi eke categorieën van patiënten. Tegelijk is er, waar nodig, wel een ‘proportionate

universalism’, zoals beschreven in de Marmot review principes (2010), waarbij maatregelen

om de sociale gradiënt in gezondheid te verminderen universeel moeten zijn,

maar waarbij de intensiteit evenredig is aan de mate van socio-economische achterstand.

Zo wordt bijvoorbeeld gewerkt aan het verlagen van de socioculturele drempel

via het inzetten van interculturele bemiddelaars en tolken.

Het geïntegreerde en interdisciplinaire aanbod van eerstelijnszorg in de wijkgezondheidscentra

verlaagt de drempel door de eenduidige ingangspoort en de eenvoudige mogelijkheid

tot horizontale doorverwijzing binnen de eerste lijn. Door de integrale benadering

van ‘gezondheid’ wordt ook de koppeling gemaakt met welzijn en is de instroom

‘gezondheid’ (huisarts, verpleegkundige, soms tandarts, ...) onder één dak beschikbaar,

evenals de instroom ‘welzijn’ (algemeen maatschappelijk werk – onder hetzelfde dak

ofwel via nauwe samenwerkingsafspraken). Onderlinge afstemming en interdisciplinair

zorgoverleg, zowel met de interne hulpverleners als met externe diensten, zijn belangrijke

instrumenten om die interdisciplinaire zorg te realiseren.

Het eerstelijnsteam van een wijkgezondheidscentrum beperkt zich niet tot het verlenen

van zorg en preventie, maar richt zich eveneens op gezondheidspromotie: ‘empowerment’

van individuen en groepen, het creëren van gezonde ‘levensvoorwaarden’ (De

Maeseneer e.a., 2003) en het versterken van sociale cohesie binnen buurten. Territoriaal

werken betekent dus ook: werken aan gezondheidsbevordering voor het geografi sch

omschreven werkingsgebied.

Het wijkgezondheidscentrum beperkt zich niet tot het verlenen van zorg en preventie,

maar richt zich eveneens op empowerment van individuen en groepen, het

creëren van gezonde levensvoorwaarden en het versterken van sociale cohesie binnen

buurten

De methodiek voor deze ‘gemeenschapsgerichte’ zorg is beschreven in het ‘Community

Oriented Primary Care’-model (COPC-model), zoals ontwikkeld door Sidney en Emily

Kark vanaf 1940 in Zuid-Afrika (Rhyne e.a., 1998). Deze methodiek draagt ertoe bij

om de ‘shift’ te maken van individuele patiëntenproblemen naar een diagnose en aanpak

van problemen op gemeenschapsniveau: in permanent overleg met de bevolking

worden de welzijns- en gezondheidsproblemen van de wijk geïnventariseerd, worden

interventies ontwikkeld en uitgevoerd en worden de resultaten geëvalueerd. Bij het

verzamelen van gegevens over de gezondheidsgerelateerde problemen in de lokale gemeenschap

worden verschillende informatiebronnen aangeboden: signalen vanuit de

hulpverlening in de eigen praktijk en in andere voorzieningen, secundaire analyses van

bestaande gegevens en soms nieuw verzamelde gegevens.

237


Armoede en sociale uitsluiting

Samengevat, het multidisciplinaire eerstelijnsgezondheidszorgteam, werkzaam in een

netwerk met andere sectoren, zal gelijkheid in gezondheid bevorderen door de laagdrempelige,

wijkgerichte aanpak, door het werken aan sociale cohesie en door het bevorderen

van empowerment (De Maeseneer e.a., 2007).

Figuur 1 – Eerstelijnsgezondheidszorg: een strategie voor het bevorderen van gelijkheid

in gezondheid en intersectorale samenwerking.

SOCIALE

STRATIFICATIE

STRUCTURELE

DETERMINANTEN

C

O

P

C

INTERSECTORALE

COOPERATIE

DIFFERENTIËLE

KWETSBAARHEID

EN BLOOTSTELLING

BEVOLKING

TOEGANG

ELGZ-TEAM

Monitor

Impact

EMPOWERMENT

Defininitie en omschrijving

van de gemeenschap

Betrek

de gemeenschap

Ontwikkel interventies

238

NETWERKEN

– Opleiding

– Werk

– Economie

– Woning

– ...

GEZONDHEIDS-

VERSCHILLEN

Identificeer de

gezondheidsproblemen

van

de gemeenschap

OMSTANDIGHEDEN

LEEF

SOCIALE EN POLOTIEKE CONTEXT

SOCIALE

COHESIE

Bron: De Maeseneer e.a. (2007). Primary health care as a strategy for achieving equitable care.

Deze elementen zijn samengevat in fi guur 1, die we ontlenen aan het rapport Primary

health care as a strategy for achieving equitable care (De Maeseneer e.a., 2007). Deze

fi guur formuleert een hypothese over hoe eerstelijnsgezondheidszorg een strategie kan

zijn voor de bevordering van gelijkheid in gezondheid en intersectorale maatregelen.

Een eerste vereiste is een hoge toegankelijkheid tot het eerstelijnsgezondheidszorgteam.

Een tweede is dat het team zorg van hoge kwaliteit moet bieden. Daarenboven

moet het team interageren met verschillende netwerken (opleiding, werk, economie,

woning, ...) die verband houden met belangrijke sectoren. Naast een aanpak gericht

op individuen en families moet het eerstelijnsgezondheidszorgteam, gebruik makend

van de ‘Community Oriented Primary Care’ (COPC)-strategie, ook de gemeenschap aanpakken.

De COPC, de directe aanpak van het eerstelijnsgezondheidszorgteam en het

intersectoraal netwerken, zal de sociale cohesie in de gemeenschap verbeteren. De


Wijkgezondheidscentra in Vlaanderen

maatregelen van het eerstelijnsgezondheidszorgteam (zowel curatief als preventief)

enerzijds en de verbeterde sociale cohesie in de gemeenschap anderzijds zullen leiden

tot empowerment van de bevolking. Empowerment situeert zich op verschillende

niveaus: fysiek, psychologisch, sociaal en cultureel. Empowerment van de populatie

zal de kwetsbaarheid voor factoren die bijdragen tot ongelijkheid in gezondheid doen

dalen. Daarenboven, omdat de COPC de levensomstandigheden van de lokale bevolking

zal aanpakken, zal de blootstelling van de bevolking aan factoren die een risico kunnen

betekenen voor hun gezondheid, verminderen en zal de diff erentiële kwetsbaarheid

dalen. Tot slot zullen een betere opleiding, betere werkomstandigheden en een gedaalde

werkloosheid, betere woonomstandigheden en toegang tot veilige voeding en water de

structurele determinanten die de sociale stratifi catie beïnvloeden, bevorderen.

4. Gemeenschapsgericht werken: enkele voorbeelden uit de praktijk

In Wijkgezondheidscentrum Botermarkt worden alle hulpverleners aangesproken om

algemene signalen, voortvloeiend uit patiëntencontacten, huisbezoeken, enzovoort, te

delen. Hiervoor zijn verschillende kanalen: het interdisciplinair patiëntenoverleg, een

elektronisch ‘signalendocument’, enzovoort. Verder wordt ingezet op intersectorale

netwerkvorming met allerlei lokale diensten en hulpverleningsinstanties. Het intersectoraal

Wijkwelzijnsoverleg, waarbij naast hulpverleners ook lokale scholen, politie,

buurtorganisaties, educatieve instellingen, samenlevingsopbouw, ... betrokken zijn, is

hiervoor een uitstekend platform. Vanuit deze subjectieve signalen wordt een analyse

gemaakt op basis van bestaande gegevens met betrekking tot demografi e, migrantenconcentratie,

woon- en huisvestingssituatie, verkeerssituatie en geluidsoverlast en op

basis van gegevens met betrekking tot risicogroepen afkomstig van de politie. Deze gegevens

worden eventueel aangevuld met eigen kwalitatief en kwantitatief onderzoek of

onderzoek in samenwerking met partners, zoals de Universiteit Gent. Meestal gebeurt

dit in samenwerking met de andere Gentse wijkgezondheidscentra en andere relevante

partners, afhankelijk van de thematiek.

Een concreet voorbeeld van dit ‘COPC-model’ in de praktijk is als volgt. Het WGC Botermarkt

werd op een bepaald moment geconfronteerd met een ‘epidemie’ van zwangerschappen

bij jonge alleenstaande kansarme vrouwen. Waarom werden al die jonge

vrouwen in dezelfde periode zwanger? In de meeste gevallen was er geen vader voor

hun kind, velen hadden hun eigen plaatsing in een instelling nog maar net achter de

rug en ze hadden zelf nog amper de kans gehad om jong te zijn en hadden weinig

professionele toekomstperspectieven. Was dit een gebrek aan kennis en informatie?

Om het antwoord hierop te kennen werden in 1993 alle jongeren die woonden in de

Gentse deelgemeenten Gentbrugge en Ledeberg tussen 14 en 18 jaar via een anonieme

postenquête ondervraagd over hun kennis, gedrag en attitude betreff ende seksualiteit,

anticonceptie en relatievorming. Uit het onderzoek kwam naar voren dat de theore-

239


Armoede en sociale uitsluiting

tische kennis over seksualiteit samenhangt met sociaaleconomische factoren: lagere

sociale klassen hadden duidelijk minder goede theoretische kennis dan hogere. Ook een

attitudeverschil ten opzichte van seksualiteit en anticonceptie bij verschillende sociale

groepen kwam aan het licht. Opvallend was dat jongeren met de gebrekkigste kennis

het hoogste risicogedrag vertoonden. Op het vlak van anticonceptie bleek dat meer

jongeren uit de lagere sociale klassen een onveilige methode gebruikten dan jongeren

uit de hogere sociale klassen. Een toetsing bij de jonge zwangere vrouwen, waarmee

we geconfronteerd werden, leerde echter dat er bij hen geen probleem van kennis was.

Daarom werd met deze groep een kwalitatief onderzoek opgezet, waarbij meerdere

groepsgesprekken werden gepland. Geleidelijk aan werd duidelijk dat zwanger worden

voor deze jonge vrouwen een bewuste keuze was: ze waren op zoveel terreinen in het

leven niet succesvol geweest (relatie, werk, studie, gezin, ...), maar het recht om zwanger

te worden en moeder te zijn kon niemand hun afnemen. Deze benadering maakte

duidelijk dat men voorzichtig moet zijn op het vlak van ‘diagnosestelling’: hoewel men

in eerste instantie dacht geconfronteerd te worden met een kennisprobleem, bleek een

fundamentele en essentiële keuze hier aan de orde te zijn. De daaropvolgende interventie

was er dan ook op gericht om maximaal de vrouwen te steunen in hun project om

een ‘goede moeder’ te zijn.

Een recenter voorbeeld is het project ‘Niets aan de Tand’. Aan de basis van dit project

lagen verschillende signalen over ontoegankelijke mondzorg en mondproblemen,

voornamelijk bij kinderen. Huisartsen in de wijkgezondheidscentra zagen herhaaldelijk

ouders met zeer jonge kinderen met klachten als voortdurend huilen, niet willen eten,

niet willen slapen, ... Algauw bleek dat problemen met de mondgezondheid aan de basis

lagen. Het was dan ook verwonderlijk dat deze patiënten een huisarts bezochten en

geen tandarts. Samen met Kind en Gezin, Universiteit Gent, de wijkgezondheidscentra,

de VVT (Vlaamse Vereniging van Tandartsen) en de Stad Gent werd de veelzijdigheid

van deze problematiek in kaart gebracht, zowel kwantitatief als kwalitatief. De resultaten

versterkten alleen maar de omvang van het probleem: bij 12% van de onderzochte

kinderen jonger dan 30 maanden werd een ernstige vorm van zuigfl escariës vastgesteld

en geen enkele van deze kinderen was hiervoor in behandeling. Kinderen uit kansarme

gezinnen bleken het meest aangetast. Het kwalitatief onderzoek bracht de veelzijdigheid

van het probleem in kaart die via het project ‘Niets aan de Tand’ werd aangepakt:

sensibiliseren van hulpverleners, kennis vergroten bij zowel hulpverleners als patiënten,

de mondzorg toegankelijker maken door het bekendmaken van de regeling derde

betalende, netwerkvorming, enzovoort. Het Wijkgezondheidscentrum Botermarkt bood

een structureel antwoord door een tandartspraktijk in te bedden in het multidisciplinaire

team: door op een laagdrempelige en interdisciplinaire manier zorg te bieden, vinden

patiënten sneller de weg naar de tandarts. Het consolideren van dergelijke projecten

blijft een belangrijke insteek; daarom vindt in Gent jaarlijks in maart de ‘Gentse maand

van de tand’ plaats, waarbij ingespeeld wordt op de actuele noden inzake mondzorg en

verder gezocht wordt om andere partners te betrekken.

240


Wijkgezondheidscentra in Vlaanderen

Een derde voorbeeld situeert zich binnen het Universitair Centrum voor Eerstelijnsgezondheidszorg

Nieuw Gent (UNICE). Het centrum is ondergebracht in het wijkwelzijnsbureau

van het OCMW, waarin ook de dienst maatschappelijk werk, het buurtrestaurant,

Intercultureel Netwerk Gent, het inloopteam, het consultatiebureau Kind en

Gezin en de stedelijke buurtwerking zijn gevestigd. In het kader van het project ‘Nieuw

Gent: gezond en wel?’, waarin de COPC-benadering centraal staat, startte het centrum

met een verkenning van de belangrijkste problemen in de buurt. Als methode werd

kwalitatief onderzoek gebruikt, waarbij vier focusgroepsgesprekken werden georganiseerd

met verschillende subgroepen uit de buurt: bejaarden, alleenstaande moeders,

alleenstaanden uit hoogbouwappartementen en allochtonen. De bedoeling was om op

deze wijze een kwalitatief beeld te krijgen van belangrijke problemen in de buurt en van

bij de start de bevolking hierbij actief te betrekken. Intussen was via de huisartsenconsultaties

in het centrum en ook via het consultatiebureau van Kind en Gezin duidelijk

geworden dat er een probleem was met de kennis en vaardigheden omtrent zuigelingenvoeding.

Daarom werd een project gestart om, samen met moeders uit de wijk, een

video te maken met advies over gezonde zuigelingenvoeding. Via de betrokkenheid van

de doelgroep bij de inhoudelijke invulling van het project en door het gebruik van een

toegankelijk medium (video) hoopt men de informatieboodschap op een meer effi ciënte

wijze te laten doorstromen. De video zal tevens een aanleiding zijn tot gesprekken in

het kader van de ‘oudergroepen’. Deze ontmoetingsmomenten met ouders worden door

het Inloopteam georganiseerd en hebben tot doel ouders samen te brengen en te empoweren.

Ouders worden in deze ontmoetingsmomenten niet enkel door hulpverleners,

maar ook door andere ouders ondersteund en gesterkt.

In Wijkgezondheidscentrum De Ridderbuurt in Leuven werd een originele vorm van

epidemiologisch onderzoek verricht: de gezondheidstoestand van een steekproef van

patiënten uit het centrum werd vergeleken met deze van de gemiddelde Belg (beschikbaar

dankzij de gezondheidsenquête). Door deze vergelijking kon duidelijk de specifi citeit

van de problematiek van de patiënten van de Ridderbuurt in kaart worden gebracht.

De gemeenschapsdiagnose illustreert duidelijk dat gezondheidsproblemen hand in

hand gaan met andere domeinen. Het is belangrijk als wijkgezondheidscentrum om

deze integrale kijk te behouden. Maatschappelijke problemen dienen we niet onnodig te

medicaliseren. Heel wat gezondheidsproblemen hebben te maken met beperkingen op

het vlak van de vorming, tewerkstelling, huisvesting, ... Soms is het wijkgezondheidscentrum

slechts een van de actoren in een breder netwerk. Het vormingsproject voor

laaggeschoolde vrouwen, opgezet door het OCMW-Gent met het Wijkgezondheidscentrum

Botermarkt, is hiervan een voorbeeld. De meeste van deze vrouwen, die via een

individueel bezoek werden gerekruteerd voor een groepswerking, hebben meerdere

problemen, zoals een onstabiele gezinssituatie, een laag opleidingsniveau, een beperkt

inkomen, slechte huisvesting, beperkte sociale vaardigheden, ... De doelstelling van

deze groepswerking was om te proberen vrouwen ‘sterker’ te maken met betrekking

tot de beslissingen over hun eigen leven. De zorg voor gezondheid was hierbij een

241


Armoede en sociale uitsluiting

van de vele aandachtspunten, maar zeker niet het belangrijkste. De vrouwen ontmoetten

elkaar tweemaal per week, één keer voor een kookactiviteit en één keer voor een

groepsgesprek. Ook in dit project diende regelmatig te worden teruggekoppeld, omdat

de doelstellingen (bijvoorbeeld op het vlak van koken van gezonde voeding) aanvankelijk

veel te hoog werden gesteld. Intussen zijn verschillende groepen bezig en gaf dit

project ook aanleiding tot een tewerkstellingsinitiatief. Na dertien jaar werking werd

vastgesteld dat heel wat deelnemers positief geëvolueerd zijn. Ze hebben meer zelfrespect,

een toegenomen geloof in hun eigen mogelijkheden, betere sociale vaardigheden,

meer ondersteunende sociale contacten en een uitgebouwd relatienetwerk. Merkwaardig

is dat vrouwen ook fysieke veranderingen ondergingen: ze besteden meer aandacht

aan hun uiterlijk en dragen meer zorg voor hun lichaam.

De gemeenschapsdiagnose illustreert dat gezondheidsproblemen hand in hand

gaan met andere domeinen

Het feit dat de lokale bevolking weet dat men bij problemen op het vlak van welzijn

en gezondheid ergens terechtkan waar mensen bereid zijn te luisteren en waar geen

fi nanciële drempel is, draagt bij tot sociale cohesie. Mensen hebben het gevoel dat ‘voor

hen gezorgd wordt’, ‘dat ze meetellen’ (Art, De Roo & de Maeseneer, 2007). Op deze

wijze dragen wijkgezondheidscentra bij tot sociale cohesie: een universele benadering,

gekoppeld aan een grote toegankelijkheid.

5. Wijkgezondheidscentra, een lokale actie in het kader van

armoedebestrijding: een SWOT-analyse

Kun je op lokaal niveau vanuit eerstelijnsgezondheidszorg echt een bijdrage leveren tot

de aanpak van de armoedeproblematiek? We proberen de sterke en zwakke punten te

analyseren en brengen de opportuniteiten en bedreigingen in beeld.

Wat de sterktes betreft, zorgen de wijkgezondheidscentra op lokaal niveau voor een

toegankelijke, laagdrempelige eerstelijnszorg voor welzijns- en gezondheidsproblemen.

In een onderzoek van het federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (Annemans

e.a., 2008) werd een poging gedaan om een vergelijking te maken tussen 27.000 patiënten

verzorgd in forfaitair werkende wijkgezondheidscentra en een vergelijkbare groep

patiënten in dezelfde buurt: het bleek niet mogelijk om een groep samen te stellen die

maatschappelijk even achtergesteld was als de patiënten van de wijkgezondheidscentra.

Een duidelijke illustratie van toegankelijkheid voor maatschappelijk kwetsbaren. Op

het vlak van zorgkwaliteit werd vastgesteld dat de kwaliteit op het vlak van het voorschrijven

van geneesmiddelen beter was in de forfaitaire wijkgezondheidscentra en dat

242


Wijkgezondheidscentra in Vlaanderen

ook de resultaten op het vlak van preventie beter waren. Voor andere indicatoren was

er een gelijke kwaliteit. De ‘COPC-strategie’ vormt de mogelijkheid om de ‘upstream

causes’ van armoede en sociale ongelijkheid aan te pakken. Intersectorale actie biedt

dwarsverbindingen met belangrijke andere sectoren als onderwijs, economie, tewerkstelling,

... (Public Health Agency of Canada, 2008). Wijkgezondheidscentra opereren

in het veld van welzijn en gezondheid, met aandacht voor preventie, curatie, palliatie,

belangrijke investering in gezondheidspromotie en ‘empowerment’, in aansluiting met

activiteiten van samenlevingsopbouw, buurtwerk, vormingswerk. De lokale inbedding

maakt gerichte acties mogelijk en biedt een invulling voor het terrein gezondheid, bijvoorbeeld

in het kader van de ontwikkeling van Lokaal Sociaal Beleid.

De zwakke punten betreff en het feit dat wijkgezondheidscentra d.d. juni 2012 nog

steeds niet decretaal erkend zijn in de Vlaamse Gemeenschap. De oorzaken hiervoor

zijn wellicht multipel: de sector ‘gezondheid’ is in de voorbije decennia beleidsmatig

vooral uitbesteed aan overlegcommissies tussen de actoren in het kader van de ziekteverzekering

(bijvoorbeeld: de Commissie Artsen-Ziekenfondsen, Verpleegkundigen-

Ziekenfondsen, ...). Vanuit de politiek waren er dus niet direct aangrijpingspunten om

in te spelen op een innovatieve ontwikkeling. De beweging naar meer integratie tussen

zorg op het vlak van welzijn en gezondheid is in de voorbije decennia nauwelijks van de

grond gekomen. Het water tussen de beide sectoren is nog steeds erg diep en een voorziening

die beide integreert, moet ter zake niet echt op steun rekenen. Een algemene

vaststelling is ook de verkokering tussen hulpverlening, samenlevingsopbouw, buurtwerking,

educatie, ... Hoezeer men een geïntegreerde benadering bepleit, wanneer het

aankomt op subsidiëring, heeft elke ‘koker’ zijn eigen reglement voor ‘zijn’ voorziening.

Wijkgezondheidscentra stellen zich pluralistisch op, en dit is in een verzuild landschap

de voorbije decennia niet steeds evident geweest. Veel aanbod in de gezondheidszorg

is nog sterk gelinkt aan het ideeëngoed van bepaalde politieke families (christelijk, socialistisch,

liberaal). Gelukkig is hier in de voorbije jaren veel veranderd. Het bereik

van wijkgezondheidscentra is nog steeds erg beperkt: 2,5% van de Belgische bevolking.

Hoewel de sector al meer dan 35 jaar actief is, wordt de bedrijfscultuur nog zeer sterk

gekenmerkt door een ‘pioniers’-fase. Dat betekent dat er belangrijke nood is aan professionalisering

van de sector, waarvoor uiteraard middelen nodig zijn. Ten slotte geldt

ook voor wijkgezondheidscentra de uitdaging van duurzaamheid: een sterke lokale inbedding

is onderhevig aan wisselende lokale politieke omstandigheden, beleidsmatige

keuzes en strategische opties. Op het vlak van personeel geldt, zoals voor alle zorgvoorzieningen,

de uitdaging om een zinvolle mix tussen professionele en privéleden tot

stand te brengen voor de werknemers.

Wat zijn de kansen? Wijkgezondheidscentra beantwoorden duidelijk aan een behoefte

en deze neemt nog toe. Aan de ene kant is er de vergrijzing met toename van multimorbiditeit

en meer zorgvragen, aan de andere kant is er de ‘nieuwe vergroening’

waarbij het aandeel van kansarmen in de jonge populatie en multiculturaliteit toenemen,

wat specifi eke vragen stelt aan de zorgverlening. Op federaal vlak zijn er gun-

243


Armoede en sociale uitsluiting

stige ontwikkelingen: de fi nanciering in het kader van de forfaitaire betaling wordt

losgekoppeld van het systeem van betaling per prestatie en wordt een ‘behoeftegeoriënteerde

fi nanciering’. Dat betekent dat wijkgezondheidscentra niet meer een

gemiddeld bedrag (afgeleid uit de uitgaven in de prestatiegeneeskunde) krijgen om

voor hun ingeschreven patiënten te zorgen, maar dat rekening wordt gehouden met

de zorgbehoeften van de patiëntenpopulatie. Deze ontwikkeling wordt momenteel onderhandeld

en zou in 2013 aanleiding moeten geven tot een nieuwe betalingsformule.

Op Vlaams niveau zouden wijkgezondheidscentra erkend moeten worden in het kader

van enerzijds het Preventiedecreet, anderzijds het Decreet op de samenwerking in de

eerste lijn. Uitvoeringsbesluiten ter zake zijn nog steeds in ontwikkeling. Wel kunnen

wijkgezondheidscentra genieten van de tussenkomst in het kader van het Vlaams

Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden wat de bouw van de

centra betreft. Momenteel komen er vooral wijkgezondheidscentra bij in steden. Een

van de eerste wijkgezondheidscentra is evenwel gevestigd in Alken, een landelijke

gemeente. Dit bewijst dat wijkgezondheidscentra niet exclusief voor steden zijn, maar

dat de nood aan meer samenwerking en integratie ook tot initiatieven op het platteland

aanleiding kan geven. Lokale besturen kunnen een belangrijke rol spelen in

het faciliteren van de ontwikkeling van wijkgezondheidscentra (bijvoorbeeld door het

ter beschikking stellen van ruimten en infrastructuur, door lokaal welzijnsoverleg te

stimuleren, ...).

Lokale besturen kunnen een belangrijke rol spelen in het faciliteren van de ontwikkeling

van wijkgezondheidscentra

Er zijn ook belangrijke bedreigingen voor wijkgezondheidscentra. Een eerste belangrijke

bedreiging vormt het ‘hospitalocentrisme’: een typisch Belgisch probleem, waarbij alle

veranderingen in de gezondheidszorg, ook bijvoorbeeld de vermaatschappelijking van

de geestelijke gezondheidszorg, worden aangestuurd vanuit het ziekenhuis. Een stevige

uitbouw van de eerstelijnsgezondheidszorg is een belangrijke voorwaarde om op lokaal

vlak, via initiatieven als wijkgezondheidscentra, problemen van armoede te kunnen

aanpakken. De toenemende tendens tot marktwerking en commercialisering zal ongetwijfeld

een ongunstig eff ect hebben op de toegankelijkheid van de gezondheidszorg, in

het bijzonder voor maatschappelijk kwetsbare groepen. Ten slotte is de fragmentarisering

van de zorg over verschillende fi nancieringsbronnen en bevoegdheidsniveaus een

belangrijk probleem. Een meer homogene organisatie en regelgeving (bij voorkeur vanuit

het standpunt van de gebruiker en niet vanuit het standpunt van de aanbieder) zijn

absoluut noodzakelijk om de performantie te verhogen. Decentralisering, zodat lokale

noden adequaat antwoorden kunnen krijgen, is hierbij essentieel.

244


Wijkgezondheidscentra in Vlaanderen

6. Ten slotte: waarop wacht de Vlaamse Overheid?

Wijkgezondheidscentra hebben in de voorbije decennia kunnen aantonen dat hun sociaal

innovatieve benadering werkt. Onderzoek van het Federaal Kenniscentrum toont

aan dat wijkgezondheidscentra zeer toegankelijk zijn en maatschappelijk kwetsbare

groepen bereiken (Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg, 2008). In Gent

werd aangetoond dat samenwerking tussen sociale diensten en wijkgezondheidscentra

ertoe leidt dat daklozen de weg vinden naar de eerstelijnsgezondheidszorg in plaats

van zich aan te melden op spoedopnames (Verlinde e.a., 2010). Ook blijkt de zorg kwaliteitsvol

te zijn, vooral op het vlak van preventie en het voorschrijven van geneesmiddelen

(Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg, 2008). Er zijn echter nog veel

wijken met concentratie van kansarmen waar geen wijkgezondheidscentra beschikbaar

zijn in Vlaanderen.

Het voortgangsrapport 2011-2012 van het Vlaams Actieplan Armoedebestrijding vermeldt

in het budget en stappenplan voor 2012 dat “een ontwerpbesluit van de Vlaamse

Regering betreff ende samenwerkingsverbanden op niveau van de praktijkvoering in

de eerstelijnsgezondheidszorg wordt opgemaakt met een specifi ek luik voor de wijkgezondheidscentra.

In april wordt een overleg opgestart met de grote steden om via

de techniek van klaverbladfi nanciering te onderzoeken of preventiewerkers kunnen

toegevoegd worden aan de wijkgezondheidscentra met als opdracht om een gezonde

levensstijl via aangepaste methodieken aan te brengen bij de ingeschreven patiënten

van het Wijkgezondheidscentrum en – in overleg met de Stad – bij de populatie van een

geografi sch afgeleid deel van de stad” (Vlaamse Overheid, 2012a).

Decretale erkenning van wijkgezondheidscentra past in de ontwikkeling van een Vlaamse

eerstelijnsgezondheidszorg, zoals in 2010 door de eerstelijnsgezondheidszorgconferentie

werd uitgetekend. 4 Voor de centra is erkenning een voorwaarde om ‘te bestaan’.

Zo’n erkenning dient echter voldoende ruimte te laten voor sociaal innovatieve ontwikkelingen:

de centra kunnen een permanente inspiratie leveren om de principes van

maatschappelijk verantwoorde zorg (kwaliteit, performantie, relevantie, rechtvaardigheid

en toegankelijkheid), 5 toekomstgericht in de praktijk te brengen.

NOTEN

1. http://www.VWGC.be/index, geraadpleegd op 4 mei 2012.

2. http://www.VWGC.be

3. Art. 52 § 1, wet van 14 juli 1994.

4. http://www.zorg-en-gezondheid.be/beleid_eerstelijnsgezondheidszorg/#conf, geraadpleegd op

18 juli 2012.

5. SARWGG. Visienota Maatschappelijk Verantwoorde Zorg. Zie: http://www.serv.be/sarwgg/

book-6503/visienota-maatschappelijk-verantwoorde-zorg, geraadpleegd op 19 juli 2012.

245

More magazines by this user
Similar magazines