17.09.2013 Views

download de pdf - Holland Historisch Tijdschrift

download de pdf - Holland Historisch Tijdschrift

download de pdf - Holland Historisch Tijdschrift

SHOW MORE
SHOW LESS

Create successful ePaper yourself

Turn your PDF publications into a flip-book with our unique Google optimized e-Paper software.

23e jaargang

nummer 4/5 Kunst in opdracht

september 1991 in de Gouden Eeuw


Holland, regionaal-historisch tijdschrift

Holland is een tweemaandelijkse uitgave van de Historische Vereniging Holland, die voorts de reeks

Hollandse Studiën uitgeeft. Holland wordt kosteloos aan de leden toegezonden. Voor de Hollandse

Studiën gelden speciale ledenprijzen/ledenkortingen.

Redactie

J.E.A. Boomgaard, J. Brugman, J.W.J. Burgers, M. Carasso-Kok, P.G.M. Diebeis, L.A.M. Giebels,

P.C.Jansen, P. Knevel, R.W.G. Lombarts, J. Lucassen, J.C.M. Pennings, F.W.A. van Poppel,

E.L. Wouthuysen.

Vaste medewerkers

H.J. Metselaars (archief- en boekennieuws), F.J. van Rooijen (boekennieuws), P.J. Woltering

(archeologie).

Kopij voor Holland en Hollandse Studiën alsmede te bespreken publikaties te zenden aan de

redactiesecretaris van Holland, mw.drs. J.C.M. Pennings, Algemeen Rijksarchief, Postbus 90520,

2509 L M 's-Gravenhage, telefoon 070-3814381.

De kopij moet worden ingediend conform de richtlijnen van de redactie. Deze zijn verkrijgbaar bij

de redactiesecretaris.

Opgave van publikaties op het gebied van de geschiedenis van Holland, die door hun wijze van

uitgave gemakkelijk aan de aandacht ontsnappen, gaarne aan een van de vaste medewerkers voor de

bibliografie: H.J. Metselaars, Rijksarchief in Noord-Holland, Kleine Houtweg 18, 2012 CH

Haarlem, telefoon 023-319525, of F.J. van Rooijen, Rijksarchief in Zuid-Holland, Postbus 90520,

2509 L M 's-Gravenhage, telefoon 070-3814381.

Historische Vereniging Holland

De Historische Vereniging Holland stelt zich ten doel de belangstelling voor en de beoefening van

de geschiedenis van Noord- en Zuid-Holland in het bijzonder in haar regionale en lokale aspecten te

bevorderen.

Secretariaat: drs. F.J.M. Otten, p/a Rijksarchief in Zuid-Holland, Postbus 90520, 2509 L M

's-Gravenhage.

Ledenadministratie: M.G. Rotteveel, p/a Rijksarchief in Noord-Holland, Kleine Houtweg 18,

2012 CH Haarlem, telefoon 023-3195 25.

Contributie: ƒ45- per jaar voor gewone leden (personen), ƒ 50,- per jaar voor buitengewone leden

(instellingen), na ontvangst van een acceptgirokaart te storten op postgirorekening nr. 339121 ten

name van de Historische Vereniging Holland te Haarlem. Zij die in de loop van een kalenderjaar lid

worden, ontvangen kosteloos de in dat jaar reeds verschenen nummers van Holland.

Losse nummers: ƒ 7,50, dubbele nummers ƒ 15,-, vermeerderd met ƒ3,- administratiekosten voor

een enkel nummer, ƒ5,50 voor meerdere nummers of voor een dubbel nummer. Losse nummers

kunnen worden besteld door overmaking van het verschuldigde bedrag op postgirorekening nr.

3593767 ten name van de penningmeester van de Historische Vereniging Holland, afd. verkoop

publikaties te Haarlem, onder vermelding van het gewenste.

Hollandse Studiën: delen in de serie Hollandse Studiën en het Apparaat voor de geschiedenis van Holland

kunnen op dezelfde wijze worden besteld als losse nummers van Holland. Gegevens over de

'publikaties van de Vereniging zijn regelmatig te vinden in de rubriek Verkrijgbaar via Holland

achterin het tijdschrift.

ISSN 0166-2511

© 1991 Historische Vereniging Holland. Niets uit deze uitgave mag, op welke wijze dan ook,

worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming

van de redactie.


J.W.J. Burgers, P.G.M. Diebeis, P. Knevel, J.C.M. Pennings

Woord vooraf

Voor velen van ons moet kunst in de eerste plaats een verrassend document humain zijn, een

'allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie'. Deze conceptie van 'kunst'

is echter van betrekkelijk recente datum en kan dan ook niet zonder meer teruggeprojecteerd

worden op vroeger eeuwen. Niettemin worden 17e-eeuwse schilders als Frans Hals en Rem-

brandt van Rijn of dichters als Joost van den Vondel nogal eens voorgesteld als genieën die

hun tijd vooruit waren en slechts leefden voor de kunst. Dat is weinig aannemelijk, want

zelfs kunstenaars kunnen niet los gezien worden van de samenleving waarin zij functione­

ren. Beter is het daarom oog te hebben voor de beperkingen die kunstenaars in hun handelen

werden opgelegd.

Eén van de meest in het oog springende onderwerpen in dit verband is wel de relatie tussen

de kunstenaar en de afnemer van zijn werk. Het maakt immers nogal wat uit of een kunste­

naar zijn werk voor een anonieme markt vervaardigde of in opdracht. In dit laatste geval

werd, zeker in een tijd waarin romantische denkbeelden omtrent de spontane expressie van

de persoonlijkheid nog niet bestonden, van hem verwacht dat hij zich naar de eisen van de

opdrachtgever richtte. Welke rol nu speelde kunstpatronage in de Nederlandse Gouden

Eeuw? Belangrijke mecenassen als de katholieke kerk, een vorstenhuis en invloedrijke ede

lieden ontbraken, zo wordt keer op keer in overzichtswerken gesteld. Toch speelden opdrach­

ten wel degelijk een rol in het Hollandse culturele leven van de 17e eeuw. Een groot gedeelte

van het oeuvre van Joost van den Vondel bestaat bijvoorbeeld uit gelegenheidsgedichten.

En voor schilders waren vaste opdrachtgevers belangrijker dan vaak is gedacht, zoals uit en­

kele monografieën over individuele schilders valt op te maken. Niettemin is aan deze kant

van het culturele leven van de Republiek in de Gouden Eeuw nog weinig systematisch aan­

dacht besteed. Het leek de redactie van Holland dan ook de moeite waard eens uitvoeriger

in te gaan op kunst in opdracht in het 17e-eeuwse Holland. Daarbij heeft zij er naar gestreefd

zoveel mogelijk disciplines aan het woord te laten, want juist een onderwerp als kunstpatro­

nage is bij uitstek geschikt om historici, sociologen, kunsthistorici, literatuurwetenschap­

pers en muziekwetenschappers met elkaar in contact te brengen.

In het eerste artikel gaan Marten Jan Bok en Gary Schwartz voor het eerst systematisch

na welke maatschappelijke groeperingen in de 17e eeuw nu eigenlijk fungeerden als op­

drachtgevers van kunstschilders. Terwijl in de meeste kunsthistorische studies het belang

van de anonieme kunstmarkt in de Republiek wordt beklemtoond, komen zij tot de verras­

sende conclusie dat wellicht de helft van de enorme Hollandse schilderijenproduktie in op­

dracht tot stand is gekomen. Bram Kempers gaat in zijn artikel een stap verder. Hij brengt

de opdrachtsituatie in verband met de inhoud van de schilderijen en levert zo een stimule­

rende bijdrage aan het inmiddels weer heftig opgelaaide debat over verborgen betekenissen

in de Nederlandse schilderkunst.

Bekende 17e-eeuwse dichters dichtten geregeld op bestelling. Er zijn duizenden huwe­

lijks- graf-, lof-, felicitatie-, en andere gelegenheidsgedichten bewaard gebleven. Toch waren

dat niet de enige vormen van opdracht waarmee zij te maken hadden. Ook het betaalde werk

voor uitgevers was voor enkele schrijvers een dankbare bron van inkomsten en inspiratie,

zoals Marijke Spies aan de hand van drie case-studies laat zien. Nadat een boek eenmaal

was voltooid probeerden auteur of drukker/uitgever geregeld door het opnemen van - vaak

181


Woord vooraf

hoogdravende - opdrachten financiële steun bij een lokale of gewestelijke overheid te vergaren.

In zijn artikel gaat P. Verkruysse uitvoerig in op de vele problemen die het onderzoek

naar dit zogenaamde boekenmecenaat omgeven.

De Amsterdamse Schouwburg verschafte werkgelegenheid aan vele kunstenaars: toneelschrijvers,

acteurs en musici vonden hier emplooi. Doordat de winst van de Schouwburg

ten goede kwam aan de verschillende godshuizen in de stad, werd van de regenten van de

Schouwburg verwacht dat er inderdaad voldoende geld overbleef. Bij de planning van het

toneelseizoen konden zij dus niet alleen uitgaan van artistieke criteria, maar moesten zij uiteindelijk

financiële overwegingen de doorslag laten geven. In zijn rijk gedocumenteerde bijdrage

laat R. Rasch zien tot wat voor problemen deze eigenaardige verstrengeling tussen

kunst en liefdadigheid kon leiden.

L. Grijp ten slotte laat aan de hand van de componist en luitspeler Nicolaes Vallet zien

hoe musici het hoofd boven water probeerden te houden in het door Huygens als barbaars

bestempelde muziekleven van de Republiek. Zijn carrière maakt in ieder geval duidelijk dat

het mecenaat een ondergeschikte rol speelde in de muziekwereld.

De redactie heeft niet de pretentie met dit themanummer een uitputtend overzich te geven

van kunstpatronage in het 17e-eeuwse Holland. Zo moesten bijvoorbeeld de beeldhouwkunst

en de toegepaste kunsten buiten beschouwing blijven. Niettemin is de redactie ervan

overtuigd dat de hier gepresenteerde artikelen ieder op hun beurt een belangrijke stimulans

kunnen zijn tot verder onderzoek.

182


Marten Jan Bok en Gary Schwartz

Schilderen in opdracht in Holland

in de 17e eeuw

In zijn in 1678 verschenen Inleyding tot de hooge schoole der schilderkonst beklaagt de schilder Sa-

muel van Hoogstraeten zich erover, 'dat de konst, sedert de Beeltstorming in de voorgaende

eeuw, in Holland [dan wel] niet geheel vernietigt is, [maar dat] ons [toch] de beste loopbae-

nen, naementlijk [die voor] de kerken, daer door geslooten zijn, en de meeste Schilders zich

dieshalven tot geringe zaeken, jae zelfs tot beuzelingen te schilderen, geheelijk begeeven.' 1

Deze klacht is sedertdien talloze malen herhaald en Van Hoogstraetens stelling, dat de ker­

ken in de Republiek geen opdrachten van betekenis aan kunstschilders gaven, is algemeen

aanvaard. Ook zijn gevolgtrekking, dat het karakter van de Nederlandse schilderkunst daar­

door mede is bepaald, ondervindt weinig tegenspraak. Nederlandse 17e-eeuwse kunst krijgt

maar al te vaak predikaten als calvinistisch, burgerlijk en zelfs kapitalistisch opgeplakt. Zij

zou zich hiermee onderscheiden van de katholieke en aristocratische kunst van bijvoorbeeld

de Zuidelijke Nederlanden. Waar zich in Nederland allerlei kleine genres ontwikkelden zou­

den Rubens en zijn navolgers in Antwerpen het ene magistrale altaarstuk na het andere heb­

ben geproduceerd. In zijn uiterste consequentie leidde dit bij sommige kunsthistorici tot al­

lerlei moeilijk bewijsbare beschouwingen over de Nederlandse volksaard en de unieke wijze

waarop die zich in de kunsten zou uiten. Bijgevolg werd het werk van veel Noord-nederland-

se schilders die zich wel specialiseerden in grote historiestukken met religieuze thematiek

als 'on-nederlands' afgewezen. Dit overkwam ook de maniëristen, de Nederlandse navolgers

van Caravaggio, de classicisten, en de italianiserende landschapschilders.

In de afgelopen decennia heeft zich een grote herwaardering voorgedaan van de voorheen

als 'niet nationaal' afgedane stromingen en stijlen. Daarnaast valt een geleidelijke verschui­

ving te constateren in de belangstelling van kunsthistorici: van het schilderij als autonome

artistieke creatie naar het voortbrengsel van een gecompliceerd cultureel proces in een histo­

rische context. De wisselwerking tussen schilder en maatschappij wordt hierdoor onderwerp

van studie. En in die maatschappij had de kunstenaar in de eerste plaats te maken met de

afnemer van zijn werk. Men dient zich af te vragen of het verschil maakte of die afnemer

anoniem was, of een specifieke opdrachtgever of een de schilder bekende koper.

In de studie van de Italiaanse kunst vormt patronage al langer een belangrijk thema. De

verschijning van Painters andPatrons van Francis Haskell (1963), dat inging op alle aspecten

van de relatie tussen opdrachtgever en kunstenaar in Rome en Venetië in de 17e en 18e eeuw,

toonde aan hoe vruchtbaar dergelijk onderzoek kan zijn. 2

Desondanks ontmoette het werk

van Haskell kritiek van kunsthistorici die meenden dat zijn benadering afbreuk deed aan

de 'hogere' waarden van de kunst, en aan de verworvenheden van de kunsthistorische weten­

schap. In Nederland vond het werk van Haskell tot nu toe weinig weerklank. Een synthetise­

rende studie over in opdracht ontstane kunst ontbreekt hier. In dit artikel willen wij op een

rijtje zetten welke maatschappelijke groeperingen in Nederland in de 17e eeuw als opdracht­

gevers voor kunstschilders fungeerden, of zouden hebben kunnen fungeren, en voor welke

specifieke soorten kunstwerken elk van deze groeperingen belangstelling zou kunnen heb-

1 S. van Hoogstraeten, Inleyding lot de hooge schoole der schilderkonst, enz. (Rotterdam 1678, repr. Utrecht 1969) 257.

2 F. Haskell, Painters and Patrons: A Study in the Relations Between Italian Art and Society in the Age oj'the Baroque (London

1963).

183


Schilderen in opdracht in Holland in de 17e eeuw

ben gehad. Ons uitgangspunt is overigens anders dan dat van Haskell: we besteden niet al­

leen aandacht aan het 'hoge mecenaat', maar aan elke situatie waarin een schilder in op­

dracht werkte.

De anonieme markt

Teneinde de betekenis van kunst-in-opdracht beter te doen uitkomen is het noodzakelijk al­

lereerst het functioneren van de anonieme markt voor kunstwerken te schetsen, met de rol

die de kunstenaar daarop speelde. In het gevestigde beeld was de 17e-eeuwse Nederlandse

schilder een kleine neringdoende die weliswaar in economisch opzicht was overgeleverd aan

de luimen van de markt, maar die als creatieve kunstenaar een grote onafhankelijkheid be­

zat. De ontwikkeling van de kunst zag men als een autonoom proces dat het resultaat was

van de artistieke wisselwerking tussen individuele kunstenaars. 3

Wijdverbreid is ook de opvatting dat de afnemer van kunstwerken in Nederland in de 17e

eeuw allereerst 'burger', dan verzamelaar en uiteindelijk misschien liefhebber was, maar in

wezen toch vooral ondernemer, en speculant. Deze opvatting gaat terug op een veel geciteer­

de dagboeknotitie van de Engelsman John Evelyn. Deze was in 1641 - naar gebleken is, ten

onrechte - van mening dat Nederlanders van hoog tot laag vooral kunst kochten omdat er

in de Republiek te weinig andere mogelijkheden bestonden om geld te beleggen. 4

In deze

optiek speelt het kwaliteitsoordeel van de koper een belangrijker rol bij de aankoop van kunst

dan de persoonlijke of institutionele banden tussen hem en de schilder.

Vooral in de marxistische kunsthistorische literatuur is veel nadruk gelegd op de tegenstel­

ling tussen de Italiaanse en Vlaamse kunstmarkt aan de ene kant, en de Nederlandse aan

de andere. Zo was Arnold Hauser van mening dat in Nederland officiële opdrachten, hoewel

niet volledig afwezig, van weinig belang waren. 5

Het ontbreken van overheidsinvloed op de

kunstmarkt in Nederland leidde tot overproduktie en het ontstaan van een 'kunstenaarspro-

letariaat'. En hoewel de individuele kunstenaar aanvankelijk nog wel direct contact met zijn

particuliere afnemers had gehad, vervreemdde hij in de loop van de 17e eeuw van zijn pu­

bliek door de opkomst van de kunsthandel. Juist de meest oorspronkelijke talenten zouden

hiervan het slachtoffer zijn geworden.

De vermeende tegenstelling tussen het functioneren van de Italiaanse en de Nederlandse

kunstmarkt vinden we ook terug in Svetlana Alpers' meest recente boek Rembrandt 's Enter­

prise. 6

Hierin betoogt zij dat de betekenis van Rembrandt voor een niet gering gedeelte moet

worden gezocht in het feit dat hij zich, om artistieke redenen, van de opdrachtgevers afwend­

de en doelbewust de vrije markt opzocht. Alpers voert voor deze stelling evenwel geen bewij­

zen aan.

Voor empirisch onderbouwde gegevens kunnen we eigenlijk alleen terecht bij J. M. Mon-

tias. Deze Amerikaanse econoom publiceerde in 1987 een artikel dat hij begon met de provo­

cerende zinsnede: 'The production of art goods is like any other "industry," transforming

3 Deze opvatting werd nog onlangs zeer nadrukkelijk naar voren gebracht door Peter Hecht, De Hollandsefijnschilders:

van Gerard Dou tot Adriaen van da Werff, cat. tent. Rijksmuseum Amsterdam (Amsterdam 1989) 18-19.

4 Evelyns opvattingen zijn weersproken door J. M. Montias, 'Socio-Economic Aspects of Netherlandish Art from

the Fifteenth to the Seventeenth Century: A Survey', The Art Bulletin 52 (1990) 358-373, 361-362.

5 A. Hauser, The Social History of Art n (ed. New York, Random House, z.j.) 207-225.

6 S. Alpers, Rembrandt 's Enterprise (Chicago 1988). In Nederlandse vertaling verschenen als De firma Rembrandt:

schilder tussen handel en kunst (Amsterdam 1989).

184


Schilderen in opdracht in Holland in de 17e eeuw

Afb. 1. Salomon de Bray (1597-1664), De geboortedag van Frederik Hendrik, 1651. Grisaille, 103x255 cm.

Den Haag, Mauritshuis.

Geschilderd als bijschrift voor een allegorie in de Oranjezaal op de geboorte van Frederik Hendrik.

De prijs werd op honderdvijftig gulden begroot door de mede-organisator van de opdracht, Jacob van

Campen, evenals De Bray een Haarlemse schilder-architect. De Bray vervaardigde twee andere, grotere

schilderijen in de Oranjezaal, die volgens Van Campen met vijfhonderd gulden elk betaald moesten

worden.

labor, capital, land, and material imputs into one or more types of output.' 7

In dit artikel

poneert hij dat de ontwikkeling van individuele genres en specialismes (bijvoorbeeld het

visstilleven of het kerkinterieur), en de opkomst van stijlen die zich kenmerken door een monochroom

kleurgebruik en een 'losse toets' (Van Goyen, Heda, Hals, Rembrandt) vooral

verklaard moeten worden uit de doelstelling van de kunstenaar om de produktiekosten te

drukken. Hoewel hij met zeer overtuigende argumenten aankwam reageerden sommige

kunsthistorici alsof Montias een daad van heiligschennis had gepleegd. De ontwikkeling van

de kunst verloor in zijn visie immers zijn autonomie en werd een speelbal van economische

processen.

Evenals Hauser beklemtoont Montias in eerste instantie dat de rol van openbare opdrachten

gering was. Ook hij ging uit van een 'open-markt model', waarin de krachten van vraag

en aanbod heer en meester zijn. In 1988 echter publiceerde Montias gegevens waaruit bleek

dat deze krachten gevoeliger waren voor lokale omstandigheden dan hij eerst had gedacht.

Zijn onderzoek liet zien dat de particuliere collecties in een aantal Hollandse steden aanzienlijk

meer werken bevatten van lokale kunstenaars dan op basis van de economische theorie

zou mogen worden verwacht in een volkomen vrije markt. 8

Ten dele lijkt dit het gevolg te

zijn van de beperkende bepalingen die onder het gildesysteem werden opgelegd aan de import

van produkten van buiten de stad. In zijn algemeenheid echter suggereert dit feit dat

persoonlijke contacten tussen koper en kunstenaar belangrijker waren dan meestal wordt

aangenomen. Dit sterkt ons vermoeden dat kunstaankopen in Nederland de kenmerken vertoonden

van het particularisme dat wij ook uit zoveel andere aspecten van het cultureel en

economisch leven in de Republiek kennen. 9

Hierbij hoort een patronage-stelsel dat veel ve-

7 J.M. Montias, 'Cost and Value in Seventeenth-Century Dutch Art', Art History 10 (1987) 455-466.

8 J. M. Montias; 'Art dealers in the seventeenth-century Netherlands', Simiolus 18 (1988) 244-256. Alleen de Amsterdamse

markt bleek relatief open te zijn, elders overheersen lokale meesters.

185


Schilderen in opdracht in Holland in de 17e eeuw

der reikt dan alleen het 'hoge' mecenaat van vorsten en overheden. De veronderstelling lijkt

gewettigd dat vraag en aanbod opereerden binnen een netwerk dat sterk bepaald werd door

zowel politieke en religieuze als door economische verhoudingen.

Opdrachten

De enige die heeft getracht de rol van verschillende opdrachtgevers als kerk, hof en adel,

overheid, regenten, schutters- en ambachtsgilden, en individuele burgers te belichten en sa­

men te vatten is Bob Haak. 10

Hij wijdt er echter niet meer dan een inleidend hoofdstuk aan

in een voor het overige zeer uitgebreid overzicht van de artistieke ontwikkeling van de Ne­

derlandse schilderkunst. In dat overzicht worden weinig consequenties getrokken uit de in­

leiding. De resultaten van allerlei detailonderzoek, merendeels gepubliceerd sinds de ver­

schijning van Haaks boek in 1984, zouden een integratie van beide aspecten van de kunstge­

schiedenis inmiddels echter zonder meer rechtvaardigen. Vooralsnog blijken synthetische

studies, zoals die van Haak, de traditionele opvattingen te weerspiegelen. Zij kennen de ar­

tistieke ontwikkeling van de kunst een grote mate van autonomie toe.

Niet alleen is er geen overzicht van de geschiedenis van het mecenaat in de Nederlandse

schilderkunst, ook een overzicht van de relevante literatuur ontbreekt. Binnen het bestek

van dit artikel kunnen ook wij de stand van zaken niet anders dan in vogelvlucht beschou­

wen. In monografieën over individuele kunstschilders wordt doorgaans vrij veel aandacht

besteed aan de relatie tussen kunstenaar en opdrachtgever. In dit opzicht toonden recente

monografieën over Ferdinand Bol, Rembrandt van Rijn, Johannes Vermeer en Adriaen van

der Werff aan hoezeer die relatie voor deze kunstenaars van belang was. 11

Montias, die we

hierboven al noemden, ontdekte bij zijn onderzoek naar Vermeer bijvoorbeeld dat deze kun­

stenaar een beschermer had die ongeveer de helft van zijn hele oeuvre afnam. 12

In het hiernavolgende zullen wij de verschillende opdrachtgevers die op de markt opereer­

den een voor een de revue laten passeren. We beginnen aan de bovenkant van de markt,

bij de opdrachtgevers met de grootste buidel en het grootste prestige, om uiteindelijk af te

dalen naar kunsthandelaren die weinig getalenteerde schilders kopieën en 'dozijnwerk' lie­

ten maken.

De bovenkant van de markt

Over het mecenaat van de Oranje's is altijd enigszins schamper geoordeeld. In vergelijking

met de vooraanstaande Europese vorstenhuizen zouden de stadhouders weinig belangstel-

9 De schilder Pieter Saenredam bleek zich in de details van zijn werk vaak te richten op de interesse van een specifieke

doelgroep. G. Schwartz en M.J. Bok, Pieter Saenredam (1597-1665): de schilder in zijn tijd (Maarssen/'s-Gravenhage

1989). Het probleem van de eventuele invloed van het particularisme op de schilderkunst werd ter

sprake gebracht door E.O.G. Haitsma Muiier, 'Kunsthistorici en de geschiedenis: Een verslag van enkele ontwikkelingen',

Bijdragen en mededelingen betreffende de geschiedenis der Nederlanden 101 (1986) 202-214, 214.

10 B. Haak, Hollandse schilders in de Gouden Eeuw (z.p. 1984) 36-60.

11 A. Blankert, Ferdinand Bol (1616-1680): Rembrandts pupil (Doornspijk 1982); G. Schwartz, Rembrandt: zijn leven,

zijn schilderijen (Maarssen 1984); J. M. Montias, Vermeer and his Milieu: A Web of Social Hislory (Princeton 1989);

B. Gaehtgens, Adriaen van der Werff, 1659-1722 (München 1987). Voor de kijk van een historicus op het historisch

element in recente kunstenaarsmonografiën, zie Haitsma Muiier, 'Kunsthistorici en de geschiedenis'.

12 Montias, Vermeer and his Milieu, 246-262.

186


Schilderen in opdracht in Holland in de 17e eeuw

Afb. 2. Susanna van Steenwijk-Gaspoel (geboorte-en sterfjaar onbekend), Gezicht op de Lakenhal, Leiden,

1642. Doek, 97x119 cm. Leiden, Stedelijk Museum De Lakenhal.

De schilderes, vrouw van de schilder-architect Hendrick van Steenwijk de Jonge, kreeg van de burgemeesters

van Leiden zeshonderd gulden betaald voor dit schilderij, dat hoogstwaarschijnlijk in opdracht

is vervaardigd. M.L. Wurfbain heeft gesuggereerd dat 'het schilderij een soort ontwerp was

voor de galerijen en voorplein, die in 1642 werden aangelegd om te dienen als een beurs voor de lakenhandelaren'

(cat. Lakenhal 1983, 321-22).

ling voor de kunsten hebben gehad. De publikatie van de bewaard gebleven inventarissen

van de verblijven van de Oranjes door Drossaers en Lunsingh Scheurleer heeft echter duidelijk

gemaakt dat vooral na de dood van de ijzervreter Maurits op niet geringe schaal opdrachten

werden verleend aan zowel Nederlandse als buitenlandse kunstenaars. 13

Het uitblijven

van een synthetisch en vergelijkend onderzoek naar dit zo essentiële onderwerp, vijftienjaar

na het verschijnen van deze bronnenpublikatie, geeft aan hoezeer de studie van het

verschijnsel patronage in de Nederlandse kunstgeschiedenis is verwaarloosd. 14

Hoewel opdrachten van de Staten-Generaal, de Staten van Holland, de admiraliteiten

en de verschillende kamers der VOC en WIC incidenteel lijken te zijn geweest, is het niet

uitgesloten dat ook dit beeld bijgesteld zal moeten worden op basis van nader bronnenonderzoek.

Zeker is dat een instelling als het Hoogheemraadschap van Rijnland meer dan incidenteel

aandacht schonk aan de uitbreiding, deels door opdrachten, van zijn kunstbezit. 15

Van een aantal stadsbesturen weten we dat zij actief kunst aankochten. Het meest uitgespro-

13 S.W.A. Drossaers en Th. H. Lunsingh Scheurleer, Inventarissen van de inboedels in de verblijven van de Oranjes en

daarmede gelijk te stellen stukken, 1567-1795, 3 dln. (Rijks Geschiedkundige Publicatiën, Grote Serie, nrs. 147-149,

's-Gravenhage 1974-1976).

14 Voor een summiere indruk van de materie, zie: C.W. Fock, 'The Princes of Orange as Patrons of Art in the

Seventeenth Century', Apollo (1979) 466-475.

15 S. B. van Raay, W. P. Spies en R. van Soest, 'Tot hun Contentementgemaeckt': het kunstbezit van het Hoogheemraadschap

van Rijnland (Amsterdam 1987).

187


Schilderen in opdracht in Holland in de 17e eeuw

ken voorbeeld hiervan is Haarlem. Hier werd het Prinsenhof verfraaid met schilderijen uit

oud stedelijk bezit, aangevuld met speciaal voor dat doel gekochte en bestelde schilderijen

van plaatselijke meesters. 16

En al vinden wij geen vergelijkbaar 'kunstbeleid' in die vorm

terug in andere steden, toch waren de stadsbesturen van Leiden en Amsterdam belangrijke

opdrachtgevers voor een kleine kring van vooraanstaande meesters. De belangrijkste impul­

sen voor grote bestedingen aan schilderijen vormden meestal de oplevering van een nieuw

stadhuis of het opkalefateren van een oud, of een plechtige intocht. 17

Wat de opdrachten van lagere stedelijke instellingen betreft, beschikken wij sinds kort

over de catalogus Schutters in Holland: kracht en zenuwen van de stad. Ter gelegenheid van een

in 1988 in Haarlem gehouden tentoonstelling werd in dit kloeke boek samengevat wat tot

op heden bekend is geworden over de schutterijen als opdrachtgevers aan kunstschilders. 18

Van alle ooit vervaardigde schuttersstukken zijn er nu nog 125 over. Ekkart heeft aanneme­

lijk gemaakt dat het aantal verloren gegane stukken zeker eens zo groot moet zijn. 19

Hetzelf­

de geldt voor de regentenportretten in gasthuizen, hofjes en andere instellingen van welda­

digheid, alsmede voor de portretten van bestuurscolleges van onder meer de gilden. Ook

hiervan is maar een deel bewaard gebleven. Het totale aantal in de 17e eeuw bestelde corpo­

ratiestukken (schuttersstukken en regentenportretten) werd door Ekkart onlangs geschat op

500 tot 1000. 20

Dit mag op het eerste gezicht vrij weinig lijken, maar gezien de hoeveelheid

arbeid die in dergelijke grote schilderijen moest worden geïnvesteerd, en gezien de beloning

die daar tegenover stond, was dit toch geen te verwaarlozen marktsegment.

De kunstenaars die opdrachten voor dit marktsegment vervulden moeten wij voor een

belangrijk deel zoeken onder lokale beroemdheden. Het waren deze kunstenaars die door

de plaatselijke overheden werden aangezocht voor de decoratie van openbare gebouwen en

voor levering van werk dat door dezelfde overheden werd 'vereerd' (geschonken) aan voor­

aanstaande gasten. Het spreekt voor zich dat nauwe relaties met machtige regenten de ver­

werving van dergelijke opdrachten kon bevorderen. Dat dergelijke relaties bestonden is uit

recent onderzoek duidelijk geworden. 21

Sommige kunstenaars wisten op eigen kracht door

te dringen tot de regentenstand. Anderen maakten door afstamming of huwelijk reeds deel

uit van de maatschappelijke elite. Het traditionele beeld van de kunstenaar als eenvoudig

ambachtsman verdient daarom inmiddels ook de nodige nuancering.

De calvinistische opvattingen over de inrichting van kerken verdroeg zich, in navolging

van het bijbelse gebod (Deut. 5:8), niet met het aanbrengen van afbeeldingen die door de

gelovigen zouden kunnen worden 'aanbeden'. Daarom werden na de reformatie beelden en

altaarstukken uit de kerken verwijderd. De opdrachten die schilders in de 17e eeuw van de

hervormde gemeenten kregen beperkten zich tot gebodenborden en dergelijke. Toch waren

geschilderde afbeeldingen niet geheel afwezig. Formeel waren de kerkgebouwen eigen-

16 P. Biesboer, Schilderijen voor het stadhuis Haarlem: 16e en 17e eeuw, kunstopdrachten ter verfraaiing (Haarlem 1983).

17 Graag verwezen wij hier naar het node gemiste overzicht van kunstopdrachten in verband met de bouw van

het Amsterdamse stadhuis. Een indruk van de rol van schilderkunst in triomfalia kan worden verkregen uit

D. P. Snoep, Praal en propaganda: triumfalia in de Noordelijke Nederlanden in de 16de en 17de eeuw (Alphen aan den

Rijn 1975).

18 M. Carasso-Kok en J. Levy-van Halm (ed.), Schutters in Holland: kracht en zenuwen van de stad, cat. tent. Frans

Halsmuseum (Haarlem 1988).

19 R.E.O. Ekkart, 'De schuttersstukken buiten Amsterdam en Haarlem', Schutters in Holland, 124-139.

20 Waarschijnlijk dichter bij de 500 dan bij de 1000. R. E.O. Ekkart op een lezing voor de vrienden van het Courtauld

Institute in Londen in januari 1990. Wij willen hem hier danken voor zijn vriendelijke mededeling.

21 M.J. Bok, ' "Nulla dies sine linie." De opleiding van schilders in Utrecht in de eerste helft van de zeventiende

eeuw', De Zeventiende Eeuw 6 (1990) 58-68, 64-65.

188


Schilderen in opdracht in Holland in de 17e eeuw

Afb. 3. Onbekende schilder, Officieren van de Sint-Jorisschutterij te Rotterdam, 1604. Doek, 146x300 cm.

Rotterdam, Rotterdams Historisch Museum.

'Dit schilderij is het enige bewaard gebleven Rotterdamse schuttersstuk. Volgens oude inventarissen

zijn er in Rotterdam zeventien geweest' (Schutters in Holland, 125). Hoewel het overlevingspercentage

in andere plaatsen aantoonbaar hoger ligt, geeft dit cijfer een indruk van de enorme verliezen, zelfs

onder de meest opvallende kunstprodukten uit de Republiek.

dom van de stedelijke overheden en in een aantal gevallen lieten deze in de loop van de eeuw

door kunstschilders orgeldeuren decoreren. Zo werden de deuren van het orgel in de Grote

Kerk in Alkmaar in 1643 en 1644 beschilderd door Caesar van Everdingen, waarvoor deze

in totaal 2150 gulden kreeg uitbetaald. 22

Hij had 547 dagen aan het werk besteed. Particulieren

bestelden wapenborden voor boven de graven van overleden verwanten. In de loop van

de eeuw zouden de kerken in veel steden en dorpen een steeds groter aantal van deze borden

gaan bevatten. Al bij al bleef de betekenis van de officiële kerk als opdrachtgever echter gering,

zeker in vergelijking met wat de katholieke kerk vóór de Reformatie had betekend.

Samuel van Hoogstraeten mag dan wel geklaagd hebben dat voor zijn kunstbroeders de

kerken geen carrièremogelijkheden meer boden, maar was die katholieke kerk dan echt helemaal

afwezig? Nee, dat was zij niet. Waarschijnlijk zullen we onze waardering van deze kerk

als opdrachtgever zelfs aanzienlijk moeten bijstellen. Het aantal priesters in de Hollandse

Zending groeide van 220 in 1616 tot ongeveer 600 in 165 6. 23

Deze priesters bedienden de

katholieke gelovigen in kapellen bij particulieren thuis en in van buiten weinig opvallende

kerkgebouwen die later bekend zijn geworden als schuilkerken. De door de overheid aan de

katholieken opgelegde beperkingen werden geleidelijk aan minder streng nageleefd en vanaf

het midden van de jaren 1620 ging men er op steeds grotere schaal toe over de kerkgebouwen

met grote altaarstukken te verfraaien. Alleen al in Amsterdam waren in 1656 62 katholieke

'vergaderplaatsen [...] die zij selfs kercken noemen, verciert met altaren en alderlay paepsche

ornamenten.' 24

In de schuilkerk Ons Lieve Heer op Zolder in Amsterdam, die tot op de dag

22 Haak, Hollandse schilders, 36.

23 M.G. Spiertz, 'Godsdienstig leven van de Katholieken in de 17de eeuw', Algemene geschiedenis der Nederlanden vm

(Haarlem 1979) 344-357, 348.

24 Geciteerd uit A. Blankert, 'Schilderijen', Kunstbezit Parkstraatkerk, cat. tent. Haags Gemeentemuseum ('s-Gravenhage

1978) 5.

189


Schilderen in opdracht in Holland in de 17e eeuw

van vandaag zijn 17e-eeuwse inrichting heeft bewaard, bevindt zich een zogeheten wisselaltaar,

dat het mogelijk maakte meerdere altaarstukken te gebruiken al naar gelang de liturgie

vereiste. Ook elders waren dergelijke altaren met wisselschilderijen in gebruik. 25

Albert

Blankert heeft gesteld dat al in de eerste helft van de 17e eeuw 'een typisch Nederlandse

religieuze schilderkunst floreerde.' 26

Het aantal huis- en schuilkerken moet alleen al in Holland

in de honderden zijn gelopen, het aantal geproduceerde altaarstukken in de duizenden.

Helaas is de inventaris van het grootste deel van deze kerken en kapellen verspreid geraakt

of anderszins verloren gegaan. 27

De weinige kerken die hun oorspronkelijke inrichting bewaard

hebben laten echter zien hoe belangrijk de opdrachten van katholieke kerken voor

veel kunstschilders moeten zijn geweest. De beschikbare informatie geeft overigens aanleiding

om te veronderstellen dat deze opdrachten voornamelijk aan katholieke kunstenaars

werden gegund. 28

Bij elkaar opgeteld vormden de opdrachten van overheden en semi-publieke instellingen

een constante factor in de vraag naar schilderijen in Holland tijdens de 17e eeuw. In bepaalde

periodes, zoals tijdens de bouw van een stadhouderlijk verblijf of een belangrijk stadhuis,

kon het niet anders dan dat veel kunstenaars gespitst waren op het verkrijgen en uitvoeren

van opdrachten. Jacob van Campen schatte de kosten van de decoratie van de Oranjezaal

in het Huis ten Bosch in 1649 op bijna 25.000 gulden. 29

De betekenis van een opdracht voor

een dergelijk project lag, behalve in de hoge beloning, in het prestige dat daarmee gepaard

ging-

Opdrachten van particulieren werden over het algemeen minder goed betaald, terwijl de

artistieke resultaten voor de buitenwereld minder zichtbaar waren. Toch mogen de collecties

van een klein aantal vooraanstaande particulieren in dit verband worden beschouwd als

overgangsgebied tussen de openbare- en de privé-sfeer. Dit geldt bijvoorbeeld voor die van

de Amsterdamse burgemeester Joan Huydecoper en de koopmansfamilie Trip. 30

De door

hen gebouwde Amsterdamse stadspaleizen (Huydecopers huis aan de Singel greep, evenals

Frederik Hendriks Huis Ter Nieuburg, terug op het Palais du Luxembourg van Maria de

Medici) werden deels versierd met in opdracht gemaakte schilderijen. Hun gedrag werd nagebootst

door mindere goden onder de regenten van Amsterdam en de andere steden van

Holland. Na het midden van de 17e eeuw ging deze groep een markt vormen voor de grote

plafond- en kamerschilderingen die toen in de mode kwamen. 31

Omdat deze alle op maat

gemaakt moesten worden was een nauwe samenwerking tussen opdrachtgever en kunstenaar

hier onvermijdelijk. Zeer veel van deze schilderingen zijn inmiddels verloren gegaan,

maar het staat buiten kijf dat veel schilders hierin een broodwinning hebben gevonden.

25 Zie voor dit verschijnsel de inleiding van P. Dirkse in P. Dirkse red., Kunst uit oud-katholieke kerken, cat. tent.

Rijksmuseum Het Catharijneconvent (Utrecht 1989) 11-15.

26 Blankert, 'Schilderijen', 6.

27 Zie hiervoor bijvoorbeeld X. van Eek, ' "Haar uitstekend huis, en hoge kerke." Enkele gegevens over de bouw,

inrichting een aankleding van schuilkerken der jezuïeten in Gouda en andere Noordnederlandse steden', P.

Dirkse en A. Haverkamp (red.), Jezuïeten in Nederland, cat. tent. Rijksmuseum Het Catharijneconvent (Utrecht

1991) 41-52.

28 Een in het oog springend voorbeeld is Pieter de Grebber. Zie P. Dirkse, 'Pieter de Grebber: Haarlems schilder

tussen begijnen, kloppen en pastoors', Jaarboek Haerlem (1978) 109-27.

29 P.T.A. Swillens, Jacob van Campen: schilder en bouwmeester 1595-1657 (Assen 1961) 175.

30 Voor Huydecoper, zie K. Ottenheym, Philips Vingboons (1607-1678): architect (Zutphen 1989) 34-47. De opdrachten

van de Trippen worden behandeld in verschillende hoofdstukken van R. Meischke en H.E. Reeser

(red.), Het Trippenhuis te Amsterdam (Amsterdam enz. 1983).

31 D.P. Snoep, 'Gerard Lairesse als plafond- en kamerschilder', Bulletin van het Rijksmuseum 19 (1971) 91-116.

190


Schilderen in opdracht in Holland in de 17e eeuw

Afb. 4. Pieter Fransz. de Grebber (ca. 1600-

1652/53), De Kruisafneming, 1633. Doek, 232x193

cm. Amsterdam, Rijksmuseum.

Afkomstig 'uit de katholieke kerk te Enkhuizen,

waar de zwager van de schilder priester was'

(tent. cat. God en de goden, Amsterdam: Rijksmuseum

en 's-Gravenhage, Staatsuitgeverij, 1981,

194).

De schilders die in hoofdzaak werkten in opdracht van hoven, overheden en zeer vermo­

gende particulieren waren gearriveerde kunstenaars als Abraham Bloemaert, Gerard Dou,

Gerard van Honthorst, Govert Flinck en Adriaen van der Werff. Deze meesters hadden een

grote reputatie en werkten waarschijnlijk bij voorkeur op bestelling. Kunstenaars uit deze

categorie beperkten hun afzetgebied niet tot Holland (en Utrecht) alleen, maar leverden

eveneens aan buitenlandse vorsten en verzamelaars. Indien hun specialisme daarvoor in

aanmerking kwam werden juist zij betrokken bij de belangrijkste decoratieprojecten van

vorsten en overheden. Om aan de vraag te kunnen voldoen exploiteerden zij soms zeer grote

werkplaatsen. Zo zou Gerard van Honthorst, die ateliers in Utrecht en Den Haag heeft ge­

had, rond 1625 ongeveer 25 leerlingen in dienst hebben gehad. Zijn onderneming behoorde

daarmee naar de maatstaven van die tijd tot het grootbedrijf.

Portretopdrachten

Hoe groot het aantal officiële opdrachten ook mag zijn geweest, het werd ver in de schaduw

gesteld door het overweldigend grote aantal opdrachten van particulieren, en wel in de vorm

van portretopdrachten. Nagenoeg de hele portretkunst bestaat uit kunst in opdracht. In de

almaar uitdijende literatuur over de Hollandse portretkunst staat echter steeds de kunste­

naar of de persoon van de geportretteerde centraal. In het laatste Leids Kunsthistorisch Jaar­

boek, dat geheel aan portretkunst is gewijd, treft men bijvoorbeeld geen enkele bijdrage aan

waarin wordt geprobeerd de betekenis van de portretkunst op een meer kwantitatieve ma­

nier te benaderen. 32

32 H. Blasse-Hegeman e.a. (red.), Nederlandse bijdragen over de portretkunst in de Nederlanden: portretten uit de zestiende

zeventiende en achttiende eeuw, Leids Kunsthistorisch Jaarboek 8 (1989, 's-Gravenhage 1990).

191


Schilderen in opdracht in Holland in de 17e eeuw

Nagenoeg ieder portret ontstond uit een intensief contact tussen kunstenaar en opdrachtgever,

waarbij de laatste over het algemeen het initiatief nam. Het aantal kunstenaars dat

'on spec' (op goed geluk) portretten maakte moet beperkt zijn gebleven tot hen die voor het

grote publiek portretjes van de prins, van populaire predikanten, veldheren of buitenlandse

vorsten produceerden. Een indruk van de omvang van de markt voor portretten krijgen we

uit cijfers die Montias publiceerde voor Delft en Amsterdam. Van alle schilderijen die hij

in Delft aantrof in de periode tussen 1610 en 1679 bestond bijna 16,5% uit portretten. 33

In

Amsterdam daalde het percentage portretten in boedelinventarissen van 28,2% in de jaren

1620, via 19% in de jaren 1630, tot uiteindelijk 12,8% in de jaren 1660. 34

Fock trof in Leidse

boedelinventarissen eveneens grote aantallen portretten aan. 35

In het eerste kwart van de

17e eeuw bestond zelfs ongeveer een derde van de schilderijen in de inventarissen in haar

steekproef uit portretten. Na 1640 kwamen de Leidse percentages in dezelfde orde van grootte

als de Delftse. Over de hele eeuw gerekend bestond in Leiden ruim 20% van de schilderijen

uit portretten.

Om ons een voorstelling te kunnen maken van de portretproduktie in de 17e eeuw is het

van belang eerst vast te stellen hoe groot de totale produktie van schilderijen was. A. M. van

der Woude heeft als eerste een poging gedaan om te komen tot schattingen van het totale

aantal in de provincie Holland geproduceerde schilderijen in de 17e eeuw. 36

Hij kwam uit

op een getal tussen de 5 en de 5,5 miljoen. Langs een andere weg kwam Montias onlangs

uit op getallen in dezelfde orde van grootte. 37

Het voornaamste bezwaar dat tegen deze berekeningen

valt aan te voeren is dat zij geheel zijn gebaseerd op tellingen van schilderijen die

werden aangetroffen in particuliere boedelinventarissen. 38

Hierin staan zij over het algemeen

gerangschikt onder de roerende goederen. Schilderijen die werden vervaardigd voor

niet-particulieren, evenals nagelvaste schilderingen, uithangborden en allerlei andere vormen

van utiliteits-schilderwerk vindt men in boedelinventarissen niet terug. Toch maakten

deze, naar wij hier willen betogen, een niet onaanzienlijk deel van de produktie uit.

Deze methodische bezwaren maken het moeilijk om een betrouwbare schatting te maken

van de betekenis van portretten voor de totale produktie aan schilderwerk in het algemeen.

De berekeningen van Van der Woude en Montias zijn echter wel bruikbaar wanneer we de

totale produktie van portretten willen schatten. Portretten behoren immers nagenoeg altijd

tot de roerende goederen. Dit zou betekenen dat het aantal in Holland geproduceerde portretten

in de 17e eeuw ruwweg geschat mag worden op tussen de 750.000 en de 1.100.000.

In Leiden stelde slechts ongeveer 20% van de portretten bekende publieke personen voor,

33 J.M. Montias, Artists and Artisans in Delft: A Socio-Economie Study of the Seventeenth Century (Princeton 1982) 242.

34 J. M. Montias, 'A Random Sample of Amsterdam Inventories', voordracht gehouden op het symposium 'Boedelinventarissen

als bron voor kunsthistorisch onderzoek', Amsterdam 23 maart 1991.

35 C.W. Fock, 'Kunstbezit in Leiden in de 17de eeuw', Th. H. Lunsingh Scheurleer, C.W. Fock en AJ. van Dissel,

Het Rapenburg, geschiedenis van een Leidse gracht v (Leiden 1990) 1-36, 19.

36 A. M. van der Woude, 'De schilderijenproduktie in Holland tijdens de Republiek. Een poging tot kwantificatie',

in: J.C. Dagevos e.a. (red.), Kunst-zaken: particulier initiatief en overheidsbeleid in de wereld van de beeldende kunst (Kampen

1991), 18-50, 286-297.

37 J.M. Montias, 'Socio-Economic Aspects of Netherlandish Art', 373. Later verder uitgewerkt in J.M. Montias,

'Estimates of the number of Dutch master-painters, their earnings and their output in 1650', in: De werkelijkheid

achter vernis: zeventiende-eeuwse schilderkunst, Leidschrift 6, nr. 3 (1990) 59-74. De schatting van Montias betreft de

produktie in de gehele Republiek. De cijfers van Van der Woude en Montias zijn dus niet geheel vergelijkbaar,

maar het was beide geleerden in eerste instantie te doen om het vaststellen van een orde van grootte.

38 Jaap van der Veen heeft onlangs methodische bezwaren geuit tegen met name Montias' berekeningen. Hij deed

dit op het symposium 'Boedelinventarissen als bron voor kunsthistorisch onderzoek', Amsterdam 23 maart

192


Schilderen in opdracht in Holland in de 17e eeuw

de rest bestond voornamelijk uit portretten van familieleden. 39

De kunstenaars die de originelen

maakten van deze portretten waren meestal specialisten die de meer koopkrachtige

sectoren van de markt bedienden. Zij behoorden tot de economische bovenlaag van de kunstenaars.

De anonieme makers van de talrijke kopieën moeten we echter elders zoeken.

De onderkant van de markt

Hen vinden wij onder de laagste en misschien wel de grootste groep van schilders die in opdracht

werkte. Het betreft de personen die in contemporaine documenten voorkomen met

de beroepsaanduiding '(kunst-)schilder', maar van wie ons nu veelal geen gesigneerd werk

meer bekend is. Het waren in de eerste plaats de leerlingen en knechts van de gevestigde

meesters. Uit deze groep werden de werknemers gerecruteerd die grote ateliers als dat van

Gerard van Honthorst bemanden. In de tweede plaats omvat deze groep anoniemen de leveranciers

van kopieën en dozijnwerk voor de grote kunsthandelaren. In de inventaris van de

in 1608 in Antwerpen overleden kunsthandelaar Hans de Morin vinden we een lijst van

schilderijen 'bevonden ten huyse van diversche schilders omme te doen copieren.' 40

In Holland

is de kopieerpraktijk niet anders geweest dan in Brabant. 41

In inventarissen van Hollandse

kunsthandelaren worden van schilders die tegenwoordig volstrekt onbekend zijn

soms tientallen schilderijen genoemd. 42

We mogen veronderstellen dat hun werk al in de 17e

eeuw onder de naam van ons nu nog wel bekende kunstenaars is verkocht, of als naamloze

kopie. Dat de tijdgenoot zich zeer wel bewust was van de grote afhankelijkheid waarin

jonge en minvermogende kunstenaars zich bevonden ten opzichte van meesters en kunsthandelaren

blijkt uit het feit dat men de relatie aanduidde als 'slavernij' of 'op de galey schilderen.'

43

Wij oordelen zeer mild indien we veronderstellen dat de helft van de nu nog bestaande

17e-eeuwse Hollandse schilderijen uit kopieën bestaat. Wanneer we stellen dat weer de helft

van al die kopieën in opdracht werd gemaakt, dan zou hieruit de conclusie voortvloeien dat

tenminste een kwart van de overgebleven schilderijen, zowel portretten als niet-portretten,

oorspronkelijk tot stand is gekomen als gevolg van een kopieer-opdracht. Wij moeten daarnaast

in aanmerking nemen dat de overlevingsratio voor kopieën kleiner is dan die der originelen.

Doorgaans waren zij van mindere kwaliteit en waarde en bestond er bijgevolg minder

aanleiding om ze met zorg te bewaren. Het valt daarom niet uit te sluiten dat het merendeel

van de totale schilderijenproduktie in Holland in de 17e eeuw in opdracht werd uitgevoerd.

39 In Leidse collecties bleek ongeveer 20% van de portretten in deze categorie te kunnen worden ondergebracht.

Fock, 'Kunstbezit in Leiden', 18.

40 Amsterdam, Nederlands Economisch-Historisch Archief, handschriftencollectie, voorlopig inventarisnummer

3888, fol. 15M6, 13 mei 1608. Met dank aan Kitty Kilian die ons op deze inventaris opmerkzaam

maakte.

41 Zie hiervoor S. A.C. Dudok van Heel, 'Het "Schilderhuis" van Govert Flinck en de kunsthandel van Uylenburgh

aan de Lauriergracht te Amsterdam', Jaarboek Amstelodamum 74 (1982) 70-90.

42 Montias, 'Art Dealers', 250-251.

43 Citaten ontleend aan: A. Houbraken, De groote schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen, 3 dln. (eerste

druk Amsterdam 1718-1721; citaten uit de herdruk van de editie verschenen te 's-Gravenhage 1753, repr.

Amsterdam 1976) 322; H. Floerke, Studiën zur Niederlandischen Kunst- und Kulturgeschichte: Die Formen des Kunsthandels,

das Atelier und die Sammler in den Niederlanden von 15-18 Jahrhundert (München 1905, repr. Soest 1972) 96.

Zie voor het verschijnsel ook Montias, 'Art Dealers', 245-246.

193


Schilderen in opdracht in Holland in de 17e eeuw

Samenvatting en conclusies

Afb. 5. Onbekende kopiist naar Rembrandt

van Rijn (1606-1669), Portret van Herman Doomer,

waarschijnlijk 1678 of kort daarna. Doek, 66x57

cm. Braunschweig, Herzog-Anton-Ulrich-Mu-

seum.

Het origineel, uit 1640, werd door de weduwe

van de geportretteerde, Baertjen Martens, samen

met een portret van haarzelf, aan haar zoon Lam-

bert Doomer gelegateerd. Daarbij stipuleerde zij

dat Lambert kopieën moest laten maken, op zijn

kosten, voor haar vijf andere kinderen. Bij het

overlijden van Baertjen in 1678 leefden nog maar

drie dochters en Lambert. Het schilderij in

Braunschweig is waarschijnlijk een van de ko­

pieën die hij toen heeft laten maken. (W.L.

Strauss en M. van der Meulen, The Rembrandt do-

cuments, New York 1979, 579.)

Uit het hierboven geschetste beeld komt naar voren dat verschillende delen van de kunstproduktie

in Holland in veel grotere mate dan men zich tot nu toe realiseerde tot stand kwamen

in een opdrachtsituatie. Het meest kenmerkende deel is zonder enige twijfel dat van de portretkunst.

Dit maakte vermoedelijk 15 tot 20% van de totale produktie uit. Daarnaast werden

grote aantallen schilderijen besteld door vorstelijke opdrachtgevers, de Staten-

Generaal, de admiraliteitscolleges, de provinciale staten, de waterschappen, de stadsregeringen

en de stedelijke corporaties. Hieronder valt een niet onaanzienlijk percentage van

alle grote historiestukken met een niet-religieuze thematiek en een kleiner deel van de grote

historiestukken met een religieuze voorstelling. Van deze laatste categorie moet echter weer

een vrij groot deel zijn gegaan naar met name katholieke opdrachtgevers, zowel uit de clerus

als uit de massa der leken. Vervolgens werden bijna alle grootschalige decoratieprojecten

in opdracht uitgevoerd. Tenslotte werd een onbepaald, maar waarschijnlijk hoog percentage

van alle kopieën vervaardigd in opdracht van kunsthandelaren en van schilders die een groot

atelier uitbaatten.

De kunstenaars die in hoofdzaak wel direct voor de anonieme markt werkten, behoorden

niet tot de schilderkundige elite die zich richtte op de bovenkant van de markt en evenmin

tot de onderkant daarvan (de 'galeislaven'). Onder hen vinden wij de specialisten in de typisch

Hollandse genres als het stilleven, het landschap en de genreschilderkunst. In zoverre

doet ons model dus recht aan het stereotiepe beeld van de Hollandse kunstenaar. Het model

doet ook recht aan de zich onder historici ontwikkelende notie van een zeer statusbewuste

Hollandse regentenstand. Het veronderstelt immers een nauwe relatie tussen de maatschappelijke

elite en de in opdracht van die groep werkende schilderkundige elite, die ook

voor hoven en adel werkte.

194


Schilderen in opdracht in Holland in de 17e eeuw

En tenslotte doet het model recht aan twee aspecten van de resultaten van het kunsthistorisch

archiefonderzoek dat in de laatste jaren is verricht. Het stelt ons in staat te verklaren

waarom zoveel van de personen die in contemporaine documenten voorkomen met de beroepsaanduiding

'(kunst-)schilder' ons nu niet meer met gesigneerd werk bekend zijn. En

het helpt ons beter te begrijpen hoe de Hollandse schilders in staat waren een produktie te

realiseren die elke kunsthistoricus lange tijd voor onmogelijk hield. Van der Woude heeft

de jaarlijkse produktie van schilderijen in Holland tussen ca. 1625 en 1700 op 50.000 geschat

en Montias kwam voor de hele Republiek op 63.000 tot 70.000. Wanneer men er van uit

gaat dat toekomstig onderzoek deze hypotheses intact laat, dan is het moeilijk te aanvaarden

dat zulke grote aantallen schilderijen geheel voor eigen risico werden vervaardigd door kleine

zelfstandigen, overgeleverd aan de gure wind van een volledig open en anonieme markt.

Onze suggestie dat van de produktie de helft of meer in opdracht kan zijn ontstaan, en dus

door iemand anders dan de uitvoerder werd gefinancierd, biedt hier mogelijk uitkomst.

Indien het door ons geschetste beeld geldigheid blijkt te hebben, is het wenselijk dat nader

onderzoek wordt verricht naar de produktiewijzen en de arbeidsverhoudingen in de Nederlandse

schilderkunst. Oude, maar ook nieuwe vooroordelen zullen hiervoor moeten wijken.

Meer dan voorheen zal men zich rekenschap moeten geven van het feit dat schilderen niet

alleen een vrije kunst was maar ook een nijverheid.

Een laatste vraag, en zeker niet de minst belangrijke, is of wij het bestaande beeld van

vorm en inhoud van de Nederlandse schilderkunst van de 17e eeuw dan niet ook opnieuw

tegen het licht zullen moeten houden. Het maakt nogal verschil of een schilderij in overleg

met een opdrachtgever tot stand kwam of dat een kant en klaar werkstuk een anonieme koper

tot een impuls-aankoop moest verleiden. Het is voor ons moeilijk voorstelbaar dat de kunstenaar

daar in dezelfde geest aan heeft kunnen werken. Maar of dat ook gevolgen heeft gehad

voor de stijl en manier van werken blijft voor ons een open vraag. Naar het antwoord zijn

wij bij voorbaat benieuwd.

195


Bram Kempers

Opdrachtgevers, verzamelaars en kopers.

Visies op kunst in Holland tijdens de Republiek*

Inleiding en vragen

De indrukwekkende publikaties - in aantal, omvang, kwaliteit en retoriek - over de Hol­

landse schilderkunst van wat vroeger de 'Gouden Eeuw' heette, geven aan dat er onder

kunsthistorici uiteenlopende opvattingen bestaan over essentiële kwesties: de mate van mo­

ralisering in schilderingen, de aanwezigheid van verborgen betekenissen, het realistische ge­

halte, de graad van artistieke autonomie en het specifiek Nederlandse in de schilderkunst

van de 17e eeuw. 'Schijnrealisme' zou kenmerkend zijn voor de Hollandse 'genreschilde

kunst' en die zou karakteristiek zijn voor de Republiek, zo luidt één van de opvattingen. An­

deren bestrijden de idee dat achter alledaagse voorstellingen dubbele betekenissen schuil

gaan, dat schilderingen überhaupt belerende ideeën tot uitdrukking brengen. Bij de recente

debatten is de neiging groot de schilderijen los te zien van hun maatschappelijke context;

maar juist daarin ligt een mogelijkheid tot verheldering.

Een aanknopingspunt voor het achterhalen van de sociale context biedt de rol van de op­

drachtgever, die sterk is benadrukt bij onderzoek naar Italiaanse schilderkunst. Opkomst,

bloei en consolidering van het schildersberoep berustten in Italië tussen 1200 en 1800 hoofd­

zakelijk op het mecenaat, dat wil zeggen het geheel van verhoudingen tussen opdrachtge­

vers, adviseurs, publiek en kunstenaars waarin een dominante rol is weggelegd voor de op­

drachtgevers. Opdrachtgevers schiepen, rekeninghoudend met het beoogde publiek en vaak

bijgestaan door geleerde adviseurs, de voorwaarden waarbinnen schilders werkten. Soms

is deze invloed van opdrachtgevers en adviseurs direct door brieven en contracten te docu­

menteren, in andere gevallen moet hun inbreng aannemelijk gemaakt worden met behulp

van een reeks bronnen.

Over de verhoudingen in Holland bestaan twee, inmiddels oude overzichtswerken. Een

sinds Floerke vrij algemeen aanvaarde opvatting luidt dat in de Nederlanden de vrije en ano­

nieme markt de beroepspraktijk van schilders bepaalt. Huizinga heeft in Nederland's bescha­

ving in de zeventiende eeuw een andere visie verkondigd: 'Hier geen groote Maecenaten, maar

een onbeperkt getal van kunstliefhebbers. Het schilderij hing overal.' De in vergelijking met

andere gebieden grote aantallen kopers van burgerlijke herkomst staan volgens beiden aan

de wieg van de enorme schilderijenproduktie in de Republiek. Algemeen is de visie dat grote

opdrachtgevers in deze burgerlijke samenleving ontbraken en dat mede daaruit de verre­

gaande specialisatie in kleine schilderijen, van keukenstukken tot bordelen, kortom de ty­

pisch Nederlandse schilderkunst, te verklaren zou zijn.

De kloof tussen de recente debatten en de oude overzichtswerken laat zich niet in één be­

schouwing overbruggen. Niettemin valt er enige verheldering te verwachten van een nadere

beschouwing over de modaliteiten van mecenaat en markt: aan de ene kant de opdrachtge­

ver die de schilder dwingende instructies geeft, aan de andere kant de anonieme koper, en

* Marion Peters en Rob Ruurs dank ik voor hun verstandig commentaar op een concept van dit artikel, dat de

basis vormde voor een lezing op het congres Groeperingen en instituties, van de Werkgroep xvue Eeuw, 22 en 23 augustus

1991 te Utrecht.

196


Visies op kunst in Holland

daartussen de vaak vergeten kring van verzamelaars, die als liefhebbers wel persoonlijk con­

tact hebben met de schilders maar zich onthouden van verregaande eisen inzake de voorstel­

ling.

Telkens één opdrachtgever

Het aandeel van opdrachtgevers blijkt bij nader inzien ook in Holland van groot gewicht

te zijn geweest. Wanneer het aantal afbeeldingen als maat wordt genomen, dan is er inde

daad een hoofdrol weggelegd voor de markt, maar wanneer tevens maatstaven zoals be-

roepsprestige, inkomen en prijs worden aangelegd, dan blijkt mecenaat volgens de in Italië

tot bloei gekomen traditie ook in de Republiek van doorslaggevend belang te zijn geweest

voor schilderkunst, beeldhouwkunst en architectuur. Neemt men niet alleen de 'groote

Meacenaten' in beschouwing, dan ontspruit aan de opdrachtverlening ook kwantitatief een

aanzienlijk deel van de beroepsaktiviteit.

In 's-Gravenhage en de buitenplaatsen rond de stadhouderlijke residentie kwam een hof-

mecenaat tot ontwikkeling dat schilders emplooi verschafte voor decoratieprogramma's in

paleizen en landhuizen. Frederik Hendrik (1584-1647) en zijn vrouw Amalia van Solms ga­

ven op grote schaal opdrachten aan Zuidnederlandse, Haarlemse en Utrechtse schilders.

Maar omdat deze allegorische symbolische schilderijen niet pasten in het sedert de late 19e

eeuw gangbare beeld van wat typisch Nederlands is, zijn ze lange tijd terzijde geschoven als

Fremdkörper.

De stadhouder voorzag zijn verbouwde jachtslot Honselaarsdijk van aan de mythologie

ontleende jachtvoorstellingen en 103 portretten van beroemde veldheren, geleerden en kun­

stenaars. Verder liet Frederik Hendrik de galerij te Buren decoreren met schilderingen die

zijn belegeringen tot onderwerp hadden; op de schoorsteen figureerde Vryheyt. Frederik

Hendrik bevorderde als middelpunt van het internationaal georiënteerde Haagse hof een

magnifiek mecenaat. De bekroning van het Hollandse hofmecenaat was de grote zaal in

Huis ten Bosch waar Amalia van Solms het leven van haar kort tevoren overleden gemaal

heroïsch liet uitbeelden.

De stadhouderlijke opdrachten deden nauwelijks onder voor het mecenaat van de toon­

aangevende Europese vorsten uit de 17e eeuw. De gewoontegetrouw met de Franse koningen

gemaakte vergelijking is misleidend, omdat de vorstelijke grandeur in Frankrijk uitzonde

lijk is, en niet de schaal van het Mecenaat in Den Haag en omstreken. Een essentieel verschil

met andere samenlevingen lag in de voorstellingen van de constitutionele positie van de

prinsen van Oranje-Nassau: stadhouder in een federatieve republiek en geen soeverein vorst

binnen een erfelijke hofstaat.

Kenmerkender dan het wel en wee van het hofmecenaat is de grote spreiding van het

stadsmecenaat in de Lage Landen. Stedelijke overheden gaven op grote schaal opdrachten

voor symbolische decoraties. Amsterdam verleende de grootste opdrachten, in rivaliteit met

het stadhouderlijk mecenaat en ter onderscheiding van de kleinere steden, waar bescheide­

ner varianten van dezelfde soort beeldprogramma's werden beproefd. De algemene strek­

king van de voorstellingen was onderling verwant, de uitwerkingen waren specifiek voor de

plaatselijke constellatie: de Amstel in Amsterdam, de Waal in Nijmegen; één stedemaagd

m Amsterdam, tweeherigheid in Maastricht.

De meest ambitieuze opdrachtkunst kwam tot stand in het stadhuis van Amsterdam, 'het

197


Visies op kunst in Holland

achtste wereldwonder', zoals Constantijn Huygens het in 1655 ingewijde gebouw noemde.

De gedetailleerde schildering van het oude raadhuis, die Pieter Saenredam in opdracht had

gemaakt, kreeg er een plaats. Verder betroffen de opdrachten schilderijen met historische

en bijbelse exempelen van onkreukbaarheid, opofferingsgezindheid, wijsheid en moed. Een

voorbeeld is de schildering van Ferdinand Bol met als onderwerp de onverschrokkenheid van

de Romeinse consul Caius Fabricius Luscinus. Eerst probeerde de vijandelijke koning Pyrrhus

hem om te kopen en vervolgens trachtte hij hem schrik aan te jagen door een olifant te

doen verschijnen, maar, zo toont Bol op zijn schildering, de consul liet zich niet van de wijs

brengen. Tegenover deze voorstelling hing in de burgemeesterskamer 'Marcus Curius Dentatus

prefereert een gerecht van rapen boven de geschenken van de Samnieten' van Govaert

Flinck, die nogmaals het ideaal van onomkoopbaarheid door een historisch exempel tot uitdrukking

bracht.

198


Visies op kunst in Holland

Voor de publieke galerij rond de burgerzaal bestelden de Amsterdamse bestuurders monumentale

schilderijen die de opstand van de Bataven tegen de Romeinse keizer in beeld

brachten. Rembrandt maakte een uitbeelding van de 'Eed van Julius Civilis', de eenogige

Germaanse volksleider die een samenzwering had beraamd en toentertijd gold als protagonist

van Hollands patriottisme. De opdrachtverlening verliep conform het gangbare patroon.

De conventies voorzagen in een duidelijke opdracht aan de schilder die een opgegeven

thema door zijn vermogen tot tekenen en ontwerpen visualiseerde, eerst door schetsen aan

zijn opdrachtgevers te laten zien en vervolgens door ze op groot formaat uit te werken. De

acht lunetten bleven onvoltooid en één, de schildering van Rembrandt, werd in 1663 vervangen

door een werk van Juriaen Ovens met hetzelfde onderwerp.

Naast de stedelijke overheden waren er vele andere bestuurlijke instellingen aktief als opdrachtgevers,

die belerende afbeeldingen lieten maken. Overkoepelende organisaties, zoals

de admiraliteiten, kerken, het hoogheemraadschap Rijnland in Leiden en Halfweg, de Verenigde

Oostindische Compagnie in Amsterdam, Rotterdam, Hoorn en Batavia en de Staten

Generaal in Den Haag gaven opdrachten voor schilderingen die hun posities bekrachtigden.

Monumentale verhalende voorstellingen kenden in de Republiek een grote verspreiding.

Op grote schaal lieten de officieren van schutterijen en de regenten van gilden, tuchthuizen,

hospitalen en armenhuizen groepsportretten schilderen. Deze opdrachten vormden de

overgang van het institutionele mecenaat naar de particuliere opdrachtverlening. In de huizen

van de welgestelde burgers konden de schilders verder emplooi vinden in opdrachten voor

portretten met al of niet uitvoerig bijwerk, waarin symbolische betekenissen tot uitdrukking

komen. Planten of voorwerpen verduidelijkten ideeën over de geportretteerden: van goed

bestuur tot echtelijke trouw, van rijkdom tot vruchtbaarheid, van armenzorg tot liefde voor

de kinderen. Deze opdrachten verbonden in beeld openbaar bestuur met het privéleven.

De enorme stroom grote opdrachten in de steden berustte op de rijkdom, invloed en geestelijke

ontwikkeling van de regenten, die optraden als opdrachtgever ten behoeve van overheden

en van zichzelf. De situatie in Amsterdam gedurende de 17e eeuw vertoont wat dat

betreft grote overeenkomsten met Florence gedurende de 15e eeuw. De Hollandse tegenhangers

van de geslachten Medici, Sassetti, Tornabuoni, Vespucci en Strozzi waren de families

Bicker, De Graeff, Reynst, Six, Trip, Tulp en Witsen.

De opdrachtkunst kenmerkt zich door voorstellingen met bedoelde betekenissen, die vaak

zijn verduidelijkt door opschriften, begeleidende publikaties en een repertoire van standaardsymbolen.

Opdrachtgevers en adviseurs schreven traditiegetrouw aan afbeeldingen

een belerende werking toe. Deze oorspronkelijk kerkelijke visie op kunst werd, enigszins

aangepast, in gereformeerde en geseculariseerde kringen overgenomen; ze bleef maatgevend

voor het mecenaat.

Het wonderlijke is nu, dat dit soort schilderingen weinig aandacht krijgen in de recentelijk

weer opgelaaide discussies over realisme, schijnrealisme, verborgen symboliek en dubbele

betekenissen. In de late 19e eeuw heerste de gedachte dat de Hollandse schilderkunst naar

analogie met het Franse impressionisme 'realistisch' van aard was. In de loop van de 20e

eeuw kwam de iconologie tot ontwikkeling, een specifieke vorm van 'beeldleer' die gericht

was op het achterhalen van symboliek; het 'realisme' werd ontmaskerd als 'schijnrealisme',

moraliserende symboliek zou schuil gaan achter alledaagse voorwerpen en de betekenissen

zouden uit meerdere lagen bestaan. Geleerden konden hun eruditie demonstreren aan de

hand van wat tot dan toe slechts de alledaagse werkelijkheid leek te zijn. Een jongere generatie

kunsthistorici heeft vervolgens met enige nadruk afstand genomen van de aanvankelijk

199


Visies op kunst in Holland

succesvolle iconologische methode door te wijzen op fouten in gemaakte duidingen en door

de kunstzinnige aard van schilderingen opnieuw centraal te stellen.

De in opdracht gemaakte afbeeldingen in openbare of semi-openbare gebouwen spelen

in de recente debatten ten onrechte nauwelijks een rol. Ze zijn wel degelijk relevant omdat

de moraliserende intenties buiten kijf staan en het vaak mogelijk is de symboliek te achterhalen

door verbanden te leggen met teksten: traktaten, opdrachtbrieven of begeleidende opschriften.

Bovendien is de openbare opdrachtkunst de goed gedocumenteerde bron waaruit

andere kunstvormen tot ontwikkeling zijn gekomen.

De in opdracht gemaakte schilderingen geven, zoals we hebben gezien, nauwelijks aanleiding

tot onduidelijkheid: ze hebben een beschavende, door beeldtraditie en teksten verhelderde

bedoeling in het maatschappelijk leven. Het sociale verband waarvoor de debatten

gelden, is evenwel niet de opdrachtgever maar de verzamelaar, in het bijzonder die van een

kleine groep verfijnde schilderijen. Hoe belangrijk opdrachtgevers ook waren, de schilderijen

waarop de roem van de Hollandse schilderkunst in hoge mate berust, zijn zelden in opdracht

gemaakt.

Kringen van verzamelaars

De verzamelaarskunst stamt uit de traditie van de opdrachtkunst en ontwikkelt zich als eigen

genre. Bij de seculiere privékunst is een belerende bedoeling niet direct te documenteren, zo-

200


Visies op kunst in Holland

als wel het geval is bij de openbare kunst en bij de religieuze kunst die mensen in huis hadden

voor meditatie, devotie, gebed of misviering bij een huisaltaar. Bij beide beeldtradities zijn

de moraliserende intenties uitvoerig beschreven en bediscussieerd door theologen en huma­

nisten. Naast deze twee tradities zijn er nog andere bronnen, namelijk het in opdracht uitge­

voerde beeldprogramma voor paleis of villa in de vorm van een frescocyclus of een reeks na­

gelvaste paneelschilderingen met een gezamenlijk thema en de collecties in Kunst- en Wunder-

kammer. Ook hiervoor bestaan traktaten die de functies en de meest geschikte onderwerpen

van dergelijke afbeeldingen in verschillende soorten vertrekken behandelen. Bij nieuwe, niet

christelijke voorstellingen in de privésfeer is continuïteit in deze alom verbreide opvattingen

over moraliserende functies van afbeeldingen aannemelijk, maar in het kader van verzame­

lingen treden verschuivingen op in de manieren waarop schilderingen beschavende functies

vervullen. Deze verschuivingen betreffen de onderwerpen, de schilderwijze en appreciatie

daarvan alsmede de status van schilders.

In de kunstkamer is meer dan in stadhuis of privékapel ruimte voor visueel vermaak, ver­

mengd met literaire en schilderkunstige spitsvondigheden, zowel bij beschouwers als bij

schilders. Het schilderij als verzamelobject emancipeert zich als genre met eigen kenmer­

ken; een klucht laat zich niet duiden als lofdicht, een kabinetstuk niet als een stadhuisdecora­

tie. Dit impliceert dat de iconologische methode, die succesvol is gebruikt voor publieke op­

drachtkunst en voor devotionele afbeeldingen, zich moet voegen naar de verzameling als

geheel.

De schilderijen in collecties bevatten vaak personages in een interieur. De context valt bui­

ten die van rechtspraak, handel en politiek; het gaat om andere facetten van het samenleven

dan het openbaar bestuur dat door deftige heren wordt uitgeoefend. Dit houdt niet in dat

deze voorstellingen los staan van beschavingsidealen; het impliceert dat ze zijn gericht op

een ander verband, namelijk het privéleven. In dat verband komen de verschillende rollen

van vrouwen meer tot hun recht dan in de openbare gebouwen waar vrouwen voornamelijk

figureren als personificaties van mannelijke deugden. De voorstellingen bieden in het huise­

lijk leven oriëntaties voor deugdzaam en verstandig leven. Geliefde onderwerpen zijn: inko­

pen van voedsel, koken en eten; bediend worden en laten schoonmaken; kinderen opvoeden;

wandelen, varen en paardrijden; lezen, musiceren en kijken. Net als de publieke schilde

kunst gaat het om mensen, maar in andere situaties en in andere verhoudingen.

De toon is ten opzichte van de bestuurskunst dan ook minder ernstig, nadrukkelijk en ver­

heffend; binnen de privékunst hoeft de sfeer niet zwaarwichtig te zijn; de voorstellingen kun­

nen ook amuseren of prikkelen; juist daardoor kunnen ze effectiever zijn in het overbrengen

van gedragsstandaarden dan wanneer ze streng beleren. De voorstellingen appelleren aan

emoties variërend van de verleidingen van zinnelijk genot buiten het huwelijk tot de angst

voor vergankelijkheid van de jeugd. Binnen dit genre schilderingen ontstaan nieuwe tradi­

ties: een lichtvoetiger toon vindt naar analogie met de klucht, die ook zijn moraliserende

inslag behoudt, ingang.

Bij het ontbreken van toelichtende teksten blijkt het precies achterhalen van betekenissen

soms lastig te zijn; dat is bij opdrachtkunst niet anders, maar die laat zich doorgaans beter

documenteren. Oplossingen worden slechts in een enkel geval door een tekst aangereikt, zo­

als op een stukje papier bij een dame in een raamopening waarop staat 'kamer te huer' (op

een werk van Abraham Snaphaen in de Lakenhal te Leiden), of 'Geckie met de kous' boven

een jonge vrouw die onder het toeziend oog van een nar een kous aantrekt. Tekst en beeldtra­

ditie maken de scène herkenbaar als een schalks samenzijn. Met het ontstaan van beeldtra-

201


Visies op kunst in Holland

dities worden teksten overbodig. Vaste elementen zijn het bed, een half ontklede vrouw en

obscene gebaren, zoals het aantrekken van een kous, het steken van een vinger door een

moot zalm of het stoppen van een worst. Voorstellingen met een man en een vrouw kunnen

binnen amoureuze verhoudingen ook wat minder uitbundig zijn door een keurig geklede

dame een heer te laten inviteren tot gezamenlijk musiceren en door pispot en nar achterwege

te laten.

De herkenbaarheid van voorstellingen, die berust op teksten, beeldtradities en genres die

beide verenigen (zoals emblemen), neemt af bij toenemende variaties, bij onduidelijkheid

van het genre en bij verandering van sociale context. Waar teksten ontbreken en beeldcon­

venties vervagen doen zich interpretatieproblemen voor: de oorspronkelijke betekenissen

blijven voor latere beschouwers verborgen, hetgeen echter niet impliceert dat het oorspron­

kelijk de bedoeling was dat betekenissen verhuld bleven.

Terug naar de verzamelaar. Enig houvast voor interpretatie biedt informatie over de oor­

spronkelijke context van het schilderij: verslagen van bezoeken, privécorrespondenties, reis­

beschrijvingen, boedelinventarissen en veilingcatalogi. Deze gegevens wijzen uit dat de met

grote netticheyt gemaakte schilderijen overwegend zijn gemaakt voor overzichtelijke netwer­

ken van vermogende verzamelaars. Meestal maakten de opdrachtgevers - privé en institu­

tioneel - deel uit van die kringen van liefhebbers. De aanleiding voor de produktie was dus

noch een welomschreven opdracht, noch produktie voor de vrije markt. Het verzamelwezen

houdt het midden tussen mecenaat en markt.

Er blijkt zelden één te identificeren opdrachtgever te zijn geweest, en evenmin een onbe­

kende koper. De bestemming was een verzamelaar uit een kleine kring van mensen die soms

een voorschot of jaargeld betaalden, soms na atelierbezoek aankochten. Ze kenden elkaar

veelal uit de eigen stad en uit de Hollandse regentenstand. Deze lokale verzamelaars kregen

al heel snel concurrentie van de groep diplomaten die in Holland zaken deden en uit het

de kring van Europese vorsten. De cultuur van dit selecte gezelschap was cosmopolitisch.

Er kwam een Hollandse naam voor deze beschaafde mensen. De auteur van een kunsttheo­

retisch traktaat uit de omgeving van Dou en zijn verzamelaars, Philips Angel, noemde ze

in navolging van Karei van Mander 'Konstbeminnende Liefhebbers' en 'Konstbeminders'.

De Nederlandse kunst was als verzamelobject niet uniek en ontwikkelde zich geenszins

als geïsoleerd verschijnsel. Bijzonder was de technische verfijning en graad van detaillering,

congran nettezza zoals de vertegenwoordiger van Cosimo m, de aartshertog van Toscane, het

door zijn patroon begeerde werk van Frans van Mieris omschreef. Het type schilderij dat

werd bemind door de geletterden en vermogenden komt overeen met de schilderijen die Ita­

liaanse en Spaanse schilders voor verzamelaars vervaardigden; de wetenschappelijke pro­

blemen die ze voorlatere generaties onderzoekers schiepen evenzeer. Het blijkt immers ook

al bij de verzamelaarskunst van Giorgione niet mogelijk te zijn om van elk afzonderlijk schil­

derij te achterhalen wat nu precies de bedoeling was. De varianten die beproefd werden bin­

nen het raamwerk van een compositie met figuren en enkele voorwerpen in een landschap

of in een interieur hebben latere beschouwers verleid tot uiteenlopende, soms wilde specula­

ties, maar consensus is niet bereikt.

De moeilijkheden bij het decoderen van voorstellingen liggen ten dele in de omstandig­

heid dat dit soort werk als categorie wel voor een te identificeren kring van collectioneurs

werd gemaakt, maar niet per stuk voor één persoon die een schilder bindt aan specifieke

verlangens inzake de voorstelling. Wanneer verzamelaars vooraf contact hadden met een be­

roemde schilder, dan bleven richtlijnen over de voorstelling vaak achterwege, of de wensen

202


Visies op kunst in Holland

Afb. 3. Johannes Vermeer, Allegorie op de schilderkunst (wrs. ca. 1671/2). Doek, 120 x 100 cm. Wenen,

Kunsthistorisches Museum.

waren heel algemeen; in een enkel geval werden ze door een beroemd kunstenaar, die zich

dat kon veroorloven, geheel genegeerd.

De problemen worden nog vergroot door het ontbreken van informatie. De eerste bezitter

is zelden te achterhalen, wat gerichte interpretaties tot een hachelijke aangelegenheid

maakt. In welke omgeving schilderijen oorspronkelijk hingen - met andere schilderijen,

sculpturen en penningen, zeldzame voortbrengselen van de natuur, kostbare voorwerpen

en met boeken - is meestal niet meer vast te stellen. Evenmin is te achterhalen hoe de kasten,

dozen of luiken waarachter deze pronkstukken schuilgingen, er uitzagen. Dat geldt ook voor

de lijsten met opschriften en wapens. Boedelbeschrijvingen bieden doorgaans weinig soelaas,

omdat de beschrijvingen van de voorstellingen summier zijn en de naam van de schilder

lang niet altijd betrouwbaar is. Kunsttheoretische beschouwingen vertegenwoordigen

ook een eigen retorische traditie en bieden daarom slechts ten dele de gewenste informatie.

203


Visies op kunst in Holland

Hierdoor worden schilderijen noodgedwongen en met alle risico's van dien, uit hun verband

gelicht. Het louter bepalen van de kunstzinnige kwaliteit is dan een wetenschappelijke nood­

oplossing, die geen recht doet aan het rariteitenkabinet, de bibliotheek of de huisinrichting

waarvan het schilderij deel uitmaakte.

Dat het verstandiger is de aandacht te richten op groepen schilderijen die in een gelijk­

soortige context zijn ontstaan, hangt samen met een kenmerkende eigenschap van het verza­

melwezen: het rouleren van zeldzaamheden. In tegenstelling tot de 'spijkervaste' decoraties

in openbare gebouwen hingen de collectors items zelden langdurig op één plaats in een vast

verband. Ze hadden geen blijvende bestemming, maar werden geruild, verkocht, nagelaten,

geveild en weggegeven, zodat ze te zien zijn in wisselende opstellingen. De collecties van bur­

gers bestonden hoofdzakelijk uit schilderijen uit de eigen stad. Het hoogste echelon bezat

ook andere bijzonderheden, van zeldzame fossielen tot kopieën van antieke beelden. Eén

toegespitste belerende boodschap was zowel in de lokale als in de cosmopolitische verzame­

ling nadelig bij de beoogde optie: met winst, in eer of geld, rouleren binnen een netwerk

van geletterde en welgestelde liefhebbers, die in kunst handelden, haar taxeerden en uitwis­

selden als geschenk.

De onthechting ten opzichte van uitgesproken belerende betekenissen was groter naarma­

te schilderijen meer bedoeld waren voor liefhebbers buiten de eigen stad en het eigen gewest,

kortom buiten de plaatselijke cultuur, en naarmate ze meer bestemd waren voor een plaats

tussen oude kunst en zeldzame naturalia, artificialia en scientijicta die hun oorspronkelijke

functies in de nieuwe context al eerder hadden verloren.

Binnen verzamelingen ligt het uitgesproken belang van vakmatige kwaliteit. Die geldt

hier nog meer dan bij kunst in bestuursgebouwen. Visueel genoegen in het ten toon gesprei­

de meesterschap van schilders, die al het denkbare en zichtbare 'net echt' konden afbeelden,

was van eminente betekenis. De artistieke rangorde van meesters vergrootte de kracht van

schilderijen als statussymbool. Het kwam daardoor, nog meer dan in opdrachtsituaties, aan

op de voortreffelijke uitbeelding van lichtwerking, stofuitdrukking, levendigheid en bewe­

ging. Een op de Oudheid teruggaande literaire traditie gaf voorbeelden van wat moeilijk

is om te schilderen: storm en onweer, bewegende voorwerpen, menselijke emoties en ver­

schillende soorten belichting. De voortreffelijkheid waarmee schilders dergelijke abstracties

leerden uitbeelden, eerst als bijwerk en later als hoofdvoorstelling, verzelfstandigde zich als

beoordelingscriterium ten opzichte van de boodschap. Uitzonderlijk vakmanschap maakte

schilderijen tot begeerd bezit bij de elite, in Holland en elders.

Visuele virtuositeit ging uiteraard verder dan 'realisme' en gold vooral het vermogen om

het nog niet eerder vertoonde te laten zien. De piskijkers, trompetters, kwakzalvers en snol­

len trof je op straat niet aan zoals ze werden geschilderd, en mede daarom waren ze gewild:

van Rotterdam tot Amsterdam, van Wenen tot Londen en van Florence tot Stockholm. De

ontwikkeling van eigentijdse schilderijen als verzamelobject voltrok zich gelijktijdig in een

lokaal en in een Europees verband. In de combinatie van lokale, gespecialiseerde schilderij­

enverzamelingen en cosmopolitische collecties maakten de Hollandse fijnschilders furore.

Aan relaties met kunstliefhebbers ontleenden schilders een bijzondere status. Het etale­

ren van meesterschap werd voor collectioneurs nog belangrijker dan het al was voor op­

drachtgevers. Met specifieke vaardigheden in het schilderen van bont en veren naast wortels

en kool, in het afbeelden van tegelvloeren of gewelven en in het combineren van helder zon­

licht met het schijnsel van een kaars trokken schilders de aandacht van koopkrachtige lief­

hebbers. Zo bouwden enkele schilders uit Leiden, Delft, Haarlem en Amsterdam via een

204


Visies op kunst in Holland

Afb. 4. Gerrit Dou, Zelfportret (1663). Paneel,

50 x 40 cm. Kansas City, William Rockhill Nelson

and Atkins Museum of Fine Arts.

netwerk van verzamelaars een carrière op die voorzag in een regelmatige afzet, een hoog inkomen

en een groot prestige. Aanzien en een goede afkomst golden voor de meeste schilders

van complexe voorstellingen; ze verkochten hun werk aan mensen die net als zij zelf geletterd,

welgesteld en bereisd waren. Hun status was even hoog of soms zelfs hoger dan het aanzien

van in opdracht werkende vakgenoten die 'internationaal' minder roem oogsten.

De sociale posities van Rembrandt en Vermeer zijn beide, hoe verschillend ook, illustratief

voor de Hollandse beroepsstratificatie. Rembrandt bekroonde zijn loopbaan niet als

hofschilder buiten de Republiek en evenmin als hooggeëerd schilder van de stadhouder of

van de stad Amsterdam. In dat opzicht wijkt zijn loopbaan af van bij voorbeeld Giotto, Simone

Martini, Rubens en Velasquez. Rembrandt is één van de eerste schilders met een veelbelovende,

maar stagnerende carrière in het circuit van grote opdrachten; deze stagnatie

heeft hij niet duurzaam weten op te vangen door te oogsten in het circuit van kapitaalkrachtige

kunstliefhebbers. Openlijk beleden buitenechtelijke verhoudingen en een faillissement

plaatsten de schilder buiten het milieu waar hij aanvankelijk veel succes had. Als ondernemer

in de moeilijk te taxeren mengvorm van mecenaat en markt in de Nederlanden bleek

Rembrandt uiteindelijk te falen. De beste mogelijkheden lagen voor de Hollandse schilders

in het verzamelwezen, maar dat was een beroepsperspectief met hoge winstkansen en grote

risico's. Ook Vermeer, wiens werk bij enkele collectioneurs zeer in trek was, heeft dit aan

het eind van zijn korte leven evenzeer ondervonden. Economische crisis, de aanwezigheid

van het leeuwedeel van een klein oeuvre in één Delftse verzameling (van Pieter van Ruijven)

en een vroege dood stonden een doorbraak in de weg, die Dou, Frans van Mieris en Van

der Werff wel ten deel viel. Zowel Rembrandt als Vermeer zijn door de omstandigheden van

mecenaat en markt gestrand op weg naar nog groter roem.

205


Visies op kunst in Holland

Talloos veel kopers

De kermis bood een ander soort, visueel vermaak dan een kunstkamer en er viel voor schilders

minder roem te oogsten. Ook de middenklasse wenste, in navolging van de regenten,

diplomaten, edelen en vorsten, visueel vertier thuis. Schilderij en prent werden een dalend

cultuurgoed, bij uitstek in de Republiek, omdat zich daar een bredere maatschappelijke

middenlaag ophield dan elders in Europa. Door dit proces van cultuurspreiding veranderde

de beeldende kunst opnieuw van aard en functie.

Afbeeldingen werden in vergelijking met de opdrachtkunst en de verzamelaarskunst

goedkoper, eenvoudiger van voorstelling en minder verfijnd van makelij. Niet de voortreffelijke

weergave van het meest verleidelijke was de eis, maar met een aardige afbeelding van

iets eenvoudigs was men al tevreden. Naast de kostbare en bewerkelijke figuurstukken ontstond

een, in aanvang, lokale markt voor eenvoudige, monochrome landschappen, die door

de opzet in enkele tinten en door veel lucht en water snel te maken waren. Schilders onder

wie Esaias van de Velde, Pieter Molijn, Jan van Goyen en Salomon van Ruysdael ontwikkelden

dit genre en ontgonnen dit marktsegment.

Over de eerste afnemers van schilderingen die voor de anonieme markt werden geproduceerd,

is nog minder bekend dan over de gefortuneerde liefhebbers. Waar de traditie van

specifieke symboliek bij de verzamelaarskunst hier en daar al taande, daar vervaagden betekenissen

nog verder bij werk dat voor onbekende kopers bestemd was. De voorstellingen

moesten een zo groot mogelijk publiek aanspreken. Aansluiting bij de ervaringen in het dagelijks

leven, waarbij ook de standaardmoraal hoorde, en verwantschap met de kunst in het

bezit van de beter gesitueerden bevorderden de verkoopbaarheid. Waar associaties met bijbelteksten,

moraliserende traktaten of komische toneelstukken gewenst waren, werden teksten

of enkele herkenbare attributen toegevoegd. Wat bij de kunst voor de liefhebber al onwaarschijnlijk

is, namelijk gecompliceerde, doelbewust verborgen betekenissen, lijkt bij de

kunst voor boer en bakker uitgesloten.

Het is nog steeds de wijsheid van de kunsthandelaar: goed ogende, aardig gekleurde, niet

al te ingewikkelde en algemene onderwerpen verkopen het best. En wie geen topkwaliteit

kon betalen, moest het met minder doen. In deze laatste categorie valt de produktie van

goedkope schilderijen, tekeningen en prenten, die in de 17e eeuw opliep tot vele miljoenen:

een boot op zee, een boer in een dorp, een boom aan een rivier, een tronie van een rokende

man, een hoer in een herberg en een stilleven met groente.

Schommelingen in de vraag en de structurele afname die omstreeks 1670, onmiddellijk

na het grote lokale en internationale succes, begon, maar pas later duurzaam doorzette,

brachten schilders in moeilijkheden. Sommigen zochten hun heil in een alternatieve nering,

anderen raakten in financiële problemen. De kwetsbaarheid van produktie zonder betaling

vooraf kon worden ondervangen door werk in opdracht aan te nemen, bij voorbeeld twintig

zeegezichten die vervolgens op kermis en jaarmarkt werden verhandeld. Een belangrijk deel

van het seriewerk voor de markt werd gemaakt in opdracht van een kleine groep tussenpersonen

die het financieel risico droegen en de winsten opstreken. In opdracht werd ook standaardwerk

gemaakt: van uithangborden tot kopieën van bestaande afbeeldingen, in het bijzonder

portretten, geschilderd of in de vorm van prenten.

De opdrachten voor standaardwerk verschilden uiteraard van de aan het begin genoemde

opdrachten voor beeldprogramma's in paleizen en stadhuizen. Een overgangsgenre vormen

de in opdracht gemaakte topografische schilderingen, variërend van een gebouw of stadsge-

206


Visies op kunst in Holland

Afb. 5. Esaias van de Velde, Landschap met twee ruiters (1614). Paneel, 25 x32,5 cm. Enschede, Rijks­

museum Twenthe.

zicht tot een veld- of zeeslag. De grote en verfijnde varianten daarvan waren kostbaar en

hun natuurgetrouwheid had een symbolische strekking: de afbeelding documenteerde de

grootsheid van de instelling die de opdracht had gegeven. Zo sluit de cirkel zich tot een be­

roepsveld in parten: van opdrachtgevers, verzamelaars en kopers tot opnieuw opdrachtge­

vers, die samen de mogelijkheden schiepen voor enkele voortreffelijke en vele middelmatige

schilders in Holland gedurende de 17e eeuw.

Opdrachten voor onderzoek

De in de aanhef gesignaleerde kloof tussen oude overzichtswerken en nieuwe, specialistische

discussies is nog lang niet overbrugd. Per collectie zou nagegaan moeten worden hoever de

autonomisering van de artistieke kwaliteit ging. Detailstudie is een remedie tegen het terug-

projecteren van pas later geformuleerde opvattingen over /'artpourl'art, zoals sommigen nu

weer geneigd zijn te denken. Voor een reeks collecties zou bekeken moeten worden of de

veronderstelde iconografische slijtage, verhulling, verdamping en verslapping - aan meta­

foren geen gebrek - waarneembaar is. Voorstellingen op prenten en schilderijen zouden

kunnen uitwijzen dat kenners zich vermaakten met het ontraadselen van afbeeldingen, zo­

als ze dat eeuwenlang met deviezen deden. Is het aantoonbaar dat connaisseurs toen al el­

kaar met ingenieuze associaties de loef afstaken en het ontcijferen van visuele codes tot roe­

ping verhieven? Het scheppen van raadselachtigheid werd in de context van collecties een

doel; daarin zijn de schilders bij hergebruik geslaagd, getuige de latere geschiedenis van in­

terpretaties over de 'Storm' van Giorgione en 'Natuur, Onderwijzing en Oefening' van

Dou.

207


Visies op kunst in Holland

Er is pijnlijk veel onbekend, zowel in grote lijnen als op tal van onderdelen: de grootte

van de afzonderlijke delen van het beroepsveld; de sociale onderverdelingen binnen groepen

van schilders, opdrachtgevers, verzamelaars en kopers; de invloed van uiteenlopende religieuze

overtuigingen; schakeringen binnen het spectrum van belerende symboliek tot

kunstzinnig vermaak; de opstelling van verzamelingen en de variaties in samenstelling; de

relatie tussen maatschappelijke context en schilderkunstig genre; regionale verschillen binnen

de Republiek; het specifieke van de Hollandse schilderkunst in de 17e eeuw; en het verloop

van dat alles in de tijd.

Het is mijn overtuiging dat onderzoekers, hoe verschillend persoonlijk ook en hoezeer

wortelend in uiteenlopende intellectuele tradities, geen schade zullen ondervinden van een

beter begrip van de sociale context rond afbeeldingen. Deze algemene beschouwing over

dit in de wetenschappelijke discussies nogal verwaarloosde aspect van de Hollandse schilderkunst

tijdens de Republiek wijst uit dat zich in hoofdzaak drie maatschappelijke bestemmingen

laten onderscheiden: grote aantallen kopers, telkens één opdrachtgever en daartussen

een sociaal overzichtelijke, maar geografisch brede kring van verzamelaars. Deze varianten

in herkomst lijken te corresponderen met posities die individuele schilders binnen een beroepshiërarchie

konden bereiken en met betekenissen van voorstellingen.

De vele miljoenen, naar voorstelling eenvoudige en naar formaat bescheiden schilderijen

die voor de markt werden gemaakt, hadden geen ingewikkelde betekenissen. De vaklieden

die zich specialiseerden in dergelijk standaardwerk, vormden de basis van het schildersberoep.

Kenmerkend voor Holland was de breedte van deze basis, de vele schilders en

hun economische kwetsbaarheid. De basis van het beroep berustte op eenvoudig vakwerk

dat soms ook in opdracht werd gemaakt, voor een opdrachtgever als eindbestemming of

met het oog op winstgevende verkoop via de markt. Bij de welomschreven institutionele

opdrachten hoorden traditiegetrouw meestal symbolische en moraliserende voorstellingen,

die met behulp van teksten werden verhelderd. Dit type mecenaat week in Holland niet

wezenlijk af van dat in Italië of Frankrijk, met dien verstande dat de sociale samenstelling

van de opdrachtgevers conform de opbouw van de samenleving in de Republiek anders

was dan die in de Europese hofstaten. Kenmerkend voor de beroepssituatie in Holland

was dat de in publieke opdrachtkunst gespecialiseerde schilders niet duurzaam een elitepositie

bereikten, die vergelijkbaar is met de roem welke de meest succesvolle in opdracht

werkende kunstenaars in andere cultuurcentra ten deel viel. De geslaagde meesters die

opdrachten uitvoerden van Hollandse overheden bekroonden hun loopbaan zelden met

een eervolle aanstelling aan een van de toonaangevende hoven. Succes in de grote wereld

was wel weggelegd voor de schilders die een plaats vonden tussen de uitersten van één bekende

opdrachtgever en de vraag van vele anonieme afnemers: in de kringen van geletterde

en vermogende liefhebbers. Daarbij laten zich twee lagen onderscheiden: de Hollandse

burgers met een gespecialiseerde verzameling en de Europese adel met een breed samengestelde

collectie. Tussen de publieke opdrachten en de produktie voor een anonieme markt

bevonden zich de verfijnde schilderijen van enkele deftige vaklieden die voor vermogende

verzamelaars werkten. De Hollandse schilderkunst beleefde haar bloei in de context van

cosmopolitische collecties.

208


Enige literatuur

Overzichtswerken:

J. Huizinga, Nederland's beschaving in de zeventiende eeuw (Haarlem 1941)

Visies op kunst in Holland

E. dejonghe.a., Tot lering en vermaak. Betekenissen van Hollandse genrevoorstellingen uit de zeventiende eeuw (Catalogus ten­

toonstelling Amsterdam 1976)

B. Haak, Hollandse schilders in de Gouden Eeuw (Amsterdam 1984)

J.M. Montias, 'Socio-economic Aspects of Netherlandish Art from the Fifteenth to the Seventeenth Centuries: a

Survey', Art Bulletin 72 (1990) 358-373

Kunsthistorische interpretaties en debatten:

S. Alpers, The Art of Describing. Dulch Art in the Seventeenth Century (Chicago 1983)

J. Bruyn, 'Towards a Scriptural Reading of Seventeenth-Century Dutch Landscape Painting' in: P.C. Sutton,

Masters of17th-Century Dutch Landscape Painting (Catalogus tentoonstelling Amsterdam, Boston, Philadelphia

1987-1988) 84-103

J.B. Bedaux, The Reality of Symbols. Studies in the Iconology of Netherlandish Art 1400-1800 (Den Haag 1990)

J. A. Emmens, 'Natuur, Onderwijzing en Oefening. Bij een drieluik van Gerrit Dou' in: Album Discipulorum, aange­

boden aan Prof. dr. J. G. van Gelder (Utrecht 1963), herdrukt in Kunsthistorische opstellen n (Amsterdam 1981) 181-187

E. de Jongh, Zinne- en minnebeelden in de schilderkunst van de zeventiende eeuw (Amsterdam 1967)

P. Hecht, De Hollandse fijnschilders van Gerard Dou tot Adriaen van der Werff (Catalogus tentoonstelling Amsterdam,

Den Haag 1990)

H. Miedema, Kunsthistorisch (Den Haag 1989)

E.J. Sluijter, 'Belering en verhulling? Enkele zeventiende-eeuwse teksten over de schilderkunst en de iconologische

benadering van Noordnederlandse schilderijen uit deze periode', De zeventiende eeuw. Cultuur in de Nederlanden in

interdisciplinair perspectief 4 (1988) 3-30

Opdrachtgevers:

A. Blankert, Kunst als regeringszaak in Amsterdam in de zeventiende eeuw. Rondom schilderijen van Ferdinand Bol (Amsterdam

1975)

A. Blankert e.a., God en de goden. Verhalen uit de bijbelse en klassieke oudheid door Rembrandt en zijn tijdgenoten (Catalogus

tentoonstelling Amsterdam, Washington, Detroit 1981)

B. Kempers, 'De moraal van de kunst. Opdrachten in overheidsgebouwen sinds de "Gouden Eeuw" ' in: J.C. Dage­

vos red., Kunst-Zaken. Particulier initiatief en overheidsbeleid in de wereld van de beeldende kunst (Kampen 1991) 79-147

G.Th. Lemmens, 'De schoorsteenstukken in het Nijmeegse stadhuis', Numaga 14 en 15 (1967-1969) 49-68

G. Schwartz, Rembrandt. Zijn leven, zijn schilderijen (Maarssen 1984)

G. Schwartz en M.J. Bok, Pieter Saenredam. De schilder en zijn tijd (Den Haag 1989)

Verzamelaars:

A . M . Logan, The 'Cabinet' of the Brothers Gerard and Jan Reynst (Amsterdam 1979)

J.M. Montias, Vermeer. A Web of Social Hislory (Princeton 1989)

R W. Scheller, 'Rembrandt en de encyclopedische kunstkamer', Oud Holland, 84 (1969) 81-147

E.J. Sluijter, 'Schilders van "cleyne, subtile ende curieuse dingen". Leidse fijnschilders in contemporaine bronnen

in: Leidse fijnschilders. Van Gerrit Dou tot Frans van Mieris de Jonge 1630-1760 (Catalogus tentoonstelling Leiden,

Zwolle en Leiden 1988) 15-55

J. van der Waals, De prentschat van Michiel Hinloopen. Een reconstructie van de eerste openbare papierkunstverzameling in Nede

land (Catalogus tentoonstelling Amsterdam, Den Haag 1988)

Kopers:

H. Floerke, Studiën zur niederlandischen Kunst- und Kulturgeschichte. Die Formen des Kunsthandels, das Atelier und die Summier

in den Nieder landen von 15. - 18. Jahrhundert (München, Leipzig 1905)

A . M . van der Woude, 'De schilderijenproduktie in Holland tijdens de Republiek. Een poging tot kwantificatie'

in: J.C. Dagevos red., Kunst-Zaken (Kampen 1991) 18-50

209


Marijke Spies

Betaald werk? Poëzie als ambacht in de 17e eeuw

Mecenassen en andere opdrachtgevers

Soo men Maecenates vonde

In het schoone Nederlandt,

Menigh, die nu gaet te gronde,

Soude vlieghen met verstand:

(Vlieghen door de vochte woleken

End' in onse tael vertokken

Wijsheyds onvervalschste Leer)

Die nu (laci!) moet versmooren,

Ende roept dat elck magh hooren;

Sonder hulp can ick niet meer!

Ja, als er mecenassen waren, dan zouden heel wat dichters die het nu op moeten geven, hun

boeken vol wijsheid schrijven. Zo klaagt in 1615 de Amsterdamse dokter-dichter Jacobus Vi-

verius, zich ook wel noemende Philologus Philiatros a Ganda, in zijn verzameling sterke ver­

halen De winterscheavonden. Hij herinnert aan de landjuwelen vroeger in de zuidelijke Nede

landen en de bijdragen die de landsheren daaraan plachten te geven. Maar nu

heeft men ghenoegh te doen, om den armen (schamele ms) cost te winnen: soo dat het

grootelicks te verwonderen is, dat men noch yemandt vindt die onse Const verachtende

eeuwe de Roosen synes ghedichts voorwerpt, om met vuyle voeten vertreden te worden. 1

De woorden moeten uit zijn hart gekomen zijn: de vele 'Roosen synes ghedichts' hebben

hem rijkdom noch roem gebracht.

Maar ook een wel beroemde dichter als Vondel wordt volgens zijn biograaf Geeraardt

Brandt maar schaars beloond. Zo schrijft hij:

Maar dees groote Dichter, die zoo veel groote persoonaadjen, Prinsen, Vorsten, Konin­

gen en Helden verplichtte, door onsterffelyken lof, hun toegezongen, hadt met al zyn

dichten en edelen arbeidt niet eenen Mecenas of Augustus kunnen winnen, die hem in

een' kommerloozen staat stelde.

Brandt is expliciet: voor een lofdicht op Christina van Zweden (Afzetsel der komnklycke printe)

kreeg Vondel een gouden ketting en medaille ter waarde van 500 gulden; voor zijn Inwydinge

van 't stadthuis t 'Amsterdam een 'zilvre kop of schaal' van het stadsbestuur; en voor zijn gedicht

op het 'Zeemagazyn' een 'kom, met een deksel en leepel, of iet diergelyks' van de 'Heeren

Raaden ter Admiraliteit'. Verder gaf Amalia van Solms hem een gouden penning voor het

gedicht ter gelegenheid van het huwelijk van haar dochter Henriette Katharine met de vorst

1 Philologus Philiatros a Ganda [=Jacobus Viverius], De wintersche avonden waer in verscheydene vremdigheden, dese

lest voorledene hondert jaren gebeurt, seer leerlijck ende vermaeckelijck worden verhaelt (Amsterdam: Dirck Pietersz. Pers,

1615) in, 12, 144-145. Voor de bijdragen van de landsheren aan de landjuwelen verwijst hij naar Van Meteren,

Memorien, boek 1.

2 Geeraardt Brandt, Het leven van Joost van den Vondel. Ed. P. Leendertz jr. ('s-Gravenhage: Martinus Nijhoff,

1982) resp. 48, 68, en 40.

210


Betaald werk? Poëzie als ambacht in de 17e eeuw

van Anhalt. Daarbij kwamen dan nog ƒ 15 - a 16- van een of andere keurvorst voor een

gedicht, een 'aam Rynsche wyn' voor de opdracht aan burgemeester Cornelis de Graeff van

zijn berijmde Vergilius-vertaling, een 'schoone zilvere vergulde kop' voor die aan Dierik

Buisero van zijn Ovidius, en voor zijn Altaergeheimenissen een schilderij van inferieure kwali­

teit van de aartsbisschop van Mechelen. 2

En dat was het dan wel zo ongeveer.

Men kan veronderstellen dat er meer is geweest. Zo neemt Jochen Becker aan, dat de ge­

dichten die Vondel schreef op de Engelse koning Karei II opdrachten waren van het Amster­

damse stadsbestuur en de Staten van Holland. 3

Bovendien waren er bij Vondel bijzondere

omstandigheden, die in elk geval de terughoudendheid van de kant van Frederik Hendrik

verklaren. Brandt schrijft althans dat deze

anders zeer mildtdaadigh tegens de Poëten, wanneer ze zyne overwinningen met hunne

dichten vereerden, [...] wel weetende hoe quaalyk Vondel by de Predikanten en Contrare­

monstranten stondt, hem geen gunst toonde, om zelf ongunst te myden. 4

Maar kijkt men naar andere dichters, dan wordt de indruk versterkt dat het mecenaat van

vorsten en overheden een uitzondering was en bovendien meestal bestond uit geschenken

in plaats van uit betalingen.

Directe gegevens zijn schaars: koningin Christina van Zweden beloonde behalve Vondel

ook Reyer Anslo met een gouden ketting voor een gedicht 5

, P.C. Hooft ontving van Frederik

Hendrik een zilveren kan en schotel voor de opdracht van de Nederlandsche historiën 6

, en de

Zeeuwse dichter Johan de Brune de Oude kreeg van de Gecommitteerde Raden van dat ge­

west een medaille ter waarde van ƒ240,- voor de dedicatie van zijn Banket-werk. In dit laatste

geval hebben we echter te maken met een bijzondere situatie: De Brune was raadpensionaris

en de gift was tevens een blijk van erkentelijkheid voor zijn jarenlange toewijding. 7

Voor zo­

ver ik weet, profiteerde alleen Barlaeus in directe financiële zin van de door Brandt geroem­

de mildheid van Frederik Hendrik. Hij kreeg voor zijn Latijnse lofdichten op diens verove­

ringen geldschenkingen en vanaf 1635 zelfs een jaarlijkse uitkering van ƒ600,-. Maar dat

was dan ook dankzij de bemiddeling van Huygens. 8

Natuurlijk hing een en ander samen met de sociale, en misschien ook financiële, positie

van de betreffende auteur. Wat Constantijn Huygens betreft zal de eer, die hem in zijn jonge

jaren te beurt viel toen hem gevraagd werd een opschrift voor het praalgraf van Willem van

Oranje te maken, wellicht voldoende beloning zijn geweest. 9

Hooft solliciteerde met zijn bio­

grafie over Hendrik iv bij de Franse koning naar niets minder dan het ridderschap in de orde

van St.Michel. 10

En Daniël Heinsius werd vooral dankzij zijn toneelstuk Auriacus over de

3 Jochen Becker, 'In 't harnas, zonder helm en met de kunstkroon van August: driemaaal Charles II bezongen

door Vondel', Dutch crossing 8 (1979) 37-54; 39 en 41.

4 Brandt, Het leven van Vondel, 19.

5

Jochen Becker, 'Deas supereminet omneis: zu Vondels Gedichten auf Christina von Schweden und der bildenden

Kunst', Simiolus 6 (1972-73) 177-208; 188.

6

Geeraardt Brandt, Het leven van Pieter Corn. Hooft en de Lykreeden. Ed.P.Leendertzjr. ('s-Gravenhage: Martinus

Nijhoff, 1932) 29.

7

J.H. Kluiver, 'De ambtelijke loopbaan van Johan de Brune', in: Johan de Brune de Oude (1588-1658), een Zeeuws

literator en staatsman uit de zeventiende eeuw (Middelburg: Kon. Zeeuwsch Genootschap d. Wetenschappen, 1990)

14-25; 24.

8

F F. Blok, Caspar Barlaeus. From the correspondence of'a melancholie (Assen, Amsterdam: Van Gorcum, 1976) 5; vgl.

ook 57-58, 124 en 155.

9 G.C. Kuiper, 'De filologie als toetssteen', De zeventiende eeuw 2 (1986) 3-16; 8.

10 H.W. van Tricht, Het leven van P. C. Hooft ('s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1980) 167-169.

211


Betaald werk? Poëzie als ambacht in de 17e eeuw

moord op Willem van Oranje, waarvoor hij trouwens ook ƒ200,- ontving van de Staten van

Holland en West Friesland 11

, benoemd tot hoogleraar in Leiden. 12

Eer, aanzien, benoemin­

gen en voorrechten kunnen in sommige gevallen passender zijn geweest dan geld, of zelfs

geschenken.

Een van de in financieel opzicht meest succesvolle dichters was Jan Jansz. Starter, die voor

zijn gedichten op Willem Lodewijk in de jaren 1620-22 geld kreeg van de Staten Generaal,

van de overheden van de stad en van 'stad en lande' van Groningen, en van de Admiraliteit

van Amsterdam. Daarnaast ontving hij voor een lofdicht op Fredrik Hendrik in 1622 een

donatie van de Haagse magistraat en voor een gedicht op de assistentie van de Amsterdamse

schutterij aan Zwolle ƒ 25 - van Schepenen en Raad van Zwolle. Met twee gedichten op de

aanslag op Maurits 'leurde' hij, naar het zeggen van zijn biograaf, in Den Haag, Den Briel

en Gouda. 13

Van dergelijke betalingen zijn de gegevens soms nog wel te traceren. 14

Anders ligt dat bij

de opdrachten aan en gedichten voor individuen. Ik kan me niet voorstellen, dat tegenover

de stroom van opdrachten en gelegenheidsgedichten voor individuele leden van de verschil­

lende regentenfamilies niet een of andre materiële vergoeding heeft gestaan. Daar was bij­

voorbeeld de Zweedse ambassadeur in Den Haag, mr.Jacob van Dyck, een man die een gro­

te staat voerde en aan wie Bredero's Moortje en Spaanschen Brabander en Heinsius' Nederduytsche

poëmata werden opgedragen. 15

Daar was de Amsterdamse burgemeestersvrouw Marie

Schaep, geboren Spiegel, die behalve Vondel ook tal van andere dichters protegeerde. 16

Maar wanneer daar geen directe informatie in correspondentie of familie-archief over be­

staat, zijn dit soort privé-betalingen niet te achterhalen.

Dat geldt a fortiori voor de tienduizenden huwelijks-, graf-, lof-, felicitatie-, en andere gele­

genheidsgedichten voor leden van vrijwel alle lagen van de bevolking. Van Jan Jansz. Starter

is dankzij een bewaard gebleven contract uit 1622 bekend, dat hij van eenentwintig Amster­

damse kooplieden een vaste toelage van 12 carolusguldens per week kreeg, in ruil waarvoor

hy gehouden sal syn ons volkomen acces tot alles wat hij maeckt ofte gemaeckt heeft te

geven; wat wy van syn Liedekens ofte gedichten begeeren uytgeschreven te hebben, dat

hy ons dat voor drie stuyvers de syde gehouden sal syn te schryven, soo wy yets van hem

willen gemaeckt hebben, dat hy ons vóór een ander tot een billicke pryse sal voort helpen

(namelyck elck liedtje voor twee gulden, elck Bruyloftsgedicht voor zes gl. ende andere

rymeryen naer advenant). 17

Bestaande gedichten a 3 stuivers per pagina, nieuwe liedjes voor 2 gulden per stuk en brui­

loftsdichten voor 6 gulden: wanneer men bedenkt dat voor de huidige waarde dergelijke be­

dragen met zoiets als een factor 100 vermenigvuldigd moeten worden, is dat niet gek betaald.

Bovendien doet de zinsnede 'dat hy ons vóór een ander tot een billicke pryse sal voort helpen'

vermoeden dat dit vaker voorkwam. Een andere overeenkomst was die van een aantal Am-

11 Zie hierachter de bijdrage van Verkruijsse, p. 225 e.v.

12 J.H. Meter, The literary theories of Daniël Heinsius (Assen: Van Gorcum, 1984) 24.

13 J.H. Brouwer, Jan Jansz. Starter (Assen: Van Gorcum, Hak en Prakke, 1940) 42-44.

14 Zie de bijdrage van Verkruijsse aan dit nummer.

15 D. Hoek, Haags leven bij de inzet van de Gouden Eeuw. Rondom mr. Jacob vanDijk(1564-1631) (Assen: Van Gorc

Prakke en Prakke, 1966) 143-152.

16 Mieke B. Smits-Veldt, 'Vondels Spiegel voor Marie Spiegels, gemaelin van Burgemeester Geeraerd Schaep',

De nieuwe taalgids 80 (1987) 527-543; 529.

17 Brouwer, Jan Jansz. Starter, 43. Het is onzeker of het contract ook geëffectueerd is.

212


ft^jbiniöe ban £et öioote

much ban Cfjtna.

Cerft in £>pam&iï btfirtj^üm/ öooj

M. Ian Gonzaks van Mendoza .. jlJontrli ttOtt

tj'oojöen fcan 4b. StuguChjn: mor mi tint het

3uhaenWj nuujoi in jtSeoerlaniKTifte talt flijc-

Ctwdtucktby UmbdcMccftn, BoecWmckcr dci Staat

A I C K M A E R ,

Dooi Comdwf Ciarfj. 23*ctUbnxooper / tuoantnoe

op't JloojDt/ m ömötroulöfii öpbei/

tot t?00{!l. J».f>,jE£0,

Betaald werk? Poëzie als ambacht in de 17e eeuw

Afb. 1. Titelpagina van D'historie ofte beschrijvinghe

van het groote rijck van China (1595) van Juan

Gonzalez de Mendoza.

Deze Nederlandse vertaling werd waarschijnlijk

in opdracht van de Amsterdamse uitgever Cornelis

Claesz. verricht en was van de hand van

Cornelis Taemsz., één van de eerste Nederlandse

renaissance-dichters.

sterdamse remonstranten met Dirk Rafaelsz. Camphuysen, aan wie een periodieke toelage

werd toegezegd voor het maken van een nieuwe psalmberijming. 18

Over het algemeen zal het wel zo geweest zijn, dat hoe zakelijker de relatie was, hoe meer

ook het geld een rol speelde. De vele gedichten die Vondel schreef voor de rijke graveur,

kunsthandelaar en diplomaat Michel le Blon en de zijnen en de opdracht aan hem van de

Leeuwendalers kunnen even zovele blijken van vriendschap en dankbaarheid zijn geweest voor

de man die hij al jaren kende en dankzij wiens bemiddeling hij de gouden keten van Christi­

na van Zweden zou krijgen. Hetzelfde geldt voor Reyer Anslo, die de Parysche bruiloft aan

Le Blon opdroeg. En ook Theodoor Rodenburgh, die de opdracht van zijn Vroujacoba, erf-

gravin van Holland tot hem richtte en daarnaast gedichten schreef voor zijn vrouw, was door

vriendschap en werk met hem verbonden. 19

Maar de gedichten die Vondel en Antomdes van

der Goes schreven ter gelegenheid van een schilderijenveiling van Gerrit Uylenburg hebben

meer weg van advertenties. En zouden die dan behalve de kunsthandelaar niet ook hun

scheppers iets opgeleverd hebben? 20

!8 H.G. van den Doel, Daar moet veel strijdsgestreden zijn. Het leven van Dirk Rafaelsz. Camphuysen (1586-1627) (Diss.

UvA; Meppel: J.A. Boom en zn., 1967) 78.

!9 H. de la Fontaine Verwey, 'Michel le Blon, graveur, kunsthandelaar, diplomaat', in: H. de la Fontaine Verwey,

Uit de wereld van het boek. II. Drukkers, liefhebbers en piraten in de zeventiende eeuw (Amsterdam: Nico Israël, 1976)

103-125; 114-115, 117-120.

20 Jochen Becker, recensie van: Gisbert Kranz, Das Büdgedicht (1981), Simiolus 15 (1985) 225-230; 227.

213


Betaald werk? Poëzie als ambacht in de 17e eeuw

De meest zakelijke relatie zal al met al toch wel die tussen een auteur en zijn uitgever zijn

geweest. Voor zo ver ik weet, beperkte het verschijnsel honorarium zich tot een aantal gratis

exemplaren van het betreffende werk en was een opstelling als die van Abraham de Wees,

die voor Vondel een boete van ƒ180,- betaalde 'niet willende dat de Dichter schaade zoude

lyden by het werk, daar de Boekverkooper voordeel uit trok', een grote uitzondering. 21

Maar men hoeft zich maar het aantal rijmprenten en andere gravures met poëtische bij­

schriften voor de geest te halen, om te beseffen dat er allerlei andere samenwerkingsvormen

tussen auteur en uitgever mogelijk waren. Op drie, nauw samenhangende gevallen wil ik

in de rest van dit artikel nader ingaan, te weten: de samenwerking tussen respectievelijk de

uitgevers Cornelis Claesz., Laurens Jacobsz., Jan Evertsz. Cloppenburg, Hendrick Lau-

rensz. en Dirck Pietersz. Pers en de dichters Cornelis Taemsz., Jacobus Viverius en Joost

van den Vondel.

Cornelis Taemsz. en de uitgever Cornelis Claesz.

Cornelis Claesz. was de grootste uitgever-boekverkoper aan het eind van de 16e en begin

van de 17e eeuw in Amsterdam. Hij had zich daar in 1578 gevestigd en bleef er werkzaam

tot zijn dood in 1609. De andere hierna te behandelen uitgevers-boekverkopers, Laurens Ja­

cobsz., Hendrick Laurensz. en Dirck Pietersz. Pers waren leerlingen van hem. Naar het zeg­

gen van Van Selm, die een aantal belangrijke studies aan hem heeft gewijd, '(lijkt) Cornelis

Claesz [...] als grote ondernemer centraal te staan in een kring van auteurs, bewerkers, verta­

lers en graveurs'. Hij noemt in dit verband onder meer de namen van Cornelis Taemsz. en

Jacobus Viverius. 22

De samenwerking met Cornelis Taemsz., zoon van Taems Heynszoon, lid van de vroed­

schap van Hoorn, dateert uit de jaren 1593-95, toen Claesz. een filiaal in Hoorn had. Met

alle drie de uitgaven die in die jaren verschenen onder het impressum 'voor Cornelis Claesz.

boeckvercooper, woonende op 't Noordt in den vergulden Bijbel tot Hoorn', heeft Cornelis

Taemsz. te maken gehad. 23

Was hij soms filiaalhouder van de Hoornse vestiging? In 1593

schreef hij twee aanbevelingsgedichtjes 'T'boexken tot de coopers' en 'Ander sonnet tot den

selven' in het Raedtsel-boeck van Jacob van den Mersch, en verder was hij de vertaler van de

in 1594 verschenen Tresor de vertu. Schat des deuchts van Pierre Trédéhan en van D'historie ofte

beschrijvinghe van het groote rijck van China van Juan Gonzalez de Mendoza uit 1595. 24

Deze

laatste uitgave verscheen tevens met Claesz.' Amsterdamse adres, en dat laatste was ook het

geval bij de twee volgende publicaties waaraan Cornelis Taemsz. bijdragen leverde: het Reys-

gheschrift (1595) en het Itinerario (1596) van Jan Huyghen van Linschoten. In beide komen

zowel een ode als een sonnet voor van zijn hand.

Het lijkt me waarschijnlijk, dat deze activiteiten inderdaad in dienst van, of althans tegen

betaling door Cornelis Claesz. werden verricht. De gedichtjes bij het Raedtsel-boeck van Van

21 Brandt, Het leven van Vondel, 42.

22 B. van Selm, 'Een menighte treffelifcke Boecken'. Nederlandse boekhandelscatalogi in het begin van de zeventiende eeuw

(Utrecht: Hes uitgevers, 1987) 176-178, 251 en 336.

23 Alle hierna volgende gegevens over Cornelis Taemsz. ontleen ik aan de onder mijn leiding gemaakte doctoraalscriptie

van Lode Stilden, Cornelis Taemszoon (1566/67-1600) en zijn ode 'Vaygats, ofte de Straet van Nassau' (1595).

Over hem ook: 'Wilthooren 't woort'. Boekdrukkerij en uitgeverij in Hoorn voor het jaar 1700. Catalogus tentoonstelling

Rijksmuseum van het boek Meermanno-Westreenianum ('s-Gravenhage 1979) 34-35.

24 'Wilthooren 't woort', 12.

214


Betaald werk? Poëzie als ambacht in de 17e eeuw

der Mersch kunnen een vriendendienst aan deze stadgenoot zijn geweest, maar voor de

daarna volgende vertalingen kan ik geen andere dan commerciële drijfveren bedenken. De

suggestie dat Taemsz. voor Claesz. werkte wordt nog versterkt door het feit, dat in zijn op­

dracht van De historie van China de beide Linschoten-publikaties van dat en het volgende jaar

al aangekondigd worden. Taemsz. schrijft daar in de opdracht tot de lezer:

[...] wat van de Zee-vaerte, custen, coophandel, ghewas, habijten ende meer ander byson-

derheden van Oost Indien ende der omligghende Eylanden zijn, sult breeder, claerder,

ende ghewisser eer langhe onderricht werden, wt de indische Historie ende reys-

gheschriften der cloecken ende uijt-versochten Jan Huyghen van Linschoten [...] 25

Al in 1594 had Cornelis Claesz. namelijk een contract met Linschoten gesloten

om tot beyder proffyte te drukken een boek vande navigatien van Oost Indien met de

conterfeytselen daertoe gehorende. 26

Taemsz.' lofdichten voor deze werken van Linschoten, met name de oden, horen tot het beste

dat hij geschreven heeft. De ode in het Reys-gheschrift getuigt bovendien van persoonlijk con­

tact, waarschijnlijk met Linschoten zelf. Dat gedicht heeft namelijk geen betrekking op het

werk waarin het werd gepubliceerd, maar op de expeditie die in 1594 onder leiding van Lin­

schoten naar de poolzee was ondernomen om een noordoostelijke doorvaart naar Indië te

zoeken. Linschotens verslag van die reis zou, onder de titel Voyagie, ofte schip-vaert van by Noor­

den om, pas in 1601 in diens eigen beheer verschijnen. Was Taemsz.' ode oorspronkelijk voor

een eerdere uitgave van dat werk bedoeld?

Er moet iets zijn mis gegaan in de relatie tussen Linschoten en Claesz., en ook in die tussen

Taemsz. en Claesz. Linschotens volgende publikatie, een vertaling van de Historie naturael

ende morael van de Westersche Indien van Josephus de Acosta, waarvoor hij het octrooi tegelijk

met dat voor het Itinerario en het Reys-gheschrift had verworven 27

, verscheen in 1598 bij zijn

Enkhuizer stadgenoot Jacob Lenaertsz. Meyn. Mèt een sonnet van Taemsz.

Andere gedichten van Taemsz. vinden we in Van Manders vertaling van Vergilius' Bucoli-

ca en Georgica (Amsterdam, Zach. Heyns, 1597; een sonnet), Zacharias Heyns' Nederlandt-

schen landtspiegel (idem, 1599; twee epigrammen), Van Meterens Belgische ofte Nederlantsche his­

torie (Delft, Jac. Cornelisz. Vennecool, 1599; een ode) en, posthuum, inD.V. Velius' Chroniick

van Hoorn (Hoorn, Willem Andriessz., 1617; eveneens een ode). Maar bij mijn weten ver­

scheen er niets meer van hem in enige uitgave van Claesz.

Tussen Linschoten en Taemsz. schijnt het contact wel te zijn gecontinueerd, getuige het

sonnet in de uitgave van de Historie naturael. Getuige ook het feit, dat wanneer dan eindelijk

in 1601 Linschotens boek over de noordvaart verschijnt, daarin behalve een nieuw sonnet

van Taemsz., ook diens ode van 1595 weer opgenomen is en wel met ingrijpende correcties

van de hand van de auteur, die kennelijk ingegeven zijn door Linschotens appreciatie van

de gebeurtenissen. Die moeten vóór het einde van het jaar 1600 zijn aangebracht, want Veli­

us vertelt in zijn Chroniick van Hoorn dat Taemsz.

25 Juan Gonzalez de Mendoza, De historie ofte beschrijvinghe van het groote rijde van China. Vert. Corn. Taemsz. (Am­

sterdam: Cornelis Claesz., 1595) Al recto.

26 E.W. MoesenC.P. Burger jr, De Amsterdamsche boekdrukkers en uitgevers in de zestiende eeuw (i d\n.; Utrecht: Hes

uitgevers 1988; oorspr. Amsterdam, Den Haag 1900-1915) u, 196.

2 7 Itinerario. Voyage ofte schipvaert van Jan Huygen van Linschoten naer Oost ofte Portugaels Indien 1579-1592. Ed. H. Ke

(2 dln.; 's-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1910) I, xli.

215


Betaald werk? Poëzie als ambacht in de 17e eeuw

comende tjaer 1600. int leste van November by nacht van Amsterdam mettet Veerschip,

is onverhoets over boort gevallen, en soo onnooselijc inde Zee gesneuvelt, als hy 33 Jaren

out was. 28

Daarmee was dan een van de eerste Nederlandse renaissance-dichters voortijdig gestorven.

Want zo mag Taemsz., die in zijn jonge jaren Spanje, Italië en Duitsland had bezocht en

die behalve de talen van die landen ook Frans en Portugees, plus waarschijnlijk enig Latijn

kende, zeker genoemd worden. Al in 1594 geeft hij in de Tresor de vertu een vertaling van een

gedichtje van Du Bartas, 29

wiens invloed ook in zijn eigen werk duidelijk aanwijsbaar blijft,

bijvoorbeeld in de Ode van 1595 (in de editie van 1601 getiteld Vaygats, ofte de Straet van Nassau)

over Linschotens noordvaart. Zo is de beschrijving van de storm in dit gedicht in grote lijnen

een bewerking van de storm die Du Bartas, op zijn beurt Ovidius en Vergilius imiterend,

had gegeven in zijn Histoire de Jonas. 30

Nu schijnt de heele Lucht los te vallen in Zee,

Ik citeer een enkele passage ter vergelijking:

Dan schijnt de Zee weer om tot aen d'Hemel te dringhen,

De winden zijn alt' saem teghen t'schip, dat seer dree

(Als een hipp'lende bal) op en neer moet springhen.

On diroit que le ciel tombe dedans la mer,

Que la mer monte au ciel; 1'Eternel semble armer

Ce Tout contre une nef qui, or' basse, ores haute,

Comme un venteux balon de vague en vague saute.

(Taemsz., r. 245-248)

(Du Bartas, r. 31-34)

Metrisch loopt het allemaal nog niet erg goed, maar de poging is er en in elk geval hebben

we hier te maken met een van de eerste blijken van receptie van de Franse dichter, die weldra

zo'n grote invloed zou krijgen op de vroege Nederlandse renaissance-poëzie.

Belangrijker voor het gedicht als geheel en unieker binnen de Nederlandse literatuur is

de invloed van het epos Os Lusiadas van Camoes. De hele verbeelding van ruziënde goden

die het feitelijke relaas omhult, is daaraan ontleend. Dat, gevoegd bij de retorische structuur,

maakt het gedicht tot een van de eerste renaissancistische lofdichten van de Nederlandse lite­

ratuur. 32

Het zou binnen het bestek van dit artikel te ver voeren om hier dieper op in te gaan. Ik

volsta met op te merken, dat ook zijn overige werk getuigt van de verwerking van klassieke

en renaissancistische invloeden. Zo is zijn Ode tot lof vanden Banne van Hoorn, die opgenomen

is in Velius' Chroniick, geschreven in navolging van Horatius' ode Laudabant aki claram Rhodon

aut Mitylenen. 33

28 D.V. Velius, Chroniick van Hoorn (enz.) (Hoorn: Willem Andriessz., 1617) 304.

29 G.P.Burger jr., 'De Schat des deuchts', Het boek 19 (1930) 209-215; 214.

30 C. Taemszoon van Hoorn, Vaygats, ofte De straet van Nassau, in: Reizen van Jan Huyghen van Linschoten naar het Noorden(1594-1595).

Ed. S.P. 1'Honoré Naber ('s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1914) 14, r. 229-251. G. du Bartas,

Histoire de Jonas, in: The works of Guillaume De Saluste sieur Du Bartas. Ed. Urban Tigner Holmes e.a. (Chapel

Hül: University of Carolina press, 1940) m, 437, r. 11-18 en 23-38. Ook deze en de navolgende mededelingen

over de invloeden op Taemsz. ontleen ik aan de hiervoor genoemde scriptie van Lode Salden.

31 J. van den Vondel, Twee zeevaart-gedichten (enz.). Ed. Marijke Spies (2 dln.; Amsterdam enz.: Noord-Hollandsche

uitgevers mij., 1987) I, 87-88.

32 Vondel, Twee zeevaart-gedichten, i, 144-145.

216

3 1


Betaald werk? Poëzie als ambacht in de 17e eeuw

Eén uitgave die wel met Taemsz. in verband wordt gebracht, heb ik nog niet besproken,

te weten het Caert-thresoor (1598), een verzameling kleine kaartjes van de verschillende we­

relddelen en landen met uitvoerige beschrijvingen, gelardeerd met gedichtjes. Met name

op grond van het feit dat daaronder vertalingen zijn van verzen van enkele klassieke dichters

en van Du Bartas, acht C. P. Burger het niet onwaarschijnlijk dat dit werkje van de hand van

Taemsz. zou zijn. 34

Vooralsnog ben ik door zijn argumentatie niet overtuigd. Het Caert-

thresoor verscheen in eerste instantie in Middelburg bij Barent Langenes. Weliswaar ver­

meldt de titelpagina van die uitgave dat het boek tevens te koop was bij Cornelis Claesz. te

Amsterdam, maar ook de opdracht tot de Staten van Zeeland is door Langenes onderte­

kend. Pas de volgende uitgave, van 1599, verscheen alleen onder de naam van Claesz. 35

Een

en ander lijkt me te wijzen op een Zeeuwse herkomst en in dat verband zou bijvoorbeeld

iemand als de Vlissingse dominee Abraham van der Myl, die al in 1593 blijk geeft van be­

kendheid met het werk van Du Bartas, wellicht eerder als auteur in aanmerking komen. 36

Aan de andere kant lijkt het weinig waarschijnlijk dat dat dan niet bekend zou zijn geweest

aan de man die tien jaar later dit werkje in opdracht van Cornelis Claesz. zou herzien: Jaco­

bus Viverius. Deze schrijft 'Dit werck is over eenighe jaren van eenen Iongh-man (ons onbe-

kent) in Druck ghegheven [...].' 37

Een precieze vergelijking van de in de tekst voorkomende

gedichtjes met het werk van de in aanmerking komende auteurs zou hier misschien meer

duidelijkheid kunnen geven.

Hoe het ook zij, met Viverius zijn we inmiddels aangeland bij een volgende auteur die

zijn pen gebruikte om er wat bij te verdienen.

Jacobus Viverius en de uitgevers Laurens Jacobsz., Cornelis Claesz., Jan Evertsz. Cloppenburg

en Hendrick Laurensz.

Jacobus Viverius is een van de weinige auteurs die zich over de financiële kant van het schrij­

ven uitlaten. In het begin van dit artikel citeerde ik al zijn ontboezeming in De wintersche avon­

den dat het, gezien de noodzakelijke inspanning om in het dagelijks levensonderhoud te voor­

zien, verwonderlijk was dat er nog iemand dichtte. In zijn bewerking van het Caert-thresoor,

die in 1609 onder de titel Hand-boeck; ofcort begrijp der caerten ende beschryvinghen van alle landen

des werelds en voorzien van de mededeling 'Van nieuws oversien ende vermeerdert' bij Corne­

lis Claesz. verscheen, herhaalt hij zijn klacht. In zijn opdracht aan de Staten van Zeeland

schrijft hij:

O so den Hemel my het vol-brengen naer mynen wensch gave, ick en soude soo mijn zaedt

in eenes anders Acker niet werpen; maer nu door de sorge deses levens, als met steenen,

neder gehouden zijnde, moet ick met dese swacke veren in het water des tegenspoeds

swadderen.

33 C.P. Burger jr., 'De historie ofte beschrijvinghe van het groote rijck van China', Het boek 19 (1930) 17-32; 31.

3 4

C.P. Burger jr., 'Het Caert-thresoor', Het boek 18 (1929) 289-304; 304.

35 Moes-Burger, De Amsterdamsche boekdrukkers II, 154-156, 180-181.

36 P.J. Meertens, Letterkundig leven in Zeeland in de zestiende en de eerste helft der zeventiende eeuw (Amsterdam: Noord-

Hollandsche uitgevers mij., 1943) 335-336.

37 Hand-boeck; ofcort begrijp der caerten ende beschryvinghen van alle landen des werelds. Van nieuws oversien ende vermee

dert (Amsterdam: Cornelis Claesz., 1609) (?)3 recto.

217


Betaald werk? Poëzie als ambacht in de 17e eeuw

©anöe

iötcrfft' of lactttc Ucrfr:

laooj fit!) ftlbm ende Sr vim

I i r i j

(wc #o6f*Sf« mM SKi


Betaald werk? Poëzie als ambacht in de 17e eeuw

in dichtvorm tegen vrede met Spanje, De uyt-spraecke van Anna Vyt den Hove, gepubliceerd door

de Leidse drukker-uitgever Christoffel Guyot in 1598. 41

In 1600 volgden twee nieuwe werk­

jes, een Christelick lof-verhael van den treffelicken veldslagh {enz.) over de slag bij Nieuwpoort 42

,

en een verzameling van zijn poëzie onder de titel Den lust-hofvan de christelickezielen. Ook deze

werden in Leiden gedrukt door Guyot, maar nu voor een Amsterdamse uitgever, Laurens

Jacobsz. Inderdaad moet Viverius zich rond deze tijd in Amsterdam gevestigd hebben, en

wel als apotheker. 43

Naderhand wist hij een positie als stadsdokter te verwerven. 44

Vanaf dit moment zien we hem stap voor stap in contact komen met een kleine groep on­

derling nauw gelieerde Amsterdamse uitgevers. Weliswaar volgde er in 1601 nog een uitgave

bij Guyot, Den schildt der onnooselheydt: dat is, eene schriftuyrlicke vereeringhe der heylighe ghenees-

conste, maar de drie andere publikaties uit dat jaar zijn geheel Amsterdams. Het zijn: Een

elegia of christen klagh-reden over den doodt des wijd-beroemden en hoogh-gheleerden D. hannes Heurnius,

Viverius' Leidse leermeester, Den spieghel van de Spaensche tyrannie, een gedicht op de verove­

ring van Rijnberk, en het lange gedicht De handt Godes; of een christelick verhael van de peste,

ofgaeve Godes, alle drie uitgegeven, alweer, door Laurens Jacobsz. 45

Tot dusver is er niets in het oeuvre van de christelijk en politiek zeer geëngageerde jonge

medicus dat wijst op betaald werk. Ook het lijkdicht op Heurnius zal geen andere drijfveer

hebben gehad dan dankbaarheid, zoals de auteur trouwens zelf ook zegt:

Dit schreef ick met ghetraen, om toonen myne Gonst

Die ick dien Meester droegh, die in Ghenesens const

My leeringh heeft ghedaen. 46

Wel lijkt me in de opdracht aan Raad en burgerij van Amsterdam van Den spieghel van de

Spaensche tyrannie iets van een sollicitatie door te klinken, als hij schrijft dat

41 In het zogenaamde 'Apparaat Van Stockum' ter UB-Amsterdam wordt zijn naam ook in verband gebracht met

een eveneens in 1598 door Chr.Guyot te Leiden uitgegeven pamflet, De claghte van Satan over Clementeïn Puteanum

oen den Roomschen Paus (etc). Ik heb daar geen exemplaar van weten te traceren.

42 Eveneens over de Slag bij Nieuwpoort zou het door Van der Aa genoemde Verhael van Godes goedigheid en barmhartigheid

gaan (A.J. van der Aa, Biographisch woordenboek der Nederlanden. O.r.v. K.J.R. van Harderwijk en C.DJ.

Schotel, (Haarlem: J.J. van Brederode, 1852 VII, 81). Ik heb die tekst niet kunnen vinden. Het is niet uitgesloten

dat deze 'titel' een omschrijving is van het Christelyck lof-verhael.

43 De meeste gegevens over Jacobus Viverius ontleen ik aan een onder mijn leiding gemaakte kandidaatsscriptie

van Angeniet Kam over Viverius' pamflet De uyt-spraecke van Anna Vyt den Hove. Zie verder: Ph. Blommaert,

De Nederduitsche schryvers van Gent (Gent: Van Doosselaere, 1862) 163-176 en W. P.C. Knuttel, 'Jacob van de Vivere,'

in: Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, o.r.v. P.C. Molhuysen en P.J. Blok (Leiden: Sijthoff, 1912)

n, 1500-1501. John Landwehr, 'De Gentse liefdesembleemdichters en D. P. Pers', Tijdschrift voor Nederlandse taaien

letterkunde 85 (1969) 105-119, geeft op p. 116-119 een, weinig betrouwbare, lijst van publikaties, die ik op grond

van gegevens in de Centrale Catalogus van de KB-Den Haag, het bezit van de UB-Amsterdam, en F. van der

Haeghen, Bibliotheca Belgica. Bibliographiegénérale des Pays-Bas. Réédité sous la direction de Marie-Thérèse Lenger

(7 dln.; Brussel: Culture et civilisation, 1964-75) enigszins heb gecorrigeerd. Het is aan te nemen dat Viverius'

oeuvre (veel) groter is geweest dan wat ik hier geef. De poging van Landwehr om Viverius te identificeren

met Theocritus a Ganda en hem zo de auteur te maken van een aantal in feite door Daniël Heinsius geschreven

werken, is definitief weerlegd door A. K. H. Moerman ('Theocritus a Ganda en Jacob de Vivere', Open 4 (1972)

623).

44 Dit blijkens de titelpagina van een later door zijn kleinzoon onder de titel De verdrukte, dog naderhand verheven

loseph (enz.) uiteeeeven collectie nagelaten geschriften 'in Rijm gesteld door den wijdberoemden Poet Dr. Jacobus

Viverius, in sijn leven des stad Amstelredams, en der selver Diakonie Doctor'(Ed. Iacobus Prudentius Pennokius;

Hoorn: Stoffel Iansz., 1662).

45 Verder verscheen er in 1601 een lofdicht van hem in Linschotens Voyagie, ofte schip-voert van by Noorden om.

46 Jacobus Viverius, Eene elegia of christen klagh-reden over den doodt des wijd-beroemden ende hoogh-gheleerden D. Ioannes

Heurnius (Amsterdam: Laurens Jacobsz., 1601) A4 verso.

219


Betaald werk? Poëzie als ambacht in de 17e eeuw

wy (dit werkje) tot eene vriendelijcke groete, V. E. opofferen ende gheven, tot dat wy met­

ter daedt in conste van ghenesen onsen goede wille ende Liefde bewysen. 47

Maar van die tijd af verandert dat en produceert Viverius de ene vertaling en bewerking

na de andere en bestaat ook zijn meeste eigen poëzie uit lofdichten, berijmde samenvattin­

gen en dergelijke in diezelfde vertalingen en bewerkingen. Speelde hier wellicht de zorg voor

zijn jonge gezin een rol? Het gemiddelde inkomen van een dokter, en zeker van een officieel

aangestelde stadsdokter, was niet slecht - men spreekt van ƒ100,- a ƒ150,- 's jaars 48

maar enige aanvulling, hoe gering ook, zal toch altijd welkom zijn geweest.

Voor zover ik heb weten te achterhalen begint dit in 1602, het jaar van zijn huwelijk 49

,

met een herziening van de verhandeling Het examen of ondersouck der peste van David van

Mauden voor de uitgever Hans Matthijsz. Deze Hans Matthijsz., die evenals Laurens Ja­

cobsz. een leerling was van Cornelis Claesz., stierf het jaar daarop. 50

De volgende uitgave

verschijnt dan ook weer bij Laurens Jacobsz., zij het nu in samenwerking met Cornelis

Claesz. Het betreft twee vertalingen van gedichten van de fel protestantse Engelse koning

Jacobus en twee lofdichten, dat alles opgenomen in een door meerdere vertalers verzorgde

verzamel-editie van diens werken, die in 1603 uitkwam met de titel Een comnglijck ghe-

schenck: ofte, onderwijsingen zijner majesteyt van Engelant; aen zynen zeer beminden zone Henricum

prince.

Dat zelfde jaar stierf echter ook Laurens Jacobsz., die tot dan toe min of meer Viverius'

vaste uitgever was geweest. 51

Enige jaren zien we hem nu publiceren bij verschillende van

diens relaties. In 1604 komt er een vertaling van De vierlinghen (ofwyse leerdichten) van Guy

du Faur de Pybrack uit bij Desiderius de la Tombe, die in elk geval in 1606 een zakelijke

relatie met Cornelis Claesz. zal blijken te hebben. 52

In 1608 volgt er een lijkdicht voor de

Amsterdamse dominee Warner Helmichius bij Jacobsz.' leermeester en veelvuldige associé

Cornelis Claesz. zelf en in 1609 bij deze het reeds uitvoerig besproken geografische Hand-

boeck. En dan, na Claesz.' dood in 1609 53

, bij diens leerling Michiel Colijn een vertaling van

Nathan Chytraeus' Het reys-gheldt van de wterste, of laetste reyse (1610). 54

In diezelfde jaren verschijnen er nogal wat lofdichten van hem in uitgaven bij Laurens

Jacobsz. en bij diens opvolger Jan Evertsz. Cloppenburg en zijn gelijknamige Deventerse

broer. 55

Bij de Amsterdamse Cloppenburg zal hij later, in 1616, ook een eigen gedicht publi­

ceren, Een troostelijckghesangh, van deghelucksalighe doodt der kinderen Godes. Maar ondanks de

aparte titelpagina hoort dit gedicht toch waarschijnlijk bij een andere uitgave van Cloppen-

47 Jacobus Viverius, Den spieghel van de Spaensche tyrannie. Cortelijck in dichteghestelt (Amsterdam: Laurens Jacobsz.,

1601) A2 verso.

48 J.G.W. F. Bik, Vijf eeuwen medisch leven in een Hollandse stad (Diss. UvA; Assen: Van Gorcum, Hak en Prakke, 1955)

210-215. Leo Noordegraaf en Gerrit Valk, De gave Gods. De pest in Holland vanaf de late middeleeuwen (Bergen (NH):

Octavo, 1988) 156-157.

49 Blommaert, Schryvers van Gent, 168.

50 Van Selm, Een menighte treffelijcke Boecken, 336 en M.M. Kleerkooper en W. P. van Stockum, De boekhandel te Amsterdam

voornamelijk in de 17e eeuw (2 dln.j's-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1914-15) I, 405.

51 Moes-Burger, De Amsterdamsche boekdrukkers II, 314.

52 Kleerkooper-Van Stockum, De boekhandel te Amsterdam II, 836.

53 Van Selm, Een menighte treffelijcke Boecken, 225.

54 Van Selm, Een menighte treffelijcke Boecken, 336 en Moes-Burger, De Amsterdamsche boekdrukkers n, 196.

55 NI. in een viertal vertaalde werken van de Engelse piëtist William Perkins (Willem Jan op 't Hof, Engelse piëtistische

geschriften in het Nederlands, 1598-1622 (Diss. RUU; Rotterdam: Lindenberg, 1987) 134, 143, 146 en 153)

en in W. Baudaert, Apophthegmata christiana (Deventer 1605; Van der Haeghen, Bibliotheca Belgica i, 186, B 87).

220

- ,


Ivrusbeo» «Ml «SOfte ÖJltpfcftJ

ïHofim • ,>n;>üen:

'tlunt ïjtcit DobrrljaiiO nu' prrdi

«Oucrm ' :;

i MiirtiniftflootftainabBot qtinirn

ftBa.ir tt imw ÖWÖ'HWK

Cn qfteltifh fnrrmof POt [jrrt

Cttc' > n

8ft<

j&c Ötepöct bittrt tranen Ojoröiüt?/

JBofl ÖCltatUm Vrniuftrirt:

©fff n 3>t hut tf r in

ifcrffrr - rifflir».

^>tn ttjbftte (ftert£onbff niotpö)

,

Betaald werk? Poëzie als ambacht in de 17e eeuw

DEDICATIE

lllft H • i'JplfH

• Ui' ' •

ti'Misntiftc ; oooln

. . . •

if««>l»fftn«bfn al uittitrtcltottCt «DOMMI:

Venus öltftaaft urrii.ini ie inrt &aatfcmb BrtWWJ/

»? n b :.i tftt hit om te t» ir m,jn> » '

LV.Vondclteru

Afb. 3. Twee gedichten van Vondel uit Den nieuwen verbeterden lust-hqf (1607) A4 verso.

Speciaal voor deze eerste uitgave van uitgever Dirck Pietersz. Pers schreef Vondel twee gedichten en

een lied. Eén van die gedichten, Aende Jonck-vrouwen vant Nederlandt, heeft een inleidend karakter.

Mogelijk trad Vondel als 'redacteur' van deze uitgave op.

burg, te weten de Vertroostinghe voor de bedruckte herten over het verlies van haere vrienden {enz.) van

Andreas Rotarius, dat hetzelfde jaar verscheen met nog een 'troost-ghedicht aen eene God-

vruchtighe weduwe' van Viverius onder diens zinspreuk 'De doodt doet leven'. Dat is name­

lijk iets wat we Viverius ook telkens zien doen in de door hem bewerkte of vertaalde werken:

gedichten publiceren die hij geschreven heeft naar aanleiding van de daarin behandelde stof.

Maar wanneer in 1610 de zoon van Laurens Jacobsz., Hendrick Laurensz. de zaak van

de overleden Claesz. overneemt en voor zichzelf begint 56

, is het vooral naar hem dat Viverius

terug keert met vertalingen en bewerkingen van protestants-christelijke top-auteurs: Philip

du Mornay's Een seer grondigh bewijs dat Iesus is de Ware Messias (1611), Petrus Molinaeus' De

heylighe gheestelijcke opweckinghe (1615), Jean Taffins Van de merek-teeckenen der kinderen Gods

(1617). 57

De enige werkelijk zelfstandige publikaties van Viverius uit deze jaren die ik heb weten

te vinden, zijn De wintersche avonden, en verder een lijkdicht voor de Amsterdamse dominee

Iohannes Hallius en een serie van tien gedichten in de verzamelbundel Christelijckeghesanghen

tot lof van onsen Heere ende saligh-maker Iesus Christus {enz.). De wintersche avonden verschenen in

1615 bij Dirck Pietersz. Pers, ook weer een leerling van Cornelis Claesz. 58

. Bij dezelfde uitge-

56 Van Selm, Een menighte treffelijcke Boecken, 336. . .

57 Van Taffins Merck-teeckenen noemt het 'Apparaat Van Stoekum' (UB-Amsterdam) in d.t verband een editie uit

58 Van Selm, Een menighte trejjelycke Boecken, 336. Een editie-1610, die o.a. in het 'Apparaat Van Stockum' (UB-

Amsterdam) en in Blommaert, Schryvers oan Gent, 171, genoemd wordt, heb ik nergens kunnen vinden.

221


Betaald werk? Poëzie als ambacht in de 17e eeuw

ver verscheen in 1619 ook de Clachte ende vertroostinghe: over het christelijck overlijden van Ioannes

Hallius. 59

Wanneer de tien gedichten in de bundel Christelijckeghesanghen geschreven zijn, is

onduidelijk. De uitgave van de bundel waarin ze voorkomen is van 1627, maar dat is een

vijfde druk. 60

De kans dat ze uit Viverius' jonge jaren stammen lijkt dus niet uitgesloten.

Al met al maakt heel wat van Viverius' werk de indruk betaald werk te zijn geweest. Sinds

zijn vestiging in Amsterdam moeten zijn contacten met de uitgeverswereld aldaar hem ge­

holpen hebben 'den armen cost te winnen', zoals hij het zelf noemt. En gegeven het feit dat

het meeste van zijn poëzie vanaf dat moment werd gepubliceerd in de door hem vervaardig­

de vertalingen en bewerkingen, is het misschien niet te gewaagd om te stellen, dat ook zijn

dichterschap als zodanig in hoge mate door de materiële waardering van deze uitgevers werd

gevoed. 61

Joost van den Vondel en de uitgever Dirck Pietersz. Pers

Wanneer men onder ogen ziet dat ook toentertijd uitgevers gebruik maakten van de diensten

van dichters voor allerlei soorten van vertaal- en redactiewerk, dan is er reden eveneens wat

anders dan gebruikelijk aan te kijken tegen de relatie tussen Vondel en diens eerste uitgever,

Dirck Pietersz. Pers. De eerste die aandacht aan die relatie heeft besteed, is Molkenboer ge­

weest in het eerste deel van zijn artikel over 'Vondels drukkers en uitgevers' van 1941. 62

Diens

negatieve oordeel over Pers, die Vondel zou hebben 'gebruikt', is voor wat betreft de uitgave

van Den gulden winckel der konstlievende Nederlanders (1613) weerlegd door Porteman. 63

Maar ook

verder zal Pers Vondel eerder gestimuleerd dan uitgebuit hebben.

Het lijkt erop dat beider eerste publikatie, van Pers als uitgever en van Vondel als auteur,

samenviel. Pers begon zijn loopbaan met de uitgave in 1607 van een liedboek, Den nieuwen

verbeterden lust-hof, waarvan een eerdere versie, met de titel Den nieuwen lust-hof, was versche­

nen bij Hans Matthijsz. (1602) en diens weduwe (ca. 1604). 64

De verbeteringen die hij op­

nam, bestonden behalve uit de toevoeging van een twaalftal liederen van onder andere Hooft

en Van Mander, uit twee gedichten en een lied van Vondel. En er valt volgens mij veel te

zeggen voor de stelling dat deze teksten van Vondel speciaal voor de bundel geschreven zijn.

59 José Bouman, Nederlandse gelegenheidsgedichten voor 1700 in de Koninklijke bibliotheek te 's-Gravenhage (enz.) (Nieuwkoop:

B. de Graaf, 1982) nr. 123.

60 Het 'Apparaat Van Stockum' (UB-Amsterdam) noemt een uitgave van 1621.

61 Ik laat hier buiten beschouwing het huwelijksdicht dat Viverius maakte op het huwelijk van zijn broer Salomon

in 1636 (Bouman, Nederlandse gelegenheidsgedichten, nr. 209); de bundel De verdrukte, dog naderhand verheven Ioseph,

met enkele nagelaten werken, uitgegeven door zijn kleinzoon in 1662; en de door Van der Aa genoemde grafdichten

op Hondius en Van Meteren. Niet gevonden heb ik het door hem zelf genoemde toneelstuk Alphonsus

d'Este (Van der Aa, Biographisch woordenboek vn, 81) en twee verdere vermeldingen in het 'Apparaat Van Stockum'

(UB-Amsterdam): Wel-levens-const, soo wel vermaeckelijck als leerlijck om te lesen, tot onderhoudinghe van des menschenghesonlheydt

('s-Gravenhage: J.Pz. Beerendrecht, ca. 1645) en Een nieuwgeestelyk lied-boeksken. Gedigtvan J. V.

Medicijn (Amsterdam: Joannes Kannewet, ca. 1705), dat blijkens de aldaar geciteerde regels uit het 'Voorreden-

Lied' inderdaad wel van onze Viverius zal zijn.

62 B.H. Molkenboer, 'Vondels drukkers en uitgevers', Vondelkroniek 12 (1941) 17-71, 86-96, 121-148 en 152-188;

34-71.

63 K. Porteman, 'D'een klapt, t'geen d'ander heelde. Kijken en lezen in en rond Den Gulden Winckel (1613)', in:

S.F. Witstein en E.K. Grootes ed., Visies op Vondel na 300jaar (Den Haag: Martinus Nijhoff, Tjeenk Willink,

Noorduijn, 1979) 26-59; 49.

64 A.A. Keersmaekers, Wandelend in Den Nieuwen Lust-Hof. Studie over een Amsterdams liedboek 1602-(1604)-1607-

(1610) (Nijmegen: Alfa, 1985) 15.

222


Betaald werk? Poëzie als ambacht in de 17e eeuw

Afb. 4. C. de Visscher, Joost van den Vondel,

gravure. UB Amsterdam.

De beide gedichten zijn duidelijk preliminair en één ervan, de Dedicatie aendejonck-vrouwen

vant Nederlandt (respectievelijk in sommige exemplaren 'van Vrieslandt ende Overyssel')

staat in een traditie van soortgelijke opdrachtteksten. 65

Het lied, Oorlof liedt getiteld, moet

bestemd zijn geweest om de bundel af te sluiten, ook al werd er uiteindelijk nog een aller­

laatste lied achter geplaatst, blijkbaar om de laatste bladzijde op te vullen. Prof. Keersmae-

kers, die enige jaren terug een studie over het liedboek heeft geschreven, aarzelt om op grond

van deze gegevens Vondel inderdaad als de 'redacteur' van deze heruitgave te beschouwen. 66

Ik ben daar wel toe geneigd, zo wel op grond van wat we hiervoor hebben gezien, als op grond

van Vondels verdere activiteiten bij deze uitgever.

Tot het begin van het jaar 1620 geeft Vondel zijn meeste, en zijn belangrijkste, werk uit

bij Pers. Daaronder zijn tenminste drie publikaties die in diens opdracht tot stand kwamen.

De hiervoor al genoemde emblematabundel Den gulden winckel der konstlievende Nederlanders

van 1613 is een bewerking van De cleyn werelt van Jan Moerman, die voor het eerst in 1584

in Antwerpen was verschenen en waarvan Pers in 1608 een herdruk had bezorgd. Voor deze

nieuwe uitgave liet Pers de gravures bijwerken door Claes Jansz. Visscher en de teksten door

Vondel. 67

Iets dergelijks is er aan de hand met het emblematische fabelboek Vorstelucke wa­

rande der dieren van 1617, dat een bewerking door Vondel bevat van Franse teksten die m 1578

in Antwerpen waren gepubliceerd bij gravures van Marcus Gheeraerts. Ook van deze gra­

vures bezat Pers de platen. 68

En tenslotte bestaat ook de bundel De helden Godes des Ouwden

65 Zie Porteman in: P.C. Hooft e.a., Emblemata amatoria, ajbeeldinghen van minne, emblemes d'amour. Ed. K. Porteman

(Leiden: Martinus Nijhoff, 1983) 40-41.

66 Keersmaekers, Wandelend in Den Nieuwen Lust-Hoj, 84-91. ,„.,,. , , .„„, . m

67 J. van den Vondel, Werken. Ed. J.F.M. Sterek e.a. (10 dln, Amsterdam: Wereldbibliotheek, 1927-40) i, 266.

68 Vondel, Werken i, 500. Deze waren oorspronkelijk in 1567 in Brugge verschenen met teksten van Eduard De

Dene onder de titel De warachtighe fabulen der dieren.

22:;


Betaald werk? Poëzie als ambacht in de 17e eeuw

Verbonds uit 1620 uit teksten die door Vondel geschreven werden bij een serie prenten, die

al eerder moeten zijn ontstaan en waarvan Pers de platen had weten te verwerven. 69

Daar­

naast publiceerde Pers van Vondel twee vertalingen van werk van Du Bartas, De vaderen

(1616) en De heerlyckheyd van Salomon (1620), en diens toneelstuk Hierusalem verwoest (1620).

Wanneer men het geheel van Vondels produktie in deze eerste periode van zijn dichter­

schap overziet, valt het op hoeveel daarvan öf vertalingen zijn öf, al dan niet tegen betaling,

in opdracht moet zijn geschreven. Verreweg het meeste ervan bestaat uit huwelijksdichten

en uit gedichten bij prenten. De huwelijksdichten zijn voor buurmeisjes (in 1605 en 1618)

en voor een hem bekende doopsgezinde schilder-predikant (in 1620). De Hymnus over de wijd-

beroemde scheeps-vaert (wrs. 1613) en de Hymnus vande christelycke ridder (wrs. 1614) zijn beide ge­

schreven bij prenten uitgegeven door Abraham de Koning, en Op de iongste Hollantsche trans­

formatie (1618) verscheen bij een anonieme gravure. Ook de Wtvaert en treur-dicht van Henricus

de Groote (1610) is waarschijnlijk bij een, mogelijk door Pers uitgegeven 70

, prent geschreven.

Wanneer we de lofdichten op werk van anderen buiten beschouwing laten, kunnen eigenlijk

alleen een handvol religieuze gedichten en de twee toneelstukken Het Pascha en Hierusalem

verwoest als 'vrij' werk worden aangemerkt.

Er is geen enkele reden om het minder vrije werk als minder waardig aan te merken. Afge­

zien van de intrinsieke waarde heeft het een niet te onderschatten betekenis gehad voor Von­

dels literaire vorming. Daarbij nu heeft Dirck Pietersz. Pers juist in zijn functie van uitgever

een cruciale rol gespeeld. Dankzij zijn initiatief om een deel van het nagelaten fonds van

Hans Matthijsz. over te nemen, is Vondel niet alleen in contact gekomen met de nieuwe mo­

dieuze lied-cultuur, maar ook met het werk van Daniël Heinsius en dat wil zeggen met de

meest avantgardistische poëzie van dat moment. 71

Daarnaast lijkt het niet onwaarschijnlijk

dat hij het is geweest, die Vondel bekend heeft gemaakt met het werk van Philibert van Bors-

selen, wiens Binckhorst hij in 1613 publiceerde en van wiens Strande (1611), een gedicht dat dui­

delijk invloed heeft uitgeoefend op Vondel, hij in 1614 een herdruk bezorgde. 72

Maar hoe

dat ook zij, in elk geval heeft Pers, zelf dichter en uitgever van een sterk literair georiënteerd

fonds 73

, voor Vondel zowel in publicitair als in financieel opzicht de mogelijkheid geopend

zich intensief met de dichtkunst bezig te houden.

Hetzelfde, zij het op wat kleiner schaal, zagen we bij Cornelis Claesz. ten aanzien van Cor­

nelis Taemsz. en waarschijnlijk ook bij Laurens Jacobsz. en Hendrick Laurensz. ten aanzien

van Jacobus Viverius. Het aandeel van deze, en andere, uitgevers in de ontwikkeling van

de Nederlandse literatuur en de plaats daarbinnen van het in hun opdracht geschreven werk,

verdient meer aandacht dan het tot nu toe heeft gekregen.

69 Vondel, Werken II, 301.

70 Molkenboer, 'Vondels drukkers en uitgevers', 40-41.

71 zie Porteman in: Hooft, Emblemata amatoria, 6-8 en Marijke Spies, 'Vondel tussen Van Mander, Heinsius en

Hooft', Spektator 17 (1987-88) 28-42; 40-41.

72 Vondel, Twee zeevaart-gedichten I, 98-99.

73 Over hem: Landwehr, 'De Gentse liefdesembleemdichters en D. P. Pers' en de inleiding van Verlaan en Grootes

in Dirck Pietersz. Pers, Suyp-sladof dronckaerts leven. Ed. J.E. Verlaan en E.K. Grootes (Culemborg: Tjeenk Willink,

Noorduyn, 1978).

224


P.J. Verkruijsse

Holland 'gedediceerd'.

Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw

Kunst in opdracht of mecenaat dient in de 17e-eeuwse wereld van boek en literatuur anders

geïnterpreteerd te worden dan in die van de beeldende kunst. De categorieën schrifturen

(de term 'literatuur' is in de zeventiende eeuw onbruikbaar) die voortvloeien uit gerichte

opdrachten van derden en die nog enigszins een mecenaatskarakter hebben, zijn beperkt

tot bruiloftsdichten, sommige lofdichten en kaart- en historiewerken, tenzij men daartoe ook

rekent vertalingen en tekstedities die in opdracht van boekverkopers vervaardigd worden.

Dat er desondanks grote aantallen boeken zijn die een opdracht bevatten, is - anders dan

bij beeldende kunst - meer het gevolg van actie ondernomen door auteur, editeur, vertaler

of drukker/uitgever, nadat het 'kunstwerk' al vorm heeft gekregen. 'Kunst in opdracht' moet

in het onderstaande dan ook geïnterpreteerd worden als 'kunst' met een opdracht' en dat

laatste dan soms in de dubbele betekenis van een publikatie 'voorzien van een opdracht',

geschreven door een auteur 'gedreven door een hogere opdracht'.

Breedvoerigheid hoeft daarbij' niet altijd een ondeugd te zijn. Enige explicietheid omtrent

denken en doen kan het nageslacht informeren over de beweegredenen die tot bepaalde han­

delingen geleid hebben. De amplificerende wijze waarop de 'bedienaer des Euangelij Jesu

Christi binnen der Stede Goude', Eduardus Poppius, ons inlicht over zijn motieven om zijn

prekenbundel De engepoorte (Rotterdam 1630) 1

aan diverse instanties op te dragen is welhaast

zonderweerga. Niet minder dan veertien pagina's (fol. A2r-A8v) moeten de 'VVel-gheboren,

Edele, Moghende, Hooghwijse Heeren' Staten van Holland en West-Friesland, de 'Achtba­

re, Erntfeste, Hoogh-gheleerde, ende seer voorsienighe, Heeren' Schout, Burgemeesters,

Schepenen en Raden van Amsterdam en de 'Achtbare, Erntfeste, Welwijse, seer Voorsieni­

ghe ende Discrete, Heeren' Baljuw, Burgemeesters en Schepenen van Gouda doorworstelen

om aan de weet te komen waarom zij uitverkoren zijn voor deze opdracht.

Poppius begint zijn opdracht met de constatering dat we God dankbaar mogen zijn voor

het feit dat hij de Verenigde Nederlanden gezegend heeft met de 'ghereformeerde Christe-

lijcke Religie', waardoor we verlost zijn van het 'jock des Pausdoms' en wellicht gespaard

worden voor de fout van de 'ongheloovige loden' om alleen in woord, maar niet in daad de

ware godsdienst te belijden. Vervolgens legt Poppius geduldig en systematisch (via genum­

merde argumenten in de marge) uit wat we onder 'Religie', 'Christelijcke Religie' en 'ghere­

formeerde Christelijke Religie' dienen te verstaan, met de belofte daarop nog 'int breede'

terug te komen 'in de navolghende Predicatien'.

Na negen bladzijden (fol. A6v) stuiten we dan op de marginale noot 'Redenen van de de­

dicatie'. Die redenen zijn alweer keurig puntsgewijs opgesomd:

1. Opdracht aan de Staten:

1. Algemene redenen:

1. Een dominee heeft nu eenmaal als taak de hoogste bestuurders erop te wijzen dat

zij een onberispelijke levenswandel dienen na te streven om 'te strijden m te gaen

door de enghe poorte' naar de hemel;

1 Eduardus Poppius, De enge poorte, ofte predkatten ooer eemghe voortreffelijke letten der heyligerSchrifture.[...]. Midtsgaders,

het aen-hangsel vande Enge Poorte, ende een tractaei van de erghermssen. [...]. Door Ednardum [sicj Poppmm IsicJ,

L I - , i-T nL • .-u- A r


Holland 'gedediceerd'. Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw

2. Zij moeten zodanig regeren, dat 'het gheestelijcke rijcke Iesu Christi onder de men-

schen ghevordert werde';

3. Zij moeten hun onderdanen 'een goet exempel' voorhouden.

2. Speciale redenen:

1. Poppius vindt het nodig zijn eerste gedrukte publikatie diegenen te 'heylighen' die

'in de plaetse Gods over ons ghestelt zijt';

2. Hij richt zich via de Staten tot het gehele volk;

3. Hoewel hij beseft de 'minste onder alle dienstknechten' te zijn, hoopt hij dat datge­

ne wat hij te zeggen heeft meer gewicht krijgt door deze opdracht.

2. Opdracht aan de bestuurders van Amsterdam:

1. Poppius wil door deze opdracht zijn dank uiten voor 'verscheydene weldaden, die

blijken te bestaan uit een 'jaerlijcks subsidio' aan zijn vader, Ds. Petrus Eduardus

Poppius, tijdens de theologische studie van de zoon, en de overheidssteun die hij

genoten heeft toen hij de voetstappen van de vader drukte gedurende negen jaar

in Amstelveen;

2. Uit liefde voor Amsterdams burgerij die 'in hare menighvuldighe bekommernis­

sen, aengaende koopmanschappen, neeringhen &c. in hare overvloedighe ryck-

dom' niet moet vergeten 'dat de poorte enge is, die ten Hemel leydet'.

3. Opdracht aan de bestuurders van Gouda:

1. Het is niet meer dan 'billijck' dat de in Gouda gehouden preken nu ze in druk ver­

schijnen aan de Goudse magistraat worden opgedragen;

2. Poppius is nu al acht jaar lang aangesteld door de magistraat: zijn 'arbeydt, ende

vrucht des selven' komt hen toe;

3. Zijn ambt brengt met zich dat Poppius zowel bestuurders als de andere inwoners

van Gouda 'uyt de roofgierighe kaken des Satans' dient te houden en hen dient te

adviseren 'door de enghe poorte in te gaen'.

De onderzoeker die zich op het enge pad van het boekenmecenaat in Holland begeeft, zou

willen dat alle opdrachten in boeken zo expliciet waren, maar zelfs in het geval van Poppius'

De enge poorte wordt ook na archiefonderzoek niet duidelijk of de drieledige opdracht geleid heeft

tot een financiële gift. Amsterdam zou het principe gehuldigd kunnen hebben, dat de studie­

financiering uit het verleden - de jaarlijkse subsidie waarvan in de opdracht sprake is - al

voldoende geweest is. Het is de vraag of de financiële administratie van Gouda enige toelich-

tingbiedt. In deresoluties vandeStatenvanHollandisPoppiusiniedergevalnietterugtevinden.

Onderzoeksmogelijkheden en -moeilijkheden

Het probleem is echter of deze zero-informatie impliceert dat er inderdaad geen overheids­

gelden besteed zijn aan De enge poorte. Eigenlijk is het verbazingwekkend dat er nog maar

zo weinig systematisch onderzoek gedaan is naar de meest toegankelijke sector van het boe­

kenmecenaat, namelijk door de lokale, gewestelijke en landelijke overheden 2

. De resoluties

2 J.J.V.M. de Vet signaleert dit ook op p. 153 van zijn 'Maecenaat in de pruikentijd', Handelingen van het 38e Nederlands

Filologencongres 1984 (1985) 149-175. In zijn noot 84 merkt hij op: 'Een overzichtsstudie betreffende de Nederlandse

dedicatie uit de onderhavige periode ontbreekt vooralsnog'. A. Hallema heeft voor zijn artikel 'Honoraria

voor handschriften en boeken in het verleden', Folium 2 (1952) 94-101, met name de Haagse thesauriersre-

226


" D E E ^ G E P O O R T E ,

••• ff^t .? . ..\ -5 ofte

PREDIG ATIEN

:cxtm Dttljep

liwJffcffiW^ ^jnot^vuorhr \>otnaam Ifiifc

i.M>«NHi«MA4ll|>> »' '»'"'•» i:'»i;9»»«WMB««,'»ti DM»

: : : ,

Bet AES^ÏIANGSEL vamJcEnceToont-, rodccci»

«!»5JtBWt mtititrtta niöt onffjS ©t«tn ijtfu «:iOi/

- - -

. . . i

TOT ROTTERDAM,

S3pbe TOcbutoe j u a n " u SSofftttrt'

hMïrt) ppi^trpgttlnaillXilfan» .g.;..

Holland 'gedediceerd'. Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw

Afb. 1. Titelpagina van Eduardius Poppius De

enge poorte (UB-Amsterdam 417 F 2, fol. Air).

van de Staten Generaal (tot 1625) en van de Staten van Holland zijn in gedrukte vorm toegankelijk

en geïndiceerd 3

. De aandacht is tot nu toe vooral uitgegaan naar het particuliere

mecenaat, waarvan de financiële aspecten bij gebrek aan archivalia moeilijk of niet te becijferen

zijn. Incidenteel wordt bij de bestudering van de boek- en boekhandelsgeschiedenis

gebruik gemaakt van de archieven 4

, maar het excerperen van de resoluties en rekeningen

van stedelijk, gewestelijk en landsbestuur op deze 'tweede geldstroom' zou beter inzicht kunnen

verschaffen in de mate en wijze van subsidiëring van auteurs en boekhandelaarsdrukkers-uitgevers.

keningen bekeken. Systematisch archiefonderzoek naar de Haagse dedicaties uit de periode 1625-1650 vindt

momenteel plaats door Marika Keblusek in het kader van haar dissertatie (Leiden, Prof. Dr. B. van Selm en

Prof. Dr. A. Hamilton) over 'De betekenis van de boekhandel te 's-Gravenhage voor het stedelijk socioculturele

leven in het tweede kwart van de zeventiende eeuw'.

3 S. Groenveld heeft voor de statistieken in zijn artikel 'Het Mekka der schrijvers? Statencolleges en censuur in

de zeventiende-eeuwse Republiek', in: Eer is het lof des deuchts; opstellen over renaissance en classicisme aangeboden aan

dr. Fokke Veenstra (Amsterdam 1986) 225-245, o.a. gebruik gemaakt van de resoluties van Staten Generaal en

Staten van Holland, maar alleen voor het censuur-aspect. Het artikel van S. Groenveld en J. B. den Hertog,

'Twee musici, twee stromingen. Een boek-octrooi voor Anthoni van Noordt en een advies van Constantyn

Huygens, 1659', in: Veelzijdigheid als levensvorm; facetten van Constantijn Huygens' lenen en werk (Deventer 1987) 109-

127, legt het accent op de octrooien of privileges. Verboden, octrooien èn opdrachten samen vormen het boekhistorisch

gezien interessante bestanddeel van de resoluties.

4 Tot die 'incidenten' reken ik uiteraard niet de standaardwerken over de Amsterdamse boekhandel van M. M.

Kleerkooper-W.P. van Stockum (1914-1916) en van LH. van Eeghen (1960-1978), dat van E.F. Kossmann over

Den Haag (1937), dat van H.J. Laceulle-Van de Kerk over Haarlem (1951), dat van C.J. A. van den Oord over

Den Bosch (1984) en dat van J.G.C.A. Briels over de Zuidnederlandse boekdrukkers en boekverkopers in de

Republiek (1974).

227


Holland 'gedediceerd'. Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw

Meer duidelijkheid in de wijze van subsidiëring is alleen dan te verkrijgen wanneer men

naast de gegevens uit de archivalia ook een overzicht van boeken ter beschikking heeft die

voorzien zijn van opdrachten aan overheidsinstanties. Om enig idee te krijgen van mogelijk­

heden en moeilijkheden van een dergelijke systematische aanpak heb ik, daartoe m staat ge­

steld door de bibliotheekautomatisering 5

, een - verre van representatieve! - steekproef ge­

nomen. Tijdens eerder onderzoek naar het boekenmecenaat 6

was me opgevallen dat de Sta­

ten van Holland op 23 januari 1657 besloten om in den vervolge geen opdrachten van boeken

meer te accepteren en dientengevolge ook geen 'vereeringen' meer te geven. Ik laat de volle­

dige tekst van deze resolutie hier volgen 7

:

Synde ter Vergaderinge gepresenteert verscheyden Exemplaren van seker Boeck, aen

haar Edele Groot Mog. gedediceert; Is, naer voorgaende deliberatie, goedt-gevonden en­

de verstaen, dat de voorschreve presentatie, in ghevolge van de generale Resolutie, dient-

halven in Septembri des jaers sesthien hondert twee en dertigh genomen, sal werden ge-

excuseert, gelijck de selve ge-excuseert werdt midts desen, ende dat voorts in 't toekomen­

de niet alleenlijck egeene presentatie van Boecken by haer Edele Groot Mog. sullen wer­

den aengenomen, veel min daer over eenige Vereeringen gegeven, maer dat ook tot preci-

se nakominge van de voor-geroerde generale Resolutie den Raedt-Pensionaris in der tydt

sal werden gelast ende geinjungeert, gelijck de selve gelast ende geinjungeert werdt by

desen, egeene soodanighe gepresenteerde Boecken alhier ter Vergaderinge te doen in­

brengen, noch oock te permitteren, dat de selve door den Kamer-bewaerder ofte ander-

sints ingelevert werden.

De Staten verwijzen voor hun besluit naar een eerdere resolutie van september 1632. Deze

luidt 8

:

5 Ik heb gebruik mogen maken van een terminal met speciale zoekmogelijkheden op de afdeling Zeldzame en

Kostbare Werken van de Universiteitsbibliotheek Amsterdam, waarvoor dank aan conservator Drs. W.K.

Gnirrep en zijn medewerkers. Waardering geldt uiteraard ook de medewerkers van de uitleen en in de magazijnen

die in korte tijd een paar honderd boeken te verslepen kregen! Tevens dient dank uitgesproken te worden

aan de medewerkers van de STCN en de deelnemers aan het project 'Amsterdamse drukkers/uitgevers eind

16e - eerste helft 17e eeuw', Drs. P.J. Koopman, Drs. H.M. Borst en de heer J.F.A.M. van den Berg, die mij

attendeerden op van opdrachten voorziene boeken. Prof. Dr. B. van Selm en Drs. Marika Keblusek hebben

de moeite genomen het concept van dit artikel te lezen, hetgeen geleid heeft tot essentiële wijzigingen en hopelijk

zal leiden tot een verdergaande discussie over dit onderwerp.

6 P.J. Verkruijsse, 'Het boekenmecenaat in de zeventiende eeuw', De zeventiende eeuw 6 (1990) nr. 1 (Cultuur en

economie) 137-143.

7 Resolulien van de Heeren Staten van Hollandt ende West- Vrieslandt f...Jt 'zedert den thiendenjanuary sesthien hon

en vijftich, tot den seven en twintighsten dito daer aen volgende, fol. c4v (p. 24). ('s-Gravenhage, ARA, Staten van Holland

90; Amsterdam, GA: Archief 5038, nr. 91). Ook - met spellingswijzigingen - opgenomen in de 2e druk:

Resolutien van consideratie, der Ed. Groot Mog. Heeren Staten van Hollandt ende West-Vriesland genomen zedert den

der bedieninge van den Heer Johan de Witt als Raedt-Pensionnaris van haer Ed. Gr. Mog. dienende zo wel voor de toekom

als tegenwoordige tyt. Beginnende met den tweden Augusti 1653. ende eyndigende met den negentienden December 16

twedendruk. Amsterdam, Joannes Oosterwyk, Steenhouwer en Uytwerf; s'Gravenhage, R. Aalberts, 1719. fol.

Oolr (p 289) (Amsterdam, GA: 23 D 10). In de minuutresoluties ('s-Gravenhage, ARA, Staten van Holland

422: Minuutresoluties januari-maart 1657, fol. 55r-v) is de zinsnede 'veel min daerover eenige v«reeringen gegeven,'

via een marginale toevoeging aangebracht.

8 Resolutien van de Heeren Edelen Ridderschap, Edelen ende Steden van Hollandt ende West- Vrieslandt [...] van den

September, tot den negen en twintighsten van de selve Maent incluys sesthien hondert twee en dertigh daer aen oo

N4r (p 103), d.d. 9 en 29 september. ('s-Gravenhage, ARA, Staten van Holland 65; Amsterdam, GA, Archief

5038, nr. 65). Opmerkelijk is dat eveneens in 1632 de Staten van Friesland het besluit namen om geen opdrachten

meer te accepteren, omdat het - aldus Hans Furstner in zijn Geschichte des niederlandischen Buchhandels (Wiesbaden

1985) p. 54 - te veel geld kostte.

22»


Holland 'gedediceerd'. Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw

In de Vergaderinge zynde gepresenteert verscheyde Latijnsche en Duytsche Boecken, by

gheleerde Personen aen de selve gedediceert: Is na deliberatie verstaen, de voorsz. dedicatie

te excuseren, en dat voor het toekomende oock geene dedicatien van Boecken sullen

aengenomen werden.

Beide resoluties roepen de vraag op naar de politiek van de Staten betreffende het - tegen

een financiële vergoeding - accepteren van opdrachten voor boeken. Uit het feit dat een in

1632 aangenomen richtlijn in 1657 herhaald moet worden, zou men kunnen concluderen

dat het beleid in de tussenliggende periode dienaangaande weinig effectief is geweest. Verder

zou de in 1632 aanvaarde richtlijn het gevolg geweest kunnen zijn van een zodanige toename

van opdrachten dat het werkelijk de spuigaten uitliep.

Een steekproef

Om met de beantwoording van de laatste vraag te beginnen, heb ik trachten te controleren

of er inderdaad een paar jaar vóór 1632 veel boeken verschenen zijn met opdracht aan de

Staten. De terminal van de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam maakt het mogelijk veel

boeken (de UB-A is nu eenmaal de grootste Nederlandse collectie) uit bepaalde jaren en

plaatsen te selecteren. Voor mijn steekproef heb ik een aantal Hollandse steden bekeken over

de periode 1630-1632 (zie tabel 1). Als pamfletten aangeduide titels in de catalogus heb ik

in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten, omdat echte pamfletten niet zo gauw opdrachten

zullen bevatten. Bij een grootschalig onderzoek dient deze moeilijk te definiëren

categorie drukwerk echter wel in aanmerking genomen te worden, gezien ook het verbod

van Gecommitteerde raden op het accepteren van 'blaauw of andere boekjes' waarover verderop

in het artikel sprake is 9

.

Tabel 1

aantal opgedr. opdr. opdr. andere particul.

boeken boeken StvH StGen overheden personen

Alkmaar 0 0 0 0 0 0

Amsterdam 111 43 2 2 14 31

Delft 5 4 1 3 1 3

Dordrecht 3 2 0 0 1 2

Gouda 0 0 0 0 0 0

's-Gravenhage 11 6 2 2 3 4

Haarlem 14 3 0 0 2 1

Hoorn 5 1 0 0 2 0

Leiden 25 17 1 1 6 12

Rotterdam 16 3 2 1 5 [

totaal 190 79* 8 9 34 54

Een aantal boeken is aan meer instanties of personen opgedragen!

9 Voor Amsterdam heb ik met het oog op de beschikbare tijd alleen de drukkers/uitgevers vanaf de letter A tot

aan Broer Jansz doorgenomen; voor Leiden ben ik niet verder gekomen dan tot Govert Basson.

229


Holland 'gedediceerd'. Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw

A E N

DE VVEL-GHEBOREN,

Edele , Moghende , Hooghwijfe He E.

R E N , mijn Heeren, de Staten v*n Hollandt ende

'WcftvricÖnwf.>iic. Huw 1.1 >.MOCH. Gecommitteerde

Kaden. . 0

^ £iide, ' . _

Aenen»Ac!utU!T , Erntfeftc, Hoogh-gheleerde,

ende fier v«. >rfer>r;he, H f t R t N , mijnHce.

....... V

wotvj. tui.iv' • • :•.... -

|ItSDJ«.\ f\ ," ^

• -i


Holland 'gedediceerd'. Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw

en de Rekenkamer en de magistraat van 's-Gravenhage.

- Petrus Cunaeus. De republica Hebraeorum librilll, ed. altera. Leiden 1631. (UB-A: 265 G 11)

Opdracht door de auteur aan de Staten van Holland.

- Eduardus Poppius. De enge poorte. Rotterdam, Weduwe M. Bastiaensz, 1630. (UB-A: 417

F 2)

Gecombineerde opdracht door de auteur aan de Staten van Holland en hun gecommit­

teerde raden, de magistraat van Amsterdam en de magistraat van Gouda.

- Henr. Alutarius. Spieghel ofte proef-steen der genaemder Lutherschen [...]. 2e dr. Rotterdam, I.

van Waesberghe, 1632. (UB-A: 395 G 6)

Gecombineerde opdracht door de auteur aan de gecommitteerde raden van de Staten van

Holland, de magistraat van Rotterdam en Gorinchem, de Staten Generaal en de magi­

straat van Woerden.

Het totaalcijfer van acht opdrachten aan de Hollandse Staten (waarvan opmerkelijk is dat

het in de meeste gevallen combinaties van overheden betreft) in driejaar, is niet bepaald op­

zienbarend en verklaart dus niet de resolutie van september 1632. Hoeveel dedicaties wor­

den vermeld in de resoluties over dezelfde jaren? Daartoe heb ik de gedrukte indices op de

gedrukte resoluties geraadpleegd 10

onder het trefwoord 'boeken'. Een compleet chronolo­

gisch overzicht - ontleend aan die indices over de periode 1580-1700 - van boeken, waarvoor

aan de auteur, vertaler of diens erfgenamen een betaling is verricht door de Staten van Hol­

land, heb ik - samen met via het bibliotheekonderzoek en in de hierna te noemen particulie­

re notulen van Stellingwerff en Schot gevonden boeken - als Bijlage 1 opgenomen. Niet al­

tijd is duidelijk aangegeven of de honorering verleend wordt voor een dedicatie of in het alge­

meen voor onkosten (drukkosten, het leveren van een aantal exemplaren e.d.) en moeiten.

Voor de periode 1630-1632 betreft het slechts drie titels: Vossius 1630; Lempereur 1630

en De Pouis 1632, waarbij expliciet staat aangegeven dat de dedicatie aanvaard wordt en

dat een bepaald (zeer hoog!) bedrag betaald wordt. Autopsie zou moeten uitwijzen - op de

UB Amsterdam was dat niet mogelijk - of in de boeken van Vossius, Lempereur en De Pouis

een opdracht aan de Staten is afgedrukt. In ieder geval komt het totaal van aan de Staten

opgedragen boeken uit de jaren 1630-1632 in deze steekproef op elf (de hierboven genoemde

acht uit het bibliotheekonderzoek en de drie in de vorige alinea genoemde uit het archiefon­

derzoek). Het totaalbedrag aan uitgekeerde overheidsgelden over die periode is 900 gulden

voor drie van de elf opgedragen werken.

Kan men zijn twijfels hebben over de betrouwbaarheid van de gedrukte indices op de reso­

luties van de Staten, ook de volledigheid van de resoluties is aan twijfel onderhevig. Wanneer

men bijvoorbeeld de particuliere notulen van Stellingwerff en Schot, afgevaardigden van

resp. Medemblik en Purmerend in de Staten, legt naast de officiële resoluties, dan blijkt in

hun notulen sprake te zijn van beloningen voor dedicaties of van andere bedragen, die met

zijn terug te vinden in de Staten-resoluties 11

. Met betrekking tot het in Bijlage 1 onder 1626

10 Zie de Inventaris van het archief van de Stalen van Hollanden West-Friesland 1572-1795 van W.E. Meiboom (1989).

Deze geeft als meest voor de hand liggende methode van onderzoek aan: het raadplegen van 1) de lijst van trefwoorden

voorin de inventarisnummers 281-298; 2) de gedrukte indices (inv. nrs. 280-298, beschikbaar op microfiche)

onder de desbetreffende trefwoorden; 3) de gedrukte (voor de periode 1580-1700 zijn dat inv. nrs. 15-

134), resp. de net- en afschriftresoluties, resp. de minuten; 4) de bijlagen bij de resoluties.

11 Van de Particuliere notulen van de vergaderingen der Staten van Holland 1620-1640 door N. Stellingwerff en S. Schot zijn

de delen 2 (periode september 1623-mei 1625) en 3 (periode juli 1625-apriI 1628) verschenen in de RGP, grote

serie 200 ('s-Gravenhage 1987) en 206 ('s-Gravenhage 1989), bewerkt doorJ.W. Veenendaal-Barth m.m.v. A. A.

231


Holland 'gedediceerd'. Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw

genoemde boek van Burgersdyk, Justitiones logica, vermelden de beide Westfriezen dat er een

discussie is over een bedrag van 200 of 150 pond; de index noemt een bedrag van 150 gulden.

Verder worden dedicaties genoemd voor boeken van Snellius (dl. 2, p. 130: 06.12.1623; 300

pond), Herpenius (dl. 2, p. 534: 19.03.1625: 500 of 400 pond), Andreas Rivet (dl. 2, p. 563:

10.04.1625; 400 carolus gulden), Johannes Victor Rockijcksaus (dl. 3, p. 40: 15.09.1625; 30

pond), Walaeus (dl. 3, p. 49: 24.09.1625; 400 pond), Pieter Bor (dl. 3, p. 164: 03.07.1626;

600 pond), Beyerus (dl. 3, p. 185: 18.07.1626; 100 pond), Johannes Gisius (dl. 3, p. 208:

30.09.1626), Lommelijn (dl. 3, p. 298: 21.05.1627; 50 pond) en Martinus Hortensius (dl. 3,

p. 407: 10.09.1627; 10 pond Vlaams).

Uit het in Bijlage 1 gegeven overzicht vallen de volgende cijfers te destilleren (waarbij ik

alleen de officiële cijfers uit de resoluties van de Staten in aanmerking neem; de in de vorige

alinea vermelde officieuze financiële gegevens uit de particuliere notulen laat ik buiten be­

schouwing): ik geef per decennium het totaal aantal opgedragen boeken, het aantal gesubsi­

dieerde boeken daarvan, het totaalbedrag van de subsidies (de daalders heb ik als ƒ 2,- gere­

kend; de bedragen die in termijnen betaald zijn, heb ik bij het desbetreffende decennium

gevoegd) en het gemiddelde bedrag per boek:

Tabel 2

decennium totaal aantal totaalbedrag gemiddeld

opdrachten gesubsidieerde bedrag

1580-1589 10 9 ƒ 725,- ƒ 80,55

1590-1599 28 23 ƒ5685,- ƒ247,17

1600-1609 18 16 ƒ4470,- ƒ279,37

1610-1619 13 12 ƒ3290,- ƒ274,16

1620-1629 1 1 / 150,- /150,00

1630-1639 14 6 ƒ2950,- ƒ491,66

1640-1649 7 5 ƒ1510,- ƒ302,00

1650- - 3 0 ƒ f ~-

94 72 ƒ18780- ƒ260,83

Opvallend is het dieptepunt in de jaren twintig van de 17e eeuw: tussen 1618 en 1630 wordt

alleen in 1626 een bedrag van ƒ 150,- uitgekeerd (vergelijk echter de gegevens uit de particu­

liere notulen van Stellingwerff en Schot die juist voor de jaren twintig het aantal opgedragen

boeken op 11 en het aantal gesubsidieerde op 10 zouden brengen!). Tevens blijkt het geringe

effect in financieel opzicht van de oekaze uit 1632: in de jaren 1630-1639 is het gemiddelde

bedrag per boek juist het hoogst; het aantal dedicaties loopt wel terug: in de jaren 1630-1632

waren dat er 11, in 1633-1639 slechts 3. Daarna is het een aflopende zaak: het laatste gesubsi­

dieerde boek dateert van 1645. De resolutie van 1657 lijkt alleen nog maar de bevestiging

van een inmiddels gegroeide situatie.

SmitenV.L. Vree, resp. door E.C.M. Huysman m.m.v. A.A. Smit enVL. Vree. Er zijn particuliere notulen vervaardigd

door raadpensionarissen, secretarissen, leden van de ridderschap en afgevaardigden van de stemhebbende

steden in de periode 1584-1795. Deze notulen bevatten vaak gedetailleerder gegevens over zaken die aan de orde

zijn dan de resoluties. Overigens wijken particuliere notulen van verschillende personen die eenzelfde periode beslaan

onderling ook weer af. Particuliere notulen berusten deels in het archief van de Staten op het Algemeen Rijksarchief,

deels in andere rijksarchieven en deels in particuliere en familie-archieven. Zie ook N. Japikse, 'Verslag

van een onderzoek naar ongedrukte resolutiën der Staten van Holland na 1572', Bijdragen en Mededelingen van het

Historisch Genootschap 28 (1905) bijlage E.

232


Holland 'gedediceerd'. Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw

Dit bliksemonderzoekje geeft aanleiding tot het poneren van de volgende vragen:

- Wanneer vindt het opdragen van een boek zijn neerslag in de resoluties van de Staten en

van de andere overheden in het algemeen, en hoe betrouwbaar zijn die gegevens gezien

de gesignaleerde discrepantie tussen de officiële resoluties en de particuliere notulen van

individuele afgevaardigden? Gebeurt dat - afgezien van de gevallen die expliciet gewei­

gerd worden - bijvoorbeeld alleen wanneer de opdracht financiële gevolgen heeft?

- Hoe vindt de acceptatie plaats van dedicaties die niet geldelijk beloond worden; is daar­

voor een bepaalde procedure? In de resolutie van 1657 is er sprake van dat de Raadpensio­

naris en de Kamerbewaarder er op de een of andere wijze bij betrokken zijn. Uit de ge­

noemde particuliere notulen kan geconcludeerd worden dat er gestemd wordt per stad

en geleding (de edelen).

- Mag men, als men geen financiële bijbedoelingen heeft, ook zonder uitdrukkelijke toe­

stemming een publikatie aan de overheid opdragen?

Inconsequente Staten-politiek

In het bovenstaande is geconstateerd dat aan de resolutie van september 1632 wellicht niet

strikt de hand gehouden was omdat anders een herhaling daarvan in 1657 niet nodig zou

zijn. Uit de gedrukte indices blijkt inderdaad dat in augustus 1633 alweer een boek geaccep­

teerd wordt, zij het 'ongeprejndicieert [sic] voorige Resolutie [nl. die van 1632]': de weduwe

van raadsheer Koorn krijgt 300 gulden voor het boek 'noopens de observantie der Justitie

in den Hoogen Raad'. Ook in december 1634 wordt, 'ongeprejudicieert de Resolutie op gely-

ke saaken', 150 gulden betaald voor Meestersius' Justitia Romanum legum. De referentie aan

de resolutie van 1632 blijft achterwege in augustus 1636 wanneer Daniël Heinsius niet min­

der dan 1.600 gulden ontvangt voor de dedicatie van zijn Exercitatione Sacrae ad Novum Testa-

mentum. In maart 1642 wordt 800 gulden beschikbaar gesteld aan professor Vinnius voor

zijn commentaren op de Institutiones Juris. Naar aanleiding van de presentatie van deel 3 van

de Annalium Hollandiae Westfrisiaeque krijgt Mattheus Vossius in april 1644 300 gulden 'om

hem tot den voortgang te encourageeren'. J. de Laat ontvangt 300 gulden in november 1644

voor zijn Historie ofjaarlyks verhaal van de verrigting der geoctroyeerde Westind. Comp. Bij deze in

totaal 3.450 gulden blijft het dan. In de indices op de resoluties tot 1700 zijn verder geen

bedragen voor opdrachten te vinden.

Daaruit mag echter weer niet geconcludeerd worden dat er sinds 1644 geen boeken meer

aan de Staten opgedragen zouden zijn. Tweemaal is er een kwestie over een verkeerd gefor­

muleerde dedicatie: in september 1646 wordt J. Vossius op de vingers getikt omdat hij in

de dedicatiebrief voor het vierde deel van zijn Annalium Hollandiae &Zelandiae West-Friesland

niet genoemd had. Daar wordt het volgende op gevonden:

Voorslag van voorsz. Vossius om op de Titul in voorsz. Dedicatiebrief te stellen annalium

Holandiae & Westvrisiae sonder meer, en voor Zeelands Exemplaaren alleen annales Zeelan-

diae, goedgevonden; dan nader resolveeren op de vereering voor gemelde Autheur, en

geen Dedicatien van andere Boeken hier aan te neemen, als daar Holland en West-vries­

land saamen staan.

De 'vereeringe' die Vossius in het vooruitzicht gesteld wordt, is niet opgenomen in de resolu­

ties.

233


Holland 'gedediceerd'. Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw

Een dergelijk geval doet zich voor in maart 1651 met een werk van P. Soutman, bevattende

portretten van de graven van Holland. De dedicatie zal niet aanvaard worden, 'tot dat de In­

scriptie, waar in Zeeland tusschen Holland en West-vriesland is gesteld' gecorrigeerd zal zijn.

Uit eerder bibliotheekonderzoek 12

is al gebleken dat Hugo de Groots Tractaet vande oudtheyt

vande Batavische, nu Hollantsche Republique van 1622 in 1651 is herdrukt, mét de opdracht aan

de Staten. Hetzelfde is het geval met Frank Burgersdyks Institutio logica dat is reden-konstigh

onder-wys (1626), herdrukt in 1646 inclusief de opdracht, en met Arnoldus Vinnius' In quator

libros constitutionum imperialium commentarius (1642), herdrukt in 1655. Geen herdruk is Willem

de Groots Isagoge adpraxinjori Batavici van 1655. Zie voor deze en nog andere opgedragen

werken Bijlage 1.

Aan de boven reeds geformuleerde vragen kan er nog een toegevoegd worden:

- Kunnen werken die al een opdracht aan de Staten bevatten zonder verdere goedkeuring

die opdracht in een volgende druk handhaven? Het blijkt dat herdrukken van in een eer­

der stadium aan een andere instantie opgedragen boeken wel een opdracht van de Staten

kunnen krijgen, inclusief een riante beloning (vgl. het geval-Vossius 1630).

Opdrachten aan andere instanties

Uit de handgeschreven indices op de resoluties van de Gecommitteerde Raden 13

blijkt dat

ook zij - onafhankelijk van de Staten - bedragen uitkeerden aan auteurs. Op 17 juni 1626

krijgt Pieter Bor voor zijn Nederlandschegeschiedenis 500 pond zuiver. M. de Monserrata ont­

vangt op 22 januari 1629 150 pond. Sommige handige boekhandelaars hadden blijkbaar de

taktiek ontwikkeld om de heren gecommitteerden afzonderlijk te benaderen. Op 2 septem­

ber 1648 meldt de index daaromtrent het volgende:

De Kamerbewaarder Houkgeest den boekdrukker Breekevelt aan te zeggen, geen ge­

drukte boekjes of papieren aan de huizen van de Heeren maar die int collegie te presen­

teeren.

Het duurt tot 1679 voor het blijkbaar ook de Gecommitteerden te veel wordt: op 17 maart

wordt bepaald:

Voortaan geen boeken, prenten, gedrukte blaauw of andere boekjes, als na speciale deli­

beratie aanneemen, nog daar voor betaaling valideeren.

Uit Tabel 1 - hoe weinig representatief voor het totaalbeeld het ook mag zijn - volgt toch

enige indicatie over het belang van het overheidsmecenaat naast het particuliere mecenaat:

51 opdrachten aan officiële instanties; 54 aan particulieren.

Onder de stedelijke overheden die zich opdrachten hebben laten welgevallen, zijn de Hol­

landse goed vertegenwoordigd. Ik baseer me voor een overzicht (zie Bijlage 2) op het mate­

riaal uit de voor dit onderzoek doorgenomen periode 1630-1632, op de gegevens uit de indi-

12 Eerder bibliotheekonderzoek naar het boekenmecenaat vond plaats in een werkgroep van studenten in de historische

letterkunde aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. Zie daarvoor het

artikel van P J Verkruijsse in noot 6. De indertijd verzamelde bibliotheek- en archiefgegevens zijn als computerbestanden

raadpleegbaar op genoemd Instituut, Spuistraat 134, 1012 VB Amsterdam, 020-525.4717. De

heer K.J. Brands, deelnemer aan de onderzoeksgroep, leverde voor het huidige artikel tal van waardevolle aanvullende

gegevens.

13 Raadpleegbaar op het ARA in de vorm van microfiches.

234


t&zzry SiNT 3wFcaTNATES%C^»"

Holland 'gedediceerd'. Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw

Afb. 3. Emblema van Sint Mecoenates, afgebeeld

in E.W. Moes en C.P. Burger, De Amsterdamsche

boekdrukkers en uitgevers in de zestiende eeuw ui

(Amsterdam enz. 1910) 233. Het origineel is opgenomen

op de titelpagina's van de twee delen

van D. Erasmus Paraphrasis. Dat is verclaringhe op

het nieuwe Testament onses Heeren Iesu Christi, vertaald

door Ellert de Veer, Amsterdam, Ellert de

Veer, 1594.

ces op de resoluties en uit de particuliere notulen, en op dat wat verzameld is voor mijn artikel

in De zeventiende eeuw 1

*, dat vooral betrekking had op de jaren 1570-1610, 1645-1646 en

1654-1655. Dat Amsterdam en Den Haag hier zeer ruim vertegenwoordigd zijn met 28, resp.

25 van de in totaal 81 opdrachten, ligt aan de aard van het doorgenomen materiaal.

Opdracht aan boekhistorici

Het lijkt me een taak voor de Nederlandse boekhistorici om die overheidsbijdragen aan de

boekproduktie nauwkeuriger in kaart te brengen. Een project zoals dat momenteel in Haarlem

plaatsvindt ter voorbereiding van het 750-jarig bestaan als stad, waarbij ook de boekdedicaties

aan het stadsbestuur object van onderzoek zijn, zou ook in vele andere steden aangevat

dienen te worden 15

. Met name de vroedschapsresoluties en de financiële administratie

dienen geëxcerpeerd te worden voor de boekhistorische gegevens.

Hetzelfde zou moeten gebeuren met de archieven van de provinciale Staten, van de Staten

Generaal en van andere instanties waaraan vaak boeken worden opgedragen, zoals Gecommitteerde

Raden, Gedeputeerden, de Admiraliteit, kerkelijke instanties en de bewindhebbers

van de VOC en WIC. Of men daarbij blind mag varen op de in het verleden vervaardigde

indices zou allereerst gecontroleerd dienen te worden. Het zou voor het boekhistorisch

onderzoek handig zijn wanneer al het op boeken en drukkers/uitgevers betrekking hebbende

materiaal in transcriptie of facsimile beschikbaar zou zijn. Een eenmalige gecoördineerde

actie in dezen kan op termijn zeer arbeidsbesparend zijn, omdat op basis van het verzamelde

materiaal deelstudies veel beter van de grond komen. Ik denk daarbij aan onderzoek naar

octrooiverleningen, censuur (ook preventieve censuur via adviescommissies), subsidie (zie

de eerder in dit artikel geponeerde vragen daaromtrent), aanstelling van stads- en staten-

14 Zie noot 6.

15 Zie de aankondigingen van dit project door E.K. Grootes in Literatuur 7 (1990) 377-378, en in Dokumentaal 19

(1990) 140-141. Zie ook het in noot 2 genoemde onderzoek van Marika Keblusek betreffende de boekhandel

in Den Haag.

235


Holland 'gedediceerd'. Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw

drukkers en van officiële historieschrijvers, boekaucties en dergelijke.

Ter aanvulling en deels ter controle van de archivalische gegevens zouden gegevens uit

het voorwerk van de boeken ter beschikking moeten komen. Het is immers opmerkelijk dat

de bibliografisch gevonden opdrachten nauwelijks overlapping vertonen met de subsidiege-

gevens uit de archieven. Nog veel te weinig catalogi en bibliografieën beschrijven de inhoud

van met name het voorwerk uitgebreid genoeg om bruikbaar te zijn voor onderzoek naar

octrooiverlening, mecenaat (de opdrachten) en relaties (lof- of drempeldichten).

Ter illustratie een voorbeeld van de problematiek die de combinatie van archivalische en

gedrukte bronnen kan opwerpen. In 1644 verscheen op 12 april (ieder exemplaar is persoon­

lijk getekend en gedateerd door de uitgever) bij Zacharias en Michiel Roman te Middelburg

Johan de Brunes De CL. Davids Psalmen. De secretaris van de Zeeuwse Staten had daartoe

zelf reeds op 9 maart 1643 een octrooi-aanvraag ingediend bij de Staten van Holland. Voorin

het boek, op de verso-zijde van het titelblad, staat een 'Extract, wt de privilegiën' waarin

de uitgever meedeelt dat de Staten Generaal al op 4 maart 1643 octrooi verleend hebben

voor 13 jaar. In de in 1662 bij Smidt en Van Goetthem te Middelburg verschenen titeluitgave

is de verso-zijde van het nieuwe titelblad blank gelaten. De opdracht door De Brune 'Aen

de hooghe moghende heeren, miin' heeren, de al-ghemeyne Staeten der Vereemghde

Neder-Landen' is in beide uitgaven opgenomen.

In 1650 verschijnt de 2e druk van Davids Psalmen bij de Amsterdamse uitgever Theunis

Jacobsz. 'met privilegie van alle de respective Geünieerde Provintien, voor 15 Iaeren'. Er

bestaan twee uitgaven van deze druk, één zonder een 'Approbatie' van de Utrechtse theolo­

gen Gisbertus Voetius, Carolus de Maets en Iohannes Hoornbeeck en één met de op 10 ja­

nuari 1650 gedateerde approbatie. De opdracht 'Aen de Generaele en Particuliere Staten

der Vereenighde Neder-Landen' is ondertekend door J[ohan] d[e] B[rune]. Naast dit alles

moet echter nog een andere procedure gespeeld hebben, want in de index op de resoluties

van de Staten van Holland kan men op 25 juli 1651 de volgende mededeling aantreffen:

Requeste van de Weduwe T. Jacobs, Drukster te Amsterdam, noopens het Psalmboek

van den Raadpensionaris van Zeeland, en een Exemplaar van het selve aan Professor

Thol te Leyden om advis.

Als een op 1650 gedateerd boek, waaraan de Utrechtse theologen reeds op 10 januari van

dat jaar hun inhoudelijke goedkeuring gehecht hebben, en voorzien van een opdracht aan

de Staten Generaal en de Particuliere Staten, in juli 1651 nog door de Staten van Holland

wordt doorverwezen naar een Leids hoogleraar om inhoudelijk advies, dan ben ik geneigd

te bekennen dat ik van deze gang van zaken lang niet alles begrijp. Het ligt niet voor de hand

te veronderstellen dat het werk van De Brune pas na juli 1651 op de markt gekomen is: het

bestaan van de twee op 1650 gedateerde uitgaven zonder, resp. met de Utrechtse approbatie

wijst er eerder op dat Theunis Jacobsz te snel klaar was met drukken. Het vroegste 'receptie­

gegeven' is echter pas de vermelding (zonder jaar; met de bewoordingen van de titelpagina

van de eerste uitgave) in de Catalogus universalts van Broer Jansz van 1651 waarin de boeken

vermeld staan die verschenen in 1650-1651. Krante-advertenties - ook zo'n verwaarloosde

en nog niet systematisch toegankelijke bron - zouden een nadere datering van het werkelijke

verschijnen van De CL. Davids Psalmen mischien mogelijk maken 16

.

Wellicht kan door het hierboven voorgestelde onderzoek het smalle pad waarlangs en de

enge poort waardoor de huidige boekhistoricus zich moet begeven, verbreed worden.

236


Bijlage 1

Holland 'gedediceerd'. Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw

Chronologisch overzicht van aan de Staten van Holland en West-Friesland opgedragen boeken, ontleend

aan de gedrukte indices op de gedrukte resoluties over de periode 1580-1700, aan de particuliere

notulen van Stellingwerff en Schot (zie noot 11) en aangevuld met bibliografisch gevonden materiaal

uit voornamelijk de jaren 1570-1610, 1630-1632, 1645-1646 en 1654-1655.

Bij de via de indices en de particuliere notulen gevonden boeken is de datum opgegeven, eventueel

gevolgd door het door de Staten betaalde bedrag.

1580

- J. vander Noot. Het boek Europides (index 15.03.1580; 50 gulden) 17

.

- Ph. van Marnix. Psalmen Davids (index 05.07.1580; 25 daalders).

- C. Schonaeus. Grammatica (index 18.03.1581; 50 gulden).

- J. Lipsius. Note op de Annales Taciti (index 28.04.1581; 100 daalders).

- L. Daneus. Theses super Orationem Dominicam (index 11.09.1581; 25 Hollandse daalders).

- M. Sasbout. Dictionair in Fransch en Duits (index 16.06.1583; 25 gulden).

- L. Jansz. Waghenaer. Het tweede deel vanden Spieghel der zeevaert (1585).

- H. Rennechius. Boekje teegen de dwaaling der Kerk (index 17.10.1588; 50 gulden).

- C. Battus. Vertaling uit het Duits van een Boek der medicinen (index 08.06. 1589; 200 gulden).

- P. van Boekenberg. Boeksken allerhande overleggingen van tyden met de voornaamste persoonen (index

17.07.1589; 400 gulden in 4 jaarlijkse termijnen).

1590

- A. van Zuylen van Nyvelt. Vertaling van Opera Plutarchi (index 15.02.1590; 300 gulden).

- P. Foreest. Curat. Medicin. (index 29.10.1590; 600 gulden).

- B. Copius. Vier en vijftich predicatien (1590).

- Myrinaeus Agathias. De imperio et rebus gestis Justiniani Imperatoris (1594).

- J. Schaliger. 'Seeker Boek' (index 25.06.1594; ketting met medaille van 1000 gulden).

- E. Hermannus. Vertaling uit het Duits van de Historie van Joseph en Echiseppo (index 30.06.1594; 300

gulden).

- E. Bronkhorst. Conture duo Quentraphanon (index 22.12.1594; 150 gulden).

- Flavius Josephus. Des hoochberoemden Joodschen historieschrijvers boecken (1594).

-Joh. Crusius. Vertaling van Joh. Taffirus [= Taffin], Boetvaerdigheid der leevens (index 12.07.1595; 150

gulden).

- Ellert de Veer. Vertaling van Paraphrases Erasmi (index 17.10.1595; 150 gulden).

- J.F le Petit. Vertaling van de grote Chronyk van Holland, Zeeland en Vriesland (index 14.12.1595; 200

gulden).

-J.F. le Petit. Hollandsche Chronycq in het Frans (index 01.11.1596; 150 gulden).

- L. Jans. Boek van de circel (index 28.11.1596; 225 gulden).

- H. Pherincherus. De praedestinatione (index 29.01.1597; 60 gulden).

16 Zie voor de bibliografische gegevens over De Brunes psalmvertaling: P.J. Verkruijsse, W. A. Hendriks en J. Mateboer,

\n: Johan de Brune de Oude 1588-1658. Descriptieve auteursbibliografie (Amsterdam 1988)nr. 1030, 1031, 1035,

1036, 1039 en 1056, en voor de aanvullingen: W. A. Hendriks en P.J. Verkruijsse, 'Supplement op de descriptieve

auteursbibliografie van Johan de Brune de Oude', in: Johan de Brune de Oude (1588-1658); een Zeeuws literator

en staatsman uit de zeventiende eeuw (Middelburg 1990) 120-146.

17 Dat de indices op de resoluties met de nodige voorzichtigheid gehanteerd moeten worden, blijkt uit het bij Vander

Noot genoemde geldbedrag van 50 gulden. In de resoluties zelf, ook de minuut-resoluties, blijkt sprake te

zijn van 50 ponden. Zie daarvoor K.J. S. Bostoen, Dichterschap en koopmanschap in de zestiende eeuw; omtrent de dichters

Guillaume de Poetou en Jan vander Noot (Deventer 1987) 103 (noot 311), en idem, 'Nation und Literatur in den

Niederlanden in der Frühen Neuzeit', in: Nation und Literatur im Europa in der Frühen Neuzeit (Tübingen 1989)

554-575 (m.n. p. 567 vlgg.). Vander Noots epos Europis is nooit gedrukt. Met geld beloonde boeken verschijnen

soms ook pas veel later, bijvoorbeeld de in bijlage 1 onder 1590 genoemde Plutarchus-vertaling van Van Zuylen

van Nyvelt die pas in 1603 verscheen.

237


Holland 'gedediceerd'. Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw

- J.C. van Meurs. Chacordonemus AlexandreaJMeniry commentaria (index 10.03. 1597; 100 gulden en voor

zijn twee zoons 3 jaarlijkse termijnen van 50 gulden).

- J. Huigen van Linschoten. 'Seeker Boek' (index 14.03.1597; 300 gulden).

- F. Gomerus Burgensus. De providentia Dei (index 22.04.1597; 100 gulden).

- A. Rochopam. Vertaling van P. Viretus, Over de Goddelyke voorsienigheid en praedestmatie (index

01.10.1597; 100 gulden).

- Lucas Jansz. Waghenaer. Enchuyser zee-caert-boeck (1598).

- J. Petit. Sonnetten der victorien by God deese landen verleent (index 05. 01.1598; 50 gulden).

- P. Cornelis. Wederlegging van het geschrift 'Noodwendige verantwoording der eerverdagte waarheid uit de naa

van de Wederdoopers' (index 27.06.1598; 150 gulden).

- W. Vinck. Voor de uitgave van een Uillegging op de Catechismus van C. Corstens (index 28.11.1598; 150

gulden).

-J.F. le Petit. Voor de vertaling van zijn Chronyk (index 23.12.1598; 200 gulden).

- Gerrit de Veer. Waerachtighe beschryvinghe van drie seylagien (1598).

- Bockenbergius. Annale beschryving van 712 tot 1580 (index 05.02.1599; 200 gulden).

- J. Jans Kaan. Vertaling van de Italiaansche oorlogen van F. Guichardin (index 09.02.1599; 300 gulden).

- A. Demetrius. Van der Grieken op- en ondergang (index 15.07.1599; 100 gulden).

- E. de Veere. Vertaling van Buchananus, Samenspraak van het regt der koningen en haare ondersaaten (mdex

07.08.1599; 50 gulden).

1600

- J. Petit. Fransche Historie (index 12.01, 04.02 en 02.10.1600; 600 gulden + 150 gulden om het laten

drukken + 250 gulden 'tot sijn onderhoud').

- H. Grotius. Syntagma Aratheorium opus (index 13.09.1600; 300 gulden).

- O. Hornius. Barbarica philosophiae antiquitatum libri duo (index 13.09.1600; 120 gulden).

- Jan Taffin. Boetveerdicheyt des levens (1600).

- B. Vulcanius. Thesaurus utriusque linguae Graecum & Grito Latineglossarie (1600) (index 23.02.1601; 300

gulden).

- C. Proot. Twee boeken om de canons op en af van de qffuyten te brengen (index 19.01.1601; 400 gulden).

- G. Premlaek (?), genaamd Deventer. De la meditation Chretienne sur l'exellence de Toraison de N.S. Iesu

Christi (index 13.04.1601; 200 gulden).

- Clusius. 'Seeker boek van allerhande bloemen' (index 05.05.1601; 150 gulden).

- P. du Bois. Nieuwe Testament in 2 dln. te Neurenberg gedrukt in 12 talen, te plaatsen in de UB Leiden

(index 14.07.1601; 50 gulden).

- D. Heinsius. Auriacus (index 07.02.1602; 200 gulden).

-J.F. le Petit. Chronyk van Holland, Zeeland en Vriesland met Utrecht (index 06.04.1602; 400 gulden).

- Z. Konincxbergen. Journael ofte daeghlifcxsche tijdtrekeninghe (1602).

- D. vander Nieustad. Defeudijuriscripti Hollandici Westfrisique suconsione (index 29.04.1603; 300 gul­

den).

- Merula. Placcaten, ordonnantiën en regtpleeging op de houtvestery (index 13.12.1605; 300 gulden).

- Homius [= F. Hommius]. De victus ratione in morbis auctis, Lib. 1 &2 (index 20.02.1609; 200 gulden

voor de erfgenamen).

- P. Rogemorterus. Sermones aliquot politici (index 03.03.1609; 200 gulden).

- Volmeer. Aud. Willeti Theol. degratiagenerali humano (index 18.09.1609; 100 gulden aan de weduwe).

- P. Scriverius. Batavia illustrata (index 11.10.1609; een vergulde kop met Hollands wapen a 250 gul­

den).

1610

- J. Poliander. Responsio J. Poliandri ad interpolata Anastasy Cochelets (index 18.02.1610; 200 gulden).

- C Murckenius. Vertaling uit het Duits van De schatkamer of Nederduitsche concordantie der Heilige Schrif­

tuur (index 19.02.1610; 200 gulden).

- J. Meursius. Glossarum Grecobarbarum (index 23.03.1610; 300 gulden).

- H. de Groot. Antiquitates Reipublici Batavica (index 24.03.1610; 300 gulden).

- F. Lansbergius. Boek jegens Pater Gouda (index 14.12.1610; 250 gulden).

238


Holland 'gedediceerd'. Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw

- J. Theunis. Een boek in het Arabisch, ter plaatsing in de UB Leiden (index 20.12.1610; 200 gulden).

- J. Uitenbogaart. De voorloper (welk boek 'ingetrokken' is, maar door de predikant van Zoeterwoude

toch is laten drukken, waarvoor hij op 04.12.1611 'vermaant' is) (index 25.06.1611; 170 gulden).

- J. de la Haye. Vertaling van De vreedsaame Christen (index 06.04.1612; 50 gulden).

- J. Fenacolius. De hoochberoemde Historiën van C. Cornelius Tacitus (1616).

- P. Kuneus. P. Cunei Republ. Hebreorum (index 18.03.1617; 300 gulden).

- C. vander Tombe. 'Seeker boekske, mits niet daar in de controverse disputen' (index 09.12.1617; 120

gulden).

- J. Meurskens. Vertaling vanuit het Grieks in het Latijn van Historie Romana (index 11 en 15.08.1618;

200 gulden, die waarschijnlijk weer ingetrokken worden omdat in zijn werk 'groote absurditeiten

en fabulen' gevonden zijn).

- F. Hommius. Specimen controversiarum Belgicarum (index 22.10.1618; 200 gulden).

1620

- W. Snellius. Tiphys Batavus, sive histiodromice, de navium cursibus, et re navali (1624) (part. not.

Stellingwerff-Schot 06.12.1623; 300 pond).

- Herpenius, weduwe van Thomas [Psalmi Davidis?] (part. not. Stellingwerff-Schot 19.03.1625: 500

pond).

- Andreas Rivet. Commentarius in Hoseam prohetam (part. not. Stellingwerff-Schot 10.04.1625; 400 car.

gulden).

- Johannes Victor Rockijcksaus. Dedicatie van ? (part. not. Stellingwerff-Schot 15.09.1625; 30 pond).

- Antonius Walaeus. Responsio Antonii Walaei ad censuram Ioannis Arnoldi Corvini (part. not. Stellingwerff-Schot

24.09.1625; 500/400 pond?).

- Pieter Bor. Vervolch vande Neerlandsche oorloghen (part. not. Stellingwerff-Schot 03.07.1626; 600 pond).

- HugoBeyerus. Predicatie over de drie laetste versen vanden CXXVII. Psalm (part. not. Stellingwerff-Schot

18.07.1626; 100 pond).

- Burgersdyk. Justitiones logica (index 23/24.09.1626; 150 gulden; part. not. Stellingwerff-Schot

24.09.1626: 200/150 pond?).

- Johannes Gysius. Oorspronck ende voortgang der Neder-landscher beroerten (part. not. Stellingwerff-Schot

30.09.1626; geen bedrag).

- David Lommelijn. De morghensterre des herten (?) (part. not. Stellingwerff-Schot 21.05.1627; 50 pond).

- W. Snellius. Doctrinae triangulorum canonicae libri quator, ed.-Martinus Hortensius (part. not.

Stellingwerff-Schot 10.09.1627; 10 pond Vlaams).

1630

- G.J. Vossius. Oratorium institutionum Libr. VI (index 30.04.1630; 600 gulden). Dit werk van Vossius

is de editio tertia, verschenen in Leiden. De eerste druk dateert van 1606 (Leiden, Andreas Cloucquius)

en was opgedragen aan de magistraat van Dordrecht 18

.

- C. Lempereur. Tuemudis Babilonici codex Middoth (index 10.05.1630; 150 gulden).

- Pieter Bor. Gelegentheyt van 's-Hertogen-bosch [...] (1630).

- Dion. Spranckhuysen. Vande danck-baerheyt. Ofte verclaringhe over de woorden Paulil. Thess. 5. [.../(1630).

- E. Poppius. De enge poorte (1630).

- Jehan Berthout van Loo. De beschrijvinge der forestiers ende graven van Vlaenderen [...] (1631).

- Petrus Cunaeus. De republica Hebraeorum libri III, ed. altera (1631).

-Jacobus Trigland. De kracht der Godsaligheyt (1631; colofon 1632).

- J. de Pouis. Religion & privileges (10.03 en 07.04.1632; 150 gulden).

- Henr. Alutarius. Spieghel ofte proefsteen der genaemder Lutherschen [...] 2e dr. (1632).

- Pieter Bor. Het seste deel, der chronycke Carionis (1632).

- Koorn. De observantie der justitie in den Hoogen Raad (index 11.08.1633; 300 gulden aan de weduwe).

- J. Meestersius. De iustitia Romanum legum (05.12.1634; 150 gulden).

- D. Heinsius. Exercitatione sacrae ad Novum Testamentum (03.08.1639; 1600 gulden).

18 C.S.M. Rademaker, Gerardus Joannes Vossius (1577-1649) (Zwolle 1967) Bibliografie nr. 3 (p. 276). Bij latere

edities van een werk vermeldt Rademaker geen opdrachten.

239


Holland 'gedediceerd'. Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw

1640

- Joh. Fenacolius. De historie vanden aller voortreffelycsten oude historischryver Polybius Megapolitanus (1640).

- Vinnius. Institutiones iuris (index 18.03.1642; 800 gulden).

- J.J. Leon. Afbeelding van den tempel Salomons (index 27.04.1643; 50 gulden).

- Mattheus Vossius. Matthei Vossii annalium Hollandiae Westfrisiaeque pars tertia (index 16.04.1644; 300

gulden).

- J. de Laat. Historie of jaarlyks verhaal van de verrigting der geoctroyeerde Westind. Comp. (index

24/25.11.1644; 300 gulden).

- Anthonis Thisius. Compendium historiae Batavicae (index 17.07.1645; 60 gulden).

- Frank Burgersdyk. Institutio logica dat is reden-konstigh onder-wys (1646; herdruk van 1626).

1650

- Hugo de Groot. Tractaet vande oudtheyt vande Batavische, nu Hollantsche Republique (1651; herdruk van

1622).

- Arnoldus Vinnius. In quator libros constitutionum imperialium commentarius (1655; herdruk van 1642).

- Willem de Groot. Isagoge ad praxin fori Balavici (1655).

Bijlage 2

Per Hollandse stad chronologisch overzicht van aan het stadsbestuur opgedragen boeken. Het betreft

een bibliografische steekproef op de UB Amsterdam waarvoor met name de jaren 1570-1610, 1630-

1632, 1645-1646 en 1654-1655 onderzocht zijn. Ook de gegevens uit het artikel van A. Hallema in Forum

2 (1952) zijn verwerkt, evenals die uit de gedrukte indices op de resoluties van de Staten (1580-1700)

en de particuliere notulen van Stellingwerff en Schot (1623-1628).

Alkmaar

- W. Snellius. Doctrinae triangulorum canonicae libri quator (1627) (part. not. Stellingwerff-Schot).

- D. Souterius. Eben-Ezer (1630).

Amsterdam

- N. Petri. Practicque om te leeren rekenen cijpheren ende boeckhouwen (1583).

- J. Lipsius. Politica (1590).

- Marten Wentsel van Aquen. Tafflen van interest (1594).

-Jan Taffin. Boetveerdicheyt des levens (1600).

- Chr. Pezelius. Wijtloopighe waerachtighe ende bestendighe vertellinghe (1605).

- William Perkins. Een uyt-nemend tractaet vervaetende de lessen, uytlegghende de Openbannghejohannis (1610

- Joh. Is. Pontanus. Rerum et urbis Amstelodamensium historia (1611).

-Joh. Is. Pontanus. Historische beschrijvinghe der seer wijt beroemde coopstadt Amsterdam (1614).

- C. de la Bassecourt. Excellent traicté de l'éternelle élection (1628).

- C. Barlaeus. Argo Batava (1629).

- E. Poppius. De enge poorte (1630).

- C. Danckerts. Architectura moderna (1631).

- W. Bartjens. Cyfferinge (1632; opdracht uit eerdere druk van 1604).

- R. Pietersz. Enghe poorte (1632; opdracht uit eerdere druk van 1626).

- N. Rothamel. Expeditie Castrensis (1632).

-J.H. Krul. 'T palleys der Amstel-goden (1636).

- Ph. Lansbergius. Catechismus ofte onderwijsinghe inde christlijcke religie (1645).

- I. Vossius. Epistola SteIgnatijMartyns (Resoluties Burgemeesters van Amsterdam 30.10.1646; 100 gulden).

- Fabricius de la Bassecourt. 'Enige kleine boekjes' (Resoluties Burgemeesters van Amsterdam

30.10.1646; 150 gulden).

- Boekverkoper Jacob Colom. Amsterdamse caerte (Resoluties Burgemeesters van Amsterdam

27.11.1647; 120 gulden).

- A. L. Kók. Logica practica oft oeffening der reden-konst (1649).


Holland 'gedediceerd'. Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw

- Petrus Leupenius. Gesel der sonden (1651) (Resoluties Burgemeesters van Amsterdam 03.01.1652; 150

gulden).

- H. Ruse. Versterckte vesting (1654).

- C. de Carpentier. Davids-credo (1656).

- H. Rulaeus. 'Boek jegens het Pausdom' [= Babylons val en afval] (Resoluties Burgemeesters van Am­

sterdam 31.01.1658; 100 gulden).

- J. Christenius. Oratio (1659).

- C. Huygens. Een 'gedigt' door Elias Noske in steen gehouwen (Resoluties Burgemeesters van Am­

sterdam 09.07.1666; 100 ducatons; niet duidelijk is of dit bedrag voor de auteur of de steenhouwer

is bestemd).

- J. van den Vondel. Euripides Feniciaensche of gebroeders van Thebe (1668).

Delft

- Hugo Beyerus. Predicatie over de drie laetste versen vanden CXXVII. Psalm (1626) (part. not. Stellingwerff-

Schot).

- W. Snellius. Doctrinae triangulorum canonicae libri quator (1627) (part. not. Stellingwerff-Schot).

- D. Spranckhuysen. Leyds-man voor den verdoolden buyrman (1632).

Dordrecht

- W. Snellius. Doctrinae triangulorum canonicae libri quator (1627) (part. not. Stellingwerff-Schot).

- J. Becius. Het exemplaar der ghesonde woorden (1632).

- P. Pigraeus. Kort begryp van de leere der medicijne ende chirurgie (1655).

Enkhuizen

- L. Hortensius. Het boeck van den oproer der Weder-dooperen (1614).

- Ph. Lansbergius. Catechismus ofte onderwijsinghe inde christlijcke religie (1645).

Gorinchem

- H. Alutarius. Spieghel ofte proef-steen der genaemder Lutherschen (1632).

Gouda

- Gabriel Prateolus. Narratio historica conciliorum omnium ecclesiae Christianae (1610).

- E. Poppius. De enge poorte (1630).

- B. Rhijnenburgh. Nederlantsche examen ofte proeve der chirurgijns ende barbieren (1632).

's-Gravenhage

- Martyn Everardt. Zeeboucken (Thesauriersrekeningen 1600; 8 pond 5 schellingen).

- Guilhelmus Merula. Vertaling van een boek van pastoor Eyngel (Thesauriersrekeningen 1604; 33

pond).

- Antony Molkman. Franse en Duitse Historie (Thesauriersrekeningen 1606; 60 pond).

- Johan la Motte. Vertaling van Ontledinge eens Christen mensch (Thesauriersrekeningen 1612; 40 pond).

- Johan la Motte. Vertaling uit het Engels van Den stereken helper (Thesauriersrekeningen 1615; 60 gul­

den).

-Johan la Motte. Heylige A.B.C. voor Sions scholieren (Thesauriersrekeningen 1616; 36 gulden).

- Johan la Motte. Historische betrachtinge Filippi (Thesauriersrekeningen 1617; 50 gulden).

- Johan laMotte. Beyma 's Duytlegginge van het Hooge Lyet Salomons (Thesauriersrekeningen 1619; 60 gul­

den).

- Henricus Fabritius. Thesen Leidse universiteit (Thesauriersrekeningen 1622; 12 gulden).

- Jan Jansz Starter. Gedicht op de laatste tocht van Frederik Hendrik (Thesauriersrekeningen 1622;

6 pond).

- Henricus Fabritius. Thesen Leidse universiteit (Thesauriersrekeningen 1623; 14 gulden).

- Hermanus Schulius. Thesen Leidse universiteit (Thesauriersrekeningen 1623; 18 gulden).

- Johan la Motte. Vertalinguit het Engels van Medicine der zielen (Thesauriersrekeningen 1623; 40 gul­

den).

- Johan la Motte. Vertaling uit het Engels van De geestelycke wapen (Thesauriersrekeningen 1624; 20

gulden).

- Boekverkoper Jan Wolphertsz Vlesser. Nederlandse vertaling van Appianus Alexandrinus (Thesau­

riersrekeningen 1624; 50 pond).

241


Holland 'gedediceerd'. Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw

- Johan la Motte. Vertaling uit het Engels van Proffitelicken coop (Thesauriersrekeningen 1626; 36 gul­

den).

- De vrouw van boekdrukker Jan Jansz. Nederlantsche geschiedenissen (Thesauriersrekeningen 1626; 10

pond).

- Johan la Motte. Vertaling uit het Engels van Phosphorus (Thesauriersrekeningen 1627; 36 gulden).

- Johan la Motte. Een vertaling uit het Engels (Thesauriersrekeningen 1628; 75 pond voor de we­

duwe).

- Pieter Bor. 'Seeckerbouck vande gelegen theyt van 's-Hertogenbosch ende van Wesel' (Thesauriers­

rekeningen 1630; 16 pond).

- Pieter Bor. Vervolch van de Nederlandsche oorlogen (Thesauriersrekeningen 1630; 60 gulden).

- Jehan Berthaut van Loo. De beschrijuinge der forestiers ende graven van Vlaenderen (1631).

- Pieter Bor. Chronycken Carionis, dl. 4 (Thesauriersrekeningen 1632; onbekend bedrag).

- Pieter Bor. Voor het laatste deel van de Nederlandsche historie (Thesauriersrekeningen 1634; 60 gul­

den).

- J. van der Does. 's-Graven-Hage (1668).

Haarlem

- E.E.L. Hellema. Boeckhouder na de konste van Italien (1590).

- Cornelis Sconaeus. Comoediarum altera pars (1599).

- Der Wit-Angieren eeren-krans (1630).

- C. van Alkemade. Hollandsejaar-boeken of rijm-kronijk van Melis Stoke (Copieboek missiven 26.06.1699;

200 gulden).

Hoorn

- Matthias Flacius Illyricus. Catalogus ofte naem-register der getuygen der waerheyt (1632).

Leiden

- Corn. Aurelius. Batavia, sive de antiquo veroque eius insulae quam Rhenus in Hollandia facit süu (1586).

- S. Stevin. Tafelen van interest (1590).

Oudewater

- Gabriel Prateolus. Narratio historica conciliorum omnium ecclesiae Christianae (1610).

Rotterdam

- D. Erasmus. Paraphrasis, dat is: verclaringhe op het Nieuwe Testament, vertaald door Ellert de Veer (1611).

- H. Alutarius. Spieghel ofte proefsteen der genaemder Lutherschen (1632).

Schiedam

- R. Acronius. Onderwijsinghe door welcke de vragen ende antwoorden des catechismi derghemeynten Christi ver-

klaert worden (1608).

Schoonhoven

- Gabriel Prateolus. Narratio historica conciliorum omnium ecclesiae Christianae (1610).

Woerden

- Gabriel Prateolus. Narratio historica conciliorum omnium ecclesiae Christianae (1610).

- H. Alutarius. Spieghel ofte proefsteen der genaemder Lutherschen (1632).

242


Rudolf Rasch

Om den armen dienst te doen.

De Amsterdamse Schouwburg en de godshuizen gedurende

het laatste kwart van de 17e eeuw

Inleiding 1

In onze tijd is het moeilijk voor te stellen, maar in de 17e eeuw was het toneel, althans in

Amsterdam, en althans in de Amsterdamse Schouwburg, een winstgevende zaak. Dat bete­

kende niet alleen brood op de plank voor ruim twee dozijn toneelspelers en één dozijn musici

en andere werknemers, alsmede de gelegenheid voor een behoorlijk aantal toneeldichters

om hun artistieke ambities te realiseren, het verschafte tevens de afkoopsom die nodig was

om het veronderstelde onzedelijke karakter van het toneel te compenseren. Al sinds lange

tijd kwamen namelijk te Amsterdam de winsten uit toneelvoorstellingen ten goede aan de

zogenaamde godshuizen, te weten het Weeshuis en het Oude-Mannenhuis, overigens stede­

lijke instellingen onder bestuur van regenten benoemd door de burgemeesters.

Een dergelijke regeling kan heel wel goed functioneren, maar draagt tevens een bron van

conflict in zich, en wel tussen de behoefte (van de zijde van de godshuizen) aan een zo groot

mogelijk winst en de behoefte (van de zijde van de Schouwburg) aan de vervulling van ar­

tistieke idealen, zeker niet geheel, maar tenminste wel gedeeltelijk onafhankelijk van de in­

komsten uit de voorstellingen.

Gedurende de eerste 35 jaar van het functioneren van de Schouwburg (1638-1672) kwam

dit conflict niet aan de oppervlakte. De Schouwburg werd, zakelijk en artistiek, gedreven

door een zestal hoofden, benoemd door de burgemeesters van Amsterdam. De regenten van

de godshuizen bemoeiden zich niet of niet merkbaar met de gang van zaken rond de

Schouwburg. De reden van deze afzijdigheid is waarschijnlijk gelegen in het feit dat de

Schouwburg in twee opzichten een probleemloze inkomstenbron was voor de godshuizen.

Aan de ene kant zorgde de Schouwburg jaarlijks voor een aantal duizenden guldens aan in­

komsten; aan de andere kant hadden de godshuizen dit geld eigenlijk niet eens nodig. Gedu­

rende de jaren 1638-1672 overtroffen de inkomsten van de godshuizen de uitgaven aanzien-

lijk.

In 1672 werd de Schouwburg vanwege de oorlog met de koning van Frankrijk cum sociis

voor onbepaalde tijd gesloten. De godshuizen misten dus de inkomsten uit de Schouwburg,

maar in feite was deze inkomstenderving gering vergeleken bij de inkomstenderving als ge­

volg van, ondermeer, het niet ontvangen van pachtgelden van ondergelopen landerijen. Ge­

durende dejaren volgend op 1672 kwamen de godshuizen zwaar in de rode cijfers en moesten

ze geld lenen om door te kunnen draaien. De geweldige in eerdere tijden uitgezette sommen

gaven uiteraard rente (en ook wel aflossing), maar waren niet ineens terugvorderbaar. Het

is dan ook heel begrijpelijk dat de regenten van de godshuizen in 1677 er bij het stadsbestuur

op aandrongen de Schouwburg te heropenen, ten einde daarvan weer de inkomsten te kun-

1 In de voetnoten worden de volgende afkortingen gebruikt:

Huydecoper - Utrecht, Rijksarchief, Fam. arch. nr. 67 (Fam. Huydecoper).

Notarieel - Amsterdam, Gemeentearchief, Notarieel archief.

Slerck, Amsterdamsche tooneelleven - J.F.M. Sterck, 'Uit het Amsterdamsche tooneelleven op het einde der XVII e

eeuw', Handelingen en Mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde 1912-1913 (1913), 97-148.

Weeshuis - Amsterdam, Gemeentearchief, Part. arch. nr. 367 (Weeshuis).

Wybrands, Amsterdamsche looneel - C.N. Wybrands, Het Amsterdamsche tooneel van 1617-1772 (Amsterdam 1873).

243


Om den armen dienst te doen

nen genieten. De burgemeesters verleenden de benodigde toestemming, zodat op 25 novem­

ber 1677 de eerste voorstelling na de sluiting van 1672 plaatsvond. Maar tevens is het begrij­

pelijk dat de godshuizen een veel grotere betrokkenheid aan den dag legden ten aanzien van

het financiële reilen en zeilen van de Schouwburg.

De gehele geschiedenis van de Schouwburg gedurende de laatste decennia van de 17e

eeuw staat in het teken van de relatie tussen de regentencorpsen van de Schouwburg en de

godshuizen. Deze relatie verandert voortdurend van karakter. Aanvankelijk (1678-1681)

staan twee min of meer autonome regentencorpsen tegenover elkaar, die elk slechts de bur­

gemeesters boven zich voelen. Dan (1681-1688) volgt er een periode van huur, waarbij regen­

ten van Schouwburg en godshuizen tegenover elkaar staan als huurders en verhuurders.

Tenslotte (1689-1699) treden de regenten van de Schouwburg (of directeuren, zoals zij al

spoedig worden genoemd) uitsluitend op als uitvoerenden en ondergeschikten van de regen­

ten van de godshuizen.

Andries Pels, regent van 1678 tot 1681, analyseert in zijn Gebruiken misbruik des tooneels (Am­

sterdam 1681) de tegenstelling tussen Schouwburg en godshuizen gedurende de juist verlo­

pen jaren in termen van geld. 2

Bij nadere beschouwing echter blijken de diverse conflicten

minder te maken te hebben met de tegenstelling tussen zakelijke en artistieke belangen, dan

wel met de zeggenschap over en verantwoording betreffende de gang van zaken op de

Schouwburg. Bovendien lijkt het wel of de regenten van de godshuizen het innen van de

winst van de Schouwburg geleidelijk gaan opvatten als een reden en plicht tot actieve zorg

voor en bemoeienis met de Schouwburg.

Het grootste gedeelte van dit artikel bestaat uit een aantal paragrafen die elk ingaan op

een bepaalde periode binnen het te behandelen tijdvak 1677-1699. De steeds wisselende be­

stuursvorm verschaft een aantal gemakkelijke tijdsgrenzen. Daaraan voorafgaan drie para­

grafen van meer algemene aard, namelijk met betrekking tot de gang van zaken op de

Schouwburg en de inkomsten- en de uitgavenzijde van het beheer van de Schouwburg.

De algemene gang van zaken op de Schouwburg

Vanwege de overzichtelijkheid zal ik het hele tijdvak 1677-1699 indelen in een aantal seizoe­

nen, die in beginsel overeenkomen met een boekjaar en worden gekenmerkt door een conti­

nuïteit in bestuur en administratie. De regenten werden per seizoen benoemd en aan het

einde van het seizoen vond een financiële liquidatie plaats. In termen van tijd laten we de

seizoenen beginnen op de eerste speeldag en eindigen op de laatste speeldag van de desbe­

treffende periode. Sommige seizoenen zijn korter of langer dan een jaar, meestal wanneer

problemen van bestuur, beheer en/of financiën een beëindiging, dan wel verlenging van het

vigerende regime noodzaakten. De seizoenen van de Schouwburg vallen vaker niet dan wel

samen met de boekjaren van de godshuizen, welke laatste steeds liepen van 1 februari van

het ene jaar tot en met 31 januari van het volgende jaar.

De seizoenen verdelen we onder in speelperioden (vaak gelijk te stellen met een kwartaal),

die vooral worden gekenmerkt door een tussentijdse balans van inkomsten en uitgaven en

de daarmee gepaard gaande afdrachten aan de godshuizen dan wel de betaling van huur­

penningen. Betalingen aan spelers, musici, suppoosten, enz. overschrijden in de regel even-

2 Zie de uitgave door M.A. Schenkeveld-Van der Dussen (Culemborg 1978) 21-25.

244


Om den armen dienst te doen

min speelperioden. Wanneer de speelperioden vrijwel of geheel met de vierjaargetijden sa­

menvallen, zullen we spreken over respectievelijk lente-, zomer-, herfst- en winterkwartaal.

Tabel I geeft de indeling in seizoenen en speelperioden voor de behandelde periode met ge­

gevens zoals het aantal speeldagen en de opbrengsten.

Tijdens het speelseizoen werd er gewoonlijk tweemaal per week gespeeld (maandag en don­

derdag), gedurende speciale perioden, met name de Amsterdamse kermis (globaal 20-27 sep­

tember), vaker, soms bijna dagelijks. Deze uitgangspunten leiden gemiddeld tot rond de 25

uitvoeringen per speelperiode/kwartaal ofwel rond de honderd opvoeringen per seizoen/jaar.

Gedurende een speelavond (aanvang 4:00 uur) gingen er gewoonlijk twee toneelstukken,

achtereenvolgens een hoofdspel (vaak een tragedie, minder vaak een comedie) en een naspel

(meestal een klucht of een ander lichtvoetig spel). Soms was er een voorspel en soms werd

het naspel vervangen door muziek en/of ballet, terwijl er incidenteel nog andere vormen van

programmering voorkwamen, bijv. drie kluchten op een avond. Zeer uitvoerige spelen, zoals

Bontius' Beleg en ontzet van Leiden en spelen met veel kunst- en vliegwerk, werden niet door

een naspel gevolgd.

Het deze jaren op de Schouwburg gespeelde repertoire is tot in detail bekend. 3

Men speel­

de een voortdurende mengeling van oud en nieuw. Een aantal succesnummers kwam jaren

achtereen elk seizoen een aantal malen op de planken, afgewisseld met incidentele herhalin­

gen en premières. Een nieuw stuk werd gewoonlijk driemaal achtereen gespeeld en, na ge­

bleken of ontbrekend succes, naderhand al of niet opnieuw gespeeld. Op het repertoire gaan

wij hier verder niet in behoudens de opmerking dat, zoals bekend, gedurende deze periode

stukken vertaald uit het Frans (met name Corneille, Molière, Quinault en Racine) de boven­

toon voerden. Wisseling van de leiding van de Schouwburg bracht doorgaans wisseling in

de keuze van de premières met zich mee, maar deze keuze blijkt meer dan door iets anders

bepaald door persoonlijke factoren, d.w.z. de schouwburgleiding koos vooral premières uit

eigen en bevriende kringen.

Inkomsten

De inkomsten van de Schouwburg kan men goeddeels gelijkstellen aan de ontvangen recet­

tes voor de opvoeringen. Door het bewaard blijven van boeken van ontvangst, waarin per

speeldag de recette is opgetekend, is een nauwkeurig beeld van de inkomsten mogelijk. De

recette per opvoering varieerde uiteraard enorm van dag tot dag, maar bewoog zich globaal

tussen de grenzen van ƒ 100 tot ƒ500 per speeldag. Recettes van ƒ200 tot ƒ350 zijn normaal

te noemen, die beneden ƒ200 laag en die boven ƒ350 hoog. Er zit een seizoensfluctuatie in

de recettes: de herfstmaanden geven de hoogste cijfers, met weer een top voor de Amster­

damse kermisweek.

Premières brachten niet noodzakelijk meer geld in het laatje dan reprises. Wel konden

opvallende spelen, met kunst- en vliegwerken, balletten en muziek, zoals Jan Vos' Aran en

Titus, Bontius' Beleg en ontzet van Leiden, Bidloo's bewerking van Vondels Faëton en Salmoneus

en Pluimers Reinout in het betoverde hof, nogal eens voor een hoge opbrengst zorgden.

De Schouwburg kende verschillende rangen, waarvan de prijzen ons bekend zijn. Aan

3 Schrijver dezes werkt met mevr. dr. Mieke Smits-Veldt aan een volledige, geïnterpreteerde repertoirelijst voor

deze periode met de daarbij behorende registers op auteur en spel.

245


Om den armen dienst te doen

de voorpoort betaalde men een basisprijs van 6 stuivers. Hiermee had men vrij toegang tot

de staanplaatsen die het achterste gedeelte van de begane grond vormde. Om tot de zitplaat­

sen op de begane grond (de 'bak') door te dringen, betaalde men nog eens 14 stuivers (totaal­

prijs/1). De eerste galerij bestond gedeeltelijk uit loges, gedeeltelijk uit zitplaatsen. Voor

een loge of 'huisje' betaalde men ƒ3:3 (één ducaton) (men betaalde dan niet aan de voor­

poort), voor een zitplaats 8 stuivers boven op de basisprijs. Een plaats op de tweede galerij

kostte 4 stuivers boven op de basisprijs.

Uiteraard was de capaciteit van de verschillende rangen verschillend. Dankzij de argwaan

van de regenten van de godshuizen jegens die van de Schouwburg (zie onder) is een register

opgesteld en bewaard gebleven waarin voor de periode van 31 maart 1678 tot en met 2 fe­

bruari 1679 het aantal bezoekers dat de voorpoort passeerde benevens de aantallen per rang

opgetekend zijn. 4

Het gemiddelde bezoekersaantal ligt, gedurende deze periode, rond de

550. De normale spreiding in het bezoekersaantal loopt van ca. 350 tot 750. Uitschieters zijn

de opvoering van Jan Vos' Aran en Tüus op 4 april (978 bezoekers), de première van Lodewijk

Meijers Het spokend weeuwtje op 8 augustus (946 bezoekers), en de eerste voorstelling door

een troep Italiaanse spelers gegeven op 7 december (920 bezoekers). Aangezien de voorstel­

ling van Van Heemskercks De Cid op 21 maart nog net iets meer geld in het laatje bracht

dan Aran en Titus op 4 april, zal het aantal toeschouwers ook wel iets groter geweest zijn. Dat

betekent dat we, afrondend, de capaciteit van de Schouwburg op duizend bezoekers kunnen

plaatsen, maar met deze duizend bezoekers moet het gebouw tjok- en tjokvol zijn geweest.

Normaal gesproken moet de Schouwburg met 700 a 750 bezoekers gevuld zijn geweest.

Rond de 30% van de bezoekers kocht een kaartje voor de bak (100 tot 200 personen, uit­

schieters tot 344), ca. 7,5% voor de eerste galerij (25 tot 50, uitschieters tot 109), ca. 20%

voor de bovenste galerij (75 tot 150, uitschieters tot 234). De rest van de bezoekers, zo'n 40%

(150 tot 300 personen) moest het doen met een staanplaats achter de bak.

De gegeven getallen komen aardig overeen met die welke kunnen worden afgeleid uit de

bedragen van de maximale recette, zoals geschat in een ongedateerd, anoniem rapport over

de opera, zeker uit de jaren-1690. 5

De anonymus geeft ƒ300 voor de bak (300 personen), ƒ 40

voor de eerste galerij (57 personen), ƒ60 voor de loges (9 loges), ƒ50 voor de tweede galerij

(100 personen) en ƒ90 voor de rest (staanplaats: 300 personen).

Per voorstelling betaalden de bezoekers per persoon gemiddeld 10 tot 13 stuivers, met een

algemeen gemiddelde van 12 stuivers per bezoeker. Heel globaal kan men als vuistregel de

recette in guldens met twee vermenigvuldigen om het bezoekersaantal te schatten.

Uitgaven

De uitgaven van de Schouwburg waren veelvuldig en veelvormig. Een eerste onderscheid

is uiteraard dat tussen personele en materiële uitgaven. De betalingen aan personeel kunnen

weer gesplitst worden in die aan toneelspelers en -speelsters en ander personeel, waarbij de

laatste categorie weer gesplitst kan worden in musici en nog ander personeel, zoals de kaste­

lein, de kaarsensnuiter, de aanplakker, enzovoorts. Voor dit diverse personeel wordt wel de

term suppoosten gebruikt, welke term naar het schijnt soms wel, soms niet ook voor de musi­

ci wordt gebruikt. Speellonen liepen uiteen van rond één tot zes gulden; ze stegen overigens

4 NI. Weeshuis 430.

5 In Weeshuis 72.

246


Om den armen dienst te doen

gedurende de behandelde periode. Samenvattend kan men de gemiddelde kosten per uitvoe­

ring aan speellonen op ƒ75 stellen.

Musici kregen wat minder betaald. Rond 1680 ontving Pieter Picard als aanvoerder van

de musici/2 per speelavond, de meeste musici ƒ 1:5. Andere lonen zijn doorgaans in de orde

van grootte van ƒ 1. Dat maakt tesamen de overige personele kosten op rond ƒ 25 per speela­

vond en daarmee de totale personele kosten per speelavond op rond ƒ 100.

Materiële kosten betreffen in de eerste plaats costuums en decors en daarmee verbonden

zaken (zoals spelden, gouddraad, timmerwerk, enzovoorts) en verder kaarsen, bier, en een

grote menigte diverse en niet gespecificeerde kosten. Als men de bedragen per speelperiode

of seizoen deelt door het aantal speeldagen, vindt men een grof gemiddelde van rond ƒ50

in deze categorie. Daarmee komen de totale kosten per speelavond op gemiddeld ƒ 150, waar­

bij ik uiteraard wil aantekenen dat dit slechts een zeer globaal gemiddelde is en dat er zowel

duurdere als goedkopere speelavonden en ook duurdere en goedkopere perioden zijn ge­

weest. 6

Als regel werd de auteur van een spel (de poëet genoemd) niet betaald. Op 19 februari

1681 protesteert Jan Dullaert in een brief aan de regenten van de godshuizen tegen vermeen­

de betalingen door de Schouwburgregenten aan NU volentibus arduum voor het opvoeren van

de stukken van het genootschap. 7

Eén zo'n betaling is, uit een iets latere periode, gedocu­

menteerd. Thomas Arends ontving op 25 november 1681 een nogal hoog bedrag, ƒ315, 'vol­

gens gemaekt contract'; 8

ik vermoed dat het zijn Iphigenie betreft, die op 12 oktober 1681 in

première was gegaan. Op 17 september 1685 protesteert Jan de Witt, mede namens het ge­

nootschap In magnis voluisse sat est, over het uitblijven van beloofde betaling met betrekking

tot de spelen Bajazet, Berenice, Phedra en Hippolytus enAgamemnon. 9

Wat opvalt is dat hier het­

zelfde hoge bedrag wordt genoemd: 100 ducatons (=/315) per spel. Maar in de overgrote

meerderheid van gevallen deed een auteur het voor de eer; wel verwierf hij er zich vrije toe­

gang tot de Schouwburg mee.

De periode 1678-1681: de regentenstrijd tussen Schouwburg en godshuizen

Gedurende de eerste periode na de heropening op 25 november 1677 werd de Schouwburg

bestuurd door de vier nog levende regenten van het seizoen 1671-1672: Tobias van Domse-

laer, Cornelis van der Cruyssen, Jan Koenerding en Ferdinandus de Molde. Ze brachten

op de planken wat toevallig beschikbaar was: Lully's opera Isis, kluchten, balletten, en wat

dies meer ware.

Op 28 december benoemden de burgemeesters een zestal nieuwe regenten voor de

Schouwburg: Petrus Francius, Lodewijk Meijer, Andries Pels, Jacob Matham, Jan Bou-

meester en Tobias van Domselaer; ze moesten hun werk met ingang van februari 1678, het

nieuwe boekjaar van de godshuizen, beginnen. 10

Drie leden van het college (Pels, Meijer,

Boumeester) hadden nauwe banden met het kunstgenootschap NU volentibus arduum. De re­

genten van de Schouwburg waren uitsluitend verantwoording schuldig aan de burgemees-

6 Bovendien zijn deze getallen gebaseerd op grove delingen en schattingen en niet op een minutieuze analyse

van alle bekende uitgavenposten.

7 Wybrands, Amsterdamsche tooneel, 143-145.

8 Weeshuis 432, p. 51.

9 Notarieel 5607 (Joh. Commelin), 17 september 1685; afschrift in Sterck, Amsterdamsche tooneelleven, 130-131.

10 Wybrands, Amsterdamsche tooneel, Bijlage K, 233-234.

247


Om den armen dienst te doen

ters. Deze maatregel hield, al of niet met opzet, de regenten van de godshuizen buiten het

bestuur van de Schouwburg. De verordening van de burgemeesters van 31 januari 1678 over

de toelating tot de Schouwburg sloot zelfs vrije toegang door de regenten van de godshuizen

uit. 11

Kennelijk was een en ander geschied zonder overleg met de regenten van de godshui­

zen en kennelijk waren deze het ook oneens met de keuze van het corps. Op verschillende

plaatsen is er sprake van een advies, dat de burgemeesters hier volgden, maar helaas is dat

advies zelf niet bewaard gebleven. 12

Evenmin is bekend van wie het afkomstig is. 13

Het kan

zijn dat onenigheid tussen de regenten van de Schouwburg en die van de godshuizen het

ingaan van het nieuwe regime heeft opgehouden tot 17 februari 1678. Pas op die dag vond

de eerste reguliere toneelopvoering plaats, met Hoofts Gerard van Velsen, voorafgegaan door

een voorspel van Joan Pluimer, en gevolgd door Hoofts Warenar. De burgemeesters woonden

de voorstelling bij.

Gegeven deze voorgeschiedenis konden problemen tussen de regenten van de Schouw­

burg en die van de godshuizen niet uitblijven. Ze ontstonden direct na afloop van het eerste

kwartaal, toen de regenten van de Schouwburg treuzelden met de afrekening. De regenten

van de godshuizen wisten een punt te scoren door de burgemeesters op 24 mei te laten veror­

donneren dat de afrekening plaats moest hebben op de eerste dinsdag volgende op het verlo­

pen kwartaal. 14

De regenten van de Schouwburg gaven nog dezelfde dag het bedrag op,

maar betaalden niet. Op 7 juni verschenen de regenten van de Schouwburg op het Weeshuis,

lazen daar in haast een beknopt financieel verslag voor en lieten het daarbij, tot grote woede

van de regenten van de godshuizen. 15

Deze laatsten ontvingen niet alleen geen geld, ze wa­

ren er tevens van overtuigd dat de regenten van de Schouwburg hen systematisch benadeel­

den, door lagere inkomsten op te geven dan er zouden moeten zijn.

Beginnende op 31 maart hadden de regenten van de godshuizen namelijk suppoosten in

de Schouwburg geplaatst, die de bezoekers telden. Op grond van deze tellingen werd de re­

cette berekend en deze bleek systematisch hoger te liggen dan die welke de Schouwburgre­

genten opgaven. 16

Het verschil varieerde globaal van ƒ 10 tot ƒ60, ongeveer 5 tot 15% van

de betreffende recette. Ik vermoed dat de Schouwburgregenten bepaalde kosten, misschien

in de sfeer van fooien of iets dergelijks, direct uit de recette bekostigden, alvorens deze geteld

werd. 17

Toen betaling nog steeds uitbleef, herhaalden de burgemeesters, op 27 juli 1678, vermoe-

11 Wybrands, Amsterdamsche tooneel, Bijlage M, 235.

12 Wybrands, Amsterdamsche tooneel, Bijlage K (het besluit van de burgemeesters van 28 december 1677): 'gelijk bij

seker vertoog aen ons overgegeven in 't breede is gededuceert'. In een notitie van Michiel Hinloopen uit 1698,

in Weeshuis 72, leest men: 'En hebben haer Ed. Groota. dat soo gelieven te verrigten op seeker specieus vertoog

aan de Heeren Burg. overgelevert sonder dat de Regenten der respective Godtshuijssen eenige visie of copije

daarvan te laaten toekomen.' (Cursivering door mij, RR.)

13 Ik acht het heel wel mogelijk dat we het auteurschap 'Vertoog' aan Andries Pels kunnen toeschrijven, en wel

vanuit het gegeven dat hij medio 1677 op verzoek van de burgemeesters een begin maakte met zijn Gebruik en

misbruik des tooneels. Dit geschrift bevat ook een aantal concrete voorstellen met betrekking tot het beheer van

de Schouwburg.

14 Wybrands, Amsterdamsche tooneel, Bijlage N, 235-236.

15 Weeshuis 430, fols. 2r-3r.

16 Aantallen en berekeningen in Weeshuis 430, gekopieeerd in Huydecoper 316, p. 1-32.

17 Deze procedure moet in ieder geval zijn toegepast met betrekking tot een aantal voorstellingen door een Italiaanse

troep gegeven van 7 december 1678 tot 1 februari 1679. De opgave van de regenten van de Schouwburg

voor deze voorstellingen is nl. net iets minder dan de helft dan de berekening naar aanleiding van de bezoekersaantallen

zou opleveren. Dat moet erop wijzen dat er een afspraak bestond dat de recette fifty-fifty verdeeld

zou worden tussen de Italianen en de Schouwburg.

248


Om den armen dienst te doen

? 7 - £W — — - i 441 ƒ I-

^" fcw^ 4 w

Afb. 1. Gedeelte van een bladzijde uit de zgn. Huydecoper-lijst van toneelspelen, opgevoerd in de

Schouwburg van 1638 tot 1730. De lijst is alfabetisch op hoofdspel. Bij elke opvoering van een bepaald

hoofdspel is het naspel vermeld. Huydecoper 318.

delijk op verzoek van de regenten van de godshuizen, het belangrijkste uit de eerdere ordonnanties.

18

De regenten van de Schouwburg gaven op (dinsdag) 2 augustus 1678 een opgave

van de inkomsten, uitgaven en winst, en betaalden op (woensdag) 3 augustus.

De afrekening van het volgende kwartaal was op tijd (5 november). De situatie lijkt daarmee

genormaliseerd, maar dat is slechts schijn. De laatste twee kwartaalbedragen, ƒ2900

en ƒ2520 ( = 800 ductatons), zijn afgeronde bedragen, en geven dus niet porties van de reële

winst weer, maar schattingen in afwachting van een eindafrekening. Het bedrag ƒ 2520 was

vóór 1672 ook nog al eens betaald en kwam in 1679 en 1680 ook weer verschillende keren

over de tafel. Dit gebeurde zo vaak dat het vermoeden rijst dat de regenten van de Schouwburg

dit als een soort vaste uitkering, ofwel een vast huur- of afkoopbedrag, naar voren wilden

brengen. Dit kan de inhoud geweest zijn van een memorie, die door de regenten van

de Schouwburg rond deze tijd (1 november 1678) aan de burgemeesters is gericht, maar die

helaas niet bewaard gebleven is. Wel bewaard is het antwoord van de regenten van de godshuizen.

19

Ze wijzen de voorstellen van de Schouwburgregenten af en gaan vervolgens in op

de schade, die ze leden door het financiële wanbeheer van de regenten van de Schouwburg.

Allereerst vermelden ze een bedrag van ƒ 2131:12, dat het verschil aangeeft tussen de recette

voor de periode van 28 maart tot en met 30 oktober 1679 volgens de opgave van de regenten

van de Schouwburg en de berekende recette volgens hun eigen tellingen. Dan merken ze

op dat de uitkeringen aan de godshuizen lager waren dan ze zelfs volgens de eigen boekhouding

van de regenten van de Schouwburg zouden moeten zijn. Volgens de regenten van de

Schouwburg was de opbrengst van 17 februari tot en met 30 oktober ƒ 14276:8:10, terwijl

18 Wybrands, Amsterdamsche tooneel, Bijlage O, 236.

19 Huydecoper 316, p. 67-71.

249


Om den armen dienst te doen

de godshuizen slechts ƒ 11085:14 hadden ontvangen. Tussen deze bedragen bestaat een ver­

schil van ƒ 3190:12. De burgemeesters gaven de regenten van de godshuizen niet hun zin wat

betreft het eerste geschil (n.a.v. de recette), wel wat betreft het tweede geschil (de achterstal­

ligheid).

Overigens mochten de godshuizen eigenlijk niet klagen. De regenten van de Schouwburg

realiseerden in het seizoen 1678 een recette van ongeveer ƒ33000, waarvan niet minder dan

ƒ 17334:12:10 als winst aan de godshuizen werd uitgekeerd. Het financiële succes ging samen

met een artistiek succes. Rond een dozijn premières kwam op de planken (voornamelijk uit

de koker van NU volentibus arduum), waaronder een tiental, dat een blijvende populariteit zou

genieten en nog vele decennia regelmatig zou worden uitgevoerd.

Toch waren de regenten van de godshuizen niet tevreden met de gang van zaken, hoe voor­

delig deze ook verliep in financieel opzicht. Bovenop het geld wilden ze ook zeggenschap

in en controle over wat er op de Schouwburg gebeurde. In januari 1679 werd een overeen­

komst tussen de regenten van de Schouwburg en die van de godshuizen opgesteld die met

de ingang van het nieuwe seizoen, op 3 februari 1679, door de burgemeesters werd geratifi­

ceerd. Bepaald werd, onder meer, dat de verkoop van de loodjes aan employé's van de gods­

huizen werd opgedragen en dat de regenten van de godshuizen vrije toegang kregen. 20

Bou-

meester en Van Domselaer vertrokken als regent; Joan Pluimer en Jacob van Coosen kwa­

men in hun plaats. De bezoekerstellingen namens de regenten van de godshuizen bleven

vanaf 4 februari 1679 achterwege.

Het seizoen 1679 verliep financieel eigenlijk zonder incidenten. De Schouwburgregenten

rekenden gedurende het seizoen keurig na afloop van de kwartalen af, op 3 mei, 2 augustus

en 1 november 1679. Het zijn afgeronde bedragen, aan het Weeshuis respectievelijk ƒ2000:5

(635 ducatons), ƒ2520 (800 ducatons) en ƒ2330. De eindafrekening liet wat langer op zich

wachten en vond pas plaats op 23 februari 1680, in het volgende boekjaar van de godshuizen.

Het Weeshuis ontving nog ƒ2489:6. Daarmee was de totale winst voor de godshuizen

(ƒ 14009) iets minder dan het jaar daarvoor.

Het seizoen 1680 zou weer een roerig jaar worden. In plaats van op 1 februari twee regen­

ten te laten aftreden, deden de regenten van de Schouwburg een zeker voorstel over de be­

stuursvorm aan de burgemeesters, dat helaas niet bewaard is gebleven. 21

Het zestal bleef

compleet zitten, mogelijk in afwachting van de beslissing. Gezien dit zitten-blijven, gezien

het feit dat de regenten van de Schouwburg wederom standaardbedragen aan de godshuizen

uitkeerden (ƒ3780 [ = 1200 ducatons] op 4 mei en 7 augustus 1680) en gezien de latere ont­

wikkelingen, ga ik er vanuit dat het voorstel van de regenten van de Schouwburg in de rich­

ting van een huur van de Schouwburg ging voor een vast bedrag, bij voorbeeld ƒ3780 (1200

ducatons) per kwartaal, overigens een heel reëel bedrag.

De burgemeesters namen echter geen beslissing; vermoedelijk vroegen ze tevens advies

en/of commentaar aan de regenten van de godshuizen. De laatstgenoemden stuurden een

rekest in, dat evenmin bewaard is gebleven. De burgemeesters beslisten pas op 21 augustus

1680, door middel van een vrij uitvoerige resolutie, waarin een aantal zaken rond het beheer

van de Schouwburg gereorganiseerd werd. 22

In deze resolutie kwamen de burgemeesters de

regenten van de godshuizen duidelijk tegemoet, mogelijk een erkenning van hun gelijk ten

20 Wybrands, Amsterdamsche tooneel, Bijlage P, 237-238.

21 Ondanks de latere vermelding (21 augustus 1681) dat het in het Groot Memoriaal van de burgemeesters zou

zijn opgenomen. Zie Wybrands, Amsterdamsche tooneel, Bijlage Q, 238.

22 Wybrands, Amsterdamsche tooneel, Bijlage Q, 238-239.

2r>o


Om den armen dienst te doen

aanzien van het wat losse financiële beheer door de regenten van de Schouwburg. De regentenwisseling

zou voortaan op de eerste dinsdag van september plaatsvinden. De nominatie

zou geschieden door de zes zittende regenten van de Schouwburg, plus drie van het Weeshuis

en drie van het Oude-Mannenhuis. De burgemeesters hielden zich de keuze voor. Het

belangrijkste element van het besluit was evenwel dat de regenten van de godshuizen directe

zeggenschap kregen over de uitgaven van de Schouwburg, zowel met betrekking tot de betaling

van acteurs en andere medewerkenden als tot materiële zaken zoals kostuums en decors.

Op 5 september 1680 ging het nieuwe regime in. Pels en Matham traden af als regent van

de Schouwburg. Uit de gemeenschappelijk nominatie, bestaande uit Dirk Schelte, Abraham

van den Bogaert, Coenraad van Ditsum, Hendrik Steenoven, Tobias van Domselaer

en Jan Soolmans, kozen de burgemeesters Tobias van Domselaer en Hendrik Steenoven. 23

Het seizoen van 5 februari tot 5 september 1680 werd in haast afgesloten. 24

De regenten van de godshuizen maakten onmiddellijk van de situatie gebruik door voorstellen

te ontwikkelen om te komen tot een exploitatie van de Schouwburg naar hun zin.

In een serie 'Consideratiën aangaande de directie van de Schouwburg,' dat gedateerd moet

worden tussen 21 augustus en 5 september 1680, 25

wordt met name de verkoop van loodjes

en de controle daarop geregeld, uitgevoerd door suppoosten wegens de godshuizen, die hun

plaats innamen bij respectievelijk de voorpoort, de ingang van de bak en de toegangen tot

de twee galerijen. De aanstelling van deze suppoosten vond op 5 september plaats. 32

Een tweede serie overwegingen, vermoedelijk ook bedoeld om op 5 september besproken

te worden, betreft de spelers en de musici, alsmede de vrije toegang. 27

Voorgesteld wordt

het aantal musici te verminderen van 15 k 16 tot 6 a 7, het aantal acteurs van ongeveer 24

tot 15 a. 16. Ik neem aan dat de regenten van de Schouwburg zich tegen deze verminderingen

verzet hebben, want uit de contracten die op 8 oktober gesloten werden tussen de godshuizen

en de acteurs en musici blijkt een veel geringere teruggang. Het aantal acteurs en actrices

kwam op 22, 28

het aantal musici op twaalf. 29

Met al deze regelingen hoopte men opnieuw een goede voortgang van de Schouwburg

te kunnen garanderen, maar deze hoop bleek ijdel. Problemen rond de afrekening van de

recette waren uiteraard verleden tijd, maar er ontstonden nieuwe problemen, en wel rond

het punt van de uitgaven voor materiële zaken. Als we de klachten van de regenten van de

Schouwburg mogen geloven, probeerden de regenten van de godshuizen op dit aspect te bezuinigen.

30

De zuinigheid van de regenten van de godshuizen wordt bevestigd door de verhouding

tussen inkomsten en uitgaven en de daardoor gerealiseerde winst. Gedurende de

periode van 5 februari tot 5 september 1680 verdween 61% van de inkomsten in de vorm

van uitgaven en bleef er 39% winst over. Op een gemiddelde recette van ƒ 308 betekent dat

ƒ 120 winst per speelavond. Gedurende de periode van 5 september 1680 tot en met 17 januari

1681 daalde de gemiddelde recette tot ƒ262, maar daarvan werd slechts 37 % weer uitgegeven,

zodat de winst steeg tot ƒ155 (63% van ƒ262) per speelavond.

23 Weeshuis 430, fol. 4r.

24 De hier gegeven cijfers zijn slechts bekend via een notitie in Huydecoper 319.

25 Huydecoper 316, p. 108-113.

26 Weeshuis 430, fol. 5r.

27 Huydecoper 316, p. 114-117.

28 Weeshuis 430, fol. 6r.

29 Weeshuis 430, fol. 7r.

30 Het archief van het Weeshuis herbergt nog een zevental brieven over deze materie, gericht door de agenten

van de Schouwburg aan die van de godshuizen. Wybrands, Amsterdamsche tooneel, Bijlage R, nrs. 1-7, p. 239-245.

251


Om den armen dienst te doen

Artistiek trad er gedurende het seizoen 1680-1681 verval in. Gedurende de maanden sep­

tember tot en met december 1680 kwam er geen enkele première op de planken, mogelijk

een stil protest van de regenten van de Schouwburg, mogelijk ook een uitvloeisel van het

teruglopen van de activiteiten van NU volentibus arduum. Na kerstmis 1681 kwamen er nog

wel enkele premières, maar deze zijn van gering tot geen belang.

1681-1684: de huur van de Schouwburg door Pluimer, De la Croix en Meijer

Vermoedelijk begonnen de heren regenten van de godshuizen er in de loop van 1681 genoeg

van te krijgen zich te moeten bemoeien met het directe zakelijke beheer van de Schouwburg

en stemden ze daarom in met het voorstel van Joan Pluimer, Pieter de la Croix en Lodewijk

Meijer tot verhuring van de Schouwburg. Pluimer cum suis hadden een voorstel aan de Bur­

gemeesters gedaan, in drie artikelen geformuleerd. Dit voorstel is niet bewaard gebleven,

wel een commentaar hierop, geleverd door de regenten van de godshuizen op verzoek van

de burgemeesters. 31

Uit dit commentaar blijkt voor het eerst iets wat men kan opvatten als

kritiek op het artistieke beleid van de Schouwburgregenten, namelijk dat 'de concepten

[ = ideeën] van sommige der tegenwoordige Regenten van den Schouburg soo menigvuldig

en seldsaam [ = vreemd] sijn, dat wel telckens op haer siftingen [ = selecties, namelijk van

stukken] en uijtvindingen nieuwe ordonnantiën en reglementen diende[n] te werden ge­

maeckt.' De kritiek uit de voorafgaande jaren betrof steeds in de eerste plaats de financiële

en boekhoudkundige betrouwbaarheid.

Het contract werd op 18 september 1681 ten kantore van het Weeshuis getekend door de

drie huurders en een zestal regenten van de godshuizen. Het werd afgesloten voor driejaar,

in te gaan op 22 september 1681 (kermis-maandag) en af te lopen op de zaterdag voor kermis

1684. Volgens het contract moesten de inkomsten naar het Weeshuis worden gebracht. Het

binnengekomen geld werd volgens drie wegen gedistribueerd. Allereerst konden eruit huur­

penningen aan de godshuizen genomen worden. In de tweede plaats betaalden de regenten

van de godshuizen op verzoek van de regenten van de Schouwburg rekeningen, vooral van

diverse aard (kleding, kaarsen, decorstukken, enzovoort). En in de derde plaats verschaften

de regenten van de godshuizen aan de schouwburgregenten op assignatie gelden waaruit

de acteurs, de musici en de overige werknemers konden worden betaald.

Tot nu toe hebben we het belangrijkste aspect van het huurcontract, namelijk het huurbe­

drag, nog niet genoemd. De huur werd vastgesteld op ƒ20000:- per jaar, een hoog, ja zelfs

zéér hoog bedrag. Het seizoen 1678 had een opbrengst van ruim ƒ 17000 te zien gegeven.

1679 bracht ongeveer ƒ 14000 in het laatje, 1680 ongeveer ƒ 15000. Twee van de drie huurders

van 1681 waren regent geweest gedurende deze jaren en men mag aannemen dat zij deze

bedragen kenden. Waarom gingen ze akkoord met een huurbedrag dat substantieel hoger

was dan de jaaropbrengst van de Schouwburg in de voorgaande jaren? Voor een definitief

antwoord op deze vraag ontbreken de gegevens, maar wellicht komt de volgende verklaring

wel een eind in de richting van de waarheid.

Zoals boven gezegd, is vermoedelijk al eerder geprobeerd tot een huurovereenkomst te

komen, een verlangen zeker voortgekomen uit de wens verlost te worden van de bemoeizucht

van de regenten van de godshuizen. Het lijkt wel of ze dat geprobeerd hebben met een som

31 In Weeshuis 72.

252


Om den armen dienst te doen

Afb. 2. Bezoekerstellingen van de Schouwburg, vanwege de regenten van de godshuizen uitgevoerd,

met de daarbij berekende recettes. Weeshuis 430.

van 1200 ducatons per kwartaal, ofwel 4800 ducatons per jaar (=ƒ 15120), in het licht van

de exploitatieresultaten van de Schouwburg geen onredelijk voorstel. In het bovengenoemde

advies van de zijde van de regenten van de godshuizen omtrent het voorstel van de huurders

merken de regenten op dat lieden die het konden weten hun gezegd hadden dat de

Schouwburg wel ƒ 16000 of/17000 of misschien nog wel meer op zou kunnen brengen, en

tevens vragen ze zich af of regenten die de Schouwburg belangeloos beheerden niet te prefereren

waren boven regenten die op de exploitatie van de Schouwburg wilden verdienen.

Eventuele verdiensten van de huurders zouden immers, vergeleken met de vigerende situatie,

altijd ten koste van de godshuizen gaan. Op grond van deze opmerkingen neem ik aan

dat de regenten van de godshuizen bedongen dat de huursom zodanig zou zijn dat echte

winst voor de huurders niet mogelijk was, en dat, mocht er wel winst worden gerealiseerd,

de godshuizen in ieder geval inkomsten hadden die hoger waren dan ooit te voren.

Wat was er nodig om de huursom te kunnen opbrengen? Gedurende de huurjaren werd

er vrijwel 120 maal per jaar gespeeld. De winst per speeldag zou dus ƒ20000/120 moeten

bedragen, ongeveer ƒ 170. Aangezien de gemiddelde kostprijs van een speeldag ongeveer

ƒ 150 was, zouden de inkomsten per speeldag gemiddeld ƒ320 moeten bedragen. Gedurende

de jaren 1678-1681 waren inkomsten per speeldag van hoger dan ƒ320 niet ongebruikelijk

en dit moet de huurders moed hebben gegeven. Hun voornaamste zorg zal dan ook geweest

zijn om te vermijden dat er veel speeldagen zouden zijn met een recette van minder dan

ƒ320 Dergelijke speeldagen waren in de voorafgaande jaren beslist geen zeldzaamheid.

253


Om den armen dienst te doen

Wij kunnen niet doorgronden of de huurders beseften dat ze een zware taak op zich genomen

hadden om de Schouwburg zo te beheren dat uit de inkomsten een huursom van

ƒ20000 kon worden betaald, temeer daar ze zowel de zakelijke als de artistieke verantwoordelijkheid

droegen. Meenden ze dat, als ze de handen vrij zouden krijgen, het bezoek aan

de Schouwburg zich zodanig zou ontwikkelen dat voldoende geld binnenkwam? Of waren

ze er zo op gebrand de Schouwburg naar eigen inzicht te kunnen beheren, dat ze bereid waren

eventuele tekorten uit eigen zak aan te vullen? Overigens, bij voortduring van de vigerende

beheersvorm zou Meijer per kermis 1681 als regent moeten aftreden en Pluimer het

jaar daarop. Het lijkt niet onmogelijk dat de regenten van de godshuizen deze gedwongen

resignaties als drukmiddel hebben gebruikt en dat het accepteren van de huursom de enige

mogelijkheid voor Meijer en Pluimer was om invloed op de Schouwburg te behouden.

(Meijer zou overigens na nog geen anderhalve maand na de aanvang van de huur, begin

november 1681, overlijden.)

Hoe dan ook, de heren huurders gingen akkoord en gedurende het eerste seizoen leek het

alsof ze erin slaagden de zaak op de overeengekomen wijze te doen verlopen. Het eerste

kwartaal, herfst 1682, gaf een recette van bijna ƒ 14000, waarvan na betaling van ƒ5000 huur

nog een overschot van bijna ƒ4000 resteerde. De huurders hadden dus ongeveer ƒ5000 besteed

aan 32 uitvoeringen, globaal de gebruikelijke ƒ150 per uitvoering. Als gevolg van het

overschot konden de huurders op 23 december niet alleen de huur voor de speelperiode

herfst 1681 betalen (deze kwam uit de reguliere inkomsten), maar als voorschot ook de huur

voor de speelperiode winter 1682. Deze laatste betaling werd door de heren privé gedaan,

mogelijk door op de winst van bijna ƒ4000 nog ruim ƒ 1000 uit eigen zak te leggen. Hierdoor

kwamen de huurders in een situatie van vooruitbetaling en werd de huur voor een bepaald

kwartaal steeds betaald aan het einde van het vorige kwartaal uit de opbrengsten van dat

kwartaal.

De verdere kwartalen van het seizoen 1681-1682 waren niet zo goed als het eerste. De inkomsten

per kwartaal varieerden tussen ƒ 7000 en ƒ 10000, de overschotten tussen ƒ350 en

ƒ900. De bedragen van de assignaties lijken onvoldoende om de spelers en musici voor de

86 voorstellingen in deze periode te betalen. Het kan zijn dat de heren huurders betalingen

aan acteurs en musici uit eigen zak hebben verricht. Al met al was het voor het seizoen 1681-

1682 mogelijk de hoge huursom op te brengen.

Gedurende de daaropvolgende seizoenen kwam er een duidelijke kentering in de situatie.

De jaarrecette daalde via circa ƒ34000 (1682-1683) naar ƒ27000 (1683-1684). Met ƒ34000

per jaar schiet er voor de voorstellingen ƒ 14000 over (ongeveer ƒ 120 per voorstelling), wat

wellicht nog werkbaar is, maar een jaarrecette van ƒ27000 is duidelijk onvoldoende om de

zaak draaiende te houden. Met het laatstgenoemde bedrag is er gemiddeld immers maar

ƒ70 per speeldag beschikbaar.

Toch slaagden de huurders erin om de driejaren van het contract heelhuids door te komen,

al waren daar aan het einde van het derde huurjaar twee ingrepen voor nodig. In de

eerste plaats werd het lentekwartaal van 1684 wat verlengd, nl. van 21 juni tot 6 juli 1684.

Deze vijf extra speeldagen verhoogden de kwartaalrecette met een kleine ƒ800. En in de

tweede plaats werd uit de inkomsten van het zomerkwartaal van 1684 geen huurtermijn als

voorschot betaald, in feite een besparing van ƒ5000.

254


Om den armen dienst te doen

1684-1687: De huur van de Schouwburg door Pluimer en De la Croix

Men vraagt zich af, gezien de eerste driejaren van de huur, wat de heren huurders bewogen

heeft om in 1684 bij te tekenen voor een tweede termijn van driejaar, op dezelfde condities

als tevoren. De inkomsten over het seizoen 1683-1684 gaven echt geen aanleiding te veronderstellen

dat een huursom van ƒ20000 in redelijkheid op te brengen zou zijn. Het is mogelijk

dat de huurders concurrenten van het lijf moesten houden. Notities van de Weeshuisregent

Michiel Hinloopen uit 1698 vermelden dat 'de voorsz. Schouburgbij forme van opveijling

wederom verhuurt is aan de Heeren Johan Pluijmer en Pieter de la Crois.' 32

De jaarrecette bleef gedurende de periode 1684-1687 van dezelfde orde van grootte als van

1683-1684 (ongeveer ƒ27000), onvoldoende om ermee de huursom én de voorstellingen te

bekostigen. De huurders begonnen met de eerste termijn, herfst 1684, op 2 december 1684

uit eigen zak aan de godshuizen te betalen. De volgende termijn, winter 1685, werd op 6

januari 1685 betaald uit de inkomsten van het vorige kwartaal (herfst 1684). Aldus werd een

situatie van vooruitbetaling geschapen. De vooruitbetaling schoof echter geleidelijk aan

steeds verder op in het kwartaal en veranderde zo half ongemerkt in een betaling achteraf.

De huur voor het herfstkwartaal 1686 werd pas op 27 november 1686 betaald, die voor het

winterkwartaal 1687 in twee gedeelten. De twee laatste huurtermijnen, lente en zomer 1687,

konden niet meer uit de directe inkomsten betaald worden.

Op 26 november 1686 trokken de huurders aan de bel bij de regenten van de godshuizen

en stuurden dezen een 'Bericht' aangaande de toestand. 33

Als bedrag dat ze op de exploitatie

zouden hebben toegelegd gedurende de seizoenen 1684-1685 en 1685-1686 geven ze ƒ 13627:9

op; voor het seizoen 1686-1687 verwachten ze een tekort gelijk aan dat van het voorgaande

jaar, namelijk ƒ9234:9. Merkwaardig is dat de bewaard gebleven rekeningen deze bedragen

eigenlijk niet bevestigen. De genoteerde uitgaven lijken volledig te zijn; als deze niet geheel

door de inkomsten gedekt konden worden, dan is dat expliciet vermeld. Het tekort werd

steeds aangevuld uit de eerste inkomsten van het volgende kwartaal. De enige post waarvan

het zeker is dat de heren huurders die zelf betaald hebben is de vooruitbetaalde huur voor

het winterkwartaal 1685, groot ƒ5000. Het is natuurlijk mogelijk dat de huurders geheel buiten

de boeken om uitgaven hebben verricht, maar het lijkt me eigenlijk onwaarschijnlijk.

Aan de ene kant is het vreemd dat sommige tekorten wel, maar andere niet in de boeken

verwerkt zouden zijn, aan de andere kant zou een dergelijke handelwijze de kans van slagen

bij eventuele verzoeken om schadevergoeding aanzienlijk verminderen.

In het genoemde 'Bericht' gaan de regenten van de Schouwburg uitvoerig in op het ontstaan

van de tekorten. Allereerst schreven ze de situatie toe aan ondervonden tegenwerking.

Gedurende het eerste kwartaal van de nieuwe huurperiode zou een aantal spelers zijn weggekocht

van de Schouwburg. Dit leidde tot geringere opbrengsten, terwijl de betrokken spelers

later weer tegen hogere speellonen moesten worden teruggekocht. Hoe fantastisch dit verhaal

ook klinkt, het is waar! Op 23 augustus 1684 (één maand voor het aflopen van de eerste

driejarige huurperiode) sloot Coenraad van Ditsum een contract met vijf van de belangrijkste

spelers, namelijk Hermanus Brinkhuizen, Maria Petit (Brinkhuizens vrouw), Hermanus

Benjamin, Katarina Petit (Benjamins vrouw) en Gerrit Schroder, waarin gestipuleerd

33 In WeefhZ 72, aldaar ongedateerd. In Huydecoper 316, p. 54-58 met de datnm. In de literatuur wordt dit stuk

vaak op 31 mei 1687 gedateerd, vanwege het in Weeshu.s 72 aangehechte advtes van jacob de Metj van d.e datum,

maar een dergelijke datering is voor het 'Bericht' zelf onjuist.

255


Om den armen dienst te doen

werd dat het vijftal een jaar lang niet op de Schouwburg zou spelen. 34

Ieder ontving daar­

voor ƒ300. De spelers beloofden dit pas aan Pluimer bekend te maken na afloop van het sei­

zoen. Vermoedelijk trad Van Ditsum (in 1680 gepasseerd voor het regentschap van de

Schouwburg) op namens een groep, naar zeggen van Pluimer aangevoerd door Hermanus

Amia. Inderdaad betekent de herfstperiode van 1684 wat betreft inkomsten een dieptepunt

van alle herfstperioden in de onderzochte periode. De betrokken spelers stonden overigens

vanaf 15 januari 1685 weer op de planken. 35

Behalve over het wegkopen van spelers klagen Pluimer en De la Croix over onrust in de

Schouwburg, door hun tegenstanders teweeggebracht en andere vormen van tegenwerking,

zoals het weghalen van affiches en verdachtmakingen jegens hun personen. Ook melden ze

de concurrerende activiteit van David Lingelbach, die eerst in de stad, later m Buiksloot

opera-voorstellingen organiseerde. 36

Merkwaardig is het dat de regenten van de Schouw­

burg niet de werkelijke reden van hun problemen naar voren brachten, namelijk het gegeven

dat een huursom van ƒ20000 structureel te hoog was en eigenlijk alleen kon worden opge­

bracht wanneer een gelukkige samenloop van omstandigheden optrad, maar beslist niet kon

worden gegarandeerd.

De verschillende gegevens rond de problemen van Pluimer c.s. laten zien, dat deze reeds

vóór de aanvang van de tweede driejarige huurperiode waren begonnen, zeg ergens in 1683-

1684. Wie waren Pluimers tegenstrevers? Op 31 december 1685 en 3 januari 1686 werd Bid-

loo's voor- en naspel De strijd tussen Apollo en Midas, of Koning Onverstand gespeeld en uit de

protesten die daarop volgden blijkt dat Pluimers tegenstanders zich in de personages van

dit spel herkenden en belachelijk gemaakt voelden. 37

Onder de namen die dan opduiken vin­

den we die van David Lingelbach, Thomas Arends, Philip de Flines, Hermanus Amya, Ro-

meyn de Hooge, Jasper Lemmers en Ludolph Smids, kortom, namen die meer of minder

sterk verbonden zijn met het niet meer zo actieve NU volentibus arduum. Ik neem daarom aan

dat de diepere grond van het conflict pro en contra Pluimer gelegen is in het feit dat met

en na de dood van Meijer de mogelijkheden tot het uitoefenen van invloed op het artistiek

en zakelijk beleid van de Schouwburg vanuit NU volentibus arduum in toenemende mate wer­

den gefrustreerd. Terwijl immers gedurende de periode 1678-1681 de belangrijkste premiè­

res uit de hoek van NU kwamen, was het accent na 1681 verschoven in de richting van de

Schouwburgregenten zelf (Pluimer en De la Croix) benevens onafhankelijke auteurs als Pie­

ter Bernagie, Thomas Asselijn, Govert Bidloo en Frans Rijk. Een aantal van deze auteurs,

de schouwburgregenten zelf voorop, stond qua opvatting overigens niet ver van NU af. 38

Laten we terugkomen op de gebeurtenissen van 26 november 1686 en daaropvolgend. De

regenten van de godshuizen probeerden aanvankelijk het financiële aspect naar de burge­

meesters door te schuiven. Op 2 7 november 1686 stelden ze ter begeleiding en ondersteuning

van de Schouwburgregenten een 'Remonstrantie' aan de burgemeesters op, 39

die 28 novem­

ber werd overhandigd. Maar noch regenten van de godshuizen, noch de burgemeesters wil-

34 Notarieel 4744 (notaris David Stafmaker Variet), 23 augustus 1684, p. 530-533; afschrift van deze akte in Huyde­

coper 316, pp. 52-53.

35 Notarieel 6160 (notaris David Stafmaker Variet), 15 januari 1685.

36 Lingelbachs activiteiten met betrekking tot de opera te Buiksloot zijn in de literatuur herhaaldelijk beschreven,

maar dat hij ook enige tijd opera's in Amsterdam heeft laten uitvoeren, is tot nu toe onopgemerkt gebleven.

37 Sterck, Amsterdamsche tooneelleven, p. 114-126.

38 Pluimer hield vermoedelijk het door Rijk aangevoerde genootschap In magnis voluisse sat est ook enigszins buiten

de deur.

39 De 'Remonstrantie' in kopie in Huydecoper 316, pp. 62-64.

256


Om den armen dienst te doen

den met geld over de brug komen. Wel namen de regenten van de godshuizen op 30 novem­

ber een geheel andersoortige beslissing om de regenten van de Schouwburg te hulp te ko­

men: ze gaven toestemming om zes maal een opera op te voeren buiten de boeken om, zodat

de opbrengst volledig de beurs van de Schouwburgregenten ten goede zou komen.* 0

Op 11

januari 1687 werd toestemming gegeven om dezelfde opera nog eens viermaal buiten de boe­

ken om te spelen, maar bij nog meer opvoeringen moest de opera toch wel in de gewone ad­

ministratie worden opgenomen. 41

Het gaat hier vermoedelijk om de Opera op de zinspreuk

'Zonder spijs en wijn kan geen liefde zijn', op tekst van Govert Bidloo en met muziek van Joan

Schenck. Deze opera, die wij nu liever een zangspel zouden noemen, verschijnt namelijk

op 1 en 8 februari 1687 op een niet-reguliere speeldag (zaterdag) in de boeken van de

Schouwburg. _ .

Hoeveel succes deze eerste opera-uitvoeringen op de Schouwburg (na Lully's Isis in 1678)

hadden is niet precies bekend. Wel hebben ze Pluimer en De la Croix kennelijk ertoe ge­

bracht de opera te zien als een mogelijke uitweg uit de financiële problemen van de Schouw­

burg. Op 26 februari 1687 ging er een heuse, volledige Franse opera in première op de

Schouwburg: Amadis, op tekst van Philippe Quinault en met muziek van Jean-Baptiste Lul-

ly. Tot en met 10 mei zouden nog zeventien uitvoering volgen, voornamelijk op dinsdag en

zaterdag, en afgewisseld met gewone toneelstukken op maandag en donderdag. De recette

van de opera was niet slecht, maar de gevolgen voor de recettes van de toneelstukken waren

desastreus. Het publiek bleef weg van de gewone voorstellingen om de opera bij te wonen!

In deze periode overleed Pieter de la Croix; hij werd op 16 april 1687 in de Waalse kerk

begraven. Pluimer stond er dus voortaan alleen voor. Wel werd hij vermoedelijk geholpen

door Govert Bidloo, maar niet op een officiële basis. 42

In april 1687 was de recette van de toneelstukken gedaald tot bedragen tussen de ƒ 50 en

de ƒ 100; De dood van Marcus Antonius en Cleopatra, op 12 mei 1687, bracht slechts ƒ 51:16 op.

Pluimer'besloot hierop het opvoeren van Nederlandse toneelstukken te staken en de toneel­

spelers op 14-15 mei en bloc te ontslaan. 43

Volgens contract had Pluimer nog te gaan tot 22

september 1687; hij moet besloten hebben de resterende tijd met opera's op te vullen. Op

17 mei ging Cadmus et Hermione (alweer Quinault/Lully) in première.

Inmiddels hadden de toneelspelers niet stilgezeten. Op 17 mei beklaagden ze zich door

middel van een rekest bij de burgemeesters, die de zaak naar de regenten van de godshuizen

verwezen. 44

Op 22 mei stelden de regenten van de godshuizen een beslissing erover nog even

uit; ze wilden met Pluimer overleggen, maar hij was niet ter stede. Men besloot om op zater­

dag 24 mei te vergaderen. 45

Helaas is over het verloop en de besluiten van deze vergadering

niets met zekerheid bekend. Wel kunnen we vermoedens uitspreken. Ik neem aan dat Plui­

mer liet weten dat de situatie rampzalig was, dat of hijzelf, of de Schouwburg, of hijzelf èn

de Schouwburg bankroet zouden gaan, als er niet ingegrepen werd en dat hij in ieder geval

niet per 22 september een nieuwe driejarige termijn zou aangaan.

40 Weeshuis 71, fol. Ir.

41 Weeshuis 71, fol. Ir. . . . pi,,;„,„,.

42 Toen notaris Johannes Commelin op 30 juli 1687 naar de Schouwburg gaan om een msinuatie aan Pluimer

te doen, trof hij daar Bidloo aan, die de boodschap voor Pluimer aannam; zie Notarieel obuy.

43 Notarieel 5366 (Livinus Meijer), 14-15 mei 1687.

44 Het rekest van de toneelspelers is niet bewaard gebleven, maar wordt genoemd in de notulen van de regenten

van de godshuizen betreffende 22 mei 1687; zie Weeshuis 71, fol. 2v. Dat het rekest betrekking heeft op het ontslag

van de spelers, wordt daar niet expliciet vermeld, maar het kan moeilijk ergens anders over gaan.

45 Weeshuis 71, fol. 2v.

257


Om den armen dienst te doen

A M A D I S

• T R. F. V R.-S P E L

i N

MAATZANG.

y YvKB tV I IUU"BI»Ï1>\ J*^^p' I

fJI.MSTSB.DAH.

11,- At»«»T M A C H of. o» den WrowroJyk. I

in jeu Artis , by den Dun.

"Befcheydene Leezjtr,

In deeze Vertaaling van het Treuripei genaamt

Amadts, zyn de zelve zangmaaten

Behoaden.wMrop het althansop de Schouw,

buren in het Frans gezongen werd, en nadien

de klankken der lettergreepen zomwylen

anders in het Duitfch, als m het

Frans vallen, heeft de Vertaaler te met van

de bepaalde wootdea moeten wyken, en

alleen den zin volgen. Zoo dat het geen te

met naar de fnyding, en gladde trant der

gewoone dichtmaat niet volgt; zoodanig

om de nazing, of daaling der • t > '

heeft moeten gcfteld werden: Want het

heeft geen kleenen arbeid in, een vertaalingvoltcensdenwo,

de woorden, en zangkunde

te doen, waar van de Leczer dan

eerft het rechte nut zal hebben, wanner hy

dit Treuripei op het Tooneel zal zien, en

hooren vertoonen.

Afb. 3. Titel en voorwoord van Amadis, het Nederlandse tekstboek dat de Franse uitvoering van deze

opera van Philippe Quinault (tekst) en Jean-Baptist Lully (muziek) in de Amsterdamse Schouwburg

in 1688 begeleidde.

De beëindiging van de huur kon moeilijk door de regenten van de godshuizen worden geweigerd,

maar tot het betalen van schadevergoeding wilden ze toch nog niet overgegaan. Pluimer

riep de hulp van een rechtskundige, Jacob de Meij, in om de redelijkheid van schadevergoeding

naar voren te brengen. 46

De redenering komt erop neer dat als de regenten van de

godshuizen zelfde Schouwburg bestuurd hadden, de opbrengsten ook zo laag zouden zijn geweest

en dat ze daarom Pluimer niet mochten dwingen onder de gegeven omstandigheden de

gehele huur te betalen. Ook dit mocht de regenten van de godshuizen niet vermurwen.

Vermoedelijk hadden de regenten van de godshuizen wel ingestemd met het ontslag van

de toneelspelers en het uitsluitend opvoeren van opera's. Cadmus ging tot en met 29 juli, Atys

(eveneens van Quinault/Lully) volgde op 9 augustus, met een tiental reprises tot en met 16

september.

Lente- en zomerkwartaal 1687 waren financieel rampzalig: ze brachten slechts respectievelijk

ƒ6174:9 en ƒ4711:4 aan recette op, ten ene male onvoldoende om een huursom van

ƒ5000 per kwartaal mee op te brengen. Op 25 juni betaalde Pluimer de volle huur voor het

lentekwartaal 1687, vermoedelijk uit eigen zak; op die dag was slechts ƒ477:14 in de Schouwburgkas

aanwezig. Deze schrijnende situatie werd overigens nog wel enigzins gecorrigeerd

door de regenten van de godshuizen. Op 19 september betaalden de godshuizen ƒ3600 aan

Pluimer en ƒ300 aan De la Croix' weduwe, Susanna van der Eist, deels voor het overdragen

van het privilege op het uitgeven van in de Schouwburg vertoonde toneelstukken, deels in

verband met 'de schade de regenten van 't Schouburgh door de contramineurs of vervolgers

46 Het stuk in Weeshuis 72.

258


Om den armen dienst te doen

der Schouburgh aengedaen.' Per saldo hebben de Schouwburgregenten dus nog ƒ 1100 be­

taald voor het lentekwartaal.

Bij de afrekening van het zomerkwartaal, op 18 september 1687, werd Pluimer nog verder

ontzien dan bij het lentekwartaal. 47

In het huurcontract was opgenomen dat bij het uitgaan

van de huur de toe- of afname van de waarde van kostuums en decors zou worden verrekend.

Volgens taxatie was de toename in waarde ƒ3580:16. Dit bedrag werd van de huursom afge­

trokken, zodat de regenten (in casu Pluimer) slechts het restant, ƒ 1419:04, hoefden te vol­

doen. Van de inkomsten van het zomerkwartaal was voldoende in kas gebleven om dit be­

drag op te brengen. Sterker nog, er was zelfs nog iets over: bij het sluiten van de rekening

kon Pluimer ƒ90:16 mee naar huis nemen. 48

Daarmee kwam het tijdvak van de huur door, aanvankelijk, Pluimer, De la Croix en

Meijer, maar met Pluimer als enige overlevende, tot een einde.

1687-1688: de huur van de Schouwburg door Lingelbach en Koenerding

De problemen die de eerste huurders rond het opbrengen van de huurpenningen hadden

gehad, hadden de regenten van de godshuizen niet afgebracht van het idee tot verdere ver­

huur. De gegarandeerde opbrengst, hoger dan bij eigen verantwoordelijkheid, zal hun wel

hebben aangesproken.

Kort na 24 mei 1687, de vermoedelijke dag van opzegging door Pluimer, namen de regen­

ten van de godshuizen actie wat betreft de verhuur van de Schouwburg na 22 september

1687. Door middel van een advertentie in de Amsterdamsche Courant van 31 mei (herhaald 3,

5 en 12 juni) werden potentiële huurders opgeroepen zich kenbaar te maken. Het nieuwe

huurcontract zou op 12 juni om 3 uur 's-middags getekend kunnen worden. Deze datum

werd niet gehaald. Wel had zich een gegadigde gemeld, namelijk David Lingelbach, die zijn

eigen condities meegebracht. 49

Deze condities stemden voor een groot gedeelte overeen met

die van de regenten van de Godshuizen, maar de voorgestelde huursom, ƒ 16000 per jaar,

was lager. Ik neem aan dat de regenten van de Godshuizen dat vooralsnog te weinig vonden

en daarom de definitieve beslissing over de nieuwe huur uitstelden.

Een herhaalde oproep aan potentiële huurders werd geplaatst in de Amsterdamsche Courant

van 19 en 22 juli, om de ondertekening op 22 juli te laten plaatsvinden. Kennelijk had zich

toch niemand gemeld als concurrent van Lingelbach, zodat de regenten van de Godshuizen

op 22 juli alsnog in zee gingen met David Lingelbach en Joan Koenerding als nieuwe huur­

ders. 50

De huursom werd gesteld op ƒ 17000, maar zou, als de opbrengsten dat zouden toela­

ten, mogen oplopen tot ƒ21000.

Op 20 september 1687 ontvingen Lingelbach en Koenerding de sleutels van de Schouw­

burg- op 22 september vond de eerste toneeluitvoering onder hun leiding plaats. Aanvanke­

lijk déden de heren het niet slecht. Het herfstkwartaal 1687 bracht nahet betalen van de huur

en de kosten nog wat winst op, welke naar het volgende kwartaal werd doorgeschoven. De

goede gang van zaken was het gevolg van enerzijds een redelijke gemiddelde recette per

speeldag (ƒ274), anderzijds van de opvallend lage kosten, ongeveer ƒ 110 per speeldag.

47 Weeshuis 432, p. 34-35.

48 Weeshuis 432, p. 79.

49 Het stuk in Weeshuis 72.

50 Het stuk in Weeshuis 72.

259


Om den armen dienst te doen

Het winterkwartaal 1688 verliep op ongeveer dezelfde wijze, zij het dat iets ingeteerd werd

op het opgebouwde overschot. De gemiddelde recette liep terug naar ƒ 197. De huur werd

betaald op 22 maart, op tijd.

Maar gedurende het lentekwartaal van 1688 gingerietsmis. De recette liep nog wat verder

terug, naar gemiddeld ƒ 188 per speeldag, maar tegelijk stegen de kosten per speeldag van iets

meer dan ƒ 100 tot rond de ƒ200. Het is niet helemaal duidelijk waar dat aan ligt, omdat alleen

totaalbedragen en geen specificaties bekend zijn. 51

In ieder geval waren de uitgekeerde speellonen

veel hoger. Aan Italiaanse spelers werd voor negen uitvoeringen ƒ 961 betaald, aan de

eigen spelers voor minder dan twintig uitvoeringen ƒ 3250. De inkomsten gingen dan ook

meer dan volledig op aan de uitgaven en het betalen van de huur moest uitgesteld worden.

Het zomerkwartaal 1688 werd gevuld met een 26-tal opvoeringen van vier verschillende opera's.

De inkomsten bedroegen/4879:12, de uitgaven/2509:-. Al was men erin geslaagd de opera^s

op uiterst goedkope wijze op de planken te brengen, namelijk voor minder dan ƒ 100 aan directe

kosten per opvoering, de opbrengst was voor het betalen van de huur ontoereikend.

Kermismaandag (20) september 1688 zou het nieuwe seizoen moeten ingaan, maar op

dat moment was er slechts ruim ƒ3800 in kas tegenover een huurschuld van ƒ8500. Het nieuwe

seizoen werd met toneelstukken ingezet, zonder dat het vorige werd afgesloten. Na ruim

twee weken spelen, op 6 oktober, was het kassaldo voldoende om een huurtermijn van ƒ4250

te betalen; het was die van het lentekwartaal.

Na een maand spelen, op 19 oktober, besloten de huurders aan de bel te trekken. Ze moeten

aan de regenten een voorstel gedaan hebben ter onmiddellijke beëindiging van de huur.

De voorgestelde afrekening is bewaard gebleven, 52

maar de regenten van de godshuizen hebben

het voorstel kennelijk verworpen. Vervolgens richtten de huurders een schrijven aan de

burgemeesters met een verzoek om schadevergoeding. 53

Ze voerden externe omstandigheden

aan als de oorzaak van hun misère. In 1688 was de Negenjarige Oorlog uitgebroken en

in verband met de financiële gevolgen daarvan zouden de burgers minder genegen zijn de

Schouwburg te bezoeken. Met behulp van dit argument konden ze de hulp inroepen van

artikel 9 van het contract, waarin werd bepaald dat in geval van sluiting als gevolg van, onder

meer, oorlogsomstandigheden, de huur naar rato verminderd mocht worden. In het schrijven

vragen ze om beëindiging van de huurovereenkomst. De burgemeesters stuurden het

stuk op 21 oktober door naar de regenten van de godshuizen om advies.

Er werd, noch door de burgermeesters, noch door de regenten van de godshuizen direct

actie ondernomen. Er werd doorgespeeld tot en met 22 november 1688. Pas vanaf 20 november

1688 was er intensief overleg tussen de regenten van de Schouwburg en die van de godshuizen

over de financiële afwikkeling. 54

Op 27 november werden de kostuums en de decors

getaxeerd, waarbij de waardevermeerdering ƒ 4310:6 bedroeg. 55

Er was nog ƒ3921:6 in kas.

Op 1 december vergaderden de partijen over de eindafrekening. Op 2 december legden de

regenten van de godshuizen de voorgestelde afwikkeling voor aan de burgemeesters, welke

laatsten akkoord gingen. De volgende dag, 3 december, leverden de regenten van de

Schouwburg de sleutels in.

51 De totaalbedragen in enkele notities in Huydecoper 319.

52 In kopie in Huydecoper 316, p. 126-127 en een los stuk in Huydecoper 319.

53 Een kopie van het stuk is in Weeshuis 72.

54 Zie Huydecoper 316, p. 72-75.

55 Huydecoper 316, p. 77. Het inventaris is bewaard in Huydecoper 315; zie B. Albach, 'Een inventaris van toneeldecors

uit 1688', Scenarium 8 (1984) 37-72, die het gedeelte met decors in transcriptie reproduceert.

260


Om den armen dienst te doen

De voorgestelde afwikkeling zou toch in een andere vorm ten uitvoer gelegd worden. Bij

het sluiten van de boeken op 31 december 1688 werd een nieuwe berekening gemaakt; 56

de

afrekening vond plaats op 8 januari 1689. De nog verschuldigde huurtermijnen, ƒ4250 voor

het zomerseizoen en ƒ 3231:12 voor het herfstseizoen (samen ƒ 7481:12) werden voldaan met

behulp van kasgeld, de waardevermeerdering van de costuums en decors, en een hoeveelheid

turf. Per saldo ontvingen de godshuizen in geld slechts ƒ 1760:06 voor de periode van 22 juni

tot en met 22 november 1688.

1689-1691: Het bestuur door de vier regenten/directeuren

Over het bestuur van de Schouwburg gedurende de periode direct volgend op de huur door

Koenerding en Lingelbach is relatief weinig bekend. De regenten van de godshuizen zagen

af van verdere verhuring. Ze gingen nu zelf als toeziend regent functioneren, waarbij de dagelijkse

leiding van de Schouwburg werd overgelaten aan een aantal directeuren, overigens

nog vaak regenten genoemd.

Wie er precies directeur waren in de periode van 23 december 1688 (de eerste speeldag

na de huurperiode van Koenerding en Lingelbach) tot en met 5 april 1691 (de laatste speeldag

voor het lange zomerreces van 1691) is niet in alle opzichten duidelijk. Op 2 december

1688 zochten de regenten van de godshuizen Hendrik Steenoven en Ysbrant Vincent aan

om op 4 december over een eventueel directeurschap te komen praten. 57

Een lijst van hoofden

regenten en directeuren, in 1698 door of vanwege Michiel Hinloopen opgesteld, noemt

vier'directeuren voor de desbetreffende periode: behalve Steenoven en Vincent ook Pluimer

en Cornelis Reineveld. 58

De werkzaamheden van Pluimer zijn voor deze periode goed gedocumenteerd,

maar de enige aanvullende informatie betreffende Reineveld is het gegeven dat

hij in 1699 nog genoemd wordt in verband met de vrije toegang tot de Schouwburg, die hij

net als de andere genoemden had wegens het voormalig directeurschap. 59

Toch moet één

van de vier heren voor het einde van de rit hebben afgehaakt, want een notitie in verband

met de afsluiting van deze periode spreekt over 'hij [ = Pluimer] en de twee andere directeuren'.

60

De samenwerking tussen de vier heren directeuren schijnt ook te wensen hebben overgelaten-

'Maar die [vier directeuren] gaaven de Regenten [van de godshuizen] met haar onderlinge

questiën so veel wercks dat [zij] sig imageerden gemackelijker voor haar te sullen

weesen, selver de Schouburg te regeeren.' 61

Pluimer moet min of meer als eerste directeur zijn opgetreden en werd voor zijn goede

diensten betaald: over 1689 kreeg hij ƒ630 (betaald 7 januari 1690), over 1690 weer ƒ630

(betaald 27 januari 1691), en over de eerste maanden van 1691 ƒ210 (betaald 16 juni).

Het beheer van de Schouwburg werd voortgezet volgens de lijnen die gedurende de huurperiodes

waren uitgezet. De administratie was in handen van de godshuizen. Deze keerden

regelmatig ronde bedragen uit aan de regenten c.q. directeuren, die daarmee de acteurs en

de suppoosten konden betalen. De diverse uitgaven werden direct uit de schouwburgkas

bestreden. . .

56 Weeshuis 433, einde.

57 Huydecoper 316, p. 75.

58 Het stuk in Weeshuis 72.

59 Huydecoper 316, p. 123-124.

60 Huydecoper 316, p. 81.

61 In Weeshuis 72.

!61


Om den armen dienst te doen

Alhoewel de voorstellingen al op 23 december 1688, met Vondels Gijsbrecht, begonnen, is

de eigenlijk start 3 januari 1689. De voorstelling van deze en de volgende avond werd vooraf­

gegaan door een kort zinnespel, Voorspel, met muziek en dansen, waarin de 'Schouwburg' de

'Dichtkunst' uitnodigt wederom tot haar te komen.

Gedurende deze jaren maakte de Schouwburg weer een bescheiden winst, in 1689 en 1690

tussen de ƒ7000 en ƒ8000, waartegenover het Weeshuis echter rond ƒ 1500 kosten moest stel­

len, zodat de netto ontvangst voor deze instelling slechts ƒ3000 tot ƒ4000 bedroeg. Deze be­

dragen hangen nauw samen met de in het algemeen bescheiden recette, gemiddeld rond de

ƒ200 per speeldag. De afrekeningen geschiedden na afloop van het kwartaal, maar waren

gedurende het seizoen steeds ronde bedragen, voorlopige afrekeningen dus. In januari volg­

de, na afloop van het seizoen, maar vóór de sluiting van het boekjaar van de godshuizen,

de definitieve afrekening.

1691-1699: Het bestuur door Pluimer en Bernagie

In 1690 was er voor het eerst sinds lang weer een zomerreces, van 29 mei tot 14 september.

In 1691 ging het zomerreces in na een zeer slecht, tot 5 april uitgerekt winterkwartaal. Ver­

moedelijk hebben de heren regenten van de godshuizen van dit lange zomerreces gebruik

gemaakt om het bestuur en de organisatie van de Schouwburg goed te overdenken. Concrete

stukken over de reorganisatie die kennelijk plaatsvond zijn niet bekend, maar zeker is het

dat de Schouwburg per september 1691 een nieuwe start maakte en dat de toen gekozen

bestuurs- en beheersvorm ongewijzigd bleef functioneren tot 1699 en, na evaluatie, daarna

ongewijzigd werd voortgezet.

De term regent verdwijnt nu uit het Schouwburgbeheer. In plaats daarvan zijn er direc­

teuren, en wel het tweetal Joan Pluimer en Pieter ('Professor') Bernagie, die het directeur­

schap gedurende de gehele periode tot genoegen hebben waargenomen. De directeuren wer­

den betaald voor hun diensten. Pluimer ontving ƒ700 per jaar, te rekenen van 1 oktober tot

en met 31 september, Bernagie het eerste jaar (1691-1692) ƒ250, daarna (1692-1696) ƒ 500,

en tenslotte (1696-1699) ƒ 700, net als Pluimer.

Het herinstellen van het zomerreces lijkt een goede beslissing te zijn geweest. Weliswaar

wordt er dan minder vaak per jaar gespeeld, maar de zomerinkomsten waren altijd al laag,

terwijl de kosten dan gewoon doorliepen. Bovendien kan men zich, de periode 1678-1690

overziende, toch niet aan de indruk onttrekken dat er wel eens wat Schouwburg-moeheid

kan zijn opgetreden, met de ononderbroken serie voorstellingen het hele jaar door. Na een

zomer zonder toneel was de behoefte daaraan in september weer groot, en deze maand liet,

met oktober, dan ook de toprecettes binnenkomen.

De inkomsten ontwikkelen zich gedurende het tijdvak 1691-1699 in positieve zin. Met na­

me de jaren 1692-1695 zijn goed, met een gemiddelde recette van rond de ƒ400 of hoger ge­

durende de septembermaand en de herfstkwartalen. De zwakkere jaren en kwartalen draai­

den meestal met gemiddelden van tussen ƒ200 en ƒ300 per speeldag.

Het binnengekomen geld verdween op verschillende manieren uit de kas. In de eerste

plaats via de assignaties aan de directeuren, met bedragen van rond de ƒ 100 per speeldag.

Door het assignatiesysteem zijn we helaas onkundig over de betalingen aan de vaste acteurs,

musici en andere employés van de Schouwburg. De tweede categorie wordt gevormd door

de diverse uitgaven, die wel stuk voor stuk zijn geadministeerd. Grosso modo bedragen deze

262


Om den armen dienst te doen

rond de ƒ 50 per speeldag. Hiermee komen we weer op de traditionele ƒ 150 aan kosten per

speeldag. Posten van wisselende omvang worden aan 'reparatie' besteed. Het overige is

winst en wordt aan de godshuizen uitgekeerd. De winst beloopt gedurende deze jaren stee­

vast meer dan ƒ 10000, vaak eerder richting ƒ 15000 en is daarmee weer een belangrijke bron

van inkomsten voor de godshuizen. Het Weeshuis ontving aldus bedragen van ƒ7000 tot

10000, waar meestal tussen de ƒ1200 en ƒ1500 aan uitgaven tegenover stonden. Toch waren

de heren regenten van de godshuizen tevreden. Conflicten tussen de regenten van de gods­

huizen en de directeuren van de Schouwburg zijn uit deze tijd niet bekend.

Conclusie

Wie de geschiedenis van de Amsterdamse Schouwburg van de heropening in 1677 tot aan

de eeuwwisseling in ogenschouw neemt, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de eerste

helft van deze periode, grofweg 1677-1688, gekenmerkt wordt door conflicten, terwijl de

Schouwburg gedurende de tweede helft, vanaf 1689, maar vooral vanaf 1691, weer in een

rustiger vaarwater komt. De conflicten lijken vooral voort te komen uit de wens van personen

en/of groeperingen om zich via de Schouwburg een centrale plaats te verwerven in het Am­

sterdamse culturele leven; het regent- of directeurschap van de Schouwburg kan immers niet

anders dan zo'n centrale plaats zijn geweest.

Via de in 1678 door de burgemeesters benoemde regenten kreeg NU volentibus arduum in

belangrijke mate de vrije hand in de Schouwburg, en zeker niet ten detrimente van de in­

komsten. Vanaf 1680 boette de uitstraling van NU zeer veel aan kracht in. De regenten van

de godshuizen konden nu het losse financiële beheer van M'-regenten aangrijpen om zelf

grip op de gang van zaken te krijgen, maar schiepen hiermee niet zozeer een zakelijk, dan

wel een artistiek vacuüm.

Dan zien we de persoon van Joan Pluimer naar voren komen, eigenlijk de dominante fi­

guur in de gehele periode. Hij komt op de leidende plaats in de Schouwburg, als huurder

machtiger dan de vroegere hoofden en regenten, maar niet dan na zijn hoofd in een financië­

le strop gestoken te hebben in de vorm van een jaarhuur van ƒ20000. Na een goede start

ziet hij de zaken scheef gaan. De opera, in 1687 binnengehaald om de Schouwburg finan­

cieel te redden, blijkt een paard van Troje. Het Amsterdams toneel komt bijna tot een einde,

als Koenerding en Lingelbach in 1687-1688 het drama van Pluimer nog eens herhalen. De

inkomsten van de godshuizen uit de Schouwburg zakken naar een dieptepunt van nauwe­

lijks meer dan ƒ5000.

Achteraf bezien moet men de instelling van de verhuring van de Schouwburg in 1681 be­

schouwen als een strategische fout van de regenten van de godshuizen (en de burgemees­

ters). Immers, met een lage of schappelijke huur zouden inkomsten aan de godshuizen voor­

bijgaan. Met een hoge huur zou dat niet gebeuren, maar creëerde men, tenzij het boven

verwachting steeds goed zou gaan, het gevaar van een bankroet van de huurders en daarmee

de ondergang van de Schouwburg, dan wel ernstige verzoeken om schadevergoeding van

de zijde van de huurders, evenzeer ten laste van de godshuizen. In goede tijden kon de winst

per jaar oplopen tot ƒ 15000 en hoger, maar het schouwburgbedrijf was (en is) ten ene male

te grillig om jaar in jaar uit een topopbrengst te garanderen.

Vanaf 1689 is er een geleidelijk herstel, overigens weer onder leiding van Pluimer. Het hele

beleid lijkt op voorzichtigheid te zijn gebaseerd: niet te veel spelen, niet te duur, geen opera,

263


Om den armen dienst te doen

VOORSPÉL.

Mét Muzyk , en Danflen.

Vertoond op de Amfterdamfche Schouwburg,

Ben 5, vtn Ltuwmttnd iet '\ttts i6Sp. in etnig* vel

genie d^rn.

Te AMSTERDAM,

By Atmr MACNUI, Boekvokooper op de

Nieuwe Dyk, iu de Atlas. i«ï 9.

Mé Privilegie.

Afb. 4. Titel van het Voorspel, Mét Muzyk, en

Danssen van 1689, om het nieuw begin van de

Schouwburg op 3 januari 1689 mee te vieren.

een regelmaat, maar geen overdaad aan premières, een gedoseerde herhaling van niet zo

oude, oude en zeer oude succesnummers. Er worden nog wel eens voorstellen voor een opera

gedaan, maar hierop wordt onmiddellijk zeer afwijzend gereageerd. Wel vraagt een enkeling

zich, mogelijk terecht af, of het bezoek aan de Schouwburg niet vaak eerder een sociale

dan een artistieke achtergrond heeft. 62

Het beleid heeft succes. De jaren 1691-1699 verlopen in relatieve rust en voorspoed, vooral

het midden van het decennium. De winstgevendheid van de Schouwburg is weer hersteld,

zij het niet op het niveau van de jaren 1678-1681 en dat van het eerste huurjaar. Maar de

regenten van de godshuizen moeten toch ingezien hebben dat de exploitatie van de Schouwburg

er een met een open einde moest zijn, met een niet vooraf gefixeerde winst.

Aan het begin van de behandelde periode staan de regenten van de godshuizen weliswaar

goeddeels aan de zijlijn, waar het invloed op de Schouwburg heeft, maar proberen wel steeds

een voet tussen de deur te krijgen. Vanaf 1680 krijgen ze het financieel beheer rechtstreeks

onder zich. Aan het einde van de periode zijn de regenten van de godshuizen tevens regenten

van de Schouwburg en bepalen ze mede het beleid. Kortom, er is gedurende het laatste

kwart van de 17e eeuw een trend van steeds verdergaande bemoeienis van de zijde van de

regenten van de godshuizen met het bestuur van de Schouwburg, een bemoeienis die gedurende

de jaren vóór 1672 niet of nauwelijks valt te bespeuren.

62 Wybrands, Amsterdamsche tooneel, 150-152.

264


Om den armen dienst te doen

Als men rekesten, notulen en andere stukken van de regenten van de godshuizen leest,

lijkt het wel of ook de betrokkenheid bij wat er op de Schouwburg niet alleen in zakelijk,

maar ook in inhoudelijk opzicht gebeurd steeds toeneemt. Gedurende deze periode treden

twee Weeshuisregenten op als toneelauteur: Michiel Elias, die drie stukken aan het repertoi­

re van de Schouwburg leverde {Attila naar Corneille, première in 1686; De ontvoogde vrouw

1688 en De bekeerde dronkaard 1691), en Pieter Nuyts, wiens Admetus en Alcestts in 1694 in pre­

mière ging. De memories, in 1698 door Weeshuisregent Michiel Hinloopen opgesteld, getui­

gen duidelijk van een persoonlijke interesse in de gang van zaken op de Schouwburg. Deze

persoonlijke interesse zou enkele decennialater z'n culminatie krijgen in de persoon van Bal-

thasar Huydecoper, eveneens toneelauteur en Weeshuis-regent, die zich tevens verdiepte in

de geschiedenis van de Schouwburg en aan wiens speurzin we zo veel onmisbare gegevens

over de Amsterdamse Schouwburg in de 17e eeuw te danken hebben.

Waarom kon in de 17e eeuw toneel winstgevend geëxploiteerd worden? Het antwoord ligt

in de constatering dat het gemiddeld speelloon en de gemiddelde toegangsprijs elkaar slechts

een factor drie tot zes ontlopen. De toegangsprijs varieerde van 6 tot 20 stuivers. De speello-

nen varieerden van ƒ1 tot ƒ6. Dat betekent dat men met honderd tot 150 toeschouwers uit

de kosten was. Wie er boven dit getal binnen kwam, zorgde voor winst.

Tabel 1. Seizoenen, speelperioden, aantal spelen en opbrengsten van de Amsterdamse

Schouwburg van 1678 tot 1699.

Seizoen Periode Van ... tot ... Aantal Recette Recette

spelen totaal per spel

1677_ 1678 25 nov- 1 feb 18 4920:07 273

1 6 7 8 n 17feb-28apr 21 7742:00 369

12 2mei-28jul 24 7759:17 323

/ 3 laug-31okt 34 10198:12 % 300

/ 4 3nov- lfeb 33 7630:03 Vi 231

1 6 7 9 lx 2feb-27apr 26 8702:07>/ 2 335

12 1 mei - 31 jul 27 6300:00 233

/ 3 3aug-30okt 32 8547:13 267

/ 4 2 nov - 1 feb 27 8506:07 315

1 6 8 0 n 5 feb- 5sep 63 19412:13 308

1680- 1681 /lherst 5sep-16jan 44 11555:14 262

12 winter 21 jan - 24 mrt 19 6030:18 317

/3 lente-zomer 27 mrt - 20 sep 51 14376:1054 281

1681- 1682 /l herfst 22 sep - 20 dec 32 13722:16 429

/2wmter 22 dec - 19 mrt 28 9444:04 337

f 3 lente 23mrt-18 J Un 26 7125:02 274

/4 zomer 22jun-21sep 32 9646:04 301

1682- 1683 /l herfst 22 sep - 21 dec 34 12449:01 366

12 winter 22 dec - 18 mrt 28 8289:18 296

13 lente 22mrt-21jun 30 7764:10 259

/4 zomer 24jun-21sep 27 7984:11 296

265


Om den armen dienst te doen

Seizoen Periode Van ... tot ... Aantal Recette Recette

spelen totaal per spel

1683- 1684 l\ herfst 22 sep - 21 dec 35 9473:06 271

12 winter 23 dec - 20 mrt 24 5934:09 247

/3 lente 23 mrt - 6 jul 33 5949:10 180

/4 zomer 10jul-23sep 28 6000:04 214

1684- 1685 /l herfst 25 sep - 23 dec 31 7506:00 242

12 winter 29 dec - 24 mrt 31 8130:02 262

/3 lente 26 mrt - 25 jun 28 5046:16 180

/4 zomer 1 jul - 27 sep 37 8373:02 226

1685- 1686 /l herfst 28 sep - 24 dec 34 7847:07 230

12 winter 31 dec - 28 mrt 32 6620:18 207

/3 lente lapr-24jun 27 4887:16 181

/4 zomer 27 jun-24 sep 36 6705:10 186

1686- 1687 /l herfst 25 sep - 24 dec 39 7854:04 201

12 winter 30 dec - 24 mrt 36 5576:04 155

/3 lente lapr-24jun 34 6174:09 182

/4 zomer 1 jul - 16 sep 20 4711:04 236

1687- 1688 l\ herfst 1687 22 sep - 22 dec 37 10126:02 274

12 winter 23 dec - 22 mrt 35 7614:13 217

/3 lente 24 mrt - 27 jun 28 5487:01 197

/4 zomer 5 jul-18 sep 26 4879:12 188

/5 herfst 1688 20 sep - 22 nov 28 5655:00 201

1689 /l winter 23 dec - 28 mrt 26 5663:01 218

12 lente 2 apr - 27 jun 19 3897:08 205

/3 zomer 4jul-29sep 24 5698:14 237

/4 herfst lokt-22 dec 27 5822:03 216

1690- 1691 /l winter 1690 2 jan - 29 mrt 28 6085:18 217

12 lente 3 apr - 29 mei 13 1593:12 123

/3 september 4 sep - 30 sep 11 3896:11 300

/4 herfst 2okt-27dec 29 7463:04 257

/5 winter 1691 4 jan- 5 apr 23 5202:03 226

1691- 1692 /l herfst 8 okt - 31 dec 25 8276:01 331

12 winter 1 jan-31 mrt 26 6788:17 261

/3 lente 8 apr - 9 jun 19 4284:19 223

1692- 1693 /l september 8 sep - 29 sep 12 4928:10 410

12 herfst 2 okt-24 dec 27 8940:10 330

/3 winter 1 jan - 30 mrt 30 9917:19 330

/4 lente 2 apr-11 jun 19 4747:02 249

1693- 1694 /l september 21 sep - 29 sep 3199:10 457

266

12 herfst 1 okt - 28 dec 27 9231:18 341

/3 winter 1 jan - 29 mrt 29 8024:15 276

/41ente 1 apr - 14 iun 21 5162:11 245


Om den armen dienst te doen

Seizoen Periode Van... tot... Aantal Recette Recette

spelen totaal per spel

1694- 1695 /l september 18 sep - 30 sep 9 4738:16 526

12 herfst 2 okt-30 dec 19 11232:16 387

/3 winter 1 jan - 28 mrt 28 8085:07 288

/4 lente 5 apr-16 jun 23 5672:11 246

1695- 1696 /l september 17 sep - 29 sep 9 4146:08 460

12 herfst lokt-27 dec 26 10861:10 417

/3 winter 2 jan - 29 mrt 29 8677:06 299

/4 lente 2 apr-12 jun 21 3994:06 190

1696- 1697 /l september 13 sep - 29 sep 10 3311:01 331

12 herfst lokt-31 dec 30 9952:02 331

/3 winter 7 jan - 28 mrt 26 6164:12 237

/4 lente 1 apr-17 jun 24 5788:16 241

1697- 1698 li herfst 12 sep - 30 dec 42 14116:00 336

12 winter 2 jan - 29 mrt 27 7801:00 288

/3 lente 1 apr - 26 jun 26 6458:14 248

1698- 1699 fl herfst 1 sep - 29 dec 43 17366:07 403

12 winter 1 jan - 30 mrt 26 7727:14 291

/3 lente 2 apr - 25 jun 25 5233:09 209

267


Louis Peter Grijp

'Geluckigh die op den VAL-LET'.

Uit de beroepspraktijk van de luitspeler Nicolaes Vallet

(ca. 1583-ca. 1643)

'Een muzikale barbarij', zo noemde Constantijn Huygens zijn vaderland. Dat is sterk over­

dreven uitgedrukt, maar het Nederlandse muziekleven in de eerste helft van de 17e eeuw

stond inderdaad in een aantal opzichten ten achter bij het buitenland. De muzikale Barok

die rond 1600 in Italië ontstond, met nieuwe vormen als opera, aria, recitatief en oratorium,

liet de musici in de Republiek aanvankelijk vrijwel onberoerd. Er zijn twee belangrijke so­

ciaal-economische omstandigheden aan te wijzen die de Nederlandse achterstand enigszins

verklaren. Een daarvan is het calvinisme, dat afwijzend stond tegenover muziek in het alge­

meen en in de kerk slechts onbegeleide gemeentezang toestond. De kerk, in het buitenland

een van de meest vooraanstaande mecenassen van de muziek, had hier te lande in het geheel

geen musici in dienst. In de tweede plaats was er hier niet, zoals elders, een prachtlievend

hof. Aan het stadhouderlijk hof in de eerste helft van de 17e eeuw was geen plaats voor een

kapel of andere muzikale instellingen. De muzikale functionarissen in de Republiek waren

stadsmuzikant: organisten, beiaardiers en stadsspeellieden, die 's ochtends en 's avonds op

de toren muziek maakten en verder officiële feestelijkheden opluisterden. Zij speelden dan

op trompetten, schalmeien en andere instrumenten.

Andere musici verdienden hun brood met het geven van lessen, het opluisteren van brui­

loften en partijen en het spelen in de talrijke herbergen. Al met al bood de muzikale infra­

structuur weinig aanleiding tot belangrijke artistieke vernieuwingen. Wel was er een bloei­

end huis- en amateurmuziekleven. De meeste steden hadden wel een collegium musicum waar­

in de betere standen onder leiding van een beroepsmusicus veelal buitenlandse polyfone

muziek uitvoerden. Ook thuis zong men en bespeelde men de luit, cither, viool, viola da

gamba en het clavecimbel. Daarnaast, of liever in het verlengde daarvan, bestond er een

bloeiende lekenzangcultuur, getuige de honderden liedboekjes met wereldlijke en geestelijke

eenstemmige liedteksten op bestaande melodieën.

Het betreft dus een burgerlijke muziekcultuur die aanzienlijk minder maatschappelijke

perspectieven bood aan professioneel muzikaal talent dan in het buitenland het geval was.

Componisten van internationaal formaat komen in de eerste helft van de Gouden Eeuw

nauwelijks voor; Jan Pietersz. Sweelinck, organist van de Oude Kerk te Amsterdam, is hier

de uitzondering die de regel bevestigt. Stadsmuzikanten als Cornelis Florisz. Schuyt (Lei­

den) en Cornelis Tymensz. Padbrué (Haarlem) produceerden composities die meer muziek­

historisch dan artistiek interessant zijn. De composities van de experimenteergrage Haar­

lemse priester Joannes Albert Ban wekten al in zijn eigen tijd de lachlust van kenners op.

De compositorische activiteiten van Constantijn Huygens lijken - ondanks de ontegenzeg­

gelijke kwaliteiten van zijn Pathodia sacra etprofana - weinig indruk op zijn tijdgenoten te heb­

ben gemaakt: daarvoor zijn er van zijn meer dan 800 composities te weinig bewaard geble­

ven. Opmerkelijk is het contrast van deze muzikale cultuur, die ondanks allerlei interessante

pogingen relatief weinig resultaten van blijvende waarde heeft voortgebracht, met de specta­

culaire bloei van andere cultuursectoren zoals literatuur en schilderkunst.

Het algemene, grove en voor tal van nuanceringen vatbare beeld dat ik hier schets, roept

allerlei vragen op. Bijvoorbeeld, bestond er inderdaad iets als een sociaal-economisch me­

chanisme dat de ontplooiing van muzikaal talent tegenhield? Wilden Nederlandse ouders

niet dat hun kinderen beroepsmusicus werden? Of was er weinig talent? Wat waren eigenlijk

268


'Geluckigh die op den VAL-LET'

de kansen van een musicus in een maatschappij zonder belangrijk muzikaal mecenaat?

Op deze laatste vraag zal ik in het onderstaande iets dieper ingaan aan de hand van de

Franse luitspeler Nicolaes Vallet, die zich in Amsterdam vestigde. Van hem zijn verspreide

gegevens bewaard waaruit men zich een beeld - hoe onvolledig ook - van zijn sociaal-

economische streven kan vormen. Essentieel is het gegeven dat Vallet geen vaste betrekking

bij de overheid of een andere mecenas had. De artistieke dimensie - het betreft hier een rede­

lijk maar niet uitzonderlijk getalenteerd musicus; een componist van niet al te grote inventie,

maar wel een bedreven en gedreven arrangeur, vermoedelijk een uitstekende instrumenta­

list - zullen we buiten beschouwing laten.

Biografie

Nicolaes (Nicolas) Vallet is omstreeks 1583 geboren in het dorp Corbény in Frankrijk, ten

noorden van Parijs, nabij Laon. Vallets geboorteplaats wordt vermeld in een notariële akte

uit 1613 \ waarin ook de naam van Nicolaes' vader wordt genoemd: Jean Vallet. Deze ver­

blijft op dat moment in Parijs. Zijn zoon, die dan al in Amsterdam is, machtigt hem zijn

financiële belangen te behartigen, die hij vooral in Corbény en omgeving had. Het betreft

onder meer het innen van huur en rente en de verkoop van onroerend goed. Blijkbaar stam­

de Nicolaes uit een niet onbemiddelde familie uit dit dorp.

Van Nicolaes kennen we alleen berichten uit Amsterdam; twee documenten uit 1613 zijn

de vroegste levenstekenen. Wanneer Vallet naar Amsterdam gekomen is, weten we met,

maar het ligt in de rede aan te nemen dat dat in of kort vóór 1613 is gebeurd, gezien de mach­

tiging aan zijn vader. Vallets vertrek uit Frankrijk hing mogelijk samen met zijn calvinisti­

sche geloofsovertuiging, die blijkt uit de talrijke Geneefse psalmenmelodieën die hij voor de

luit heeft bewerkt. Directe noodzaak voor dat vertrek lijkt de politieke toestand met te heb­

ben gegeven: de onlusten tussen katholieken en protestanten waren onder koning Hendrik

IV tot rust gekomen. Wel verslechterden de perspectieven van de protestanten in 1610 door

de moord op deze tolerante vorst, maar dit leidde niet tot grote onrust. 2

Hoe het ook zij, Vallet vestigde zich in Amsterdam en hij heeft die stad voor zover bekend

niet verlaten; althans alle levensberichten die zijn bewaard, komen uit deze plaats. Archiva­

lische gegevens omtrent Vallets burgelijke stand ontbreken geheel. We weten niet of hij ge­

trouwd was en kinderen had, en het jaar en de plaats van zijn overlijden zijn evenmin be­

kend Wel kunnen we aannemen dat hij in het begin van de jaren '40 nog in leven is geweest:

dan verschijnen twee uitgaven van zijn hand, ApoUoos soete lier (1642) en Le mout Parnasse (ca.

1644), beide in Amsterdam.

Vallets eerste jaren in Amsterdam laten een ambitieus musicus zien, die vastbesloten is het

in zijn nieuwe vaderland te gaan maken. In de periode 1615-1620 verschijnen maar liefst vier

muziekboeken van zijn hand: het Secretum musarum (1615) met wereldlijke muztek voor luit-

solo; de Een en twintich psalmen Davids (1615) met bewerkingen van Geneefse psalmmelodieën

1 Document II. De documenten waarnaar in dit artikel wordt verwezen, zijn uitgegeven door Jan Burgers in het

kader van de facsimile van Vallets luitboek Secretum musarum I (Amsterdam 1615, 1618) deel III van The complete

works of Nicolaes Vallet (Utrecht: STIMU en de Nederlandse Luitvereniging, te verschijnen in 1991). De gege­

vens in dit artikel zijn grotendeels ontleend aan mijn inleiding op deze uitgave. , Verviers 1980)

2 Over de positie van de Hugenoten in deze tijd raadpleegde ik P. Mtguel, Lesguerres de religion II (Verviers 1980)

hoofdstuk 13.

269


'Geluckigh die op den VAL-LET'

Afb. 1. Titelgravure van Secretum Musarum i (1615).

voor zangstem en luit, die min of meer bij het Secretum behoren; het tweede deel van het Secre­

tum, waarin ook enkele luitkwartetten voorkomen (1616) en tenslotte de monumentale Regia

pietas (1620), een bewerking van alle 150 psalmen voor de luit. De boeken zijn prachtig gegra­

veerd uitgegeven.

Uit dezelfde periode en het volgende decennium hebben we documenten over Vallets be­

roepspraktijk als musicus en als eigenaar van een dansschool. De jaren dertig vormen een

donkere periode. De enige bewaarde stukken uit die tijd hebben betrekking op Vallets ach­

terstallige huur, die zo hoog is dat hij een gedeelte van zijn inboedel aan zijn huisbaas moet

overdragen (1633). In het begin van de jaren veertig lijkt Vallet - gezien de uitgaven die dan

verschijnen - weer uit het dal te zijn.

Vallet als speelman

Vallet voorzag in zijn levensonderhoud als vrijgevestigd musicus. Dat hield in het Amster­

dam van die dagen in dat hij speelde op aubades, bruiloften en partijen. Enkele bewaard

gebleven notariële akten geven ons een weliswaar fragmentarisch, maar soms ook gedetail­

leerd beeld van een aantal van Vallets professionele activiteiten. In 1616 bijvoorbeeld neemt

hij een leerling aan, Jeremias Gibson. 3

De jongen is tien jaar oud en zal zes jaar bij Vallet

in de kost gaan. In die tijd moet hij de luit en andere instrumenten leren bespelen. Uit de

bepalingen van het contract blijkt dat Vallet de leerling als een investering beschouwt die

3 Document VI.

270


'Geluckigh die op den VAL-LET'

zich met het verstrijken van de tijd terugbetaalt, vermoedelijk doordat de jongen dan in een

ensemble zal meespelen. In de eerste vier jaren betaalt de vader nog leer- en kostgeld, daarna

niet meer. De eerste driejaren zorgt de vader voor kleren, daarna Vallet. Als de jongen wegloopt

kost dat de vader na twee jaar 50 gulden, na vier jaar 100 gulden.

Een dergelijke verbintenis was niet ongewoon. Er zijn verscheidene andere contracten uit

de 17e eeuw bewaard gebleven die getuigen dat jeugdige personen voor enkele jaren bij een

muziekmeester in de kost gingen om instrumenten te leren bespelen. Zo gaat in 1619 een

achtjarige jongen voor vijfjaren in de kost bij Hubert Glaude in Amsterdam om bas- en

tenorgamba te leren spelen. Zijn moeder geeft hem één stel dagelijkse kleren en een net pak

mee, maar de meester moet hem verder van kleren voorzien. Na afloop van de periode krijgt

de jongen de instrumenten ten geschenke.* Een contract uit 1665 bepaalt dat het lesgeld van

een leerling van de organist Abraham Ketelaer te Rotterdam jaarlijks tien gulden lager

werd. Daartegenover nam de boete wegens voortijdige beëindiging van het contract jaarlijks

met vijftig gulden toe. Ook hier gaat de jongen in de kost, maar zijn moeder blijft hem van

kleren voorzien. De contractduur is hier tien jaar. 5

Een notariële akte uit 1617 laat zien dat Vallet in een ensemble van drie musici heeft gespeeld

op een bruiloft in Leiden. 6

Zijn collega's waren de Amsterdammer Joost Thomas en

ene Hendrick de Groot. Het honorarium was vastgesteld op tien pond vlaams (een pond

vlaams is zes gulden) en de reiskosten en het drinkgeld te zamen op zes gulden. Reden van

de akte is dat het honorarium niet of niet geheel is uitgekeerd; Hendrick de Groot gaat nu

een poging doen althans de helft van het honorarium te vorderen.

In 1620 neemt Vallet een Engelse speelman in dienst, Richard Swift, die vrije kost en inwoning

zal hebben in ruil voor de helft van het normale honorarium voor de diensten die hij

zal verlenen bij bruiloften, banketten en aubades. 7

De inkomsten uit lessen die Swift geeft,

zullen niet worden gekort, althans niet zolang de optredens met Vallet er niet onder lijden.

Het contract geldt voor twee jaar. In januari 1626 sluit Vallet een soortgelijke overeenkomst

met Anthony Grelle uit Luneburg 8

, eveneens voor de termijn van twee jaar. Ook deze jongeman

komt in de kost, maar de vergoeding daarvoor is anders geregeld: Grelle zal per bruiloft

of banket vier gulden verdienen wanneer erbij gedanst wordt, en drie gulden wanneer dat

niet gebeurt. Aubades leveren hem twee gulden op. Per week houdt Vallet vier gulden in op

dit honorarium. Wanneer er echter in een week geen vier gulden verdiend is, zal de inhouding

ook minder bedragen. De uitbetaling lijkt eenmaal per jaar te geschieden. Er zijn nu

ook bepalingen die de exclusiviteit waarborgen: Grelle mag geen composities van Vallet aan

anderen laten zien en ook niet met andere 'compagnieën' spelen, althans niet zonder toestemming

van zijn meester. Interessant is de vermelding, voor het eerst, van een dansschool

van Vallet, waaraan Grelle zal moeten meewerken.

Grelle komt niet voor in een overeenkomst uit november van hetzelfde jaar 9

, waarin Vallet

met drie musici een ensemble begint. Het zijn de eerder genoemde Richard Swift alsmede

Eduard Hancock en Robbert Tindel, allen ongetwijfeld van Engelse afkomst maar inmiddels

'burgers van deser stede Amsterdamme'. De verdiensten van de afzonderlijke leden van

4 Tijdschrifl der Vereeniging voor Nederlandsche muziekgeschiedenis 10 (1919) 133.

5 Tijdschrift der Vereeniging voor Nederlandsche muziekgeschiedenis 10 (1919) 136-138.

6 Document VII.

7 Document IX.

8 Document X.

9 Document XI.

271


'Geluckigh die op den VAL-LET'

Afb. 2. Een tabulatuurpagina uit Secretum Musarum n (1616).

dit ensemble, dat vooral weer op bruiloften, banketten en aubaden zal spelen, worden nauwkeurig

geregeld. De inkomsten worden steeds eerlijk verdeeld, maar Vallet krijgt als leider

per optreden steeds tien stuivers (d.i. een halve gulden) van elk van zijn musici. Alleen wanneer

iemand anders het optreden aanbrengt, mag hij zijn tien stuivers houden. Met andere

musici mag in het geheel niet worden opgetreden: dit wordt bestraft met een forse boete van

tien pond vlaams. Tegenover deze exclusiviteit staat een soort onderlinge verzekering: als

iemand niet mee kan spelen, krijgt hij toch een vergoeding. Dit is het geval bij ziekte en wanneer

er minder dan vier musici worden gevraagd. Zijn er voor een optreden maar drie musici

nodig, dan loot men wie thuis moet blijven: de thuisblijver krijgt de helft van het normale

honorarium. Degene die het optreden aanbrengt hoeft niet te loten. Bij optredens met twee

musici wordt er eveneens tussen de niet-aanbrengers geloot, maar in dit geval krijgen de

thuisblijvers niets. Wanneer iemand wegens ziekte niet kan optreden, krijgt hij van elk van

zijn drie collega's een uitkering van tien stuivers per optreden. Als er twee zieken zijn, krijgt

elke zieke één gulden van een van zijn twee gezonde collega's. De maximale duur van deze

onderlinge ziekteverzekering bedraagt drie maanden. Als iemand niet mee kan spelen doordat

hij buiten de stad vertoeft en niet op de hoogte is van het optreden, krijgt hij geen vergoeding.

In hetzelfde contract - dat voor zes jaar geldt - komt een dansschool ter sprake, die Vallet

samen met Hancock wil oprichten. Het is niet duidelijk of het voor het eerst is dat Vallet

een dansschool begint. Wellicht is het plan voor een dansschool met Grelle in het begin van

het jaar op niets uitgelopen. Misschien ook heeft Vallet al veel eerder een dansschool gehad,

getuige een plaquette van Le Blon uit 1615 (afb. 3). De bepalingen voor de onderneming

met Hancock zijn buitengewoon interessant. De onderhavige dansschool wordt gevestigd

in het huis van Vallet, die er dan ook dubbel zoveel aan verdient als zijn compagnon. De

272


'Geluckigh die op den VAL-LET'

danslessen hebben plaats van half elf tot half twaalf 's ochtends en van vier tot zeven uur

's middags, 's Zondags treedt het gehele ensemble op in de dansschool, 's zomers om vier uur

's middags, 's winters om drie uur. Het zondagprogramma wijkt daarmee op drie punten af

van het door-de-weekse. Ten eerste wordt er 's ochtends geen les gegeven, zulks ongetwijfeld

in verband met de kerkgang. Ten tweede begint de middagles 's winters vroeger. Dit kan men

in verband brengen met de vrijetijdsbesteding van de 17e-eeuwer, die 's zomers na de kerk­

gang wellicht nog een wandeling ondernam maar 's winters de voorkeur gaf aan activiteiten

binnenshuis. Tenslotte treedt op zondag het gehele ensemble op, hetgeen voedsel geeft aan het

vermoeden dat de belangstelling voor de dansschool op zondag groter was dan door de week.

Vallet lijkt er van uit te gaan dat het de musici wel eens zou kunnen schorten aan motivatie

om de dans te begeleiden. Wie weg blijft krijgt een boete: één schelling (d.i. zes stuivers)

per speelbeurt door de week en tien stuivers op zondag.

De aangehaalde akte is een belangrijk document voor onze kennis van dansscholen in de

vroege 17e eeuw. Het is uitvoeriger dan een soortgelijk contract van de Engelse komediant

Johan Spencer, die in 1607 met ene Guillaume een dansschool wil beginnen. 10

Een overeen­

komst van veel later datum (Amsterdam 1693) tussen twee dansmeesters en vier muzikanten

vertoont gelijkenis met Vallets stuk. 11

Ook hier worden voorzieningen getroffen voor het ge­

val niet alle muzikanten nodig zijn of er een zieke is. Voorts zijn er evenals bij Vallet exclusivi-

teitsbepalingen: de muzikanten mogen niet voor andere dansmeesters spelen en het is hun

verboden een 'air' aan iemand anders te geven, op straffe van zes guldens per air - men ver­

gelijke de bepalingen in het contract van Vallet met Grelle.

Van kerkelijke zijde werd in de 17e eeuw fanatiek actie gevoerd tegen het dansen. Met

name de gereformeerde kerkeraad trad op tegen gemeenteleden die zich aan de dans bezon­

digd hadden. 12

Het was dweilen met de kraan open. In de jaren twintig beperkte men zich

vooral tot het berispen van de hogere standen, bij wijze van voorbeeld. Stenen des aanstoots

waren bruiloften waarop werd gedanst, zeker wanneer er professionele musici bij betrokken

waren. Een jonge aristocraat die tegen de kerkelijke maatregelen protesteerde, was Lucas

van Valckenburgh, die op zijn eigen bruiloft in 1619 een Bruylofts Eer-gaef voor vijf stemmen

ten geschenke had gekregen 13

, om te zingen en te spelen. De componist verschool zag achter

de initialen N.V., maar voegde voor de zekerheid nog de wijsheid 'Geluckigh die op den

VAL-LET' toe.

Men kan zich afvragen hoe Vallet, wiens oeuvre voor de helft uit bewerkingen van calvi­

nistische psalmen bestond, zijn geloofsijver kon combineren met zijn professionele activitei­

ten in de door de kerk zo verfoeide amusementssector. In de Waalse gemeente - de meest

waarschijnlijke waarin we hem kunnen plaatsen - werd echter veel minder bezwaar gemaakt

tegen het dansen dan door de autochtone gereformeerden. Zo moest de gereformeerde ker­

keraad in 1614 vernemen dat het dansen sterk was toegenomen in de Waalse zustergemeente,

ook onder de vooraanstaande families.

10 J H Giskes, 'Muziekonderwijs in Amsterdam in de periode 1600 tot en met 1720', Mens en melodie 35 (1980),

347-357. Men kent een uitgebreider, vergelijkbaar contract uit 1693, waarin vier muzikanten zich met twee

dansmeesters verbinden (Tijdschrift van de Vereeniging voor Nederlandsche muziekgeschiedenis 10 (1919) 152).

11 Tijdschrift van de Vereeniging voor Nederlandsche muziekgeschiedenis 10 (1919) 152.

12 Over de maatregelen van de gereformeerde kerkeraad van Amsterdam tegen het dansen zie H. Koode:nBurg,

Onder censuur. De kerkelijke tucht m de gereformeerde gemeente van Amsterdam, 1578-1750 (Hilversum 1990) 321 e.v.

13 Facsimile in Tijdschrift der Vereeniging voor Nederlandsche muziekgeschiedenis 6 (1898-1900) tegenover p 176. Trans-

criptie in LJ>. Grijp, 'The ensemble music of Nicolaes Vallet', in: L.P. Gn J P en W. Mook (edd.), Proceedings

of the International Luie Symposium Utrecht 1986 (Utrecht 1988) 82.

27!!


'Geluckigh die op den VAL-LET'

De gereformeerde anti-danscampagne had overigens wel tot gevolg dat in sommige steden

van overheidswege plakkaten tegen het dansen werden uitgevaardigd, speciaal aangaande

de zondagen. Zo werd in Utrecht in 1602 bepaald dat tussen negen uur 's ochtends en vier

uur 's middags alle scherm- en dansscholen gesloten moesten blijven. 14

Met zo'n soort bepa­

ling lijkt ook Vallet rekening te hebben gehouden blijkens zijn zondagsrooster. Uit Amster­

dam is een plakkaat uit 1629 bekend, waarin het bezoek aan dansscholen wordt tegenge­

gaan. 15

Aan gehuwden, jong of oud, man of vrouw, wordt verboden dansscholen te bezoe­

ken, omdat deze gelegenheid geven en 'een ruyme deure geopent word tot alre-handen on-

kuysheyden'. Bovendien wordt het alle vrouwen, getrouwd of ongetrouwd, verboden zich in

dansscholen en - kamers te bevinden. Alleen aan ongehuwde jonge mannen is het dansen

dus toegestaan! De negatieve sfeer waarin dansscholen zich bevinden, spreekt reeds uit de

titel van het betreffende hoofdstuk uit het plakkatenboek, Tegens Hoererije, Bordeelen en Dans­

scholen. Op het luidruchtige karakter van dansgelegenheden wordt gezinspeeld in de klucht

Warenar van P.C. Hooft (1615), waarin de opgewonden hoofdpersoon zijn snelkloppende hart

met een danskamer vergelijkt: 'Het hert dreunt inme lijf oft ien dans-kamer was'. 16

Toch zullen niet alle dansscholen onbeschaafde gelegenheden zijn geweest. Ook de elite

danste immers. Een afbeelding van een danskamer door Chrispijn de Passé maakt een ele­

gante indruk 17

, al wordt er druk geminnekoosd. Ook de plaquette die Le Blon voor Vallet

graveerde lijkt het vermaak van de elite weer te geven. In deze sfeer zullen we Vallets dans­

school moeten plaatsen.

Vallets contacten

Wanneer men de namen van Vallets leerling-gezellen en collega's bekijkt, valt het grote aan­

tal buitenlanders op, meest Engelsen. We zagen al Gibson, Grelle, Swift, Hancock en Tin­

del. Ook in het oudste document dat we van hem bezitten, uit 1613 18

, bevindt Vallet zich

in het gezelschap van Engelsen. Het zijn de 25-jarige Rogier Staveleij, de 27-jarige Ambrosi-

1 9

us Stuwaert, de 30-jarige citherbouwer Franchoijs Lupo en Thomas Streijcker, van welke

laatste expliciet wordt meegedeeld dat het een Engelsman is. De eerste drie zijn woonachtig

in Amsterdam. Hun onderlinge relatie, althans die van Staveleij, Vallet en Lupo met Stu­

waert, wordt in de akte gekwalificeerd als een van 'goede bekenden'. De gebeurtenis waarop

de akte betrekking heeft, is schilderachtig als een paneeltje van Van Ostade of een lied van

Bredero. Stuwaert heeft in de herberg van Annetgen Willemsdochter gedronken met twee

boeren uit De Rijp, die hem hinderlijk blijven volgen wanneer hij met de eerder genoemde

vrienden wil gaan eten. Een van de boeren trapt de tafel met eten en al om en begint met

zijn opsteker (mes) te zwaaien, 'tsa, tsa' roepend. De andere boer werpt van buiten stenen

door de ruiten en treft daarbij zijn eigen maat. Streijcker verwondt de aanstormende boer

14 F.G. Naerebout, 'Snoode exercitiën. Het zeventiende-eeuwse Nederlandse protestantisme en de dans', Volks­

kundig bulletin 16 (1990) 131.

15 Handvesten der stadt Amstelredam II (Amsterdam 1748) 572.

16 P.C. Hooft, Warenar, vs. 884. F.A. Stoett (ed.), Gedichten van P.C. Hooft (Amsterdam 1900), II, 326.

17 Gravure van Chrispijn de Passé, 'De rijke man en Lazarus' (Haags Gemeentemuseum), afgedrukt in DJ. Balfoort,

Het muziekleven in Nederland in de 17e en 18e eeuw (tweede herziene druk: Den Haag 1981), 51.

18 Document I.

19 Francis Lupo werd ca 1582 in Londen geboren en verbleef vanaf ca. 1607 in Amsterdam. Zie J. H. Giskes, 'Cornelis

Kleynman (1626-1686), vioolmaker te Amsterdam', Amstelodamum 74 (1987) 11-16.

274


'Geluckigh die op den VAL-LET'

Afb. 3. Nicolaes Vallet in actie. Gegraveerd medaillon

van M. le Blon (1615). Den Haag, Koninklijke

Bibliotheek, Ms. 133 L 4.

met zijn 'geweer' (degen), reden waarom de getuigenverklaring wordt afgelegd. De wacht,

vier man sterk, wordt erbij geroepen maar de boer daagt ze uit nog een 'plockhaertgen' te

leggen (een potje te vechten). Met vier wachters krijgen ze hem het huis niet uit; 'laten ze

maar met hun achten komen', aldus de dronken boer. Er komen inderdaad acht wachters

en dan nog heeft men de grootste moeite de dolleman naar buiten te krijgen zonder hem

vast te binden.

Hoe schilderachtig ook, dit verhaal lijkt niet typisch voor Vallets sociale situatie. Integen­

deel, hij hechtte zeer aan goede relaties met geziene burgers en kunstenaars. Zo zal hij de

'Kunst-liefhebbende Heeren' en 'gantsch gunstighe wel-gheliefde Vrunden' Pieter Pauw,

Albert vander Burcht, Antoni Coignet, Mathijs van Beeck en Lubbert van Axel, aan wie

hij het tweede deel van het Secretum musarum opdroeg, persoonlijk hebben gekend en evenzo

de heren die financieel hebben bijgedragen aan de Regia pietas, behalve de genoemde Ma­

thijs van Beeck en Lubbert van Axel, Michiel van Eijck, Jacomo Pauw, Jeronimus Jorisz.

Waephelier en Guillaume Bartolot le Jeune. De laatste behoorde tot een van de meest vermo­

gende bankiersfamilies van de stad en deed zijn gift op 17-jarige leeftijd. Ook Jacomo Pauw

was een vrij jeugdig persoon, zo'n 23 jaar oud, toen hij Vallet begiftigde. Hetzelfde kan van

Lubbert van Axel worden vermoed. 20

Naar Vallets precieze relatie met deze heren kunnen

we slechts gissen: wellicht gaf hij ze muziekles, speelde hij op hun partijen of bezochten ze

zijn dansschool.

Behalve met leden van de gegoede burgerij had Vallet ook contacten in artistieke kringen.

Zo was hij bevriend met de beroemde graveur en kunsthandelaar Michel le Blon (1587-

1656). Daarvan getuigt de genoemde gravure voor een plaquette, die Le Blon voor hem ver­

vaardigde. In spiegelschrift leest men: 'D: Ni: Valletto/Musarum et/Gratiarum alumno/

20 Enige biografische gegevens omtrent de schenkers vindt men in de Inleiding van de facsimile van de Regia pietas,

The complete works of Nicolaes Vallet II (Utrecht 1986), p. XV.

275


'Geluckigh die op den VAL-LET'

Meritisimo amicitiae ergo/DD: Mi: Blondus/1615' (Aan de Heer N. Vallet, hoogstverdien-

stelijk leerling van de Muzen en de Gratiën, uit vriendschap geschonken door M. le Blon,

1615). Op de voorstelling ziet men de gegoede burgerij zich vermaken: er wordt gegeten en

gedanst op de muziek van fluit en luit. Men heeft in deze voorstelling wel de dansschool van

Vallet willen zien. 21

Dit is een mogelijke interpretatie, al dateren de eerste berichten over

de oprichting van een dansschool pas uit 1626. Bovenaan de gravure ziet men Vallets wapen­

schild en wapenspreuk Espoire renforce, die ook voorkomen op de titelgravure van het Secretum

musarum. Le Blon vervaardigde ook de fraaie wapengravures uit de Regia pietas, die later ter

sprake zullen komen.

De namen van Vallet en Le Blon komen beide voor in het liber amicorum van de bekende

schermmeesterGirardThibault (ca. 1574-1627), afkomstiguit Antwerpen. 22

Dezegrandseig-

neurv/as werkzaam in Amsterdam in de jaren 1610-1615 en vernieuwde de schermkunst hier

te lande. Het was ter gelegenheid van zijn afscheid dat het liber amicorum werd samengesteld.

In het boek vinden we de namen van een aantal heren, meest jonge kooplieden, afkomstig

uit Amsterdamse of Zuidnederlandse families. Onder hen bevinden zich Albertus van den

Burgh, Mathisius van Beeck en Petrus Pauw, die we in het bovenstaande al zijn tegengeko­

men als begunstigers van Vallet. In het boek, waaraan dichters als Theodoor Rodenburg,

Anna Roemer Visscher en Bredero - de laatste anoniem - meewerkten, sluiten Le Blon en

Vallet de rij. Le Blons bijdrage bestaat in een sonnet en een minitieus geaquarelleerd wapen.

Vallet droeg een lang allegorisch gedicht bij 'A 1'honneur de Monsieur Girard Thibault et

de ses Armes'. 23

De dichter neemt een tweegevecht waar van een bedenkelijk niveau en

maant de strijdenden de lessen van Thibault ter harte te nemen. Vervolgens vergelijkt hij

de schermmeester met Apollo, Cupido, Mars en Atlas.

We kunnen ons aan de hand van bovenstaande gegevens enigszins een beeld vormen van

de cliëntèle van Vallet, jongelieden uit gegoede families die hun tijd doorbrachten met bezig­

heden als schermen, dansen, musiceren, tekenen, lezen, kaatsen en herbergbezoek. In Hoofts

Warenar wordt zo'n combinatie genoemd in verband met de jongeling Ritsert. Deze is op een

gegeven moment spoorloos. Men heeft hem gezocht in verscheidene herbergen, in de scherm­

en dansschool en op kaatsbanen, totdat hij tenslotte in de bibliotheek wordt aangetroffen:

Tot Peteweynen, tot Heermans, tot de Waert inde Luyt,

Op de dans-kamer, op 't schermschool; kaets-baen in, kaets-baen uyt. 24

Een bijzondere bron waarin de namen van Vallet en zijn vrienden voorkomen, zijn de zoge­

noemde rijfelarijboekjes in het Gemeentearchief van Amsterdam. 25

Rijfelarijen waren lote­

rijen, die vaak illegaal plaatshadden. Men kon zich inschrijven via boekjes, waarin de prij­

zen en het reglement waren vermeld. Tijdens een vrolijk gelag werden de loten getrokken

en de prijzen uitgereikt. Er was soms muziek om de stemming te verhogen. In de boekjes

wordt dit aangekondigd met een jolig 'Met een musijcgen daer bij, sprack hij'. In één geval

21 H. de la Fontaine Verwey, 'Michel le Blon. Graveur, kunsthandelaar, diplomaat', Jaarboek Amstelodamum 61

(1969) 112.

22 Zie over Thibault H. de la Fontaine Verwey, 'Gerard Thibault en zijn Academie de 1'espée', Jaarboek Amstelodamum

69 (1977) 23-54.

23 Document IV.

24 P.C. Hooft, Warenar, vss. 847-48.

25 Document XII. Over deze boekjes zie ook N. de Roever, 'Rijfelarijen', Oud-Holland 4 (1886) 190.

276


'Geluckigh die op den VAL-LET'

is het duidelijk dat Vallet deze muziek verzorgde. 26

Hij en zijn 'compagnie' zullen de vrien­

den met hun muziek vermaken, volgens het boekje, en in het bijzonder diegenen die een

prijs zullen winnen. De winnaars moesten dus voor de muzikale kosten opdraaien. Het aar­

dige is dat die verdiensten door de musici al bij voorbaat in loten werden omgezet. Bij een

andere rijfelarij 27

wordt niet van muziek melding gemaakt, maar behoort Vallet wel tot de

intekenaren. De prijzen, meestal schilderijen of andere luxe-artikelen, bevatten enkele za­

ken die ongetwijfeld door Vallet zijn ingebracht: een tienkorige luit, een luitboek met psal­

men van Vallet (hetzij de 21 psalmen Davids, hetzij de Regia pietas) en een viool, te zamen

ter waarde van acht pond vlaams. Interessant is dat de volgende prijs ook door een deelne­

mer zal zijn ingebracht: een elfkorige luit, goed van resonantie en zeven pond vlaams waard,

van de hand van Abraham van Offenbeke, die zelf ook bij de intekenaren voorkomt. 28

Bij

hen treft men verder Simon Rutten aan, de notaris door wie Vallet het contract met Grelle

liet opstellen, alsmede Philips Serwouters, die mogelijk de titelplaat van de Regia pietas heeft

gegraveerd. Het tweede boekje bevat ook namen van intekenaren die met Vallet een relatie

onderhielden: notaris W. Cluijt die tenminste vier akten voor Vallet opstelde, en Ritsert

Swift, een van de muzikanten die in Vallets ensemble werkte. Bij deze rijfelarij werd naast

vier schilderijen als extra hoofdprijs een kostbare ivoren tienkorige luit ingezet. De motivatie

die hierbij wordt gegeven is interessant: de rijfelende vrienden worden geacht te bestaan uit

liefhebbers van muziek zowel als schilderkunst. De notarissen Cluijt en Ruttens speelden

mee in de rijfelarij van het derde boekje. Het vierde boekje, gezien het geringe aantal deelne­

mers wellicht behorende bij een rijfelarij die nooit doorgang heeft gevonden, maakt melding

van 'een muziekje erbij'. Een van de vier intekenaars is de genoemde kunstenaar en kunst­

handelaar Michel le Blon.

De rijfelarijen laten ons Vallet zien tijdens sociale activiteiten, waarbij hij het financiële

aspect niet geheel uit het oog verloor. Onder zijn medespelers bevinden zich zakelijke con­

tacten - graveurs, musici, een luitbouwer, notarissen. Opvallend is dat Vallet behoort tot

degenen die het hoogst inzetten.

De boedel van Nicolaes Vallet

Zonder een direct verband met Vallets goklust te willen suggereren stellen we vast dat de

musicus in 1633 fors in de schulden zat. De inventaris van zijn inboedel die dan wordt

opgesteld 29

, dient om een onderpand te kunnen vaststellen voor zijn huurschuld. Schuld­

eiser is Gerrit Wiggersz. Duijsentdaalders, die optreedt voor zijn vrouw, de bierbeschooister

Grietgen Henrix, blijkbaar de eigenares van het huis. Vallet mag zijn spullen nog wel blijven

gebruiken, maar ze zijn elk moment opvorderbaar.

De boedel geeft de indruk dat Vallet een vrij grote staat voerde, althans van kostbare zaken

hield. Zo bezit hij een kom en kopjes van porselein, in die tijd een zeer duur materiaal, dat

weinig in boedels wordt aangetroffen. 30

Opvallend is het grote aantal schilderijen: in de be-

26 Document XII-3.

27 Document XII-1.

28 Geboren in Antwerpen ca 1580, overleden in Amsterdam tussen 1628 en 1637 (Giskes, 'Cornelis Kleynman').

29 Document XIII.

30 Zie bijvoorbeeld H. van Koolbergen, 'De materiële cultuur van Weesp en Weesperkarspel in de zeventiende

en achttiende eeuw', Volkskundig bulletin 9 (1983) 3-52, i.h.b. 24.

277


'Geluckigh die op den VAL-LET'

neden 'zijdelcamer' 13 schilderijen en schilderijtjes plus een twaalftal vergulde portretten,

in de binnenkamer vier eenvoudige schilderijtjes, in de bovenvoorkamer tien schilderijen,

op de bovenachterkamer vijf schilderijen, in het bovenvoorkamertje aan de plaats nog zo'n

zes schilderijtjes en op het kamertje boven de keuken zeven eenvoudige schilderijen. Voorts

zijn er kostbare kleren van satijn, damast, brokaat en armozijn.

Er zijn opvallend weinig muzikale zaken. In de bovenvoorkamer bevinden zich acht kope­

ren drukplaten, mogelijk een restant van de platen voor de luitboeken uit 1615-1620; voorts

enkele ongebonden muziekboeken die restanten kunnen zijn van Vallets eigen uitgaven. In

een tweede lijst 31

komen de muziekspullen alsnog boven water: zes luiten, een 'basviool' en

nog vijf instrumenten: cithers en violen. Deze tweede lij st is de selectie uit de boedelinventa­

ris - afgezien van de instrumenten, die daar ontbraken - die als onderpand van de huur­

schuld zou dienen.

De luitboeken

In de periode 1615-1620 zien vier luitboeken van Vallet het licht: het Secretum musarum in twee

delen (in 1615 en 1616) met wereldlijke muziek, de Een en twintichpsalmen Davids ofwel Vingt-et-

un Pseaumes de David voor zangstem en luit (1615) en de Regia pietas, luitbewerkingen van alle

150 psalmen (1620). De drie eerstgenoemde werken vormen een trilogie. Bijzonder is dat

Vallet de tabulatuur, dat wil zeggen het toentertijd gebruikelijke greepschrift voor de luit,

heeft laten graveren (afb. 2). Het betreft hier de eerste Nederlandse muziekgravure. Het gra­

veren van koperplaten was een kostbare zaak: het boek was volgens Vallets eigen zeggen met

'groote arbeyt moyten ende Excessive Costen' tot stand gekomen. Als reden om van koper­

gravures gebruik te maken geeft hij op dat daardoor drukfouten worden voorkomen. 32

Het

voorwerk en de registers, waarin geen tabulaturen voorkomen, verschijnen in de veel goed­

kopere boekdruk. Dit gegeven speelt een rol in Vallets uitgavepolitiek. Het stelt hem in staat

de boeken in verschillende talen uit te brengen: behalve in het Frans ook in het Nederlands.

De taalverschillen blijven beperkt tot de gedeelten in boekdruk - de uitgaven in verschillen­

de talen kostten dus weinig extra. Alleen het instructiegedeelte in het eerste deel van het Secre­

tum musarum, drie pagina's waarin tabulatuurfragmenten voorkwamen, is afzonderlijk in het

Frans en in het Nederlands gegraveerd. Bij de kostbare titelgravure van dit deel - ontworpen

door David Vinckboons en gestoken door Joan Berwinckel - is ook met deze opzet rekening

gehouden: de titel en verdere mededelingen zijn er gesteld in het Latijn (afb. 1). Secretum mu­

sarum is het equivalent van wat ongetwijfeld de oorspronkelijke titel was: Le Secret des Muses.

In het Nederlands wordt deze Het gheheymenisse der Zang-Godinnen, ongetwijfeld een vondst

van de vertaler, Reinier Telle. De psalmzettingen uit 1615 zijn ook in twee talen uitgegeven:

Vingt et un Pseaumes de David en Een en twintich Psalmen Davids. Hier is de titelpagina in boek­

druk, evenals bij het tweede deel van het Secretum.

De monumentale Regia pietas uit 1620 heeft dezelfde opzet: gegraveerde tabulatuurpagi-

na's, voorwerk in boekdruk, kostbare titelgravure. Of Vallet hier ook uitgaven in verschillen­

de talen van heeft gemaakt, is niet te zeggen: er zijn alleen enkele exemplaren overgebleven

met een Frans voorwerk (Pieté Royalle). In de uitgaven van Vallets muziek uit de jaren veer-

31 Document XIV.

32 Document V.

278


'Geluckigh die op den VAL-LET'

Afb. 4. Het wapen van J.J. Waphelier, gegraveerd door M. le Blon. Uit Regia pietas (1620).

tig wordt het meertalige principe nog steeds toegepast, ook al betreft het hier gewone mu­

zieknotatie in boekdruk. Zo is de uitgave uit 1642 voor viool en bas niet alleen uitgebracht

als Douce Lyre d'Apollo en Apolloos soete Lier, maar ook in het Duits als Apollinis süsse Leyr, en

die uit ca. 1644 voor vijf tot zes instrumenten als Le Mont Parnasse en Parnassi Freudenberg. 33

Ongetwijfeld is er een verband met de Duitse markt, waarop Vallets uitgaven het meeste

succes lijken te hebben gehad.

Toch liep de uitgave van het Secretum aanvankelijk niet. Vallet had de drie boeken in eigen

beheer uitgegeven: men kon ze bij de auteur kopen, in zijn woonhuis in de Nes. In 1618 heeft

hij althans de oplage doorverkocht aan de boekverkoper Jan Janssz. op het 'Water' (Damrak),

die het eerste, veruit belangrijkste deel van een nieuwe titel voorzag: Paradisus musicus. Hij ge­

bruikte daartoe de plaat van de oude titelgravure, waarin alleen de titel en de naam van de uit­

gever werden veranderd. De verkoopkanalen van Janssz. waren natuurlijk aanmerkelijk be­

ter dan die van Vallet zelf: bijna alle bewaard gebleven exemplaren zijn via Janssz. verkocht.

33 Hiervan is alleen de baspartij van Apollinis süsse Leyer bewaard gebleven. De overige titels kennen we uit adver­

tenties en catalogi. Zie Grijp, 'De ensemblemuziek'.

279


'Geluckigh die op den VAL-LET'

Dat Vallet de oplage van zijn eerste drie titels doorverkocht aan Janssz. zal als reden heb­

ben gehad dat hij zijn vierde boek wilde uitgeven: de Regia pietas, een monumentaal werk

met luitbewerkingen van de 150 psalmen ter dikte van het eerste deel van het Secretum. Het

graveren hiervan zal hem een klein fortuin hebben gekost, waarvan hij wellicht een gedeelte

financierde uit de verkoop aan Janssz. Tekenend is dat hij het nieuwe boek weer in eigen

beheer uitgaf. Een andere bron waaruit hij putte is zeer bijzonder: hij liet zich sponsoren

door een aantal vermogende heren uit zijn al eerder genoemde netwerk. Als tegenprestatie

nam hij hun wapens op in het boek. Deze werden door niemand minder gegraveerd dan door

zijn vriend Michel le Blon, de grote specialist in dit genre. De wapens gingen vergezeld van

gedichtjes, waarin de sponsor zich bekend maakte plus het aantal koperen platen dat hij bij­

droeg. Matthijs van Beek droeg zo tien platen bij, Michiel van Eijck zes, Jacomo Pauw

twaalf, Guillaume Bartolot jr zes, Lubbert van Axel acht en Jeronimus Jorisz. Waephelier

achttien (afb. 4). Deze actie leverde Vallet dus zestig platen op, ruim een derde van de 169

tabulatuurplaten, plus de zes wapengravures en de titelgravure. Deze laatste, waarop we

Vallet de luit zien bespelen te zamen met koning David en enkele tempelmuzikanten, werd

overigens niet door Le Blon vervaardigd, maar - evenals de titelgravure van het Secretum -

door David Vinckboons, in samenwerking met de graveur P. Serwouters (afb. 5).

We kunnen nog twee bronnen van inkomsten traceren die Vallet heeft benut voor zijn uit­

gaven. Ten eerste de opdrachten van zijn luitboeken: een opdracht werd beloond met een

honorarium. Daarbij maakte Vallet handig gebruik van de verschillende versies waarin zijn

boeken verschenen. Zo is de Nederlandse uitgave van het eerste deel van het Secretum opge­

dragen aan Prins Maurits. Een logische keuze, want de stadhouder was zelf het luitspel

machtig. Hij had lessen genoten van Joachim van den Hove, die zijn luitboek Delitiae musicae

(1612) ook al aan Maurits had opgedragen. De Franse uitgave is behalve aan Maurits ook

opgedragen aan de Staten-Generaal: de Staten worden als eerste in grote letters genoemd,

Prins Maurits volgt in een aanmerkelijk kleiner corps. Tenslotte is er ook een exemplaar be­

waard van de Franse uitgave van deel I dat is opgedragen aan een geheel andere instantie:

de burgemeesters, schepenen en thesoriers van Amsterdam. Deze opdracht wordt bevestigd

door een verzoek van Vallet aan het stadsbestuur, dat bewaard is gebleven. 34

Het minder

prestigieuze tweede deel van het Secretum wordt zowel in de Franse als de Nederlandse versie

opgedragen aan de Amsterdamse heren Pieter Pauw, Albert vander Burcht, Antoni Coignet

en de al bij de Regia pietas genoemde Matthijs van Beeck en Lubbert van Axel. De Regia zelf

tenslotte is opgedragen aan niemand minder dan de Engelse koning, Jacobus i, de belang­

rijkste protestantse vorst in die tijd.

Als laatste bron van inkomsten is te noemen Vallets startkapitaal. We hebben al gezien

dat hij zijn vader machtigde zijn financiële belangen te behartigen, waaronder begrepen de

verkoop van bezittingen en renten. De machtiging dateert van 1613 en het ligt voor de hand

te veronderstellen dat Vallet hier zijn bezittingen te gelde maakt om de uitgave van zijn luit­

boeken te bekostigen.

Besluit

Wanneer we de levensloop van Nicolaes Vallet bekijken, nemen we in zijn eerste Amster­

damsejaren, met name in de periode 1615-1620, een koortsachtige activiteit waar, zowel ar-

34 Document V.

280


Afb. 5. Titelgravure van Regia pietas (1620).

'Geluckigh die op den VAL-LET'

tistiek, sociaal als economisch. In deze tijd produceert en financiert hij vier prachtige tabula-

tuurboeken. Hij maakt daarbij gebruik van zijn netwerk: jonge Amsterdamse kooplieden

die tot zijn cliëntèle behoorden en die hij wellicht ook via schermmeester Thibault kende,

alsmede artistieke stadgenoten van zuidelijke afkomst, in het bijzonder Michel le Blon. Het

aanzien dat hij met zijn uitgave van het Secretum zal hebben verworven, kwam goed te pas

bij de realisatie van de monumentale Regia pietas.

Toch hebben de prestigieuze uitgaven niet de weg voor een glanzende carrière geplaveid.

Alle tekenen die wijzen op deelname aan het circuit dateren van 1620 of eerder: de omgang

met Le Blon en Thibault, de compositie voor Van Valckenburgh. Na die tijd vernemen we

alleen nog hoe Vallet de kost verdiende met zijn ensemble - bestaande uit buitenlanders,

met name Engelsen - op bruiloften en partijen, en met zijn dansschool. Het gemis aan een

vast patronaat werd enigszins ondervangen door een systeem van onderlinge verzekeringen:

de musici steunden elkaar financieel in geval van ziekte en bij tegenvallende inkomsten.

Daartegenover stond dan de eis van exclusiviteit.

Ongetwijfeld heeft Vallet naast deze activiteiten ook privélessen gegeven - de Instructie

uit het Secretum wijst in die richting - maar daarover ontbreken feitelijke gegevens. Hoe Val­

lets financiële nood uit 1633 moet worden verklaard is niet geheel duidelijk. Wellicht was

zijn kapitaal geheel opgegaan aan de uitgave van de luitboeken en vielen de opbrengsten

281


'Geluckigh die op den VAL-LET'

daarvan tegen. Ook lijkt de musicus een gat in zijn hand te hebben gehad. Uit zijn boedel

spreekt een liefde voor luxueuze zaken en op de rijfelarijen zette hij niet karig in. In ieder

geval heeft de ambitieuze immigrant aan den lijve ondervonden wat het betekende als musicus

te functioneren in een maatschappij zonder substantieel muzikaal mecenaat.

282


Museumnieuws

Helden van Het Vaderland.

De Nederlandse geschiedenis in 253 19e-eeuwse

schilderijen verbeeld

Elk museum heeft zijn Doornroosje - het Amsterdams

Historisch Museum is in het bezit van

de historische galerij De Vos. Deze collectie van

253 schilderijen uit de jaren 1850-1863 is na een

halve eeuw depot weer in het Amsterdams Historisch

Museum te zien. De galerij bestaat uit tien

series olieverfschetsen van ongeveer 40 bij 55 centimeter,

waarop de vaderlandse geschiedenis van

40 na Christus tot en met 1861 wordt uitgebeeld.

Het verhaal begint met keizer Caligula die tegen

de Noordzee ten strijde trekt en door een nuchtere,

geenszins geïntimideerde Kaninefaat wordt

bespot. Op het laatste schilderij wijzen schaatsenrijders

koning Willem III de weg naar Zaltbommel,

wanneer hij tijdens zijn meedogende inspectie

van de door wateroverlast en ijsgang getroffen

Bommelerwaard in de vallende schemer

dreigt te verdwalen. Daar tussenin trekken bekende

en onbekende vaderlanders in een bonte rij

aan ons oog voorbij. Graaf Willem I voor Damiate,

rooms-koning Willem II die bij Hoogwoud

door het ijs zakt, de zuigeling die in de nacht van

de Sint-Elizabethsvloed door een kat gered

wordt, Jan van Schaffelaar, pater Brugman, de

hertog van Alva, Willem van Oranje, Tromp, Michiel

de Ruyter, koning-stadhouder Willem III

die sterft nadat zijn paard over een molshoop is

gestruikeld, Willem Vleertman die voor Marlborough

het terrein bij Hochstadt verkent, Kaat

Mossel, Chassé en Van Speyck, zij allen zijn in de

galerij present. In totaal 29, meestal jonge schilders

hebben tussen 1850 en 1863 in opdracht van

de mecenas Jacob de Vos Jzn. (1803-1878) aan deze

historische beeldstrip gewerkt.

De collectie De Vos

Jacob de Vos was een welgestelde Amsterdamse

assuradeur die in het spoor van zijn kunstlievende

vader Jacob de Vos Wzn. belangrijke functies

in het kunstleven van de hoofdstad vervulde. Hij

was bestuurslid van het Rijksmuseum, hij behoorde

tot de oprichters van het Koninklijk Oudheidkundig

Genootschap en hij heeft een rol als

fund-raiser gespeeld toen de collectie Van der

Hoop aan Amsterdam werd vermaakt en de stad

de successierechten niet wilde betalen. De Vos behoorde

met vrienden als C. J. Fodor, A. Willet, D.

Franken Dzn. en C.P. van Eeghen tot een groep

welgestelde notabelen die in een tijd van overheidsonthouding

met hun geld en met hun collecties

de fundamenten voor de bloei van Amsterdam

als museaal centrum hebben gelegd. Jacob

de Vos bezat zelf een belangrijke 17e-eeuwse tekeningencollectie,

waarvan de belangrijkste stukken

na zijn dood door de bij die gelegenheid opgerichte

vereniging Rembrandt voor het Rijksprentenkabinet

zijn aangekocht. Hij had ook een grote

verzameling moderne kunst, waarin zich nogal

conventionele maar wel zeer kostbare doeken van

Franse, Belgische en Nederlandse meesters bevonden.

De historische olieverfschetsen vormden binnen

zijn collectie een aparte eenheid. Zij hingen

in tien vakken van ongeveer twee bij vier meter

gerangschikt, in een speciaal - nadien afgebroken

- museum in de tuin van zijn huis aan de Herengracht

130. De weduwe De Vos-Wurfbain liet

de galerij na haar dood in 1883 ook niet met de

andere kunstwerken veilen, maar schonk deze

aan Arti et Amicitiae ten behoeve van het weduwenen

wezenfonds. Deze kunstenaarsvereniging had

zelf ook een historische galerij, die af en toe voor

het grote publiek werd opengesteld en dan heel

wat bezoekers en inkomsten opleverde. Het spektakel

van de historische galerij raakte in de jaren

negentig echter uit de mode en Arti verpatste zijn

historische bezit. Verontwaardigde vrienden van

Jacob de Vos kochten de galerij op en schonken

haar in 1897 aan de gemeente Amsterdam, die de

olieverfschetsen in het nog lege, pas geopende

Stedelijk Museum ophing. In 1935 zat men ook

daar met de inmiddels als curiosa beschouwde taferelen

in z'n maag. Ze werden nog eventjes in

Museum Fodor getoond en verdwenen toen naar

de kelder.

Mecenas

Uit het gastenboek van De Vos blijkt dat zijn Versailles

aan de Herengracht slechts door vrienden, hoge

gasten als de koning en enkele buitenlandse

reizigers bezocht werd. De toelichting bestond uit

een door De Vos zelf opgestelde en in het Frans

vertaalde, gedrukte historische verhandeling

over de geschiedenis van ons vaderland. De historische

galerij was dus niet opgezet om het Nederlandse

volk massaal te stichten. Zij draagt het

kenmerk van een persoonlijke hobby, die werd gepresenteerd

- zo is uit tijdsgeschriften bekend -

als een initiatief om jonge kunstenaars in de

historieschilderkunst te stimuleren en door mid-

283


Museumnieuws

J. H. Egenberger (1822-1897), De moord op Aleid van Poelgeest in 1392. Doek, olieverf; 55,5 x 70 cm.

Dit uit 1851 of 1852 daterende schilderij is op een wat groter formaat uitgevoerd dan de meeste andere

taferelen. De Vos liet dat bij historische gebeurtenissen doen die er volgens hem uitsprongen. Het dra­

ma ademt de romantische sfeer van Ary Scheffer, de Nederlandse schilder die in Parijs tot de groten

van zijn tijd gerekend werd.

del van hun schetsen potentiële opdrachtgevers te

interesseren.

De historieschilderkunst - Janjaap Hey heeft

dit in de vorige jaargang van Holland fraai uiteen­

gezet - gold omstreeks 1850 in ons land als de

hoogste vorm van artistieke expressie. Daar

werkten de kunstacademies en vooral die van

Amsterdam uiteindelijk naar toe. Het probleem

was echter dat de marktsituatie nauwelijks bij dit

verheven ideaal aansloot. De Nederlandse over­

heid gaf geen opdrachten om ons verleden groots

en meeslepend in openbare gebouwen te verbeel­

den en particulieren prefereerden landschapjes

en genrestukjes, die overigens tot 1850 qua aan­

kleding niet zelden teruggrepen op de 17e en 18e

eeuw. Deze situatie maakte dat academie­

bestuurders zich over de ongunstige artistieke si­

tuatie in ons land beklaagden, en landen als

284

Frankrijk prezen, waar Louis Philippe voor het

nationale museum te Versailles het glorieuze

landsverleden op een groot aantal schilderijen sy­

stematisch had laten vastleggen. Ook Jacob de

Vos Senior haalde hierover als bestuurslid van de

vierde klasse van het Koninklijk Instituut en de

Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten

herhaaldelijk in het openbaar zijn gram. Jacob

Junior moet zich dit in de oren geknoopt hebben,

toen hij na de dood van Jacob Senior, in 1844, aan

diens artistiek-maatschappelijke betrokkenheid

op eigen wijze een vervolg gaf.

De eerste belangrijke functie van Jacob Junior

was het lidmaatschap van de jury die in 1847 de

Grote Prijs voor de traditionele, elke acht jaar

voor jonge schilders uitgeschreven wedstrijd in

het historieschilderen moest toekennen. De be­

kroning bestond uit een overheidsstipendium van


viermaal jaarlijks 1200 gulden. De jury slaagde er

niet in om de jonge kunstenaar aan te wijzen die

de beste uitwerking gegeven had aan het onde

werp: Een fragment uit de Zondvloed met minimaal drie

en ten hoogste vijf personen. Het bestuur van de Am­

sterdamse kunstacademie was hierover ontstemd.

Uit het feit dat De Vos kort daarop als bestuurslid

van deze academie werd gevraagd, kunnen wij

opmaken dat hij liever óók tot een beslissing was

gekomen. Opvallend is daarbij dat de eerste op­

drachten voor de historische galerij in 1850 naar

zeven van de acht deelnemers aan de Grote Prijs

gingen: Barend Wijnveldtjr., Jacobus van Dijck,

de als enige beroemd geworden Jozef Israëls, J. H.

Egenberger, A. F. Zürcher, Jacobus van Konings­

veld en Paul Tetar van Elven. Alleen de achtste

deelnemer, een zekere C. Muller, viel af.

Het begin van de historische galerij viel dus sa­

men met een mislukte officiële poging om de

historiekunst te stimuleren. Het lijkt ons aanne­

melijk dat dit voor Jacob de Vos de directe aanlei­

ding is geweest om zich als mecenas op te stellen.

Hij beperkte zich daarbij niet alleen tot de zoëven

genoemde jonge talenten, maar haalde in latere

jaren ook andere veelbelovende schilders in zijn

stal, zoals Christoffel Bisschop, August Allebé,

Lourens Alma Tadema en de vroeg gestorven D.

F. Jamin, om de bekendste te noemen. Volgens

J.A. Alberdingk Thijm betaalde Jacob de Vos

hen vijftig gulden per olieverfschets, wat min of

meer neerkomt op het maandinkomen van een

ambachtsman in die tijd. Thijm vond 't wat zui­

nig, maar onfatsoenlijk was deze beloning beslist

niet.

De Vos nodigde ten slotte ook enkele gevestigde

reputaties uit, zoals de beroemde Nicolaas Piene-

man, de vooraanstaande Leidse schilder J. L.

Cornet en de wegens zijn talloze verrukkelijke il­

lustraties geliefde Charles Rochussen. Rochus-

sen heeft in totaal 22 schilderijen aan de galerij

bijgedragen. Dit was uit vriendschap voor De

Vos, die hij in allerlei besturen en commissies te­

genkwam.

Een kunsthistorisch en historisch document

Rochussen deed zijn intrede nadat de eerste drie

series - tot en met de dood van Karei de Stoute -

waren voltooid. Onder deze 51 in 1853 gereedge­

komen schilderijen bevinden zich veel vanuit een

donkere achtergrond opgezette taferelen met een

in het oog vallende lijnvoering, contrasterende

lichtaccenten en pathetisch gesticulerende gezel­

Museumnieuws

schappen. Het jonge talent was duidelijk nog on­

der de indruk van Géricault, Delacroix en Ary

Scheffer. Rochussen voegde daar een nieuwe di­

mensie aan toe. Zijn schetsen waren illustratie­

ver, natuurlijker, gewoner en onderhoudender

dan wat Egenberger, Wijnveld en de anderen

hadden gemaakt. Rochussen zette daarmee een

nieuwe wijs, die in de zeven laatste series steeds

sterker ging doorklinken. De galerij die in 1850

romantisch begon, eindigde in 1863 dan ook rea­

listisch. De collectie illustreert daarmee heel fraai

de overgang van romantiek naar realisme in de

Nederlandse schilderkunst van die tijd. De 253

schilderijen zijn een uniek artistiek tijdsdocu­

ment, waaraan voor kunsthistorici nog veel ple­

zier te beleven is.

De galerij is ook in historisch opzicht interes­

sant. De opdrachten zijn namelijk op grond van

een weloverwogen historisch programma gege­

ven. Jacob van Lennep, medebestuurder van De

Vos aan de Amsterdamse academie en andere in­

stellingen, schijnt daarbij geholpen te hebben,

maar hij mag beslist niet als de auctor intellectualis

gezien worden. Het programma was van Jacob

de Vos zelf. Hijzelf schreef voor elk schilderij een

historische tekst en hijzelf sprak daarin uit wat

hem bewoog. Dat waren heldengeschiedenissen

als van Albert Beiling, de Hollandse Regulus die

levend begraven zou worden, maar op erewoord

uitstel kreeg om afscheid van zijn gezin te nemen.

Een man die zijn woord hield en desondanks le­

vend begraven werd. De spelingen van Fortuna,

verraad, wakkere daden, zelfopoffering, dit alles

sprak Jacob de Vos in hoge mate aan. Hij betoon­

de zich daarin een kind van zijn tijd en een ijveri­

ge lezer van de historische romans en de populai­

re geschiedschrijving die omstreeks 1850 hun

hoogtepunt beleefden. Jacob de Vos ging echter

verder. Door zijn geschiedverhaal loopt ook een

minder exemplarisch-anekdotische lijn, waaruit

vooral vorstenliefde, ontzag voor legale autoriteit

en bewondering voor de militaire prestaties uit

het verleden spreekt.

De Vos vatte zijn visie voor een belangrijk deel

samen in het volgende commentaar bij het schil­

derij met de inhuldiging van koning Willem III:

'De Koning bezwoer de Constitutie, en de Staats-

magten legden de eed van trouw af aan den derden

Willem den derde - als zijn Grafelijke en zijn Stad­

houderlijke naamgenoot: 's lands hoop, liefde en

heil!' Uit deze zin komt - behalve een Hollando-

centrische geschiedvisie - naar voren dat de syn­

these van de Staatse en royalistische krachten in

285


Mu seumnieu ws

onze geschiedenis voor Jacob de Vos het summum

was. Een Frederik Hendrik die zich Vondels

Palamedes door de schoonzoon van Van Oldenbarnevelt

liet voorlezen en de verzoening van

de staatse Michiel de Ruyter met de orangist

Cornelis Tromp, dat waren gebeurtenissen die

hem aanspraken. Uiterlijke heldenmoed en innerlijke

verzoening, daarin lagen voor Jacob de

Vos de hoogste waarden van Neêrlands historie

vervat.

Dedalo Carasso, Koen van der Spek

286

J. H. Egenberger (1822-1897), Daendels neemt in

1798 het Uitvoerend Bewind gevangen. Doek,

olieverf; 54x38 cm.

Jacob de Vos had niets op met de Nationale Vergadering,

waarin federalisten, unitarissen en moderaten

elkaar in de haren zaten en anti-orangistische

revolutionairen de boventoon voerden.

Voor generaal Daendels die met Franse hulp het

parlement naar huis stuurde en een deel van het

Uitvoerend Bewind gevangen zette, toonde De

Vos daarentegen wel een zekere mate van sympathie.

Als men dit uit omstreeks 1860 daterende

schilderij met de bijna tien jaar daarvoor geschilderde

moord op Aleid van Poelgeest vergelijkt,

dan valt een anecdotisch-realistische stijlontwikkeling

op.

De expositie is van 15 oktober 1991 tot en met 5 januari

1992 dagelijks van 11.00 tot 17.00 uur te zien in het

Amsterdams Historisch Museum, Kalverstraat 92. De

253 schilderijen zijn met het commentaar van Jacob de

Vos Jzn. afgebeeld in een uitgave die in het museum en

de boekhandel verkrijgbaar is. Bij het schrijven van dit artikel

waren nog geen nadere bijzonderheden over het boek

bekend. Deze kunnen bij het museum (tel. 020-

5231822) verkregen worden.


Boekennieuws

Boeken in het kort

Holland, algemeen

JW. Niemeijer, Hollandse aquarellen uit de 18e eeuw

in het Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum, Amsterdam,

Zwolle, Waanders, 1990, 176 blz.

Catalogus van de gelijknamige tentoonstelling,

met 73 kleurenreprodukties en beschrijvingen

van de tentoongestelde werken. Alle werken ma­

ken deel uit van het Rijksprentenkabinet; vele to­

nen Hollandse topografische situaties en inte­

rieurs.

A.Th. van Deursen, Bronnen en hun gebruik. Het ver-

pachtingsregister van de visgronden bij de sluis van West-

graftdijk, in: De verleiding van de overvloed. Reflecties

op de eigenheid van de cultuurgeschiedenis, Amster­

dam, Editions Rodopi B.V., 1990, blz. 55-64.

In dit artikel laat Van Deursen, hoogleraar Nieu­

we Geschiedenis aan de Vrije Universiteit, zien

hoe iedere willekeurige bron gegevens kan bevat­

ten die men op het eerste gezicht niet zou ver­

wachten. Aan de hand van summiere notities in

een verpachtingsregister van visgronden valt bij­

voorbeeld te reconstrueren hoe groot het alfabe­

tisme in een 17e-eeuwse dorpsgemeenschap was

en hoe allerlei sociale en economische verhoudin­

gen er lagen.

A.J. Schuurman, Historische demografie: bevolkings-

en gezinsgeschiedenis. (Deel 5 in de serie Cahiers

voor Lokale en Regionale Geschiedenis), Zut-

phen, Walburg Pers, 1991, 72 blz.

Wie onderzoek doet naar de geschiedenis van een

plaats of streek zal zich onder andere afvragen:

hoeveel mensen woonden er, hoe is dat aantal ver­

anderd en hoe was de bevolking opgebouwd. In

dit deel van de serie Cahiers, die is opgezet om

historisch onderzoek door amateurs te stimule­

ren, wordt uiteengezet hoe men dergelijke vragen

kan beantwoorden.

Noord-Holland

A.J. Zondergeld-Hamer, De Geschiedenis van

Weesp. Van prehistorie tot de moderne tijd, Weesp,

Heureka, 1990, 192 blz.

Per periode worden de verschillende aspecten van

de geschiedenis van Weesp behandeld vanaf de

middeleeuwse ontginningen tot het midden van

de 19e eeuw. De meeste gegevens zijn ontleend

aan het oud-archief van de gemeente Weesp, de

afbeeldingen aan de collectie prenten van het

Weesper gemeentemuseum.

Tussen Vecht en Eem, Tijdschrift van de vereniging

van Vrienden van het Gooi en de Stichting Tus­

sen Vecht en Eem, 9e jaargang (1991), nr. 2, ge­

weid aan Weesp, 142 blz.

Dit nummer bevat een twintigtal artikelen over

de geschiedenis van Weesp, onder andere over de

verdwenen Joodse gemeenschap, het ontstaan

van de vakorganisatie in de bouwvak, en ruimte­

lijke ontwikkeling 1850-1940.

Loucas van den Berg, Rijp voor paviljoen ui. Krank­

zinnig in Amsterdam vanaf 1565, Amsterdam, 1990,

72 blz.

Rijk geïllustreerde catalogus van een tentoonstel­

ling in het Universiteitsmuseum De Agnieten-

kapel in Amsterdam, waarin de geschiedenis van

de krankzinnigenzorg in Amsterdam wordt be­

schreven.

A.M. Hulkenberg, met tekeningen van Chr.

Schut, Gezichten in Zuid-Kennemerland, Alphen aan

den Rijn, 1991, 180 blz.

Dit boek bevat een negentigtal tekeningen van si­

tuaties in en om Haarlem van de tekenaar Chris

Schut. Bij iedere tekening vertelt Hulkenberg

over een aantal historische opmerkelijkheden.

Jan van Baar, Paul Koedijk en Sjoerd Leiker

(red.), Verzet in West-Friesland. De illegaliteit in

westelijk West-Friesland en in de Wienngermeer in de

jaren 1940-'45, Schoorl, Pirola, 1991, 192 blz.

Meerdere auteurs behandelen verschillende as­

pecten van het verzet. Aan de orde komen onder

andere welke verzetsorganisaties er waren, hulp

aan onderduikers, kerkelijk, artsen- en school­

verzet, verzetsbladen, pilotenhulp, de razzia in

Warmenhuizen in 1944, de spoorwegstaking in

Alkmaar en verschillende afzonderlijke verzets­

lieden.

Joke van der Aar, Siebe Rolle, Santpoort, twee dor­

pen in de schaduw van Brederode. Bebouwingsgeschiede­

nis en monumentale waarden, Haarlem, Schuyt en

Co, 1991, 232 blz.

In de eerste 68 bladzijden van dit boek wordt de

geschiedenis van Santpoort (Noord en Zuid) glo­

baal behandeld vanaf de 13e eeuw. Daarna volgen

gedetailleerde beschrijvingen, voorzien van fo­

to's, van zaken en terreinen die vanwege hun

287


Boekennieuws

ouderdom, verschijningsvorm, zeldzaamheidswaarde,

stilistische betekenis, gaafheid of situering

opmerkelijk zijn.

N.M. Blankendaal, Honderd jaar Laurentius in

Heemskerk, Heemskerk, Historische Kring

Heemskerk, (1991), 104 blz.

Ter gelegenheid van het feit dat honderd jaar geleden

de rooms-katholieke Larentiuskerk in

Heemskerk gereed kwam, gaf de Historische

Kring Heemskerk een rijk geïllustreerd boek uit,

waarin worden behandeld hoe de kerk tot stand

kwam, de veranderingen in het kerkelijk leven

sindsdien en de restauratie van de kerk.

Zuid-Holland

R.P. M. de Groen, 100 Jaar Nederlandse protestantenbond

Hardinxveld-Giessendam, Hardinxveld-

Giessendam, Historische Vereniging, 1990, 56

blz., Historische Reeks, 23.

Uitgave naar aanleiding van het eeuwfeest ter

plaatse, met onder meer gegevens over de verschillende

behuizingen van de Bond en het kerkelijk

leven ter plaatse. Voorzien van overzichten

van de bestuursleden, organisten, predikanten

etcetera.

Recensies

Het tijdvak van Willem III en Mary

P. Hoftijzer, CC. Barfoot, ed., Fabrics andfabrications.

The myth and making of William and Mary.

DQR Studies in literature 6. Rodopi, Amsterdam,

Atlanta 1990; 314 blz. geïll.; ISBN 90 5183

182 X; prijs ƒ49,50 (geb. ƒ140,-).

haar wat pretentieus aandoende titel uitstekend

in Groenhuis' karakterisering van de 'herdenkingsliteratuur'.

Ook in dit werk staan niet zozeer

Willem m en Mary in het middelpunt, als wel

hun tijdvak. Zo treft de lezer artikelen aan over

religie, politieke kwesties, gelegenheidsgedichten,

pamfletten, boeken en tuinen in het laatste

kwart van de 17e eeuw. De meeste van de veertien

in dit boek gebundelde bijdragen gaan dan ook

slechts indirect over Willem en Mary. Soms is de

relatie met de stadhouder-koning er wel erg met

de haren bijgesleept, zoals in het - overigens interessante

- artikel van L. van Poelgeest over 'The

Stadholder-King William m and the university

of Leiden'. In feite handelt dit artikel over het wetenschappelijk

klimaat en de academische intriges

aan de Leidse universiteit in de tijd van Wil­

lem in. Alleen in de bijdrage van J. van den Berg

('Religion and politics in the life of William and

Mary') staat de hoofdpersoon van de Glorious

Revolution werkelijk centraal.

Een logisch gevolg van een dergelijk uitgangspunt

is een wat onevenwichtig samengestelde

bundel. Van enige samenhang tussen de verschillende

bijdragen is eigenlijk nauwelijks sprake, al

doet een ondertitel als 'The myth and making of

William and Mary' dat wel vermoeden. Omdat

het in een bespreking als deze ondoenlijk is een

dergelijke heterogene bundel recht te doen, wil ik

volstaan met de opmerking dat voor lezers van

Holland vooral de informatieve artikelen over

de Engelse kerk in Den Haag (R. van Wengen-

Shute), over Engelse spionnen in de Republiek

(P. Hoftijzer) en over de universiteit van Leiden

(L. van Poelgeest) de moeite waard zijn.

Paul Knevel

In een recensieartikel in de Bijdragen en mededelin­ Staatsvorming op gewestelijk niveau

gen betreffende de geschiedenis der Nederlanden (afl. 3,

1990) constateerde G. Groenhuis dat de herden­ J.D. Tracy, Holland under Habsburg rule, 1506king

van de Glorius Revolution in 1988 weliswaar 1566. The formation of a body politic. University of

een stortvloed aan publikaties heeft voortge­ California Press, Berkeley/Los Angeles, Oxford

bracht, maar dat daarin niet zozeer de hoofdpersonen

zelf centraal staan, als wel de tijdsomstan­

1990; x + 330 blz.; $45.00.

digheden waarin Willem m en Mary leefden. Zo Historisch onderzoek naar staatsvorming is 'in',

komt men van alles te weten over de huizen en de getuige de vele congressen, projecten en thema­

tuinen, de schilderijen en de boeken uit hun tijd, nummers die aan dit thema worden gewijd. Nu

maar bleef een nieuwe, samenvattende biografie is staatsvorming als onderwerp van historisch on­

van de stadhouder-koning - zeker geen overbodiderzoek nooit helemaal 'uit' geweest - het betreft

ge luxe - achterwege.

dan ook één van de meest fundamentele ontwik­

De hier te bespreken publikatie past ondanks kelingen in de Europese geschiedenis - , maar het

288


mag toch opvallend heten dat het staatsvormings­

debat de laatste jaren belangrijke nieuwe impul­

sen heeft gekregen en dat tal van oude thema's

weer zijn opgepakt. Een mooi voorbeeld hiervan

is Holland under Habsburg rule, het nieuwste boek

van de Amerikaanse historicus James D. Tracy.

De politieke geschiedenis van de Nederlanden in

de eerste helft van de 16e eeuw is vaak voorgesteld

als een strijd tussen 'moderne' naar absolutisti­

sche heerschappij strevende Habsburgse vorsten

en 'ouderwetse' particularistische gewesten. Het

aardige van Tracy's studie is dat hij dit traditione­

le perspectief op zijn kop zet door niet het cen­

trum, de vorst en zijn bureaucratische bestuurs­

apparaat, centraal te stellen maar de politieke in­

tegratie in één gewest. Tracy wil laten zien hoe

onder het Habsburgse bewind in het aanvanke­

lijk sterk verdeelde Holland een samenhangend

politiek lichaam ontstond, de 'body politic' uit de

ondertitel. Hij bestudeert dus eigenlijk staatsvor­

ming op provinciaal niveau, of beter misschien:

een proces van gewestvorming, en levert zo een

originele bijdrage aan het debat over de genese

van de Republiek.

Deze 'body politic' kwam overigens niet voort

uit interne wetmatigheden. Net zoals de politiek

van de Habsburgers uiteindelijk werd bepaald

door geopolitieke omstandigheden, kreeg het po­

litieke lichaam van Holland vooral door krachten

van buiten het gewest vorm. Geregeld werden de

verschillende partijen in Holland door het cen­

trale beleid van Brussel tot nauwe politieke sa­

menwerking gedwongen, waardoor zich onder de

bestuurlijke elite een provinciaal saamhorig­

heidsbesef ontwikkelde en rond de Staten van

Holland een samenhangend stelsel van politieke

organen tot stand kwam. In feite doorliepen de

Staten van Holland tijdens het Habsburgse be­

wind een politieke leerschool. Bijzonder goed is

dit op het terrein van de landsverdediging zicht­

baar. Oorlog was van oudsher een zaak van vor­

sten en edellieden geweest, maar door de Gelde

se oorlogen (1490-1528) raakten ook de Hollandse

stadsbestuurders nauw bij het voeren van oorlo­

gen betrokken. De Staten van Holland stemden

namelijk in deze jaren in met belangrijke finan­

ciële bijdragen, maar moesten telkens toezien

hoe grote delen van deze bijdragen niet aan de

landsverdediging van Holland werden besteed

maar aan de militaire campagnes tegen de Fran­

sen. De vaak opmerkelijk eensgezinde Staten van

Holland probeerden inspraak op de besteding

van de door hen opgebrachte gelden te verwer­

Boekennieuws

ven. Echt veel succes hadden zij daar niet in,

maar de gedeputeerden ter dagvaart leerden

door deze pogingen wel serieus te discussiëren

over militaire strategie en kregen oog voor de mi­

litaire praktijk.

Veel gelukkiger waren de Staten in hun politiek

inzake de Oostzeehandel - de kurk waarop de ge­

hele Hollandse economie van de 16e eeuw dreef.

De Habsburgse ambtenaren beschouwden deze

handel ten onrechte als een exclusieve Amster­

damse zaak, en zagen dan ook met verbazing toe

hoe de Staten zich als een gesloten front opstelden

zodra de regering iets ten nadele van de Oostzee­

handel van zins was. Zo wisten de Staten verschil­

lende malen de invoering van een export-heffing

op graan te saboteren en hadden zij uitgesproken

opvattingen over de noodzaak al dan niet in te

spelen op de politieke en militaire ontwikkelingen

in de landen rond de Sont. Dat de Staten inmid­

dels voor de centrale regering te Brussel waren

uitgegroeid tot een tegenstander van formaat

bleek ook in hun soms felle reacties op de strenge

centrale godsdienstpolitiek. Tracy besteedt te­

recht uitvoerig aandacht aan deze godsdienst-

politiek, al heeft hij na de uitstekende studies van

onder anderen Alistair Duke weinig nieuws te

vertellen.

Cruciaal in de ontwikkeling van een 'body po­

litic' in Holland was de financiële draagkracht

van het gewest. Karei V had door de vele oorlogen

een chronisch geldgebrek. De traditionele beden

voldeden niet langer, zodat hij koortsachtig op

zoek was naar nieuwe inkomstenbronnen. Steeds

vaker wentelde de centrale regering haar schul­

den af op de gewesten, die middels rentebrieven

leningen uitschreven om de vorst tegemoet te ko­

men. Gevolg hiervan was wel dat de kapitaal­

krachtige gewesten zich actief met het financiële

beleid van de vorst gingen bemoeien. Vooral op

dit gebied waren de Staten van Holland bijzon­

der succesrijk. Aan het einde van de door Tracy

bestudeerde periode was belastingheffing in Hol­

land een exclusieve gewestelijke zaak geworden,

die zich volledig aan het gezichtsveld van de vorst

onttrok. Bankiers onderhandelden zelfs geregeld

rechtstreeks met de Staten over nieuwe kredieten

voor de centrale regering.

Omstreeks 1566 was het gewest Holland uitge­

groeid tot een autonoom politiek lichaam dat

over een goed functionerend stelsel van bestuur­

lijke organen beschikte. Niettemin bleef de steun

van de hoge adel cruciaal. En het is in dit opzicht

dan ook tekenend dat pas onder het leiderschap

289


Boekennieuws

van stadhouder Willem van Oranje de kracht van

Holland voor een ieder zichtbaar werd.

Het is onmogelijk in een recensie als deze recht

te doen aan de rijkdom van Tracy's studie: daarvoor

is het door hem behandelde scala aan onderwerpen

domweg te breed. Des te groter is de bewondering

dat dit alles geen dor betoog heeft opgeleverd,

maar een gedreven en zeer leesbaar

werk. Dat Tracy wel eens een steekje laat vallen

is gezien de reikwijdte van zijn onderwerp onvermijdelijk.

Het doet aan de waarde van het boek

echter niets af. Hoewel het werk uitdrukkelijk

niet als overzichtswerk is bedoeld, zal een ieder

die zich voortaan in het 16e-eeuwse Holland wil

verdiepen, eerst naar zijn 'Tracy' moeten grij­

pen.

Paul Knevel

In het voorwoord van deze omvangrijke studie,

een vertaling van het in 1989 verschenen Dutch

primacy in world trade 1585-1740, stelt Israël dat

zijn belangrijkste doel is '...proberen uit te leggen

wat de aard van de Nederlandse wereldstapelmarkt

is, hoe deze functioneerde en via welke stadia

ze evolueerde...' (p. 9). Reeds in het eerste inleidende

hoofdstuk wordt duidelijk dat Israël een

voor deze tijd hoogst ongebruikelijke interpretatie

geeft van de ontwikkeling van de Nederlandse

handel en scheepvaart. In feite is het boek één

grote aanval op de 'serialisten' in het algemeen en

hun meest spraakmakende vertegenwoordiger

Fernand Braudel in het bijzonder.

In het werk van deze serialisten wordt de ontwikkeling

van handel en scheepvaart in verband gebracht

met de zich over vele eeuwen uitstrekkende

beweging van demografische en economische

op- en neergang. Politieke gebeurtenissen zijn in

deze visie niet meer dan kortstondige rimpelingen

aan het oppervlak van deze traag verlopende

processen. Met deze lange-termijn visie hangt tevens

het grote belang samen dat de serialisten

toekennen aan de handel in bulkgoederen, met

name graan. Het was deze graanhandel waarop

de bloei van de Nederlandse handel en scheepvaart

volgens hen was gegrondvest. Gedurende

de periode van omstreeks 1450 tot 1650 nam de

bevolking in Europa namelijk in omvang toe en

steeg de behoefte aan (en de prijs van) graan.

Omdat de Nederlanders in die graanhandel al

vroeg een dominante positie hadden veroverd,

profiteerden zij het meest van deze lange periode

van stijgende graanprijzen. Toen de bevolkingsgroei

in Europa omstreeks het midden van de 17e

eeuw stagneerde en zelfs omsloeg in demografische

achteruitgang kwam de expansieve fase van

het Nederlandse handelsimperium tot een einde.

Voor met name Braudel was deze bloei niet meer

dan een fase in een lange ontwikkeling waarin

vanaf de 11e eeuw achtereenvolgens Venetië, Antwerpen,

Genua, Amsterdam en Londen het centrum

waren van de wereldeconomie, een positie

die volgens Braudel tegenwoordig door New York

wordt ingenomen.

Jonathan Israël maakt keer op keer duidelijk dat

hij het op al deze punten met de serialisten gron­

De Republiek en de wereldhandel

dig oneens is. Zijn opvatting over het belang van

lange-termijn processen komen duidelijk tot uit­

Jonathan I. Israël, Nederland als centrum van de wedrukking

in de structuur van het boek. De opreldhandel

1585-1740. Van Wijnen, Franeker, komst en het verval van het Nederlandse handels­

1991, 504 pp, ƒ99,50.

rijk heeft zichvolgens Israël voltrokken in zeven

fasen, en wel achtereenvolgens de jaren 1590-1601

waarin de doorbraak naar een leidende positie

plaatsvond; de periode van het Twaalfjarig Bestand

(1609-1621) waarin vooral de handel op

Zuid-Europa opbloeide; de jaren 1621-1647 die

gekenmerkt werden door stagnatie; 'Het Hoogtepunt'

in de periode 1647-1672, gevolgd door een

tijd (1672-1700) waarin het minder goed ging met

het Nederlandse handelsimperium maar er nog

geen sprake was van verval; daarvan was wel

sprake van in fase zes: het tijdvak van de Spaanse

Successieoorlog (1700-1713) en fase zeven (1713-

1740) toen de Republiek de actieve greep op de

internationale handel verloor en terugviel naar

de functie van een passieve bemiddelaar in het

handelsverkeer.

290

Het zal duidelijk zijn dat er volgens Israël geen

sprake was van een opgaande lijn tot het midden

van de 17e eeuw en achteruitgang daarna. Integendeel,

de hele ontwikkeling werd gekenmerkt

door een groot aantal relatief korte perioden van

op- en neergang. Een ontwikkeling die bovendien

primair bepaald werd door politieke factoren.

Niet voor niets figureren de bekende jaartallen

uit de 'Vaderlandse Geschiedenis' zo prominent

in het boek van Israël. Politieke factoren, door de

serialisten enigszins denigrerend afgedaan als incidenten,

worden door Israël teruggehaald voor


het voetlicht en gepresenteerd als de belangrijkste

verklaring voor de opkomst en het verval van het

Nederlandse handelsimperium. In het verlengde

daarvan ligt ook de opvatting van de auteur dat

de Nederlandse staat niet een door regionaal en

lokaal particularisme verzwakte unie was maar

een uiterst effectieve en krachtdadige verdediger

van de Nederlandse handelsbelangen. De dominante

positie van de Republiek in de wereldhandel

was volgens Israël dan ook voor een groot deel

te danken aan het optreden van de staat. In dit

licht bezien is het begrijpelijk dat de auteur zich

fel afzet tegen het idee dat de handel in bulkgoederen

de basis vormde van de Nederlandse handelsmacht.

Het was daarentegen de sterk door

politieke factoren (embargo's etc.) beheerste handel

in luxegoederen die het economisch wel en

wee van de Republiek bepaalde. Tot slot wijst Israël

er nog op dat het 'een totale misvatting' is de

handelsbloei van de Republiek gelijk te stellen

aan die van Amsterdam. Amsterdam speelde

weliswaar een belangrijke rol, maar van een overheersende

positie van die stad in de Republiek,

een mening die vooral door Braudel wordt aangehangen,

was volgens Israël geen sprake.

Maakt Israël al deze kritiek nu ook waar? Om de

opvattingen van de serialisten te onmtkrachten

was het noodzakelijk geweest aan te tonen dat de

demografische ontwikkeling in Europa geen invloed

had op het functioneren van het Nederlandse

handelssysteem, dat de gelegde cesuren

ook daadwerkelijk de betekenis hebben die Israël

er aan toekent, dat de handel in hoogwaardige

produkten inderdaad belangrijker was dan die in

bulkgoederen en dat de rol van Amsterdam binnen

de Republiek niet fundamenteel verschilde

van die van andere centra. Op deze punten stelt

het boek evenwel teleur. De opvattingen van de

auteur blijven in veel gevallen niet veel meer dan

postulaten. Dat is jammer want de lijst van geciteerde

literatuur geeft blijk van een grote belezenheid

en Israël maakt bovendien gebruik van

onder Nederlandse historici weinig bekend archiefmateriaal

uit Zuid-Europa. Al met al een

goede uitgangspositie om de opvattingen die onder

serialisten leven op hun waarde te beoordelen.

Het verzamelde materiaal wordt echter niet

gebruikt om bestaande opvattingen te toetsen

maar uitsluitend om de door de auteur aangehangen

interpretatie te illustreren. Zo wordt nergens

ook maar een poging gedaan een kwantitatieve

afweging te maken van het belang van de

handel in luxegoederen in vergelijking met wat

Boekennieuws

traditioneel als de basis van de stapelmarkt wordt

beschouwd: de handel in bulkgoederen en in het

bijzonder de graanhandel. De cijfers die wel gepresenteerd

worden, dienen voornamelijk om de

keuze voor een bepaalde cesuur te ondersteunen,

maar van een werkelijke toetsing van de houdbaarheid

van die cesuren is geen sprake. Illustratief

in dit opzicht is dat de cijfers over aantallen

schepen, prijzen van goederen en waardepapieren,

aantallen geproduceerde lakens etc. versnipperd

zijn over een groot aantal tabellen die onderling

niet of nauwelijks vergelijkbaar zijn.

Dit alles betekent niet dat de door Israël tegen de

serialistische geschiedschrijving ingebrachte bezwaren

zonder bezwaar aan de kant kunnen worden

geschoven. Het minst overtuigend is zijn extreme

aandacht voor de periodisering van de ontwikkelingen.

De indeling in zeven strikt gescheiden

fasen voegt naar mijn mening niets toe aan

onze kennis over het functioneren van het Nederlandse

handelsimperium. Van groter belang acht

ik de betekenis die Israël toekent aan politieke

factoren in het algemeen en de staat in het bijzonder.

Zonder nu direct aan politieke factoren evenveel

gewicht toe te kennen als Israël geneigd is te

doen, kan niet worden ontkend dat de politiek

meer aandacht in de economische geschiedschrijving

verdient dan ze de laatste decennia gekregen

heeft. Vooral de rol van de staat - overheid lijkt

me in verband met de Republiek een betere

term - is sterk onderbelicht gebleven. Overigens

zou het me niet verbazen als bij nader onderzoek

zou blijken dat het niet zozeer de daadkracht van

de overheid als wel het ontbreken van een krachtig

centraal gezag was dat de uitbouw van een

handelsrijk gunstig beïnvloedde. Met de staatkundige

structuur van de Republiek is ook de

vraag verbonden wat nu precies de positie van

Amsterdam was binnen de Republiek en het Nederlandse

handelssysteem. De kritiek op Braudels

opvatting dat Amsterdam vergelijkbaar was

met een Italiaanse stadstaat als Venetië lijkt mij

terecht, maar zijn constatering dat de Republiek

een in economisch opzicht nauw samenwerkend

geheel was, doet onvoldoende recht aan de complexe

structuur van de Nederlandse economie ten

tijde van de Republiek. Zoals bekend speelde

Amsterdams kapitaal immer in vrijwel alle economische

sectoren een grote rol. Serieuze aandacht

verdient tenslotte ook de stelling dat de Nederlandse

dominantie in de wereldhandel niet als

vanzelf voortvloeide uit de reeds lang bestaande

dominantie in het bulkgoederenvervoer. Nader

291


Boekennieuws

onderzoek zal duidelijk moeten maken of de aan

het einde van de 16e eeuw tot ontwikkeling geko­

men handel in luxegoederen inderdaad het be­

lang had dat Israël er aan toekent.

Uit het voorgaande zal duidelijk zijn geworden

dat Nederland als centrum van de wereldhandel meer

vragen oproept dan het beantwoordt. Dat doet

evenwel niets af aan de waarde van het boek. We

kunnen slechts hopen dat de wens van Israël dat

zijn studie er '...toe bijdraagt een kader te schep­

pen voor verder onderzoek en discussie' in ver­

vulling gaat.

C. Lesger

292


Inhoud

23e jaargang nr. 4/5, september 1991

Deze aflevering is een themanummer over kunst in opdracht.

Redactie: J.W.J. Burgers, P.G.M. Diebeis, P. Knevel en J.C.M. Pennings.

J.W.J. Burgers, P.G.M. Diebeis, P. Knevel en J.C.M. Pennings

Woord vooraf 181

Maarten Jan Bok en Gary Schwartz

Schilderen in opdracht in Holland in de 17e eeuw 183

Bram Kempers

Opdrachtgevers, verzamelaars en kopers.

Visies op kunst in Holland tijdens de Republiek 196

Marijke Spies

Betaald werk? Poëzie als ambacht in de 17e eeuw 210

P.J. Verkruijsse

Holland 'gedediceerd'.

Boekopdrachten in Holland in de 17e eeuw 225

Rudolf Rasch

Om den armen dienst te doen.

De Amsterdamse Schouwburg en de godshuizen gedurende het laatste kwart

van de 17e eeuw 243

Louis Peter Grijp

'Geluckigh die op den VAL-LET'.

Uit de beroepspraktijk van de luitspeler Nicolaes Vallet (ca. 1583-ca. 1643) 268

Museumnieuws 283

Boekennieuws 287

Aan dit nummer werkten mee:

Drs. M.J. Bok is als historicus werkzaam bij NWO. Adres: Rijksuniversiteit te Utrecht, Vakgroep

Kunstgeschiedenis, Kromme Nieuwegracht 29, 3512 HD Utrecht.

G. Schwartz is uitgever en kunsthistoricus. Adres: Postbus 162, 3600 AD Maarsen

Dr. B. Kempers is als hoogleraar sociologie verbonden aan de Vakgroepen Culturele Studies

en Sociologie van de Universiteit van Amsterdam. Adres: Van Breestraat 96, 1071 ZT Amsterdam.

Dr. M. Spies is verbonden aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam.

Adres: Instituut voor Neerlandistiek, Spuistraat 134, 1012 VB Amsterdam.

Dr. P.J. Verkruijsse is universitair docent bij de Vakgroep Historische Letterkunde van het

Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. Adres: Instituut voor

Neerlandistiek, Spuistraat 134, 1012 VB Amsterdam.

Dr. R. Rasch is als universitair hoofddocent voor muziekgeschiedenis vanaf 1600 verbonden

aan de Vakgroep Muziekwetenschap van de Universiteit te Utrecht. Adres: Vakgroep Muziekwetenschap,

Kromme Nieuwegracht 29, 3512 HD Utrecht.

Dr. L. P. Grijp is musicoloog en als wetenschappelijk onderzoeker verbonden aan het P.J.

Meertens-Instituut. Adres: P.J. Meertens-Instituut, Keizersgracht 569-571, 1017 DR Amsterdam.

Omslagontwerp: Ad rem, Amsterdam.

Produktie: Uitgeverij Verloren, Alexanderlaan 14,1213 XS Hilversum, telefoon 035-859856,

fax 035-836557.

De afbeelding op de omslag is gebaseerd op: Het Graafschap Hollandt. Gegraveerde kaart

in de vorm van een zgn. Leo Belgicus, 17x22 cm. Uitgegeven bij B. Mourik te Amsterdam,

1761 (Topografisch-Historische Atlas, Gemeentearchief van 's-Gravenhage).

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!