02.08.2013 Views

Lectiones 8 - Liturgische Kring

Lectiones 8 - Liturgische Kring

Lectiones 8 - Liturgische Kring

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

<strong>Lectiones</strong> 8


<strong>Lectiones</strong> 8<br />

<strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong><br />

Zaltbommel<br />

2009<br />

2 <strong>Lectiones</strong> 8


Omslag: de menora uit het mozaïek “Van Ballingschap tot terugkeer” van Marc Chagall<br />

(1887-1985)<br />

@ <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong>, Zaltbommel<br />

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een<br />

geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij<br />

elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier zonder voorafgaande<br />

schriftelijke toestemming van de uitgever.


Voorwoord<br />

door Lieske Keuning<br />

<strong>Lectiones</strong> aflevering 8 heeft een zeer gevarieerde inhoud.<br />

U kunt een aantal lezingen die in de jaren 2006 -2008 in de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> werden<br />

gehouden, hier nalezen. Ze gaan over de verhouding tussen cultus en cultuur, over betekenis<br />

van Paus Benedictus XVI voor de liturgie, over wat Amsterdamse theologen in deze tijd te<br />

zeggen hebben over de noodzaak van de preek, en over het beeld dat bij kijkers en luisteraars<br />

van films, oratoria en opera over Martin Luther opgeroepen wordt.<br />

Het recente synodale rapport over de doopgedachtenis noopte ons tot een reactie. Drie leden<br />

lieten daarover hun gedachten gaan.<br />

Behalve deze lezingen die in de <strong>Kring</strong> werden gehouden vindt u in <strong>Lectiones</strong> 8 ook een boeiend<br />

artikel over ‘Hervorming en Catholiciteit’, een beweging die in de jaren vijftig ontstond vanuit de<br />

<strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong>. Het artikel werd door Hans Kronenburg geschreven na een voordracht in het<br />

Historisch gezelschap op 8 januari 2007 en werd niet eerder gepubliceerd. Het is in deze<br />

<strong>Lectiones</strong> opgenomen omdat het gesprek over de katholiciteit van de kerk nog altijd actueel is,<br />

en wellicht om een vervolg vraagt.<br />

De lezingen zijn afgedrukt zoals ze in de <strong>Kring</strong> gehouden zijn. Ze dragen daardoor ook in<br />

gedrukte vorm het karakter van een lezing.<br />

Alle bijdragen verwoorden de opvattingen van de respectievelijke auteurs. Zij nemen<br />

verantwoordelijkheid voor het geschrevene, niet de <strong>Kring</strong>.<br />

De <strong>Kring</strong> heeft een eenvoudige website: www.liturgischekring.nl, en kan per e-mail benaderd<br />

worden: info@liturgischekring.nl.<br />

Het bestuur van de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> hoopt dat u deze aflevering van <strong>Lectiones</strong> met genoegen<br />

zult lezen.<br />

Zaltbommel, januari 2009<br />

4 <strong>Lectiones</strong> 8


Inhoud<br />

R. Boon Enkele gedachten over cultus en cultuur 6<br />

J. Zuur De geest van de liturgie 11<br />

R. de Meij Mecima De noodzaak van de preek 26<br />

M. van Wijngaarden Martin Luther in film-oratorium-opera 37<br />

W. van Beek Enkele overwegingen bij een synodaal rapport 49<br />

P. Oskamp Doopbevestiging 54<br />

H. Uytenbogaardt Doop, confirmatie, gedachtenis 57<br />

J. Kronenburg Geen doopvernieuwing, wel doopbevestiging 64<br />

J. Kronenburg Hervorming en Catholiciteit 70<br />

6 <strong>Lectiones</strong> 8


Enkele gedachten over cultus en cultuur<br />

prof. dr. R. Boon, Amsterdam<br />

1. Een etymologisch uitstapje vooraf<br />

Oorspronkelijk waren cultus en cultuur nauw met elkaar verbonden, ja zelfs goeddeels aan<br />

elkaar gelijk. Beider achtergrond ligt in het agrarisch bedrijf. Het heeft te maken met bebouwen<br />

en bewerken van de akker (colere: letterlijk omdraaien van de grond, ploegen), planten en<br />

verzorgen van gewas, het bouwen van een boerderij, het stichten van een<br />

(landbouw)nederzetting (colonia).<br />

Cultura betekent dan ook van oudsher landbouw, en het resultaat ervan, het in cultuur<br />

gebrachte land. Van daaruit verbreedt zich de woordzin: verdeling, verfijning, vorming, cultuur<br />

als verdelende beschaving van de geest. Cultus is wat bebouwd is, gekweekt, verzorgd,<br />

onderhouden. Wat in de samenleving cultus betekent, tonen mensen in hun gedrag, hun<br />

manier van leven: beschaafde omgangsvormen, fatsoenlijk taalgebruik, ontwikkeld zedelijk<br />

besef, ontplooiing van geestelijke vermogens.<br />

In relatie tot hoogwaardigheidsbekleders en tot de wereld van de goden krijgt cultus in het<br />

antiek-paganistische Latijn een religieuze lading: dienst(baarheid), huldebetoon, verering. In het<br />

patristische Latijn is cultus – om met Augustinus te spreken (De civitate Dei X1) – ‘Dei cultus’,<br />

eredienst welke uitsluitend toekomt aan God, die alleen de ware God is.<br />

2. Constanten in de liturgie<br />

Er blijken historici te zijn, die beweren dat het verleden in niets lijkt op het heden. Volgens hen<br />

zouden wij uit het verleden kunnen opmaken, dat er in de geschiedenis geen constanten zijn.<br />

Dit zou betekenen, dat er uit de historie geen lessen te trekken zijn (In de marge – Orgaan van<br />

het Pascal Instituut 15/1, pp. 44,45).<br />

Op het eerste gezicht schijnt – bijvoorbeeld – de geschiedenis van de joodse en christelijke<br />

eredienst deze opvatting te staven. In die geschiedenis heeft namelijk het liturgische gebeuren<br />

herhaaldelijk de trekken vertoond van de culturele context waarbinnen het plaats vond. Ze<br />

wisselde het voorkomen van de liturgie met de opeenvolging van de verschillende cultuurfasen.<br />

En toch, in al die verschillende verschijningsvormen blijken bij nader beschouwen duidelijk<br />

herkenbare constanten te zijn. Door de eeuwen heen vormen die constanten in wat zich<br />

afspeelt tussen aron ha-qadesj en bima, rond lezenaar en kansel, vont en mensa de inhoud en<br />

de essentie van wat gevierd wordt: het ‘mysterium fidei’. De architectuurgeschiedenis van<br />

synagoge en kerk, de ontwikkelingen in de joodse en christelijke symboliek: het is één<br />

doorlopende illustratie van constanten onder steeds wisselende gedaanten.<br />

3. Moderniteit als context<br />

Eens beheerste de ‘Grote Kerk’ het silhouet van de stad. Nu is zij als een dwerg weggedoken<br />

onder de mastodonten van banken, warenhuizen en woontorens. Met al haar historische<br />

monumentaliteit is zij temidden van het hoog oprijzend beton en glas van het moderne woon- en<br />

werkmilieu een atavistisch reliek. Eens was de theologie geëerd als koningin der<br />

wetenschappen. In de huidige universitaire centra waar bovenal de natuurwetenschappen en de<br />

economische faculteit de lakens uitdelen, is de theologie een vreemde eend in de bijt<br />

geworden. Wat in synagoge en kerk wordt geloofd, geleerd, gevierd, beleden is een<br />

‘Fremdkörper’ in de wereld van de moderniteit. Cultus en cultuur zijn in die wereld voor elkaar<br />

vreemden geworden.<br />

Enkele gedachten over cultus en cultuur 7


Moderniteit staat voor een levens- en wereldbeschouwing waarin men voorgoed afscheid heeft<br />

genomen van een christelijk verleden. Moderniteit is het ‘Gehäuse’ van de autonome mens, die<br />

in zijn ‘way of life’ en zijn ‘life style’ zijn secularistische ‘diesseitige Sitz im Leben’ tot uitdrukking<br />

brengt.<br />

Als het medium van de tv. Ons metterdaad een spiegel voorhoudt van wat er in onze moderne<br />

cultuur gaande is, dan kunnen wij daaruit aflezen hoezeer het schort aan samenhang en<br />

diepgang, aan visie en helderheid, aan geestelijk gehalte en historisch besef. De cultuur van de<br />

moderniteit doet denken aan een tombola waarin alles en nog wat, rijp en groen, het<br />

waardevolle en een hoop waardeloze rotzooi door elkaar dwarrelen.<br />

Met zo’n cultuur kan er van een wisselwerking met de cultus van synagoge en kerk geen sprake<br />

zijn. De ervaring van deze onoverbrugbare kloof kan wellicht in synagoge en kerk de waardering<br />

doen toenemen voor wat in de eredienst bestendig bleek: de constanten als bakens en bronnen<br />

voor geloofsbezinning en geloofsbeleving.<br />

4. Onder het oppervlak van de moderniteit<br />

Een toenemende mentale verwarring rond multiculturele ontwikkelingen wakker bij steeds meer<br />

autochtone landgenoten het verlangen aan naar waarden en normen, die ontsproten zijn aan de<br />

bronnen van de westerse beschaving. Met de herwaardering en herontdekking van die bronnen<br />

wordt voor hen een weg geopend naar een hernieuwd bewustzijn van hun eigen identiteit. Op<br />

die weg herkennen zij tot hun verbazing vrijwel overal in onze zogeheten geseculariseerde<br />

samenleving tal van blijkbaar onuitwisbare merktekens, die de grondslagen van een christelijke<br />

cultuur aan het licht brengen.<br />

Waar in onze maatschappij vragen over gerechtigheid en barmhartigheid rijzen, blijken bijbelse<br />

kernwoorden in het geding te zijn. Vooral in het veld van ‘spiritualiteit’ zullen zoekende zielen<br />

op hun speurtocht heel wat van die onuitwisbare merktekens tegen komen. Het zijn vooral deze<br />

merktekens waarvoor een groeiende belangstelling blijkt te bestaan. Sommigen ondernemen<br />

een pelgrimstocht naar Santiago, Iona, Taizé. Onderweg zullen zij heel wat medepelgrims<br />

ontmoeten. Anderen zoeken herstel van geestelijk evenwicht in een kloosterretraite. Weer<br />

anderen ontvangen een godsdienstige ervaring door een meditatief beluisteren van Bachs<br />

Passionen, of door een intens beschouwen van de bijbels geïnspireerde spirituele dimensies in<br />

het werk van Rembrandt en van Gogh. En hoevelen zijn er niet, die tijdens hun vakantie een<br />

historisch kerkgebouw binnenlopen en de ruimte met al wat daarin te bewonderen valt, op zich<br />

laten inwerken? Zij werden herinnerd aan de geestelijke grondslagen van hun eigen bestaan.<br />

Zo zijn in wat de ‘erflaters van onze beschaving’ ons hebben toevertrouwd, duizend-en-één<br />

mogelijkheden te vinden om aan ons geestelijk leven inhoud te geven. Is het niet bijzonder<br />

verrassend dankzij de merktekens te ontdekken, dat onder de oppervlakte van de moderniteit<br />

cultus en cultuur toch elkaar hebben vastgehouden! Niettemin is aan de oppervlakte van onze<br />

samenleving de moderniteit de culturele context waarmee synagoge en kerk vooralsnog te<br />

maken hebben. Dus blijft voor beiden de vraag bestaan hoe zij zich opstellen ten opzichte van<br />

die context.<br />

1. Aanknopingspunten voor het heden<br />

8 <strong>Lectiones</strong> 8


We hebben opgemerkt, dat – in ieder geval in de liturgiegeschiedenis – wel degelijk constanten<br />

aantoonbaar zijn. Waarom zouden die constanten met hun geschiedenis vol wisselende<br />

gedaanten geen aanknopingspunten voor het heden kunnen zijn? Zouden daarin geen<br />

suggesties kunnen schuilen waarmee wij uit de voeten kunnen bij de vraag naar onze<br />

stellingname tegenover de ‘moderne’ cultuur? Waarom niet te rade gaan bij iemand, die<br />

bewezen heeft in eigen persoon een constante te zijn? Zo iemand is bijvoorbeeld Augustinus.<br />

In de geschiedenis van kerk en christendom, ja ook in de geschiedenis van de wijsbegeerte,<br />

wordt zijn stem tot op de dag vandaag vernomen.<br />

5. Augustinus’ ‘strategie’<br />

In zijn ‘Stad Gods’ laat hij geen spaan heel van het verwijt uit de hoek van een paganistisch<br />

patriciaat, als zou Rome’s rampspoed het gevolg zijn geweest van ontrouw aan de goden. De<br />

weerlegging van dit verwijt loopt uit op een radicale afrekening met het antieke heidendom. De<br />

resten ervan jaagt hij op uit alle hoeken en gaten. Hij onttovert en ontmaskert de godenbent als<br />

waan en bedrog.<br />

Hoe bepaalt Augustinus zijn standpunt tegenover de vertegenwoordigers van de wijsbegeerte?<br />

Hij acht het vergeefse moeite om in discussie te treden met filosofen, die in hun systeem geen<br />

enkel aanknopingspunt bieden voor een gedachtenwisseling met een christendenker.<br />

Daarentegen zoekt hij het gesprek met theologisch geïnteresseerde platonisten. Maar<br />

opvattingen van sommige platonici over goden en demonen, strijdig met het bijbels getuigenis,<br />

wijst hij resoluut van de hand.<br />

Augustinus’ ‘strategie’ behelst een opmerkelijke actualiteit voor onze situatie. De kerkvader<br />

moedigt als het ware ons aan om in onze samenleving moderne vormen van op te sporen, te<br />

ontmaskeren en te onttoveren. Hij raadt ons aan tijd noch energie te verspillen aan debatten<br />

met culturele ‘trend setters’, die in geen enkel opzicht ontvankelijkheid tonen voor wat ons als<br />

gelovigen in denken en handelen ten diepste beweegt. Om te komen tot zinvolle contacten met<br />

andersdenkenden buiten de muren van de kerk richt Augustinus onze aandacht op degenen,<br />

die welbewust zich niet laten imponeren door de nieuwste vondsten waarmee de technologie<br />

onze leefwereld overhoop gooit; die zich niet laten overdonderen door het gedaver en gedram<br />

waarmee de mediareclame die leefwereld dagelijks te lijf gaat; die de lokvinken negeren welke<br />

de commercie onophoudelijk laat opgaan; die tijd en ruimte in hun leven vrij houden voor<br />

bezinning op fundamentele vragen van ons bestaan; die bezig zijn de merktekens te ontdekken<br />

van wat onder de moderniteit schuil gaat aan cultureel erfgoed.<br />

6. Een vergelijkbare situatie<br />

De actualiteit van Augustinus’ ‘strategie’ hangt samen met punten van overeenkomst tussen de<br />

positie waarin wij ons bevinden, en die waarin lang geleden de kerkvaders verkeerden. De<br />

patres zagen zich gesteld voor een drievoudige opdracht. Als herders en leraren trachtten zij<br />

met hun doopkatechese de gelovigen te onttrekken aan de ingeroeste heidense leef- en<br />

denkpatronen. In hun preken brachten zij de gemeente het bijbelse ABC bij. Zij deden dat in<br />

hun taal, die het kerkvolk sprak en verstond. Al doende ontwikkelde zich een idioom waarin<br />

woorden een nieuwe betekenis kregen, geïspireerd door de Bijbel en het geloof. Als geleerden<br />

kruisten zij de degens met vertegenwoordigers van de verschillende wijsgerige scholen. Ook in<br />

het academische dispuut sloten zij zich aan bij het gangbare wijsgerige taalgebruik, als middel<br />

Enkele gedachten over cultus en cultuur 9


waardoor hun verdediging van het christelijk geloof voor hun heidense gesprekspartners<br />

verstaanbaar zou zijn. Als hoeders van de apostolische traditie waren zij geroepen om in<br />

overeenstemming met elkaar (consensus patrum) de rechte leer te handhaven, allerlei wind van<br />

leer te weerleggen en uit de kerk te weren.<br />

Wie vandaag zich geroepen weten om voor te gaan in een christelijke geloofsgemeenschap,<br />

zullen daarin menigeen aantreffen, die in verwarring is gebracht, niet alleen door de<br />

secularistische ‘Umwelt’, maar bovendien door een religieuze relativisme ten gevolge van wat<br />

aangeprezen wordt als multiculturele samenleving.<br />

Evenals destijds de patres zullen die voorgangers zich gesteld zien voor een drievoudige taak.<br />

In de eerste plaats zullen zij in hun pastoraat zich erop toeleggen om de gemeente te<br />

onttrekken aan de leef- en denkpatronen van het secularisme. Zij zullen de gemeenteleden<br />

bewust willen maken van het klassiek-christelijk belijden, hen wegwijs maken in het labyrinth<br />

van ‘geestelijke stromingen’, die zich in het aanbod van de relimarkt aandienen. Zo wordt de<br />

gemeente opnieuw bepaald bij het bijbels ABC. Bij vont en mensa leert zij in verwondering de<br />

werkelijkheid te beleven van wat zij gelooft. Zo’n mystagogische taak vereist een taalgebruik,<br />

dat het volk kan volgen. Tegelijk kan het een voertuig zijn waardoor de woorden worden<br />

gevonden, die passen bij de viering van de geloofsgeheimen.<br />

In de tweede plaats zullen er christendenkers moeten zijn, die vertrouwd met de ontwikkelingen<br />

in de moderne wijsbegeerte en wetenschap, in staat zijn om het christelijk geloof in voor nietgelovige<br />

wetenschappers verstaanbare termen te vertolken.<br />

In de derde plaats komen de theologen aan bod. Van hen mag worden verwacht, dat zij de<br />

wezenskenmerken van het christelijk geloof overzichtelijk en helder zullen profileren tegenover<br />

westers secularisme, niet-westers multiculturalisme, ja vooral ook tegenover de islam.<br />

De mosliminvasie in het zogeheten ‘postchristelijke’ cultuurgoed betekent een complicerende<br />

factor, die heel wat problemen veroorzaakt en vragen oproept. Wie aan een christelijke<br />

geloofsgemeenschap leiding geven, zullen een grondige kennis van de islam-in-heden-enverleden<br />

zich eigen moeten maken. Zo’n kenniservaring onderstelt contacten met ter zake<br />

kundige moslims. Maar zullen die contacten ooit leiden tot een dialoog? Moslims zien in de<br />

islam een ultieme profetie en openbaring. Zij beschouwen joden en christendom als<br />

gepasseerde stations, achterhaald, verouderd, zonder toekomst. De islam impliceert een<br />

onvoorwaardelijke afwijzing van vrijwel geheel het klassiek-christelijke credo. Dit categorisch<br />

‘nee’, gevoegd bij het moslimse superioriteitsgevoel, maakt het onmogelijk om te komen tot een<br />

vruchtbaar godsdienstgesprek. Misschien moeten wij, wat het verkeer met de islam betreft, ons<br />

vooralsnog houden aan Augustinus’ raad om tijd noch moeite te verspillen aan vruchteloze<br />

debatten.<br />

10 <strong>Lectiones</strong> 8


De geest van de liturgie<br />

Een boek van de theoloog Dr. Joseph Kardinal Ratzinger<br />

Geestelijke leiding door Paus Benedictus XVI<br />

<strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong>, 30 januari 2006<br />

Joop Zuur<br />

Inleiding<br />

Nadat kort geleden Eredienstvaardig een terugblik gaf op de liturgische betekenis van de pas<br />

1<br />

overleden Paus Johannes Paulus II, mag nu, niet lang na het aantreden van Paus Benedictus<br />

XVI een vooruitblik worden gegeven op diens betekenis voor de liturgie, aan de hand van het<br />

boek dat hij daar over heeft geschreven. 2<br />

Blijkens de inleiding van dit voor het eerst in 2000 verschenen boek van de huidige paus gaat<br />

het om de vernieuwing van de liturgie. Hij gaat op zoek naar de geest van de liturgie omdat hij<br />

voor alles vernieuwen wil. We mogen dankbaar zijn dat de paus dat met zoveel woorden zegt,<br />

want op andere wijze viel dat nog niet zo op. Maar hij wil – net als vroeger Guardini met een<br />

boek onder dezelfde titel – komen tot een vernieuwd verstaan van de liturgie door tot haar<br />

wezen door te dringen.<br />

Behalve vernieuwend is de paus ook speels. Er zit in de liturgie iets onopzettelijks dat<br />

onttrokken is aan de dwangmatigheid waarmee in het dagelijkse leven doelen worden<br />

nagestreefd. Maar zoals kinderen ondoelmatig het dagelijkse leven naspelen, zo grijpt de<br />

liturgie vooruit op het eeuwige leven op een kinderlijke, ondoelmatige manier. Het doet denken<br />

aan wat jaren geleden Jan Wit (of was het Frits Mehrtens) het zei: je doet aan liturgie, om toch.<br />

De theologische methode die de paus hanteert is dat hij steeds redeneert van het kosmische,<br />

naar het Oude Testament en dan naar Jezus Christus en het Nieuwe Testament toe. Het natuur<br />

en genade schema is onvermengd en onveranderd.<br />

Het boek is ingedeeld in vier delen.<br />

Het eerste deel: over het wezen van de liturgie<br />

Het eerste deel gaat over het wezen van de liturgie. De eerste paragraaf behandelt de<br />

samenhang van de plaats van de liturgie en de werkelijkheid van het aardse leven. Op een<br />

bijzonder levendige manier laat hij zien hoe Mozes Farao provoceert. Als Farao op een<br />

gegeven moment een verregaande bereidheid tot een compromis toont, is Mozes<br />

compromisloos. Eerst mag het volk God dienen, hier in het land. Maar Mozes maakt duidelijk<br />

1<br />

Evert de Jong, Paus Johannes Paulus II en de liturgie, Eredienstvaardig,<br />

tijdschrift voor liturgie en kerkmuziek, 21/3, juni 2005, 84-87<br />

2<br />

Joseph Kardinal Ratzinger, Der Geist der Liturgie, eine Einführung, Freiburg –<br />

6<br />

Basel – Wien, 2002 (2000)<br />

De geest van de liturgie 11


dat volgens het bevel van YHWH een uittocht nodig is om Hem te dienen. Het moet in de<br />

woestijn gebeuren. En de eisen worden steeds strenger. Niet alleen de mannen, ook de<br />

vrouwen en de kinderen moeten mee. Ook al het vee moet mee.<br />

Als het gaat om de liturgische ruimte komt het beloofde land hier nog niet in beeld. Het gaat om<br />

het dienen van YHWH in de woestijn. Maar er wordt bij de Sinay wel vooruitgegrepen op het<br />

beloofde land. In het beloofde land gaat het ook om niets anders dan het rechte dienen van<br />

God in de samenhang van cultus, recht en ethos, waar het in de Torah om gaat. Recht is<br />

gefundeerd in de moraal en beide zijn ze in de cultus gefundeerd. Waar moraal en recht niet<br />

gefundeerd is in God, degradeert de mens. Daarom is de Sinay niet te zien als een<br />

tussenstation maar geeft reeds de binnenkant van het land. Sinay blijft in het land present. Als<br />

de band met de Sinay in het land verloren gaat, gaat het land zelf verloren en gaat het volk in<br />

ballingschap. Exodus is de ‘canon in de canon’ van de bijbel. Het gaat in de liturgie om de<br />

werkelijkheid van God, zonder welke geabstraheerd wordt van degene in wie wij leven en ons<br />

bewegen, om met Hand. 17, 28 te spreken.<br />

Liturgie is gebaseerd op openbaring, waarin God ook meedeelt op welke wijze Hij gediend wil<br />

worden. Mozes kon dat in Exod. 10, 26 nog niet aan Farao vertellen, maar daarvoor moest ook<br />

de hele veestapel mee. Als God zich niet vertoont zit er niks anders op dan een altaar te<br />

bouwen voor de onbekende God. Liturgie moet aan openbaring ontspringen, er is geen ruimte<br />

voor fantasie en creativiteit in de liturgie. Dat ziet Ratzinger als het grote kwaad van de zonde<br />

met het gouden kalf. Dat is geen terugval in het heidendom, de apostasie is subtieler.<br />

Schijnbaar blijft men uitgaan van de God van de uittocht, en zo verwoordt Aäron dat ook.<br />

Ratzinger veronderstelt dat het dienen van YHWH bij het gouden kalf ook ging volgens het<br />

voorgeschreven ritueel, al concretiseert hij dat helaas niet. Maar de apostasie is dat er toch een<br />

godsbeeld wordt vereerd, en daarmee maakt de mens God aan zich ondergeschikt. Zo versta ik<br />

het tenminste als de paus een paar keer zegt: “der Mensch gebraucht Gott.” De dans om het<br />

gouden kalf ziet hij als banale zelfbevrediging.<br />

In het tweede hoofdstuk van het eerste deel gaat de paus in op de samenhang tussen liturgie,<br />

kosmos en geschiedenis. Hij wijst de gedachte af, als zou het hier gaan om twee tegengestelde<br />

typen, zoals de godsdienstfilosofie dat suggereert. Ook de kosmos heeft een intrinsieke<br />

geschiedenis, en gaat op een finaal doel af, beweert hij zich baserend op de geschriften van<br />

Teilhard de Chardin. En alle godsdiensten, ook de christelijke, kent de samenhang van cultus<br />

en kosmos. Hij staat daarbij vooral stil bij de betekenis van de sjabbat: het visioen van de<br />

vrijheid. Slaaf en heer zijn op deze dag aan elkaar gelijk. De sjabbat wordt tot teken van het<br />

verbond tussen God en mens. Dat verbond is het doel van de schepping. De sjabbat maakt de<br />

schepping tot de ruimte van de aanbidding.<br />

Ratzinger ziet een samenhang tussen het begin van Genesis en dat van Exodus. Zevenmaal<br />

wordt gezegd dat Mozes deed wat de Heer bevolen had, waarbij de bouw van de tabernakel als<br />

‘Nachbild’ geldt van de 7 dagen van de schepping. De vertelling van de inrichting van de<br />

tabernakel (Ratzinger noemt die trouwens consequent ‘tempel’) eindigt met de voltooiing van de<br />

12 <strong>Lectiones</strong> 8


tent, zoals de sjabbat de schepping voltooit. Het proces van de schepping, waarbij elementen<br />

worden gescheiden zodat uit chaos kosmos wordt, wordt tot grondpatroon voor de<br />

heilsgeschiedenis, dat wil zeggen verkiezing, scheiding tussen rein en onrein, de schepping van<br />

het verbond zonder welke de kosmos een leeg bouwwerk. Zo staan schepping en geschiedenis,<br />

en beide in samenhang met de cultus, in wisselwerking. Schepping wacht op het verbond en<br />

het verbond voleindigt de schepping en beweegt zich niet naast haar.<br />

Wat gebeurt er in de aanbidding? De kern van de cultus is het offer, die niet als verwoesting<br />

maar als vereniging van de mens en de schepping met God zelf. De paus gebruikt hier het<br />

woord Übereignung, waarmee hij bedoelt dat mens en schepping, zich aan God aanbieden<br />

vanuit de toewending van God tot zijn schepping. Uiteindelijk loopt het er op uit dat God alles in<br />

allen wordt, 1 Kor. 15, 28. Daarbij knoopt hij aan bij grondgedachten van Teilhard de Chardin,<br />

en grenst hij het christelijk geloof scherp af van de gnosis. Niet het onderscheiden zijn van<br />

Schepper en schepping is het probleem, want dat is juist iets positiefs. Gods daad van<br />

schepping is een daad van vrijheid waarin Hij iets tegenover zichzelf wil laten zijn. Offer is<br />

inkeer in de liefde, en daar een tot zichzelf komen van het schepsel. Offer neemt het element<br />

van de heling in zich op, waarbij de erfzonde overwonnen wordt. Hij grijpt terug op kerkvaders<br />

die het beeld gebruiken van de herder die het verloren schaap terug brengt. Voor hen is dat de<br />

logos zelf, die de schepping draagt in de verzoening en terugbrengt bij God. Het offer neemt de<br />

vorm aan van het kruis van Christus, die zich in liefde geeft tot in de dood. Dat is geen daad van<br />

zelfvernietiging, maar van nieuwe schepping, die de schepping tot zichzelf brengt.<br />

Het derde hoofdstuk van het eerste deel gaat over de overgang van het Oude naar het Nieuwe<br />

Testament, of wel de door het bijbelse geloof bestemde grondvorm van de christelijke liturgie.<br />

Hij knoopt aan bij de offergedachte, waarbij niet het eigenlijke maar een plaatsvervanger<br />

(‘Ersatz’) wordt gegeven. Als verschil tussen Israël en de volken noemt hij wie het adres van het<br />

offer is. Bij de volken is dat nog niet de godheid zelf, maar machten en demonen in het<br />

voorportaal van waar de godheid huist. Bij Israël geldt het offer wel God zelf.<br />

Dat het offer bedoeld is als ‘vervanging’ (Ersatz) wordt heel duidelijk in Gen. 22, waar Abraham<br />

wordt verboden wat aanvankelijk de opdracht was, namelijk om zijn zoon te offeren. We zien<br />

hier de grondgedachte bij alle offers, namelijk dat God die zelf geeft. Het offer is niet iets wat wij<br />

aan God geven, maar wat God aan mensen geeft, zodat zij een manier van de rechte omgang<br />

met Hem hebben. Die lijn wordt doorgetrokken in het Nieuwe Testament, waar Christus als het<br />

geschonken Lam wordt getekend.<br />

Het Paaslam, in Ex. 12 het centrum van het godsdienstige jaar van Israël, is de vervanging van<br />

de eerstgeborene die voorkomt dat die in Israël gedood wordt. Het wordt tot teken van heiliging<br />

van de mens en de schepping als geheel. Alles wordt vertegenwoordiger, de eerstgeborene<br />

vertegenwoordigt Israël, Israël vertegenwoordig de volken en dus de hele schepping. De<br />

geboorte van Jezus als eerstgeborene moet tegen die achtergrond worden verstaan. het gaat<br />

ook iet om het offer op zich maar waar het voor staat, de gehoorzaamheid als heiliging. De<br />

profetische kritiek op de offerdienst, die al in 1 Sam. 15, 22 begint, moet tegen die achtergrond<br />

De geest van de liturgie 13


worden verstaan. Zo is de cultus de kern van de rechtsorde en van het zedelijk onderricht in<br />

Israël.<br />

Ook in het Nieuwe Testament ligt op dit punt de kern van de christologische kwestie. De<br />

kernvraag: wie is Jezus, is in de grond de vraag naar het rechte aanbidden van God. Jezus<br />

heeft – anders dan in het proces tegen Jezus geuit wordt – nooit gezegd dat Hij de tempel zal<br />

afbreken en binnen drie dagen een nieuwe bouwen, Hij heeft geprofeteerd dat zijn aanklagers<br />

dat zouden doen. Met zijn opstanding begint dan de nieuwe tempel als het lichaam van<br />

Christus. het geheim van het geofferde en juist zo levende lichaam van Christus wordt in de<br />

eucharistie aan de gelovigen meegedeeld. De zogenaamd tempelreiniging is dan ook niet een<br />

correctie op onrechtmatige praktijken, maar de aankondiging van het ophouden deze vorm van<br />

aanbidding van God als zodanig. Vanaf nu zal God worden aanbeden in geest en waarheid, en<br />

dat wordt nu universeel.<br />

De kern van de eucharistie ziet Ratzinger in het eucharistische gebed, dat vanaf de kerkvaders<br />

oratio wordt genoemd. Het gaat om een woordoffer. Dit sluit aan bij tendensen in het Oude<br />

Testament, waarbij een gebroken geest als teken van boetvaardigheid belangrijker is dan het<br />

offer. Toch maakt Ps. 51 ook duidelijk dat als eenmaal aan die voorwaarde is voldaan er ook<br />

weer brandoffers en slachtoffers gebracht mogen worden.<br />

Ratzinger ziet in de eucharistie een voorvorm, anticipatie van de liturgie van de toekomst,<br />

waarin God alles in allen is. Het gaat centraal om de aanbidding in de oratio, waarbij het gebed<br />

is opgenomen in het gebed van de mens Jezus, die zijn armen uitbreidt aan het kruis naar de<br />

wereld toe, om die in liefde in zich op te nemen. Op die manier is het gebed van Jezus<br />

versmolten in de innertrinitarische dialoog. (41) De christelijke eredienst kan dus niet een<br />

verchristelijkte vorm van de synagogale liturgie zien, hoeveel de kerk ook aan de synagoge te<br />

danken heeft.<br />

Maar als de logikè latreia (Rom. 12, 2) de binnenste kern van de christelijke liturgie is, komt<br />

daar alles samen. De geestelijke beweging van het Oude Testament komt samen met de<br />

innerlijke reiniging die in de godsdienstgeschiedenis gebeurt. Menselijk zoeken en goddelijk<br />

antwoord komen samen in de menswording van de logos. Daarom kan het woord eucharistia<br />

als dankzegging voor de menswording, kruis en opstanding van Christus, als ‘Kurzformel’<br />

gelden van de logikè latreia. (42)<br />

Het tweede deel: tijd en ruimte van de liturgie<br />

Het tweede deel van het boek van Ratzinger gaat over ruimte en tijd van de liturgie.<br />

Het eerste hoofdstuk over de voorvragen is een klassiek heilshistorisch stuk, waarbij alles<br />

anticipatie is. De verhouding OT / Nieuwe Testament wordt gevat in het schema van schaduw<br />

en werkelijkheid, de verhouding kerk en koninkrijk wordt gezien in de termen vervulling en<br />

hemelse realiteit. De toekomst wordt als het heden binnengebracht, zonder te verdampen tot<br />

een ‘realised eschatology’. Ook nu legt de paus weer verband tussen ritus en existentiële<br />

werkelijkheid, en hij herinnert er aan dat de oude kerk het martyrium als een werkelijke<br />

eucharistieviering heeft gezien. Het gaat er om dat het ‘semel’ (eenmaal, eph’ hapax)) van het<br />

14 <strong>Lectiones</strong> 8


offer van Christus tot ‘semper’ wordt: het offer is pas een geheel, als de wereld de ruimte van de<br />

liefde wordt.<br />

In het tweede hoofdstuk gaat de paus in op de heilige plaatsen en spreekt hij over de betekenis<br />

van kerkgebouwen. Als Christus voor de Vader staat voltrekt zich in Hem de cultus, waarin Hij<br />

met de zijnen samenkomt. De cultus voltrekt zich waar mensen samenkomen. De kerk is het<br />

samen geroepen volk van God, en de paus wijst dan ook op de samenhang van de woorden<br />

synagoge, ecclesia, en convocatio. De kerk gaat volgens Matt. 23, 2 op de synagoge terug<br />

omdat een rabbi nooit op eigen gezag spreekt, maar het woord van God analyserend en<br />

reflecterend representeert. Daarom is er verband tussen de heilige Arke, waar de Torah<br />

opgeborgen wordt, en de ark van het verbond in het binnenste heiligdom van de tempel. Sterk<br />

legt Ratzinger verband tussen de verbinding van de cultus van de tempel – waar de offers<br />

worden gebracht – en de woordliturgie van de synagoge, waar ze in de voorlezing worden<br />

gerepresenteerd. Hij ziet in het offer zo een wezenlijke constante doorwerken in de<br />

godsdienstige ruimte van christenen.<br />

Vier nieuwe dingen ziet hij ook.<br />

1. De oriëntatie van de kerk is niet meer de blikrichting op Jeruzalem, maar – universeel<br />

– op de opgang van de zon: het oosten. Het kosmische element treedt naar voren.<br />

2. Eucharistie is gelijktijdig worden met de daad van aanbidding van Jezus, deelhebben<br />

aan het Pascha als overgang van de wereld naar God toe, die Christus in zijn offer<br />

geopend heeft. Het altaar tegen de oostelijke wand is als het ware de plaats waar de<br />

hemel opengescheurd is. Ze sluit de kerkruimte niet af, maar opent de ruimte van de<br />

eeuwige liturgie.<br />

3. Vanwege het samengaan van Torah en evangelie in de christelijke eredienst wordt de<br />

plaats van waaraf Mozes gelezen wordt – de bima – de plaats van waaraf de bisschop<br />

het evangelie leest en uitlegt. De cathedra van Mozes wordt de stoel van de bisschop<br />

van waaraf – in de stijl van Mozes – ex cathedra gesproken wordt.<br />

4. Een bijzonder belangrijk onderscheid tussen kerk en synagoge ziet de paus daarin, dat<br />

in Israël slechts de aanwezigheid van mannen constitutief was voor de eredienst. In de<br />

kerk van Christus geldt het onderscheid tussen mannen en vrouwen principieel niet.<br />

Ook als de openbare dienst des woords niet aan vrouwen werd toevertrouwd, waren ze<br />

niettemin toch “genau wie die Männer in den Gottesdienst als ganzes einbezogen.”<br />

(64)<br />

Het derde deel: kunst en liturgie<br />

Ik sla nu heel veel over wat eigenlijk wel belangrijk is. Maar het slothoofdstuk bevat een aantal<br />

belangrijke dingen die ons echt moeten bezig houden.<br />

De geest van de liturgie 15


Over de heilige tijd nog dit: de paus begint met tijd als kosmische realiteit. De kringloop van de<br />

aarde om de zon, de tijd van uur tot uur, de dag van de morgen tot de avond, de kringloop van<br />

de seizoenen, de tijd van de planten en de jaarringen van de bomen geven aan dat de kosmos<br />

en de dingen daarbinnen hun eigen tijd hebben. Dit alles is in de liturgie op een eigensoortige<br />

manier aanwezig. De biddende mens is op het oosten gericht en zo op het paasgeheim van<br />

Jezus Christus. Van daaruit analyseert hij de scheppingsdagen van Gen. 1 en pas van daaruit<br />

komt hij bij de zondag als de eerste dag van de week, dag van Jezus’ opstanding. En pas van<br />

daaruit komt hij op de opstanding en het kruis als ‘het uur’ van Jezus. En van daaruit ontwikkelt<br />

hij de drie feestkringen van het kerkelijk jaar.<br />

Heel kort nu wat Ratzinger schrijft over de functie van de kunst en het vraagstuk van beelden.<br />

Hij wijst nadrukkelijk elke opvatting af die in de beelden meer wil zien dan een didactisch<br />

element. Beelden willen informatief zijn en kunnen niks meer zijn. Zo ziet hij in de<br />

oudchristelijke kunst, die later verder werkt in de Byzantijnse kunstvormen, het mysteriekarakter<br />

uit de antieke wereld, waardoor ze een sacramentele betekenis krijgen. Het concilie van Nicea<br />

ziet de iconenverering als een loochening van de incarnatie en zo de Summa van ketterijen.<br />

Het vierde deel: liturgische vormgeving<br />

Het vierde en laatste deel gaat over de liturgische vormen. Het eerste hoofdstuk gaat over de<br />

ritus, waarvan de kern omschreven wordt als het rechte aanbidden van God. Het is het<br />

meebidden en mee zijn in de Paasweg van Jezus, het mee voltrekken van zijn eucharistia, in de<br />

weg van het kruis die gaat van incarnatie tot opstanding. Zo opgevat houdt ritus meer in dan<br />

liturgie, het is een bepaalde manier van theologie beoefenen, namelijk in de vorm van geestelijk<br />

leven en in de vormden van rechtsorde van het kerkelijk leven. Ratzinger onderscheidt vier<br />

grote liturgische overleveringskringen. Hij gaat uit van Canon VI van het concilie van Nicea<br />

(325), die drie primaatzetels noemt: Rome, Alexandrië en Antiochië. Dat waren allemaal<br />

plaatsen die met de Petrustraditie in verband stonden. Ratzinger relativeert dat gegeven door te<br />

zeggen dat ons dat nu niet bezig hoeft te houden (2000), ondertussen heeft hij het wel gezegd<br />

(138). Spoedig kwam Byzantium daar bij. Er ontstond een nauwe band tussen Rome en<br />

Alexandrië en Byzantium en Antiochië anderzijds. Antiochië is de oorsprongsplaats van het<br />

heidenchristendom, de eerste plaats waar de volgelingen van Jezus christenen werden<br />

genoemd en de hoofdstad van Syrië. Daardoor hoort het binnen de taalruimte waar de<br />

openbaring is ingegaan. Uiteindelijk groeien de vier primaatzetels liturgisch uit tot de twee<br />

hoofdstromen van de christelijke kerk, namelijk Byzantium en Rome.<br />

Het behoort tot de ritus dat er een diachronisch moment is, het bidden met de vaderen en de<br />

apostelen, en een locaal moment, van Jeruzalem naar Antiochië, Rome, Alexandrië en<br />

Constantinopel. Riten zijn daarom niet de vrucht van inculturatie, hoezeer ze ook elementen uit<br />

de cultuur in zich opnemen, maar gestalte van de apostolische overlevering in haar ontvouwing<br />

in de grote traditieruimten. (141)<br />

16 <strong>Lectiones</strong> 8


De eerste duizend jaar was er nog een wederzijdse bevruchting van de oosterse en de<br />

westerse kerk, na de splitsing, als gevolg van het petrinische gezag, kon dat niet meer (142).<br />

Dat betekent niet dat de paus een absolute monarch is, al kon dat na Vaticanum I zo lijken. De<br />

volmacht van de paus is gebonden aan de overlevering van het geloof en hij oefent zijn ambt<br />

ook in liturgische zaken uit als deemoedige dienaar van de rechte ontwikkeling van de liturgie<br />

vanuit haar blijvende integriteit en identiteit (143).<br />

Het was de tragiek van de Lutherse Reformatie dat het gebeurde in een tijd waarin juist de ritus<br />

van de kerk “weitgehend verdeckt und unverstanden war.” (144) Ondanks zijn nadruk op de<br />

Schrift alleen heeft Luther de geldigheid van de oudchristelijke belijdenissen nooit bestreden.<br />

Hij heeft hier een spanning laten bestaan die het grondprobleem van de reformatie is geworden.<br />

De Schrift is volgens Ratzinger alleen de Schrift wanneer zij leeft in het subject van de kerk.<br />

Daarom is het onjuist om de liturgie in de Schrift te verankeren. Wie dat doet, verankert de<br />

liturgie in exegese als menselijke subjectieve werkzaamheid. Dan verwissel je geloof met een<br />

mening. De liturgie wordt gefundeerd in mensenmening en wordt dan op zand gebouwd.<br />

Slechts respect voor de ontwikkelingsgang (Vorgängigkeit) en de ‘grundsätzliche Unbeliebigkeit<br />

der Liturgie’ kan ons geven wat we hopen: een liturgie die niet gemaakt wordt, maar<br />

geschonken.<br />

Dat houdt ook in dat creativiteit geen authentieke categorie van de liturgie kan zijn. Anders dan<br />

in de kunst gaat het in de liturgie niet om het vrije kiezen van mensen. Dan wordt ze immers<br />

leeg. In de liturgie leef je niet van de invallen van mensen, maar van de inval van God in onze<br />

wereld, waar priester en gelovige zich deemoedig aan overgeeft.<br />

Dat heeft niets te maken met verstarring, aldus Ratzinger.<br />

Natuurlijk spelen locale kleuren wel een rol. Als voorbeeld – en hij komt er later op terug –<br />

noemt hij het missaal van Zaïre. Dat is gewoon de Romeinse ritus, alleen Kongolees toegepast.<br />

Er is ook wel verschil met het klassieke Romeinse missaal, bij voorbeeld doordat men de<br />

3<br />

vredegroet wisselt voor de inzameling van de gaven, “was mir durchaus sinnvoll scheint”, 146.<br />

Het tweede hoofdstuk gaat over ‘Der Leib’ der Liturgie.<br />

Belangrijk is de ‘tätige Teilnahme’ van de gelovigen aan de liturgie. Daarmee bedoelt de paus<br />

niet dat de gelovigen zelf, bij voorbeeld in het zingen en in de responsies, een actief aandeel<br />

hebben in de dienst. Dat vindt hij een heel secundair gegeven in de liturgie (en begrijp ik hem<br />

goed mag dat wat hem betreft verdwijnen). Wat hij wel bedoelt is, dat ze zelf betrokken zijn ook<br />

in de handelingen die de priester verricht. Bij voorbeeld in het grote gebed dat de kern van de<br />

eucharistieviering is. Dat noemt men niet voor niets oratio. Het is een woordhandeling dat aan<br />

het gebed een plechtig feestelijk en openbaar karakter geeft (148) als eigenlijke handeling waar<br />

de hele schepping op wacht en waardoor de elementen van de aarde worden<br />

omgesubstantiëerd. De eigenlijke actie is de liturgie is het handelen van God zelf waaraan wij<br />

3<br />

In werkelijkheid noemt de paus een Congolese variant op het missale<br />

romanum wat in werkelijkheid gewoon een – zij het recente, sinds de<br />

zeventiger jaren van de vorige eeuw – anglicaanse traditie is.<br />

De geest van de liturgie 17


allen deelhebben. In deze handeling voert Hij de nieuwe schepping op en maakt zich daardoor<br />

zelf toegankelijk. Doordat God zelf mens werd, lichaam, en steeds opnieuw – in brood en wijn –<br />

als lichaam op ons toetreedt, kunnen wij, die lichamelijk leven, deel hebben aan Hem wanneer<br />

het hele gebeuren van incarnatie, kruis en opstanding, wederkomst, reëel present wordt<br />

gesteld. (in geconsacreerd brood en wijn). Het offer van de logos is al aangenomen, maar wij<br />

moeten er om bidden dat ook ons offer wordt aangenomen, dat wij zelf om zo te zeggen<br />

‘gelogiseerd’ (‘logisiert’) worden. Daarin vindt van de zijde van de gelovigen een coöperatie met<br />

God plaats. Eigenlijk is het zingen en zijn de responsies van secundair karakter. Wij worden<br />

pas helemaal actief als het ageren van onze kant ophoudt en wij ons voegen in het gebed van<br />

de priester (150). In de liturgie van het vleesgeworden woord wordt ons in brood en wijn<br />

lichamelijk uitgereikt de nieuwe lichamelijkheid van de opgestane. Daarin wordt een appel<br />

gedaan op ons lichamelijke bestaan in het leven van elke dag. De liturgie van het geloof reikt<br />

daarom boven de cultusakte uit waardoor het leven van elke dag zelf liturgisch wordt, liturgie is<br />

dienst tot verandering, omvorming (“Verwandlung”) van de wereld, 151. Het alledaagse leven<br />

wordt daardoor ‘auferstehungsfähig’, georiënteerd op het rijk van God waarvan de korte formule<br />

luidt: uw wil geschiede, zoals in de hemel, zo ook op aarde. Al vierend voegen we ons in de<br />

gang van incarnatie, kruis en opstanding waarin onze wil wordt omgevormd tot de<br />

wilsgemeenschap met God, waardoor we gericht worden op de heerschappij van de liefde, het<br />

rijk van God.<br />

Vanuit deze grondgedachten ontwikkelt Ratzinger nu een theologie van concrete riten en<br />

symbolen.<br />

Allereerst het maken van het kruisteken waarin we ons voegen in kruis en opstanding beiden.<br />

Met het kruisteken voegen we ons in de belijdenis van de drie-enige God. Het is een openbaar<br />

ja tot Hem die voor ons heeft geleden en is gekruisigd. We belijden die God die niet door te<br />

verwoesten maar door de deemoed van het lijden en de liefde regeert. Door het kruisteken te<br />

maken aanvaarden we onze doop opnieuw. Immers trekt Christus ons vanuit het kruis tot zich,<br />

Joh. 12, 32. Het kruisteken is al heel oud volgens de paus. In 1873 zijn bij de olijfberg Griekse<br />

en Hebreeuwse graftekens ontdekt uit de tijd van Jezus. Nu is het kruisteken ook een kosmisch<br />

teken, zo laat hij vanuit de geschriften van Plat (vooral Timaios) zien. Justinus Martyr heeft deze<br />

tekst bij Plato gezien en brengt haar in verband met het heilshistorische handelen in Jezus<br />

Christus. Wat Plato als wereldziel zag – in het kruisteken – wordt een teken van de komende<br />

logos, de Zoon van God. Het gaat om iets dat Plato heeft geleerd van de pythagorese traditie,<br />

die het op haar beurt weer ontleende aan het oude oosten (de wereld van Babel). De eclips uit<br />

de antieke astrologie, waarbij zonnestelsels hun beweging maken en onze zon haar baan trekt,<br />

4<br />

snijdt de baan van de aarde en zo wordt de Griekse letter chi gemaakt. (155) Het kruis van<br />

Golgotha wordt voorafgebeeld in de structuur van de kosmos. De kosmos spreekt van het kruis<br />

en het kruis van Golgotha ontraadselt de kosmos, zo zegt Ratzinger Justinus na. Zo kunnen we<br />

4<br />

Wie dit begrijpt mag het mij nog eens uitleggen<br />

18 <strong>Lectiones</strong> 8


door het teken van het kruis elkaar tot zegen zijn, en grijpt de belofte aan Abraham vooruit op<br />

Christus. Door onszelf en elkaar te tekenen met het kruis van Christus treden we binnen in de<br />

zegenende kracht van Christus en stellen anderen er onder en daardoor weer de hele<br />

schepping.<br />

Veel werk maakt de paus van het teken van het knielen en de prostratio. Het knielen komt niet<br />

uit een bepaalde cultuur, het komt uit de bijbel zelf vandaan, aldus Ratzinger. Jezus zelf heeft<br />

gebeden op de knieën en met het aangezicht ter aarde. Door te knielen stellen we ons onder de<br />

wil van God nadat we door de zondeval daar tegen in opstand waren gekomen. Knielen is een<br />

gebaar van bevrijding van de wil. Met het gezicht naar de aarde is teken van algehele<br />

onderwerping en beschikbaarheid.<br />

De paus herinnert (162) aan zijn bisschopswijding. Hij had toen een brandend gevoel van<br />

ongenoegen vanwege de grootheid van de taak en zijn eigen onbekwaamheid. Maar hij voelde<br />

zich gedragen door de litanie van alle heiligen: hij wist zich gesteund door het gebed en de<br />

aanwezigheid van alle heiligen. Eens zal alle knie zich buigen voor Hem die zichzelf ontledigd<br />

heeft en zichzelf heeft vernederd tot de dood aan het kruis, Fil. 2, 5-11.<br />

5<br />

Staan en zitten zijn beide ook gebedshoudingen. In het staan – dat moet volgens de traditie<br />

vooral met Pasen gebeuren – drukken we de overwinning van Christus uit. Staan is ook<br />

uitdrukking van bereidheid tot dienst. Een andere figuur is de zogenaamd orantenhouding, die<br />

ons vanouds bekend is uit de schilderingen op de catacomben. Het is de houding van de<br />

biddende kerk, en daarom is het een vrouwenfiguur, het bruidselement komt er in tot<br />

uitdrukking. Juist de orantenhouding maakt duidelijk dat bidden ook is het vooruitgrijpen op de<br />

komende heerlijkheid. Zitten hoort meer bij het meditatieve verinnerlijken van de schriftlezing en<br />

de preek.<br />

In al deze houdingen gaat het er om de blik op Christus te richten, zoals de Hebreeënschrijver<br />

vooral zegt, 12, 3. Het zitten in de lotushouding drukt uit het afdalen in zichzelf, de eigen ziel.<br />

Het komt uit de religiositeit van India en hoort in de christelijke liturgie niet thuis. De blik op<br />

Christus richten beantwoord aan het Oudtestamentische zoeken van het aangezicht van God.<br />

De dans hoort in de christelijke liturgie ook niet thuis. De vraag doet zich dan wel voor of de<br />

dans van David bij het overbrengen van de ark van het verbond, bij welke gelegenheid hij een<br />

fixe ruzie met zijn ega niet uit de weg ging omdat zij smadelijk gesproken had over de slavinnen<br />

5<br />

Ratzinger gaat er een beetje met een natte vinger op in, hij verwijst nergens<br />

naar bronnen waaruit blijkt hoe het in de bijbel of in de traditie van de kerk is<br />

ervaren. Dat is ook het geval bij Anselm Grün OSB / Michael Reepen OSB,<br />

Gebetsgebärden, Münsterschwarzacher Kleinschriften 46,<br />

6<br />

Münsterschwarzach 1997 (1988). Een bijbelse fundering van alle in de<br />

christelijke traditie (van liturgie en persoonlijk gebed) voorkomende vormen<br />

van gebedshouding is te vinden bij J.P. Versteeg, Het gebed volgens het<br />

Nieuwe Testament, Telosboek, Zicht op de bijbel 10, Amsterdam 1991 3<br />

(1976), 75-79<br />

De geest van de liturgie 19


ij wie David gewicht en uitstraling (kabod) wil verwerven, niet een bij uitstek liturgisch karakter<br />

droeg, hoe erotisch die dans ook moet zijn geweest. Hierbij is er aan te herinneren dat in de<br />

6<br />

protestantse traditie daar wel vormen voor gevonden zijn. Vroeger kende men zegt de paus –<br />

het in christelijke gnostisch – docetische kringen. Op de plaats van de kruisliturgie stelde men<br />

daar de dans, want lijden en kruis waren immers slechts schijn. Cultische dansen horen thuis in<br />

niet – christelijke religies waarin ze bewerend van karakter zijn, of mystieke extase uitdrukken.<br />

Geen van deze vormen beantwoordt aan de innerlijke liturgie van de liturgie die een<br />

woordkarakter heeft. Waar de Ethiopische of Zaïrese ritus dansvormen lijkt te hebben, gaat het<br />

in werkelijkheid om een ritmisch geordend schrijden (171). Soms sluit liturgie aan bij<br />

volksvroomheid, zoals in de Echternachse springprocessie. In het noorden van Chili bestaat<br />

een Mariavroomheid die gepaard gaat met dans en het dragen van maskers. De paus heeft er<br />

niet veel goede woorden voor over omdat “die Masken mir eher furchterregend erschienen.”<br />

(171) Voor het overige is er wel ruimte voor deze cultureel bepaalde volksvroomheid. Immers:<br />

“Diese Verbindung von Liturgie und heiterer Weltlichkeit (‘Krirche und Wirtshaus’) hat immer als<br />

typisch katholisch gegolten und ist es auch.” (172)<br />

Van inculturatie wil de paus eigenlijk niet weten. Ik geef een uitvoerig citaat om aan te geven<br />

wat hij er precies over zegt: “Die erste und grundlegende Weise der Inkultuation ist die<br />

Entfaltung einer christlichen Kultur in ohren verschiedenen Dimensionen: einer Kultur des<br />

Miteinander, der sozialen Fürsorge, der Achtung vor den Geringen, de Ueberwindung der<br />

Standesunterschiede, der Sorge um die Leidenden und Sterbenden; einer Kultur, die Bildung<br />

des Verstandes und des Herzens im rechten Miteinander gibt. einer politischen Kultur und eine<br />

Rechtskultur; einder Kultur des Dialogs, der Ehrfurcht vor dem Leben, usw.” (171) Hij toont veel<br />

waardering voor de verbinding in Latijns Amerika tussen het lijden van Christus en het lijden van<br />

het volk. (173) Hij denkt daarbij vooral aan de Mariavroomheid waarin het hele geheim van de<br />

menswording, de tederheid van God en het betrekken van de mens binnen in Gods eigen<br />

wezen, het wezen van het goddelijke handelen, diep ervaren wordt.<br />

Het kleed waarmee gelovigen bekleed worden mag herkenbaar worden in de kleur van het<br />

kleed waarmee de priester zich kleedt. Daarin wordt Christus zelf als opgestane herkenbaar,<br />

zoals de jongelingen in het lege graf: het kleed is wit, zoals het doopkleed, het eerste<br />

kledingstuk waarmee dopelingen bekleed worden als zij uit het water komen. Het herinnert ook<br />

aan de witte klederen uit de Openbaring (19, 8).<br />

De katholieke liturgie is liturgie van het vleesgeworden woord. De materiele elementen van de<br />

schepping doen er volop in mee. Olie, water, brood en wijn. Brood en wijn zijn typisch producten<br />

van landen rond de Middellandse Zee. Zijn ze daardoor niet cultuurbepaald? Nee, zegt de<br />

6<br />

In de jaren ’70 heeft de predikant Andries Kobus vormen gevonden voor de<br />

liturgische dans.<br />

20 <strong>Lectiones</strong> 8


kardinaal, want het zijn deze gaven van de schepping waardoor heen God onmiddellijk heeft<br />

gehandeld. Ze horen bij de eenmaligheid van het handelen van God in Christus.<br />

Kanttekingen<br />

Zo heb ik geprobeerd een paar lijnen door het boek van de paus aan te geven om de geest van<br />

de liturgie voor het voetlicht te krijgen. Ter afsluiting veroorloof ik mij een paar korte<br />

kanttekeningen.<br />

1. Taal en stijl van de kardinaal zijn voortdurend apodictisch. Er wordt eigenlijk nergens<br />

een opening geboden voor een discussie, en ook als zijn exposé niet helder is (en<br />

misschien niet helder kan zijn, bij voorbeeld als het gaat om de verhouding van de data<br />

25 maart en 25 december, 93) had een voorzichtiger schrijftrant niet misstaan.<br />

2. Meer inhoudelijk is een kanttekening bij de methode. Doen we aan de liturgie niet meer<br />

recht als we niet – zoals de paus doet – uitkomen bij het ‘uur’ van Jezus’ kruis en<br />

opstanding, maar er mee beginnen, in het kader van de verworteling in Israël? Liturgie<br />

wortelt toch in de openbaring van God, d.i. in de daden van God in de geschiedenis?<br />

Dan doet alles mee, de natuur, de jaarringen, de kosmos, maar toch wel in het kader<br />

van het heilshandelen van God. Ook in liturgicis mag gedacht worden vanuit het<br />

bijzondere naar het algemene, om met Miskotte te spreken.<br />

3. Het is werkelijk prachtig hoe de paus de klassieke heilshistorische methode heeft<br />

gedynamiseerd en gemoderniseerd. De bisschop op de cathedra is echt Mozes die<br />

van de berg afdaalt en de rabbi die onderricht geeft. De toekomst is er al in de<br />

voorfase. In de wijze waarop hij alles ziet als ‘Antipization, Vorwegnahme’, is het alsof<br />

je de protestantse tijdgenoten Moltmann en Pannenberg hoort. Blijft de vraag of zo<br />

recht wordt gedaan aan het eigen spreken van het Oude Testament, en de waarde en<br />

het gezag van het Oude Testament als bron en wortel van het Nieuwe Testament. Hoe<br />

veel aandacht de paus ook exegetisch en bijbels - theologisch heeft voor<br />

Oudtestamentische teksten en modellen, het blijft proto-euangelion en een opstapje tot<br />

Christus.<br />

4. In de verhouding bijbel en liturgie zijn nog wel een paar andere dingen te zeggen dan<br />

de paus heeft gedaan: de paus wekt toch de indruk dat we ons op het drijfzand van<br />

menselijke meningen begeven als we de bijbel als bron raadplegen. Hij ziet de schrift<br />

meer functioneren in het lichaam van de kerk. Met zijn leergezag, moet je daar dan bij<br />

denken. Alsof het gevaar van drijfzand daar niet dreigt en alsof het in het exegetische<br />

debat niet gaat om de worsteling om het verstaan van de Schrift. Kijkend naar een<br />

7<br />

boekje als van E.H. van Olst, kijkend naar het werk van o.a. Rudolf Boon is er over de<br />

8<br />

verhouding bijbel en liturgie inhoudelijk veel te zeggen. Trouwens, de paus maakt dat<br />

7<br />

E.H. van Olst, Bijbel en liturgie, een pleidoor voor het vieren, Baarn 1983<br />

8<br />

Te denken is vooral aan R. Boon, Ontmoeting met Israël, het volk van de<br />

Torah, Nijkerk 1974, en idem, De joodse wortels van de christelijke<br />

eredienst, aflevering 40 mededelingen Prof. dr. G. van der Leeuwstichting,<br />

De geest van de liturgie 21


zelf ook wel duidelijk, bij voorbeeld als hij uitlegt waarom de priester een wit gewaad<br />

draagt. Geen gereformeerde die het schriftbewijs kan verbeteren.<br />

5. Juist hier raken we ook aan het punt naar de verhouding tussen cultuur en liturgie. In<br />

de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> is dat op het ogenblik een zwaar aandachtspunt in verband met<br />

de discussie met Marcel Barnard. Maar de paus doet of die relatie er niet toe doet. In<br />

de wijze waarop hij de hoofdstroom van de geschiedenis van de liturgie beschrijft<br />

kunnen we ook een creatieve hand aan het werk zien, geleid door wel zeer creatieve<br />

invallen. In elk geval doet hij geen recht aan de verscheidenheid die binnen de<br />

liturgische traditie te zien is. De viertallen (Byzantium en Alexandrië, Rome en<br />

Antiochië) wordt al snel een tweetal en dan blijft heel snel Rome over. Dat is toch echt<br />

wat spannender gegaan dan de paus suggereert. En de invloeden van de cultuur<br />

waren toch echt groter dan de paus suggereert. De relativering van het mediterrane<br />

karakter van de stoffelijke elementen in de symbolen, riten en sacramenten van de<br />

kerk vanuit het heilshandelen van God aan Israël en in Jezus Christus maak ik op zich<br />

wel mee, ik zal nooit vergeten dat in mijn Asser tijd een vertegenwoordiger van de kerk<br />

in het gebied van de Stille oceaan met zijn kokosnoottheologie kwam. In verband met<br />

de verhouding liturgie en cultuur is nog wel heel wat te zeggen over kunst in de kerk,<br />

en de waarde van creatieve invallen van allerlei kunstenaars. Dat mag wel wat meer<br />

ruimte krijgen dan Ratzinger waar wil hebben, als het waar is dat mensen actief<br />

worden betrokken bij de liturgie. Dat laat onverlet dat het onmiskenbaar is dat het<br />

wezen van de daadwerkelijke deelname van de gelovige is dat ze zich voegen in de<br />

wezenlijke woorden die worden gesproken in het eucharistische gebed.<br />

6. Toch laat de paus wel zien dat inculturatie moeilijker is dan het lijkt. Waar kun je bij<br />

aansluiten? Vreekamp laat ook zien dat er elementen in de Saksische traditie zijn die<br />

9<br />

niet door het doopwater heen gaan. En het is waar dat de christelijke verkondiging en<br />

viering van het leven dingen met zich meebrengt die afgezien van welke cultuur dan<br />

ook hun onmiskenbare betekenis hebben: gemeenschapszin, zorg voor de lijdende en<br />

de zwakke. Dat brengt de christelijke traditie zelf met zich mee. De vraag is alleen of er<br />

niet iets royaler omgegaan kan worden met de cultuur van de mensen dan Ratzinger<br />

waar wil hebben. We hebben iets te vaak gezien dat niet een bijbelse manier van<br />

leven, maar het westerse intellectualisme gaat domineren. Daar lijkt de paus in het<br />

Amsterdam 1970, waarin hij de betekenis van de gedachtenis vooral vanuit d<br />

joodse traditie centraal stelt. Heel fundamenteel is zijn verworteling van de<br />

kerk in Israël in zijn boek Op zoek naar de identiteit van de kerk, Nijkerk 1970.<br />

Geheel en al op exegese gebaseerd is de studie van G.N. Lammens, Tot zijn<br />

gedachtenis. Het commemoratieve aspect van de avondmaalsviering,<br />

Kampen 1968<br />

9<br />

Hendrik Vreekamp, Zwijgen bij volle maan. Veluwse verkenning van Edda,<br />

Evangelie en Torah, Zoetermeer 2003<br />

22 <strong>Lectiones</strong> 8


geheel geen oog voor te hebben. Dat laat onverlet dat de paus vanuit de traditie van<br />

de kerk kernzaken aan de orde stelt die zich niet laten negeren.<br />

7. Ten slotte: volgens de paus voegt de liturgie zich in het corpus Christi en is er geen<br />

ruimte voor creativiteit en fantasie. De praktijk van de gemeente is dat er altijd<br />

creativiteit en fantasie is, die mede bepalend is voor de liturgie. Ratzinger is hier erg<br />

rigoureus. Onze tijd heeft de neiging naar de andere kant rigoureus te zijn: wat hebben<br />

we met de traditie te maken, wij kunnen de liturgie zelf uit vinden. De liturgische<br />

beweging botst iedere keer op tegen het individualisme en eigengereidheid die de 20 ste<br />

eeuw te zien gaf, als gevolg waarvan de traditie in het geheel geen rol meer speelt. In<br />

onze tijd is dat het hardst zichtbaar in de evangelische beweging, die van geen traditie<br />

wil weten wat de liturgie betreft. Hier liggen vragen, die niet beantwoord kunnen<br />

worden zoals de paus dat doet, maar ik stel voor hem als gesprekspartner aan te<br />

houden.<br />

Er is meer te zeggen. Ik laat het hierbij.<br />

De geest van de liturgie 23


Inleiding<br />

DE NOODZAAK VAN DE PREEK<br />

Om het levende Woord – deel 10<br />

door Roel de Meij Mecima<br />

Tegen de achtergrond van de steeds luider wordende discussie over het bestaansrecht van de<br />

preek en de daaruit blijkende vervreemding, gaan de diverse bijdragen in dit nummer in op de<br />

vraag wat in bijbels perspectief onder een preek zou mogen worden verstaan. De<br />

langzamerhand ingeburgerde opvatting dat wij in de preek te maken zouden hebben met een<br />

algemeen communicatiemiddel – religieus al dan niet – wordt door verschillende schrijvers<br />

onder kritiek gesteld. Daarbij wordt gepoogd om het fenomeen ‘preek’ tot zijn bijbelse<br />

oorsprongen terug te leiden en haar intentie en heilsmacht opnieuw voor het voetlicht te<br />

brengen.<br />

N. T. Bakker - Het wonder van de prediking<br />

DE KRACHT VAN HET KERUSSEIN<br />

In van Dale’s groot woordenboek wordt onderscheid gemaakt tussen ‘preken’ en ‘prediken’.<br />

Preken is het houden van een rede, die op de kansel voor een vergaderde gemeente gehouden<br />

wordt ter godsdienstige onderwijzing, vermaning of vertroosting. Prediken daarentegen wordt<br />

meer in het bijzonder gezegd van Gods woord en het openlijk verkondigen van het evangelie.<br />

Inhoud van de prediking is globaal genomen: ‘woord van God’, ‘koninkrijk Gods’ of ‘koninkrijk<br />

der hemelen’.<br />

Grondvorm van kerkelijke prediking is het spreken en handelen van Jezus.<br />

Drie werkwoorden die activiteit van hem nader omschrijven:<br />

8. euangelizesthai = verkondigen van een (de) goede boodschap;<br />

9. didaskein = leren en onderwijzen;<br />

10. kerussein = uitroepen, als gevolmachtigde heraut aankondigen.<br />

Met deze woorden is het geheel van zijn werkzaamheid aangeduid. Zij hebben betrekking op<br />

totus Christus.<br />

Opvallend is het gebruik van het woord kerussein in het Nieuwe Testament. Voor dit verbum<br />

bestaat er in het Oude Testament geen uitgesproken parallel. Luther vertaalde met ‘predigen’.<br />

Barth is van oordeel dat de voorstellingswereld van dit woord te belast en te problematisch is<br />

24 <strong>Lectiones</strong> 8


om als vertaling voor kerussein te kunnen dienen. In de taal van de het Oude Testament en van<br />

het laat-jodendom heeft kerussein niet betekenis gehad als in het Nieuwe Testament. Volgens<br />

Barth hangt dat samen met het feit dat het nieuwtestamentische kerussein teruggaat op een<br />

factum, op een voldongen feit waar in het Oude Testament nog geen sprake kon zijn.<br />

Tussen Oude Testament en Nieuwe Testament bestaat met betrekking tot het kerussein een<br />

opmerkelijk verschil. Het Nieuwe Testament ziet niet enkel vooruit naar toekomstig gebeuren,<br />

maar blikt daarbij juist terug op een concreet perfectum in de tijd, een vervuld gebeuren, dat<br />

reeds heeft plaats gevonden en dat van daaruit vooruitblikt naar een gevuld futurum. Het schept<br />

een nieuwe tijdboog die zich uitspant tussen de tijd van Degene die reeds gekomen is en<br />

tussen de tijd van Dezelfde die weer komen zal. Voor deze dubbel gekwalificeerde tijd van<br />

Ièsous kurios bestaat in het Oude Testament geen equivalent.<br />

De gang van de oudtestamentische debarim kondigen de finale aan, lopen daarop vooruit en<br />

dragen deze reeds in zich. Deze finale is de inhoud van het nieuwtestamentisch kerussein. Het<br />

ziet terug op een afsluitend en definitief perfectum, om van daaruit voorwaarts te zien op de<br />

universele manifestatie. Kerussein is het uitroepen van het nabijgekomen Godsrijk, als factum<br />

en als factor, als finale beslissing.<br />

SURREALISTISCHE VERBEELDING<br />

Het door het kerussein uitgeroepen Wonder-in-het-midden, de aankondiging van het Godsrijk<br />

op aarde, de aanzegging van een gans andere werkelijkheid stempelt de prediking, zowel van<br />

het Oude Testament als van het Nieuwe Testament tot surrealistisch evenement.<br />

De predikheer of –vrouw moet gevoel voor fantasie hebben om zich te kunnen inleven in het<br />

surrealisme van de bijbelse verkondiging. De bijbelse debarim zijn doordrenkt met een hemelse<br />

humor, met een speelsheid en lichtvoetigheid, die surrealistisch aandoet. Je moet gevoel voor<br />

humor hebben om de zon te doen stilstaan in Gibeon en de maan in het dal Ajalon, zoals de<br />

schrijver van Jozua 10, of een engel te laten neerdalen die vervolgens op de weggewentelde<br />

steen gaat zitten vóór het graf, zoals de schrijver van Mattheüs 28.<br />

Vele preken zijn eenvoudig niet om aan te horen vanwege de quasi-moderne, liberale<br />

denkgewoonte, die het realiteitsgehalte van de verkndiging afmeet aan d eigen ervaring of wat<br />

daarvoor doorgaat. In de theologie bestaat geen fantasielozer begrip dan het begrip ‘ervaring’.<br />

Wil de tolk en getuige bij de zaak blijven, dan zal hij of zij eraan moeten wennen (en je went er<br />

nooit helemaal aan – goddank-!) dat er in de Schrift dingen gebeuren, die niet kunnen<br />

gebeuren; toestanden bestaan, die niet kúnnen bestaan, verhalen worden verteld die niet<br />

kloppen en ook niet kúnnen kloppen. Absurdissima waar kunstenaars en dichter doorgaans<br />

mee begrip voor tonen dan de zogenaamde ‘wetenschappelijke’ theologie.<br />

De noodzaak van de preek 25


GEBONDENHEID<br />

De prediking is een gebonden spreken. Zij is gebonden aan de Schrift, die op haar beurt de<br />

neerslag is van het geschiedende Woord.<br />

Ideologische drijverij en confessioneel fanatisme zijn in strijd met het wezen van de<br />

verkondiging. Deze ontsporingen treden met name dán op, wanneer de preek zich<br />

verzelfstandigt en de dienaar zijn eigen woorden in de plaats stelt van hét Woord. De preek<br />

verlaat dan de actieradius van het geschiedende Woord en gaat haar eigen winkeltje beginnen,<br />

veelal onder het vals voorwendsel dat de preek ‘dicht bij de mensen’ moet blijven, moet<br />

‘aanspreken’, begrijpelijk’ moet zijn enz. enz.<br />

WIE IS GELIJK AAN DÉZE<br />

Tot de vooronderstelling van de prediking behoort niet in de laatste plaats de leer van het èchad<br />

Adonai, de enigheid Gods. De arbeid van de prediking wordt ernstig belemmerd, indien de<br />

hermeneutische regel van het èchad Adonai niet in acht wordt genomen. De religie ligt op de<br />

loer. De preek die zich beweegt op de dynamische lijn van het èchad Adonai ademt<br />

verwondering, verbazing, ja, zelfs verbijstering.<br />

Het grandioze denkwerk van de Kirchliche Dogmatik is ontstaan uit de nood van de prediking.<br />

Het is de nood van de èchad Adonai, waarvoor de bijbel ons stelt. Wie meent daaraan voorbij te<br />

kunnen gaan, zal vroeg of laat worden opgeschrikt door een irritant en indringend stemmetje<br />

e<br />

dat blijft doorzeuren met de vraag: wat jij als mens van de 21 eeuw in vredesnaam nog in de<br />

ekklesia te zoeken of te melden hebt.<br />

Het debat om de rechte verkondiging behoort niet te worden uitgevochten in de praktische<br />

theologie, maar in de bijbelse theologie en in de dogamtiek. Over de rechte prediking beslist<br />

uiteindelijk het testimonium Spiritus Sanctie, het getuigenis van de Heilige Geest. Maar dat<br />

geeft de predikant nog niet het recht om naar believen zijn of haar verhalen op de gemeente los<br />

te laten.<br />

De dienst van het theologische onderwijs aan de prediking bestaat dan ook hierin, om, met<br />

behulp van alle mogelijke denk- en communicatiemiddelen waarover onze tijd beschikt, het<br />

onvergelijkbaar eigene van de bijbelse verkondiging in het vizier te nemen, intellectueel en<br />

emotioneel, en af te grenzen tegenover allerlei ‘wind van leer’.<br />

In de bijbel, zo zegt Miskotte, wordt over onze hoofden heengepraat, daarin gaat het alleen over<br />

God. En nu is dit de schijnbare paradox: het meer het over Hem gaat, des te meer blijkt het<br />

gaan over óns! Voor de prediking blijft het een hachelijke onderneming, het èchad Adonai te<br />

26 <strong>Lectiones</strong> 8


vertolken op een wijze, waarin Gods onthevenheid zichtbaar en tastbaar wordt juist in zijn<br />

menselijkheid en zijn menselijkheid juist als zegel op zijn onthevenheid.<br />

DE PREEK ALS MEDICIJN<br />

In de ware godsdienst noemt Augustinus de kerk van Christus een geneesmiddel voor de ziel,<br />

om haar uit de orde der tijdelijke dingen te doen opklimmen tot de eeuwige hemelse dingen.<br />

Augustinus spreekt over de functie van de kerk als medicina, als geneesmiddel. Vergelijk<br />

hiermee de prediking als medicijn tegen een virus dat de menselijke ziel tot in de kern aantast<br />

en dat zich via de globaliserende dynamiek van het kapitalisme zich als aids schijnt te<br />

verspreiden all over the world, alle normen en waarden wegvagend en verpulverend tot niets.<br />

Als tolk en getuige blijven wij bedelaars. Maar het kan zijn, dat onze armzalige preek wordt<br />

gezegend en in dienst genomen tot genezing van de volken.<br />

R. Zuurmond – De preek als exorcisme<br />

EEN ‘PROBLEEM’<br />

De preek lijdt in onze tijd een ernstig functieverlies. Mensen willen niet meer bepreekt worden.<br />

e<br />

De sociale en ideologische rol van de kerk is in de 20 eeuw overgenomen door de<br />

massamedia. De massamedia zorgen in subtiele formuleringen en door selectieve<br />

‘berichtgeving’ voor een dagelijkse uitstorting zeer autoritaire en ongehoord arrogante preken.<br />

Preek en prediking<br />

De ‘preek’ in de messiaanse gemeente stond van de aanvang af geheel in dienst van de<br />

‘prediking’, d.i. de verkondiging van het Woord, de Woord-Daad, het Daad-Woord van God. De<br />

kerken echter lijken zich soms ongeruster te maken over de vraag hoe wij meer mensen op de<br />

kerkbanken krijgen, dan over de vraag of het Evangelie wordt gediend.<br />

De prediking heeft de functie van onderwijzing, vermaning en vertroosting en exorcisme. Vraag:<br />

wat wil het zeggen dat door rechte prediking van het Woord de onheilige geesten die zich in de<br />

wereld en in de gemeente breed maken, worden teruggedrongen en uitgedreven.<br />

EXORCISME<br />

Hieronder verstaat men meestal het door middel van bepaalde woorden, gebaren of riten,<br />

bezweren van demonische machten; zowel in de zin van uitdrijving en verwijdering, als in de zin<br />

van het afwerend stellen van effectieve grenzen tegen hun eventueel hernieuwd opdringen.<br />

Exorcisme is vrij vroeg verbonden met de doop.<br />

De noodzaak van de preek 27


Prediking als exorcisme is niet bedoeld als een min of meer bewust gebruik van occulte<br />

formules in moeilijke pastorale gevallen, maar het gaat om exorceren van kwade machten als<br />

een min of meer vanzelfsprekend nevenverschijnsel van de rechte prediking. Gaat heen in de<br />

gehele wereld, verkondigt het Evangelie aan de ganse schepping……Als tekenen zullen deze<br />

dingen de gelovigen volgen: in mijn Naam zullen zij boze geesten uitdrijven…..[Marc. 16:15vv].<br />

KERUGMA<br />

Prediken in het Hebreeuws is kara = roepen, uitroepen, toeroepen [vgl. Jona 3:2]. In het Nieuwe<br />

Testament klinkt kerussein = proclameren, verkondiging – afgeleid hiervan kerugma. Horen is in<br />

het Oude Testament shama, het woord prediking in Jesaja 53:1 is hiervan afgeleid. In Grieks<br />

gaat het om akouein en afgeleide woorden daarvan. De apostelen en profeten in de Heilige<br />

Schrift prediken uit niet uit zichzelf, maar zij prediken omdat zij gezonden zijn. De apostel en<br />

profeet is zelf een angesprokene. De Heilige Schrift, als neerslag van de prediking van profeten<br />

en apostelen is eveneens prediking, waarbij de EEUWIGE het subject van de prediking is. God<br />

komt in de prediking tot ons en maakt ons daarin tot gemeenschappelijke hoorders. De<br />

gemeente is gegeven met het Woord. Het Woord predikt uiteindelijk Zichzelf en de preek is<br />

daarop niet meer dan een reflexie.<br />

MACHTEN<br />

Prediking is in de allereerste plaats gericht tot mensen: het volk Israël, de gemeente, de<br />

volkeren. Maar impliciet richt de prediking zich toch ook tot wat wij eerder ‘dingen’ zouden<br />

noemen. Niet de naakte feiten beheersen ons leven, maar vooral de geestelijke machten die<br />

zich in en met behulp van die feiten groot maken (Bonhoeffer). Dit alles sluit aan bij wat Paulus<br />

schrijft: Wij – d.i. de gemeente van Christus – hebben niet een strijd tegen bloed en vlees te<br />

voeren, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze<br />

duisternis, tegen de boze geestenwereld in de hemelstreken.’ In die strijd heeft de gemeente<br />

een geestelijke wapenrusting nodig waarvan het aanvalswapen is: ‘het zwaard des Geestes, dat<br />

is het Woord van God.’ In deze context komt het exorcisitische aspect van de prediking het<br />

duidelijkst naar voren. Ook in Genesis 1 komen we dit tegen – het scheiding maken door God<br />

tussen licht en duisternis, hemel-aarde-zee, tijd en ruimte, door het scheppend Woord der<br />

prediking.<br />

DE WERKING VAN DE PREDIKING<br />

Het woord der Prediking is in al zijn geledingen dienstbaar aan een (her)scheppend Woord,<br />

waarbij ook het exorcisme niet ontbreekt. Luther schrijft in zijn commentaar op de brief aan de<br />

Romeinen: ‘Non est nobis protectio, nisi abscondamus nos in verba, quae legimus’ = Er is voor<br />

ons geen bescherming, tenzij dat wij ons verbergen in de Woorden die wij lezen. Prediking als<br />

exorcisme, aldus Luther (o.a. n.a.v. II Tim. 3:16): ‘Ik heb het dikwijls beproefd: wanneer ik twee<br />

28 <strong>Lectiones</strong> 8


of drie hoofdstukken las, vluchtte Satan terstond, zoals hij vluchtte voor de harpspelende David.<br />

Laat u dus nooit wijs maken dat het klinkende woord geen nut heeft.’<br />

Het klinkende Woord en de klank van de muziek: uit deze beide is onze eredienst opgebouwd.<br />

En daarbij komt dat als de Geest geweken is ons geen homiletische kunstgrepen kunnen<br />

helpen en ook geen goedbedoelde communicatietheorieën, of buitengewone liturgische<br />

inzichten. Dan is het dood en weten wij niet meer te melden dan wat massamedia ons nog veel<br />

beter weet te vertellen.<br />

Prediking is het uitroepen en horen van het bevrijdend oordeel van God. De prediking zal<br />

uiteindelijk de gehele wereld uit de macht van wat de bijbel ‘boze geesten’ noemt bevrijden.<br />

Daarbij gaat over heel concrete machten in de samenleving, waarbij wij nog moeten leren de<br />

geesten te onderscheiden en te scheiden van de Geest.<br />

W. Klouwen – De gemeente onder het Woord Gods.<br />

Preek en Godswoord vallen niet per definitie samen, net zomin als Schrift en Godswoord dat<br />

doen. K. Barth – leer van de drie gestalten van het Woord. (Nederland – Miskotte – Als de<br />

goden zwijgen – Het waagstuk der prediking). Uitgangspunt: het spreken der Schriften en dat<br />

der Kerk kan niet geschieden, wanneer niet God zèlf spreekt. Anders gezegd: het geschreven<br />

mensenwoord (de Schrift) en het gesproken mensenwoord (de verkondiging) kunnen<br />

Godswoord worden.<br />

Zijn de kerkgangers die in de preek worden aangesproken wel de gemeente? Antwoord: dat is<br />

nog maar de vraag! De zichtbare gemeente kan gemeente in Christus zijn, maar dat hoeft niet –<br />

de gemeente is het werk van de Heilige Geest. De kerk kan niet zeggen ook daadwerkelijk kerk<br />

te zijn. Dat kan alleen maar een geloofsuitspraak zijn. Men kan ook niet zomaar zeggen dat de<br />

Schrift Heilige Schrift is, of dat de HEER God is. Je kunt er alleen in geloof over spreken<br />

(wanneer de Schrift zich betuigt als Heilige Schrift en de HEER zich als God betoont).<br />

Over de preek en de gemeente kan men alleen maar spreken vanuit het grote (heilige)<br />

voorbehoud dat God zelf spreekt, en dat Hijzelf ons in dat Woord ook eerst werkelijk mens laat<br />

zijn.<br />

DE PREDIKING ALS HART VAN DE GEMEENTE<br />

God spreekt en roept. En dat Hij dat doet, dat is de grond, het fundament van de gemeente. De<br />

gemeente komt niet alleen van dat Woord vandaan, heeft niet alleen in dat Woord haar midden,<br />

maar het is ook haar perspectief, het ‘doel’: daar waar het op gericht is (doordat het Woord op<br />

haar gericht is). De verkondiging is de gebeurtenis waarin God zelf wel eens aan het woord zou<br />

kunnen komen en willen komen (eredienst).<br />

De noodzaak van de preek 29


30 <strong>Lectiones</strong> 8


DE GEMEENTE ONDER HET WOORD<br />

Vraag: waarin onderscheidt de gemeente zich van publiek? Antwoord: de gemeente onder het<br />

Woord is actief betrokken bij de verkondiging (in tegenstelling tot het publiek). Door het Woord<br />

wordt de mens thuisgebracht en in de lichtkring van De Mens gesteld – doordat Hij ons in Zijn<br />

Woord naar toetrekt. Daarmee is naast het actieve karakter van het horen (door de gemeente)<br />

ook het bijzondere karakter van het spreken van de Naam naar voren gebracht als iets waarin<br />

de gemeente zich van publiek onderscheidt. Omdat Hij spreekt, en wel zó spreekt dat wij tot<br />

participanten worden, daarom is de gemeente altijd méér dan publiek, ja wezenlijk anders dan<br />

publiek.<br />

Wat betekent dit alles voor de preek? En wat voor de gemeente? En wat zegt dit over de<br />

verhouding tussen de preek en de gemeente?<br />

Voorop zij gesteld dat de gemeente en ook de preek staat onder het grote voorbehoud dat God<br />

zelf spreekt. Dat een mens het Godswoord spreekt, kan natuurlijk niet, tenzij God zelf spreekt.<br />

Dat een mens het Godswoord hoort kan ook niet, tenzij God zelf het mensenoor opent. De<br />

prediking constitueert de gemeente en de gemeente is niets anders dan gericht op het Woord,<br />

alleen op deze wijze zijn ze op elkaar gericht en stenen ze elkaar.<br />

PREEK EN VEROOTMOEDIGING<br />

De verootmoediging is een wezenlijke grondhouding in de verkondiging. Verootmoediging het<br />

uitspreken en belijden dat we het van het incident van het geschiedende Woord moeten hebben<br />

en van degene wie dat Woord uitgaat: de Naam. Verootmoediging is zo niets anders dan<br />

uiterste concentratie, opperste verwachting en diepste verlangen dat Hij die de gemeente heeft<br />

samengeroepen nu ook zelf zijn Woord zal spreken en aan het Woord zal komen.<br />

Vraag: is in de liturgische vernieuwing die de laatste jaren in grote delen van de SoW-kerken is<br />

doorgevoerd de verootmoediging niet tezeer naar de achtergrond gedrongen? Is er in de<br />

eredienst nog wel een plek waar ook het leeg-zijn, de verwachting, de deemoed en de armoede<br />

beleden wordt?<br />

HEEFT DE GEMEENTE NOG EEN OBJECTIEF KARAKTER?<br />

Is de gemeente ergens concreet aanwijsbaar? Kun je zeggen: dat is de gemeente van<br />

Christus? Antwoord: de gemeente heeft geen objectief karakter buiten het spreken van haar<br />

subject, de Naam, om. Haar objectieve karakter ligt besloten in het geheim van de Naam. Het is<br />

alleen krachtens Gods trouw dat zij is en bestaat.<br />

De noodzaak van de preek 31


De verkondiging van het Woord en de gemeente steunen op elkaar. Haal je de preek (de<br />

verkondiging) weg, dan stort terstond de gemeente in en andersom. Het Godswoord zelf is de<br />

werkelijkheid van Prediking en Gemeente.<br />

A. van Nieuwpoort – De verkondiging als opheffing van de communicatie<br />

“De preek als centraal communicatiemiddel ‘preekstoelt’ op de vooronderstelling dat een<br />

dergelijke vorm van gemeenschap in onze tijd nog een reële mogelijkheid is.” (J. Jonkers,<br />

socioloog). Deze uitspreek impliceert dat de preek achterhaald communicatiemiddel is. Wil de<br />

kerk nog een rol spelen in de toekomst. De verlegenheid rondom de preek heeft te makn met<br />

de vele vragen rondom het ambt van predikant. Volgens een kerkelijke beleidsmaker in<br />

Amsterdam heb je aan exegetische bekwaamheid weinig in een situatie waar sensibiliteit voor<br />

de omgeving, strategische competentie, leidinggevend, organiserend, communicatief en<br />

samenwerkend vermogen zijn vereist. Een ander rapport meent dat het hand over hand<br />

toenemen van overspannenheid onder predikanten zijn oorzaak vindt in een achterhaald<br />

ambtsbesef [misschien eerder te maken met een gebrek aan ‘ambtsbesef’].<br />

Vraag: gaat in de verkondiging wel om de communicatie in de gangbare betekenis van het<br />

woord?<br />

De verkondiging van het evangelie staat geheel en al in het licht van de zending van Jezus zelf.<br />

Buiten het spectrum van de bijbelse verkondiging heeft de ecclesia m.i. überthaupt niets te<br />

zeggen en te doen. Om zicht te krijgen op het wezen van de preek zullen we ons niet in de<br />

eerste plaats moeten richten op het terrein van de communicatiewetenschap, maar hebben wij<br />

ons in de eerste plaats rekenschap te geven van het geheel eigensoortige karakter van de<br />

bijbelse verkondiging.<br />

VERVREEMDING<br />

Symptomatisch voor het optreden van Jezus door het heel het evangelie heen is het onbegrip<br />

en het misverstand van de omstanders. Hij is een van ons en tegelijk is Hij volstrekt anders, is<br />

structureel bepalend voor de vorm en de inhoud van de bijbelse verkondiging. De<br />

uitgangspositie van de bijbelse verkondiging is asymmetrisch, sluit niet onmiddellijk aan bij de<br />

denk- en belevingswereld van de omstanders maar kan slechts ontvangen worden door de<br />

werking van zijn eigen uitleg.<br />

OPHEFFING VAN DE COMMUNICATIE<br />

Voorbeeld: het gesprek van Jezus met Nicodemus. Jezus spreetk formeel gezien een taal die<br />

voor Nicodemus verstaanbaar is (Hij is een van ons), maar datgene wat in zijn taal tot<br />

uitdrukking wordt gebracht is van een geheel andere orde (Hij is volstrekt anders). Als wij de<br />

32 <strong>Lectiones</strong> 8


wijze waarop Jezus Nicodemus tegemoet treedt zouden opvatten als een vorm communicatie,<br />

is het gevaar groot dat wij dit fundamentele onderscheid over het hoofd zien. Er is hier eerder<br />

sprake van opheffing van communicatie. De verkondiging van Jezus brengt de<br />

verstaanshorizon van Nicodemus op de hoogte van de werkelijkheid van de daden Gods. Daar,<br />

op die hoogte is Nicodemus’ misverstaan eens en voorgoed ten goede gekeerd.<br />

DE GESTALTE VAN DE PREEK<br />

In de kerkelijke verkondiging hebben we te maken met de derde gestalte van het Woord Gods.<br />

Er zal iets van Godswege tot klinken worden gebracht. Als we de preek losweken uit het<br />

spectrum van de bijbelse verkondiging dan zij ook lapmiddelen als alternatieve vormen van<br />

eredienst volstrekt tevergeefs. We staan vandaag voor de uitdaging om te komen tot een nieuw<br />

verstaan van de bijbelse teksten en tot een nieuwe fundering van de kerkelijke verkondiging.<br />

Asymmetrie en de uitleiding uit de staat van vervreemding<br />

Men heeft de neiging de preekvoorbereiding te laten beginnen bij de hoorders. De moet<br />

namelijk ‘overkomen’. Men loopt daarbij als predikant het risico de mond van de gemeente te<br />

willen zijn. De predikant is op de eerste plaats dienaar van het Woord. Dat wij in het Woord dat<br />

wordt verkondigd te maken krijgen met een voor onze oren hoogst vreemd en ongehoord<br />

Woord is niet een probleem, maar eerder een geweldige bevrijding. Dit Woord zoekt zijn<br />

hoorders op om die te vinden, zoals Jezus mensen opzocht om die te vinden. Er vindt daarbij<br />

een heilzame verstoring van de bestaande orde plaats.<br />

In de asymmetrie, waarvan sprake is in de verkondiging, schuilt een groot geheim: het is het<br />

geheim van de hemel. De predikant als eerste hoorder krijgt dingen te zeggen waarover hij zich<br />

zelf misschien nog wel het meest verbaast en verwondert. Voor communicatiedeskundigen is<br />

dit volstrekt onverantwoord.<br />

Vraag: Worden de hoorders werkelijk opgericht wanneer zij zondag aan zondag moeten horen<br />

wat zij ook al door heel de week heen in kranten gelezen en op televisie gezien hebben?<br />

Moeten de hoorders er werkelijk elke getuige van zijn hoe de pastor de ellende die hij de<br />

afgelopen week bij hen heeft opgehaald, op zondag weer over hen uitstort, als in een<br />

kringloopproces? Wanner wij ontkennen dat wij in de verkondiging te maken krijgen met een<br />

gestalte van het Woord Gods wordt de preek tot een kleinmenselijk moralistisch praatje. En<br />

daar hoeft de kerk toch niet voor open te blijven?<br />

25.09.05.RMM.<br />

De noodzaak van de preek 33


Vooraf<br />

MARTiN LUTHER<br />

in<br />

FILM - ORATORIUM - OPERA<br />

lezing voor de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> in Amersfoort, 27 maart 2006<br />

door Martin L. van Wijngaarden<br />

Met de aan de thema van de dag gekoppelde voorvraag:<br />

is dit goed gespeelde liturgie (als verschijningsvorm van theologie)?<br />

uitgaande van het beeld dat bij een - kerkelijk- kijker en luisteraar opgeroepen wordt.<br />

Niet om hier nu een groot theologisch exposé neer te zetten, maar meer omdat ik doorgaans<br />

redelijk alert ben op nieuwere vormen van liturgie (ook hymnologisch) in diverse media kies ik<br />

een onderwerp als dit. Ik weet dat dit grote beperkingen inhoudt; het wordt meer een registratie<br />

(iets uitgebreider dan ik in de in maart toegemeten tijdspanne kon weergeven) met daarbij enige<br />

vragen om de discussie te stimuleren over wat het nieuwe, dan wel vernieuwende, is en of er<br />

sprake is van wezenlijke toevoegingen.<br />

Insteken<br />

Razend benieuwd ben ik hoe, bijvoorbeeld in films, liturgische zaken neergezet worden. Naast<br />

reguliere vaak (trouw- en begrafenis-) scènes, die doorgaans en passant voorkomen in allerlei<br />

films met andere thema’s dan dat trouwen of begraven, kan een mens in zekere zin ook een en<br />

ander opzoeken.<br />

Een Tv-serie van de BBC, the Vicar of Dibley, is een mooi voorbeeld. De wonderbaarlijkste<br />

situaties worden geregistreerd, zij vinden plaats in een plattelandsparochie waar een<br />

vrouwelijke priester werkt samen met een kerkenraad die je geen gemeente (en ook geen<br />

predikant) wilt toewensen. Ook heb ik, toen ik lid was van de werkgroep Trouwvieringen, met<br />

veel plezier naar Rowan Atkinson gekeken in de rol van een beginnend priester (à la Mr. Bean)<br />

in Four Weddings and a Funeral. Terwijl in onze werkgroep woorden op goudschaaltjes gewikt<br />

en gewogen werden, maakte hij er maar wat van; en de stellen gingen nog gelukkig de kerk uit<br />

ook…… Vaak geef ik een kopie mee als voorbereiding bij de huwelijkscatechese.<br />

Uiteraard zijn dit voorbeelden die op (Engelse) humor en/of vermaak gericht zijn. En het zal ook<br />

geen toeval zijn dat het geschetste kerkelijke kader goeddeels Anglicaans is.<br />

Tv-registraties van Koninklijke huwelijken, begrafenissen en doopplechtigheden zouden (los<br />

van o.a. regulier IKON-, EO- en NCRV-werk) ook nog genoemd kunnen worden. Ik kan me niet<br />

aan de indruk onttrekken dat vooral die uitzendingen door velen verslonden worden als waren<br />

het films. Doch ik wil een andere lijn bewandelen. Namelijk hoe men via scenario’s en libretto’s<br />

uitgewerkte verhaallijnen liturgie (en dan niet alleen “de vorm”) een plaats geeft.<br />

34 <strong>Lectiones</strong> 8


Uiteraard is hetgeen hier volgt niet meer dan een behoorlijk persoonlijk gekleurd pilot, dat ook<br />

nog eens beperkt wordt tot Luther. In dit Mozart-herdenkingsjaar laat ik zelfs de alom bekende<br />

film als Amadeus liggen, deze heeft de vorm heeft van een raamvertelling, namelijk een<br />

1<br />

biechtgesprek . Anderzijds kan ik me echter niet voorstellen dat we met deze beperking langs<br />

alle grote tendensen heen schieten. Serieuzere werken, dan genoemde film en serie, breng ik<br />

nu ter tafel.<br />

Sinds zo’n drie jaar terug de nieuwe Lutherfilm gelanceerd werd, zijn er andere ook andere<br />

bijdragen uit de kunst, die het leven van Luther in beeld en onder het gehoor brengen,<br />

verschenen.<br />

2<br />

Er zal vast meer zijn , ik beperk mij, naast genoemde film tot een tweetal producties.<br />

1. Luther, de verfilmde biografie,<br />

2. Luther, Oratorium Andreas Hantke, teksten van Gerhard Monninger<br />

3. Luther, opera van Kari Tikka , libretto Kari Tikka en Jussi Tapola<br />

Even tussendoor: Daar ik noch film- of muziekrecensent ben, zal ik me terughoudend opstellen<br />

bij het beoordelen van de hiermee verbonden vakaspecten. Wat mij vooral interesseert is ook<br />

niet eens in de eerste plaats of het leven van Luther (of andere aspecten) al dan niet exact<br />

beschreven zijn. Mij interesseert vooral de presentatie van liturgische onderwerpen of aspecten<br />

die in deze mediums niet strikt doel in zich waren, maar wel hoe zij een plaats kregen vanwege<br />

het feit dat ze -dragend- onderdeel van het te vertellen verhaal zijn.<br />

In deze lezing (dit artikel) beperk ik mij voor de overzichtelijkheid tot de plaats van de al dan niet<br />

gebruikte Lutherliederen en de liturgi(sch)e-vormgeving.<br />

I Luther<br />

de verfilmde biografie<br />

Over de film (die globaal 25 jaren van het leven van Luther omvat: 1505/1507-1530) kunnen we<br />

vrij kort zijn. Ik lees enige aren bijeen van mijn impressies.<br />

De eerste mis van Luther, gesitueerd in het Augustijnerklooster te Erfurt, en diverse preken van<br />

hem (waar hij niet op de preekstoel staat, maar voor en tussen de banken van de kerk loopt),<br />

maken deel uit van het te vertellen verhaal. Doch deze onderdelen zijn als liturgische vormen te<br />

vrijblijvend neergezet om daar echte conclusies aan te verbinden. Dit met mogelijk een<br />

uitzondering voor het feit dat de vormgeving kennelijk bij het grote publiek op vrij eenvoudige wijze<br />

een zekere herkenning zal moeten kunnen oproepen. Deze onderdelen dragen niet bij aan het<br />

1<br />

Of de nu lopende Nederlandse theaterproductie deze opzet ook volgt heb ik<br />

nog niet kunnen nagaan..<br />

2<br />

Inmiddels blijkt sinds najaar 2005 een nieuw Lutheroratorium in<br />

voorbereiding te zijn, componist is Dietrich Lohff en het libretto wordt verzorgd<br />

door Peter Schütze. Er is mogelijk nog meer.<br />

Martin Luther in film - oratorium - opera 35


mogelijk kerkelijk karakter van deze film. Dit in tegenstelling tot de Latijnse motetten en het<br />

“gregorianiserende” gezang bij met name de leader en de aftiteling. Devotie komt ook nadrukkelijk<br />

naar voren door bidden en knielen op trappen voor aflaten, rond de reliekenverering en de dode<br />

paus.<br />

Opmerkelijk is wel dat de beeldende kunst van Cranach in de vorm van onder andere een<br />

Lutherportret al een plaatsje gevonden heeft in de later leeggeruimde relikwieënkamer van<br />

Frederik de Wijze!<br />

Net zo krijgt de muziek soms extra nadruk, zoals in een pompeus stuk bij de intocht van de paus.<br />

De enige keer echter dat Luther zelf zingt, rond zijn huwelijk met Katharina, is min of meer terloops<br />

in het Zwarte Klooster in Wittenberg. Net zoals er maar één bijbeltekst nadrukkelijk (in een voiceoverachtige<br />

wijze) geciteerd wordt, dan klinkt een citaat uit psalm 80, als gezegd wordt dat een<br />

wildzwijn (i.e. Luther) door de wijngaard van de Heer banjert.<br />

Melodieën en liederen van Luther komen nauwelijks of niet voor, of ze moeten voor mijn oor in de<br />

Hollywood-bewerkingen van de achtergrondmuziek als onherkenbaar ten onder gegaan zijn. Twee<br />

uitzonderingen zijn er echter wel te noemen.<br />

Wanneer de boerenoorlog overgaat in de entree van Katharina von Bora, dan klinkt een bewerking<br />

van “Aus Tieffer Not”.<br />

Op de vooravond van de Rijksdag te Augsburg (1530) klinkt ditzelfde lied expliciet in communitysinging<br />

en de hymne wordt door de keizer zelfs herkend…<br />

Kortom: Deze film is meer voor beginnende Luther-geïnteresseerden en dat toont zeker niet alleen<br />

de meer dan bescheiden liturgische/kerkmuzikale lijn: Keurvorst Frederik de Wijze en Paus Leo<br />

stappen maar niet in het eeuwige leven. Zij zijn daarmee wel herkenbare punten voor een kijker,<br />

doch met de werkelijke geschiedenis hadden ze soms al jaren niets meer te maken. Dit terwijl<br />

Melanchton bijna onzichtbaar is geworden. Dan laten we volledig achterwege dat sommige<br />

gebeurtenissen op volstrekt andere plaatsen gesitueerd waren. Er werd nooit een rijksdag<br />

gehouden in de feestzaal van de Wartburg.<br />

II Luther, Oratorium<br />

van Andreas Hantke<br />

Dit werk is spannend vanwege kerkmuzikale linken. Er waren desondanks via het internet nog<br />

3<br />

geen recensies aangaande de receptie ervan te vinden . De componist ervan is Andreas Handte,<br />

gediplomeerd koorleider en leider van diverse koren in München. Hij componeerde diverse<br />

werken, ook voor kinderkoor etc.<br />

Het ensemble met solobariton (Luther), verteller, strijkersensemble, piano en enige fluiten en<br />

saxofoon is niet groot. Het doet zeer denken aan een variatie op de voorraad aan instrumentalisten<br />

in een grote Duitse gemeente (waar een saxofoon een partij speelt die ook door een hobo<br />

bijvoorbeeld over zou kunnen nemen, etc). Van het koor wordt naast een behoorlijk bereik in de<br />

stemomvang wel iets verwacht vanwege de zeer onderscheiden gregorianiserende-, spreek-,<br />

fluister- en zoempassages. Een opera-achtig opgebouwd volkskoor is een extra interessante<br />

3<br />

Dd 31 –10 - 2005<br />

36 <strong>Lectiones</strong> 8


aanvulling daarbij (het vindt een plaats in de verhaallijn nadat Luther weigerde de zijn gedachten<br />

en werken te herroepen).<br />

De verstilde en ingetogen sfeer, vooral door het aandeel van de spreker en de nogal tobberig<br />

opgevoerde Luther (zelf was hij een tenor, doch deze rol wordt gezongen door een bariton), hangt<br />

goeddeels samen met de selectie van de teksten voor de onderdelen van dit oratorium. Hiervoor<br />

tekende de Münchener predikant Gerhard Monninger. De doorgaande verhaallijn volgt, na het<br />

openingskoor, de volgende geledingen:<br />

Der Student<br />

Der Mönch<br />

Die Entdeckung der Gnade<br />

Ein weltgeschichtlicher Augenblick<br />

Das Wort verändert die Welt<br />

Der Ehemann<br />

Tischgespräche<br />

Der Sterbende<br />

De gezongen onderdelen van het oratorium worden sterk verbonden met de<br />

persoonlijkheidsontwikkeling van Luther zelf; de verteller daarentegen brengt doorgaans het breder<br />

kader weer onder ogen. Desondanks zijn de in elkaar overlopende onderdelen nauwelijks te<br />

isoleren om ze bijvoorbeeld separaat te kunnen laten klinken, zoals in een kerkdienst. Mogelijk dat<br />

koordeel 7 het meeste eenvoudig als evangeliemotet in te passen zou zijn, het bezingt Markus 9:<br />

17b: Ein Mann aus der Menge sagte zu Jesus: Meister, ich habe meinen Sohn hergebracht, der<br />

hat einen sprachlosen Geist. Ein Dämon ist Herr seiner Seele. Een proef op de som in de Lutherse<br />

Andreaskerk van Rotterdam zag wel een bevredigende toepassing van koorstuk 13 (Das<br />

Evangelium ist eine Kraft Gottes, die selig macht alle, die daran glauben! Der Gerechte wird leben,<br />

weil er glaubt.) als inleiding op de Evangelielezing.<br />

Er komen enkele citaten van Luther aan de orde, onder andere Gott ist ein glühender Backofen<br />

voller Liebe, die von der Erde bis an den Himmel reicht. Doch het meest sterk is - wat de<br />

Lutherteksten betreft - de openingsfuga, voor menig aan een kerk verbonden koor niet het<br />

makkelijkste koorstuk: Ein Christenmensch ist ein freier Herr über alle Dinge und jedermann<br />

untertan (ontleend aan de opening van Von der Freiheit eines Christenmensch). Later volgt op<br />

vergelijkbare wijze nog Die Musik ist die beste Gottesgabe.<br />

Het is zelden dat de melodieën van Lutherliederen volledig en “onversneden” klinken. Al komen<br />

onder andere de zangen Vater unser im Himmelreich, Ein Ferste Burg, Aus tieffer Not en, met<br />

name op het slot, Mit Fried und Freud voor.<br />

Alles bijeengenomen komt het als een tamelijk dramatisch libretto over, zo het lijkt wel of met<br />

name de tweede helft geheel in het teken staat van de gedachte dat Luther naar de dood zou<br />

haken. Dit wordt zeer versterkt door het wat plotseling opgevoerde schriftcitaat waarmee de bariton<br />

Martin Luther in film - oratorium - opera 37


(Luther) het oratorium afsluit: In deine Hände befehle ich meinen Geist. Daar hadden zeker andere<br />

keuzen gemaakt kunnen worden, want in zijn laatste uur citeerde Luther ook vele andere teksten<br />

bijvoorbeeld: Alzo heeft God de wereld liefgehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft,<br />

opdat allen, die in Hem geloven, niet verloren gaan maar het eeuwige leven hebben. 4<br />

De Lutherliederen of de geciteerde melodielijnen zijn geen expliciet dragende lijnen, meestal zijn<br />

ze een deel van een tegenmelodie of een onderdeel van een korte intonatie na een gesproken<br />

gedeelte.<br />

Mijn indruk is dat dit werk een ideale gelegenheid kan zijn voor kerkkoren om eens voor eigen<br />

(kerk-)publiek met iets anders voor de dag komen. Kader en linken zijn duidelijk, doch liturgisch en<br />

kerkmuzikaal is het mijns inziens een geheel eigenstandig werk, in zekere zin met de inpakt en<br />

concertachtige publiekshouding die de klassieke oratoria ook wel oproepen.<br />

4<br />

Zie bijvoorbeeld ook de secundaire literatuur als van W.Kooiman, Maarten<br />

Luther (1948), pagina 168 ev.<br />

38 <strong>Lectiones</strong> 8


III Luther<br />

opera van Kari Tikka.<br />

Nog spannender vanwege de kerk-operaachtige aspecten waarbij het publiek (de gemeente) een<br />

actieve rol toebedeeld heeft gekregen is dit werk van de gerenommeerde Finse operadirigent en<br />

componist Kari Tikka. In deze uitvoering zijn de ontwerpen van de kostuums van de spelers<br />

ontleend aan afbeeldingen van die uitgebeelde personen uit het oeuvre van de familie Cranach.<br />

Dat de DVD de bijzondere zogenaamde Rotskerk (Temppeliaukio kirkossa) in Helsinki als basis<br />

voor het decor laat zien maakt het indrukwekkend en roept meteen de kerkelijke setting op van<br />

deze kunstvorm.<br />

Van de solistencast (met vooral een aantal hoge tenoren en slechts twee dames) wordt veel op<br />

een hoog niveau gevraagd. Een kamerkoor en een orkest van strijkers, enige blazers en een<br />

slagwerkgroep zijn nodig voor de begeleiding. Ook hier wordt Luther, van wie immers bekend was<br />

dat hij een tenorstem had, door een basbariton vertolkt. Overigens is de vertolker ook een<br />

geordineerd predikant. Bijzonder is de participatie van het publiek/ de gemeente die Lutherliederen<br />

(mee-)zingt, ik kom daar nog uitgebreider op terug.<br />

Deze opera in twee akten met in totaal 7 scènes wordt volgend het DVD-begeleidend boekje met<br />

de volgende titels uitgerust.<br />

Act One<br />

Scene 1 The dance of Death<br />

Scene 2 I live, I am free<br />

Scene 3 Doubly damned<br />

Scene 4 The Reformation in Peril<br />

Act Two<br />

Scene 5 The Feast of Life<br />

Scene 6 Free will<br />

Scene 7 In the midst of Death, we are surrounded by Life<br />

De Engelse vertaling (zoals gevonden op het internet) volgt dit niet en noemt alleen scène 1 de<br />

Dodendans. Dit is echter zeer verbonden met de toelichtingen van de componist, zowel elders in<br />

genoemd boekje, alsook bij de zogenaamde extra’s op de DVD. In de begeleidend teksten schrijft<br />

Tikka een verklaring van de gebruikte toonsoorten, bijvoorbeeld: b-klein voor de dood en de<br />

menselijke angst; voor de dood a-klein en voor het leven “even ver van de dood verwijderd als het<br />

tonaal maar mogelijk is”: in E/e.<br />

De Middeleeuwse Totentanz vormt als het ware de raamvertelling voor deze opera en Tikka wil in<br />

dit werk met deze dans aan de mensen een soort van spiegel voor houden; hij noemt het “de<br />

dodendans van de mensheid” een moderne interpretatie wellicht van de Totentanz die eerder ook<br />

wel als een memento mori voorgehouden werd (ik noem slechts de thematische verwijzing naar<br />

Martin Luther in film - oratorium - opera 39


5<br />

Ein Sermon von der Bereitung zum Sterben uit 1519 van Martin Luther).<br />

Tegen deze achtergronden vond Tikka een theologische en mogelijk diepere laag in het<br />

bijbelgedeelte Matteus 16: 21-24. Hier sprak Christus tegen Petrus: Ga terug, achter mij, satan, je<br />

zou me nog van de goede weg afbrengen. Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de<br />

6<br />

mensen willen. Dit zal het dragende thema zijn van deze opera.<br />

Het is een zeer zorgvuldig opgebouwde opera waarin bijna elke scène aan een bepaald motief<br />

voldoet. Ter illustratie:<br />

1. Op scène 4 en 7 na (dan klinkt een soort van klaagzang) sluit het publiek met enige<br />

strofen van steeds een ander Lutherlied.<br />

2. De satan, die vele verschijningsvormen kent, wordt door één persoon gespeeld en<br />

draagt steeds verschillende vermommingen, doch hij is altijd te herkenen aan rood<br />

schoeisel. (In de Middeleeuwen was dit in sommige streken dit een teken waar men<br />

dames van publieke zeden aan herkende.) Zo wordt bij de raamvertelling nog een<br />

duidelijke rode draad aangebracht. Hij speelt ondermeer: de paus, Luthers<br />

theologische tegenstander Johannes Eck, de burchtzaat Hans von Berlepsch, de<br />

radicale reformator Thomas Müntzer, Erasmus van Rotterdam en een hedendaags<br />

theoloog. Regelmatig wordt de satan bijgestaan door de dansers die lust, hel, dood en<br />

wet verbeelden; met deze thema’s wordt in verschillende scènes als het ware<br />

afgerekend.<br />

3. Tikka gebruikt (in vervolg op het vorige punt) de ideeën en strijden die Luther leverde, hij<br />

zet dat in een rijke geschakeerde enscenering. Een van de kernmomenten is een lied dat<br />

hij al enige decennia eerder componeerde Song of Grace (Armolaulu). Dat vond nu een<br />

plaats in de discussie met Erasmus. Voor het Finse publiek een zeer bekend lied gezien<br />

de opmerking die de uitgever maakte in een telefoongesprek, namelijk dat er nauwelijks<br />

een kerkkoor in Finland zou zijn dat dit leid niet (in een of andere bewerking) gezongen<br />

heeft.<br />

De scènes kennen een toespitsing, niet alleen als thematische afbakeningen (“kloostertijd” of<br />

“bijbelvertaling”) maar ook inhoudelijk en deels door liturgische themata bepaald. Ik tracht deze te<br />

duiden aan de hand van hoe een en ander in de –liturgische- ruimte overkomt.<br />

In de slotscène blijkt dat de dodendans zich nu in een terroristische vorm aan ons openbaart. Dan<br />

zingt de gemeente/ het publiek geen Lutherlied. En toch wordt er om een antwoord, een<br />

beantwoording gevraagd. Er ligt een vraag aan de toehoorder om hierop te antwoorden. Deze<br />

wordt actief betrokken door hen gezamenlijk (als gemeente) steeds te laten zingen op het slot van<br />

de meeste scènes en op het slot om na te denken.<br />

5<br />

WA 2, 685-697.<br />

6<br />

Vertaling NBV.<br />

40 <strong>Lectiones</strong> 8


Op zich vindt ik dit gegeven al veelzeggend. Zingen mag weer? Kerkmuziek kan weer? Een aantal<br />

jaren geleden lag dat in Nederland zeker anders. Ik herinner mij een uitvoering van de St<br />

Nicolascantate van Benjamin Britten; ondanks dat met het publiek in de kerk goed voorgeoefend<br />

werd, werd er nauwelijks meegezongen bij de door de componist aan het publiek toebedeelde<br />

onderdeeltjes.<br />

Op de opname van de opera Luther ziet men overigens dat, ondanks het feit dat men weer een<br />

kans krijgt voor de volkszang, niet iedere persoon daar makkelijk mee weg weet te komen.<br />

Ik tracht niet zozeer te beschrijven als wel samen te vatten; en met cursiveringen de uiteenlopende<br />

liturgische of hymnologische momenten te vangen en te duiden. De liederen die men zingt zijn,<br />

zoals men meteen herkent, allen van de hand van Luther.<br />

Scène 1<br />

Bij de eerste Totentanz, ziet men devotie, o.a. door middel van het knielen van mensen,<br />

uitgebeeld. Knielen was naast kussen en biechten toentertijd een van de meest bekende<br />

devotievormen. Luther tracht de eindeloze missen en vergelijkbare biechten en belijdenissen te<br />

weerstaan en te weerspreken. De gemeente zingt a capella uit Aus Tieffer Not .<br />

7<br />

Scène 2<br />

Na bijbelstudie ontstaat een zang waarvan de kern is: “Christus is er voor mij. Ik ben vrij”. Het<br />

bezingt, verkondigend, de verbondenheid met Christus. De a capella gemeentezang besluit de<br />

scène; Christ lag in Todesbanden.<br />

7<br />

Ik kies voor de Duitse titels om de liederen aan te duiden. Dit om, door de<br />

vele gebruikte talen (Fins, Engels en onze Nederlandse vertalingen), geen<br />

verwarring te stichten.<br />

Martin Luther in film - oratorium - opera 41


Scène 3<br />

In dit gedeelte wordt door en met de paus de traditie als belangrijker geacht dan de Schrift. Het<br />

verweer luidt: men dient niet de opvolger van Christus te volgen, doch Christus dient in de Schrift<br />

gevolgd te worden. Waar een soort van belijdenis op de paus uitmondt in een lofzang, staat deze<br />

in contrast met een gebed van Luther tot God. De themata gebed en lofzang waren, zeker sinds<br />

de inwijdingspreek van de Hofkapel te Torgau, immers de kernpunten van de dienst van mensen<br />

aan God. Nun Freut euch lieben Christen gmein volgt a capella.<br />

Scène 4<br />

Een complexe scène waar de bijbelvertaling, de vlucht van Katharina von Bora en de opstanden<br />

van hen die verder gingen centraal staan (dit verdergaan is figuurlijk alsook letterlijk in te vullen: de<br />

Schwärmer en de boerenopstand). Vanuit geloofsvertrouwen houdt men vast aan de doop, dit<br />

wordt tevens verwoord in teksten als de zomer zal doorbreken!<br />

Ondanks dat geloof is er een contextuele verwarring; men zwijgt als gemeente, er klinkt daarvoor<br />

in de plaats een klaagzang. En hiermee is de eerste akte afgesloten.<br />

Scène 5<br />

De tweede en laatste acte.<br />

Het huwelijk van Luther en Von Bora, waarbij Bugenhagen de handen oplegt. Waar scène 4<br />

eindigde gaat scène 5, ook in chronologie, verder: men viert “het feest van het leven”. Katharina en<br />

Martin bezingen hun wederzijdse liefde in een duet dat een thematische reprise is van de zang van<br />

Luther over de bevrijdende Christus (in de tweede scène). Liefde en vrij-zijn is nu de scopus.<br />

Verder komen ondermeer het huishouden in het Zwarte Klooster en de daar gehouden<br />

tafelgesprekken aan de orde.<br />

Deze scène valt op door het zegenende karakter waar het goede van het leven centraal staat en<br />

daarmee een tegenhanger vormt met de Totentanz. Dat na de moeilijke jaren (scène 4 en 5) nu<br />

zich een en ander meer ten goede wendt, mag zich in de bescheiden mate theologisch spiegelen<br />

in de Adventus Domini, de zegen dat God zijn Zoon schonk; Luther, solisten alsook koor en orkest<br />

stemmen in met de gemeente: Vom Himmel hoch da komm ich her.<br />

Scène 6<br />

De discussie met Erasmus over vrije wil en geknechte wil heeft hier een plaats gekregen, een<br />

gespeelde theologische discussie. Het geloof in de genadegave van God staat, zoals te<br />

verwachten valt, centraal. Ondanks het verlies van een kind en een hartaanval wordt de genade<br />

van de Heer bezongen. Geloof staat centraal en onderstreept wordt: werken leveren niets op.<br />

Deze eerder genoemde Song of Grace (Armolaulu) is een verwerking van de teksten: 2<br />

Korintiërs 12: 9 en 10 en Efeziërs 2: 8 en 9 .<br />

8<br />

8<br />

De opbouw van de coupletten in acht nemend, zijn de tekstblokken (uit de NBV-vertaling)<br />

als volgt samengesteld:<br />

Je hebt niet meer dan mijn genade nodig,<br />

42 <strong>Lectiones</strong> 8


Er hangt een sfeer van wat ik neig te noemen; loutering, rijpheid en goede berusting. Het laatste<br />

lied van de gemeente wordt als een credo (staande!) gezongen: Ein feste Burg ist unser Gott,<br />

samen met koor en orkest.<br />

Scène 7<br />

In deze scène vindt een grote omslag plaats.<br />

Eerst wordt de levensvesper van Luther getoond. Een tikje bevindelijk doch niet echt storend wordt<br />

“Gods altijd goede hand” bezongen (als verwijzing naar God als meester van leven en dood). De<br />

kern ligt in de boodschap: God bevrijdt van het woord van de satan, Hij geeft vrijheid, leven en<br />

hemel. En dit daagt uit tot een bewust leven, als ware het de oproep in/bij de toepassingen van de<br />

preek.<br />

Wie de praedella van het hoofdaltaar in de Marienkirche in Wittenberg kent weet van de daar<br />

afgebeelde predikende Luther: met een hand op de bijbel, de andere wijzend naar de Gekruisigde;<br />

een verwijzing naar de theologia Crucis. De een enkeling van de verschillende in deze scène<br />

opgevoerde predikers verwijst met zijn bewegingen daar mogelijk naar. Een soort van allegorie die<br />

9<br />

B. Lang terecht ziet als een sacramentele duiding van het Woord bij Luther. Dit in samenhang<br />

met de uitdaging om als gelovige in het Evangeliespoor te volgen zonder Christus te imiteren; een<br />

morele aansporing in de preek.<br />

Hiermee belanden we in het tweede en afsluitende deel: het geloof in Christus is een terugkerende<br />

link tussen Luther, en zijn tijd, enerzijds en wij, met onze tijd, anderzijds. Naast de vraag of men er<br />

dus kracht wordt zichtbaar in zwakheid.<br />

Door zijn genade bent u nu immers gered,<br />

Dankzij uw geloof.<br />

Maar dat dankt u niet aan u zelf;<br />

het is een geschenk van God<br />

en geen gevolg van uw daden,<br />

dus niemand kan zich erop laten voorstaan.<br />

Omdat Christus mij kracht schenkt,<br />

schep ik vreugde in mijn zwakheid,<br />

in beledigingen, nood vervolging en ellende.<br />

In mijn zwakheid ben ik sterk.<br />

Door zijn genade bent u nu immers gered,<br />

Dankzij uw geloof.<br />

Maar dat dankt u niet aan u zelf;<br />

het is een geschenk van God<br />

en geen gevolg van uw daden,<br />

dus niemand kan zich erop laten voorstaan.<br />

9<br />

In het ochtendprogramma van de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> hield P. Oskamp immers een<br />

boekbespreking over dit Sacred Games, Yale University Press / New haven and London,<br />

1997, zie oa pag. 166-168.<br />

Martin Luther in film - oratorium - opera 43


niet voor moet waken om van Luther de paus van Wittenberg te maken ligt er, evenwel in de lijn<br />

van Luther, een grotere vraag ter tafel. De Totentanz wordt als een hedendaagse dans<br />

weergegeven: zonde, dood, wet en hel lijken nu de instrumenten van te terrorisme geworden. Al<br />

gaan wij allen dood - die dooddoener klinkt ook, maar is eveneens onlosmakelijk verbonden met<br />

het steeds meeklinkende thema memento mori - is dat echter niet het finale antwoord op de<br />

retorisch gestelde vraag. Integendeel, ondanks dat de opera eindigt met de klaagzang (een<br />

herhaling van scène vier met de boerenoorlog) is het geen zwartgallig slot. Satans woord is toch<br />

minder krachtig dan dat van God? De gemeente hoeft hier niet te zingen, en je hoort bijna dat men<br />

een acclamatie denkt: “Ja!”. Deze vorm is een oproep om na te denken en om het geloof in een<br />

genadige God een plaats te (durven) geven. Een mening die ik durf te poneren omdat een kern<br />

van een ander lied van Luther er in door klinkt: Mitten wir im leben sind. Leven dus! Jammer dat<br />

deze zang niet klinkt?<br />

Op het slot laat Tikka de gemeente/ het publiek dus niet zingen. Met andere woorden: het<br />

gevraagde antwoord ligt dus buiten de pendelbewegingen van deze gecultiveerde, zowel kerkelijke<br />

als opera-achtige, setting. En door verleden en heden in elkaar te weven (toen de pest, nu het<br />

terrorisme) ligt het begrip gedachtenis zeer aan de oppervlakte. Daar is tegenin te brengen dat<br />

deze setting wel zeer Fins/Scandinavisch aandoet en dat met de Totentanz de vraag naar Paasaccenten<br />

voor een West-Europeaan wel te ver naar de achtergrond verdween?<br />

Wat nu met de toekomst te doen, is er nog iets te vinden in de wijze waarop Luther ten aanzien<br />

van geloof een en ander aangaf?<br />

Een paar nader te bediscussiëren vragen die breder gelden bij deze registratie, dus ook de film en<br />

het oratorium:<br />

1. Wie maakt ’t mee<br />

2. Is het authentiek genoeg<br />

3. Kerkpubliekelijk zingen a la Britten raakt weer in de mode?<br />

4. Is dat ook een soort van beperking en dus het enige liturgische dat zich toont /mag<br />

tonen?<br />

5. wat voegt deze vorm van vertellen en (zelf) zingen toe ten opzichte van een<br />

historiografische vorm (met name de film)<br />

buiten wat in de voetnoten vermeld staat waren de gebruikte materialen:<br />

1. Luther, de verfilmde biografie, (op DVD) RCV, 2003.<br />

2. Luther, Oratorium voor solo verteller koor en instrumenten, Andreas Hantke, teksten<br />

van Gerhard Monninger, Partituur: no VS1932, Strube Verlag, München, 2004.<br />

3. Id. Opname op CD (opname olv de componist uit 1998): no VS1932 CD, Strube Verlag<br />

44 <strong>Lectiones</strong> 8


München, 2004.<br />

4. Luther opera van Kari Tikka. Opname: Ondine, Helsinki, libretto Kari Tikka en Jussi<br />

Tapola (opname olv de componist op DVD) 2004.<br />

5. Luther opera van Kari Tikka, vertaling van het Finse libretto in het Engels, via<br />

www.kolumbus.fi/kari.tikka/luther-ooppera/ Luther<br />

Martin Luther in film - oratorium - opera 45


Enkele overwegingen bij een Synodaal Dooprapport<br />

Bodegraven, Wim van Beek, 14 nov. 2008<br />

Een verhaal, persoonlijke achtergrond als luthers theoloog en een reactie op het rapport. Onder<br />

die drie kopjes wil ik een paar overwegingen geven bij het rapport “Doop, doopgedachtenis en<br />

doopvernieuwing”, dat in september ter Synode werd besproken.<br />

Uittocht<br />

De uittocht uit Egypte is zonder twijfel een van de meest centrale gebeurtenissen in het geloof<br />

en leven van Israël. In het verslag van die uittocht valt mij op: dat het initiatief van God uitgaat.<br />

Weliswaar wordt er danig geroepen uit de diepte, maar bevrijding is allerminst een logisch<br />

gevolg. Integendeel, het volk deinst er aanvankelijk voor terug. Als dan eindelijk op weg gegaan<br />

wordt, blijkt de bevrijding uit het slavenhuis vooral een daad van volhardend geloof van Gods<br />

kant. Het volk wordt, ondanks z’n ongeloof uitgeleid.<br />

Mij valt op: die bevrijding begint weliswaar met de uittocht, maar Israël heeft de rest van z’n<br />

leven nodig te leren wat het betekent om vrije mensen te zijn. Dat is een proces van vallen en<br />

opstaan, steeds opnieuw omkeren, steeds weer je te binnen brengen: wij zijn uitgeleid.<br />

Mij valt op: er wordt nergens gezinspeeld op groot of klein. Niemand kan zich voorstellen dat<br />

kinderen zouden zijn achtergelaten, omdat ze niet begrepen wat het betekent dat God hen<br />

uitleidt uit het diensthuis.<br />

Mij valt op: in de viering van die uittocht gedenkt Israël. Het verleden wordt realiteit voor de<br />

gedenkers: wij zijn uitgetrokken, ons heeft de Here bevrijd. Zij vieren nu het verleden met het<br />

oog op de toekomst.<br />

Ik vind dat al deze elementen ook voor de doop en de doopbediening (zouden moeten) gelden.<br />

mijn theologisch inzicht<br />

In mijn visie op het Synodaal dooprapport spreekt uiteraard mijn eigen geloof en theologie mee.<br />

Die is in deze nogal sterk bepaald door Luther. Ik herken in veel aspecten bijbelse en liturgische<br />

wortels.<br />

Kenmerkend ten aanzien van de doop zijn:<br />

1. woord en element vormen samen het sacrament. Een van de twee minimaliseren of zelfs<br />

weglaten doet geen recht aan het sacrament.<br />

2. God heeft het eerste woord. Het geloof van God is de enige basis op grond waarvan er van<br />

mijn geloof sprake kan zijn. Mijn geloof is daarna evenzeer nodig, omdat het sacrament anders<br />

niet kan werken. De doop is uitdrukking van de rechtvaardiging van de goddeloze.<br />

3. de mens kan zijn hele leven zijn geloof niet anders onder woorden brengen dan door met<br />

twee woorden te spreken: ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp. Dit is uitdrukking van het<br />

spanningsveld waarin de mens staat: iustus ac peccator.<br />

46 <strong>Lectiones</strong> 8


4. de doop heeft in de ene bediening een innerlijk en een uiterlijk aspect. Zo voorkomt men<br />

het ex opere operato, maar ook dat de doop alleen te maken heeft met het innerlijk.<br />

5. de doop is een eenmalig gebeuren, maar men heeft z’n hele leven nodig die doop te leren.<br />

6. de doop moet zijn als een dagelijks kleed. Over de doop moet daarom in de tegenwoordige<br />

tijd gesproken. Allen zo brengt het ons dagelijks te binnen dat onze oude mens moet sterven,<br />

en dat de nieuwe mens mag opstaan.<br />

7. de doop houdt een verzaking van het kwaad in, maar confronteert ons ook met dat kwaad<br />

(vgl de verzoeking in de woestijn, die ‘terstond’ op de doop van Jezus volgt)<br />

8. De objectiviteit van het sacrament voorkomt dat alles van mij afhangt, en mij in<br />

voortdurende en angstige onzekerheid laat of het heil mij wel ten deel valt. De subjectiviteit van<br />

het sacrament noopt om mij het sacrament te binnen te brengen en als troost, vermaning en<br />

inspiratiebron voor mijn dagelijks leven te gebruiken.<br />

9. voor Luther geeft doop door onderdompeling het duidelijkst vorm aan wat de doop is:<br />

ondergaan in de dood en opstaan ten leven. Daarbij dient bedacht te worden dat het voor<br />

Luther praktisch altijd om zuigelingen gaat. (deze dooppraktijk heeft overigens ook in de Duitse<br />

landen geen stand gehouden)<br />

De lutherse bijdrage in het rapport (bijlage 4) doet geen recht aan de diepte die Luther aan de<br />

doop geeft. De waardevolle inbreng van de lutherse traditie ligt o.a. bij de doop die elke dag<br />

opnieuw de goddeloze rechtvaardigt, het levenslange proces om de doop te leren, de doop als<br />

reële werkelijkheid.<br />

het dooprapport<br />

Luther begint zijn Doopboekje (1523/1526) met de klacht, dat het de mensen zo slecht gaat<br />

omdat ze zo weinig van hun doop weten, en er dus ook niet uit en mee kunnen leven.<br />

Datzelfde argument lijkt nu andermaal te gelden. Er is blijkbaar zo weinig in den brede aan<br />

doopcatechese en doopgedachtenis gedaan, dat grote groepen mensen er of niks meer van<br />

weten (ben ik gedoopt? Nou, ik heb er geen last van. Maar valt u me er ook niet mee lastig), of<br />

er niks meer van hun doop als klein kind willen weten, omdat ze pas nu iets van Christus<br />

ontdekt hebben, en ‘dus’ nu gedoopt willen worden.<br />

Als we als kerk werkelijk waarde hechten aan een intense betrokkenheid op de doop en<br />

beleving van ons gedoopt zijn (en dat is terecht), dan moet de kerk daar ook naar handelen en<br />

iedereen, van jongs af aan, bij de doop en het gedoopt zijn betrekken.<br />

Juist dáár ligt het grote probleem: we groeien er niet mee op. En dus groeien we er ook niet in.<br />

Een bewuste en actieve omgang met de doop is uiteraard geen garantie voor geloof. Zoals een<br />

confirmatie of openbare belijdenis op oudere (volwassen?) leeftijd evenmin een zekerstelling is<br />

van geloven tot je dood.<br />

Maar een actieve omgang met de doop (gedachtenis is presentia realis) zal in ieder geval<br />

voorkomen dat mensen onwetend zijn van hun gedoopt zijn. Dát is dan geen argument meer<br />

om dan maar voor de volwassendoop te opteren.<br />

Als mensen het gevoel hebben dat de kinderdoop een valse start is, mag de kerk dat zichzelf<br />

Enkele overwegingen bij een synodaal rapport 47


verwijten. Want dan is niet duidelijk gemaakt welk een schat in de doop gegeven is, en dat<br />

ménsen die doop minachten en daardoor een valse start maken.<br />

Ik heb nogal wat opmerkingen bij het geheel van het rapport.<br />

Allereerst is voor mij het probleem niet duidelijk geformuleerd.<br />

Bijlage 1 is een ‘handreiking voor de kerkenraad’, en dat is toch wat anders dan een duidelijk<br />

verzoek van het EW om meer ruimte voor rituelen rond de doop.<br />

Hoofdstuk 2 bevat de notitie van het moderamen van de Synode. Het blinkt uit in modieus maar<br />

onhelder taalgebruik: “…verlangen naar een moment zoals dat bij de volwassendoop<br />

beschikbaar is” (2.c.1) Ook termen worden door elkaar gebruikt: doopgedachtenis,<br />

doopvernieuwing, doopbevestiging. In bijlage 3 lijkt dat (gedeeltelijk) verhelderd te worden:<br />

“doopbevestiging is een dramatisch vormgegeven doopgedachtenis.” Dit veronderstelt echter<br />

dat doopgedachtenis alleen níét dramatisch vormgegeven zou kunnen, moeten of mogen<br />

worden.<br />

Als ik het juist heb gaat het om de volgende probleemstelling en vraag:<br />

à Er zijn mensen die zich in hun leven bewust worden van hun geloof in Vader, Zoon en Heilige<br />

Geest. Dit kan voor hen een zodanige impact hebben dat zij daaraan op bijzondere wijze<br />

gestalte willen geven.<br />

Kan dat door een zodanige vorm van doopgedachtenis, dat men de betekenis van de doop<br />

als opstanding tot een nieuw leven, zo intens als mogelijk aan den lijve kan ervaren?<br />

Eigen aan alle vormen van gedachtenis in de kerk is niet dat het uitdrukking geeft aan het<br />

gevoelen van een individuele gelovige, maar dat het een regelmatig door de hele<br />

geloofsgemeenschap gevierd ritueel is, dat mensen het heil te binnen brengt, en daardoor in de<br />

gelovige individueel én in de gelovigen als gemeenschap de ervaring van het heil van God<br />

óproept.<br />

De gedachtenis van de gemeente kan tal van gestalten krijgen, maar altijd zo dat mensen naar<br />

hart en ziel, lijf en leden daarbij betrokken worden. Zij ervaren dan de gedachtenis als de<br />

presentia realis van de woorden en de daden van God, Christus en de heilige Geest, en<br />

brengen zich zo hun toekomst in Gods naam te binnen.<br />

Binnen dat kader kan ook een persoonlijk gedachtenis gestalte krijgen. Maar het persoonlijk is<br />

altijd verbonden met heel de gemeente. Het gaat immers nooit alleen om het (on)geloof van<br />

één lid van de gemeenschap. Dat besef bevrijdt van een belastende claim. Tegelijk kan<br />

niemand zich verschuilen achter het collectief, omdat ieder mens bij name gekend en geroepen<br />

wordt. Het is belangrijk samen en persoonlijk tegelijkertijd recht te doen.<br />

48 <strong>Lectiones</strong> 8


Elke gedachtenis is per definitie vernieuwend. Daarbij wordt niet de doop vernieuwd of<br />

bevestigd, maar de gelovige wordt vernieuwd, en hoort en ervaart andermaal de bevestiging dat<br />

het bij de doop gesproken heilswoord hem en haar geldt.<br />

Vanuit dit principiële, wezenlijk bijbelse en liturgische gegeven van gedachtenis zal de<br />

gemeente vieren.<br />

Als deze viering van woord en sacrament voor de gemeente vertrouwd is, en begeleid wordt<br />

met (levenslange) catechese en vorming, zal elke nieuwkomer (van zuigeling tot grijsaard) al<br />

vierende worden opgenomen.<br />

Dat sluit persoonlijke accenten en getuigenis niet uit, maar in.<br />

Een waarachtig verstaan van gedachtenis maakt daarom allerlei andere termen als<br />

doopvernieuwing, doopbevestiging, overbodig, en overwint misvattingen als zou een<br />

gedachtenis ‘slechts’ woord zijn, en doopbevestiging een ‘actief’ en ‘lijfelijk ervaarbare’<br />

handeling.<br />

De gemeente is de gemeenschap van mensen, die weten van het heil dat hen van Godswege<br />

geschonken wordt. Dat belijden en bezingen zij, dat geven zij in woord en daad door aan elkaar<br />

en aan heel de wereld waarin zij staan.<br />

Wanneer ook de doop als heilsgave van God wordt ontvangen, maakt het ten aanzien van de<br />

doop niet uit of iemand piepklein of groot is. Het is ook geen wezenlijk verschil of de dopeling<br />

zelf gelooft. Immers, de doop hangt niet aan het geloof van de mens, maar aan dat van God.<br />

Ook iemand die zijn eigen geloof onder woorden wil en kan brengen, zal daarmee immers in de<br />

eerste plaats God en zijn gaven belijden.<br />

Woord en sacrament vieren begint altijd met lege handen, in het vertrouwen dat ze met een<br />

rijke maat gevuld zullen worden.<br />

Hoewel onderdompeling een goede verbeelding is van de betekenis van de doop, kan en mag<br />

daarvan niet iets gemaakt worden als zou daarmee een doopbediening al dan niet minder waar,<br />

waard of waardig zijn. Het is ook de vraag of de oude kerk doopte door onderdompeling. Oude<br />

baptisteria in Noord Afrika boden daartoe zelden ruimte. Begieting met levend water lijkt toen de<br />

praktijk geweest te zijn.<br />

Als een doopgedachtenis in een zwembad gevierd zou gaan worden, krijgt die onderdompeling<br />

ten onrecht een onevenredig gewicht. Men suggereert dat de doop in de vont in de kerk niet<br />

genoeg is. Tenzij een gemeente altijd samenkomt rond het zwembad, maar dát zal niet zo vaak<br />

zo zijn.<br />

Enkele overwegingen bij een synodaal rapport 49


Doopbevestiging<br />

Paul Oskamp<br />

19 november 2008<br />

Dagblad Trouw berichtte in september 2008 over een geruchtmakend rapport ‘Doop,<br />

doopgedachtenis en doopvernieuwing’ dat in de Generale synode van de PKN is besproken en<br />

inmiddels is ingetrokken voor nader beraad. In evangelische en pinksterkringen doopt men<br />

volwassen gelovigen door onderdompeling, ook als die als zuigeling reeds de christelijke doop<br />

hebben ondergaan. De gevestigde kerken zijn hier ongelukkig mee, want dit betekent een<br />

ontkrachting en ontkenning van de doop van onmondige kinderen. In december 2000 heeft het<br />

Evangelisch Werkverband aan de Werkgroep Eredienst van de PKN advies gevraagd inzake<br />

‘herbevestiging van de doop.’ Dit heeft in 2008 geleid tot het in de aanhef genoemde rapport.<br />

Alternatief ritueel<br />

Met het water van de doop als symbool wordt in het rapport een nieuw ritueel met drie varianten<br />

aangeboden. Al naar gelang iemand bij zijn/haar doop ooit is besprenkeld, begoten of<br />

ondergedompeld, kan de gedoopte dit ter bevestiging herhalen, maar wel proportioneel, want<br />

de bedoelde bevestiging mag de eerder bediende doop niet herhalen, laat staan die overtreffen.<br />

Rationeel is dit goed gezien, immers elke suggestie van overdopen moet vermeden worden, om<br />

het eenmaal toegediende sacrament niet te ontkrachten.<br />

Aan deze oplossing, hoe leuk ook gevonden, kleven bezwaren. Ik vrees dat wie haar/zijn doop<br />

echt wil ervaren, met minder dan onderdompeling geen genoegen neemt. Daar komt bij: hoe<br />

discriminerend zijn de verschillen in de bevestigingshandeling? Hier dreigt een soort<br />

e e e<br />

klassensysteem in het bevestigingsritueel te ontstaan: 1 , 2 en 3 klasse al naar gelang men<br />

ooit is besprenkeld (protestant) begoten (katholiek) of ondergedompeld (baptist, evangelisch en<br />

pinkstergemeente). Daar komt bij: hoe individualistisch is een bevestiging die men aan zichzelf<br />

moet voltrekken? Ik begrijp dat men het ambt hier buiten wil laten maar zo’n solitaire<br />

bevestiging krijgt onwillekeurig iets therapeutisch, waarbij de gemeente toekijkt. Kan men nog<br />

van een ritueel spreken als de circumstantes nauwelijks participeren en op afstand blijven?<br />

Fiasco van de zuigelingendoop<br />

Wat is eigenlijk het probleem? Antwoord: dat veel gelovigen (uit evangelische en<br />

pinksterkerken) zich door hun doop als zuigeling niet aangesproken weten. Dit teken leeft voor<br />

hen niet. Zij verlangen naar een veel nattere en voluit lijfelijke doop; als het kan door<br />

onderdompeling, om zo hun geloofskeuze te markeren en hun ‘inplanting’ in Christus en in de<br />

kerk als zijn gemeenschap bewust te ondergaan. Mij dunkt, dit is een begrijpelijk verlangen.<br />

Onthult dit niet het fiasco van de zuigelingendoop, welke in de kerk van het Westen niet door<br />

onderdompeling geschiedt en pas later tot het bewustzijn van de gedoopte doordringt (àls dit<br />

teken voor hem of haar ooit betekenis krijgt!) Als ik spreek van het fiasco van de zuigelingen-<br />

50 <strong>Lectiones</strong> 8


doop denk ik aan twee dingen. Men heeft lang van Europa als van een gedoopt continent<br />

kunnen spreken. Dat heeft echter niet verhinderd dat in de eerste wereldoorlog de jeugd van dit<br />

continent elkaar massaal aan flarden heeft geschoten. Een ander voorbeeld: in de veertien<br />

jaren dat ik predikant in Purmerend was en waar de overflow van Amsterdam blij was een<br />

woning te vinden, hebben we bijna aan de lopende band doopleden op hun verzoek uit het<br />

kerkelijk register uitgeschreven. Het betrof hier kerkleden die niet op hun doop aanspreekbaar<br />

waren. Het heette dan steevast: ‘de doop? Dat hebben mijn ouders gedaan, mij zegt het niks.’<br />

Zo heeft de volkskerkelijke praktijk van de zuigelingendoop het heilig teken uitgehold.<br />

Onderdompeling<br />

Het pleidooi van de commissie Eredienst voor herstel van het echte waterbad (onderdompeling)<br />

is dan ook te prijzen. De voorzitter van de commissie noemde in de synodevergadering de<br />

natste doop èchter dan dopen met enkele druppels. Daarop kreeg hij de synode over zich heen.<br />

’Dit idee van de liturgiemaffia werd soepel afgeserveerd en er werd geen woord meer aan<br />

gewijd.’ (Woord en Dienst 57 nr 17, 10 okt. 2008, p. 15) Niettemin heeft de liturgiecommissie<br />

het gelijk aan haar kant: doop door besprenkeling is slechts een symbool van het oorspronkelijk<br />

symbool van het waterbad. Het verdunt het ritueel en maakt het verlossende teken abstract. In<br />

de roep om doop door onderdompeling krijgen de gevestigde kerken de rekening daarvoor<br />

gepresenteerd.<br />

Openbare belijdenis<br />

Zie ik het goed, dan verlangt men in evangelische en pinksterkerken naar beleefbare rituele<br />

bevestiging van het heil. Als alternatief van herhaling van de waterdoop dient zich dan de<br />

confirmatie aan, met als kernrite handoplegging (waarom niet met zalving?) en de bede<br />

‘Ontvang de heilige Geest.’ De orden voor de openbare Belijdenis, orden I en II (Dienstboek<br />

een proeve II, 129-139) bieden een geschikt raamwerk om de doop te beamen en het christelijk<br />

geloof te belijden, inclusief de verzaking van kwade machten en vernieuwing van de<br />

doopgeloften en verwelkoming in de gemeente. Het geheel kan nog aan zeggingskracht<br />

winnen als men het in de paaswake situeert, wanneer gezegd wordt: ‘Dit is de nacht waarin wij<br />

onze doop gedenken. Ook wij zijn door het water getrokken, bekleed met nieuw licht, beademd<br />

met nieuw leven’ Hantering van de wijwaterkwast zou ik hierbij niet willen uitsluiten.<br />

Doopbevestiging 51<br />

Paul Oskamp


Doop, confirmatie, gedachtenis<br />

Hans Uytenbogaardt<br />

19 november 2008<br />

Inleiding<br />

1<br />

Naar aanleiding van het rapport over doop, doopgedachtenis en doopvernieuwing van de PKN<br />

wil ik proberen enkele onderliggende vragen te benoemen. Ik borduur daarbij voort op de notitie<br />

2<br />

van Paul Oskamp en een mailtje van Wim van Beek vandaag (081119). Ook verwijs ik naar<br />

een artikel dat ik op verzoek van de redactie Woord en Dienst schreef als afronding van een<br />

3<br />

discussie over overdoop (maandag kopieën beschikbaar).<br />

4<br />

De vragen betreffen (1.) de rituele setting van doop en confirmatie , (2.) de verhouding van<br />

water, handoplegging en chrisma bij doop en confirmatie, (3.) de oecumenische setting en (4.)<br />

verhouding confirmatie en doopgedachtenis.<br />

1. Rituele setting van doop en confirmatie<br />

5<br />

Met rituele setting bedoel ik de aandacht voor de wijze waarop Lukken schrijft over de rite als<br />

representant en verdichting van de symbolische orde ‘waarin in onze cultuur sprake is van een<br />

hartstochtelijk zoeken naar een verder reikende zin’ (Lukken, 176,2.1). Daarmee probeer ik een<br />

setting te vinden voor de pastorale vragen die Paul Oskamp terecht als een centrale invalshoek<br />

aanwijst, in die zin dat we ons op een adequate en integere wijze moeten afvragen waar we de<br />

wortels van het verlangen naar overdoop moeten zoeken. Waarom het verlangen naar een rite,<br />

en vervolgens uiteraard, naar dèze rite in dèze situatie.<br />

De volgende stap is dat we helder hebben wat de dooprite is en uit welke componenten deze is<br />

samengesteld. Wij stuiten dan meteen op een zwak punt in de discussie tot nu toe: de<br />

onlosmakelijke verbinding tussen doop en confirmatie. In mijn optiek kunnen die twee, als<br />

onderdelen van één en dezelfde rite niet ontkoppeld worden, omdat ze twee kanten van<br />

dezelfde zaak be-teken-en: redding uit doodsnood en invoeging in het lichaam van Christus. In<br />

de alinea over de oecumenische setting daarover nader.<br />

1<br />

Doop, doopgedachtenis en doopvernieuwing, GS/PKN, september 2008,<br />

KTO 08-02<br />

2<br />

Paul Oskamp, Doopbevestiging, 081016<br />

3<br />

Hans Uytenbogaardt, Dopen op de drempel, Woord en Dienst Jg 57/5 –<br />

080229, 14-17<br />

4<br />

Ik ga voorlopig voorbij aan het onderscheid tussen confirmatie en belijdenis,<br />

omdat het mij hier gaat om het geheel van de rite van doop en confirmatie. Ik<br />

spreek liever van confirmatie omdat daarmee de rituele impact wordt<br />

aangeduid.<br />

5<br />

Gerard Lukken, Rituelen in overvloed, 1999, 176v<br />

52 <strong>Lectiones</strong> 8


Primaire aandacht voor het rituele bestek vraagt om aandacht voor het complex van<br />

componenten van de rite en de wisselwerking daartussen: (1.) water (onderdompeling /<br />

overgieting / besprenkeling), handoplegging en chrisma, (2.) het Woord en de woorden (3.)<br />

actanten: kerkgemeenschap / ambtsdrager en dopeling,. Alleen alle drie componenten samen<br />

maken deze rite tot een representant van de – intrede in – de symbolische orde ‘in en door<br />

welke wij voortdurend opnieuw onze identiteit als mens moeten ontdekken en vinden. (…) het<br />

gaat om symbolen in de eigenlijke zin van het woord: om tekens die tegelijkertijd onthullen en<br />

verhullen. Ons zoeken naar zin biedt dus enerzijds perspectief, maar is vanwege de<br />

6<br />

bemiddeling ook altijd stukwerk’ . Precies op dit punt doet zich de vraag voor aan welke<br />

gevoelens en behoeften de overdoop appelleert en waarom de christelijke initiatie al dan niet<br />

herhaalbaar is.<br />

In het bestek van deze notitie is het niet mogelijk daar breed op in te gaan. Dat vraagt een veel<br />

grondiger exercitie. Maar wel kunnen we proberen een paar centrale punten te benoemen.<br />

2. Water, handoplegging en chrisma bij doop en confirmatie<br />

Gezien de behoefte aan totale onderdompeling bij de overdoop richt de aandacht zich allereerst<br />

op het water. Aangezien we over een rite en de verdichtende werking daarvan spreken, moet<br />

volstrekt helder zijn dat water in de taal van de heilige Schrift en de omringende mythologie een<br />

7<br />

geheel eigen verhaal vertelt. Herman Beck wijst op de veelduidige betekenis van water. Plaats<br />

van dood en bron van leven en alles wat zich daar tussen beweegt. Ook onderstreept hij hoe<br />

fundamenteel in heel de geschiedenis van religie de betekenis(geving) van en de omgang met<br />

water is. In het kader van de christelijke doop wijst hij op de centrale betekenis van Rom. 6,3v.:<br />

‘Hier komt de symboliek van het water van de schepping, van de zondvloed en de reiniging<br />

8<br />

samen in het water van de doop’ . De in de nota PKN opgeroepen discussie over de<br />

hoeveelheid water die bij de doop wordt gebruikt is buitengewoon verwarrend, alsof er gradaties<br />

van ‘geldigheid’ van de doop zouden zijn. Wel wijst die discussie er op dat de beleving van een<br />

rite mede afhangt van de wijze waarop de elementen daarvan worden benut.<br />

In de disussies over de (on)mogelijkheid van de overdoop speelt de verhouding met de<br />

confirmatie een eigen rol. Zoals gezegd, blijft deze in vrijwel alle bijdragen over de overdoop<br />

onderbelicht. Waarschijnlijk heeft dat te maken met de nog steeds niet gevoerde –<br />

oecumenische – discussie over de al dan niet te ontkoppelen relatie tussen deze beide. In het<br />

kader van onze discussie roept dit de vraag op naar de parallel van het water van de doop met<br />

de ‘elementen‘ van de confirmatie: de handoplegging, het ‘toebidden van de gaven van de<br />

Geest’, verbonden met de zalving met het chrisma, het ‘zegel van de heilige Geest’. Samen met<br />

de onderdompeling betekenen zij de opname in het lichaam van Christus. In de gehele traditie<br />

6<br />

Idem<br />

7<br />

Herman Beck, Water, bron, zee, leven dood et cetera, in Marcel Barnard en<br />

Paul Post, Ritueel bestek, 2001, 291-302<br />

8<br />

Idem, 295<br />

Doop, confirmatie, gedachtenis 53


van de kerk van Oost en West zijn doop met water, handoplegging en zalving onlosmakelijk<br />

(?) .<br />

9<br />

Als voorbeeld van een geïntegreerde vernieuwing van het doopritueel van kinderen<br />

kan de wijze gelden waarop Herman Wegman de doop bediende: in het spoor van de<br />

oosterse (en ook de westerse t/m de late middeleeuwen en wellicht het begin van de<br />

reformatie) praxis werd de naakte dopeling geheel ondergedompeld en vervolgens<br />

eveneens geheel gezalfd, waarna de bekleding met het doopkleed volgde als beeld<br />

van de opname in de gemeenschap der heiligen (vgl. Apc. 7).<br />

10<br />

Opmerkelijk is dat in de voorstellen voor de doopgedachtenis in het PKN-rapport wel een<br />

zegen na de doopgedachtenis is voorzien, maar nergens wordt vermeld wat de inhoud van die<br />

zegen is (afgezien van de vraag of de handoplegging als ‘zegen’ zou moeten worden<br />

gekwalificeerd).<br />

De conclusie in deze paragraaf moet zijn, dat de ontkoppeling van doop en confirmatie bij de<br />

vraag naar de overdoop een eenzijdige accent op de doop met water oplevert. Hier wreekt zich<br />

het gegeven dat het oecumenisch gesprek in de RvK in Nederland over inhoud en mogelijke<br />

wederzijdse (h)erkenning van confirmatie / belijdenis in de jaren ’90 geen kans heeft gekregen<br />

door het toenemende isolement van de RKK. Wel moet worden geconstateerd dat in het<br />

dooprapport van de RvK de doopgedachtenis nadrukkelijk betrekking heeft op het geheel van<br />

11<br />

doop en confirmatie .<br />

9<br />

vgl BEM B/14<br />

10<br />

Bijlage 3<br />

11<br />

Op zoek naar en oecumenische doopliturgie, Oecumenische Bezinning<br />

1992/2, blz 5/4<br />

54 <strong>Lectiones</strong> 8


3. Oecumene<br />

In dit kader komen twee vragen aan de orde: (1.) de ‘Verbindlichtkeit’ van het oecumenisch<br />

commitment van de kerk en (2.) de eenmaligheid van de doop<br />

(1.) In het PKN-rapport ontbreekt iedere verwijzing naar en inkadering in het oecumenisch<br />

commitment van doop en confirmatie. Dit is meer dan een omissie. Hans Kronenburg heeft daar<br />

al meermalen mondeling en schriftelijke op gewezen. Meer dan omissie omdat daarmee het<br />

sacramentele karakter van de doop als vooralsnog enige bron en teken van eenheid van de<br />

kerk en het wereldomvattende deelgenootschap in het Lichaam van Christus wordt<br />

veronachtzaamd.<br />

Formeel is dit te laken omdat de kerken die lid zijn van de Wereldraad van Kerken zich plechtig<br />

hebben verbonden niets zelf te doen wat samen behoort te geschieden. Dat is bij de oprichting<br />

van de Raad van Kerken in Nederland bevestigd door de deelnemende kerken. In het kader van<br />

de doop betekent dit dat in ieder geval de huidige PKN en de OKK formeel en de RKK informeel<br />

12<br />

zich hebben gebonden aan het BEM-rapport en het dooprapport van de RvK .<br />

Inhoudelijk betekent dit dat doop en confirmatie als een eenheid worden gezien, zo zelfs dat in<br />

het BEM-rapport en het rapport van de RvK alleen van ‘Doop’ gesproken wordt. De doop kent<br />

vijf aspecten die alleen samen de doop betekenen: (a.) Partcipation in Christ’s Death en<br />

Resurrection, (b.) Conversion, Pardoning and Cleansing, (c.) The Gift of the Spirit, (d.)<br />

13<br />

Incorporation into the Body of Christ, (e.) The Sign of the Kingdom . Omdat iedere doop een<br />

be-tekenen is van ‘Christ’s faithfulness unto death’ oftewel het ‘sacrament van de<br />

rechtvaardiging van de goddeloze’ (vgl. Wim van Beek) en de opname in het Lichaam van<br />

Christus, die beide onomkeerbaar zijn, is zij onherhaalbaar.<br />

14<br />

Iedere praxis die uitgelegd zou kunnen worden als ‘overdoop’ moet worden vermenden. Ik<br />

ben dan ook nieuwsgierig naar de brief van Faith and Order die de opstellers van het rapport<br />

ontvingen en interpreteren als instemming met hun voorstellen.<br />

Ook betekent dit dat iedere vorm van gedachtenis doop en confirmatie tezamen betreft. Gezien<br />

de afnemende belangstelling voor de confirmatie en een toegenomen aandacht voor de<br />

doopgedachtenis, vraagt de verhouding tussen die beide om nadere studie (vgl. de<br />

opmerkingen van Wim van Beek).<br />

12<br />

Op zoek naar en oecumenische doopliturgie, Oecumenische Bezinning<br />

1992/2<br />

13<br />

BEM B/3-7<br />

14<br />

BEM B12,13<br />

Doop, confirmatie, gedachtenis 55


4. Verhouding confirmatie en doopgedachtenis.<br />

Het BEM-rapport en het dooprapport van de RvK beschouwen iedere viering van de doop als<br />

doopgedachtenis van de gehele gemeente en geven aan dat de paasnacht bij uitstek geëigend<br />

is om daaraan eens per jaar meer nadrukkelijk aandacht te geven. Daarbij is intussen helder<br />

dat het gaat om de gedachtenis van de Doop in de zin van wat in de gereformeerde traditie in<br />

Nederland ‘Doop en Belijdenis’ is gaan heten.<br />

Als doop en confirmatie als één geheel worden gezien, kan er nooit gesproken worden van de<br />

‘bevestiging’ van de doopgeloften. Immers de doopgeloften eens gegeven zijn bevestigd in<br />

doophandeling, handoplegging en zalving. Het woord ‘bevestigen’ duidt op een intrede in een<br />

nieuwe ‘stand’. Een predikant wordt eens voorgoed bevestigd, een ouderling of diaken in<br />

dezelfde gemeente wordt niet opnieuw bevestigd in hetzelfde ambt, ook niet na een of meer<br />

‘pauzes’ van enkele jaren.<br />

Zonder deze discussie verder te willen voeren, zou ik er hier op willen wijzen dat het woord<br />

‘bevestigen’ op zijn minst polyinterpretabel is. Het zou kunnen worden opgevat als herhaling<br />

van de confirmatie, die als deel van de doop net zo onherhaalbaar: eenmaal gezalfd met de<br />

gave van de Geest, altijd gezalfd met de gave van de Geest. Eenmaal opgenomen in het<br />

lichaam van Christus, altijd opgenomen in het lichaam van Christus. Vergelijk alweer een<br />

predikant: wie ooit van haar is ontheven, wordt bij terugkeer niet opnieuw bevestigd in het ambt<br />

van predikant. Hetzelfde geldt bij de overgang naar een volgende gemeente. Daar wordt<br />

geconstateerd en niet gevraagd: ‘Eenmaal hebt u beloofd dat …’ Terecht gebruikt het rapport-<br />

PKN daarom deze formulering. Niet terecht is dat daar de vraag naar het ‘aanvaarden en<br />

beamen’ aan wordt gekoppeld onder het voorvoegsel ‘bevestigen’. ‘Beamen’ is de bewoording<br />

15<br />

die in het DB-I is gekozen als declaratie richting de geloofsleerlingen ter inleiding op de<br />

eigenlijke vragen van de verzaking en belijdenis. De combinatie van ‘bevestigen’ en<br />

‘aanvaarden en beamen’ suggereren een confirmatie. Maar die was niet aan de orde – of wel?<br />

Met Wim van Beek pleit ik voor een concentratie op het woord doopgedachtenis in de brede zin.<br />

Daarbij mag niet worden gesproken van ‘gedachtenis aan’, dat suggereert herinnering.<br />

Gedenken is een actieve daad waarin de doop van toen een levende werkelijkheid wordt voor<br />

nu en straks. Alleen gedenken veronderstelt een fundamenteel herhaalbare, en zelfs<br />

noodzakelijkerwijs herhaald gebeuren. Dit op voorwaarde dat iedere suggestie van een opnieuw<br />

primair gebeuren vermeden wordt. Vergelijk de parallellie met het breken van het brood bij de<br />

Maaltijd van de Heer. Zijn offergang wordt niet herhaald, maar wij krijgen, in het bidden, breken<br />

en delen, deel aan de weg die Hij is gegaan. Zo ook de doopgedachtenis. Je eigen kop<br />

opnieuw in het water steken is eventueel exact hetzelfde wat toen gebeurde, de ‘zegen’ zou zo<br />

maar dezelfde woorden kunnen bevatten als toen. En over het chrisma is niet nagedacht,<br />

15<br />

DB-I, 142<br />

56 <strong>Lectiones</strong> 8


hoewel ziekenzalving in het kader van verzoening en heling hier misschien het beste soelaas<br />

zou kunnen bieden.<br />

Met Paul Oskamp ben ik geneigd om de eigenlijke doopgedachtenis, hoe specifiek ook<br />

toegespitst op deze mens en deze situatie, te beperken tot de wijwaterkwast die heel de<br />

gemeente als een douche besproeit (al naar gelang de bevlogenheid van de voorganger –<br />

althans in mijn ervaring). Gedenken zal toch vooral betekenen dat ik steeds opnieuw dat<br />

doopwater zie en me te binnen breng dat ik de angstwekkende diepten daarvan alreeds achter<br />

me heb, dat de reinigende kracht daarvan me tot nu toe op de been heeft gehouden, anders<br />

was ik hier niet en dat die veelkleurige kracht van de Geest me ook verder gaande niet in de<br />

steek zal laten. Kortom: hier ligt een veld van verdere vragen en onderzoek.<br />

Conclusie<br />

De rapporten van de WCC en de RvK (en de daarop volgende brede literatuur) bieden een<br />

kader waarin de gesignaleerde rituele samenhang tussen (1.) water, handoplegging en chrisma,<br />

(2.) het Woord en de woorden en (3.) actanten: kerkgemeenschap / ambtsdrager en dopeling<br />

tot zijn recht kan komen en uitdrukking geven aan reikwijdte van de doop. Naast wat ik al heb<br />

gezegd over (1.) en(2.), zouden we ook verder moeten denken over (3.): de verhouding van<br />

individu en gemeenschap, i.c. degene die de overdoop begeert en de gemeenschap der<br />

heiligen. Als de één al een draaideur neiging heeft, is de ander geroepen om duidelijk te maken<br />

dat wie binnen zijn daar ook daadwerkelijk en onvervreemdbaar thuishoren, ook al waren ze<br />

wellicht aan een zwerverscarrière begonnen. Ook kan die gemeenschap duidelijk maken dat er<br />

zoiets is als verzoening en heling en dat daar ook de nodige pastoraal-liturgische handreikingen<br />

voor bestaan (nader onderzoek naar verhouding handoplegging, chrisma en ‘zieken’zalving).<br />

Binnen de actanten – al naar gelang ecclesiologie en ambtstheologie – heeft de bedienaar van<br />

de doop een eigen rol, die zowel ritueel-pastoraal ingevuld als theologisch-liturgisch benoemd<br />

kan worden en zo ook kan bijdragen aan de ervaring dat het Christus zelf is met wiens unieke<br />

onderdoorgang (Willem Barnard) wij verbonden zijn, c.q. worden.<br />

Stellingen voor nader gesprek:<br />

• De ene doop (met water en Geest) is het uitgangspunt van alle denken over doop,<br />

confirmatie en doopgedachtenis.<br />

• Het oecumenisch gesprek over de samenhang en de wederzijdse (h)erkenning van<br />

doop en confirmatie dient opnieuw gestart te worden.<br />

• In alle doopbedieningen zal, naast de waterdoop, handoplegging en zalving met de<br />

Geest plaats vinden.<br />

• Iedere vorm van overdoop of reminiscentie daaraan wordt afgewezen.<br />

• De doopgedachtenis verdient structurele pastorale aandacht in het persoonlijk<br />

Doop, confirmatie, gedachtenis 57


geloofsleven van de gemeenteleden en kan niet beperkt blijven tot louter rite in de<br />

paasnacht – hoe indrukwekkend ook.<br />

• De (on)wenselijkheid van kinderdoop blijft een punt van overweging (vgl. opmerkingen<br />

over het fiasco van de kinderdoop, Oskamp 081016).<br />

• Het pastorale gesprek over overdoop of doopgedachtenis kan worden gevoerd aan de<br />

hand van de aspecten van water (vgl Beck), handoplegging en chrisma.<br />

• Doopgedachtenis kan niet in de plaats komen van de liturgie van boete en verzoening,<br />

die met name is gericht op het herstel van de eigen plaats in de gemeenschap.<br />

• De verhouding van individu en gemeenschap in een laat- / postmoderne tijd behoeft<br />

dringend aandacht.<br />

58 <strong>Lectiones</strong> 8


Geen doopvernieuwing, wel doopgedachtenis<br />

Op verzoek van de redactie wil ik graag iets schrijven over iets wat momenteel velen binnen de<br />

Protestantse Kerk in Nederland (PKN) bezighoudt: de vraag naar de doopbevestiging of<br />

doopvernieuwing. Daarbij gaat het om de vraag of er voor gemeenteleden, die als kind gedoopt<br />

zijn en later van kerk of geloof vervreemd raakten, maar op latere leeftijd bewust tot geloof<br />

kwamen, ruimte is voor een ritueel ter vernieuwing van hun doop. De vraag was op de tafel van<br />

de synode gelegd door het Evangelisch Werkverband (EW). De werkgroep Eredienst schreef er<br />

een notitie over, die voorzien van een commentaar van de hoogleraren M.Barnard, H.W. de<br />

Knijff en C. van der Kooi, in september vorig jaar in de synode besproken werd. Het kwam niet<br />

tot een definitief besluit, maar wel was iedereen het er over eens dat een dergelijk ritueel in<br />

principe mogelijk moet zijn, op voorwaarde dat het in geen enkel opzicht op een her-doop gaat<br />

lijken. Want een mens kan maar één keer in haar leven gedoopt worden. Het synodebestuur is<br />

momenteel bezig het plan uit te werken en komt in april met een voorstel.<br />

In dit artikel wil ik een aantal overwegingen op een rijtje zetten die ik gedistilleerd heb<br />

uit de nota van de werkgroep Eredienst, de reacties daarop van de synode, de commentaren in<br />

de kerkelijke pers en een bespreking in de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> aan de hand van een drietal<br />

praatstukken van respectievelijk Wim van Beek, Paul Oskamp en Hans Uytenbogaardt (op te<br />

vragen via de redactie). Maar het zijn mijn overwegingen en ik ben erop aanspreekbaar.<br />

De eerste vraag moet natuurlijk zijn: waar komt het verlangen naar vernieuwing van de doop<br />

vandaan? Ds Tamis Wever, lid van de werkgroep Eredienst en voorstander van<br />

doopbevestiging door onderdompeling, schrijft dat zij voortkomt uit het verlangen naar een<br />

‘Romeinen 6-ervaring’, het verlangen van mensen om aan den lijve te ervaren dat zij met<br />

1<br />

Christus gestorven en opgestaan zijn’. Dat past geheel in onze heendaagse ervaringscultuur.<br />

Rationele benadering is niet genoeg: ik ben als kind gedoopt, maar het zegt me niets. Mensen<br />

willen er iets van ervaren. Terecht herkent de kerk daar een uitdaging in. Terecht ook zoekt men<br />

dan uit pastorale overwegingen naar een passend ritueel. Vandaar de wens van de synode<br />

doopbevestiging als vorm van doopgedachtenis onder bepaalde voorwaarden mogelijk te<br />

maken. Het dienstboek geeft daar trouwens al verschillende voorbeelden van, maar de<br />

werkgroep heeft ook twee nieuwe rituelen ontworpen voor een doopbevestiging tijdens een<br />

doop- of belijdenisdienst of op een willekeurige zondag, hetzij door middel van besprenkeling of<br />

begieting met water, hetzij door onderdompeling. Maar, zoals gezegd, het mag geen her-doop<br />

zijn. De doop is eenmalig, eens gedoopt voor altijd gedoopt. Wie dat loslaat verbreekt de band<br />

met de wereldkerk en belandt maakt van de kerk een secte.<br />

1<br />

Woord en Dienst, 28 oktober 2006.<br />

Geen doopvernieuwing, wel doopgedachtenis 59


De vraag is echter of dit de weg is die we moeten inslaan, met name wat betreft de door de<br />

werkgroep ontworpen nieuwe rituelen. Er zitten zeker positieve kanten aan. Ik herken er een<br />

poging in om tegemoet te komen aan een oprecht verlangen van gemeenteleden. Verder heeft<br />

men er alles aan gedaan om te laten uitkomen dat het geen her-doop betreft. Het water dat bij<br />

de doopbevestiging gebruikt wordt is geen doopwater, het verwijst naar het doopwater. Zo is er<br />

sprake van bekruising met water wanneer de kinderdoop plaats vond door besprenkeling, van<br />

begieting wanneer de kinderdoop plaats vond door begieting en van onderdompeling wanneer<br />

de kinderdoop plaats vond door onderdompeling. En tenslotte: om de schijn te vermijden dat er<br />

wordt overgedoopt voltrekt niet de predikant, maar de betreffende persoon zelf de handeling<br />

van de doopbevestiging, daarin geassisteerd door ouderlingen en diakenen.<br />

Toch zijn er ook vragen bij te stellen en kritische kanttekeningen. Ik noem er tien, in willekeurige<br />

volgorde:<br />

- Wie echt een ‘Romeinen 6-ervaring’ zoekt zal bekruising of begieting met water te weinig<br />

vinden en met minder dan onderdompeling geen genoegen nemen. En dat lijkt - hoe je het ook<br />

wendt of keert - toch verdacht veel op een doop.<br />

- Ligt theologisch gesproken mijn ‘Romeinen 6-ervaring’ niet op Golgotha, in het kruis en de<br />

opstanding van Christus? Daar en toen ben ik gestorven en opgestaan – en dat blijft gelden,<br />

ook als ik er niets van ervaar. Wordt in een ritueel van doopvernieuwing dat objectieve karakter<br />

van het geloof niet ondergesneeuwd door een vroom subjectivisme?<br />

- Er onstaat ongewild een soort klassestelsel van verschillende soorten dopelingen: straks zijn<br />

er gelovigen die als kind gedoopt zijn, gelovigen die hun doop hebben bevestigd bij hun<br />

belijdenis en gelovigen die op een bijzondere manier hun doop hebben vernieuwd en nu pas<br />

echt geloven. Het doet mij denken aan de gnostische onderscheiding van stoffelijke gelovigen,<br />

psychische gelovigen en geestelijke gelovigen.<br />

- Het is allemaal nogal individualistisch: men voltrekt het ritueel aan zichzelf en daarmee krijgt<br />

zo’n solitair gebeuren toch iets therapeutisch, waarbij de gemeente op afstand toekijkt. Maar zij<br />

is toch vanouds het eigenlijke subject van de doopgedachtenis, zoals heel duidelijk wordt in de<br />

Paasnacht?<br />

- Beseffen we nog dat de doop wel eenmalig is, maar tegelijk een voortdurend leerproces, dat<br />

pas met je dood wordt afgesloten? ‘We moeten elke dag uit de doopvont kruipen’ (Luther).<br />

Wie op latere leeftijd zijn/haar doop wil vernieuwen moet beginnen met naar catechisatie te<br />

gaan.<br />

- Wordt de doop niet ‘bevestigd’ (= vastgemaakt, waar gemaakt) in het leven van alledag, door<br />

eruit te léven, ‘in de wereld, maar niet van de wereld’, niet ‘als kinderen van de duisternis, maar<br />

als kinderen van de dag’ (1 Thess. 5: 1- 11, waarschijnlijk een herinnering aan de doop)?<br />

- Is de eigenlijke doopbevestiging niet de viering van het avondmaal? De sacramenten zijn<br />

ingesteld ‘om ons geloof te versterken en te bevestigen’ (Heidelbergse Catechismus) en<br />

Christus stelde het avondmaal in ‘opdat wij vast zouden geloven dat wij tot het genadeverbond<br />

60 <strong>Lectiones</strong> 8


ehoren’ (avondmaalsformulier). Opmerkelijk genoeg was het geen hoogkerkelijke liturg, maar<br />

een gereformeerde bonder, bij wie ik deze verwijzing naar het avondmaal tegenkwam.<br />

2<br />

- Verder: hoe zit het met de relatie tussen kinderdoop en confirmatie? Het oecumenisch<br />

gesprek heeft tot het inzicht geleid dat er van huis uit een onlosmakelijk verband bestaat tussen<br />

de (volwassen-)doop met water (als teken van het sterven en opstaan met Christus), de<br />

confirmatie (handoplegging en zalving als lijfelijke toezegging van de Geest) en de communie<br />

(als teken van invoeging in het lichaam van Christus). In vrijwel alle kerken is die samenhang<br />

verloren gegaan en zijn de drie aspecten van de ene initiatierite temporeel uiteen gelegd<br />

(behalve bij de Oosterse Orthodoxie). Vormt de vraag naar doopvernieuwing wellicht een<br />

uitdaging aan het adres van kerken die de kinderdoop hooghouden om de relatie tussen doop,<br />

confirmatie en communie te herstellen?<br />

- Hoe staat het met het oecumenisch gehalte van de discussie over de doopvernieuwing? Is er<br />

door de werkgroep Eredienst gekeken naar andere kerken, b.v. de Oud-Katholieke, hoe die met<br />

de vraag naar doopvernieuwing omgaan? Het kan toch niet zo zijn dat iedere kerk op dit punt<br />

een eigen beleid voert? Zodat je in de ene kerk wel je doop kunt vernieuwen en in de andere<br />

niet?<br />

- Tenslotte geef ik hier de vraag door die in de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> gesteld werd en waar ik niet<br />

meer van los kom: onthult de vraag naar de doopvernieuwing ten diepste niet het fiasco van de<br />

zuigelingendoop? Is door de eeuwenlange praktijk van ‘dopen wat in het doophuis kom’ de<br />

doop niet uitgehold en tot een leeg symbool geworden?<br />

Moeten we dan de vraag om doopvernieuwing maar afwijzen? Nee, niet zonder meer. Ik denk<br />

dat we verder komen als we de vraag van het EW om doopvernieuwing consequent<br />

interpreteren als een vraag om aandacht voor de doopgedachtenis. Dat was ook de teneur van<br />

het gesprek in de synode en in de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong>. Doopgedachtenis is niet hetzelfde als<br />

doopvernieuwing: vernieuwing veronderstelt dat de doop kan verouderen. Maar dat is onzin: het<br />

sacrament veroudert niet, er ontbreekt ook niets aan. Wel kan degene die het ontving zijn/haar<br />

doop ontkennen, ‘vergeten’ of beschamen. Daarom is het nodig dat we ons toeleggen op het<br />

gedenken van onze doop. Niet alleen rationeel, b.v. door erover te praten, maar ook met behulp<br />

van riten en symbolen ‘die te denken geven’ (Paul Ricoeur).<br />

Het dienstboek geeft daar allerlei materiaal voor (veel meer dan ik dacht), dat ten dele ook in<br />

het rapport wordt genoemd. Maar uit de traditie van de kerk en de oecumene is veel meer op te<br />

diepen. Zonder veel moeite kwam ik tot de volgende tien mogelijkheden om de doop te<br />

gedenken:<br />

3<br />

- de doopgedachtenis in de Paasnacht , vanouds de doopgelegenheid bij uitstek. De<br />

gemeenteleden komen naar de doopvont, waar zij zich bekruisen met water uit de doopvont<br />

2<br />

A.J. Mensink, in De Waarheidsvriend, 25 september 2008.<br />

3<br />

Dienstboek I, 139-143.<br />

Geen doopvernieuwing, wel doopgedachtenis 61


terwijl de voorganger zegt: ‘gedenk dat je met Christus gestorven bent en opgestaan, dat je<br />

bent overgegaan van de dood naar het leven, van de duisternis naar het licht’.<br />

4<br />

- op de eerste zondag van Epifanie, waarop de doop van Jezus in de Jordaan gevierd wordt, de<br />

gemeente uitnodigen haar doopverbond met God te vernieuwen. De Kerk van Engeland heeft<br />

daar een goed bruikbare liturgie Epifany Carol Service voor ontworpen, waarin behalve de<br />

lezing uit Marcus 1 : 1- 11 ook een aantal elementen uit de doopliturgie zijn opgenomen, zoals<br />

het credo en de verzaking.<br />

5<br />

- bij doopdiensten kan de paaskaars ontstoken worden, die gewoonlijk alleen in de paastijd<br />

6<br />

brandt , ter gedachtenis van de doop als het eens en voorgoed gestorven en opgestaan zijn<br />

met Christus.<br />

7<br />

- de doopgedachtenis tijdens doopdiensten door het jaar heen (de vragen bij de afwending van<br />

het kwaad en de toewending naar Christus): is een meer ‘heftige’ vorm van doopgedachtenis<br />

denkbaar?<br />

8<br />

- de doopgedachtenis tijdens openbare belijdenis, met handoplegging en epiclese , in onze<br />

traditie veelal verstaan als bevestiging van de doop. Gedenken we trouwens niet iedere keer<br />

als we het geloof belijden onze doop? Het zingen of zeggen van de apostolische<br />

geloofsbelijdenis is immers van huis uit een doopbelijdenis!<br />

9<br />

- de kinderen vragen op doopzondagen hun doopkaars mee te nemen van huis en die tijdens<br />

de doopviering aan te steken aan de paaskaars, als een steeds terugkerende gedachtenis van<br />

hun doop temidden van de gemeente.<br />

- je leven lang elk jaar op je doopdag je doopkaars ontsteken en op een feestelijke manier in de<br />

familiekring (of alleen!) je doop gedenken met het zingen van een dooplied uit het liedboek (b.v.<br />

gezang 343) en het lezen van het helaas vrijwel vergeten klassieke doopformulier. 10<br />

- bij uitvaartdiensten de gestorvene opbaren bij paaskaars en doopvont, als teken dat het licht<br />

van de opgestane ons ook in de dood omstraalt. ‘Ten diepste is de uitvaartdienst daarmee<br />

11<br />

doopgedachtenis’ – en dan wordt Romeinen 6:4 geciteerd, de tekst van de ‘doopervaring’.<br />

- en waarom plaatsen we bij de ingang van de parochiekerk geen wijwaterbakjes, zodat ieder<br />

4<br />

Wat mij betreft kan dit ritueel ook als volgt worden uitgevoerd: de<br />

gemeenteleden komen naar de doopvont, waar de voorganger hen bekruist<br />

met water uit de doopvont terwijl hij zegt: ‘ik teken je met het kruis van<br />

Christus. Gedenk dat je met Hem gestorven bent en opgestaan, dat je bent<br />

overgegaan van de dood naar het leven, van de duisternis naar het licht’.<br />

Maar wellicht vinden sommigen dit te clericaal…<br />

5<br />

Zie The Promise of his Glory. Services and Prayers for the season from All<br />

Saints to Candlemas, London 1991, 210-222, speciaal 218-221 (The Renewal<br />

of the Covenant or of Baptismal Vows’).<br />

6<br />

Zie daarover Dienstboek I, 921- 922 en Idelette Otten, Uitblazing als<br />

aanblazing. Over het doven van de paaskaars in de christlijke eredienst.<br />

Publicatieserie Stichting Oud-Katholiek Seminarie, nr 25, Amersfoort 1994.<br />

7<br />

Dienstboek II, 56 (punt 7) en 80-128<br />

8<br />

Dienstboek II, 56 (punt 8) en 129-162<br />

9<br />

Dienstboek I, 875.<br />

10<br />

Dienstboek I, 111-114.<br />

11<br />

Dienstboek II, 894.<br />

62 <strong>Lectiones</strong> 8


die er binnengaat zichzelf kan bekruisen en zijn/haar doop gedenken, zoals Rooms-Katholieken<br />

en Orthodoxen doen?<br />

- de bekende predikant Bartold van Ginkel adviseerde indertijd zieken bemoedigende teksten<br />

op een papiertje te schrijven en ze met een wasknijper aan het bed te bevestigen, onder het<br />

motto: aanzien doet gedenken! Waarom zouden we onze dooptekst niet of op het PC-scherm<br />

zetten als dagelijkse herinnering aan onze doop? Luther schreef ook al met grote letters op de<br />

tafel ‘baptizatus sum’ (ik ben gedoopt).<br />

Als we zo op een veelkleurige manier de doopgedachtenis leren beoefenen zal de vraag naar<br />

een dubieus en misverstandwekkend ritueel van doopbevestiging vroeg of laat overbodig<br />

blijken.<br />

Tenslotte nog iets over wat naar mijn gevoel de kern van het probleem raakt: ten diepste gaat<br />

het de evangelicalen niet om bevestiging van de kinderdoop, maar om herstel van de<br />

volwassendoop. En als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat ze daar goede argumenten voor<br />

hebben. Wordt het daarom geen tijd om het gesprek over de betekenis van de volwassendoop<br />

te openen en van harte ruimte te maken voor de doop op belijdenis? In een interview met<br />

Woord en Dienst zei synodesecretaris Arjan Plaisier: ‘De synode sprak in september duidelijke<br />

taal over de doopvernieuwing. Handen af van de kinderdoop, geen evangelische<br />

12<br />

doopvernieuwing en meer aandacht voor de doopgedachtenis’ . Daar ben ik het geheel mee<br />

eens – behalve met het nogal defensief klinkende eerste onderdeel van deze zin. Ik denk juist<br />

dat het nu de tijd is voor de PKN om de betekenis van de kinderdoop te relativeren en van harte<br />

ruimte te maken voor de vroegchristelijke doop op belijdenis. Vermoedelijk zal dan de vraag<br />

naar doopvernieuwing snel verstomd zijn.<br />

Hans Kronenburg<br />

11 januari 2008, gedachtenis van de doop van de Heer in de Jordaan<br />

12<br />

Woord en Dienst. 21 november 2008.<br />

Geen doopvernieuwing, wel doopgedachtenis 63


Hervorming en Catholiciteit<br />

De bijdrage van het Hilversums Convent (1947 - 1955) aan het gesprek<br />

over de katholiciteit van de kerk. 1<br />

door Hans Kronenburg<br />

Inleiding<br />

Het is 10 oktober 1947. Een tiental aanwezigen, zeven predikanten en drie gemeenteleden,<br />

allen betrokken bij de liturgische beweging in de Nederlandse Hervormde Kerk (NHK),<br />

vergadert in de pastorie van de Hilversumse predikant Ds J. Loos. Zij zijn ontevreden over de<br />

nieuwe, in hun ogen veel te protestantse koers die hun kerk na de oorlog is ingeslagen en ze<br />

besluiten tot oprichting van een Convent om zich vanuit ‘evangelisch-catholiek’ gezichtspunt te<br />

bezinnen op vragen omtrent liturgie, sacrament, ambt en ecclesiologie. Tevens besluiten zij tot<br />

2<br />

het opstellen van een gezamenlijke verklaring. Vier weken later, op 7 november, de gedenkdag<br />

van Willibrord, de patroon van de Nederlandse kerken, wordt de Verklaring gericht tot allen die<br />

de kerk van Jezus Christus liefhebben vastgesteld, ondertekend en toegezonden aan alle<br />

3<br />

hervormde predikanten. Dit is het begin van een nieuwe beweging in de NHK: het Hilversums<br />

Convent (HC). Wat bezielde deze mensen, waar stonden ze voor, wat waren hun wortels en wat<br />

was het effect van hun optreden? In dit artikel worden deze vragen beantwoord, voornamelijk<br />

aan de hand van het tamelijk uitgebreide bronnenmateriaal dat bewaard is gebleven: het archief<br />

van het HC, artikelen en brieven van betrokkenen, kerkeraadsstukken etc.<br />

In de kerkhistorische handboeken kreeg het HC aanvankelijk weinig aandacht. In zijn<br />

Nederlandse Kerkgeschiedenis noemt O.J. de Jong het HC terloops in het hoofdstuk Herstel,<br />

Vernieuwing, Toenadering (1945-1965), in verband met zijn bespreking van O. Noordmans als<br />

1<br />

Voor dit artikel, oorspronkelijk een inleiding voor het Kerkhistorisch<br />

Gezelschap 8 januari 2007, werd van het volgende archiefmateriaal gebruik<br />

gemaakt: archief Th.A. van Lynden-van der Brugghen, met o.m.<br />

64<br />

‘Reconstructie van de geschiedenis van van het Hilversums Convent’,<br />

1953/1979 en uitgebreide correspondentie met bestuur en leden van het HC<br />

(Utrechts Archief); Archief van de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie<br />

1951-1966 (Utrechts archief); archief van de Raad voor het verband met<br />

andere kerken (Utrechts archief); archief E. Emmen (Utrechts archief); het<br />

dossier-Loos (1950-1955), archief van de Hervormde Gemeente te Hilversum<br />

(Streekarchief Gooi en Vechtstreek te Hilversum).<br />

2 Aanwezig waren: Ds J. Loos (Hilversum, gespreksleider), Ds S. Coolsma<br />

(Sittard), Ds H. Coolsma (Princenhage), Ds J.M. Gerritsen (Wichmond), Ds H.<br />

Miskotte (Zwolle), Ds Ph. Bergkotte (Oosterbeek), Ds J.K. van den Brink<br />

(Assendelft), Ir R.Th. Bijleveld (Velp), Mr. W.J. Kolkert (Zeist) en Mevr. Th.<br />

A. baronesse van Lynden- van der Brugghen (Utrecht).<br />

3 De Verklaring was opgesteld door J. Loos, J.M. Gerritsen, H. Miskotte en<br />

W.J. Kolkert en ondertekend door een dertigtal personen, van wie elf<br />

predikanten. Zie Hervorming en Catholiciteit. Een verklaring, Rotterdam<br />

1950, 11.<br />

<strong>Lectiones</strong> 8


4<br />

één van de vernieuwers van de na-oorlogse Hervormde theologen. A.J. Rasker wijdt er één<br />

5<br />

regel aan in zijn bespreking van het ambtsrapport van de commissie-Van Ruler. Wat de meer<br />

recente handboeken betreft, in dat van Selderhuis (2006) wijden Harinck en Winkeler er een<br />

(nogal slordige) alinea aan in hoofdstuk 7, ‘De twintigste eeuw’, in de paragraaf over de<br />

6<br />

oecumene , terwijl Lieberg/Eynatten (2005) er geheel over zwijgen. Voor een meer grondige<br />

7 8<br />

informatie moeten we te rade gaan bij J. Loos (1960), J.F. Lescrauwaet (1957), twee<br />

artikelen uit de kring van <strong>Liturgische</strong> Beweging, respectievelijk van A. Soeting (1975) en R.<br />

9 10<br />

Boon (1981) , de monografie van P. Staples (1991) , de doctoraalscriptie van K. Datema<br />

11 12 13<br />

(1993) en – tenslotte – de lemma’s J.M. Gerritsen en J. Loos in het BLNP (NB. Een<br />

pluim op de hoed van de redactie, die ook aan de Rooms-katholiek geworden Loos een plaats<br />

4<br />

‘Omstreeks 1950 begon een ‘hervormd-catholieke’ richting aan te dringen op<br />

een wijding volgens de apostolische successie voor de predikanten.<br />

Noordmans wees deze richting af, niet enkel uit zijn voorliefde voor een<br />

prebyteriale kerkorganisatie, maar meer nog om de vrijheid van de Geest. Hij<br />

stelde dat de kerk alleen door de Geest kan leven, maar in geen enkel opzicht<br />

over de Geest kan beschikken’, O.J. de Jong, Nederlandse<br />

Kerkgeschiedenis, Nijkerk 1972, 408. De auteur verwijst hier naar O.<br />

Noordmans, Gestalte en Geest, Amsterdam 1955, als één van de drie<br />

boeken die te beschouwen zijn als symptomen van de na-oorlogse<br />

theologische vernieuwing. De andere twee zijn volgens hem de reeks<br />

Dogmatische Studiën van G.C. Berkouwer, Kampen 1949 e.v. en K.H.<br />

Miskotte, Als de goden zwijgen, Amsterdam 1956.<br />

5<br />

Zie A.J. Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795, Kampen<br />

3<br />

1986 , 363: ‘In 1952 was de directe aanleiding tot instelling van de<br />

commissie het hoogkerkelijk denken van enkele predikanten – het<br />

‘Hilversums Convent’-, die om addtionele wijdingen vroegen’.<br />

6<br />

H.J. Selderhuis (red.), Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis, Kampen<br />

2006, 836. De auteurs schrijven daar dat het HC ‘onder anglicaanse invloed<br />

sterk katholic(!)erende tendensen vertoonde’ en dat het Convent uiteenviel,<br />

‘toen Loos en andere leden naar de Rooms-Katholieke Kerk overgingen’. Het<br />

eerste is - afgedacht van de aangegeven spelfout – correct, het tweede is<br />

feitelijk onjuist.<br />

7<br />

J. Loos, ‘Het Hilversumse Convent (1947-1955)’, Binnenlands Apostolaat<br />

11 (1960), 43-55.<br />

8<br />

Lescrauwaet, De liturgische beweging onder de Nederlandse Hervormden<br />

in oecumenisch perspecrtief, Bussum 1957, hoofdstuk V, ‘De Controverse’,<br />

met name 178-185.<br />

9<br />

A. Soeting, ‘De liturgische kring in de Nederlandse Hervormde Kerk, een<br />

historisch overzicht (1924 – 1974), in: Eredienst 9 (1975), 1 - 9 en R. Boon,<br />

‘Rondom Ekumene en Eredienst. Een recent hoofdstuk van de vaderlandse<br />

geschiedenis, aan de vergetelheid ontrukt’, Eredienst 15 (1981), 57 – 72.<br />

10<br />

P. Staples, Relations between the Netherlands Reformed Church and the<br />

Church of England, Lewiston / Queenston / Lampeter, 1991.<br />

11<br />

K. Datema, Het Hilversums Convent. Een onderzoek naar geschiedenis en<br />

denkbeelden. Doctoraalscriptie liturgiewetenschap theologische faculteit<br />

Groningen, 1993.<br />

12<br />

Zie ‘Gerritsen, Johan Marie’, BLNP 3, Kampen 1988, 135-137 (L. Brink).<br />

13<br />

Zie ‘Loos, Jacob’, BLNP, 5, Kampen 2001, 350-352 (J. Kronenburg).<br />

Hervorming en Catholiciteit 65


in deze galerij van protestantse godgeleerden heeft toegekend: dat is met recht wat Van<br />

14<br />

Deursen noemt: ‘recht doen aan gestorvenen’.<br />

De context van het Hilversums Convent<br />

De toonaangevende leden van het HC waren lid van de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong>, een groep van<br />

voornamelijk hervormde theologen, die vernieuwing van de kerk beoogde door herstel van de<br />

liturgie in 'catholieke' zin. Deze kring onderhield nauwe relaties met de Ethische Vereniging en<br />

de daaruit voortgekomen Vereniging Kerkopbouw, die op haar beurt weer sterke impulsen<br />

onderging van de Oecumenische Beweging. Daarmee zijn als context van het HC drie<br />

bewegingen aangegeven, die - hoe verschillend ook van invalshoek -nauw met elkaar<br />

samenhangen: de liturgische beweging, de oecumenische beweging en de<br />

reorganisatiebeweging. Over alle drie een enkel woord.<br />

De liturgische beweging 15<br />

In 1921 richt Ds H.W.Creutzberg, de predikant van de door hem naar anglicaans model<br />

16<br />

gebouwde Haagse Duinoordkerk, samen met de jonge predikant G. van der Leeuw, leerling<br />

17<br />

van J.H.Gerretsen, (‘de vader van de <strong>Liturgische</strong> Beweging’ ) - op verzoek van de Ethische<br />

Vereniging - de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> op. Voorzitter wordt G. van der Leeuw. Doel van de kring is:<br />

leiding geven aan de liturgische praktijk in de kerk door middel van studie en publicaties.<br />

De gangmakers van de liturgische beweging in ons land zijn dus vertegenwoordigers van de<br />

18<br />

‘Ethische Richting’ geweest. Dat blijkt onder meer uit hun aandacht voor het esthetische in de<br />

eredienst (J.H.Gerretsen), hun openheid voor de oecumenische beweging (W.H. van de Pol) en<br />

14<br />

A.Th. van Deursen, De eeuw in ons hart. Negenentwintig opstellen over<br />

geschiedenis, gechioedeniswetenschap en geschiedsbeleving, Franeker<br />

1991, 8.<br />

15<br />

Zie over de liturgische beweging in de Nederlandse Hervormde Kerk: J.N.<br />

Bakhuizen van de Brink, ‘Uit de geschiedenis van de <strong>Liturgische</strong> Beweging’, in:<br />

Kerk en Eredienst, jrg 1, 1946, 12-17; W.H. van de Pol, ‘De liturgische beweging<br />

bij de protestanten in Nederland’, Tijdschrift voor liturgie, jrg 30/31, 1946/47 , 20-35;<br />

E. van der Schoot, Hervormde Eredienst, Den Haag 1950; J.F. Lescrauwaet, De<br />

<strong>Liturgische</strong> Beweging onder de Nederlandse Hervormden in oecumenisch<br />

perspectief, Bussum, 1957; P. Staples, The Liturgical Movement in the<br />

Netherlands Reformed Church 1911-1955. With Special Reference to the Anglican<br />

Dimension (IIMO Research Pamphlet 9), 1983.<br />

16<br />

Zie over Creutzberg: BLNP 4, Kampen 1998, 108-109 (J.F.C. d’Achard van<br />

Enschut) en K.W. de Jong, ‘De verhouding tussen het pionierswerk van H.W.<br />

Creutzberg en de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong>’ in: Jaarboek voor liturgieonderzoek 15<br />

(1999), 27 –53.<br />

17<br />

Zie over Gerretsen: BLNP 3, Kampen 2001, 132-135 (C.F.Antonides); K.W.<br />

de Jong, ‘Gerretsens Liturgie (1911) in perspectief’, in: Jaarboek voor<br />

liturgieonderzoek 9 (1993), 25-63.<br />

18<br />

Zie R. Boon, ‘Een weinig bekend hoofdstuk van de vaderlandse<br />

kerkgeschiedenis. De liturgie-vernieuwing binnen de Nederlandse Hervormde<br />

Kerk in fasen geschetst, beginnende bij de “Ethische Richting”, in: Heel de<br />

kerk. Enkele visies op de kerk binnen de ‘Ethische Richting’, Zoetermeer<br />

1995, 187 – 198.<br />

66 <strong>Lectiones</strong> 8


vooral: hun voorliefde voor de incarnatie-theologie van de Anglicana (G. van der Leeuw) – allemaal<br />

typisch ‘ethische’ trekjes. Al is er binnen de liturgische kring ook invloed merkbaar van de Duitse<br />

19<br />

hoogkerkelijke beweging (Fr. Heiler), het is vooral de Anglicana die met haar schone liturgie<br />

20<br />

vanuit Engeland hoofd en hart van velen verovert. Zie b.v. W.H. van de Pol, Liturgie (1931) en G.<br />

21<br />

van der Leeuw, Liturgiek (1939).<br />

De liturgische beweging krijgt echter een principiele tegenstander in de van huis uit<br />

eveneens ethische theoloog O. Noordmans. In 1939 trekt deze ten strijde tegen de<br />

dissertatie van Van de Pol over Newman. Hij ziet in de liturgische beweging ‘het spook van<br />

het anglicanisme’ = de incarnatietheologie = Newman! Op hun beurt bestreden Van der<br />

Leeuw c.s. (terecht) Noordmans' eenzijdige visie op de Anglicana (die hij identificeert met<br />

Newman), evenals trouwens zijn niet minder eenzijdige visie op de Reformata (die hij<br />

22<br />

identificeert met het Puritanisme).<br />

De oecumenische beweging 23<br />

Na in de jaren dertig van de vorige eeuw ook in ons land op gang te zijn gekomen en gedurende de<br />

oorlog ondergronds te zijn gegaan, maakt de oecumenische beweging in 1946 een nieuwe start: de<br />

Oecumenische Raad van Kerken in Nederland wordt opgericht en H. van der Linde, lid van het HC,<br />

wordt tot studiesecretaris benoemd. Op die post zal hij het thema ' evangelische katholiciteit'<br />

19<br />

Zie over hem: H. Hartog, Evangelische Katholizität. Weg und Vision Friedrich<br />

Heilers, Mainz 1995.<br />

20<br />

W.H. van de Pol (1897-1987), van huis uit NH, had van jongsaf grote liefde<br />

voor de Anglicana. In 1919 ging hij over naar de Church of England. In 1931<br />

schreef hij als lid van de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> Liturgie, waarin aandacht gevraagd<br />

wordt voor tussen samenhang liturgie en oecumene. Door G. van der Leeuw<br />

op het spoor gezet van Newman promoveert hij in 1936 op diens<br />

ecclesiologie. In 1940 gaat hij over naar de RK kerk. De Anglicana blijft echter<br />

zijn grote liefde, getuige zijn mooie boek: Het Anglicanisme in oecumenisch<br />

perspectief (1962, Engelse vertaling 1965). Zie over hem G. Puchinger in<br />

Rondom het Woord 29 (1987), nr 2, 51-58.<br />

21<br />

2<br />

G. van der Leeuw, Liturgiek, Nijkerk 1940 (1946 ).<br />

22<br />

Zie O. Noordmans, Liturgie, Amsterdam 1939 (= VW 6, 45-164) en G. van<br />

der Leeuw, O.Noordmans, W.H. van de Pol, Liturgie in de crisis, Nijkerk 1939<br />

(= VW 6. 165-243).<br />

23<br />

In zijn dissertatie De geschiedenis van de eerste Oecumenische Raad in<br />

Nederland (10 mei 1935 - 10 mei 1946), ’s Gravenhage 1989, beschrijft H.J.<br />

ter Haar Romeny de wisselwerking tussen de liturgische beweging, met name<br />

in de Hervormde Kerk, en hetgeen er in en buiten die kerk met betrekking tot<br />

oecumenische ontmoeting begon te ontluiken (a.w. 201vv). Enerzijds heeft de<br />

liturgische beweging het proces van toenadering en van oecumenische<br />

gezindheid in de Nederlandse kerken bevorderd. Anderzijds hebben de<br />

oecumenische ontmoetingen tussen tradities van kerken buiten de<br />

landsgrenzen, evenals de resultaten van de Faith and Order-conferenties,<br />

een niet onbelangrijke bijdrage geleverd aan de liturgische vernieuwing. Een<br />

van de eerste (en beste) vruchten van deze wisselwerking was het Faith and<br />

Order-rapport Ways of Worship (1951).<br />

Hervorming en Catholiciteit 67


nadrukkelijk aan de orde stellen. Twee jaar later, in 1948, wordt in Amsterdam de Wereldraad van<br />

Kerken opgericht.<br />

Intussen was een aantal leden van de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> sterk geboeid geraakt door een drietal<br />

oecumenische ontwikkelingen in Engeland:<br />

(a) In 1946 houdt de aartsbisschop van Canterbury, Geoffrey Fisher, vurig voorstander van de<br />

oecumene (hij zal een van de eerste presidenten worden van de Wereldraad), in zijn beroemde<br />

Cambridge Sermon een pleidooi voor samenwerking tussen de Church of England en de Free<br />

Churches. Met een beroep op de Faith and Order-conferentie van Lausanne 1927, waar men<br />

het erover eens was dat het episcopale, het presbyteriale en het congregationele element alle<br />

drie een plaats dienen te krijgen in de ambtelijke structuur van een verenigde kerk, stelt hij de<br />

Free Churches voor om als eerste stap op weg naar die ene kerk ‘to take episcopacy into their<br />

24<br />

own system (…) and try it out on their own ground first’. Dit Engelse voorstel zal een paar jaar<br />

later in de NHK voor grote beroering zorgen.<br />

(b) Als vervolg op de preek van Fisher komt er een dialoog op gang tussen de Church of<br />

England en de Free Churches en ten dienste daarvan verschijnt in 1947 het rapport Catholícity,<br />

geschreven door een groep anglo-katholieke theologen o.l.v. A.M. Ramsey, hoogleraar te Durham. 25<br />

Men zoekt het normerend principe der katholiciteit in de zg. ‘Lambeth-vierhoek’, de vier<br />

basiselementen die de Anglicaanse Kerk als voorwaarde stelt voor kerkelijke hereniging: de heilige<br />

Schrift als het geopenbaarde woord van God, de beide vroeg-christelijke credo’s, de sacramenten<br />

van doop en avondmaal en de apostolische successie. Het rapport trok sterk de aandacht van de<br />

<strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> en een aantal jaren later zou het worden uitgegeven in een vertaling van W.<br />

Barnard en G.W. Oberman (lid van de <strong>Kring</strong> en van het HC). 26<br />

(c) Onder de titel Apostolic Ministry verschijnt, in diezelfde tijd (1946), onder redactie van E.<br />

Kirk, bisschop van Oxford, een sterk anglo-katholiek gekleurde bundel opstellen over het<br />

apostolisch ambt. Het boek - met name het opstel van Gregory Dix, 'The Ministry in the early<br />

Church' - zal grote invloed krijgen op de ambtsopvatting van sommige leden van het HC.<br />

Daarmee was het thema van de apostolische successie ook op de tafel van de <strong>Liturgische</strong><br />

<strong>Kring</strong> terecht gekomen en - zoals weldra blijken zou - van heel de NH-Kerk - uitgerekend op een<br />

moment dat men het na een lange strijd eens was geworden over reorganisatie van de kerk in<br />

presbyteriaal-synodale zin.<br />

De reorganisatiebeweging 27<br />

24<br />

Church Relations in England, 10v.<br />

25<br />

Catholicity. A Study in the Conflict of Christian Traditions in the West, being<br />

a Report presented to His Grace the Archbishop of Canterbury, Westminster<br />

1947.<br />

26<br />

De katholiciteit der kerk. Uit het Engels vertaald door Ds W. Barnard en Dr<br />

G.W. Oberman, voor ‘Adoremus’ uitgegeven door uitgeverij C. Blommendaal<br />

n.v. Den Haag, 1959.<br />

27<br />

Zie H. Oostenbrink - Evers, Beginselen en achtergrond van de kerkorde<br />

van 1951 van de Nederlandse Hervormde Kerk, Zoetermeer 2000.<br />

68 <strong>Lectiones</strong> 8


Sinds de jaren dertig ijverden twee bewegingen, Kerkherstel (1930) en Kerkopbouw (1931), voor<br />

afschaffing van de besturen-kerk (1816) en invoering van een nieuwe kerkorde. Kerkherstel in<br />

gereformeerd presbyteriaal-synodale richting, Kerkopbouw in open oecumenische richting. 28<br />

29<br />

De vereniging Kerkopbouw was opgericht op initiatief van enkele ethische theologen (o.a. A.M.<br />

Brouwer, G. van der Leeuw en G.W. Oberman), die daartoe geïnspireerd werden door de Lambeth-<br />

30<br />

conferentie van 1930. In het beginselprogram van Kerkpbouw wordt de NH-Kerk opgeroepen zich<br />

meer bewust te worden van haar ‘eenheid en oecumeniciteit als tak van de Apostolische en<br />

Katholieke Kerk’. Behalve voor de oecumene was er in Kerkopbouw ook veel aandacht voor<br />

liturgische vernieuwing, zoals b.v. blijkt uit het rapport Het wezen van den Eredienst (1933), 31<br />

dat volgens G. van der Leeuw, onder wiens voorzitterschap het rapport was opgesteld, ‘zeker het<br />

32<br />

inzicht van de <strong>Liturgische</strong> kring weergaf. Ook de ambtsvraag werd binnen Kerkopbouw gesteld,<br />

maar men was – in tegenstelling tot Kerkherstel - minder gefixeerd op het presbyteriaal-synodale<br />

stelsel. Men zag wel degelijk de waarde in van het episcopale systeem. Zo signaleert O. Noordmans<br />

in zijn Beginselen van kerkorde (1932) een tekort aan 'ware bisschoppelijke geest' in de<br />

33<br />

gereformeerde traditie. Ook wordt in het reorganisatievoorstel van Kerkopbouw (1934) een plaats<br />

34<br />

ingeruimd voor de nieuwe figuur van de 'moderator'. Verder stelt de voorzitter van Kerkopbouw, de<br />

Utrechtse Nieuwtestamenticus A.M. Brouwer, in 1937 de presbyteriaal-synodale kerkregering ter<br />

28<br />

Zie daarover H. Bartels, Tien jaren strijd om een belijdende kerk, Den<br />

Haag, 1946.<br />

29<br />

Zie Kerkopbouw. Toespraken gehouden op de stichtingsvergadering der<br />

vereniging 'Kerkopbouw, Zeist, 1931, met toespraken van A.M. Brouwer,<br />

W.Th. Boissevain, G. van der Leeuw en F.W.A.. Korff.<br />

30<br />

De verschijning van de Nederlandse vertaling van het rapport van de<br />

conferentie (door W.H. van de Pol) werd door Kerkopbouw als een 'vingerwijzing'<br />

gezien. G. W. Oberman schrijft in het Woord vooraf: ‘Wij zoeken in onze kerk de<br />

Kerk van Christus. Daarom hebben wij nodig ons te bezinnen. Ziehier een<br />

getuigenis eener Kerk dat ons daarbij kan helpen. Want zonder de Oecumenische<br />

Kerk kan geen kerk haar diepste vragen beantwoorden’ (Het getuigenis der<br />

Christelijke Kerk, voor zover te Lambetth vertegenwoordigd, Baarn 1930, 8). Zie<br />

ook H. Bartels, Tien jaren strijd, 41.<br />

31<br />

Het wezen van den Eredienst. Rapport van de Kerkopbouwcommissie tot<br />

bestudeering van het Liturgisch Vraagstuk, Baarn 1933.<br />

32<br />

G. van der Leeuw, ‘Inleiding’, in Handboek voor den Eeredienst in de<br />

Nederlandsche Hervormde Kerk, samengesteld door de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong>,<br />

Rotterdamn 1934, 9-16, 11 (citaat).<br />

33<br />

O. Noordmans, Beginselen van kerkorde (Kerkopbouw-Geschriften Reeks<br />

E no 1), Assen 1932 (= VW deel 5, 172-193).<br />

34<br />

Ontwerp van een algemeen reglement en eenige organieke reglementen<br />

voor de Ned. Hervormde Kerk, opgesteld namens de Vereeniging<br />

Kerkopbouw, Baarn, z.j. (1933). Hierbij: O. Noordmans en C.G. Wagenaar,<br />

Het reorganisatie-ontwerp van Kerkopbouw toegelicht, Baarn 1933 en W.H.<br />

van de Pol, Reorganisatie, leidraad bij de bestudering van het reorganisatieontwerp<br />

van Kerkopbouw, Kerkopbouw-cursus nr 8, z.j.<br />

Hervorming en Catholiciteit 69


35<br />

discussie en vraagt Van der Leeuw in verschillende geschriften ruimte voor episcopale elementen in<br />

de kerkorde. 36<br />

Nadat de reorganisatiestrijd in 1939 in een impasse was geëindigd, kreeg een door de synode<br />

ingestelde Commissie Kerk en Gemeenteopbouw in 1942 de opdracht de weg te banen voor een<br />

nieuwe kerkorde in synodaal-presbyteriale geest. De commissie-Wagenaar ontwerpt tijdens WO II<br />

een werkorde, die in 1945 wordt goedgekeurd, waarna op 24 november 1947 het voltooide ontwerp-<br />

35<br />

A.M.Brouwer, De Kerkorganisatie der eerste eeuw en wij, Baarn, 1937.<br />

36<br />

G. van der Leeuw, ‘De Engelsche kerk als brugkerk', Algemeen Weekblad<br />

voor Christendom en Cultuur, 14 juni 1929; idem, ‘Het reorganisatieaccoord<br />

en de episcopale gedachte’, Kerkopbouw, 5 (1937), 98-99.<br />

70 <strong>Lectiones</strong> 8


kerkorde tijdens een bijzondere zittingvan de synode in Utrechtse Domkerk aan de synode wordt<br />

aangeboden. 37<br />

De oprichting van het Hilversums Convent<br />

Inmiddels was er vanuit de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> een tegenbeweging op gang gekomen in de vorm<br />

van het Hilversums Convent, genoemd naar de Hilversumse predikant Ds J. Loos, in wiens<br />

pastorie op 10 oktober 1947 de eerste bijeenkomst van het Convent gehouden werd. Onder de<br />

leden komen we onder meer de namen tegen van de predikanten J. Loos, Hilversum<br />

38 39 40<br />

(Bethlehemkerk) , J. M. Gerritsen, Wichmond , J.K. van den Brink, Assendelft , G. W.<br />

41 42 43<br />

Oberman, Utrecht , H. Miskotte, Zwolle en L. Brink, Velsen .<br />

37<br />

Zie H. Oostenbrink – Evers, ‘De kerkrechteljke ontwikkelingen binnen de<br />

Nederlandse Hervormde Kerk tijdens de Tweede Wereldoorlog’, in: Jaarboek<br />

voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme na 1800, 3 (1995),<br />

106-133, 131.<br />

38<br />

Voordat hij in 1946 naar Hilversum kwam was Loos (1908-1989) predikant<br />

geweest te Oudega (W.) (1933), Arnhem (1937) en Workum (1939).<br />

39<br />

J.M. Gerritsen (1908-1962) was van 1934 tot zijn dood in 1962 predikant te<br />

Wichmond. ‘Hij was vrijwel de enige in ons land, die in de samenhangen van<br />

de Schrift en in de vroeg-christelijke tekstverklaring opnieuw de actuele<br />

betekenis der typologische exegese had ontdekt en bestudeerd. (..) Maar<br />

vóór alles was hij voor tallozen een bemind leider in het rijk van de<br />

spiritualiteit der kerk (…). Door diepgaande kennis en praktische beoefening<br />

had Gerritsen zich ontwikkeld tot de grootste liturgioloog, die de Hervormde<br />

Kerk ooit heeft voortgebracht’, R. Boon, ‘In Memoriam’, Woord en Dienst 28<br />

april 1962. Zie ook L. Brink, ‘Johan Marie Gerritsen’, in BLNP 3, 135 -137.<br />

40<br />

Zie J.K. van den Brink, ‘Eeredienst en Priesterschap’, Vox Theologica 6<br />

(1934), 25 – 34; idem, ‘Aanbidding, de lofzang van het geloof’, Eltheto, mei<br />

1937; idem, ‘De achtergrond van het liturgisch streven’, in: Nieuw Evangelisch<br />

Tijdschrift 16 (1934), 35-64. Hij was sterk geboeid door de opvattingen van<br />

Friedrich Heiler, de inspirator van de Hochkirchliche Vereinigung. Hij<br />

verzorgde een Nederlandse vertaling van door hem uitgekozen fragmenten uit<br />

Heilers Evangelische Katholizität en Im Ringen um die Kirche, onder de titel<br />

De strijd om de Kerk, met een voorwoord van G. van der Leeuw, Baarn z.j<br />

(1935). Zie over Heiler: H. Hartog, Evangelische Katholizität. Weg und Vision<br />

Friedrich Heilers, Mainz 1995.<br />

41<br />

G.W. Oberman (1889-1967), zoon van de kohlbruggiaanse predikant F.O.<br />

Oberman, predikant te Bovensmilde (1918), Leeuwarden (1922) en Utrecht<br />

(1926). In 1953 ging hij om gezondheidsredenen met emeritaat. Hij<br />

promoveerde in 1922 op het proefschrift Verwaarloosde en misdadige jeugd;<br />

haar godsdienstig leven en geestelijke verzorging. Hij was vrijwel vanaf het<br />

begin (1921) lid van de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> en het Hilversums Convent. Hij<br />

begon in de Utrechtse Wilhelminakerk met ‘liturgische diensten’ en was de<br />

auteur van het veelgebruikte boek De gang van het kerkelijk jaar, ’s-<br />

Gravenhage 1947. ‘Met Van der Leeuw stond hij volledig op het kerkelijk en<br />

theologisch standpunt van de “evangelische katholiciteit”’, J.N. Bakhuizen van<br />

den Brink, in zijn ‘In Memoriam’, Woord en Dienst, juli 1967.<br />

42<br />

H. Miskotte (1910-1985), predikant te Zwolle, niet te verwarren met zijn<br />

neef: prof. dr K.H. Miskotte te Leiden. Ook hij was aanhanger van de<br />

opvattingen van Fr. Heiler over ‘evangelische katholiciteit’.<br />

Hervorming en Catholiciteit 71


Tot het convent behoorden ook enkele niet-theologen, onder meer: Baronesse Th. A.<br />

Lynden – van der Brugghen. Zij heeft als secretaresse van het convent veel interessant<br />

44<br />

materiaal verzameld en bewaard, te vinden in het archief-Van Lynden; Mr W.J. Kolkert,<br />

subsistuut-officier van Justitie, Zeist (lid<br />

GKN, later overgegaan naar de Evangelische Broedergemeente); J. van Staveren,<br />

Utrecht (NH), journalist bij het Utrechts Nieuwsblad en redacteur van het gerenommeerde<br />

kerkblad Hervormd Utrecht (later oud-katholiek geworden).<br />

Enigszins op afstand, maar zeker in het begin wel sympathiserend, stonden: J. N.<br />

Bakhuizen van den Brink, kerkhistoricus te Leiden en lid – later voorzitter - van de <strong>Liturgische</strong><br />

<strong>Kring</strong>, als opvolger van G. van der Leeuw; H. van der Linde, de reeds genoemde<br />

studiesecretaris van de het jaar daarvoor opgerichte Oecumenische Raad, in 1947<br />

45<br />

gepromoveerd op het proefschrift Rome en de Una Sancta.<br />

De opzet van het convent was breder dan alleen Nederlands Hervormd: men telde ook een<br />

Anglicaan onder de leden, enkele Oud-Katholieken en zelfs een aantal Rooms-Katholieken, terwijl er<br />

ook contacten waren met de toen nog onbekende communiteit van Taizé in Frankrijk, de<br />

Evangelisch-Ökumenische Vereinigung in Duitsland en de Benedictijnen van de Keizersberg te<br />

Leuven. 46<br />

Toen het ledental groeide koos men voor een indeling in drie kringen: de binnenste kring (de<br />

ondertekenaars van de Verklaring), de wijde kring van financieel bijdragende leden en de nog wijdere<br />

kring van belangstellenden, die alleen maar de bijeenkomsten van het convent bezochten. 47<br />

Vanaf 1953 werd ook een bescheiden periodiek uitgegeven, Hervorming en Catholiciteit. Het<br />

blad verscheen vier keer per jaar en bevatte naast allerlei informatie, zoals de kerkelijke<br />

kalender, verslagen van conferenties en regionale bijeenkomsten, ook inhoudelijke artikelen,<br />

43 L. Brink (1916-1998), predikant te Gaast en Ferwoude (1945) en Velsen-<br />

Zuid (1948-1981), was lid van de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> en van 1962-1981<br />

voorzitter van het Convent Hervorming en Catholiciteit. Hij promoveerde op<br />

het proefschrift De taak van de kerk bij de huwelijkssluiting, Nieuwkoop,<br />

1977.<br />

44<br />

Het archief - Van Lynden bevindt zich sinds 2006 in het Utrechts Archief.<br />

Zie noot 1.<br />

45<br />

H. van der Linde, Rome en de Una Sancta, Nijkerk 1947. Enkele van zijn<br />

publicaties uit die tijd: H. van der Linde, ‘Het gesprek van Rome en de<br />

Reformatie’, WNHK, 12 juli 1947; idem, ‘Kerk en overlevering’, Vox Theolgica,<br />

december 1947;<br />

Interessant is ook: H. van der Linde en A.F.N. Lekkerkerker, ‘De liturgische<br />

beweging, haar achtergronden en haar plaats in Utrecht’, in: Hervormd Utrecht, 17<br />

juni 1949. Hij was predikant te Beek-Ubbergen (1944), secretaris van de<br />

Oecumenische Raad (1947) en predikant te Middelburg (1953). In 1960 ging hij over<br />

naar de RK kerk. In 1965 werd hij hoogleraar in de gechiedenis en de problematiek<br />

van de oecumenische beweging. Hij schreef zijn levensverhaal in Van protestant<br />

katholiek geworden en beide trouw gebleven. Een terugblik, Budel 2004.<br />

46<br />

Zie J. Loos, ‘Het Hilversumse Convent (1947-1955)’, Binnenlands<br />

Apostolaat 11 (1960), 50. Helaas noemt de auteur geen namen.<br />

47 idem, 49v.<br />

72 <strong>Lectiones</strong> 8


48<br />

veelal van J.M. Gerritsen. Vanaf 1964 ging het blad samen met Communiteit, een tijdschrift<br />

gericht op spiritualiteit, onder redactie van A.F.L. van Dijk. Het laatste nummer daarvan<br />

verscheen in november 1965.<br />

Doelstelling<br />

De directe aanleiding tot het ontstaan van het HC was de eerder genoemde preek van Geoffrey<br />

49<br />

Fisher, aartsbisschop van Canterbury, gehouden in 1946. Ds Loos, die al langer nauwe<br />

relaties onderhield met de Kerk van Engeland en was gaan twijfelen aan de geldigheid van zijn<br />

ambt, was zo getroffen door deze preek, dat hij besloot een aantal geestverwanten bijeen te<br />

brengen met de bedoeling de vraag van Fisher ook in Nederland aan de orde te stellen.<br />

Wellicht zou er in de toekomstige presbyteriaal ingerichte Nederlandse Hervormde Kerk ruimte<br />

geschapen kunnen worden voor hen die op grond van studie van de bijbel en de kerkvaders tot<br />

de overtuiging waren gekomen dat een episcopale wijding voorwaarde was om als predikant in<br />

50<br />

de Nederlandse Hervormde Kerk te kunnen functioneren. Tijdens de zopas genoemde<br />

bijeenkomst op 10 oktober 1947 stelde Loos dan ook voor deze zaak in de kerk aan de orde te<br />

51<br />

stellen door gezamenlijk een Verklaring op te stellen en deze op ruime schaal te verspreiden.<br />

Toch is het een misverstand om het ontstaan van het HC uitsluitend te motiveren vanuit de<br />

persoonlijke problematiek van Loos. Het Convent wilde – vooral onder invloed van zijn theologische<br />

leidsman (en later ook voorzitter) J.M. Gerritsen – de ambtsvraag niet los zien van het herstel van de<br />

liturgie, de kerk, haar sacramenten en heel haar spiritualiteit. Het doel was: een totale heroriëntatie<br />

aan de Kerk van de eerste eeuwen: de ene, ongedeelde katholieke en apostolische Kerk. In één<br />

woord: het ging het HC om de evangelische catholiciteit (niet met een 'k', maar met een 'c': om<br />

vereenzelviging met de Romana te vermijden!) van de kerk: zie artikel 1 van de stichtingsakte (1952):<br />

48<br />

De complete jaargangen van Hervorming en Catholiciteit worden bewaard<br />

in de bibliotheek van de Vrije Universiteit te Amsterdam.<br />

49 Zie boven, noot 18.<br />

50<br />

Zie J. Loos, ‘Het Hilversumse Convent (1947-1955)’, Binnenlands<br />

Apostolaat 11 (1960), 43-44.<br />

51<br />

Uit het handgeschreven verslag dat de secretaris van het Convent,<br />

mevrouw Th.A. van Lynden-van der Brugghen, van de oprichtingsvergadering<br />

d.d. 10 oktober 1947 maakte staat niets over het voorstel van aartsbisschop<br />

Fisher. Er wordt slechts vermeld dat Loos in zijn inleiding twee dingen<br />

benadrukte: ten eerste: het ’centrale mysterie van de incarnatie’, dat de<br />

theologische achtergrond vormt van de <strong>Liturgische</strong> beweging en dat in de NHK<br />

niet tot uiting wordt gebracht; ten tweede: de komende presbyteriale kerkorde,<br />

waarvoor men zich ten onrechte op de Schrift beroept. Men zal volgens Loos<br />

op grond van de incarnatie meer synthetisch moeten spreken dan de<br />

Reformatie gedaan heeft: ‘Wat zeggen wij van de apostolische successie,<br />

van het kerkelijk ambt? Wat is de Kerk? De bisschop is de legitieme Hoeder.<br />

Daar is een lijn van de apostelen naar de bisschop, daar is de apostolische<br />

successie. (…) Is het episcopaat essentieel voor de Kerk, dan komen wij er<br />

zo niet uit, dan mogen wij niet berusten. (…) Moeten wij dan uit de Kerk<br />

omdat wij zeggen: dit is geen Kerk? Moeten wij Oud-Katholiek worden? Of in<br />

de Hervormde Kerk blijven en daar als een zuurdesem werken?’ Zie Th.A.<br />

van Lynden-van der Brugghen, ‘Reconstructie van de geschiedenis van van<br />

het Hilversums Convent’, 1953/1979, p. 2 en 3.<br />

Hervorming en Catholiciteit 73


‘De stichting (bedoeld is H en C) heeft ten doel door bevordering van Catholiek geloven en leven<br />

52<br />

binnen de kerken der Hervorming te werken voor kerkelijke hereniging in Catholieke zin’. Daarbij<br />

keek men vooral naar de Anglicana, een kerk die zowel protestant is als katholiek.<br />

In de praktijk richtte het merendeel van de leden zich op de liturgie, met name de sacramenten,<br />

maar ook het getijdengebed, de biecht en de oecumene kregen veel aandacht. De ambtsvraag<br />

vormde dus slechts één van de aandachtspunten van het HC. Dat het convent veelal wordt<br />

geïdentificeerd met ‘de kwestie Loos’ en de vraag naar de apostolische successie heeft<br />

ongetwijfeld te maken met het feit dat juist die ‘kwestie’ enkele jaren later zo’n enorme<br />

commotie zou veroorzaken in de NHK.<br />

Activiteiten<br />

Het HC organiseerde talrijke aktiviteiten. De belangrijkste daarvan zijn de volgende.<br />

Artikelen<br />

Men publiceerde aanvankelijk in het tijdschrift Kerk en Eredienst (KE), dat in 1946 was<br />

voortgekomen uit de liturgische beweging. De redactie bood de leden van het HC ruimte voor<br />

soms diepgravende theologische beschouwingen over ecclesiologische, oecumenische en<br />

liturgische onderwerpen. Ik geef twee karakteristieke voorbeelden:<br />

53<br />

- J.M. Gerritsen, ‘Evangelisch-Katholiek’ (1947). Dit artikel, aanvankelijk verschenen in<br />

het Weekblad van de Nederlandse Hervormde Kerk (WNHK), leidde tot een felle discussie<br />

tussen Gerritsen, Van der Leeuw en J.H. Semmelink enerzijds en A.F.N. Lekkerkerker en K.H.<br />

54<br />

Miskotte anderzijds. Gerritsen had het begrip ‘evangelisch-katholiek’ als volgt omschreven:<br />

Het eerste lid daarvan bedoelt op positieve wijze onze reformatorische oorsprong en de<br />

erkenning van de Reformatie uit te spreken. Het tweede lid duidt aan, dat wij niet bij de<br />

52<br />

In zijn artikel ‘De plaats van het Hilversums Convent in de wereldkerk’,<br />

Hervorming en Catholiciteit, 2 (1954), nr 4 (15 december) legt Gerritsen<br />

sterke nadruk op het oecumenisch karakter van het HC. Weliswaar wil het<br />

convent, dat voortgekomen is uit het Gereformeerd Protestantisme, allereerst<br />

‘de catholieke waarden van het Calvinisme herstellen’, maar het weet zich<br />

ook verbonden met de Orthodoxe kerken, de Anglicaanse kerk en verwante<br />

groepen in de de kerken van Duitsland, Zweden en Amerika. Ook zoekt men<br />

het gesprek met de Wereldraad en de kerk van Rome. Maar steeds gaat het<br />

om de vraag van de waarachtige catholiciteit. ‘Samen met de catholieke<br />

kerken en groepen wil het Convent trachten binnen het Nederlandse<br />

Protestantisme het begrip van deze waarachtige catholiciteit te wekken en te<br />

doen groeien’.<br />

53<br />

J. M. Gerritsen, ‘Evangelisch-Katholiek’, WNHK 8.2 1947 = KenE, 2<br />

(1947), 166 – 168.<br />

54<br />

Zie A.F.N. Lekkerkerker, ‘De Reformatie in de crisis’, WNHK 1.3.1947; K.H.<br />

Miskotte, ‘Het antwoord aan Rome’, WNHK 15.3.1947 en de antwoorden<br />

daarop van respectievelijk G. van der Leeuw en J.H. Semmelink , WNHK<br />

29.3.1947. Gerritsen antwoordt zijn critici met het artikel, ‘De universeele<br />

Catholica’, WNHK 12.4.1947 = KenE 2 (1947), 168-170, waarop<br />

Lekkerkerker het laatste woord krijgt met zijn artikel ‘Kohlbrugge op de berg<br />

Athos’, WNHK 31.5.1947 = KenE 2 (1947), 170-173.<br />

74 <strong>Lectiones</strong> 8


Reformatie van de zestiende eeuw willen blijven staan, maar vanuit ons geloof in de ééne<br />

Kerk op grond van de historische aanwijsbaarheid van de ongedeelde Kerk der eerste<br />

eeuwen onze kerk in de richting van de Una Sancta der toekomst willen stuwen’. 55<br />

Lekkerkerker zag hierin een miskenning van het eigene van de Reformatie, maar tegelijk gaf<br />

hij toe dat een afdoend antwoord aan Rome nog steeds op zich liet wachten. K.H Miskotte<br />

reageerde daarop met de stelling dat het afdoende antwoord al lang gegeven is: door Karl<br />

Barth – waarop Van der Leeuw en Semmelink schreven dat een kerk die welke theologie ook<br />

als het definitieve antwoord beschouwt Roomser is dan de paus. In zijn slotartikel ‘De<br />

universeele Catholica’ schrijft Gerritsen dat hij de betekenis van de Reformatie in genen dele<br />

wil ontkennen, maar dat hij slechts heeft willen waarschuwen tegen de ‘verenging die onze<br />

kerk bedreigt’, wanneer wij haar isoleren van het grote geheel van de universeele Catholica’.<br />

- J. Loos, ‘Vragen inzake de kerkorde’ (1949). In dit artikel, oorspronkelijk een<br />

toespraak voor het dispuut ‘Vinculum Theologicum’ te Utrecht, reageert Loos op de in 1947<br />

56<br />

aangenomen ontwerp-kerkorde van de NHK met haar presbyteriale ambtsstructuur. Stevig<br />

leunend op de eerder genoemde bundel Apostolic Ministry (Kirk) verdedigt hij op basis van de<br />

Schrift en de vroege kerk het episcopaat en de apostolische successie als voortzetting van de<br />

incarnatie. Wanneer de reformatie daarmee breekt, breekt zij in beginsel met het catholieke<br />

geloof. En wie buiten de apostolische successie geordend is, ‘vrage zich in ernst af, of hij tot de<br />

uitdeling der heilige sacramenten inderdaad wel bevoegd is’, een duidelijke verwijzing naar de<br />

Verklaring van het HC. Hij eindigt zijn betoog dan ook met de opmerking dat de roep van het HC<br />

om een bisschop gehoord wil zijn ‘als de roep van een man, die op een ijsschots afgedreven, naar<br />

zijn broeders op de vaste wal schreeuwt om hulp. Hoe meer er met ons roepen, des te eerder zal<br />

57<br />

men ons van de overzijde horen’.<br />

Conferenties<br />

Op het conferentiecentrum De Hoorneboeg te Hilversum werden (vanaf 1950) driedaagse<br />

conferenties gehouden (van vrijdagavond tot zondagavond), waar niet alleen lezingen over<br />

theologische en liturgische onderwerpen werden gehouden, maar waar - voor het eerst in de<br />

geschiedenis van de NHK - ook het dagelijks getijdegebed gebeden werd, vooral gestimuleerd<br />

door J.M. Gerrritsen, die daartoe het Nederlands Getijdenboek samenstelde, een bewerking van<br />

58<br />

het Breviarium Monasticum van de Benedictijnen. Op zondagmorgen was er een<br />

eucharistieviering onder leiding van Pfr W. Drobnitzky, een door de sterk katholiserende lutherse<br />

bisschop Friedrich Heiler gewijde Lutherse predikant en voorzitter van de Hochkirchliche<br />

59 60<br />

Vereinigung. Men volgde voor deze dienst de door Heiler samengestelde Deutsche Messe. In<br />

55<br />

J. M. Gerritsen, ‘Evangelisch-Katholiek’, WNHK 8.2 1947 = K en E, 2<br />

(1947), 166 – 168 (citaat: 167).<br />

56<br />

J. Loos, ‘Vragen inzake de kerkorde’ KenE 4 (1949), 34-43.<br />

57<br />

J. Loos, ‘Vragen inzake de kerkorde’ KenE 4 (1949), 43.<br />

58<br />

Het Nederlands Getijdenboek, bewerkt door J.M. Gerritsen en uitgegeven<br />

door de stichting ‘Hervorming en Catholiciteit’, deel I (1957) en II (1964). Zie<br />

daarover: J. M. Gerritsen, ‘Het Nederlands Getijdenboek’, in KenE, 6 (1951),<br />

201-215.<br />

59<br />

Zie over Drobnitzky: H. Hartog, Evangelische Katholizität. Weg und Vision<br />

Friedrich Heilers, Mainz 1995, passim. Sommige Hervormde predikant-leden<br />

van het HC ontvingen volgens Mevr. Van Lynden (heimelijk) een additionele<br />

Hervorming en Catholiciteit 75


totaal zijn er tussen 1948 en 1955 tien conferenties gehouden. Ze werden druk bezocht door<br />

predikanten, theologie-studenten en belangstellenden uit andere kerken. 61<br />

Verklaring gericht tot allen die de Kerk van Jezus Christus liefhebben<br />

Wat echter de grootste impact heeft gehad op de kerk was de al enkele keren genoemde Verklaring<br />

die het HC in 1947 had opgesteld en aan alle NH predikanten was toegezonden. Het document was<br />

ook ter publicatie aangeboden aan het WHNK, maar omdat de redactie het alleen wilde opnemen<br />

mits voorzien van een redactioneel naschrift (hetgeen de opstellers weigerden) – kon de Verklaring<br />

pas in 1950 onder de titel Hervorming en Catholiciteit. Een Verklaring worden uitgegeven, in<br />

brochurevorm en met toelichtende commentaren van de opstellers. Dit laatste op advies van<br />

62<br />

Bakhuizen van den Brink. De uitgave werd een ‘ongehoord succes’ (Loos), omdat er veel publiciteit<br />

aan werd gegeven. 63<br />

De ondertekenaars spreken hun blijdschap uit over het alom oplevend kerkelijk besef en over<br />

het oecumenisch streven, maar zij uiten hun bezorgdheid over de verabsolutering van bepaalde<br />

wijding van de door Fr. Heiler gewijde Pfr Drobnitzky. Zie Th.A. van Lyndenvan<br />

der Brugghen, ‘Reconstructie van de geschiedenis van van het<br />

Hilversums Convent’, 1953/1979 (in archief van Th.A. van Lynden,<br />

Utrechts Archief).<br />

60<br />

Datema, Het Hilversums Convent, 99 en 129-133 (vertaling van Heilers<br />

Deutsche Messe).<br />

61<br />

De in het archief-Van Lynden bewaarde teksten van de lezingen en de in<br />

het huisorgaan van het HC opgenomen verslagen geven een goed beeld van<br />

de grote verscheidenheid aan onderwerpen waarover gesproken werd. Zo<br />

sprak H. Miskotte op de eerste conferentie (oktober 1950) over ‘De Incarnatie’<br />

en J. Loos over ‘Het Hilversums Convent’. Op de tweede conferentie (mei<br />

1951) refereerde J.M. Gerritsen over ‘Het Getijdengebed’ en op de vierde<br />

conferentie (mei 1952) H. van der Linde over ‘Catholiciteit en Oecumene’. Op<br />

de zevende (oktober 1953) J. Loos over ‘Schrift en Traditie’ en H. Miskotte<br />

over ‘De Kerk als Lichaam van Christus’. Op de achtste conferentie (maart<br />

1954) L.J.F. Laagwater over ‘De kerkelijke viering van Witte Donderdag en<br />

Goede Vrijdag’ en Dr. P. Hendriks, rector van het Gymnasium te Dordrecht,<br />

over ‘De diensten van de H. Week als ikoon van de Huiveringwekkende<br />

Passiën’.<br />

62<br />

Hervorming en Catholiciteit, een Verklaring, onder redactie van J. Loos en<br />

J.N. Bakhuizen van den Brink, Rotterdam 1950. De Verklaring was opgesteld<br />

door de predikanten J. Loos, J.M. Gerritsen, H. Miskotte en de jurist W.J.<br />

Kolkert. Zie K. Datema, Het Hilversums Convent, 22. Op p. 11 in alfabetische<br />

volgorde de namen van de 29 ondertekenaars: 11 (hervormde) predikanten<br />

en 18 gemeenteleden, afkomstig uit de NHK, de Gereformeerde Kerken en de<br />

Oud-Katholieke Kerk: W. van Beusekom, R.Th. Bijleveld, J. de Boer, J.K. v.d.<br />

Brink, H. Coolsma, S. Coolsma, P. Dijkstra, A. van Essen-Bosch, J.M.<br />

Gerritsen, L.M.A.E. Gerritsen-Hesse, W.J. Kolkert, L.J.F. Laagwater, I.<br />

Leeflang, J. Leestemaker, J. Loos, G. Messie, J. Milders, H. Miskotte, J.H.<br />

Morreau, G.W. Oberman, B.J. Riemersma, A. van Rossum, W. Sieveking-<br />

Koops, J. van Staveren, H.M.G. Thate-Reisch, J. Valck Lucassen-Welter, M.<br />

van der Wall Bake-Del Court van Krimpen, L.J. Winckel en M.H.F. Witteveen.<br />

Merkwaardigerwijs ontbreekt de naam van de secretaris van het Convent,<br />

mevr. Th.A. van Lynden-van der Brugghen.<br />

63<br />

J. Loos, ‘Hervorming en Catholiciteit’, in: KenE, 5 (1950), 235.<br />

76 <strong>Lectiones</strong> 8


inzichten binnen het gereformeerd protestantisme, met name in de puriteinse gestalte die het in<br />

ons land heeft aangenomen. Hun theologisch uitgangspunt is de in anglo-katholieke kringen<br />

gekoesterde visie op de incarnatie, die zich voortzet in de traditie van de kerk, met name in de<br />

opvolging van de bisschoppen vanaf de apostelen tot nu toe. Op grond daarvan roept de<br />

verklaring de kerken op tot bezinning op de vier in de eerder genoemde ‘Lambeth-vierhoek’ 64<br />

genoemde criteria van een waarlijk ‘catholieke’ kerk: aanvaarding van de Heilige Schrift, het<br />

credo van de kerk, de sacramenten van doop en avondmaal en het ‘historisch episcopaat’, een<br />

uit de anglicaanse theologie afkomstige term (historic episcopate), waarmee bedoeld is het<br />

episcopaat zoals het door de eeuwen heen zonder onderbreking is overgeleverd.<br />

Het vierde punt van de Verklaring luidt:<br />

Wij geloven, dat de Vleeswording des Woords zich voortzet in de Heilige Kerk tot de voleinding<br />

der eeuwen. Daarom belijden wij, dat de Kerk het Lichaam is van den Zoon Gods, waarin Hij zelf<br />

onder ons voortleeft, en dat Hij in haar het ambt der Apostelen en Opzieners heeft ingesteld, door<br />

welke Hij zijn heerschappij onder ons wil uitoefenen.<br />

Wij geloven, dat Hij aan der oplegging der handen door de van Hem verordineerde Opzieners<br />

voor alle tijden de mededeling van zijn Heiligen Geest verbindt en dat het ambt berust op een<br />

bijzondere genaderoeping en afzondering tot dezen heiligen dienst door den Heer der Kerk Zelf.<br />

Wij stellen daarom de vraag of het enige Kerk geraden is, zich aan deze apostolische successie te<br />

onttrekken en of het ambt niet geheel onvoldoende gewaardeerd wordt door het slechts te zien als<br />

een verbijzondering van het ambt aller gelovigen; voorts of wij niet spelen met de Goddelijke<br />

genade, wanneer wij met veronachtzaming dezer van het begin af onderhouden overlevering der<br />

Kerk, - zonder ons de vraag te stellen of wij tot de uitdeling der Heilige Sacramenten de Goddelijke<br />

volmacht bezitten en zonder ernstig te zoeken naar de oplossing van dit probleem - rustig<br />

voortgaan met de bediening der Heilige Sacramenten. 65<br />

Het commentaar bij dit gedeelte in de bundel Hervorming en Catholiciteit is van de hand van<br />

66<br />

Loos. Daarin stelt hij - op grond van de openbaring in Jezus Christus, zoals die is vastgelegd<br />

in de Heilige Schrift, en in overeenstemming met de geloofsbelijdenis der ongedeelde kerk - dat<br />

de bisschop en niet de Geneefse ouderling de eigenlijke ambtsdrager is in de Kerk. Het ambt<br />

komt tot ons van Christus langs de lijn der apostolische successie. ‘Iedere “kerkorde’, die niet<br />

op deze wijze apostolisch is, berust op een constructie, om niet te zeggen op een fictie’.<br />

Daarom is de breuk die de Reformatie met een beroep op het sola scriptura op het gebied van<br />

het ambt heeft teweeggebracht, zo bedenkelijk en betreurenswaardig: het betekent dat zowel<br />

het lutheranisme als het Calvinisme on-catholiek zijn. Zonder de traditie komen we niet uit. Loos<br />

concludeert: ‘Wie bereid is naar de Schrift in samenhang met de Traditie der Kerk te luisteren,<br />

omdat hij erkent, dat de Kerk de Schrift nooit alleen gelezen heeft, die komt tot de conclusie, dat<br />

de bisschoppen, als opvolgers der apostelen, de legitieme herders van de kudde van Christus<br />

zijn’.<br />

64<br />

Zie over de Lambeth Quadrilateral: S.W. Sykes and J. Booty (eds), The<br />

Study of Anglicanism, London, 1988, register, s.v.<br />

65<br />

Zie Hervorming en Catholiciteit, 10.<br />

66<br />

Zie voor het volgende J. Loos, ‘Het apostolisch ambt’, Hervorming en<br />

Catholiciteit, 77-85.<br />

Hervorming en Catholiciteit 77


De reacties op de Verklaring<br />

De reacties waren veelal stormachtig. Van der Leeuw was woedend, zoals blijkt uit een brief<br />

67<br />

van zijn hand: ’dit gaat niet naar de Catholieke kerk, dit gaat naar Rome’, Lekkerkerker<br />

68<br />

schreef dat het HC bezig is het tafellaken met de kerk der Reformatie door te snijden en<br />

Dankbaar besluit zijn 20 pagina’s tellende bespreking van de Verklaring met de zin: ‘Christus is<br />

gevangen in een vorm van heilsbediening en kerkregering, die aan de eer van Hem en van zijn<br />

69<br />

heilig Lichaam, de kerk, te kort doet’. Maar ook geestverwant H. van der Linde had zijn<br />

bedenkingen: de vraag, welke bijdrage ‘het evangelische element zou kunnen leveren aan de<br />

nieuwe synthese van catholiserend en evangelisch denken’ komt nauwelijks expliciet ter sprake.<br />

‘Wij lopen met dit soort publicaties gevaar in de hoek van de goed bedoelde, niet zeer ernstige<br />

en oecumenisch wat dilletanterende theologen te worden geschoven.’ 70<br />

67<br />

Onmiddellijk na ontvangst van het verschijnen van de Verklaring schrijft<br />

Van der Leeuw aan mevr. Van Lynden: ‘In dit stuk staat nu precies alles wat<br />

ons gemeenlijk verweten wordt en waarmee ik het niet eens ben. (…). Het<br />

Vleesgeworden Woord, dat zich voortzet in de kerk, in een ongebroken lijn,<br />

waarbij noch plaats is voor de discontinuïteit van de zonde, noch voor die van<br />

de Heilige Geest. Ik acht deze opvatting in de hoogste mate noodlottig. Dit<br />

gaat niet naar de Catholieke Kerk, maar naar Rome. (…) Voor de<br />

apostolische successie - als onmisbaar - voel ik niets. Het is een adiaphoron.<br />

Ik sta hier geheel op het standpunt van de Zweden en de Anglicanen. (…) De<br />

aansluiting aan de historische lijn kan evengoed Rome als Constantinopel<br />

betekenen. Het is het zéér gevaarlijke argument van Newman. In diens plaats<br />

verkies ik de bijbels-catholieke lijn, die ook de Reformatie insluit. Ik weet, dat<br />

Newman dit precies zo zou voelen’, G. van der Leeuw aan mevr. Th.A. van<br />

Lynden d.d. 12 november 1947 (archief Th.A. van Lynden).<br />

68<br />

‘Wie de mededeling van de Heilige Geest verbindt aan apostolische<br />

successie en oplegging der handen is bezig het tafellaken met de kerk der<br />

Reformatie door te snijden’ (A.F.N. Lekkerkerker, in Kerk en Theologie 1<br />

(1950), 127 (Kroniek).<br />

69<br />

W.F. Dankbaar publiceerde in het NTT een dertien pagina’s tellende<br />

vernietigende bespreking. Hij hekelt de romantische visie van de opstellers<br />

op de vroege kerk; veroordeelt het incarnationalisme waar ze van uitgaan als<br />

filosofische speculatie; en heeft bezwaar - niet tegen de bisschop als zodanig:<br />

‘daar valt over te praten’, maar - tegen de wijze waarop het gezag van de<br />

bisschop sacramenteel wordt gefundeerd. Zijn conclusie: ‘Christus is<br />

gevangen in een vorm van heilsbediening en kerkregering, die aan de eer van<br />

Hem en van zijn heilig Lichaam, de kerk, te kort doet’ (W.F. Dankbaar,<br />

‘Kanttekeningen bij Hervorming en Catholiciteit’, NTT 1950, 87-100).<br />

70<br />

H. van der Linde betreurt het dat de opstellers hun zaak niet langs de<br />

gewone weg van discussie en gesprek aan de orde hebben gesteld in de kerk<br />

- juist omdat de in de Verklaring genoemde punten in oecumenisch opzicht<br />

uiterst actueel zijn (hij verwijst daarbij naar de al sinds Lausanne-1927<br />

bepleite, echter alleen nog maar in de Kerk van Zuid-India gelukte synthese<br />

van episcopale, presbyteriale en congregationalistische elementen). Verder is<br />

hij van mening dat de opstellers hun taak te licht hebben opgenomen: de<br />

vraag welke bijdrage ‘het evangelische element’ zou kunnen leveren aan ‘de<br />

nieuwe synthese van catholiserend en evangelisch denken’ komt nauwelijks<br />

expliciet ter sprake. En vooral: vrijwel nergens geven zij een exegetische<br />

verantwoording van hun denkbeelden. Dat is in een reformatorische kerk een<br />

78 <strong>Lectiones</strong> 8


Zoals te verwachten, waren de reacties uit de kerken van de katholieke traditie positiever. Zo<br />

schreef N.G.M van Doornik in De Tijd, ‘dat we hier een zwenking naar het katholicisme voor<br />

ons zien, zoals de NHK nog niet eerder heeft beleefd’. Toch was hij niet optimistisch: ‘Het lijkt<br />

ons uitgesloten dat de Synodale leiding ooit met deze beweging wil onderhandelen aan de<br />

rondetafel. (…) ’De nieuwe kerkorde zal nooit bekroond worden met een bisschopswijding<br />

onder de gewelven ener hervormde kathedraal als voortzetting van de succesio apostolica.’ 71<br />

Maar De Oud-Katholiek concludeert: ’Hoezeer hier in deze groep verwantschap met het<br />

katholicisme bestaat - van verwantschap met Rome (wat iets geheel anders is) hebben wij niets<br />

kunnen bespeuren.’ (…) ‘Deze groep staat op oud-katholiek standpunt.’ 72<br />

Intussen had het moderamen van de synode - vooral op aandringen van de zeer oecumenisch<br />

gezinde secretaris-generaal E. Emmen - de opstellers van de Verklaring uitgenodigd voor een<br />

73<br />

reeks gesprekken. Aanvankelijk hadden die een constructief verloop. Op de vraag naar de<br />

schriftuurlijke onderbouwing van de catholiek-episcopale ambtsopvatting schreef Gerritsen een<br />

principiële en tactische fout: ‘Wij lopen met dit soort publicaties gevaar in de<br />

hoek van de goed bedoelde, niet zeer ernstige en oecumenisch wat<br />

dilletanterende theologen te worden geschoven’. Zie zijn bespreking van<br />

Hervorming en Catholiciteit in KenE, 5 (1950), 186-190 en de reactie daarop<br />

van Loos, ibidem, 234-236.<br />

71<br />

N.G.M. van Doornik, ‘Reformatio Reformata’, drie artikelen in De Tijd: I (14<br />

april 1950), II (15 april) en III (18 april), citaten, resp in II en III. Zie ook J.C.<br />

Groot, ‘Hervorming en Catholiciteit’, in: Het Schild 27 (1950), 248-253<br />

(Kroniek). De auteur besluit zijn beschouwing aldus: ‘Moge het (sc. het boek<br />

Hervorming en Catholiciteit) voor de protestanten van Nederland een oproep<br />

zijn tot ernstige bezinning op de zuivere en volle evangelische waarheid,<br />

waaraan in grote eerlijkheid en onbaatzuchtige liefde voor Christus gehoor<br />

gegeven wordt’. De Verklaring verscheen in extenso in het Katholiek Archief,<br />

jrg 5 (1950), nr 14, kolom 283-286. In het begeleidend commentaar wordt<br />

onder meer gezegd: ‘Ofschoon de schrijvers zich voorzichtig uitdrukken en de<br />

band met de Hervormde Kerk nog bestaat, mag men zich afvragen of hier niet<br />

met wezenlijke opvattingen van de Hervormers gebroken wordt. (…) Als<br />

katholiek kan men zich slechts verheugen over deze toenadering (meer dan<br />

toenadering mag men er niet in zien). De liefde en eerbied van de<br />

ondertekenaars dezer Verklaring voor de ongedeelde Kerk, de Kerk der<br />

eerste eeuwen, opent het terrein voor een gesprek met verre perspectieven’.<br />

72<br />

‘C.P.’, in: De Oud-Katholiek, 67 (1951), 58.<br />

73<br />

Zie J. Loos, ‘Het Hilversumse Convent (1947-1955)’, 52. Bij het gesprek<br />

waren als vertegenwoordigers van het HC aanwezig J.K. van den Brink, J.M.<br />

Gerritsen, J.Loos en H.Miskotte. Namens de synode waren aanwezig J.R.<br />

Wolfensberger, E.Emmen en F.H. Landsman, verder vanuit de Raad voor de<br />

zaken van Kerk en Theologie H. van der Linde en H. Berkhof. Zie brief<br />

moderamen aan de secretaris van de Raad T. Dokter, 21 juni 1951 (archief<br />

RZKT).<br />

Hervorming en Catholiciteit 79


uitvoerige nota, die hij later zou uitwerken in zijn boek Het Apostolisch Ambt (1953), dat beschouwd<br />

kan worden als de ambtstheologie van het HC. 74<br />

De overgang van Ds J. Loos<br />

Dan verschijnt in hetzelfde jaar (1950) in Engeland het reeds genoemde rapport Church Relations,<br />

opgesteld door een werkgroep van de Church of England (C of E) en de Free Churches, in het<br />

leven geroepen n.a.v. Fisher’s Cambridge Sermon uit 1946. Ook nu wordt aan de niet-episcopale<br />

kerken gevraagd ‘to take episcopacy in their system’. Het moderamen van de Hervormde synode<br />

vraagt het HC een memorandum op te stellen over dit rapport. Dit document, ondertekend door<br />

75<br />

Van den Brink, Gerritsen, Loos en Miskotte, bereikt de synode in juni 1951. Het liep uit op een<br />

aanbeveling aan de synode om, in goed overleg met de C of E, hetzij zelf het episcopaat in te voeren<br />

in de NHK - hetgeen men mogelijk achtte zonder in conflict te komen met haar presbyteriale<br />

76<br />

kerkstructuur - hetzij haar volle medewerking te verlenen ‘aan dezulken onder haar dienaren die<br />

om des gewetens wil een episcopale wijding tot het presbyteriaat niet menen te kunnen ontberen’. 77<br />

Eén van de ondertekenaars, ds J. Loos, was echter dusdanig in gewetensnood gekomen, dat hij de<br />

beslissing van de synode niet kon afwachten en haar vroeg hem toestemming te geven tot het<br />

ontvangen van een additionele wijding door een bisschop van de C of E. De synode sprak echter<br />

uit (juli 1952) dat een dergelijke wijding in strijd is met de pas ingevoerde presbyteriaal-<br />

78<br />

synodale kerkorde en wees het verzoek van Loos af. Na allerlei geharrewar ging hij in 1955 over<br />

naar de RK Kerk en in 1963 ontving hij de priesterwijding. Daarmee werd hij de eerste gehuwde<br />

priester in Nederland.<br />

Kerk in beroering: ‘de zaak Loos’<br />

Het besluit van de Hervormde synode om ds Loos geen toestemming te verlenen tot het<br />

ontvangen van een additionele wijding door een anglicaanse bisschop riep veel emoties op,<br />

74<br />

J.M. Gerritsen, Het Apostolisch Ambt (Hervorming en Catholiciteit II),<br />

Amsterdam, 1953. Zie de besprekingen van deze studie door Th. H L.<br />

Haitjema, NTT 8 (1953), 121-122 en R. Bijlsma, In de Waagschaal 8<br />

(1953): ‘Bisschop of Ouderling’. Voor een concretisering van Gerritsens<br />

gedachten zie zijn artikel ‘Visioen, Een Episcopale Hervormde Kerk in<br />

Nederland, in: Hervorming en Catholiciteit, mei 1959’, als bijlage 1<br />

opgenomen in: J. Kronenburg, Episcopus Oecumenicus. Bouwstenen voor<br />

een theologie van het bisschopsambt in een verenigde reformatorische kerk,<br />

Zoetermeer 2003, 504-507.<br />

75<br />

Memorandum betreffende het rapport Church Relations in England, 1951.<br />

76<br />

Daarbij dacht men aan de wijding (door een bisschop van de CofE) van drie<br />

of meer NH predikanten tot bisschoppen, die vervolgens door de synode tot<br />

visitatoren in algemene dienst zouden worden benoemd om opzicht te<br />

houden over de door hen geordineerde presbyters. Zie Memorandum, 7.<br />

77<br />

l.c.<br />

78<br />

Zie Handelingen van de Vergaderingen der Generale Synode 1951/1952 ,<br />

423-436 (2 juli 1952) en idem, 1953/1954, 500-507 (10 mei 1954). Zie voor<br />

een uitvoerige documentatie en evaluatie van de ‘Loos-Affair’: P. Staples,<br />

Relations between the Netherlands Reformed Church and the Church of<br />

England since 1945, Lewiston/Queenston/Lempeter, 1991,46-85.<br />

80 <strong>Lectiones</strong> 8


allereerst bij het HC. Dat reageert geschokt maar is niet van plan zich erbij neer te leggen. In<br />

een door Gerritsen en mevrouw Van Lynden ondertekende brief aan de synode, gedateerd 16<br />

juli 1952, lezen we: ‘In gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift zal het Convent zijn streven naar<br />

het herstel van het apostolisch ambt voortzetten. Het Convent hoopt tot de bezinning op het<br />

79<br />

wezen van het ambt het zijne bij te dragen.’<br />

80<br />

Er verschijnen artikelen en ingezonden stukken in de dagbladen en ook de kerkelijke pers<br />

staat bol van de reacties. Synodesecretaris F.H. Landsman probeert de gemoederen te sussen<br />

en schrijft in het weekblad De Hervormde Kerk onder de titel ‘Wat is katholiek?’ vier artikelen<br />

81<br />

waarin hij commentaar geeft op de achtergronden van het synodebesluit. Op grond van de<br />

reformatorische opvatting van de apostolische successie - niet de historische continuiteit van<br />

het apostolisch ambt is beslissend voor het zijn of niet-zijn van de kerk, maar het gezag van het<br />

geschreven en gepredikte Woord - verdedigt hij weliswaar mét de synode de ‘echtheid’ van het<br />

ambt van dienaar des Woord in de NHK, maar tegelijk stelt hij dat de apostolische successie,<br />

zoals die in de ‘catholieke’ kerken wordt verstaan, tot op zekere hoogte te waarderen is als een<br />

teken van de zichtbaarheid en de continuiteit van de gemeente van Jezus Christus’. Vooral<br />

vanuit oecumenisch perspectief acht hij het dan ook belangrijk dat de synode er in haar<br />

besluitvorming op had aangedrongen dat het gesprek over het ambt dient te worden voortgezet.<br />

In de modaliteitsbladen lieten de predikanten H. Harkema en L. Vroegindeweij een krachtig GB-<br />

82 83<br />

geluid horen in respectievelijk De Waarheidsvriend en het Gereformeerd Weekblad, terwijl<br />

84 85<br />

Dr. J.C.Kromsigt, Dr.G.J. Streeder en Prof.dr Th.L. Haitjema een niet minder krachtig<br />

confessioneel geluid lieten horen in De Gereformeerde Kerk.<br />

Voor velen bepaald schokkend was een artikel van H. van der Linde in Woord en<br />

86<br />

Dienst van 20 september 1952, waarin een pleidooi werd gevoerd voor een ruimhartige<br />

erkenning van de ‘Hervormd-catholieke modaliteit’ - en dat terwijl alle modaliteiten nog meer net<br />

79<br />

Brief d.d. 16 juli 1952 (archief Van Lynden).<br />

80<br />

Zo verschenen er (soms zeer uitvoerige) berichten, artikelen en interviews<br />

in de NRC (11 juli 1952), Het Vrije Volk (7 augustus 1952), de Nieuwe<br />

Haagse Courant (4 februari 1953), het Handelsblad (12 september 1953) en<br />

de Volskrant (10 oktober 1953),.<br />

81<br />

F.H. Landsman, ‘Wat is katholiek?’, vier artikelen in: De Hervormde Kerk<br />

1952, 14 juni, 21 juni, 28 juni en 12 juli.<br />

82<br />

H. Harkema, “De kwestie Loos”, De Waarheidsvriend, 19 juni 1952<br />

83<br />

L. Vroegindeweij, ‘De synode vergaderde’ I en II, Gereformeerd Weekblad<br />

19 en 26 juli 1952.<br />

84<br />

J.C. Kromsigt, ‘Waar gaan we heen?’, De Gereformeerde Kerk, 28<br />

augustus 1952 en G.J. Streeder, idem., Kroniek.<br />

85<br />

Th. L. Haitjema, in De Gereformeerde Kerk, november (?) 1952, geciteerd<br />

in Gereformeerd Weekblad 29 november 1952 (‘Persschouw’).<br />

86<br />

H. van der Linde, ‘De <strong>Liturgische</strong> of Hervormd-Catholieke modaliteit’,<br />

Woord en Dienst, 20 september 1952. In dit blad was in de maanden<br />

daarvoor ook al een discussie gevoerd tussen P.J. Roscam Abbing, A.F.N.<br />

Lekkerkerker en G.W. Oberman. Zie Woord en Dienst 12 juli, 9 augustus en<br />

6 september 1952.<br />

Hervorming en Catholiciteit 81


waren opgeheven - althans in kerkordelijke zin. Th.L. Haitjema was er dan ook zo boos over dat<br />

e 87<br />

hij er in de 2 druk van zijn De Richtingen in de NHK (1953) een heel hoofdstuk aan wijdde.<br />

Vermeldenswaard zijn verder enkele artikelen die het blad In de Waagschaal in die tijd<br />

88<br />

publiceerde, namelijk van A.J. Bronkhorst, over ‘Spanningen rondom het ambt’ en van H.<br />

89<br />

Berkhof over de Apostolische Successie. Maar bepaald spraakmakend was de diepgravende<br />

artikelenreeks die O. Noordmans maandenlang voor In de Waagschaal schreef en waarop ik<br />

verderop nog zal terugkomen. 90<br />

Ook de kerkbladen lieten zich niet onbetuigd. Zo gingen in Hervormd Utrecht de<br />

predikanten Oberman en Lekkerkeker in debat onder de titel ‘De katholiciteit van de Hervormde<br />

Kerk’. Laatstgenoemde had gesteld dat ‘onze gereformeerde vaderen meer katholiek – dus niet<br />

Rooms! – ingesteld waren dan de Hervormde Kerk van onze dagen, die steeds meer<br />

meegezogen wordt in een bedding waarbij het katholieke element bewust geheel of ten dele<br />

91<br />

uitgebannen wordt’. Waarop Lekkerkkerker antwoordt: ‘Wij begeren de èchte katholiciteit en<br />

niet een valse. Een valse katholiciteit is het, die rust in de dusgenaamde ‘apostolische<br />

successie’. 92<br />

Maar vooral in de Hervormde gemeente te Hilversum, de classis Hilversum en de provincie<br />

93<br />

Noord-Holland zat men met de zaak-Loos in de maag. Na het voor hem ongunstige<br />

synodebesluit van 2 juli werd Loos vrijgesteld van zijn ambtswerk, maar al snel wilde hij weer<br />

gewoon aan het werk gaan als predikant van de NHK. Wanneer de kerkeraad eist dat hij dan<br />

eerst openlijk dient te verklaren dat hij van zijn dwalingen is teruggekeerd, weigert Loos dat -<br />

het is dan eind september 1952 - en meldt hij dat hij al in 1949 door de bisschop van Londen is<br />

aangenomen voor de priesterwijding in de Kerk van Engeland en dat hij van plan is naar die<br />

kerk over te gaan. Nu kan niemand er meer een touw aan vastknopen. Er worden<br />

gemeenteavonden gehouden, de visitatie komt er aan te pas, de gemeente raakt verdeeld in<br />

voor- en tegenstanders en er verschijnen artikelen in de pers, etc. Wanneer in het voorjaar van<br />

1953 vanuit Engeland het bericht komt, dat er van de Hervormde kerk een jaarlijkse financiële<br />

87<br />

e<br />

Th.L. Haitjema, De richtingen in de NH Kerk, 2 druk, Wageningen 1953,<br />

Hoofdstuk 6. Zie ook K. Datema, a.w. 105v.<br />

88<br />

A.J. Bronkhorst, ‘Spanningen rond het ambt’, In de Waagschaal, 5<br />

december 1952.<br />

89<br />

H. Berkhof, ‘Apostolische Successie’ I en II, In de Waagschaal 13 en 20<br />

maart 1953.<br />

90<br />

Zie paragraaf 10, ‘Doorwerking’ (‘Het theologisch gesprek komt op gang’).<br />

91<br />

G. W. Oberman, ‘De Katholiciteit van de Hervormde Kerk’, Hervormd<br />

Utrecht, 5 september 1952.<br />

92<br />

A.F.N. Lekkerkerker, ‘De Katholiciteit van de Hervormde Kerk’, Hervormd<br />

Utrecht, 12 september 1952.<br />

93<br />

Een rijke (en droevig stemmende) bron van informatie over de zaak-Loos<br />

vanuit het perspectief van de plaatselijke gemeente vormt het – niet door<br />

Staples en Datema geraadpleegde - dossier, dat zich in het archief van de<br />

Hervormde Gemeente te Hilversum bevindt en dat loopt van 1950 tot 1955.<br />

De in de tekst vermelde feiten zijn daaraan ontleend.<br />

82 <strong>Lectiones</strong> 8


ijdrage verwacht wordt voor het levensonderhoud van Loos en de kerkvoogdij van Hilversum<br />

zich daartoe bereid verklaart, ontstaan er nieuwe spanningen: Loos zegt alleen naar Engeland<br />

te willen vertrekken indien hij eerst als NH predikant in vollen rechte zal zijn hersteld en indien<br />

hij met onmiddelijke ingang weer aan het werk kan. De kerkeraad vindt dit onacceptabel en<br />

verklaart na overleg met het moderamen van de generale synode er niet aan te zullen<br />

meewerken dat Loos zijn ambtswerk hervat. Deze is het daar niet mee eens en dient een klacht<br />

in bij de commissie voor het opzicht. De wijkkerkeraad schrijft voor deze commissie een<br />

memorandum, gedateerd 9 juli 1953, waarin alle feiten op een rijtje worden gezet, en publiceert<br />

dat in het kerkblad. Maar dan - eind agustus: Loos is al ruim een jaar niet in functie - draagt<br />

het moderamen van de Provinciale Kerkvergadering (PKV) hem op zijn werkzaamheden ten<br />

spoedigste weer te hervatten. Wanneer Loos echter op 10 september geheel onverwacht ter<br />

kerkeraadsvergadering verschijnt en zonder nadere verklaring als voorzitter wil optreden, besluit<br />

de meerderheid zijn ambt neer te leggen. Loos schakelt de commissie voor bezwaren en<br />

geschillen in en legt haar een zeventien pagina’s tellende refutatio van het<br />

kerkeraadsmememorandum voor, maar de commissie verklaart zich onbevoegd tot handelen.<br />

Intussen had het moderamen van de PKV nog een poging tot verzoening gedaan, maar de<br />

breuk bleek niet meer te herstellen. Het eind van het lied is dat Loos op 11 januari 1955<br />

ontheffing uit zijn ambt vraagt, wat hem op 15 januari, bijna per kerende post, wordt verleend.<br />

Een dag eerder, op 14 januari, had hij voor zichzelf, zijn echtgenote en zijn vier minderjarige<br />

kinderen het lidmaatschap van de ‘dusgenaamde Nederlandsche Hervormde Kerk’ opgezegd.<br />

P. Staples noemt zaak-Loos a real tragedy. 94<br />

Reacties van geestverwanten<br />

Interessant zijn ook de kritische reacties van enkele companen van Loos c.q. het HC.<br />

H. van der Linde, van het begin af aan op afstand bij het HC betrokken, had het tijdens de<br />

synodevergadering van 2 juli 1952 voor Loos opgenomen. Hij voerde het woord ‘als vriend en als<br />

iemand die sterkt in dezelfde lijnen denkt.’ Voor hem is de enig belangrijke vraag die van de<br />

geheelheid, van de catholiciteit der kerk. Hij dringt erop aan de opvattingen van het HC ten volle<br />

ernstig te nemen, zoals ook de vrijzinnigheid ernstig genomen wordt.<br />

‘Ds Loos behoort tot een groep, die ten volle achter het belijden der kerk staat, doch zich naar de<br />

Catholiciteit uitstrekt. (…) De bedoeling van de oecumene is niet, dat de denominaties blijven wat<br />

ze zijn, maar dat ze tot een grotere volheid zullen komen’. Daarom pleit hij ervoor dat Loos zo lang<br />

mogelijk in de NHK gehandhaafd blijft en dat er een oecumenische oplossing van het probleem<br />

95<br />

zal komen.<br />

Binnen het HC was niet iedereen blij met de handelswijze van Loos. Gerritsen verklaarde<br />

achteraf dat de leden zich van de kwestie hadden moeten distantiëren door Loos, toen nog<br />

voorzitter van het HC, tot aftreden te dwingen. Maar de meerderheid durfde dat niet aan, omdat<br />

men loyaal wilde blijven aan de voorzitter. Gerritsen noemde dit later ‘een noodlottig besluit’,<br />

94<br />

P. Staples, The Liturgical Movement, 65.<br />

95<br />

Handelingen van de vergaderingen der Generale Synode 1951/1952, 429v.<br />

Hervorming en Catholiciteit 83


omdat het HC vanaf die tijd met de kwestie-Loos is geïdentificeerd. De hele zaak heeft de zaak<br />

van de catholiciteit onzegbare schade berokkend.’ 96<br />

Een derde sympathisant van het HC, J. N. Bakhuizen van den Brink, voorzitter van de<br />

<strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong>, reageerde niet zozeer in kerkpolitieke, maar in theologisch-wetenschappelijke<br />

zin kritisch op de opvattingen van Loos en de zijnen, met name ten aanzien van de apostolische<br />

97<br />

successie. Hij stelde namelijk in een artikel in Kerk en Eredienst (oorspronkelijk een referaat<br />

voor de <strong>Liturgische</strong> Conferentie, later ten dele herhaald op een vergadering van het<br />

98<br />

Kerkhistorisch Gezelschap! ), dat de breuk van de reformatie met de apostolische successie<br />

ter wille van de apostolische leer noodzakelijk was, maar wel van tijdelijke aard moest blijven.<br />

Immers, de successio apostolica en de successio doctrinae gaan beide terug op Christus en<br />

mogen daarom niet tegen elkaar worden uitgespeeld. Beide vormen van successie moeten<br />

volgens hem een plaats krijgen in de Kerk:<br />

Het is traditioneel protestants om zich liever te beroepen op de successio van prediking en geloof<br />

of leer dan op de ambtssuccessie. (…) Wij voor ons houden dit voor een nood-uitkomst. Het<br />

miskennen van de betekenis der apostolische successie en der historie in het algemeen is altijd<br />

99<br />

een kenmerk der secte geweest; het is dopers. De kerk daarentegen erkent de historie.<br />

Hij verlangt er dan ook naar dat de NHK weer de aansluiting bij de apostolische successie gaat<br />

zoeken en daarmee kiest voor het historische episcopaat, maar dit episcopaat zal altijd<br />

ondergeschikt moeten zijn aan de successio doctrinae. 100<br />

96<br />

Zie de brief van Gerritsen aan de bestuursleden van het HC, dd 11 juni<br />

1955 (archief Van Lynden) en Datema, Het Hilversums Convent, 28.<br />

97<br />

J.N. Bakhuizen van den Brink, 'Successio Apostolica' en 'De apostolische<br />

successie en de liturgie', in K en E 8 (1953), 2-11.<br />

98<br />

Zie KenT 4 (1953), 55 (A.F.N. Lekkerkerker, Kroniek: ‘De kwestie van het<br />

ambt’).<br />

99<br />

J.N. Bakhuizen van den Brink, 'Successio Apostolica', in K en E 7 (1952),<br />

209.<br />

100<br />

In het heetst van de strijd – eind 1952/begin 1953 - publiceerde Bakhuizen<br />

in Kerk en Eredienst twee artikelen over de apostolische successie:<br />

'Successio Apostolica' en 'De apostolische successie en de liturgie',<br />

respectievelijk in K en E 7 (1952), 204-210 en 8 (1953), 2-11. Vooral het<br />

tweede artikel deed nogal wat stof opwierp omdat het zowel door de<br />

tegenstanders van Loos (Lekkerkerker) als door hemzelf en enkelen van zijn<br />

medestanders (o.a. J.K. van den Brink) werd uitgelegd als een afzwakking<br />

van zijn eerste artikel en dus als ‘overlopen naar de andere partij’. Zie de in<br />

noot 96 genoemde Kroniek van Lekkerkerker en de brieven van Van den<br />

Brink (dd 6 januari 1953) en Loos (dd 1 februari 1953) aan Bakhuizen van<br />

den Brink, de toenmalige voorzitter van de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong>. Eerstgenoemde<br />

is blij met het betoog van Bakhuizen, de beide laatstgenoemden voelen zich<br />

in de steek gelaten. Met de woorden van Loos: ‘Nu gevoelen wij ons in een<br />

uiterst moeilijk tijdsgewricht in den steek gelaten door dengene, die zich<br />

weliswaar nooit geheel aan onze zijde heeft gesteld maar op wiens sympathie<br />

wij nochtans mochten meenden te kunnen rekenen’. Beide brieven zijn<br />

aanwezig in het archief-Van Lynden.<br />

84 <strong>Lectiones</strong> 8


Deze ‘aanval’ op het HC was voor Van den Brink en Loos de druppel die de emmer deed overlopen:<br />

beiden bedankten voor de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> en Van den Brink ging een jaar later – eerder nog dan<br />

101<br />

Loos - over naar de Rooms-Katholieke kerk.<br />

Rooms-Katholieke en Oud-Katholieke reacties<br />

Vanuit de Romana werden, vooral door de oecumenisch geïnteresseerden, de ontwikkelingen<br />

rond het HC met belangstelling gevolgd. Het waren vooral de theologen die al betrokken waren bij<br />

de verschillende oecumenische gesprekskringen, die zich lieten horen. Zo schreef de (latere)<br />

oecumenicus J.C. Groot in het apologetisch tijdschrift Het Schild een aantal artikelen over de<br />

102<br />

kwestie Loos en over het bisschopsambt bij de niet-Katholieken. Van de zijde van het<br />

episcopaat werd discreet gezwegen.<br />

Vanuit de Oud-Katholieke kerk, waar men veel dichter bij de opvattingen van het HC stond,<br />

werd voornamelijk in positieve zin gereageerd. Soms kritiseerde men openlijk de wijze waarop in de<br />

NHK met de vragen die het HC op tafel had gelegd werd omgegaan. Zo reageerde A.R. Heijligers in<br />

het voorjaar van 1954 op een artikel van F.H. Landsman in het WHK, waarin deze gesteld had dat de<br />

toenemende belangstelling voor het bisschopsambt onder reformatorische christenen wel eens een<br />

ernstig gevaar zou kunnen betekenen voor een gezonde ontwikkeling van de oecumenische<br />

beweging: niet de aanvaarding van het bisschopsambt en daarmee de apostolische successie is voor<br />

103<br />

de toekomst van de kerk beslissend, maar de zuivere prediking van het evangelie. Heijligers<br />

reageert in een fel artikel in De Oud-Katholiek (dat als ingezonden stuk door de redactie van het<br />

WHK was geweigerd) met de stelling dat de groeiende reformatorische belangstelling voor het<br />

bisschopsambt juist een gevolg is van de oecumenische beweging:<br />

Alle eeuwen door heeft de Kerk dit ambt en bijgevolg de apostolische successie gekend, alleen de<br />

reformatie verbant dit ambt uit de kerk alsof zij daarmee zeggen wil, dat de Kerk vijftien eeuwen in<br />

dwaling geweest is over het ambt en dat vijftien eeuwen lang de kerkorde, die episcopaal was,<br />

onjuist is geweest, zodat de reformatie tegen de hele traditie der Kerk in de juiste kerkorde uit het<br />

Evangelie heeft afgelezen. Valt het te verwonderen wanneer mensen van gereformeerde huize<br />

ernstig gaan nadenken over ambt, apostolische successie, kerkorde zuivere<br />

101<br />

Zie J. Loos, ‘Het Hilversumse Convent (1947-1955)’, Binnenlands<br />

Apostolaat 11 (1960), 55 en K. Datema, Het Hilversums Convent, 30v.<br />

102<br />

Zie J.C. Groot, ‘De Generale Synode over de priesterwijding van<br />

predikanten’, Het Schild, 29 (1951/52), 234-236 (Kroniek); J.C. Groot, ‘Het<br />

bisschopsambt bij de niet-Katholieken’, Het Schild 30 (1953), 103-109 en<br />

idem, ‘De bisschop en zijn ambt’, Het Schild, 30 (1953), 181-194; J. van der<br />

Steegt M.S.F. publiceerde in hetzelfde tijdschrift, jaargang 30 (1953), 145-<br />

151, een artikel over ‘Bakhuizen van den Brink en de Apostolische<br />

Successie’. Bedoeld is het in noot 97 genoemde artikel, door de auteur<br />

getypeerd als ‘een wat verwarde en bochtige redenering om de apostolische<br />

successie en de geldigheid van het ambt in de reformatorische kerken te<br />

kunen handhaven’ (146). In Frankrijk verscheen in La Documentation<br />

Catholique het artikel ‘La question de l’ épiscopat poseé dans une eglise<br />

réformee’, 21 februari 1954.<br />

103<br />

F.H. Landsman, ‘Aanvaarding van het bisschopsambt voorwaarde voor<br />

eenheid der kerken?’, De Hervormde Kerk, 16 januari 1954.<br />

Hervorming en Catholiciteit 85


Evangelieverkondiging en rechte bediening der sacramenten en gaan twijfelen aan de juistheid<br />

van de reformatorische opvatting van het kerkbegrip? 104<br />

In een vervolgartikel, waarin hij reageert op een ingezonden stuk van de secretaris van de<br />

International League for Apostolic Faith and Order (ILAFO), neemt Landsman ‘niets terug van zijn<br />

105<br />

vorige artikel en herhaalt hij zijn waarschuwing’. Het betoog van Bakhuizen van den Brink was<br />

hem kennelijk ontgaan.<br />

Van ‘Hilversums Convent’ tot ‘Convent voor Hervorming en Catholiciteit’<br />

106<br />

Toen er in korte tijd drie leden van het HC waren overgegaan naar Rome, ontstaat er<br />

107<br />

verdeeldheid onder de overgebleven leden over de verder te volgen koers. Loos, nog altijd lid<br />

van het convent, wil dat het oecumenisch karakter van het convent wordt benadrukt: ieder die<br />

de catholieke traditie is toegedaan mag lid worden. Miskotte wil banden aanknopen met de<br />

108<br />

Oud-Katholieken. Voorzitter Gerritsen is echter van mening dat het Convent in<br />

reformatorische vaarwateren moet blijven en dat er geen plaats meer is voor Rooms-<br />

Katholieken. De zaak-Loos heeft volgens hem onnoemelijk veel schade toegebracht aan de<br />

zaak waarvoor het convent staat. In een brief aan Mevr. van Lynden schrijft hij:<br />

Jammer, maar tussen het vele mooie en goede in de RK kerk en mij staan als onoverkomelijke<br />

hinderpalen voortaan Loos, Laagwater en van den Brink. Voor een deel zijn dit gevoelskwesties.<br />

Maar voor een déél – want ik ben er zeker van, dat deze gebeurtenissen in oecumenisch opzicht<br />

verschrikkelijk zijn. 109<br />

Veelzeggend is in dit verband de ooit door Gerritsen gedane uitspraak, waaraan mevrouw Van<br />

Lynden hem in een brief herinnert: ‘Wanneer ik Rooms-Katholiek werd, zou ik ophouden<br />

110<br />

katholiek te zijn’. In elk geval wilde hij voorkomen dat het HC voortaan beschouwd zou<br />

worden als ‘een voorportaal van Rome’. In een rondschrijven aan de leden schrijft hij dan ook<br />

dat het convent een drievoudige roeping heeft:<br />

(a) binnen de kerken der Reformatie te blijven en in deze kerken in toenemende mate plaats te<br />

geven aan catholiek geloof en leven’, (b) het erfgoed van de reformatie te helpen inbrengen in de<br />

éne Kerk van de toekomst en (c) voor de kerk van Rome een teken te zijn om zich steeds weer op<br />

104<br />

A.R.H., ‘Vreemde opvattingen over episcopale en presbyterale kerkorden, in:<br />

De Oud-Katholiek, 20 februari 1954.<br />

105<br />

F.H. Landsman, ‘De eenheid der kerken en het bisschopsambt’, De<br />

Hervormde Kerk 24 april 1954.<br />

106<br />

Het derde lid van het HC dat overging was L.J.F. Laagwater.<br />

107<br />

Zie hierover het uitvoerige verslag in K. Datema, het Hilversums Convent,<br />

30-37 (‘Het conflict in het Convent’).<br />

108<br />

Brief van H. Miskotte aan mevr. van Lynden d.d. 1 juli 1955 (archief-van<br />

Lynden).<br />

109<br />

Brief Gerritsen aan Mevr. Van Lynden, d.d. 2 februari 1956 (archief- van<br />

Lynden).<br />

110<br />

Berief mevr. van Lynden aan Gerritsen d.d. 1 maart 1954.<br />

86 <strong>Lectiones</strong> 8


het waarachtige catholieke geloof te bezinnen en om zich met ons op weg te begeven naar de<br />

111<br />

éne, waarlijk catholieke Kerk.<br />

Deze stellingname van de voorzitter riep verwarring en verdeeldheid op. Na een lange periode<br />

van onzekerheid vindt Gerritsen in het voorjaar van 1955 dat er nu eindelijk eens duidelijkheid<br />

moet komen. Op de vergadering van ondertekenaars van de verklaring d.d. 20 mei stelt hij voor,<br />

het HC op te heffen en een nieuw Convent op te richten, met een nieuwe doelstelling en aan<br />

afgebakende positie tegenover Rome. Na een felle discussie blijkt de meerderheid achter<br />

Gerritsen te staan en zo werd het HC op 4 juni 1955 officieel opgeheven, om plaats te maken<br />

voor het - niet voor Rooms-katholieken toegankelijke! - Convent voor Hervorming en<br />

112<br />

Catholiciteit. Voortaan zouden niet zozeer oecumenische en ambtelijke vragen centraal staan<br />

(zoals Loos wilde), maar zou het gaan om het ontwikkelen van een ‘catholieke spiritualiteit’ en<br />

het uitdragen daarvan in de NHK, zodat deze kerk zich door spirituele vernieuwing<br />

langzamerhand zou ontwikkelen in de richting van de de Una Sancta: ‘Wij zijn niet een soort<br />

liturgische beweging, die een wat extreem karakter heeft, (…) het gaat ons niet om de liturgie,<br />

(…) het gaat ons ook niet om het ambt, (…) het gaat ons om het sacrament van de heilige Dis’<br />

als het middelpunt van het liturgisch en kerkelijk leven. Vandaaruit ontstaat de waarachtige<br />

oecumenische gezindheid; weet men zich één met de Kerk der eeuwen (hetgeen tot uitdrukking<br />

komt in een ambt dat in de opvolging der apostelen staat); weet men zich geroepen tot<br />

113<br />

levensheiliging, vooral tot uitdrukking komend in het dagelijks getijdegebed.<br />

Met het oog op het laatstgenoemde ontwikkelde Gerritsen plannen voor de stichting van een<br />

Broederschap of Orde, die in kerk en samenleving een liturgische en diaconale dienst zou<br />

114<br />

moeten verrichten. Hier vooral blijkt dat zijn hart lag bij de spiritualiteit, met name die van<br />

Benedictus en Franciscus:<br />

Wij zullen genoeg Benedictijnse geest moeten hebben om de taak van het voortdurend gebed op<br />

ons te nemen en genoeg Franciscaanse geest om onszelf aan de wereld dienstbaar te kunnen<br />

maken. 115<br />

111<br />

Zie de aan de leden van het HC toegezonden ‘Verklaring’ van Gerritsen<br />

d.d. 26 februari 1954 (archief-van Lynden). Volgens Gerritsen vloeide deze<br />

drievoudige roeping voort uit het feit dat het HC lid was van de International<br />

League for Apostolic Faith and Order (ILAFO), die zich voor dezelfde roeping<br />

wist gesteld. Zie over de ILAFO: beneden, p. 18.<br />

112<br />

Datema, het Hilversums Convent, 37-41 (‘De opheffing van het Convent’).<br />

113<br />

J. M. Gerritsen, ‘Wat willen wij?’ in: H en C 4 (1956), 27-29.<br />

114<br />

Al eerder had Gerritsen (door intimi ‘broeder Johannes’ genoemd) zich met<br />

Van den Brink ingezet voor het stichten van de Broederschap De<br />

Apostolische Gemeenschap, naar het model van de uit de Hochkirchliche<br />

Vereinigung voortgekomen Evangelisch-Ökumenische Johannesbruderschaft.<br />

De Regel ervan is in het Archief-Van Lynden aanwezig, maar de<br />

Broederschap is er nooit gekomen.<br />

115<br />

Uit een brief van Gerritsen aan mevr. van Lynden. d.d. 7 april 1952<br />

(archief-Van Lynden).<br />

Hervorming en Catholiciteit 87


Hoezeer het nieuw opgerichte Convent voor Hervorming en Catholiciteit echter ook verschilde<br />

van het vroegere Hilversums Convent - een lang leven was het niet beschoren: Gerritsen<br />

overleed in 1962, en hoewel enkelen van zijn vrienden en collega’s het werk voortzetten, moest<br />

het Convent in 1981 wegens gebrek aan inspiratie en belangstelling worden opgeheven. 116<br />

Waarmee meteen de vraag gesteld is, of daarmee ook de zoektocht naar evangelische<br />

katholiciteit ten einde was gekomen.<br />

Doorwerking<br />

Hoe ontijdig (en hoe gedateerd!) en voor de NHK onaanvaardbaar de wensen van het<br />

Hilversums Convent ook waren, toch heeft de beweging – vooral in de lijn van Gerritsen - op<br />

een aantal punten invloed gehad op de koers van de NH kerk, met name wat betreft de<br />

liturgische bezinning, het oecumenisch gesprek en de ambtstheologie. In het volgende zullen<br />

we nagaan hoe het gedachtegoed van het HC, niet pas na haar opheffing, maar eigenlijk al<br />

vanaf het begin, op genoemde drie terreinen heeft doorgewerkt.<br />

De liturgische beweging wordt kerkelijk geïntegreerd 117<br />

In 1950 krijgt het tijdschrift Kerk en Eredienst van de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> een nieuwe – kerkbrede -<br />

redaktie en een nieuwe ondertitel: die luidt niet meer 'NH Tijdschrift voor Liturgie', maar 'Tijdschrift van<br />

de NH Kerk voor Liturgie', een veelzeggende naamsverandering. De redaktie zal zich voegen in het<br />

beleid van de NH Kerk, aldus W.A. Zeydner, de voorzitter van de Raad voor Kerk en Eredienst, in zijn<br />

118<br />

'Ter inleiding' bij de nieuwe jrg 5. Ook na deze ‘coup’ blijven diverse leden van het Hilversums<br />

Convent (onder meer J.M. Gerritsen, J.N. Bakhuizen van den Brink, H. van der Linde en R. Boon)<br />

echter belangrijke bijdragen leveren aan dit helaas al in 1959 ter ziele gegane tijdschrift, dat nog<br />

steeds als een Fundgrube geldt voor het liturgisch onderzoek.<br />

In 1955 verschijnt het Dienstboek-in-ontwerp, waarin (althans in theorie!) de grondstrucuur<br />

van de samenkomst van de christelijke gemeente hersteld is. Als grondregel geldt: 'er zij een<br />

119<br />

dienst des Woords, een dienst der gebeden en een viering van het heilig Avondmaal'. Dat wordt<br />

vooral zichtbaar in de ‘gereformeerd-oecumenische’ dienst van Schrift en Tafel, (orde van dienst IV in<br />

combinatie met III), afkomstig uit de <strong>Liturgische</strong> kring, waarin belangrijke elementen uit de dienst van<br />

120<br />

de Kerk der eeuwen worden hersteld en bewaard. J.M. Gerritsen heeft als representant van de<br />

116<br />

Zie notulen van het Convent, 28 maart 1981 (archief HC).<br />

117<br />

H. H. Miskotte, ‘De liturgische beweging binnen de NH-Kerk in de laatste<br />

tien jaren’, Tijdschrift voor Liturgie 39 (1955), 30-45.<br />

118<br />

W.A. Zeydner, ‘Ter Inleiding’, K en E, 5 (1950), 1-4. Vgl. K.W. de Jong,<br />

Ordening van Dienst, Baarn 1996, 138.<br />

119<br />

Dienstboek- in ontwerp, 366.<br />

120<br />

Gerritsen schreef in Kerk en Eredienst twee artikelen, waarin hij deze orde<br />

van commentaar voorziet: J.M. Gerritsen, ‘Het Dienstboek voor de<br />

Nederlandsche Hervormde Kerk (in ontwerp). Orde IV + Avondmaalsviering III<br />

als Gereformeerd-Oecumenische liturgie’, deel I, ‘De dienst zonder<br />

Avondmaalsviering’, in K en E 5 (1950), 263-273; deel II, ‘De<br />

Avondmaalsviering’, in: KenE 6 ( 1951), 2-23. In 1961 publiceerde de<br />

88 <strong>Lectiones</strong> 8


hoogkerkelijk-oecumenische richting met zijn grote kennis van de liturgie, de patres en de hervormers<br />

121<br />

een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van dit Dienstboek. Na zijn overlijden<br />

werd hij door Lekkerkerker herdacht als een zeer gewaardeerd lid van de commissie die het<br />

Dienstboek samenstelde. 122<br />

Begin jaren zestig ontstond er een samenwerkingsverband tussen de Prof. dr G. van der<br />

Leeuwstichting, de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> en de redactie van de door haar uitgegeven liturgische<br />

handreiking Het Jaar onzes Heren. Doel was ‘de willekeur waarmee doorgaans met de bijbel wordt<br />

omgesprongen in een protestantse kerkdienst tegen te gaan door het opstellen van een leesrooster,<br />

123<br />

dat recht deed aan de structuren van de Schrift’. Al snel vatte men het plan op om een<br />

oecumenisch kerkboek samen te stellen waarin voor elke zondag van het jaar de lezingen, liederen<br />

en gebeden zouden zijn geordend volgens de belangrijkste liturgische tradities van de westerse kerk.<br />

124<br />

Het resultaat was de uitgave De adem van het jaar, die tot de verschijning van het Dienstboek –<br />

een proeve (1998) voor vele gemeentes en voorgangers een rijke bron van inspiratie is geweest.<br />

Vanuit de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> c.q. het convent Hervorming en Catholiciteit was het opnieuw J.M.<br />

Gerritsen die tot aan zijn dood (1962) een belangrijke bijdrage geleverd heeft aan dit project.<br />

125<br />

Het oecumenisch gesprek wordt gestimuleerd<br />

(a) Het gesprek met Rome<br />

Terwijl het officiële kerkelijk gesprek tussen Rome en Reformatie in ons land maar moeizaam op<br />

126<br />

gang kwam, waren het de theologen van de gezamenlijke gesprekskringen die met<br />

<strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> een rapport Het Dienstboek voor de Nederlandse<br />

Hervormde Kerk in ontwerp (niet in de handel). Zie over de theologische<br />

achtergronden van het Dienstboek: A.F.N. Lekkerkerker, Kanttekeningen bij<br />

het Hervormde Dienstboek, I – IV, ’s Gravenhage 1952-1956.<br />

121<br />

L. Brink in BLNP deel 3, 136 (‘Gerritsen, Johan Marie’).<br />

122<br />

A.F.N. Lekkerkerker, K en T, 13 (1962), 196-198, ‘Kroniek’ (‘Ds J.M.<br />

Gerritsen’).<br />

123<br />

R. Boon, ‘Rondom Ekumene en Eredienst’, Eredienst 15 (1981), 65.<br />

124<br />

De Adem van het jaar, Paaskring (1962), Kerstkring (1962) en Zomertijd<br />

(1964), onder verantwoordelijkeid van de Prof. Dr G. van der Leeuw-stichting<br />

samengesteld in overleg met de ‘<strong>Liturgische</strong> kring’ en ‘Het Jaar onzes Heren’.<br />

De tweede editie, met de drie delen in één band, verscheen in 1975.<br />

125<br />

Zie daarover J. Jacobs, Nieuwe visies op een oud visioen, een portret<br />

van de Sint Willibrord Vereniging 1948 – 1998, Nijmegen 1998, hoofdstuk 2<br />

en idem, ‘IJkpunt 1950 – Het begin van een nieuwe bezinning: van isolement<br />

naar beginnende openheid’ in: C. Augustijn en E. Honeé, Vervreemding en<br />

Verzoening. De relatie tussen katholieken en protestanten inNederland 1550<br />

– 2000, Nijmegen 1998, 151 – 170.<br />

126<br />

Zie bij voorbeeld Herderlijk Schrijven van de NHK betreffende de RK Kerk,<br />

Den Haag 1950 en Antwoord op het Herderlijk Schrijven, Spectrum 1950,<br />

gepubliceerd door vijf hoogleraren van de Nijmeegse Universiteit (W.H. van<br />

de Pol, G.P. Kreling, W.K.M. Grossouw, L.J. Rogier en L.J.M. Beel). Er waren<br />

ook meer genuanceerde reacties, zoals die van de in 1948 opgerichte<br />

Willibrord Vereniging. Zie daarover J. Jacobs, ‘IJkpunt 1950’, p. 159-161.<br />

Hervorming en Catholiciteit 89


127 128<br />

enthoussiasme met elkaar in gesprek gingen. Mede met het oog daarop verschijnt in 1951 de<br />

bundel Geloofsinhoud en Geloofsbeleving. Een peiling binnen Reformatie en Katholieke kerk in<br />

129<br />

Nederland, onder redactie van H. van der Linde en F. Thijssen. Deze - bij mijn weten eerste -<br />

gezamenlijke publicatie van Hervormde en Rooms-Katholieke theologen geeft een goed beeld<br />

van de wijze waarop men begin jaren vijftig met elkaar in gesprek was. Ons interesseren hier<br />

vooral de bijdragen van de Hervormde gesprekspartners. Sommige auteurs tonen een relatieve<br />

130 131<br />

openheid voor het rooms-katholicisme (Bakhuizen van den Brink, Gerritsen, en<br />

132<br />

Kohnstamm ), een enkeling (H. van de Linde) hoort zelfs er zelfs een vráág in aan de<br />

Reformatie: namelijk de vraag naar 'het wezen en de katholiciteit der kerk' (en het is een groep<br />

133<br />

als Hervorming en Catholiciteit die zich daarvoor openstelt) - maar juist díe groep wordt ook<br />

Daar merkt de auteur tevens op, dat in het jaar 1950 ook vanuit Rome weinig<br />

hoop werd geboden voor een verdere de toenadering tussen Rome en de<br />

Reformatie: het was het jaar van de encycliek Humani Generis (en de<br />

veroordeling van de Nouvelle Theologie) en van de afkondiging van het<br />

dogma van de ten hemelopneming van Maria.<br />

127<br />

Behalve het Hilversums Convent waren er in de jaren kort na de oorlog ook<br />

verschillende andere gemengd Roomskatholiek-Protestantse ‘kringen’: o.a.<br />

de Haagse kring (o.a .C. Aalders, W. Aalders, H. van der Linde, J.M. van der<br />

Linde, E. van der Schoot): rond het thema ‘katholiciteit en cultuur’; de Utrechtse<br />

kring: een ‘Faith and Order’-groep, geboeid door de oecumene, met name het<br />

gesprek Rome Reformatie (o.a. R. Boon, J.M. Gerritsen, H. van der Linde, J. Plooy<br />

en van RK–zijde: J.C. Groot en F. Thijssen); de Larense kring (o.a A.J.<br />

Bronkhorst, H. van der Linde, G.E. Meuleman, G.C. Van Niftrik, en van RK-zijde:<br />

W.H. van de Pol, F. Thijssen, Radboud Weel en J. Willebrands): een<br />

theologische gespreksring; de Bossche-Betuwse kring (o.l.v. N.K. van den Akker),<br />

vooral praktisch-oecumenisch geïnteresseerd. Zie over de verschillende kringen:<br />

R. Boon, ‘Rondom Ekumene en Eredienst. Een recent hoofdstuk van de<br />

vaderlandse geschiedenis, aan de vergetelheid ontrukt’, Eredienst 15 (1981),<br />

57 – 72; A.J. den Tonkelaar, Kleine kroniek van de Bossche-Betuwe <strong>Kring</strong><br />

(1948-1988), Den Bosch 1989; J. Jacobs, Nieuwe visies op een oud visioen.<br />

Een portret van de Sint Willibrord Vereniging 1948-1998, Nijmegen 1998,<br />

43vv. en idem, ‘IJkpunt 1950 – Het begin van een nieuwe bezinning’: van<br />

isolement naar beginnende openheid’ in: C. Augustijn en E. Honeé,<br />

Vervreemding en Verzoening. De relatie tussen katholieken en protestanten<br />

in Nederland 1550 – 2000, Nijmegen 1998, 151 – 170.<br />

128<br />

Zie het ‘Woord ter inleiding’ bij het in de volgende noot genoemde boek en<br />

Jacobs, ‘IJkpunt 1950’, 153v.<br />

129<br />

H. van der Linde en F.Thijssen (red.), Geloofsinhoud en geloofsbeleving,<br />

Utrecht, 1951, met artikelen van H. Berkhof, ‘De stand van het credo in de<br />

Hervormde Kerk’; A. J. Bronkhorst, ‘De orde der kerk naar hervormd besef’; J.<br />

M. Gerritsen, ‘Vormen van godsdienstig leven in het hervormd<br />

protestantisme’; H. van der Linde, ‘Een visie vanuit de Hervormde Kerk op de<br />

oecumene’. Over de context van deze publicatie: zie J. Jacobs, ‘IJkpunt<br />

1950, 153 – 156.<br />

130<br />

J.N. Bakhuizen van den Brink, ‘Controversen in de zestiende eeuw’, a.w.<br />

11-42.<br />

131<br />

J.M. Gerritsen, Geloofsinhoud en geloofsbeleving, 194- 210.<br />

132<br />

Ph. Kohnstamm, ‘De verhouding van Rome en Reformatie in de twintigste<br />

eeuw’, a.w. 64-85.<br />

J.M. Gerritsen, Geloofsinhoud en geloofsbeleving, 332.<br />

133<br />

90 <strong>Lectiones</strong> 8


in deze bundel nauwelijks serieus genomen. Zo schrijft Berkhof in zijn bijdrage ‘De stand van<br />

het credo in de NH Kerk’, ‘dat de catholiserende groep in de NHK zeer klein is en dat hun weg<br />

134<br />

niet naar Rome schijnt te leiden, maar naar Canterbury of Constantinopel’ en Bronkhorst<br />

plaatst hen in zijn bijdrage 'De orde der kerk naar Hervormd besef' in een soort reservaat:<br />

‘Hervorming en Catholiciteit zegt vele hervormden niet meer dan dat er blijkbaar ook binnen de<br />

Hervormde kerk Anglicanen met hoogkerkelijke neigingen kunnen worden aangetroffen, onder<br />

135<br />

meer inzake kerkorde en ambtsbeschouwing’. Hij voegt er echter aan toe te verwachten, dat de<br />

vragen die de diepere achtergrond vormen van de beweging, in de komende jaren met name vanuit<br />

de oecumenische discussie nog wel eens aan de orde zullen komen.<br />

Zijn verwachting kwam uit, want een jaar later, in 1953, midden in het rumoer rond de zaak-<br />

Loos gaan H. van der Linde en O. Noordmans in het blad In de Waagschaal met elkaar in debat over<br />

het thema ‘katholiciteit’, naar aanleiding van het al eerder genoemde artikel van Van der Linde over<br />

136<br />

‘De Hervormd-Catholieke modaliteit’. Met name het aandeel van Noordmans in dit debat, getiteld<br />

137<br />

‘Hervormde overpeinzingen’, zou later beroemd worden vanwege een aantal (fraaie, maar niet<br />

altijd billijke) door hem gesmede typeringen waarmee de verhouding Rome- Reformatie op formule<br />

wordt gebracht: zo zou de Roomse Kerk leven van een ‘antiquarische katholiciteit’, gesymboliseerd<br />

door de Petrus, en de Gereformeerde van een ‘mystische katholiciteit’, gesymboliseerd door de<br />

Paulus. Eerstgenoemde zou op verleden gericht zijn (‘Petrus gaat’), laatstgenoemde op de toekomst<br />

(‘Paulus komt’), daarom heeft Rome bisschoppen en de Reformata ouderlingen. Fraaie typeringen,<br />

maar of Petrus en Paulus op deze manier tegen elkaar mogen worden uitgespeeld, is de vraag. 138<br />

(b) Het gesprek over katholiciteit<br />

134 a.w., 130.<br />

135<br />

a.w., 257. Een goed voorbeeld van de polemische toon die in de jaren<br />

vijftig het gesprek met Rome bepaalde is ook: A.J. Bronkhorst, Rondom 1853.<br />

De invoering van de RK Hierarchie. De April-beweging, ‘s Gravenhage 1953.<br />

Hierbij het commentaar in Het Schild, 30 (1953/54), 116-118 (J.C. Groot,<br />

Kroniek).<br />

136<br />

Zie noot 83.<br />

137<br />

O. Noordmans ‘Hervormde overpeinzingen’, In de Waagschaal 8 (1952/1953),<br />

nrs 7-16, later opgenomen in O. Noordmans, Gestalte en Geest, Amsterdam<br />

1955, p. 324-353 (= VW 8 429-451).<br />

138<br />

Zie het weerwoord van Van der Linde aan Noordmans in zijn<br />

‘Oecumenische peilingen’ I, II en III, In de Waagschaal 8 (1952/1953), nrs<br />

25 (20 maart), 26 (27 maart) en 28 (3 april). Een breder betoog gaf hij in<br />

‘Perspectieven van een oecumenische kerkbegrip’, een bijdrage in de<br />

jubileumbundel voor prof.mag.dr. G Kreling (1953). Zie over het debat O.<br />

Noordmans – H. van der Linde: J. Kronenburg, Episcopus Oecumenicus,<br />

125-130. Vermeldenswaard is in dit verband ook het debat tussen H. van der<br />

Linde en A.J. Bronkhorst: zie H. van der Linde, ‘Catholiciteit en Oecumene’,<br />

K en E, 7 (1952), 130 – 144 en de reactie daarop van A. J. Bronkhorst,<br />

‘Oecumenische visioenen’, In de Waagschaal 8 (52/53), nr 5 (31 oktober<br />

1952) en het weerwoord daarop van H. van der Linde, ‘Noodzakelijk uitzicht<br />

op de Oecumene’, idem, nr 8 (21 november 1952).<br />

Hervorming en Catholiciteit 91


Ook binnen Faith and Order kwam het gevoelige thema ‘catholiciteit’ (en de daarmee verbonden<br />

apostoliciteit!) van de kerk maar moeizaam van de grond. Met als gevolg dat in 1950 (tijdens de<br />

conferentie te Lund) de ‘catholiek’ gekleurde International League for Apostolic Faith and Order<br />

139<br />

(ILAFO) werd opgericht, als reactie op het te 'protestantse' karakter van Faith and Order. Roomskatholieke,<br />

oud-katholieke, anglicaanse en hoogkerkelijke protestantse gelovigen sloegen de handen<br />

ineen teneinde ervoor te waken, dat het ‘catholieke’ gedachtegoed in het eenheidsstreven van de<br />

Wereldraad nooit verloren zou gaan. Kernpunten van dat gedachtegoed waren voor hen het<br />

apostolisch geloof en de apostolische successie, geconcretiseerd in het drievoudige ambt van<br />

bisschop, priester en diaken. Het HC, vertegenwoordigd door J. M. Gerritsen, trad onmiddellijk na de<br />

oprichting toe als lid. In de bundel Barriers of Unity, verschenen in 1959, schreef hij een artikel ‘The<br />

Recovery of Episcopacy (The barrier of false paths)’. 140<br />

(c) Het gesprek met de Anglicana 141<br />

Het meest positief-oecumenische effect van het optreden van het HC is waarschijnlijk dat ten gevolge<br />

van 'de kwestie Loos' het gesprek tussen de NH kerk en de Church of England op gang is gekomen.<br />

Vooral dankzij de inspanningen van de toenmalige secretaris-generaal van de NHK E. Emmen en<br />

de Groningse kerkhistoricus W.F. Dankbaar werden er tussen 1958 en 1984 vier Conversations<br />

142<br />

gehouden. Aan de twee eerste daarvan, gewijd aan resp. de thema’s ‘Ministry and Sacraments’<br />

(1958, Woudschoten) en ‘The people of God’ (1961, Lambeth Palace), nam ook de voorzitter van<br />

143<br />

Hervorming en Catholiciteit, J.M. Gerritsen, deel. De ambtsvraag, traditioneel een belangrijk thema<br />

voor anglicanen, kwam ook aan de orde tijdens het vierde gesprek (1984, Lambeth Palace), nu in<br />

verband met het in 1982 verschenen Lima-rapport van de WCC, waarin de vroegchristelijke<br />

144<br />

ambststructuur (bisschop, presbyter, diaken) wordt aanbevolen als normatief voor alle kerken. De<br />

gesprekken hierover evaluerend schrijft Staples:<br />

The crucial question is whether this particular ‘convergence text’ has now placed the relationship<br />

between the Netherlands Reformed Church and the Church of England in a new context. The<br />

139<br />

Zie over ILAFO: J. Loos, De 'International League for Apostolic Faith and<br />

Order’, in Het Schild, 37 (1960), 151-159 en J.Y.H.A. Jacobs, De Katholieke<br />

Conferentie voor Oecumenische Vragen, Tilburg 1991, 14-19 en 24-28.<br />

140<br />

M. Bruce (ed.), Barriers to Unity, London 1959, 93-105, met o.a artikelen<br />

van A. Rinkel, ‘The Church: The Basic Problem in Ecumenical Discussion’,<br />

21-29 en J.M. Gerritsen, ‘The Recovery of Episcopacy (The barrier of false<br />

paths)’, 93-105. Daarin onder meer een felle afwijzing van de zg episcopus<br />

vagans (=zwervende bisschop), een bisschop zonder kerkelijke binding, zoals<br />

die in hoogkerkelijke en katholiserende kringen wel werd ingehuurd om<br />

priesters en predikanten d.m.v. een additionele wijding ‘in te voegen in de<br />

apostolische successie’.<br />

141<br />

P. Staples, Relations between the Netherlands Reformed Church and the<br />

Church of England since 1945, Lewiston/Queenston/Lempeter, 1991.<br />

142<br />

Zie de uitvoerige beschrijving daarvan in: Staples, Relations, chapter 3, 4<br />

en 5.<br />

143<br />

Zie Staples, Relations, 90-112 en 113-139.<br />

144<br />

Staples, Relations,164-166.<br />

92 <strong>Lectiones</strong> 8


answer depends on whether the Netherlands Reformed Church is also prepared to consider this<br />

part of the Lima-text positively. In its official response to the section on Ministry, however, it is<br />

observed that it “gave many Protestant readers a pronounced ‘Catholic’ impression”. This could<br />

145<br />

well be construed by Anglicans (and other Episcopalians) as a rather ominous sign!<br />

Meer dan dertig jaar na de kwestie-Loos lijkt er, ondanks alle oecumenische dialogen over het<br />

ambt, op dit punt nog weinig te zijn veranderd.<br />

Het gesprek over het ambt komt op gang 146<br />

(a) De comissie -Van Ruler<br />

Eén van de effecten van de vraag van het HC om een additionele wijding was, dat de synode<br />

147<br />

hoewel zij - op voorstel van de commissie van advies - afwijzend had beslist, toch in haar<br />

besluitvorming had bepaald ‘dat aan de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie de<br />

bezinning omtrent het ambt en de grenzen van de Nederlandse Hervormde Kerk opgedragen<br />

blijft’. Ze deed dat niet alleen omdat er in de NHK blijkbaar verschillend werd gedacht over het<br />

148<br />

ambt, maar ook uit oecumenische overwegingen (de intercommunie). Uit de notulen van de<br />

vergadering van genoemde Raad, waarin het Memorandum van het HC werd besproken, blijkt<br />

overigens dat er binnen dit gezelschap van meet af aan zeer verschillend werd gedacht over het<br />

gewicht van het presbyteriale systeem. K.H. Miskotte en G.C. van Niftrik zijn van mening dat er<br />

bij de aanvaarding van de kerkorde een geestelijke beslissing is gevallen. Van Ruler antwoordt<br />

dat de episcopale mogelijkheid niet principieel is afgewezen. De commissie voor de kerkorde<br />

heeft zich niet principieel met deze materie beziggehouden, maar zich aangesloten bij de<br />

traditie van de kerk van Nederland. Bakhuizen van den Brink zegt dat inzichten als die van het<br />

HC bij de voorbereiding van de nieuwe kerkorde te weinig aan bod zijn gekomen. Het<br />

presbyteriaal-synodale systeem mag niet verabsoluteerd worden:<br />

Het mag in de stad Utrecht zeker ook gezegd worden, dat het NT niet ondubbelzinnig het<br />

systeem van presbyteriale kerkregering voorschrijft. De Raad moet deze dingen ernstig<br />

theologisch overwegen. De Hervormde Kerk zal comprehensiveness moeten bezitten, opdat<br />

zij niet versmalle tot een secte. 149<br />

Hoe dan ook, in opdracht van de synode benoemt de Raad in 1952 een commissie die zich<br />

onder voorzitterschap van Van Ruler moet gaan bezinnen op de problematiek rond het ambt.<br />

145<br />

Staples, Relations, 178.<br />

146<br />

Zie voor het volgende: J. Kronenburg, Episcopus Oecumenicus, 130 –<br />

150.<br />

147<br />

Leden van de commissie waren W. Aalders, J.N. Bakhuizen van den<br />

Brink, J.M. Gerritsen, Th. L. Haitjema, G. Huls, H. van der Linde, J. Loos,<br />

P.A. van Stempvoort, W.C. van Unnik en A. de Wilde.<br />

148<br />

Zie Handelingen van de Vergaderingen der Generale Synode 1951/1952,<br />

484 (4 juli 1952).<br />

149<br />

Notulen Raad voor de zaken van Kerk en Theologie 5 september 1951<br />

(archief Utrecht)<br />

Hervorming en Catholiciteit 93


De commissie, die grotendeels was bemand door dezelfde theologen die ook in de synodale<br />

adviescommissie inzake de kwestie-Loos hadden gezeten, bestond uit vertegenwoordigers van<br />

de drie in de NHK vertegenwoordigde zienswijzen: de presbyteriaal-synodale, de laagkerkelijkcongregationalistische<br />

en de hoogkerkelijke. Hervorming en Catholiciteit was erin<br />

150<br />

vertegenwoordigd met J.M.Gerritsen (tot 1962, het jaar van zijn dood), H. van der Linde (tot<br />

151<br />

1960, het jaar van zijn overgang naar Rome) en J. Loos (tot 1955, het jaar van zijn overgang<br />

naar Rome). Veertien jaar (van 1952 – 1965) heeft de commissie gewerkt aan het ontwikkelen<br />

152<br />

van een (‘Hervormde’) visie op het ambt, maar toen zij met haar eindrapport bij de Raad voor<br />

de zaken van Kerk en Theologie kwam, werd het niet aanvaard (1965). Het belangrijkste<br />

argument: de erin beschreven ambtsopvatting is naar het oordeel van de Raad te eenzijdig<br />

presbyteriaal. Uit de notulen blijkt dat de stem van Berkhof – inmiddels lid geworden van het<br />

Centraal Comité van de WCC - bij deze afwijzing van grote invloed is geweest. Hij was van<br />

mening dat in deze tijd het gereformeerd-presbyteriaal systeem niet zo sterk moet worden<br />

geaccentueerd. Ook moet de tegenstelling presbyteriaal-episcopaal niet zo centraal worden<br />

153<br />

gesteld: de kwestie van hert ambt moet in breed oecumenisch verband worden bezien.<br />

(b) Het rapport-Berkhof<br />

Het verwondert ons dan ook niet dat Berkhof, bijgestaan door een ‘beraadsgroep’, in 1966 in<br />

opdacht van de synode aan het werk ging om een nieuw rapport te schrijven. Voor de<br />

beraadsgroep waren geen vertegenwoordigers van Hervorming en Catholiciteit gevraagd: de<br />

groep die de aanleiding had gevormd tot de bezinning op het ambt, was buiten spel gezet. 154<br />

150<br />

A.F.N.Lekkerkerker, K en T, 13 (1962), 196-198, Kroniek (‘Ds J.M.<br />

Gerritsen’). Gerritsen zelf noemde zijn participeren in de commissie -Van<br />

Ruler een vrucht van het optreden van HC. Zie zijn artikel ‘The Recovery of<br />

Episcopacy’ in: M. Bruce (ed.), Barriers to unity, London 1959, 98.<br />

151<br />

G.C. van Niftrik, ‘De overgang van dr H. v d Linde’, K en T, Kroniek, juli 60;<br />

A.A. van Ruler, ‘Overpeinzing bij de overgang van Dr H. van der Linde’,<br />

Woord en Dienst, 11 juni 1960.<br />

152<br />

A.A. van Ruler / T. Dokter, Rapport Het kerkelijk ambt', 1965. Zie over Van<br />

Ruler ambtsopvatting: A.N. Hendriks, Kerk en Ambt in de theologie van A.A.<br />

van Ruler, A'dam, 1977 en A.J.Janssen, Kingdom, Office and Church. A<br />

Study of A.A. van Ruler’s Doctrine of Ecclesiastical Office, Grand<br />

Rapids/Cambridge, 2006.<br />

153<br />

Notulen Raad voor de zaken van Kerk en Theologie, 13/14 mei 1966<br />

(archief Utrecht).<br />

154<br />

Uit een briefwisseling tussen A.J. Bonkhorst en A.F.N. Lekkerkerker blijkt<br />

dat de belangrijkste theologische woordvoerder van Hervorming en<br />

Catholiciteit, Dr. R. Boon, bewust buiten de deur gehouden werd. Deze had<br />

een jaar daarvoor zijn studie Apostolisch ambt en Reformatie (Nijkerk 1965),<br />

gepubliceerd, een boek dat al naar gelang de kerkelijke en theologische<br />

positie van de recencenten verguisd (H. Berkhof, W. Nijenhuis), kritisch<br />

gewaardeerd (J. van den Berg, G.C. van Niftrik) of hogelijk geprezen (J.C.<br />

Groot) werd. Zie de recensies van J. van den Berg, in De Protestant, 13 mei<br />

1966,4-8; J.C. Groot, idem, 9-13; H. Berkhof, ‘Om de gestalte der<br />

oecumenische kerk’, IdW, 22 (1966), 209-212; G.C. van Niftrik, KeT 17<br />

(1966), 373-375 (Kroniek); W. Nijenhuis, NTT, 20 (1966) , 308-313; H. van<br />

der Linde, TvT, 6 (1966), 344v. en D. Nauta, ‘De ambtsopvatting der<br />

94 <strong>Lectiones</strong> 8


Het rapport-Berkhof, getiteld Wat is er aan de hand met het ambt?, werd in 1968 door de synode<br />

155<br />

aanvaard, maar het is nooit 'de' Hervormde ambtsopvatting geworden. Het stuitte op veel kritiek,<br />

156<br />

niet alleen vanuit de Gereformeerde Bond (W. Balke), de Confessionele Vereniging (G.C. van<br />

157<br />

Niftrik) , maar ook vanuit de hoek van Hervorming en Catholiciteit (L. Brink) - ondanks de kleine<br />

158<br />

opening naar een bepaalde vorm van episcopaat. In het denken over het ambt binnen de NHK<br />

heeft het gedachtegoed van het HC vermoedelijk het minst doorgewerkt. Het gesprek over het ambt,<br />

in 1952 begonnen naar aanleiding van de ‘kwestie Loos’, kwam in elk geval in 1968 tot een voorlopig<br />

einde, zonder dat aan de intenties van de beweging tegemoet was gekomen.<br />

Afsluiting<br />

Men kan het HC afdoen als een enigszins bizar fenomeen in de naoorlogse geschiedenis van<br />

de NHK, men kan er wat lacherig over doen (wat vaak gebeurd is!) en overgaan tot de orde van<br />

de dag. Men kan ook zeggen: deze mensen hebben de moed gehad om tegen de theologische<br />

en kerkelijke tijdgeest in de vraag naar de katholiciteit van de kerk aan de orde te stellen.<br />

Achteraf gezien op een theologisch soms aanvechtbare en op een kerkpolitiek gezien niet altijd<br />

verstandige manier, maar wel zodanig dat de kerk er niet omheen kon. Het resultaat is in elk<br />

geval dat veel van wat het HC bezielde geïntegreerd is in de NHK - vooral op liturgisch gebied,<br />

getuige de verschijning van het Dienstboek, een proeve I (1998) en II (2004).<br />

Maar het thema ‘evangelische catholiciteit’, met name ten aanzien van het ambt van<br />

episkopè, is nog steeds actueel, zeker nu de NHK is opgegaan in de PKN en deze kerk de<br />

Confessio Augustana in haar confessioneel bestand heeft opgenomen, waarin het<br />

159<br />

bisschopsambt als vanzelfsprekend wordt beschouwd. Het is dan ook te betreuren dat in het<br />

Reformatie onder kritiek gesteld’, GTT, 66 (1966),129-138. Hoe ook<br />

gewaardeerd, dit boek bevat dermate veel waardevol materiaal uit patristische<br />

en de reformatorische bronnen (vooral Bucer en Calvijn), dat het ook nu nog<br />

in het debat over het ambt niet genegeerd kan worden. Zie ook J.<br />

Kronenburg, Episcopus Oecumenicus, 139-142.<br />

155<br />

H. Berkhof (red.), Wat is er aan de hand met het ambt? 1970. Het rapport<br />

is driemaal in de synode besproken: zie Handelingen van de Generale<br />

Synode der NHK, 17-19 juni 1968, 45-51 en 53-57; 17-19 februari 1969, 39-<br />

47 en 20-23 november 1972, 45-49.<br />

156<br />

Zie H. Jonker, ‘Het ambt in de synode’, Theologia Reformata, 11 (1968),<br />

129-146; W. Balke, ‘Wat is er aan de hand met de Hervormde bezinning op<br />

het ambt?’ in: Theologia Reformata, 13 (1970), 248-272; W. Balke en K.<br />

Exalto, Geen ander ambt, Maassluis 1971.<br />

157<br />

Zie A.F.N. Lekkerkerker, ‘Brief over het ambt’, Kerk en Theologie, 19<br />

(1968), 370-386; idem, Oorsprong en funktie van het ambt, Den Haag, 1971;<br />

G.C. van Niftrik, Het synodale studierapport over het ambt, Barneveld, 1971.<br />

158<br />

Zie L. Brink, ‘Het ambtsrapport van de Hervormde Kerk’, Eredienst, IV/4,<br />

V/1,2 (oktober 1971), 4-14.<br />

159<br />

Zie Lutherse geschriften. Belijdenisteksten van een kerk, ’s Gravenhage<br />

1987, 178-184 (artikel 28 van de Augsburgse Confessie).<br />

Hervorming en Catholiciteit 95


160<br />

jaar 2007, precies 25 jaar na de verschijning van het Limarapport, waarin aan de nietepiscopale<br />

kerken gevraagd werd hun staan in de continuïteit van de apostolische traditie te<br />

versterken en te verdiepen met het teken van de episcopale successie, de vraag van het<br />

Hilversums Convent niet opnieuw opgepakt. Hoe dan ook, de vraag die P. Staples in 1983 in<br />

zijn boek over de <strong>Liturgische</strong> Beweging stelde is nog steeds terzake: zal de NHK de uitdaging<br />

161<br />

van een reformed catholicity aandurven? Pas wanneer die vraag in de nieuwe context van de<br />

PKN positief beantwoord is, zal recht gedaan zijn aan wat het Hilversums Convent ten diepste<br />

bewoog.<br />

J. Kronenburg<br />

160<br />

Baptism, Eucharist and Ministry (Faith and Order paper 111), Geneva<br />

1982, ‘Ministry’, nr 53.<br />

161<br />

P. Staples, The Liturgical Movement, 8.<br />

96 <strong>Lectiones</strong> 8


Hervorming en Catholiciteit 97

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!