Lectiones 8 - Liturgische Kring
Lectiones 8 - Liturgische Kring
Lectiones 8 - Liturgische Kring
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
<strong>Lectiones</strong> 8
<strong>Lectiones</strong> 8<br />
<strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong><br />
Zaltbommel<br />
2009<br />
2 <strong>Lectiones</strong> 8
Omslag: de menora uit het mozaïek “Van Ballingschap tot terugkeer” van Marc Chagall<br />
(1887-1985)<br />
@ <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong>, Zaltbommel<br />
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een<br />
geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij<br />
elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enige andere manier zonder voorafgaande<br />
schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voorwoord<br />
door Lieske Keuning<br />
<strong>Lectiones</strong> aflevering 8 heeft een zeer gevarieerde inhoud.<br />
U kunt een aantal lezingen die in de jaren 2006 -2008 in de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> werden<br />
gehouden, hier nalezen. Ze gaan over de verhouding tussen cultus en cultuur, over betekenis<br />
van Paus Benedictus XVI voor de liturgie, over wat Amsterdamse theologen in deze tijd te<br />
zeggen hebben over de noodzaak van de preek, en over het beeld dat bij kijkers en luisteraars<br />
van films, oratoria en opera over Martin Luther opgeroepen wordt.<br />
Het recente synodale rapport over de doopgedachtenis noopte ons tot een reactie. Drie leden<br />
lieten daarover hun gedachten gaan.<br />
Behalve deze lezingen die in de <strong>Kring</strong> werden gehouden vindt u in <strong>Lectiones</strong> 8 ook een boeiend<br />
artikel over ‘Hervorming en Catholiciteit’, een beweging die in de jaren vijftig ontstond vanuit de<br />
<strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong>. Het artikel werd door Hans Kronenburg geschreven na een voordracht in het<br />
Historisch gezelschap op 8 januari 2007 en werd niet eerder gepubliceerd. Het is in deze<br />
<strong>Lectiones</strong> opgenomen omdat het gesprek over de katholiciteit van de kerk nog altijd actueel is,<br />
en wellicht om een vervolg vraagt.<br />
De lezingen zijn afgedrukt zoals ze in de <strong>Kring</strong> gehouden zijn. Ze dragen daardoor ook in<br />
gedrukte vorm het karakter van een lezing.<br />
Alle bijdragen verwoorden de opvattingen van de respectievelijke auteurs. Zij nemen<br />
verantwoordelijkheid voor het geschrevene, niet de <strong>Kring</strong>.<br />
De <strong>Kring</strong> heeft een eenvoudige website: www.liturgischekring.nl, en kan per e-mail benaderd<br />
worden: info@liturgischekring.nl.<br />
Het bestuur van de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> hoopt dat u deze aflevering van <strong>Lectiones</strong> met genoegen<br />
zult lezen.<br />
Zaltbommel, januari 2009<br />
4 <strong>Lectiones</strong> 8
Inhoud<br />
R. Boon Enkele gedachten over cultus en cultuur 6<br />
J. Zuur De geest van de liturgie 11<br />
R. de Meij Mecima De noodzaak van de preek 26<br />
M. van Wijngaarden Martin Luther in film-oratorium-opera 37<br />
W. van Beek Enkele overwegingen bij een synodaal rapport 49<br />
P. Oskamp Doopbevestiging 54<br />
H. Uytenbogaardt Doop, confirmatie, gedachtenis 57<br />
J. Kronenburg Geen doopvernieuwing, wel doopbevestiging 64<br />
J. Kronenburg Hervorming en Catholiciteit 70<br />
6 <strong>Lectiones</strong> 8
Enkele gedachten over cultus en cultuur<br />
prof. dr. R. Boon, Amsterdam<br />
1. Een etymologisch uitstapje vooraf<br />
Oorspronkelijk waren cultus en cultuur nauw met elkaar verbonden, ja zelfs goeddeels aan<br />
elkaar gelijk. Beider achtergrond ligt in het agrarisch bedrijf. Het heeft te maken met bebouwen<br />
en bewerken van de akker (colere: letterlijk omdraaien van de grond, ploegen), planten en<br />
verzorgen van gewas, het bouwen van een boerderij, het stichten van een<br />
(landbouw)nederzetting (colonia).<br />
Cultura betekent dan ook van oudsher landbouw, en het resultaat ervan, het in cultuur<br />
gebrachte land. Van daaruit verbreedt zich de woordzin: verdeling, verfijning, vorming, cultuur<br />
als verdelende beschaving van de geest. Cultus is wat bebouwd is, gekweekt, verzorgd,<br />
onderhouden. Wat in de samenleving cultus betekent, tonen mensen in hun gedrag, hun<br />
manier van leven: beschaafde omgangsvormen, fatsoenlijk taalgebruik, ontwikkeld zedelijk<br />
besef, ontplooiing van geestelijke vermogens.<br />
In relatie tot hoogwaardigheidsbekleders en tot de wereld van de goden krijgt cultus in het<br />
antiek-paganistische Latijn een religieuze lading: dienst(baarheid), huldebetoon, verering. In het<br />
patristische Latijn is cultus – om met Augustinus te spreken (De civitate Dei X1) – ‘Dei cultus’,<br />
eredienst welke uitsluitend toekomt aan God, die alleen de ware God is.<br />
2. Constanten in de liturgie<br />
Er blijken historici te zijn, die beweren dat het verleden in niets lijkt op het heden. Volgens hen<br />
zouden wij uit het verleden kunnen opmaken, dat er in de geschiedenis geen constanten zijn.<br />
Dit zou betekenen, dat er uit de historie geen lessen te trekken zijn (In de marge – Orgaan van<br />
het Pascal Instituut 15/1, pp. 44,45).<br />
Op het eerste gezicht schijnt – bijvoorbeeld – de geschiedenis van de joodse en christelijke<br />
eredienst deze opvatting te staven. In die geschiedenis heeft namelijk het liturgische gebeuren<br />
herhaaldelijk de trekken vertoond van de culturele context waarbinnen het plaats vond. Ze<br />
wisselde het voorkomen van de liturgie met de opeenvolging van de verschillende cultuurfasen.<br />
En toch, in al die verschillende verschijningsvormen blijken bij nader beschouwen duidelijk<br />
herkenbare constanten te zijn. Door de eeuwen heen vormen die constanten in wat zich<br />
afspeelt tussen aron ha-qadesj en bima, rond lezenaar en kansel, vont en mensa de inhoud en<br />
de essentie van wat gevierd wordt: het ‘mysterium fidei’. De architectuurgeschiedenis van<br />
synagoge en kerk, de ontwikkelingen in de joodse en christelijke symboliek: het is één<br />
doorlopende illustratie van constanten onder steeds wisselende gedaanten.<br />
3. Moderniteit als context<br />
Eens beheerste de ‘Grote Kerk’ het silhouet van de stad. Nu is zij als een dwerg weggedoken<br />
onder de mastodonten van banken, warenhuizen en woontorens. Met al haar historische<br />
monumentaliteit is zij temidden van het hoog oprijzend beton en glas van het moderne woon- en<br />
werkmilieu een atavistisch reliek. Eens was de theologie geëerd als koningin der<br />
wetenschappen. In de huidige universitaire centra waar bovenal de natuurwetenschappen en de<br />
economische faculteit de lakens uitdelen, is de theologie een vreemde eend in de bijt<br />
geworden. Wat in synagoge en kerk wordt geloofd, geleerd, gevierd, beleden is een<br />
‘Fremdkörper’ in de wereld van de moderniteit. Cultus en cultuur zijn in die wereld voor elkaar<br />
vreemden geworden.<br />
Enkele gedachten over cultus en cultuur 7
Moderniteit staat voor een levens- en wereldbeschouwing waarin men voorgoed afscheid heeft<br />
genomen van een christelijk verleden. Moderniteit is het ‘Gehäuse’ van de autonome mens, die<br />
in zijn ‘way of life’ en zijn ‘life style’ zijn secularistische ‘diesseitige Sitz im Leben’ tot uitdrukking<br />
brengt.<br />
Als het medium van de tv. Ons metterdaad een spiegel voorhoudt van wat er in onze moderne<br />
cultuur gaande is, dan kunnen wij daaruit aflezen hoezeer het schort aan samenhang en<br />
diepgang, aan visie en helderheid, aan geestelijk gehalte en historisch besef. De cultuur van de<br />
moderniteit doet denken aan een tombola waarin alles en nog wat, rijp en groen, het<br />
waardevolle en een hoop waardeloze rotzooi door elkaar dwarrelen.<br />
Met zo’n cultuur kan er van een wisselwerking met de cultus van synagoge en kerk geen sprake<br />
zijn. De ervaring van deze onoverbrugbare kloof kan wellicht in synagoge en kerk de waardering<br />
doen toenemen voor wat in de eredienst bestendig bleek: de constanten als bakens en bronnen<br />
voor geloofsbezinning en geloofsbeleving.<br />
4. Onder het oppervlak van de moderniteit<br />
Een toenemende mentale verwarring rond multiculturele ontwikkelingen wakker bij steeds meer<br />
autochtone landgenoten het verlangen aan naar waarden en normen, die ontsproten zijn aan de<br />
bronnen van de westerse beschaving. Met de herwaardering en herontdekking van die bronnen<br />
wordt voor hen een weg geopend naar een hernieuwd bewustzijn van hun eigen identiteit. Op<br />
die weg herkennen zij tot hun verbazing vrijwel overal in onze zogeheten geseculariseerde<br />
samenleving tal van blijkbaar onuitwisbare merktekens, die de grondslagen van een christelijke<br />
cultuur aan het licht brengen.<br />
Waar in onze maatschappij vragen over gerechtigheid en barmhartigheid rijzen, blijken bijbelse<br />
kernwoorden in het geding te zijn. Vooral in het veld van ‘spiritualiteit’ zullen zoekende zielen<br />
op hun speurtocht heel wat van die onuitwisbare merktekens tegen komen. Het zijn vooral deze<br />
merktekens waarvoor een groeiende belangstelling blijkt te bestaan. Sommigen ondernemen<br />
een pelgrimstocht naar Santiago, Iona, Taizé. Onderweg zullen zij heel wat medepelgrims<br />
ontmoeten. Anderen zoeken herstel van geestelijk evenwicht in een kloosterretraite. Weer<br />
anderen ontvangen een godsdienstige ervaring door een meditatief beluisteren van Bachs<br />
Passionen, of door een intens beschouwen van de bijbels geïnspireerde spirituele dimensies in<br />
het werk van Rembrandt en van Gogh. En hoevelen zijn er niet, die tijdens hun vakantie een<br />
historisch kerkgebouw binnenlopen en de ruimte met al wat daarin te bewonderen valt, op zich<br />
laten inwerken? Zij werden herinnerd aan de geestelijke grondslagen van hun eigen bestaan.<br />
Zo zijn in wat de ‘erflaters van onze beschaving’ ons hebben toevertrouwd, duizend-en-één<br />
mogelijkheden te vinden om aan ons geestelijk leven inhoud te geven. Is het niet bijzonder<br />
verrassend dankzij de merktekens te ontdekken, dat onder de oppervlakte van de moderniteit<br />
cultus en cultuur toch elkaar hebben vastgehouden! Niettemin is aan de oppervlakte van onze<br />
samenleving de moderniteit de culturele context waarmee synagoge en kerk vooralsnog te<br />
maken hebben. Dus blijft voor beiden de vraag bestaan hoe zij zich opstellen ten opzichte van<br />
die context.<br />
1. Aanknopingspunten voor het heden<br />
8 <strong>Lectiones</strong> 8
We hebben opgemerkt, dat – in ieder geval in de liturgiegeschiedenis – wel degelijk constanten<br />
aantoonbaar zijn. Waarom zouden die constanten met hun geschiedenis vol wisselende<br />
gedaanten geen aanknopingspunten voor het heden kunnen zijn? Zouden daarin geen<br />
suggesties kunnen schuilen waarmee wij uit de voeten kunnen bij de vraag naar onze<br />
stellingname tegenover de ‘moderne’ cultuur? Waarom niet te rade gaan bij iemand, die<br />
bewezen heeft in eigen persoon een constante te zijn? Zo iemand is bijvoorbeeld Augustinus.<br />
In de geschiedenis van kerk en christendom, ja ook in de geschiedenis van de wijsbegeerte,<br />
wordt zijn stem tot op de dag vandaag vernomen.<br />
5. Augustinus’ ‘strategie’<br />
In zijn ‘Stad Gods’ laat hij geen spaan heel van het verwijt uit de hoek van een paganistisch<br />
patriciaat, als zou Rome’s rampspoed het gevolg zijn geweest van ontrouw aan de goden. De<br />
weerlegging van dit verwijt loopt uit op een radicale afrekening met het antieke heidendom. De<br />
resten ervan jaagt hij op uit alle hoeken en gaten. Hij onttovert en ontmaskert de godenbent als<br />
waan en bedrog.<br />
Hoe bepaalt Augustinus zijn standpunt tegenover de vertegenwoordigers van de wijsbegeerte?<br />
Hij acht het vergeefse moeite om in discussie te treden met filosofen, die in hun systeem geen<br />
enkel aanknopingspunt bieden voor een gedachtenwisseling met een christendenker.<br />
Daarentegen zoekt hij het gesprek met theologisch geïnteresseerde platonisten. Maar<br />
opvattingen van sommige platonici over goden en demonen, strijdig met het bijbels getuigenis,<br />
wijst hij resoluut van de hand.<br />
Augustinus’ ‘strategie’ behelst een opmerkelijke actualiteit voor onze situatie. De kerkvader<br />
moedigt als het ware ons aan om in onze samenleving moderne vormen van op te sporen, te<br />
ontmaskeren en te onttoveren. Hij raadt ons aan tijd noch energie te verspillen aan debatten<br />
met culturele ‘trend setters’, die in geen enkel opzicht ontvankelijkheid tonen voor wat ons als<br />
gelovigen in denken en handelen ten diepste beweegt. Om te komen tot zinvolle contacten met<br />
andersdenkenden buiten de muren van de kerk richt Augustinus onze aandacht op degenen,<br />
die welbewust zich niet laten imponeren door de nieuwste vondsten waarmee de technologie<br />
onze leefwereld overhoop gooit; die zich niet laten overdonderen door het gedaver en gedram<br />
waarmee de mediareclame die leefwereld dagelijks te lijf gaat; die de lokvinken negeren welke<br />
de commercie onophoudelijk laat opgaan; die tijd en ruimte in hun leven vrij houden voor<br />
bezinning op fundamentele vragen van ons bestaan; die bezig zijn de merktekens te ontdekken<br />
van wat onder de moderniteit schuil gaat aan cultureel erfgoed.<br />
6. Een vergelijkbare situatie<br />
De actualiteit van Augustinus’ ‘strategie’ hangt samen met punten van overeenkomst tussen de<br />
positie waarin wij ons bevinden, en die waarin lang geleden de kerkvaders verkeerden. De<br />
patres zagen zich gesteld voor een drievoudige opdracht. Als herders en leraren trachtten zij<br />
met hun doopkatechese de gelovigen te onttrekken aan de ingeroeste heidense leef- en<br />
denkpatronen. In hun preken brachten zij de gemeente het bijbelse ABC bij. Zij deden dat in<br />
hun taal, die het kerkvolk sprak en verstond. Al doende ontwikkelde zich een idioom waarin<br />
woorden een nieuwe betekenis kregen, geïspireerd door de Bijbel en het geloof. Als geleerden<br />
kruisten zij de degens met vertegenwoordigers van de verschillende wijsgerige scholen. Ook in<br />
het academische dispuut sloten zij zich aan bij het gangbare wijsgerige taalgebruik, als middel<br />
Enkele gedachten over cultus en cultuur 9
waardoor hun verdediging van het christelijk geloof voor hun heidense gesprekspartners<br />
verstaanbaar zou zijn. Als hoeders van de apostolische traditie waren zij geroepen om in<br />
overeenstemming met elkaar (consensus patrum) de rechte leer te handhaven, allerlei wind van<br />
leer te weerleggen en uit de kerk te weren.<br />
Wie vandaag zich geroepen weten om voor te gaan in een christelijke geloofsgemeenschap,<br />
zullen daarin menigeen aantreffen, die in verwarring is gebracht, niet alleen door de<br />
secularistische ‘Umwelt’, maar bovendien door een religieuze relativisme ten gevolge van wat<br />
aangeprezen wordt als multiculturele samenleving.<br />
Evenals destijds de patres zullen die voorgangers zich gesteld zien voor een drievoudige taak.<br />
In de eerste plaats zullen zij in hun pastoraat zich erop toeleggen om de gemeente te<br />
onttrekken aan de leef- en denkpatronen van het secularisme. Zij zullen de gemeenteleden<br />
bewust willen maken van het klassiek-christelijk belijden, hen wegwijs maken in het labyrinth<br />
van ‘geestelijke stromingen’, die zich in het aanbod van de relimarkt aandienen. Zo wordt de<br />
gemeente opnieuw bepaald bij het bijbels ABC. Bij vont en mensa leert zij in verwondering de<br />
werkelijkheid te beleven van wat zij gelooft. Zo’n mystagogische taak vereist een taalgebruik,<br />
dat het volk kan volgen. Tegelijk kan het een voertuig zijn waardoor de woorden worden<br />
gevonden, die passen bij de viering van de geloofsgeheimen.<br />
In de tweede plaats zullen er christendenkers moeten zijn, die vertrouwd met de ontwikkelingen<br />
in de moderne wijsbegeerte en wetenschap, in staat zijn om het christelijk geloof in voor nietgelovige<br />
wetenschappers verstaanbare termen te vertolken.<br />
In de derde plaats komen de theologen aan bod. Van hen mag worden verwacht, dat zij de<br />
wezenskenmerken van het christelijk geloof overzichtelijk en helder zullen profileren tegenover<br />
westers secularisme, niet-westers multiculturalisme, ja vooral ook tegenover de islam.<br />
De mosliminvasie in het zogeheten ‘postchristelijke’ cultuurgoed betekent een complicerende<br />
factor, die heel wat problemen veroorzaakt en vragen oproept. Wie aan een christelijke<br />
geloofsgemeenschap leiding geven, zullen een grondige kennis van de islam-in-heden-enverleden<br />
zich eigen moeten maken. Zo’n kenniservaring onderstelt contacten met ter zake<br />
kundige moslims. Maar zullen die contacten ooit leiden tot een dialoog? Moslims zien in de<br />
islam een ultieme profetie en openbaring. Zij beschouwen joden en christendom als<br />
gepasseerde stations, achterhaald, verouderd, zonder toekomst. De islam impliceert een<br />
onvoorwaardelijke afwijzing van vrijwel geheel het klassiek-christelijke credo. Dit categorisch<br />
‘nee’, gevoegd bij het moslimse superioriteitsgevoel, maakt het onmogelijk om te komen tot een<br />
vruchtbaar godsdienstgesprek. Misschien moeten wij, wat het verkeer met de islam betreft, ons<br />
vooralsnog houden aan Augustinus’ raad om tijd noch moeite te verspillen aan vruchteloze<br />
debatten.<br />
10 <strong>Lectiones</strong> 8
De geest van de liturgie<br />
Een boek van de theoloog Dr. Joseph Kardinal Ratzinger<br />
Geestelijke leiding door Paus Benedictus XVI<br />
<strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong>, 30 januari 2006<br />
Joop Zuur<br />
Inleiding<br />
Nadat kort geleden Eredienstvaardig een terugblik gaf op de liturgische betekenis van de pas<br />
1<br />
overleden Paus Johannes Paulus II, mag nu, niet lang na het aantreden van Paus Benedictus<br />
XVI een vooruitblik worden gegeven op diens betekenis voor de liturgie, aan de hand van het<br />
boek dat hij daar over heeft geschreven. 2<br />
Blijkens de inleiding van dit voor het eerst in 2000 verschenen boek van de huidige paus gaat<br />
het om de vernieuwing van de liturgie. Hij gaat op zoek naar de geest van de liturgie omdat hij<br />
voor alles vernieuwen wil. We mogen dankbaar zijn dat de paus dat met zoveel woorden zegt,<br />
want op andere wijze viel dat nog niet zo op. Maar hij wil – net als vroeger Guardini met een<br />
boek onder dezelfde titel – komen tot een vernieuwd verstaan van de liturgie door tot haar<br />
wezen door te dringen.<br />
Behalve vernieuwend is de paus ook speels. Er zit in de liturgie iets onopzettelijks dat<br />
onttrokken is aan de dwangmatigheid waarmee in het dagelijkse leven doelen worden<br />
nagestreefd. Maar zoals kinderen ondoelmatig het dagelijkse leven naspelen, zo grijpt de<br />
liturgie vooruit op het eeuwige leven op een kinderlijke, ondoelmatige manier. Het doet denken<br />
aan wat jaren geleden Jan Wit (of was het Frits Mehrtens) het zei: je doet aan liturgie, om toch.<br />
De theologische methode die de paus hanteert is dat hij steeds redeneert van het kosmische,<br />
naar het Oude Testament en dan naar Jezus Christus en het Nieuwe Testament toe. Het natuur<br />
en genade schema is onvermengd en onveranderd.<br />
Het boek is ingedeeld in vier delen.<br />
Het eerste deel: over het wezen van de liturgie<br />
Het eerste deel gaat over het wezen van de liturgie. De eerste paragraaf behandelt de<br />
samenhang van de plaats van de liturgie en de werkelijkheid van het aardse leven. Op een<br />
bijzonder levendige manier laat hij zien hoe Mozes Farao provoceert. Als Farao op een<br />
gegeven moment een verregaande bereidheid tot een compromis toont, is Mozes<br />
compromisloos. Eerst mag het volk God dienen, hier in het land. Maar Mozes maakt duidelijk<br />
1<br />
Evert de Jong, Paus Johannes Paulus II en de liturgie, Eredienstvaardig,<br />
tijdschrift voor liturgie en kerkmuziek, 21/3, juni 2005, 84-87<br />
2<br />
Joseph Kardinal Ratzinger, Der Geist der Liturgie, eine Einführung, Freiburg –<br />
6<br />
Basel – Wien, 2002 (2000)<br />
De geest van de liturgie 11
dat volgens het bevel van YHWH een uittocht nodig is om Hem te dienen. Het moet in de<br />
woestijn gebeuren. En de eisen worden steeds strenger. Niet alleen de mannen, ook de<br />
vrouwen en de kinderen moeten mee. Ook al het vee moet mee.<br />
Als het gaat om de liturgische ruimte komt het beloofde land hier nog niet in beeld. Het gaat om<br />
het dienen van YHWH in de woestijn. Maar er wordt bij de Sinay wel vooruitgegrepen op het<br />
beloofde land. In het beloofde land gaat het ook om niets anders dan het rechte dienen van<br />
God in de samenhang van cultus, recht en ethos, waar het in de Torah om gaat. Recht is<br />
gefundeerd in de moraal en beide zijn ze in de cultus gefundeerd. Waar moraal en recht niet<br />
gefundeerd is in God, degradeert de mens. Daarom is de Sinay niet te zien als een<br />
tussenstation maar geeft reeds de binnenkant van het land. Sinay blijft in het land present. Als<br />
de band met de Sinay in het land verloren gaat, gaat het land zelf verloren en gaat het volk in<br />
ballingschap. Exodus is de ‘canon in de canon’ van de bijbel. Het gaat in de liturgie om de<br />
werkelijkheid van God, zonder welke geabstraheerd wordt van degene in wie wij leven en ons<br />
bewegen, om met Hand. 17, 28 te spreken.<br />
Liturgie is gebaseerd op openbaring, waarin God ook meedeelt op welke wijze Hij gediend wil<br />
worden. Mozes kon dat in Exod. 10, 26 nog niet aan Farao vertellen, maar daarvoor moest ook<br />
de hele veestapel mee. Als God zich niet vertoont zit er niks anders op dan een altaar te<br />
bouwen voor de onbekende God. Liturgie moet aan openbaring ontspringen, er is geen ruimte<br />
voor fantasie en creativiteit in de liturgie. Dat ziet Ratzinger als het grote kwaad van de zonde<br />
met het gouden kalf. Dat is geen terugval in het heidendom, de apostasie is subtieler.<br />
Schijnbaar blijft men uitgaan van de God van de uittocht, en zo verwoordt Aäron dat ook.<br />
Ratzinger veronderstelt dat het dienen van YHWH bij het gouden kalf ook ging volgens het<br />
voorgeschreven ritueel, al concretiseert hij dat helaas niet. Maar de apostasie is dat er toch een<br />
godsbeeld wordt vereerd, en daarmee maakt de mens God aan zich ondergeschikt. Zo versta ik<br />
het tenminste als de paus een paar keer zegt: “der Mensch gebraucht Gott.” De dans om het<br />
gouden kalf ziet hij als banale zelfbevrediging.<br />
In het tweede hoofdstuk van het eerste deel gaat de paus in op de samenhang tussen liturgie,<br />
kosmos en geschiedenis. Hij wijst de gedachte af, als zou het hier gaan om twee tegengestelde<br />
typen, zoals de godsdienstfilosofie dat suggereert. Ook de kosmos heeft een intrinsieke<br />
geschiedenis, en gaat op een finaal doel af, beweert hij zich baserend op de geschriften van<br />
Teilhard de Chardin. En alle godsdiensten, ook de christelijke, kent de samenhang van cultus<br />
en kosmos. Hij staat daarbij vooral stil bij de betekenis van de sjabbat: het visioen van de<br />
vrijheid. Slaaf en heer zijn op deze dag aan elkaar gelijk. De sjabbat wordt tot teken van het<br />
verbond tussen God en mens. Dat verbond is het doel van de schepping. De sjabbat maakt de<br />
schepping tot de ruimte van de aanbidding.<br />
Ratzinger ziet een samenhang tussen het begin van Genesis en dat van Exodus. Zevenmaal<br />
wordt gezegd dat Mozes deed wat de Heer bevolen had, waarbij de bouw van de tabernakel als<br />
‘Nachbild’ geldt van de 7 dagen van de schepping. De vertelling van de inrichting van de<br />
tabernakel (Ratzinger noemt die trouwens consequent ‘tempel’) eindigt met de voltooiing van de<br />
12 <strong>Lectiones</strong> 8
tent, zoals de sjabbat de schepping voltooit. Het proces van de schepping, waarbij elementen<br />
worden gescheiden zodat uit chaos kosmos wordt, wordt tot grondpatroon voor de<br />
heilsgeschiedenis, dat wil zeggen verkiezing, scheiding tussen rein en onrein, de schepping van<br />
het verbond zonder welke de kosmos een leeg bouwwerk. Zo staan schepping en geschiedenis,<br />
en beide in samenhang met de cultus, in wisselwerking. Schepping wacht op het verbond en<br />
het verbond voleindigt de schepping en beweegt zich niet naast haar.<br />
Wat gebeurt er in de aanbidding? De kern van de cultus is het offer, die niet als verwoesting<br />
maar als vereniging van de mens en de schepping met God zelf. De paus gebruikt hier het<br />
woord Übereignung, waarmee hij bedoelt dat mens en schepping, zich aan God aanbieden<br />
vanuit de toewending van God tot zijn schepping. Uiteindelijk loopt het er op uit dat God alles in<br />
allen wordt, 1 Kor. 15, 28. Daarbij knoopt hij aan bij grondgedachten van Teilhard de Chardin,<br />
en grenst hij het christelijk geloof scherp af van de gnosis. Niet het onderscheiden zijn van<br />
Schepper en schepping is het probleem, want dat is juist iets positiefs. Gods daad van<br />
schepping is een daad van vrijheid waarin Hij iets tegenover zichzelf wil laten zijn. Offer is<br />
inkeer in de liefde, en daar een tot zichzelf komen van het schepsel. Offer neemt het element<br />
van de heling in zich op, waarbij de erfzonde overwonnen wordt. Hij grijpt terug op kerkvaders<br />
die het beeld gebruiken van de herder die het verloren schaap terug brengt. Voor hen is dat de<br />
logos zelf, die de schepping draagt in de verzoening en terugbrengt bij God. Het offer neemt de<br />
vorm aan van het kruis van Christus, die zich in liefde geeft tot in de dood. Dat is geen daad van<br />
zelfvernietiging, maar van nieuwe schepping, die de schepping tot zichzelf brengt.<br />
Het derde hoofdstuk van het eerste deel gaat over de overgang van het Oude naar het Nieuwe<br />
Testament, of wel de door het bijbelse geloof bestemde grondvorm van de christelijke liturgie.<br />
Hij knoopt aan bij de offergedachte, waarbij niet het eigenlijke maar een plaatsvervanger<br />
(‘Ersatz’) wordt gegeven. Als verschil tussen Israël en de volken noemt hij wie het adres van het<br />
offer is. Bij de volken is dat nog niet de godheid zelf, maar machten en demonen in het<br />
voorportaal van waar de godheid huist. Bij Israël geldt het offer wel God zelf.<br />
Dat het offer bedoeld is als ‘vervanging’ (Ersatz) wordt heel duidelijk in Gen. 22, waar Abraham<br />
wordt verboden wat aanvankelijk de opdracht was, namelijk om zijn zoon te offeren. We zien<br />
hier de grondgedachte bij alle offers, namelijk dat God die zelf geeft. Het offer is niet iets wat wij<br />
aan God geven, maar wat God aan mensen geeft, zodat zij een manier van de rechte omgang<br />
met Hem hebben. Die lijn wordt doorgetrokken in het Nieuwe Testament, waar Christus als het<br />
geschonken Lam wordt getekend.<br />
Het Paaslam, in Ex. 12 het centrum van het godsdienstige jaar van Israël, is de vervanging van<br />
de eerstgeborene die voorkomt dat die in Israël gedood wordt. Het wordt tot teken van heiliging<br />
van de mens en de schepping als geheel. Alles wordt vertegenwoordiger, de eerstgeborene<br />
vertegenwoordigt Israël, Israël vertegenwoordig de volken en dus de hele schepping. De<br />
geboorte van Jezus als eerstgeborene moet tegen die achtergrond worden verstaan. het gaat<br />
ook iet om het offer op zich maar waar het voor staat, de gehoorzaamheid als heiliging. De<br />
profetische kritiek op de offerdienst, die al in 1 Sam. 15, 22 begint, moet tegen die achtergrond<br />
De geest van de liturgie 13
worden verstaan. Zo is de cultus de kern van de rechtsorde en van het zedelijk onderricht in<br />
Israël.<br />
Ook in het Nieuwe Testament ligt op dit punt de kern van de christologische kwestie. De<br />
kernvraag: wie is Jezus, is in de grond de vraag naar het rechte aanbidden van God. Jezus<br />
heeft – anders dan in het proces tegen Jezus geuit wordt – nooit gezegd dat Hij de tempel zal<br />
afbreken en binnen drie dagen een nieuwe bouwen, Hij heeft geprofeteerd dat zijn aanklagers<br />
dat zouden doen. Met zijn opstanding begint dan de nieuwe tempel als het lichaam van<br />
Christus. het geheim van het geofferde en juist zo levende lichaam van Christus wordt in de<br />
eucharistie aan de gelovigen meegedeeld. De zogenaamd tempelreiniging is dan ook niet een<br />
correctie op onrechtmatige praktijken, maar de aankondiging van het ophouden deze vorm van<br />
aanbidding van God als zodanig. Vanaf nu zal God worden aanbeden in geest en waarheid, en<br />
dat wordt nu universeel.<br />
De kern van de eucharistie ziet Ratzinger in het eucharistische gebed, dat vanaf de kerkvaders<br />
oratio wordt genoemd. Het gaat om een woordoffer. Dit sluit aan bij tendensen in het Oude<br />
Testament, waarbij een gebroken geest als teken van boetvaardigheid belangrijker is dan het<br />
offer. Toch maakt Ps. 51 ook duidelijk dat als eenmaal aan die voorwaarde is voldaan er ook<br />
weer brandoffers en slachtoffers gebracht mogen worden.<br />
Ratzinger ziet in de eucharistie een voorvorm, anticipatie van de liturgie van de toekomst,<br />
waarin God alles in allen is. Het gaat centraal om de aanbidding in de oratio, waarbij het gebed<br />
is opgenomen in het gebed van de mens Jezus, die zijn armen uitbreidt aan het kruis naar de<br />
wereld toe, om die in liefde in zich op te nemen. Op die manier is het gebed van Jezus<br />
versmolten in de innertrinitarische dialoog. (41) De christelijke eredienst kan dus niet een<br />
verchristelijkte vorm van de synagogale liturgie zien, hoeveel de kerk ook aan de synagoge te<br />
danken heeft.<br />
Maar als de logikè latreia (Rom. 12, 2) de binnenste kern van de christelijke liturgie is, komt<br />
daar alles samen. De geestelijke beweging van het Oude Testament komt samen met de<br />
innerlijke reiniging die in de godsdienstgeschiedenis gebeurt. Menselijk zoeken en goddelijk<br />
antwoord komen samen in de menswording van de logos. Daarom kan het woord eucharistia<br />
als dankzegging voor de menswording, kruis en opstanding van Christus, als ‘Kurzformel’<br />
gelden van de logikè latreia. (42)<br />
Het tweede deel: tijd en ruimte van de liturgie<br />
Het tweede deel van het boek van Ratzinger gaat over ruimte en tijd van de liturgie.<br />
Het eerste hoofdstuk over de voorvragen is een klassiek heilshistorisch stuk, waarbij alles<br />
anticipatie is. De verhouding OT / Nieuwe Testament wordt gevat in het schema van schaduw<br />
en werkelijkheid, de verhouding kerk en koninkrijk wordt gezien in de termen vervulling en<br />
hemelse realiteit. De toekomst wordt als het heden binnengebracht, zonder te verdampen tot<br />
een ‘realised eschatology’. Ook nu legt de paus weer verband tussen ritus en existentiële<br />
werkelijkheid, en hij herinnert er aan dat de oude kerk het martyrium als een werkelijke<br />
eucharistieviering heeft gezien. Het gaat er om dat het ‘semel’ (eenmaal, eph’ hapax)) van het<br />
14 <strong>Lectiones</strong> 8
offer van Christus tot ‘semper’ wordt: het offer is pas een geheel, als de wereld de ruimte van de<br />
liefde wordt.<br />
In het tweede hoofdstuk gaat de paus in op de heilige plaatsen en spreekt hij over de betekenis<br />
van kerkgebouwen. Als Christus voor de Vader staat voltrekt zich in Hem de cultus, waarin Hij<br />
met de zijnen samenkomt. De cultus voltrekt zich waar mensen samenkomen. De kerk is het<br />
samen geroepen volk van God, en de paus wijst dan ook op de samenhang van de woorden<br />
synagoge, ecclesia, en convocatio. De kerk gaat volgens Matt. 23, 2 op de synagoge terug<br />
omdat een rabbi nooit op eigen gezag spreekt, maar het woord van God analyserend en<br />
reflecterend representeert. Daarom is er verband tussen de heilige Arke, waar de Torah<br />
opgeborgen wordt, en de ark van het verbond in het binnenste heiligdom van de tempel. Sterk<br />
legt Ratzinger verband tussen de verbinding van de cultus van de tempel – waar de offers<br />
worden gebracht – en de woordliturgie van de synagoge, waar ze in de voorlezing worden<br />
gerepresenteerd. Hij ziet in het offer zo een wezenlijke constante doorwerken in de<br />
godsdienstige ruimte van christenen.<br />
Vier nieuwe dingen ziet hij ook.<br />
1. De oriëntatie van de kerk is niet meer de blikrichting op Jeruzalem, maar – universeel<br />
– op de opgang van de zon: het oosten. Het kosmische element treedt naar voren.<br />
2. Eucharistie is gelijktijdig worden met de daad van aanbidding van Jezus, deelhebben<br />
aan het Pascha als overgang van de wereld naar God toe, die Christus in zijn offer<br />
geopend heeft. Het altaar tegen de oostelijke wand is als het ware de plaats waar de<br />
hemel opengescheurd is. Ze sluit de kerkruimte niet af, maar opent de ruimte van de<br />
eeuwige liturgie.<br />
3. Vanwege het samengaan van Torah en evangelie in de christelijke eredienst wordt de<br />
plaats van waaraf Mozes gelezen wordt – de bima – de plaats van waaraf de bisschop<br />
het evangelie leest en uitlegt. De cathedra van Mozes wordt de stoel van de bisschop<br />
van waaraf – in de stijl van Mozes – ex cathedra gesproken wordt.<br />
4. Een bijzonder belangrijk onderscheid tussen kerk en synagoge ziet de paus daarin, dat<br />
in Israël slechts de aanwezigheid van mannen constitutief was voor de eredienst. In de<br />
kerk van Christus geldt het onderscheid tussen mannen en vrouwen principieel niet.<br />
Ook als de openbare dienst des woords niet aan vrouwen werd toevertrouwd, waren ze<br />
niettemin toch “genau wie die Männer in den Gottesdienst als ganzes einbezogen.”<br />
(64)<br />
Het derde deel: kunst en liturgie<br />
Ik sla nu heel veel over wat eigenlijk wel belangrijk is. Maar het slothoofdstuk bevat een aantal<br />
belangrijke dingen die ons echt moeten bezig houden.<br />
De geest van de liturgie 15
Over de heilige tijd nog dit: de paus begint met tijd als kosmische realiteit. De kringloop van de<br />
aarde om de zon, de tijd van uur tot uur, de dag van de morgen tot de avond, de kringloop van<br />
de seizoenen, de tijd van de planten en de jaarringen van de bomen geven aan dat de kosmos<br />
en de dingen daarbinnen hun eigen tijd hebben. Dit alles is in de liturgie op een eigensoortige<br />
manier aanwezig. De biddende mens is op het oosten gericht en zo op het paasgeheim van<br />
Jezus Christus. Van daaruit analyseert hij de scheppingsdagen van Gen. 1 en pas van daaruit<br />
komt hij bij de zondag als de eerste dag van de week, dag van Jezus’ opstanding. En pas van<br />
daaruit komt hij op de opstanding en het kruis als ‘het uur’ van Jezus. En van daaruit ontwikkelt<br />
hij de drie feestkringen van het kerkelijk jaar.<br />
Heel kort nu wat Ratzinger schrijft over de functie van de kunst en het vraagstuk van beelden.<br />
Hij wijst nadrukkelijk elke opvatting af die in de beelden meer wil zien dan een didactisch<br />
element. Beelden willen informatief zijn en kunnen niks meer zijn. Zo ziet hij in de<br />
oudchristelijke kunst, die later verder werkt in de Byzantijnse kunstvormen, het mysteriekarakter<br />
uit de antieke wereld, waardoor ze een sacramentele betekenis krijgen. Het concilie van Nicea<br />
ziet de iconenverering als een loochening van de incarnatie en zo de Summa van ketterijen.<br />
Het vierde deel: liturgische vormgeving<br />
Het vierde en laatste deel gaat over de liturgische vormen. Het eerste hoofdstuk gaat over de<br />
ritus, waarvan de kern omschreven wordt als het rechte aanbidden van God. Het is het<br />
meebidden en mee zijn in de Paasweg van Jezus, het mee voltrekken van zijn eucharistia, in de<br />
weg van het kruis die gaat van incarnatie tot opstanding. Zo opgevat houdt ritus meer in dan<br />
liturgie, het is een bepaalde manier van theologie beoefenen, namelijk in de vorm van geestelijk<br />
leven en in de vormden van rechtsorde van het kerkelijk leven. Ratzinger onderscheidt vier<br />
grote liturgische overleveringskringen. Hij gaat uit van Canon VI van het concilie van Nicea<br />
(325), die drie primaatzetels noemt: Rome, Alexandrië en Antiochië. Dat waren allemaal<br />
plaatsen die met de Petrustraditie in verband stonden. Ratzinger relativeert dat gegeven door te<br />
zeggen dat ons dat nu niet bezig hoeft te houden (2000), ondertussen heeft hij het wel gezegd<br />
(138). Spoedig kwam Byzantium daar bij. Er ontstond een nauwe band tussen Rome en<br />
Alexandrië en Byzantium en Antiochië anderzijds. Antiochië is de oorsprongsplaats van het<br />
heidenchristendom, de eerste plaats waar de volgelingen van Jezus christenen werden<br />
genoemd en de hoofdstad van Syrië. Daardoor hoort het binnen de taalruimte waar de<br />
openbaring is ingegaan. Uiteindelijk groeien de vier primaatzetels liturgisch uit tot de twee<br />
hoofdstromen van de christelijke kerk, namelijk Byzantium en Rome.<br />
Het behoort tot de ritus dat er een diachronisch moment is, het bidden met de vaderen en de<br />
apostelen, en een locaal moment, van Jeruzalem naar Antiochië, Rome, Alexandrië en<br />
Constantinopel. Riten zijn daarom niet de vrucht van inculturatie, hoezeer ze ook elementen uit<br />
de cultuur in zich opnemen, maar gestalte van de apostolische overlevering in haar ontvouwing<br />
in de grote traditieruimten. (141)<br />
16 <strong>Lectiones</strong> 8
De eerste duizend jaar was er nog een wederzijdse bevruchting van de oosterse en de<br />
westerse kerk, na de splitsing, als gevolg van het petrinische gezag, kon dat niet meer (142).<br />
Dat betekent niet dat de paus een absolute monarch is, al kon dat na Vaticanum I zo lijken. De<br />
volmacht van de paus is gebonden aan de overlevering van het geloof en hij oefent zijn ambt<br />
ook in liturgische zaken uit als deemoedige dienaar van de rechte ontwikkeling van de liturgie<br />
vanuit haar blijvende integriteit en identiteit (143).<br />
Het was de tragiek van de Lutherse Reformatie dat het gebeurde in een tijd waarin juist de ritus<br />
van de kerk “weitgehend verdeckt und unverstanden war.” (144) Ondanks zijn nadruk op de<br />
Schrift alleen heeft Luther de geldigheid van de oudchristelijke belijdenissen nooit bestreden.<br />
Hij heeft hier een spanning laten bestaan die het grondprobleem van de reformatie is geworden.<br />
De Schrift is volgens Ratzinger alleen de Schrift wanneer zij leeft in het subject van de kerk.<br />
Daarom is het onjuist om de liturgie in de Schrift te verankeren. Wie dat doet, verankert de<br />
liturgie in exegese als menselijke subjectieve werkzaamheid. Dan verwissel je geloof met een<br />
mening. De liturgie wordt gefundeerd in mensenmening en wordt dan op zand gebouwd.<br />
Slechts respect voor de ontwikkelingsgang (Vorgängigkeit) en de ‘grundsätzliche Unbeliebigkeit<br />
der Liturgie’ kan ons geven wat we hopen: een liturgie die niet gemaakt wordt, maar<br />
geschonken.<br />
Dat houdt ook in dat creativiteit geen authentieke categorie van de liturgie kan zijn. Anders dan<br />
in de kunst gaat het in de liturgie niet om het vrije kiezen van mensen. Dan wordt ze immers<br />
leeg. In de liturgie leef je niet van de invallen van mensen, maar van de inval van God in onze<br />
wereld, waar priester en gelovige zich deemoedig aan overgeeft.<br />
Dat heeft niets te maken met verstarring, aldus Ratzinger.<br />
Natuurlijk spelen locale kleuren wel een rol. Als voorbeeld – en hij komt er later op terug –<br />
noemt hij het missaal van Zaïre. Dat is gewoon de Romeinse ritus, alleen Kongolees toegepast.<br />
Er is ook wel verschil met het klassieke Romeinse missaal, bij voorbeeld doordat men de<br />
3<br />
vredegroet wisselt voor de inzameling van de gaven, “was mir durchaus sinnvoll scheint”, 146.<br />
Het tweede hoofdstuk gaat over ‘Der Leib’ der Liturgie.<br />
Belangrijk is de ‘tätige Teilnahme’ van de gelovigen aan de liturgie. Daarmee bedoelt de paus<br />
niet dat de gelovigen zelf, bij voorbeeld in het zingen en in de responsies, een actief aandeel<br />
hebben in de dienst. Dat vindt hij een heel secundair gegeven in de liturgie (en begrijp ik hem<br />
goed mag dat wat hem betreft verdwijnen). Wat hij wel bedoelt is, dat ze zelf betrokken zijn ook<br />
in de handelingen die de priester verricht. Bij voorbeeld in het grote gebed dat de kern van de<br />
eucharistieviering is. Dat noemt men niet voor niets oratio. Het is een woordhandeling dat aan<br />
het gebed een plechtig feestelijk en openbaar karakter geeft (148) als eigenlijke handeling waar<br />
de hele schepping op wacht en waardoor de elementen van de aarde worden<br />
omgesubstantiëerd. De eigenlijke actie is de liturgie is het handelen van God zelf waaraan wij<br />
3<br />
In werkelijkheid noemt de paus een Congolese variant op het missale<br />
romanum wat in werkelijkheid gewoon een – zij het recente, sinds de<br />
zeventiger jaren van de vorige eeuw – anglicaanse traditie is.<br />
De geest van de liturgie 17
allen deelhebben. In deze handeling voert Hij de nieuwe schepping op en maakt zich daardoor<br />
zelf toegankelijk. Doordat God zelf mens werd, lichaam, en steeds opnieuw – in brood en wijn –<br />
als lichaam op ons toetreedt, kunnen wij, die lichamelijk leven, deel hebben aan Hem wanneer<br />
het hele gebeuren van incarnatie, kruis en opstanding, wederkomst, reëel present wordt<br />
gesteld. (in geconsacreerd brood en wijn). Het offer van de logos is al aangenomen, maar wij<br />
moeten er om bidden dat ook ons offer wordt aangenomen, dat wij zelf om zo te zeggen<br />
‘gelogiseerd’ (‘logisiert’) worden. Daarin vindt van de zijde van de gelovigen een coöperatie met<br />
God plaats. Eigenlijk is het zingen en zijn de responsies van secundair karakter. Wij worden<br />
pas helemaal actief als het ageren van onze kant ophoudt en wij ons voegen in het gebed van<br />
de priester (150). In de liturgie van het vleesgeworden woord wordt ons in brood en wijn<br />
lichamelijk uitgereikt de nieuwe lichamelijkheid van de opgestane. Daarin wordt een appel<br />
gedaan op ons lichamelijke bestaan in het leven van elke dag. De liturgie van het geloof reikt<br />
daarom boven de cultusakte uit waardoor het leven van elke dag zelf liturgisch wordt, liturgie is<br />
dienst tot verandering, omvorming (“Verwandlung”) van de wereld, 151. Het alledaagse leven<br />
wordt daardoor ‘auferstehungsfähig’, georiënteerd op het rijk van God waarvan de korte formule<br />
luidt: uw wil geschiede, zoals in de hemel, zo ook op aarde. Al vierend voegen we ons in de<br />
gang van incarnatie, kruis en opstanding waarin onze wil wordt omgevormd tot de<br />
wilsgemeenschap met God, waardoor we gericht worden op de heerschappij van de liefde, het<br />
rijk van God.<br />
Vanuit deze grondgedachten ontwikkelt Ratzinger nu een theologie van concrete riten en<br />
symbolen.<br />
Allereerst het maken van het kruisteken waarin we ons voegen in kruis en opstanding beiden.<br />
Met het kruisteken voegen we ons in de belijdenis van de drie-enige God. Het is een openbaar<br />
ja tot Hem die voor ons heeft geleden en is gekruisigd. We belijden die God die niet door te<br />
verwoesten maar door de deemoed van het lijden en de liefde regeert. Door het kruisteken te<br />
maken aanvaarden we onze doop opnieuw. Immers trekt Christus ons vanuit het kruis tot zich,<br />
Joh. 12, 32. Het kruisteken is al heel oud volgens de paus. In 1873 zijn bij de olijfberg Griekse<br />
en Hebreeuwse graftekens ontdekt uit de tijd van Jezus. Nu is het kruisteken ook een kosmisch<br />
teken, zo laat hij vanuit de geschriften van Plat (vooral Timaios) zien. Justinus Martyr heeft deze<br />
tekst bij Plato gezien en brengt haar in verband met het heilshistorische handelen in Jezus<br />
Christus. Wat Plato als wereldziel zag – in het kruisteken – wordt een teken van de komende<br />
logos, de Zoon van God. Het gaat om iets dat Plato heeft geleerd van de pythagorese traditie,<br />
die het op haar beurt weer ontleende aan het oude oosten (de wereld van Babel). De eclips uit<br />
de antieke astrologie, waarbij zonnestelsels hun beweging maken en onze zon haar baan trekt,<br />
4<br />
snijdt de baan van de aarde en zo wordt de Griekse letter chi gemaakt. (155) Het kruis van<br />
Golgotha wordt voorafgebeeld in de structuur van de kosmos. De kosmos spreekt van het kruis<br />
en het kruis van Golgotha ontraadselt de kosmos, zo zegt Ratzinger Justinus na. Zo kunnen we<br />
4<br />
Wie dit begrijpt mag het mij nog eens uitleggen<br />
18 <strong>Lectiones</strong> 8
door het teken van het kruis elkaar tot zegen zijn, en grijpt de belofte aan Abraham vooruit op<br />
Christus. Door onszelf en elkaar te tekenen met het kruis van Christus treden we binnen in de<br />
zegenende kracht van Christus en stellen anderen er onder en daardoor weer de hele<br />
schepping.<br />
Veel werk maakt de paus van het teken van het knielen en de prostratio. Het knielen komt niet<br />
uit een bepaalde cultuur, het komt uit de bijbel zelf vandaan, aldus Ratzinger. Jezus zelf heeft<br />
gebeden op de knieën en met het aangezicht ter aarde. Door te knielen stellen we ons onder de<br />
wil van God nadat we door de zondeval daar tegen in opstand waren gekomen. Knielen is een<br />
gebaar van bevrijding van de wil. Met het gezicht naar de aarde is teken van algehele<br />
onderwerping en beschikbaarheid.<br />
De paus herinnert (162) aan zijn bisschopswijding. Hij had toen een brandend gevoel van<br />
ongenoegen vanwege de grootheid van de taak en zijn eigen onbekwaamheid. Maar hij voelde<br />
zich gedragen door de litanie van alle heiligen: hij wist zich gesteund door het gebed en de<br />
aanwezigheid van alle heiligen. Eens zal alle knie zich buigen voor Hem die zichzelf ontledigd<br />
heeft en zichzelf heeft vernederd tot de dood aan het kruis, Fil. 2, 5-11.<br />
5<br />
Staan en zitten zijn beide ook gebedshoudingen. In het staan – dat moet volgens de traditie<br />
vooral met Pasen gebeuren – drukken we de overwinning van Christus uit. Staan is ook<br />
uitdrukking van bereidheid tot dienst. Een andere figuur is de zogenaamd orantenhouding, die<br />
ons vanouds bekend is uit de schilderingen op de catacomben. Het is de houding van de<br />
biddende kerk, en daarom is het een vrouwenfiguur, het bruidselement komt er in tot<br />
uitdrukking. Juist de orantenhouding maakt duidelijk dat bidden ook is het vooruitgrijpen op de<br />
komende heerlijkheid. Zitten hoort meer bij het meditatieve verinnerlijken van de schriftlezing en<br />
de preek.<br />
In al deze houdingen gaat het er om de blik op Christus te richten, zoals de Hebreeënschrijver<br />
vooral zegt, 12, 3. Het zitten in de lotushouding drukt uit het afdalen in zichzelf, de eigen ziel.<br />
Het komt uit de religiositeit van India en hoort in de christelijke liturgie niet thuis. De blik op<br />
Christus richten beantwoord aan het Oudtestamentische zoeken van het aangezicht van God.<br />
De dans hoort in de christelijke liturgie ook niet thuis. De vraag doet zich dan wel voor of de<br />
dans van David bij het overbrengen van de ark van het verbond, bij welke gelegenheid hij een<br />
fixe ruzie met zijn ega niet uit de weg ging omdat zij smadelijk gesproken had over de slavinnen<br />
5<br />
Ratzinger gaat er een beetje met een natte vinger op in, hij verwijst nergens<br />
naar bronnen waaruit blijkt hoe het in de bijbel of in de traditie van de kerk is<br />
ervaren. Dat is ook het geval bij Anselm Grün OSB / Michael Reepen OSB,<br />
Gebetsgebärden, Münsterschwarzacher Kleinschriften 46,<br />
6<br />
Münsterschwarzach 1997 (1988). Een bijbelse fundering van alle in de<br />
christelijke traditie (van liturgie en persoonlijk gebed) voorkomende vormen<br />
van gebedshouding is te vinden bij J.P. Versteeg, Het gebed volgens het<br />
Nieuwe Testament, Telosboek, Zicht op de bijbel 10, Amsterdam 1991 3<br />
(1976), 75-79<br />
De geest van de liturgie 19
ij wie David gewicht en uitstraling (kabod) wil verwerven, niet een bij uitstek liturgisch karakter<br />
droeg, hoe erotisch die dans ook moet zijn geweest. Hierbij is er aan te herinneren dat in de<br />
6<br />
protestantse traditie daar wel vormen voor gevonden zijn. Vroeger kende men zegt de paus –<br />
het in christelijke gnostisch – docetische kringen. Op de plaats van de kruisliturgie stelde men<br />
daar de dans, want lijden en kruis waren immers slechts schijn. Cultische dansen horen thuis in<br />
niet – christelijke religies waarin ze bewerend van karakter zijn, of mystieke extase uitdrukken.<br />
Geen van deze vormen beantwoordt aan de innerlijke liturgie van de liturgie die een<br />
woordkarakter heeft. Waar de Ethiopische of Zaïrese ritus dansvormen lijkt te hebben, gaat het<br />
in werkelijkheid om een ritmisch geordend schrijden (171). Soms sluit liturgie aan bij<br />
volksvroomheid, zoals in de Echternachse springprocessie. In het noorden van Chili bestaat<br />
een Mariavroomheid die gepaard gaat met dans en het dragen van maskers. De paus heeft er<br />
niet veel goede woorden voor over omdat “die Masken mir eher furchterregend erschienen.”<br />
(171) Voor het overige is er wel ruimte voor deze cultureel bepaalde volksvroomheid. Immers:<br />
“Diese Verbindung von Liturgie und heiterer Weltlichkeit (‘Krirche und Wirtshaus’) hat immer als<br />
typisch katholisch gegolten und ist es auch.” (172)<br />
Van inculturatie wil de paus eigenlijk niet weten. Ik geef een uitvoerig citaat om aan te geven<br />
wat hij er precies over zegt: “Die erste und grundlegende Weise der Inkultuation ist die<br />
Entfaltung einer christlichen Kultur in ohren verschiedenen Dimensionen: einer Kultur des<br />
Miteinander, der sozialen Fürsorge, der Achtung vor den Geringen, de Ueberwindung der<br />
Standesunterschiede, der Sorge um die Leidenden und Sterbenden; einer Kultur, die Bildung<br />
des Verstandes und des Herzens im rechten Miteinander gibt. einer politischen Kultur und eine<br />
Rechtskultur; einder Kultur des Dialogs, der Ehrfurcht vor dem Leben, usw.” (171) Hij toont veel<br />
waardering voor de verbinding in Latijns Amerika tussen het lijden van Christus en het lijden van<br />
het volk. (173) Hij denkt daarbij vooral aan de Mariavroomheid waarin het hele geheim van de<br />
menswording, de tederheid van God en het betrekken van de mens binnen in Gods eigen<br />
wezen, het wezen van het goddelijke handelen, diep ervaren wordt.<br />
Het kleed waarmee gelovigen bekleed worden mag herkenbaar worden in de kleur van het<br />
kleed waarmee de priester zich kleedt. Daarin wordt Christus zelf als opgestane herkenbaar,<br />
zoals de jongelingen in het lege graf: het kleed is wit, zoals het doopkleed, het eerste<br />
kledingstuk waarmee dopelingen bekleed worden als zij uit het water komen. Het herinnert ook<br />
aan de witte klederen uit de Openbaring (19, 8).<br />
De katholieke liturgie is liturgie van het vleesgeworden woord. De materiele elementen van de<br />
schepping doen er volop in mee. Olie, water, brood en wijn. Brood en wijn zijn typisch producten<br />
van landen rond de Middellandse Zee. Zijn ze daardoor niet cultuurbepaald? Nee, zegt de<br />
6<br />
In de jaren ’70 heeft de predikant Andries Kobus vormen gevonden voor de<br />
liturgische dans.<br />
20 <strong>Lectiones</strong> 8
kardinaal, want het zijn deze gaven van de schepping waardoor heen God onmiddellijk heeft<br />
gehandeld. Ze horen bij de eenmaligheid van het handelen van God in Christus.<br />
Kanttekingen<br />
Zo heb ik geprobeerd een paar lijnen door het boek van de paus aan te geven om de geest van<br />
de liturgie voor het voetlicht te krijgen. Ter afsluiting veroorloof ik mij een paar korte<br />
kanttekeningen.<br />
1. Taal en stijl van de kardinaal zijn voortdurend apodictisch. Er wordt eigenlijk nergens<br />
een opening geboden voor een discussie, en ook als zijn exposé niet helder is (en<br />
misschien niet helder kan zijn, bij voorbeeld als het gaat om de verhouding van de data<br />
25 maart en 25 december, 93) had een voorzichtiger schrijftrant niet misstaan.<br />
2. Meer inhoudelijk is een kanttekening bij de methode. Doen we aan de liturgie niet meer<br />
recht als we niet – zoals de paus doet – uitkomen bij het ‘uur’ van Jezus’ kruis en<br />
opstanding, maar er mee beginnen, in het kader van de verworteling in Israël? Liturgie<br />
wortelt toch in de openbaring van God, d.i. in de daden van God in de geschiedenis?<br />
Dan doet alles mee, de natuur, de jaarringen, de kosmos, maar toch wel in het kader<br />
van het heilshandelen van God. Ook in liturgicis mag gedacht worden vanuit het<br />
bijzondere naar het algemene, om met Miskotte te spreken.<br />
3. Het is werkelijk prachtig hoe de paus de klassieke heilshistorische methode heeft<br />
gedynamiseerd en gemoderniseerd. De bisschop op de cathedra is echt Mozes die<br />
van de berg afdaalt en de rabbi die onderricht geeft. De toekomst is er al in de<br />
voorfase. In de wijze waarop hij alles ziet als ‘Antipization, Vorwegnahme’, is het alsof<br />
je de protestantse tijdgenoten Moltmann en Pannenberg hoort. Blijft de vraag of zo<br />
recht wordt gedaan aan het eigen spreken van het Oude Testament, en de waarde en<br />
het gezag van het Oude Testament als bron en wortel van het Nieuwe Testament. Hoe<br />
veel aandacht de paus ook exegetisch en bijbels - theologisch heeft voor<br />
Oudtestamentische teksten en modellen, het blijft proto-euangelion en een opstapje tot<br />
Christus.<br />
4. In de verhouding bijbel en liturgie zijn nog wel een paar andere dingen te zeggen dan<br />
de paus heeft gedaan: de paus wekt toch de indruk dat we ons op het drijfzand van<br />
menselijke meningen begeven als we de bijbel als bron raadplegen. Hij ziet de schrift<br />
meer functioneren in het lichaam van de kerk. Met zijn leergezag, moet je daar dan bij<br />
denken. Alsof het gevaar van drijfzand daar niet dreigt en alsof het in het exegetische<br />
debat niet gaat om de worsteling om het verstaan van de Schrift. Kijkend naar een<br />
7<br />
boekje als van E.H. van Olst, kijkend naar het werk van o.a. Rudolf Boon is er over de<br />
8<br />
verhouding bijbel en liturgie inhoudelijk veel te zeggen. Trouwens, de paus maakt dat<br />
7<br />
E.H. van Olst, Bijbel en liturgie, een pleidoor voor het vieren, Baarn 1983<br />
8<br />
Te denken is vooral aan R. Boon, Ontmoeting met Israël, het volk van de<br />
Torah, Nijkerk 1974, en idem, De joodse wortels van de christelijke<br />
eredienst, aflevering 40 mededelingen Prof. dr. G. van der Leeuwstichting,<br />
De geest van de liturgie 21
zelf ook wel duidelijk, bij voorbeeld als hij uitlegt waarom de priester een wit gewaad<br />
draagt. Geen gereformeerde die het schriftbewijs kan verbeteren.<br />
5. Juist hier raken we ook aan het punt naar de verhouding tussen cultuur en liturgie. In<br />
de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> is dat op het ogenblik een zwaar aandachtspunt in verband met<br />
de discussie met Marcel Barnard. Maar de paus doet of die relatie er niet toe doet. In<br />
de wijze waarop hij de hoofdstroom van de geschiedenis van de liturgie beschrijft<br />
kunnen we ook een creatieve hand aan het werk zien, geleid door wel zeer creatieve<br />
invallen. In elk geval doet hij geen recht aan de verscheidenheid die binnen de<br />
liturgische traditie te zien is. De viertallen (Byzantium en Alexandrië, Rome en<br />
Antiochië) wordt al snel een tweetal en dan blijft heel snel Rome over. Dat is toch echt<br />
wat spannender gegaan dan de paus suggereert. En de invloeden van de cultuur<br />
waren toch echt groter dan de paus suggereert. De relativering van het mediterrane<br />
karakter van de stoffelijke elementen in de symbolen, riten en sacramenten van de<br />
kerk vanuit het heilshandelen van God aan Israël en in Jezus Christus maak ik op zich<br />
wel mee, ik zal nooit vergeten dat in mijn Asser tijd een vertegenwoordiger van de kerk<br />
in het gebied van de Stille oceaan met zijn kokosnoottheologie kwam. In verband met<br />
de verhouding liturgie en cultuur is nog wel heel wat te zeggen over kunst in de kerk,<br />
en de waarde van creatieve invallen van allerlei kunstenaars. Dat mag wel wat meer<br />
ruimte krijgen dan Ratzinger waar wil hebben, als het waar is dat mensen actief<br />
worden betrokken bij de liturgie. Dat laat onverlet dat het onmiskenbaar is dat het<br />
wezen van de daadwerkelijke deelname van de gelovige is dat ze zich voegen in de<br />
wezenlijke woorden die worden gesproken in het eucharistische gebed.<br />
6. Toch laat de paus wel zien dat inculturatie moeilijker is dan het lijkt. Waar kun je bij<br />
aansluiten? Vreekamp laat ook zien dat er elementen in de Saksische traditie zijn die<br />
9<br />
niet door het doopwater heen gaan. En het is waar dat de christelijke verkondiging en<br />
viering van het leven dingen met zich meebrengt die afgezien van welke cultuur dan<br />
ook hun onmiskenbare betekenis hebben: gemeenschapszin, zorg voor de lijdende en<br />
de zwakke. Dat brengt de christelijke traditie zelf met zich mee. De vraag is alleen of er<br />
niet iets royaler omgegaan kan worden met de cultuur van de mensen dan Ratzinger<br />
waar wil hebben. We hebben iets te vaak gezien dat niet een bijbelse manier van<br />
leven, maar het westerse intellectualisme gaat domineren. Daar lijkt de paus in het<br />
Amsterdam 1970, waarin hij de betekenis van de gedachtenis vooral vanuit d<br />
joodse traditie centraal stelt. Heel fundamenteel is zijn verworteling van de<br />
kerk in Israël in zijn boek Op zoek naar de identiteit van de kerk, Nijkerk 1970.<br />
Geheel en al op exegese gebaseerd is de studie van G.N. Lammens, Tot zijn<br />
gedachtenis. Het commemoratieve aspect van de avondmaalsviering,<br />
Kampen 1968<br />
9<br />
Hendrik Vreekamp, Zwijgen bij volle maan. Veluwse verkenning van Edda,<br />
Evangelie en Torah, Zoetermeer 2003<br />
22 <strong>Lectiones</strong> 8
geheel geen oog voor te hebben. Dat laat onverlet dat de paus vanuit de traditie van<br />
de kerk kernzaken aan de orde stelt die zich niet laten negeren.<br />
7. Ten slotte: volgens de paus voegt de liturgie zich in het corpus Christi en is er geen<br />
ruimte voor creativiteit en fantasie. De praktijk van de gemeente is dat er altijd<br />
creativiteit en fantasie is, die mede bepalend is voor de liturgie. Ratzinger is hier erg<br />
rigoureus. Onze tijd heeft de neiging naar de andere kant rigoureus te zijn: wat hebben<br />
we met de traditie te maken, wij kunnen de liturgie zelf uit vinden. De liturgische<br />
beweging botst iedere keer op tegen het individualisme en eigengereidheid die de 20 ste<br />
eeuw te zien gaf, als gevolg waarvan de traditie in het geheel geen rol meer speelt. In<br />
onze tijd is dat het hardst zichtbaar in de evangelische beweging, die van geen traditie<br />
wil weten wat de liturgie betreft. Hier liggen vragen, die niet beantwoord kunnen<br />
worden zoals de paus dat doet, maar ik stel voor hem als gesprekspartner aan te<br />
houden.<br />
Er is meer te zeggen. Ik laat het hierbij.<br />
De geest van de liturgie 23
Inleiding<br />
DE NOODZAAK VAN DE PREEK<br />
Om het levende Woord – deel 10<br />
door Roel de Meij Mecima<br />
Tegen de achtergrond van de steeds luider wordende discussie over het bestaansrecht van de<br />
preek en de daaruit blijkende vervreemding, gaan de diverse bijdragen in dit nummer in op de<br />
vraag wat in bijbels perspectief onder een preek zou mogen worden verstaan. De<br />
langzamerhand ingeburgerde opvatting dat wij in de preek te maken zouden hebben met een<br />
algemeen communicatiemiddel – religieus al dan niet – wordt door verschillende schrijvers<br />
onder kritiek gesteld. Daarbij wordt gepoogd om het fenomeen ‘preek’ tot zijn bijbelse<br />
oorsprongen terug te leiden en haar intentie en heilsmacht opnieuw voor het voetlicht te<br />
brengen.<br />
N. T. Bakker - Het wonder van de prediking<br />
DE KRACHT VAN HET KERUSSEIN<br />
In van Dale’s groot woordenboek wordt onderscheid gemaakt tussen ‘preken’ en ‘prediken’.<br />
Preken is het houden van een rede, die op de kansel voor een vergaderde gemeente gehouden<br />
wordt ter godsdienstige onderwijzing, vermaning of vertroosting. Prediken daarentegen wordt<br />
meer in het bijzonder gezegd van Gods woord en het openlijk verkondigen van het evangelie.<br />
Inhoud van de prediking is globaal genomen: ‘woord van God’, ‘koninkrijk Gods’ of ‘koninkrijk<br />
der hemelen’.<br />
Grondvorm van kerkelijke prediking is het spreken en handelen van Jezus.<br />
Drie werkwoorden die activiteit van hem nader omschrijven:<br />
8. euangelizesthai = verkondigen van een (de) goede boodschap;<br />
9. didaskein = leren en onderwijzen;<br />
10. kerussein = uitroepen, als gevolmachtigde heraut aankondigen.<br />
Met deze woorden is het geheel van zijn werkzaamheid aangeduid. Zij hebben betrekking op<br />
totus Christus.<br />
Opvallend is het gebruik van het woord kerussein in het Nieuwe Testament. Voor dit verbum<br />
bestaat er in het Oude Testament geen uitgesproken parallel. Luther vertaalde met ‘predigen’.<br />
Barth is van oordeel dat de voorstellingswereld van dit woord te belast en te problematisch is<br />
24 <strong>Lectiones</strong> 8
om als vertaling voor kerussein te kunnen dienen. In de taal van de het Oude Testament en van<br />
het laat-jodendom heeft kerussein niet betekenis gehad als in het Nieuwe Testament. Volgens<br />
Barth hangt dat samen met het feit dat het nieuwtestamentische kerussein teruggaat op een<br />
factum, op een voldongen feit waar in het Oude Testament nog geen sprake kon zijn.<br />
Tussen Oude Testament en Nieuwe Testament bestaat met betrekking tot het kerussein een<br />
opmerkelijk verschil. Het Nieuwe Testament ziet niet enkel vooruit naar toekomstig gebeuren,<br />
maar blikt daarbij juist terug op een concreet perfectum in de tijd, een vervuld gebeuren, dat<br />
reeds heeft plaats gevonden en dat van daaruit vooruitblikt naar een gevuld futurum. Het schept<br />
een nieuwe tijdboog die zich uitspant tussen de tijd van Degene die reeds gekomen is en<br />
tussen de tijd van Dezelfde die weer komen zal. Voor deze dubbel gekwalificeerde tijd van<br />
Ièsous kurios bestaat in het Oude Testament geen equivalent.<br />
De gang van de oudtestamentische debarim kondigen de finale aan, lopen daarop vooruit en<br />
dragen deze reeds in zich. Deze finale is de inhoud van het nieuwtestamentisch kerussein. Het<br />
ziet terug op een afsluitend en definitief perfectum, om van daaruit voorwaarts te zien op de<br />
universele manifestatie. Kerussein is het uitroepen van het nabijgekomen Godsrijk, als factum<br />
en als factor, als finale beslissing.<br />
SURREALISTISCHE VERBEELDING<br />
Het door het kerussein uitgeroepen Wonder-in-het-midden, de aankondiging van het Godsrijk<br />
op aarde, de aanzegging van een gans andere werkelijkheid stempelt de prediking, zowel van<br />
het Oude Testament als van het Nieuwe Testament tot surrealistisch evenement.<br />
De predikheer of –vrouw moet gevoel voor fantasie hebben om zich te kunnen inleven in het<br />
surrealisme van de bijbelse verkondiging. De bijbelse debarim zijn doordrenkt met een hemelse<br />
humor, met een speelsheid en lichtvoetigheid, die surrealistisch aandoet. Je moet gevoel voor<br />
humor hebben om de zon te doen stilstaan in Gibeon en de maan in het dal Ajalon, zoals de<br />
schrijver van Jozua 10, of een engel te laten neerdalen die vervolgens op de weggewentelde<br />
steen gaat zitten vóór het graf, zoals de schrijver van Mattheüs 28.<br />
Vele preken zijn eenvoudig niet om aan te horen vanwege de quasi-moderne, liberale<br />
denkgewoonte, die het realiteitsgehalte van de verkndiging afmeet aan d eigen ervaring of wat<br />
daarvoor doorgaat. In de theologie bestaat geen fantasielozer begrip dan het begrip ‘ervaring’.<br />
Wil de tolk en getuige bij de zaak blijven, dan zal hij of zij eraan moeten wennen (en je went er<br />
nooit helemaal aan – goddank-!) dat er in de Schrift dingen gebeuren, die niet kunnen<br />
gebeuren; toestanden bestaan, die niet kúnnen bestaan, verhalen worden verteld die niet<br />
kloppen en ook niet kúnnen kloppen. Absurdissima waar kunstenaars en dichter doorgaans<br />
mee begrip voor tonen dan de zogenaamde ‘wetenschappelijke’ theologie.<br />
De noodzaak van de preek 25
GEBONDENHEID<br />
De prediking is een gebonden spreken. Zij is gebonden aan de Schrift, die op haar beurt de<br />
neerslag is van het geschiedende Woord.<br />
Ideologische drijverij en confessioneel fanatisme zijn in strijd met het wezen van de<br />
verkondiging. Deze ontsporingen treden met name dán op, wanneer de preek zich<br />
verzelfstandigt en de dienaar zijn eigen woorden in de plaats stelt van hét Woord. De preek<br />
verlaat dan de actieradius van het geschiedende Woord en gaat haar eigen winkeltje beginnen,<br />
veelal onder het vals voorwendsel dat de preek ‘dicht bij de mensen’ moet blijven, moet<br />
‘aanspreken’, begrijpelijk’ moet zijn enz. enz.<br />
WIE IS GELIJK AAN DÉZE<br />
Tot de vooronderstelling van de prediking behoort niet in de laatste plaats de leer van het èchad<br />
Adonai, de enigheid Gods. De arbeid van de prediking wordt ernstig belemmerd, indien de<br />
hermeneutische regel van het èchad Adonai niet in acht wordt genomen. De religie ligt op de<br />
loer. De preek die zich beweegt op de dynamische lijn van het èchad Adonai ademt<br />
verwondering, verbazing, ja, zelfs verbijstering.<br />
Het grandioze denkwerk van de Kirchliche Dogmatik is ontstaan uit de nood van de prediking.<br />
Het is de nood van de èchad Adonai, waarvoor de bijbel ons stelt. Wie meent daaraan voorbij te<br />
kunnen gaan, zal vroeg of laat worden opgeschrikt door een irritant en indringend stemmetje<br />
e<br />
dat blijft doorzeuren met de vraag: wat jij als mens van de 21 eeuw in vredesnaam nog in de<br />
ekklesia te zoeken of te melden hebt.<br />
Het debat om de rechte verkondiging behoort niet te worden uitgevochten in de praktische<br />
theologie, maar in de bijbelse theologie en in de dogamtiek. Over de rechte prediking beslist<br />
uiteindelijk het testimonium Spiritus Sanctie, het getuigenis van de Heilige Geest. Maar dat<br />
geeft de predikant nog niet het recht om naar believen zijn of haar verhalen op de gemeente los<br />
te laten.<br />
De dienst van het theologische onderwijs aan de prediking bestaat dan ook hierin, om, met<br />
behulp van alle mogelijke denk- en communicatiemiddelen waarover onze tijd beschikt, het<br />
onvergelijkbaar eigene van de bijbelse verkondiging in het vizier te nemen, intellectueel en<br />
emotioneel, en af te grenzen tegenover allerlei ‘wind van leer’.<br />
In de bijbel, zo zegt Miskotte, wordt over onze hoofden heengepraat, daarin gaat het alleen over<br />
God. En nu is dit de schijnbare paradox: het meer het over Hem gaat, des te meer blijkt het<br />
gaan over óns! Voor de prediking blijft het een hachelijke onderneming, het èchad Adonai te<br />
26 <strong>Lectiones</strong> 8
vertolken op een wijze, waarin Gods onthevenheid zichtbaar en tastbaar wordt juist in zijn<br />
menselijkheid en zijn menselijkheid juist als zegel op zijn onthevenheid.<br />
DE PREEK ALS MEDICIJN<br />
In de ware godsdienst noemt Augustinus de kerk van Christus een geneesmiddel voor de ziel,<br />
om haar uit de orde der tijdelijke dingen te doen opklimmen tot de eeuwige hemelse dingen.<br />
Augustinus spreekt over de functie van de kerk als medicina, als geneesmiddel. Vergelijk<br />
hiermee de prediking als medicijn tegen een virus dat de menselijke ziel tot in de kern aantast<br />
en dat zich via de globaliserende dynamiek van het kapitalisme zich als aids schijnt te<br />
verspreiden all over the world, alle normen en waarden wegvagend en verpulverend tot niets.<br />
Als tolk en getuige blijven wij bedelaars. Maar het kan zijn, dat onze armzalige preek wordt<br />
gezegend en in dienst genomen tot genezing van de volken.<br />
R. Zuurmond – De preek als exorcisme<br />
EEN ‘PROBLEEM’<br />
De preek lijdt in onze tijd een ernstig functieverlies. Mensen willen niet meer bepreekt worden.<br />
e<br />
De sociale en ideologische rol van de kerk is in de 20 eeuw overgenomen door de<br />
massamedia. De massamedia zorgen in subtiele formuleringen en door selectieve<br />
‘berichtgeving’ voor een dagelijkse uitstorting zeer autoritaire en ongehoord arrogante preken.<br />
Preek en prediking<br />
De ‘preek’ in de messiaanse gemeente stond van de aanvang af geheel in dienst van de<br />
‘prediking’, d.i. de verkondiging van het Woord, de Woord-Daad, het Daad-Woord van God. De<br />
kerken echter lijken zich soms ongeruster te maken over de vraag hoe wij meer mensen op de<br />
kerkbanken krijgen, dan over de vraag of het Evangelie wordt gediend.<br />
De prediking heeft de functie van onderwijzing, vermaning en vertroosting en exorcisme. Vraag:<br />
wat wil het zeggen dat door rechte prediking van het Woord de onheilige geesten die zich in de<br />
wereld en in de gemeente breed maken, worden teruggedrongen en uitgedreven.<br />
EXORCISME<br />
Hieronder verstaat men meestal het door middel van bepaalde woorden, gebaren of riten,<br />
bezweren van demonische machten; zowel in de zin van uitdrijving en verwijdering, als in de zin<br />
van het afwerend stellen van effectieve grenzen tegen hun eventueel hernieuwd opdringen.<br />
Exorcisme is vrij vroeg verbonden met de doop.<br />
De noodzaak van de preek 27
Prediking als exorcisme is niet bedoeld als een min of meer bewust gebruik van occulte<br />
formules in moeilijke pastorale gevallen, maar het gaat om exorceren van kwade machten als<br />
een min of meer vanzelfsprekend nevenverschijnsel van de rechte prediking. Gaat heen in de<br />
gehele wereld, verkondigt het Evangelie aan de ganse schepping……Als tekenen zullen deze<br />
dingen de gelovigen volgen: in mijn Naam zullen zij boze geesten uitdrijven…..[Marc. 16:15vv].<br />
KERUGMA<br />
Prediken in het Hebreeuws is kara = roepen, uitroepen, toeroepen [vgl. Jona 3:2]. In het Nieuwe<br />
Testament klinkt kerussein = proclameren, verkondiging – afgeleid hiervan kerugma. Horen is in<br />
het Oude Testament shama, het woord prediking in Jesaja 53:1 is hiervan afgeleid. In Grieks<br />
gaat het om akouein en afgeleide woorden daarvan. De apostelen en profeten in de Heilige<br />
Schrift prediken uit niet uit zichzelf, maar zij prediken omdat zij gezonden zijn. De apostel en<br />
profeet is zelf een angesprokene. De Heilige Schrift, als neerslag van de prediking van profeten<br />
en apostelen is eveneens prediking, waarbij de EEUWIGE het subject van de prediking is. God<br />
komt in de prediking tot ons en maakt ons daarin tot gemeenschappelijke hoorders. De<br />
gemeente is gegeven met het Woord. Het Woord predikt uiteindelijk Zichzelf en de preek is<br />
daarop niet meer dan een reflexie.<br />
MACHTEN<br />
Prediking is in de allereerste plaats gericht tot mensen: het volk Israël, de gemeente, de<br />
volkeren. Maar impliciet richt de prediking zich toch ook tot wat wij eerder ‘dingen’ zouden<br />
noemen. Niet de naakte feiten beheersen ons leven, maar vooral de geestelijke machten die<br />
zich in en met behulp van die feiten groot maken (Bonhoeffer). Dit alles sluit aan bij wat Paulus<br />
schrijft: Wij – d.i. de gemeente van Christus – hebben niet een strijd tegen bloed en vlees te<br />
voeren, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze<br />
duisternis, tegen de boze geestenwereld in de hemelstreken.’ In die strijd heeft de gemeente<br />
een geestelijke wapenrusting nodig waarvan het aanvalswapen is: ‘het zwaard des Geestes, dat<br />
is het Woord van God.’ In deze context komt het exorcisitische aspect van de prediking het<br />
duidelijkst naar voren. Ook in Genesis 1 komen we dit tegen – het scheiding maken door God<br />
tussen licht en duisternis, hemel-aarde-zee, tijd en ruimte, door het scheppend Woord der<br />
prediking.<br />
DE WERKING VAN DE PREDIKING<br />
Het woord der Prediking is in al zijn geledingen dienstbaar aan een (her)scheppend Woord,<br />
waarbij ook het exorcisme niet ontbreekt. Luther schrijft in zijn commentaar op de brief aan de<br />
Romeinen: ‘Non est nobis protectio, nisi abscondamus nos in verba, quae legimus’ = Er is voor<br />
ons geen bescherming, tenzij dat wij ons verbergen in de Woorden die wij lezen. Prediking als<br />
exorcisme, aldus Luther (o.a. n.a.v. II Tim. 3:16): ‘Ik heb het dikwijls beproefd: wanneer ik twee<br />
28 <strong>Lectiones</strong> 8
of drie hoofdstukken las, vluchtte Satan terstond, zoals hij vluchtte voor de harpspelende David.<br />
Laat u dus nooit wijs maken dat het klinkende woord geen nut heeft.’<br />
Het klinkende Woord en de klank van de muziek: uit deze beide is onze eredienst opgebouwd.<br />
En daarbij komt dat als de Geest geweken is ons geen homiletische kunstgrepen kunnen<br />
helpen en ook geen goedbedoelde communicatietheorieën, of buitengewone liturgische<br />
inzichten. Dan is het dood en weten wij niet meer te melden dan wat massamedia ons nog veel<br />
beter weet te vertellen.<br />
Prediking is het uitroepen en horen van het bevrijdend oordeel van God. De prediking zal<br />
uiteindelijk de gehele wereld uit de macht van wat de bijbel ‘boze geesten’ noemt bevrijden.<br />
Daarbij gaat over heel concrete machten in de samenleving, waarbij wij nog moeten leren de<br />
geesten te onderscheiden en te scheiden van de Geest.<br />
W. Klouwen – De gemeente onder het Woord Gods.<br />
Preek en Godswoord vallen niet per definitie samen, net zomin als Schrift en Godswoord dat<br />
doen. K. Barth – leer van de drie gestalten van het Woord. (Nederland – Miskotte – Als de<br />
goden zwijgen – Het waagstuk der prediking). Uitgangspunt: het spreken der Schriften en dat<br />
der Kerk kan niet geschieden, wanneer niet God zèlf spreekt. Anders gezegd: het geschreven<br />
mensenwoord (de Schrift) en het gesproken mensenwoord (de verkondiging) kunnen<br />
Godswoord worden.<br />
Zijn de kerkgangers die in de preek worden aangesproken wel de gemeente? Antwoord: dat is<br />
nog maar de vraag! De zichtbare gemeente kan gemeente in Christus zijn, maar dat hoeft niet –<br />
de gemeente is het werk van de Heilige Geest. De kerk kan niet zeggen ook daadwerkelijk kerk<br />
te zijn. Dat kan alleen maar een geloofsuitspraak zijn. Men kan ook niet zomaar zeggen dat de<br />
Schrift Heilige Schrift is, of dat de HEER God is. Je kunt er alleen in geloof over spreken<br />
(wanneer de Schrift zich betuigt als Heilige Schrift en de HEER zich als God betoont).<br />
Over de preek en de gemeente kan men alleen maar spreken vanuit het grote (heilige)<br />
voorbehoud dat God zelf spreekt, en dat Hijzelf ons in dat Woord ook eerst werkelijk mens laat<br />
zijn.<br />
DE PREDIKING ALS HART VAN DE GEMEENTE<br />
God spreekt en roept. En dat Hij dat doet, dat is de grond, het fundament van de gemeente. De<br />
gemeente komt niet alleen van dat Woord vandaan, heeft niet alleen in dat Woord haar midden,<br />
maar het is ook haar perspectief, het ‘doel’: daar waar het op gericht is (doordat het Woord op<br />
haar gericht is). De verkondiging is de gebeurtenis waarin God zelf wel eens aan het woord zou<br />
kunnen komen en willen komen (eredienst).<br />
De noodzaak van de preek 29
30 <strong>Lectiones</strong> 8
DE GEMEENTE ONDER HET WOORD<br />
Vraag: waarin onderscheidt de gemeente zich van publiek? Antwoord: de gemeente onder het<br />
Woord is actief betrokken bij de verkondiging (in tegenstelling tot het publiek). Door het Woord<br />
wordt de mens thuisgebracht en in de lichtkring van De Mens gesteld – doordat Hij ons in Zijn<br />
Woord naar toetrekt. Daarmee is naast het actieve karakter van het horen (door de gemeente)<br />
ook het bijzondere karakter van het spreken van de Naam naar voren gebracht als iets waarin<br />
de gemeente zich van publiek onderscheidt. Omdat Hij spreekt, en wel zó spreekt dat wij tot<br />
participanten worden, daarom is de gemeente altijd méér dan publiek, ja wezenlijk anders dan<br />
publiek.<br />
Wat betekent dit alles voor de preek? En wat voor de gemeente? En wat zegt dit over de<br />
verhouding tussen de preek en de gemeente?<br />
Voorop zij gesteld dat de gemeente en ook de preek staat onder het grote voorbehoud dat God<br />
zelf spreekt. Dat een mens het Godswoord spreekt, kan natuurlijk niet, tenzij God zelf spreekt.<br />
Dat een mens het Godswoord hoort kan ook niet, tenzij God zelf het mensenoor opent. De<br />
prediking constitueert de gemeente en de gemeente is niets anders dan gericht op het Woord,<br />
alleen op deze wijze zijn ze op elkaar gericht en stenen ze elkaar.<br />
PREEK EN VEROOTMOEDIGING<br />
De verootmoediging is een wezenlijke grondhouding in de verkondiging. Verootmoediging het<br />
uitspreken en belijden dat we het van het incident van het geschiedende Woord moeten hebben<br />
en van degene wie dat Woord uitgaat: de Naam. Verootmoediging is zo niets anders dan<br />
uiterste concentratie, opperste verwachting en diepste verlangen dat Hij die de gemeente heeft<br />
samengeroepen nu ook zelf zijn Woord zal spreken en aan het Woord zal komen.<br />
Vraag: is in de liturgische vernieuwing die de laatste jaren in grote delen van de SoW-kerken is<br />
doorgevoerd de verootmoediging niet tezeer naar de achtergrond gedrongen? Is er in de<br />
eredienst nog wel een plek waar ook het leeg-zijn, de verwachting, de deemoed en de armoede<br />
beleden wordt?<br />
HEEFT DE GEMEENTE NOG EEN OBJECTIEF KARAKTER?<br />
Is de gemeente ergens concreet aanwijsbaar? Kun je zeggen: dat is de gemeente van<br />
Christus? Antwoord: de gemeente heeft geen objectief karakter buiten het spreken van haar<br />
subject, de Naam, om. Haar objectieve karakter ligt besloten in het geheim van de Naam. Het is<br />
alleen krachtens Gods trouw dat zij is en bestaat.<br />
De noodzaak van de preek 31
De verkondiging van het Woord en de gemeente steunen op elkaar. Haal je de preek (de<br />
verkondiging) weg, dan stort terstond de gemeente in en andersom. Het Godswoord zelf is de<br />
werkelijkheid van Prediking en Gemeente.<br />
A. van Nieuwpoort – De verkondiging als opheffing van de communicatie<br />
“De preek als centraal communicatiemiddel ‘preekstoelt’ op de vooronderstelling dat een<br />
dergelijke vorm van gemeenschap in onze tijd nog een reële mogelijkheid is.” (J. Jonkers,<br />
socioloog). Deze uitspreek impliceert dat de preek achterhaald communicatiemiddel is. Wil de<br />
kerk nog een rol spelen in de toekomst. De verlegenheid rondom de preek heeft te makn met<br />
de vele vragen rondom het ambt van predikant. Volgens een kerkelijke beleidsmaker in<br />
Amsterdam heb je aan exegetische bekwaamheid weinig in een situatie waar sensibiliteit voor<br />
de omgeving, strategische competentie, leidinggevend, organiserend, communicatief en<br />
samenwerkend vermogen zijn vereist. Een ander rapport meent dat het hand over hand<br />
toenemen van overspannenheid onder predikanten zijn oorzaak vindt in een achterhaald<br />
ambtsbesef [misschien eerder te maken met een gebrek aan ‘ambtsbesef’].<br />
Vraag: gaat in de verkondiging wel om de communicatie in de gangbare betekenis van het<br />
woord?<br />
De verkondiging van het evangelie staat geheel en al in het licht van de zending van Jezus zelf.<br />
Buiten het spectrum van de bijbelse verkondiging heeft de ecclesia m.i. überthaupt niets te<br />
zeggen en te doen. Om zicht te krijgen op het wezen van de preek zullen we ons niet in de<br />
eerste plaats moeten richten op het terrein van de communicatiewetenschap, maar hebben wij<br />
ons in de eerste plaats rekenschap te geven van het geheel eigensoortige karakter van de<br />
bijbelse verkondiging.<br />
VERVREEMDING<br />
Symptomatisch voor het optreden van Jezus door het heel het evangelie heen is het onbegrip<br />
en het misverstand van de omstanders. Hij is een van ons en tegelijk is Hij volstrekt anders, is<br />
structureel bepalend voor de vorm en de inhoud van de bijbelse verkondiging. De<br />
uitgangspositie van de bijbelse verkondiging is asymmetrisch, sluit niet onmiddellijk aan bij de<br />
denk- en belevingswereld van de omstanders maar kan slechts ontvangen worden door de<br />
werking van zijn eigen uitleg.<br />
OPHEFFING VAN DE COMMUNICATIE<br />
Voorbeeld: het gesprek van Jezus met Nicodemus. Jezus spreetk formeel gezien een taal die<br />
voor Nicodemus verstaanbaar is (Hij is een van ons), maar datgene wat in zijn taal tot<br />
uitdrukking wordt gebracht is van een geheel andere orde (Hij is volstrekt anders). Als wij de<br />
32 <strong>Lectiones</strong> 8
wijze waarop Jezus Nicodemus tegemoet treedt zouden opvatten als een vorm communicatie,<br />
is het gevaar groot dat wij dit fundamentele onderscheid over het hoofd zien. Er is hier eerder<br />
sprake van opheffing van communicatie. De verkondiging van Jezus brengt de<br />
verstaanshorizon van Nicodemus op de hoogte van de werkelijkheid van de daden Gods. Daar,<br />
op die hoogte is Nicodemus’ misverstaan eens en voorgoed ten goede gekeerd.<br />
DE GESTALTE VAN DE PREEK<br />
In de kerkelijke verkondiging hebben we te maken met de derde gestalte van het Woord Gods.<br />
Er zal iets van Godswege tot klinken worden gebracht. Als we de preek losweken uit het<br />
spectrum van de bijbelse verkondiging dan zij ook lapmiddelen als alternatieve vormen van<br />
eredienst volstrekt tevergeefs. We staan vandaag voor de uitdaging om te komen tot een nieuw<br />
verstaan van de bijbelse teksten en tot een nieuwe fundering van de kerkelijke verkondiging.<br />
Asymmetrie en de uitleiding uit de staat van vervreemding<br />
Men heeft de neiging de preekvoorbereiding te laten beginnen bij de hoorders. De moet<br />
namelijk ‘overkomen’. Men loopt daarbij als predikant het risico de mond van de gemeente te<br />
willen zijn. De predikant is op de eerste plaats dienaar van het Woord. Dat wij in het Woord dat<br />
wordt verkondigd te maken krijgen met een voor onze oren hoogst vreemd en ongehoord<br />
Woord is niet een probleem, maar eerder een geweldige bevrijding. Dit Woord zoekt zijn<br />
hoorders op om die te vinden, zoals Jezus mensen opzocht om die te vinden. Er vindt daarbij<br />
een heilzame verstoring van de bestaande orde plaats.<br />
In de asymmetrie, waarvan sprake is in de verkondiging, schuilt een groot geheim: het is het<br />
geheim van de hemel. De predikant als eerste hoorder krijgt dingen te zeggen waarover hij zich<br />
zelf misschien nog wel het meest verbaast en verwondert. Voor communicatiedeskundigen is<br />
dit volstrekt onverantwoord.<br />
Vraag: Worden de hoorders werkelijk opgericht wanneer zij zondag aan zondag moeten horen<br />
wat zij ook al door heel de week heen in kranten gelezen en op televisie gezien hebben?<br />
Moeten de hoorders er werkelijk elke getuige van zijn hoe de pastor de ellende die hij de<br />
afgelopen week bij hen heeft opgehaald, op zondag weer over hen uitstort, als in een<br />
kringloopproces? Wanner wij ontkennen dat wij in de verkondiging te maken krijgen met een<br />
gestalte van het Woord Gods wordt de preek tot een kleinmenselijk moralistisch praatje. En<br />
daar hoeft de kerk toch niet voor open te blijven?<br />
25.09.05.RMM.<br />
De noodzaak van de preek 33
Vooraf<br />
MARTiN LUTHER<br />
in<br />
FILM - ORATORIUM - OPERA<br />
lezing voor de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> in Amersfoort, 27 maart 2006<br />
door Martin L. van Wijngaarden<br />
Met de aan de thema van de dag gekoppelde voorvraag:<br />
is dit goed gespeelde liturgie (als verschijningsvorm van theologie)?<br />
uitgaande van het beeld dat bij een - kerkelijk- kijker en luisteraar opgeroepen wordt.<br />
Niet om hier nu een groot theologisch exposé neer te zetten, maar meer omdat ik doorgaans<br />
redelijk alert ben op nieuwere vormen van liturgie (ook hymnologisch) in diverse media kies ik<br />
een onderwerp als dit. Ik weet dat dit grote beperkingen inhoudt; het wordt meer een registratie<br />
(iets uitgebreider dan ik in de in maart toegemeten tijdspanne kon weergeven) met daarbij enige<br />
vragen om de discussie te stimuleren over wat het nieuwe, dan wel vernieuwende, is en of er<br />
sprake is van wezenlijke toevoegingen.<br />
Insteken<br />
Razend benieuwd ben ik hoe, bijvoorbeeld in films, liturgische zaken neergezet worden. Naast<br />
reguliere vaak (trouw- en begrafenis-) scènes, die doorgaans en passant voorkomen in allerlei<br />
films met andere thema’s dan dat trouwen of begraven, kan een mens in zekere zin ook een en<br />
ander opzoeken.<br />
Een Tv-serie van de BBC, the Vicar of Dibley, is een mooi voorbeeld. De wonderbaarlijkste<br />
situaties worden geregistreerd, zij vinden plaats in een plattelandsparochie waar een<br />
vrouwelijke priester werkt samen met een kerkenraad die je geen gemeente (en ook geen<br />
predikant) wilt toewensen. Ook heb ik, toen ik lid was van de werkgroep Trouwvieringen, met<br />
veel plezier naar Rowan Atkinson gekeken in de rol van een beginnend priester (à la Mr. Bean)<br />
in Four Weddings and a Funeral. Terwijl in onze werkgroep woorden op goudschaaltjes gewikt<br />
en gewogen werden, maakte hij er maar wat van; en de stellen gingen nog gelukkig de kerk uit<br />
ook…… Vaak geef ik een kopie mee als voorbereiding bij de huwelijkscatechese.<br />
Uiteraard zijn dit voorbeelden die op (Engelse) humor en/of vermaak gericht zijn. En het zal ook<br />
geen toeval zijn dat het geschetste kerkelijke kader goeddeels Anglicaans is.<br />
Tv-registraties van Koninklijke huwelijken, begrafenissen en doopplechtigheden zouden (los<br />
van o.a. regulier IKON-, EO- en NCRV-werk) ook nog genoemd kunnen worden. Ik kan me niet<br />
aan de indruk onttrekken dat vooral die uitzendingen door velen verslonden worden als waren<br />
het films. Doch ik wil een andere lijn bewandelen. Namelijk hoe men via scenario’s en libretto’s<br />
uitgewerkte verhaallijnen liturgie (en dan niet alleen “de vorm”) een plaats geeft.<br />
34 <strong>Lectiones</strong> 8
Uiteraard is hetgeen hier volgt niet meer dan een behoorlijk persoonlijk gekleurd pilot, dat ook<br />
nog eens beperkt wordt tot Luther. In dit Mozart-herdenkingsjaar laat ik zelfs de alom bekende<br />
film als Amadeus liggen, deze heeft de vorm heeft van een raamvertelling, namelijk een<br />
1<br />
biechtgesprek . Anderzijds kan ik me echter niet voorstellen dat we met deze beperking langs<br />
alle grote tendensen heen schieten. Serieuzere werken, dan genoemde film en serie, breng ik<br />
nu ter tafel.<br />
Sinds zo’n drie jaar terug de nieuwe Lutherfilm gelanceerd werd, zijn er andere ook andere<br />
bijdragen uit de kunst, die het leven van Luther in beeld en onder het gehoor brengen,<br />
verschenen.<br />
2<br />
Er zal vast meer zijn , ik beperk mij, naast genoemde film tot een tweetal producties.<br />
1. Luther, de verfilmde biografie,<br />
2. Luther, Oratorium Andreas Hantke, teksten van Gerhard Monninger<br />
3. Luther, opera van Kari Tikka , libretto Kari Tikka en Jussi Tapola<br />
Even tussendoor: Daar ik noch film- of muziekrecensent ben, zal ik me terughoudend opstellen<br />
bij het beoordelen van de hiermee verbonden vakaspecten. Wat mij vooral interesseert is ook<br />
niet eens in de eerste plaats of het leven van Luther (of andere aspecten) al dan niet exact<br />
beschreven zijn. Mij interesseert vooral de presentatie van liturgische onderwerpen of aspecten<br />
die in deze mediums niet strikt doel in zich waren, maar wel hoe zij een plaats kregen vanwege<br />
het feit dat ze -dragend- onderdeel van het te vertellen verhaal zijn.<br />
In deze lezing (dit artikel) beperk ik mij voor de overzichtelijkheid tot de plaats van de al dan niet<br />
gebruikte Lutherliederen en de liturgi(sch)e-vormgeving.<br />
I Luther<br />
de verfilmde biografie<br />
Over de film (die globaal 25 jaren van het leven van Luther omvat: 1505/1507-1530) kunnen we<br />
vrij kort zijn. Ik lees enige aren bijeen van mijn impressies.<br />
De eerste mis van Luther, gesitueerd in het Augustijnerklooster te Erfurt, en diverse preken van<br />
hem (waar hij niet op de preekstoel staat, maar voor en tussen de banken van de kerk loopt),<br />
maken deel uit van het te vertellen verhaal. Doch deze onderdelen zijn als liturgische vormen te<br />
vrijblijvend neergezet om daar echte conclusies aan te verbinden. Dit met mogelijk een<br />
uitzondering voor het feit dat de vormgeving kennelijk bij het grote publiek op vrij eenvoudige wijze<br />
een zekere herkenning zal moeten kunnen oproepen. Deze onderdelen dragen niet bij aan het<br />
1<br />
Of de nu lopende Nederlandse theaterproductie deze opzet ook volgt heb ik<br />
nog niet kunnen nagaan..<br />
2<br />
Inmiddels blijkt sinds najaar 2005 een nieuw Lutheroratorium in<br />
voorbereiding te zijn, componist is Dietrich Lohff en het libretto wordt verzorgd<br />
door Peter Schütze. Er is mogelijk nog meer.<br />
Martin Luther in film - oratorium - opera 35
mogelijk kerkelijk karakter van deze film. Dit in tegenstelling tot de Latijnse motetten en het<br />
“gregorianiserende” gezang bij met name de leader en de aftiteling. Devotie komt ook nadrukkelijk<br />
naar voren door bidden en knielen op trappen voor aflaten, rond de reliekenverering en de dode<br />
paus.<br />
Opmerkelijk is wel dat de beeldende kunst van Cranach in de vorm van onder andere een<br />
Lutherportret al een plaatsje gevonden heeft in de later leeggeruimde relikwieënkamer van<br />
Frederik de Wijze!<br />
Net zo krijgt de muziek soms extra nadruk, zoals in een pompeus stuk bij de intocht van de paus.<br />
De enige keer echter dat Luther zelf zingt, rond zijn huwelijk met Katharina, is min of meer terloops<br />
in het Zwarte Klooster in Wittenberg. Net zoals er maar één bijbeltekst nadrukkelijk (in een voiceoverachtige<br />
wijze) geciteerd wordt, dan klinkt een citaat uit psalm 80, als gezegd wordt dat een<br />
wildzwijn (i.e. Luther) door de wijngaard van de Heer banjert.<br />
Melodieën en liederen van Luther komen nauwelijks of niet voor, of ze moeten voor mijn oor in de<br />
Hollywood-bewerkingen van de achtergrondmuziek als onherkenbaar ten onder gegaan zijn. Twee<br />
uitzonderingen zijn er echter wel te noemen.<br />
Wanneer de boerenoorlog overgaat in de entree van Katharina von Bora, dan klinkt een bewerking<br />
van “Aus Tieffer Not”.<br />
Op de vooravond van de Rijksdag te Augsburg (1530) klinkt ditzelfde lied expliciet in communitysinging<br />
en de hymne wordt door de keizer zelfs herkend…<br />
Kortom: Deze film is meer voor beginnende Luther-geïnteresseerden en dat toont zeker niet alleen<br />
de meer dan bescheiden liturgische/kerkmuzikale lijn: Keurvorst Frederik de Wijze en Paus Leo<br />
stappen maar niet in het eeuwige leven. Zij zijn daarmee wel herkenbare punten voor een kijker,<br />
doch met de werkelijke geschiedenis hadden ze soms al jaren niets meer te maken. Dit terwijl<br />
Melanchton bijna onzichtbaar is geworden. Dan laten we volledig achterwege dat sommige<br />
gebeurtenissen op volstrekt andere plaatsen gesitueerd waren. Er werd nooit een rijksdag<br />
gehouden in de feestzaal van de Wartburg.<br />
II Luther, Oratorium<br />
van Andreas Hantke<br />
Dit werk is spannend vanwege kerkmuzikale linken. Er waren desondanks via het internet nog<br />
3<br />
geen recensies aangaande de receptie ervan te vinden . De componist ervan is Andreas Handte,<br />
gediplomeerd koorleider en leider van diverse koren in München. Hij componeerde diverse<br />
werken, ook voor kinderkoor etc.<br />
Het ensemble met solobariton (Luther), verteller, strijkersensemble, piano en enige fluiten en<br />
saxofoon is niet groot. Het doet zeer denken aan een variatie op de voorraad aan instrumentalisten<br />
in een grote Duitse gemeente (waar een saxofoon een partij speelt die ook door een hobo<br />
bijvoorbeeld over zou kunnen nemen, etc). Van het koor wordt naast een behoorlijk bereik in de<br />
stemomvang wel iets verwacht vanwege de zeer onderscheiden gregorianiserende-, spreek-,<br />
fluister- en zoempassages. Een opera-achtig opgebouwd volkskoor is een extra interessante<br />
3<br />
Dd 31 –10 - 2005<br />
36 <strong>Lectiones</strong> 8
aanvulling daarbij (het vindt een plaats in de verhaallijn nadat Luther weigerde de zijn gedachten<br />
en werken te herroepen).<br />
De verstilde en ingetogen sfeer, vooral door het aandeel van de spreker en de nogal tobberig<br />
opgevoerde Luther (zelf was hij een tenor, doch deze rol wordt gezongen door een bariton), hangt<br />
goeddeels samen met de selectie van de teksten voor de onderdelen van dit oratorium. Hiervoor<br />
tekende de Münchener predikant Gerhard Monninger. De doorgaande verhaallijn volgt, na het<br />
openingskoor, de volgende geledingen:<br />
Der Student<br />
Der Mönch<br />
Die Entdeckung der Gnade<br />
Ein weltgeschichtlicher Augenblick<br />
Das Wort verändert die Welt<br />
Der Ehemann<br />
Tischgespräche<br />
Der Sterbende<br />
De gezongen onderdelen van het oratorium worden sterk verbonden met de<br />
persoonlijkheidsontwikkeling van Luther zelf; de verteller daarentegen brengt doorgaans het breder<br />
kader weer onder ogen. Desondanks zijn de in elkaar overlopende onderdelen nauwelijks te<br />
isoleren om ze bijvoorbeeld separaat te kunnen laten klinken, zoals in een kerkdienst. Mogelijk dat<br />
koordeel 7 het meeste eenvoudig als evangeliemotet in te passen zou zijn, het bezingt Markus 9:<br />
17b: Ein Mann aus der Menge sagte zu Jesus: Meister, ich habe meinen Sohn hergebracht, der<br />
hat einen sprachlosen Geist. Ein Dämon ist Herr seiner Seele. Een proef op de som in de Lutherse<br />
Andreaskerk van Rotterdam zag wel een bevredigende toepassing van koorstuk 13 (Das<br />
Evangelium ist eine Kraft Gottes, die selig macht alle, die daran glauben! Der Gerechte wird leben,<br />
weil er glaubt.) als inleiding op de Evangelielezing.<br />
Er komen enkele citaten van Luther aan de orde, onder andere Gott ist ein glühender Backofen<br />
voller Liebe, die von der Erde bis an den Himmel reicht. Doch het meest sterk is - wat de<br />
Lutherteksten betreft - de openingsfuga, voor menig aan een kerk verbonden koor niet het<br />
makkelijkste koorstuk: Ein Christenmensch ist ein freier Herr über alle Dinge und jedermann<br />
untertan (ontleend aan de opening van Von der Freiheit eines Christenmensch). Later volgt op<br />
vergelijkbare wijze nog Die Musik ist die beste Gottesgabe.<br />
Het is zelden dat de melodieën van Lutherliederen volledig en “onversneden” klinken. Al komen<br />
onder andere de zangen Vater unser im Himmelreich, Ein Ferste Burg, Aus tieffer Not en, met<br />
name op het slot, Mit Fried und Freud voor.<br />
Alles bijeengenomen komt het als een tamelijk dramatisch libretto over, zo het lijkt wel of met<br />
name de tweede helft geheel in het teken staat van de gedachte dat Luther naar de dood zou<br />
haken. Dit wordt zeer versterkt door het wat plotseling opgevoerde schriftcitaat waarmee de bariton<br />
Martin Luther in film - oratorium - opera 37
(Luther) het oratorium afsluit: In deine Hände befehle ich meinen Geist. Daar hadden zeker andere<br />
keuzen gemaakt kunnen worden, want in zijn laatste uur citeerde Luther ook vele andere teksten<br />
bijvoorbeeld: Alzo heeft God de wereld liefgehad dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft,<br />
opdat allen, die in Hem geloven, niet verloren gaan maar het eeuwige leven hebben. 4<br />
De Lutherliederen of de geciteerde melodielijnen zijn geen expliciet dragende lijnen, meestal zijn<br />
ze een deel van een tegenmelodie of een onderdeel van een korte intonatie na een gesproken<br />
gedeelte.<br />
Mijn indruk is dat dit werk een ideale gelegenheid kan zijn voor kerkkoren om eens voor eigen<br />
(kerk-)publiek met iets anders voor de dag komen. Kader en linken zijn duidelijk, doch liturgisch en<br />
kerkmuzikaal is het mijns inziens een geheel eigenstandig werk, in zekere zin met de inpakt en<br />
concertachtige publiekshouding die de klassieke oratoria ook wel oproepen.<br />
4<br />
Zie bijvoorbeeld ook de secundaire literatuur als van W.Kooiman, Maarten<br />
Luther (1948), pagina 168 ev.<br />
38 <strong>Lectiones</strong> 8
III Luther<br />
opera van Kari Tikka.<br />
Nog spannender vanwege de kerk-operaachtige aspecten waarbij het publiek (de gemeente) een<br />
actieve rol toebedeeld heeft gekregen is dit werk van de gerenommeerde Finse operadirigent en<br />
componist Kari Tikka. In deze uitvoering zijn de ontwerpen van de kostuums van de spelers<br />
ontleend aan afbeeldingen van die uitgebeelde personen uit het oeuvre van de familie Cranach.<br />
Dat de DVD de bijzondere zogenaamde Rotskerk (Temppeliaukio kirkossa) in Helsinki als basis<br />
voor het decor laat zien maakt het indrukwekkend en roept meteen de kerkelijke setting op van<br />
deze kunstvorm.<br />
Van de solistencast (met vooral een aantal hoge tenoren en slechts twee dames) wordt veel op<br />
een hoog niveau gevraagd. Een kamerkoor en een orkest van strijkers, enige blazers en een<br />
slagwerkgroep zijn nodig voor de begeleiding. Ook hier wordt Luther, van wie immers bekend was<br />
dat hij een tenorstem had, door een basbariton vertolkt. Overigens is de vertolker ook een<br />
geordineerd predikant. Bijzonder is de participatie van het publiek/ de gemeente die Lutherliederen<br />
(mee-)zingt, ik kom daar nog uitgebreider op terug.<br />
Deze opera in twee akten met in totaal 7 scènes wordt volgend het DVD-begeleidend boekje met<br />
de volgende titels uitgerust.<br />
Act One<br />
Scene 1 The dance of Death<br />
Scene 2 I live, I am free<br />
Scene 3 Doubly damned<br />
Scene 4 The Reformation in Peril<br />
Act Two<br />
Scene 5 The Feast of Life<br />
Scene 6 Free will<br />
Scene 7 In the midst of Death, we are surrounded by Life<br />
De Engelse vertaling (zoals gevonden op het internet) volgt dit niet en noemt alleen scène 1 de<br />
Dodendans. Dit is echter zeer verbonden met de toelichtingen van de componist, zowel elders in<br />
genoemd boekje, alsook bij de zogenaamde extra’s op de DVD. In de begeleidend teksten schrijft<br />
Tikka een verklaring van de gebruikte toonsoorten, bijvoorbeeld: b-klein voor de dood en de<br />
menselijke angst; voor de dood a-klein en voor het leven “even ver van de dood verwijderd als het<br />
tonaal maar mogelijk is”: in E/e.<br />
De Middeleeuwse Totentanz vormt als het ware de raamvertelling voor deze opera en Tikka wil in<br />
dit werk met deze dans aan de mensen een soort van spiegel voor houden; hij noemt het “de<br />
dodendans van de mensheid” een moderne interpretatie wellicht van de Totentanz die eerder ook<br />
wel als een memento mori voorgehouden werd (ik noem slechts de thematische verwijzing naar<br />
Martin Luther in film - oratorium - opera 39
5<br />
Ein Sermon von der Bereitung zum Sterben uit 1519 van Martin Luther).<br />
Tegen deze achtergronden vond Tikka een theologische en mogelijk diepere laag in het<br />
bijbelgedeelte Matteus 16: 21-24. Hier sprak Christus tegen Petrus: Ga terug, achter mij, satan, je<br />
zou me nog van de goede weg afbrengen. Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de<br />
6<br />
mensen willen. Dit zal het dragende thema zijn van deze opera.<br />
Het is een zeer zorgvuldig opgebouwde opera waarin bijna elke scène aan een bepaald motief<br />
voldoet. Ter illustratie:<br />
1. Op scène 4 en 7 na (dan klinkt een soort van klaagzang) sluit het publiek met enige<br />
strofen van steeds een ander Lutherlied.<br />
2. De satan, die vele verschijningsvormen kent, wordt door één persoon gespeeld en<br />
draagt steeds verschillende vermommingen, doch hij is altijd te herkenen aan rood<br />
schoeisel. (In de Middeleeuwen was dit in sommige streken dit een teken waar men<br />
dames van publieke zeden aan herkende.) Zo wordt bij de raamvertelling nog een<br />
duidelijke rode draad aangebracht. Hij speelt ondermeer: de paus, Luthers<br />
theologische tegenstander Johannes Eck, de burchtzaat Hans von Berlepsch, de<br />
radicale reformator Thomas Müntzer, Erasmus van Rotterdam en een hedendaags<br />
theoloog. Regelmatig wordt de satan bijgestaan door de dansers die lust, hel, dood en<br />
wet verbeelden; met deze thema’s wordt in verschillende scènes als het ware<br />
afgerekend.<br />
3. Tikka gebruikt (in vervolg op het vorige punt) de ideeën en strijden die Luther leverde, hij<br />
zet dat in een rijke geschakeerde enscenering. Een van de kernmomenten is een lied dat<br />
hij al enige decennia eerder componeerde Song of Grace (Armolaulu). Dat vond nu een<br />
plaats in de discussie met Erasmus. Voor het Finse publiek een zeer bekend lied gezien<br />
de opmerking die de uitgever maakte in een telefoongesprek, namelijk dat er nauwelijks<br />
een kerkkoor in Finland zou zijn dat dit leid niet (in een of andere bewerking) gezongen<br />
heeft.<br />
De scènes kennen een toespitsing, niet alleen als thematische afbakeningen (“kloostertijd” of<br />
“bijbelvertaling”) maar ook inhoudelijk en deels door liturgische themata bepaald. Ik tracht deze te<br />
duiden aan de hand van hoe een en ander in de –liturgische- ruimte overkomt.<br />
In de slotscène blijkt dat de dodendans zich nu in een terroristische vorm aan ons openbaart. Dan<br />
zingt de gemeente/ het publiek geen Lutherlied. En toch wordt er om een antwoord, een<br />
beantwoording gevraagd. Er ligt een vraag aan de toehoorder om hierop te antwoorden. Deze<br />
wordt actief betrokken door hen gezamenlijk (als gemeente) steeds te laten zingen op het slot van<br />
de meeste scènes en op het slot om na te denken.<br />
5<br />
WA 2, 685-697.<br />
6<br />
Vertaling NBV.<br />
40 <strong>Lectiones</strong> 8
Op zich vindt ik dit gegeven al veelzeggend. Zingen mag weer? Kerkmuziek kan weer? Een aantal<br />
jaren geleden lag dat in Nederland zeker anders. Ik herinner mij een uitvoering van de St<br />
Nicolascantate van Benjamin Britten; ondanks dat met het publiek in de kerk goed voorgeoefend<br />
werd, werd er nauwelijks meegezongen bij de door de componist aan het publiek toebedeelde<br />
onderdeeltjes.<br />
Op de opname van de opera Luther ziet men overigens dat, ondanks het feit dat men weer een<br />
kans krijgt voor de volkszang, niet iedere persoon daar makkelijk mee weg weet te komen.<br />
Ik tracht niet zozeer te beschrijven als wel samen te vatten; en met cursiveringen de uiteenlopende<br />
liturgische of hymnologische momenten te vangen en te duiden. De liederen die men zingt zijn,<br />
zoals men meteen herkent, allen van de hand van Luther.<br />
Scène 1<br />
Bij de eerste Totentanz, ziet men devotie, o.a. door middel van het knielen van mensen,<br />
uitgebeeld. Knielen was naast kussen en biechten toentertijd een van de meest bekende<br />
devotievormen. Luther tracht de eindeloze missen en vergelijkbare biechten en belijdenissen te<br />
weerstaan en te weerspreken. De gemeente zingt a capella uit Aus Tieffer Not .<br />
7<br />
Scène 2<br />
Na bijbelstudie ontstaat een zang waarvan de kern is: “Christus is er voor mij. Ik ben vrij”. Het<br />
bezingt, verkondigend, de verbondenheid met Christus. De a capella gemeentezang besluit de<br />
scène; Christ lag in Todesbanden.<br />
7<br />
Ik kies voor de Duitse titels om de liederen aan te duiden. Dit om, door de<br />
vele gebruikte talen (Fins, Engels en onze Nederlandse vertalingen), geen<br />
verwarring te stichten.<br />
Martin Luther in film - oratorium - opera 41
Scène 3<br />
In dit gedeelte wordt door en met de paus de traditie als belangrijker geacht dan de Schrift. Het<br />
verweer luidt: men dient niet de opvolger van Christus te volgen, doch Christus dient in de Schrift<br />
gevolgd te worden. Waar een soort van belijdenis op de paus uitmondt in een lofzang, staat deze<br />
in contrast met een gebed van Luther tot God. De themata gebed en lofzang waren, zeker sinds<br />
de inwijdingspreek van de Hofkapel te Torgau, immers de kernpunten van de dienst van mensen<br />
aan God. Nun Freut euch lieben Christen gmein volgt a capella.<br />
Scène 4<br />
Een complexe scène waar de bijbelvertaling, de vlucht van Katharina von Bora en de opstanden<br />
van hen die verder gingen centraal staan (dit verdergaan is figuurlijk alsook letterlijk in te vullen: de<br />
Schwärmer en de boerenopstand). Vanuit geloofsvertrouwen houdt men vast aan de doop, dit<br />
wordt tevens verwoord in teksten als de zomer zal doorbreken!<br />
Ondanks dat geloof is er een contextuele verwarring; men zwijgt als gemeente, er klinkt daarvoor<br />
in de plaats een klaagzang. En hiermee is de eerste akte afgesloten.<br />
Scène 5<br />
De tweede en laatste acte.<br />
Het huwelijk van Luther en Von Bora, waarbij Bugenhagen de handen oplegt. Waar scène 4<br />
eindigde gaat scène 5, ook in chronologie, verder: men viert “het feest van het leven”. Katharina en<br />
Martin bezingen hun wederzijdse liefde in een duet dat een thematische reprise is van de zang van<br />
Luther over de bevrijdende Christus (in de tweede scène). Liefde en vrij-zijn is nu de scopus.<br />
Verder komen ondermeer het huishouden in het Zwarte Klooster en de daar gehouden<br />
tafelgesprekken aan de orde.<br />
Deze scène valt op door het zegenende karakter waar het goede van het leven centraal staat en<br />
daarmee een tegenhanger vormt met de Totentanz. Dat na de moeilijke jaren (scène 4 en 5) nu<br />
zich een en ander meer ten goede wendt, mag zich in de bescheiden mate theologisch spiegelen<br />
in de Adventus Domini, de zegen dat God zijn Zoon schonk; Luther, solisten alsook koor en orkest<br />
stemmen in met de gemeente: Vom Himmel hoch da komm ich her.<br />
Scène 6<br />
De discussie met Erasmus over vrije wil en geknechte wil heeft hier een plaats gekregen, een<br />
gespeelde theologische discussie. Het geloof in de genadegave van God staat, zoals te<br />
verwachten valt, centraal. Ondanks het verlies van een kind en een hartaanval wordt de genade<br />
van de Heer bezongen. Geloof staat centraal en onderstreept wordt: werken leveren niets op.<br />
Deze eerder genoemde Song of Grace (Armolaulu) is een verwerking van de teksten: 2<br />
Korintiërs 12: 9 en 10 en Efeziërs 2: 8 en 9 .<br />
8<br />
8<br />
De opbouw van de coupletten in acht nemend, zijn de tekstblokken (uit de NBV-vertaling)<br />
als volgt samengesteld:<br />
Je hebt niet meer dan mijn genade nodig,<br />
42 <strong>Lectiones</strong> 8
Er hangt een sfeer van wat ik neig te noemen; loutering, rijpheid en goede berusting. Het laatste<br />
lied van de gemeente wordt als een credo (staande!) gezongen: Ein feste Burg ist unser Gott,<br />
samen met koor en orkest.<br />
Scène 7<br />
In deze scène vindt een grote omslag plaats.<br />
Eerst wordt de levensvesper van Luther getoond. Een tikje bevindelijk doch niet echt storend wordt<br />
“Gods altijd goede hand” bezongen (als verwijzing naar God als meester van leven en dood). De<br />
kern ligt in de boodschap: God bevrijdt van het woord van de satan, Hij geeft vrijheid, leven en<br />
hemel. En dit daagt uit tot een bewust leven, als ware het de oproep in/bij de toepassingen van de<br />
preek.<br />
Wie de praedella van het hoofdaltaar in de Marienkirche in Wittenberg kent weet van de daar<br />
afgebeelde predikende Luther: met een hand op de bijbel, de andere wijzend naar de Gekruisigde;<br />
een verwijzing naar de theologia Crucis. De een enkeling van de verschillende in deze scène<br />
opgevoerde predikers verwijst met zijn bewegingen daar mogelijk naar. Een soort van allegorie die<br />
9<br />
B. Lang terecht ziet als een sacramentele duiding van het Woord bij Luther. Dit in samenhang<br />
met de uitdaging om als gelovige in het Evangeliespoor te volgen zonder Christus te imiteren; een<br />
morele aansporing in de preek.<br />
Hiermee belanden we in het tweede en afsluitende deel: het geloof in Christus is een terugkerende<br />
link tussen Luther, en zijn tijd, enerzijds en wij, met onze tijd, anderzijds. Naast de vraag of men er<br />
dus kracht wordt zichtbaar in zwakheid.<br />
Door zijn genade bent u nu immers gered,<br />
Dankzij uw geloof.<br />
Maar dat dankt u niet aan u zelf;<br />
het is een geschenk van God<br />
en geen gevolg van uw daden,<br />
dus niemand kan zich erop laten voorstaan.<br />
Omdat Christus mij kracht schenkt,<br />
schep ik vreugde in mijn zwakheid,<br />
in beledigingen, nood vervolging en ellende.<br />
In mijn zwakheid ben ik sterk.<br />
Door zijn genade bent u nu immers gered,<br />
Dankzij uw geloof.<br />
Maar dat dankt u niet aan u zelf;<br />
het is een geschenk van God<br />
en geen gevolg van uw daden,<br />
dus niemand kan zich erop laten voorstaan.<br />
9<br />
In het ochtendprogramma van de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> hield P. Oskamp immers een<br />
boekbespreking over dit Sacred Games, Yale University Press / New haven and London,<br />
1997, zie oa pag. 166-168.<br />
Martin Luther in film - oratorium - opera 43
niet voor moet waken om van Luther de paus van Wittenberg te maken ligt er, evenwel in de lijn<br />
van Luther, een grotere vraag ter tafel. De Totentanz wordt als een hedendaagse dans<br />
weergegeven: zonde, dood, wet en hel lijken nu de instrumenten van te terrorisme geworden. Al<br />
gaan wij allen dood - die dooddoener klinkt ook, maar is eveneens onlosmakelijk verbonden met<br />
het steeds meeklinkende thema memento mori - is dat echter niet het finale antwoord op de<br />
retorisch gestelde vraag. Integendeel, ondanks dat de opera eindigt met de klaagzang (een<br />
herhaling van scène vier met de boerenoorlog) is het geen zwartgallig slot. Satans woord is toch<br />
minder krachtig dan dat van God? De gemeente hoeft hier niet te zingen, en je hoort bijna dat men<br />
een acclamatie denkt: “Ja!”. Deze vorm is een oproep om na te denken en om het geloof in een<br />
genadige God een plaats te (durven) geven. Een mening die ik durf te poneren omdat een kern<br />
van een ander lied van Luther er in door klinkt: Mitten wir im leben sind. Leven dus! Jammer dat<br />
deze zang niet klinkt?<br />
Op het slot laat Tikka de gemeente/ het publiek dus niet zingen. Met andere woorden: het<br />
gevraagde antwoord ligt dus buiten de pendelbewegingen van deze gecultiveerde, zowel kerkelijke<br />
als opera-achtige, setting. En door verleden en heden in elkaar te weven (toen de pest, nu het<br />
terrorisme) ligt het begrip gedachtenis zeer aan de oppervlakte. Daar is tegenin te brengen dat<br />
deze setting wel zeer Fins/Scandinavisch aandoet en dat met de Totentanz de vraag naar Paasaccenten<br />
voor een West-Europeaan wel te ver naar de achtergrond verdween?<br />
Wat nu met de toekomst te doen, is er nog iets te vinden in de wijze waarop Luther ten aanzien<br />
van geloof een en ander aangaf?<br />
Een paar nader te bediscussiëren vragen die breder gelden bij deze registratie, dus ook de film en<br />
het oratorium:<br />
1. Wie maakt ’t mee<br />
2. Is het authentiek genoeg<br />
3. Kerkpubliekelijk zingen a la Britten raakt weer in de mode?<br />
4. Is dat ook een soort van beperking en dus het enige liturgische dat zich toont /mag<br />
tonen?<br />
5. wat voegt deze vorm van vertellen en (zelf) zingen toe ten opzichte van een<br />
historiografische vorm (met name de film)<br />
buiten wat in de voetnoten vermeld staat waren de gebruikte materialen:<br />
1. Luther, de verfilmde biografie, (op DVD) RCV, 2003.<br />
2. Luther, Oratorium voor solo verteller koor en instrumenten, Andreas Hantke, teksten<br />
van Gerhard Monninger, Partituur: no VS1932, Strube Verlag, München, 2004.<br />
3. Id. Opname op CD (opname olv de componist uit 1998): no VS1932 CD, Strube Verlag<br />
44 <strong>Lectiones</strong> 8
München, 2004.<br />
4. Luther opera van Kari Tikka. Opname: Ondine, Helsinki, libretto Kari Tikka en Jussi<br />
Tapola (opname olv de componist op DVD) 2004.<br />
5. Luther opera van Kari Tikka, vertaling van het Finse libretto in het Engels, via<br />
www.kolumbus.fi/kari.tikka/luther-ooppera/ Luther<br />
Martin Luther in film - oratorium - opera 45
Enkele overwegingen bij een Synodaal Dooprapport<br />
Bodegraven, Wim van Beek, 14 nov. 2008<br />
Een verhaal, persoonlijke achtergrond als luthers theoloog en een reactie op het rapport. Onder<br />
die drie kopjes wil ik een paar overwegingen geven bij het rapport “Doop, doopgedachtenis en<br />
doopvernieuwing”, dat in september ter Synode werd besproken.<br />
Uittocht<br />
De uittocht uit Egypte is zonder twijfel een van de meest centrale gebeurtenissen in het geloof<br />
en leven van Israël. In het verslag van die uittocht valt mij op: dat het initiatief van God uitgaat.<br />
Weliswaar wordt er danig geroepen uit de diepte, maar bevrijding is allerminst een logisch<br />
gevolg. Integendeel, het volk deinst er aanvankelijk voor terug. Als dan eindelijk op weg gegaan<br />
wordt, blijkt de bevrijding uit het slavenhuis vooral een daad van volhardend geloof van Gods<br />
kant. Het volk wordt, ondanks z’n ongeloof uitgeleid.<br />
Mij valt op: die bevrijding begint weliswaar met de uittocht, maar Israël heeft de rest van z’n<br />
leven nodig te leren wat het betekent om vrije mensen te zijn. Dat is een proces van vallen en<br />
opstaan, steeds opnieuw omkeren, steeds weer je te binnen brengen: wij zijn uitgeleid.<br />
Mij valt op: er wordt nergens gezinspeeld op groot of klein. Niemand kan zich voorstellen dat<br />
kinderen zouden zijn achtergelaten, omdat ze niet begrepen wat het betekent dat God hen<br />
uitleidt uit het diensthuis.<br />
Mij valt op: in de viering van die uittocht gedenkt Israël. Het verleden wordt realiteit voor de<br />
gedenkers: wij zijn uitgetrokken, ons heeft de Here bevrijd. Zij vieren nu het verleden met het<br />
oog op de toekomst.<br />
Ik vind dat al deze elementen ook voor de doop en de doopbediening (zouden moeten) gelden.<br />
mijn theologisch inzicht<br />
In mijn visie op het Synodaal dooprapport spreekt uiteraard mijn eigen geloof en theologie mee.<br />
Die is in deze nogal sterk bepaald door Luther. Ik herken in veel aspecten bijbelse en liturgische<br />
wortels.<br />
Kenmerkend ten aanzien van de doop zijn:<br />
1. woord en element vormen samen het sacrament. Een van de twee minimaliseren of zelfs<br />
weglaten doet geen recht aan het sacrament.<br />
2. God heeft het eerste woord. Het geloof van God is de enige basis op grond waarvan er van<br />
mijn geloof sprake kan zijn. Mijn geloof is daarna evenzeer nodig, omdat het sacrament anders<br />
niet kan werken. De doop is uitdrukking van de rechtvaardiging van de goddeloze.<br />
3. de mens kan zijn hele leven zijn geloof niet anders onder woorden brengen dan door met<br />
twee woorden te spreken: ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp. Dit is uitdrukking van het<br />
spanningsveld waarin de mens staat: iustus ac peccator.<br />
46 <strong>Lectiones</strong> 8
4. de doop heeft in de ene bediening een innerlijk en een uiterlijk aspect. Zo voorkomt men<br />
het ex opere operato, maar ook dat de doop alleen te maken heeft met het innerlijk.<br />
5. de doop is een eenmalig gebeuren, maar men heeft z’n hele leven nodig die doop te leren.<br />
6. de doop moet zijn als een dagelijks kleed. Over de doop moet daarom in de tegenwoordige<br />
tijd gesproken. Allen zo brengt het ons dagelijks te binnen dat onze oude mens moet sterven,<br />
en dat de nieuwe mens mag opstaan.<br />
7. de doop houdt een verzaking van het kwaad in, maar confronteert ons ook met dat kwaad<br />
(vgl de verzoeking in de woestijn, die ‘terstond’ op de doop van Jezus volgt)<br />
8. De objectiviteit van het sacrament voorkomt dat alles van mij afhangt, en mij in<br />
voortdurende en angstige onzekerheid laat of het heil mij wel ten deel valt. De subjectiviteit van<br />
het sacrament noopt om mij het sacrament te binnen te brengen en als troost, vermaning en<br />
inspiratiebron voor mijn dagelijks leven te gebruiken.<br />
9. voor Luther geeft doop door onderdompeling het duidelijkst vorm aan wat de doop is:<br />
ondergaan in de dood en opstaan ten leven. Daarbij dient bedacht te worden dat het voor<br />
Luther praktisch altijd om zuigelingen gaat. (deze dooppraktijk heeft overigens ook in de Duitse<br />
landen geen stand gehouden)<br />
De lutherse bijdrage in het rapport (bijlage 4) doet geen recht aan de diepte die Luther aan de<br />
doop geeft. De waardevolle inbreng van de lutherse traditie ligt o.a. bij de doop die elke dag<br />
opnieuw de goddeloze rechtvaardigt, het levenslange proces om de doop te leren, de doop als<br />
reële werkelijkheid.<br />
het dooprapport<br />
Luther begint zijn Doopboekje (1523/1526) met de klacht, dat het de mensen zo slecht gaat<br />
omdat ze zo weinig van hun doop weten, en er dus ook niet uit en mee kunnen leven.<br />
Datzelfde argument lijkt nu andermaal te gelden. Er is blijkbaar zo weinig in den brede aan<br />
doopcatechese en doopgedachtenis gedaan, dat grote groepen mensen er of niks meer van<br />
weten (ben ik gedoopt? Nou, ik heb er geen last van. Maar valt u me er ook niet mee lastig), of<br />
er niks meer van hun doop als klein kind willen weten, omdat ze pas nu iets van Christus<br />
ontdekt hebben, en ‘dus’ nu gedoopt willen worden.<br />
Als we als kerk werkelijk waarde hechten aan een intense betrokkenheid op de doop en<br />
beleving van ons gedoopt zijn (en dat is terecht), dan moet de kerk daar ook naar handelen en<br />
iedereen, van jongs af aan, bij de doop en het gedoopt zijn betrekken.<br />
Juist dáár ligt het grote probleem: we groeien er niet mee op. En dus groeien we er ook niet in.<br />
Een bewuste en actieve omgang met de doop is uiteraard geen garantie voor geloof. Zoals een<br />
confirmatie of openbare belijdenis op oudere (volwassen?) leeftijd evenmin een zekerstelling is<br />
van geloven tot je dood.<br />
Maar een actieve omgang met de doop (gedachtenis is presentia realis) zal in ieder geval<br />
voorkomen dat mensen onwetend zijn van hun gedoopt zijn. Dát is dan geen argument meer<br />
om dan maar voor de volwassendoop te opteren.<br />
Als mensen het gevoel hebben dat de kinderdoop een valse start is, mag de kerk dat zichzelf<br />
Enkele overwegingen bij een synodaal rapport 47
verwijten. Want dan is niet duidelijk gemaakt welk een schat in de doop gegeven is, en dat<br />
ménsen die doop minachten en daardoor een valse start maken.<br />
Ik heb nogal wat opmerkingen bij het geheel van het rapport.<br />
Allereerst is voor mij het probleem niet duidelijk geformuleerd.<br />
Bijlage 1 is een ‘handreiking voor de kerkenraad’, en dat is toch wat anders dan een duidelijk<br />
verzoek van het EW om meer ruimte voor rituelen rond de doop.<br />
Hoofdstuk 2 bevat de notitie van het moderamen van de Synode. Het blinkt uit in modieus maar<br />
onhelder taalgebruik: “…verlangen naar een moment zoals dat bij de volwassendoop<br />
beschikbaar is” (2.c.1) Ook termen worden door elkaar gebruikt: doopgedachtenis,<br />
doopvernieuwing, doopbevestiging. In bijlage 3 lijkt dat (gedeeltelijk) verhelderd te worden:<br />
“doopbevestiging is een dramatisch vormgegeven doopgedachtenis.” Dit veronderstelt echter<br />
dat doopgedachtenis alleen níét dramatisch vormgegeven zou kunnen, moeten of mogen<br />
worden.<br />
Als ik het juist heb gaat het om de volgende probleemstelling en vraag:<br />
à Er zijn mensen die zich in hun leven bewust worden van hun geloof in Vader, Zoon en Heilige<br />
Geest. Dit kan voor hen een zodanige impact hebben dat zij daaraan op bijzondere wijze<br />
gestalte willen geven.<br />
Kan dat door een zodanige vorm van doopgedachtenis, dat men de betekenis van de doop<br />
als opstanding tot een nieuw leven, zo intens als mogelijk aan den lijve kan ervaren?<br />
Eigen aan alle vormen van gedachtenis in de kerk is niet dat het uitdrukking geeft aan het<br />
gevoelen van een individuele gelovige, maar dat het een regelmatig door de hele<br />
geloofsgemeenschap gevierd ritueel is, dat mensen het heil te binnen brengt, en daardoor in de<br />
gelovige individueel én in de gelovigen als gemeenschap de ervaring van het heil van God<br />
óproept.<br />
De gedachtenis van de gemeente kan tal van gestalten krijgen, maar altijd zo dat mensen naar<br />
hart en ziel, lijf en leden daarbij betrokken worden. Zij ervaren dan de gedachtenis als de<br />
presentia realis van de woorden en de daden van God, Christus en de heilige Geest, en<br />
brengen zich zo hun toekomst in Gods naam te binnen.<br />
Binnen dat kader kan ook een persoonlijk gedachtenis gestalte krijgen. Maar het persoonlijk is<br />
altijd verbonden met heel de gemeente. Het gaat immers nooit alleen om het (on)geloof van<br />
één lid van de gemeenschap. Dat besef bevrijdt van een belastende claim. Tegelijk kan<br />
niemand zich verschuilen achter het collectief, omdat ieder mens bij name gekend en geroepen<br />
wordt. Het is belangrijk samen en persoonlijk tegelijkertijd recht te doen.<br />
48 <strong>Lectiones</strong> 8
Elke gedachtenis is per definitie vernieuwend. Daarbij wordt niet de doop vernieuwd of<br />
bevestigd, maar de gelovige wordt vernieuwd, en hoort en ervaart andermaal de bevestiging dat<br />
het bij de doop gesproken heilswoord hem en haar geldt.<br />
Vanuit dit principiële, wezenlijk bijbelse en liturgische gegeven van gedachtenis zal de<br />
gemeente vieren.<br />
Als deze viering van woord en sacrament voor de gemeente vertrouwd is, en begeleid wordt<br />
met (levenslange) catechese en vorming, zal elke nieuwkomer (van zuigeling tot grijsaard) al<br />
vierende worden opgenomen.<br />
Dat sluit persoonlijke accenten en getuigenis niet uit, maar in.<br />
Een waarachtig verstaan van gedachtenis maakt daarom allerlei andere termen als<br />
doopvernieuwing, doopbevestiging, overbodig, en overwint misvattingen als zou een<br />
gedachtenis ‘slechts’ woord zijn, en doopbevestiging een ‘actief’ en ‘lijfelijk ervaarbare’<br />
handeling.<br />
De gemeente is de gemeenschap van mensen, die weten van het heil dat hen van Godswege<br />
geschonken wordt. Dat belijden en bezingen zij, dat geven zij in woord en daad door aan elkaar<br />
en aan heel de wereld waarin zij staan.<br />
Wanneer ook de doop als heilsgave van God wordt ontvangen, maakt het ten aanzien van de<br />
doop niet uit of iemand piepklein of groot is. Het is ook geen wezenlijk verschil of de dopeling<br />
zelf gelooft. Immers, de doop hangt niet aan het geloof van de mens, maar aan dat van God.<br />
Ook iemand die zijn eigen geloof onder woorden wil en kan brengen, zal daarmee immers in de<br />
eerste plaats God en zijn gaven belijden.<br />
Woord en sacrament vieren begint altijd met lege handen, in het vertrouwen dat ze met een<br />
rijke maat gevuld zullen worden.<br />
Hoewel onderdompeling een goede verbeelding is van de betekenis van de doop, kan en mag<br />
daarvan niet iets gemaakt worden als zou daarmee een doopbediening al dan niet minder waar,<br />
waard of waardig zijn. Het is ook de vraag of de oude kerk doopte door onderdompeling. Oude<br />
baptisteria in Noord Afrika boden daartoe zelden ruimte. Begieting met levend water lijkt toen de<br />
praktijk geweest te zijn.<br />
Als een doopgedachtenis in een zwembad gevierd zou gaan worden, krijgt die onderdompeling<br />
ten onrecht een onevenredig gewicht. Men suggereert dat de doop in de vont in de kerk niet<br />
genoeg is. Tenzij een gemeente altijd samenkomt rond het zwembad, maar dát zal niet zo vaak<br />
zo zijn.<br />
Enkele overwegingen bij een synodaal rapport 49
Doopbevestiging<br />
Paul Oskamp<br />
19 november 2008<br />
Dagblad Trouw berichtte in september 2008 over een geruchtmakend rapport ‘Doop,<br />
doopgedachtenis en doopvernieuwing’ dat in de Generale synode van de PKN is besproken en<br />
inmiddels is ingetrokken voor nader beraad. In evangelische en pinksterkringen doopt men<br />
volwassen gelovigen door onderdompeling, ook als die als zuigeling reeds de christelijke doop<br />
hebben ondergaan. De gevestigde kerken zijn hier ongelukkig mee, want dit betekent een<br />
ontkrachting en ontkenning van de doop van onmondige kinderen. In december 2000 heeft het<br />
Evangelisch Werkverband aan de Werkgroep Eredienst van de PKN advies gevraagd inzake<br />
‘herbevestiging van de doop.’ Dit heeft in 2008 geleid tot het in de aanhef genoemde rapport.<br />
Alternatief ritueel<br />
Met het water van de doop als symbool wordt in het rapport een nieuw ritueel met drie varianten<br />
aangeboden. Al naar gelang iemand bij zijn/haar doop ooit is besprenkeld, begoten of<br />
ondergedompeld, kan de gedoopte dit ter bevestiging herhalen, maar wel proportioneel, want<br />
de bedoelde bevestiging mag de eerder bediende doop niet herhalen, laat staan die overtreffen.<br />
Rationeel is dit goed gezien, immers elke suggestie van overdopen moet vermeden worden, om<br />
het eenmaal toegediende sacrament niet te ontkrachten.<br />
Aan deze oplossing, hoe leuk ook gevonden, kleven bezwaren. Ik vrees dat wie haar/zijn doop<br />
echt wil ervaren, met minder dan onderdompeling geen genoegen neemt. Daar komt bij: hoe<br />
discriminerend zijn de verschillen in de bevestigingshandeling? Hier dreigt een soort<br />
e e e<br />
klassensysteem in het bevestigingsritueel te ontstaan: 1 , 2 en 3 klasse al naar gelang men<br />
ooit is besprenkeld (protestant) begoten (katholiek) of ondergedompeld (baptist, evangelisch en<br />
pinkstergemeente). Daar komt bij: hoe individualistisch is een bevestiging die men aan zichzelf<br />
moet voltrekken? Ik begrijp dat men het ambt hier buiten wil laten maar zo’n solitaire<br />
bevestiging krijgt onwillekeurig iets therapeutisch, waarbij de gemeente toekijkt. Kan men nog<br />
van een ritueel spreken als de circumstantes nauwelijks participeren en op afstand blijven?<br />
Fiasco van de zuigelingendoop<br />
Wat is eigenlijk het probleem? Antwoord: dat veel gelovigen (uit evangelische en<br />
pinksterkerken) zich door hun doop als zuigeling niet aangesproken weten. Dit teken leeft voor<br />
hen niet. Zij verlangen naar een veel nattere en voluit lijfelijke doop; als het kan door<br />
onderdompeling, om zo hun geloofskeuze te markeren en hun ‘inplanting’ in Christus en in de<br />
kerk als zijn gemeenschap bewust te ondergaan. Mij dunkt, dit is een begrijpelijk verlangen.<br />
Onthult dit niet het fiasco van de zuigelingendoop, welke in de kerk van het Westen niet door<br />
onderdompeling geschiedt en pas later tot het bewustzijn van de gedoopte doordringt (àls dit<br />
teken voor hem of haar ooit betekenis krijgt!) Als ik spreek van het fiasco van de zuigelingen-<br />
50 <strong>Lectiones</strong> 8
doop denk ik aan twee dingen. Men heeft lang van Europa als van een gedoopt continent<br />
kunnen spreken. Dat heeft echter niet verhinderd dat in de eerste wereldoorlog de jeugd van dit<br />
continent elkaar massaal aan flarden heeft geschoten. Een ander voorbeeld: in de veertien<br />
jaren dat ik predikant in Purmerend was en waar de overflow van Amsterdam blij was een<br />
woning te vinden, hebben we bijna aan de lopende band doopleden op hun verzoek uit het<br />
kerkelijk register uitgeschreven. Het betrof hier kerkleden die niet op hun doop aanspreekbaar<br />
waren. Het heette dan steevast: ‘de doop? Dat hebben mijn ouders gedaan, mij zegt het niks.’<br />
Zo heeft de volkskerkelijke praktijk van de zuigelingendoop het heilig teken uitgehold.<br />
Onderdompeling<br />
Het pleidooi van de commissie Eredienst voor herstel van het echte waterbad (onderdompeling)<br />
is dan ook te prijzen. De voorzitter van de commissie noemde in de synodevergadering de<br />
natste doop èchter dan dopen met enkele druppels. Daarop kreeg hij de synode over zich heen.<br />
’Dit idee van de liturgiemaffia werd soepel afgeserveerd en er werd geen woord meer aan<br />
gewijd.’ (Woord en Dienst 57 nr 17, 10 okt. 2008, p. 15) Niettemin heeft de liturgiecommissie<br />
het gelijk aan haar kant: doop door besprenkeling is slechts een symbool van het oorspronkelijk<br />
symbool van het waterbad. Het verdunt het ritueel en maakt het verlossende teken abstract. In<br />
de roep om doop door onderdompeling krijgen de gevestigde kerken de rekening daarvoor<br />
gepresenteerd.<br />
Openbare belijdenis<br />
Zie ik het goed, dan verlangt men in evangelische en pinksterkerken naar beleefbare rituele<br />
bevestiging van het heil. Als alternatief van herhaling van de waterdoop dient zich dan de<br />
confirmatie aan, met als kernrite handoplegging (waarom niet met zalving?) en de bede<br />
‘Ontvang de heilige Geest.’ De orden voor de openbare Belijdenis, orden I en II (Dienstboek<br />
een proeve II, 129-139) bieden een geschikt raamwerk om de doop te beamen en het christelijk<br />
geloof te belijden, inclusief de verzaking van kwade machten en vernieuwing van de<br />
doopgeloften en verwelkoming in de gemeente. Het geheel kan nog aan zeggingskracht<br />
winnen als men het in de paaswake situeert, wanneer gezegd wordt: ‘Dit is de nacht waarin wij<br />
onze doop gedenken. Ook wij zijn door het water getrokken, bekleed met nieuw licht, beademd<br />
met nieuw leven’ Hantering van de wijwaterkwast zou ik hierbij niet willen uitsluiten.<br />
Doopbevestiging 51<br />
Paul Oskamp
Doop, confirmatie, gedachtenis<br />
Hans Uytenbogaardt<br />
19 november 2008<br />
Inleiding<br />
1<br />
Naar aanleiding van het rapport over doop, doopgedachtenis en doopvernieuwing van de PKN<br />
wil ik proberen enkele onderliggende vragen te benoemen. Ik borduur daarbij voort op de notitie<br />
2<br />
van Paul Oskamp en een mailtje van Wim van Beek vandaag (081119). Ook verwijs ik naar<br />
een artikel dat ik op verzoek van de redactie Woord en Dienst schreef als afronding van een<br />
3<br />
discussie over overdoop (maandag kopieën beschikbaar).<br />
4<br />
De vragen betreffen (1.) de rituele setting van doop en confirmatie , (2.) de verhouding van<br />
water, handoplegging en chrisma bij doop en confirmatie, (3.) de oecumenische setting en (4.)<br />
verhouding confirmatie en doopgedachtenis.<br />
1. Rituele setting van doop en confirmatie<br />
5<br />
Met rituele setting bedoel ik de aandacht voor de wijze waarop Lukken schrijft over de rite als<br />
representant en verdichting van de symbolische orde ‘waarin in onze cultuur sprake is van een<br />
hartstochtelijk zoeken naar een verder reikende zin’ (Lukken, 176,2.1). Daarmee probeer ik een<br />
setting te vinden voor de pastorale vragen die Paul Oskamp terecht als een centrale invalshoek<br />
aanwijst, in die zin dat we ons op een adequate en integere wijze moeten afvragen waar we de<br />
wortels van het verlangen naar overdoop moeten zoeken. Waarom het verlangen naar een rite,<br />
en vervolgens uiteraard, naar dèze rite in dèze situatie.<br />
De volgende stap is dat we helder hebben wat de dooprite is en uit welke componenten deze is<br />
samengesteld. Wij stuiten dan meteen op een zwak punt in de discussie tot nu toe: de<br />
onlosmakelijke verbinding tussen doop en confirmatie. In mijn optiek kunnen die twee, als<br />
onderdelen van één en dezelfde rite niet ontkoppeld worden, omdat ze twee kanten van<br />
dezelfde zaak be-teken-en: redding uit doodsnood en invoeging in het lichaam van Christus. In<br />
de alinea over de oecumenische setting daarover nader.<br />
1<br />
Doop, doopgedachtenis en doopvernieuwing, GS/PKN, september 2008,<br />
KTO 08-02<br />
2<br />
Paul Oskamp, Doopbevestiging, 081016<br />
3<br />
Hans Uytenbogaardt, Dopen op de drempel, Woord en Dienst Jg 57/5 –<br />
080229, 14-17<br />
4<br />
Ik ga voorlopig voorbij aan het onderscheid tussen confirmatie en belijdenis,<br />
omdat het mij hier gaat om het geheel van de rite van doop en confirmatie. Ik<br />
spreek liever van confirmatie omdat daarmee de rituele impact wordt<br />
aangeduid.<br />
5<br />
Gerard Lukken, Rituelen in overvloed, 1999, 176v<br />
52 <strong>Lectiones</strong> 8
Primaire aandacht voor het rituele bestek vraagt om aandacht voor het complex van<br />
componenten van de rite en de wisselwerking daartussen: (1.) water (onderdompeling /<br />
overgieting / besprenkeling), handoplegging en chrisma, (2.) het Woord en de woorden (3.)<br />
actanten: kerkgemeenschap / ambtsdrager en dopeling,. Alleen alle drie componenten samen<br />
maken deze rite tot een representant van de – intrede in – de symbolische orde ‘in en door<br />
welke wij voortdurend opnieuw onze identiteit als mens moeten ontdekken en vinden. (…) het<br />
gaat om symbolen in de eigenlijke zin van het woord: om tekens die tegelijkertijd onthullen en<br />
verhullen. Ons zoeken naar zin biedt dus enerzijds perspectief, maar is vanwege de<br />
6<br />
bemiddeling ook altijd stukwerk’ . Precies op dit punt doet zich de vraag voor aan welke<br />
gevoelens en behoeften de overdoop appelleert en waarom de christelijke initiatie al dan niet<br />
herhaalbaar is.<br />
In het bestek van deze notitie is het niet mogelijk daar breed op in te gaan. Dat vraagt een veel<br />
grondiger exercitie. Maar wel kunnen we proberen een paar centrale punten te benoemen.<br />
2. Water, handoplegging en chrisma bij doop en confirmatie<br />
Gezien de behoefte aan totale onderdompeling bij de overdoop richt de aandacht zich allereerst<br />
op het water. Aangezien we over een rite en de verdichtende werking daarvan spreken, moet<br />
volstrekt helder zijn dat water in de taal van de heilige Schrift en de omringende mythologie een<br />
7<br />
geheel eigen verhaal vertelt. Herman Beck wijst op de veelduidige betekenis van water. Plaats<br />
van dood en bron van leven en alles wat zich daar tussen beweegt. Ook onderstreept hij hoe<br />
fundamenteel in heel de geschiedenis van religie de betekenis(geving) van en de omgang met<br />
water is. In het kader van de christelijke doop wijst hij op de centrale betekenis van Rom. 6,3v.:<br />
‘Hier komt de symboliek van het water van de schepping, van de zondvloed en de reiniging<br />
8<br />
samen in het water van de doop’ . De in de nota PKN opgeroepen discussie over de<br />
hoeveelheid water die bij de doop wordt gebruikt is buitengewoon verwarrend, alsof er gradaties<br />
van ‘geldigheid’ van de doop zouden zijn. Wel wijst die discussie er op dat de beleving van een<br />
rite mede afhangt van de wijze waarop de elementen daarvan worden benut.<br />
In de disussies over de (on)mogelijkheid van de overdoop speelt de verhouding met de<br />
confirmatie een eigen rol. Zoals gezegd, blijft deze in vrijwel alle bijdragen over de overdoop<br />
onderbelicht. Waarschijnlijk heeft dat te maken met de nog steeds niet gevoerde –<br />
oecumenische – discussie over de al dan niet te ontkoppelen relatie tussen deze beide. In het<br />
kader van onze discussie roept dit de vraag op naar de parallel van het water van de doop met<br />
de ‘elementen‘ van de confirmatie: de handoplegging, het ‘toebidden van de gaven van de<br />
Geest’, verbonden met de zalving met het chrisma, het ‘zegel van de heilige Geest’. Samen met<br />
de onderdompeling betekenen zij de opname in het lichaam van Christus. In de gehele traditie<br />
6<br />
Idem<br />
7<br />
Herman Beck, Water, bron, zee, leven dood et cetera, in Marcel Barnard en<br />
Paul Post, Ritueel bestek, 2001, 291-302<br />
8<br />
Idem, 295<br />
Doop, confirmatie, gedachtenis 53
van de kerk van Oost en West zijn doop met water, handoplegging en zalving onlosmakelijk<br />
(?) .<br />
9<br />
Als voorbeeld van een geïntegreerde vernieuwing van het doopritueel van kinderen<br />
kan de wijze gelden waarop Herman Wegman de doop bediende: in het spoor van de<br />
oosterse (en ook de westerse t/m de late middeleeuwen en wellicht het begin van de<br />
reformatie) praxis werd de naakte dopeling geheel ondergedompeld en vervolgens<br />
eveneens geheel gezalfd, waarna de bekleding met het doopkleed volgde als beeld<br />
van de opname in de gemeenschap der heiligen (vgl. Apc. 7).<br />
10<br />
Opmerkelijk is dat in de voorstellen voor de doopgedachtenis in het PKN-rapport wel een<br />
zegen na de doopgedachtenis is voorzien, maar nergens wordt vermeld wat de inhoud van die<br />
zegen is (afgezien van de vraag of de handoplegging als ‘zegen’ zou moeten worden<br />
gekwalificeerd).<br />
De conclusie in deze paragraaf moet zijn, dat de ontkoppeling van doop en confirmatie bij de<br />
vraag naar de overdoop een eenzijdige accent op de doop met water oplevert. Hier wreekt zich<br />
het gegeven dat het oecumenisch gesprek in de RvK in Nederland over inhoud en mogelijke<br />
wederzijdse (h)erkenning van confirmatie / belijdenis in de jaren ’90 geen kans heeft gekregen<br />
door het toenemende isolement van de RKK. Wel moet worden geconstateerd dat in het<br />
dooprapport van de RvK de doopgedachtenis nadrukkelijk betrekking heeft op het geheel van<br />
11<br />
doop en confirmatie .<br />
9<br />
vgl BEM B/14<br />
10<br />
Bijlage 3<br />
11<br />
Op zoek naar en oecumenische doopliturgie, Oecumenische Bezinning<br />
1992/2, blz 5/4<br />
54 <strong>Lectiones</strong> 8
3. Oecumene<br />
In dit kader komen twee vragen aan de orde: (1.) de ‘Verbindlichtkeit’ van het oecumenisch<br />
commitment van de kerk en (2.) de eenmaligheid van de doop<br />
(1.) In het PKN-rapport ontbreekt iedere verwijzing naar en inkadering in het oecumenisch<br />
commitment van doop en confirmatie. Dit is meer dan een omissie. Hans Kronenburg heeft daar<br />
al meermalen mondeling en schriftelijke op gewezen. Meer dan omissie omdat daarmee het<br />
sacramentele karakter van de doop als vooralsnog enige bron en teken van eenheid van de<br />
kerk en het wereldomvattende deelgenootschap in het Lichaam van Christus wordt<br />
veronachtzaamd.<br />
Formeel is dit te laken omdat de kerken die lid zijn van de Wereldraad van Kerken zich plechtig<br />
hebben verbonden niets zelf te doen wat samen behoort te geschieden. Dat is bij de oprichting<br />
van de Raad van Kerken in Nederland bevestigd door de deelnemende kerken. In het kader van<br />
de doop betekent dit dat in ieder geval de huidige PKN en de OKK formeel en de RKK informeel<br />
12<br />
zich hebben gebonden aan het BEM-rapport en het dooprapport van de RvK .<br />
Inhoudelijk betekent dit dat doop en confirmatie als een eenheid worden gezien, zo zelfs dat in<br />
het BEM-rapport en het rapport van de RvK alleen van ‘Doop’ gesproken wordt. De doop kent<br />
vijf aspecten die alleen samen de doop betekenen: (a.) Partcipation in Christ’s Death en<br />
Resurrection, (b.) Conversion, Pardoning and Cleansing, (c.) The Gift of the Spirit, (d.)<br />
13<br />
Incorporation into the Body of Christ, (e.) The Sign of the Kingdom . Omdat iedere doop een<br />
be-tekenen is van ‘Christ’s faithfulness unto death’ oftewel het ‘sacrament van de<br />
rechtvaardiging van de goddeloze’ (vgl. Wim van Beek) en de opname in het Lichaam van<br />
Christus, die beide onomkeerbaar zijn, is zij onherhaalbaar.<br />
14<br />
Iedere praxis die uitgelegd zou kunnen worden als ‘overdoop’ moet worden vermenden. Ik<br />
ben dan ook nieuwsgierig naar de brief van Faith and Order die de opstellers van het rapport<br />
ontvingen en interpreteren als instemming met hun voorstellen.<br />
Ook betekent dit dat iedere vorm van gedachtenis doop en confirmatie tezamen betreft. Gezien<br />
de afnemende belangstelling voor de confirmatie en een toegenomen aandacht voor de<br />
doopgedachtenis, vraagt de verhouding tussen die beide om nadere studie (vgl. de<br />
opmerkingen van Wim van Beek).<br />
12<br />
Op zoek naar en oecumenische doopliturgie, Oecumenische Bezinning<br />
1992/2<br />
13<br />
BEM B/3-7<br />
14<br />
BEM B12,13<br />
Doop, confirmatie, gedachtenis 55
4. Verhouding confirmatie en doopgedachtenis.<br />
Het BEM-rapport en het dooprapport van de RvK beschouwen iedere viering van de doop als<br />
doopgedachtenis van de gehele gemeente en geven aan dat de paasnacht bij uitstek geëigend<br />
is om daaraan eens per jaar meer nadrukkelijk aandacht te geven. Daarbij is intussen helder<br />
dat het gaat om de gedachtenis van de Doop in de zin van wat in de gereformeerde traditie in<br />
Nederland ‘Doop en Belijdenis’ is gaan heten.<br />
Als doop en confirmatie als één geheel worden gezien, kan er nooit gesproken worden van de<br />
‘bevestiging’ van de doopgeloften. Immers de doopgeloften eens gegeven zijn bevestigd in<br />
doophandeling, handoplegging en zalving. Het woord ‘bevestigen’ duidt op een intrede in een<br />
nieuwe ‘stand’. Een predikant wordt eens voorgoed bevestigd, een ouderling of diaken in<br />
dezelfde gemeente wordt niet opnieuw bevestigd in hetzelfde ambt, ook niet na een of meer<br />
‘pauzes’ van enkele jaren.<br />
Zonder deze discussie verder te willen voeren, zou ik er hier op willen wijzen dat het woord<br />
‘bevestigen’ op zijn minst polyinterpretabel is. Het zou kunnen worden opgevat als herhaling<br />
van de confirmatie, die als deel van de doop net zo onherhaalbaar: eenmaal gezalfd met de<br />
gave van de Geest, altijd gezalfd met de gave van de Geest. Eenmaal opgenomen in het<br />
lichaam van Christus, altijd opgenomen in het lichaam van Christus. Vergelijk alweer een<br />
predikant: wie ooit van haar is ontheven, wordt bij terugkeer niet opnieuw bevestigd in het ambt<br />
van predikant. Hetzelfde geldt bij de overgang naar een volgende gemeente. Daar wordt<br />
geconstateerd en niet gevraagd: ‘Eenmaal hebt u beloofd dat …’ Terecht gebruikt het rapport-<br />
PKN daarom deze formulering. Niet terecht is dat daar de vraag naar het ‘aanvaarden en<br />
beamen’ aan wordt gekoppeld onder het voorvoegsel ‘bevestigen’. ‘Beamen’ is de bewoording<br />
15<br />
die in het DB-I is gekozen als declaratie richting de geloofsleerlingen ter inleiding op de<br />
eigenlijke vragen van de verzaking en belijdenis. De combinatie van ‘bevestigen’ en<br />
‘aanvaarden en beamen’ suggereren een confirmatie. Maar die was niet aan de orde – of wel?<br />
Met Wim van Beek pleit ik voor een concentratie op het woord doopgedachtenis in de brede zin.<br />
Daarbij mag niet worden gesproken van ‘gedachtenis aan’, dat suggereert herinnering.<br />
Gedenken is een actieve daad waarin de doop van toen een levende werkelijkheid wordt voor<br />
nu en straks. Alleen gedenken veronderstelt een fundamenteel herhaalbare, en zelfs<br />
noodzakelijkerwijs herhaald gebeuren. Dit op voorwaarde dat iedere suggestie van een opnieuw<br />
primair gebeuren vermeden wordt. Vergelijk de parallellie met het breken van het brood bij de<br />
Maaltijd van de Heer. Zijn offergang wordt niet herhaald, maar wij krijgen, in het bidden, breken<br />
en delen, deel aan de weg die Hij is gegaan. Zo ook de doopgedachtenis. Je eigen kop<br />
opnieuw in het water steken is eventueel exact hetzelfde wat toen gebeurde, de ‘zegen’ zou zo<br />
maar dezelfde woorden kunnen bevatten als toen. En over het chrisma is niet nagedacht,<br />
15<br />
DB-I, 142<br />
56 <strong>Lectiones</strong> 8
hoewel ziekenzalving in het kader van verzoening en heling hier misschien het beste soelaas<br />
zou kunnen bieden.<br />
Met Paul Oskamp ben ik geneigd om de eigenlijke doopgedachtenis, hoe specifiek ook<br />
toegespitst op deze mens en deze situatie, te beperken tot de wijwaterkwast die heel de<br />
gemeente als een douche besproeit (al naar gelang de bevlogenheid van de voorganger –<br />
althans in mijn ervaring). Gedenken zal toch vooral betekenen dat ik steeds opnieuw dat<br />
doopwater zie en me te binnen breng dat ik de angstwekkende diepten daarvan alreeds achter<br />
me heb, dat de reinigende kracht daarvan me tot nu toe op de been heeft gehouden, anders<br />
was ik hier niet en dat die veelkleurige kracht van de Geest me ook verder gaande niet in de<br />
steek zal laten. Kortom: hier ligt een veld van verdere vragen en onderzoek.<br />
Conclusie<br />
De rapporten van de WCC en de RvK (en de daarop volgende brede literatuur) bieden een<br />
kader waarin de gesignaleerde rituele samenhang tussen (1.) water, handoplegging en chrisma,<br />
(2.) het Woord en de woorden en (3.) actanten: kerkgemeenschap / ambtsdrager en dopeling<br />
tot zijn recht kan komen en uitdrukking geven aan reikwijdte van de doop. Naast wat ik al heb<br />
gezegd over (1.) en(2.), zouden we ook verder moeten denken over (3.): de verhouding van<br />
individu en gemeenschap, i.c. degene die de overdoop begeert en de gemeenschap der<br />
heiligen. Als de één al een draaideur neiging heeft, is de ander geroepen om duidelijk te maken<br />
dat wie binnen zijn daar ook daadwerkelijk en onvervreemdbaar thuishoren, ook al waren ze<br />
wellicht aan een zwerverscarrière begonnen. Ook kan die gemeenschap duidelijk maken dat er<br />
zoiets is als verzoening en heling en dat daar ook de nodige pastoraal-liturgische handreikingen<br />
voor bestaan (nader onderzoek naar verhouding handoplegging, chrisma en ‘zieken’zalving).<br />
Binnen de actanten – al naar gelang ecclesiologie en ambtstheologie – heeft de bedienaar van<br />
de doop een eigen rol, die zowel ritueel-pastoraal ingevuld als theologisch-liturgisch benoemd<br />
kan worden en zo ook kan bijdragen aan de ervaring dat het Christus zelf is met wiens unieke<br />
onderdoorgang (Willem Barnard) wij verbonden zijn, c.q. worden.<br />
Stellingen voor nader gesprek:<br />
• De ene doop (met water en Geest) is het uitgangspunt van alle denken over doop,<br />
confirmatie en doopgedachtenis.<br />
• Het oecumenisch gesprek over de samenhang en de wederzijdse (h)erkenning van<br />
doop en confirmatie dient opnieuw gestart te worden.<br />
• In alle doopbedieningen zal, naast de waterdoop, handoplegging en zalving met de<br />
Geest plaats vinden.<br />
• Iedere vorm van overdoop of reminiscentie daaraan wordt afgewezen.<br />
• De doopgedachtenis verdient structurele pastorale aandacht in het persoonlijk<br />
Doop, confirmatie, gedachtenis 57
geloofsleven van de gemeenteleden en kan niet beperkt blijven tot louter rite in de<br />
paasnacht – hoe indrukwekkend ook.<br />
• De (on)wenselijkheid van kinderdoop blijft een punt van overweging (vgl. opmerkingen<br />
over het fiasco van de kinderdoop, Oskamp 081016).<br />
• Het pastorale gesprek over overdoop of doopgedachtenis kan worden gevoerd aan de<br />
hand van de aspecten van water (vgl Beck), handoplegging en chrisma.<br />
• Doopgedachtenis kan niet in de plaats komen van de liturgie van boete en verzoening,<br />
die met name is gericht op het herstel van de eigen plaats in de gemeenschap.<br />
• De verhouding van individu en gemeenschap in een laat- / postmoderne tijd behoeft<br />
dringend aandacht.<br />
58 <strong>Lectiones</strong> 8
Geen doopvernieuwing, wel doopgedachtenis<br />
Op verzoek van de redactie wil ik graag iets schrijven over iets wat momenteel velen binnen de<br />
Protestantse Kerk in Nederland (PKN) bezighoudt: de vraag naar de doopbevestiging of<br />
doopvernieuwing. Daarbij gaat het om de vraag of er voor gemeenteleden, die als kind gedoopt<br />
zijn en later van kerk of geloof vervreemd raakten, maar op latere leeftijd bewust tot geloof<br />
kwamen, ruimte is voor een ritueel ter vernieuwing van hun doop. De vraag was op de tafel van<br />
de synode gelegd door het Evangelisch Werkverband (EW). De werkgroep Eredienst schreef er<br />
een notitie over, die voorzien van een commentaar van de hoogleraren M.Barnard, H.W. de<br />
Knijff en C. van der Kooi, in september vorig jaar in de synode besproken werd. Het kwam niet<br />
tot een definitief besluit, maar wel was iedereen het er over eens dat een dergelijk ritueel in<br />
principe mogelijk moet zijn, op voorwaarde dat het in geen enkel opzicht op een her-doop gaat<br />
lijken. Want een mens kan maar één keer in haar leven gedoopt worden. Het synodebestuur is<br />
momenteel bezig het plan uit te werken en komt in april met een voorstel.<br />
In dit artikel wil ik een aantal overwegingen op een rijtje zetten die ik gedistilleerd heb<br />
uit de nota van de werkgroep Eredienst, de reacties daarop van de synode, de commentaren in<br />
de kerkelijke pers en een bespreking in de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> aan de hand van een drietal<br />
praatstukken van respectievelijk Wim van Beek, Paul Oskamp en Hans Uytenbogaardt (op te<br />
vragen via de redactie). Maar het zijn mijn overwegingen en ik ben erop aanspreekbaar.<br />
De eerste vraag moet natuurlijk zijn: waar komt het verlangen naar vernieuwing van de doop<br />
vandaan? Ds Tamis Wever, lid van de werkgroep Eredienst en voorstander van<br />
doopbevestiging door onderdompeling, schrijft dat zij voortkomt uit het verlangen naar een<br />
‘Romeinen 6-ervaring’, het verlangen van mensen om aan den lijve te ervaren dat zij met<br />
1<br />
Christus gestorven en opgestaan zijn’. Dat past geheel in onze heendaagse ervaringscultuur.<br />
Rationele benadering is niet genoeg: ik ben als kind gedoopt, maar het zegt me niets. Mensen<br />
willen er iets van ervaren. Terecht herkent de kerk daar een uitdaging in. Terecht ook zoekt men<br />
dan uit pastorale overwegingen naar een passend ritueel. Vandaar de wens van de synode<br />
doopbevestiging als vorm van doopgedachtenis onder bepaalde voorwaarden mogelijk te<br />
maken. Het dienstboek geeft daar trouwens al verschillende voorbeelden van, maar de<br />
werkgroep heeft ook twee nieuwe rituelen ontworpen voor een doopbevestiging tijdens een<br />
doop- of belijdenisdienst of op een willekeurige zondag, hetzij door middel van besprenkeling of<br />
begieting met water, hetzij door onderdompeling. Maar, zoals gezegd, het mag geen her-doop<br />
zijn. De doop is eenmalig, eens gedoopt voor altijd gedoopt. Wie dat loslaat verbreekt de band<br />
met de wereldkerk en belandt maakt van de kerk een secte.<br />
1<br />
Woord en Dienst, 28 oktober 2006.<br />
Geen doopvernieuwing, wel doopgedachtenis 59
De vraag is echter of dit de weg is die we moeten inslaan, met name wat betreft de door de<br />
werkgroep ontworpen nieuwe rituelen. Er zitten zeker positieve kanten aan. Ik herken er een<br />
poging in om tegemoet te komen aan een oprecht verlangen van gemeenteleden. Verder heeft<br />
men er alles aan gedaan om te laten uitkomen dat het geen her-doop betreft. Het water dat bij<br />
de doopbevestiging gebruikt wordt is geen doopwater, het verwijst naar het doopwater. Zo is er<br />
sprake van bekruising met water wanneer de kinderdoop plaats vond door besprenkeling, van<br />
begieting wanneer de kinderdoop plaats vond door begieting en van onderdompeling wanneer<br />
de kinderdoop plaats vond door onderdompeling. En tenslotte: om de schijn te vermijden dat er<br />
wordt overgedoopt voltrekt niet de predikant, maar de betreffende persoon zelf de handeling<br />
van de doopbevestiging, daarin geassisteerd door ouderlingen en diakenen.<br />
Toch zijn er ook vragen bij te stellen en kritische kanttekeningen. Ik noem er tien, in willekeurige<br />
volgorde:<br />
- Wie echt een ‘Romeinen 6-ervaring’ zoekt zal bekruising of begieting met water te weinig<br />
vinden en met minder dan onderdompeling geen genoegen nemen. En dat lijkt - hoe je het ook<br />
wendt of keert - toch verdacht veel op een doop.<br />
- Ligt theologisch gesproken mijn ‘Romeinen 6-ervaring’ niet op Golgotha, in het kruis en de<br />
opstanding van Christus? Daar en toen ben ik gestorven en opgestaan – en dat blijft gelden,<br />
ook als ik er niets van ervaar. Wordt in een ritueel van doopvernieuwing dat objectieve karakter<br />
van het geloof niet ondergesneeuwd door een vroom subjectivisme?<br />
- Er onstaat ongewild een soort klassestelsel van verschillende soorten dopelingen: straks zijn<br />
er gelovigen die als kind gedoopt zijn, gelovigen die hun doop hebben bevestigd bij hun<br />
belijdenis en gelovigen die op een bijzondere manier hun doop hebben vernieuwd en nu pas<br />
echt geloven. Het doet mij denken aan de gnostische onderscheiding van stoffelijke gelovigen,<br />
psychische gelovigen en geestelijke gelovigen.<br />
- Het is allemaal nogal individualistisch: men voltrekt het ritueel aan zichzelf en daarmee krijgt<br />
zo’n solitair gebeuren toch iets therapeutisch, waarbij de gemeente op afstand toekijkt. Maar zij<br />
is toch vanouds het eigenlijke subject van de doopgedachtenis, zoals heel duidelijk wordt in de<br />
Paasnacht?<br />
- Beseffen we nog dat de doop wel eenmalig is, maar tegelijk een voortdurend leerproces, dat<br />
pas met je dood wordt afgesloten? ‘We moeten elke dag uit de doopvont kruipen’ (Luther).<br />
Wie op latere leeftijd zijn/haar doop wil vernieuwen moet beginnen met naar catechisatie te<br />
gaan.<br />
- Wordt de doop niet ‘bevestigd’ (= vastgemaakt, waar gemaakt) in het leven van alledag, door<br />
eruit te léven, ‘in de wereld, maar niet van de wereld’, niet ‘als kinderen van de duisternis, maar<br />
als kinderen van de dag’ (1 Thess. 5: 1- 11, waarschijnlijk een herinnering aan de doop)?<br />
- Is de eigenlijke doopbevestiging niet de viering van het avondmaal? De sacramenten zijn<br />
ingesteld ‘om ons geloof te versterken en te bevestigen’ (Heidelbergse Catechismus) en<br />
Christus stelde het avondmaal in ‘opdat wij vast zouden geloven dat wij tot het genadeverbond<br />
60 <strong>Lectiones</strong> 8
ehoren’ (avondmaalsformulier). Opmerkelijk genoeg was het geen hoogkerkelijke liturg, maar<br />
een gereformeerde bonder, bij wie ik deze verwijzing naar het avondmaal tegenkwam.<br />
2<br />
- Verder: hoe zit het met de relatie tussen kinderdoop en confirmatie? Het oecumenisch<br />
gesprek heeft tot het inzicht geleid dat er van huis uit een onlosmakelijk verband bestaat tussen<br />
de (volwassen-)doop met water (als teken van het sterven en opstaan met Christus), de<br />
confirmatie (handoplegging en zalving als lijfelijke toezegging van de Geest) en de communie<br />
(als teken van invoeging in het lichaam van Christus). In vrijwel alle kerken is die samenhang<br />
verloren gegaan en zijn de drie aspecten van de ene initiatierite temporeel uiteen gelegd<br />
(behalve bij de Oosterse Orthodoxie). Vormt de vraag naar doopvernieuwing wellicht een<br />
uitdaging aan het adres van kerken die de kinderdoop hooghouden om de relatie tussen doop,<br />
confirmatie en communie te herstellen?<br />
- Hoe staat het met het oecumenisch gehalte van de discussie over de doopvernieuwing? Is er<br />
door de werkgroep Eredienst gekeken naar andere kerken, b.v. de Oud-Katholieke, hoe die met<br />
de vraag naar doopvernieuwing omgaan? Het kan toch niet zo zijn dat iedere kerk op dit punt<br />
een eigen beleid voert? Zodat je in de ene kerk wel je doop kunt vernieuwen en in de andere<br />
niet?<br />
- Tenslotte geef ik hier de vraag door die in de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> gesteld werd en waar ik niet<br />
meer van los kom: onthult de vraag naar de doopvernieuwing ten diepste niet het fiasco van de<br />
zuigelingendoop? Is door de eeuwenlange praktijk van ‘dopen wat in het doophuis kom’ de<br />
doop niet uitgehold en tot een leeg symbool geworden?<br />
Moeten we dan de vraag om doopvernieuwing maar afwijzen? Nee, niet zonder meer. Ik denk<br />
dat we verder komen als we de vraag van het EW om doopvernieuwing consequent<br />
interpreteren als een vraag om aandacht voor de doopgedachtenis. Dat was ook de teneur van<br />
het gesprek in de synode en in de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong>. Doopgedachtenis is niet hetzelfde als<br />
doopvernieuwing: vernieuwing veronderstelt dat de doop kan verouderen. Maar dat is onzin: het<br />
sacrament veroudert niet, er ontbreekt ook niets aan. Wel kan degene die het ontving zijn/haar<br />
doop ontkennen, ‘vergeten’ of beschamen. Daarom is het nodig dat we ons toeleggen op het<br />
gedenken van onze doop. Niet alleen rationeel, b.v. door erover te praten, maar ook met behulp<br />
van riten en symbolen ‘die te denken geven’ (Paul Ricoeur).<br />
Het dienstboek geeft daar allerlei materiaal voor (veel meer dan ik dacht), dat ten dele ook in<br />
het rapport wordt genoemd. Maar uit de traditie van de kerk en de oecumene is veel meer op te<br />
diepen. Zonder veel moeite kwam ik tot de volgende tien mogelijkheden om de doop te<br />
gedenken:<br />
3<br />
- de doopgedachtenis in de Paasnacht , vanouds de doopgelegenheid bij uitstek. De<br />
gemeenteleden komen naar de doopvont, waar zij zich bekruisen met water uit de doopvont<br />
2<br />
A.J. Mensink, in De Waarheidsvriend, 25 september 2008.<br />
3<br />
Dienstboek I, 139-143.<br />
Geen doopvernieuwing, wel doopgedachtenis 61
terwijl de voorganger zegt: ‘gedenk dat je met Christus gestorven bent en opgestaan, dat je<br />
bent overgegaan van de dood naar het leven, van de duisternis naar het licht’.<br />
4<br />
- op de eerste zondag van Epifanie, waarop de doop van Jezus in de Jordaan gevierd wordt, de<br />
gemeente uitnodigen haar doopverbond met God te vernieuwen. De Kerk van Engeland heeft<br />
daar een goed bruikbare liturgie Epifany Carol Service voor ontworpen, waarin behalve de<br />
lezing uit Marcus 1 : 1- 11 ook een aantal elementen uit de doopliturgie zijn opgenomen, zoals<br />
het credo en de verzaking.<br />
5<br />
- bij doopdiensten kan de paaskaars ontstoken worden, die gewoonlijk alleen in de paastijd<br />
6<br />
brandt , ter gedachtenis van de doop als het eens en voorgoed gestorven en opgestaan zijn<br />
met Christus.<br />
7<br />
- de doopgedachtenis tijdens doopdiensten door het jaar heen (de vragen bij de afwending van<br />
het kwaad en de toewending naar Christus): is een meer ‘heftige’ vorm van doopgedachtenis<br />
denkbaar?<br />
8<br />
- de doopgedachtenis tijdens openbare belijdenis, met handoplegging en epiclese , in onze<br />
traditie veelal verstaan als bevestiging van de doop. Gedenken we trouwens niet iedere keer<br />
als we het geloof belijden onze doop? Het zingen of zeggen van de apostolische<br />
geloofsbelijdenis is immers van huis uit een doopbelijdenis!<br />
9<br />
- de kinderen vragen op doopzondagen hun doopkaars mee te nemen van huis en die tijdens<br />
de doopviering aan te steken aan de paaskaars, als een steeds terugkerende gedachtenis van<br />
hun doop temidden van de gemeente.<br />
- je leven lang elk jaar op je doopdag je doopkaars ontsteken en op een feestelijke manier in de<br />
familiekring (of alleen!) je doop gedenken met het zingen van een dooplied uit het liedboek (b.v.<br />
gezang 343) en het lezen van het helaas vrijwel vergeten klassieke doopformulier. 10<br />
- bij uitvaartdiensten de gestorvene opbaren bij paaskaars en doopvont, als teken dat het licht<br />
van de opgestane ons ook in de dood omstraalt. ‘Ten diepste is de uitvaartdienst daarmee<br />
11<br />
doopgedachtenis’ – en dan wordt Romeinen 6:4 geciteerd, de tekst van de ‘doopervaring’.<br />
- en waarom plaatsen we bij de ingang van de parochiekerk geen wijwaterbakjes, zodat ieder<br />
4<br />
Wat mij betreft kan dit ritueel ook als volgt worden uitgevoerd: de<br />
gemeenteleden komen naar de doopvont, waar de voorganger hen bekruist<br />
met water uit de doopvont terwijl hij zegt: ‘ik teken je met het kruis van<br />
Christus. Gedenk dat je met Hem gestorven bent en opgestaan, dat je bent<br />
overgegaan van de dood naar het leven, van de duisternis naar het licht’.<br />
Maar wellicht vinden sommigen dit te clericaal…<br />
5<br />
Zie The Promise of his Glory. Services and Prayers for the season from All<br />
Saints to Candlemas, London 1991, 210-222, speciaal 218-221 (The Renewal<br />
of the Covenant or of Baptismal Vows’).<br />
6<br />
Zie daarover Dienstboek I, 921- 922 en Idelette Otten, Uitblazing als<br />
aanblazing. Over het doven van de paaskaars in de christlijke eredienst.<br />
Publicatieserie Stichting Oud-Katholiek Seminarie, nr 25, Amersfoort 1994.<br />
7<br />
Dienstboek II, 56 (punt 7) en 80-128<br />
8<br />
Dienstboek II, 56 (punt 8) en 129-162<br />
9<br />
Dienstboek I, 875.<br />
10<br />
Dienstboek I, 111-114.<br />
11<br />
Dienstboek II, 894.<br />
62 <strong>Lectiones</strong> 8
die er binnengaat zichzelf kan bekruisen en zijn/haar doop gedenken, zoals Rooms-Katholieken<br />
en Orthodoxen doen?<br />
- de bekende predikant Bartold van Ginkel adviseerde indertijd zieken bemoedigende teksten<br />
op een papiertje te schrijven en ze met een wasknijper aan het bed te bevestigen, onder het<br />
motto: aanzien doet gedenken! Waarom zouden we onze dooptekst niet of op het PC-scherm<br />
zetten als dagelijkse herinnering aan onze doop? Luther schreef ook al met grote letters op de<br />
tafel ‘baptizatus sum’ (ik ben gedoopt).<br />
Als we zo op een veelkleurige manier de doopgedachtenis leren beoefenen zal de vraag naar<br />
een dubieus en misverstandwekkend ritueel van doopbevestiging vroeg of laat overbodig<br />
blijken.<br />
Tenslotte nog iets over wat naar mijn gevoel de kern van het probleem raakt: ten diepste gaat<br />
het de evangelicalen niet om bevestiging van de kinderdoop, maar om herstel van de<br />
volwassendoop. En als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat ze daar goede argumenten voor<br />
hebben. Wordt het daarom geen tijd om het gesprek over de betekenis van de volwassendoop<br />
te openen en van harte ruimte te maken voor de doop op belijdenis? In een interview met<br />
Woord en Dienst zei synodesecretaris Arjan Plaisier: ‘De synode sprak in september duidelijke<br />
taal over de doopvernieuwing. Handen af van de kinderdoop, geen evangelische<br />
12<br />
doopvernieuwing en meer aandacht voor de doopgedachtenis’ . Daar ben ik het geheel mee<br />
eens – behalve met het nogal defensief klinkende eerste onderdeel van deze zin. Ik denk juist<br />
dat het nu de tijd is voor de PKN om de betekenis van de kinderdoop te relativeren en van harte<br />
ruimte te maken voor de vroegchristelijke doop op belijdenis. Vermoedelijk zal dan de vraag<br />
naar doopvernieuwing snel verstomd zijn.<br />
Hans Kronenburg<br />
11 januari 2008, gedachtenis van de doop van de Heer in de Jordaan<br />
12<br />
Woord en Dienst. 21 november 2008.<br />
Geen doopvernieuwing, wel doopgedachtenis 63
Hervorming en Catholiciteit<br />
De bijdrage van het Hilversums Convent (1947 - 1955) aan het gesprek<br />
over de katholiciteit van de kerk. 1<br />
door Hans Kronenburg<br />
Inleiding<br />
Het is 10 oktober 1947. Een tiental aanwezigen, zeven predikanten en drie gemeenteleden,<br />
allen betrokken bij de liturgische beweging in de Nederlandse Hervormde Kerk (NHK),<br />
vergadert in de pastorie van de Hilversumse predikant Ds J. Loos. Zij zijn ontevreden over de<br />
nieuwe, in hun ogen veel te protestantse koers die hun kerk na de oorlog is ingeslagen en ze<br />
besluiten tot oprichting van een Convent om zich vanuit ‘evangelisch-catholiek’ gezichtspunt te<br />
bezinnen op vragen omtrent liturgie, sacrament, ambt en ecclesiologie. Tevens besluiten zij tot<br />
2<br />
het opstellen van een gezamenlijke verklaring. Vier weken later, op 7 november, de gedenkdag<br />
van Willibrord, de patroon van de Nederlandse kerken, wordt de Verklaring gericht tot allen die<br />
de kerk van Jezus Christus liefhebben vastgesteld, ondertekend en toegezonden aan alle<br />
3<br />
hervormde predikanten. Dit is het begin van een nieuwe beweging in de NHK: het Hilversums<br />
Convent (HC). Wat bezielde deze mensen, waar stonden ze voor, wat waren hun wortels en wat<br />
was het effect van hun optreden? In dit artikel worden deze vragen beantwoord, voornamelijk<br />
aan de hand van het tamelijk uitgebreide bronnenmateriaal dat bewaard is gebleven: het archief<br />
van het HC, artikelen en brieven van betrokkenen, kerkeraadsstukken etc.<br />
In de kerkhistorische handboeken kreeg het HC aanvankelijk weinig aandacht. In zijn<br />
Nederlandse Kerkgeschiedenis noemt O.J. de Jong het HC terloops in het hoofdstuk Herstel,<br />
Vernieuwing, Toenadering (1945-1965), in verband met zijn bespreking van O. Noordmans als<br />
1<br />
Voor dit artikel, oorspronkelijk een inleiding voor het Kerkhistorisch<br />
Gezelschap 8 januari 2007, werd van het volgende archiefmateriaal gebruik<br />
gemaakt: archief Th.A. van Lynden-van der Brugghen, met o.m.<br />
64<br />
‘Reconstructie van de geschiedenis van van het Hilversums Convent’,<br />
1953/1979 en uitgebreide correspondentie met bestuur en leden van het HC<br />
(Utrechts Archief); Archief van de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie<br />
1951-1966 (Utrechts archief); archief van de Raad voor het verband met<br />
andere kerken (Utrechts archief); archief E. Emmen (Utrechts archief); het<br />
dossier-Loos (1950-1955), archief van de Hervormde Gemeente te Hilversum<br />
(Streekarchief Gooi en Vechtstreek te Hilversum).<br />
2 Aanwezig waren: Ds J. Loos (Hilversum, gespreksleider), Ds S. Coolsma<br />
(Sittard), Ds H. Coolsma (Princenhage), Ds J.M. Gerritsen (Wichmond), Ds H.<br />
Miskotte (Zwolle), Ds Ph. Bergkotte (Oosterbeek), Ds J.K. van den Brink<br />
(Assendelft), Ir R.Th. Bijleveld (Velp), Mr. W.J. Kolkert (Zeist) en Mevr. Th.<br />
A. baronesse van Lynden- van der Brugghen (Utrecht).<br />
3 De Verklaring was opgesteld door J. Loos, J.M. Gerritsen, H. Miskotte en<br />
W.J. Kolkert en ondertekend door een dertigtal personen, van wie elf<br />
predikanten. Zie Hervorming en Catholiciteit. Een verklaring, Rotterdam<br />
1950, 11.<br />
<strong>Lectiones</strong> 8
4<br />
één van de vernieuwers van de na-oorlogse Hervormde theologen. A.J. Rasker wijdt er één<br />
5<br />
regel aan in zijn bespreking van het ambtsrapport van de commissie-Van Ruler. Wat de meer<br />
recente handboeken betreft, in dat van Selderhuis (2006) wijden Harinck en Winkeler er een<br />
(nogal slordige) alinea aan in hoofdstuk 7, ‘De twintigste eeuw’, in de paragraaf over de<br />
6<br />
oecumene , terwijl Lieberg/Eynatten (2005) er geheel over zwijgen. Voor een meer grondige<br />
7 8<br />
informatie moeten we te rade gaan bij J. Loos (1960), J.F. Lescrauwaet (1957), twee<br />
artikelen uit de kring van <strong>Liturgische</strong> Beweging, respectievelijk van A. Soeting (1975) en R.<br />
9 10<br />
Boon (1981) , de monografie van P. Staples (1991) , de doctoraalscriptie van K. Datema<br />
11 12 13<br />
(1993) en – tenslotte – de lemma’s J.M. Gerritsen en J. Loos in het BLNP (NB. Een<br />
pluim op de hoed van de redactie, die ook aan de Rooms-katholiek geworden Loos een plaats<br />
4<br />
‘Omstreeks 1950 begon een ‘hervormd-catholieke’ richting aan te dringen op<br />
een wijding volgens de apostolische successie voor de predikanten.<br />
Noordmans wees deze richting af, niet enkel uit zijn voorliefde voor een<br />
prebyteriale kerkorganisatie, maar meer nog om de vrijheid van de Geest. Hij<br />
stelde dat de kerk alleen door de Geest kan leven, maar in geen enkel opzicht<br />
over de Geest kan beschikken’, O.J. de Jong, Nederlandse<br />
Kerkgeschiedenis, Nijkerk 1972, 408. De auteur verwijst hier naar O.<br />
Noordmans, Gestalte en Geest, Amsterdam 1955, als één van de drie<br />
boeken die te beschouwen zijn als symptomen van de na-oorlogse<br />
theologische vernieuwing. De andere twee zijn volgens hem de reeks<br />
Dogmatische Studiën van G.C. Berkouwer, Kampen 1949 e.v. en K.H.<br />
Miskotte, Als de goden zwijgen, Amsterdam 1956.<br />
5<br />
Zie A.J. Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795, Kampen<br />
3<br />
1986 , 363: ‘In 1952 was de directe aanleiding tot instelling van de<br />
commissie het hoogkerkelijk denken van enkele predikanten – het<br />
‘Hilversums Convent’-, die om addtionele wijdingen vroegen’.<br />
6<br />
H.J. Selderhuis (red.), Handboek Nederlandse Kerkgeschiedenis, Kampen<br />
2006, 836. De auteurs schrijven daar dat het HC ‘onder anglicaanse invloed<br />
sterk katholic(!)erende tendensen vertoonde’ en dat het Convent uiteenviel,<br />
‘toen Loos en andere leden naar de Rooms-Katholieke Kerk overgingen’. Het<br />
eerste is - afgedacht van de aangegeven spelfout – correct, het tweede is<br />
feitelijk onjuist.<br />
7<br />
J. Loos, ‘Het Hilversumse Convent (1947-1955)’, Binnenlands Apostolaat<br />
11 (1960), 43-55.<br />
8<br />
Lescrauwaet, De liturgische beweging onder de Nederlandse Hervormden<br />
in oecumenisch perspecrtief, Bussum 1957, hoofdstuk V, ‘De Controverse’,<br />
met name 178-185.<br />
9<br />
A. Soeting, ‘De liturgische kring in de Nederlandse Hervormde Kerk, een<br />
historisch overzicht (1924 – 1974), in: Eredienst 9 (1975), 1 - 9 en R. Boon,<br />
‘Rondom Ekumene en Eredienst. Een recent hoofdstuk van de vaderlandse<br />
geschiedenis, aan de vergetelheid ontrukt’, Eredienst 15 (1981), 57 – 72.<br />
10<br />
P. Staples, Relations between the Netherlands Reformed Church and the<br />
Church of England, Lewiston / Queenston / Lampeter, 1991.<br />
11<br />
K. Datema, Het Hilversums Convent. Een onderzoek naar geschiedenis en<br />
denkbeelden. Doctoraalscriptie liturgiewetenschap theologische faculteit<br />
Groningen, 1993.<br />
12<br />
Zie ‘Gerritsen, Johan Marie’, BLNP 3, Kampen 1988, 135-137 (L. Brink).<br />
13<br />
Zie ‘Loos, Jacob’, BLNP, 5, Kampen 2001, 350-352 (J. Kronenburg).<br />
Hervorming en Catholiciteit 65
in deze galerij van protestantse godgeleerden heeft toegekend: dat is met recht wat Van<br />
14<br />
Deursen noemt: ‘recht doen aan gestorvenen’.<br />
De context van het Hilversums Convent<br />
De toonaangevende leden van het HC waren lid van de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong>, een groep van<br />
voornamelijk hervormde theologen, die vernieuwing van de kerk beoogde door herstel van de<br />
liturgie in 'catholieke' zin. Deze kring onderhield nauwe relaties met de Ethische Vereniging en<br />
de daaruit voortgekomen Vereniging Kerkopbouw, die op haar beurt weer sterke impulsen<br />
onderging van de Oecumenische Beweging. Daarmee zijn als context van het HC drie<br />
bewegingen aangegeven, die - hoe verschillend ook van invalshoek -nauw met elkaar<br />
samenhangen: de liturgische beweging, de oecumenische beweging en de<br />
reorganisatiebeweging. Over alle drie een enkel woord.<br />
De liturgische beweging 15<br />
In 1921 richt Ds H.W.Creutzberg, de predikant van de door hem naar anglicaans model<br />
16<br />
gebouwde Haagse Duinoordkerk, samen met de jonge predikant G. van der Leeuw, leerling<br />
17<br />
van J.H.Gerretsen, (‘de vader van de <strong>Liturgische</strong> Beweging’ ) - op verzoek van de Ethische<br />
Vereniging - de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> op. Voorzitter wordt G. van der Leeuw. Doel van de kring is:<br />
leiding geven aan de liturgische praktijk in de kerk door middel van studie en publicaties.<br />
De gangmakers van de liturgische beweging in ons land zijn dus vertegenwoordigers van de<br />
18<br />
‘Ethische Richting’ geweest. Dat blijkt onder meer uit hun aandacht voor het esthetische in de<br />
eredienst (J.H.Gerretsen), hun openheid voor de oecumenische beweging (W.H. van de Pol) en<br />
14<br />
A.Th. van Deursen, De eeuw in ons hart. Negenentwintig opstellen over<br />
geschiedenis, gechioedeniswetenschap en geschiedsbeleving, Franeker<br />
1991, 8.<br />
15<br />
Zie over de liturgische beweging in de Nederlandse Hervormde Kerk: J.N.<br />
Bakhuizen van de Brink, ‘Uit de geschiedenis van de <strong>Liturgische</strong> Beweging’, in:<br />
Kerk en Eredienst, jrg 1, 1946, 12-17; W.H. van de Pol, ‘De liturgische beweging<br />
bij de protestanten in Nederland’, Tijdschrift voor liturgie, jrg 30/31, 1946/47 , 20-35;<br />
E. van der Schoot, Hervormde Eredienst, Den Haag 1950; J.F. Lescrauwaet, De<br />
<strong>Liturgische</strong> Beweging onder de Nederlandse Hervormden in oecumenisch<br />
perspectief, Bussum, 1957; P. Staples, The Liturgical Movement in the<br />
Netherlands Reformed Church 1911-1955. With Special Reference to the Anglican<br />
Dimension (IIMO Research Pamphlet 9), 1983.<br />
16<br />
Zie over Creutzberg: BLNP 4, Kampen 1998, 108-109 (J.F.C. d’Achard van<br />
Enschut) en K.W. de Jong, ‘De verhouding tussen het pionierswerk van H.W.<br />
Creutzberg en de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong>’ in: Jaarboek voor liturgieonderzoek 15<br />
(1999), 27 –53.<br />
17<br />
Zie over Gerretsen: BLNP 3, Kampen 2001, 132-135 (C.F.Antonides); K.W.<br />
de Jong, ‘Gerretsens Liturgie (1911) in perspectief’, in: Jaarboek voor<br />
liturgieonderzoek 9 (1993), 25-63.<br />
18<br />
Zie R. Boon, ‘Een weinig bekend hoofdstuk van de vaderlandse<br />
kerkgeschiedenis. De liturgie-vernieuwing binnen de Nederlandse Hervormde<br />
Kerk in fasen geschetst, beginnende bij de “Ethische Richting”, in: Heel de<br />
kerk. Enkele visies op de kerk binnen de ‘Ethische Richting’, Zoetermeer<br />
1995, 187 – 198.<br />
66 <strong>Lectiones</strong> 8
vooral: hun voorliefde voor de incarnatie-theologie van de Anglicana (G. van der Leeuw) – allemaal<br />
typisch ‘ethische’ trekjes. Al is er binnen de liturgische kring ook invloed merkbaar van de Duitse<br />
19<br />
hoogkerkelijke beweging (Fr. Heiler), het is vooral de Anglicana die met haar schone liturgie<br />
20<br />
vanuit Engeland hoofd en hart van velen verovert. Zie b.v. W.H. van de Pol, Liturgie (1931) en G.<br />
21<br />
van der Leeuw, Liturgiek (1939).<br />
De liturgische beweging krijgt echter een principiele tegenstander in de van huis uit<br />
eveneens ethische theoloog O. Noordmans. In 1939 trekt deze ten strijde tegen de<br />
dissertatie van Van de Pol over Newman. Hij ziet in de liturgische beweging ‘het spook van<br />
het anglicanisme’ = de incarnatietheologie = Newman! Op hun beurt bestreden Van der<br />
Leeuw c.s. (terecht) Noordmans' eenzijdige visie op de Anglicana (die hij identificeert met<br />
Newman), evenals trouwens zijn niet minder eenzijdige visie op de Reformata (die hij<br />
22<br />
identificeert met het Puritanisme).<br />
De oecumenische beweging 23<br />
Na in de jaren dertig van de vorige eeuw ook in ons land op gang te zijn gekomen en gedurende de<br />
oorlog ondergronds te zijn gegaan, maakt de oecumenische beweging in 1946 een nieuwe start: de<br />
Oecumenische Raad van Kerken in Nederland wordt opgericht en H. van der Linde, lid van het HC,<br />
wordt tot studiesecretaris benoemd. Op die post zal hij het thema ' evangelische katholiciteit'<br />
19<br />
Zie over hem: H. Hartog, Evangelische Katholizität. Weg und Vision Friedrich<br />
Heilers, Mainz 1995.<br />
20<br />
W.H. van de Pol (1897-1987), van huis uit NH, had van jongsaf grote liefde<br />
voor de Anglicana. In 1919 ging hij over naar de Church of England. In 1931<br />
schreef hij als lid van de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> Liturgie, waarin aandacht gevraagd<br />
wordt voor tussen samenhang liturgie en oecumene. Door G. van der Leeuw<br />
op het spoor gezet van Newman promoveert hij in 1936 op diens<br />
ecclesiologie. In 1940 gaat hij over naar de RK kerk. De Anglicana blijft echter<br />
zijn grote liefde, getuige zijn mooie boek: Het Anglicanisme in oecumenisch<br />
perspectief (1962, Engelse vertaling 1965). Zie over hem G. Puchinger in<br />
Rondom het Woord 29 (1987), nr 2, 51-58.<br />
21<br />
2<br />
G. van der Leeuw, Liturgiek, Nijkerk 1940 (1946 ).<br />
22<br />
Zie O. Noordmans, Liturgie, Amsterdam 1939 (= VW 6, 45-164) en G. van<br />
der Leeuw, O.Noordmans, W.H. van de Pol, Liturgie in de crisis, Nijkerk 1939<br />
(= VW 6. 165-243).<br />
23<br />
In zijn dissertatie De geschiedenis van de eerste Oecumenische Raad in<br />
Nederland (10 mei 1935 - 10 mei 1946), ’s Gravenhage 1989, beschrijft H.J.<br />
ter Haar Romeny de wisselwerking tussen de liturgische beweging, met name<br />
in de Hervormde Kerk, en hetgeen er in en buiten die kerk met betrekking tot<br />
oecumenische ontmoeting begon te ontluiken (a.w. 201vv). Enerzijds heeft de<br />
liturgische beweging het proces van toenadering en van oecumenische<br />
gezindheid in de Nederlandse kerken bevorderd. Anderzijds hebben de<br />
oecumenische ontmoetingen tussen tradities van kerken buiten de<br />
landsgrenzen, evenals de resultaten van de Faith and Order-conferenties,<br />
een niet onbelangrijke bijdrage geleverd aan de liturgische vernieuwing. Een<br />
van de eerste (en beste) vruchten van deze wisselwerking was het Faith and<br />
Order-rapport Ways of Worship (1951).<br />
Hervorming en Catholiciteit 67
nadrukkelijk aan de orde stellen. Twee jaar later, in 1948, wordt in Amsterdam de Wereldraad van<br />
Kerken opgericht.<br />
Intussen was een aantal leden van de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> sterk geboeid geraakt door een drietal<br />
oecumenische ontwikkelingen in Engeland:<br />
(a) In 1946 houdt de aartsbisschop van Canterbury, Geoffrey Fisher, vurig voorstander van de<br />
oecumene (hij zal een van de eerste presidenten worden van de Wereldraad), in zijn beroemde<br />
Cambridge Sermon een pleidooi voor samenwerking tussen de Church of England en de Free<br />
Churches. Met een beroep op de Faith and Order-conferentie van Lausanne 1927, waar men<br />
het erover eens was dat het episcopale, het presbyteriale en het congregationele element alle<br />
drie een plaats dienen te krijgen in de ambtelijke structuur van een verenigde kerk, stelt hij de<br />
Free Churches voor om als eerste stap op weg naar die ene kerk ‘to take episcopacy into their<br />
24<br />
own system (…) and try it out on their own ground first’. Dit Engelse voorstel zal een paar jaar<br />
later in de NHK voor grote beroering zorgen.<br />
(b) Als vervolg op de preek van Fisher komt er een dialoog op gang tussen de Church of<br />
England en de Free Churches en ten dienste daarvan verschijnt in 1947 het rapport Catholícity,<br />
geschreven door een groep anglo-katholieke theologen o.l.v. A.M. Ramsey, hoogleraar te Durham. 25<br />
Men zoekt het normerend principe der katholiciteit in de zg. ‘Lambeth-vierhoek’, de vier<br />
basiselementen die de Anglicaanse Kerk als voorwaarde stelt voor kerkelijke hereniging: de heilige<br />
Schrift als het geopenbaarde woord van God, de beide vroeg-christelijke credo’s, de sacramenten<br />
van doop en avondmaal en de apostolische successie. Het rapport trok sterk de aandacht van de<br />
<strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> en een aantal jaren later zou het worden uitgegeven in een vertaling van W.<br />
Barnard en G.W. Oberman (lid van de <strong>Kring</strong> en van het HC). 26<br />
(c) Onder de titel Apostolic Ministry verschijnt, in diezelfde tijd (1946), onder redactie van E.<br />
Kirk, bisschop van Oxford, een sterk anglo-katholiek gekleurde bundel opstellen over het<br />
apostolisch ambt. Het boek - met name het opstel van Gregory Dix, 'The Ministry in the early<br />
Church' - zal grote invloed krijgen op de ambtsopvatting van sommige leden van het HC.<br />
Daarmee was het thema van de apostolische successie ook op de tafel van de <strong>Liturgische</strong><br />
<strong>Kring</strong> terecht gekomen en - zoals weldra blijken zou - van heel de NH-Kerk - uitgerekend op een<br />
moment dat men het na een lange strijd eens was geworden over reorganisatie van de kerk in<br />
presbyteriaal-synodale zin.<br />
De reorganisatiebeweging 27<br />
24<br />
Church Relations in England, 10v.<br />
25<br />
Catholicity. A Study in the Conflict of Christian Traditions in the West, being<br />
a Report presented to His Grace the Archbishop of Canterbury, Westminster<br />
1947.<br />
26<br />
De katholiciteit der kerk. Uit het Engels vertaald door Ds W. Barnard en Dr<br />
G.W. Oberman, voor ‘Adoremus’ uitgegeven door uitgeverij C. Blommendaal<br />
n.v. Den Haag, 1959.<br />
27<br />
Zie H. Oostenbrink - Evers, Beginselen en achtergrond van de kerkorde<br />
van 1951 van de Nederlandse Hervormde Kerk, Zoetermeer 2000.<br />
68 <strong>Lectiones</strong> 8
Sinds de jaren dertig ijverden twee bewegingen, Kerkherstel (1930) en Kerkopbouw (1931), voor<br />
afschaffing van de besturen-kerk (1816) en invoering van een nieuwe kerkorde. Kerkherstel in<br />
gereformeerd presbyteriaal-synodale richting, Kerkopbouw in open oecumenische richting. 28<br />
29<br />
De vereniging Kerkopbouw was opgericht op initiatief van enkele ethische theologen (o.a. A.M.<br />
Brouwer, G. van der Leeuw en G.W. Oberman), die daartoe geïnspireerd werden door de Lambeth-<br />
30<br />
conferentie van 1930. In het beginselprogram van Kerkpbouw wordt de NH-Kerk opgeroepen zich<br />
meer bewust te worden van haar ‘eenheid en oecumeniciteit als tak van de Apostolische en<br />
Katholieke Kerk’. Behalve voor de oecumene was er in Kerkopbouw ook veel aandacht voor<br />
liturgische vernieuwing, zoals b.v. blijkt uit het rapport Het wezen van den Eredienst (1933), 31<br />
dat volgens G. van der Leeuw, onder wiens voorzitterschap het rapport was opgesteld, ‘zeker het<br />
32<br />
inzicht van de <strong>Liturgische</strong> kring weergaf. Ook de ambtsvraag werd binnen Kerkopbouw gesteld,<br />
maar men was – in tegenstelling tot Kerkherstel - minder gefixeerd op het presbyteriaal-synodale<br />
stelsel. Men zag wel degelijk de waarde in van het episcopale systeem. Zo signaleert O. Noordmans<br />
in zijn Beginselen van kerkorde (1932) een tekort aan 'ware bisschoppelijke geest' in de<br />
33<br />
gereformeerde traditie. Ook wordt in het reorganisatievoorstel van Kerkopbouw (1934) een plaats<br />
34<br />
ingeruimd voor de nieuwe figuur van de 'moderator'. Verder stelt de voorzitter van Kerkopbouw, de<br />
Utrechtse Nieuwtestamenticus A.M. Brouwer, in 1937 de presbyteriaal-synodale kerkregering ter<br />
28<br />
Zie daarover H. Bartels, Tien jaren strijd om een belijdende kerk, Den<br />
Haag, 1946.<br />
29<br />
Zie Kerkopbouw. Toespraken gehouden op de stichtingsvergadering der<br />
vereniging 'Kerkopbouw, Zeist, 1931, met toespraken van A.M. Brouwer,<br />
W.Th. Boissevain, G. van der Leeuw en F.W.A.. Korff.<br />
30<br />
De verschijning van de Nederlandse vertaling van het rapport van de<br />
conferentie (door W.H. van de Pol) werd door Kerkopbouw als een 'vingerwijzing'<br />
gezien. G. W. Oberman schrijft in het Woord vooraf: ‘Wij zoeken in onze kerk de<br />
Kerk van Christus. Daarom hebben wij nodig ons te bezinnen. Ziehier een<br />
getuigenis eener Kerk dat ons daarbij kan helpen. Want zonder de Oecumenische<br />
Kerk kan geen kerk haar diepste vragen beantwoorden’ (Het getuigenis der<br />
Christelijke Kerk, voor zover te Lambetth vertegenwoordigd, Baarn 1930, 8). Zie<br />
ook H. Bartels, Tien jaren strijd, 41.<br />
31<br />
Het wezen van den Eredienst. Rapport van de Kerkopbouwcommissie tot<br />
bestudeering van het Liturgisch Vraagstuk, Baarn 1933.<br />
32<br />
G. van der Leeuw, ‘Inleiding’, in Handboek voor den Eeredienst in de<br />
Nederlandsche Hervormde Kerk, samengesteld door de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong>,<br />
Rotterdamn 1934, 9-16, 11 (citaat).<br />
33<br />
O. Noordmans, Beginselen van kerkorde (Kerkopbouw-Geschriften Reeks<br />
E no 1), Assen 1932 (= VW deel 5, 172-193).<br />
34<br />
Ontwerp van een algemeen reglement en eenige organieke reglementen<br />
voor de Ned. Hervormde Kerk, opgesteld namens de Vereeniging<br />
Kerkopbouw, Baarn, z.j. (1933). Hierbij: O. Noordmans en C.G. Wagenaar,<br />
Het reorganisatie-ontwerp van Kerkopbouw toegelicht, Baarn 1933 en W.H.<br />
van de Pol, Reorganisatie, leidraad bij de bestudering van het reorganisatieontwerp<br />
van Kerkopbouw, Kerkopbouw-cursus nr 8, z.j.<br />
Hervorming en Catholiciteit 69
35<br />
discussie en vraagt Van der Leeuw in verschillende geschriften ruimte voor episcopale elementen in<br />
de kerkorde. 36<br />
Nadat de reorganisatiestrijd in 1939 in een impasse was geëindigd, kreeg een door de synode<br />
ingestelde Commissie Kerk en Gemeenteopbouw in 1942 de opdracht de weg te banen voor een<br />
nieuwe kerkorde in synodaal-presbyteriale geest. De commissie-Wagenaar ontwerpt tijdens WO II<br />
een werkorde, die in 1945 wordt goedgekeurd, waarna op 24 november 1947 het voltooide ontwerp-<br />
35<br />
A.M.Brouwer, De Kerkorganisatie der eerste eeuw en wij, Baarn, 1937.<br />
36<br />
G. van der Leeuw, ‘De Engelsche kerk als brugkerk', Algemeen Weekblad<br />
voor Christendom en Cultuur, 14 juni 1929; idem, ‘Het reorganisatieaccoord<br />
en de episcopale gedachte’, Kerkopbouw, 5 (1937), 98-99.<br />
70 <strong>Lectiones</strong> 8
kerkorde tijdens een bijzondere zittingvan de synode in Utrechtse Domkerk aan de synode wordt<br />
aangeboden. 37<br />
De oprichting van het Hilversums Convent<br />
Inmiddels was er vanuit de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> een tegenbeweging op gang gekomen in de vorm<br />
van het Hilversums Convent, genoemd naar de Hilversumse predikant Ds J. Loos, in wiens<br />
pastorie op 10 oktober 1947 de eerste bijeenkomst van het Convent gehouden werd. Onder de<br />
leden komen we onder meer de namen tegen van de predikanten J. Loos, Hilversum<br />
38 39 40<br />
(Bethlehemkerk) , J. M. Gerritsen, Wichmond , J.K. van den Brink, Assendelft , G. W.<br />
41 42 43<br />
Oberman, Utrecht , H. Miskotte, Zwolle en L. Brink, Velsen .<br />
37<br />
Zie H. Oostenbrink – Evers, ‘De kerkrechteljke ontwikkelingen binnen de<br />
Nederlandse Hervormde Kerk tijdens de Tweede Wereldoorlog’, in: Jaarboek<br />
voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme na 1800, 3 (1995),<br />
106-133, 131.<br />
38<br />
Voordat hij in 1946 naar Hilversum kwam was Loos (1908-1989) predikant<br />
geweest te Oudega (W.) (1933), Arnhem (1937) en Workum (1939).<br />
39<br />
J.M. Gerritsen (1908-1962) was van 1934 tot zijn dood in 1962 predikant te<br />
Wichmond. ‘Hij was vrijwel de enige in ons land, die in de samenhangen van<br />
de Schrift en in de vroeg-christelijke tekstverklaring opnieuw de actuele<br />
betekenis der typologische exegese had ontdekt en bestudeerd. (..) Maar<br />
vóór alles was hij voor tallozen een bemind leider in het rijk van de<br />
spiritualiteit der kerk (…). Door diepgaande kennis en praktische beoefening<br />
had Gerritsen zich ontwikkeld tot de grootste liturgioloog, die de Hervormde<br />
Kerk ooit heeft voortgebracht’, R. Boon, ‘In Memoriam’, Woord en Dienst 28<br />
april 1962. Zie ook L. Brink, ‘Johan Marie Gerritsen’, in BLNP 3, 135 -137.<br />
40<br />
Zie J.K. van den Brink, ‘Eeredienst en Priesterschap’, Vox Theologica 6<br />
(1934), 25 – 34; idem, ‘Aanbidding, de lofzang van het geloof’, Eltheto, mei<br />
1937; idem, ‘De achtergrond van het liturgisch streven’, in: Nieuw Evangelisch<br />
Tijdschrift 16 (1934), 35-64. Hij was sterk geboeid door de opvattingen van<br />
Friedrich Heiler, de inspirator van de Hochkirchliche Vereinigung. Hij<br />
verzorgde een Nederlandse vertaling van door hem uitgekozen fragmenten uit<br />
Heilers Evangelische Katholizität en Im Ringen um die Kirche, onder de titel<br />
De strijd om de Kerk, met een voorwoord van G. van der Leeuw, Baarn z.j<br />
(1935). Zie over Heiler: H. Hartog, Evangelische Katholizität. Weg und Vision<br />
Friedrich Heilers, Mainz 1995.<br />
41<br />
G.W. Oberman (1889-1967), zoon van de kohlbruggiaanse predikant F.O.<br />
Oberman, predikant te Bovensmilde (1918), Leeuwarden (1922) en Utrecht<br />
(1926). In 1953 ging hij om gezondheidsredenen met emeritaat. Hij<br />
promoveerde in 1922 op het proefschrift Verwaarloosde en misdadige jeugd;<br />
haar godsdienstig leven en geestelijke verzorging. Hij was vrijwel vanaf het<br />
begin (1921) lid van de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> en het Hilversums Convent. Hij<br />
begon in de Utrechtse Wilhelminakerk met ‘liturgische diensten’ en was de<br />
auteur van het veelgebruikte boek De gang van het kerkelijk jaar, ’s-<br />
Gravenhage 1947. ‘Met Van der Leeuw stond hij volledig op het kerkelijk en<br />
theologisch standpunt van de “evangelische katholiciteit”’, J.N. Bakhuizen van<br />
den Brink, in zijn ‘In Memoriam’, Woord en Dienst, juli 1967.<br />
42<br />
H. Miskotte (1910-1985), predikant te Zwolle, niet te verwarren met zijn<br />
neef: prof. dr K.H. Miskotte te Leiden. Ook hij was aanhanger van de<br />
opvattingen van Fr. Heiler over ‘evangelische katholiciteit’.<br />
Hervorming en Catholiciteit 71
Tot het convent behoorden ook enkele niet-theologen, onder meer: Baronesse Th. A.<br />
Lynden – van der Brugghen. Zij heeft als secretaresse van het convent veel interessant<br />
44<br />
materiaal verzameld en bewaard, te vinden in het archief-Van Lynden; Mr W.J. Kolkert,<br />
subsistuut-officier van Justitie, Zeist (lid<br />
GKN, later overgegaan naar de Evangelische Broedergemeente); J. van Staveren,<br />
Utrecht (NH), journalist bij het Utrechts Nieuwsblad en redacteur van het gerenommeerde<br />
kerkblad Hervormd Utrecht (later oud-katholiek geworden).<br />
Enigszins op afstand, maar zeker in het begin wel sympathiserend, stonden: J. N.<br />
Bakhuizen van den Brink, kerkhistoricus te Leiden en lid – later voorzitter - van de <strong>Liturgische</strong><br />
<strong>Kring</strong>, als opvolger van G. van der Leeuw; H. van der Linde, de reeds genoemde<br />
studiesecretaris van de het jaar daarvoor opgerichte Oecumenische Raad, in 1947<br />
45<br />
gepromoveerd op het proefschrift Rome en de Una Sancta.<br />
De opzet van het convent was breder dan alleen Nederlands Hervormd: men telde ook een<br />
Anglicaan onder de leden, enkele Oud-Katholieken en zelfs een aantal Rooms-Katholieken, terwijl er<br />
ook contacten waren met de toen nog onbekende communiteit van Taizé in Frankrijk, de<br />
Evangelisch-Ökumenische Vereinigung in Duitsland en de Benedictijnen van de Keizersberg te<br />
Leuven. 46<br />
Toen het ledental groeide koos men voor een indeling in drie kringen: de binnenste kring (de<br />
ondertekenaars van de Verklaring), de wijde kring van financieel bijdragende leden en de nog wijdere<br />
kring van belangstellenden, die alleen maar de bijeenkomsten van het convent bezochten. 47<br />
Vanaf 1953 werd ook een bescheiden periodiek uitgegeven, Hervorming en Catholiciteit. Het<br />
blad verscheen vier keer per jaar en bevatte naast allerlei informatie, zoals de kerkelijke<br />
kalender, verslagen van conferenties en regionale bijeenkomsten, ook inhoudelijke artikelen,<br />
43 L. Brink (1916-1998), predikant te Gaast en Ferwoude (1945) en Velsen-<br />
Zuid (1948-1981), was lid van de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> en van 1962-1981<br />
voorzitter van het Convent Hervorming en Catholiciteit. Hij promoveerde op<br />
het proefschrift De taak van de kerk bij de huwelijkssluiting, Nieuwkoop,<br />
1977.<br />
44<br />
Het archief - Van Lynden bevindt zich sinds 2006 in het Utrechts Archief.<br />
Zie noot 1.<br />
45<br />
H. van der Linde, Rome en de Una Sancta, Nijkerk 1947. Enkele van zijn<br />
publicaties uit die tijd: H. van der Linde, ‘Het gesprek van Rome en de<br />
Reformatie’, WNHK, 12 juli 1947; idem, ‘Kerk en overlevering’, Vox Theolgica,<br />
december 1947;<br />
Interessant is ook: H. van der Linde en A.F.N. Lekkerkerker, ‘De liturgische<br />
beweging, haar achtergronden en haar plaats in Utrecht’, in: Hervormd Utrecht, 17<br />
juni 1949. Hij was predikant te Beek-Ubbergen (1944), secretaris van de<br />
Oecumenische Raad (1947) en predikant te Middelburg (1953). In 1960 ging hij over<br />
naar de RK kerk. In 1965 werd hij hoogleraar in de gechiedenis en de problematiek<br />
van de oecumenische beweging. Hij schreef zijn levensverhaal in Van protestant<br />
katholiek geworden en beide trouw gebleven. Een terugblik, Budel 2004.<br />
46<br />
Zie J. Loos, ‘Het Hilversumse Convent (1947-1955)’, Binnenlands<br />
Apostolaat 11 (1960), 50. Helaas noemt de auteur geen namen.<br />
47 idem, 49v.<br />
72 <strong>Lectiones</strong> 8
48<br />
veelal van J.M. Gerritsen. Vanaf 1964 ging het blad samen met Communiteit, een tijdschrift<br />
gericht op spiritualiteit, onder redactie van A.F.L. van Dijk. Het laatste nummer daarvan<br />
verscheen in november 1965.<br />
Doelstelling<br />
De directe aanleiding tot het ontstaan van het HC was de eerder genoemde preek van Geoffrey<br />
49<br />
Fisher, aartsbisschop van Canterbury, gehouden in 1946. Ds Loos, die al langer nauwe<br />
relaties onderhield met de Kerk van Engeland en was gaan twijfelen aan de geldigheid van zijn<br />
ambt, was zo getroffen door deze preek, dat hij besloot een aantal geestverwanten bijeen te<br />
brengen met de bedoeling de vraag van Fisher ook in Nederland aan de orde te stellen.<br />
Wellicht zou er in de toekomstige presbyteriaal ingerichte Nederlandse Hervormde Kerk ruimte<br />
geschapen kunnen worden voor hen die op grond van studie van de bijbel en de kerkvaders tot<br />
de overtuiging waren gekomen dat een episcopale wijding voorwaarde was om als predikant in<br />
50<br />
de Nederlandse Hervormde Kerk te kunnen functioneren. Tijdens de zopas genoemde<br />
bijeenkomst op 10 oktober 1947 stelde Loos dan ook voor deze zaak in de kerk aan de orde te<br />
51<br />
stellen door gezamenlijk een Verklaring op te stellen en deze op ruime schaal te verspreiden.<br />
Toch is het een misverstand om het ontstaan van het HC uitsluitend te motiveren vanuit de<br />
persoonlijke problematiek van Loos. Het Convent wilde – vooral onder invloed van zijn theologische<br />
leidsman (en later ook voorzitter) J.M. Gerritsen – de ambtsvraag niet los zien van het herstel van de<br />
liturgie, de kerk, haar sacramenten en heel haar spiritualiteit. Het doel was: een totale heroriëntatie<br />
aan de Kerk van de eerste eeuwen: de ene, ongedeelde katholieke en apostolische Kerk. In één<br />
woord: het ging het HC om de evangelische catholiciteit (niet met een 'k', maar met een 'c': om<br />
vereenzelviging met de Romana te vermijden!) van de kerk: zie artikel 1 van de stichtingsakte (1952):<br />
48<br />
De complete jaargangen van Hervorming en Catholiciteit worden bewaard<br />
in de bibliotheek van de Vrije Universiteit te Amsterdam.<br />
49 Zie boven, noot 18.<br />
50<br />
Zie J. Loos, ‘Het Hilversumse Convent (1947-1955)’, Binnenlands<br />
Apostolaat 11 (1960), 43-44.<br />
51<br />
Uit het handgeschreven verslag dat de secretaris van het Convent,<br />
mevrouw Th.A. van Lynden-van der Brugghen, van de oprichtingsvergadering<br />
d.d. 10 oktober 1947 maakte staat niets over het voorstel van aartsbisschop<br />
Fisher. Er wordt slechts vermeld dat Loos in zijn inleiding twee dingen<br />
benadrukte: ten eerste: het ’centrale mysterie van de incarnatie’, dat de<br />
theologische achtergrond vormt van de <strong>Liturgische</strong> beweging en dat in de NHK<br />
niet tot uiting wordt gebracht; ten tweede: de komende presbyteriale kerkorde,<br />
waarvoor men zich ten onrechte op de Schrift beroept. Men zal volgens Loos<br />
op grond van de incarnatie meer synthetisch moeten spreken dan de<br />
Reformatie gedaan heeft: ‘Wat zeggen wij van de apostolische successie,<br />
van het kerkelijk ambt? Wat is de Kerk? De bisschop is de legitieme Hoeder.<br />
Daar is een lijn van de apostelen naar de bisschop, daar is de apostolische<br />
successie. (…) Is het episcopaat essentieel voor de Kerk, dan komen wij er<br />
zo niet uit, dan mogen wij niet berusten. (…) Moeten wij dan uit de Kerk<br />
omdat wij zeggen: dit is geen Kerk? Moeten wij Oud-Katholiek worden? Of in<br />
de Hervormde Kerk blijven en daar als een zuurdesem werken?’ Zie Th.A.<br />
van Lynden-van der Brugghen, ‘Reconstructie van de geschiedenis van van<br />
het Hilversums Convent’, 1953/1979, p. 2 en 3.<br />
Hervorming en Catholiciteit 73
‘De stichting (bedoeld is H en C) heeft ten doel door bevordering van Catholiek geloven en leven<br />
52<br />
binnen de kerken der Hervorming te werken voor kerkelijke hereniging in Catholieke zin’. Daarbij<br />
keek men vooral naar de Anglicana, een kerk die zowel protestant is als katholiek.<br />
In de praktijk richtte het merendeel van de leden zich op de liturgie, met name de sacramenten,<br />
maar ook het getijdengebed, de biecht en de oecumene kregen veel aandacht. De ambtsvraag<br />
vormde dus slechts één van de aandachtspunten van het HC. Dat het convent veelal wordt<br />
geïdentificeerd met ‘de kwestie Loos’ en de vraag naar de apostolische successie heeft<br />
ongetwijfeld te maken met het feit dat juist die ‘kwestie’ enkele jaren later zo’n enorme<br />
commotie zou veroorzaken in de NHK.<br />
Activiteiten<br />
Het HC organiseerde talrijke aktiviteiten. De belangrijkste daarvan zijn de volgende.<br />
Artikelen<br />
Men publiceerde aanvankelijk in het tijdschrift Kerk en Eredienst (KE), dat in 1946 was<br />
voortgekomen uit de liturgische beweging. De redactie bood de leden van het HC ruimte voor<br />
soms diepgravende theologische beschouwingen over ecclesiologische, oecumenische en<br />
liturgische onderwerpen. Ik geef twee karakteristieke voorbeelden:<br />
53<br />
- J.M. Gerritsen, ‘Evangelisch-Katholiek’ (1947). Dit artikel, aanvankelijk verschenen in<br />
het Weekblad van de Nederlandse Hervormde Kerk (WNHK), leidde tot een felle discussie<br />
tussen Gerritsen, Van der Leeuw en J.H. Semmelink enerzijds en A.F.N. Lekkerkerker en K.H.<br />
54<br />
Miskotte anderzijds. Gerritsen had het begrip ‘evangelisch-katholiek’ als volgt omschreven:<br />
Het eerste lid daarvan bedoelt op positieve wijze onze reformatorische oorsprong en de<br />
erkenning van de Reformatie uit te spreken. Het tweede lid duidt aan, dat wij niet bij de<br />
52<br />
In zijn artikel ‘De plaats van het Hilversums Convent in de wereldkerk’,<br />
Hervorming en Catholiciteit, 2 (1954), nr 4 (15 december) legt Gerritsen<br />
sterke nadruk op het oecumenisch karakter van het HC. Weliswaar wil het<br />
convent, dat voortgekomen is uit het Gereformeerd Protestantisme, allereerst<br />
‘de catholieke waarden van het Calvinisme herstellen’, maar het weet zich<br />
ook verbonden met de Orthodoxe kerken, de Anglicaanse kerk en verwante<br />
groepen in de de kerken van Duitsland, Zweden en Amerika. Ook zoekt men<br />
het gesprek met de Wereldraad en de kerk van Rome. Maar steeds gaat het<br />
om de vraag van de waarachtige catholiciteit. ‘Samen met de catholieke<br />
kerken en groepen wil het Convent trachten binnen het Nederlandse<br />
Protestantisme het begrip van deze waarachtige catholiciteit te wekken en te<br />
doen groeien’.<br />
53<br />
J. M. Gerritsen, ‘Evangelisch-Katholiek’, WNHK 8.2 1947 = KenE, 2<br />
(1947), 166 – 168.<br />
54<br />
Zie A.F.N. Lekkerkerker, ‘De Reformatie in de crisis’, WNHK 1.3.1947; K.H.<br />
Miskotte, ‘Het antwoord aan Rome’, WNHK 15.3.1947 en de antwoorden<br />
daarop van respectievelijk G. van der Leeuw en J.H. Semmelink , WNHK<br />
29.3.1947. Gerritsen antwoordt zijn critici met het artikel, ‘De universeele<br />
Catholica’, WNHK 12.4.1947 = KenE 2 (1947), 168-170, waarop<br />
Lekkerkerker het laatste woord krijgt met zijn artikel ‘Kohlbrugge op de berg<br />
Athos’, WNHK 31.5.1947 = KenE 2 (1947), 170-173.<br />
74 <strong>Lectiones</strong> 8
Reformatie van de zestiende eeuw willen blijven staan, maar vanuit ons geloof in de ééne<br />
Kerk op grond van de historische aanwijsbaarheid van de ongedeelde Kerk der eerste<br />
eeuwen onze kerk in de richting van de Una Sancta der toekomst willen stuwen’. 55<br />
Lekkerkerker zag hierin een miskenning van het eigene van de Reformatie, maar tegelijk gaf<br />
hij toe dat een afdoend antwoord aan Rome nog steeds op zich liet wachten. K.H Miskotte<br />
reageerde daarop met de stelling dat het afdoende antwoord al lang gegeven is: door Karl<br />
Barth – waarop Van der Leeuw en Semmelink schreven dat een kerk die welke theologie ook<br />
als het definitieve antwoord beschouwt Roomser is dan de paus. In zijn slotartikel ‘De<br />
universeele Catholica’ schrijft Gerritsen dat hij de betekenis van de Reformatie in genen dele<br />
wil ontkennen, maar dat hij slechts heeft willen waarschuwen tegen de ‘verenging die onze<br />
kerk bedreigt’, wanneer wij haar isoleren van het grote geheel van de universeele Catholica’.<br />
- J. Loos, ‘Vragen inzake de kerkorde’ (1949). In dit artikel, oorspronkelijk een<br />
toespraak voor het dispuut ‘Vinculum Theologicum’ te Utrecht, reageert Loos op de in 1947<br />
56<br />
aangenomen ontwerp-kerkorde van de NHK met haar presbyteriale ambtsstructuur. Stevig<br />
leunend op de eerder genoemde bundel Apostolic Ministry (Kirk) verdedigt hij op basis van de<br />
Schrift en de vroege kerk het episcopaat en de apostolische successie als voortzetting van de<br />
incarnatie. Wanneer de reformatie daarmee breekt, breekt zij in beginsel met het catholieke<br />
geloof. En wie buiten de apostolische successie geordend is, ‘vrage zich in ernst af, of hij tot de<br />
uitdeling der heilige sacramenten inderdaad wel bevoegd is’, een duidelijke verwijzing naar de<br />
Verklaring van het HC. Hij eindigt zijn betoog dan ook met de opmerking dat de roep van het HC<br />
om een bisschop gehoord wil zijn ‘als de roep van een man, die op een ijsschots afgedreven, naar<br />
zijn broeders op de vaste wal schreeuwt om hulp. Hoe meer er met ons roepen, des te eerder zal<br />
57<br />
men ons van de overzijde horen’.<br />
Conferenties<br />
Op het conferentiecentrum De Hoorneboeg te Hilversum werden (vanaf 1950) driedaagse<br />
conferenties gehouden (van vrijdagavond tot zondagavond), waar niet alleen lezingen over<br />
theologische en liturgische onderwerpen werden gehouden, maar waar - voor het eerst in de<br />
geschiedenis van de NHK - ook het dagelijks getijdegebed gebeden werd, vooral gestimuleerd<br />
door J.M. Gerrritsen, die daartoe het Nederlands Getijdenboek samenstelde, een bewerking van<br />
58<br />
het Breviarium Monasticum van de Benedictijnen. Op zondagmorgen was er een<br />
eucharistieviering onder leiding van Pfr W. Drobnitzky, een door de sterk katholiserende lutherse<br />
bisschop Friedrich Heiler gewijde Lutherse predikant en voorzitter van de Hochkirchliche<br />
59 60<br />
Vereinigung. Men volgde voor deze dienst de door Heiler samengestelde Deutsche Messe. In<br />
55<br />
J. M. Gerritsen, ‘Evangelisch-Katholiek’, WNHK 8.2 1947 = K en E, 2<br />
(1947), 166 – 168 (citaat: 167).<br />
56<br />
J. Loos, ‘Vragen inzake de kerkorde’ KenE 4 (1949), 34-43.<br />
57<br />
J. Loos, ‘Vragen inzake de kerkorde’ KenE 4 (1949), 43.<br />
58<br />
Het Nederlands Getijdenboek, bewerkt door J.M. Gerritsen en uitgegeven<br />
door de stichting ‘Hervorming en Catholiciteit’, deel I (1957) en II (1964). Zie<br />
daarover: J. M. Gerritsen, ‘Het Nederlands Getijdenboek’, in KenE, 6 (1951),<br />
201-215.<br />
59<br />
Zie over Drobnitzky: H. Hartog, Evangelische Katholizität. Weg und Vision<br />
Friedrich Heilers, Mainz 1995, passim. Sommige Hervormde predikant-leden<br />
van het HC ontvingen volgens Mevr. Van Lynden (heimelijk) een additionele<br />
Hervorming en Catholiciteit 75
totaal zijn er tussen 1948 en 1955 tien conferenties gehouden. Ze werden druk bezocht door<br />
predikanten, theologie-studenten en belangstellenden uit andere kerken. 61<br />
Verklaring gericht tot allen die de Kerk van Jezus Christus liefhebben<br />
Wat echter de grootste impact heeft gehad op de kerk was de al enkele keren genoemde Verklaring<br />
die het HC in 1947 had opgesteld en aan alle NH predikanten was toegezonden. Het document was<br />
ook ter publicatie aangeboden aan het WHNK, maar omdat de redactie het alleen wilde opnemen<br />
mits voorzien van een redactioneel naschrift (hetgeen de opstellers weigerden) – kon de Verklaring<br />
pas in 1950 onder de titel Hervorming en Catholiciteit. Een Verklaring worden uitgegeven, in<br />
brochurevorm en met toelichtende commentaren van de opstellers. Dit laatste op advies van<br />
62<br />
Bakhuizen van den Brink. De uitgave werd een ‘ongehoord succes’ (Loos), omdat er veel publiciteit<br />
aan werd gegeven. 63<br />
De ondertekenaars spreken hun blijdschap uit over het alom oplevend kerkelijk besef en over<br />
het oecumenisch streven, maar zij uiten hun bezorgdheid over de verabsolutering van bepaalde<br />
wijding van de door Fr. Heiler gewijde Pfr Drobnitzky. Zie Th.A. van Lyndenvan<br />
der Brugghen, ‘Reconstructie van de geschiedenis van van het<br />
Hilversums Convent’, 1953/1979 (in archief van Th.A. van Lynden,<br />
Utrechts Archief).<br />
60<br />
Datema, Het Hilversums Convent, 99 en 129-133 (vertaling van Heilers<br />
Deutsche Messe).<br />
61<br />
De in het archief-Van Lynden bewaarde teksten van de lezingen en de in<br />
het huisorgaan van het HC opgenomen verslagen geven een goed beeld van<br />
de grote verscheidenheid aan onderwerpen waarover gesproken werd. Zo<br />
sprak H. Miskotte op de eerste conferentie (oktober 1950) over ‘De Incarnatie’<br />
en J. Loos over ‘Het Hilversums Convent’. Op de tweede conferentie (mei<br />
1951) refereerde J.M. Gerritsen over ‘Het Getijdengebed’ en op de vierde<br />
conferentie (mei 1952) H. van der Linde over ‘Catholiciteit en Oecumene’. Op<br />
de zevende (oktober 1953) J. Loos over ‘Schrift en Traditie’ en H. Miskotte<br />
over ‘De Kerk als Lichaam van Christus’. Op de achtste conferentie (maart<br />
1954) L.J.F. Laagwater over ‘De kerkelijke viering van Witte Donderdag en<br />
Goede Vrijdag’ en Dr. P. Hendriks, rector van het Gymnasium te Dordrecht,<br />
over ‘De diensten van de H. Week als ikoon van de Huiveringwekkende<br />
Passiën’.<br />
62<br />
Hervorming en Catholiciteit, een Verklaring, onder redactie van J. Loos en<br />
J.N. Bakhuizen van den Brink, Rotterdam 1950. De Verklaring was opgesteld<br />
door de predikanten J. Loos, J.M. Gerritsen, H. Miskotte en de jurist W.J.<br />
Kolkert. Zie K. Datema, Het Hilversums Convent, 22. Op p. 11 in alfabetische<br />
volgorde de namen van de 29 ondertekenaars: 11 (hervormde) predikanten<br />
en 18 gemeenteleden, afkomstig uit de NHK, de Gereformeerde Kerken en de<br />
Oud-Katholieke Kerk: W. van Beusekom, R.Th. Bijleveld, J. de Boer, J.K. v.d.<br />
Brink, H. Coolsma, S. Coolsma, P. Dijkstra, A. van Essen-Bosch, J.M.<br />
Gerritsen, L.M.A.E. Gerritsen-Hesse, W.J. Kolkert, L.J.F. Laagwater, I.<br />
Leeflang, J. Leestemaker, J. Loos, G. Messie, J. Milders, H. Miskotte, J.H.<br />
Morreau, G.W. Oberman, B.J. Riemersma, A. van Rossum, W. Sieveking-<br />
Koops, J. van Staveren, H.M.G. Thate-Reisch, J. Valck Lucassen-Welter, M.<br />
van der Wall Bake-Del Court van Krimpen, L.J. Winckel en M.H.F. Witteveen.<br />
Merkwaardigerwijs ontbreekt de naam van de secretaris van het Convent,<br />
mevr. Th.A. van Lynden-van der Brugghen.<br />
63<br />
J. Loos, ‘Hervorming en Catholiciteit’, in: KenE, 5 (1950), 235.<br />
76 <strong>Lectiones</strong> 8
inzichten binnen het gereformeerd protestantisme, met name in de puriteinse gestalte die het in<br />
ons land heeft aangenomen. Hun theologisch uitgangspunt is de in anglo-katholieke kringen<br />
gekoesterde visie op de incarnatie, die zich voortzet in de traditie van de kerk, met name in de<br />
opvolging van de bisschoppen vanaf de apostelen tot nu toe. Op grond daarvan roept de<br />
verklaring de kerken op tot bezinning op de vier in de eerder genoemde ‘Lambeth-vierhoek’ 64<br />
genoemde criteria van een waarlijk ‘catholieke’ kerk: aanvaarding van de Heilige Schrift, het<br />
credo van de kerk, de sacramenten van doop en avondmaal en het ‘historisch episcopaat’, een<br />
uit de anglicaanse theologie afkomstige term (historic episcopate), waarmee bedoeld is het<br />
episcopaat zoals het door de eeuwen heen zonder onderbreking is overgeleverd.<br />
Het vierde punt van de Verklaring luidt:<br />
Wij geloven, dat de Vleeswording des Woords zich voortzet in de Heilige Kerk tot de voleinding<br />
der eeuwen. Daarom belijden wij, dat de Kerk het Lichaam is van den Zoon Gods, waarin Hij zelf<br />
onder ons voortleeft, en dat Hij in haar het ambt der Apostelen en Opzieners heeft ingesteld, door<br />
welke Hij zijn heerschappij onder ons wil uitoefenen.<br />
Wij geloven, dat Hij aan der oplegging der handen door de van Hem verordineerde Opzieners<br />
voor alle tijden de mededeling van zijn Heiligen Geest verbindt en dat het ambt berust op een<br />
bijzondere genaderoeping en afzondering tot dezen heiligen dienst door den Heer der Kerk Zelf.<br />
Wij stellen daarom de vraag of het enige Kerk geraden is, zich aan deze apostolische successie te<br />
onttrekken en of het ambt niet geheel onvoldoende gewaardeerd wordt door het slechts te zien als<br />
een verbijzondering van het ambt aller gelovigen; voorts of wij niet spelen met de Goddelijke<br />
genade, wanneer wij met veronachtzaming dezer van het begin af onderhouden overlevering der<br />
Kerk, - zonder ons de vraag te stellen of wij tot de uitdeling der Heilige Sacramenten de Goddelijke<br />
volmacht bezitten en zonder ernstig te zoeken naar de oplossing van dit probleem - rustig<br />
voortgaan met de bediening der Heilige Sacramenten. 65<br />
Het commentaar bij dit gedeelte in de bundel Hervorming en Catholiciteit is van de hand van<br />
66<br />
Loos. Daarin stelt hij - op grond van de openbaring in Jezus Christus, zoals die is vastgelegd<br />
in de Heilige Schrift, en in overeenstemming met de geloofsbelijdenis der ongedeelde kerk - dat<br />
de bisschop en niet de Geneefse ouderling de eigenlijke ambtsdrager is in de Kerk. Het ambt<br />
komt tot ons van Christus langs de lijn der apostolische successie. ‘Iedere “kerkorde’, die niet<br />
op deze wijze apostolisch is, berust op een constructie, om niet te zeggen op een fictie’.<br />
Daarom is de breuk die de Reformatie met een beroep op het sola scriptura op het gebied van<br />
het ambt heeft teweeggebracht, zo bedenkelijk en betreurenswaardig: het betekent dat zowel<br />
het lutheranisme als het Calvinisme on-catholiek zijn. Zonder de traditie komen we niet uit. Loos<br />
concludeert: ‘Wie bereid is naar de Schrift in samenhang met de Traditie der Kerk te luisteren,<br />
omdat hij erkent, dat de Kerk de Schrift nooit alleen gelezen heeft, die komt tot de conclusie, dat<br />
de bisschoppen, als opvolgers der apostelen, de legitieme herders van de kudde van Christus<br />
zijn’.<br />
64<br />
Zie over de Lambeth Quadrilateral: S.W. Sykes and J. Booty (eds), The<br />
Study of Anglicanism, London, 1988, register, s.v.<br />
65<br />
Zie Hervorming en Catholiciteit, 10.<br />
66<br />
Zie voor het volgende J. Loos, ‘Het apostolisch ambt’, Hervorming en<br />
Catholiciteit, 77-85.<br />
Hervorming en Catholiciteit 77
De reacties op de Verklaring<br />
De reacties waren veelal stormachtig. Van der Leeuw was woedend, zoals blijkt uit een brief<br />
67<br />
van zijn hand: ’dit gaat niet naar de Catholieke kerk, dit gaat naar Rome’, Lekkerkerker<br />
68<br />
schreef dat het HC bezig is het tafellaken met de kerk der Reformatie door te snijden en<br />
Dankbaar besluit zijn 20 pagina’s tellende bespreking van de Verklaring met de zin: ‘Christus is<br />
gevangen in een vorm van heilsbediening en kerkregering, die aan de eer van Hem en van zijn<br />
69<br />
heilig Lichaam, de kerk, te kort doet’. Maar ook geestverwant H. van der Linde had zijn<br />
bedenkingen: de vraag, welke bijdrage ‘het evangelische element zou kunnen leveren aan de<br />
nieuwe synthese van catholiserend en evangelisch denken’ komt nauwelijks expliciet ter sprake.<br />
‘Wij lopen met dit soort publicaties gevaar in de hoek van de goed bedoelde, niet zeer ernstige<br />
en oecumenisch wat dilletanterende theologen te worden geschoven.’ 70<br />
67<br />
Onmiddellijk na ontvangst van het verschijnen van de Verklaring schrijft<br />
Van der Leeuw aan mevr. Van Lynden: ‘In dit stuk staat nu precies alles wat<br />
ons gemeenlijk verweten wordt en waarmee ik het niet eens ben. (…). Het<br />
Vleesgeworden Woord, dat zich voortzet in de kerk, in een ongebroken lijn,<br />
waarbij noch plaats is voor de discontinuïteit van de zonde, noch voor die van<br />
de Heilige Geest. Ik acht deze opvatting in de hoogste mate noodlottig. Dit<br />
gaat niet naar de Catholieke Kerk, maar naar Rome. (…) Voor de<br />
apostolische successie - als onmisbaar - voel ik niets. Het is een adiaphoron.<br />
Ik sta hier geheel op het standpunt van de Zweden en de Anglicanen. (…) De<br />
aansluiting aan de historische lijn kan evengoed Rome als Constantinopel<br />
betekenen. Het is het zéér gevaarlijke argument van Newman. In diens plaats<br />
verkies ik de bijbels-catholieke lijn, die ook de Reformatie insluit. Ik weet, dat<br />
Newman dit precies zo zou voelen’, G. van der Leeuw aan mevr. Th.A. van<br />
Lynden d.d. 12 november 1947 (archief Th.A. van Lynden).<br />
68<br />
‘Wie de mededeling van de Heilige Geest verbindt aan apostolische<br />
successie en oplegging der handen is bezig het tafellaken met de kerk der<br />
Reformatie door te snijden’ (A.F.N. Lekkerkerker, in Kerk en Theologie 1<br />
(1950), 127 (Kroniek).<br />
69<br />
W.F. Dankbaar publiceerde in het NTT een dertien pagina’s tellende<br />
vernietigende bespreking. Hij hekelt de romantische visie van de opstellers<br />
op de vroege kerk; veroordeelt het incarnationalisme waar ze van uitgaan als<br />
filosofische speculatie; en heeft bezwaar - niet tegen de bisschop als zodanig:<br />
‘daar valt over te praten’, maar - tegen de wijze waarop het gezag van de<br />
bisschop sacramenteel wordt gefundeerd. Zijn conclusie: ‘Christus is<br />
gevangen in een vorm van heilsbediening en kerkregering, die aan de eer van<br />
Hem en van zijn heilig Lichaam, de kerk, te kort doet’ (W.F. Dankbaar,<br />
‘Kanttekeningen bij Hervorming en Catholiciteit’, NTT 1950, 87-100).<br />
70<br />
H. van der Linde betreurt het dat de opstellers hun zaak niet langs de<br />
gewone weg van discussie en gesprek aan de orde hebben gesteld in de kerk<br />
- juist omdat de in de Verklaring genoemde punten in oecumenisch opzicht<br />
uiterst actueel zijn (hij verwijst daarbij naar de al sinds Lausanne-1927<br />
bepleite, echter alleen nog maar in de Kerk van Zuid-India gelukte synthese<br />
van episcopale, presbyteriale en congregationalistische elementen). Verder is<br />
hij van mening dat de opstellers hun taak te licht hebben opgenomen: de<br />
vraag welke bijdrage ‘het evangelische element’ zou kunnen leveren aan ‘de<br />
nieuwe synthese van catholiserend en evangelisch denken’ komt nauwelijks<br />
expliciet ter sprake. En vooral: vrijwel nergens geven zij een exegetische<br />
verantwoording van hun denkbeelden. Dat is in een reformatorische kerk een<br />
78 <strong>Lectiones</strong> 8
Zoals te verwachten, waren de reacties uit de kerken van de katholieke traditie positiever. Zo<br />
schreef N.G.M van Doornik in De Tijd, ‘dat we hier een zwenking naar het katholicisme voor<br />
ons zien, zoals de NHK nog niet eerder heeft beleefd’. Toch was hij niet optimistisch: ‘Het lijkt<br />
ons uitgesloten dat de Synodale leiding ooit met deze beweging wil onderhandelen aan de<br />
rondetafel. (…) ’De nieuwe kerkorde zal nooit bekroond worden met een bisschopswijding<br />
onder de gewelven ener hervormde kathedraal als voortzetting van de succesio apostolica.’ 71<br />
Maar De Oud-Katholiek concludeert: ’Hoezeer hier in deze groep verwantschap met het<br />
katholicisme bestaat - van verwantschap met Rome (wat iets geheel anders is) hebben wij niets<br />
kunnen bespeuren.’ (…) ‘Deze groep staat op oud-katholiek standpunt.’ 72<br />
Intussen had het moderamen van de synode - vooral op aandringen van de zeer oecumenisch<br />
gezinde secretaris-generaal E. Emmen - de opstellers van de Verklaring uitgenodigd voor een<br />
73<br />
reeks gesprekken. Aanvankelijk hadden die een constructief verloop. Op de vraag naar de<br />
schriftuurlijke onderbouwing van de catholiek-episcopale ambtsopvatting schreef Gerritsen een<br />
principiële en tactische fout: ‘Wij lopen met dit soort publicaties gevaar in de<br />
hoek van de goed bedoelde, niet zeer ernstige en oecumenisch wat<br />
dilletanterende theologen te worden geschoven’. Zie zijn bespreking van<br />
Hervorming en Catholiciteit in KenE, 5 (1950), 186-190 en de reactie daarop<br />
van Loos, ibidem, 234-236.<br />
71<br />
N.G.M. van Doornik, ‘Reformatio Reformata’, drie artikelen in De Tijd: I (14<br />
april 1950), II (15 april) en III (18 april), citaten, resp in II en III. Zie ook J.C.<br />
Groot, ‘Hervorming en Catholiciteit’, in: Het Schild 27 (1950), 248-253<br />
(Kroniek). De auteur besluit zijn beschouwing aldus: ‘Moge het (sc. het boek<br />
Hervorming en Catholiciteit) voor de protestanten van Nederland een oproep<br />
zijn tot ernstige bezinning op de zuivere en volle evangelische waarheid,<br />
waaraan in grote eerlijkheid en onbaatzuchtige liefde voor Christus gehoor<br />
gegeven wordt’. De Verklaring verscheen in extenso in het Katholiek Archief,<br />
jrg 5 (1950), nr 14, kolom 283-286. In het begeleidend commentaar wordt<br />
onder meer gezegd: ‘Ofschoon de schrijvers zich voorzichtig uitdrukken en de<br />
band met de Hervormde Kerk nog bestaat, mag men zich afvragen of hier niet<br />
met wezenlijke opvattingen van de Hervormers gebroken wordt. (…) Als<br />
katholiek kan men zich slechts verheugen over deze toenadering (meer dan<br />
toenadering mag men er niet in zien). De liefde en eerbied van de<br />
ondertekenaars dezer Verklaring voor de ongedeelde Kerk, de Kerk der<br />
eerste eeuwen, opent het terrein voor een gesprek met verre perspectieven’.<br />
72<br />
‘C.P.’, in: De Oud-Katholiek, 67 (1951), 58.<br />
73<br />
Zie J. Loos, ‘Het Hilversumse Convent (1947-1955)’, 52. Bij het gesprek<br />
waren als vertegenwoordigers van het HC aanwezig J.K. van den Brink, J.M.<br />
Gerritsen, J.Loos en H.Miskotte. Namens de synode waren aanwezig J.R.<br />
Wolfensberger, E.Emmen en F.H. Landsman, verder vanuit de Raad voor de<br />
zaken van Kerk en Theologie H. van der Linde en H. Berkhof. Zie brief<br />
moderamen aan de secretaris van de Raad T. Dokter, 21 juni 1951 (archief<br />
RZKT).<br />
Hervorming en Catholiciteit 79
uitvoerige nota, die hij later zou uitwerken in zijn boek Het Apostolisch Ambt (1953), dat beschouwd<br />
kan worden als de ambtstheologie van het HC. 74<br />
De overgang van Ds J. Loos<br />
Dan verschijnt in hetzelfde jaar (1950) in Engeland het reeds genoemde rapport Church Relations,<br />
opgesteld door een werkgroep van de Church of England (C of E) en de Free Churches, in het<br />
leven geroepen n.a.v. Fisher’s Cambridge Sermon uit 1946. Ook nu wordt aan de niet-episcopale<br />
kerken gevraagd ‘to take episcopacy in their system’. Het moderamen van de Hervormde synode<br />
vraagt het HC een memorandum op te stellen over dit rapport. Dit document, ondertekend door<br />
75<br />
Van den Brink, Gerritsen, Loos en Miskotte, bereikt de synode in juni 1951. Het liep uit op een<br />
aanbeveling aan de synode om, in goed overleg met de C of E, hetzij zelf het episcopaat in te voeren<br />
in de NHK - hetgeen men mogelijk achtte zonder in conflict te komen met haar presbyteriale<br />
76<br />
kerkstructuur - hetzij haar volle medewerking te verlenen ‘aan dezulken onder haar dienaren die<br />
om des gewetens wil een episcopale wijding tot het presbyteriaat niet menen te kunnen ontberen’. 77<br />
Eén van de ondertekenaars, ds J. Loos, was echter dusdanig in gewetensnood gekomen, dat hij de<br />
beslissing van de synode niet kon afwachten en haar vroeg hem toestemming te geven tot het<br />
ontvangen van een additionele wijding door een bisschop van de C of E. De synode sprak echter<br />
uit (juli 1952) dat een dergelijke wijding in strijd is met de pas ingevoerde presbyteriaal-<br />
78<br />
synodale kerkorde en wees het verzoek van Loos af. Na allerlei geharrewar ging hij in 1955 over<br />
naar de RK Kerk en in 1963 ontving hij de priesterwijding. Daarmee werd hij de eerste gehuwde<br />
priester in Nederland.<br />
Kerk in beroering: ‘de zaak Loos’<br />
Het besluit van de Hervormde synode om ds Loos geen toestemming te verlenen tot het<br />
ontvangen van een additionele wijding door een anglicaanse bisschop riep veel emoties op,<br />
74<br />
J.M. Gerritsen, Het Apostolisch Ambt (Hervorming en Catholiciteit II),<br />
Amsterdam, 1953. Zie de besprekingen van deze studie door Th. H L.<br />
Haitjema, NTT 8 (1953), 121-122 en R. Bijlsma, In de Waagschaal 8<br />
(1953): ‘Bisschop of Ouderling’. Voor een concretisering van Gerritsens<br />
gedachten zie zijn artikel ‘Visioen, Een Episcopale Hervormde Kerk in<br />
Nederland, in: Hervorming en Catholiciteit, mei 1959’, als bijlage 1<br />
opgenomen in: J. Kronenburg, Episcopus Oecumenicus. Bouwstenen voor<br />
een theologie van het bisschopsambt in een verenigde reformatorische kerk,<br />
Zoetermeer 2003, 504-507.<br />
75<br />
Memorandum betreffende het rapport Church Relations in England, 1951.<br />
76<br />
Daarbij dacht men aan de wijding (door een bisschop van de CofE) van drie<br />
of meer NH predikanten tot bisschoppen, die vervolgens door de synode tot<br />
visitatoren in algemene dienst zouden worden benoemd om opzicht te<br />
houden over de door hen geordineerde presbyters. Zie Memorandum, 7.<br />
77<br />
l.c.<br />
78<br />
Zie Handelingen van de Vergaderingen der Generale Synode 1951/1952 ,<br />
423-436 (2 juli 1952) en idem, 1953/1954, 500-507 (10 mei 1954). Zie voor<br />
een uitvoerige documentatie en evaluatie van de ‘Loos-Affair’: P. Staples,<br />
Relations between the Netherlands Reformed Church and the Church of<br />
England since 1945, Lewiston/Queenston/Lempeter, 1991,46-85.<br />
80 <strong>Lectiones</strong> 8
allereerst bij het HC. Dat reageert geschokt maar is niet van plan zich erbij neer te leggen. In<br />
een door Gerritsen en mevrouw Van Lynden ondertekende brief aan de synode, gedateerd 16<br />
juli 1952, lezen we: ‘In gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift zal het Convent zijn streven naar<br />
het herstel van het apostolisch ambt voortzetten. Het Convent hoopt tot de bezinning op het<br />
79<br />
wezen van het ambt het zijne bij te dragen.’<br />
80<br />
Er verschijnen artikelen en ingezonden stukken in de dagbladen en ook de kerkelijke pers<br />
staat bol van de reacties. Synodesecretaris F.H. Landsman probeert de gemoederen te sussen<br />
en schrijft in het weekblad De Hervormde Kerk onder de titel ‘Wat is katholiek?’ vier artikelen<br />
81<br />
waarin hij commentaar geeft op de achtergronden van het synodebesluit. Op grond van de<br />
reformatorische opvatting van de apostolische successie - niet de historische continuiteit van<br />
het apostolisch ambt is beslissend voor het zijn of niet-zijn van de kerk, maar het gezag van het<br />
geschreven en gepredikte Woord - verdedigt hij weliswaar mét de synode de ‘echtheid’ van het<br />
ambt van dienaar des Woord in de NHK, maar tegelijk stelt hij dat de apostolische successie,<br />
zoals die in de ‘catholieke’ kerken wordt verstaan, tot op zekere hoogte te waarderen is als een<br />
teken van de zichtbaarheid en de continuiteit van de gemeente van Jezus Christus’. Vooral<br />
vanuit oecumenisch perspectief acht hij het dan ook belangrijk dat de synode er in haar<br />
besluitvorming op had aangedrongen dat het gesprek over het ambt dient te worden voortgezet.<br />
In de modaliteitsbladen lieten de predikanten H. Harkema en L. Vroegindeweij een krachtig GB-<br />
82 83<br />
geluid horen in respectievelijk De Waarheidsvriend en het Gereformeerd Weekblad, terwijl<br />
84 85<br />
Dr. J.C.Kromsigt, Dr.G.J. Streeder en Prof.dr Th.L. Haitjema een niet minder krachtig<br />
confessioneel geluid lieten horen in De Gereformeerde Kerk.<br />
Voor velen bepaald schokkend was een artikel van H. van der Linde in Woord en<br />
86<br />
Dienst van 20 september 1952, waarin een pleidooi werd gevoerd voor een ruimhartige<br />
erkenning van de ‘Hervormd-catholieke modaliteit’ - en dat terwijl alle modaliteiten nog meer net<br />
79<br />
Brief d.d. 16 juli 1952 (archief Van Lynden).<br />
80<br />
Zo verschenen er (soms zeer uitvoerige) berichten, artikelen en interviews<br />
in de NRC (11 juli 1952), Het Vrije Volk (7 augustus 1952), de Nieuwe<br />
Haagse Courant (4 februari 1953), het Handelsblad (12 september 1953) en<br />
de Volskrant (10 oktober 1953),.<br />
81<br />
F.H. Landsman, ‘Wat is katholiek?’, vier artikelen in: De Hervormde Kerk<br />
1952, 14 juni, 21 juni, 28 juni en 12 juli.<br />
82<br />
H. Harkema, “De kwestie Loos”, De Waarheidsvriend, 19 juni 1952<br />
83<br />
L. Vroegindeweij, ‘De synode vergaderde’ I en II, Gereformeerd Weekblad<br />
19 en 26 juli 1952.<br />
84<br />
J.C. Kromsigt, ‘Waar gaan we heen?’, De Gereformeerde Kerk, 28<br />
augustus 1952 en G.J. Streeder, idem., Kroniek.<br />
85<br />
Th. L. Haitjema, in De Gereformeerde Kerk, november (?) 1952, geciteerd<br />
in Gereformeerd Weekblad 29 november 1952 (‘Persschouw’).<br />
86<br />
H. van der Linde, ‘De <strong>Liturgische</strong> of Hervormd-Catholieke modaliteit’,<br />
Woord en Dienst, 20 september 1952. In dit blad was in de maanden<br />
daarvoor ook al een discussie gevoerd tussen P.J. Roscam Abbing, A.F.N.<br />
Lekkerkerker en G.W. Oberman. Zie Woord en Dienst 12 juli, 9 augustus en<br />
6 september 1952.<br />
Hervorming en Catholiciteit 81
waren opgeheven - althans in kerkordelijke zin. Th.L. Haitjema was er dan ook zo boos over dat<br />
e 87<br />
hij er in de 2 druk van zijn De Richtingen in de NHK (1953) een heel hoofdstuk aan wijdde.<br />
Vermeldenswaard zijn verder enkele artikelen die het blad In de Waagschaal in die tijd<br />
88<br />
publiceerde, namelijk van A.J. Bronkhorst, over ‘Spanningen rondom het ambt’ en van H.<br />
89<br />
Berkhof over de Apostolische Successie. Maar bepaald spraakmakend was de diepgravende<br />
artikelenreeks die O. Noordmans maandenlang voor In de Waagschaal schreef en waarop ik<br />
verderop nog zal terugkomen. 90<br />
Ook de kerkbladen lieten zich niet onbetuigd. Zo gingen in Hervormd Utrecht de<br />
predikanten Oberman en Lekkerkeker in debat onder de titel ‘De katholiciteit van de Hervormde<br />
Kerk’. Laatstgenoemde had gesteld dat ‘onze gereformeerde vaderen meer katholiek – dus niet<br />
Rooms! – ingesteld waren dan de Hervormde Kerk van onze dagen, die steeds meer<br />
meegezogen wordt in een bedding waarbij het katholieke element bewust geheel of ten dele<br />
91<br />
uitgebannen wordt’. Waarop Lekkerkkerker antwoordt: ‘Wij begeren de èchte katholiciteit en<br />
niet een valse. Een valse katholiciteit is het, die rust in de dusgenaamde ‘apostolische<br />
successie’. 92<br />
Maar vooral in de Hervormde gemeente te Hilversum, de classis Hilversum en de provincie<br />
93<br />
Noord-Holland zat men met de zaak-Loos in de maag. Na het voor hem ongunstige<br />
synodebesluit van 2 juli werd Loos vrijgesteld van zijn ambtswerk, maar al snel wilde hij weer<br />
gewoon aan het werk gaan als predikant van de NHK. Wanneer de kerkeraad eist dat hij dan<br />
eerst openlijk dient te verklaren dat hij van zijn dwalingen is teruggekeerd, weigert Loos dat -<br />
het is dan eind september 1952 - en meldt hij dat hij al in 1949 door de bisschop van Londen is<br />
aangenomen voor de priesterwijding in de Kerk van Engeland en dat hij van plan is naar die<br />
kerk over te gaan. Nu kan niemand er meer een touw aan vastknopen. Er worden<br />
gemeenteavonden gehouden, de visitatie komt er aan te pas, de gemeente raakt verdeeld in<br />
voor- en tegenstanders en er verschijnen artikelen in de pers, etc. Wanneer in het voorjaar van<br />
1953 vanuit Engeland het bericht komt, dat er van de Hervormde kerk een jaarlijkse financiële<br />
87<br />
e<br />
Th.L. Haitjema, De richtingen in de NH Kerk, 2 druk, Wageningen 1953,<br />
Hoofdstuk 6. Zie ook K. Datema, a.w. 105v.<br />
88<br />
A.J. Bronkhorst, ‘Spanningen rond het ambt’, In de Waagschaal, 5<br />
december 1952.<br />
89<br />
H. Berkhof, ‘Apostolische Successie’ I en II, In de Waagschaal 13 en 20<br />
maart 1953.<br />
90<br />
Zie paragraaf 10, ‘Doorwerking’ (‘Het theologisch gesprek komt op gang’).<br />
91<br />
G. W. Oberman, ‘De Katholiciteit van de Hervormde Kerk’, Hervormd<br />
Utrecht, 5 september 1952.<br />
92<br />
A.F.N. Lekkerkerker, ‘De Katholiciteit van de Hervormde Kerk’, Hervormd<br />
Utrecht, 12 september 1952.<br />
93<br />
Een rijke (en droevig stemmende) bron van informatie over de zaak-Loos<br />
vanuit het perspectief van de plaatselijke gemeente vormt het – niet door<br />
Staples en Datema geraadpleegde - dossier, dat zich in het archief van de<br />
Hervormde Gemeente te Hilversum bevindt en dat loopt van 1950 tot 1955.<br />
De in de tekst vermelde feiten zijn daaraan ontleend.<br />
82 <strong>Lectiones</strong> 8
ijdrage verwacht wordt voor het levensonderhoud van Loos en de kerkvoogdij van Hilversum<br />
zich daartoe bereid verklaart, ontstaan er nieuwe spanningen: Loos zegt alleen naar Engeland<br />
te willen vertrekken indien hij eerst als NH predikant in vollen rechte zal zijn hersteld en indien<br />
hij met onmiddelijke ingang weer aan het werk kan. De kerkeraad vindt dit onacceptabel en<br />
verklaart na overleg met het moderamen van de generale synode er niet aan te zullen<br />
meewerken dat Loos zijn ambtswerk hervat. Deze is het daar niet mee eens en dient een klacht<br />
in bij de commissie voor het opzicht. De wijkkerkeraad schrijft voor deze commissie een<br />
memorandum, gedateerd 9 juli 1953, waarin alle feiten op een rijtje worden gezet, en publiceert<br />
dat in het kerkblad. Maar dan - eind agustus: Loos is al ruim een jaar niet in functie - draagt<br />
het moderamen van de Provinciale Kerkvergadering (PKV) hem op zijn werkzaamheden ten<br />
spoedigste weer te hervatten. Wanneer Loos echter op 10 september geheel onverwacht ter<br />
kerkeraadsvergadering verschijnt en zonder nadere verklaring als voorzitter wil optreden, besluit<br />
de meerderheid zijn ambt neer te leggen. Loos schakelt de commissie voor bezwaren en<br />
geschillen in en legt haar een zeventien pagina’s tellende refutatio van het<br />
kerkeraadsmememorandum voor, maar de commissie verklaart zich onbevoegd tot handelen.<br />
Intussen had het moderamen van de PKV nog een poging tot verzoening gedaan, maar de<br />
breuk bleek niet meer te herstellen. Het eind van het lied is dat Loos op 11 januari 1955<br />
ontheffing uit zijn ambt vraagt, wat hem op 15 januari, bijna per kerende post, wordt verleend.<br />
Een dag eerder, op 14 januari, had hij voor zichzelf, zijn echtgenote en zijn vier minderjarige<br />
kinderen het lidmaatschap van de ‘dusgenaamde Nederlandsche Hervormde Kerk’ opgezegd.<br />
P. Staples noemt zaak-Loos a real tragedy. 94<br />
Reacties van geestverwanten<br />
Interessant zijn ook de kritische reacties van enkele companen van Loos c.q. het HC.<br />
H. van der Linde, van het begin af aan op afstand bij het HC betrokken, had het tijdens de<br />
synodevergadering van 2 juli 1952 voor Loos opgenomen. Hij voerde het woord ‘als vriend en als<br />
iemand die sterkt in dezelfde lijnen denkt.’ Voor hem is de enig belangrijke vraag die van de<br />
geheelheid, van de catholiciteit der kerk. Hij dringt erop aan de opvattingen van het HC ten volle<br />
ernstig te nemen, zoals ook de vrijzinnigheid ernstig genomen wordt.<br />
‘Ds Loos behoort tot een groep, die ten volle achter het belijden der kerk staat, doch zich naar de<br />
Catholiciteit uitstrekt. (…) De bedoeling van de oecumene is niet, dat de denominaties blijven wat<br />
ze zijn, maar dat ze tot een grotere volheid zullen komen’. Daarom pleit hij ervoor dat Loos zo lang<br />
mogelijk in de NHK gehandhaafd blijft en dat er een oecumenische oplossing van het probleem<br />
95<br />
zal komen.<br />
Binnen het HC was niet iedereen blij met de handelswijze van Loos. Gerritsen verklaarde<br />
achteraf dat de leden zich van de kwestie hadden moeten distantiëren door Loos, toen nog<br />
voorzitter van het HC, tot aftreden te dwingen. Maar de meerderheid durfde dat niet aan, omdat<br />
men loyaal wilde blijven aan de voorzitter. Gerritsen noemde dit later ‘een noodlottig besluit’,<br />
94<br />
P. Staples, The Liturgical Movement, 65.<br />
95<br />
Handelingen van de vergaderingen der Generale Synode 1951/1952, 429v.<br />
Hervorming en Catholiciteit 83
omdat het HC vanaf die tijd met de kwestie-Loos is geïdentificeerd. De hele zaak heeft de zaak<br />
van de catholiciteit onzegbare schade berokkend.’ 96<br />
Een derde sympathisant van het HC, J. N. Bakhuizen van den Brink, voorzitter van de<br />
<strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong>, reageerde niet zozeer in kerkpolitieke, maar in theologisch-wetenschappelijke<br />
zin kritisch op de opvattingen van Loos en de zijnen, met name ten aanzien van de apostolische<br />
97<br />
successie. Hij stelde namelijk in een artikel in Kerk en Eredienst (oorspronkelijk een referaat<br />
voor de <strong>Liturgische</strong> Conferentie, later ten dele herhaald op een vergadering van het<br />
98<br />
Kerkhistorisch Gezelschap! ), dat de breuk van de reformatie met de apostolische successie<br />
ter wille van de apostolische leer noodzakelijk was, maar wel van tijdelijke aard moest blijven.<br />
Immers, de successio apostolica en de successio doctrinae gaan beide terug op Christus en<br />
mogen daarom niet tegen elkaar worden uitgespeeld. Beide vormen van successie moeten<br />
volgens hem een plaats krijgen in de Kerk:<br />
Het is traditioneel protestants om zich liever te beroepen op de successio van prediking en geloof<br />
of leer dan op de ambtssuccessie. (…) Wij voor ons houden dit voor een nood-uitkomst. Het<br />
miskennen van de betekenis der apostolische successie en der historie in het algemeen is altijd<br />
99<br />
een kenmerk der secte geweest; het is dopers. De kerk daarentegen erkent de historie.<br />
Hij verlangt er dan ook naar dat de NHK weer de aansluiting bij de apostolische successie gaat<br />
zoeken en daarmee kiest voor het historische episcopaat, maar dit episcopaat zal altijd<br />
ondergeschikt moeten zijn aan de successio doctrinae. 100<br />
96<br />
Zie de brief van Gerritsen aan de bestuursleden van het HC, dd 11 juni<br />
1955 (archief Van Lynden) en Datema, Het Hilversums Convent, 28.<br />
97<br />
J.N. Bakhuizen van den Brink, 'Successio Apostolica' en 'De apostolische<br />
successie en de liturgie', in K en E 8 (1953), 2-11.<br />
98<br />
Zie KenT 4 (1953), 55 (A.F.N. Lekkerkerker, Kroniek: ‘De kwestie van het<br />
ambt’).<br />
99<br />
J.N. Bakhuizen van den Brink, 'Successio Apostolica', in K en E 7 (1952),<br />
209.<br />
100<br />
In het heetst van de strijd – eind 1952/begin 1953 - publiceerde Bakhuizen<br />
in Kerk en Eredienst twee artikelen over de apostolische successie:<br />
'Successio Apostolica' en 'De apostolische successie en de liturgie',<br />
respectievelijk in K en E 7 (1952), 204-210 en 8 (1953), 2-11. Vooral het<br />
tweede artikel deed nogal wat stof opwierp omdat het zowel door de<br />
tegenstanders van Loos (Lekkerkerker) als door hemzelf en enkelen van zijn<br />
medestanders (o.a. J.K. van den Brink) werd uitgelegd als een afzwakking<br />
van zijn eerste artikel en dus als ‘overlopen naar de andere partij’. Zie de in<br />
noot 96 genoemde Kroniek van Lekkerkerker en de brieven van Van den<br />
Brink (dd 6 januari 1953) en Loos (dd 1 februari 1953) aan Bakhuizen van<br />
den Brink, de toenmalige voorzitter van de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong>. Eerstgenoemde<br />
is blij met het betoog van Bakhuizen, de beide laatstgenoemden voelen zich<br />
in de steek gelaten. Met de woorden van Loos: ‘Nu gevoelen wij ons in een<br />
uiterst moeilijk tijdsgewricht in den steek gelaten door dengene, die zich<br />
weliswaar nooit geheel aan onze zijde heeft gesteld maar op wiens sympathie<br />
wij nochtans mochten meenden te kunnen rekenen’. Beide brieven zijn<br />
aanwezig in het archief-Van Lynden.<br />
84 <strong>Lectiones</strong> 8
Deze ‘aanval’ op het HC was voor Van den Brink en Loos de druppel die de emmer deed overlopen:<br />
beiden bedankten voor de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> en Van den Brink ging een jaar later – eerder nog dan<br />
101<br />
Loos - over naar de Rooms-Katholieke kerk.<br />
Rooms-Katholieke en Oud-Katholieke reacties<br />
Vanuit de Romana werden, vooral door de oecumenisch geïnteresseerden, de ontwikkelingen<br />
rond het HC met belangstelling gevolgd. Het waren vooral de theologen die al betrokken waren bij<br />
de verschillende oecumenische gesprekskringen, die zich lieten horen. Zo schreef de (latere)<br />
oecumenicus J.C. Groot in het apologetisch tijdschrift Het Schild een aantal artikelen over de<br />
102<br />
kwestie Loos en over het bisschopsambt bij de niet-Katholieken. Van de zijde van het<br />
episcopaat werd discreet gezwegen.<br />
Vanuit de Oud-Katholieke kerk, waar men veel dichter bij de opvattingen van het HC stond,<br />
werd voornamelijk in positieve zin gereageerd. Soms kritiseerde men openlijk de wijze waarop in de<br />
NHK met de vragen die het HC op tafel had gelegd werd omgegaan. Zo reageerde A.R. Heijligers in<br />
het voorjaar van 1954 op een artikel van F.H. Landsman in het WHK, waarin deze gesteld had dat de<br />
toenemende belangstelling voor het bisschopsambt onder reformatorische christenen wel eens een<br />
ernstig gevaar zou kunnen betekenen voor een gezonde ontwikkeling van de oecumenische<br />
beweging: niet de aanvaarding van het bisschopsambt en daarmee de apostolische successie is voor<br />
103<br />
de toekomst van de kerk beslissend, maar de zuivere prediking van het evangelie. Heijligers<br />
reageert in een fel artikel in De Oud-Katholiek (dat als ingezonden stuk door de redactie van het<br />
WHK was geweigerd) met de stelling dat de groeiende reformatorische belangstelling voor het<br />
bisschopsambt juist een gevolg is van de oecumenische beweging:<br />
Alle eeuwen door heeft de Kerk dit ambt en bijgevolg de apostolische successie gekend, alleen de<br />
reformatie verbant dit ambt uit de kerk alsof zij daarmee zeggen wil, dat de Kerk vijftien eeuwen in<br />
dwaling geweest is over het ambt en dat vijftien eeuwen lang de kerkorde, die episcopaal was,<br />
onjuist is geweest, zodat de reformatie tegen de hele traditie der Kerk in de juiste kerkorde uit het<br />
Evangelie heeft afgelezen. Valt het te verwonderen wanneer mensen van gereformeerde huize<br />
ernstig gaan nadenken over ambt, apostolische successie, kerkorde zuivere<br />
101<br />
Zie J. Loos, ‘Het Hilversumse Convent (1947-1955)’, Binnenlands<br />
Apostolaat 11 (1960), 55 en K. Datema, Het Hilversums Convent, 30v.<br />
102<br />
Zie J.C. Groot, ‘De Generale Synode over de priesterwijding van<br />
predikanten’, Het Schild, 29 (1951/52), 234-236 (Kroniek); J.C. Groot, ‘Het<br />
bisschopsambt bij de niet-Katholieken’, Het Schild 30 (1953), 103-109 en<br />
idem, ‘De bisschop en zijn ambt’, Het Schild, 30 (1953), 181-194; J. van der<br />
Steegt M.S.F. publiceerde in hetzelfde tijdschrift, jaargang 30 (1953), 145-<br />
151, een artikel over ‘Bakhuizen van den Brink en de Apostolische<br />
Successie’. Bedoeld is het in noot 97 genoemde artikel, door de auteur<br />
getypeerd als ‘een wat verwarde en bochtige redenering om de apostolische<br />
successie en de geldigheid van het ambt in de reformatorische kerken te<br />
kunen handhaven’ (146). In Frankrijk verscheen in La Documentation<br />
Catholique het artikel ‘La question de l’ épiscopat poseé dans une eglise<br />
réformee’, 21 februari 1954.<br />
103<br />
F.H. Landsman, ‘Aanvaarding van het bisschopsambt voorwaarde voor<br />
eenheid der kerken?’, De Hervormde Kerk, 16 januari 1954.<br />
Hervorming en Catholiciteit 85
Evangelieverkondiging en rechte bediening der sacramenten en gaan twijfelen aan de juistheid<br />
van de reformatorische opvatting van het kerkbegrip? 104<br />
In een vervolgartikel, waarin hij reageert op een ingezonden stuk van de secretaris van de<br />
International League for Apostolic Faith and Order (ILAFO), neemt Landsman ‘niets terug van zijn<br />
105<br />
vorige artikel en herhaalt hij zijn waarschuwing’. Het betoog van Bakhuizen van den Brink was<br />
hem kennelijk ontgaan.<br />
Van ‘Hilversums Convent’ tot ‘Convent voor Hervorming en Catholiciteit’<br />
106<br />
Toen er in korte tijd drie leden van het HC waren overgegaan naar Rome, ontstaat er<br />
107<br />
verdeeldheid onder de overgebleven leden over de verder te volgen koers. Loos, nog altijd lid<br />
van het convent, wil dat het oecumenisch karakter van het convent wordt benadrukt: ieder die<br />
de catholieke traditie is toegedaan mag lid worden. Miskotte wil banden aanknopen met de<br />
108<br />
Oud-Katholieken. Voorzitter Gerritsen is echter van mening dat het Convent in<br />
reformatorische vaarwateren moet blijven en dat er geen plaats meer is voor Rooms-<br />
Katholieken. De zaak-Loos heeft volgens hem onnoemelijk veel schade toegebracht aan de<br />
zaak waarvoor het convent staat. In een brief aan Mevr. van Lynden schrijft hij:<br />
Jammer, maar tussen het vele mooie en goede in de RK kerk en mij staan als onoverkomelijke<br />
hinderpalen voortaan Loos, Laagwater en van den Brink. Voor een deel zijn dit gevoelskwesties.<br />
Maar voor een déél – want ik ben er zeker van, dat deze gebeurtenissen in oecumenisch opzicht<br />
verschrikkelijk zijn. 109<br />
Veelzeggend is in dit verband de ooit door Gerritsen gedane uitspraak, waaraan mevrouw Van<br />
Lynden hem in een brief herinnert: ‘Wanneer ik Rooms-Katholiek werd, zou ik ophouden<br />
110<br />
katholiek te zijn’. In elk geval wilde hij voorkomen dat het HC voortaan beschouwd zou<br />
worden als ‘een voorportaal van Rome’. In een rondschrijven aan de leden schrijft hij dan ook<br />
dat het convent een drievoudige roeping heeft:<br />
(a) binnen de kerken der Reformatie te blijven en in deze kerken in toenemende mate plaats te<br />
geven aan catholiek geloof en leven’, (b) het erfgoed van de reformatie te helpen inbrengen in de<br />
éne Kerk van de toekomst en (c) voor de kerk van Rome een teken te zijn om zich steeds weer op<br />
104<br />
A.R.H., ‘Vreemde opvattingen over episcopale en presbyterale kerkorden, in:<br />
De Oud-Katholiek, 20 februari 1954.<br />
105<br />
F.H. Landsman, ‘De eenheid der kerken en het bisschopsambt’, De<br />
Hervormde Kerk 24 april 1954.<br />
106<br />
Het derde lid van het HC dat overging was L.J.F. Laagwater.<br />
107<br />
Zie hierover het uitvoerige verslag in K. Datema, het Hilversums Convent,<br />
30-37 (‘Het conflict in het Convent’).<br />
108<br />
Brief van H. Miskotte aan mevr. van Lynden d.d. 1 juli 1955 (archief-van<br />
Lynden).<br />
109<br />
Brief Gerritsen aan Mevr. Van Lynden, d.d. 2 februari 1956 (archief- van<br />
Lynden).<br />
110<br />
Berief mevr. van Lynden aan Gerritsen d.d. 1 maart 1954.<br />
86 <strong>Lectiones</strong> 8
het waarachtige catholieke geloof te bezinnen en om zich met ons op weg te begeven naar de<br />
111<br />
éne, waarlijk catholieke Kerk.<br />
Deze stellingname van de voorzitter riep verwarring en verdeeldheid op. Na een lange periode<br />
van onzekerheid vindt Gerritsen in het voorjaar van 1955 dat er nu eindelijk eens duidelijkheid<br />
moet komen. Op de vergadering van ondertekenaars van de verklaring d.d. 20 mei stelt hij voor,<br />
het HC op te heffen en een nieuw Convent op te richten, met een nieuwe doelstelling en aan<br />
afgebakende positie tegenover Rome. Na een felle discussie blijkt de meerderheid achter<br />
Gerritsen te staan en zo werd het HC op 4 juni 1955 officieel opgeheven, om plaats te maken<br />
voor het - niet voor Rooms-katholieken toegankelijke! - Convent voor Hervorming en<br />
112<br />
Catholiciteit. Voortaan zouden niet zozeer oecumenische en ambtelijke vragen centraal staan<br />
(zoals Loos wilde), maar zou het gaan om het ontwikkelen van een ‘catholieke spiritualiteit’ en<br />
het uitdragen daarvan in de NHK, zodat deze kerk zich door spirituele vernieuwing<br />
langzamerhand zou ontwikkelen in de richting van de de Una Sancta: ‘Wij zijn niet een soort<br />
liturgische beweging, die een wat extreem karakter heeft, (…) het gaat ons niet om de liturgie,<br />
(…) het gaat ons ook niet om het ambt, (…) het gaat ons om het sacrament van de heilige Dis’<br />
als het middelpunt van het liturgisch en kerkelijk leven. Vandaaruit ontstaat de waarachtige<br />
oecumenische gezindheid; weet men zich één met de Kerk der eeuwen (hetgeen tot uitdrukking<br />
komt in een ambt dat in de opvolging der apostelen staat); weet men zich geroepen tot<br />
113<br />
levensheiliging, vooral tot uitdrukking komend in het dagelijks getijdegebed.<br />
Met het oog op het laatstgenoemde ontwikkelde Gerritsen plannen voor de stichting van een<br />
Broederschap of Orde, die in kerk en samenleving een liturgische en diaconale dienst zou<br />
114<br />
moeten verrichten. Hier vooral blijkt dat zijn hart lag bij de spiritualiteit, met name die van<br />
Benedictus en Franciscus:<br />
Wij zullen genoeg Benedictijnse geest moeten hebben om de taak van het voortdurend gebed op<br />
ons te nemen en genoeg Franciscaanse geest om onszelf aan de wereld dienstbaar te kunnen<br />
maken. 115<br />
111<br />
Zie de aan de leden van het HC toegezonden ‘Verklaring’ van Gerritsen<br />
d.d. 26 februari 1954 (archief-van Lynden). Volgens Gerritsen vloeide deze<br />
drievoudige roeping voort uit het feit dat het HC lid was van de International<br />
League for Apostolic Faith and Order (ILAFO), die zich voor dezelfde roeping<br />
wist gesteld. Zie over de ILAFO: beneden, p. 18.<br />
112<br />
Datema, het Hilversums Convent, 37-41 (‘De opheffing van het Convent’).<br />
113<br />
J. M. Gerritsen, ‘Wat willen wij?’ in: H en C 4 (1956), 27-29.<br />
114<br />
Al eerder had Gerritsen (door intimi ‘broeder Johannes’ genoemd) zich met<br />
Van den Brink ingezet voor het stichten van de Broederschap De<br />
Apostolische Gemeenschap, naar het model van de uit de Hochkirchliche<br />
Vereinigung voortgekomen Evangelisch-Ökumenische Johannesbruderschaft.<br />
De Regel ervan is in het Archief-Van Lynden aanwezig, maar de<br />
Broederschap is er nooit gekomen.<br />
115<br />
Uit een brief van Gerritsen aan mevr. van Lynden. d.d. 7 april 1952<br />
(archief-Van Lynden).<br />
Hervorming en Catholiciteit 87
Hoezeer het nieuw opgerichte Convent voor Hervorming en Catholiciteit echter ook verschilde<br />
van het vroegere Hilversums Convent - een lang leven was het niet beschoren: Gerritsen<br />
overleed in 1962, en hoewel enkelen van zijn vrienden en collega’s het werk voortzetten, moest<br />
het Convent in 1981 wegens gebrek aan inspiratie en belangstelling worden opgeheven. 116<br />
Waarmee meteen de vraag gesteld is, of daarmee ook de zoektocht naar evangelische<br />
katholiciteit ten einde was gekomen.<br />
Doorwerking<br />
Hoe ontijdig (en hoe gedateerd!) en voor de NHK onaanvaardbaar de wensen van het<br />
Hilversums Convent ook waren, toch heeft de beweging – vooral in de lijn van Gerritsen - op<br />
een aantal punten invloed gehad op de koers van de NH kerk, met name wat betreft de<br />
liturgische bezinning, het oecumenisch gesprek en de ambtstheologie. In het volgende zullen<br />
we nagaan hoe het gedachtegoed van het HC, niet pas na haar opheffing, maar eigenlijk al<br />
vanaf het begin, op genoemde drie terreinen heeft doorgewerkt.<br />
De liturgische beweging wordt kerkelijk geïntegreerd 117<br />
In 1950 krijgt het tijdschrift Kerk en Eredienst van de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> een nieuwe – kerkbrede -<br />
redaktie en een nieuwe ondertitel: die luidt niet meer 'NH Tijdschrift voor Liturgie', maar 'Tijdschrift van<br />
de NH Kerk voor Liturgie', een veelzeggende naamsverandering. De redaktie zal zich voegen in het<br />
beleid van de NH Kerk, aldus W.A. Zeydner, de voorzitter van de Raad voor Kerk en Eredienst, in zijn<br />
118<br />
'Ter inleiding' bij de nieuwe jrg 5. Ook na deze ‘coup’ blijven diverse leden van het Hilversums<br />
Convent (onder meer J.M. Gerritsen, J.N. Bakhuizen van den Brink, H. van der Linde en R. Boon)<br />
echter belangrijke bijdragen leveren aan dit helaas al in 1959 ter ziele gegane tijdschrift, dat nog<br />
steeds als een Fundgrube geldt voor het liturgisch onderzoek.<br />
In 1955 verschijnt het Dienstboek-in-ontwerp, waarin (althans in theorie!) de grondstrucuur<br />
van de samenkomst van de christelijke gemeente hersteld is. Als grondregel geldt: 'er zij een<br />
119<br />
dienst des Woords, een dienst der gebeden en een viering van het heilig Avondmaal'. Dat wordt<br />
vooral zichtbaar in de ‘gereformeerd-oecumenische’ dienst van Schrift en Tafel, (orde van dienst IV in<br />
combinatie met III), afkomstig uit de <strong>Liturgische</strong> kring, waarin belangrijke elementen uit de dienst van<br />
120<br />
de Kerk der eeuwen worden hersteld en bewaard. J.M. Gerritsen heeft als representant van de<br />
116<br />
Zie notulen van het Convent, 28 maart 1981 (archief HC).<br />
117<br />
H. H. Miskotte, ‘De liturgische beweging binnen de NH-Kerk in de laatste<br />
tien jaren’, Tijdschrift voor Liturgie 39 (1955), 30-45.<br />
118<br />
W.A. Zeydner, ‘Ter Inleiding’, K en E, 5 (1950), 1-4. Vgl. K.W. de Jong,<br />
Ordening van Dienst, Baarn 1996, 138.<br />
119<br />
Dienstboek- in ontwerp, 366.<br />
120<br />
Gerritsen schreef in Kerk en Eredienst twee artikelen, waarin hij deze orde<br />
van commentaar voorziet: J.M. Gerritsen, ‘Het Dienstboek voor de<br />
Nederlandsche Hervormde Kerk (in ontwerp). Orde IV + Avondmaalsviering III<br />
als Gereformeerd-Oecumenische liturgie’, deel I, ‘De dienst zonder<br />
Avondmaalsviering’, in K en E 5 (1950), 263-273; deel II, ‘De<br />
Avondmaalsviering’, in: KenE 6 ( 1951), 2-23. In 1961 publiceerde de<br />
88 <strong>Lectiones</strong> 8
hoogkerkelijk-oecumenische richting met zijn grote kennis van de liturgie, de patres en de hervormers<br />
121<br />
een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van dit Dienstboek. Na zijn overlijden<br />
werd hij door Lekkerkerker herdacht als een zeer gewaardeerd lid van de commissie die het<br />
Dienstboek samenstelde. 122<br />
Begin jaren zestig ontstond er een samenwerkingsverband tussen de Prof. dr G. van der<br />
Leeuwstichting, de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> en de redactie van de door haar uitgegeven liturgische<br />
handreiking Het Jaar onzes Heren. Doel was ‘de willekeur waarmee doorgaans met de bijbel wordt<br />
omgesprongen in een protestantse kerkdienst tegen te gaan door het opstellen van een leesrooster,<br />
123<br />
dat recht deed aan de structuren van de Schrift’. Al snel vatte men het plan op om een<br />
oecumenisch kerkboek samen te stellen waarin voor elke zondag van het jaar de lezingen, liederen<br />
en gebeden zouden zijn geordend volgens de belangrijkste liturgische tradities van de westerse kerk.<br />
124<br />
Het resultaat was de uitgave De adem van het jaar, die tot de verschijning van het Dienstboek –<br />
een proeve (1998) voor vele gemeentes en voorgangers een rijke bron van inspiratie is geweest.<br />
Vanuit de <strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> c.q. het convent Hervorming en Catholiciteit was het opnieuw J.M.<br />
Gerritsen die tot aan zijn dood (1962) een belangrijke bijdrage geleverd heeft aan dit project.<br />
125<br />
Het oecumenisch gesprek wordt gestimuleerd<br />
(a) Het gesprek met Rome<br />
Terwijl het officiële kerkelijk gesprek tussen Rome en Reformatie in ons land maar moeizaam op<br />
126<br />
gang kwam, waren het de theologen van de gezamenlijke gesprekskringen die met<br />
<strong>Liturgische</strong> <strong>Kring</strong> een rapport Het Dienstboek voor de Nederlandse<br />
Hervormde Kerk in ontwerp (niet in de handel). Zie over de theologische<br />
achtergronden van het Dienstboek: A.F.N. Lekkerkerker, Kanttekeningen bij<br />
het Hervormde Dienstboek, I – IV, ’s Gravenhage 1952-1956.<br />
121<br />
L. Brink in BLNP deel 3, 136 (‘Gerritsen, Johan Marie’).<br />
122<br />
A.F.N. Lekkerkerker, K en T, 13 (1962), 196-198, ‘Kroniek’ (‘Ds J.M.<br />
Gerritsen’).<br />
123<br />
R. Boon, ‘Rondom Ekumene en Eredienst’, Eredienst 15 (1981), 65.<br />
124<br />
De Adem van het jaar, Paaskring (1962), Kerstkring (1962) en Zomertijd<br />
(1964), onder verantwoordelijkeid van de Prof. Dr G. van der Leeuw-stichting<br />
samengesteld in overleg met de ‘<strong>Liturgische</strong> kring’ en ‘Het Jaar onzes Heren’.<br />
De tweede editie, met de drie delen in één band, verscheen in 1975.<br />
125<br />
Zie daarover J. Jacobs, Nieuwe visies op een oud visioen, een portret<br />
van de Sint Willibrord Vereniging 1948 – 1998, Nijmegen 1998, hoofdstuk 2<br />
en idem, ‘IJkpunt 1950 – Het begin van een nieuwe bezinning: van isolement<br />
naar beginnende openheid’ in: C. Augustijn en E. Honeé, Vervreemding en<br />
Verzoening. De relatie tussen katholieken en protestanten inNederland 1550<br />
– 2000, Nijmegen 1998, 151 – 170.<br />
126<br />
Zie bij voorbeeld Herderlijk Schrijven van de NHK betreffende de RK Kerk,<br />
Den Haag 1950 en Antwoord op het Herderlijk Schrijven, Spectrum 1950,<br />
gepubliceerd door vijf hoogleraren van de Nijmeegse Universiteit (W.H. van<br />
de Pol, G.P. Kreling, W.K.M. Grossouw, L.J. Rogier en L.J.M. Beel). Er waren<br />
ook meer genuanceerde reacties, zoals die van de in 1948 opgerichte<br />
Willibrord Vereniging. Zie daarover J. Jacobs, ‘IJkpunt 1950’, p. 159-161.<br />
Hervorming en Catholiciteit 89
127 128<br />
enthoussiasme met elkaar in gesprek gingen. Mede met het oog daarop verschijnt in 1951 de<br />
bundel Geloofsinhoud en Geloofsbeleving. Een peiling binnen Reformatie en Katholieke kerk in<br />
129<br />
Nederland, onder redactie van H. van der Linde en F. Thijssen. Deze - bij mijn weten eerste -<br />
gezamenlijke publicatie van Hervormde en Rooms-Katholieke theologen geeft een goed beeld<br />
van de wijze waarop men begin jaren vijftig met elkaar in gesprek was. Ons interesseren hier<br />
vooral de bijdragen van de Hervormde gesprekspartners. Sommige auteurs tonen een relatieve<br />
130 131<br />
openheid voor het rooms-katholicisme (Bakhuizen van den Brink, Gerritsen, en<br />
132<br />
Kohnstamm ), een enkeling (H. van de Linde) hoort zelfs er zelfs een vráág in aan de<br />
Reformatie: namelijk de vraag naar 'het wezen en de katholiciteit der kerk' (en het is een groep<br />
133<br />
als Hervorming en Catholiciteit die zich daarvoor openstelt) - maar juist díe groep wordt ook<br />
Daar merkt de auteur tevens op, dat in het jaar 1950 ook vanuit Rome weinig<br />
hoop werd geboden voor een verdere de toenadering tussen Rome en de<br />
Reformatie: het was het jaar van de encycliek Humani Generis (en de<br />
veroordeling van de Nouvelle Theologie) en van de afkondiging van het<br />
dogma van de ten hemelopneming van Maria.<br />
127<br />
Behalve het Hilversums Convent waren er in de jaren kort na de oorlog ook<br />
verschillende andere gemengd Roomskatholiek-Protestantse ‘kringen’: o.a.<br />
de Haagse kring (o.a .C. Aalders, W. Aalders, H. van der Linde, J.M. van der<br />
Linde, E. van der Schoot): rond het thema ‘katholiciteit en cultuur’; de Utrechtse<br />
kring: een ‘Faith and Order’-groep, geboeid door de oecumene, met name het<br />
gesprek Rome Reformatie (o.a. R. Boon, J.M. Gerritsen, H. van der Linde, J. Plooy<br />
en van RK–zijde: J.C. Groot en F. Thijssen); de Larense kring (o.a A.J.<br />
Bronkhorst, H. van der Linde, G.E. Meuleman, G.C. Van Niftrik, en van RK-zijde:<br />
W.H. van de Pol, F. Thijssen, Radboud Weel en J. Willebrands): een<br />
theologische gespreksring; de Bossche-Betuwse kring (o.l.v. N.K. van den Akker),<br />
vooral praktisch-oecumenisch geïnteresseerd. Zie over de verschillende kringen:<br />
R. Boon, ‘Rondom Ekumene en Eredienst. Een recent hoofdstuk van de<br />
vaderlandse geschiedenis, aan de vergetelheid ontrukt’, Eredienst 15 (1981),<br />
57 – 72; A.J. den Tonkelaar, Kleine kroniek van de Bossche-Betuwe <strong>Kring</strong><br />
(1948-1988), Den Bosch 1989; J. Jacobs, Nieuwe visies op een oud visioen.<br />
Een portret van de Sint Willibrord Vereniging 1948-1998, Nijmegen 1998,<br />
43vv. en idem, ‘IJkpunt 1950 – Het begin van een nieuwe bezinning’: van<br />
isolement naar beginnende openheid’ in: C. Augustijn en E. Honeé,<br />
Vervreemding en Verzoening. De relatie tussen katholieken en protestanten<br />
in Nederland 1550 – 2000, Nijmegen 1998, 151 – 170.<br />
128<br />
Zie het ‘Woord ter inleiding’ bij het in de volgende noot genoemde boek en<br />
Jacobs, ‘IJkpunt 1950’, 153v.<br />
129<br />
H. van der Linde en F.Thijssen (red.), Geloofsinhoud en geloofsbeleving,<br />
Utrecht, 1951, met artikelen van H. Berkhof, ‘De stand van het credo in de<br />
Hervormde Kerk’; A. J. Bronkhorst, ‘De orde der kerk naar hervormd besef’; J.<br />
M. Gerritsen, ‘Vormen van godsdienstig leven in het hervormd<br />
protestantisme’; H. van der Linde, ‘Een visie vanuit de Hervormde Kerk op de<br />
oecumene’. Over de context van deze publicatie: zie J. Jacobs, ‘IJkpunt<br />
1950, 153 – 156.<br />
130<br />
J.N. Bakhuizen van den Brink, ‘Controversen in de zestiende eeuw’, a.w.<br />
11-42.<br />
131<br />
J.M. Gerritsen, Geloofsinhoud en geloofsbeleving, 194- 210.<br />
132<br />
Ph. Kohnstamm, ‘De verhouding van Rome en Reformatie in de twintigste<br />
eeuw’, a.w. 64-85.<br />
J.M. Gerritsen, Geloofsinhoud en geloofsbeleving, 332.<br />
133<br />
90 <strong>Lectiones</strong> 8
in deze bundel nauwelijks serieus genomen. Zo schrijft Berkhof in zijn bijdrage ‘De stand van<br />
het credo in de NH Kerk’, ‘dat de catholiserende groep in de NHK zeer klein is en dat hun weg<br />
134<br />
niet naar Rome schijnt te leiden, maar naar Canterbury of Constantinopel’ en Bronkhorst<br />
plaatst hen in zijn bijdrage 'De orde der kerk naar Hervormd besef' in een soort reservaat:<br />
‘Hervorming en Catholiciteit zegt vele hervormden niet meer dan dat er blijkbaar ook binnen de<br />
Hervormde kerk Anglicanen met hoogkerkelijke neigingen kunnen worden aangetroffen, onder<br />
135<br />
meer inzake kerkorde en ambtsbeschouwing’. Hij voegt er echter aan toe te verwachten, dat de<br />
vragen die de diepere achtergrond vormen van de beweging, in de komende jaren met name vanuit<br />
de oecumenische discussie nog wel eens aan de orde zullen komen.<br />
Zijn verwachting kwam uit, want een jaar later, in 1953, midden in het rumoer rond de zaak-<br />
Loos gaan H. van der Linde en O. Noordmans in het blad In de Waagschaal met elkaar in debat over<br />
het thema ‘katholiciteit’, naar aanleiding van het al eerder genoemde artikel van Van der Linde over<br />
136<br />
‘De Hervormd-Catholieke modaliteit’. Met name het aandeel van Noordmans in dit debat, getiteld<br />
137<br />
‘Hervormde overpeinzingen’, zou later beroemd worden vanwege een aantal (fraaie, maar niet<br />
altijd billijke) door hem gesmede typeringen waarmee de verhouding Rome- Reformatie op formule<br />
wordt gebracht: zo zou de Roomse Kerk leven van een ‘antiquarische katholiciteit’, gesymboliseerd<br />
door de Petrus, en de Gereformeerde van een ‘mystische katholiciteit’, gesymboliseerd door de<br />
Paulus. Eerstgenoemde zou op verleden gericht zijn (‘Petrus gaat’), laatstgenoemde op de toekomst<br />
(‘Paulus komt’), daarom heeft Rome bisschoppen en de Reformata ouderlingen. Fraaie typeringen,<br />
maar of Petrus en Paulus op deze manier tegen elkaar mogen worden uitgespeeld, is de vraag. 138<br />
(b) Het gesprek over katholiciteit<br />
134 a.w., 130.<br />
135<br />
a.w., 257. Een goed voorbeeld van de polemische toon die in de jaren<br />
vijftig het gesprek met Rome bepaalde is ook: A.J. Bronkhorst, Rondom 1853.<br />
De invoering van de RK Hierarchie. De April-beweging, ‘s Gravenhage 1953.<br />
Hierbij het commentaar in Het Schild, 30 (1953/54), 116-118 (J.C. Groot,<br />
Kroniek).<br />
136<br />
Zie noot 83.<br />
137<br />
O. Noordmans ‘Hervormde overpeinzingen’, In de Waagschaal 8 (1952/1953),<br />
nrs 7-16, later opgenomen in O. Noordmans, Gestalte en Geest, Amsterdam<br />
1955, p. 324-353 (= VW 8 429-451).<br />
138<br />
Zie het weerwoord van Van der Linde aan Noordmans in zijn<br />
‘Oecumenische peilingen’ I, II en III, In de Waagschaal 8 (1952/1953), nrs<br />
25 (20 maart), 26 (27 maart) en 28 (3 april). Een breder betoog gaf hij in<br />
‘Perspectieven van een oecumenische kerkbegrip’, een bijdrage in de<br />
jubileumbundel voor prof.mag.dr. G Kreling (1953). Zie over het debat O.<br />
Noordmans – H. van der Linde: J. Kronenburg, Episcopus Oecumenicus,<br />
125-130. Vermeldenswaard is in dit verband ook het debat tussen H. van der<br />
Linde en A.J. Bronkhorst: zie H. van der Linde, ‘Catholiciteit en Oecumene’,<br />
K en E, 7 (1952), 130 – 144 en de reactie daarop van A. J. Bronkhorst,<br />
‘Oecumenische visioenen’, In de Waagschaal 8 (52/53), nr 5 (31 oktober<br />
1952) en het weerwoord daarop van H. van der Linde, ‘Noodzakelijk uitzicht<br />
op de Oecumene’, idem, nr 8 (21 november 1952).<br />
Hervorming en Catholiciteit 91
Ook binnen Faith and Order kwam het gevoelige thema ‘catholiciteit’ (en de daarmee verbonden<br />
apostoliciteit!) van de kerk maar moeizaam van de grond. Met als gevolg dat in 1950 (tijdens de<br />
conferentie te Lund) de ‘catholiek’ gekleurde International League for Apostolic Faith and Order<br />
139<br />
(ILAFO) werd opgericht, als reactie op het te 'protestantse' karakter van Faith and Order. Roomskatholieke,<br />
oud-katholieke, anglicaanse en hoogkerkelijke protestantse gelovigen sloegen de handen<br />
ineen teneinde ervoor te waken, dat het ‘catholieke’ gedachtegoed in het eenheidsstreven van de<br />
Wereldraad nooit verloren zou gaan. Kernpunten van dat gedachtegoed waren voor hen het<br />
apostolisch geloof en de apostolische successie, geconcretiseerd in het drievoudige ambt van<br />
bisschop, priester en diaken. Het HC, vertegenwoordigd door J. M. Gerritsen, trad onmiddellijk na de<br />
oprichting toe als lid. In de bundel Barriers of Unity, verschenen in 1959, schreef hij een artikel ‘The<br />
Recovery of Episcopacy (The barrier of false paths)’. 140<br />
(c) Het gesprek met de Anglicana 141<br />
Het meest positief-oecumenische effect van het optreden van het HC is waarschijnlijk dat ten gevolge<br />
van 'de kwestie Loos' het gesprek tussen de NH kerk en de Church of England op gang is gekomen.<br />
Vooral dankzij de inspanningen van de toenmalige secretaris-generaal van de NHK E. Emmen en<br />
de Groningse kerkhistoricus W.F. Dankbaar werden er tussen 1958 en 1984 vier Conversations<br />
142<br />
gehouden. Aan de twee eerste daarvan, gewijd aan resp. de thema’s ‘Ministry and Sacraments’<br />
(1958, Woudschoten) en ‘The people of God’ (1961, Lambeth Palace), nam ook de voorzitter van<br />
143<br />
Hervorming en Catholiciteit, J.M. Gerritsen, deel. De ambtsvraag, traditioneel een belangrijk thema<br />
voor anglicanen, kwam ook aan de orde tijdens het vierde gesprek (1984, Lambeth Palace), nu in<br />
verband met het in 1982 verschenen Lima-rapport van de WCC, waarin de vroegchristelijke<br />
144<br />
ambststructuur (bisschop, presbyter, diaken) wordt aanbevolen als normatief voor alle kerken. De<br />
gesprekken hierover evaluerend schrijft Staples:<br />
The crucial question is whether this particular ‘convergence text’ has now placed the relationship<br />
between the Netherlands Reformed Church and the Church of England in a new context. The<br />
139<br />
Zie over ILAFO: J. Loos, De 'International League for Apostolic Faith and<br />
Order’, in Het Schild, 37 (1960), 151-159 en J.Y.H.A. Jacobs, De Katholieke<br />
Conferentie voor Oecumenische Vragen, Tilburg 1991, 14-19 en 24-28.<br />
140<br />
M. Bruce (ed.), Barriers to Unity, London 1959, 93-105, met o.a artikelen<br />
van A. Rinkel, ‘The Church: The Basic Problem in Ecumenical Discussion’,<br />
21-29 en J.M. Gerritsen, ‘The Recovery of Episcopacy (The barrier of false<br />
paths)’, 93-105. Daarin onder meer een felle afwijzing van de zg episcopus<br />
vagans (=zwervende bisschop), een bisschop zonder kerkelijke binding, zoals<br />
die in hoogkerkelijke en katholiserende kringen wel werd ingehuurd om<br />
priesters en predikanten d.m.v. een additionele wijding ‘in te voegen in de<br />
apostolische successie’.<br />
141<br />
P. Staples, Relations between the Netherlands Reformed Church and the<br />
Church of England since 1945, Lewiston/Queenston/Lempeter, 1991.<br />
142<br />
Zie de uitvoerige beschrijving daarvan in: Staples, Relations, chapter 3, 4<br />
en 5.<br />
143<br />
Zie Staples, Relations, 90-112 en 113-139.<br />
144<br />
Staples, Relations,164-166.<br />
92 <strong>Lectiones</strong> 8
answer depends on whether the Netherlands Reformed Church is also prepared to consider this<br />
part of the Lima-text positively. In its official response to the section on Ministry, however, it is<br />
observed that it “gave many Protestant readers a pronounced ‘Catholic’ impression”. This could<br />
145<br />
well be construed by Anglicans (and other Episcopalians) as a rather ominous sign!<br />
Meer dan dertig jaar na de kwestie-Loos lijkt er, ondanks alle oecumenische dialogen over het<br />
ambt, op dit punt nog weinig te zijn veranderd.<br />
Het gesprek over het ambt komt op gang 146<br />
(a) De comissie -Van Ruler<br />
Eén van de effecten van de vraag van het HC om een additionele wijding was, dat de synode<br />
147<br />
hoewel zij - op voorstel van de commissie van advies - afwijzend had beslist, toch in haar<br />
besluitvorming had bepaald ‘dat aan de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie de<br />
bezinning omtrent het ambt en de grenzen van de Nederlandse Hervormde Kerk opgedragen<br />
blijft’. Ze deed dat niet alleen omdat er in de NHK blijkbaar verschillend werd gedacht over het<br />
148<br />
ambt, maar ook uit oecumenische overwegingen (de intercommunie). Uit de notulen van de<br />
vergadering van genoemde Raad, waarin het Memorandum van het HC werd besproken, blijkt<br />
overigens dat er binnen dit gezelschap van meet af aan zeer verschillend werd gedacht over het<br />
gewicht van het presbyteriale systeem. K.H. Miskotte en G.C. van Niftrik zijn van mening dat er<br />
bij de aanvaarding van de kerkorde een geestelijke beslissing is gevallen. Van Ruler antwoordt<br />
dat de episcopale mogelijkheid niet principieel is afgewezen. De commissie voor de kerkorde<br />
heeft zich niet principieel met deze materie beziggehouden, maar zich aangesloten bij de<br />
traditie van de kerk van Nederland. Bakhuizen van den Brink zegt dat inzichten als die van het<br />
HC bij de voorbereiding van de nieuwe kerkorde te weinig aan bod zijn gekomen. Het<br />
presbyteriaal-synodale systeem mag niet verabsoluteerd worden:<br />
Het mag in de stad Utrecht zeker ook gezegd worden, dat het NT niet ondubbelzinnig het<br />
systeem van presbyteriale kerkregering voorschrijft. De Raad moet deze dingen ernstig<br />
theologisch overwegen. De Hervormde Kerk zal comprehensiveness moeten bezitten, opdat<br />
zij niet versmalle tot een secte. 149<br />
Hoe dan ook, in opdracht van de synode benoemt de Raad in 1952 een commissie die zich<br />
onder voorzitterschap van Van Ruler moet gaan bezinnen op de problematiek rond het ambt.<br />
145<br />
Staples, Relations, 178.<br />
146<br />
Zie voor het volgende: J. Kronenburg, Episcopus Oecumenicus, 130 –<br />
150.<br />
147<br />
Leden van de commissie waren W. Aalders, J.N. Bakhuizen van den<br />
Brink, J.M. Gerritsen, Th. L. Haitjema, G. Huls, H. van der Linde, J. Loos,<br />
P.A. van Stempvoort, W.C. van Unnik en A. de Wilde.<br />
148<br />
Zie Handelingen van de Vergaderingen der Generale Synode 1951/1952,<br />
484 (4 juli 1952).<br />
149<br />
Notulen Raad voor de zaken van Kerk en Theologie 5 september 1951<br />
(archief Utrecht)<br />
Hervorming en Catholiciteit 93
De commissie, die grotendeels was bemand door dezelfde theologen die ook in de synodale<br />
adviescommissie inzake de kwestie-Loos hadden gezeten, bestond uit vertegenwoordigers van<br />
de drie in de NHK vertegenwoordigde zienswijzen: de presbyteriaal-synodale, de laagkerkelijkcongregationalistische<br />
en de hoogkerkelijke. Hervorming en Catholiciteit was erin<br />
150<br />
vertegenwoordigd met J.M.Gerritsen (tot 1962, het jaar van zijn dood), H. van der Linde (tot<br />
151<br />
1960, het jaar van zijn overgang naar Rome) en J. Loos (tot 1955, het jaar van zijn overgang<br />
naar Rome). Veertien jaar (van 1952 – 1965) heeft de commissie gewerkt aan het ontwikkelen<br />
152<br />
van een (‘Hervormde’) visie op het ambt, maar toen zij met haar eindrapport bij de Raad voor<br />
de zaken van Kerk en Theologie kwam, werd het niet aanvaard (1965). Het belangrijkste<br />
argument: de erin beschreven ambtsopvatting is naar het oordeel van de Raad te eenzijdig<br />
presbyteriaal. Uit de notulen blijkt dat de stem van Berkhof – inmiddels lid geworden van het<br />
Centraal Comité van de WCC - bij deze afwijzing van grote invloed is geweest. Hij was van<br />
mening dat in deze tijd het gereformeerd-presbyteriaal systeem niet zo sterk moet worden<br />
geaccentueerd. Ook moet de tegenstelling presbyteriaal-episcopaal niet zo centraal worden<br />
153<br />
gesteld: de kwestie van hert ambt moet in breed oecumenisch verband worden bezien.<br />
(b) Het rapport-Berkhof<br />
Het verwondert ons dan ook niet dat Berkhof, bijgestaan door een ‘beraadsgroep’, in 1966 in<br />
opdacht van de synode aan het werk ging om een nieuw rapport te schrijven. Voor de<br />
beraadsgroep waren geen vertegenwoordigers van Hervorming en Catholiciteit gevraagd: de<br />
groep die de aanleiding had gevormd tot de bezinning op het ambt, was buiten spel gezet. 154<br />
150<br />
A.F.N.Lekkerkerker, K en T, 13 (1962), 196-198, Kroniek (‘Ds J.M.<br />
Gerritsen’). Gerritsen zelf noemde zijn participeren in de commissie -Van<br />
Ruler een vrucht van het optreden van HC. Zie zijn artikel ‘The Recovery of<br />
Episcopacy’ in: M. Bruce (ed.), Barriers to unity, London 1959, 98.<br />
151<br />
G.C. van Niftrik, ‘De overgang van dr H. v d Linde’, K en T, Kroniek, juli 60;<br />
A.A. van Ruler, ‘Overpeinzing bij de overgang van Dr H. van der Linde’,<br />
Woord en Dienst, 11 juni 1960.<br />
152<br />
A.A. van Ruler / T. Dokter, Rapport Het kerkelijk ambt', 1965. Zie over Van<br />
Ruler ambtsopvatting: A.N. Hendriks, Kerk en Ambt in de theologie van A.A.<br />
van Ruler, A'dam, 1977 en A.J.Janssen, Kingdom, Office and Church. A<br />
Study of A.A. van Ruler’s Doctrine of Ecclesiastical Office, Grand<br />
Rapids/Cambridge, 2006.<br />
153<br />
Notulen Raad voor de zaken van Kerk en Theologie, 13/14 mei 1966<br />
(archief Utrecht).<br />
154<br />
Uit een briefwisseling tussen A.J. Bonkhorst en A.F.N. Lekkerkerker blijkt<br />
dat de belangrijkste theologische woordvoerder van Hervorming en<br />
Catholiciteit, Dr. R. Boon, bewust buiten de deur gehouden werd. Deze had<br />
een jaar daarvoor zijn studie Apostolisch ambt en Reformatie (Nijkerk 1965),<br />
gepubliceerd, een boek dat al naar gelang de kerkelijke en theologische<br />
positie van de recencenten verguisd (H. Berkhof, W. Nijenhuis), kritisch<br />
gewaardeerd (J. van den Berg, G.C. van Niftrik) of hogelijk geprezen (J.C.<br />
Groot) werd. Zie de recensies van J. van den Berg, in De Protestant, 13 mei<br />
1966,4-8; J.C. Groot, idem, 9-13; H. Berkhof, ‘Om de gestalte der<br />
oecumenische kerk’, IdW, 22 (1966), 209-212; G.C. van Niftrik, KeT 17<br />
(1966), 373-375 (Kroniek); W. Nijenhuis, NTT, 20 (1966) , 308-313; H. van<br />
der Linde, TvT, 6 (1966), 344v. en D. Nauta, ‘De ambtsopvatting der<br />
94 <strong>Lectiones</strong> 8
Het rapport-Berkhof, getiteld Wat is er aan de hand met het ambt?, werd in 1968 door de synode<br />
155<br />
aanvaard, maar het is nooit 'de' Hervormde ambtsopvatting geworden. Het stuitte op veel kritiek,<br />
156<br />
niet alleen vanuit de Gereformeerde Bond (W. Balke), de Confessionele Vereniging (G.C. van<br />
157<br />
Niftrik) , maar ook vanuit de hoek van Hervorming en Catholiciteit (L. Brink) - ondanks de kleine<br />
158<br />
opening naar een bepaalde vorm van episcopaat. In het denken over het ambt binnen de NHK<br />
heeft het gedachtegoed van het HC vermoedelijk het minst doorgewerkt. Het gesprek over het ambt,<br />
in 1952 begonnen naar aanleiding van de ‘kwestie Loos’, kwam in elk geval in 1968 tot een voorlopig<br />
einde, zonder dat aan de intenties van de beweging tegemoet was gekomen.<br />
Afsluiting<br />
Men kan het HC afdoen als een enigszins bizar fenomeen in de naoorlogse geschiedenis van<br />
de NHK, men kan er wat lacherig over doen (wat vaak gebeurd is!) en overgaan tot de orde van<br />
de dag. Men kan ook zeggen: deze mensen hebben de moed gehad om tegen de theologische<br />
en kerkelijke tijdgeest in de vraag naar de katholiciteit van de kerk aan de orde te stellen.<br />
Achteraf gezien op een theologisch soms aanvechtbare en op een kerkpolitiek gezien niet altijd<br />
verstandige manier, maar wel zodanig dat de kerk er niet omheen kon. Het resultaat is in elk<br />
geval dat veel van wat het HC bezielde geïntegreerd is in de NHK - vooral op liturgisch gebied,<br />
getuige de verschijning van het Dienstboek, een proeve I (1998) en II (2004).<br />
Maar het thema ‘evangelische catholiciteit’, met name ten aanzien van het ambt van<br />
episkopè, is nog steeds actueel, zeker nu de NHK is opgegaan in de PKN en deze kerk de<br />
Confessio Augustana in haar confessioneel bestand heeft opgenomen, waarin het<br />
159<br />
bisschopsambt als vanzelfsprekend wordt beschouwd. Het is dan ook te betreuren dat in het<br />
Reformatie onder kritiek gesteld’, GTT, 66 (1966),129-138. Hoe ook<br />
gewaardeerd, dit boek bevat dermate veel waardevol materiaal uit patristische<br />
en de reformatorische bronnen (vooral Bucer en Calvijn), dat het ook nu nog<br />
in het debat over het ambt niet genegeerd kan worden. Zie ook J.<br />
Kronenburg, Episcopus Oecumenicus, 139-142.<br />
155<br />
H. Berkhof (red.), Wat is er aan de hand met het ambt? 1970. Het rapport<br />
is driemaal in de synode besproken: zie Handelingen van de Generale<br />
Synode der NHK, 17-19 juni 1968, 45-51 en 53-57; 17-19 februari 1969, 39-<br />
47 en 20-23 november 1972, 45-49.<br />
156<br />
Zie H. Jonker, ‘Het ambt in de synode’, Theologia Reformata, 11 (1968),<br />
129-146; W. Balke, ‘Wat is er aan de hand met de Hervormde bezinning op<br />
het ambt?’ in: Theologia Reformata, 13 (1970), 248-272; W. Balke en K.<br />
Exalto, Geen ander ambt, Maassluis 1971.<br />
157<br />
Zie A.F.N. Lekkerkerker, ‘Brief over het ambt’, Kerk en Theologie, 19<br />
(1968), 370-386; idem, Oorsprong en funktie van het ambt, Den Haag, 1971;<br />
G.C. van Niftrik, Het synodale studierapport over het ambt, Barneveld, 1971.<br />
158<br />
Zie L. Brink, ‘Het ambtsrapport van de Hervormde Kerk’, Eredienst, IV/4,<br />
V/1,2 (oktober 1971), 4-14.<br />
159<br />
Zie Lutherse geschriften. Belijdenisteksten van een kerk, ’s Gravenhage<br />
1987, 178-184 (artikel 28 van de Augsburgse Confessie).<br />
Hervorming en Catholiciteit 95
160<br />
jaar 2007, precies 25 jaar na de verschijning van het Limarapport, waarin aan de nietepiscopale<br />
kerken gevraagd werd hun staan in de continuïteit van de apostolische traditie te<br />
versterken en te verdiepen met het teken van de episcopale successie, de vraag van het<br />
Hilversums Convent niet opnieuw opgepakt. Hoe dan ook, de vraag die P. Staples in 1983 in<br />
zijn boek over de <strong>Liturgische</strong> Beweging stelde is nog steeds terzake: zal de NHK de uitdaging<br />
161<br />
van een reformed catholicity aandurven? Pas wanneer die vraag in de nieuwe context van de<br />
PKN positief beantwoord is, zal recht gedaan zijn aan wat het Hilversums Convent ten diepste<br />
bewoog.<br />
J. Kronenburg<br />
160<br />
Baptism, Eucharist and Ministry (Faith and Order paper 111), Geneva<br />
1982, ‘Ministry’, nr 53.<br />
161<br />
P. Staples, The Liturgical Movement, 8.<br />
96 <strong>Lectiones</strong> 8
Hervorming en Catholiciteit 97