Inrichtingsplan Roden-Norg (2,7 Mb) - herinrichting Peize

herinrichtingpeize.nl

Inrichtingsplan Roden-Norg (2,7 Mb) - herinrichting Peize

Inrichtingsplan Waterberging – Natuur

RodenNorg

Groningen, 4 juli 2007

herinrichting

Peize

Landinrichtingscommissie Herinrichting Peize Waterschap Noorderzijlvest

Opdrachtnemer Opdrachtgever


8

8

9

9

9

10

10

10

12

12

13

14

14

15

16

17

17

18

19

20

21

Inhoud

Samenvatting

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

1.2 Vooronderzoek

1.3 Procedure

1.4 Leeswijzer

2 Gebiedsbeschrijving

2.1 Korte beschrijving

2.2 Begrenzing

2.3 Functies in het gebied

2.4 Randvoorwaarden

2.5 Waterhuishouding

3 Maatregelen en voorzieningen

3.1 Waterhuishoudkundige inrichting bergingsgebied

3.2 Aanvullende waterhuishoudkundige maatregelen en inrichtingsvoorstellen

3.3 Kaden

3.4 Afwatering landbouwgronden en voorkomen van wateroverlast

3.5 Veiligstellen van wegen

3.6 Veiligstellen woningen en voorkomen grondwater- en muggenoverlast

3.7 Veiligstellen leidingstraten en vuilstort

3.8 Recreatieve voorzieningen

3.9 Natuurtechnische maatregelen – speciewinning kades


22

22

22

22

24

24

24

24

25

26

26

26

27

28

28

28

29

29

30

30

31

32

4 Effecten van het plan

4.1 Effecten water

4.1.1 Waterkwantiteit

4.1.2 Waterkwaliteit

4.2 Effecten natuur

4.2.1 Algemeen

4.2.2 Robuuste ecologische verbinding

4.2.3 Natura 2000 gebied

4.3 Effecten landschap en archeologie

5 Kostenraming en financiering

5.1 Kosten

5.2 Toelichting

5.3 Financiering

6 Monitoring en vervolgtraject

6.1 Monitoring

6.2 Verdere procedure en planning voorbereidingsfase

6.3 Onderzoek en nader uit te werken

6.4 Vergunningenprocedures

6.5 Uitvoeringsfase

6.6 Overgangsbeheer

6.7 Eigendom, beheer en onderhoud

Literatuurlijst


SAMENVATTING

Het Inrichtingsplan waterberging en natuur

Roden-Norg is opgesteld door de Dienst Lan-

delijk Gebied onder verantwoordelijkheid en

begeleiding van de Bestuurscommissie Herin-

richting Peize(Bestuurscommissie). Opdracht-

gever zijn het waterschap Noorderzijlvest

en de provincie Drenthe. Het plan is de uit-

werking van het Voorkeursalternatief uit het

milieueffectrapport (MER) zoals dat is opge-

steld in opdracht van de Bestuurscommissie.

Gekoppeld aan dit plan loopt ook de proce-

dure voor het bestemmingsplan. Daaraan is de

m.e.r. gekoppeld. Het doel is de vermindering

van de hoogwaterproblematiek (extreme situ-

aties, maximale waterstand van NAP-0.20 m)

in Groningen en Noord-Drenthe.

Het Plangebied (zie kaartbijlage) is een laag-

veengebied op de overgang van het Drents

plateau en het Groningse kleigebied. Het

is ongeveer 880 hectares groot. Het Peizer-

diep stroomt nu nog langs het toekomstig

waterbergingsgebied wat tevens Ecologische

Hoofdstructuur is.

Binnen allerlei randvoorwaarden is een inrich-

tingsplan gemaakt. Dat plan wordt gedragen

door alle partijen in de Bestuurscommissie.

Voor het waterbergingsgebied in de polders

De Bolmert, Jarrens, Middelvennen en Sande-

buur is meebewegende berging afgesproken:

dat wil zeggen de waterstand beweegt mee

met de boezem. Het streefpeil van de boe-

zem is NAP-0.93 meter. In regenrijke periodes

stijgt de waterstand tijdelijk boven het streef-

peil.

Het waterbergingsgebied in de polder Mat-

sloot gaat functioneren als ’getrapte meebe-

wegende berging’. Dit gebied watert af op

het Leekstermeer via twee drempels die zor-

gen voor een gemiddelde waterstand in de

winter van NAP-0.83 meter. In periodes met

hogere waterstanden op de boezem, stijgt

het water in het Matslootgebied gelijk met

het water op de boezem.

In de polder Matsloot worden enkele slenken

aangelegd, waardoor het water van het Pei-

zerdiep naar het Leekstermeer stroomt. Het

tracé van de slenken volgt de laagste delen

van het gebied. Belangrijkste functie van de

slenken is het water van het Peizerdiep en het

Eelderdiep naar het Leekstermeer te leiden en

het water in het gebied Matsloot-Roderwolde

te verspreiden. De slenken worden breed en

ondiep aangelegd.

De uitstroomopeningen in het Leekstermeer

bestaan uit vaste brede drempels. In het

Koningsdiep wordt een beweegbare stuw

aangelegd. Het water uit de Elektraboezem

kan niet het bergingsgebied instromen. Deze

stuw zorgt ervoor dat het meeste water van

het Peizerdiep en het Eelderdiep wordt afge-

leid naar het Leekstermeer.

Het waterbergingsgebied wordt omringd

door kades. Deze worden maximaal 1,5 meter

hoog. Als het nodig is worden maatregelen

getroffen om toename van wateroverlast

in het omliggende landbouw- en stedelijk

gebied te voorkomen. Onder andere hiervoor

6 Inrichtingsplan waterberging – natuur RodenNorg


wordt een monitoringsplan opgesteld en uit-

gevoerd.

De wegen blijven liggen. Waar mogelijk wor-

den op voorhand maatregelen getroffen om

toename van de muggenoverlast te voorko-

men. Er is een aantal recreatieve voorzienin-

gen opgenomen dat past bij het gebied. Er

wordt grond ontgraven voor het maken van

de kades en voor natuurontwikkeling.

De effecten van het plan zijn uitgebreid

beschreven in het MER. Een aantal maatrege-

RodenNorg Inrichtingsplan waterberging – natuur

len wordt genomen om de effecten te mini-

maliseren en een goede uitgangssituatie te

creëren.

De kosten zijn nu grof berekend en bedragen

ongeveer 17,5 miljoen euro.

In het vervolg moet nog een aantal zaken

worden uitgewerkt. Daarnaast worden er

verschillende vergunningen aangevraagd. De

uitvoering duurt ongeveer twee jaar.


1

INLEIDING

1.1 Aanleiding

De wateroverlast in oktober 1998 was aan-

leiding om het waterbeheer in Noord-Neder-

land tegen het licht te houden. De provincies

Groningen en Drenthe en de waterschap-

pen Noorderzijlvest en Hunze & Aa’s stelden

in 1999 de Stuurgroep Water 2000+ in. Deze

Stuurgroep heeft achtereenvolgens in 2001

en 2003 geadviseerd over de inrichting van

het watersysteem in Noord-Nederland.

Deze ontwikkeling liep parallel met een lan-

delijk traject van de Commissie Waterbeheer

21e Eeuw. Deze commissie kwam met aan-

bevelingen die zijn vertaald en bekrachtigd

in een Nationaal Bestuursakkoord Water.

Belangrijk doel van het nieuwe waterbeleid

werd om de risico’s van wateroverlast tot een

aanvaardbaar niveau terug te brengen.

Door de Stuurgroep Water 2000+ is onder

meer voorgesteld om een waterbergingsge-

Leek

Leekstermeer

Roden

A7

LEEKSTERMEERGEBIED UIT

HERINRICHTING RODEN - NORG

Peize

HERINRICHTING PEIZE

bied in te richten aan de rand van het Drents

Plateau. De bedoeling daarvan is om in tij-

den van extreme neerslag de belasting van

de Groninger boezem te verminderen en het

risico van ongewenste overstromingen te ver-

kleinen.

De provincie Drenthe heeft vervolgens samen

met het waterschap Noorderzijlvest de voor-

malige Landinrichtingscommissie Peize,

nu Bestuurscommissie Herinrichting Peize,

opdracht gegeven om inrichtingsplannen op

te stellen voor het gebied van de waterber-

ging. De Dienst Landelijk Gebied ondersteunt

de Bestuurscommissie als secretariaat. De

Bestuurscommissie stelt zowel het Inrich-

tingsplan Peize op als het Inrichtingsplan

waterberging en natuur Roden-Norg. Dit

laatste plan wordt ook door de Bestuurscom-

missie uitgewerkt, omdat de Landinrichtings-

commissie Herinrichting Roden-Norg al te ver

GRONINGEN

Paterswoldse

meer

Paterswolde

8 Inrichtingsplan waterberging – natuur RodenNorg

Eelde

Vries

A28

Haren


in de afrondende fase is. Hierdoor kunnen de

plannen niet meer worden meegenomen in

de planvorming van de Herinrichting Roden-

Norg. Samen met het Inrichtingsplan Peize en

het Inrichtingsplan waterberging en natuur

Roden-Norg zijn de bijbehorende bestem-

mingsplannen opgesteld.

1.2 Vooronderzoek

Voorafgaand aan de opstelling van het plan

is een Milieueffectrapport (MER) opgesteld

voor het gehele gebied van de waterberging

(Niemeijer e.a., 2006). De procedure van de

milieueffectrapportage is doorlopen omdat

er meer dan 500 hectare van functie wijzigt.

Voor het MER zijn in eerste instantie, naast

de autonome situatie, vier alternatieven uit-

gewerkt en een Meest Milieuvriendelijk Alter-

natief. Op basis van deze informatie heeft de

Bestuurscommissie een Voorkeursalternatief

ontwikkeld.

De Bestuurscommissie heeft het Voorkeur-

salternatief vastgesteld in de vergadering

van 12 juli 2006. Belangrijke uitgangspunten

voor het Voorkeursalternatief zijn: effectieve

waterberging, een robuust watersysteem, een

verbetering van de waterkwaliteit, optimale

natte natuurontwikkeling, geen toename van

schade voor de landbouw, geen grondwa-

teroverlast in de bebouwing en geen kades

hoger dan 1,5 meter boven maaiveld. Het

Voorkeursalternatief is vervolgens uitgewerkt

in het Ontwerp-Inrichtingsplan waterberging

en natuur Roden-Norg en in het Voorontwerp

Landinrichtingsplan - Milieueffectrapport

(VOP/MER) Peize.

1.3 Procedure

Het Ontwerp-Inrichtingsplan waterberging en

natuur Roden-Norg (Ontwerpplan) is opge-

steld in het kader van de Waterschapswet.

Het Dagelijks Bestuur van het waterschap

Noorderzijlvest heeft het Ontwerpplan op 3

oktober 2006 vastgesteld en heeft het vanaf

13 november 2006 gedurende zes weken ter

visie gelegd. Na verwerking van de reacties

is het Ontwerpplan op 4 juli 2007 vastgesteld

door het Algemeen Bestuur van het water-

schap Noorderzijlvest, met inachtneming van

RodenNorg Inrichtingsplan waterberging – natuur

de wijzigingen, zoals deze zijn verwoord in

de Reactienota zienswijzen. In voorliggend

Plan zijn deze wijzigingen verwerkt. Na vast-

stelling wordt het ter goedkeuring aangebo-

den aan Gedeputeerde Staten van Drenthe.

Het Ontwerpplan heeft gelijktijdig ter visie

gelegen met de bestemmingsplannen en het

MER. In de eerste weken van november zijn

informatieavonden georganiseerd over de

inhoud van de plannen en de keuzes. Er zijn

ook drie inloopdagen in die weken georga-

niseerd. Inwoners van het gebied konden tij-

dens de inloopdagen vragen stellen over de

plannen.

Het plangebied is onderdeel van de Herinrich-

ting Roden-Norg. De Landinrichtingscommis-

sie Herinrichting Roden-Norg is verantwoor-

delijk voor de grondverwerving en -uitruil

in het plangebied van de waterberging. De

Bestuurscommissie Herinrichting Peize is

verantwoordelijk voor de inrichting van het

gebied ten behoeve van de waterberging en

natuurontwikkeling.

1.4 Leeswijzer

De kern van het voorliggende planrapport is

de omschrijving van de maatregelen in hoofd-

stuk 3. In hoofdstuk 4 worden de effecten van

het plan beschreven op het gebied van water,

natuur en landschap en cultuurhistorie. Voor

een beschrijving van de huidige situatie voor

de verschillende functies en de autonome

ontwikkeling, wordt kortheidshalve verwezen

naar het MER. Hoofdstuk 5 geeft een over-

zicht van de kosten en in hoofdstuk 6 wordt

stilgestaan bij de monitoring van het plan en

het vervolgtraject.

Voor een meer uitgebreide beschrijving van

de alternatieven wordt eveneens verwezen

naar het MER. De motivering van het Voor-

keursalternatief is uitgebreider opgenomen

in de bestemmingsplannen.

Het plan en de plankaart zijn zo gemaakt, dat

zij goed inzicht geven hoe het plan wordt uit-

gevoerd. Dit wil niet zeggen dat alles precies

bekend is. De ligging van de werken (onder

andere kades, slenken en afgravingen) wordt

nader gedetailleerd bij de uitvoering.


10

Leek

2

LAAGV ENGEBIED

Roden

GEBIEDSBESCHRIJVING

2.1 Korte beschrijving

Het plangebied is een laagveengebied, op de

overgang van het Drents plateau en het Gro-

nings kleigebied. Het gebied is ongeveer 880

hectare groot en vormt een samenhangend

watersysteem van benedenlopen en overstro-

mingsvlakten.

De beken Eelderdiep en Peizerdiep stromen

vanaf het Drents Plateau door het plange-

bied naar het Noorden. Het is een laaggele-

gen nat gebied op de overgang van de hoger

gelegen zandgronden van het Drents Plateau

naar het zeekleigebied van Groningen. In dit

lage en natte gebied ontwikkelden zich laag-

veenmoerassen. Daarom is de bebouwing in

Peizerdiep

Peize

Eelderdiep

DRENTS PLATEAU

Groningen

Paterswolde

Donderen

het gebied zeer beperkt gebleven. Het gebied

heeft een zeer open karakter.

Het plangebied is deels in gebruik als agra-

risch grasland (veenweidegebied) en deels als

natuurgebied (extensief grasland). Het gebied

is door een dicht slotenpatroon in langgerek-

te kavels verdeeld. Op de iets hoger gelegen

zandgronden is het landschap meer verdicht

door opgaande beplantingen en bebouwing.

Dit zijn voor een deel houtsingels op de grens

van kavels en ook moerasbosjes.

Het plangebied is grotendeels onderdeel van

de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, zie tekst-

kader) en heeft in het provinciaal beleid de

functies natuur en waterberging.

Het Leekstermeer en omgeving zijn aangewe-

zen als (Europees) Vogelrichtlijngebied (Natu-

ra 2000). In het gebied worden in de winter

gemiddeld 4.000 tot 7.000 ganzen geteld. Het

hele onderzoeksgebied is van belang voor

weidevogels en andere broedvogels van open

graslanden en moerassen. Daarnaast komt

een aantal beschermde soorten reptielen, vis-

sen en vlinders voor. Verder is het gebied nog

van belang voor broedvogels en weidevogels.

2.2 Begrenzing

De bijgevoegde kaart geeft de grens van het

plangebied aan. De aangegeven begrenzing

is gemaakt voor het bestemmingsplan en zo

ruim gelegd, dat alle werkzaamheden die

voor de waterberging nodig zijn, binnen het

gebied kunnen worden uitgevoerd. Aanvul-

lende of compenserende maatregelen kun-

nen ook buiten het plangebied worden uitge-

voerd. Bij het Peizerdiep wordt de westelijke


Ecologische Hoofdstructuur

In het provinciaal beleid is het Drentse deel van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) vastgelegd. Dit is een stelsel van (toekomstige) natuurgebieden

die een samenhangend geheel vormen. Het is een netwerk van gebieden in heel Drenthe die een natuurfunctie hebben gekregen.

Het doel is om deze in 2018 ingericht te hebben. De Ecologische Hoofdstructuur bestaat uit de volgende gebieden:

• Grotere bestaande natuur- en bosgebieden.

• De in het Integraal gebiedsplan Drenthe begrensde natuur- en beheersgebieden.

• Robuuste verbindingen.

waterlijn gevolgd. Dat is tevens de grens tus-

sen de Herinrichting Roden-Norg en de Herin-

richting Peize. Langs het Leekstermeer is, in

verband met mogelijke inrichtingsmaatrege-

len in de oeverzone, een ruimere begrenzing

aangehouden. De grens van het plangebied

volgt verder in het algemeen de kadastrale

grenzen. In een aantal situaties wordt een

Leek

Nietap

Leeksterhoofddiep

De

Jarrens

Meerweg

N372

Lettelberterdiep

Middelvennen

Middelvensche

Tocht

Achter de

Esch

RodenNorg Inrichtingsplan waterberging – natuur

Molensloot

Esch van

Leutingwolde

Leekstermeer

De Bolmert

Bolmertsche Gouwe

Roden

Rodervaart

Leutingwolde

nieuwe grens gevolgd volgens het Ontwerp

Plan van Toedeling van de Herinrichting

Roden-Norg.

Waar het waterbergingsgebied wordt

begrensd door wegen, is het weglichaam

binnen de begrenzing opgenomen. Daarmee

wordt de mogelijkheid opengehouden om

voor de waterkering tijdens het planproces

Sandebuur

Sandebuurse Dijk

Hooiweg

A7

Matsloot

Roderwolde

Peizerdiep

Onlandse Dijk

Altena

Koningsdiep

Vogeltjesland

Roderwolderdijk

Peize

Hoogkerk

N386

N372

Peizermade

Gouw

De Pol

Eelderdiep

Winde

Omgelegde Eelderdiep

Ter Borch

Toponiemen

Groningen

Eelde-

Paterswolde

11


12

te kunnen kiezen tussen het ophogen van de

weg of het aanleggen van een nieuwe kade

langs de weg.

2.3 Functies in het gebied

Het toekomstige waterbergingsgebied valt

vrijwel geheel binnen de EHS. Uitzondering

is het gebied Middelvennen, dat destijds was

aangegeven als beheersgebied. In samenhang

met de functie waterberging heeft ook dit

gebied – voor zover begrensd op de Plankaart

– inmiddels de reservaatstatus gekregen en

is extra aangekocht. Het waterbergingsge-

bied is wat oppervlakte betreft het maximaal

haalbare op dit moment. De gronden in het

plangebied zijn eigendom van een openbaar

lichaam of komen vrij bij het Plan van Toede-

ling.

Staatsbosbeheer is of wordt eigenaar van de

gronden in het waterbergingsgebied. In de

huidige en toekomstige situatie zijn de omlig-

gende gebieden in landbouwkundig gebruik.

2.4 Randvoorwaarden

Binnen en aan de rand van het plangebied

ligt nog een aantal woningen. De woningen

met bijbehorend erf worden niet voor water-

berging gebruikt en moeten worden gevrij-

waard van wateroverlast.

Voor de ontsluiting van dorpen en verspreide

bebouwing in het gebied zijn de volgende

wegen van belang:

• de Hooiweg in combinatie met de Sande-

buurse Dijk voor de verbinding van Roder-

wolde/ Sandebuur naar Groningen;

• de Meerweg voor de bereikbaarheid van

het recreatiebedrijf Cnossen aan het Leek-

stermeer en enkele woningen en

• de Roderwolderdijk vanaf de noordkant tot

aan De Mosterdpot voor de ontsluiting van

enkele woningen.

Bij de inrichting van het gebied moet reke-

ning worden gehouden met de aanwezige

hoogspanningsleiding, met een hoofdtrans-

portleiding voor drinkwater en met een

Inrichtingsplan waterberging – natuur RodenNorg


aantal hogedruk-gasleidingen. De eisen van

de eigenaar/beheerder zijn dat hoogspan-

ningsmasten, de hoofdtransportleiding en de

gasafsluiterlocaties altijd bereikbaar moeten

zijn.

Alle werken die worden uitgevoerd moeten

passeerbaar zijn voor vissen.

2.5 Waterhuishouding

Het gebied ligt vrijwel geheel beneden NAP

– hoofdzakelijk van één tot een halve meter –

en bestaat hoofdzakelijk uit veengronden,

soms met een kleidek. Aan de randen van het

gebied komt de maaiveldhoogte juist boven

NAP. Hier liggen dan ook zandgronden. Het

polderpeil is momenteel NAP –1,30 meter in

de winter. In de zomer wordt het peil door

waterinlaat gehandhaafd op NAP – 1,15

meter in de polder Matsloot en NAP – 1,10

meter in De Bolmert. Een en ander betekent

dat de drooglegging van de gronden in de

winter veelal zo’n 30 tot 80 centimeter is. De

geringe drooglegging en de grondslag van

het gebied verklaren dat het grondgebruik

praktisch alleen grasland is.

Ondanks de geringe ontwatering is er een

geleidelijke daling van de maaiveldhoogte.

Dit wordt veroorzaakt door klink en oxidatie

van het veen. In het kader van de Cultuurhis-

torische inventarisatie (Projectbureau, 2006)

is een vergelijking gemaakt tussen de geme-

ten maaiveldhoogtes van omstreeks 1960 en

omstreeks 2000. Daaruit blijkt dat het maai-

veld in het veengebied in die periode zo’n

20 centimeter is gezakt, ofwel ongeveer een

halve centimeter per jaar. Het betekent ook

dat de maaiveldhoogte tijdens de uitvoering

van dit plan in 2008 zo’n 5 centimeter zal zijn

gedaald ten opzichte van de hoogtekaart die

momenteel wordt gebruikt voor het Inrich-

tingsplan (opname 1998). Overigens wordt

door de stijging van de grondwaterstanden in

de plansituatie de bodemdaling aanmerkelijk

gereduceerd.

Het gemaal voor de polder Matsloot-Roder-

wolde staat aan de Matsloot, nabij de Hooi-

weg. Op dit moment worden de gronden ten

noorden van het plangebied boven de Mat-

sloot opgehoogd met bietengrond van de

RodenNorg Inrichtingsplan waterberging – natuur

CSM. Hiervoor is door CSM een ontsluitings-

weg aangelegd op een tijdelijke kade en een

waterloop voor de afwatering van het op te

hogen gebied. Wanneer het waterbergings-

gebied wordt ingericht, blijven deze gronden

afwateren via het gemaal Matsloot. Het pol-

derpeil blijft gelijk.

Voor het gebied van Roderwolde is recent

een nieuw gemaal (Sandebuur) gebouwd in

het kader van de Herinrichting Roden-Norg.

De gronden rond De Waalborg wateren ook

via dit gemaal af. De gronden ten noorden

daarvan wateren nu nog af op het gemaal

Matsloot.

Voor De Bolmert staat het gemaal Leutinge-

wolde aan de Molensloot. De gronden ten

westen van Sandebuur krijgen een aparte

afwatering. Dit najaar wordt voor deze gron-

den een nieuw gemaal gebouwd naast het

bestaande gemaal aan de Rodervaart (op de

kaart aangegeven als bestaand gemaal). Ook

de vuilstort aan de Rodervaart gaat hierlangs

afwateren. Aankoppeling van de gronden aan

het nieuwe gemaal gebeurt zodra de kades

voor de waterberging gereed zijn.

De Esch van Leutingewolde en het gebied

Achter de Esch zijn eerder al afgekoppeld van

het gemaal Leutingewolde en wateren in wes-

telijke richting via de Middelvensche Tocht af

naar het gemaal Sipkema.

13


Brede stuw

3 MAATREGELEN

EN VOORzIENINGEN

3.1 Waterhuishoudkundige inrichting

bergingsgebied

Het waterbergingsgebied wordt zo ingericht

om hoogwaterproblematiek van Groningen

en Noord-Drenthe te verminderen. Daarbij

is vooral gekeken naar de situatie die zich

gemiddeld eenmaal per 100 jaar voordoet.

In die situatie wordt rekening gehouden met

een maximale waterstand van

NAP – 0,20 meter.

Voor het waterbergingsgebied in de polders

De Bolmert, Jarrens, Middelvennen en Sande-

buur is meebewegende berging afgesproken.

Dit betekent dat de waterstand meebeweegt

met de boezem. Het streefpeil van de boezem

is NAP – 0,93 meter. In regenrijke periodes

stijgt de waterstand tijdelijk boven het streef-

peil. De Jarrens en de Middelvennen worden

via De Bolmert gevoed. Een alternatief voor

het voeden van de Jarrens is het leggen van

een rechtstreekse koppeling tussen de Jar-

rens en het Leekstermeer over de camping.

De keuze wordt gemaakt in een totaalpakket

rond het bedrijf Cnossen.

Het waterbergingsgebied in de polder Mat-

sloot gaat functioneren als ’getrapte meebe-

wegende berging’. Dit gebied watert af op

het Leekstermeer via twee drempels, die zor-

gen voor een gemiddelde waterstand in de

winter van NAP – 0,83 meter. In periodes met

hogere waterstanden op de boezem, stijgt

het water in het Matslootgebied gelijk met

het water op de boezem.

In de polder Matsloot worden ten behoeve

van waterkwantiteit en -kwaliteit enkele slen-

ken aangelegd, waardoor het water van het

Peizerdiep naar het Leekstermeer stroomt.

Het tracé van de slenken volgt in hoofdlijnen

de laagste delen van het gebied. De belang-

rijkste functie van de slenken zijn het leiden

van het water naar het Leekstermeer en het

verspreiden van water in het gebied Mat-

sloot-Roderwolde. De slenken worden breed

en ondiep aangelegd.

Kostenbepalende factor voor de slenken

is vooral de kruising met infrastructuurlij-

nen. De slenken passeren op twee plaatsen

de Onlandse Dijk. Ter plaatse ligt de weg al

vrij laag: omstreeks NAP - 0,70 meter. Op die

14 Inrichtingsplan waterberging – natuur RodenNorg


plekken wordt een voorde aangelegd: ver-

laging van de weg tot onder de gemiddelde

waterstand en versteviging van het wegli-

chaam, zodat de weg toegankelijk blijft voor

het beheer van het gebied en voor recrea-

tieve doeleinden. Deze oplossing wordt ook

gekozen bij de kruising met het ontsluitings-

pad voor de hoogspanningsmasten.

De uitstroomopeningen in het Leekstermeer

bestaan uit een vaste brede drempel, die het

water bij hoge afvoeren gemakkelijk doorlaat.

Alle kunstwerken moeten zo worden ontwor-

pen dat ze passeerbaar zijn voor vissen.

In het Koningsdiep wordt een smalle beweeg-

bare stuw aangelegd. Deze stuw is eenzijdig

kerend. Dat wil zeggen dat het water uit de

Elektraboezem niet het bergingsgebied in

kan stromen. Deze stuw zorgt ervoor dat het

water van het Peizerdiep en Eelderdiep voor

ongeveer 75% wordt afgeleid naar het Leek-

stermeer.

Tussen het Leekstermeer en het Leekster-

hoofddiep komt een doorvaarbare water-

scheiding. Deze is bedoeld om menging van

water tussen het Leeksterhoofddiep en het

Leekstermeer te voorkomen. Tussen beide

delen is geen peil- en waterstandsverschil.

De onderstaande paragrafen geven een

nadere invulling van de maatregelen. Deze

zijn veelal ook op de plankaart (kaartbijlage)

terug te vinden.

3.2 Aanvullende waterhuishoudkundige

maatregelen en

inrichtingsvoorstellen

De instroom voor de meebewegende berging

gaat door drie brede openingen door de hui-

dige kade langs het Leekstermeer en door

twee openingen bij de Rodervaart. De kades

langs het Leekstermeer en de Rodervaart blij-

ven liggen. Duikers en bruggen vormen de

verbinding met de Middelvennen en de Jar-

rens (voor alternatief zie 3.1).

Als onderdeel van de EHS zijn robuuste ver-

bindingen gepland. Eén van deze verbindin-

gen is geprojecteerd tussen het zuidlaar-

dermeer en het Leekstermeer en loopt dus

oost-west door het plangebied. Deze ver-

binding moet bij voorkeur bestaan uit een

RodenNorg Inrichtingsplan waterberging – natuur

doorgaande waterloop met aangrenzend een

brede moeraszone. Voorgesteld wordt deze

verbindingszone binnen het plangebied te

koppelen aan de middelste slenk vanaf het

Peizerdiep naar de zuidoostkant van het Leek-

stermeer. Deze lijn sluit aan op het gedeelte

van de verbindingszone, dat wordt gereali-

seerd in het waterbergingsgebied Peize. De

slenken passeren de Roderwolderdijk en de

Hooiweg met zeer ruime duikers of bruggen.

De constructie van de Robuuste Verbinding is

aangepast aan de gestelde eisen.

Na afgraven en bij de toekomstige water-

stand van NAP – 0,83 meter worden de slen-

ken tien centimeter diep aan de randen tot

vijftig centimeter in het midden. Deze diepte

is naar verwachting voldoende om met exten-

sief onderhoud voldoende doorstroming te

houden. De kade langs het Peizerdiep wordt

plaatselijk afgegraven tot een profiel dat aan-

sluit bij het Peizerdiep en bij de achterliggen-

de slenk.

Het is gewenst de oevers van het Leekstermeer

af te vlakken, zodat er meer ruimte ontstaat

Leek

Leekstermeer

Roden

Peize

Peizerdiep

Eelderdiep

Groningen

Assen

zuidlaardermeer

EHS natuur (volgengs Provinciaal Omgevingsplan)

EHS bos (volgengs Provinciaal Omgevingsplan)

Robuuste Ecologische Verbinding

Hoogezand

15


voor de ontwikkeling van moeras- en rietzo-

nes langs de oevers. Op dit moment liggen de

droge delen tegen de kade op zo’n twintig tot

veertig centimeter boven het waterpeil. Dit is

voor het grootste deel een grasvegetatie. Het

natte deel is al gauw meer dan tachtig cen-

timeter diep. Beide milieus zijn niet geschikt

voor oeverplanten zoals riet. Het voorstel is

de oever binnen het plangebied af te vlakken

tot een talud 1: 10 of flauwer. Het betekent

dat vanaf de kade eerst een gedeelte wordt

afgegraven en dat het diepe gedeelte bij de

oevers wordt verondiept.

De passages met de gasleiding zorgen voor

hoge kosten. Hiervoor worden in overleg met

Gasunie maatwerkoplossingen uitgewerkt.

3.3 Kades

Het aanleggen van nieuwe kades en het op

orde brengen van bestaande kades gebeurt

met de volgende uitgangspunten.

• De kades binnen het plangebied worden

opgehoogd tot of aangelegd op een hoogte

van de maatgevende waterstand (NAP

- 0,20 m) plus een waakhoogte van een

halve meter. Dit is het uitgangspunt, dat

het waterschap hanteert als het wateroppervlak

in de bergingsgebieden breder is

dan vijftien meter.

• Voor het aanleggen van nieuwe kades in

slappe grond (veen en klei) wordt rekening

gehouden met een overhoogte van

50% en een talud van 1:4. Dat betekent

dat een nieuw aangelegde kade van 2,25

meter hoogte zakt tot een hoogte van 1,5

meter met een talud van 1:6. De aangenomen

overhoogte is een ruwe schatting

die echter grote invloed heeft op de kostenraming.

Uitkomsten van nader grondmechanisch

onderzoek en de aard van het

ontgraven materiaal bepalen de werkelijke

overhoogte.

• Voor het bepalen van de ophoging van

bestaande kades is uitgegaan van de ingemeten

kadehoogte. Voor de bepaling van

de hoogte van nieuwe kades wordt het

AHN hoogtebestand gebruikt.

• Als bij eenzijdige wegen een kade nodig

is, wordt uit kostenoverwegingen vooralsnog

uitgegaan van het aanleggen van

een kade naast de weg. Wanneer tweezijdig

een kade nodig is, wordt het ophogen

van de weg als kade een mogelijkheid. Dit

is afhankelijk van kosten en wordt mede

bepaald door landschappelijke en ecologische

aspecten.

• Aan de waterkerende zijde(n) worden de

kades afgewerkt met klei; verder geen

oevervoorziening.

• Kruinbreedte bij voorkeur vier meter;

taluds minimaal 1:4; aan de landzijde een

sloot.

De plankaart geeft aan of een nieuwe of een

bestaande kade wordt gebruikt, een bestaande

kade wordt opgehoogd of dat een weg

of fietspad wordt opgehoogd als kade. Ook

staan er kades op de kaart, die kunnen worden

verwijderd. De op te hogen kades hoeven

lang niet altijd volledig te worden opgehoogd.

De CSM-kade aan de noordzijde van

het Matslootgebied krijgt waarschijnlijk een

waterkerende functie.

De kade langs de zuidoever van het Leekstermeer

blijft in de huidige omvang bestaan om

16 Inrichtingsplan waterberging – natuur RodenNorg


het overgangsbeheer mogelijk te maken. Op

termijn verdwijnt deze mogelijk vanzelf en de

kade verliest zijn waterkerende functie.

De kade aan de oostzijde van het Leekster-

meer wordt indien nodig op hoogte gebracht

ten behoeve van de peilscheiding van -0,93 m

NAP naar -0,83 m NAP. Naar alle waarschijn-

lijkheid is dit niet nodig.

De ligging van de kades is mede bepaald

op basis van de uitkomsten van het lopende

grondmechanisch onderzoek, de archeologie

en de inspraakreacties.

Het Waterschap past op basis van dit plan

zijn legger voor waterkeringen aan en het

formuleert op die basis het beheer en onder-

houd van de diverse kades. De kades die geen

waterkerende functie meer hebben in de toe-

komstige situatie worden van de legger afge-

voerd.

Voorkomen van wateroverlast

Mogelijke toename van de grondwateroverlast voor de landbouw door het plan is vooral berekend voor een gebiedje ten noorden van

Roderwolde. Vanuit de monitoring moet duidelijk worden of er overlast optreedt, en zo ja waar. Daar worden dan maatregelen (drainage)

genomen om de grondwateroverlast teniet te doen. Met de eigenaren worden afspraken gemaakt over de monitoring en de afhandeling

van de schade.

Voor afhandeling van de schade, die eventueel ontstaat uit de inrichting en het gebruik van het waterbergingsgebied, geldt de ’Nadeelcom

pensatieregeling waterschap Noorderzijlvest’. Dit geldt zowel voor schade tijdens de uitvoering van werkzaamheden voor de inrichting van

het gebied (plaatsing inlaten, duikers, kaden) als voor eventuele schade na het gereedkomen van de inrichting.

3.4 Afwatering landbouwgronden en

voorkomen van wateroverlast

Bij de inrichting van het natuur- en waterber-

gingsgebied zou, zonder aanvullende maatre-

gelen, de waterhuishouding van enkele land-

bouwgebieden mogelijk verslechteren.

Voor de landbouwgronden in de omgeving

van het bemalinggebied Roderwolde wordt

een verbinding gemaakt – deels via bestaan-

de waterlopen – naar het gemaal aan de San-

debuurse Dijk. Het gaat om de gronden ten

oosten van de Hooiweg en ten zuiden van

de Onlandse Dijk, voor de percelen inclusief

woning ten noorden van de Sandebuurse Dijk

en voor de landbouwgronden ten zuidoosten

van het Leekstermeer. Een klein deel van deze

gronden kan in zuidelijke richting afwateren

RodenNorg Inrichtingsplan waterberging – natuur

via het nieuwe gemaal aan de Rodervaart.

De landbouwpercelen ten oosten van de Esch

van Leutingewolde gaan afwateren in zuide-

lijke richting en vervolgens via het gemaal

aan de Rodervaart.

Voor alle genoemde landbouwgebieden geldt

dat deze liggen binnen de begrensde EHS.

Bij de aanpassing van de waterhuishouding

wordt daarom voor deze gebieden uitgegaan

van de huidige waterpeilen.

De bestaande gemalen Leutingewolde en

Matsloot krijgen in de nieuwe situatie een

sterk verkleinde te bemalen oppervlakte. In

welke mate en hoe de gemalen daarop wor-

den aangepast is nog in onderzoek bij het

Waterschap.

De capaciteit van het gemaal Sandebuur is

niet voldoende voor de extra te bemalen

oppervlakte. Daarvoor is een extra gemaal

nodig nabij de Onlandse Dijk of wordt een

andere oplossing gezocht.

3.5 Veiligstellen van wegen

De gemeente Noordenveld heeft aangege-

ven dat binnen het waterbergingsgebied een

aantal wegen voor autoverkeer toegankelijk

moet blijven: de Hooiweg in combinatie met

de Sandebuurse Dijk en de Meerweg voor de

ontsluiting van aanliggende woningen en het

recreatiebedrijf Cnossen aan het Leekster-

meer. Dit geldt ook voor de Roderwolderdijk

vanaf de noordkant tot aan De Mosterdpot.

Op de kaart (kaartbijlage) zijn alle wegen

aangegeven en is aangegeven wat met welke

weg zal gebeuren. Hieronder zijn enkele spe-

cifieke situaties nader uitgewerkt.

1


Meerweg

De Meerweg ligt hoofdzakelijk omstreeks

NAP – 0,05 meter en in het laagste deel bij

Cnossen op NAP - 0,50 meter. Om de Meer-

weg altijd toegankelijk te houden wordt de

weg aan weerszijden voorzien van kades, ter-

wijl de bermsloten onder bemaling worden

gebracht. De bermsloten houden het huidi-

ge waterpeil en worden aangesloten op het

gemaal Leutingewolde. De kostenbesparing

ten opzichte van het ophogen van de weg

valt in werkelijkheid enigszins kleiner uit. De

voorzieningen naast de weg vragen namelijk

om langere (brede) duikers voor de voeding

van de Jarrens dan in de situatie waarin de

weg wordt opgehoogd. Deze duikers zijn

nodig om het boezemwater onder de weg

door te brengen.

Sandebuurse Dijk

Daar waar de kade direct bij de Sandebuurse

Dijk komt te liggen wordt de weg opgehoogd

of komt de kade aan de noordzijde van de

weg te liggen.

Hooiweg/Onlandse Dijk

Daar waar de Hooiweg en de Onlandse Dijk

de grens met de waterberging vormen, ligt

de kade 100-200 m van de weg vanwege

archeologische waarden en het voorkomen

van muggenoverlast bij bebouwing.

Bij de reconstructie van de Hooiweg enkele

jaren geleden is het laagste gedeelte aange-

legd op een hoogte van NAP + 0,10 meter.

De maximale waterstand in de plansituatie is

omstreeks NAP – 0,20 meter.

In verband met de waterberging is de hoogte

van de wegen onlangs ingemeten. Daarbij is

gebleken dat de Hooiweg over de hele lengte

in het plangebied is gezakt, van vijf tot bijna

dertig centimeter. Dit betekent dat zelfs de

gemiddelde waterstand van NAP - 0,83 in de

toekomst al kritisch wordt voor een voldoen-

de drooglegging van de weg.

Er zijn voor de Hooiweg vier opties onder-

zocht uitgaande van de huidige ontsluitings-

functie, de huidige verkeersklasse en het niet

tijdelijk afsluiten van de weg. De vier opties

zijn:

1. De huidige weg handhaven: deze optie

is vervallen omdat de weg teveel schade

oploopt in situaties waarbij het water stijgt

en tevens zal frequente afsluiting aan de

orde zijn;

2. De weg ophogen tot de aanleghoogte

zoals hij in 1998 is aangelegd: ook hiervoor

geldt dat deze optie is vervallen aangezien

ook hier geen garantie gegeven

kan worden dat de weg in de extreme situatie

geen schade gaat oplopen en ook hier

sprake zal zijn van tijdelijke afsluiting;

3. De weg ophogen tot een ’veilige eindhoogte’;

hierbij is uitgerekend welke hoogte de

weg dient te krijgen waarbij de weg niet

afgesloten hoeft te worden en er geen

schade ontstaat. De eindhoogte is daarbij

NAP + 0,30m;

4. De huidige weg wordt in de kades gelegd:

hierbij wordt aan weerszijden een waterkerende

kade gelegd en de weg wordt

bemalen door het gemaal Matsloot.

Optie 3 en 4 worden in de besteksfase nader

uitgewerkt in samenhang met de eventuele

benodigde bemaling van het gebied ten zuiden

van de Onlandse Dijk van de Hooiweg

en de twee kruisingen van de slenken met de

weg, waarvan één de Robuuste Verbinding

is. Optie 3 heeft bestuurlijk de voorkeur. De

inrichting van de Hooiweg wordt nog nader

uitgewerkt met snelheidsremmende maatregelen.

Voor het beheer zal Staatsbosbeheer gebruik

maken van bestaande wegen en paden die

niet worden aangepast.

3.6 Veiligstellen woningen en

voorkomen grondwater- en

muggenoverlast

De woning langs de Roderwolderdijk bij

Eiteweerd wordt in de kades gelegd en de

weg blijft gehandhaafd (Haveman, 2005).

De woning bij de Mosterdpot wordt waarschijnlijk

aangekocht en gesaneerd. Gebeurt

dit niet dan wordt ook deze woning in de

kades gelegd. De percelen moeten voldoende

drooglegging houden. De weg tot aan

Eiteweerd ligt enkele tientallen centimeters

boven NAP; het traject tot aan de Mosterdpot

ligt veelal 0-10 centimeter boven NAP en in

het laagste deel ruim 30 centimeter beneden

NAP. Indien mogelijk worden de bermsloten

18 Inrichtingsplan waterberging – natuur RodenNorg


en de sloten bij de woningen aangesloten op

de waterloop naar het gemaal Matsloot.

Om de bewoning bij de Matsloot veilig te

stellen kan de sloot tussen de aan te leggen

kade en de bewoning onder de weg door

aangesloten worden op het gemaal Matsloot

(Haveman 2005). De kade in de waterberging

tussen Sandebuur en de Rodervaart ligt ten

noorden van de Bolmertsche Gouwe om mug-

genoverlast te voorkomen en vanwege het

vrijhouden van een Essent-middenspannings-

leiding.

De afwatering van de woning aan de Roder-

vaart wordt meegenomen bij het nieuwe

watersysteem voor het gebied ten westen van

Sandebuur.

De camping Cnossen en de huispercelen

houden de huidige drooglegging door afwa-

tering via de bermsloten langs de Meerweg.

De bermsloten komen uit op het bestaande

gemaal Leutingewolde. De maatregelen voor

het veiligstellen van de camping en de bijbe-

horende woningen zijn meegenomen in de

uitwerking van Arcadis (2005) voor de Meer-

weg. Door het creëren van open water voor

het gemaal en de kade op enige afstand van

de bebouwing te realiseren is het waarschijn-

lijk mogelijk de toename van de muggenover-

last te beperken.

Mogelijke toename van wateroverlast kan

optreden in de kern van Peize en Eelde. Van-

uit de grondwatermonitoring en waarnemin-

gen van de gemeente moet duidelijk worden

waar mogelijk overlast optreedt. Daar moe-

ten dan maatregelen (bermsloten, cunetdrai-

nage) worden genomen om de grondwater-

standverhogingen teniet te doen.

In de plansituatie ontwikkelt zich in het

gebied op grote schaal Grote zeggenmoeras.

Dat is ook het ideale leefklimaat voor muggen.

Toename van overlast door muggen bij

de bebouwing is zoveel mogelijk voorkomen

door een bufferzone te maken, waarin de

muggen zich niet kunnen ontwikkelen. De

zone moet of permanent nat zijn, zodat er

voldoende natuurlijke vijanden van de muggenlarven

zijn, of permanent droog. In het

laatste geval moet opgaande begroeiing wor-

RodenNorg Inrichtingsplan waterberging – natuur

den verwijderd, omdat de muggen uit het

moerasgebied zich daarlangs weer kunnen

verplaatsen.

3. Veiligstellen leidingstraten en

vuilstort

Door het gebied lopen meerdere hogedrukgasleidingen.

De buizen liggen tussen 60 en

100 centimeter beneden maaiveld. Tevens liggen

er enkele afsluiterlocaties in het waterbergingsgebied.

De maatregelen ter bescherming van de gasleidingen

en het bereikbaar houden van de

afsluiterlocaties worden in nauw overleg

met de Gasunie vastgesteld. Door de Gasunie

wordt in dit verband de kwaliteit van de coating

van de buizen geïnspecteerd. zwakke

plekken worden aangepakt voordat de buizen

in de waterberging komen te liggen.

Daar waar nodig wordt boven de leiding een

zand- of kleilaag opgebracht om opdrijving te

voorkomen. Een aandachtspunt is dat, waar

nieuwe waterlopen of kades de gasbuis gaan

kruisen, er voldoende gronddekking overblijft

en dat ter bescherming van de buis de bodem

van de slenk ter plaatse wordt bekleed met

een verharding.

Daarnaast heeft de Gasunie aangegeven dat

de gasafsluiterlocaties altijd bereikbaar moeten

zijn. Daarvoor moet minimaal een halfverharde

weg worden aangelegd. De ene afsluiter

ligt tegen de Roderwolderdijk; daarmee is

de bereikbaarheid verzekerd. Voor de andere

afsluiterlocatie wordt rekening gehouden

met het aanbrengen van een halfverhard pad

op een kade.

Aan de oostzijde van het gebied loopt een

hoogspanningsleiding. Van de zijde van Tennet

(beheerder van de leiding) is aangegeven

dat ook elke hoogspanningsmast per as

bereikbaar moet zijn. Voor zover hoogspanningsmasten

niet dicht tegen de weg liggen

is ook hiervoor op de plankaart een onverhard

pad op een kade aangegeven. Voor een

deel is dit gecombineerd met de bestaande

ontsluiting van de afsluiter van de gasbuis

vanaf de Onlandse Dijk.

Tegen de Rodervaart ligt een vroegere

vuilstort. De vuilstort maakt deel uit van

het reservaatgebied van Staatsbosbeheer.

1


Natuurbeleefpunt

Wijziging van het waterbeheer zou de vraag

kunnen oproepen of dit kan leiden tot extra

uitloging van stoffen uit de vuilstort naar de

omgeving. Om die discussie te vermijden,

gaat het Waterschap uit van handhaving van

de waterhuishouding rond de vuilstort. De

vuilstort wordt buiten het waterbergingsge-

bied gehouden en de sloten rondom worden

aangesloten op het gemaal bij de Rodervaart.

Door het gebied de Jarrens loopt de hoofd-

transportleiding van het waterbedrijf Gro-

ningen. Deze moet altijd bereikbaar zijn. De

ligging is noord-zuid, ongeveer twee per-

celen vanaf de westelijke nieuwe kade. De

grens wordt oostelijk van de transportlei-

ding gelegd. Behalve met Gasunie, Tennet en

Waterbedrijf Groningen lopen er tevens con-

tacten met beheerders van andere nutsvoor-

zieningen.

3.8 Recreatieve voorzieningen

Het realiseren van recreatieve voorzieningen

in het gebied Roden-Norg is geen directe

opdracht van de Bestuurscommissie. Ondanks

dat is de Bestuurscommissie zich ervan

bewust dat de planontwikkeling mogelijk een

impuls kan geven aan het recreatief gebruik

van het gebied. Dit betekent wel dat maatre-

gelen voor recreatie volgend zijn op water-

huishouding en natuur.

De Bestuurscommissie heeft een inventarisa-

tie laten uitvoeren van het recreatiebeleid,

de huidige infrastructuur in het gebied en

de wensen op recreatief gebied. Hierover is

gerapporteerd door de werkgroep recreatie in

een ’Notitie Recreatie’ (december 2005). Uit-

gangspunt is het versterken van diverse vor-

men van natuurgerichte recreatie en het creë-

ren van routes en het opheffen van obstakels

in de bestaande recreatieve structuur. Daarbij

moeten gebruikersgroepen zo weinig moge-

lijk hinder van elkaar hebben: woon-werk-

verkeer, landbouwverkeer, wandelaars en

recreatieve fietsers. De natuurkwaliteit van

het gebied staat voorop en daarom worden

kwetsbare gebieden ontzien. De werkgroep

heeft de in de notitie geformuleerde wensen

uitgewerkt tot concrete ideeën.

Fietspaden:

• Een recreatief fietspad over de Roderwol-

derdijk; daarmee is de Roderwolderdijk

als cultuurhistorisch object veiliggesteld.

Recreatief fietspad vanaf Cnossen in zuide-

lijke richting over het westelijke schouw-

pad van de Molensloot.

• Voor beide fietspaden worden maatrege-

len tegen off-the-road-motorgebruik nader

uitgewerkt in samenhang met de materi-

aalkeuze.

Wandelpaden:

• Aan te leggen kade langs de noordzijde

van de Matsloot.

• Laarzenpad vanaf de Rodervaart langs de

Bolmertsche Gouwe via bestaande onver-

harde wegen naar het fietspad langs de

Esch van Leutingewolde.

20 Inrichtingsplan waterberging – natuur RodenNorg


Kanoverbindingen:

• Van het Peizerdiep via een aparte nieuw

te graven waterloop langs de noordelijke

kade door de polder Matsloot naar de

oostzijde van het Leekstermeer.

• Via de Rodervaart, de Bolmertsche Gouwe

en de Molensloot naar de zuidwestzijde

van het Leekstermeer.

• Een korte route vanaf het Peizerdiep naar

Het Waal en in oostelijke richting afbui-

gend weer terug naar het Peizerdiep .

Overige voorzieningen:

• Vier natuurbeleefpunten aan de rand van

natuurgebieden (Cnossen, zuidoosthoek

Leekstermeer, boven splitsing Hooiweg/

Onlandse Dijk en Eiteweerd).

• (Gehandicapten-)vissteiger langs de

Molensloot. Tevens in deze omgeving

voorzieningen voor natuurbeleving door

minder-validen, een picknickplaats en een

vogelkijkvoorziening.

• Parkeervoorzieningen bij de Onlandse

Dijk.

3. Natuurtechnische maatregelen

– speciewinning kades

Voor de ontwikkeling van een zo goed moge-

lijke kwaliteit aan natte natuurwaarden in het

gebied is het gewenst om plaatselijk te plag-

gen. Daarnaast zijn voor het aanleggen van

kades flinke hoeveelheden specie nodig. De

ontgravingen in de onderstaande tabel die-

nen beide doelen.

In de tabel staan de hoeveelheden grond die

vrijkomen bij deze natuurtechnische maat-

regelen. Daarbij is onderscheid gemaakt in

zode (bovenste tien centimeter) en de delen

die dieper ontgraven worden.

Staatsbosbeheer heeft gevraagd– wanneer er

een overschot aan grond dreigt – de prioriteit

Grondverzet

RodenNorg Inrichtingsplan waterberging – natuur

bij de ontgraving te leggen bij de af te gra-

ven laagtes in de Bolmert, Middelvennen en

bij het begin van de slenken in het Matsloot-

gebied.

De plankaart geeft ook enkele bestaande

kades, die in de nieuwe situatie niet meer

nodig zijn en zouden kunnen worden afge-

graven voor de aanleg van nieuwe kades. Dit

geldt voor zover de betreffende kades geen

rol zouden kunnen spelen bij de recreatieve

ontsluiting van het gebied of bij het beheer.

Afgraven is geen doel op zich, maar het

gebeurt voor zover specie nodig is voor wer-

ken elders.

De grondbehoefte voor kades is ongeveer

400.000 kubieke meter. Deze vraag naar

grond moet nog nader worden gespecifi-

ceerd, zowel ruimtelijk als naar gewenste

kwaliteit van het materiaal.

Mocht in totaliteit of in bepaalde delen van

het gebied onvoldoende grond vrijkomen,

dan stelt het Waterschap voor de grond voor

de kades te winnen in een strook direct ach-

ter de aan te leggen kade.

ha m 3 -tot m 3 0-10 m 3 10-20 m 3 20-30 m 3 30-50

Totaal Afgraven 30cm to 50cm 46,8 187.000 187.000

Totaal Afvlakken oever 18,8 38.000

Totaal Plag 126,4 126.000 126.000

Totaal Slenk 78,3 179.000 36.000 107.000 36.000

Totaal 2 0,3 530.000 162.000 0 10 .000 223.000

Fiets- en wandelpaden op kaden

21


4 EFFECTEN

VAN HET PLAN

4.1 Effecten water

4.1.1 Waterkwantiteit

Binnen het gebied dat wordt ingericht voor

waterberging en natuur wordt het peil van het

oppervlaktewater verhoogd. Op dit moment

is het streefpeil in de polders in de winter

NAP - 1,30 meter. In de polder Matsloot wordt

de gemiddelde waterstand in de winter straks

NAP - 0,83 meter. Het gebied van De Bolmert,

Middelvennen en Jarrens komt straks onder

invloed van de boezem van het gemaal Elek-

tra met een boezempeil van NAP - 0,93 meter.

Globaal wordt de waterstand daar derhalve

met zo’n veertig centimeter verhoogd.

De effecten van waterberging, bij inrichting

van het gehele bergingsgebied in Noord-

Drenthe, zijn uitgerekend voor een situatie

die zich gemiddeld eenmaal per honderd

jaar voordoet (zichtjaar 2015). De maximale

waterstand op het Leekstermeer wordt met 34

centimeter verlaagd tot NAP - 0,23 meter. De

berging in het plangebied vindt plaats over

ongeveer 900 hectare en met een gemiddelde

waterschijf van ruim vijftig centimeter.

Het ontwikkelen van een robuust watersy-

steem en een lage beheersintensiteit zijn

belangrijke uitgangspunten voor het plan. De

beheersintensiteit van het plan wordt in het

MER negatief beoordeeld omdat het aantal

kunstwerken toeneemt: meerdere stuwen /

drempels, de doorvaarbare waterscheiding

en de extra bemaling voor de niet verworven

landbouwgronden ten zuiden van het plan-

gebied. Door zoveel mogelijk vaste stuwen

of drempels en automatische gemalen toe te

passen wordt dit deels gecompenseerd.

Een watersysteem is robuust als het onder

extreme omstandigheden goed functioneert.

De kruinhoogte van de drempels aan het uit-

einde van de slenken is slechts twee centime-

ter hoger dan het boezempeil. Het voorlig-

gende inrichtingsplan is daarom niet gevoelig

voor de ruimtelijke verdeling van de neerslag

over het stroomgebied. In een situatie dat

er bijvoorbeeld zeer veel water valt in Gro-

ningen en weinig in Drenthe, wordt de ber-

gingsruimte achter de drempels toch benut.

Ten opzichte van de huidige situatie neemt

de robuustheid van het systeem vooral toe

omdat de bergingscapaciteit enorm is toege-

nomen en de berging ook altijd kan worden

aangesproken.

4.1.2 Waterkwaliteit

In het MER wordt een lichte verbetering ver-

wacht van de waterkwaliteit in het Leekster-

22 Inrichtingsplan waterberging – natuur RodenNorg

meer.

De waterkwaliteit wordt in de toekomst in de

winter sterk bepaald door de doorstroming

met Peizerdiepwater, vooral door het water

dat via de zuidelijke slenk toestroomt naar het

Leekstermeer. In periodes met waterberging

draait de stroomrichting om en kan water uit

de boezem de waterkwaliteit negatief beïn-

vloeden. Deze mogelijke negatieve beïnvloe-

ding is naar verwachting gering. Bij water-

aanvoer in de zomer kan boezemwater het

meer binnenstromen en kan de waterkwaliteit

mogelijk significant verslechteren. De afvoer

van het Peizer- en Eelderdiep is dan namelijk

gering of afwezig.


In het plan is een doorvaarbare waterscheiding

opgenomen tussen het Leeksterhoofddiep en

het Leekstermeer om verschillende waterkwa-

liteiten te scheiden. zonder de waterscheiding

zou in de winter een grote hoeveelheid water

met een minder goede kwaliteit uit het Leek-

sterhoofddiep het Leekstermeer binnenstro-

men. In de zomer zou een deel van de water-

aanvoerbehoefte voor het stroomgebied van

het Leeksterhoofddiep eveneens via het Leek-

stermeer stromen. In het MER (Niemeijer e.a.

2006) wordt verwacht dat door de afscheiding

de waterkwaliteit vooral in de zomer duidelijk

positief wordt beïnvloed.

Door vernatting in het plangebied komt het in

de bodem opgeslagen fosfaat vrij. Dit leidt tot

eutrofiëring van de bodem en het oppervlak-

tewater. Dit heeft effecten op de toekomstige

vegetaties in het gebied. Fosfaatmobilisatie

is vooral een probleem voor de ontwikke-

ling van voedselarme vegetaties en voor het

watermilieu van het Leekstermeer.

De te ontwikkelen moerassen zijn minder

gevoelig voor dit proces. In een groot deel

van het gebied wordt al jaren verschralingbe-

heer gevoerd. Daarnaast werd een groot deel

van de gronden van oudsher ook al minder

intensief gebruikt. Gezien de sterk verlaagde

verblijftijd van zes dagen is de fosfaatbelas-

ting in het Leekstermeer minder belangrijk.

Dit betekent bij elkaar genomen een relatief

gunstige uitgangspositie.

Ondanks de verbeterde uitgangspositie, de

verminderde gevoeligheid en de verlaagde

verblijftijd wordt in het plan terdege rekening

RodenNorg Inrichtingsplan waterberging – natuur

gehouden met het proces van fosfaatmobili-

satie. Om het effect hiervan op de waterkwa-

liteit te beperken zijn maatregelen voorzien.

Door het afgraven van de bovengrond in

delen van het gebied wordt een deel van het

opgeslagen fosfaat verwijderd. Verder wordt

uitgegaan van zoveel mogelijk doorspoeling

van de slenken, zodat het fosfaat dat vrij-

komt bij vernatting wordt afgevoerd. Met het

oog op zoveel mogelijk doorspoeling van het

gebied wordt uitgegaan van drie slenken.

In het gebied van de polder Matsloot staat de

waterkwaliteit vooral onder invloed van de

doorstroming met beekwater van het Peizer-

en Eelderdiep. Omdat het beekwater een rede-

lijk goede waterkwaliteit heeft, wordt hier een

verbetering van de waterkwaliteit verwacht

ten opzichte van de huidige situatie.

Het waterbergingsgebied van De Bolmert,

Jarrens en Middelvennen staat onder invloed

van het Leekstermeerwater, dat weer hoofd-

zakelijk wordt gevoed vanuit het Peizerdiep.

Omdat de uitwisseling met het Leekstermeer

beperkter is dan in de gebieden die worden

doorstroomd door beekwater, krijgt de inter-

ne eutrofiëring door fosfaatmobilisatie relatief

meer invloed. Verder zorgt de waterscheiding

tussen het Leeksterhoofddiep en het Leekster-

meer voor een verminderde invloed van het

Leeksterhoofddiepwater dat een mindere kwa-

liteit heeft. In zijn totaliteit wordt de situatie

ten opzichte van de huidige situatie beter.

4.2 Effecten natuur

4.2.1 Algemeen

Bij de inrichting volgens het plan ontstaat

een groot areaal met Gote zeggenvegetaties

23


Vernatting in stappen

Huidige situatie

Stap 1

Stap 2

en rietmoeras. Er is gekozen voor een staps-

gewijze ontwikkeling. Hierin wordt de water-

stand binnen de planperiode geleidelijk ver-

hoogd voor een optimale ontwikkeling van

de vegetaties. Hierdoor kan de bestaande

vegetatie wennen aan de nattere omstandig-

heden en kunnen de natte soorten zich vanuit

de slootkanten verspreiden over het gebied.

Door het afvlakken van de oevers van het

Leekstermeer kan zich over een brede zone

een oevervegetatie ontwikkelen.

De effecten voor de natuur zijn ontleend

aan het MER. De beslisregels, waarmee de

natuureffecten zijn bepaald, houden rekening

met de bodemgesteldheid en het grond- en

oppervlaktewaterstandverloop.

Met de fosfaatmobilisatie en de maatrege-

len om die te voorkomen is in het MER geen

rekening gehouden.

Het blijkt dat de stroomsnelheid zowel nu als

in de plansituatie vrij laag is. De norm voor

traag stromende benedenlopen (10-50 cm/s)

wordt niet gehaald.

In de watergangen komen enkele kunstwer-

ken (stuwen, drempels) voor. Deze worden zo

uitgevoerd dat ze passeerbaar zijn voor vis-

sen.

4.2.2 Robuuste verbinding

In het MER is nagegaan in welke mate wordt

voldaan aan de eisen van de ecoprofielen van

de specifieke soorten die horen bij deze ver-

bindingszone. Voor de ecoprofielen bever en

otter is een corridor vereist, die bestaat uit

een (brede) waterloop met een brede moe-

raszone. Afhankelijk van de minimale water-

diepte kan hier aan worden voldaan. Voor

de ecoprofielen grote karekiet, roerdomp,

noordse woelmuis, blauwborst, rietzanger en

grote vuurvlinder pakt de voorgestane ont-

wikkeling goed uit, omdat er veel nat rietland

en moeras ontstaat.

De voorgestelde inrichting van de slenk en

omgeving wordt getoetst aan de voorwaar-

den van de ecoprofielen voor bever en otter.

4.2.3 Natura 2000- gebied

De uitvoering van het plan heeft tot gevolg

dat de vegetatiesamenstelling en –structuur

verandert. Door moerasvorming en verschra-

lingbeheer is er een afname van het areaal

voedselrijk grasland. Hierdoor verandert de

geschiktheid van het gebied voor de Vogel-

richtlijnsoorten. Er is sprake van een struc-

turele vermindering van het areaal geschikt

foerageergebied voor ganzen en andere win-

tergasten. Dit komt door het verlies van de

gebieden de Jarrens en de Middelvennen als

foerageergebied. Een deel van het Vogelricht-

lijngebied blijft landbouwgrond en blijft in

beginsel geschikt voor de wintergasten. Het

areaal met geschikt biotoop voor het Por-

seleinhoen stijgt sterk. Doordat het gebied

gevarieerder wordt, komen er meer vogel-

soorten en -aantallen, waardoor het gebied

geschikter wordt als foerageergebied voor de

slechtvalk.

Ook in de autonome ontwikkeling neemt het

aantal weidevogels af. Na de recente afname

van het aantal ganzen zou hun aantal in de

autonome ontwikkeling mogelijk gelijk blij-

ven of nog verder teruglopen door het huidig

uitgevoerde verschralingbeheer.

Uit de bovenstaande beschrijving van de

effecten voor de afzonderlijke vogelsoorten

valt af te leiden dat het toetsingscriterium

positief uitvalt voor de betreffende broedvo-

gels, maar negatief voor ganzen en smien-

24 Inrichtingsplan waterberging – natuur RodenNorg

ten.

In opdracht van de Bestuurscommissie is een

nader onderzoek uitgevoerd voor de pas-

sende beoordeling (Altemburg & Wymenga,

2007). Hieruit blijkt dat uitgaande van het

bestaande beleid van de Vogelrichtlijn de

waterberging de foeragemogelijkheden van


ganzen en smienten significant beïnvloedt.

Uitgaande van het nieuwe beleid van Natura

2000 is geen sprake van significante beïnvloe-

ding. Binnen de waterberging liggen gebie-

den die in het kader van provinciaal beleid

zijn aangewezen als ganzenfoerageergebie-

den. Een deel van de oppervlakte van die gan-

zenfoerageergebieden valt vrij als de water-

berging wordt ingericht. Aan een eventuele

vergunning koppelt de provincie het verplaat-

sen van de begrenzing van de ganzenfoera-

geergebieden naar gebieden buiten, maar in

de nabijheid van, de waterberging.

De vegetatiesamenstelling en -structuur ver-

andert en daarmee verandert ook de samen-

stelling van de fauna. Op populatieniveau

zal het één en ander verschuiven, wat ook

gevolgen kan hebben voor de aanwezige

beschermde soorten. De totale beoordeling

van het deelaspect beschermde soorten is las-

tig door een complex van zowel positieve als

negatieve tendensen. Dit geldt ook voor amfi-

bieën, mollusken, libellen, vissen en vogels

in moeras, verlandingsvegetaties, ruigten en

struweel. Het betekent een afname van wei-

devogels en wintergasten. In zijn totaliteit

wordt het licht positief beoordeeld.

4.3 Effecten landschap en archeologie

In het MER zijn de plannen onder het thema

landschap beoordeeld op drie deelaspecten:

1. Historisch cultuurlandschap: landschappelijke

en cultuurhistorische samenhang,

herkenbaarheid van kenmerkende patronen

en elementen en openheid.

2. Belevingswaarde: de beleving van het

nieuw te ontwikkelen landschap.

3. Archeologie: behoud of verandering van

de in het gebied aanwezige archeologische

waarden.

Voor het eerste deelaspect is de aantasting

van de samenhang en openheid door de aanleg

van kades relevant. Voor de openheid in

RodenNorg Inrichtingsplan waterberging – natuur

relatie tot kades wordt een kadehoogte van

1,50 meter als maat gehanteerd. De aan te

leggen kades in het plangebied overschrijden

deze maat niet. Daardoor wordt de openheid

van het gebied niet wezenlijk aangetast. Echter

de overhoogte van de kades bij aanleg (tot

een factor 1,5) maakt dat direct na de aanleg

van de kades de openheid van het gebied tijdelijk

iets afneemt.

Door de integrale vernatting zal het historische

slotenpatroon vervagen, hoewel het nog

lange tijd zichtbaar zal zijn in de vegetatie.

De plankaart geeft de in het gebied aanwezige

archeologische monumenten aan op

basis van de Archeologische Monumentenkaart

van de Rijksdienst voor Oudheidkundig

Bodemonderzoek (Projectbureau, 2006). Deze

monumenten hebben hoofdzakelijk te maken

met het voorkomen van een reeks laatmiddeleeuwse

terpen uit de periode van circa. 1000-

1300 na Chr. Het gaat om monumenten van

hoge en zeer hoge archeologische waarde.

Westelijk van Het Waal gaat het om onverhoogde

huisplaatsen uit dezelfde periode.

De maatregelen in het plan zijn zodanig

geprojecteerd dat de veenterpen zo min

mogelijk worden geraakt door de uitvoering

van werken.

In het kader van de planvorming is een verdiepingsslag

gemaakt van de Indicatieve

Kaart Archeologische Waarden (IKAW) binnen

de begrenzing van de waterberging. Dit

is onder andere gedaan op basis van bestaande

kennis en van een analyse van het Actueel

Hoogtebestand Nederland met een protocol

van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap

en Monumenten. Deze nieuwe

zogenaamde verwachtingskaart (Arcadis,

2007) is de basis voor nader Inventariserend

Veldonderzoek daar waar maatregelen archeologische

verwachtingen raken en heeft op

verschillende plaatsen geleid tot het verleggen

van werken of het herbegrenzen van

gebieden waar moet worden gegraven.

25


5 KOSTENRAMING

EN FINANCIERING

5.1 Kosten

De kosten en financiering, die in dit hoofd-

stuk staan, worden later nader onderbouwd.

Onderstaande tabel geeft een voorlopig over-

zicht van de geraamde kosten. De genoemde

bedragen zijn inclusief directiekosten en

BTW.

Omschrijving Kosten (miljoen euro)

Bestaande kades ophogen 0,5

Nieuwe kades maken 6,2

Wegen ophogen 2,1

Waterkwaliteitsscheiding Leekstermeer 0,1

Gas bereikbaarheid 2,6

Elektriciteit bereikbaarheid 3,0

Maatregelen waterinlaten en kano-uitstapplaatsen 0,2

Robuuste verbinding 1,0

Stuwen passeerbaar maken, gemalen 0,2

Mitigerende maatregelen 0,9

Landbouwdrainage 0,5

Totaal plan 1 ,3

De kosten voor grondverwerving maken geen

onderdeel uit van het plan: de gronden wor-

den aangekocht met rijksgeld in het kader

van verwerving van de EHS. Een deel van de

aankopen is voorgefinancierd door het water-

schap Noorderzijlvest.

De begroting wordt gaandeweg de uitvoe-

ringsfase aangescherpt door:

• Het controleren en toevoegen van ontbrekende

posten;

• Het voor de belangrijkste posten nagaan

of belangrijke besparingen mogelijk zijn

(creatieve oplossingen) en

• Het nader uitwerken en begroten van de

maatregelen.

5.2 Toelichting

De begroting is op basis van eenheidsprijzen

gemaakt. De totalen zijn berekend door

26 Inrichtingsplan waterberging – natuur RodenNorg


eenheidsprijzen te vermenigvuldigen met de

eenheid. De eenheden zijn bepaald op basis

van een deskundigenoordeel of op basis van

in het Geografisch Informatie Systeem (GIS)

bepaalde hoeveelheden.

Hieronder is kort aangegeven wat in de bes-

teksfase nader wordt onderzocht om een

meer gedetailleerde begroting te krijgen:

• Herberekening voor de slenken. Uitkom-

sten worden verwacht uit het 2D-onder-

zoek

• De kades langs de Rodervaart en het Leeks-

termeer worden op een paar punten door-

graven en niet verwijderd.

• Voor wegen in het algemeen is een droog-

legging van een meter aangehouden om

teveel schade aan de weg te voorkomen.

De exacte drooglegging en de constructie

moeten nader worden onderzocht.

• De aanleghoogte van de Roderwolderdijk,

het fietspad Molensloot en de Hooiweg

moeten worden bepaald.

• De capaciteit van het gemaal Sandebuur

in verband met de extra hectares van Wil-

lems. Vooralsnog wordt uitgegaan van een

extra gemaal.

• Herberekening van de kades op basis van

een meer gedetailleerde ligging.

• Grondbalans: af te graven gronden en de

grondbehoefte. De berekening voor de

kades en de uitkomsten van de diepte van

de slenken is grotendeels bepalend. Daar-

naast worden het af te graven gebied en

het af te plaggen gebied bepaald. Een

tweede slag is de onderverdeling naar ver-

schillende grondsoorten.

• Kabels en leidingen: nader overleg met

diverse instanties om te komen tot over-

eenstemming over de werkelijk te nemen

maatregelen

5.3 Financiering

De kosten worden in eerste instantie gedekt

door waterschap Noorderzijlvest, provincie

Drenthe, gemeente Noordenveld, Staatsbos-

beheer en het Rijk. Het gaat hierbij ook voor

een deel om gelden die vanuit bestaande

regelingen beschikbaar worden gesteld, zoals

bijvoorbeeld inrichtingskosten EHS uit het

Investeringsbudget Landelijk Gebied. Moge-

lijk komen ook bijdragen van derden beschik-

baar.

Verder is er een toezegging voor subsidie

voortvloeiend uit het Nationaal Bestuursak-

koord Water (NBW, Rijkswaterstaat). Er wordt

naar aanvullende bijdragen vanuit diverse

regelingen en subsidies gezocht.

RodenNorg Inrichtingsplan waterberging – natuur 2


6 MONITORING

EN VERVOLGTRAJECT

6.1 Monitoring

Om de effecten van het plan te kunnen zien

en volgen is besloten een monitoringsmeet-

net op te zetten. Het meetnet is ontworpen

door het waterschap Noorderzijlvest en de

Dienst Landelijk Gebied in samenwerking met

de overige partijen. Hierover is een aparte

notitie verschenen.

In het plan wordt stilgestaan bij de verschil-

lende onderdelen. Deze worden niet allemaal

uitgewerkt in het plan. Een aantal onderde-

len wordt door de afzonderlijke partners

zelfstandig uitgewerkt. Dit is in het monito-

ringsdocument vastgelegd. De verschillende

onderdelen zijn:

1. Grondwaterkwantiteit;

2. Oppervlaktewaterkwantiteit en -kwaliteit;

3. Bodemkwaliteit;

4. zettingen van wegen, kades en leidingen;

5. Vegetatie;

6. Fauna;

7. Archeologie;

8. Muggen;

9. Bouwkundige staat van woningen

In maart 2007 is een grondwatermeetnet geïnstalleerd

om de nulsituatie van het grondwater

in verband met wateroverlast bij bebouwing

en landbouwschade vast te leggen.

Het meetnet vraagt investeringen maar vooral

ook een beheersinspanning voor onderhoud

van de peilbuizen, het opnemen en

archiveren van de meetgegevens en voor het

vastleggen van waterhuishoudkundige veranderingen

in de waarnemingsperiode.

Aanvullend op het monitoringdocument is

een nulmeting van de muggen voorzien.

Daarnaast wordt de bouwkundige staat van

verschillende huizen in de nabijheid van de

waterberging fotografisch vastgelegd.

Ongeveer vijf jaar na het begin van de metingen

wordt een (tussen)evaluatie gemaakt

van de effecten van het plan. Mocht het plan

onverhoopt toch schade veroorzaken voor de

bebouwing of voor landbouwgronden, dan

kunnen nog aanvullende maatregelen worden

getroffen.

6.2 Verdere procedure en planning

voorbereidingsfase

Het Inrichtingsplan waterberging en natuur

Roden-Norg doorloopt de volgende procedure:

• Het besluit tot vaststelling wordt op grond

van artikel 40 van het Reglement voor het

waterschap Noorderzijlvest ter goedkeuring

aan Gedeputeerde Staten van Drenthe

gezonden.

• Het waterschap maakt het besluit tot goedkeuring

door het college van Gedeputeerde

Staten bekend en legt dit samen met

het goedgekeurde inrichtingsplan gedurende

zes weken ter inzage.

• Gedurende deze zes weken na bekendmaking

kan tegen de goedkeuring door

belanghebbenden beroep worden ingesteld

bij de arrondissementsrechtbank

Assen, sector bestuursrecht.

• Tegen de uitspraak van de rechtbank staat

voor belanghebbenden hoger beroep open

bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de

Raad van State.

28 Inrichtingsplan waterberging – natuur RodenNorg


Tegelijkertijd met de goedkeuring van het plan

in het kader van de Wet op de Waterhuishou-

ding moet ook vergunning worden gevraagd

voor de plannen, die in het Vogelrichtlijnge-

bied (Natura 2000) worden uitgevoerd op

basis van de Natuurbeschermingswet.

Naast deze procedure loopt ook een bestem-

mingsplanprocedure voor dit gebied. Hieraan

is de MER gekoppeld, die als basis voor dit

plan dient.

Op basis van de waterstanden die in dit plan

zijn genoemd wordt een peilbesluit opge-

steld. Dit wordt door het waterschap in pro-

cedure gebracht.

Het Plan van Toedeling van de Herinrichting

Roden-Norg is in de afrondende fase. De

mogelijkheid bestaat om daarop vooruit-

lopend via het Plan van Tijdelijk Gebruik de

waterberging vrij te maken voor de uitvoe-

ring van werkzaamheden.

6.3 Onderzoek en nader uit te werken

Belangrijk onderdeel van het plan is het

opwerpen van kades. Het ontgraven van spe-

cie en het transport kunnen nog verder wor-

den geoptimaliseerd wat betreft de kosten en

de te bereiken effecten voor de natuur. Het

verdient aanbeveling om daarvoor een inte-

graal grondstromenplan te ontwikkelen, dat

ook is afgestemd op de nieuwste hoogtege-

gevens.

In verband met de noodzakelijke overhoogte

moet grondmechanisch onderzoek worden

uitgevoerd naar de bodemopbouw op de

plaats van de op te hogen of aan te leggen

kades.

6.4 Vergunningenprocedures

Flora- en Faunawet

In de passende beoordeling is ingegaan op

de uitvoering van het plan. In de paragraaf

mitigerende maatregelen is specifiek inge-

gaan op de geschikte perioden voor uitvoe-

ring. Voor het beschadigen of bedreigen van

beschermde categorie twee of drie soorten

moet een ontheffing op grond van de Flora-

en Faunawet worden aangevraagd.

RodenNorg Inrichtingsplan waterberging – natuur

Ontgrondingenvergunning

Inrichtingsmaatregelen binnen de door de

Provincie begrensde natuurgebieden zijn vrij-

gesteld van het aanvragen van een ontgron-

dingenvergunning tot een diepte van vijftig

centimeter.

Bouwstoffenbesluit

Het gebied van de Herinrichting Roden-Norg,

waaronder het plangebied, is in 2004 onder-

zocht op verdachte situaties met betrekking

tot de bodemkwaliteit: notitie Herinrichting

Roden-Norg – Uitvoeringsdocument grond-

verzet, 26 januari 2005. Hierbij zijn enkele

van bodemverontreiniging verdachte plekken

gevonden, onder andere de vuilstort. Voor

het overige valt het plangebied voor zover

het werken in het kader van de Herinrichting

Roden-Norg betreft onder de afspraken in het

Convenant Grondverzet Herinrichtingsplan

Roden-Norg. Voor de werken in het kader van

waterberging zal eenzelfde soort convenant

worden afgesloten. Vrijkomende gronden tot

één meter beneden maaiveld mogen zonder

partijkeuring binnen het plangebied “als zij-

nde schoon toepasbare grond” worden ver-

werkt. Het convenant geldt niet voor water,

grondwater, erven en gedempte sloten. Voor

deze categorieën gelden de regels van het

Bouwstoffenbesluit, het Besluit stortverbod

buiten inrichtingen en de provinciale Milieu-

verordening. Grondverzet dient minimaal

vijf werkdagen van tevoren bij de gemeente

Noordenveld te worden gemeld. Voor de ove-

rige voorwaarden: zie het genoemde conve-

nant.

Op 1 januari 2007 is het Bodembesluit in wer-

king getreden. Doel daarvan is het grondver-

zet te vereenvoudigen.

6.5 Uitvoeringsfase

In de uitvoeringsfase worden de plannen

nader uitgewerkt. Ook nog uit te voeren

onderzoeken worden dan opgestart, vergun-

ningen aangevraagd en bestekken opgesteld.

Ten aanzien van de Flora- en Faunawet wordt

een nadere uitwerking gemaakt van de in het

MER beschreven afstemming op de seizoenen

en het werken volgens gedragscodes.

2


30

6.6 Overgangsbeheer

Staatsbosbeheer heeft om een gefaseerde

vernatting gevraagd, zodat met een verschra-

lingbeheer van maaien en afvoeren een zo

goed mogelijke uitgangssituatie voor natuur-

ontwikkeling kan worden gecreëerd. Een

geleidelijke vernatting is ook wezenlijk voor

de gewenste ontwikkeling van rietzones.

Tenslotte wordt met de stapsgewijze vernat-

ting al een deel van het gemobiliseerde fos-

faat afgevoerd. In overleg met Waterschap

en Staatsbosbeheer is een overgangsscenario

uitgewerkt voor de uitvoeringsperiode van

het project.

Voor het gebied van de polder De Bolmert

houdt dit in dat het zomerpeil voorlopig

wordt gehandhaafd op NAP – 1,10 meter om

een maaibeheer mogelijk te maken. Het win-

terpeil gaat geleidelijk omhoog tot het eind

van de uitvoeringsperiode. Dit betekent dat

nog gedurende enkele zomers een maaibe-

heer kan worden gevoerd.

Om verhoging van het peil vanaf eind 2007

mogelijk te maken, moet aan een aantal voor-

waarden worden voldaan:

• de gronden in het waterbergingsgebied

moeten vrij zijn van agrarisch gebruik;

• afgrenzing met de aangrenzende landbouwgronden

in de vorm van kades of het

afdammen van sloten;

• aanleg van twee tijdelijke stuwen in de

waterlopen naar het gemaal, waarmee

de hogere waterstanden kunnen worden

ingesteld, zodat de gebouwen en de grond

van Cnossen op het huidige polderpeil blijven;

De Meerweg heeft op het laagste punt een

hoogteligging van NAP – 0,10 m zodat bij het

maximale peil in de overgangsperiode van

NAP – 0,93 meter de weg voldoende drooglegging

houdt.

Voor het gebied van de polder Matsloot wordt

een vergelijkbaar traject gevolgd. Voordat de

peilen kunnen worden verhoogd, moeten

voorzieningen worden getroffen bij:

• het aanbrengen van de gronddam voor het

gemaal in de Matsloot met een tijdelijke

beweegbare stuw;

• een tijdelijke beweegbare stuw in de

waterloop langs de Hooiweg nabij het

gemaal;

Inrichtingsplan waterberging – natuur RodenNorg


• bebouwingsenclave bij het gemaal aan de

Hooiweg (duiker onder de weg tot onder

de genoemde stuw);

• beide woningen aan de Roderwolderdijk

(eventueel bermsloten tijdelijk koppelen

aan de polder boven Matsloot);

• het landbouwgebied aan de oostkant van

de Hooiweg bij Roderwolde: afwatering,

afdammen sloten en

• de woning en aangrenzende percelen aan

de Sandebuursedijk.

6. Eigendom, beheer en onderhoud

De kades komen in eigendom, beheer en

onderhoud bij het Waterschap.

De wegen en fietspaden met bijbehorende

bermsloten zijn of komen in eigendom van de

gemeente Noordenveld, behalve de Onland-

sche Dijk. Vanaf de grens van het plangebied

wordt deze aan de openbaarheid onttrokken

en gaat in eigendom, beheer en onderhoud

naar Staatsbosbeheer.

De hoofdwatergangen binnen het plangebied

komen in het kader van het Plan van Toede-

ling in eigendom, beheer en onderhoud bij

het Waterschap, inclusief de slenken. Na

afronding van het Plan van Toedeling wordt

het eigendom, beheer en onderhoud van

de hoofdwatergangen aan Staatsbosbeheer

overgedragen.

Het overige gebied is of komt bij het Plan van

Toedeling Roden-Norg in eigendom bij Staats-

bosbeheer. Staatsbosbeheer zorgt hier ook

voor het beheer en onderhoud. In de over-

gangsperiode gaat Staatsbosbeheer uit van

een intensief beheer van maaien en afvoeren.

Het beheer daarna wordt extensief, maar in

hoeverre een begrazingsbeheer mogelijk is,

hangt af van de ontwikkeling van de grond-

waterstanden en de vegetatie (dit is onder

meer afhankelijk van de mate waarin uitein-

delijk kwel voorkomt in het gebied).

Vanwege de doorvoerfunctie komen het

beheer en onderhoud van het centrale deel

van de slenken bij het waterschap Noorder-

zijlvest. De slenken zijn ondiep en breed. Of

dit profiel op termijn voldoende is wordt via

monitoring gevolgd. Er worden apart afspra-

ken gemaakt om noodzakelijk onderhoud op

termijn te regelen.

RodenNorg Inrichtingsplan waterberging – natuur

Bemalingen, peilregulerende kunstwerken

en de doorvaarbare waterscheiding komen

in eigendom, beheer en onderhoud bij het

Waterschap.

Het Leekstermeer is eigendom van de

gemeente Noordenveld. Voorgesteld wordt

dat Staatsbosbeheer de te realiseren rietzone

gaat beheren.

31


L

LITERATUURLIJST

1. Arcadis, 2005. Waterberging Leekstermeer

– Uitwerking Jarrens en Middelvennen

– Kostenramingen. Arcadis in opdracht

van Waterschap Noorderzijlvest.

2. DLG, 1997. Herinrichting Roden-Norg

– Plan. Dienst Landelijk Gebied Regio

Noord, Groningen.

3. DLG, 1998. Onderzoek

Leekstermeergebied – Inrichting en

beheer. Dienst Landelijk Gebied Regio

Noord, Groningen.

4. Haveman, T., 2005. Waterbergingsgebied

Matsloot-Roderwolde – Maatregelen

rondom huiskavels Wobbes/ v.d. Veen.

Grontmij in opdracht van Waterschap

Noorderzijlvest.

5. Niemeijer, A. e.a., 2006. MER

Waterberging Herinrichting Peize,

Royal Haskoning in opdracht van Dienst

Landelijk Gebied Regio Noord, Groningen.

6. Projectbureau Herinrichting Peize, 2006.

Cultuurhistorische inventarisatie ten

behoeve van de Herinrichting Peize.

Dienst Landelijk Gebied Regio Noord,

Groningen.

7. Siebinga, R. e.a., 2001. Grondstromen

Gestroomlijnd – Een integrale aanpak van

grondverzet in de Herinrichting Roden-

Norg. TAUW in opdracht van Dienst

Landelijk Gebied Regio Noord, Groningen.

8. Vos, S.F. en S.A. Kroes, 2005. Noordenveld

leeft met water – Projectenplan

Waterplan Noordenveld. Oranjewoud in

opdracht van Gemeente Noordenveld,

Roden.

9. Waterschap Noorderzijlvest, 2006.

Beleidsplan reconstructie kaden

Waterschap Noorderzijlvest. Afdeling

Onderzoek en Planvorming WS

Noorderzijlvest, Groningen.

10. Werkgroep Recreatie, december 2005.

Notitie recreatie. Projectbureau Peize,

Dienst Landelijk Gebied Regio Noord,

Groningen.

32 Inrichtingsplan waterberging – natuur RodenNorg


Colofon

Samenstelling landinrichtingscommissie

Adviseurs landinrichtingscommissie

Dit is een uitgave van de Landinrichtingscommissie Peize

Correspondentieadres:

Dienst Landelijk Gebied

Postbus 30027

9700 RM Groningen

Telefoon: (050) 3178500

Fax: (050) 3178585

Productie:

Samenstelling: Dienst Landelijk Gebied Regio Noord en Projectbureau Herinrichting Peize

Fotografie: GIS afdeling DLG Regio Noord

Cartografie: GIS afdeling DLG Regio Noord

Illustraties: Dienst Landelijk Gebied Regio Noord

Opmaak: GIS afdeling DLG Regio Noord

Druk: Koninklijke Van Gorcum B.V. Assen

Lid:

Jaap van Dijk

Jan Kemkers

Harm Assies

Herman Sips

Alewijn Brouwer

Nico Altena

Hendrik Smeenge

Jan Luuk Stel

Sjoerd Weijs

Bert van Guldener

Willem Boers

Barend Buijs

Namens:

Onafhankelijk voorzitter

Gemeente Noordenveld

Gemeente Tynaarlo

Waterschap Noorderzijlvest

Staatsbosbeheer

Natuurmonumenten

LTO-Noord

LTO-Noord

Bewoners

Dienst Landelijk Gebied, secretaris

Kadaster

Provincie Drenthe

More magazines by this user
Similar magazines