Diamant door Titia Lindeboom

refdag.nl

Diamant door Titia Lindeboom

Van wat voorbij is, hoor je de slag

in het water en van de spatten

blijft alleen de spot

die het leven drijft.

Het water is weer rustig

Het vergeet zo vlug

zijn rimpels

Armand van Assche

Diamant

,,Dus ge komt hier om het schoonste op aarde te kopen?’‘

Brugge, anno Domini 1385

De herbergier lacht en slaat daarbij met zijn vuist op tafel. Bierkruiken dansen op het

eikenhout. Hij knort als een goedmoedig zwijntje. De schipper mompelt verontschuldigend.

Ik meen de naam van de Vrouwe te verstaan, onze opdrachtgeefster. En iets over vrouwen in

het algemeen, dat ze dwaas en onredelijk zijn. Grappig. Ik heb nooit bevroed dat Almer

verlegen kan worden. Karmozijn kleurt de huid achter zijn baard.

,,Komaan vriend. Ge hebt de Brugse haven vaker aangedaan, zeker? De wereld hebt ge

vervoerd op uw kogge: hout uit het koude noorden, vijgen en dadels uit Barbarije, wol uit

Engeland, bontpelzen uit Rusland, specerijen en zijde uit het Morgenland, zilver uit de

Bohemen, fluweel en goudbrokaat uit Italië en stapels, stápels van het fijnste Vlaamse laken.

En nu kunt ge mij geen betere opdracht geven dan deze: het schoonste op aarde te vinden.

Pfah! Neem een vrucht. Misschien komt ge dan tot uw zinnen.’‘

Onze gastheer reikt ons een mand met glanzende bollen. ,,Voor u en uw jonge scheepsgezel.’‘

Ze zijn oranje als de zon tijdens de vespers, en ik pak er aarzelend één aan. Almer bedankt.

Zijn hoofd staat niet naar voedsel.

,,Een noviteit’‘, verklaart de herbergier. ,,De Portugese die ze mij verkocht noemde ze

laranja’s. Toe, eet gerust. Maar nu ter zake, Fries. Ge weet hoe het werkt in onze stad. Gij

plaatst een bestelling en ik breng u in contact met een handelaar. De betaling gaat via mij. We

hebben elkaar altijd goed verstaan. Vertel mij: voor welk product wilt ge uw gouddukaten

inruilen?’‘

De schipper strijkt zijn mantel glad. ,,Ik dacht... Ik heb vernomen dat hier diamanten te koop

zijn. Graven uit Holland tooien zich met Brugse edelstenen.’‘ Vastberadenheid keert terug in

zijn stem. ,,En wat goed is voor Hollanders, is zeker goed voor onze Vrouwe! Breng mij de

grootste diamanten die je kunt vinden.’‘

,,Di-a-man-ten’‘. De herbergier spreekt het langgerekt uit, alsof het vier afzonderlijke

woorden betreft. Hij strekt zich naar achteren, de handen achter het hoofd. ,,De Venetianen


doen in diamanten. Ik kan zeker en vast een ontmoeting regelen. Morgen rond de noen, als de

klok van het Belfort luidt, meldt ge u weer aan deze tafel.’‘

Hij kijkt spottend opzij. Ziet hoe ik worstel met de oranje vrucht, die ik nog niet heb kunnen

doorgronden. Ik pulk er een groen sterretje af, zet mijn hoektanden in de buitenkant. Bah,

bitter! Nogal plotseling klemt de herbergier het ivoren heft van een mes in zijn hand en zwaait

het omhoog. Ik deins naar achteren. Trefzeker klieft hij de vrucht in vier parten. Sap spat in

het rond. ,,Kijk aan, Sinus! De binnenkant moet ge nuttigen. Niet de schil natuurlijk.’‘

Ik hap. Proef. Nooit eerder at ik zoiets verrukkelijks. Ik sluit mijn ogen, laat het zoete vocht

mijn tong bedruipen. Laranja’s. Die kan ik mijn leven lang wel eten.

Een etmaal eerder - zeven dagen na Sint Pieter - kwamen wij het Zwin doorgevaren. In

Damme gingen wij voor anker, waar de schipper zijn kogge vol goudstukken toevertrouwde

aan de rest van de bemanning. Hij maande ze streng-vaderlijk het schip goed te bewaken en

zich niet te zeer te laten bedwelmen door plaatselijk bier en vrouwvolk in dubieuze

badhuizen.

Met een minimum aan bagage stapten wij samen over op een sloep, die ons naar Brugge zou

brengen. Een zwijgzame Vlaming joeg het bootje het kanaal over. Hij droeg een ouderwetse,

moskleurige kaproen 1 , die bijna zijn hele gezicht bedekte. De lierepijp reikte tot aan zijn

heupen. Almer besprak met mij zijn voornemens en zijn twijfels. Waar kun je al dat goud het

beste aan besteden? Zou een diamant de Vrouwe kunnen bekoren?

De sloep boorde zich door een bouwwerk van steen. ,,De Dampoort’‘, zei de schipper.

Onverwacht ontvouwde Brugge zich rondom mij, als in een droom. De stad is van een

ongelooflijke schoonheid. Torens wijzen als heilige vingers naar omhoog. We gleden de reien

over en kwamen uit op een plein, waar een enorme kraan handelsgoederen uit sloepen

omhoogtakelde. De schipper pakte mijn hand, want ik zou blijven stilstaan van ontzag. ,,Kom

mee. Onze herberg is die kant op.’‘

De machtigste ingezetene van Brugge is de klok van het Belfort. Zij dicteert het tijdstip

waarop haar stadsgenoten opstaan, aan het werk gaan en het middagmaal gebruiken. Zij

bepaalt wanneer de werkdag eindigt en wanneer de vuren gedoofd moeten worden. Ook

bepaalt zij dat wij nu gaan aanschuiven bij de herbergier en het overdreven uitgedoste

heerschap dat naast hem zit. Zijn wijde, geplooide houppelande 2 is gemaakt van rood brokaat

en bestrooid met kleurrijke borduursels. De punten van zijn schoenen zijn mallotig lang. Zijn

kin en bovenlip zijn gladgeschoren, op een minuscuul baardje en snorretje na. Hij steekt nogal

af tegen de andere herbergbezoekers: een voddige vrouw met een kind aan de borst, een

grauwgeklede man met een groene kapmuts en nog wat andere armoedzaaiers.

,,Dat moet die Italiaan zijn’‘, fluister ik tegen de schipper.

,,Venetiaan’‘, verbetert de koopman en hij wenkt ons. Zijn gehoor is dus scherp, zijn Vlaams

bijkans accentloos. Hij taxeert ons, alsof wij de koopwaar zijn en hij de koper. ,,U zoekt een

diamant, heb ik begrepen?’‘

,,De mooiste en grootste die u hebt’‘, zegt de schipper gretig.

De koopman haalt een zwartfluwelen doek te voorschijn, maakt aanstalten om hem open te

vouwen, maar lijkt zich te bedenken.

II


,,Besef dat wat u te zien krijgt van een buitengewone schoonheid is. Onaards bijna, als de

gestolde tranen van de Heilige Maagd. Venetiaanse galeien ondernemen een levensgevaarlijke

reis naar India, speciaal om deze mirakelstenen op te halen. Denk niet te licht over uw

aankoop.’‘

Wij knikken gehoorzaam, ongeduldig om het wonder onder de doek te aanschouwen. En als

de pruimdikke steen uiteindelijk op tafel ligt, naakt en flonkerend in het kaarslicht, zijn we

even sprakeloos.

,,Wel Sinus, wat vind je ervan?’‘

,,Tja, eh, wat zal ik zeggen? Het is ongetwijfeld een bijzondere steen. Maar hij is zo, zo ruw,

zo ongepolijst. De Vrouwe bezit een gordel met saffieren en robijnen die stuk voor stuk

mooier zijn dan deze diamant. Zou hij niet in een mooiere vorm kunnen worden geslepen?’‘

De Venetiaanse koopman barst uit in een vreugdeloos hoongelach. ,,Slijpen! Bij Sint Jozef!

Een diamant? Een diamant laat zich niet bewerken. Zo is het in de schepping vastgelegd. Zij

is van het edelste en hardste materiaal op aarde.’‘

Hij verstrakt, staat op, richt zich tot de herbergier. ,,Ik wil deze pummels mijn kostbaarheden

niet verkopen. Spijtig voor u, maar ik vertrek.’‘

De herbergier rent hem achterna, wanhoop op zijn gezicht. Hij probeert de Venetiaan te

overreden om te blijven.

Hooghartig kijkt deze achterom. ,,Morgen, hier, om dezelfde tijd. Dat is de laatste kans die u

van mij krijgt.’‘ Zijn houppelande bolt op als hij de deur openrukt en dichtslaat.

Zonder een woord, zonder een blik, dient de herbergier ons het middagmaal op. Met twee

kruiken Duits hopbier en een uitgestoken vinger stuurt hij ons het lokaal uit, naar de

slaapvertrekken. In die bedompte ruimte leg ik de schipper mijn plan voor. ,,Want ik geloof

helemaal niets van die opschepper.’‘

Almer kneedt zijn voorhoofd. ,,Ik weet het niet, Sinus. In deze stad behoor je niets te kopen of

verkopen zonder een bemiddelaar. En ik wil mijn reputatie na vandaag niet nog verder

schaden. Aan de andere kant kunnen wij ook niet met lege handen naar de Vrouwe

terugkeren. Weet je wat? Probeer het maar. Hier heb je mijn beurs; er zitten vijf goudstukken

in. Doe voorzichtig, alsjeblieft. Ik laat mijn oude botten hier even tot rust komen.’‘

Luttele minuten later sta ik buiten. Ik loop langs de basiliek waar men Christus’ heilig bloed

bewaart. Langs de Waterhalle, waar duizenden ponden laken en andere goederen wachten op

distributie. Ik waan mij in Babel. Overal staan bouwsteigers, het is alsof Brugge steen voor

steen in de hemel probeert te klimmen. Er wordt een fonkelnieuw stadhuis gebouwd, het

Belfort wordt verfraaid en uitgebreid. En dan al die talen! Ik hoor Frans spreken, Spaans,

Pools, Schots. Ik loop langs voorname dames, langs een saffraankleurige slavin, langs een

man met de teint van vers roggebrood.

Dan bevind ik mij op het uitgestrekte handelsplein, waaraan de Venetiaanse loge is gelegen.

Kooplieden voeren er onderhandelingen, ze roezemoezen prijzen en goederen. Ik word op

mijn schouder getikt door een man met zwart haar en een azuurblauwe houppelande.

,,Jongeman, ik heb gehoord, u zoekt mooiste op aarde?’‘

Ik kijk hem wantrouwig aan.

,,Naturlik ik weet dat. Brugge is dorp, niet als machtige steden in onze schone Italië. Ik weet

ook dat u diamant zoekt. Mijn collega Giovanni, scusa, hij weet niet van nieuwste technieken

om diamant te slijpen. Ik heb diamant voor u, mooier als hemel zelf. Vijf goudstukken? Goed,

dat is onderpand. Breng hem naar uw schipper om te laten zien. Morgen ik kom naar uw

herberg, dan betaalt u mij rest van bedrag.’‘

III


Twee, drie uren wacht ik. Tenslotte, voordat de zon definitief onder de aarde zakt, maak ik

de schipper wakker. Troon hem mee naar een rustig plekje buiten, achter de herberg. Almer

houdt de appeldikke diamant tegen het licht. Beweegt hem rond en rond. Regenbogen

schieten door de steen.

,,O Sinus, je bent geweldig! Waarlijk, zoiets schitterends heb ik nog nooit gezien. Wat is hij

gaaf! Denk je de reactie van de Vrouwe eens in! Ze zal ons haar eeuwige vriendschap

schenken en mij de rust gunnen die me na zoveel decennia varen toekomt.’‘

Ik glimlach. Trots. Mijn eerste handelstransactie ooit is een succes. Dan ontwaar ik in mijn

ooghoek de herbergier.

,,Proficiat’‘, zegt hij laconiek. ,,Het is u zowaar zelf gelukt een schonere diamant te vinden

dan die ik u heb voorgesteld. Mag ik?’‘ De herbergier houdt hem kritisch tegen het licht. ,,Het

is een fraai exemplaar. Perfect symmetrisch, glanzende facetten’‘, geeft hij toe. ,,Vooral dat

haarscheurtje, ziet ge hem daar? Die maakt de diamant wel bijzonder uniek. Staat ge mij toe.’‘

De herbergier neemt onze schat mee naar het drinklokaal. Hij legt de edelsteen midden op

tafel en haalt een zware hamer te voorschijn. ,,Niet doen!’‘, schreeuw ik. De herbergier kijkt

me recht aan: ,,Wat kan er gebeuren? Diamanten zijn immers onbreekbaar?’‘

Met sterke armen heft hij de hamer omhoog en laat hem naar beneden storten, bovenop onze

diamant. Glassplinters vliegen het lokaal door. Net als mijn trots is de steen in zeker duizend

stukken uiteengespat.

Vanuit een hoek kijkt een man steels onze kant op. De herbergier beent in zijn richting, trekt

hem aan zijn groene lierepijp de hele ruimte door, naar onze tafel. ,,Ik neem aan dat ge hier

meer van weet, Kobe. Amai, dit is nu typisch een streek voor u. Ge zoudt uw leven toch

beteren? Geef die brave mensen hun goudstukken terug, voor ik u aan de schandpaal laat

nagelen. Nee nee, alle vijf. En nu wegwezen, mijn herberg uit.’‘

Valt er nog iets te zeggen? Hadden we een hondenstaart, dan staken wij hem tussen onze

hozen. De schipper hakkelt tenslotte: ,,Ik... ik weet niet hoe ik je ooit nog onder ogen kan

komen.

,,’t Is al goed,‘’ zegt de herbergier. ,,Ge zijt genoeg gestraft. Uw hoogmoed is als een hagelbui

op uwen kop terechtgekomen. Kom, neem wat fruit.’‘

,,Kleine laranja’s?’‘, vraag ik.

,,Zoiets. Limão’s heten deze vruchten. Deze zijn nóg zoeter. Ge ziet het al aan de kleur: ze

zijn geler dan lindehoning.’‘

Gulzig happen we in het vruchtvlees. Mijn adem stokt. Zuur! Wat afschuwelijk zuur! Almer

trekt zijn gezicht in een frommel. Mij schieten de tranen in de ogen. De herbergier laat de

kruiken dansen, wilder dan tevoren.

,,Wat vind ge ervan, vriend?’‘, vraagt hij terwijl hij naknort van het lachen. ,,Moeten wij onze

Giovanni nog laten ontbieden vanmiddag?’‘

,,O nee!’‘, zegt de schipper. ,,Van Brugge heb ik voorlopig een wrange smaak in de mond.

Morgenvroeg keren wij naar onze kogge en varen verder. Langs kusten, over zeeën,

misschien wel tot diep in de Levant. Ergens toch moet het mooiste op aarde te vinden te

zijn.’’

Titia Lindeboom, Axel

IV


1. Middeleeuwse muts die over het hoofd werd getrokken, waarbij een uitsparing voor het gezicht werd

vrijgelaten. Aan de achterzijde van het hoofd bevond zich een lang, afhangend stuk stof: de lierepijp.

2. Imponerend, zeer wijd kostuum.

V

More magazines by this user
Similar magazines