KENTERINGen], Sint

abelweb.be

KENTERINGen], Sint

Sommige zieken vinden dat hun ziekte spirituele

verdieping heeft gebracht en kunnen een

naderend einde aanvaarden, terwijl anderen een

behandeling tot de laatste snik eisen.

De heler als heiland

In het kader van de zingeving aan lijden en

dood, is er nog iets anders met religieuze

dimensies. Heel wat zieke mensen, wanhopig

geworden door hun kwaal, wenden zich tot de

medisch bevoegden omdat ze diep verlangen

naar heling, naar redding en soms ook naar een

soort zuivering die dieper gaat dan het lichaam

alleen. Wat mensen dan zoal kan bewegen, is

aangrijpend onder woorden gebracht door Per

Olov Enquist in zijn roman De vijfde winter van

de magnetiseur. 6 De roman gaat over zieken die

in de achttiende eeuw wel hun toevlucht moesten

zoeken tot kwakzalvers en veelbelovers

die spirituele suggesties wekten, aangezien

artsen nog bijna geen ziekten kónden genezen.

Enquist maakt invoelbaar dat zieke mensen

meer verlangen dan lichamelijk beter willen

worden, al willen ze dat natuurlijk meestal

ook. Hij schetst hoe de verhouding tot de

genezer Messiasachtige trekken krijgt. Zieken

hopen niet alleen op lichamelijke heling, maar

hunkeren vaak ook naar heil in bredere zin,

juist als hen meer mankeert dan een gemakkelijk

te verhelpen gebrek. Deze heilsdimensie

in de relatie tussen de zieke en de genezer is

in de huidige functionalistische zorgsector

taboe geworden. Toch zou het zinnig zijn op

dit punt - zij het kritisch want anders dreigen

Yomanda-achtige toestanden - weer enige gevoeligheid

te ontwikkelen. Zieken zouden zich

dan beter realiseren dat hun intense verlangen

naar heling vaak meer beslaat, dan het zieke

lichaamsdeel alleen. En artsen zouden beter

beseffen dat hun beroep hen, of ze willen of

niet, een reddersrol kan opdringen, hetgeen

een speciale verantwoordelijkheid met zich

meebrengt.

Christelijke zorgtraditie

Tot in de twintigste eeuw gebeurde de zorg

voor vreemden vanuit christelijke inspiratie. De

zorgverleners kregen daar niet veel voor terug,

materieel gesproken. Het was vooral ‘liefdewerk’.

Pas halverwege die eeuw werd zorgen van roeping

een betaald beroep. Dit zorgen als uiting

van christelijke naastenliefde viel onder de

werken van barmhartigheid. De katholieke kerk

kende zeven lichamelijke en zeven geestelijke

werken van barmhartigheid. Tot de lichamelijke

werken hoorden: hongerigen spijzen, dorstigen

laven, naakten kleden, vreemdelingen herber-

Binnen de christelijke

traditie hoorde zorg voor

kwetsbare medemensen

integraal tot het geloof. Het

was geen franje maar kern

van de zaak.

gen, zieken bezoeken en helpen, gevangenen

bezoeken en verlossen, doden begraven. Tot

de zeven geestelijke werken werden gerekend:

onwetenden onderrichten, aan twijfelaars raad

geven, bedroefden troosten, zondaren vermanen,

lastigen verdragen, beledigingen vergeven

en voor levenden en doden bidden. 7 De bijbelse

basis van de liefdewerken lag in het evangelie

van Mattheüs, hoofdstuk 25 vers 36. Opmerkelijk

is dat Jezus zich daar, in het verhaal over het

laatste oordeel, identifi ceert met degene die

hulp nodig heeft: `Ik was ziek en gij hebt mij

bezocht.’ Wat kortom volgens deze evangeliepassage

de doorslag gaf om het eeuwig leven

te verwerven, was daadwerkelijke steun aan

medemensen, in wie Jezus Christus zélf zichtbaar

was geworden. Binnen de christelijke traditie

hoorde zorg voor kwetsbare medemensen integraal

tot het geloof. Het was geen franje maar

kern van de zaak. In de allereerste christelijke

{KENTERINGen] °9 ➤ nov 2006 - 7

huisgemeenten, geleid door vrouwen, werd al

aan ziekenbezoek en -zorg gedaan.

Quasi Dominus

Enkele eeuwen later beval Benedictus in zijn

kloosterregel de zorg voor zieke medebroeders

aan, onder verwijzing naar de zojuist genoemde

passage bij Mattheüs. Hij schreef voor dat de zieke

moest worden behandeld quasi Dominus: als

ware hij de Heer zelf. 8 In de eeuwen daarna werd

in veel kloosters, behalve voor de eigen gemeenschapsleden,

ook voor vreemden gezorgd. Deze

godshuizen of gasthuizen, vaak door vrouwelijke

kloosterlingen bediend, waren in zekere zin de

eerste ziekenhuizen. De quasi Dominus-gedachte

bleef een fundament in de christelijke zorgvisie

tot ver in de twintigste eeuw. Jammer genoeg

was de uitwerking niet onverdeeld gunstig. Het

kon een aansporing zijn tot extra goede zorg,

maar heeft ook instrumentalisering in de hand

gewerkt. Soms zagen de christelijke zorgdragers

zieke en afhankelijke mensen als middel om zelf

in de hemel te komen. In de praktijk zijn zowel

de positieve als de negatieve uitleg voorgekomen.

9 Sommige zorgontvangers getuigen dat

zij zich in katholieke of protestantse inrichtingen

instrumenteel bejegend hebben gevoeld.

Ze hebben geleden onder de onpersoonlijke

aanpak. Anderen zijn juist lovend over de zorg

die ze van religieuzen hebben ontvangen. Een

afgewogen historisch oordeel hierover is helaas

nog niet uitgekristalliseerd. Hoe dan ook hebben

christelijk bewogen mensen in de negentiende

en twintigste eeuw de grondslag hebben gelegd

voor de verzorgingsstaat. 10

More magazines by this user
Similar magazines