Zonder overheid minder metropolitaan groen? - Rooilijn

rooilijn.nl

Zonder overheid minder metropolitaan groen? - Rooilijn

Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

P. 153

Rooilijn

Tijdschrift voor wetenschap en beleid in de ruimtelijke ordening

Stelling

Henk van Heuven

InBeeld

Dubai,

van vissersdorpje

tot global city

Achtergrond

Flexibiliteit planvorming

beïnvloedt tegenprestaties

markt

Interview

In new towns

heerst een sfeer

van uitdaging

Naar een duurzaam

energiesysteem

Zonder overheid

minder metropolitaan

groen

Kenniseconomie in

de ruimtelijke praktijk

Keten: kratjesstapelen

en hokjesdenken?

Waar plannen we

ouderenwoningen?

De snelwegomgeving

van alle

kanten


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Colofon

Uitgever

Rooilijn is een uitgave van de

Faculteit der Maatschappij en

Gedragswetenschappen, Afdeling

Geografie, Planologie en Internationale

Ontwikkelingsstudies van de

Universiteit van Amsterdam.

Bureauredactie en administratie

Rooilijn

Nieuwe Prinsengracht 130

1018 VZ Amsterdam

Telefoon: 020 525 4365

Telefax: 020 525 4051

Email: info@rooilijn.nl

Internet: www.rooilijn.nl

Kopij

De redactie stelt spontane toezending

van voorstellen voor artikelen op prijs.

Auteursrichtlijnen treft u aan op

www.rooilijn.nl of kunnen worden

opgevraagd bij de bureauredactie.

Advertenties

Tarieven kunnen worden opgevraagd

bij de bureauredactie.

Prijzen jaarabonnement 2009

40,00 euro voor particulieren

64,00 euro voor instellingen

26,50 euro voor studenten

Prijs los nummer

7,50 euro exclusief verzendkosten

Colofon

Abonnementen worden jaarlijks

stilzwijgend verlengd, tenzij uiterlijk

vóór 1 november schriftelijk is

opgezegd.

Rooilijn

Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Oplage: 1600

ISSN 13802860

Redactie

Annemarie Maarse (hoofdredacteur),

Bart Sleutjes (eind- en beeldredacteur),

Arend Jonkman (bureauredacteur),

Maarten Rottschafer (penningmeester),

Manuel Aalbers, Jelle Adamse,

Wilma Bakker, Els Beukers, Marjolein

Blaauboer, Margot Deerenberg,

Sebastian Dembski, Albertine van

Diepen, Mendel Giezen, Joram

Grünfeld, Nadav Haran, Eva Heinen,

Carla Huisman, Femke Kloppenburg,

Marije Koudstaal, Melika Levelt, Sabine

Meier, Renee Nycolaas, Olivia Somsen,

Andrew Switzer, Ineke Teijmant,

Thijs Terpstra, Frans Thissen, Els

Veldhuizen, Rick Vermeulen, Samantha

Volgers, Clémentine Vooren, Hilde van

Wijk

Nummerredactie

Els Beukers, Renee Nycolaas, Bart

Sleutjes, Thijs Terpstra

P. 154

Rechten

© Auteurs en Universiteit van

Amsterdam, Afdeling Geografie,

Planologie en Internationale

Ontwikkelingsstudies.

Deze uitgave heeft geen commercieel

oogmerk. Getracht is alle rechthebbenden

te achterhalen. Diegenen

die menen alsnog aanspraak te kunnen

doen op gelden worden verzocht

contact op te nemen met de redactie.

Artikelen uit Rooilijn mogen niet

worden verveelvoudigd, opgeslagen

of openbaar gemaakt zonder

voorafgaande schriftelijke toestemming

van de redactie.

Ontwerp en productie

LandofPlenty (Antoin Buissink)

Fotografie

Alle fotografie door Marcel Heemskerk

tenzij anders vermeld.

Drukwerk

Dékavé, Alkmaar


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Redactioneel

Redactioneel

Dubai en de rest van de wereld

P. 155

Op 26 maart vond de tweede Rooilijn Kenniskring plaats, een discussiereeks

waarin aandacht wordt besteed aan actuele onderwerpen.

Rudy Stroink, was als hoofdspreker te gast. De oprichter van projectontwikkelaar

TCN verkeert, net als veel andere ontwikkelaars, in zwaar

weer en moet noodgedwongen snijden in personeel en projecten.

Dat doet Stroink pijn, want zijn team ”voelt als familie”. Aan de andere

kant vindt hij de crisis boeiend, sterker nog, “dit is een te mooie crisis

voor een snelle oplossing”.

Vijftig kilometer verderop debatteert de Tweede Kamer over het pakket

aan crisismaatregelen dat het kabinet de dag ervoor heeft gepresenteerd.

De spanningen liepen tijdens dat debat hoog op, want waar waren de

échte maatregelen? We verkeren in een wereldwijde crisis en het kabinet

komt niet verder dan maatregelen zoals de afschaffing van de vliegtaks,

een sloopregeling voor oude auto’s en geld voor zandsuppletie. Bij één van

de grotere maatregelen, het oprekken van de AOW-gerechtigde leeftijd

naar 67 jaar, wordt vermeld dat als de sociale partners met een beter

alternatief komen, het kabinet daarvoor openstaat. De teleurstelling in

Den Haag is groot. Stroink deelt de teleurstelling en noemt de plannen

van het kabinet “ronduit slecht”. Vraag is hoe de crisis dan wel bestreden

moet worden. Volgens Stroink komt het aan op een survival of the

fittest. Daarmee bedoelt hij niet het overleven van de sterkste, maar het

overleven van degene die zich het snelst en het best kan aanpassen.

Ook in dit nummer van Rooilijn komt een aantal crisisonderwerpen

aan bod, met als meest in het oog springend het beeldkatern dat de

ontwikkeling van Dubai laat zien. Vijfentwintig procent van alle

bouwkranen ter wereld staat momenteel in die stad. Volgens de

berichten uit Dubai zelf heeft de stad nog nauwelijks te lijden onder de

economisch crisis. De vraag is welke bedrijven alle vierkante meters

nieuwe kantoorruimte moeten vullen nu de wereld in crisis verkeert.

Stroink maakte eens een rekensom voor de Zuidas. De uitkomst

was dat Nederland ongeveer vijfendertig miljoen inwoners moet

tellen om een vraag te creëren die het programma van de Zuidas kan

vullen. Misschien kunnen we ook eens zo’n voorspellende som op de

bouwwoede in Dubai loslaten.

Annemarie Maarse

Hoofdredacteur Rooilijn (annemarie@rooilijn.nl)


Rooilijn

Inhoud

Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Inhoud

157 Stelling

“Corporaties spelen een

essentiële rol in de aanpak van

de economische crisis”

Henk van Heuven

158 Achtergrond

Flexibiliteit planvorming voor

tegenprestaties markt

Verschillen in kostenverevening in

Valencia, Engeland en Nederland

Demetrio Muñoz Gielen

168 Naar een duurzaam

energiesysteem

Ruimtelijke inrichting biedt kansen

voor een goede plek voor duurzame

energiestromen

Ferry van Kann

174 Kenniseconomie in de

ruimtelijke praktijk

Wat is kenniseconomie en welke

sectorspecifieke ruimtelijke wensen

zijn te herkennen voor de Alfa, Bèta en

Gamma kennisactiviteiten

Nicolas Nijhof en John Pertijs

182 Waar plannen we

ouderenwoningen?

Voor ouderen speelt het sociale

karakter van de leefomgeving

een grotere rol dan het

voorzieningenaanbod

Gijs Foeken

186 InBeeld

Dubai, van vissersdorpje

tot global city

Daphne Rigter

198 Zonder overheid minder

metropolitaan groen?

Een terugtrekkende overheid heeft

invloed op de ontwikkeling van groen in

stedelijke (metropolitane) gebieden

Daniëlle Groetelaers en Evelien van Rij

P. 156

206 Keten:

kratjesstapelen en

hokjesdenken?

Over drinkketen en hun invloed op de

beeldvorming van jongeren

Koen Salemink, Tialda Haartsen en Dirk

Strijker

212 De snelwegomgeving van

alle kanten

Onderzoek naar de beleving van

de snelwegomgeving verdient een

integrale aanpak

Auke Vlonk en Leon Crommentuijn

218 Interview

In new towns heerst een sfeer

van uitdaging

Interview met Michelle Provoost

Eva Heinen en Samantha Volgers

222 Recensies

> Het ruimtelijke DNA van Europa

European spatial research and planning

David Evers

> Beleidsrelaties bij stedelijke

vernieuwing

Buurten bij beleidsmakers.

Stedelijke beleidsprocessen,

bewonersparticipatie en sociale cohesie

in vroeg-naoorlogse stadswijken in

Nederland

Ton van der Pennen

225 Signalement

> Maakbaarheid: hoe geef je vorm aan

de samenleving van de 21ste eeuw

226 Column

Evolutie (2): het

dominantieritueel

O. Naphta


Rooilijn

Stelling

Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Stelling

“Corporaties spelen een essentiële rol in de

aanpak van de economische crisis”

Investeringen van woningcorporaties kunnen een bijdrage

leveren aan de aanpak van de economische crisis. Echter,

de stapeling van kabinetsmaatregelen en de huidige

economische crisis zetten de investeringsruimte van

woningcorporaties onder druk. Woningcorporaties zijn

maatschappelijke ondernemingen, het huisvesten van

kwetsbare groepen op de woningmarkt is hun primaire

taak. Daarnaast werken zij aan het verbeteren en behouden

van de leefbaarheid in buurten en wijken. De ruim

450 woningcorporaties in Nederland zorgen gezamenlijk

dat zo’n 2.4 miljoen huishoudens goed wonen. In 2007

investeerden zij in totaal bijna 9,1 miljard euro. Ruim 40

procent van de circa 80.000 in Nederland nieuw gebouwde

woningen kwam voor rekening van corporaties. Prettig

wonen is alleen mogelijk in een leefbare buurt. Daarom

investeerden corporaties 305 miljoen euro in leefbaarheid

in buurten en wijken.

De omstandigheden waaronder corporaties werken zijn

de afgelopen periode aanmerkelijk gewijzigd. Hierdoor

is het voor corporaties niet haalbaar de komende tijd in

dezelfde mate te blijven investeren in woningbouw en

leefbaarheid. De stapeling van kabinetsmaatregelen

en de gevolgen van de economische crisis beperken de

financiële ruimte substantieel. Al een aantal jaren hebben

corporaties te maken met zowel oplopende lasten als

begrensde huren. Inkomsten uit huur zijn met 78 procent

veruit de belangrijkste inkomstenbron. De verkoop van

zo’n 17.700 woningen was in 2007 goed voor 12 procent

van de bedrijfsopbrengsten. De verkoop van meer

woningen zou een oplossing kunnen zijn om geplande

en nieuwe projecten te kunnen financieren. In de huidige

economische situatie neemt de vraag naar koopwoningen

echter sterk af. Daarnaast is er, als gevolg van de

financiële crisis, minder aanbod van financiers en is de

Henk van Heuven reageert

P. 157

rente op leningen hoger. Het gaat om de risico-opslag,

die substantieel hoger is geworden door de kredietcrisis.

Het is voor corporaties dus moeilijker en duurder om

geld te lenen. Eerdere kabinetsmaatregelen als integrale

vennootschapsbelasting, inflatievolgend huurbeleid en

de ‘Vogelaarheffing’ maken de situatie niet rooskleuriger.

Alleen al de integrale vennootschapsbelasting kost de

corporaties gezamenlijk zo’n 500 miljoen per jaar. De

optelsom van deze factoren noodzaakt corporaties hun

investeringsplannen bij te stellen.

De economische omstandigheden spelen, naast het

kabinetsbeleid, een grote rol bij de ambities die woningcorporaties

kunnen realiseren. Toch blijven woningcorporaties,

binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden,

in deze economisch moeilijke periode investeren

in nieuwbouw en in leefbaarheid. Deze investeringen

kunnen toenemen als de overheid de randvoorwaarden

waaronder woningcorporaties werken verbetert. Aedes,

branchevereniging van de woningcorporaties, heeft

samen met het Waarborgfonds Sociale Woningbouw

(WSW) bij minister Van der Laan gepleit voor het verhogen

van de borgingsgrens van het WSW en toegang tot de

openbare kapitaalmarkt voor corporaties. Hierdoor wordt

het aanbod aan financieringsmiddelen verruimd. Aedes

heeft ook aan de minister voorgesteld corporaties toe te

staan hun onrendabele investeringen fiscaal aftrekbaar

te maken. Een laag BTW-tarief op milieuvriendelijke

investeringen en onderhoud zijn tenslotte ook door Aedes

voorgestane maatregelen. Deze maatregelen maken

het voor corporaties mogelijk fors extra te investeren in

buurten, wijken, duurzaamheid en nieuwbouwprojecten.

Henk van Heuven (h.vanheuven@aedes.nl) is directeur van Aedes, de

branchevereniging van corporaties.


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Flexibiliteit planvorming beïnvloedt tegenprestaties markt

Flexibiliteit planvorming beïnvloedt

tegenprestaties markt

Demetrio Muñoz Gielen

Illustratie van “Kop van Oost”, Groningen (bron: www.dekopvanoost.nl)

P. 158


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Flexibiliteit planvorming beïnvloedt tegenprestaties markt

Achtergrond

Marktpartijen in Engeland en Valencia dragen ruimer bij aan de realisering van

publieke voorzieningen in herstructurerings- en functieveranderingslocaties dan in

Nederland. De mate van flexibiliteit in planprocessen, en de hieruit voortvloeiende

mate van zekerheid over de toekomstige bijdragen van de marktpartijen, kunnen

deze verschillen in het kostenverhaal verklaren. De nieuwe Grondexploitatiewet kan

gemeenten in Nederland stimuleren om vroegtijdig dit soort zekerheid te creëren.

De wet is daarvoor echter nog te vrijblijvend.

Het verbeteren en verruimen van de mogelijkheden

van kostenverevening bij gebiedsontwikkeling is het

voornaamste doel van de Grondexploitatiewet, ofwel

het hoofdstuk grondexploitatie van de op 1 juli 2008

in werking getreden Wet op de Ruimtelijke Ordening.

De wet vormt een antwoord op de problemen met

de financiering van publieke voorzieningen die zijn

ontstaan vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw.

Publieke voorzieningen zijn alle onrendabele onderdelen

in ruimtelijke plannen die worden gerealiseerd

voor het publieke belang. Voorbeelden hiervan zijn

het bouw- en woonrijp maken, bodemsanering, het

aanleggen van kabels, leidingen en riolering of het

realiseren van publieke voorzieningen als scholen en

sociale woningbouw. Kostenverevening betekent dat

marktpartijen publieke voorzieningen (deels) zelf

realiseren of (deels) bekostigen.

De veranderingen in het grondbeleid en vooral in het

volkshuisvestingsbeleid eind jaren tachtig en begin

jaren negentig hadden gevolgen voor de financieringsmechanismen

van publieke voorzieningen bij

ruimtelijke ontwikkelingen. Deze veranderingen

gingen gepaard met een nieuwe rol voor marktpartijen

en corporaties. Voor die tijd kochten gemeenten alle

P. 159

gronden, maakten deze bouw- en woonrijp en werden

de publieke voorzieningen gerealiseerd en bekostigd

uit de uitgifte van bouwrijpe kavels, meestal aangevuld

met subsidies. Van menig locatie is tegenwoordig de

bouwgrond echter in handen van ontwikkelaars (commerciële

ontwikkelaars, corporaties, investeerders),

waardoor gemeenten alternatieve financieringsmechanismen

moeten zoeken.

Vooral bij herstructurerings- en functieveranderingslocaties

wordt het financieren van de publieke voorzieningen

als een struikelblok gezien (Kolpron Consultants,

2000; Verhage & Sluis, 2003; VROM e.a., 2008). Uit een

internationale vergelijking blijkt dat in Nederland, bij

dit soort locaties waarvan de grond geheel of grotendeels

in private handen is, marktpartijen aanzienlijk

minder bijdragen aan publieke voorzieningen dan

marktpartijen in Engeland en Valencia. In Nederland

draait de overheid op voor alle tekorten of komen

projecten gewoon niet van de grond.

Er zijn een viertal belangrijke verschillen tussen

Engeland, Valencia en Nederland in de financieringswijze

van publieke voorzieningen. Ten eerste is er een

verschil in de verantwoordelijkheid voor de kosten en


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Flexibiliteit planvorming beïnvloedt tegenprestaties markt P. 160

de grond die nodig zijn voor het binnenplans bouw- en

woonrijp maken. In Engeland en Valencia wordt dit

meestal door marktpartijen gedragen, in Nederland

zijn hiervoor omvangrijke overheidssubsidies. Ten

tweede wordt de sociale woningbouw ontwikkeld door

verschillende partijen. In Engeland en Valencia worden

sociale woningen grotendeels door commerciële

ontwikkelaars gerealiseerd en betaald, terwijl deze

sector in Nederland bijna uitsluitend door corporaties

en gemeenten wordt ontwikkeld. Een derde verschil

tussen deze drie landen (regio’s) is de financiering

van bovenwijkse voorzieningen. In Engeland en

Valencia worden omvangrijke bijdragen gedaan door

ontwikkelaars voor bovenwijkse voorzieningen, in

Engeland vooral in geld en in Valencia meer in grond.

In Nederland zijn geen van beide soorten bijdragen

gebruikelijk. Tot slot is er een verschil met betrekking

tot publieke baatafroming. Bij baatafroming

ontvangt de overheid (een deel van) de waardestijging

veroorzaakt door een bestemmingswijziging, ongeacht

de kosten die gemaakt zijn voor de realisering van

publieke voorzieningen. Dit gaat verder dan kostenverevening.

Baatafroming wordt veelvuldig toegepast

in Valencia, ook als de gemeente geen grond bezit. In

Engeland bestaat baatafroming formeel niet, maar

gebeurt iets dergelijks in de praktijk door de ruime

definitie van bovenwijkse voorzieningen. In Nederland

is baatafroming niet aan de orde behalve wanneer

de gemeente grondposities heeft en/of risicodragend

participeert in de grondexploitatie.

In dit artikel worden de verschillen in de financieringswijze

van publieke voorzieningen verklaard aan de hand

van de invloed van flexibiliteit in de planvorming. Twee

concrete aspecten van flexibiliteit worden bestudeerd;

zekerheid over bouwmogelijkheden en over tegenprestaties.

Het eerste betreft het belang van een grondeigenaar

om voldoende zekerheid in een vroeg stadium over

de toekomstige bouwmogelijkheden te hebben: hoeveel,

wat en waar mag hij bouwen of herbouwen. Het tweede

aspect betreft de zekerheid in een vroeg stadium over de

toekomstige tegenprestaties: wat moet de grondeigenaar

bijdragen in geld of in natura voor de realisering van

publieke voorzieningen of baatafroming. Naarmate er

meer zekerheid is, neemt de flexibiliteit af en vice versa.

Het moment van vaststelling van indicatieve plannen

enerzijds, en juridische bindende voorschriften zoals

bestemmingsplannen, vrijstellingen of projectbesluiten

anderzijds, is hierbij van wezenlijk belang. Gebeurt dit

voor of na de onderhandelingen tussen gemeenten en

marktpartijen? Heeft de resulterende mate van zekerheid

gevolgen voor kostenverevening en baatafroming?

Na deze vragen te hebben beantwoord, wordt tot slot

ingegaan op de vraag in hoeverre in Nederland de

nieuwe Grondexploitatiewet hierin verandering zou

kunnen brengen.

De beschreven bevindingen zijn gebaseerd op onderzoek

naar een elftal herstructurerings- en functieveranderingprojecten,

interviews met deskundigen en eerder

uitgevoerde studies. Naast vier Nederlandse casussen

(De Funen in Amsterdam, Kruidenbuurt

in Eindhoven, Kop van Oost in Groningen en

Stationskwartier in Breda) zijn ook drie Britse casussen

(Harbourside, Temple Quay en Megabowl, alledrie in

Bristol) en vier Spaanse casussen bestudeerd (Guillem

de Anglesola, Periodista Gil Sumbiela en Camino

Hondo del Grao in de stad Valencia, en Benalúa Sur in

de stad Alicante). Er bestaan grote verschillen tussen

deze drie landen als het gaat om de mate van flexibiliteit

in het plansysteem. Omdat er in het Verenigd

Koninkrijk en Spanje verschillen zijn in ruimtelijke

ordeningswetgeving tussen de landen c.q. de regio’s ligt

de focus op respectievelijk Engeland en de Spaanse regio

Valencia.

Flexibiliteit

De vraag welke mate van flexibiliteit in planvormingsprocessen

nodig is, laat zich niet gemakkelijk beantwoorden.

Flexibiliteit lijkt inmiddels een toverwoord

in de dagelijkse beroepspraktijk. Veel plannen,

beleidsvoornemens of wetswijzigingen hebben ambities

op dit punt. In de wetenschappelijke literatuur wordt

het onderwerp ook vaak aangesneden (Muñoz Gielen

& Tasan-Kok, nog te verschijnen). Plannen zouden

voldoende mate van zekerheid moeten creëren om


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Flexibiliteit planvorming beïnvloedt tegenprestaties markt

de publieke belangen te garanderen en tegelijkertijd

voldoende flexibel moeten zijn om veranderingen

tijdens het planproces een plek te kunnen geven.

In de wetenschappelijke literatuur wordt onderscheid

gemaakt tussen landen met een plan-led planologisch

stelsel en landen met een development-led stelsel

(Nadin & Stead, 2008). Development-led stelsels zijn

vergelijkbaar met wat Faludi (1987) de indicative theory

of zoning noemde en kenmerkend is voor onder andere

het Verenigd Koninkrijk. Plan-led stelsels lijken op de

imperative theory of zoning (figuur 1). In developmentled

stelsels besluit de gemeente over een bouwaanvraag

aan de hand van de verdiensten en kwaliteiten van deze

aanvraag. In een plan-led stelsel wordt de aanvraag

beoordeeld tegen het licht van het geldend bestemmingsplan

dat een juridisch bindend karakter heeft.

Terwijl in development-led stelsels de bestemming

(planning permission in Engeland) wordt vastgesteld

op het development moment, gebeurt dit in plan-led

stelsels in een vroeger stadium, het plan production

moment (figuur 1). Dit betekent dat de bestemming

van de grond in plan-led stelsels al wordt vastgesteld

voorafgaand aan het moment waarop de ontwikkelaar

een bouwaanvraag indient. Hiermee creëert dit stelsel

een grote mate van zekerheid over wat in de toekomst

INdICATIve THeORy OF zONING/develOPmeNT-led PlANNING

Indicative plan

Negotiations

Binding rules

Building permit

ImPeRATIve THeORy OF zONING/PlAN-led PlANNING SySTem

Binding land use plan

Negotiations

Figuur 1 Categorisering van ‘development-led’ en ‘plan-led’

planologische stelsels

evt. modification

Binding plan

Building permit

P. 161

wel en niet gebouwd kan worden en over de hieraan

verbonden gemeentelijke besluitvorming.

Volgens verschillende studies, zoals van de Europese

Commissie (1997), zijn er in de praktijk echter geen

grote verschillen tussen beide stelsels omdat ook in

plan-led stelsels sprake zou zijn van een grote mate

van flexibiliteit. Plannen in plan-led stelsels zouden

globaal van aard zijn en vaak worden gewijzigd nadat

ontwikkelaars een bouwaanvraag indienen. Uit een

verkennend onderzoek naar negen Europese landen

(Nederland, Verenigd Koninkrijk, Spanje, Duitsland,

Frankrijk, Italië, Vlaanderen, Denemarken en

Zweden) en de bestudeerde Nederlandse, Engelse

en Valenciaanse casussen blijkt echter dat er wel

degelijk belangrijke verschillen bestaan tussen

Europese landen, en dat slechts in beperkte mate

kan worden gesproken van samenvloeiing van beide

stelsels. Van de negen bestudeerde landen hebben

Spanje en in mindere mate ook Frankrijk, Italië en

Vlaanderen een plan-led planologisch stelsel met

bindende voorschriften welke in een vroeg stadium

worden vastgesteld. Hiermee zijn toekomstige

ontwikkelingsmogelijkheden voor iedereen helder.

Wat zowel dit onderzoek als het onderzoek van de

Europese Commissie aantonen, is dat in veel plan-led

stelsels in de praktijk sprake is van veel flexibiliteit.

Zodoende tonen veel landen met in theorie een

plan-led stelsel toch eigenschappen die horen bij

development-led planologische stelsels die worden

gekenmerkt door bindende voorschriften die pas

worden vastgesteld nadat de onderhandelingen zijn

afgerond en hebben geresulteerd in een realisatieovereenkomst.

In Nederland gebeurt iets vergelijkbaars

omdat gemeenten de bindende voorschriften

(zoals het bestemmingsplan, een vrijstelling of een

projectbesluit) meestal pas vaststellen nadat men

de nodige investeringen in publieke voorzieningen

heeft verzekerd middels een overeenkomst (VROM

e.a., 2008). Uit het verkennende onderzoek blijkt dat

deze tegenstelling tussen de praktijk en de theoretische

werking van het planologisch stelsel zoals

in Nederland ook waarneembaar is in Duitsland,


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Flexibiliteit planvorming beïnvloedt tegenprestaties markt

Zweden en Denemarken, en in grote mate ook in

Frankrijk, Italië en Vlaanderen.

Zekerheid over bouwmogelijkheden

In zowel Valencia, Engeland als Nederland creëren

gemeenten in een vroeg stadium doch in verschillende

mate zekerheid over hoeveel, wat en waar de

eigenaar zou kunnen bouwen. In Valencia dwingt

de wet gemeenten ertoe om een algemeen bindend

bestemmingsplan (Plan General de Ordenación

Urbana) vast te stellen. Dit soort plannen dekken het

hele gemeentelijk grondgebied en worden doorgaans

iedere tien tot vijfentwintig jaar herzien (figuur 2).

Figuur 2 Algemeen Bestemmingsplan Valencia (1988)

Geldend beleid, links de uitbreidingslocaties voor de korte termijn, rechts voor de langere termijn. Inmiddels zijn bijna al deze locaties gerealiseerd en werkt de

gemeente valencia aan een complete herziening (bron: Regio valencia, Plan General de Ordenación Urbana de valencia, 1988)

P. 162

Kleinere gemeenten hanteren hiervan een simpeler

vorm (Normas Subsidiarias). Beide soorten lokale

plandocumenten leggen de globale bestemming vast

en wijzen alle uitbreidings- en herstructureringslocaties

aan voor de komende decennia. Ook worden hier

voorschriften vastgelegd zoals de bouwtypologieën,

het maximale aantal woningen of de floor space index

(vierkante meter bruto vloeroppervlakte per vierkante

meter grond), de fasering van de uitvoering, de

hoofdinfrastructuur en belangrijke publieke voorzieningen.

De bestemming wordt gekoppeld aan de

bijbehorende categorie bouwverordening zoals voor

een stadsuitbreiding, een suburbane ontwikkeling


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Flexibiliteit planvorming beïnvloedt tegenprestaties markt

of in de historische stad. Voor de op korte termijn te

realiseren uitbreidings- en herstructureringslocaties

gaan de voorschriften verder en worden gedetailleerde

bestemmingen vastgesteld (Parejo & Blanc, 1999). Het

detailleringsniveau hiervan is vergelijkbaar met een

Nederlands bestemmingsplan. De mate van zekerheid

en inflexibiliteit in Valencia is hiermee heel hoog.

Engelse en Nederlandse gemeenten tonen beiden heldere

development-led eigenschappen omdat ze in een

vroeg stadium geen bindende voorschriften vaststellen

maar wel gebruik maken van indicatieve plandocumenten.

Deze plandocumenten creëren enige

zekerheid, zij het in minder mate dan in Valencia.

Het gaat in Engeland om local plans en development

plans en in Nederland om structuurplannen, nota’s

van uitgangspunten, stedenbouwkundige plannen en

visies, ontwikkelingsprogramma’s, programma’s van

eisen, masterplannen en dergelijke. Deze documenten

leggen meestal globale bestemmingen vast en zijn

juridisch niet bindend. De definitieve bestemming

mag hiervan afwijken zonder dat hiervoor een herziening

van het plan nodig is. In de praktijk gebeurt

dit ook relatief vaak.

In Engeland vanaf de jaren negentig en in Valencia

vanaf de jaren tachtig maken gemeenten steeds

meer van dit soort plandocumenten, indicatieve

documenten in Engeland c.q. bindende plannen in

Valencia. Hierdoor is de voorafgaande zekerheid over

toekomstige bouwmogelijkheden in het algemeen

toegenomen. Het doel is hierbij om de transparantie en

verantwoording van besluitvorming over bouwaanvragen

te vergroten.

Zekerheid over tegenprestaties

De onderzochte landen (regio’s) tonen opvallende

verschillen betreffende de vroegtijdige zekerheid

over tegenprestaties die aan ontwikkelende partijen

worden gevraagd. In Valencia is de zekerheid over

wat men moet bijdragen het grootst. Dit is geregeld in

drie typen documenten. Ten eerste legt het genoemde

algemeen bestemmingsplan de hoofdinfrastructuur

P. 163

en de belangrijke voorzieningen vast. Wetgeving

bepaalt dat de realisering hiervan voor rekening van

de grondeigenaren is.

In de tweede plaats beschrijft regionale wetgeving

meerdere minimale standaardnormen voor publieke

voorzieningen waarvan niet mag worden afgeweken.

Bijvoorbeeld, bij een floor space index van één

vierkante meter bruto vloeroppervlakte (bvo) per

vierkante meter grond moet minimaal 15 procent van

het plangebied worden bestemd voor groen, 20 procent

voor publieke gebouwen en 28 procent voor wegen.

Ook is bepaald dat per woning één parkeerplaats en

per tien woningen een extra parkeerplaats moeten

worden gerealiseerd waarvan minimaal vijftig procent

van de parkeerplaatsen in of onder het gebouw. Een

ander voorbeeld is een voorschrift dat bepaalt dat bij

bouwplannen van meer dan 8.000 vierkante meter bvo

de ontwikkelaar minimaal één kavel voor publieke

voorzieningen vrij moet maken.

In de derde plaats nemen Valenciaanse gemeenten

zelf vaak specifieke besluiten die aanvullende voorwaarden

vastleggen. Een voorbeeld is een besluit van

de Gemeente Valencia uit 2000 waarin voorwaarden

worden gesteld voor het herbestemmen van verouderde

bedrijventerreinen en kantoorlocaties tot woningbouw.

Daarin wordt geëist dat de nieuwe bestemming de

kwaliteit van de locatie verbetert en dat twintig procent

van het totale bouwvolume wordt bestemd voor winkelruimte

of sociale woningbouw. Bovendien moeten

de grondeigenaren voor iedere vierkante meter bvo één

vierkante meter grond buiten het plangebied leveren

voor publieke voorzieningen, of een halve vierkante

meter wanneer twintig procent van het bouwvolume

in het plangebied wordt bestemd voor sociale woningbouw.

Een andere eis is dat in het plangebied niet meer

dan 75 woningen per hectare worden gerealiseerd.

Daarnaast moeten grondeigenaren bij een bouwplan

waarbij meer dan duizend nieuwe inwoners worden

toegevoegd minimaal 5.000 vierkante meter grond vrij

maken voor een park naast de reeds vastgelegde voorzieningen.

Al deze eisen zijn additioneel ten opzichte


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Flexibiliteit planvorming beïnvloedt tegenprestaties markt

P. 164


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Flexibiliteit planvorming beïnvloedt tegenprestaties markt

Benalúa Sur in Alicante (8 hectare, 600 appartementen en enkele

kantoor- en winkelruimtes)

Al voorafgaande aan de onderhandelingen in 1998 stonden zowel de bouwmogelijkheden

als de te betalen bijdragen vast. Het algemeen bestemmingsplan

van de stad Alicante uit 1987 en diens gedeeltelijke wijziging in 1997, samen

met de wettelijk standaards uit het besluit van 1998, boden veel zekerheid.

Uiteindelijk betalen de grondeigenaren de grondontwikkelingskosten en de

openbare ruimte, leggen ze kabels en leidingen die een bovenwijkse functie

hebben, leveren ze de grond voor de openbare ruimte, voor een school en circa

zes hectare grond gesitueerd elders binnen de gemeentelijke grenzen voor de

nieuwe rondsnelweg van de stad. Grondeigenaren leveren tevens circa tien

procent van de bouwrechten aan de gemeente. (Bronnen beelden: Google earth

en 2003 Programma de Actuación Integral)

Kop van Oost in Groningen (5 hectare, 430 woningen, meestal

appartementen, en enkele winkelruimtes)

voorafgaand aan de start van onderhandeling in 2000 was wel enigszins

duidelijk wat de bouwmogelijkheden waren dankzij meerdere indicatieve,

niet juridisch bindende plandocumenten. echter, het was in die tijd niet

helder wat de bijdrage van de ontwikkelaar zou moeten zijn omdat deze

plandocumenten hier niet op ingingen. Uiteindelijk betaalt de ontwikkelaar

bijna alle grondontwikkelingskosten en levert hij een deel van de grond

voor publieke infrastructuur. de gemeente betaalt een klein deel van de

grondontwikkelingskosten, levert een deel van de grond en betaalt de

herinrichting van de omliggende wegen. (Bronnen beelden: Google earth en

Plankaart Bestemmingsplan 2006)

Megabowl in Bristol (1,3 hectare, 184 appartementen)

voorafgaand aan de onderhandelingen in 2006 waren de bouwmogelijkheden

op dit voormalige bowling zeer onzeker, gezien de locatie niet was aangemerkt

als herontwikkelingslocatie. maar de te betalen tegenprestaties stonden

wel vast dankzij de vaststelling in 2005 van het SPd4-document. Uiteindelijk

betaalt de ontwikkelaar de grondontwikkelingskosten en de openbare ruimte,

levert alle grond voor de openbare ruimte, realiseert sociale woningen

(25 procent van het totale programma) en betaalt een bedrag van 1,6 miljoen

euro voor bovenwijkse maatschappelijke voorzieningen. (Bronnen: Google

earth en Gemeente Bristol, Report Head Bristol Planning Services to Bristol

local Council Committee 2006)

P. 165

van wat al is opgenomen in het algemeen bestemmingsplan

en in de wettelijke minimale standaard.

Naderhand kan de gemeenteraad besluiten om af te

wijken van deze eisen.

De Engelse gemeenten, gestimuleerd door de centrale

regering, hebben sinds de jaren negentig van

de vorige eeuw meer zekerheid gecreëerd middels

locatiespecifieke indicatieve plannen die naast de

bouwmogelijkheden ook de tegenprestaties vaststellen.

Een goed voorbeeld van zo’n plan is de planning

brief voor Harbourside, een verouderd haventerrein in

Bristol. In dit document werden niet alleen de bouwmogelijkheden

maar ook de verplichte tegenprestaties

vastgesteld die voor rekening waren van de ontwikkelaar.

Voorbeelden van dit soort tegenprestaties zijn

de bijdrage voor een bovenwijkse niet-commerciële

publieke voorziening, het opnemen van sociale

woningbouw in het woonprogramma, het bouw- en

woonrijp maken en bodemsanering. Ook wordt de

volgorde van de ontwikkelingen vastgelegd en welk deel

van het plangebied welke kosten moet dragen.

Bovendien stellen Engelse gemeenten de laatste tijd

vaker een generiek kostenverhaalbeleid vast. Deze indicatieve

documenten schrijven minimale standaardtegenprestaties

voor die gelden voor de hele gemeente.

Tegenwoordig beschikt een meerderheid van de

gemeenten over een kostenverhaalbeleid (Department

for Communities and Local Government, 2006).

Een voorbeeld hiervan vastgelegd door de Gemeente

Bristol in 2005 is Achieving Positive Planning through

the use of Planning Obligations (SPD4). In dit document

wordt bijvoorbeeld bepaald dat in bouwplannen van

25 woningen of meer, een bepaald percentage sociale

woningbouw wordt gerealiseerd (30 procent in 2007).

In uitzonderlijke situaties kan de ontwikkelaar volstaan

met het betalen van een bedrag voor sociale woningbouw

elders. Verder is bijvoorbeeld vastgelegd dat in

bouwplannen van 40 woningen of meer, de ontwikkelaar

9.136 pond moet betalen voor kinderdagverblijven

en basisscholen en 14.346 pond voor middelbare

scholen, dit alles per verwachte leerling bovenop de


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Flexibiliteit planvorming beïnvloedt tegenprestaties markt

Tabel 1 mate van zekerheid in valencia, engeland en Nederland

huidige capaciteit. Deze bedragen zijn bestemd voor

voorzieningen buiten het plangebied. De gemeenteraad

mag afwijken van de eisen vastgesteld in zowel

locatiespecifieke als in generieke documenten, wat

vaak gebeurt in de praktijk.

Wat betreft de voorafgaande zekerheid over toekomstige

tegenprestaties wijkt Nederland duidelijk af van

Valencia en Engeland. In Nederland zijn in een vroeg

stadium meestal noch juridisch bindende documenten

zoals in Valencia, noch indicatieve documenten

zoals in Engeland opgesteld die tegenprestaties

vastleggen. Het gevolg is dat in Nederland, voorafgaand

aan de onderhandelingen met marktpartijen

en voordat grondtransacties plaatsvinden, meestal

weinig tot geen zekerheid is over de tegenprestaties.

Gevolgen flexibiliteit en zekerheid

In de drie landen (regio’s) is voorafgaand aan de

onderhandelingen een bepaalde mate van zekerheid

over toekomstige bouwmogelijkheden. De verschillen

zijn echter groot wat betreft de zekerheid over

toekomstige tegenprestaties; deze zekerheid is er veel

in Valencia, een beetje in Engeland en nauwelijks in

Nederland (tabel 1).

In de bestudeerde casussen bleek zekerheid over

toekomstige bouwmogelijkheden een negatief effect

te hebben op kostenverevening en baatafroming.

Vroege zekerheid in deze vorm blijkt een stijging

van grondprijzen te stimuleren, terwijl gemeenten

een belangrijk onderhandelingswapen kwijtraken.

Ze kunnen niet meer op een geloofwaardige manier

dreigen met het terugdraaien van plannen. De tweede

P. 166

voorafgaande zekerheid over voorafgaande zekerheid over

toekomstige bouwmogelijkheden toekomstige tegenprestaties

valencia Altijd, en dan veel zekerheid Altijd, en dan veel zekerheid

engeland vaak, en dan zekere mate van zekerheid vaak, en dan zekere mate van zekerheid

Nederland Bijna altijd, en dan zekere mate van zekerheid Bijna nooit, en zo ja weinig zekerheid

component van zekerheid blijkt echter een belangrijkere

rol te spelen. Daar waar zekerheid bestaat over

toekomstige tegenprestaties is het kostenverhaal ruim

en maakt het niet zo veel uit of er wel of geen zekerheid

bestaat over de bouwmogelijkheden.

Zekerheid over tegenprestaties heeft een dempend effect

op grondprijzen, omdat ontwikkelaars daar rekening

mee houden bij het bepalen van de grondprijs. Vooral

wanneer alleen de bouwmogelijkheden duidelijk zijn,

zijn partijen geneigd om grondposities in te nemen voor

te hoge grondprijzen. Ook kan het gebeuren dat partijen

de boek- en inbrengwaarde van reeds verworven

grondposities hoger inschatten. In beide gevallen wordt

kostenverevening in een later stadium onder druk gezet.

Tevens is het van belang dat een degelijk kostenverhaalbeleid

gemeenten juridische onderbouwing verschaft in

de onderhandelingen met marktpartijen. Dit is vooral

belangrijk in Engeland gezien ontwikkelaars veelvuldig

gebruik maken van het recht om in beroep te gaan tegen

de inhoud van gemeentelijke eisen en besluiten daar

(Campbell e.a., 2001). Indien men in Nederland private

partijen wil bewegen tot een ruimere financiering

van publieke voorzieningen dan zou, in lijn met deze

constateringen, tijdig zekerheid over tegenprestaties

moeten worden geboden.

Nieuwe Grondexploitatiewet

De nieuwe Grondexploitatiewet kan Nederlandse

gemeenten stimuleren om vroegtijdige zekerheid

over tegenprestaties te creëren. Dit wordt veroorzaakt

doordat de wet een reeds bestaand gebruik van

gemeenten stimuleert. Voorafgaand aan de vaststelling

van een bestemmingsplan wordt nagegaan wat de


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Flexibiliteit planvorming beïnvloedt tegenprestaties markt

kosten zijn die de uitvoering van het bouwplan met

zich meebrengt, waaronder de kosten voor publieke

voorzieningen. De stimulerende werking van de wet

vloeit voort uit de wettelijke verplichting om, in geval

er kosten zijn, een exploitatieplan vast te stellen samen

met het bestemmingsplan. Gemeenten zijn aldus

verplicht om na te gaan of een exploitatieplan nodig

is. Een andere stimulerende werking van de wet is

dat deze vastlegt dat wanneer een structuurvisie de

noodzaak voorziet van bovenwijkse voorzieningen,

de mogelijkheden groter zijn om deze op te nemen in

een exploitatieplan of in een anterieure overeenkomst

(voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan)

met de ontwikkelaar. De gemeente kan

bijvoorbeeld dankzij zo’n structuurvisie beter onderbouwen

waarom bepaalde kosten voor bovenwijkse

voorzieningen moeten worden toegerekend aan het

desbetreffende bouwplan. Hiermee kan de gemeente

zich beter verweren tegen een eventueel beroep ingesteld

door de grondeigenaar tegen het exploitatieplan.

Een ander voorbeeld is wat in de Grondexploitatiewet

als ‘ruimtelijke ontwikkelingen’ wordt aangegeven. De

exacte betekenis hiervan is onduidelijk. Dit kunnen

publieke voorzieningen zijn die buiten het plangebied

gesitueerd zijn en die niet onder bovenwijkse voorzieningen

vallen. Bijdragen aan ‘ruimtelijke ontwikkelingen’

mogen pas worden opgenomen in een anterieure

overeenkomst wanneer een structuurvisie er al

rekening mee heeft gehouden. Kortom, deze behoefte

aan beleidsmatige onderbouwing van te verhalen

kosten kan gemeenten stimuleren om zekerheid te

creëren over toekomstige tegenprestaties door middel

van bijvoorbeeld structuurvisies.

Toch zal de stimulans vanuit de Grondexploitatiewet

waarschijnlijk onvoldoende zijn. Dit komt in de

eerste plaats omdat de wettelijke verplichting om

na te gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is pas

ontstaat wanneer de gemeente een bestemmingsplan

in procedure brengt. Tot die tijd zullen gemeenten dus

geen behoefte voelen om de kosten in beeld te brengen,

en dat is doorgaans in een vergevorderd stadium in

het planproces. Tegen die tijd is er al een verwachting

P. 167

ontstaan over de betreffende bouwmogelijkheden

en hebben er al grondtransacties plaatsgevonden

waarmee een zekere grondprijsopdrijving is opgetreden.

In de tweede plaats schrijft de wet geen direct

dwingende verplichting voor tot het vaststellen van

kostenverhaalbeleid. De ervaring in Engeland op

dit punt kan illustratief zijn. Pas nadat de centrale

regering een proactief en bijna dwingend beleid heeft

ondernomen, is de meerderheid van de gemeenten

overgegaan tot het vervaardigen van een kostenverhaalbeleid

(Department for Communities and Local

Government, 2006; Campbell e.a, 2001). Daarentegen

heeft de Nederlandse overheid, tot dusver, een dergelijk

proactief beleid niet ondernomen.

demetrio muñoz Gielen (demetrio@urbsadvies.nl) promoveert bij het

Onderzoeksinstituut OTB van de TU delft en is zelfstandig adviseur

gebiedsontwikkeling bij Urbs Advies.

Literatuur

Campbell, H., H. ellis, C. Gladwell, J. Henneberry, J. Poxon & S. Rowley (2001)

‘Planning Obligations and the mediation of development’, RICS Foundation

Research Papers, jg. 4 nr. 3, london

department for Communities and local Government (2006) valuing Planning

Obligations in england, dClG Publications, london

europese Commissie (1997) The eU compendium of spatial planning systems

and policies, Regional development studies 28, Office for Official Publications of

the european Communities, luxembourg

Faludi, A. (1987) A decision-centred view of environmental Planning, Pergamon

Press, Oxford.

Kolpron Consultants (2000) Grondbeleid en stedelijke herstructurering, Kolpron,

Rotterdam

vROm, vereniging Nederlandse Gemeenten en vereniging van Grondbedrijven

(2008) Handreiking Grondexploitatiewet, Sdu Uitgevers bv, den Haag

muñoz Gielen, d. & m.T. Tasan-Kok (verwacht) ‘Flexibility in planning and the

consequences for public-value capturing in UK, Spain and the Netherlands’,

european Planning Studies, Routledge, london

Nadin, v. & d. Stead (2008) ‘european Spatial Planning Systems, Social models

and learning’, dISP, jg. 172, nr. 1, p. 35-47

Parejo Alfonso, l. & F. Blanc Clavero (1999) derecho urbanístico valenciano,

Tirant lo blanch, valencia

verhage, R. & R. Sluis (2003) Samenwerking bij stedelijke vernieuwing, dUP

Science, Amsterdam


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Naar een duurzaam energiesysteem

P. 168

Naar een duurzaam

energiesysteem

Park Gravenrode en omgeving (bron: Google earth)

Ferry van Kann


Rooilijn

Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Naar een duurzaam energiesysteem

P. 169

Duurzame energie en de opwekking ervan krijgen vandaag de dag veel aandacht.

Op weg naar een duurzaam energiesysteem zou eerst gekeken moeten worden hoe

de huidige energievraag gereduceerd en de energiestromen efficiënter gebruikt

kunnen worden. Integrale energie-ruimte concepten gebaseerd op de ruimtelijke

structuur bieden interessante perspectieven op een duurzame samenleving.

Duurzame steden zitten er warmpjes

bij. Zij hebben de zaken nu en ook voor

toekomstige generaties goed voor elkaar.

Diverse steden in Nederland wedijveren

om als eerste de meest duurzame stad van

het land te zijn. Maar wat als we het energiesysteem

in de discussie betrekken, hoe

staat het dan met de duurzaamheid? In dit

betoog staat een duurzaam energiesysteem

voorop. Dat de ruimtelijke inrichting van

gebieden interessante kansen biedt om

duurzame energiestromen een goede plek

te geven is niet erg bekend. Toch zijn zulke

kansen legio.

De achtergrond van dit artikel is gelegen

in het niet duurzame energiesysteem dat

Nederland nu kent. De grenzen hiervan

komen in zicht. Milieuschade en inspanningen

om de klimaatproblematiek

beheersbaar te houden zijn met het gebruik

van fossiele brandstoffen verbonden.

Dat deze brandstoffen zo langzamerhand

opraken, althans op zijn minst de

eenvoudig winbare bronnen, drijft de

prijzen structureel op. Tot slot is er een

groeiende afhankelijkheid tussen landen

op basis van energie. Natuurlijk zijn dat

wederzijdse relaties. Zo kan het behoorlijk

koud worden als Russisch gas Oost-Europa

niet bereikt. Tegelijkertijd scheelt dat veel

Roebels die niet de Russische staatskas

instromen. Kortom, er zijn verschillende

redenen om serieus werk te maken

van een andere, meer duurzame, lokale

energievoorziening.

Het is een uitdaging om langs de traditionele

planologische weg, het ordenen

van functies, een bijdrage te leveren aan

een duurzaam energiesysteem. In dit

artikel wordt getoond hoe nieuwe integrale

energie-ruimte concepten hieraan kunnen

bijdragen. Eerst komt aan bod hoe we

duurzame steden in termen van energie

kunnen beschrijven. Daarna worden kort

twee energieprincipes besproken, die van

essentieel belang zijn om het energievraagstuk

anders aan te pakken. Vanuit

deze principes, met name de zogenaamde

cascadering, wordt de brug geslagen naar

nieuwe ruimtelijke inrichtingsprincipes. In

de case Parkstad Limburg wordt getoond

hoe de inrichting op basis van energie kan

worden vertaald naar een integraal energieruimte

concept.

De uitdaging begrepen

De eerste vraag is hoe een meer duurzaam

energiesysteem wordt bereikt. Daarvoor

worden verschillende strategieën toegepast.

Feitelijk zijn alle strategieën terug te voeren

op de zogenaamde Trias Energetica. Deze

trias van Duijvesteijn (1996) biedt een

drietrapsstrategie om tot een duurzaam

energiesysteem te komen. Eerst moet

worden ingezet op een energievraagreductie

door rationeel gebruik. Vervolgens


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Naar een duurzaam energiesysteem

P. 170

wordt geprobeerd aan de resterende vraag

zoveel mogelijk te voldoen met behulp van

hernieuwbare energiebronnen. Indien

noodzakelijk worden tenslotte, zo schoon

en efficiënt mogelijk, fossiele brandstoffen

gebruikt. Kortom, zoveel mogelijk

hernieuwbare energie willen winnen mag

geen doel op zich worden. Een rationeel

gebruik zou voorop moeten staan.

De drie stappen kunnen ook direct

gerelateerd worden aan planologische

discussies. Door bijvoorbeeld niet op de

diepste plekken in polders te bouwen,

hoef je geen energie te gebruiken om

de boel droog te houden of de riolering

te laten functioneren. Aan de weloverwogen

energiebehoefte die overblijft

moet bij voorkeur worden voldaan door

energiewinning uit hernieuwbare bronnen.Het

gaat daarbij om energiebronnen

als zonne-energie, wind, waterkracht en

biomassa (Gordijn et al., 2003; Blatter,

2006). De derde stap uit de trias is een

interessante. Zo lang fossiele brandstoffen

nog gebruikt worden, moet dat zo

efficiënt en effectief mogelijk plaatsvinden.

Bij de traditionele productie

van stroom komen grote hoeveelheden

warmte vrij, die nu vaak op het oppervlaktewater

worden geloosd. Het is geen

toeval dat de locaties van de krachtcentrales

De Eemshaven, de Tweede

Maasvlakte, Borssele en Geertruidenberg

aan het water liggen. Grote hoeveelheden

warmte stromen nu letterlijk ons land uit

(Ministerie van Verkeer en Waterstaat,

2004; Van Eck, 2007).

Op hetzelfde moment wordt er veel

hoogwaardig aardgas verstookt om

huizen tot kamertemperatuur te

verwarmen. Dat kan en moet slimmer.

Als er ook warmtebehoevende ruimtelijke

functies in de buurt zijn, in voldoende

dichtheden, is het benutten van

warmtenetten geen raar idee. Zo zijn er

verschillende aanknopingspunten voor

ruimtelijk beleid gebaseerd op energie.

Het exergieprincipe

Een belangrijk principe, dat rationeel energiegebruik,

energiestromen en efficiënties

koppelt, is exergie. Dit begrip is essentieel

om duurzame ontwikkeling te begrijpen

(Dincer en Rosen, 2005). Exergie is, kort

gezegd, de kwaliteit van energie. Eerder is al

gerefereerd aan de restwarmte die vrijkomt

bij krachtcentrales. Dat is vaak stoom van

hoge temperaturen. Als vanzelf koelt deze

stoom uiteindelijk af. Voordat de temperatuur

op omgevingsniveau is, kan de energie

een aantal keren worden gebruikt. De

stoom kan bijvoorbeeld eerst de procesindustrie

dienen, waarna de minder warme

restwarmte op zijn beurt opnieuw gebruikt

kan worden voor bijvoorbeeld verwarming

van een zwembad of tuinbouwkas. Deze

toepassing van het exergieprincipe heet

ook wel energiecascadering, ofwel het

ruimtelijk achter elkaar schakelen van

energiebehoevende functies. Behalve voor

warmte geldt dit principe ook voor bioenergie,

koude en zelfs elektrische stroom.

Met andere woorden, het is weinig rationeel

om gas te verbranden (vlamtemperatuur

van meer dan zeshonderd graden Celsius)

om daarmee vervolgens alleen ruimtes tot

kamertemperatuur te verwarmen. Juist

ruimtelijke structuren bestaande uit verschillende

functies kunnen behulpzaam zijn

om energiestromen efficiënt te gebruiken.

Ruimtelijke energieanalyse

Ruimtelijke vraagstukken zijn legio in een

stad. Voor dit artikel wordt de regio Zuid-

Limburg benaderd vanuit een exergieperspectief

(SREX, 2009). Een uitgewerkte

casestudie hierbinnen is Parkstad Limburg,

waarbij de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling

van het gebied wordt bezien met een

focus op energie. Aan de hand daarvan kan

worden geïllustreerd wat energiecascadering

concreet kan betekenen. Met andere woorden

hoe een stad duurzaam kan omgaan

met haar energiestromen.

Parkstad Limburg is de plusregio in

Zuidoost Limburg met als stedelijke kern


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Naar een duurzaam energiesysteem

P. 171

Heerlen-Landgraaf-Brunssum-Kerkrade.

Figuur 1 toont een zogenaamde energieruimte

kaart van Park Gravenrode in de

gemeenten Landgraaf en Kerkrade. In dit

gebied worden de functies die gebruik

maken van de aanwezige energiestromen in

kaart gebracht en gecategoriseerd. Daarbij

is het ecologisch ontwerpprincipe van sources

(energieaanbod) en sinks (energievraag)

als criterium gebruikt. De energie biedende

functies zijn chemische industrie, bakkerijen,

rioolwaterzuiveringsinstallaties, een

dierentuin, een bedrijventerrein, kantoren

en verschillende woonwijken.

Figuur 1 laat met behulp van de pijlen

zien waar bronnen van energiestromen te

vinden zijn. De rioolwaterzuiveringsinstallatie

(rwzi) is een traditionele bron. Deze

verzamelpunten van biomassa kunnen

als biogasproductieplekken worden

beschouwd. Dit gas kan op die plek, maar

ook elders omgezet worden in elektriciteit

en warmte. Voorts is ook de dierentuin

Figuur 1 Overzicht van sources en sinks van energiestromen in Park Gravenrode

(van Kann, SReX 2008)

SOURCeS vAN eNeRGIe

middenrechts: biomassa > gas /

elektriciteit + warmte, RWzI Kaffeberg

middenlinks: restwarmte van

industrieterrein bakkerijen, chemie +

snowworld

Beneden: biomassa: mest,

restaurantresten dierentuin Gaiapark

(Gaiapark) een bron van energiestromen.

Wederom in de zin van biologische

reststromen, zoals mest en restaurantresten.

De derde bron komt uit het volgen van

de cascaderingsredenering naar voren.

Natuurlijk kun je bakkerijen en industrieën

zien als nettogebruikers van energie, toch

houden ze uiteindelijk ook een aanzienlijke

hoeveelheid hoogwaardige warmte over.

Voor dat deel worden ze beschouwd als

source.

Ook illustreert figuur 1 de ruimtelijke

functies die behoefte hebben aan laagwaardigere

energievormen, bijvoorbeeld voor

ruimteverwarming. Naast het industrieterrein

worden een bedrijventerrein,

kantoren, verschillende woonwijken en

de dierentuin als sink gezien. Deze laatste

functie toont hoe complex een energieanalyse

kan worden. Een ruimtelijke functie

kan zowel een bron als een eindpunt van

energiestromen zijn. De hoogwaardige

biomassastroom komt uit de dierentuin,

SINKS vOOR eNeRGIe

Boven: bedrijventerrein, kantoren essent +

tropische kassen Wereldtuinen

Rondom: woonwijken, diverse bouwjaren

midden: uitwisseling binnen

industrieterrein

Beneden: Gaiapark, evt. voor tropische

dieren


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Naar een duurzaam energiesysteem

P. 172

terwijl een laagwaardige warmtestroom

een kas met tropische dieren nog kan

verwarmen. Daar is het biogas niet direct

voor nodig. Hetzelfde geldt voor de

verschillende woonwijken. Afhankelijk van

het woningtype en de ouderdom kunnen

woningen met warm water van verschillende

temperaturen worden verwarmd. De

pijlen in figuur 1 wijzen de energievragende

functies aan.

Van analyse naar connecties

Vervolgens kunnen de twee figuren met

elkaar in verband gebracht worden door

sources met sinks te verbinden. Theoretisch

is dit niet zo lastig. Bij het maken van ruim-

Figuur 2 een mogelijk energie-ruimte systeem voor Park Gravenrode

(Bron: van Kann, SReX 2008)

Figuur 3 van kleine schakel naar een integraal energie-ruimte concept, een energiering

(Bron: van Kann, SReX 2008)

eNeRGIe-RUImTe SySTeem

links: de warmte die Snowworld afgeeft wordt gebruikt in de geschakelde

woonwijken, het bedrijventerrein en de tropische kas.

Rechts: Rwzi als energierotonde waar biomassa afkomstig uit onder andere de

dierentuin en het riool wordt verzameld. de biomassa wordt bij een industrieel complex

gebruikt als gas. de restwarmte die dat afgeeft wordt gebruikt voor de geschakelde

woonwijken en de dierentuin.

midden: verbinding tussen beide systemen omwille van robuustheid en efficiëntie

telijke plannen in een regio speelt naast

bijvoorbeeld verkeer en vervoer, milieu,

water, natuur, nu ook energie een rol. Het

energiekarakter (vraag of aanbod) van een

ruimtelijke functie kan daarbij leidend zijn.

Figuur 2 toont het gecombineerde plaatje

met daarin een energie-ruimte systeem

voor Park Gravenrode. In dat systeem is

het nuttig gebruiken van reststromen een

speerpunt. Dit voorbeeld laat zien dat in

dit gebied nu al kansen liggen. Daarvoor

is het ruimtelijk anders positioneren van

functies niet eens noodzakelijk. Vanuit het

voorbeeld leren we om juist in multifunctionele

ruimtelijke structuren mogelijkheden

op een bovenlokaal niveau te zien.


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Naar een duurzaam energiesysteem

P. 173

Kern van dit energiesysteem is dat er twee

toppunten zijn. Enerzijds is dat de rwzi,

waar biomassa verzameld wordt en waar

lokaal gas geproduceerd kan worden.

Anderzijds is dat Snowworld, een indoor

skibaan. Deze grote ‘koelkast’ kan als

bron van warmte worden gezien. Vanuit

beide toppen is een energiecascade van

functies gestart, die achterelkaar warmte

van verschillende temperaturen kan

gebruiken. Het eindstation is in beide

situaties een tropische kas. Belangrijk

aandachtspunt voor deze manier van

schakelen van functies is de robuustheid

van de systemen. Niet zelden wordt het

mogelijk wegvallen van een bedrijf als

argument gebruikt om geen warmtenet

aan te leggen. Beide cascades zijn daarom

gekoppeld. Op een hoger schaalniveau,

eventueel regionaal, is dit ook mogelijk (zie

Gemeente Amsterdam, 2008).

Integrale energie-ruimte

concepten

Figuur 3 laat zien hoe een energie-ruimte

systeem kan worden opgewerkt tot een

integraal energie-ruimte concept. Door de

deelsystemen te koppelen ontstaat een nog

robuuster netwerk. Naast lokale ruimtelijke

inrichtingen krijgen zo ook gebiedsspecifieke

potenties voor energieproductie of

–opslag een plek.

Een dergelijke energiering kan vervolgens

worden gecombineerd met een ringweg.

Het bundelen van infrastructuur is niet

nieuw. Bovendien functioneert zo een weg

als schakel tussen verschillende ruimtelijke

gebieden, waaronder industriegebieden.

Ook is het vaak een soort celmembraan

tussen de stad en het platteland. Tot slot

liggen er kansen op de hoekpunten voor

biomassaverzameling en -verwerking.

Warmlopen

Kern van dit betoog is dat de ruimtelijke

structuur van een gebied en de daarin gelegen

functies aanknopingspunten kunnen

bieden voor meer duurzame energiesy-

stemen. Naast de hier getoonde energiecascadering

zijn andere oplossingen in

ontwikkeling binnen het EOS-onderzoek

Synergie tussen Regionale Planning en

Exergie (SREX, 2009). Belangrijk is dat

ruimtelijke functies niet als autonome

eenheden in het landschap worden

beschouwd. Juist onverwachte verbanden,

zoals restenergiestromen tussen functies,

bieden nieuwe argumenten voor integrale

ruimtelijke ontwikkelingen. Het laten

weglekken, verdampen en wegstromen

van energiestromen uit de stad moet

daarbij zoveel mogelijk beperkt worden.

Hopelijk zullen steden in de toekomst

rekening houden met de aansluiting van

hun ruimtelijke ordening aan energiestromen.

Duurzame steden liggen op

die manier dichterbij dan soms wordt

vermoed. De planologie kan behulpzaam

zijn om deze weg te vinden.

Ferry van Kann (f.m.g.van.kann@rug.nl) is promovendus

Planologie bij de Rijksuniversiteit Groningen, Faculteit

Ruimtelijke Wetenschappen.

Literatuur

Blatter, m. (2006) Geografie der erneuerbaren energien,

energie-Atlas GmbH, münchenstein

dincer, I. & m.A. Rosen (2005) ‘Thermodynamic aspects of

renewables and sustainable development’, Renewable and

Sustainable energy Reviews, nr. 9, p. 169-189

duijvesteijn, C.A.J. (1996) Trias energetica (strategie),

University of Technology delft, delft

eck, T. van (2007) Warmtenetbeheerders gevraagd,

energie+, nr. 3, p. 12-13

Gemeente Amsterdam (2008) Amsterdam bindt strijdt aan

broeikaseffect – aanleg stadswarmtenet moet CO 2-uitstoot

van de stad fors terugdringen, K. dongen op Amsterdam.

nl, http://amsterdam.nl/gemeente/college/maarten_van/

redactionele/amsterdam_bindt

Gordijn, H. & F. verwest & A. van Hoorn (2003) energie is

ruimte, Ruimtelijk Planbureau, NAi Uitgevers, Rotterdam

ministerie van verkeer en Waterstaat (2004) CIW

Beoordelingssystematiek Warmtelozingen, Rijkswaterstaat,

den Haag

SReX (2009) exergieplanning – synergie tussen regionale

planning and exergie (SReX), www.exergieplanning.nl


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Kenniseconomie in de ruimtelijke praktijk

P. 174

Nicolas Nijhof en John Pertijs

Kenniseconomie

in de ruimtelijke

praktijk

Amsterdam medisch Centrum: een perifeer Beta-instituut buiten de ring van Amsterdam


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Kenniseconomie in de ruimtelijke praktijk

P. 175

Kenniseconomie is in. Overheden zetten

zich in voor de bevordering van kennis als

economische productiefactor. Toch is er veel

onduidelijkheid over wat kenniseconomie

precies is, hoe het ruimtelijk neerslaat en op

welke manier overheden deze economische

ontwikkeling kunnen beïnvloeden. In opdracht

van de Provincie Noord-Holland heeft het

onderzoeksbureau Decisio de kenniseconomie

in Noord-Holland nader onder de loep

genomen en de sectorspecifieke ruimtelijke

wensen bestudeerd. Een onderscheid tussen

Alfa, Bèta en Gamma kennisactiviteiten was

daarbij van grote waarde.

Sinds het kabinet Balkende II kenniseconomie

tot speerpunt van haar

beleid heeft verklaard, staat het begrip

volop in de politieke en maatschappelijke

belangstelling. Nederland beoogt op het

terrein van hoger onderwijs, onderzoek

en innovatie tot de Europese voorhoede

te behoren en wil daarmee bijdragen

aan het Lissabon Akkoord (2000) dat als

doel heeft Europa tegen 2010 de meest

competitieve en dynamische kenniseconomie

van de wereld te laten zijn. De Nota

Ruimte (VROM, 2004) en de Nota Pieken

in de Delta – Gebiedsgerichte Economische

Perspectieven (Ministerie van EZ, 2004)

hebben de kenniseconomie weliswaar in

een ruimtelijke context centraal gesteld,

maar baseren zich hierbij nog teveel op de

traditionele definitie van kenniseconomie

die zich richt op investeringen in Bèta

onderwijs en technologische innovatie.

Wanneer het echter gaat om het vertalen

van het begrip kenniseconomie naar

regionaal beleid, is Kennis op de Kaart –

Ruimtelijke patronen in de kenniseconomie

(Ruimtelijk Planbureau, 2004) het enige

Nederlandse onderzoek dat daadwerkelijk

heeft getracht de kenniseconomie op basis

van theoretisch en empirisch onderzoek

in een ruimtelijke context te definiëren en

de ruimtelijke patronen ervan in kaart te

brengen. Dit artikel beoogt bij te dragen

aan het verder uitwerken van het begrip

kenniseconomie in een ruimtelijke context.

De traditionele definitie

De actuele aandacht voor kennis, het

stimuleren van technologische en wetenschappelijke

innovatie en een groeiende

afhankelijkheid van intellectuele vaardigheden

in het productieproces is niet nieuw.

De klassiek econoom Marshall (1842-1924)

benadrukte al het belang van kennis in

de economie (Carlaw e.a., 2006) en de

twintigste-eeuwse economen Schumpeter

(1883-1950) en Kirzner (1930) benadrukten

de centrale rol van de entrepreneur in het

innovatieproces (Sobell, 2008).

Mede doordat in de loop van de vorige

eeuw economische groei steeds moeilijker

te verklaren was op basis van de factoren

arbeid en kapitaal heeft kennis in de

moderne economie een hoofdrol gekregen

(Louter, 1993). Er is echter geen eenduidigheid

over wat er met de termen kennis en

kenniseconomie precies wordt bedoeld (zie

Carlaw e.a., 2006; RPB, 2004). In beleidsvoornemens

wordt kenniseconomie vooral


Rooilijn

geassocieerd met technologische ontwikkelingen

waarbij research & development

(R&D) wordt ingezet en waarbij het resultaat

uit talloze innovaties in bijvoorbeeld

software en vernuftige machines bestaat.

In dit verband wordt kenniseconomie

gedefinieerd als “de vervaardiging van

producten en diensten gebaseerd op kennisintensieve

activiteiten die bijdragen aan

een versneld tempo van technologische

en wetenschappelijke ontwikkelingen en

tegelijkertijd aan de veroudering daarvan”

(Powell & Snellman, 2004, p. 199-220).

De ruimtelijke definitie

Hoewel correct, wordt het begrip

kenniseconomie de laatste jaren breder

opgevat dan uitsluitend in industriële en

technologische betekenis. In deze brede

opvatting wordt kennis niet alleen als een

industriële aangelegenheid beschouwd

waarin traditionele R&D centraal staat en

waarin technologische ontwikkeling de

belangrijkste bron van economische groei

is. Ook wordt aandacht besteed aan de

dienstensector en het daaraan verbonden

sociaal en cultureel kapitaal (zie RPB,

2004; Van der Laan e.a., 2000). In lijn met

deze brede opvatting van het kennisbegrip

definieert het Ruimtelijk Planbureau

(RPB) kennis als “het geheel van vaardigheden

(aanleg, leergierigheid, creativiteit

en volhouden) nodig om problemen te

onderkennen en ze op te lossen, onder

meer door informatie te verzamelen

en te selecteren” (RPB, 2004, p. 29-30).

Hierbij onderscheidt het RPB drie pijlers:

kenniswerkers (menselijk kapitaal),

R&D (kennisinstellingen) en innovatie

(waardeketens). Deze pijlers kunnen

als noodzakelijke vereisten worden

beschouwd in een kenniseconomie.

De pijler kenniswerkers omvat hoogopge-

Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Kenniseconomie in de ruimtelijke praktijk

P. 176

leide, talentvolle, creatieve personen. Het

begrip menselijk kapitaal is hier op zijn

plaats, omdat talentvolle mensen relatief

schaars zijn, er veel in geïnvesteerd is door

middel van scholing en deze personen een

grote economische meerwaarde opleveren.

De pijler R&D heeft zowel betrekking op

zelfstandige private en publieke kennisleveranciers,

waaronder researchbedrijven

en instellingen voor hoger onderwijs

en wetenschappelijk onderzoek, als op

R&D afdelingen binnen concerns. Deze

kennisinstellingen dragen door middel van

kennisontwikkeling en/of kennisspreiding

bij aan het hoogwaardige kennisreservoir

en de kwaliteit van kenniswerkers.

De uiteindelijke toepassing van kennis

voor innovatie in het bedrijfsleven vindt

vooral plaats in waardeketens. Het begrip

waardeketen staat voor een opvolging van

activiteiten waarbij in elke schakel van het

proces waardevermeerdering plaatsvindt.

Een groeiende mondiale markt met toenemende

concurrentie heeft tot gevolg dat de

kennis die uit R&D activiteiten ontstaat zo

effectief mogelijk moet worden benut. Dat

betekent dat de kennis moet worden omgezet

in een innovatie die op grote schaal

toegepast kan worden. Hiervoor is het

noodzakelijk dat er tussen de verschillende

partijen interactie plaatsvindt om de kennis

toe te passen bij economische activiteiten.

Deze waardeketens zijn (inter)nationaal

vertakt, maar belangrijke onderdelen, oftewel

clusters, kunnen geconcentreerd zijn

in een regio en kunnen door het creëren

van goede ontmoetingsomstandigheden

worden gestimuleerd.

Voor uitwisselingen van kennis, met

name van persoonsgebonden kennis en

informatie (tacit knowledge), is geografi-


Rooilijn

Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Kenniseconomie in de ruimtelijke praktijk

P. 177

Figuur 1 drie pijlers en kennisactiviteiten voor Alfa, Bèta en Gamma

sche nabijheid van groot belang. Wanneer

aanbieders en vragers van kennis elkaar

niet makkelijk in de markt vinden,

kunnen (semi-)publieke platforms

belangrijk zijn voor ontmoeting en het

‘makelen en schakelen’. Deze platforms

hebben de vorm van publieke ontmoetingsruimtes,

zoals kantines, cafés en

congresruimtes, maar kunnen ook de

vorm aannemen van organisaties die als

doel hebben specifieke partijen bij elkaar

te brengen. In Noord-Holland zijn dat

bijvoorbeeld de Kenniskring Amsterdam,

Associatie Technologie Overdracht

Noord-Holland (ATO), PICNIC network,

de Amsterdamse Innovatie Motor (AIM),

iMMovator of Ontwikkelingsbedrijf

Noord-Holland Noord.

Alfa, Bèta en Gamma

De definitie van kenniseconomie in een

ruimtelijke context biedt in principe een

goed handvat om de ruimtelijke consequenties

van de ontwikkeling naar een

kenniseconomie in de Provincie Noord-

Holland in kaart te brengen. Tijdens het

onderzoek bleek echter dat de drie pijlers

kenniswerkers, R&D en innovatie nog

teveel blijven steken in een ééndimensi-

onale benadering die niet genoeg ruimte

overlaat om sectorspecifieke ruimtelijke

behoeftes te onderscheiden. Dit laatste is

met name van belang bij het ontwikkelen

van ruimtelijk kenniseconomisch beleid

op decentraal niveau, omdat het dan

veelal om regiospecifieke kenmerken gaat.

Verstedelijkte gebieden vragen bijvoorbeeld

om een andere benadering dan

landelijke gebieden.

Teneinde een beter inzicht te verwerven in

sectorspecifieke ruimtelijke behoeftes als

input voor de Ruimtelijke Structuurvisie

van de Provincie Noord-Holland zijn

interviews met dhr. P. Tordoir (hoogleraar

economische geografie, Universiteit van

Amsterdam, 2008) en dhr. R. Engelsdorp

Gastelaars (Emeritus hoogleraar stadssociologie,

Universiteit van Amsterdam,

2008) gehouden. Op basis van deze

interviews is het begrip kenniseconomie

met een tweede dimensie ten opzichte van

de definitie van het RPB uitgebreid. Deze

dimensie onderscheidt drie kennisactiviteiten:

‘Alfa’, ‘Bèta’ en ‘Gamma’. De drie

pijlers en de drie kennisactiviteiten zijn

schematisch weergegeven in figuur 1.

Alfa kennisactiviteiten zijn gericht op


Rooilijn

cultuur en beleving. De kenniswerkers

zijn bijvoorbeeld beeldende kunstenaars,

modeontwerpers, schrijvers, marketeers, et

cetera. Bij deze activiteiten staat de individuele

creativiteit voorop. De R&D bestaat

uit een zoektocht naar nieuwe ideeën en

inspiratiebronnen. Kennisvorming en

toepassing in de alfahoek zijn vaak weinig

georganiseerd, organisch en zelfs chaotisch

te noemen.

Bèta kennisactiviteiten omvatten daarentegen

strak georganiseerde laboratoria

en wetenschappelijke activiteiten, waarbij

de betreffende kennis discursief, ofwel op

papier overdraagbaar is. De R&D bestaat

uit proeven op speciaal daarvoor ingerichte

terreinen en/of in laboratoria.

Gamma kennisactiviteiten zijn gericht op

grote en complexe organisatiestructuren op

het gebied van economie en management

en fiscale en/of juridische kennis. In tegenstelling

tot bètakennis is gammakennis

meestal ontastbaar en moeilijk overdraag-

Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Kenniseconomie in de ruimtelijke praktijk

P. 178

Hergebruik van het volkskrantgebouw als broedplaats voor de creatieve (Alfa) sector

baar (tacit) en gebaseerd op cultuurgebonden

waarden, ervaringen en houding. Het

bestaat hoofdzakelijk uit ervaringskennis

van hoogwaardige professionals in dienst

van grote organisaties of zelfstandig

leverend aan grote organisaties.

Ruimtelijke behoeftes

Door Alfa, Bèta en Gamma activiteiten

van elkaar te onderscheiden is het mogelijk

beter inzicht te krijgen in de sectorspecifieke

ruimtelijke behoeftes van kenniseconomie.

Hierdoor kunnen overheden

op meerdere bestuurlijke niveaus hun

ruimtelijk beleid aanpassen op regiospecifieke

eigenschappen.

Alfa activiteiten vinden volgens de

geïnterviewden voornamelijk plaats in het

stedelijk gebied. Het is voor Alfa kenniswerkers

bij Alfa activiteiten essentieel

om in de buurt van elkaar gelokaliseerd te

zijn. Er moet gemakkelijk overleg kunnen

plaatsvinden en omdat overtuigingskracht

en consensus een grote rol spelen in deze


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Kenniseconomie in de ruimtelijke praktijk

P. 179

Borreltijd voor Gammawerkers bij café Blooker tussen de Rembrant- en Philipstoren in Amsterdam

sectoren is face-to-face contact onontbeerlijk.

Daarom zijn publieke ruimtes

waar men elkaar kan ontmoeten en

waar genetwerkt kan worden van groot

belang voor deze activiteiten. Voor de

hand liggende locaties hiervoor zijn

cafés, restaurants, tentoonstellingen of

andere uitgaansgelegenheden. De sociale

en fysieke omgeving, waarin leefstijlen,

nieuwe ideeën en trends zich manifesteren,

vormt voor Alfa’s een belangrijke

inspiratiebron. Om deze reden zijn

steden waar het cultuuraanbod groot

is en waar trends gezet worden, zoals

Parijs, London, Milaan, New York en in

zekere mate ook Amsterdam, bij Alfa’s

hoog aangeschreven.

Alfa activiteiten hebben over het algemeen

niet zo veel ruimte nodig. Meestal

is een kantoor of een atelier genoeg. Alfa

kenniswerkers zijn veelal beperkt in hun

woonbudget en en, vooral aan het begin

van hun loopbaan, aangewezen op de

onderkant van de woningmarkt. Een

belangrijk punt is dat Alfa’s die actief zijn

in de creatieve sector graag hun woonomgeving

vervlechten met hun werkomgeving

en buiten de gebaande paden willen treden

als het gaat om wonen. Zij zijn dus vaak op

zoek naar een atelier in hun woning of in de

buurt van hun woning. Standaardhuizen

zijn niet op deze manier ingericht en

daarom zoeken zij hun heil bijvoorbeeld

in oude werkgebieden. Deze werkgebieden

worde door de creatieve Alfa bovendien als

een inspirerende omgeving ervaren.

Bèta activiteiten zijn volgens de experts in

tegenstelling tot Alfa activiteiten zelden te

vinden in een centraal stedelijke omgeving.

Het zijn meestal activiteiten die veel ruimte

behoeven, met name om de producten

te testen. Bijvoorbeeld een park om de

laatste generatie windmolens te testen,

een circuit voor experimentele auto’s of

een kavel om nieuwe soorten gewassen te

laten groeien. Daarnaast behoeven Bèta

activiteiten veel minder discours doordat

de kennis in deze sector discursief is. De


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Kenniseconomie in de ruimtelijke praktijk

P. 180

kennis kan door bijvoorbeeld vakbladen

worden overgebracht. Aangezien de kennis

kwantitatief is en gebaseerd op empirische

experimenten leent deze zich minder voor

discussies of debatten zoals dat het geval

is bij sociale wetenschappen. Dit heeft als

ruimtelijk gevolg dat er minder publieke

ruimte nodig is om elkaar tegen te komen

en te discussiëren.

Bèta kenniswerkers hebben over het

algemeen een redelijk ruim woonbudget.

Verder zijn zij in het algemeen meer gericht

op ruimte en gemak in buitenstedelijke

gebieden en kenmerken zij zich door hun

voorkeur voor (sportieve) buitenactiviteiten.

Minder belang wordt er gehecht aan

culturele mogelijkheden en ontmoetingsgelegenheden

dan door Alfa’s.

Gamma’s hebben volgens de geïnterviewde

experts een sterke voorkeur om

hun activiteiten in stedelijk gebied te

ontplooien. Dit is te verklaren doordat

kennisproductie en -toepassing in

de gammasfeer gevoelig zijn voor de

aanwezigheid van sociale, face-to-face

interactienetwerken en platformen. Dit

gebeurt in georganiseerd en strak verband,

zoals bij vakspecialistische congressen,

symposia, onderzoeken en bijscholing.

De voedingsbron voor de hoogwaardige

Gamma is informatie en niet zozeer inspiratie.

De Gamma leeft van en in een zeer

informatie-intensieve omgeving, zoals die

aanwezig is in de zakencentra van grote

steden. Gamma kenniswerkers hebben

meestal een redelijk ruim woonbudget. Er

zijn twee groepen wat betreft woonvoorkeuren:

enerzijds een groep van jonge en

ambitieuze professionals, veelal tweeverdieners,

die goede appartementen in een

hoogstedelijke omgeving prefereren en

anderzijds de oudere arrivés met gezinnen

die een hoogwaardige suburbane omgeving

prefereren. Zij hebben de voorkeur

om in de buurt van een luchthaven te

wonen vanwege de sterke internationale

oriëntering in deze groep, aldus de

experts.

Nader ingaande op de specifieke woonbehoeftes

van expats, blijkt uit het onderzoek

dat zij behoefte hebben aan internationale

scholen voor de kinderen en (dit geldt voornamelijk

voor expats met een Aziatische

achtergrond) aan eigen woongemeenschappen

met voorzieningen. De voorkeur gaat

uit naar woongemeenschappen, gevormd

door huurwoningen in een hoger segment

die van alle gemakken zijn voorzien.

Voorbeelden van dit soort gemeenschappen

kunnen al worden gevonden in Londen

en Singapore. Dichter bij huis zien we een

sterke concentratie van Japanse expats in

Amstelveen.

In figuur 2 wordt weergegeven hoe het

onderscheid in Alfa, Bèta en Gamma zich

ruimtelijk manifesteert in de Provincie

Noord-Holland.

Meer dan een trend

Kennis speelt een steeds grotere rol in de

hedendaagse economie. Daar zijn overheden

op alle niveaus zich steeds bewuster

van. Om daarop in te spelen is echter een

werkbare definitie van het begrip nodig.

Het RPB (2004) heeft daar al veel werk

van gemaakt. Toch bleek dat de stap van

de definiëring van kenniseconomie naar

ruimtelijk beleid nog te groot was. Tijdens

het onderzoek is de definitie van het RPB

(2004) aangevuld door naast een onderscheid

in kenniswerkers, kennisinstellingen

en waardeketens een onderscheid te maken


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Kenniseconomie in de ruimtelijke praktijk

P. 181

CRATIeve ClUSTeRS

media ICT (12en 13)

Creatieve as (10, 11, 12 en 13)

TeCHNISCHe ClUSTeRS

Seed vakkey (4 en 5)

maritiem cluster (1 en 7)

duurzame energie (18)

life Sciences (3, 6 en 9)

Aquacultuur (4)

Agriport (2)

dIeNSveRleNeNde

ClUSTeRS

Handel & logistiek (14, 15 en 17)

Financiële diensverlening (16)

tussen Alfa, Bèta en Gamma activiteiten

binnen de kenniseconomie (Decisio, 2008).

Door het aanvullende onderscheid in Alfa,

Bèta en Gamma activiteiten is aangetoond

dat er voor kennisgebonden bedrijven en

hun kenniswerkers specifieke sectorgerelateerde

ruimtelijke wensen bestaan. Om

een ruimtelijk beleid te voeren waarbij

kenniseconomie wordt gestimuleerd,

dienen overheden hier rekening mee te

houden. Dit door bijvoorbeeld na te gaan

welke sectorspecifieke activiteiten dominant

aanwezig zijn in hun regio of juist

door verschillende activiteiten bij elkaar te

brengen en te faciliteren.

Figuur 2 Aanwezigheid Alfa, Bèta en Gamma in de provincie Noord-Holland (bron: decisio, 2008)

de vierkanten in de figuur refereren niet aan de grootte van de groep kenniswerkers, maar

slechts aan een geconcentreerde aanwezigheid van de betreffende kenniswerkers

Nicolas Nijhof (nicolas.nijhof@gmail.com) en John Pertijs

(j.pertijs@decisio.nl). John Pertijs is adviseur bij decisio

Bv, een onderzoeks- en adviesbureau voor economische,

ruimtelijke en mobiliteitsvraagstukken.

Literatuur

Carlaw, K., l. Oxley, P. Walker, d. Thorns & m. Nuth (2006)

‘Intellectual Property and the Knowledge Society/Knowledge

economy’, Journal of economic Survey, vol. 20, nr. 4, p.

633-690

decisio Bv (2008) Quickscan kenniseconomie in Noord-

Holland. Input voor de provinciale structuurvisie, Amsterdam

laan, l. van der, J. de Boom & F.G. van Oort (2000) Regionale

Arbeidsmarkten en de kenniseconomie, Onderzoeksreeks

Rijksplanologische dienst, nr.7, vROm, den Haag

louter, P.J. (1993) Kijk op kennis; Regionale verschillen in

kennisintensiteit van bedrijvigheid, Rotterdam: eGI, erasmus

Universiteit Rotterdam

ministerie van ez (2004) Pieken in de delta. Gebiedsgerichte

economische perspectieven, den Haag

vROm (2004) Nota Ruimte, den Haag

Powell, W.W. & K. Snellman (2004) ‘The knowledge economy’,

Annual Review of Sociology, No.30, p. 199-220

Ruimtelijk Planbureau (2004) Kennis op de Kaart. Ruimtelijke

patronen in de kenniseconomie, den Haag

Sobell, R.S. (2008) The Concise encyclopedia of economics,

library of economics and liberty: entrepreneurship http://

www.econlib.org/library/enc/entrepreneurship.html,

geraadpleegd op 05.01.2009


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Waar plannen we ouderenwoningen?

P. 182

Gijs Foeken

Waar plannen we

ouderenwoningen?

Door de vergrijzing zullen steeds meer ouderen in de nabije toekomst zelfstandig

wonen. In de komende jaren worden daarom tienduizenden ouderenwoningen

gebouwd, voor het overgrote deel in stedelijke gebieden. Omdat wordt aangenomen

dat ouderen specifieke woonwensen hebben, ontstaat de vraag op welke locatie in

de stad ouderenwoningen gebouwd moeten worden. Wonen ouderen het liefst in

de buurt van winkels en zorgvoorzieningen, of geeft juist het sociale aspect van de

woonomgeving de doorslag in de locatiekeuze?

“verrassend is echter dat de eglantier, de meest ideaal geachte woonlocatie voor ouderen, significant lager scoort dan de drie overige locaties” (foto, Gijs Foeken)


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Waar plannen we ouderenwoningen?

P. 183

Dat de bevolking van Nederland vergrijst

is niets nieuws. Het aandeel ouderen neemt

toe en de gemiddelde leeftijd stijgt. Volgens

prognoses van het CBS (2008) zal in 2030

circa 36,6 procent van de bevolking tot de

leeftijdscategorie 55 plus behoren. Op dit

moment ligt dit percentage op 27,4 procent.

Dit betekent een toename van 4,5 miljoen

naar 6,2 miljoen. Er is de afgelopen jaren

uitvoerig gespeculeerd over de gevolgen

van de vergrijzing. Zo neemt het aantal

werkende personen en daarmee de belastinginkomsten

af. Tevens zullen de kosten

voor gezondheidszorg en AOW stijgen. Een

ander belangrijk aspect is ouderenhuisvesting.

Ouderen blijven tegenwoordig steeds

langer zelfstandig wonen. Dit komt niet

alleen overeen met de wensen van oudere

huishoudens, maar wordt ook gestimuleerd

door de Nederlandse overheid (VROM,

2005). Deze twee ontwikkelingen zorgen

ervoor dat de vraag naar ouderenwoningen

zal toenemen (VROM, 2004). Naar de specifieke

kenmerken van ouderenwoningen is

veelvuldig onderzoek gedaan. Maar wat is

nu eigenlijk bekend over de eigenschappen

van de door ouderen gewenste woonomgeving?

Er wordt veel aandacht geschonken

aan het belang van voorzieningen in de

buurt. Hoe belangrijk zijn die nu werkelijk?

Hoe willen ouderen wonen?

Een literatuurverkenning leert ons dat

ouderen nogal wat specifieke woonwensen

hebben met betrekking tot hun woonomgeving.

Om zelfstandig te kunnen wonen,

speelt de bereikbaarheid van voorzieningen

voor ouderen een belangrijke rol.

Ouderen hechten dan ook veel waarde

aan de aanwezigheid van voorzieningen

in de directe woonomgeving. Het VROM

(1997) is van mening dat een voor ouderen

geschikte woning voldoet aan de criteria

‘nabijheid van voorzieningen’ en ‘leefbaarheid

van de omgeving’.

Ook in de beleidsnota Mensen Wensen

Wonen uit 2000 wordt gesteld dat de nabijheid

en bereikbaarheid van voorzieningen

in de wijk van groot belang is (VROM,

2000). Dan kan met name gedacht worden

aan winkels, een huisarts en openbaar

vervoer (VROM, 1997). Op basis van de

literatuur ontstaat de veronderstelling dat

locaties met een breed voorzieningenaanbod

ideale woonlocaties zijn voor ouderen.

Vooral de aanwezigheid van winkels

voor dagelijkse boodschappen is hierbij

belangrijk.

Daarnaast hebben ouderen ook specifieke

wensen ten aanzien van het sociale karakter

van hun woonbuurt. Zo is het belangrijk

dat de buurt hen een gevoel van sociale

veiligheid geeft (VROM, 2003). Ouderen

hechten een groot belang aan hun sociale

netwerk. “De angst voor verlies van de

eigen positie binnen het sociale netwerk

draagt er toe bij dat het fysieke ongemak

van een minder geschikte koopwoning op

de koop wordt toegenomen”, zo stelt de

Vromraad (2005).

Ouderen kunnen niet als één groep

worden gezien. 55-plussers zijn zeer divers

en kunnen uiteenlopende woonwensen

hebben. Dit is onder andere het gevolg van

de diverse stadia in de zogenaamde levenscyclus

waarin men verkeert. Zo zal een

werkend persoon van zestig andere wensen

hebben dan een bejaarde van tachtig.

De stad verandert

Een belangrijk gegeven van de woonomgeving

is dat deze kan veranderen in de

tijd. Het is daarom van belang dat men


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Waar plannen we ouderenwoningen?

P. 184

zich bewust is van veranderingen die zich

kunnen voordoen in de woonomgeving van

ouderen. Eén van de belangrijkste ontwikkelingen

die zich momenteel afspeelt in de

stedelijke structuur is de schaalvergroting

in de detailhandel. Als gevolg van deze

schaalvergroting zal naar verwachting een

groot aantal kleine winkelcentra verdwijnen.

Volgens Evers e.a. (2005) zet de trend

waarbij de binnensteden, hoofdwinkelcentra

en de grootschalige detailhandelslocaties

terrein winnen op de stadsdeelcentra,

buurtcentra en dorpskernen zich de

komende jaren voort.

Nabijheid van detailhandel is volgens de

literatuur echter een belangrijke voorwaarde

voor veel ouderen om zelfstandig te kunnen

blijven wonen. Met de afname van het aantal

kleine winkelcentra neemt ook de mogelijkheid

af om ouderenwoningen in de nabijheid

van (winkel)voorzieningen te ontwikkelen.

Dit terwijl er op basis van de woonwensen

van ouderen steeds meer behoefte ontstaat

aan dergelijke locaties. Deze twee tegenstrijdige

trends kunnen er hypothetisch

toe leiden dat de woontevredenheid van

ouderen daalt. De wens om in de buurt van

belangrijke voorzieningen te wonen zal door

de schaalvergroting in de detailhandel steeds

moeilijker te vervullen zijn.

Woontevredenheid ouderen?

Om een duidelijker beeld te krijgen van de

gevolgen van een veranderende stedelijke

structuur op de woontevredenheid van

ouderen, is onderzoek gedaan naar de

tevredenheid over de woonomgeving van

ouderen op verschillende stedelijke locaties.

Woontevredenheid kan worden gezien als

het verschil tussen de gewenste en werkelijke

woonsituatie. Naarmate dit verschil

groter is, zal de woontevredenheid over

het algemeen lager zijn. De woonsituatie

bestaat uit de woning en de woonomgeving.

Om de invloed van de woning op de

woontevredenheid te verminderen zijn

alleen ouderen geënquêteerd die in een

sociale huurwoning wonen. Zodoende mag

worden aangenomen dat verschillen in

woontevredenheid niet veroorzaakt worden

door de woning, maar door kenmerken van

de woonomgeving.

Wat de woonomgeving betreft is onderscheid

gemaakt tussen de functionele en

de sociale aspecten van de woonomgeving.

Functionele aspecten hebben betrekking

op het voorzieningenaanbod dat zich in

de woonomgeving bevindt en aspecten

als straatverlichting en verkeersveiligheid.

Bij sociale aspecten moet worden

gedacht aan bijvoorbeeld de omgang met

buurtbewoners, de mate waarin ouderen

gehecht zijn aan hun buurt en hun mening

over gezelligheid en saamhorigheid in de

woonomgeving.

Het onderzoek is uitgevoerd op vier verschillende

stedelijke locaties in Apeldoorn,

te weten winkelcentrum De Eglantier, het

stadscentrum, winkelcentrum Kerschoten

en de woonwijk Sluisoord. De keuze voor

de vier onderzoekslocaties is gebaseerd

op het onderscheid in het aanbod van

voorzieningen. Zo zijn er in het multifunctionele

winkelcentrum De Eglantier niet

alleen winkels voor dagelijkse en nietdagelijkse

boodschappen, maar ook een

huisarts, apotheek, fysiotherapie, een kerk,

bibliotheek, ontmoetingscentrum, horeca

en een groot park. Het is de ideaal geachte

woonlocatie voor ouderen. Het aanbod

in het stadscentrum is ruimer dan in De

Eglantier, maar tevens verspreid over een

groter gebied. Winkelcentrum Kerschoten

beschikt alleen over winkels voor dagelijkse

boodschappen, terwijl in Sluisoord

helemaal geen winkels zijn.

Waardering woonomgeving

Van de 519 uitgezette enquêtes onder de

bewoners van de vier onderzoekslocaties

zijn er 235 geretourneerd. Hiermee komt de

respons op ruim 45 procent. De verdeling

van de respondenten over de onderzoekslocaties

komt goed overeen met de verdeling

van de totale populatie.


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Waar plannen we ouderenwoningen?

P. 185

10

9.0

8,0

7,0

6,0

5,0

4,0

3,0

2,0

1,0

7,06

eglantier Stadscentrum Kerschoten Sluisoord Gemiddeld

Figuur 1: Waardering van de onderzoeksgebieden

7,89 7,61 7,58 7,48

De geënquêteerde ouderen zijn over het

algemeen tevreden over hun woonomgeving.

Het gemiddelde cijfer dat ouderen

in dit onderzoek aan hun woonomgeving

toekennen, is 7,5 op een schaal van 1 tot 10.

Slechts 5,1 procent van de respondenten

beoordeelt de buurt als onvoldoende

(cijfer 4 of 5). Wanneer de woontevredenheid

van ouderen in de vier verschillende

onderzoeksgebieden met elkaar vergeleken

wordt, blijkt dat de waardering van de

woonomgeving weinig verschil vertoont.

Verrassend is echter dat De Eglantier, de

meest ideaal geachte woonlocatie voor

ouderen, significant lager scoort dan

de drie overige locaties (figuur 1). Aan

de hand van tevredenheid over diverse

functionele en sociale eigenschappen van

de woonomgeving is getracht het verschil

in woontevredenheid tussen de diverse

locaties te verklaren.

Met betrekking tot de functionele eigenschappen

is de respondenten gevraagd

1,3

1,2

1,1

1

0,9

0,8

0,7

dagelijkse winkels

Niet-dagelijkse winkels

Huisarts

Apotheek

Fysiotherapeut

Tandarts

Bushalte

in hoeverre zij tevreden zijn over de

nabijheid van voorzieningen als winkels

voor dagelijkse en niet-dagelijkse boodschappen,

diverse zorgvoorzieningen,

een bushalte en groenvoorziening. Er

blijken enkele grote verschillen te bestaan

tussen de onderzoekslocaties. Zo zijn de

ouderen in Sluisoord significant minder

tevreden over de nabijheid van winkels

voor dagelijkse boodschappen dan op de

andere locaties (figuur 2). Dit lijkt logisch,

aangezien in de woonwijk Sluisoord

dergelijke winkels niet aanwezig zijn. Tot

grote ontevredenheid leidt dit echter niet.

Slechts tien procent van de respondenten

op deze locatie oordeelt nadrukkelijk

negatief over de nabijheid van dagelijkse

winkels. Dit betreft enkel ouderen met een

leeftijd boven de 75 jaar.

De totale tevredenheid over het voorzieningenaanbod

blijkt het hoogst te zijn in

Kerschoten, gevolgd door De Eglantier.

Dit toont aan dat een clustering van voor

ouderen belangrijke voorzieningen niet

direct leidt tot een hogere waardering van

het voorzieningenaanbod. Volgens verwachting

is de tevredenheid, als gevolg van

de afwezigheid van dagelijkse winkels, het

laagst in Sluisoord. Wanneer onderscheid

wordt gemaakt naar leeftijd ontstaat een

ander beeld. Dan blijkt dat ouderen boven

de 75 jaar aanzienlijk minder tevreden zijn

over de afstand tussen de woning en

Lees verder op pagina 196

Figuur 2: mate van tevredenheid over functionele eigenschappen van de woonomgeving

Park

verkeersveiligheid

Straatverlichting

Gemiddeld

eglantier

Stadscentrum

Kerschoten

Sluisoord


Rooilijn

InBeeld

Dubai

Van vissersdorpje tot global city

In amper tien jaar tijd is de duizend jaar oude nederzetting geëxplodeerd van een

parelvissersdorpje tot een wereldstad van formaat. De ontwikkelingen zijn in een

stroomversnelling geraakt doordat veel Arabische investeerders na 9/11 hun geld in

de Golfstaten stopten. De ambities van de sjeik, de snelle centrale besluitvorming,

het grotendeels ontbreken van regels en de belastingvrijheid hebben ertoe geleid dat

vijfentwintig procent van ’s werelds bouwkranen in Dubai staat. De bouwwoede, uniek

in de recente geschiedenis, is vooral te danken aan de tienduizenden gastarbeiders

afkomstig uit landen als India, Pakistan, Bangladesh en de Filippijnen. De gemiddelde

bouwvakker werkt zeven dagen per week, twaalf uur per dag, voor driehonderd

dollar per maand. De achterliggende gedachte lijkt te zijn dat de vraag naar vastgoed

het aanbod zal volgen. Het vastgoed is echter grotendeels in handen van speculanten.

Het gevaar dreigt dat speculanten het vastgoed massaal van de hand gaan doen. In

hoeverre is Dubai een zeepbel? Zal 2009 het jaar van de waarheid worden?

De fotoreportage geeft een indruk van de bouwwoede in Dubai. In april 2008 waren er

1800 torens in aanbouw rond het nieuwe vliegveld en 500 langs de hoofdweg richting

Abu Dhabi.

Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

InBeeld: dubai, van vissersdorpje tot global city

P. 186

Daphne Rigter


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

InBeeld: dubai, van vissersdorpje tot global city

P. 187


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

InBeeld: dubai, van vissersdorpje tot global city

P. 188


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

InBeeld: dubai, van vissersdorpje tot global city

P. 189


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

InBeeld: dubai, van vissersdorpje tot global city

P. 190


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

InBeeld: dubai, van vissersdorpje tot global city

P. 191


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

InBeeld: dubai, van vissersdorpje tot global city

P. 192


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

InBeeld: dubai, van vissersdorpje tot global city

P. 193


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

InBeeld: dubai, van vissersdorpje tot global city

P. 194


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 InBeeld: dubai, van vissersdorpje tot global city

P. 195

daphne Rigter (rigterd@noord-holland.nl) is werkzaam als

stedebouwkundige bij de Provincie Noord-Holland en freelance fotograaf

bij zOem! Fotografie (www.zoemfotografie.com).


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Waar plannen we ouderenwoningen?

P. 196

1,3

1,2

1,1

1

0,9

0,8

0,7

Gehecht aan de buurt

Contact met directe buren

Contact met andere buurtbewoners

Vervolg van pagina 185

Prettige omgang in buurt

Gezellige buurt, veel saamhorigheid

last va n bekladding

last van vernielingen

winkels voor dagelijkse boodschappen dan

ouderen tussen de 55 en 75 jaar. Met name

in Sluisoord is de tevredenheid onder 75

plussers lager dan het gemiddelde. Ook

over de afstand tot winkels voor nietdagelijkse

voorzieningen en de huisarts zijn

ouderen boven de 75 minder tevreden dan

jongere ouderen. Een toenemende leeftijd

leidt dus tot een dalende tevredenheid over

de afstand tussen de woning en voorzieningen.

Wel moet gezegd worden dat er

geen sprake is van grote ontevredenheid

onder 75 plussers, over het algemeen is de

tevredenheid enkel lager.

Net als de functionele aspecten worden ook

de sociale eigenschappen van de woonomgeving

in Kerschoten door de ouderen

het best beoordeeld. In De Eglantier blijkt

de tevredenheid op vrijwel alle fronten

aanzienlijk lager te zijn (figuur 3). Zo

zijn ouderen in De Eglantier significant

minder gehecht aan hun woonbuurt. Dit is

opvallend, aangezien ouderen gemiddeld

langer in die buurt woonachtig zijn dan

ouderen op de andere drie locaties, terwijl

een langere woonduur over het algemeen

leidt tot een groter gevoel van hechting

(Amérigo & Aragones, 1997).

Een ander belangrijk verschil is de mate

waarin ouderen van mening zijn dat zij in

een buurt wonen waar men op een prettige

lastig gevallen

bang voor lastigvallen of beroving

Figuur 3: mate van tevredenheid over sociale eigenschappen van de woonomgeving

Gevoel van veiligheid

Gemiddeld

eglantier

Stadscentrum

Kerschoten

Sluisoord

manier met elkaar omgaat. Ouderen in De

Eglantier beoordelen de omgang significant

lager dan op de andere locaties. Daarnaast

scoort De Eglantier aanzienlijk minder

goed als het gaat om het gevoel van veiligheid,

gezelligheid en saamhorigheid in de

buurt. Ten opzichte van de functionele

aspecten van de woonomgeving valt op dat

veel meer ouderen negatief oordelen over

sociale aspecten. Zo is bijvoorbeeld bijna

een kwart van de ouderen van mening

niet in een gezellige buurt te wonen. Het

merendeel hiervan komt uit De Eglantier.

Sociaal karakter

Het verschil in tevredenheid over de

woonomgeving kan volledig verklaard

worden door de lage waardering van de

sociale eigenschappen van de buurt. Dit

liet zich reeds raden toen bleek dat ouderen

in De Eglantier vrijwel ieder sociaal aspect

van hun buurt negatiever beoordelen dan

ouderen op de drie andere onderzoekslocaties.

Eén sociaal aspect blijkt zeer belangrijk

voor de tevredenheid met de woonomgeving,

namelijk de mate waarin ouderen

van mening zijn dat mensen in de buurt op

een prettige manier met elkaar omgaan.

Ook het gevoel van veiligheid, of het gebrek

daaraan, speelt een rol in de totstandkoming

van woontevredenheid.

De invloed van voorzieningen in de

woonomgeving lijkt dus veel beperkter

dan aanvankelijk werd aangenomen. Dat


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Waar plannen we ouderenwoningen?

P. 197

betekent echter niet dat de aanwezigheid

van voorzieningen geen rol speelt in de

tevredenheid met de buurt. Zo blijkt er een

relatie te bestaan tussen de woontevredenheid

en de afstand tussen de woning en

winkels voor dagelijkse boodschappen.

Tevens neemt de tevredenheid over de

afstand tot dagelijkse winkels af naarmate

de leeftijd hoger is.

De tevredenheid met de woning – alle geënquêteerde

ouderen wonen in een sociale

huurwoning – is in dit onderzoek groot

gebleken. Zowel ouderen in de leeftijd

van 55 tot 75 jaar als 75 plussers geven

aan tevreden te zijn met hun woning. Zij

beoordelen hun woning respectievelijk met

een 7,5 en een 7,8 op een schaal van 1 tot 10.

8,5 procent van de respondenten geeft aan

verhuisplannen te hebben. Tweederde van

deze ouderen noemt de woning als verhuisreden

en een derde de woonomgeving.

Weinig specifieke wensen

Uit dit onderzoek is gebleken dat het

voorzieningenaanbod in de woonomgeving

een ondergeschikte rol speelt in de

totstandkoming van de woontevredenheid

van ouderen. Eerder in dit artikel kwam

reeds naar voren dat de groep ouderen zeer

divers is. Maar zelfs voor 75 plussers geldt

dat de functionele eigenschappen van de

woonomgeving geen doorslaggevende rol

spelen in de woontevredenheid. Ook wanneer

onderscheid wordt gemaakt tussen

ouderen met uiteenlopende leeftijden

blijkt het verschil in tevredenheid over het

voorzieningenaanbod klein. 75 plussers

blijken minder tevreden over de afstand

tot winkels voor dagelijkse boodschappen

en de huisarts. Dit wordt hoofdzakelijk

verklaard door een lagere tevredenheid

onder de 75 plussers ten opzichte van

jongere ouderen in de woonwijk Sluisoord,

waar geen winkels en huisarts zijn. Zodra

de afstand tot dergelijke voorzieningen

toeneemt, daalt de tevredenheid van 75

plussers over die afstand. Toch is er onder

deze groep geen sprake van grote ontevre-

denheid. Daarmee kan de conclusie worden

getrokken dat veel ouderenwoningen

in stedelijke gebieden niet in de directe

nabijheid van (winkel)voorzieningen

gerealiseerd hoeven te worden.

De grootste wens van ouderen is om, net

als de gemiddelde Nederlander, te wonen in

een gezellige buurt met een prettig sociaal

karakter. Wat dit betekent voor de planning

van ouderenwoningen? Dat de locatie,

voor het overgrote deel van de ouderen

niet zo belangrijk is, mits het een prettig en

leefbare woonbuurt betreft. Het aantal te

bouwen ouderenwoningen en een specificering

van de doelgroep naar bijvoorbeeld

leeftijd, gezondheidstoestand, inkomen,

huishoudensamenstelling en woonduur is

op dit moment het belangrijkste vraagstuk.

Gijs Foeken (gf@stedplan.nl) studeerde Sociale Geografie

(Stadsgeografie) aan de Universiteit Utrecht en is werkzaam

als adviseur bij Bureau Stedelijke Planning in Gouda.

Literatuur

Amérigo, m. & J. I. Aragones (1997) ‘A theoretical and

methodological approach to the study of Residential

Satisfaction’, Journal of environmental Psychology, vol. 17, nr.

1. p. 47–57, CBS Statline, www.statline.cbs.nl

evers, d., A. van Hoorn & F.G. van Oort (red.) (2005) Winkelen

in megaland, NAi Uitgevers, Rotterdam

vROm (1997) Huisvesting van ouderen op het breukvlak van

twee eeuwen, den Haag

vROm (2000) Nota mensen Wensen Wonen. Wonen in de 21e

eeuw, den Haag

vROm (2003) Investeren voor de Toekomst. de Kwantitatieve

opgave voor wonen, zorg en welzijn, den Haag

vROm (2004) met zorg gekozen?, den Haag

vromraad (2005) Oude bomen? Oude bomen moet je niet

verplanten, den Haag

vROm (2005) Primos Prognose 2005. de toekomstige

ontwikkeling van bevolking, huishoudens en woningbehoefte,

den Haag


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 zonder overheid minder metropolitaan groen?

P. 198

Boerderij in midden-delfland die een opknapbeurt kan gebruiken (bron: evelien van Rij)

Daniëlle Groetelaers en Evelien van Rij

Zonder overheid

minder

metropolitaan

groen?


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 zonder overheid minder metropolitaan groen?

P. 199

Het huidige beleid is niet voldoende toegespitst

op het behoud van groen in metropolitane

gebieden. De overheid bezuinigt, decentraliseert

en kiest minder vaak voor fysieke maatregelen

zoals grondaankopen of herverkaveling. Dit heeft

met name effect op beschermingsstrategieën

voor agrarische, natuur- en recreatiegebieden

aan de rand van de stad. Decentralisatie

geeft ruimte aan bouwlustige gemeenten, de

Rood voor Groen regeling biedt ruimte voor

rode ontwikkelingen en boeren zijn minder in

staat hun functie als landschapsbeheerders

in te vullen. Laat het landbouwbeleid de

metropolitane, groene gebieden in de steek?

Metropolitaan groen staat voor agrarische,

natuur- en recreatiegebieden aan de

rand van de stad. De stedeling gebruikt

al deze gebieden om te recreëren. In

Midden-Delfland bijvoorbeeld waardeerden

recreanten het kleinschalige,

agrarische gebied even goed of soms

zelfs beter dan de officiële recreatiegebieden

(Enting & Ziegelaar, 2001). Deze

traditioneel Hollandse landschappen zijn

mooie, kleinschalige, cultuurhistorische

landschappen met bijvoorbeeld koeien

in de wei, monumentale boerderijen en

kerkjes aan de horizon. In de éénentwintigste

eeuw vervullen zij nog steeds een

belangrijke functie. Ze vormen een mooi

uitzicht, mensen wandelen en fietsen er

graag en vinden het belangrijk om deze

gebieden te behouden.

Tot nu toe beschermde en ontwikkelde

de overheid metropolitaan groen door

het nemen van fysieke maatregelen

en maatregelen gericht op de bestemming

of eigendomssituatie van grond.

Bijvoorbeeld door in bestemmingsplannen

vast te leggen wat er op een bepaald

stuk grond mag gebeuren. De kans

bestond echter dat een gemeentebestuur

deze plannen aanpaste, waardoor de landelijke

overheid dikwijls extra maatregelen

heeft genomen. Fysieke maatregelen,

zoals de aanleg van bos, moesten deze

gebieden maatschappelijk aantrekkelijk

maken. De gedachte hierachter was dat als

de bestuurlijke aandacht af zou nemen,

de burgers het beschermen van deze aantrekkelijke

gebieden weer op de agenda

zouden zetten. Plannen van hogere

overheden, zoals bepalingen in de Nota

Ruimte (VROM, 2005), zorgde ervoor dat

gemeenten hun bestemmingsplannen niet

mochten veranderen om meer bouwmogelijkheden

te creëren. Daarnaast kocht

de overheid weilanden aan de rand van de

stad om hier natuur- of recreatiegebied

te realiseren en te voorkomen dat de

grond in handen kwam van bouwlustige

partijen. Boeren die de minder bedreigde

gebieden konden blijven beheren werden

ondersteund door landinrichtingsprojecten

en subsidies.

Tegenwoordig streeft de overheid naar

een minder dominante rol in dit beleidsveld.

In een streven naar een afgeslankte

overheid vindt decentralisatie, deregulering

en bezuiniging plaats. Hierdoor

verandert het overheidsbeleid voor het


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 zonder overheid minder metropolitaan groen?

P. 200

Opslag van rotzooi; verromeling in midden-delfland (bron: evelien van Rij)

ontwikkelen en beschermen van metropolitane,

groene gebieden. In dit artikel

staat de vraag centraal welke gevolgen

dit afslanken van de overheid heeft op

traditionele, Hollandse metropolitane

landschappen en wat nodig is om deze

gebieden te behouden. Verschillende

instrumentele problemen doen zich voor,

zoals het agrarische beheer en de druk

om te bebouwen. Ook de decentralisatie

en bezuiniging op het landbouwbeleid

hebben het ontwikkelen en beschermen

van metropolitaan groen beïnvloed.

Daarnaast hebben Rood voor Groen regelingen,

oftewel het betalen van groen uit

de opbrengsten van nieuwbouw, belangrijke

gevolgen voor deze groengebieden.

Casestudyonderzoek in Midden-Delfland,

het nationaal landschap Laag Holland

en de Rood voor Groen-ontwikkeling in

de Bloemendalerpolder vormen voor dit

artikel de basis (Van Rij, 2008).

Agrarisch beheer

Het beheer van metropolitane groengebieden

door boeren is een aantrekkelijk

instrument voor een overheid die graag

wil dat er groene gebieden zijn om van te

genieten. In tegenstelling tot natuur- en

recreatiegebieden, leveren agrarische

gebieden inkomsten op waardoor boeren

minder overheidsgeld nodig hebben.

Door de vaak hoge grondprijs in metropolitane

gebieden is het kopen van deze


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 zonder overheid minder metropolitaan groen?

P. 201

grond voor boeren echter niet makkelijk.

Een belangrijk probleem is het verschil in

de prijs van de grond op de markt en de

prijs die een boer, op basis van zijn productie,

voor de grond kan betalen. Grond

waarop gebouwd mag worden is duurder

dan grond waarop dit niet mag. Door de

nabijheid van de stad is in metropolitane

gebieden de grondprijs vaak hoog, omdat

men verwacht dat op termijn bebouwing

zal worden toegestaan. Het bedrag wat de

boer kan betalen is echter laag omdat in

metropolitane gebieden,door hoge grondwaterstanden,

congestie op de wegen

en de smalle percelen, minder geproduceerd

kan worden dan in grootschalige

landbouwgebieden.

Als grond te duur wordt voor de boeren

dreigt verrommeling, splitsing van kavels

en toename van de druk op de overheid

om bebouwing toe te staan. In interviews

gaven gesprekspartners aan dat grondeigenaren

soms bewust hun terrein laten verrommelen

om vervolgens aan de gemeente

voor te stellen de ruimtelijke kwaliteit te

verbeteren door de bouw van bijvoorbeeld

huizen. Doordat Nederlandse gemeenten

de neiging hebben om nieuwbouw te

verwelkomen (Korthals Altes, 1995),

zou decentralisatie kunnen leiden tot

het bebouwen van metropolitane groen.

Agrarische gebieden die voor boeren

te duur worden, worden ook nooit een

natuurgebied doordat de overheid minder

geld beschikbaar heeft om groene gebieden

aan de rand van de stad aan te kopen, te

ontwikkelen als natuur- of recreatiegebied

en te onderhouden.

Landbouwbeleid

Landbouwbeleid en niet in de laatste

plaats landinrichting ondersteunde

lange tijd dit agrarische beheer en was

op die manier een belangrijk instrument

om groene gebieden te beschermen.

Het Bureau Beheer Landbouwgronden

en de Dienst Landelijk Gebied voerden

landinrichtingsprojecten uit. Ze

regelden het ruilen van grond, richtten

groene gebieden in en kochten gronden

aan om ter beschikking te stellen aan

bijvoorbeeld recreatieschappen en

Staatsbosbeheer of om ze te verpachten

aan boeren. Deregulering, decentralisatie

en bezuinigingen zorgen ervoor dat de

invloed van sectordepartementen, zoals

het ministerie van Landbouw, Natuur en

Voedselkwaliteit, op het landschap sterk

afneemt. Op die manier kan het ministerie

van Volkshuisvesting en Ruimtelijke

Ordening en Milieubeheer via deze

sectordepartementen ook minder invloed

uitoefenen op de ruimte.

Met de komst van de nieuwe Wet

inrichting landelijk gebied (Wilg) zijn

veel taken en budgetten, met name

voor landinrichting, van de rijksoverheid

overgedragen aan de provincies.

Provinciale beleidsmedewerkers maken

zich zorgen dat het rijk in de toekomst

zal bezuinigingen op de budgetten die zij

aan de provincie beschikbaar stelt, omdat

met de decentralisatie ook de aandacht

voor deze projecten op rijksniveau zou

kunnen afnemen. Ondertussen worden

nauwelijks nieuwe herverkavelingprojecten

opgestart (Korthals Altes & Van

Rij, 2005) en kiest de overheid er steeds

minder voor om grondaankopen als

beleidsinstrument te gebruiken. Ook

valt bijvoorbeeld op dat, los van enkele

hectaren die aangekocht zijn voor een

kleine experimentele grondbank, in het

Nationale Landschap Laag Holland geen


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 zonder overheid minder metropolitaan groen?

P. 202

grote fysieke ingrepen of maatregelen met

grondeigendom genomen worden.

Naast deregulering, decentralisatie en

bezuinigingen binnen de Nederlandse

overheid, heeft het Europees beleid

veel gevolgen voor de landbouw.

Landbouwsubsidies verdwijnen en

Europese regelgeving op het gebied van

staatsteun zorgt ervoor dat het moeilijk

is om boeren financieel te ondersteunen.

Zo duurde het in Midden-Delfland lang

voordat een groenfonds van start kon

gaan om boeren te betalen voor ‘groene

en blauwe’ diensten en activiteiten om het

landschap te beheren en mochten alleen

bepaalde subsidies uitgekeerd worden.

Duidelijk is dat het landbouwbeleid de

boeren in metropolitane, groene gebieden

onvoldoende ondersteunt en onvoldoende

bijdraagt aan het behoud en beheer van

metropolitane groengebieden door boeren.

Nieuwe bestemmingsplannen

Voor het open houden van groengebieden

is voorts het bestemmingsplan het

aangewezen instrument. Het verbieden

van bebouwing in bestemmingplannen is

echter niet voldoende om landschappen

blijvend te beschermen. Decentralisatie

binnen de ruimtelijke ordening kan

belangrijke gevolgen hebben voor groene

gebieden. Een voorbeeld hiervan is de discussie

rond Waterlands Wonen. Lange tijd

is nieuwbouw in Waterland, een groengebied

ten noorden van Amsterdam, niet

mogelijk geweest. Voor het maken van

een nieuw streekplan besloot de provincie

een bottom-up aanpak te volgen en vroeg

gemeenten naar hun ruimtelijke wensen.

Deze decentralisatie had belangrijke

gevolgen voor het ruimtelijk beleid.

Op verzoek van de gemeenten creëerde

de provincie mogelijkheden voor het

bouwen van huizen in Waterland. Hoewel

nog niet precies duidelijk is hoeveel

woningen uiteindelijk gebouwd gaan

worden, laat dit voorbeeld zien hoe decentralisatie

ertoe kan leiden dat nieuwe

bouwmogelijkheden gecreëerd worden,

grondprijzen stijgen en aantrekkelijke

groengebieden verdwijnen.

De nieuwe Wet ruimtelijke ordening

(Wro) is gemaakt met de wens om te

decentraliseren en dereguleren. Daarom

schaft de nieuwe Wro de provinciale toets

van nieuwe gemeentelijke bestemmingsplannen

af. In plaats daarvan kunnen

provincies in een ruimtelijke verordening

vastleggen waar niet gebouwd mag

worden. Bestemmingsplannen moeten

hieraan aangepast worden en zolang deze

niet aangepast worden geldt de provinciale

verordening. Het is nog onduidelijk of

provincies dit instrument ook gaan inzetten

om gebieden te beschermen tegen

bebouwing. Van Buuren (2002) vreest in

ieder geval dat deze aanpassing van de

wet ongunstig is voor zachte belangen als

natuur en landschap.

Rood voor Groen

Onderdeel van het huidige ruimtelijke

beleid is de Rood voor Groen regeling.

Rood voor Groen is een benadering

waarbij nieuwbouw en groenontwikkeling

gecombineerd worden en opbrengsten

uit de nieuwbouw worden geïnvesteerd

in het groen. Deze benadering past bij

een bezuinigende overheid, aangezien op

deze manier niet de overheid betaalt voor

groene gebieden, maar de kosten worden

gedekt door winstgevende onderdelen

in het ruimtelijke plan. In het geval van

metropolitaan groen zijn er verschillende


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 zonder overheid minder metropolitaan groen?

P. 203

“Houdt Waterland groen”; protestspandoek in Waterland (bron: evelien van Rij)

redenen om niet voor een dergelijke

benadering te kiezen. Rood voor Groen

betekent een verlies aan groen. Als al

weinig groen bereikbaar is vanuit de stad

kan dit een reden zijn om in deze gebieden

niet voor Rood voor Groen te kiezen. In

Midden-Delfland bestaat bijvoorbeeld veel

weerstand om in een regio waar weinig

open gebied is bebouwing toe te voegen.

Bovendien is het vaak lastig om met de

eenmalige opbrengsten uit Rood voor

Groen lopende kosten voor het behoud en

beheer van het landschap te betalen.

Hoewel de term Rood voor Groen sinds

het einde van de vorige eeuw veel gebruikt

is, is men slechts in een beperkt aantal

gevallen in staat geweest om met behulp

van een Rood voor Groen constructie een

natuur- of recreatiegebied (gedeeltelijk)

te financieren (De Zeeuw, 2007). In die

gevallen was vaak sprake van bijzondere

omstandigheden. De grond was bijvoorbeeld

in handen van de overheid, er gold

streng restrictief beleid, er was een groot

waardeverschil tussen de grond voor en

na de nieuwe bouwbestemming, ervaren

partijen met gezag vertegenwoordigden

de overheid en er was een uitgebreid

en zorgvuldig onderhandelingsproces

gevolgd (Van Rij, 2008).

Een nadeel van het hanteren van een

Rood voor Groen strategie is dat dit een


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 zonder overheid minder metropolitaan groen?

P. 204

argument kan zijn om extra bebouwing

toe te laten. Als men dit niet goed regelt,

loopt men het risico dat er meer dan

wenselijk gebouwd wordt of dat onvoldoende

bijdrage in het kader van Rood

voor Groen plaatsvindt, zoals in het geval

van het Waterlands Wonen. Daarnaast

kunnen de grondprijzen stijgen door

berichten dat Rood voor Groen mogelijk

is. Hierdoor kan het overnemen van

land door boeren in gevaar komen. Rood

voor Groen kan onaantrekkelijke groene

landschappen aantrekkelijker maken,

maar aantrekkelijke, kleinschalige

landschappen ook juist aantasten door

het toevoegen van bebouwing. Deze

constructies zijn dan ook meer geschikt

voor minder aantrekkelijke landschappen

met een geringe recreatieve functie, dan

voor aantrekkelijke, Hollandse, metropolitane

landschappen die al een belangrijke

recreatieve functie hebben.

Slow Planning

Decentralisering, deregulering en bezuinigingen

bedreigen de ontwikkeling en

het beheer van metropolitaan groen. Zij

hebben effect op de fysieke maatregelen,

het ruimtelijke beleid en de maatregelen

om grondeigendom te beïnvloeden. Om

het behoud van metropolitane groengebieden

te waarborgen is een benadering

van Slow Planning gewenst. Dit is een

planningsbenadering gericht op het

verlagen van de door de stad beïnvloedde

landschappelijke dynamiek, door langlopende

projecten en maatregelen gericht

op een duurzame ruimtelijke kwaliteit,

ruimtelijk beleid en de eigendomssituatie.

Hierbij kan men denken aan het

aankopen van grond door de overheid

om deze voor een lage prijs te verpachten

aan boeren, zeer restrictieve bestem-

mingsplannen, provinciale verordeningen

en algemene maatregelen van bestuur

om grondprijzen laag te houden (zie voor

voorbeelden Van Rij & Zevenbergen,

2008). Ook landinrichting waarbij

voor lange tijd de visie voor het gebied

constant is, waarbij fysieke maatregelen

genomen kunnen worden en waarbij

boeren ondersteund kunnen worden door

herschikking van hun eigendom is een

geschikt instrument voor behoud van

metropolitaan groen.

De belangrijke functie van boeren als

beheerders van het agrarische cultuurlandschap

moet worden erkend en de

problemen die juist deze boeren ervaren.

Beleid voor traditionele landschappen

in de Randstad zou zich met name

op hen moeten richten. Behoud van

metropolitaan groen vraagt om ander

beleid dan behoud van groen in gebieden

die niet aan de rand van de stad liggen,

die niet zulke hoge cultuurhistorische

waarden hebben en niet zo’n belangrijke

recreatieve waarde vervullen. Kortom,

in tijden van een decentraliserende,

privatiserende en deregulerende overheid

is behoefte aan specifiek beleid

voor deze gebieden. Terwijl voor andere

agrarische gebieden subsidies verminderd

worden en landinrichtingsprojecten niet

meer worden opgestart, zijn dergelijke

maatregelen hard nodig om kleinschalige

metropolitane, agrarische landschappen

met belangrijke recreatieve waarden

te beschermen.

evelien van Rij (h.e.vanrij@tudelft.nl) is universitair docent

bij de Faculteit Techniek, Bestuur en management van

de Technische Universiteit delft. daniëlle Groetelaers

(d.a.groetelaers@tudelft.nl) is senior onderzoeker bij het

onderzoeksinstituut OTB van de Technische Universiteit delft.


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 zonder overheid minder metropolitaan groen?

delftland met delft op de achtergrond (bron: evelien van Rij)

Literatuur

Buuren, P.J.J. van (2002) ‘de fundamentele herziening van de

Wet op de ruimtelijke ordening’, Tijdschrift voor Bouwrecht,

nr. 2, p. 109-114

enting, R. & A. ziegelaar (2001) Recreatieonderzoek middendelfland,

eindrapport, Research voor Beleid, leiden

Korthals Altes, W.K. (1995) de Nederlandse planningdoctrine

in het fin de siècle, voorbereiding en doorwerking van de vierde

nota over de ruimtelijke ordening (extra), van Gorcum, Assen

Korthals Altes, W.K. & H.e. van Rij (2005) Grondmobiliteit,

InnovatieNetwerk Groene Ruimte en Agrocluster, Utrecht

ministerie van volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en

milieubeheer (2005) Nota Ruimte, ruimte voor ontwikkeling,

den Haag

P. 205

Rij, H.e. van (2008) Improving institutions for green

landscapes in metropolitan areas, dissertatie TU delft, IOS

Press, delft

Rij, H.e. van & J.A. zevenbergen (2008) ‘Het behoud van

pittoresk agrarisch gebied onder stedelijke druk’, Agrarisch

recht, jg. 68, nr. 10, p. 424 - 430

zeeuw, F. de (2007) de engel uit het marmer, reflecties op

gebiedsontwikkeling, TU delft, delft


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Keten: kratjesstapelen en hokjesdenken?

P. 206

Koen Salemink, Tialda Haartsen en Dirk Strijker

Keten:

kratjesstapelen en

hokjesdenken?

Foto: Koen Salemink


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Keten: kratjesstapelen en hokjesdenken?

P. 207

Uit onderzoek in Twente, vaak genoemd als de bakermat van het fenomeen,

blijkt dat keten vooral ook plekken zijn waarmee groepen vrienden zich

identificeren. Ze functioneren als (uitvals)basis voor andere activiteiten

en vormen een plek waar jongeren elkaar in een relatief veilige, eigen

omgeving kunnen ontmoeten – buiten het directe toezicht van opvoeders.

Vrijwel overal op het Nederlandse platteland

zijn keten te vinden. Overheden en organisaties

als Stichting Alcoholpreventie (STAP)

leggen veelal een directe link met overmatig

alcoholgebruik (Ministerie van VWS, 2007;

Mulder, 2005). Meer in het algemeen zijn de

maatschappelijke zorgen over het fenomeen

keet grotendeels gericht op het alcoholgebruik

door de betrokken jongeren en het

gebrek aan toezicht hierop. Niet alleen in

Nederland, ook internationaal is er aandacht

voor ‘drinking places’ (zie bijvoorbeeld

Valentine e.a., 2008). Verschillende overheden

werken inmiddels aan maatregelen om

jongerenketen te verbieden. Het is echter de

vraag of dat wel zoveel oplost. Gaat het bij

keten inderdaad in de eerste plaats om het

gebruik van alcohol of speelt er meer? In dit

artikel worden de achterliggende motieven

van de keetbezoekers ontrafeld. De focus ligt

op keten in drie gemeenten in Noordoost

Twente: Dinkelland, Losser en Tubbergen.

Om inzicht te krijgen in de verspreiding

van keten in de drie gemeenten is eerst een

inventarisatie van het aantal keten gemaakt

door middel van visuele inspectie en

snowballing. Voor de gemeente Tubbergen is

tevens gebruik gemaakt van een gemeentelijk

bestand. Dit resulteerde in een databestand

van totaal 110 keten die zijn benaderd

met een enquête. Naast algemene vragen

ging de enquête vooral in op beeldvorming

en identiteit van de keetbezoekers. Het

bleek niet makkelijk om de bezoekers tot

medewerking te bewegen, onder meer

vanwege angst voor de overheid. Zo

hebben veel keten een geheime radiozender.

Uiteindelijk hebben de vaste bezoekers

van 12 keten aan de enquête deelgenomen;

in totaal ging het daarbij om 98 personen.

Een derde manier van het verzamelen van

informatie was het houden van diepteinterviews

(met bezoekers van zeven

keten). Ook in discotheken in Lattrop,

Reutum, Saasveld en in het uitgaansgebied

in Oldenzaal is gesproken met jongeren die

regelmatige keetbezoeker zijn.

Keten in besloten landschap

Een keet kan verschillende vormen hebben

variërend van een oude caravan of een

schaftkeet, tot een bouwsel of een deel van

een boerenschuur. Soms gaat het om een

legaal, soms om een niet-legaal onderkomen.

Veelal staat de keet op private

grond, met toestemming van de eigenaar

(vaak de ouders van een deelnemer). Veel

keten zijn te vinden in het Noordoosten

van Nederland, in het bijzonder in de

plattelandsgebieden van Friesland,

Drenthe, Overijssel (vooral Twente) en

delen van Gelderland. Daarbinnen zijn er

grote verschillen in dichtheid. Zo bleken

in Groningen nauwelijks keten voor te

komen, terwijl het in delen van Friesland

in 2006 om 7,4 keten per 1000 jongeren

(10 tot 25 jaar) ging (Haartsen & Strijker,


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Keten: kratjesstapelen en hokjesdenken?

P. 208

Tabel 1. Keten in de gemeenten dinkelland, losser en Tubbergen (maart-april 2007)

2007). In de gemeenten Tubbergen en

Dinkelland is de dichtheid met 9,5 en 11,6

nog hoger (zie tabel 1).

De ongelijke ruimtelijke spreiding in

Nederland heeft meerdere (mogelijke)

redenen. Zo zijn in sommige plattelandsgebieden

de afstanden naar dancings, cafés

en andere gereguleerde ontmoetingsruimten

relatief groot. Een heel ander aspect is

dat keten vooral blijken voor te komen in

kleinschalige en semi-open landschappen

(zie het eerder genoemde onderzoek van

Haartsen en Strijker). Dit heeft wellicht te

maken met de betere mogelijkheden een

keet te ‘verstoppen’ in een kleinschalig,

semi-open landschap. Er bestaat nauwelijks

een verband met culturele aspecten

van de omgeving. Ten slotte lijkt de

aanwezigheid van jongerencentra te leiden

tot geringere aantallen keten.

Ontmoetingsplaats

In de enquête is gevraagd naar de belangrijkste

redenen voor het oprichten van de

keet. Voor elf van de twaalf keten werd als

belangrijke reden genoemd dat de jongeren

daar met vrienden bij elkaar kunnen

komen. In vijf gevallen werd de mogelijkheid

om goedkoop te drinken en uit te

gaan genoemd. Andere redenen, zoals een

plek voor een geheime radiozender of een

plek om feesten te organiseren, werden

veel minder vaak genoemd. Op een vraag

aantal keten aantal keten per 1000 jongeren (10-25 jaar)

gemeente dinkelland 54 11,6

gemeente losser 20 5,0

gemeente Tubbergen 38 9,5

(bron: eigen inventarisatie en databestand gemeente Tubbergen. Bevolkingsgegevens op basis van CBS, 2006)

naar typerende activiteiten en kenmerken

voor keten bleek gezamenlijk drinken

hoog te scoren (tien keer). Daarnaast

werden echter ook andere activiteiten vaak

genoemd: gezamenlijk uitgaan (tien),

een gezamenlijke website maken (negen),

naar bepaalde muziek luisteren (negen)

en gezamenlijk feesten en activiteiten

organiseren (acht). In dat laatste geval ging

het onder meer om het gezamenlijk op

vakantie gaan en om oud-en-nieuw vieren.

Cruciaal is dat de keet gebruikt wordt door

een vriendengroep, om samen te komen en

gezamenlijk activiteiten te ondernemen.

De keet als ontmoetingsplaats sluit goed

aan bij de behoefte van jongeren aan

een eigen plek. Een groot deel van hun

ruimtelijke omgeving wordt gedomineerd

door ouders en andere opvoeders, die sommige

activiteiten niet toestaan (Holloway

& Hubbard, 2001). Juist jongeren hebben

in hun ontwikkelingsproces behoefte

aan experimenteerruimte en aan plekken

om vrij te vertoeven met leeftijdgenoten

(Kraack & Kenway, 2002). In stedelijke

omgevingen zijn daar vaak geïnstitutionaliseerde

mogelijkheden voor en anders

wordt uitgeweken naar de straat en andere

publieke ruimten. Op het platteland kan

de keet de behoefte aan een eigen plek

vervullen. Daarbij is het interessant dat

de oorsprong van de keet vaak ligt bij

het bestaan van een vriendengroep: de


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Keten: kratjesstapelen en hokjesdenken?

P. 209

groep zet een keet op, de groep ontstaat

niet vanwege de keet. Een keetbezoeker

uit Oldenzaal die een keet in Hezingen,

gemeente Dinkelland bezoekt: “Je bent

gewoon vaak al vanaf vroeger een vriendengroep,

en dan maakt opleiding niet uit.

Vriendschap, dat is veel belangrijker”. Wat

betreft het opleidingsniveau bleek ongeveer

de helft van de jongeren in de keten

in het onderzoeksgebied een vmbo/mbo

achtergrond te hebben. Het gemiddelde

opleidingsniveau van de keetbezoekers in

de drie Twentse gemeenten wijkt nauwelijks

af van dat van alle jongeren in de drie

gemeenten (CBS, 2005/2006).

Een opvallend aspect is dat keten weliswaar

met argusogen bekeken worden

door overheden en instanties, maar dat de

directe omgeving – ouders, buurtgenoten –

er positiever over denkt. In de onderzochte

gemeenten bleek dat volgens de respondenten

de ouders altijd van het bestaan

van de keet op de hoogte waren en soms

zelf vroeger een keet hadden. De lokale

tolerantie heeft ook te maken met het feit

dat de keet soms voorkomt dat jongeren

met eigen vervoer lange afstanden afleggen

naar uitgaanscentra, met alle gevaren

van dien. Daarnaast speelt een rol dat er

weliswaar geen opvoeders aanwezig zijn,

maar dat die vanwege de nabijheid toch wel

enig toezicht kunnen houden.

Daarmee is de keet toch vooral een sociaal

fenomeen: het (in)drinkmotief speelt

ook een rol, maar niet zo nadrukkelijk als

de wil om een eigen plek te hebben met

vrienden. Toch ligt de bierconsumptie van

de bezoekers hoog. Zo zeggen negen van

de tien keetbezoekers waarmee gesproken

is tijdens hun uitgaansavond dat ze in

de keet al minstens zeven glazen alcohol

hebben gedronken. Daarnaast beweerden

ze dat op een avond waarop ze alleen de

keet bezochten er veel meer glazen alcohol

gedronken worden. Een hoge alcoholconsumptie

komt echter ook bij jongeren

buiten keten voor. Over de drinkgewoonten

van jongeren in dit gebied zijn weinig

harde gegevens beschikbaar. Uit CBSgegevens

is wel bekend dat de GGD-regio

Twente tot de top van Nederland behoort

waar het om het percentage zware drinkers

in de totale bevolking gaat. Volgens

de provincie Overijssel (2007) drinkt

ongeveer driekwart van de jongeren in

Twente wel eens alcohol. De provincie stelt

dat keten bijdragen aan een toename van

het alcoholgebruik.

Uit het voorgaande blijkt dat het drinkmotief

weliswaar niet het overheersende

motief voor oprichting van de keet was,

maar dat het toch wel duidelijk bij de keetcultuur

hoort. Daarnaast valt het adjectief

gezamenlijk op. Samen dingen doen hoort

volgens de keetleden bij het wezen van

een keet. Ten derde bleek na doorvragen,

dat het bij het thema muziek vooral om

piratenmuziek gaat.

Identiteit, inclusie en exclusie

Om nader zicht te krijgen op het beeld dat

de keetbezoekers van zichzelf en van anderen

hebben, zijn vragen gesteld over de mate

waarin anderen welkom zijn in de keet.

Jongensgroepen, meidengroepen, leden

van andere keten, jongeren uit het dorp,

vrienden van leden en vriendinnen van

leden zijn over het algemeen zeer welkom

of welkom. Ouders van leden zijn veelal

ook welkom, maar slechts op afspraak.

De reden hiervoor: “Het blijft natuurlijk

wel onze keet”, aldus een keetbezoeker uit

Denekamp, gemeente Dinkelland.


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Keten: kratjesstapelen en hokjesdenken?

P. 210

In zeven van de twaalf keten zijn gabbers

en Lonsdale-jongeren niet welkom.

Vaak wordt door de keetleden gezegd

dat zij liever niet geassocieerd worden

met “dergelijke mensen met zulke extreme

ideeën” (keetbezoeker uit Geesteren,

gemeente Tubbergen). Hiermee worden

de vermeend racistische opvattingen van

Lonsdale-jongeren bedoeld, zo blijkt uit

meerdere interviews. In alle twaalf keten

wordt negatief gedacht over allochtonen.

Ze blijken dan ook niet welkom: “Je kunt

mij niet wijsmaken dat een allochtoon

hier graag op bezoek wil komen, net zoals

wij niet bij hun hangplekken op bezoek

komen. Dat weten we gewoon van elkaar”,

aldus een keetbezoeker uit Beuningen,

gemeente Losser. Deze uitkomst ligt

overigens in lijn met recente bevindingen

van het SCP over de mening van plattelandsbewoners

over allochtonen. Toch

zijn er ook keten waar die ene bekende

allochtoon uit het eigen dorp natuurlijk

wél welkom is.

Kortom, de houding van de keetbezoeker

in Noordoost Twente tegenover anderen

is bepaald niet gastvrij of positief. In

sommige gevallen bleek bij interviews

die houding zelfs vijandig te zijn. Rose

(1995) gebruikt in dat kader het begrip

identify against. Identify against heeft

betrekking op negatieve identiteiten

die door mensen toegeschreven worden

aan andere personen of plekken, om

te differentiëren tussen ‘wij’ en ‘zij’, of

tussen ‘thuis’ en ‘vreemd’. Afzetten tegen

anderen (othering) draagt in die benadering

bij aan het eigen groepsgevoel.

Het gaat echter wel vaak over onbekende

en daarmee abstracte anderen, zoals het

voorbeeld van de bekende allochtoon uit

het dorp illustreert.

De meeste keten bleken niet zoveel op te

hebben met instanties als politie, brandweer

en medewerkers van de gemeente.

Dat is waarschijnlijk terug te leiden op een

– door de beschikbare ruimte en de afstanden

op het platteland ingegeven – zekere

mate van lawlessness (Woods, 2005); het

gezag (politie en andere overheidsorganen)

is relatief ver weg. Zoals een etherpiraat uit

Denekamp, gemeente Dinkelland zei: “Die

kerels van de overheid moeten niet denken

dat ze hier overal wat over te zeggen hebben.

Waarom mogen wij niet ons eigen stukje

muziek draaien op een vrij stukje FM-band?

Die lui zijn niet goed wijs, laat ze in Den

Haag en Groningen bij het AT [Agentschap

Telecom] eerst eens doorkrijgen wat er hier

in Twente leeft.” Het bleken niet alleen

etherpiraten die er zo over dachten.

Het is niet alleen een afkeer van instanties,

in het bijzonder Den Haag. Het betreft

ook een trots op de eigen regio die deze

houding bepaalt. In vrijwel alle keten

heerst de opvatting dat er nog steeds een

duidelijk verschil bestaat tussen de stad en

het platteland in Nederland. Veel bezoekers

gaven aan dat ze er trots op zijn in een plattelandsgebied

te wonen. In één geval begon

de hele keet het lied Ik bin trots da’k ’n

domme boer bin te zingen, toen er gevraagd

werd waarom ze zo trots waren op het

platteland. Andere genoemde redenen zijn

‘het is hier rustig’, ‘iedereen kent elkaar

hier nog’, ‘de sfeer hier is niet zo gehaast en

agressief’ en ‘de boeren zijn de motor van

het land; zonder hen geen voedsel’.

Kratjesstapelen?

De relatie tussen keten en drinken behoeft

dus nuancering. Keten blijken vooral ook

een sociale functie te hebben: het gaat

verder dan kratjesstapelen. Het is een


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 Keten: kratjesstapelen en hokjesdenken?

P. 211

eigen plek om als vriendengroep samen

te zijn en dingen te doen enigszins, maar

niet volledig, uit het zicht van opvoeders.

De oorsprong en de basis van de keet is

de groep vrienden. De eigenheid heeft als

consequentie dat er een zekere mate van

othering bestaat. Wat dat betreft hebben

de bezoekers last van hokjesdenken. De

keetbezoekers zetten zich af tegen anderen,

tegen gabbers, Lonsdalers, allochtonen,

stedelingen, de Randstad, de overheid, en

ze doen dat vooral om de eigen identiteit

te versterken. Het hokjesdenken lijkt deels

echter een variant te zijn op: “Wat de boer

niet kent, dat vreet hij niet.”

Dat neemt niet weg dat er in de keten veel

gedronken wordt wat de gemakkelijk

beschikbare alcohol bevordert. De keten

zijn daar echter niet uniek in; jongeren,

zeker op het platteland, drinken in het

algemeen veel. Dat de keten soms overlast

voor hun omgeving veroorzaken en dat

er onveilige situaties voorkomen (brandgevaar),

kan heel goed aangepakt worden

met regulerend beleid door de lokale

overheid. Diverse gemeenten in Nederland

werken in dat kader met gedoogcontracten

(bijvoorbeeld Ede en De Wolden). Met

Fotos: Koen Salemink

dergelijk beleid kunnen ook uitwassen van

het alcoholgebruik bestreden worden. Het

drankmisbruik door jongeren kan beter

aangepakt worden met een breed alcoholbeleid;

met enkel het bestrijden van keten

zal op dat vlak weinig bereikt worden.

de auteurs zijn verbonden aan de Basiseenheid Culturele

Geografie van Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen van de

Rijksuniversiteit Groningen. Tialda Haartsen

(t.haartsen@rug.nl) en dirk Strijker (d.strijker@rug.nl) als

stafleden en Koen Salemink (k.salemink@student.rug.nl)

als masterstudent Culturele Geografie.

Literatuur

CBS (2005/2006) leerlingen voortgezet, beroeps- en hoger

onderwijs per woongemeente 2005/2006, CBS Statline

Haartsen, T. & d. Strijker (2007) Rural youth culture: sheds in

The Netherlands. Paper eUGeO congres, Amsterdam

Holloway, l. & P. Hubbard (2001) People and place. The

extraordinary geographies of everyday life, Pearson education

limited, Harlow

Kraack, A. & J. Kenway (2002) ‘Place, time and stigmatized

youthful identities: bad boys in paradise’, Journal of Rural

Studies, jg. 18, p. 145-155

ministerie van vWS, Hoofdlijnenbrief alcoholbeleid, den Haag

mulder, J. (2005) Indrinken op eigen erf. veldonderzoek,

Stichting Alcoholpreventie (STAP), Utrecht

Provincie Overijssel (2007) de staat van Overijssel 2007,

Provincie Overijssel, zwolle

Rose, G. (1995) ’Place and identity: a sense of place’, d. massey

& P. Jess (eds.), A place in the World? Places, cultures and

globalization, Oxford University Press, New york, p. 87-132

valentine, G., S. Holloway, C. Knell & m. Jayne (2008) ‘drinking

places: young people and cultures of alcohol consumption on

rural environments’, Journal of Rural Studies 24,

p. 28-40

Woods, m. (2005) Rural Geography, Sage, london


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 de snelwegomgeving van alle kanten

P. 212

Auke Vlonk en Leon Crommentuijn

De snelwegomgeving

van alle

kanten

Gevarieerde snelwegomgeving (bron: de Jong luchtfotografie)


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 de snelwegomgeving van alle kanten

P. 213

Het Nederlandse open landschap staat onder druk. Langs snelwegen en

stadsranden vult bebouwing de eens wijde horizon. De kwaliteit van de omgeving

is in beleid een steeds belangrijker onderwerp, getuige het aanwijzen van negen

snelwegpanorama’s. Het Rijk en provincies willen hiermee de kwaliteit van

de omgeving waarborgen en de waardering van de burger voor het landschap

vergroten. Vraag is of ‘de burger’ op de snelweg met dezelfde bril naar dit

landschap kijkt.

Nederlanders ergeren zich aan files en

verrommeling van de snelwegomgeving.

De snelweg en de drukte op snelwegen

staan al jaren in de belangstelling van

publiek en beleid. Recentelijk is er ook

meer belangstelling voor de snelwegomgeving.

Aangezien het landschap in

belangrijke mate vanuit de auto en veelal

vanaf de snelweg wordt beleefd (VROM,

2008), moeten nieuwe ontwikkelingen

in de snelwegomgeving goed ingepast

worden om verrommeling tegen te gaan

en waardevolle landschappen te behouden.

Hoe wordt de snelwegomgeving

eigenlijk beleefd door verschillende

groepen mensen? Beleid en onderzoek

richten zich vaak op het perspectief van

de automobilist (zie bijvoorbeeld VROM,

2008) of op de gevolgen van een snelweg

op de beleving van natuur en landschap

(zie bijvoorbeeld Van den Berg, 2004). Het

perspectief van bewoners, recreanten en

werkenden wordt in het huidige beleid en

onderzoek vaak achterwege gelaten.

In dit artikel wordt ingegaan op de beleidsontwikkelingen

op en rond de snelweg.

Deze ontwikkelingen worden gekoppeld

aan enkele uitkomsten van het afstudeeronderzoek

van Vlonk (2008). In dit

onderzoek zijn in vijf gebieden direct langs

de snelwegrand bewoners, recreanten,

werkenden en automobilisten gevraagd

wat zij zien op en vanaf de A12 en hoe ze

dat waarderen. De ondervraagden kunnen

meerdere rollen hebben; een bewoner kan

bijvoorbeeld zowel recreant, automobilist

als werkende zijn. Daarom zijn de respondenten

gevraagd naar de beleving vanuit

het perspectief van de rol waarvoor ze

benaderd zijn. Daarna zal specifiek worden

ingezoomd op de beleving van bedrijventerreinen.

Langs de A12 zijn 20 grote

bedrijventerreinen (in totaal 2200 hectare)

binnen 500 meter van de snelweg (op een

totale lengte van ruim 150 kilometer).

Als aanvulling op het onderzoek van

Vlonk (2008) zijn gesprekken gevoerd met

experts op het terrein van bedrijvigheid

en ruimtelijke ontwikkeling. De betreffende

experts zijn Herman Timmermans,

business manager Economie en Ruimte

DHV, Ingrid Schuringa, beleidsadviseur

Economie Provincie Utrecht, en

Jacques van Dinteren, productmanager

UrbanSolutions bij Royal Haskoning en

bijzonder hoogleraar aan de Rijksuniversiteit

Groningen.

Beleid

De snelweg en omgeving hebben een

prominentere rol gekregen in de ruimtelijke

beleidsvorming. Twee voorbeelden

hiervan worden behandeld, te weten

Routeontwerp en de structuurvisie

voor de snelwegomgeving. “Het project

Routeontwerp is één van de tien Grote

Projecten van de nota Ontwerpen aan


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 de snelwegomgeving van alle kanten

P. 214

Nederland; architectuurbeleid 2001-

2004” (Steunpunt Routeontwerp, 2005,

p. 9). Het project is een samenwerking

tussen het VROM en het Ministerie van

Verkeer en Waterstaat. Routeontwerp

houdt zich bezig met de ruimtelijke en

architectonische kwaliteit van de snelweg

en omgeving. De A12 tussen Den Haag en

Zevenaar is gekozen als voorbeeldproject

(Steunpunt Routeontwerp, 2005). Later

is het project ook uitgebreid naar andere

tracés (Steunpunt Routeontwerp, 2008).

Het Routeontwerp A12 heeft drie doelen.

Het eerste doel is om “samenhang en

continuïteit in wegarchitectuur te creëren,

in combinatie met het karakter van de

omgeving” (Steunpunt Routeontwerp,

2005, p. 16). Hierbij krijgt het ontwerp

van geluidsschermen, viaducten, bermen,

verzorgingsplaatsen (omgeving) en

knooppunten en aquaducten (snelweg)

extra aandacht. Het tweede doel is

“het behouden, versterken, en ontwikkelen

van identiteit en afwisseling van

landschappen in de omgeving van de

snelweg”. Routeontwerp onderscheidt vier

typen landschappen langs de A12: bos,

weide, stad, en mozaïek. Mozaïek is een

combinatie van de typen bos, weide en

stad. Per type landschap wordt getracht

typerende elementen in het landschap te

versterken. Het derde doel is “het realiseren

van effectieve samenwerking binnen

V&W met andere partijen op het vlak van

wegontwerp en gebiedsontwikkeling in de

omgeving van de weg” (idem.).

In 2008 heeft het Ministerie van VROM

een structuurvisie voor de snelwegomgeving

opgesteld. Een belangrijk doel van

de structuurvisie is om “de ruimtelijke

kwaliteit van de snelwegomgeving te

verbeteren en herkenbare en kenmerkende

landschapskwaliteiten in de snelwegomgeving

veilig te stellen, onder meer door

negen Nationale Snelwegpanorama’s te

selecteren” (VROM, 2008, p. 7). Bepaalde

waardevolle gebieden moeten gevrijwaard

blijven van bebouwing, zodat het betref-

fende landschap en uitzicht vanaf de snelweg

behouden blijft. Uit diverse studies

(zie Piek e.a., 2006 en Hamers & Nabielek,

2006) blijkt dat de ruimte langs de snelweg

snel verstedelijkt. Deze vorm van verstedelijking

langs de snelwegen wordt steeds

vaker geassocieerd met verrommeling

(VROM, 2008). Vooral de hoeveelheid

en het aanzicht van bedrijventerreinen

worden vaak als oorzaak hiervan gezien.

Kanttekening bij deze conclusies is dat ze

gebaseerd zijn op de mening van experts

en actieve burgers. Vraag is of het bredere

publiek deze conclusies deelt.

Beleving snelwegomgeving

De aanwezigheid van groen (gras,

bomen) in de buurt en tussen huizen en

de snelweg zorgt voor een hoge waardering

van de omgeving bij bewoners en

recreanten (Vlonk, 2008). De waardering

van de woonomgeving is ook afhankelijk

van ondermeer geluidsoverlast, de staat

van onderhoud en overlast van jongeren.

Bewoners en recreanten ouder dan vijftig

jaar waarderen de omgeving hoger dan

de leeftijdsgroep van onder de vijftig jaar.

Andere persoonskenmerken van de respondenten

zijn ook belangrijk: naarmate

bewoners hun gezondheid beter ervaren,

waarderen ze hun omgeving hoger. Bij de

waardering van recreanten speelt de mate

van gebruik een significante rol: hoe

vaker men wandelt, fietst, et cetera, des te

hoger is de waardering voor de omgeving.

Over het algemeen komen de beleving en

waardering van de bewoners en recreanten

sterk overeen.

De automobilisten vallen meer en andere

aspecten op in de snelwegomgeving, zoals

naast groen (bos, weide) ook geluidsschermen,

bedrijventerreinen en andere bebouwing.

De aanwezigheid van groen wordt

ook door automobilisten hoog gewaardeerd.

De aanwezigheid van bijvoorbeeld

betonnen geluidsschermen leidt tot een

lagere waardering, omdat ze het zicht op

de omgeving ontnemen. Automobilisten


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 de snelwegomgeving van alle kanten

P. 215

zien liever begroeide schermen in plaats

van betonnen geluidsschermen (Vlonk,

2008). In het huidige beleid voor snelwegen

is een speciale plaats ingeruimd voor

het ontwerp van geluidsschermen (zie ook

Steunpunt Routeontwerp, 2005 & 2008).

Een belangrijk deel van de ondervraagde

automobilisten maakt veel gebruik van

de snelweg en vooral tijdens de spits.

Veel automobilisten geven aan dat ze in

verband met veiligheid weinig tot niet op

de omgeving letten. Automobilisten die

incidenteel gebruik maken van de snelweg

doen dat vaak op tijdstippen waarop het

rustiger is op de snelweg. Zij kijken meer

om zich heen en zien de snelwegomgeving

steeds meer veranderen. Dit leidt tot

een lagere waardering. Leeftijd is ook

een verklarende factor voor verschillen

in beleving en waardering van de

snelwegomgeving van automobilisten.

Automobilisten jonger dan dertig jaar blijken

de snelwegomgeving lager te waarderen

dan de andere oudere leeftijdsgroepen.

De toenemende verstedelijking in de

snelwegomgeving wordt vooral als

aantastend ervaren door oudere automobilisten.

Jongere automobilisten vinden de

verplaatsing belangrijker dan het uitzicht

vanaf de snelweg. Automobilisten die

gebruik maken van de A12 ten oosten van

Utrecht waarderen de omgeving hoger

dan automobilisten die de weg ten westen

van Utrecht gebruiken. Een verklaring

hiervoor is dat in het oostelijke gedeelte

meer groen aanwezig is in de omgeving,

terwijl vooral in het westelijke deel van

de A12 er meer geluidsschermen, bedrijventerreinen

en andere objecten zijn. De

conclusies over leeftijd, mate van gebruik,

en de verstedelijking in het westen zijn in

lijn met eerder onderzoek (Grakist, 2007).

Vanuit het perspectief van werkenden

hangt de waardering van de snelwegomgeving

in belangrijke mate af van de

aanwezigheid van groen en de architec-

tonische kwaliteit van de bebouwing.

Bedrijventerreinen met gebouwen met

een duidelijke architectonische signatuur

worden hoger gewaardeerd.

Er bestaan grote overeenkomsten tussen

bewoners, recreanten en werkenden wat

betreft waardering van de snelwegomgeving.

Automobilisten wijken af, omdat

ze naast fysieke aspecten ook andere

aspecten in hun waardering van de omgeving

meenemen, zoals drukte en tijdstip.

Verder noemen automobilisten het aantal

en uiterlijk van bedrijventerreinen.

Beleving bedrijventerreinen

Bedrijventerreinen spelen een belangrijke

rol in de waardering voor de

snelwegomgeving. Daarom is aanvullend

op de studie van Vlonk (2008) nader

onderzoek verricht naar de factoren die

de waardering van bedrijventerreinen

beïnvloeden. Nadelige effecten van

bedrijventerreinen op de beleving van

het landschap worden vooral genoemd

door de oudere groep automobilisten die

weinig van de snelweg gebruik maken.

Automobilisten zien graag groen tussen de

snelweg en bedrijventerreinen, zodat het

landschap niet als te verstedelijkt wordt

ervaren (Vlonk, 2008). De respondenten

die op bedrijventerreinen langs de snelweg

werken, waarderen deze terreinen hoger

als er groen op (en rondom) het terrein

aanwezig is (Vlonk, 2008). Als er alleen

maar kantoren en/of industrie aanwezig

zijn, wordt dat over het algemeen negatief

beleefd. Het wordt dan bijvoorbeeld een

‘stenen’ of ‘niet-motiverende’ omgeving

genoemd. Incidenteel wordt nu al meer

rekening gehouden met de wensen

van bedrijven voor een aantrekkelijke

werkomgeving. Noodzakelijk is ook een

segmentatie van bedrijventerreinen op

basis van ruimtelijke kwaliteit van de

omgeving (Van Dinteren, 2008).

Waar het gaat om de inpassing zijn er

verschillende mogelijkheden. Uit de


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 de snelwegomgeving van alle kanten

P. 216

“Kantoorachtig bedrijfsmilieu” langs de snelweg (bron: Hans Farjon)

gesprekken met experts blijkt dat er bij

het ontwikkelen van nieuwe bedrijventerreinen

en aanpassing van bestaande

bedrijventerreinen uitgegaan wordt van

het type bedrijf en de gebiedskwaliteiten.

Bereikbaarheid blijft een belangrijke

drijfveer om een bedrijf langs de snelweg

te vestigen. Zichtbaarheid wordt ook vaak

genoemd als een drijfveer. Er worden twee

soorten bedrijvigheid onderscheiden:

business-to-consumer (klantgericht) en

business-to-business (bedrijfsgericht).

Voor deze eerste groep is zichtbaarheid

van belang, de tweede groep hoeft niet

persé zichtbaar te zijn vanaf de snelweg.

Overigens zijn door geluidsschermen

en groen veel bedrijventerreinen en dus

bedrijven minder of niet zichtbaar.

Esthetische aspecten spelen ook een rol

bij de waardering van bedrijventerreinen

die wel zichtbaar zijn voor automobilisten.

De keuze tussen hoog- of laagbouw

bijvoorbeeld is afhankelijk van de functie

van een bedrijf en ook gerelateerd aan de

grondprijs. In het verleden resulteerde

hoogbouw vaak in gestapelde blokkendozen.

Bij nieuwe hoogbouw zal

meer aandacht moeten worden besteed

aan architectuur (al is het de vraag of

deze extra investering in kwaliteit door

bedrijven ook gedaan zal worden). In

de provincie Utrecht is een kennisteam

werklocaties opgericht waar de kwaliteit

van werklocaties één van de doelstellingen

is (Provincie Utrecht, 2009).

Juist bij het opstellen van aanvullende

eisen ten aanzien van architectonische

kwaliteit is regionale afstemming en

samenwerking tussen gemeenten vereist.

Het probleem is momenteel vaak nog

dat bedrijven die niet aan dergelijke

doelstellingen willen voldoen, kiezen

voor een andere locatie in een andere

gemeente. Routeontwerp A12 (Steunpunt

Routeontwerp, 2008) maakt een duidelijk

begin om dergelijke bovenlokale,

ruimtelijke kwaliteitseisen op te nemen

in het ontwerp van bedrijventerreinen.

Zichtbaarheid van bedrijventerreinen

hoeft niet persé te leiden tot een lagere

waardering van de snelwegomgeving.

Architectonische kwaliteit van gebouwen

en de aanwezigheid van groen dragen bij

aan een prettiger beleving van de omgeving

(Vlonk, 2008). Het beleid moet voor

een kwaliteitsimpuls van de snelwegomgeving

meer inspelen op groen op en nabij

bedrijventerreinen en de architectonische

kwaliteit van de bedrijfsgebouwen.

Aandacht voor ontwerp

Er wordt in onderzoek en beleid gericht

op de snelwegomgeving veel aandacht

besteed aan het perspectief van de

automobilist, terwijl ervaringen van

omwonenden, werkenden en recreanten

onderbelicht blijven. De waardering van

de snelwegomgeving van omwonenden

komt sterk overeen met die van recreanten.

Werkenden hebben een vergelijkbare,

zij het iets lagere, waardering voor de


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 de snelwegomgeving van alle kanten

P. 217

snelwegomgeving. Automobilisten

noemen duidelijk andere aspecten in

hun waardering van de snelwegomgeving.

Frequente snelweggebruikers geven

aan minder te letten op de omgeving en

houden zich meer bezig met het verkeer.

Minder frequente snelweggebruikers

letten juist meer op de omgeving en veranderingen

daarin. Algemeen geldt dat

groen in de snelwegomgeving positief

gewaardeerd wordt. Verstedelijking,

bedrijventerreinen en geluidsschermen

worden niet noodzakelijkerwijs negatief

gewaardeerd. Belangrijk hierbij is wel

dat afwisseling en ruimtelijke kwaliteit

(architectuur en landschapsontwerp)

gewaarborgd zijn. Hier wordt in huidig

beleid ook naar gestreefd. Het blijkt dat

als een bedrijventerrein goed ingepast

wordt in een omgeving, bijvoorbeeld

door middel van groen, de automobilist

een mooier uitzicht heeft en de werkende

op het terrein meer tevreden is met de

werkomgeving (Vlonk, 2008).

Extra aandacht voor landschapsontwerp

en architectuur lijkt ook voor de

snelwegomgeving de oplossing om de

kwaliteit te verhogen. Voor een goede

afweging en analyse van de kwaliteiten

van de snelwegomgeving dienen meerdere

perspectieven in ogenschouw genomen

te worden. Niet alleen het uitzicht van de

automobilist is belangrijk, maar ook dat

van bewoners, recreanten, en werkenden.

Ditzelfde argument geldt voor de beleving

van bedrijventerreinen. Als oplossing

wordt vanuit alle perspectieven groen

en architectonische kwaliteit genoemd.

Hierbij is belangrijk dat dit bovenlokaal

geregisseerd wordt, om vluchtgedrag

naar locaties waar dergelijke eisen niet

gesteld worden te voorkomen. Bedrijven

staan meestal niet te springen om extra te

investeren in de omgeving of het ontwerp

van het gebouw.

Auke vlonk (auke.vlonk@pbl.nl) is junior beleidsonder-

zoeker bij het Planbureau voor de leefomgeving en leon

Crommentuijn (leon.crommentuijn@pbl.nl) is senior beleidsonderzoeker

bij het Planbureau voor de leefomgeving.

Literatuur

Berg, A. van den (2004) Is er wat te beleven aan snelwegen?

Rijkswaterstaat

dinteren, J. van (2008) Bedrijventerreinen als speelveld,

Oratie aan de Rijksuniversiteit Groningen, Groningen, Royal

Haskoning, Nijmegen

Grakist, m. (2007) voorruitzicht: Het landschapsbeeld van de

Nederlandse automobilist, Afstudeerscriptie Wageningen

Universiteit, leerstoelgroep landscape, Architecture, and

Planning, Wageningen

Hamers, d. & K. Nabielek (2006) Bloeiende bermen;

verstedelijking langs de snelweg, NAi Uitgevers/Ruimtelijk

Planbureau, Rotterdam/den Haag

vROm (2008) zicht op mooi Nederland: Structuurvisie voor de

Snelwegomgeving, den Haag

Piek, m., m. van middelkoop, m. Breedijk, W. Hornis, N. Sorel

& N. verhoeff (2006) Snelwegpanorama’s in Nederland, NAi

Uitgevers/Ruimtelijk Planbureau, Rotterdam/den Haag

Provincie Utrecht (2009) Kennisteam Werklocaties, Utrecht,

www.provincie-utrecht.nl/kennisteam, laatst bezocht op

24-02-2009

Steunpunt Routeontwerp (2005) de koers voor het routeontwerp:

Perspectieven voor het routeontwerp van snelwegen op

basis van de Regenboogroute, den Haag

Steunpunt Routeontwerp (2008) Routes: Over de kunst van

het ontwikkelen en borgen van de ruimtelijke kwaliteit van

snelweg en omgeving, den Haag

vlonk, A. (2008) Waar een weg is, is een wil: sociaal-demografische

determinanten als verklaring van verschillen in beleving

van de snelwegomgeving, Afstudeerscriptie Rijksuniversiteit

Groningen, Population Research Centre, Groningen

Geluidscherm tussen snelweg en groene omgeving

(bron: Hans Farjon)


Rooilijn

Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Michelle Provoost

In new towns heerst een sfeer van uitdaging

Eva Heinen en Samantha Volgers

In new towns heerst een sfeer van uitdaging

De komende twee jaar moet het gebeuren. Het werkplan is inmiddels gereed, diverse

activiteiten zijn in voorbereiding en het educatieprogramma wordt vormgegeven.

Sinds november 2008 is Michelle Provoost directrice van het International New Town

Institute gevestigd in Almere centrum. Het werkplan beschrijft de doelstelling van

het instituut voor de komende twee jaar. De focus van het werkplan ligt zowel op

onderzoek naar bestaande new towns als nog te ontwerpen new towns.

Michelle Provoost werkt, naast bij het International

New Town Institute (INTI), ook voor Crimson

Architectural Historians. Met Crimson werkte zij aan

het project Welcome into My Backyard (Wimby!) in

Hoogvliet. Hoogvliet is de eerste Nederlandse new

town, gemodelleerd naar het voorbeeld van Engelse

new towns. Door dit onderzoek kwam Crimson in

aanraking met de new town familie over de hele wereld.

INTI deed onderzoek naar hetzelfde fenomeen, dus

daar kruisten de wegen en werd Michelle Provoost

gevraagd als nieuwe directeur.

Welke vernieuwing brengt uw komst voor INTI?

“Het INTI is drie jaar geleden begonnen. Dirk Frieling

heeft toen het initiatief genomen samen met Maarten

Geluk. Dirk Frieling is een van de pioniers en planners

van Almere. Hij heeft een grotere affiniteit met de

technische, planologische en bestuurlijke kant van

new towns: financiën, ontwerp, grondeigendom. Die

technische invalshoek is door mijn komst enigszins

bijgestuurd. Ik ben opgeleid als architectuurhistorica.

Dat vak richt zich op het verklaren van de situatie,

P. 218

minder op het ontwerpen zelf. Het werkplan heeft na

mijn komst een meer beschouwend en reflexief karakter

gekregen, hoewel het ook nog steeds gericht is op het

ontwerp en de technische aspecten van new towns.”

Onderzoek en onderwijs spelen een belangrijke rol in

het werkplan. Op welke manier krijgt dit vorm?

“Een belangrijk onderdeel van de samenwerking met

universiteiten ligt op gebied van onderwijs. Het INTI

heeft een onderwijsprogramma gemaakt en ateliers,

projecten en een collegereeks samengesteld. Daarin

wordt een overzicht gegeven van new town planning:

de historie, ontwerpaspecten en sociologische

aspecten. Een andere focus van het onderwijs zijn de

grote verstedelijkingsvragen die nu spelen. De vraag is

hoe ons onderzoek naar oude new towns daaraan kan

bijdragen.”

“Met de TU Delft gaan we bijvoorbeeld samenwerken

aan het metropolenproject. We organiseren een

studiereis naar Mumbai waarbij voorafgaand aan die

reis een literatuurstudie wordt gedaan en ter plekke


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 In new towns heerst een sfeer van uitdaging

het empirisch onderzoek. Bij de studiereis willen

we studenten vanuit verschillende studierichtingen

meekrijgen. Zo kunnen we de verschillende

onderdelen van die stad ter plekke goed bestuderen.

Als resultaat wordt een alternatieve reisgids

samengesteld.”

“Daarnaast heeft INTI een contract met een aantal

universiteiten en betaalt de helft van de kosten voor

een aantal promovendi. Op dit moment zijn er drie

promovendi verbonden aan INTI, alle drie via de

faculteit bouwkunde van de TU Delft.”

“Ook hebben wij op dit moment contact met de

Vrije Universiteit (VU) over een onderzoek naar

representatie van new towns in de (voorlichtings)

film. In de periode vanaf de Tweede Wereldoorlog tot

eind jaren tachtig zijn new towns vaak verbonden met

politieke en economische programma’s. De presentatie

en de manier waarop de new town in films onder de

aandacht werd gebracht, zoals de activiteiten, kleding

en het interieur , zijn allemaal indicatoren voor hoe

P. 219

een stad en de manier van leven over het voetlicht

werden gebracht. Ook vijftig jaar geleden bestonden

er ideeën over wat wel en wat niet over een stad werd

verteld. De hypothese is dat de verschillen parallel

lopen met de maatschappelijke ontwikkelingen. In de

jaren vijftig lag er een sterke nadruk op het collectieve.

In die jaren stond de betekenis van collectieve ruimte

als tussenruimte, de aanwezigheid van groen en je

geborgen voelen in een new town centraal. Dat beeld

zie je terug in films uit de jaren vijftig. Tegenwoordig

hebben films een meer individuele benadering.

Diversiteit en keuzemogelijkheden, mogelijkheden

voor (zelf)ontwikkeling en mogelijkheden om

materieel te stijgen staan centraal. Die welvaartstijging

zit bijvoorbeeld in het verhuizen naar een steeds groter

huis, met een grotere auto, eerst voor de deur en later

in de garage. Het is enigszins een karikatuur, maar

dat beeld komt wel over. Almere is hiervan een goed

voorbeeld wat terugkomt in de slogan ‘In Almere

kan het’. Dit zijn allemaal hypothesen, maar ik hoop

natuurlijk dat er ook onverwachte dingen uit het

onderzoek komen.”


Rooilijn

Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

In het werkplan wordt gezegd dat INTI zijn eigen

promovendi kweekt. Hoe kan dit opgevat worden?

“Wij willen fungeren als ontmoetingsplek voor

studenten op het gebied van new tows. Concreet

betekent dit dat op een aantal momenten in het jaar

iedereen met interesse voor new towns op door ons

georganiseerde activiteiten afkomt, bijvoorbeeld

een congres of de jaarlijkse promovendidag. Door

het sterke internationale karakter van new towns

presenteren wij ons daarnaast als virtual community.

Onze website en de mailings die we versturen worden

gezien als een manier om kennis te vergroten en

gegevens uit te wisselen. De website wordt binnenkort

aangepast zodat het als forum kan werken. Mensen

moeten zich daarvoor wel inschrijven. Op deze

manier gaat het INTI functioneren als virtuele

onderzoeksschool. INTI werkt als kweekvijver,

maar vooral als magneet. De jaarlijks terugkerende

promovendidag laat deze magneetwerking zien. Het

wordt dit jaar voor de derde keer georganiseerd en de

uitnodiginglijst is gegroeid van twaalf naar negentig

in de afgelopen drie jaar. Allemaal promovendi die

op de één of andere manier met het onderwerp new

towns bezig zijn, van de farvela’s in Peru tot Chinese,

Koreaanse of Nederlandse new towns.”

Zijn er uitkomsten uit het onderzoek over new towns?

“In juni komt een congresbundel uit over

urban simulation models. Dat zijn onder meer

softwaremodellen om stedelijke scenario’s te

maken. Een stedelijk scenario wordt bijvoorbeeld

gebruikt om een stedenbouwkundig plan voor een

stad te ontwikkelen. Met een simulatie kan worden

voorspeld hoe (een bepaald aspect van) een stad

zich ontwikkelt en welke factoren daarbij een rol

spelen. Verschillende stedelijke ontwikkelingen

en onderhandelingen kunnen met verschillende

modellen worden gesimuleerd.”

“Allerlei factoren op economisch, sociaal en

ruimtelijk gebied kunnen worden onderzocht.

Maar ook de kosten voor de ontwikkeling van

een stad kunnen worden gesimuleerd. En er zijn

onderhandelingssimulaties, zonder computer.

Bijvoorbeeld een rollenspel waarin een bouw of

beslissingsproces wordt gesimuleerd. Daardoor

wordt snel inzicht verkregen in voor een bepaald

proces beslissende factoren. Het kan ook gaan om een

workshop over besluitvorming bij bewoners.”

In new towns heerst een sfeer van uitdaging

P. 220

Simulatie van steden, het heeft toch iets

onwaarschijnlijks. Hoe kijkt u hier zelf tegen aan?

“Daar ben ik ook nog niet uit. Als analysemethode

vind ik simulatie interessant, maar als historicus ben

ik sceptisch over voorspellingmethoden en over de

toepassing van simulatie om objectieve beslissingen op

te baseren. Vooral omdat sommige modellen een vrij

technocratische inslag hebben en lijken op de modellen

die in de jaren vijftig en zestig werden gebruikt. Toen

waren er nog geen computers en werden de meest

boude voorspellingen gedaan die allemaal niet zijn

uitgekomen. Niet zo verwonderlijk. De hele manier van

denken waarbij op een rationele en objectieve manier

uitspraken worden gedaan over zoiets complex en

onvoorspelbaars als de toekomst van een stad, wekt

bij mij argwaan. Hoezeer men ook door de toepassing

van complexiteitstheorieën dergelijke bezwaren uit de

weg denkt te ruimen. Modellen zijn altijd een simulatie

van een klein deel van de werkelijkheid en laten

noodzakelijkerwijs andere delen buiten beschouwing.

Het lijkt mij onverstandig aan urban simulation een

grotere rol toe te bedelen dan aan andere instrumenten

die de planner kan gebruiken.”

Op welke manier beïnvloed dit de planning van nieuwe

new towns?

“Een deel van wat INTI doet gaat over bestaande

new towns. Dat is eenvoudiger, want daar komen we

met empirische studies een heel eind. De bijdrage die

we willen leveren aan het ontwikkelen van nieuwe

new towns of aan de ontwikkeling van zoiets als de

schaalsprong Almere, is een ander verhaal. Hierbij

kunnen de computermodellen wellicht een rol spelen

als instrument in de planning. De congresbundel

gaat over de vraag wat de huidige modellen te bieden

hebben. De modellen worden naast elkaar gezet om het

nut te tonen. De huidige modellen zijn overigens wel

anders dan de modellen uit de jaren vijftig. Ze zijn nooit

een totale voorspelling van alles wat er zal gebeuren in

een stad. Het gaat altijd om een klein aspect.”

Jullie zijn gevestigd in Almere. Almere is Nederlands

bekendste new town. In hoeverre staat Almere centraal

in jullie programma?

“Dat we in Almere zijn gevestigd komt natuurlijk

doordat Almere zelf een new town is. Almere is

daardoor een zeer goed studieobject. Er is geen

new town ter wereld die vanaf het begin zo goed

gedocumenteerd is en al die kennis en gegevens


Rooilijn

Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

zijn beschikbaar. Er is bijvoorbeeld documentatie

van alle ontwerpfasen inclusief de toelichting. Ter

vergelijking, in China is geen stedenbouwkundig

plan te vinden. De archieven zijn dicht en als het

stedenbouwkundig plan, of de krabbels die daarvoor

doorgaan, er al is, weet niemand wie het getekend

heeft. Dat maakt Almere als onderzoeksobject heel

geschikt. Maar Almere is ook interessant omdat het

nog steeds wordt uitgebreid met instandhouding van

het oorspronkelijke concept. Over hoe die uitbreiding

het beste kan plaatsvinden bestaan nog veel vragen.”

“Een centrale vraag waar de huidige generatie

oude new towns mee te maken heeft, is hoe de stap

van adolescente naar volwassen stad gemaakt kan

worden. Hoe kan een puur woongebied uitgroeien

tot een meer complete stad? Er zijn veel new towns

met een eenzijdige, laagopgeleide bevolkingsopbouw

en geen echt levendig centrum. Een volwassen stad

heeft naast wonen ook cultuur en werkgelegenheid

te bieden. Zo’n stad is niet alleen aantrekkelijk voor

mensen die een huis met tuin voor weinig geld

zoeken. Want dat is uiteindelijk een te kleine en

beperkte groep. Dit probleem speelt in Almere, maar

ook in Milton Keynes, Zoetermeer en Spijkenisse.”

“Het is een goede vraag of er überhaupt new towns

zijn waar deze stap al is gezet, maar een vraag die

ik op dit moment nog niet kan beantwoorden. Het

lijkt me typisch een onderdeel van ons onderzoeksprogramma.

In dat geval zou ik allereerst willen

kijken naar new towns in Engeland. Daar is in veel

steden onder andere het centrum vernieuwd. Ik ben

benieuwd of ze er werkgelegenheid, onderwijs en

een uitgaanscentrum hebben weten te creëren. Dat

laatste is namelijk één van de moeilijkste dingen. In

Almere gaat iedereen naar Amsterdam, hoewel dat

ook met de nabijheid te maken heeft en niet perse

met het ontwerp van Almere. Mensen die in Almere

wonen leggen andere prioriteiten dan mensen die in

Amsterdam wonen. Er zijn verschillende facetten die

onderzocht moeten worden om iets te kunnen zeggen

over de mogelijkheden voor het creëren van een

stedelijk centrum.”

Wat ziet u als kwaliteit van new towns?

“New towns hebben een enorme aantrekkingskracht

door de grootsheid van de plannen en tegelijkertijd

de tragiek van het ophanden zijnde mislukken. De

In new towns heerst een sfeer van uitdaging

P. 221

teleurstelling die op de loer ligt maakt een new town

spannend en urgent als opgave. Dat is ook de reden dat

veel mensen zich met new towns bezighouden. De new

towns uit het verleden worden vaak als mislukking

beschouwd, voor de toekomst vormen ze daarom een

extra uitdaging. In bestaande new towns heerst een

sfeer van uitdaging, openheid en de kans nieuwe dingen

te ontwikkelen. Deze pioniersmentaliteit blijft in new

towns vrij lang hangen.”

Zal de wens new towns te stichten hierdoor blijven

bestaan?

“In West-Europa zullen de komende decennia

nauwelijks of geen nieuwe steden worden gerealiseerd.

Almere is in Europa de enige new town die zich nog

uitbreidt en met recht de naam ‘new town’ kan dragen.

De new towns die hier vijftig jaar geleden zijn bedacht,

worden nu in China, India, Iran en Korea gemaakt.”

“In tegenstelling tot bijvoorbeeld landen in Azië

hebben wij met veel aspecten van new towns ervaring.

Die ervaring komt door het verouderingsproces van

onze oude new towns. Ook met bewonersparticipatie,

transformatie en sociale processen hebben wij veel

ervaring. De nieuwe new towns in Azië nog niet, maar

ze krijgen er wel mee te maken. Daarin is een rol voor

ons weggelegd.”

Wat wilt u over tien jaar met INTI bereikt hebben?

“De verlanglijst is lang! Het is de bedoeling

bondgenoten te zoeken in Azië. De eerste contacten

met enkele universiteiten zijn daartoe gelegd. Ook moet

de virtual community staan als een huis. Dit wordt

een op zichzelf staand uitwisselingsorgaan tussen

promovendi, die gevoed wordt door INTI. Natuurlijk

willen we meer kennis over fundamentele new town

vraagstukken verkregen hebben. Basale vragen als

‘Wat is een new town?’ en ‘Hoe ontwikkelt cultuur

zich in een new town?’ zijn tegen die tijd onderzocht.

INTI moet ook wat betekenen voor het netwerk van

aangesloten universiteiten en voor Almere zelf. De

organisatie mag iets groeien maar vooral niet te veel.

Het instituut moet vooral klein blijven, maar wel het

middelpunt van een groot netwerk.”

eva Heinen (e.heinen@tudelft.nl) is als promovendus verbonden aan de TU delft,

onderzoeksinstituut OTB. Samantha volgers (samantha@bureaumiddelkoop.

nl) is als adviseur en onderzoeker werkzaam bij Bureau middelkoop. Beide zijn

redacteur van Rooilijn.


Rooilijn

Recensies

David Evers

Het ruimtelijke DNA

van Europa

Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Faludi, Andreas (2008) European spatial

research and planning, Cambridge, MA,

Lincoln Institute of Land Policy, 304 p.,

ISBN 978-1-55844-177-4, $ 35,00

Een jaar na het verschijnen van

Territorial cohesion and the European

model of society, de uitstekende

opvolger van het boek European

spatial planning uit 2002, komt Andreas

Faludi opnieuw met een boek over

ongeveer hetzelfde onderwerp. Net als

de voorgangers is European spatial

research and planning een verzameling

van essays, maar dit nieuwe boek

is toegankelijker en concreter door de

nadruk op empirisch onderzoek.

Met het beoordelen van een verzamelwerk

moet men vooral kijken

naar de meerwaarde van het geheel

ten opzichte van de delen, die vaak al

elders zijn gepubliceerd. In dit geval is

de meerderheid van de bijdragen een

verslag van studies die zijn uitgevoerd

in het kader van het ESPONprogramma

(European Spatial Planning

Observation Network). Hoewel alle

eind- en tussenrapporten gratis zijn

te downloaden op de ESPON-website

(www.espon.eu) is het soms moeilijk de

juiste rapporten te vinden. Bovendien

zijn deze rapporten van wisselende

kwaliteit, relatief verouderd en over het

algemeen niet erg toegankelijk. Vaak

gaat het om 500-1.000 pagina’s vol vakjargon.

ESPON heeft enkele pogingen

ondernomen om de rapporten te bun-

Recensies

delen maar ook deze publicaties lijken

meer gericht op de ‘ESPON-familie’ dan

op een breder publiek. Dus alleen al het

feit dat deze informatie in Faludi’s boek

op een goede wetenschappelijke manier

is geredigeerd en gepresenteerd, heeft

een grote meerwaarde.

Gelukkig zijn de meeste inhoudelijke

bijdragen ook van een heel hoge

kwaliteit. Het eerste hoofdstuk geeft

een uitstekend overzicht van ESPON en

de inherente spanning tussen beleid en

wetenschap. De auteurs beschrijven

nuchter de bijna onmogelijke taak

van wetenschappelijke analyse en

onderbouwing van politieke concepten

die niet helder gedefinieerd en soms

tegenstrijdig zijn (denk aan balanced

competitiveness).

Hoofdstuk 2 geeft een uitgebreide

uitleg over een belangrijke pijler van

het ESPON-programma: de territorial

impact analysis (TIA). Er komen enkele

voorbeelden van TIA’s van ESPON

P. 222

aan de orde, die zowel een redelijke

samenvatting geven van de resultaten

van de desbetreffende onderzoeken als

van de algemene methodologie. Net als

in het vorige hoofdstuk wordt een link

gelegd met de beleidspraktijk, waarin

TIA’s moeten concurreren met andere

soorten impactstudies.

Het daarop volgende hoofdstuk over

polycentriciteit – één van de belangrijkste

concepten in het Europees ruimtelijk

planningdiscours – is een tegenvaller.

Het concept wordt in dit hoofdstuk met

zoveel andere modieuze concepten

in verband gebracht (clustervorming,

beleidscoördinatie en centrale-plaatstheorie)

dat het zelfs voor ingewijden

niet erg toegankelijk is. Als mosterd

na de maaltijd komt het omvangrijke

en gezaghebbende ESPON-onderzoek

daarover alleen in de laatste pagina’s

aan de orde.

Hoofdstuk 4 over demografie is het

eerste dat echt verslag doet van één

ESPON-onderzoek. Het is helder

geschreven en geeft heel nuchter

weer wat de structurele uitdagingen

voor Europa zijn rondom vergrijzing

en, in sommige regio’s, ontvolking. De

prognoses laten zien dat de Europese

bevolking in 2050 zonder immigratie

met 111 miljoen gedaald zal zijn. Dit heeft

niet alleen betrekking op sociaal en

immigratiebeleid maar ook op de haalbaarheid

van economisch beleid zoals

de Lissabon Strategie. In tegenstelling

tot de heldere tekst zijn de kaarten in dit

hoofdstuk soms van slechte kwaliteit.

Het vijfde hoofdstuk gaat over bereikbaarheid

en economie en is een van de


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Recensies

hoogtepunten van het boek. Het nuan-

ceert helder de overtuiging van de EU

dat een betere bereikbaarheid de economie

in een regio zal stimuleren. Op basis

van dit uitgangspunt worden miljarden

euro’s besteed aan infrastructuur in

arme regio’s. In het hoofdstuk komt naar

voren dat de arme regio’s weliswaar

relatief profiteren maar dat het beleid

in absolute BNP-groei vooral ten goede

komt aan rijkere regio’s. Het hoofdstuk

eindigt met een uitstekende relativering

van de spanning tussen beleid en

wetenschap. ESPON-wetenschappers

worden hier opgeroepen kritisch te zijn

tegenover beleidsconcepten.

Hoofdstuk 6 geeft een verslag van de

ESPON-studie over risico’s, zoals overstromingen,

bosbranden en kerncentraleongelukken.

Deze uitdagende studie

heeft een manier gevonden om diverse

en soms onvolledige of kwalitatieve

databronnen over natuurlijke en technologische

risico’s samen te brengen

in één kaart. In dit hoofdstuk wordt een

sterke link gelegd met de ruimtelijke

ordening die ingezet kan worden om

de risico’s te verminderen. Om deze

reden is het voor planologen één van de

interessantste hoofdstukken.

Hoofdstuk 7 doet verslag van een grootschalige

scenariostudie die relatief veel

impact heeft gehad op het Europees

ruimtelijk beleidsproces. Twee beleidsscenario’s,

de één cohesiegericht en

de ander concurrentiegericht, worden

afgezet tegen een trendscenario. In het

concurrentiescenario concentreren

economische groei en verstedelijking

zich bijvoorbeeld in het Europese

kerngebied en enkele hoofdsteden

daarbuiten. In het cohesiescenario

wordt deze groei meer over het continent

uitgesmeerd. Het hoofdstuk doet

een aantal interessante beleidsaanbevelingen

op basis van de scenario’s

en de uitdagingen die in alle scenario’s

sowieso zullen bestaan.

Hoofdstuk 8 geeft een voortreffelijke

analyse van de positie van Europa in de

wereld. Deze positie lijkt kleiner te zijn

dan velen aannemen. Een veelzeggende

figuur laat zien dat de bevolking

en economische activiteit van de EU

ten opzichte van de rest van de wereld

in de afgelopen halve eeuw weliswaar

ongeveer gelijk zijn gebleven, maar

dat de EU dit alleen heeft te danken

aan de uitbreiding met meer landen.

Zowel dit hoofdstuk als het vorige zijn

door ESPON eerder al uitgebracht als

zelfstandige publicaties.

De laatste twee hoofdstukken gaan

vooral over beleid. Hoofdstuk 9 gaat

over de vraag in hoeverre er sprake is

van planning op EU-niveau. Dit wordt

vooral gemeten door naar netwerkprocessen

te kijken, zoals bij het maken

van documenten als het Europees

ruimtelijk ontwikkelingsperspectief

of de Territoriale agenda. Hoofdstuk

10, geschreven door insiders in het

beleidsproces, gaat nog dieper in op

het politieke spel rondom territoriale

cohesie. Dit hoofdstuk is wetenschappelijk

zeer actueel maar is al weer

ingehaald door het snelle beleidsproces

dat nu gericht is op het Groenboek

territoriale cohesie van oktober 2008.

Al met al geeft European spatial

research and planning een goed

P. 223

overzicht van de belangrijkste studies

die tot nu toe zijn uitgevoerd in het

ESPON-programma. Opmerkelijk

afwezig is overigens een hoofdstuk

over landelijke gebieden of de

impact van het gemeenschappelijke

landbouwbeleid. Het boek is dan

ook onmisbaar voor iedereen die

geïnteresseerd is in ruimtelijke

ontwikkelingen en beleidsprocessen

op EU-niveau. Het is enigszins merkwaardig

dat dit handige boek over

Europa niet door ESPON zelf is gepubliceerd

maar door het Amerikaanse

Lincoln Institute of Land Policy.

david evers (david.evers@pbl.nl) is onderzoeker

bij het Planbureau voor de leefomgeving.

Ton van der Pennen

Beleidsrelaties bij

stedelijke vernieuwing

Marissing, Erik van (2008) Buurten

bij beleidsmakers. Stedelijke

beleidsprocessen, bewonersparti-

cipatie en sociale cohesie in vroeg-

naoorlogse stadswijken in Nederland,

Nederlandse Geografische Studies 377,

KNAG, Utrecht, 230 p., ISBN 978-90-

6809-420-6, € 42,49 [te downloaden

op http://igitur-archive.library.uu.nl/

dissertations/2008-0829-200845/

marissing.pdf]

De titel van het proefschrift van Erik

van Marissing geeft aan dat de lezer

een veelheid aan inzichten wordt

geboden. Het gaat over beleidsprocessen,

bewonersparticipatie en sociale

cohesie, zoals deze zich manifesteren


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Recensies

in vroeg-naoorlogse stadswijken. En

dat alles opgezet vanuit het perspectief

van de beleidsmakers, met de algemene

vraag wat een ‘buurt’ voor hen

is ofwel wat een wijkgerichte aanpak

behelst om de problemen al daar

effectief te doen verminderen. Het boek

bestaat uit twee delen.

In het eerste gedeelte van het

proefschrift wordt een conceptuele

verheldering van de kernbegrippen

sociale cohesie en participatie gegeven.

Van Marissing onderscheidt ze als twee

vaste waarden in het Nederlandse

stedelijke vernieuwingsbeleid. Ze

zijn complex en kennen meerdere

betekenissen. Hij biedt de lezer een

breed literatuuroverzicht, mogelijk te

gedetailleerd. Iemand die is ingewijd,

krijgt niet veel nieuwe inzichten en

bewerkingen gepresenteerd en zal al

snel een eigen kritische uitwerking en

accentuering van de auteur missen.

Bij de definiëring van participatie sluit

Van Marissing zich aan bij de bekende

ladder van Arnstein, waarbij macht

en zeggenschap belangrijke aspecten

zijn. Participatie, in het bijzonder een

actieve opstelling van bewoners bij de

(her)inrichting van de woonomgeving,

wordt als positief verondersteld voor

de sociale cohesie. Sociale cohesie is

de bindende kracht van een sociaal

systeem en dat staat in het huidige

tijdsgewricht onder druk. De operationalisering

van dit begrip krijgt

veel ruimte in het proefschrift. Van

Marissing werkt een aantal dimensies

uit. Het betreffen: normen en waarden,

gedeelde denkbeelden over gewenst

en ongewenst gedrag; sociale controle,

waaronder de manier waarop gelet

wordt op de uitvoering van de waarden

en normen; buurtbinding, de manier

waarop bewoners hun buurt beleven

en het gevoel dat ze mensen kennen;

de sociale interactie, waarbij het

onderhouden van sociale contacten en

relaties wordt uitgewerkt; solidariteit,

die situaties betreffen waarin iemand

iets voor een ander doet. Uit het een

en ander valt af te leiden dat méér van

deze dimensies een hogere mate van

cohesie betekent.

Een belangrijke veronderstelling in zijn

betoog is dat sociale cohesie in de buurt

nog steeds zijn waarde heeft behouden.

Deze is niet verdwenen (community

lost), maar veranderd (community

liberated). Daarnaast heeft een buurt

voor diverse kwetsbare groepen nog

steeds betekenis (community saved).

Het gaat hierbij om zwakkere groepen

in de samenleving, die een verhoogd

risico lopen om te worden buitengesloten

en mogelijk steun bij elkaar in

P. 224

buurtverband kunnen vinden. De vraag

of stedelijke vernieuwing een bijdrage

aan deze betekenis van de buurt kan

bieden, blijft onbeantwoord.

Van Marissing rekt het begrip sociale

cohesie verder op. Hij laat het niet bij

de relaties tussen bewoners onderling

(horizontale cohesie) maar bespreekt

ook de relaties tussen en met beleidsmakers,

professionals en andere

belanghebbenden (corporate actors)

die op de één of andere manier bij de

ontwikkelingen in de buurt betrokken

zijn. Deze relaties tussen bewoners en

corporate actors noemt hij verticale

cohesie en tussen de corporate actors

onderling de institutionele cohesie.

In het tweede gedeelte van het proefschrift

wordt de empirie gepresenteerd.

In drie naoorlogse wijken is onderzoek

gedaan. Corporate actors zijn

geïnterviewd met het doel om inzicht

in de beleidscontext te krijgen. Welke

factoren bepalen de sociale cohesie

volgens de corporate actors, zo vraagt

hij zich af. Onder het misleidende kopje

‘van theorie naar praktijk’ worden vijf

hypothesen geformuleerd, die getoetst

gaan worden. Misleidend omdat deze

hypothesen niet uit het eerste theoretische

deel te herleiden zijn.

Uit de gesprekken leidt hij af dat er

geen verband is tussen het aantal

actoren en een sterk of zwak cohesief

verband (hypothese 1). Een sterke

probleem- of gebiedsgerichtheid zou

een positieve invloed hebben op de

institutionele als verticale cohesie

(hypothese 2). Met enige kanttekening

wordt deze hypothese bevestigd. Het


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Signalement

blijkt dat in alle drie de onderzoeks-

wijken sprake is van een cohesiever-

sterkende werking door de daadkracht

van één persoon, soms zelfs cruciaal

voor het verloop van het beleidsproces

(hypothese 3). Aan de andere kant kan

het voorkomen dat zij ook de macht

hebben om eigenhandig het proces te

frustreren. Teveel personeelswisseling

is niet bevorderlijk voor de verticale

cohesie (hypothese 4) en deze stelling

wordt bevestigd. Communicatie

bevordert verticale cohesie (hypothese

5) en bij het ontbreken hiervan tonen

bewoners hun onvrede, zeggen hun

vertrouwen op en haken zelfs af.

Bewoners zijn met een schriftelijke

vragenlijst benaderd om meer te weten

te komen over de verschillende vormen

van horizontale cohesie en over participatie.

Deze vorm van sociale cohesie

wordt bepaald door sociale interactie,

gewenst en ongewenst gedrag, buurtbinding

en solidariteit. Interactie met

familie en vrienden is niet direct aan de

buurt gebonden, wel is er relatief veel

contact met buren. Ongeveer de helft

van de contacten gaat verder dan het

elkaar groeten en heeft een instrumenteel

karakter, zoals plantjes water

geven bij afwezigheid of spulletjes

lenen. Er blijkt een relatie te zijn tussen

verticale cohesie en deze vorm van

horizontale cohesie. Het is wel zo dat

bewonersparticipatie interactie tussen

bewoners stimuleert.

De angst voor ongewenst gedrag van

de ander maakt daarentegen interactie

geringer. Hoe meer de levenswijze

overeenkomt, hoe eerder bewoners

geneigd zijn om tijd en geld te geven

aan buurtbewoners. Verbonden te

voelen met de buurt hoeft niet te

betekenen dat men er ook gezelligheid

en saamhorigheid vindt.

Belangrijk is dat men vertrouwen

heeft in het gedrag van de ‘onbekende’

buurtgenoten. Bewoners die

veel vrienden in de buurt hebben en/

of geregeld contact hebben met hun

buren voelen zich significant minder

geïsoleerd, zo concludeert Van

Marissing na een binaire logistische

regressieanalyse. Tussen verticale

en horizontale cohesie ziet hij

opnieuw een verband. Verticale

cohesie heeft een duidelijke

invloed op de bereidheid om elkaar

te helpen en op het wederzijds

vertrouwen tussen bewoners. Het

positieve effect van bestuurlijke

daadkracht zou kunnen wijzen op

vertrouwen in de buurt. Het idee dat

corporate actors naar de bewoners

luisteren en dat zij hun best doen om

de buurt te verbeteren, sterkt het

vertrouwen van de bewoners in hun

medebuurtgenoten en hun gevoel

van solidariteit.

Dit proefschrift biedt een redelijk

overzicht van een hoeveelheid aan

feiten en feitjes over de relaties in de

buurt. Het is een goed naslagwerk.

Maar ook is door de veelheid aan

informatie de lijn in het betoog niet

altijd goed te volgen; de lezer raakt de

draad kwijt. Veel wordt goedgemaakt

in het heldere samenvattende en

concluderende slothoofdstuk.

Ton van der Pennen (a.w.vanderpennen@

tudelft.nl) is senior onderzoeker bij het

onderzoeksinstituut OTB van de TU delft.

P. 225

Signalement

Maakbaarheid

René Boomkens, Charles Esche,

Gijs van Oenen, Marc Schuilenburg

& Wouter Vanstiphout (2008)

‘Maakbaarheid: hoe geef je vorm aan

de samenleving van de 21ste eeuw’,

themanummer van Open. Cahier

over kunst en het publieke domein,

nr. 15, Rotterdam/Amsterdam, NAi/

SKOR, 208 p., ISBN 978-90-5662-

664-8, € 24,50

Dit themanummer van het tijdschrift

Open reflecteert op oude en nieuwe

vormen van maakbaarheidsdenken

in relatie tot de stedelijke en sociale

ruimte. Is maakbaarheid als ideaal

uitgehold of biedt het nieuwe,

urgente perspectieven? Boomkens

schreef een artikel over de overgang

van de maakbare naar de mondiale

stad, Schuilenburg richt zich op het

veiligheidsvraagstuk, Van Oenen

analyseert de maakbaarheidsgedachte

in het project New Babylon

en Vanstiphout bekijkt de rol van

ideologie in de maakbaarheid van

stad en stedenbouw. Schuilenburg

schreef een inleiding op het essay

‘Voorbij de mensenrechten’ van de

Italiaanse politiek filosoof Giorgio

Agamben, dat integraal in dit

nummer van Open staat afgedrukt.

In het tweede deel van dit themanummer

komen vijf bijdragen over

architectuur en politiek aan de orde,

ingeleid door Arjen Oosterman.


Rooilijn

Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Column O. Naphta

Waar waren we ook alweer gebleven? Bij On the

origin of species by means of natural selection, or

the preservation of favoured races in the struggle for

life als aanleiding voor de vraag of de planologie ook

evolutionair is. De lezer zal zich mijn antwoord niet

herinneren, omdat hij dat zelf moet geven. Bij evolutie

gaat het om overlevingskansen in aanpassingprocessen

aan continu veranderende omstandigheden.

Selectie dus, waarbij gevestigde kennis en ervaring

(erfelijkheid) ervoor zorgt dat de volgende generatie

plannen lijkt op hun voorgangers; behoud dus van

de aanpassing.

Darwin werd bespot door zijn grote tegenstander bisschop

Wilberforce en door cartoonisten die de mens

(Darwin) gaarne als aapachtige uitbeeldden. Uit een

krantenbericht van begin maart over de chimpansee

Santino, woonachtig in de dierentuin van Furivik

(Zweden, Botnische Golf) deze zin: “Het onderzoek

naar Santino bevestigt dat chimpansees tot behoorlijk

complexe planning in staat zijn. Santino zoekt

’s morgens vroeg stenen, stapelt die netjes op en

bekogelt er een paar uur later de bezoekers mee.” Een

dominantieritueel noemt de etholoog dat, ditmaal niet

botgevierd op andere mannetjes in de groep, maar op

zijn menselijke toeschouwers.

Behoorlijk complexe planning, dat bleef in mijn hoofd

nazeuren. Ik moest onmiddellijk aan de gemeente

Amsterdam denken, die de behoorlijk complexe planning

van de IJ-oevers destijds (ca. 1990) niet aankon.

Die de stedenbouwkundige kant van de oplapperij van

het Rijksmuseum aan een deelraad overliet die op de

fietsonderdoorgang een onvervalst dominantieritueel

botvierde. Een gemeente aan wie de renovatie en

uitbouw van haar eigen Stedelijke Museum volledig is

ontsnapt en die de complexe planning van de Noord-

Zuidlijn compleet uit de hand heeft laten lopen, vooral

Column: evolutie (2): het dominantieritueel

Evolutie (2): het dominantieritueel

P. 226

door het projectbureau op ouderwetse wijze ongecontroleerd

zijn gang te laten gaan met naar niemand anders te

luisteren dan naar zichzelf. Dag in dag uit verzamelden

de medewerkers van dat bureau ’s morgens stapels

stenen, om die de rest van de dag naar ter zake kundige

criticasters en lekenoordelende politici te gooien. “Als

Santino bezig is met zijn dominantieritueel is hij veel te

opgewonden om stenen te zoeken. Kennelijk weet hij dat,

en bereidt hij zich voor als hij nog kalm is.”

Evolutie. Maakt het wel uit of wij onze plannen in Artis en

Blijdorp of de Apenheul laten vervaardigen, in plaats van

door duurbetaalde particuliere en publieke burelen?

Doet het ertoe of wij de welig tierende projectbureaus –

“Je hebt er geen greep op, het is daar een komen en gaan

van procesfreaks”, zeggen mijn vrienden – bevolken met

ingenieurs en doctorandussen in plaats met van bonobo’s

en chimpansees? Filosofisch gesproken kan de mens

niet iets maken dat de menselijke schaal te boven gaat,

maar meerdere mensen tegelijk kunnen blijkbaar wel

een proces in elkaar draaien, dat zo ziekelijk ingewikkeld

is, dat het te hoog reikt voor hun beheersingsvermogen.

Toch, denk ik stiekem, heeft dat een functie: brood op de

plank, dik belegd brood op de plank. Natuurlijk dien ik

mijn filosofische stelling aangaande de menselijke schaal

opnieuw aan kritische onderzoekingen te onderwerpen.

De evolutie blijkt gevorderd tot het Santino-stadium. De

artikelen uit NRC Handelsblad over de Noord-Zuidlijn van

december 2008 bevestigen dit: “Metro als speeltje van

ambtenaren en techneuten”, luidt de dodelijke conclusie.

“Kennelijk moest hij andere mannen zijn macht tonen –

desnoods mensenmannen.”

In de geografie en de planologie is de biologie lang geleden

met de voddenboer meegegeven. Over territoriumgedrag

en biologische reflexen van de welvarende homo

expansives schrijven en spreken wij nooit en wij richten

onze plannen er niet naar. Dat verdient herziening.


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009

Advertentie

P. 227


Rooilijn Jg. 42 / Nr. 3 / 2009 InBeeld: dubai, van vissersdorpje tot global city

P. 228

More magazines by this user
Similar magazines