8 - Nederlandse Vereniging van bioMedisch ...

nvml.nl

8 - Nederlandse Vereniging van bioMedisch ...

Oktober 2008 • 63ste jaargang nr: 8

STAGE SPECIAL

Stageverslagen Fontys Hogeschool

Competentiegerichte opleiding Applied Science

Competenties Een nieuwe MLO-stagiaire

Kwaliteit Rondzendingen pathologie

Bureau NVML Afscheid Annelia Govers

Marja Pospiech

nieuwe bureaudirecteur


Maasstad Ziekenhuis. Van ons allemaal.

Maasstad Ziekenhuis is de nieuwe naam van Medisch Centrum Rijnmond-Zuid. Maasstad Ziekenhuis heeft

vrijwel elk basisspecialisme in huis en een aantal bijzondere en topklinische functies. Het ziekenhuis

heeft de ambitie uit te groeien tot een toonaangevend ziekenhuis, met professionele kwaliteit en

klantgerichtheid als de twee belangrijkste pijlers. Maasstad Ziekenhuis bouwt voor zijn huidige locaties

Clara en Zuider een gloednieuw ziekenhuis bij station Rotterdam Lombardijen. De opening is in 2010.

chemie met collega’s?

Maasstad Ziekenhuis zoekt voor de afdeling klinische chemie een

vakspecialist chemie

Jij

– bezit een hlo-opleiding klinisch chemisch analist

– beschikt over relevante kennis en ervaring op het gebied van

klinisch chemische routine apparatuur alsmede apparatuur

voor Point-of-care testen

– bent verantwoordelijk voor de operationele aansturing van

analisten en stagiairs

– zorgt ervoor dat apparatuur operationeel blijft, dat benodigde

materialen op voorraad zijn en dat vernieuwingen doorgevoerd

worden

– bent een enthousiaste, initiatiefrijke en flexibele team-player met

goede contactuele eigenschappen

Meer weten?

Neem contact op met mevrouw I. Pons, manager klinische chemie,

010 - 291 35 04 of dr. K.M.T. de Bruyn, klinisch chemicus,

010 - 291 20 27. Arbeidsvoorwaarden conform de CAO Ziekenhuizen

Wij

– verrichten klinisch chemische en hematologische

laboratoriumbepalingen ten behoeve van diagnose,

preventie en behandeling van ziekten

– werken met 110 medewerkers (83 fte) op onze beide locaties

– bieden een aantrekkelijke werkomgeving met volop

mogelijkheden tot verdere ontwikkeling

– vragen een collega voor minimaal 32 uur per week

Solliciteren?

Je sollicitatie kun je sturen naar Maasstad Ziekenhuis, Personeelszaken,

t.a.v. Mirjam Mohamedali, Postbus 9119, 3007 AC Rotterdam,

of per e-mail aan mohamedalim@maasstadziekenhuis.nl

Maasstad Ziekenhuis, Groene Hilledijk 315, Olympiaweg 350,

Rotterdam, www.maasstadziekenhuis.nl


In dit nummer

228

228

229

230

231

232

233

234

235

236

237

238

239

240

241

242

246

248

Stageverslagen Fontys Hogeschool

Optimization of fluorescent biolabels for use in sandwich immunoassays

Peter Fastenau

Vertolast: de ontwikkeling van een nieuwe methode voor de behandeling

van ingezakte osteoporotische wervels

Raymond Hannes

Function of p97 in regulation of neuronal membrane recycling

Timo E. F. Kuijt

Op jacht naar genen via Map based cloning

Elise Leisink

Expression and purification of an oncology kinase for crystallization

Ineke Lunenburg

Het effect van polymorfisme in DNA-repair gen ERCC2 op de werking van het

chemotherapeuticum oxaliplatin

Ellen Martens

Bepaling van parameters van de secundaire hemostase: is er een verschil

tussen de eerste en tweede afgenomen buis?

Carolien Menting

Antigeenproductie voor dierlijke vaccins

Cindy Muisers

Frizzled receptors as biomarkers for imaging of heart repair

Martine Prinsen

Optimalisatie thermofiel kaaszuurselkweek

Danny Stultiens

Activating protein clearance in polyglutamine disorders

Suzanne van der Horst

SNX-3: a new player in Wnt signaling

Roy van Heesbeen

De rol van miRNA’s in acute lymfatische leukemie bij kinderen

Charlotte Verouden

Bepaling van bloedpigmenten in liquor cerebrospinalis bij een verdenking op

een subarachnoïdale bloeding

Manon Vollebregt

Nieuwe competentiegestuurde opleiding aan de Fontys

Hogeschool Toegepaste Natuurwetenschappen:

Applied Science

M. Meester en H. Wedershoven

Applied Science is een competentiegestuurde, breed natuurwetenschappelijke opleiding die zich

richt op het microbiologische, chemische en chemisch technologische werkveld.

SKKP: rondzendingen pathologie

M. van Moorst

Tijdens de zogenaamde “Leidschendam conferenties” begin jaren 90 is de basis gelegd voor de

kwaliteitszorg binnen de medische laboratoria. ‘Kwaliteit’ werd steeds belangrijker, met name het

constant verbeteren van je bedrijfsvoering/technieken werden sleutelwoorden.

Competentiegericht opleiden en begeleiden

Een nieuwe MLO-stagiaire

J. Baars; Onderwijscommissie NVML

De afgelopen weken zijn honderden MLO-stagiaires begonnen aan een nieuwe stage. Voor de

stagiaire, maar ook voor het lab, altijd weer een belangrijk moment omdat een goede start de kans op

een succesvolle stage vergroot.

Gaat er werkelijk iets veranderen nu we met competenties aan de slag gaan? Wat verandert er voor ons

als stagebegeleiders?

252

253

250

251

249

249

252

254

250

Uitgave: Nederlandse Vereniging van bioMedisch Laboratoriummedewerkers

NVML-leden ontvangen Analyse gratis.

Copyright: Het overnemen van artikelen is alleen toegestaan

na toestemming van de redactiecoördinator.

De NVML aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor de

gepubliceerde advertenties; evenmin houdt het opnemen

van advertenties en industriële informatie een aanbeveling

van de NVML in.

ISSN 0166-7688

Vaste Rubrieken

Agenda

Opleidingen

• Life sciences, Hogeschool Utrecht

• HAN Biocentre

• Transfergroep Rotterdam

• Avans+

Berichten

Werkplek

Verenigingsnieuws

Van achter de bestuurstafel....

- Afscheid Anelia Govers

- Marja Pospiech nieuwe

bureaudirecteur

Nieuwe leden

NVML-cursus: Theorie en kliniek

van immunoassays

Uitslag Website-puzzel

Analyse oktober 2008 227


Optimization of fluorescent biolabels for

use in sandwich immunoassays

Naam: Peter Fastenau

Stage: Philips Research Eindhoven

Detection of ultra-low biomarker concentrations in small sample-volumes requires a sensitive detection

technique. The sensitivity is to a large extent determined by the label which is used in conjunction with the

biochemical capture molecule. The sensitivity of sandwich immunoassays can potentially be increased by

using fluorescent nano-particles. Fluorescent beads of different sizes are functionalized, characterized and

compared to fluorescent molecules in a sandwich immunoassay. The signal intensity per label increases with

size. However, the lower limit of detection may not scale with label intensity due to changes in the binding

kinetics and non-specific interactions.

Goal

Fluorescent beads are functionalised using biomarker

specific antibodies. Subsequent conjugate characterization

is conducted using various methods such as spectroscopy,

dynamic light scattering, scanning electron microscopy and a

dedicated confocal fluorescence scanner. Conjugation yield,

average size, polydispersity, colloidal stability, functionality

and assay performance are determined.

Results

Beads of 40, 57, 100 and 900 nm were conjugated to monoclonal

antibodies and compared to a fluorescent molecular label

with a similar emission spectrum. Agglomeration is a major

issue when covalently coupling antibodies to beads via EDC

(1-ethyl-3-[3-dimethylaminopropyl]) carbodiimidecoupling.

Removal of excess material such as EDC and unbound

antibodies induced irreversible agglomeration. A low

yield (0 – 25%) was obtained after agglomerate removal

through ultrafiltration. The colloidal stability was low and

agglomeration was induced by the separation methods

which are required for removing excess material at the scale

of a millilitre.

Monodisperse bead biolabel conjugates with 40 and 57 nm

bead diameter were constructed after optimizing the total

surface area, reducing EDC and antibody concentration (e.g.

degree of labeling) during conjugation.

Unfortunately, beads with low Ab coverage show reduced

functionality and high non-specific binding to the surfaces of

the wells. Therefore the bead-based labels showed a lower

sensitivity than molecular labels despite the much higher

signal intensity per label (up to a factor of 1000). The intensity

does not scale with diameter due to the different spectral

characteristics of the selected beads on the fluorescence

scanner.

Conclusion

Beads induce higher signal per binding event as compared

to molecular labels. However, monodisperse beads show

reduced binding capability while functional beads tend

to agglomerate irreversibly. Reduction of the non-specific

binding to the surface is vital for sensitive assays. Further

optimization is required.

228

Analyse oktober 2008

Figuur 1 Scanning electron micrograph of a surface covered with fluorescent

nanobeads.


Vertolast: De ontwikkeling van een nieuwe

methode voor de behandeling van ingezakte

osteoporotische wervels

Student: Raymond Hannes

Stage: Aap bio implants Netherlands bv.

Vertolast: De ontwikkeling van ee

methode voor de behandeling van

Jaarlijks worden er in Nederland 16.000 wervelfracturen geconstateerd, vaak met als achterliggende oorzaak

osteoporose. Deze zeer pijnlijke breuk is moeilijk te behandelen met de huidige behandelmethoden. Daarnaast

kennen de huidige chirurgische behandelingen ernstige bijwerkingen. osteoporotische Aap bio implants Netherlands wervels. heeft

daarom een nieuwe methode ontwikkeld voor de behandeling van ingezakte osteoporotische wervels.

Raymond Hannes stage: aap bio implants Netherlands bv.

Eén op de drie vrouwen en één op de acht mannen zal na combinatie

Jaarlijks

van

worden

wensen

er

en

in

mogelijkheden

Nederland 16.000

gevonden

wervelfracturen

om het

geconst

het 55ste levensjaar te maken krijgen met osteoporose. Deze product en de behandeling te laten voldoen aan de eisen van

ziekte, ook Vertolast: wel de stille epidemie De genoemd, ontwikkeling achterliggende

zorgt ervoor dat de specialist. van een oorzaak nieuwe osteoporose. Deze zeer pijnlijke breuk is

het menselijke systeem van bot-regeneratie wordt verstoord. Resultaat

huidige behandelmethoden. Daarnaast kennen de huidige chirur

De productie methode van bot door osteoblasten voor de wordt behandeling verstoord, Het bijwerkingen. project is van afgerond, Aap ingezakte

waarbij bio implants er een product Netherlands is ontworpen heeft daarom een nie

waardoor de afbraak door osteoclasten het bot verzwakt. dat de klaar behandeling is voor productie. van ingezakte In de huidige osteoporotische vorm zal het nog wervels.

Door deze osteoporotische verzwakking treden er sneller botbreuken wervels.

op in door de nodige klinische studies en registratieprocedures

het bot. Een van de pijnlijkste en moeilijkst te behandelen moeten 1 op komen de 3 voor vrouwen er een en werkelijke 1 op de marktintroductie 8 mannen zal plaats

Raymond Hannes stage: aap bio implants Netherlands bv.

breuken is een wervelbreuk.

kan na vinden. het 55ste De gevormde levensjaar hypothese te maken en het krijgen nieuwe met product

Bijwerkingen

Er bestaan

zijn osteoporose. gedurende Spineweek Deze ziekte, 2008 in Genève ook wel voorgelegd de stille aan zowel het suc

Behandeling

een epidemie aantal artsen, genoemd, waarbij er zorgt zeer grote ervoor interesse dat voor het de

Jaarlijks worden er in Nederland 16.000 wervelfracturen geconstateerd, vaak met als

Over het algemeen wordt er gekozen voor een behandeling nieuwe menselijke methode was. systeem Bij deze van opdracht bot-regeneratie

is gebruikgemaakt

achterliggende oorzaak osteoporose. Deze zeer pijnlijke

waarbij gebruik wordt gemaakt van het vastzetten van van wordt breuk

een groot verstoord. is moeilijk

aantal verschillende De productie te behandelen

achtergronden. van bot met door de

Naast

de breuk huidige met behulp behandelmethoden. van een korset, Daarnaast toediening kennen van de goed huidige osteoblasten projectmanagement chirurgische wordt behandelingen verstoord en goede waardoor kennis ernstige van de zaken

pijnbestrijdende bijwerkingen. middelen Aap en bio bedrust. implants Daarnaast Netherlands wordt er heeft over daarom afbraak de biologische een door nieuwe osteoclasten en methode biomechanische het ontwikkeld bot verzwakt. kenmerken voor van

steeds vaker de behandeling gekozen voor van een ingezakte chirurgische osteoporotische behandeling. wervels. het Door menselijke deze lichaam verzwakking was ook treden kennis van er sneller chemie en

Kyphoplasty en vertebroplasty zijn de meest gebruikte polymeerchemie

botbreuken

onontbeerlijk

op in het

om

bot.

deze

Een

opdracht

van

tot

de

een

pijnlijkste en moeilijkst te behandelen

methoden. 1 op Beide de methoden 3 vrouwen maken en gebruikt 1 op de van 8 mannen een PMMAzal

succesvol Bijwerkingen einde te brengen.

breuken is een wervelbreuk.

polymeer. na Het het MMA-monomeer 55ste levensjaar wordt te met maken opgelost krijgen PMMA- met Er bestaan verschillende theorieën over

polymeer osteoporose. gemengd en in Deze de nog ziekte, vloeibare ook fase wel geïnjecteerd de stille zowel het succes van de behandeling als de

in de ingezakte epidemie wervel. genoemd, Na het uitharden zorgt fixeert ervoor het materiaal dat het veel voorkomende bijwerkingen. Bijwerkingen

de wervel menselijke waarna de pijn systeem in 80% van van de gevallen bot-regeneratie

geheel of van de behandeling zijn onder andere cement

gedeeltelijk wordt verdwijnt. verstoord. De productie van bot door lekkage (19,7%) (veroorzaakt trombose en

osteoblasten wordt verstoord waardoor de neurologische problemen (1,6%)), necrose

veel voorkom

van de behan

lekkage (19,7

neurologische

van het weef

van PMMA,

verhoogde

aangrenzende

Met de laatst

aap bioimp

opdracht uitg

ontwikkelen v

behandeling

wervels.

Bijwerkingen afbraak door osteoclasten het bot verzwakt. van het weefsel door de exotherme reactie

Er bestaan Door verschillende deze verzwakking theorieën over treden zowel het er succes sneller van PMMA, de toxiciteit van MMA, en de

van de behandeling botbreuken als de op veel in voorkomende het bot. Een bijwerkingen. van de

Bijwerkingen pijnlijkste van de en behandeling moeilijkst zijn te onder behandelen andere

cementlekkage breuken (19,7%, is een wervelbreuk.

dit veroorzaakt trombose en

neurologische problemen: 1,6%), necrose van het weefsel

door de exotherme reactie van PMMA, de toxiciteit van MMA,

en de verhoogde kans op wervelbreuken in aangrenzende

wervels (17,9%). Met de laatste bijwerking in gedachten heeft

aap bioimplants Netherlands BV. een opdracht uitgeschreven

met als doel het ontwikkelen van een nieuwe methode voor

verhoogde kans op wervelbreuken in

aangrenzende wervels (17,9%).

Met de laatste bijwerking in gedachten heeft

aap bioimplants Netherlands BV. een

opdracht uitgeschreven met als doel het

ontwikkelen van een nieuwe methode voor de

behandeling van osteoporotische ingezakte

Figuur1 wervels. Een doorsnede Een doorsnede van een wervelbreuk veroorzaakt veroorzaakt

door osteoporose.

door osteoporose

de behandeling van osteoporotische ingezakte wervels. Behandeling

Over het algemeen wordt er gekozen voor

Vertolast

Er is een hypothese opgesteld die het verhoogd risico op

verdere fracturen in aangrenzende wervels verklaart. Deze

een behandeling waarbij gebruik wordt

gemaakt van het vastzetten van de breuk met

behulp van een korset, toediening van

Links: aangrenz

Rechts: Wervel

behandeling va

hypothese, gebaseerd op de hardheid en de flexibiliteit pijnbestrijdende middelen en bedrust.

van het materiaal, geeft aan dat de behandelde wervels Daarnaast wordt er steeds vaker gekozen Vertolast

geen flexibiliteit kennen waardoor krachten in de gehele

Een doorsnede van een wervelbreuk veroorzaakt

wervelkolom niet op een goede manier worden verwerkt.

door osteoporose

Hierdoor komt er meer druk op de overige osteoporotische

wervels, waardoor ook deze breuken kunnen vertonen. Met de

materiaaltechnische

Behandeling

en de biomechanische eigenschappen

Over het algemeen wordt er gekozen voor

in gedachten is Vertolast ontwikkeld. Dit elastomeer wordt

een behandeling waarbij gebruik wordt

op dezelfde manier ingebracht in de wervels en na uitharding

gemaakt van het vastzetten van de breuk met

fixeert het materieel de wervel. In Vertolast is de juiste

behulp van een korset, toediening van

pijnbestrijdende middelen en bedrust.

Daarnaast wordt er steeds vaker gekozen

voor een chirurgische behandeling.

Kyphoplasty en vertebroplasty zijn de meest

gebruikte methoden. Beide methoden maken

voor een chirurgische behandeling.

Kyphoplasty en vertebroplasty zijn de meest

gebruikte methoden. Beide methoden maken

gebruikt van een PMMA polymeer. Het MMA

monomeer wordt met opgelost PMMA

polymeer gemengd en in de nog vloeibare

Figuur2 Links: fase geïnjecteerd Links: aangrenzende in wervel de direct ingezakte direct na behandeling. na behandeling wervel. Rechts: Na

Wervelbreuk Rechts: het uitharden ontstaan Wervelbreuk twee fixeert weken ontstaan na het de behandeling materiaal 2 weken van aangrenzende de na de wervel wervels.

behandeling

waarna de

van

pijn

aangrenzende

in 80% van

wervels.

de gevallen

geheel of gedeeltelijk verdwijnt.

Er is een h

waarschijnlijk

r i s i c o i s o

aangrenzend

gebaseerd op

van het ma

behandelde w

waardoor kra

niet op een g

Hierdoor kom

osteoporotisc

breuken kunn

Analyse oktober 2008 229

Vertolast

Er is een hypothese opgesteld die het

waarschijnlijk maakt dat er een verhoogd

r i s i c o i s o p v e r d e r e f r a c t u r e n i n


Function of p97 in regulation of neuronal

membrane recyclin

Naam: Timo E. F. Kuijt

Stage: Vakgroep Celbiologie, Universitair Medisch Centrum Utrecht

Endocytosis of glutamate receptors is an essential step in cell signalling pathways in the brain. Internalized

glutamate receptors can be retained intracellularly or are targeted for recycling. This recycling mechanism

is thought to be important for regulation of synaptic strength response to neurotransmitter release. The

underlying molecular mechanisms regulating synaptic plasticity are poorly understood.

Rab small GTPases are molecular switches known to regulate

endocytic steps through interactions with effector proteins.

Endocytosed membranes and receptors are important for

cellular survival, thus recycling occurs through the endosomal

compartments. The recycling pathway is regulated by rab4

(early endosomes) and rab11 (recycling endosomes) (figure

1). On the rab11 positive recycling endosomes rab4 positive

domains are found. We previously identified p97 as a rab4

binding protein. P97 is a neuronal enriched protein, shown to

be in complex with glutamate receptors. Our data showed that

p97 couples rab4 to rab11 through an unknown intermediate

(figure 2). Preliminary data suggests that a rab11 effector

FIP might interact with p97. The rab11 family of interacting

proteins (FIPs) are membrane associated and divided into two

classes based on domain homology. We hypothesize that the

rab4/p97 complex is coupled to rab11 through FIP and hereby

regulates membrane recycling in neurons.

My goal in this internship is to investigate the possible

interaction of p97 with FIP, using biochemical and fluorescence

microscopy assays.

Results and discussion

During my internship I generated expression constructs

required for the experiments. The N-terminus of p97

Glutathione S-transferase (GST) fusion protein was produced

in E. coli. I utilized the Spodoptera frugiperda (Sf9) / baculovirus

expression system to produce C-terminal recombinant p97

fusion proteins because degradation occurred in E. coli. The

GST-p97 truncated proteins were purified and subsequently

used in an in vitro pull down assay on lysates from COS7

cells transfected with FIP. Preliminary data shows that p97

interacts with FIP and strongest with the N-terminus of p97.

The experiment requires further optimization to quantify the

interaction in vitro.

In parallel I used co-immunoprecipitation assays to

investigate in vivo interactions. In this experiment COS-

7 cells were transiently transfected with GFP-p97 and

myc-FIP. After detergent extracts were prepared, p97 was

immunoprecipitated with an anti-GFP antibody. Binding of

FIP was analysed by immunoblotting and FIP was detected

using an anti-myc antibody. Early data shows that p97 can

interact with FIP in vivo. Quantification shows that FIP binds a

5-fold higher to p97 than our negative control FIP. Both FIPs in

this experiment are from the same class. We cannot exclude

p97 binding to other members of this class of FIPs based on

our current data.

During the final part of my internship I started with localization

experiments of p97 and FIP. HeLa cells were cotransfected

with GFP or myc tagged p97 and FIPs. Epitope tagged proteins

were immunolabelled after 3% paraformaldehyde fixation.

Preliminary experiments showed localization of p97 and FIP

to be as described in literature. However the experiments

were not suitable to study colocalization of p97 with FIP.

230

Analyse oktober 2008

Conclusion and future plans

Taken together our preliminary data show that p97 can interact

with FIP both in vivo and in vitro. Additional experiments

are required to optimize the biochemical assays. We will

include a second negative control of a FIP from another class.

Furthermore, we will perform a GST-pulldown assay with full

length p97 produced in baculovirus / Sf9 cells. Fluorescence

microscopy requires optimization of the expression levels of

p97 to acquire higher signals.

Figure 1 Schematic representation of the endosomal recycling pathway. Rab4

regulates endocytic events from the EE to PM and RE. Rab11 regulates events from

the RE to the PM.

Figure 2 Schematic representation of our working model. Both rab4 and rab11

are membrane associated. The rab4/p97 complex couples rab11 possibly through

interaction with FIP. This allows vesicle targeting to rab11 positive recycling

endosomes.

Figuur 1 en figuur 2 van het artikel van Leisink (pg 231)


Op jacht naar genen via Map based cloning

Student: Elise Leisink

Stage: Radboud Universiteit, section plant genetics

Bij deze afstudeeropdracht is gewerkt met Arabidopsis thaliana. Dit is een kleine bloeiende plant die tot de

Brassiceae (mosterd) familie behoort en wordt gebruikt als modelorganisme in de cellulaire en moleculaire

plantbiologie. Uiteindelijk is het wenselijk om de functies van alle genen in Arabidopsis thaliana te leren

kennen (Functional Genomics).

Tijdens de stage werd een poging gedaan om het gen dat

verantwoordelijk is voor het prl2 (pleiotropic regulatory locus

2) fenotype te identificeren met behulp van een map-based

cloning benadering. Het fenotype van de prl2 mutant werd

reeds omschreven. De prl2 mutant zal in het donker een open

hoek en korte hypocotyl (stengeldeel onder de zaadlobben)

vertonen. (figuur 1) Andere kenmerken van de prl2 mutant

zijn: veranderde respons op licht en hormonen, verminderde

wortelgroei, late bloei en dwerggroei. (figuur 2)

Om de functie van een bepaald gen te leren kennen zijn er

twee mogelijke benaderingen: forward en reverse genetics.

Bij reverse genetics wordt uitgegaan van een bekend gen,

waarin een mutatie wordt aangebracht – bijvoorbeeld door

insertie- of chemische mutagenese - en vervolgens wordt

gekeken naar de gevolgen (veranderd fenotype). Bij forward

geneticas wordt eerst gezocht naar een mutant, waarna wordt

bepaald welk gen hiervoor verantwoordelijk is. Indien het

om een kleine mutatie (bijvoorbeeld een puntmutatie) gaat,

wordt map based cloning gebruikt om het verantwoordelijke

gen te identificeren. Bij map based cloning is het de bedoeling

een bepaald gen te lokaliseren in het genoom door gebruik

te maken van een genetische kaart.

Eerst wordt er een mutatie in het genoom veroorzaakt

(reverse genetics), in dit geval de prl2-mutatie. Dit geeft

een afwijkend beeld in het fenotype. Vervolgens zal van

de mutant een mapping-populatie worden gemaakt. Deze

wordt verkregen door de mutant te kruisen met een wildtype

van een ander ecotype. Een ecotype is een genetische unieke

populatie die zich heeft aangepast aan zijn lokale omgeving.

Het DNA van verschillende ecotypes verschilt licht van elkaar

(polymorfismen), wat het werken met moleculaire markers

mogelijk maakt.

De F1 individuen (mutant x wildtype) zijn heterozygoot, en

zullen in de meeste gevallen een wildtype fenotype geven,

de mutatie is namelijk veelal recessief in de overerving. De F1

individuen zullen met zichzelf gekruist worden. Dit resulteert

in F2 zaad dat vervolgens gebruikt kan worden als mapping

populatie.

De F2 individuen zijn geschikt als mapping populatie

omdat hier crossing-over plaats kan vinden tussen de

ouder-chromatiden van beide ecotypes. Dit gebeurt tijdens

het de eerste deel van de meiose nadat het chromosoom

verdubbeld is. Hierbij ontstaat er een nieuwe ‘opmaak’

van de chromosomen van het ‘nieuwe’ individu. Van deze

recombinatie wordt gebruik gemaakt bij map-based cloning.

In de F2 populatie bevinden zich individuen die homozygoot

wildtype, homozygoot mutant en heterozygoot zijn voor het

betreffende gen. De F2 individuen die homozygoot mutant

zijn zullen een afwijkend beeld geven in het fenotype. Van

deze mutanten is bekend dat het mutant gen aanwezig is,

ook de genetische achtergrond van dit gen is bekend.

Op basis van polymorfisme (het voorkomen van variaties in het

DNA) tussen de verschillende ecotypes kunnen PCR primers

ontworpen worden. Er wordt gebruik gemaakt van InDel

(Insertie/Deletie) of SNP (Single Nucleotide Polymorfisme)

polymofisme. Wanneer de PCR primers polymorfisme tussen

beide ecotypes kunnen aantonen geeft dit een moleculaire

marker. De moleculaire makers liggen verspreid en op

specifieke plaatsen in het genoom, al de moleculaire markers

samen vormen een genetische kaart.

Indien een marker niet aan het mutante gen gekoppeld

is, zal het onafhankelijk overerven (1:3 in het geval van een

dominant marker en 1:2:1 in het geval van een co-dominante

marker). Gekoppelde markers, d.w.z. markers die dichtbij het

gezochte gen liggen erven vaak gekoppeld over en laten

een afwijkende overerving zien. De recombinatie frequentie

hangt af van de afstand tussen het gemuteerde gen en de

marker. Hoe dichter de marker en het gemuteerde gen bij

elkaar liggen, hoe kleiner de kans is dat tussen deze twee

posities recombinatie zal optreden. Een volledig gekoppelde

marker zal dezelfde genetische achtergrond hebben als het

mutante gen en dus als zodanig scoren in elke onderzochte

mutant.

De lokalisatie van de genen in het genoom zal in eerste

instantie worden gedaan met AFLP (Amplified Fragment

Length Polymorphism), waarmee een eerste indicatie van

de ligging van het mutant gen wordt verkregen. AFLP is een

op PCR-gebaseerde marker techniek, waarbij gebruik wordt

gemaakt van homozygote mutante individuen. AFLP is een

dominante marker techniek, er zal dus op afwezigheid van

het wildtype fragment worden gescoord. Wanneer het met

AFLP niet mogelijk is het geflankeerde gebied verder te

verkleinen, wordt overgegaan op fine-mapping.

Bij fine-mapping wordt gebruik gemaakt van op PCRgebaseerde

markers binnen het gebied dat het gezochte

gen bevat. Er wordt gebruik gemaakt van van InDel of SNP

polymorfisme. Dit zijn co-dominante marker technieken

waarbij onderscheid gemaakt kan worden tussen het

homozygote en heterozygote karakter van de marker. Er

wordt met twee markers gewerkt, één boven en één onder

het mutante gen. Zo wordt het flankerende gebied steeds

verder verkleind, tot een gebied waar binnen nog een klein

aantal genen ligt. Om te bepalen welk van de overgebleven

genen verantwoordelijk is voor de mutatie, kan gebruik

worden gemaakt van een aantal andere technieken zoals

bijv. sequencen. Voor begonnen wordt met sequencen wordt

eerst een lijst met genen gemaakt die zich in het betreffende

gebied bevinden. Op basis van deze informatie wordt

gezocht naar kandidaat genen. De belangrijkste kandidaat

genen kunnen dan gesequencet worden. Hierbij wordt het

gesequencete fragment van het kandidaat gen uit de mutant,

met het gesequencete DNA van het wildtype vergeleken. Er

wordt een ander sequence patroon verkregen van de mutant

t.o.v. het wildtype wanneer het gesequencete gen de mutatie

bevat.

(voor figuren zie pg 230)

Analyse oktober 2008 231


ation of an oncology kinase for

Expression and purification of an oncology

kinase for crystallization

ering Plough, Molecular Pharmacology Oss (MPO)

ithin different Student: pathways, Ineke Lunenburg like cell division. A lot of kinases

Stage: Schering Plough, Molecular Pharmacology Oss (MPO)

tumor growth. These oncology kinases therefore are

make a chemical Kinases which play a inhibits critical role such within a kinase, different an pathways, in- like cell division. A lot of kinases are overexpressed

D crystal structure

during

is

tumor

very

growth.

useful.

These

To make

oncology

a 3D

kinases

crystal

therefore are interesting drug targets. To make a chemical

which inhibits such a kinase, an in-house-made experimental 3D crystal structure is very useful. To make a

ncology kinase was expressed and purified.

3D crystal structure, a representative oncology kinase was expressed and purified.

------------------------------------------------------------------------------------------nase

was

First, the

increase

tumorigenic

the

kinase

yield.

was expressed

Different

using the

other

baculo- Therefore, we aimed to find a buffer which stabilizes the

-expression expression optimizations system. This on step the did not purification cause problems, protocol except oncology kinase during concentration. A Thermal denaturation

e problems,

expression,

for a low were yield. determined After expression, which the kinase lead to was a purified. better The

purification protocol contains an affinity chromatography step

yield and purity of the purified tumorigenic

based on the 6x His-tag and a “polishing” chromatography

assay was performed. The Thermal denaturation assay uses

Sypro-Orange which binds to hydrophobic areas of a protein

when unfolded/denatured. When Sypro-Orange binds, it

purification step after kinase. removal To of obtain the tag. crystals, While purifying initial the screening kinase some has fluorescent properties. By increasing the temperature

affinity problems (with occurred. global The buffers) chromatography was carried steps did out work but well. to the kinase, the melting temperature (Tm) of the kinase in

the 6x Hisgraphy

step

The main problem was while concentrating the kinase. Loss/

more screening is necessary to obtain

precipitation of the kinase occurred during concentration.

Different crystals methods for of making concentration an experimental were tried, but did 3D not

the tested buffer can be determined. Buffers which lead to

an increase in Tm of the oncology kinase were used during

concentration, but unfortunately did not increase the yield.

ile purifying lead to crystal an increase structure. of the kinase yield.

Several other optimizations on the purification protocol were

curred. The

rk well. The

determined which led to a better yield and purity of the

purified tumorigenic kinase.

To obtain crystals, initial screening with global buffers was

ntrating the

carried out but more screening is necessary to obtain crystals

the kinase

n. Different

ied, but did

ield. To find

e oncology

a Thermal

rmed. The

ses Syprohobic

areas

/denatured.

for making an experimental 3D crystal structure.

, it has

reasing the

ase, the

e kinase in Figure 1: An example of a crystal structure of an oncology

determined.

kinase

se in Tm of

sed during

ely did not

Figure 1 An example of a crystal structure of an oncology kinase.

232

Analyse oktober 2008


Het effect van polymorfisme in DNA-repair

gen ERCC2 op de werking van het

otherapeuticum oxaliplatin

Student: Ellen Martens

Stage: Laboratorium voor klinische en experimentele farmacogenetica, LUMC, Leiden

Dikkedarmkanker is een veel voorkomende kankersoort in de wereld. Jaarlijks sterven er vele mensen aan

deze vorm van kanker. Dikke darmkanker wordt onder andere behandeld met oxaliplatin. Oxaliplatin vormt

crosslinks met het DNA, waardoor er geen replicatie van het DNA kan plaatsvinden, de tumorgroei wordt zo

gereduceerd. Echter, er is een systeem in cellen aanwezig dat crosslinks in het DNA herstelt, het Nucleotide

Excision Repair (NER). Single Nucleotide Polymorphisms (SNPs) op diverse genen van het NER-systeem zijn

geassocieerd met de reactie van patiënten op oxaliplatin.

Doel

ERCC2 is een helicase die een belangrijke rol speelt in het

NER-systeem. Op ERCC2 zijn verschillende SNP’s te vinden,

waaronder op aminozuurplaats 751, dit is een verandering

van lysine naar glutamine. ERCC1 is ook een onderdeel van het

NER-systeem en speelt een belangrijke rol bij het functioneren

van het systeem - zonder ERCC1 kunnen mensen niet leven.

Eerder is onderzocht of een SNP op het ERCC1 gen (C118T)

mogelijk een rol speelde bij de reactie op oxaliplatin. Uit deze

studie is gebleken dat dit niet het geval was. Er is wel een link

tussen ERCC1 C118T SNP en ERCC2 G751T SNP (figuur 5). Als

er een mutatie op het ERCC1 gen (C118T) aanwezig is, dan is

de mutatie ook op het ERCC2 (K751Q) ook aanwezig. Tevens

zijn de mRNA-expressies van deze genen gelijk en wijken ze

beide af van de mRNA-expressie van de andere NER-genen.

Tevens speelt ERCC2 K751Q een belangrijke rol bij de

overleving van dikkedarmkankerpatiënten die zijn behandeld

met oxaliplatin. Tijdens deze stage is er onderzoek gedaan

van het effect van ERCC2 K751Q op de werking van het

chemotherapeutic oxaliplatin.

Opzet

ERCC2 K en Q zijn uit cDNA geamplificeerd met PCR en

vervolgens gerecombineerd in een destination vector

(pDEST). Deze destination vector is een eukaryotische vector,

waarop een GFP-gen en een neomycinegen aanwezig is. Het

GFP-gen wordt gebruikt als controle van de transfectie en het

neomycinegen geldt als resistentiegen voor getransfecteerde

cellen. ‘Chinese ovarian hamster’ cellen, die deficiënt zijn voor

ERCC2, zijn getransfecteerd met pDEST-ERCC2 K751 en Q751.

Er is een stabiele cellijn gemaakt door de getransfecteerde

cellen te sorteren met behulp van ‘cell sorting (FACS)’ en

geneticine toe te voegen aan de cellen. Vervolgens is de

toxiciteit van oxaliplatin op deze cellijnen bepaald met de

sulfurhodamine binding (SRB) assay. Bij deze assay wordt de

cellen in een 96-wells plaat uitgezaaid en voor 24h behandeld

met verschillende concentraties oxaliplatin. Oxaliplatin heeft

24h de tijd om crosslinks in het DNA te vormen. Vervolgens

is het oxaliplatin bevattend medium vervangen door vers

medium zonder oxaliapltin en zijn de cellen verder gekweekt

voor 4 dagen.

De cellen zonder crosslinks zullen zich vermenigvuldigen en

cellen met crosslinks niet. Na 4 dagen zijn de cellen gefixeerd

en gekleurd met SRB. Vervolgens zijn de gekleurde cellen

opgelost in Tris-HCl en is de OD560 hiervan bepaald.

Resultaten

Uit de resultaten van de SRB-assay blijkt dat ERCC2 K751

en ERCC2 Q751 hetzelfde reageren op oxaliplatin. ERCC2

K751Q is dus niet de oorzaak van de gevarieerde reactie op

oxaliplatin bij dikkedarmkankerpatiënten. Verder onderzoek

moet uitwijzen wat wel een functioneel effect heeft op de

gevoeligheid van oxaliplatin.

Analyse oktober 2008 233


Bepaling van parameters van de secundaire

hemostase Is er een verschil tussen de eerste

en tweede afgenomen buis?

Student: Carolien Menting

Stage: Klinisch Laboratorium - Máxima Medisch Centrum

Hemostase is het proces dat zorgt voor het stelpen van een bloeding na beschadiging van een bloedvat.

Dit gebeurt door een samenspel van trombocyten, stollingsfactoren en componenten uit de vaatwand.

Als het proces van hemostase is verstoord door een tekort aan trombocyten (trombocytopenie), een

trombocytenfunctiestoornis (trombocytopathie) of een tekort aan één of meer stollingsfactoren, dan kan

er een verhoogde bloedingsneiging ontstaan. Laboratoriumonderzoek is van essentieel belang om te

achterhalen welke ziekte de oorzaak is van de bloedingsneiging.

In de praktijk is er een grote discussie gaande of bij de

aanvraag van stollingsonderzoek naar de secundaire

hemostase de eerste afgenomen buis al dan niet gebruikt

zou mogen worden. In de richtlijnen van het NCCLS staat

namelijk dat de eerste afgenomen buis weggegooid moet

worden, omdat hierin door het vrijkomen van weefselfactor

bij de venapunctie en door het stuwen, de parameters van

de secundaire hemostase kunnen worden beïnvloed. Dit zou

kunnen leiden tot onjuiste uitslagen. In de huidige praktijk

blijft door het gebruik van extreem scherpe, ‘lage weerstand’naalden

en het na de punctie meteen losmaken van de

stuwband, de invloed op de parameters van de secundaire

hemostase waarschijnlijk zeer beperkt. Dit is de reden dat

er in de huidige praktijk dus wel gebruikgemaakt wordt van

de eerste afgenomen buis voor stollingsonderzoek naar de

secundaire hemostase, maar is dit wel juist?

Onderzoeksdoel

Het verschil tussen de eerste en tweede afgenomen buis op

de bepaling van parameters van de secundaire hemostase

vast te stellen.

Methode

Om het verschil tussen de eerste en tweede afgenomen buis

op de bepaling van parameters van de secundaire hemostase

vast te kunnen stellen, werden er twee citraatbuizen (buis

1 en buis 2) afgenomen bij patiënten uit verschillende

patiëntengroepen. Uit elke citraatbuis werden tegelijkertijd

dezelfde stollingsparameters geanalyseerd (APTT, PT,

Antitrombine, Proteïne C, factor II, factor V, factor X, factor

VIII en factor IX). De resultaten werden met de t-toets voor

gepaarde waarnemingen statistisch verwerkt. Hierbij was

de nulhypothese: resultaten van buis 1 zijn niet gelijk aan

de resultaten van buis 2. De 2-tailed p-waarde die met de ttoets

voor gepaarde waarnemingen wordt berekend, geeft

de kans aan dat het verschil berust op toeval. Dus als deze 2tailed

p-waarde groter is dan 0,05 (kans op toeval kleiner dan

5%, zekerheid dus groter dan 95%), wordt de nulhypothese

verworpen. De t-toets voor gepaarde waarnemingen is een

gevoelige test, kleine wiskundig significante verschillen

worden hiermee opgepikt. Het is daarom van belang te weten

wanneer een eventueel verschil klinisch relevant is. Hiervoor

wordt de intra SD-waarde gebruikt. Dit is de analytische

variatie die de standaarddeviatie binnen een run aan geeft,

dus tussen twee duplobepalingen. Het verschil wordt als

klinisch relevante waarde beschouwd als het verschil groter

is dan twee maal de intra SD-waarde. waarnemingen niet is

verworpen, en dat er dus een wiskundig significant verschil is

tussen de eerste en tweede afgenomen buis. Dit betekent dat

er gekeken moet worden of het verschil klinisch relevant is

234

Analyse oktober 2008

Resultaten

In tabel 1 zijn de resultaten van de t-toets voor gepaarde

waarnemingen per stollingsparameter weergegeven. Het aantal

geanalyseerde patiënten is 88.

Tabel 1 Resultaten per stollingsparameter.

Stollings- Buis Gemiddelde SD Verschil 2-tailed p

parameter (95% Cl)

APTT 1 39,3 11,7 -0,47 0,0004

(seconden) 2 38,9 11,3 (-0,73 tot -0,22)

PT 1 23,8 19,7 0,02 0,70

(seconden) 2 23,8 19,8 (-0,09 tot 0,13)

Antitrombine 1 101 10 0,7 0,005

(%) 2 101 10 (0,2 tot 1,2)

Proteïne C 1 81 33 0,8 0,0001

(%) 2 82 33 (0,4 tot 1,2)

Factor II 1 83 45 0,5 0,20

(%) 2 84 45 (-0,3 tot 1,4)

Factor V 1 102 21 0,2 0,74

(%) 2 102 21 (-0,8 tot 1,1)

Factor X 1 75 46 0,1 0,82

(%) 2 75 46 (-1,0 tot 0,8)

Factor VIII 1 95 49 0,6 0,15

(%) 2 96 49 (-0,2 tot 1,5)

Factor IX 1 89 44 0,4 0,33

(%) 2 90 44 (-0,4 tot 1,1)

De in het blauw weergegeven resultaten geven aan dat de

nulhypothese: resultaten van buis 1 zijn niet gelijk aan de

resultaten van buis 2, op basis van de t-toets voor gepaarde

waarnemingen niet is verworpen, en dat er dus een wiskundig

significant verschil is tussen de eerste en tweede afgenomen

buis. Dit betekent dat er gekeken moet worden of het verschil

klinisch relevant is met behulp van de analytische variatie, de

intra SD-waarde. Deze vergelijking is te zien in tabel 2.

Tabel 2 Verschil tussen de eerste en tweede afgenomen buis met

de analytische variatie.

Stollingsparameter Verschil 2 x Intra SD

APTT (seconden) 0,47 0,80

Antitrombine (%) 0,7 3,6

Proteïne C (%) 0,8 4,4

Uit de resultaten van tabel 2 blijkt dat de gevonden verschillen

binnen de twee maal de intra SD-waarde blijven, wat betekent

dat deze verschillen niet van klinisch relevante waarde zijn.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat er geen klinisch relevant

verschil is tussen de eerste en tweede afgenomen buis op

de bepaling van parameters van de secundaire hemostase.

Dit betekent dat de invloed op de parameters van de

secundaire hemostase door het vrijkomen van weefselfactor

bij de venapunctie en door het stuwen, beperkt blijft. De

eerste afgenomen buis kan dus gewoon worden gebruikt

voor stollingsonderzoek naar parameters van de secundaire

hemostase.


Antigeenproductie voor dierlijke vaccins

Student: Cindy Muisers

Stage: Tissue Culture Boxmeer (TCB), Intervet Schering-Plough Animal Health

Tissue Culture Boxmeer is een jonge en groeiende antigeenproductieafdeling. Er worden zowel levende als

geïnactiveerde antigenen geïntroduceerd en geproduceerd in zogenaamde cleanrooms. De bijbehorende

productieprocessen dienen voor een groot gedeelte geoptimaliseerd te worden voor het verkrijgen van

hogere virusyields tijdens producties.

Binnen Intervet Schering-Plough Animal Health is Tissue

Culture Boxmeer (TCB) de jongste antigeenproductieafdeling

met de nieuwste voorzieningen en technieken. De afdeling

bestaat sinds februari 2007.

Nieuwe producten met bijbehorende productieprocessen

worden nog steeds geïntroduceerd op deze afdeling. Er

worden zowel levende als ook geïnactiveerde antigenen

(voornamelijk viraal, maar ook parasitair) getransfereerd en

geproduceerd op de afdeling onder Good Manufacturing

Practices (GMP) en MI III condities.

De werkzaamheden worden uitgevoerd in cleanrooms. In

deze ruimtes dient onder downflow aseptisch gewerkt te

worden.

Zoogdiercellen worden op grote schaal gekweekt in

zogenaamde Roller Bottles (afbeelding 1a). Deze cellen

worden geïnfecteerd met virus, waarna na bepaalde

incubatietijd het antigeen wordt geoogst. Dit antigeen wordt

vervolgens gebruikt om in vaccins te verwerken.

Katten en honden

In 2008 zullen onder andere productieprocessen voor een

aantal kattenvirussen naar TCB worden getransfereerd. Zie

afbeelding 2a voor ongeïnfecteerde zoogdiercellen en 2b

voor met virus geïnfecteerde zoogdiercellen.

Ook productie van hondenvirussen wordt in 2008

getransfereerd naar TCB. Om hogere virusopbrengsten

te bereiken voor deze virusantigenen zijn van de

productieprocessen optimalisaties tijdens de gecombineerde

stage/afstudeerperiode uitgevoerd. Van ieder virus werd

de tijd van oogst vergeleken met de MOI (Mulitiplicity

of Infection, hoeveelheid toegevoegd virus per cel). Van

twee virussen is ook nog een experiment ontworpen met

Design of Experiments en uitgevoerd met parameters MOI,

oogsttijdstip en celdichtheid.

De titers van de verkregen monsters werden bepaald volgens

de Spearman & Kärber methode (TCID50/ml). Het project

heeft geresulteerd in robuustere productieprocessen dankzij

de verkregen aanvullende kennis.

Figuur 1a Roller Bottle

Figuur 1b Cleanroompak

Figuur 2a Zoogdiercellen

Figuur 2b Geïnfecteerde zoogdiercellen

A

B

Analyse oktober 2008 235


Frizzled receptors as biomarkers

for imaging of heart repair

Student: Martine Prinsen

Schering-Plough Research Institute, Oss

The Wnt/β-catenin pathway is a highly conserved signaling pathway that is involved in many developmental

processes, including embryogenesis, cell differentiation and cell fate. The pathway is also known as the

‘canonical signaling pathway’ and signals through the activation of Frizzled receptors and the co-receptor

LRP5/6 by Wnt ligands.

The activation of the Wnt/β-catenin pathway leads to

accumulation of the β-catenin protein which translocates to

the nucleus and associates with co-transcription factors to

induce transcription of Wnt target genes. Aberrant activation

of canonical signaling can lead to various pathologies and

clinical conditions, including cancer. Additionally, research of

Blankesteijn et al. showed that the canonical Frizzled-1 and

Frizzled-2 receptor are highly expressed in myofibroblasts

after myocardial infarction (MI). Because myofibroblasts

are suggested to play an important role in the cardiac heart

healing process, surrogate ligands that bind to the Frizzled-

1 and Frizzled-2 receptor may be used as probes to monitor

the process of heart healing. Development of cellular assays

that can be used to measure Frizzled receptor activation

was therefore conducted using the Enzyme Fragment

Complementation technology (EFC), which is based on the

complementation of two separate fragments of the E. coli βgalactosidase

enzyme.

In this research project, the nuclear translocation of the βcatenin

protein was employed as a measure of Frizzled receptor

activation. As a positive control for ligand-induced nuclear

translocation, a fusion protein between the glucocorticoid

receptor and a fragment of β-galactosidase (GR-prolabel) was

used.

236

Analyse oktober 2008

Results

Results showed that HEK293 and U2OS cells expressing a

nuclear resident complementary β-galactosidase fragment

(EA-nuc) and stably transfected with GR-prolabel responded

reproducibly to dexamethasone in a dose dependent manner,

observed by an increase in β-galactosidase activity.

Subsequently, EFC experiments were performed with cells

transiently transfected with a β-catenin-prolabel construct.

Protein expression of this construct was verified by western

blot analysis and the functionality was determined using the

TOPFLASH luciferase reporter gene assay. Results showed that

stimulation of transiently transfected cells with a naturally

occurring ligand for Frizzled receptors (recombinant mouse

Wnt-3a) did not cause an increase in β-galactosidase activity.

It was therefore chosen to stably transfect the cells with the βcatenin-prolabel

construct. In U2OS-EA-nuc cells, an increase

in β-galactosidase activity was observed, although only after

single cell cloning. Experiments with these single cell clones

have provided promising results, although further research is

required before the assay can be used in a screening campaign

for surrogate ligands.

Picture from:

Giles, R.H., J.H. van Es, and H. Clevers, Caught up

in a Wnt storm: Wnt signaling in cancer. Biochim

Biophys Acta, 2003. 1653(1): p. 1-24.

(A) In the absence of W nt, β-catenin is phosphorylated by CK1 and GSK3β, leading to ubiquitylation and proteasomal degradation of β-catenin, mediated by the

destruction complex consisting of Axin, APC and GSK3β. In the nucleus, transcription of β-catenin responsive genes is inhibited by the binding of the Groucho complex

(Grg) to TCF.

(B) Upon binding of Wnt to the Frizzled receptor and coreceptor LRP5/6, Wnt signaling becomes active. The phosphorylation of β-catenin by CK1 and GSK3β is inhibited

due to destabilization of the destruction complex. Upon pathway activation, Dishevelled (in this figure as Dsh) becomes hyperphosphorylated and gets recruited to the

C-terminus of the Frizzled receptor. Following Dishevelled translocation to the plasma membrane, Axin is presumably recruited to the cytoplasmic tail of the LRP receptor,

which renders the destruction complex incapable of phosphorylating β-catenin. β-catenin accumulates in the cytoplasm and translocates to the nucleus. In the nucleus,

β-catenin physically replaces the Groucho complex and binds to the TCF co-transcriptional factor. Transcription of β-catenin dependent target genes then initiates.


Optimalisatie thermofiel kaaszuurselkweek

Student: Danny Stultiens

Stage: groot zuivel bedrijf, afdeling R&D

Deze afstudeeropdracht had als doel om de kweek van het thermofiele adjunctzuursel te optimaliseren zodat

de doseerconcentratie aan de kaasmelk zo laag mogelijk kan worden gehouden, terwijl de smaakvorming

gelijk blijft. Als deze optimale kweekomstandigheden zijn gevonden worden deze toegepast in de

productiefaciliteiten.

In het kaasproductieproces wordt standaard een

bacteriecultuur aan de kaasmelk toegevoegd. Dit zuursel

is verantwoordelijk is voor de verzuring van de melk en

de vorming van smaak en gaten in de kaas gedurende het

rijpingsproces.

In bepaalde recepturen wordt ter ondersteuning van

de smaakvorming of smaakdifferentiatie thermofiele

adjunctcultures gebruikt. Deze adjunctcultures dragen

niet bij aan de verzuring van de kaas. Het meest gebruikte

adjunctzuursel is een culture met de thermofiele Lactobacilles

helveticus (ook veel gebruikt in Parmezaanse kaas). Omdat

het wenselijk is om een zo laag mogelijke concentratie

zuursel toe te voegen, maar zoveel mogelijk smaakvorming

te bewerkstelligen, moet de celconcentratie in het zuursel zo

hoog mogelijk zijn. Dit omdat de smaakvorming in de kaas

wordt veroorzaakt door enzymen dit zich in de bacteriecellen

bevinden.

Om deze celconcentratie zo hoog mogelijk te krijgen moet

worden gezocht naar de optimale groeiomstandigheden. Dit

wordt uitgevoerd in fermentoren waarin de omstandigheden

nauwkeurig kunnen worden geregeld.

Proefopzet

Er werd met verschillende kweekparameters gevarieerd.

Van de uitgevoerde kweken werden enkele eigenschappen

gemeten, zoals het verzurende vermogen van een cultuur

- en nog belangrijker: het smaakvormende vermogen. De

optimale eigenschappen zouden zijn een zo hoog mogelijk

smaakmakend vermogen, zodat de kaas uiteraard meer

smaak krijgt, met een zo laag mogelijk verzurend vermogen,

zodat het pH-verloop tijdens het kaasproductieproces niet

wordt beïnvloed.

Werkwijze

De testen werden in een fermentatielaboratorium op school

uitgevoerd in de vorm van contractonderzoek. Op het moment

dat goede resultaten met aangepaste kweekomstandigheden

zijn gevonden wordt het kaasproductieproces opgeschaald

in een pilotplant. Als in deze pilotplant met aangepaste

omstandigheden de resultaten nog steeds beter zijn dan bij

de originele omstandigheden wordt verder opgeschaald naar

de productieafmetingen.

Van de kweken uit de productiereactoren worden enkele

charges proefkazen gemaakt die in de tijd nauwkeurig worden

gevolgd en regelmatig getest op eigenschappen zoals smaak

en consistentie.

Daarnaast werden de productie-kweekreactoren van

verschillende fabrieken bezocht en bestudeerd om te bepalen

wat de verschillen tussen deze reactoren zijn. Eventuele

verschillen in de reactoren worden aangepast en verbeterd

om de kweekomstandigheden te verbeteren en overal gelijk

te krijgen. Hiermee wordt de reproduceerbaarheid van de

kaasproductie over de verschillend productiefaciliteiten

verhoogd.

Resultaten

De experimenten lopen op dit moment nog, maar er zijn

al enkele bijzondere uitslagen gevonden die niet waren

verwacht.

Discussie en conclusie

Met de gevonden resultaten worden de

zuurselproductiefaciliteiten geadviseerd in aanpassingen

voor hun kweekomstandigheden en eventueel aanpassingen

aan kweekapparatuur.

Figure 1 Schematic representation of the endosomal recycling pathway. Rab4

regulates endocytic events from the EE to PM and RE. Rab11 regulates events from

the RE to the PM.

Analyse oktober 2008 237


Activating protein clearance in polyglutamine

disorders

Student: Suzanne van der Horst

Stage: Department of Cell Biology and Histology, AMC, Amsterdam

Many neurological disorders, such as Alzheimer’s, Parkinson’s and Huntington’s Disease, are caused by the

accumulation and aggregation of protein (fragments). Apparently, the present cellular clearance mechanisms

can not sufficiently cope with these fragments. Huntington’s Disease is one of over 10 polyglutamine (polyQ)

disorders caused by a polyQ expansion in the disease-causing protein. When the glutamine-expansion

exceeds 40 glutamines, polyQ fragments of the protein accumulate and form aggregates, leading to

neuronal toxicity.

Doel

Our cells have various peptidases that can target protein

fragments and recycle them into amino acids. Since the

release of extended polyQ peptides seems to be the

bottleneck in different polyQ disorders, we investigated

whether particular peptidases could target these polyQ

peptides, thereby preventing aggregation. We used a model

system which releases polyQ peptides of different lengths in

cells. While polyQ peptides shorter then 40 glutamines were

rapidly degraded, peptides over 40 glutamines accumulated

and formed aggregates. Using this system, the effect of overexpressing

or inhibiting specific peptidases on polyQ peptide

aggregation could be examined.

Results

Two different peptidases showed activity against extended

polyQ peptides. When over-expressed, the puromycinspecific

aminopeptidase (PSA) reduced the number of

aggregates in cells, as well as the level of monomeric polyQ

peptide levels. The large tri-peptidyl peptidase II (TPPII) also

showed activity against polyQ peptides, as inhibition led to an

increase of aggregates, whereas over-expression reduced the

aggregate levels. None of the two peptidases were recruited

to aggregates, suggesting that these peptidases target

monomeric polyQ peptides before they have the chance

to aggregate. Future research will examine the role of both

peptidases in more detail, and also whether these peptidases

affect polyQ aggregation in disease models expressing the

original polyQ expanded proteins. Next, compounds will be

screened that affect peptidase activity levels, which should

thereby lead to enhanced polyQ clearance.

Whereas cells on the right show bright polyQ aggregates,

cells with increased peptidase activity levels show diffuse

fluorescence staining and the absence of aggregates

238

Analyse oktober 2008

Figuur 1 Non-toxic cells.

Figuur 2 Toxic polyQ cells.


SNX-3: a new player in Wnt signaling

Student: Roy van Heesbeen

Stage: Hubrecht Instituut

Het Hubrecht instituut, onderdeel van de Koninklijke Nederlands Academie van Wetenschappen (KNAW),

doet toonaangevend onderzoek op het gebied van ontwikkelingsbiologie, genetica en stamcelonderzoek.

Hiervoor wordt er voornamelijk gebruikgemaakt van modelorganismen zoals de muis, rat, zebravis en

nematode worm. Binnen de onderzoeksgroep van dr. Rik Korswagen bestuderen wij Wnt-signalering.

Wnt-eiwitten zijn evolutionair geconserveerde signaaleiwitten

die een cruciale rol spelen bij de ontwikkeling van organismen,

de regeneratie van weefsels en in vele andere processen.

Daarnaast kan deregulatie van de Wnt-signaalroute leiden tot

diverse ziektes, waaronder kanker.

Wnt-eiwitten

De Wnt-eiwitten zijn van nature hydrofobe eiwitten door

diverse post-translationele modificaties. De eiwitten worden

geproduceerd in Wnt-producerende cellen. Deze cellen

secreteren vervolgens de Wnt-eiwitten in de extracellulaire

matrix. Vervolgens binden de Wnt-eiwitten op receptoren van

de Wnt-ontvangende cellen. Deze cellen kunnen vervolgens

door diverse signaaltransductieroutes reageren op het Wntsignaal.

Dit kan onder andere leiden tot celproliferatie en

-differentiatie. Wnt-signalering is goed bestudeerd in de

Wnt-ontvangende cellen, maar de maturatie en secretie van

Wnt-eiwitten in de Wnt-producerende cellen zijn niet goed

bestudeerd en zeer complex. Nadat de nieuw gesynthetiseerde

Wnt-eiwitten zijn gemodificeerd in het endoplasmatisch

reticulum, worden ze vervoerd naar het Golgi. In het Golgi

binden de eiwitten aan een sorteerreceptor, genaamd Wntless.

De Wntless-receptor speelt een cruciale rol in Wnt-signalering

door de Wnt-eiwitten naar het celmembraan te transporteren

waar ze uitgescheiden worden in de extracellulaire matrix. Na

het uitscheiden van Wnt-eiwitten wordt de Wntless-receptor

geëndocyteerd door AP-2/clathrin endocytose. Vervolgens

wordt de receptor terug gerecycled naar het Golgi door middel

van het retromeercomplex, een eiwitcomplex dat betrokken is

bij het transport van membraaneiwitten van endosomen naar

het Golgi.

Modelsysteem

In de Korswagen groep maken wij gebruik van de nematode

Caenorhabditis elegans als modelsysteem om Wnt-secretie

in de Wnt-producerende cellen te bestuderen. Om Wntsignalering

in C. elegans te bestuderen, hebben wij een

groep van neuronen, de Q-neuroblasten gevisualiseerd. De

afstammende cellen van deze neuronen migreren tijdens

de larve-ontwikkeling in een bepaalde richting. De richting

van deze migratie wordt bepaald door het Wnt-eiwit EGL-

20. Wanneer EGL-20 niet correct wordt uitgescheiden uit de

Wnt-producerende cellen, zal de migratie van deze neuronen

worden aangetast. De migratie van deze Q-neuroblasten

gebruiken wij om Wnt-signalering te bestuderen. Onlangs heeft

de Korswagen groep een genoomwijde screen uitgevoerd om

genen te identificeren die betrokken zijn bij Wnt-signalering.

Sorting nexin 3, een eiwit dat behoort tot de familie van Phoxhomologie

bevattende sorting nexins, is een van de genen die

geïdentificeerd waren in deze screen.

Resultaten

Mijn project was het verder onderzoeken van sorting nexin

3 en andere genen die wij in de screen hebben gevonden.

Tijdens mijn stage heb ik gevonden dat sorting nexin 3 mutant

wormen, naast een defecte migratie van de Q-neuroblasten,

ook andere Wnt-defecten hebben. Daarnaast heb ik via

weefselspecifieke rescue-experimenten kunnen aantonen dat

sorting nexin 3 nodig is in de Wnt-producerende cellen. Zoals

eerder is aangetoond in gist, werkt sorting nexin 3 mogelijk als

een specifieke adapter in Wntless-recycling door het retromeer

complex (figuur 1). Tevens hebben we gevonden dat een

andere sorting nexin, sorting nexin 5, mogelijk ook betrokken is

bij Wnt-signalering. Omdat wij in vorige experimenten hebben

laten zien dat het klassieke retromeer onderdeel sorting nexin

1 geen Wnt-signaleringsafwijkingen toont, denken wij dat

sorting nexin 5 de functie sorting nexin 1 kan overnemen in

het retromeercomplex.

Andere genen

Daarnaast hebben we nog diverse andere genen gevonden

die mogelijk betrokken zijn bij Wnt-signalering. Ik heb tijdens

mijn stage aangetoond dat drie componenten van het

exocyst-complex een belangrijke rol spelen bij de migratie

van de Q-neuroblasten. Het exocyst-complex is betrokken bij

gepolariseerde secretie, en speelt mogelijk een rol in de secretie

van Wnt-eiwitten in de Wnt-producerende cellen. Verdere

studies met knock-out wormen zullen moeten laten zien of

het exocyst daadwerkelijk een rol speelt in Wnt-signalering.

Een andere groep van eiwitten die we hebben gevonden zijn

de vitellogenine eiwitten. Vitellogenines zijn de C. elegans

lipoproteïnes die nodig zijn bij het transport van nutriënten

naar de oöcyten. Uitschakelen van deze eiwitten leidt tot

defecten in Wnt-signalering, wat eerder al was gevonden in

Drosophila. Wij denken dat deze eiwitten betrokken zijn bij

de formatie van de Wnt-gradiënt in de extracellulaire matrix

door de hydrofobe Wnt-eiwitten te stabiliseren. Hierdoor

wordt het mogelijk voor de hydrofobe Wnt-eiwitten om op

een lange afstand (tot wel 20 celdiameters) te signaleren. Het

huidige model van Wnt-eiwitsecretie staat weergegeven in

onderstaande figuur.

Figuur 1 Het retromercomplex. Het complex bestaat uit drie componenten

(VPS35, VPS26 en VPS29) die binden aan de membraaneiwitten die gerecycled

moeten worden. Tevens bevat het complex twee endosoom-bindende eiwitten

(Sorting nexin 1/2). Mogelijk werkt Sorting nexin 3 als een specifieke adapter

voor het retromer om de Wnt-receptor Wntless te recyclen. Sorting nexin 5 kan

mogelijk de functie van Sorting nexin 1/2 overnemen.

Analyse oktober 2008 239


De rol van miRNA’s in acute lymfatische

leukemie bij kinderen

Student: Charlotte Verouden

Stage: Eramus MC – Sophia kinderziekenhuis, Rotterdam

Recent is er een geheel nieuwe klasse RNA’s ontdekt die niet coderen voor een eiwit, zogenaamde microRNA’s

(miRNA’s). miRNA’s zijn korte enkelstrengs RNA-moleculen die ~ 21-25 nucleotiden lang zijn. Deze moleculen

ontstaan uit endogene hairpintranscripten en functioneren als gidsmoleculen in de remming van de

eiwitsynthese. Dit gebeurt door het binden van het miRNA aan het target messenger RNA (mRNA), wat

leidt tot transcriptionele onderdrukking van het mRNA. Op deze manier heeft miRNA een belangrijke rol

in verschillende biologische processen zoals proliferatie, apoptosis en differentiatie. Juist deze processen

kunnen ontregeld zijn in kanker. Dit suggereert dat miRNAs een rol kunnen hebben in de pathogenese van

kanker, zoals acute lymfatische leukemie (ALL). De rol van deze miRNA’s, zoals miR-708, is nog niet bekend

in ALL bij kinderen.

Materiaal en methode

Om de rol van miR-708 te kunnen bestuderen, werd de miR-708expressie

gestimuleerd in een ALL-cellijn. De cellijn die geschikt

was om miR-708 in tot overexpressie te brengen, moest voldoen

aan twee criteria. Het eerste criterium was dat de cellijn de

noodzakelijke miRNA-machineriecomponenten Drosha, Pasha,

Dicer en Argonaute (Ago) 2 tot expressie bracht. De expressie van

de miRNA-machineriecomponenten werd gemeten met behulp

van Real-Time-PCR. Het tweede criterium was dat de miR-708expressie

van nature laag tot nauwelijks aanwezig was. De miR-

708-expresssie werd gemeten met behulp van stem-loop Real-

Time-PCR. Een geschikte cellijn, die aan de hier boven genoemde

voorwaarden voldeed, werd gevonden en deze cellijn werd

gebruikt om het effect van miR-708 te onderzoeken. Hiertoe

werd miR-708 gekloneerd in een construct en getransformeerd

in bacteriën. Na isolatie werd het miR-708 construct in Phoenix

Ampho cellen, deze cellen zijn in staat om virale partikels te

produceren, getransfecteerd, waarna het werd ingebouwd in

virale partikels. De gekozen cellijn werd geïnfecteerd met deze

virale partikels.

Resultaat

De MLL cellijn Bel-1, een subtype van ALL, bleek een geschikte

cellijn te zijn om de miR-708 expressie in te stimuleren. Bel-1

is een onrijpe vroege B-cellijn en brengt miR-708 van nature

laag tot expressie zoals bepaald is door stem-loop RT PCR,

en tevens brengt deze cellijn alle noodzakelijke miRNAmachineriecomponenten

tot expressie. Hiermee voldoet Bel-1

aan de twee bovengenoemde criteria voor een geschikte cellijn.

Hoewel op dit moment het miR-708 construct succesvol te

verpakken is in virussen, heeft de daarop volgende stap, infectie

van Bel-1, nog optimalisatie nodig.

Toekomst

Indien we een efficiënte infectie kunnen bewerkstelligen, kan

niet alleen het effect op proliferatie, overleving en differentiatie

bestudeerd worden, maar ook het effect van miR-708 op de

genen FES en Ikaros. Deze twee genen staan in de top tien van het

computeralgoritme mIRANDA op basis van sequentiehomologie

en conservatie en zijn mogelijke targetgenen van miR-708.

Omdat de infectie-efficiëntie veel te laag was, zoals hierboven

al beschreven, behoeft de infectiestap optimalisatie. Daarvoor

zijn er drie mogelijke methodes: de soft agar methode,

seriële dilutie en Fluorescence-activated cell sorting (FACS).

Deze drie methoden zijn verschillende methoden om de

gewenste (positieve) getransfecteerde cellen te concentreren.

240

Analyse oktober 2008

De soft-agar methode doet dit door cellen in welletjes met soft

agar te groeien, zodat één positieve cel zich deelt en zo een

kolonie van positieve cellen ontstaat die later opgegroeid kan

worden in een plaat. De seriële dilutie berust op het principe dat

de cellen zo verdund worden dat er uiteindelijk één cel per well

aanwezig is. Wanneer die cel positief is, ontstaat er een kolonie

van positieve cellen die later ook weer opgegroeid worden

in een plaat. De FACS methode vindt plaats door selectie met

een specifieke marker die aanwezig is in het miR-708 construct,

namelijk het Green Fluorescent Protein (GFP). Het GFP eiwit als

is alleen aanwezig in cellen getransfecteerd met het miR-708

construct en kan dus gebruikt worden om GFP-positieve cellen

te sorteren van GFP-negatieve cellen. Uitgezocht moet worden

welke van deze drie methoden de beste is.

Figuur 1

GFP-expressie in Phoenix

Ampho cellen na

transfectie met het miR-

708 construct.

A: Phoenix Ampho cellen

getransfecteerd met

miR-708 construct

gezien onder normaal

licht.

B: Dezelfde cellen gezien

onder fluorescent licht.

C: Overlap van foto’s uit

A en B als impressie

van de transfectieefficiëntie

die

~ 50 % was.


Bepaling van bloedpigmenten in liquor

cerebrospinalis bij een verdenking op een

subarachnoïdale bloeding

Student: Manon Vollebregt

Stage: Klinisch Chemisch Hematologisch Laboratorium, St. Elisabeth ziekenhuis Tilburg

Bloedpigmenten, oxyhemoglobine en bilirubine, in liquor cerebrospinalis (liquor c.s.) worden bepaald

om een SubArachnoïdale Bloeding (SAB) aan te tonen of uit te sluiten. Een SAB is een bloeding in de

subarachnoïdale ruimte van de hersenen waar liquor c.s. stroomt (figuur 1).

Bij een SAB mengt bloed zich met liquor c.s. en lyseren de in

het bloed aanwezige erytrocyten meteen - oxyhemoglobine

komt vrij. Oxyhemoglobine wordt omgezet in bilirubine en

vanaf 12 uur na de bloeding kan bilirubine gedetecteerd

worden. Zowel oxyhemoglobine als bilirubine kunnen

gedetecteerd worden via UV/VIS spectrofotometrie. Het

aantonen van alleen oxyhemoglobine in liquor c.s. is niet

goed bruikbaar voor het aantonen van een bloeding omdat

oxyhyemoglobine ook vrijkomt als er sprake is van een

traumatische punctie (aanprikken van een bloedvat tijdens de

afname van liquor c.s.). Aangezien bilirubine in de hersenen

in de liquor c.s. ontstaat, is dit een betere parameter om een

SAB aan te tonen. Extra voordeel is dat bilirubine tot vier

weken aanwezig kan blijven in liquor c.s.

Doel

Het doel is om een geschikte methode voor bloedpigmenten

in liquor c.s. op te stellen voor de labdiagnostiek bij

een verdenking van een subarachnoïdale bloeding,

gebruikmakend van de Diode Array Spectrofotometer Agilent

8453 UV/VIS.

Methodes

Drie verschillende methodes om bloedpigmenten in liquor

c.s. te bepalen zijn onderzocht. Bij alle drie de methodes

wordt eerst een absorptiespectrum van het monster

gemeten met de UV/VIS, maar de berekening van extincties

naar concentraties is verschillend.

1. Methode 1ste afgeleide

Hierbij wordt het absorptiespectrum omgezet naar de

eerste afgeleide. Het spectrum van de eerste afgeleide

is de richting van de verandering in extinctie uitgezet

tegen de golflengte (figuur 2). Uit dit spectrum kan de

concentratie bilirubine berekend worden.

2. Iteratieve methode

Het verkregen absorptiespectrum wordt bij de iteratieve

methode ontrafeld in de afzonderlijke curves van de

bloedpigmenten. Vervolgens kunnen de concentraties

van de bloedpigmenten afgelezen worden aan de hand

van deze individuele spectra gecombineerd met de

calibratiecurves.

3. Absorptiemeting A450nm

Bij de absorptiemeting wordt er eerst een calibratiecurve

voor bilirubine gemaakt . Bij deze calibratiecurve is de

concentratie uitgezet tegen de extinctie bij een bekende

golflengte (A450nm). Als de extinctie bij A450nm van een

liquor bekend is, kan de concentratie bilirubine in liquor

afgeleid worden uit de calibratiecurve.

Resultaten

Uit het vergelijkende onderzoek blijkt dat de methode

1ste afgeleide en de iteratieve methode beide geschikt

zijn voor het bepalen van bloedpigmenten in liquor c.s.

De absorptiemeting A450nm blijkt niet geschikt te zijn,

omdat uit het onderzoek blijkt dat (hoge concentraties)

oxyhemoglobine de bepaling van bilirubine storen, de

bilirubineconcentratie is dan vals-verhoogd.

Discussie

Uiteindelijk is gekozen voor de iteratieve methode, gezien

het gemak en de robuustheid. Naast de analytische

validatie van de methode moet nog een klinische validatie

plaatsvinden om de beslisgrens ‘wel/ geen SAB’ te bepalen.

Op dit moment worden er bij de iteratieve methode

grenswaarden vastgesteld. Het vaststellen van beslisgrenzen

gebeurt normaal door de nieuwe methode te vergelijken

met een ‘gouden standaard’. Een ‘gouden standaard’ is die

diagnostische methode, die bij een bepaalde aandoening, de

grootste zekerheid geeft over het wel/niet hebben van deze

aandoening. Het probleem is dat er voor SAB geen ‘gouden

standaard’ beschikbaar is. Als oplossing is gekozen om

uitslagen van patiënten zonder enige verdenking op SAB te

vergelijken met een populatie van SAB verdachte patiënten

(incidentie SAB 1:10). Aan de hand van deze resultaten zal de

beste beslisgrens vastgesteld gaan worden.

Figuur 1

De subarachnoïdale ruimte ligt boven de hersenen tussen het zacht hersenvlies (pi

Figuur 1 De subarachnoïdale ruimte ligt boven de hersenen tussen het zacht

hersenvlies (pia mater) en het spinnenwebvlies(arachnoidea).

Figuur 1

De subarachnoïdale ruimte ligt boven de hersenen tussen het zacht hersenvlies (pia ma

Absorbance (AU)

Absorbance (AU)

d1(Absorbance)

d1(Absorbance)

0.04

0.03

0.02

0.01

0

0.04

0.0015

0.03 0.001

0.0005

0.02

0

0.01

-0.0005

-0.001 0

-0.0015

350 400 450 500 550 600 650 Wavelength (nm)

350 400 450 500 550 600 650 Wavelength (nm)

0.0015

0.001 Figuur 2

0.0005

Absorptiespectrum en 1

0

-0.0005

ste afgeleide.

Maximum absorptiecurve is nulpunt. Als de absorptiecurve stijgt, is de afgeleide po

-0.001

-0.0015

350 400 450 500 550 600 650 Wavelength (nm)

Figuur 2 Absorptiespectrum en 1ste afgeleide.

Maximum absorptiecurve is nulpunt. Als de absorptiecurve stijgt, is de afgeleide

positief en als deze daalt, is de afgeleide negatief.

Analyse oktober 2008 241

350 400 450 500 550 600 650 Wavelength (nm)

Figuur 2

Absorptiespectrum en 1 ste afgeleide.


Nieuwe competentiegestuurde opleiding aan de

Fontys Hogeschool Toegepaste Natuurwetenschappen

Applied Science

M. Meester en H. Wedershoven; Fontys Toegepaste Natuurwetenschappen, Eindhoven

In 2004 is aan de Fontys Hogescholen de nieuwe opleiding Applied Science gestart en in juli 2008 hebben

we de eerste afgestudeerden kunnen feliciteren.

Applied Science is een competentiegestuurde, breed natuurwetenschappelijke opleiding die zich richt op

het microbiologische, chemische en chemisch technologische werkveld. Na een brede instroom kan een

student door de vele keuzemogelijkheden zich specialiseren in een van de zeven beroepsdomeinen: Life

Science, Diagnostics, Biomedical Science, Molecular Science, Engineering, Molecular Science & Engineering,

Communication & Commerce. Een belangrijk ontwerpprincipe is de verwevenheid van het werkveld in de

opleiding. De eerste afgestudeerden hebben zeer succesvol de opleiding afgerond. In het vervolg van dit

tijdschrift worden samenvattingen van een aantal afstudeeropdrachten gepresenteerd.

Er is al jaren sprake van een afnemende belangstelling voor

studies in de natuurwetenschappen. Dit uitte zich bij de

Fontys Hogeschool Toegepaste Natuurwetenschappen (TNW)

in jaarlijks afnemende aanmeldingen voor de opleidingen

Biologie- en Medisch Laboratoriumonderzoek, Chemie en

Chemische Technologie.

We hadden al een aantal jaren een gemeenschappelijke

propedeuse, maar deze berustte op een consensusmodel dat

te veel was gestoeld op de gemeenschappelijke onderdelen

uit de verschillende opleidingen, waardoor de beginnende

student geen duidelijk beroepsbeeld kreeg.

In de jaren 1999 tot 2002 werd getracht een vernieuwing

in gang te zetten door uit te gaan van een onderwijsmodel

waarin studenten van de verschillende opleidingen weliswaar

op onderdelen samenwerkten, maar altijd vanuit hun eigen

discipline. Door nog verder afnemende studentaantallen is

deze ontwikkeling in 2002 stop gezet.

Na een periode van bezinning kreeg TNW in het voorjaar

van 2002 van de Raad van Bestuur de opdracht de drie

opleidingen Biologie en Medisch Laboratoriumonderzoek,

Chemie en Chemische Technologie te laten opgaan in een

‘brede, mens- en maatschappijgerichte opleiding Applied

Science’.

242

Jaar 1

Cursussen + JIT

800

4 projecten

680

SLB

200

1680

Analyse oktober 2008

Jaar 2

Cursussen

400

ASIA-projecten

380

Vrije minor

840

SLB

60

1680

Curs.

200

ASIA

220

In 2002 is allereerst een haalbaarheidsonderzoek onder

het werkveld gehouden (hoe staat het werkveld tegenover

een brede opleiding?) en met betrekking tot de instroom

is een deskresearch uitgevoerd. De resultaten van beide

onderzoeken gaven vertrouwen in de uitvoerbaarheid van

de opdracht.

De inhoud en vorm van de opleiding AS is sterk beïnvloed door

landelijke ontwikkelingen (hbo-Raad [1], Axis) die aanzetten

hebben gegeven tot verbreding, competentiesturing en het

bij elkaar brengen van leren en werken, maar ook doordat

op de snijvlakken van de oude opleidingen zich steeds meer

ontwikkelingen voordeden die we in een brede opleiding met

specialisatiemogelijkheden beter kunnen onderbrengen.

Opleiding Applied Science: structuur

De bachelor-opleiding Applied Science (AS) bestaat uit

een major, ter grootte van 180 studiepunten (stp), en

twee minors van ieder 30 stp. Het eerste studiejaar, de

propedeuse (60 stp), is onderdeel van de major. De eerste

minor, gevolgd in het tweede jaar, is een zogeheten vrije

minor, dat wil zeggen dat er gekozen kan worden uit alle

minors die Fontysbreed worden aangeboden onder de

voorwaarde dat de student aannemelijk kan maken dat de

Jaar 3

Stage 1

800

SLB

40

1680

Minor

DAS Minor

6 kernen DAS

6 kernen

420

420

Stage

2

420

Jaar 4

SLB

40

1680

Afstuderen

800

CE 1 CE 2 CE 3

Figuur 1 Structuur van de opleiding AS. Getallen geven globaal de studielast in uren weer.


minor past binnen het competentieprofiel (zie verderop)

van AS. Voor de tweede minor, de differentiatieminor, wordt

binnen de opleiding de minor ‘Disciplines Applied Science’,

afgekort DAS, aangeboden. Deze minor – te volgen tussen

stage en afstuderen - is door studenten zodanig samen te

stellen dat zij zich kunnen specialiseren binnen een van de

beroepsdomeinen AS.

Het resterende deel van de major (120 stp) bestaat uit

een variatie van onderwijsvormen zoals cursussen, Justin-Time

colleges (JIT), het Applied Science Ingenieurs- en

Adviesbureau (ASIA), stage en afstuderen. In figuur 1 is de

structuur van de opleiding weergegeven.

In de opleiding Applied Science zijn vier leerlijnen te

onderkennen:

1. de kennislijn: cursussen, JIT-colleges, practica en minoren;

2. de leerlijn beroepsauthentieke situaties:

eerstejaarsprojecten, opdrachten voor ASIA, stage en

afstuderen;

3. de studieloopbaanlijn (SLB = studieloopbaanbegeleiding);

4. de toetsing- en assessmentlijn, uitlopend in de

competentie-examens (CE).

Brede Basis

S1 S2 S3 S4 S5

ASIA ( Applied Science Ingenieurs- en Adviesbureau)

Opleiding Applied Science: didactiek

De studenten verwerven de in deze opleiding te realiseren

competenties via een brede basisopleiding en een flexibel

ingevulde leerroute naar het beroepsdomein van hun

keuze (zie figuur 2 voor twee voorbeeldroutes). De context,

waarbinnen de competenties worden verworven, kan dan

ook verschillen.

De zeven beroepsdomeinen waarop AS zich richt zijn:

Life Science, Diagnostics, Biomedical Science, Molecular

Science, Engineering, Molecular Science & Engineering,

Communication & Commerce. Een student kan echter ook een

leerroute samenstellen gericht op twee of meer domeinen.

Het onderwijs in de opleiding Applied Science is gericht

op het verwerven van de competenties die een beginnend

beroepsbeoefenaar nodig heeft. ‘Competent zijn’ betekent

in een beroepssituatie met de voor die situatie vereiste

combinatie van kennis, vaardigheid en attitude, adequaat

kunnen reageren. Competentiegestuurd opleiden vraagt dan

ook om vanuit beroepsauthentieke situaties de competenties

te verwerven. Om aan te sluiten bij de interesse van de

student dient de opleiding zodanig te zijn ingericht dat

studenten de directe samenhang van de opleiding met het

toekomstige beroep optimaal ervaren en zo de motivatie

voor hun beroepskeuze verder kunnen ontwikkelen. Dit doen

we door projecten in het eerste studiejaar die in samenspraak

met het werkveld zijn ingevuld, door het verwerven van

echte bedrijfsopdrachten voor ASIA en door de stage en

afstudeeropdracht in het werkveld te laten uitvoeren.

De kenmerken die een Bachelor of Applied Science tot een

succesvolle beroepsbeoefenaar maken zijn beschreven in

de vorm van negen competenties, zie figuur 3. Om duidelijk

te maken wat het beheersen van zo’n competentie nu in

de praktijk betekent, is elke competentie uitgewerkt in de

vorm van een aantal gedragscriteria. Deze uitgewerkte

competenties vormen samen het Beroepsprofiel van de

Bachelor of Applied Science (2), dat landelijk is vastgesteld.

Het beroepsprofiel past een beroepsbeoefenaar die circa vier

jaar in het beroep werkzaam is.

Van een net afgestudeerde kan nog niet hetzelfde

competentieniveau worden verwacht als van een

ervaren beroepsbeoefenaar. Bovendien zal niet voor elk

beroepsdomein en functie daarin elke competentie even

belangrijk zijn. Als voorbeeld: voor een beroepsbeoefenaar

die na enkele jaren een managementfunctie gaat bekleden,

beroepsdomein CC

beroepsdomein CE

stage S5 S6 S7 S8

afstuderen

binnenschools onderwijs

Sn semester n

Figuur 2 Schema opleiding AS met studieroutes naar de beroepsdomeinen. Life Science (LS) en Diagnostics (D) als voorbeeld.

wordt de competentie experimenteren minder belangrijk

in tegenstelling tot de competentie leiding geven die

essentiëler wordt. Daarom is vanuit het beroepsprofiel

een opleidingsprofiel afgeleid dat de minimale vereisten

(uitgedrukt in kwalificatieniveaus) aangeeft, die een

beginnend beroepsbeoefenaar Bachelor AS moet beheersen

(zie figuur 3). Studenten dienen tijdens hun studie, afhankelijk

van hun specialisatie of persoonlijke leerroute, tenminste één

1. Onderzoeken

2. Ontwikkelen

3. Experimenteren

4. Beheren/ Coördineren

Competentie

5. Adviseren/ In- en Verkopen

6. Instrueren/ Coachen

7. Leiding geven/ Managen

8. Leren leren/ Zelfsturing

9. Besef van maatschappelijke

verantwoordelijkheid

Kwalificatieniveau III I + II + I + I + I + I + III II

1 Voor het Beroepsprofiel is het kwalificatieniveau van elke competentie IV.

Figuur 3 Opleidingsprofiel AS met de kwalificatieniveaus I, II, en III.

vervolg op volgende pagina >

Analyse oktober 2008 243

2


van de competenties 2 t/m 7 (aangegeven met een +) met

minimaal één niveau te verhogen.

Het onderwijs is vormgegeven door middel van

projectonderwijs en algemeen ondersteunend onderwijs

(zoals practicumonderwijs, praktijksimulaties, hoor- en

werkcolleges, zelfstudie).

In het projectonderwijs (geldt voor de projecten in het eerste

jaar en de opdrachten voor ASIA in het tweede jaar) worden

studenten, in de rol van beginnend beroepsbeoefenaar,

geconfronteerd met praktische problemen. Zij werken aan

een concrete, door het werkveld opgestelde vraagstelling

en rapporteren over het resultaat aan opleiding en externe

opdrachtgever (bedrijf of instelling). Studenten zijn hierbij

verantwoordelijk voor het eigen leerproces.

In samenspraak met hun studieloopbaanbegeleider (SLB)

wordt een individueel leertraject opgesteld ter verwerving

van het competentieprofiel.

In dit traject wordt de student naast de SLB begeleid door

coaches, instructeurs en experts. De expert geeft feedback

op de resultaten. De competentiebeoordeling van de student

is belegd bij assessoren die beoordelen of het geleverde

bewijsmateriaal, verzameld in een portfolio, per competentie

adequaat en voldoende is. Daarmee is de begeleiding

gescheiden van de beoordeling.

Bij de beoordeling tellen niet alleen kennis en vaardigheden

mee, maar ook eigenschappen als bereidheid tot

samenwerken, systematisch kunnen werken, efficiënt

informatie kunnen verzamelen enzovoort.

Opleiding Applied Science: programma

Jaar 1 - Propedeuse

- De studenten volgen cursussen, practica en projecten in

verschillende contexten (chemische of microbiologische).

In deze onderwijsactiviteiten komen behalve chemische

en (micro)biologische aspecten ook technologische,

wiskundige en natuurkundige aspecten aan de orde.

- De projecten zijn in samenwerking met het werkveld

opgesteld en brengen de studenten in contact met diverse

bedrijven uit dit werkveld.

- De nadruk in de propedeuse ligt op verbreding.

- De oriëntatie, selectie en verwijzing binnen de propedeuse

zijn in het programma geïntegreerd via casuïstiek uit het

werkveld en de studieloopbaanbegeleiding (zelfsturing).

- Het jaar wordt afgesloten met het competentie-examen

1, bestaande uit een performance- en een portfolioassessment.

Jaar 2 en eerste periode jaar 3

- De student volgt cursussen naar keuze (zie tabel 1) in

een gekozen context: microbiologie, chemie, chemische

technologie, of gericht op het snijvlak van deze contexten.

Toepassing en verwerking van de opgedane kennis en

vaardigheden vindt plaats door de beroepsauthentieke

opdrachten die worden uitgevoerd binnen het Ingenieurs-

en Adviesbureau ASIA dat binnen de opleiding is ingericht.

Er worden authentieke opdrachten geacquireerd. De

studenten werken in twee- of drietallen aan een opdracht.

- In de vrije minor werkt de student aan de competenties van

de bachelor Applied Science in een context naar keuze. De

variatie is groot van Onderwijskunde tot Smart Materials,

van Ethiek tot Food.

- In het begin van het derde studiejaar dient de student

het competentieprofiel ‘Toelating stage 1’ te hebben

244

Analyse oktober 2008

verworven, waarmee de student wordt toegelaten tot een

stage naar keuze in een van de beroepsdomeinen.

- Competentie-examen 2 bestaat uit een portfolioassessment.

Tabel 1 Voorbeelden van keuzecursussen uit het tweede studiejaar en

onderwerpen van de minor DAS, die gericht zijn op de beroepsdomeinen Life

Science, Diagnostics en Biomedical Science.

Keuzecursussen in 2de studiejaar Onderwerpen van de minor DAS

Bio-organische chemie Medical Microbiology

Biologische werkwijzen Microbiology: Genomics

(Proteomics of Metabolism)

Genomics & Proteomics Cell Biology

Microbiologie 2 Microbiology of Foods

Immunologie Plant Science

Gentechnologie Biochemistry

Biomedische technologie Biotechnology

Metabolisme Chemical Pathology

Principe van toetsen Pharmacology

Jaar 3 en 4

- Aan het einde van de opleiding ligt de nadruk op verdieping

in het gekozen beroepsdomein door middel van een eigen

invulling van de differentiatieminor Disciplines Applied

Science (DAS) en de keuze van stage en afstuderen.

- In de minor DAS kiezen studenten zes onderwerpen (er

is een keuze uit 60 onderwerpen voor voorbeelden zie

tabel 1), die voor het door hun gekozen beroepsdomein

relevant zijn: voor elk onderwerp stellen ze een

onderzoeksvraag op. Onder begeleiding van experts

van TNW probeert de student deze onderzoeksvragen

te beantwoorden, alleen of met tweeën. De resultaten –

producten - worden in een kennisbank beschikbaar gesteld

voor volgende studenten. Op deze wijze wordt er kennis

gegenereerd. De beantwoording van één onderzoeksvraag

heeft een studiebelasting van ca. 140 klokuur.

- Competentie-examen 3 vindt aan het einde van de

opleiding plaats en bestaat uit een portfolio-assessment en

een criteriumgericht interview.

Algemene kenmerken van AS

Het leidende principe van de opleiding Applied Science

is de integratie van opleiding en beroep. De student werkt

gedurende de gehele opleiding aan beroepsauthentieke

opdrachten afkomstig uit het werkveld.

- Studenten stellen hun eigen leerroute samen via de gekozen

cursussen, de uit te voeren projecten en opdrachten,

de invulling van de minoren en de keuze van stage en

afstudeeropdracht. Zij leggen daarover verantwoording af

aan de examencommissie. De gevolgde leerroute wordt op

het diplomasupplement zichtbaar gemaakt.

- Onderzoeksvaardigheden spelen een belangrijke rol in de

opleiding.

- Studieloopbaanbegeleiding vindt door de gehele opleiding

plaats. Studenten worden vooral begeleid bij het maken van

keuzes en het leren te reflecteren op waar ze staan in hun

studie.

- Studenten worden opgeleid tot zelfsturende

beroepsbeoefenaars.

- Speciaal, opgeleide assessoren nemen de competentieexamens

af.

- Begeleiding en beoordeling worden door verschillende

personen uitgevoerd.


Wat beoogt TNW met AS?

TNW probeert met AS beter aan te sluiten op de

beroepspraktijk en de verschuivingen daarin. Er komen steeds

meer beroepen binnen het werkveld Applied Science op het

snijvlak van de klassieke opleidingen Biologie en Medisch

Laboratoriumonderzoek, Chemie en Chemische Technologie.

Voorbeelden hiervan zijn: biochemie, biotechnologie, bioinformatica,

functionele polymeren, medisch moleculaire

diagnostiek, nanotechnologie, duurzaam produceren en

forensisch onderzoek.

Door authentieke opdrachten uit het werkveld en door de

bijzondere invulling van de minor DAS (bestaande uit 60

onderwerpen die eenvoudig actueel zijn te houden) kan de

opleiding Applied Science daar beter op inspelen dan in de

oude situatie.

Ook willen we een grotere verantwoordelijkheid bij studenten

te leggen voor de door hen te maken keuzes, daarin begeleid

door de studieloopbaanbegeleider. Daardoor kiezen

studenten bewuster voor een leerroute die is gericht op hun

toekomstige beroep.

Evaluatie

TNW heeft nu vier jaar ervaring met de opleiding Applied

Science. We zijn tegen veel problemen aangelopen tijdens

de ontwikkeling, maar hebben steeds gepoogd bij de

oplossing daarvan onze visie niet uit het oog te verliezen:

competentiegestuurd onderwijs, verwevenheid van opleiding

en werkveld, veel keuzemogelijkheden voor de student zodat

elke student een eigen leerroute kan samenstellen en toetsen

op competenties. In juli 2008 hebben de eerste 26 studenten

de opleiding met goed gevolg afgerond en hun resultaten

overtroffen onze verwachtingen. Deze 26 geslaagden hebben

hun afstudeeropdracht (de Meesterproef) met prachtige







cijfers afgesloten (met acht of negen) en het werkveld is

enthousiast over hun inzet en aanpak. Zij hebben vrijwel allen

een baan of gaan doorstuderen; één gaat zelfs rechtstreeks

promoveren in Zwitserland.

Hoewel er in de eerste twee jaar vraagtekens werden gezet

bij het kennisniveau en de beschikbaarheid over praktische

vaardigheden van de AS-studenten, blijken de studenten door

het zelfstandig werken aan opdrachten en onderzoeksvragen

goed in staat om een onbekend probleem aan te pakken

en tot een goed einde te brengen. De daarvoor benodigde

kennis en praktische vaardigheden maken zij zich snel eigen.

Al met al is TNW heel tevreden met deze eerste groep

afgestudeerden waarmee onzes inziens is aangetoond

dat competentiegericht opleiden wel degelijk mogelijk is.

Natuurlijk kunnen nog op tal van punten verbeteringen

worden aangebracht. Daarmee zijn we al begonnen en dat

zal de komende jaren blijven doorgaan.

Ten slotte, voorbeelden van afstudeeropdrachten op de

domeinen Life Science, Diagnostics en Biomedical Science

vindt u in dit tijdschrift.

1 HBO-Raad rapport ‘Van in beweging zijn, tot in beweging

blijven’ (2001)

2 Beroeps- en Opleidingsprofiel Applied Science, 2005.



Het sediMAX systeem is een

geavanceerde volautomatische

sediment analyser die, al dan

niet in combinatie met de

Aution MAX urinestrip reader,

een volledige automatisering

van de urine diagnostiek

realiseert.









Analyse oktober 2008 245


SKKP: rondzendingen pathologie

M. van Moorst; SKKP

Tijdens de zgn. “Leidschendam conferenties” begin jaren 90 is de basis gelegd voor de kwaliteitszorg

binnen de medische laboratoria. ‘Kwaliteit’ werd steeds belangrijker, met name het constant verbeteren van

je bedrijfsvoering/technieken werden sleutelwoorden.

Er zijn verschillende mogelijkheden om je systeem te

beoordelen, veelal zijn dit interne activiteiten. Ook externe

beoordeling deed zijn intrede, bureau CCKL (Coördinatie

Commissie ter bevordering van de Kwaliteitsbeheersing op het

gebied van Laboratoriumonderzoek in de gezondheidszorg)

werd opgericht als accrediterende instelling voor laboratoria

binnen de humane gezondheidszorg.

Voor het toetsen van de technische kwaliteit werden, veelal

per discipline, bureaus opgericht die de rondzendingen/

ringonderzoeken gingen verzorgen. Zo ook voor de klinische

pathologie.

De SKKP (Stichting Kwaliteitstoetsing Klinische Pathologie)

verzorgt de rondzendingen voor de algemene histologie, de

cervixcytologie, de klinische cytologie, de immuuncyto/histo

chemie en de moleculaire pathologie.

Historie

Vanuit de besturen van de NVvP (Nederlandse Vereniging voor

Pathologie), de OCM (Organisatie voor Cytodiagnostische

Medewerkers), de VHN (Vereniging Histotechniek Nederland)

en de NVKC (Nederlands Vereniging voor Klinische Cytologie)

kwam de vraag naar externe kwaliteitstoetsingen (de OCM en

de VHN zijn later gefuseerd in de VAP ((Vereniging Analisten

Pathologie)).

Gezamenlijk is in 1996 een werkgroep opgericht om het plan

voor externe kwaliteitstoetsingen verder uit te werken.

Uiteindelijk zijn er meerdere werkgroepen betrokken

geweest bij de voorbereidingen. Deze werkgroepen hebben

de fundamenten gelegd die geleid hebben tot de oprichting

van de SKKP.

De SKKP is op 25 augustus 1999 officieel een feit.

SKKP

De SKKP is opgericht om de technische kwaliteit binnen de

klinische pathologie te toetsen (externe kwaliteitstoetsing),

de resultaten te evalueren en te bespreken (deelnemersraad)

en om samen met de deelnemers de toetsingscriteria

voor de verschillende rondzendingen te ontwikkelen (via

werkgroepen VAP).

Binnen de SKKP zijn twee coördinatoren aangesteld die de

daadwerkelijke uitvoering van de rondzendingen verzorgen

en zorg dragen voor de rapportages van de rondzendingen.

De eerste jaren van de SKKP stonden in het teken van het

ontwikkelen en opzetten van rondzendingen. De organisatie

moest gebouwd worden en systemen uitgedacht en

vastgelegd.

Voor een groot deel is dit het werk geweest van de

coördinatoren I. Seifert en I. Stuij. Hun inzet en enthousiasme

heben ervoor gezorgd dat de SKKP is uitgebouwd tot een

goed lopend bureau dat intensief samenwerkt met de

werkgroepen van de VAP.

De werkgroepen van de VAP zorgen voor de inhoudelijke

ondersteuning van de rondzendingen. Verder spelen de

werkgroepen een belangrijke rol bij de vaststelling van het

type rondzending.

246

Analyse oktober 2008

Jaarlijks worden zo’n tien rondzendingen verzorgd. Twee

rondzendingen voor de algemene histologie, drie voor de

cytologie, drie immuunhistochemische rondzendingen, één

moleculaire rondzending en verder kunnen de deelnemers

nog inschrijven voor één rondzending ‘in situ hybridisatie’. De

immuunhistochemische rondzendingen en de moleculaire

rondzendingen zijn opgebouwd uit meerdere onderdelen.

Deelname aan de rondzendingen van de SKKP vindt plaats

op vrijwillige basis. Het is echter wel zo dat bij een CCKLaccreditatie,

maar ook bij een visitatie van de Landelijke

Visitatie Commissie van de Nederlandse Vereniging van

Pathologie, dit verplichte onderdelen zijn.

Rondzendingen

Qua rondzendingen wijkt de klinische pathologie vaak af van

de andere medische laboratoria.

Materiaal voor rondzendingen is niet altijd even gemakkelijk te

verkrijgen (denk bijvoorbeeld aan baarmoederhalsuitstrijkjes),

het gaat vaak om kleine hoeveelheden (bijvoorbeeld bij

liquoren). Verder zijn deze monsters ook niet altijd eenvoudig

rond te sturen (veelal ongefixeerd).

Daar komt nog bij dat de beoordeling vaak plaatsvindt op

subjectieve criteria, kortom iedere rondzending is weer een

uitdaging op zich.

In de praktijk

Een voorbeeld van een rondzending (een immuunhistochemische

rondzending):

De SKKP stuurt de deelnemende laboratoria een aantal

rondzendcoupes, bijvoorbeeld:

- een rondzendcoupe voor oestrogeenreceptor (ER): hierop

zitten dan drie stukjes mammaweefsel met wisselende

receptorexpressie;

- een rondzendcoupe voor de Her2neu: hierop zitten acht

stukjes mammaweefsel met wisselende expressie voor

Her2neu en twee lever stukjes;

- een rondzendcoupe met hierop een grootcellig non-hodgkin

lymfoom, metastase melanoom in lymfklier, metastase

melanoom in darm, blue naevus en normale huid. Op deze

coupe kan door het deelnemende laboratorium dan een

S100, Melan-a/MART-1 of HMB-45 gedaan worden.

De coupes worden door het deelnemende lab technisch

verwerkt en opgestuurd naar de SKKP. Verder dient een

vragenlijst ingevuld te worden en dient het laboratorium

een formulier in te vullen betreffende de kwaliteit van de

ingezonden coupes.

De vragenlijst bevat o.a. vragen over de marker, het

detectiesysteem, de voorbehandeling, tijden, etc.

De coupes worden beoordeeld door twee koppels die

onafhankelijk van elkaar de coupes beoordelen. Ieder koppel

bestaat uit een patholoog en een analist. De scores van de


koppels worden centraal geregistreerd en bij een verschil van > 1 punt worden de

coupes door beide koppels gezamenlijk beoordeeld.

Deze koppels scoren dan de technische kwaliteit op: aankleuring, afplakken, kan

hierop een diagnose gesteld worden?, etc. Voor het scoren van de coupes zijn

speciale modellen ontwikkeld.

De resultaten van deze rondzendingen worden, binnen enkele weken,

teruggekoppeld aan de deelnemende laboratoria. De laboratoria krijgen tevens een

rapport waarin staat hoe het laboratorium presteert t.o.v. de andere deelnemende

laboratoria. Tevens bevatten deze rapporten overzichten van de verschillende

technieken, een samenvatting van de enquête en een “best-practice” protocol.

Verder zijn de resultaten te vinden op de website www.SKKP.info en worden de

resultaten gepresteerd in de VAPvisie, het blad van de VAP.

Uiteindelijk worden de resultaten van deze rondzendingen besproken tijdens de

bijeenkomsten die georganiseerd worden door de SKKP.

Toekomst SKKP

In 2007 stond het bestuur van de SKKP voor de keuze: a) doorgaan ‘op de huidige

voet’ of b) te streven naar een meer professionele organisatie. Dit heeft ertoe geleid

dat het bestuur van de SKKP in 2007 contact heeft gezocht met bureau SKML

(Stichting Kwaliteitsbewaking Medische Laboratoriumdiagnostiek).

Optie b had de voorkeur van het bestuur. Het bestuur wil naar een meer

professionele organisatie om zo bestaande processen verder te ontwikkelen, denk

aan: diagnostische rondzendingen, optimaliseren van de verslaglegging, eventueel

werken met vaste beoordeellaars, etc. Omdat binnen de SKKP onvoldoende

kennis, tijd en mankracht aanwezig is om dit te realiseren is aansluiting gezocht

bij een grotere organisatie. Bureau SKML kan de SKKP helpen de bedrijfsvoering te

optimaliseren en mogelijk de frequentie van de rondzendingen te verhogen.

Dit alles heeft ertoe geleid dat het bestuur van de SKKP besloten heeft om als sectie

verder te gaan binnen de SKML.

De auteur

Matthieu van Moorst is secretaris van de SKKP.

NVML

Wilhelminapark 52, 3581 NM Utrecht. Telefoon: 030-2523792.

Telefonisch bereikbaar: maandag tot en met donderdag

van 9:00 tot 14:00. Fax: 030-2541814. E-mail: nvml@nvml.nl.

Website: http://www.nvml.nl

Bereikbaarheid bureaumedewerkers

Ria Blom

(organisatie nascholing): maandag, dinsdag en

donderdag.

Marja Pospiech

(beroepsinhoudelijke belangenbehartiging en

algemene zaken): maandag tot en met donderdag.

Alice Gosselt-Imming

(organisatie nascholing): maandag, dinsdag en

donderdag.

Jenny Schoemaker

(voorlichting en sociale belangenbehartiging):

dinsdag t/m donderdag.

Lidmaatschap

Voor informatie en ledenadministratie kunt u contact

opnemen met het bureau van de NVML.

Contributie

Lees het aanmeldingsformulier op de website: www.

nvml.nl.

Opzegging

Schriftelijk voor 1 november 2008 per post, fax of

e-mail. Omdat niet al het communicatieverkeer

probleemloos verloopt, adviseren wij u om altijd naar

een ontvangstbevestiging te vragen. Bij geen respons

weet u dat uw bericht niet bij de NVML is aangekomen.

Bestuur

Voorzitter:

• mw. M. Schoorl, Laboratorium voor Klinische

Chemie,

Hematologie & Immunologie, Medisch Centrum

Alkmaar

Secretaris:

• mw. P.J.J. Melsen, Afd. Medische Microbiologie,

Academisch Medisch Centrum, Amsterdam

Leden:

• dhr. R. de Nooijer, Afdeling Klinische Chemie,

Erasmus MC, Rotterdam

• Mw. M.A.M. Verdaasdonk, afdeling Pathologie,

UMC Utrecht

Adviseurs

• mw. dr. S.M. van Ham, Amsterdam.

Celluliar immunoloog

• dr. J.A. Kaan, Utrecht.

medisch microbioloog

• dr. E.C.M. Ooms, Den Haag.

patholoog

• prof. dr. C.G.J. Sweep, Nijmegen

klinisch chemicus

NVML-Commissies en werkgroepen

Werkgroep HAMLO

Contactpersoon: mw. Dicky Kasper. De werkgroep is

bereikbaar via het bureau van de NVML op maandag

t/m donderdag tussen 9.00 en 14.00 uur. E-mail: nvml@

nvml.nl.

Commissie Internationale Contacten

Contactpersoon: Marja Pospiech, bureau NVML.

Commissie Kwaliteit

Contactpersoon: Marianne Schoorl.

Commissie Nascholing

Contactpersoon: Alice Gosselt-Imming en Ria Blom,

bureau NVML.

Commissie Onderwijs

Contactpersoon: Marja Pospiech, bureau NVML.

Redactiecommissie

Contactpersoon: Margo Kusters-van Someren,

Communicatiebureau Exact.

Werkgroep Registratie

Contactpersoon: Marja Pospiech, bureau NVML

Commissie Sociale Belangen

Contactpersonen: Marja Pospiech en Jenny Schoemaker,

bureau NVML.

Werkgroep Hoofdanalisten Medische

Microbiologie (WHAMM)

Contactpersoon: Marja Pospiech, bureau NVML

Analyse oktober 2008 247


Competentiegericht opleiden en begeleiden

Een nieuwe MLO-stagiaire

J. Baars; Onderwijscommissie NVML

De afgelopen weken zijn honderden MLO-stagiaires begonnen aan een nieuwe stage. Voor de stagiaire,

maar ook voor het lab, altijd weer een belangrijk moment omdat een goede start de kans op een succesvolle

stage vergroot.

Gaat er werkelijk iets veranderen nu we met competenties aan de slag gaan, of is het slechts papier - waarvan

gezegd wordt dat het geduldig is? Het voordeel van competenties is dat de student moet laten zien wat hij

geleerd heeft. Bovendien worden ook gedragskenmerken meegewogen. Echter het gevaar bestaat dat er

minder aandacht wordt geschonken aan de theorie en dat is een ontwikkeling waar we niet op zitten te

wachten.

Wat verandert er voor ons als stagebegeleiders? Gaat het niet om het leren van praktische vaardigheden en

dat doen we toch al jaren goed?

Ik denk dat door de bank genomen stagiaires goed worden

begeleid. Niet voor niets is de cursus stagebegeleiding erg in trek

en wordt de nascholing over opleiden altijd goed bezocht.

Het verschil zit vooral in het invulling geven aan de beoordeling

van competenties, de proeve van bekwaamheid en de praktische

uitvoering hiervan.

Deze vernieuwing van het onderwijs vraagt om een goede

samenwerking tussen stagebedrijf en opleiding. De voorlichting

vanuit de ROC’s en de opvattingen van docenten over wat een

proeve van bekwaamheid inhoudt zijn zo verschillend dat je

je afvraagt hoe dit gaat lopen en of dit weer niet leidt tot extra

werk voor de stageplaats (lees stagebegeleider), zonder dat

daar iets tegenover staat. Immers door de jaren heen zijn de

praktijkonderdelen verschoven van het opleidinginstituut

naar de stageplaats. Terecht wordt deze verandering door

stagebegeleiders ervaren als een verzwaring en is deze actie

niet vertaald in een financiële tegemoetkoming. Hoewel de

NVML zich hard gemaakt heeft voor uitbreiding van financiële

middelen voor stagebegeleiding is dit tot op heden niet gelukt.

Uitgangspunt van de proeve van bekwaamheid is het toetsen

of de deelnemer voldoende kennis, vaardigheden en een juiste

houding heeft om in een kritieke beroepssituatie de juiste dingen

te doen.

In de praktijk betekent dit dat de beheersingscriteria per

competentie moeten worden getoetst. In een reflectiegesprek

na afloop moet de stagiaire het getoonde gedrag uitleggen en

alternatieven noemen. Tot slot is het doorslaggevend of je de

kritieke beroepssituatie aan de deelnemer kan toevertrouwen.

De stagiaire zal dus moeten laten zien dat hij de competenties

beheerst. Voor zowel stagiaire, begeleider, als opleidingsinstituut

moet duidelijk zijn waarover het reflectiegesprek gaat. Voor

begeleiders zal het duidelijk moeten zijn hoe de beoordeling zal

moeten plaatsvinden.

Op korte termijn moeten stagebegeleiders hierin worden

getraind. Dat de kosten van deze training niet ten koste mogen

gaan van de labbudgetten zal duidelijk zijn. Opleidingsinstituten

of Kenniscentrum PMLF (Proces- en Algemene operationele

techniek, Milieutechniek, Laboratoriumtechniek en Fotonica)

zijn in mijn optiek aan zet om duidelijkheid te verschaffen en

(financiële) ondersteuning te bieden.

248

Analyse oktober 2008


Verenigingsnieuws

Van achter de bestuurstafel en het Bureau….

Op 1 oktober 2008 heeft onze directeur Annelia Govers-Bogers haar werkzaamheden als directeur van de NVML beëindigd. Bijna

twintig jaar heeft zij zich met hart en ziel ingezet voor de NVML.

Annelia heeft van de vereniging een professionele organisatie gemaakt, die in het land bekend staat als de meest deskundige

vertegenwoordiger van medisch analisten op onder andere sociaal, arbeidsrechtelijk en vakinhoudelijk terrein. Haar vindingrijkheid als

‘probleemoplosser’, sensitiviteit voor nieuwe marktontwikkelingen, manier om anderen te enthousiasmeren en te stimuleren alsook

de kunst om zelfstandig met verschillende partijen, mensen en belangen ‘op niveau’ te communiceren, waarbij de belangen van de

NVML als vereniging nooit uit het oog werden verloren, hebben er ook toe bijgedragen dat er tussen het bestuur en het bureau een

goede samenwerking op basis van vertrouwen is opgebouwd. Annelia, vanaf deze plek ontzettend bedankt en het ga je goed in deze

nieuwe levensfase!

En ja, dan is ook het moment gekomen om de nieuwe directeur aan u voor te stellen. Haar naam is Marja Pospiech en zij is vanaf 1

september 2008 bij de NVML werkzaam. Met de komst van Marja denkt het bestuur een directeur te hebben gevonden die de NVML

de komende jaren modern, groot en betekenisvol kan blijven houden. Het bestuur wenst Marja veel succes in haar nieuwe baan!

Marianne Schoorl, voorzitter NVML

Afscheid

Na bijna 20 jaar met veel plezier te hebben gewerkt bij de NVML, eerst als beleidsmedewerker en daarna als directeur, heb

ik besloten om gebruik te maken van de PGGM-regeling waarbij je op 60-jarige leeftijd kunt stoppen.

Belangrijkste drijfveer voor mij is daarbij dat ik graag afscheid wil nemen op een moment dat ik nog steeds met veel

enthousiasme deze baan vervul; de komende jaren kan ik dan terugblikken met positieve herinneringen aan mijn loopbaan

als medisch analist. Daarnaast zal ik niet ontkennen het prettig te vinden meer tijd te krijgen voor sociale contacten in

familie- en vriendenkring. Met het opnieuw oppakken van de Spaanse taal, het opnemen en monteren van digitale films,

tennis, golf en bridge hoop ik lichaam en geest voldoende impulsen te geven om nog lang te kunnen genieten.

Vanuit deze plaats wil ik graag allen bedanken die eraan bij hebben gedragen om samen met het bureau de NVML

te ontwikkelen tot wat zij nu is; een vooruitstrevende, financieel gezonde organisatie/vereniging. Hierbij wil ik als eerste noemen

alle NVML-vrijwilligers zoals (afdelings) bestuursleden, commissieleden en NVML-vertegenwoordigers en contactpersonen in de

ziekenhuizen en bij de opleidingen. Zij vormen de ruggengraat van de NVML en alleen met hun input kan het team op het bureau een

optimale dienstverlening aan de leden realiseren. De bevlogenheid en inzet van al deze vrijwilligers hebben in hoge mate bijgedragen

aan het plezier in mijn werk voor de NVML. Ook dank aan alle adviseurs die de NVML ondersteunen op welke wijze dan ook; de

contacten zijn door mij als zeer plezierig ervaren. Mede dank aan alle freelancers en cursusdocenten waarmee ik in de loop der jaren

heb samengewerkt; hun persoonlijke betrokkenheid bij de NVML en het actief meedenken bij problemen overstijgt de normale inzet

die men kan verwachten. En als laatste bedank ik alle collega’s op het bureau voor hun inzet en loyaliteit voor de NVML; er wordt hard

gewerkt en hard gelachen, kortom een team dat door mij zeer gewaardeerd wordt en ervoor zorgt dat ik alle dagen met plezier naar

mijn werk ga.

Na dit alles gelezen te hebben, zult u begrijpen dat ik als een gelukkig mens afscheid neem, maar dat ik iedereen ook ontzettend

zal missen. En...ik zal het wel niet kunnen laten om nog eens langs te komen bij een NVML-evenement; ik ben en blijf lid van de

beroepsvereniging die opkomt voor alle medisch analisten!

Annelia Govers

Even voorstellen

In de Analyse van juli werd mijn komst al aangekondigd: “een nieuwe bureaudirecteur”.

Prettig kennis te maken; Marja Pospiech-Greijn is de naam.

Als dochter van een verpleegkundige en een bakker was ik al jong geïnteresseerd in het medische en het chemische.

Dit resulteerde in 1982 in een diploma medische microbiologie (HLO-A). Met het streven mijzelf zo breed mogelijk te

ontwikkelen heb ik vervolgens gewerkt bij het Diakonessenhuis te Utrecht, het RIVM te Bilthoven en de GGD te Amsterdam.

Daarbij heb ik zonder problemen geschakeld tussen pathologie, streeklab medische microbiologie en research. De

aspecten van het routinelab en het onderzoekslab zijn voor mij bekenden. Als je mijn naam googlet vindt je de connectie

met het TBC-lab. Aidsonderzoek is ook een van de speerpunten geweest in mijn loopbaan, waarin een training bij het

CDC in Atlanta (USA). Voor de WHO zijn door mij analisten uit Azië opgeleid in het controleren van het mazelenvaccin. De

ervaring als plaatsvervangend hoofdanalist is op het streeklab opgebouwd. Switchen naar het bureau van de NVML na

al die jaren praktijk is voor mij eigenlijk heel natuurlijk. De band met de vereniging was er al doordat ik als vrijwilliger binnen de NVML

actief ben geweest. Ook privé kan het geluk niet op: we hebben twee heerlijke puberzoons en een kat waarmee we in een rustig en

groen dorp in het midden van het land wonen.

Mijn wens is om samen met het bestuur en de bureaumedewerkers een dynamische en eigentijdse NVML voor nog meer leden te

bieden.

Marja Pospiech-Greijn, directeur Bureau NVML

Analyse oktober 2008 249


uitgave:

Nederlandse vereniging van

bioMedisch laboratoriummedewerkers

NVML–leden ontvangen Analyse gratis.

Voor vragen over contributie, adreswijzigingen

of andere administratieve zaken rond Analyse

kunt u contact opnemen met het bureau van

de NVML.

redactiecoördinatie en eindredactie:

Communicatiebureau Exact

dr. M.A. Kusters-van Someren

E-mail: info@exact-tekst.nl

Tel.: 030-2767522

redactie:

dhr. Heijnen, afd. Pathologie,

Reinier de Graafgroep, Delft

mw. M. Kooistra, afd. Research and Development,

Laboratorium voor Infectieziekten, Groningen

mw. A. Luidens, afd. Cytol./Klin.Pathologie,

St. Elisabeth ziekenhuis, Tilburg

dhr. W. van der Meer, AKC,

UMC St. Radboud, Nijmegen

mw. P.J.J. Melsen, afd. Medische Microbiologie,

AMC, Amsterdam

mw. F.C. de Ruijter-Heijstek, Ede

cover-foto:

foto: Communicatiebureau Exact

vormgeving en opmaak:

Celina Koekenbier | www.insight-design.nl

druk:

Verweij Communicasa Groep

advertentie-exploitatie:

mw. F. de Ruijter-Heijstek

telefoon: 0318 - 842 446 | fax: 0847 – 110541

e-mail: f.deruijter@chello.nl

oplage:

3250 exemplaren

Advertenties & kopij

Geldend advertentietarief: Tarievenlijst 2008

Sluitingsdatum advertenties:

Voor het 9e nr. (2008): Woensdag 22 oktober.

Inleverdata kopij

De redactie ziet korte berichten (bijvoorbeeld over

Opleidingen) voor Analyse 9 graag uiterlijk op

maandag 20 oktober 2008 tegemoet.

Analyse 9 verschijnt op 6 november en Analyse 10 op

donderdag 4 december.

250

Analyse oktober 2008

Berichten

Utrechtse onderzoekers ontwikkelen

methode om virus te

vernevelen

Onderzoekers van de Universiteit Utrecht hebben met een nieuw ontwikkelde methode

de structuur en samenstelling van het hepatitis B-virus in kaart gebracht. Ze zijn hierin

geslaagd door het virus te vernevelen. Het begrijpen en tegengaan van een hepatitis

B-infectie komt door hun onderzoek dichterbij. De methode kan ook gebruikt worden

om andere virussen te analyseren. De resultaten van dit onderzoek verschenen onlangs

in twee gerenommeerde wetenschappelijke tijdschriften: Proceedings of the National

Academy of Sciences USA en Angewandte Chemie Int Ed Engl.

Om virusinfecties beter te begrijpen en aan te pakken, is het essentieel om het virus

op moleculair niveau nauwkeurig te onderzoeken. Het virus is echter vaak te groot om

dit met standaard methoden te doen. De Utrechtse onderzoeker Charlotte Uetrecht

ontwikkelde daarom speciaal hiervoor een aangepaste massaspectrometer die het

intacte virus kan vernevelen. Dit deed zij samen met prof.dr. Albert Heck (Universiteit

Utrecht) en onderzoekers uit Amerika en Amsterdam.

Virusinfectie voorkomen

De onderzoekers bekeken met de aangepaste massaspectrometer de structuur en

samenstelling van het hepatitis B-virus, een virus dat ernstige leveraandoeningen

veroorzaakt bij mensen. Met de spectrometer onderscheidden de onderzoekers niet

alleen verschillende vormen van het virus, maar zij zagen ook de moleculaire opbouw

van het virus. Dit maakt het in de toekomst mogelijk de productie van virussen te

blokkeren, om zo een virusinfectie te bestrijden. De ontwikkelde techniek kan ook

gebruikt worden om andere virussen in kaart te brengen en te identificeren, zoals

virussen die als terroristisch wapen gebruikt kunnen worden.

Niezen

Massaspectrometrie is een techniek waarmee moleculen kunnen worden

geïdentificeerd. Deze techniek wordt onder andere gebruikt bij dopingonderzoek en

het identificeren van verfsporen voor forensisch onderzoek. Massaspectrometrie werkt

vooral goed bij kleinere moleculen. Virussen echter hebben een massa die een miljoen

keer groter is. Om deze toch met een massaspectrometer te kunnen onderzoeken, lieten

de onderzoekers de virussen met water vernevelen door een hoge elektrische spanning

te gebruiken. Hierdoor komen de virussen vrij uit het water en kunnen zij individueel

onderzocht worden. Dit vernevelingsproces is te vergelijken met het overdragen van

een verkoudheidsvirus door te niezen.

Bron: Universiteit Utrecht

Uitslag Website-puzzel

Afgelopen zomer organiseerde de NVML een puzzel waarbij de antwoorden te vinden

waren op de vernieuwde website. Het beantwoorden van de twintig vragen bleek

nog niet altijd makkelijk! Veel inzendingen hadden toch wel één of twee foutjes, maar

we moesten streng zijn. Uit de goede oplossingen zijn drie winnaars getrokken, die

inmiddels een dinercheque van € 50,- hebben ontvangen.

Het zijn:

M. van Apeldoorn, werkzaam bij het Jan van Breemen instituut in Amsterdam;

T. van Dijk, namens drie analisten van de Trombosedienst Leiden;

A. Zomerman van het LabNoord, locatie Delfzicht ziekenhuis in Delfzijl.

De prijswinnaars wensen we een smakelijke maaltijd toe en aan iedereen die meedeed:

bedankt voor uw deelname!

De antwoorden op de vragen treft u vanaf 4 oktober aan op www.nvml.nl,


Wat doe jij op het lab? Routine en kwaliteit

Ik ben Ank van de Ven. Ik heb de richting klinische chemie gedaan van het MLO in Etten-Leur.

In 1985 ben ik afgestudeerd.

Wat vond je het leukst aan je opleiding?

Dat je meteen in het eerste jaar al veel praktijklessen kreeg, zodat je de geleerde theorie meteen in de praktijk kon toetsen.

Wist je na afstuderen wat voor soort baan je wilde?

Nee, wel leek het me leuk om in een ziekenhuis te werken. Ik ben dan ook meteen begonnen op het klinisch chemisch laboratorium

van het St. Elisabeth ziekenhuis in Tilburg als basisanalist. Dit houdt in dat je alle voorkomende routine werkzaamheden op chemisch

en hematologisch gebied uitvoert.

Waar werk je nu?

Ik ben nog steeds op hetzelfde laboratorium werkzaam, maar door het volgen van cursussen op allerlei gebied (bijvoorbeeld van de

NVML, VOVOL en HLO-modules) ben ik nu werkzaam als senioranalist met aandachtsgebied pre-analyse en speciale stolling. Ook ben ik

intern auditor binnen het KCHL en ik heb een jaar in het testteam van het nieuwe laboratoriuminformatiesysteem (TD-Lims) gezeten.

Bevalt het?

Het KCHL van het St Elisabeth ziekenhuis is een topklinisch ziekenhuis met een groot laboratorium wat verdeeld is over meerdere

locaties en beschikt over een grote externe prikdienst. In totaal werken er meer dan 200 mensen (waarvan wel veel parttime). Het

laboratorium bedient de twee Tilburgse ziekenhuizen, de huisartsen in de regio en incidenteel dierenartsen en de Beekse Bergen.

Op het laboratorium worden alle routinebepalingen op chemisch, hematologisch en immunologisch gebied met geautomatiseerde

apparatuur bepaald (zoals Advia-120, Advia 1650, Integra, Centaur en Immulite 2500). Daarnaast hebben we een aantal specialistische

afdelingen zoals: DNA-onderzoek, fertiliteiten, eiwitchemie, metabool onderzoek. Neonataal screeningslab, speciale stolling en

chromatografi e. In principe rouleren alle analisten over de routineafdelingen, de mensen met een specialisatie komen wat vaker op die

specifi eke afdeling terecht.

Waar bestaat je werk vooral uit?

Zelf werk ik momenteel 24 uur. En mijn werk bestaat uit het uitvoeren van alle voorkomende routinebepalingen in wisselende diensten.

Sinds een jaar of zes gaan wij als analisten de kliniek in om bloed af te nemen. Omdat we dat nog nooit gedaan hadden was dat een hele

omschakeling; nu vind ik het patiëntencontact een waardevolle toevoeging aan mijn werkzaamheden.

Als auditor ben ik vier keer per jaar bezig om te toetsen of ons kwaliteitssysteem goed functioneert. Het is erg leuk om op afdelingen

waar je zelf niet komt te kijken hoe het werk er daar aan toe gaat. En zo je steentje te kunnen bijdragen aan het verbeteren van het

kwaliteitssysteem.

Na al die jaren heb ik het nog steeds goed naar mijn zin op het lab. Door nieuwe ontwikkelingen blijft het werk steeds veranderen en

daardoor is het steeds weer boeiend. Ook het doen van projecten, zoals de invoering van TD-Lims, vormt een leuke afwisseling met

de normale werkzaamheden. Het komende jaar krijgen wij nieuwe routineapparatuur, wat waarschijnlijk ook op pre-analysegebied de

nodige veranderingen met zich mee zal brengen, dus uitdaging genoeg voorlopig.

Ken je Analyse en zo ja, wat vind je ervan?

Analyse kende ik al omdat hij op het lab aanwezig was. En ik ben zelf lid geworden tijdens een cursus en krijg hem zodoende nu al een

paar jaar thuis.

Op het lab heeft lang de gedachte geheerst dat Analyse sterk op de microbiologie gericht was, maar ik vind dat er de laatste jaren

regelmatig interessante klinisch chemische artikelen in staan.

Waarover zou jij graag lezen in Analyse?

Artikelen waar aan de hand van casussen informatie over de waarde van laboratoriumbepalingen voor diagnose of beleid wordt

gegeven.

Ank van de Ven

Wil jij ook een stukje schijven

over je werk?

Stuur een mailtje naar nvml@nvml.nl onder vermelding van

“Werkplek in Analyse”,

dan krijg je een vragenlijstje teruggestuurd.

Analyse oktober 2008 251


Agenda 2008





252

3 okt NVML-dagsymposium “Lymfomen”. In: Woerden.

2, 9 okt NVML-cursus “Stollingsonderzoek”. In: NVML, Utrecht.

7 okt NVML-cursus “Gedachten en gedrag”, voor leidinggevenden. In: NVML, Utrecht.

8, 15 okt NVML-cursus “Meewerkend leidinggeven”. In: NVML, Utrecht.

23 okt Wegens externe omstandigheden zijn de docenten van de cursus ‘Bloedcelmorfologie’ verhinderd op

23 oktober. De nieuwe datum is donderdag 11 december.

28 okt. QC-symposium ‘Licht uit spot aan, kwaliteitscontrole op de labvloer’, van BioRad Laboratories B.V. In: Instituut

voor Beeld en Geluid, Media Park in Hilversum. Informatie: clinsupport.holland@bio-rad.com.

4 nov NVML-nascholing “Diagnostiek van galwegobstructie”. In: Sint Franciscus Gasthuis, Rotterdam

4, 11, 18 nov NVML-cursus “Stagebegeleiding” (cursus A). In: NVML, Utrecht.

5, 12, 19 nov NVML-cursus “Stagebegeleiding” (cursus B; gaat alleen door bij overboeking). In: NVML, Utrecht.

19-22 nov MEDICA. Medische Vakbeurs. In: Düsseldorf. Informatie: www.medica.de.

20 nov Symposium ‘Zwangerschap en infecties’. In: congrescentrum de Reehorst, Ede.

Informatie: Stichting Onderwijs & Voorlichting, p/a SCEM Conference Services, tel. 0345-576642.

25 nov NVML-nascholing “Diagnostiek van galwegobstructie”. In: Isala Klinieken, loc. Weezenlanden, Zwolle

25 nov, 2 dec NVML-cursus “Meewerkend leidinggeven”. In: NVML, Utrecht.

27 nov NVML-cursus “Veiligheid op medische laboratoria”. In: NVML, Utrecht.

27 nov NVML-nascholing “Moleculaire diagnostiek van darmpathogenen”. In: Zwolle.

4 dec NVML-cursus WHO”-classificatie AML met focus op de beenmergcytologie”. In: NVML, Utrecht.

11 dec NVML-nascholing “Moleculaire diagnostiek van darmpathogenen”. In: Tilburg.

11 dec NVML-cursus “Bloedcelmorfologie”. In: NVML, Utrecht.

Agenda 2009


24 maart 2e NVML-Vakbeurs Techniek en Diagnostiek. In: Beatrixgebouw van de Jaarbeurs te Utrecht.

De teksten met stip zijn evenementen die de NVML organiseert.

Voor meer informatie over de NVML-nascholingen kunt u terecht bij het bureau van de NVML,

tel: 030-2523792; fax: 030-2541814; e-mail: nvml@nvml.nl.

Word lid van de NVML!

U kunt zich aanmelden via

www.nvml.nl.

Nieuwe leden

Bakker, R. Mukono, Uganda

Boumans M.M. Canisius Wilhelmina Ziekenhuis Nijmegen

Hoefnagel T. Hogeschool van Utrecht Utrecht

Marel van der A. Leidse Hogeschool Leiden

Niessit, R. Diakonessenhuis Utrecht

Robben- Wiechmann M.J. Medisch Centrum Alkmaar Alkmaar

Schaeks B.M.J. Onze Lieve Vrouwe Gasthuis Amsterdam

Verwijs M.W. Leidse Hogeschool Leiden

Wattenberg, M. UMC St. Radboud Nijmegen

Analyse oktober 2008

HLO analist,

zoek je perspectief?

De laboratoria van het

OLVG zijn op zoek naar:

• Microbiologisch Analist

• Hoofdanalist Apotheek

• Klinisch Chemisch

Analist (HKCL)

Kijk voor

informatie op:

www.olvg.nl/vacatures/laboratorium

13624_80x124mm.indd 1 16-09-2008 16:42


Opleidingen

Wil je bijblijven in je vakgebied? Kijk dan of een

van de volgende opleidingen iets voor jou is.

Centrum voor Natuur & Techniek, Life

Sciences & Chemistry, Hogeschool Utrecht

Cursus GMP, GLP en GMR

Startdatum 30 oktober 2008

Omvang 4 bijeenkomsten

Kosten € 1.570,-

Cursus Microbiologie in de GMP-omgeving

Startdatum 27 oktober 2008

Omvang 6 bijeenkomsten

Kosten € 1.320,-

Cursus Kwaliteitszorg

voor Laboratoriummedewerkers

Startdatum 5 november 2008

Omvang 4 bijeenkomsten

Kosten € 610,-

Cursus Schriftelijk rapporteren: (g)een probleem

Startdatum 5 november 2008

Omvang 4 bijeenkomsten

Kosten € 630,-

Zit de gewenste cursus hier niet bij? Kijk dan op onze website voor het volledige

cursusaanbod of kies voor het open onderwijs: modules uit onze hlo-opleidingen,

zoals bijvoorbeeld Virologie, Immunologie en Microbiologie. Ook met een erkend

certificaat. Kijk op www.cvnt.nl.

Vraag uitgebreide cursusinformatie en een inschrijfformulier aan bij de infodesk

van Centrum voor Natuur & Techniek, Life Sciences & Chemistry, (030) 275 88 89 of

clsc@hu.nl.

Medisch analist

HBO/MBO - 36 uur per week

standplaats Weert

Stichting Synergos bestaat ruim 20 jaar en

biedt uitgebreide dienstverlening in de

eerstelijns gezondheidszorg. Onze

organisatie bestaat uit het Diagnostisch

Centrum Eindhoven, Diagnostisch Centrum

’s-Hertogenbosch, Centrale Productie,

Justus Medisch Centrum en Eerstelijns

Facilitair Bedrijf.

Meer informatie over onze organisatie

en deze of andere vacatures vind je op

w w w . s y n e r g o s . n u

HAN BioCentre, Hogeschool van Arnhem en

Nijmegen, locatie Nijmegen

Titel Workshop Hematomorfologie (WHEM)

Datum 3 november 2008 (middag)

Kosten € 165,00

Titel Immunologie (IMMU)

Startdatum 4 november 2008

Omvang 5 bijeenkomsten (dinsdagavond)

Kosten € 314,00

Titel Workshop Morfologie van het

Urinesediment (WUMF)

Datum 5 november 2008 of 8 april 2009

(gehele dag)

Kosten € 318,00

Titel Chemometrie

Datum 8 december 2008 (gehele dag)

Kosten € 390,00

Titel Toegepaste Bioinformatica

Datum 10 december 2008 (gehele dag)

Kosten € 318,00

Titel Basis Moleculair Biologische Technieken

Startdatum 13 januari 2008

Omvang 16 bijeenkomsten (dinsdagmiddag/avond)

Kosten € 2.790,00

Titel Advanced Moleculair Biologische Technieken

Startdatum 13 januari 2008

Omvang 16 bijeenkomsten (dinsdagmiddag/avond)

Kosten € 2.790,00

Titel Immuunhematologie (IMHE)

Startdatum 13 januari 2009

Omvang 16 bijeenkomsten (dinsdagavond)

Kosten € 927,00

Titel Research Immunologie (RIMM)

Startdatum 20 januari 2009

Omvang 6 bijeenkomsten (dinsdagavond)

Kosten € 417,00

Titel Klinische Cytologie (KLCT)

Startdatum 20 januari 2009

Omvang 10 dagen

Kosten € 1.499,00

Voor aanmelding en aanvullende informatie over onze opleidingen (tevens Elearning

MBO, Post-HBO cursussen en ‘cursussen op maat’) kunt u terecht op onze

website www.hanbiocentre.nl of mailen naar HYPERLINK “mailto:info@hanbiocentre.nl”

info@hanbiocentre.nl.

Analyse oktober 2008 253


NVML-cursus ‘Theorie en kliniek van immunoassays’

In deze cursus wordt de basis gelegd voor probleem herkennend en probleem oplossend vermogen op het terrein van de immunochemische

reactie.

Leerdoelen en opzet

Blok 1

Immunochemische technieken worden onder meer toegepast om in biologische materialen zeer geringe hoeveelheden van immunochemisch

actieve stoffen te bepalen. De enorme gevoeligheid en de zeer grote specificiteit vragen diepgaande kennis en inzicht bij de toepassingen van deze

analytische techniek. Dit blok bevat de volgende onderdelen:

Dag 1 Beginselen van de immunoassay en analytische concepten – Antilichamen.

Dag 2 Labels – Calibratie.

Dag 3 Curfitting/rekenmethoden – Troubleshooting.

Referentiewaarden met immunoassays; het begrip, hoe afhankelijk is het van de methodiek, harmonisatie en in relatie met externe

kwaliteitsbewaking.

Dit blok wordt afgesloten met een schriftelijk examen.

Blok 2

Hierbij worden de klinische achtergronden voor het gebruik van immunoassays nader belicht. Dit blok bevat de volgende onderdelen:

Dag 1 Inleiding klinische concepten, patiëntvoorbereiding, monsterafname en behandeling.

Eiwithormonen, schildklier en infertiliteit.

Steroïdhormonen, bijnier.

Dag 2 Hematologie; cardiale markers.

Tumormerkstoffen.

Dag 3 Immunologie / Allergie.

Auto-immuniteit.

Dit blok wordt afgesloten met een schriftelijk examen.

Omdat beide blokken een afgerond geheel vormen, is het mogelijk zich voor één blok in te schrijven.

Docenten

Dr. J.L.P. van Duijnhoven, klinisch chemicus, Elkerliek Ziekenhuis,

Helmond

Drs. E. Endert, klinisch chemicus, hoofd laboratorium endocrinologie/

radiochemie, AMC Amsterdam

Niveau

Post-HBO

Datum, tijdstip en locatie

Blok 1 di. 6, 13 en 20 januari 2009, examen do. 5 februari 2009.

Blok 2 do. 5, 12 en 19 maart 2009, examen do. 2 april 2009.

Lestijden zijn van 9.45 uur tot 16.00 uur, examen van 10.00 tot 11.30 uur.

NVML, Wilhelminapark 52 te Utrecht.

UEC

23 UEC per blok

Snel inschrijven via de website www.nvml.nl Of dit formulier volledig ingevuld en ondertekend opsturen vóór 30 november 2008 naar het bureau NVML, Wilhelminapark 52, 3581 NM, Utrecht,

of fax 030-2541814.

Aanmeldingsformulier cursus ‘THEORIE EN KLINIEK VAN IMMUNOASSAYS’

naam deelnemer:

1)

voorletters: M V

adres:

postcode/woonplaats:

tel. tel. thuis:

naam werkgever: tel. werk:

adres werkgever:

e-mail:

NVML-lid: 2) ja nee 1)

Datum:

handtekening:

Kosten

Blok 1 € 795,00 koffie/thee, lunch en reader zijn daarbij inbegrepen.

Blok 2 € 795,00 koffie/thee, lunch en reader zijn daarbij inbegrepen.

Blok 1 + 2 € 1500,00 koffie/thee, lunch en reader zijn daarbij inbegrepen.

(NVML-leden kunnen persoonlijk via de geld-terug-bon € 25,- korting vragen)

Aantal deelnemers

Minimaal 8 en maximaal 18 deelnemers.

Aanmelding

Snel inschrijven via www.nvml.nl of via bijgaand aanmeldingsformulier.

Gaarne duidelijk aangeven voor welk(e) blok(ken) u zich in wilt schrijven. Na

de sluitingsdatum voor aanmelden ontvangt u een bevestiging met nota.

Uiterste inschrijfdatum

30 november 2008.

Bij overboeking gaan leden voor op niet-leden, daarna op volgorde van

datum van de aanmelding.

geboortedatum:

schrijft zich in voor de cursus in het voorjaar van 2009 Blok 1 Blok2 Blok 1 en 2

Aanmelding vóór 30 november 2008 opsturen naar: NVML, Wilhelminapark 52,

3581 NM Utrecht of faxen naar 030-2541814

1) Doorhalen wat niet van toepassing is

2) Dit dient een persoonlijk lidmaatschap te zijn: het abonnement

dat uw instelling heeft op het tijdschrift Analyse geeft geen recht op korting.


In verband met organisatorische ontwikkelingen is de aansturing van het KCHL en het MML aangepast. In dat kader

zijn wij per direct op zoek naar een kandidaat die de functie willen vervullen van:

UNITHOOFD MEDISCHE MICROBIOLOGIE EN ZIEKENHUISHYGIENE M/V

Het betreft een vacature voor 36 uur per week

Wij zijn…..

Teams die bestaan uit enthousiaste analisten, ziekenhuishygiënisten en ondersteunend personeel, die samen

met andere disciplines nauw samenwerken om optimale zorg te verlenen aan onze patiënten. Wij hebben binnen

onze teams klantvriendelijkheid, teamspirit en kwaliteit van zorg hoog in het vaandel staan. Wij vinden het

belangrijk om een lerende afdeling te zijn die meegaat met de actuele ontwikkelingen in de laboratorium wereld.

De dagelijkse aansturing vindt plaats in nauwe samenwerking met de artsen-microbioloog.

Wij bieden…….

Een boeiende, afwisselende baan met eigen verantwoordelijkheden en ruimte voor ontwikkelingen. Wij staan

open voor creatieve ideeën binnen een goede werksfeer in een collegiaal team.

Er zijn volop mogelijkheden om kwaliteiten en initiatieven te ontplooien en uit te voeren.

Wij zoeken enthousiaste kandidaten die…..

Medewerkers operationeel kunnen aansturen.

Medewerkers kunnen coachen en begeleiden.

Uitvoering kunnen geven aan het personeelsmanagement.

Een positief constructieve werkhouding bezitten.

Gericht zijn op samenwerking.

Een bijdrage kunnen leveren aan de organisatorische ontwikkelingen.

Goede communicatieve vaardigheden hebben om de coördinatie en de continuïteit van werkzaamheden

zowel inter- als intradisciplinair te waarborgen.

Een bijdrage kunnen leveren aan het ontwikkelen en implementeren van beleid.

Een bijdrage kunnen leveren aan kwaliteitsverbetering van de zorgverlening en het bewaken ervan.

Een voortrekkersrol en voorbeeldfunctie kunnen vervullen.

Functie-eisen

HBO werk- en denkniveau, aangevuld met de kaderopleiding of bereidheid deze te volgen.

In het bezit zijn van het diploma HLO medische microbiologie.

Bij voorkeur leidinggevende ervaring hebben opgedaan.

Kunnen aansturen op basis van inhoudelijke expertise en leiderschap.

Beschikken over goede mondelinge en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheden.

Arbeidsvoorwaarden

De arbeidsvoorwaarden zijn overeenkomstig de CAO Ziekenhuizen.

Inlichtingen

Nadere inlichtingen over deze functie worden u graag verstrekt door de heer G.W.M Jonker, bedrijfsleider laboratoria,

(0318) 43 40 43.

Sollicitatiegesprekken

De sollicitatiegesprekken staan gepland op 22,23 of 24 oktober

Solliciteren

Uw schriftelijke sollicitatie kunt u vóór 18-10-2008 richten aan Ziekenhuis Gelderse Vallei,

t.a.v. Werving & Selectie, Postbus 9025, 6710 HN EDE of via email: werving-selectie@zgv.nl .

Analyse oktober 2008 255

onze vacatures kunt u ook bekijken op www.geldersevallei.nl

ACQUISITIE N.A.V. DEZE ADVERTENTIE WORDT NIET OP PRIJS GESTELD

werving en selectie 16-09-2008 vacature nr. 2008. 197


The right diagnosis

affects more than just treatment.

Am I okay? What do I do? Dealing with uncertainty stops life in its tracks. When doctors and

patients know more, they can make better choices sooner and plan next steps. Those decisions

hinge on reliable lab results. Ortho Clinical Diagnostics supports your goals for improving patient

care with total solutions for maximum uptime and accuracy. Because you know better than

anyone, life depends on knowing.

The science of knowing shapes the art of living.

www.orthoclinical.com

All trademarks are the property of Ortho-Clinical Diagnostics, Inc.

© Ortho-Clinical Diagnostics, Inc. 2008 CL10659 May 2008

More magazines by this user
Similar magazines