3 januari 1928. Drie Surinaamse verstekelingen komen aan in ...

ooijevaar.info

3 januari 1928. Drie Surinaamse verstekelingen komen aan in ...

97

al op het rustige deel van het Amerikaans jazzrepertoire. Het resultaat was misschien

wat aan de brave kant, maar dat het kwaliteit had, staat tot op de dag van vandaag

voor kenners buiten kijf. Toch staken de Ramblers in meer dan één opzicht bleek

af bij de grote voorbeelden. Dat werd voor iedereen duidelijk toen de eerste

internationale iconen in de loop van de jaren dertig in ons land kwamen optreden.

In juli 1933 zetten Duke Ellington en zijn orkest het Kurhaus te Scheveningen op

de kop, vier maanden later gevolgd door Louis Armstrong, die vanwege groot succes

het jaar daarop terugkeerde. ‘Felle dissonanten gillen uit den band op,’ meldde de

Haagsche Courant na het Armstrong-concert op zondag 12 november 1932 in de

Dierentuin in Den Haag.

Armstrong's schetterende trompet jaagt aan tot een steeds wilder, een

steeds duivelscher tempo. Hij gilt, hij uit scherpe, langgerekte stooten,

speelt tegen de maat in, desnoods langs de maat heen, maar geraffineerd

bewust, zoodat hij het meesleepend tempo en het razende rhythme, dat

als een koortsachtigen hartslag in zijn band mokert, fel onderstreept. Er

leeft inderdaad iets van de oude massa-dansen van duister Afrika in zijn

waanzinnige alles meeslepende kunst.

Het publiek, volgens het verslag ‘allemaal jongelieden en slechts enkele ouderen’,

gedroeg zich als ‘één bezeten massa, één telkens weer wild brullende menigte.’

Dagblad Het Vaderland prees het ‘voortreffelijk verzorgde ritme’ in het orkest van

Armstrong:

De drummer voert het, met zijn vliegenmeppers en z'n stokken, soms op

tot een extase, die teruggrijpt in de cultuur uit de Afrikaansche oerwouden,

bij woeste fascineerende krijgsdansen.

De optredens van de Amerikaanse tenorsaxofonist Coleman Hawkins in de zomer

van 1935 verliepen minder spectaculair en werden tot ongenoegen van het blad De

Jazzwereld ternauwernood opgemerkt in de media. Daar zou pas verandering in

komen toen Hawkins - die in het licht van de eeuwigheid niet onder zou doen voor

Ellington of Armstrong - zijn geplande tournee door Europa moest afbreken. Duitsland

gaf hem op grond van de nieuwe nationaal-socialistische richtlijnen geen

toestemming om de grens over te steken. De gestrande Hawkins bleef vier jaar in

Nederland, maakte platen met onder andere de hier eveneens gevestigde zwarte

Amerikaanse pianist Freddy Johnson en soleerde als gast regelmatig bij de Ramblers

op de VARA-radio. Werken wilde hij, zoveel mogelijk en met wie hij maar kon.

Volgens de Haagse jazzhistoricus Arie van Breda kunnen vrijwel alle musici die

vóór de oorlog jazz speelden, er zich op beroepen ooit met Coleman Hawkins te

hebben gewerkt, ‘rijp en groen, bekenden en onbekenden’ (Van Breda 2000, 151).

Voor ‘The Bean’, zoals Hawkins werd genoemd, was de foyer van het Kurhaus goed

genoeg. Hij

Cultuur en migratie in Nederland. Kunsten in beweging 1900-1980

Similar magazines