20.09.2013 Views

Peugeot 207 Gebruikers Handboek - peugeot207club.nl

Peugeot 207 Gebruikers Handboek - peugeot207club.nl

Peugeot 207 Gebruikers Handboek - peugeot207club.nl

SHOW MORE
SHOW LESS

You also want an ePaper? Increase the reach of your titles

YUMPU automatically turns print PDFs into web optimized ePapers that Google loves.

IN EEN OOGOPSLAG

4

COCKPIT

1. Schakelaar snelheidsregelaar/begrenzer.

2. Hendel stuurwielverstelling.

3. Schakelaar verlichting en

richtingaanwijzers.

4. Instrumentenpaneel.

5. Airbag bestuurder.

Claxon.

6. Versnellingshendel.

7. Handrem.

8. Hendel motorkapontgrendeling.

9. Schakelaars buitenspiegels.

Schakelaars ruitbediening.

Blokkeerschakelaar ruitbediening

achter.

10. Zekeringkast.

11. Koplampverstelling.

12. Verstelbaar en afsluitbaar

zijventilatierooster.

13. Zijruitontwaseming.

14. Luidspreker (tweeter).

15. Voorruitontwaseming.


COCKPIT

IN EEN OOGOPSLAG

1. Contact-/stuurslot.

2. Stuurkolomschakelaar autoradio.

3. Schakelaar ruitenwissers/

ruitensproeiers/boordcomputer.

4. Schakelaar alarmknipperlichten.

5. Parfumeur.

6. Multifunctioneel display.

Verklikkerlampjes

veiligheidsgordels.

7. Zonnesensor.

8. Airbag passagier.

9. Dashboardkastje/Uitschakeling

airbag aan passagierszijde/

Aansluitingen audio/video.

10. Schakelaar stoelverwarming.

11. Asbak vóór/Aansteker.

12. Schakelaar parkeerhulp achter.

Schakelaar elektronisch

stabiliteitsprogramma (ESP/ASR).

Schakelaar centrale vergrendeling.

Schakelaar alarm.

Schakelaar elektrisch kinderslot.

13. Bedieningspaneel verwarming/

airconditioning.

14. CD-wisselaar.

15. Radio RD4 of radio/telefoon/GPS

RT3.

16. Middelste verstelbare en

afsluitbare ventilatieroosters.

5


IN EEN OOGOPSLAG

6

i

OPENEN

Sleutel met afstandsbediening

A. Uitklappen/inklappen

van de sleutel.

B. Ontgrendelen van de auto.

64

En verder...

C. Normale vergrendeling

of

Supervergrendeling

van de auto.

Brandstoftank

1. Openen van de brandstofvulklep.

2. Openen en bevestigen van de

brandstofvuldop.

Inhoud van de brandstoftank: ongeveer

50 liter.

77

Motorkap

A. Hendel motorkapontgrendeling interieur.

B. Veiligheidshaak.

C. Motorkapsteun.

115


COMFORT

Voorstoel verstellen Stuurwiel verstellen

1. Verstelling in lengterichting.

2. Hoogteverstelling.

3. Rugleuningverstelling.

4. Hoogte- en hoekverstelling van de

hoofdsteun.

52

i

En verder...

5. Toegang tot de achterzitplaatsen

(3-deurs).

6. Armsteun.

7. Stoelverwarming.

1. Ontgrendelen van het stuurwiel

met de hendel.

2. Verstellen in hoogte en diepte.

3. Vergrendelen van het stuurwiel

met de hendel.

58

IN EEN OOGOPSLAG

7


IN EEN OOGOPSLAG

8

i

COMFORT

Buitenspiegels verstellen

A. Selecteren van de buitenspiegel.

B. Verstellen van de buitenspiegel.

C. In de middenstand zetten van de

selectieschakelaar.

56

En verder...

D. Inklappen/uitklappen.

Binnenspiegel instellen

1. Selecteren van de dagstand van

de spiegel.

2. Verstellen van de binnenspiegel.

57

Veiligheidsgordel vóór

1. Vastmaken.

2. In hoogte verstellen.

98


ZICHT

Verlichting

Ruitenwissers

Ring A Hendel A : ruitenwissers vóór Inschakelen van de stand "AUTO"

Uit.

2. Hoge snelheid.

Beweeg de hendel omlaag en laat

Automatisch inschakelen

verlichting.

1.

I.

Normale snelheid.

Interval.

deze los.

Uitschakelen van de stand "AUTO"

Parkeerlicht.

0. Uit.

Beweeg de hendel omhoog en zet

Dimlicht/grootlicht.

AUTO Automatische ruitenwissers

of één keer wissen.

deze vervolgens in de stand "0".

Ruitensproeiers: trek de hendel naar u toe. 84

Ring B

Mistachterlicht.

82

Ring B : ruitenwisser achter

of

Uit.

Mistlampen vóór en

Interval.

mistachterlicht.

Ruitensproeier.

78 83

IN EEN OOGOPSLAG

9


10

IN EEN OOGOPSLAG

VENTILATIE

Aanbevolen instellingen

Gewenste werking

WARM

KOUD

ONTWASEMEN

ONTDOOIEN

Luchtverdeling Luchtopbrengst

Verwarming of handbediende airconditioning

Luchtrecirculatie/

Toevoer van

buitenlucht

Temperatuur Handbediende

Airconditioning

Automatische airconditioning: het is raadzaam de volautomatische werking te selecteren met de toets "AUTO".


CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

Instrumentenpaneel Verklikkerlampjes

Rij drukschakelaars

A. Als het contact wordt aangezet,

moet de wijzer van de brandstofmeter

omhoog gaan.

B. Bij draaiende motor moet het verklikkerlampje

laag brandstofniveau

uitgaan.

C. Als het contact wordt aangezet,

moet de motorolieniveaumeter

enkele seconden de melding "OIL

OK" weergeven.

Ga indien nodig tanken of vul olie bij.

20

1. Als het contact wordt aangezet,

gaan de oranje en rode

verklikkerlampjes branden.

2. Bij draaiende motor moeten deze

lampjes weer uitgaan.

Raadpleeg de desbetreffende bladzijde

als er lampjes blijven branden.

21

IN EEN OOGOPSLAG

Het branden van een verklikkerlampje

geeft de staat van de desbetreffende

functie aan.

A. Uitschakeling parkeerhulp achter.

112

B. Uitschakeling ESP/ASR.

97

C. Centrale vergrendeling.

73

D. Uitschakeling interieurbeveiliging.

68

E. Inschakeling elektrisch kinderslot.

93

11


12

IN EEN OOGOPSLAG

VEILIGHEID VOOR DE INZITTENDEN

Airbag voorpassagier Veiligheidsgordels voor

en achter

Contactslot

1. Open het dashboardkastje.

2. Steek de sleutel in de schakelaar.

3. Selecteer de stand:

"ON" (inschakelen) wanneer een

passagier op de voorstoel zit of

een kinderzitje "met het gezicht in

de rijrichting" is bevestigd,

"OFF" (uitschakelen) wanneer

een kinderzitje "met de rug in de

rijrichting" is bevestigd.

4. Verwijder de sleutel zonder

de stand van de schakelaar te

veranderen.

101

A. Verklikkerlampje veiligheidsgordel

links voor niet vastgemaakt of

weer losgemaakt (rood).

B. Verklikkerlampje veiligheidsgordel

rechts voor vastgemaakt (groen).

C. Verklikkerlampje veiligheidsgordel

links achter vastgemaakt (groen).

D. Verklikkerlampje veiligheidsgordel

midden achter weer losgemaakt

(rood).

E. Verklikkerlampje veiligheidsgordel

rechts achter vastgemaakt (groen).

99

1. Stand Stop.

2. Stand Contact.

3. Stand Starten.

66

STARTEN


RIJDEN

Snelheidsbegrenzer Snelheidsregelaar

Weergave op het

instrumentenpaneel

1. Selecteren/deactiveren

van de snelheidsbegrenzer.

2. Verlagen van de ingestelde

snelheid.

3. Verhogen van de ingestelde

snelheid.

4. Snelheidsbegrenzer aan/uit.

Het instellen van de snelheid is alleen

mogelijk bij draaiende motor.

108

1. Selecteren/deactiveren

van de snelheidsregelaar.

2. Verlagen van de ingestelde

snelheid.

3. Verhogen van de ingestelde

snelheid.

4. Snelheidsregelaar aan/uit.

Het instellen van een snelheid en het

activeren van de snelheidsregelaar is

alleen mogelijk bij een wagensnelheid

hoger dan 40 km/h, vanaf de vierde

versnelling (handgeschakelde versnellingsbak).

110

IN EEN OOGOPSLAG

Als de snelheidsregelaar of -begrenzer

is ingeschakeld, verschijnen de instellingen

van het systeem op het instrumentenpaneel.

Snelheidsregelaar

Snelheidsbegrenzer

13


14

IN EEN OOGOPSLAG

EXTERIEUR

Panoramadak

Dankzij het brede glazen dak zijn het

zicht en de lichtinval in het interieur ongekend.

76

Bochtverlichting

Deze extra verlichting zorgt automatisch

voor een optimaal zicht in bochten.

81

Parkeerhulp achter

Deze functie waarschuwt u tijdens het

achteruitrijden voor obstakels achter de

auto.

112

Controlesysteem bandenspanning

Deze functie bewaakt de bandenspanning

van alle banden en waarschuwt u

in het geval van een lekke band of een

te lage bandenspanning.

95


INTERIEUR

Airconditioning met gescheiden

regeling

Deze functie maakt het mogelijk de airconditioning

voor de bestuurders- en

passagierszijde afzonderlijk in te stellen.

Aan de hand van deze instellingen en de

weersomstandigheden wordt de airconditioning

vervolgens automatisch geregeld.

49

"2 Tronic" versnellingsbak

Deze uitvoering combinert de voordelen

van zowel een volautomatische functie,

een handgeschakelde functie als een

auto-sequentiële functie.

105

Parfumeur

IN EEN OOGOPSLAG

De in het ventilatiesysteem opgenomen

parfumeur zorgt voor de verspreiding

van een aangename geur (naar keuze)

in het gehele interieur.

51

Audio- en communicatiesystemen

Deze uitvoeringen kunnen zijn voorzien

van de nieuwste technologie: de MP3compatible

autoradio RD4, de Bluetooth

handsfree set, de autoradio/telefoon

RT3 met navigatiesysteem, JBL audiosysteem.

RT3 151

RD4 174

15


1

20

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

INSTRUMENTENPANEEL BENZINE - DIESEL MET

HANDGESCHAKELDE OF "2 TRONIC" VERSNELLINGSBAK

De klokken en verklikkerlampjes op het

instrumentenpaneel geven informatie

over de werking van de auto.

Klokken

1. Toerenteller.

Geeft het motortoerental aan

(x 1 000/min).

2. Brandstofniveaumeter.

Geeft de resterende hoeveelheid

brandstof in de tank aan.

3. Koelvloeistoftemperatuurmeter.

Geeft de koelvloeistoftemperatuur

aan (°Celsius).

4. Snelheidsmeter.

Geeft de wagensnelheid aan (km/h

of mph).

5. Olietemperatuurmeter.

Geeft de motorolietemperatuur aan

(°Celsius).

6. Display.

7. Knop nulstelling.

Knop voor de nulstelling van de

geselecteerde functie (dagteller of

onderhoudsintervalindicator).

8. Dimmer dashboardverlichting.

Knop voor de instelling van de

lichtsterkte van de dashboardverlichting.

9. "2 Tronic" versnellingsbak.

Geeft het geselecteerde programma

en de ingeschakelde versnelling

aan.

Display

A. Snelheidsbegrenzer

of

Snelheidsregelaar.

(km/h of mph)

B. Dagteller.

(km of miles)

C. Onderhoudsintervalindicator.

(km of miles), vervolgens:

Motorolieniveaumeter.

vervolgens:

Kilometerteller.

(km of miles)

Deze drie functies worden

achtereenvolgens weergegeven

als het contact wordt aangezet.

Raadpleeg voor meer informatie over de

werking en de weergave van een bepaalde

functie het desbetreffende hoofdstuk.


Verklikkerlampjes

De verklikkerlampjes geven de bestuurder

informatie over de werking van een

systeem (ingeschakeld of uitgeschakeld)

of waarschuwen de bestuurder in

het geval van een storing (waarschuwingslampje).

!

Verklikkerlampjes kunnen constant

branden of knipperen.

Een aantal verklikkerlampjes heeft

beide mogelijkheden. Of het constant

branden of knipperen van

een verklikkerlampje duidt op een

storing, is afhankelijk van de werkingsfase

van de auto.

Bij het aanzetten van het contact

Als het contact wordt aangezet, gaan

de waarschuwingslampjes enkele seconden

branden.

Zodra de motor wordt gestart, moeten

deze lampjes weer uitgaan.

Als het lampje blijft branden, controleer

dan voordat u gaat rijden welke functie

het betreft.

Bijbehorende waarschuwingen

Sommige verklikkerlampjes kunnen

gaan branden in combinatie met een

geluidssignaal en een melding op het

multifunctionele display.

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

Verklikkerlampjes tijdens het rijden

De volgende verklikkerlampjes geven

aan dat de desbetreffende functie is ingeschakeld.

Richtingaanwijzer links.

Dimlicht.

Grootlicht.

Handrem aangetrokken.

Richtingaanwijzer rechts.

Mistlampen vóór.

Mistachterlicht.

Voorgloeien dieselmotor.

Wacht met starten van de motor

tot dit verklikkerlampje uit is.

1

21


1

22

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

Verklikkerlampjes uitgeschakelde

functies

De volgende verklikkerlampjes geven

aan dat de desbetreffende functie handmatig

is uitgeschakeld.

Uitschakeling airbag aan

passagierszijde.

De airbag aan passagierszijde

is na het starten van de auto

automatisch ingeschakeld.

De airbag kan met een speciale

schakelaar in het dashboardkastje worden

uitgeschakeld. Het verklikkerlampje

blijft branden om dit te bevestigen.

Uitschakeling elektronisch

stabiliteitsprogramma (ESP).

Het ESP is na het starten van de

auto automatisch ingeschakeld.

Het systeem kan met de desbetreffende

toets in het midden van het dashboard

worden uitgeschakeld. Het verklikkerlampje

en het lampje in de schakelaar

blijven branden om dit te bevestigen.


Waarschuwingslampjes

Als bij draaiende motor of tijdens het

rijden een van de volgende verklikkerlampjes

gaat branden, wijst dit op een

storing in het desbetreffende systeem

en moet de bestuurder actie ondernemen.

!

In het geval van een storing waarbij

een waarschuwingslampje gaat

branden, moet de aanvullende informatie

via een melding op het

multifunctionele display worden

gelezen.

Raadpleeg indien nodig een PEUGEOTservicepunt.

Waarschuwingslampje

STOP.

Dit waarschuwingslampje

brandt in combinatie met

een ander waarschuwingslampje:

- lekke band,

- remsysteem,

- oliedruk,

- koelvloeistoftemperatuur.

Zet de auto zo snel mogelijk op een veilige

plaats stil.

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

Service.

Het verklikkerlampje service

gaat branden in het geval van

een storing in een systeem zonder

specifiek verklikkerlampje.

De melding op het multifunctionele display

geeft aan welke functie het betreft.

Controleer:

- de batterij van de afstandsbediening,

- de bandenspanning,

- het motorolieniveau,

- het niveau van de ruitensproeiervloeistof,

- de staat van de lampen.

Raadpleeg in andere gevallen een

PEUGEOT-servicepunt.

Lekke band.

Dit lampje gaat branden als één

of meer banden lek zijn. Zet de

auto zo snel mogelijk op een

veilige plaats stil.

Verwissel de lekke band en laat deze

repareren door een PEUGEOT-servicepunt.

Antiblokkeersysteem (ABS).

Dit lampje gaat branden in het

geval van een storing in het antiblokkeersysteem.

De normale remwerking met

rembekrachtiging blijft echter behouden.

1

23


1

24

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

Airbags.

Dit lampje gaat branden in het

geval van een storing in één

van de airbags (airbags vóór,

zij-airbags of window-airbags) of de pyrotechnische

gordelspanners.

Elektronisch

stabiliteitsprogramma (ESP).

Het ESP wordt automatisch ingeschakeld

als de motor wordt

gestart.

Als het systeem niet is uitgeschakeld

en dit verklikkerlampje constant brandt

en het lampje in de schakelaar knippert,

wijst dit op een storing in het systeem.

Zelfdiagnosesysteem motor.

Dit lampje gaat branden in het

geval van een storing in het

motor management systeem.

Als het lampje knippert, wijst dit op een

storing in de emissieregeling.

Motoroliedruk.

Dit lampje gaat branden in het

geval van een storing in het

smeersysteem van de motor.

Zet de auto zo snel mogelijk op een veilige

plaats stil.

Bochtverlichting.

Dit lampje gaat knipperen in het

geval van een storing in het systeem

van de bochtverlichting.

Laden van de accu.

Dit lampje gaat branden in het

geval van een storing in het

laadcircuit van de accu (gecorrodeerde

of losgeraakte accupolen, dynamoriem

slap of gebroken, ...).

Remsysteem.

Dit lampje gaat branden in het

geval van een storing in het

remsysteem:

- te laag remvloeistofniveau,

- storing elektronische remdrukregelaar

(REF) (het verklikkerlampje ABS

brandt in dat geval ook),

Zet de auto zo snel mogelijk op een veilige

plaats stil.

Controleer tijdens het rijden of de handrem

niet is aangetrokken.

Laag brandstofniveau.

Dit lampje gaat branden op het

moment dat u met de resterende

hoeveelheid brandstof nog

ongeveer 50 km kunt rijden.

De inhoud van de brandstoftank bedraagt ongeveer 50 liter.

Te laag koelvloeistofniveau.

Dit lampje gaat knipperen in het

geval van een te laag koelvloeistofniveau.

Zet de auto zo snel

mogelijk op een veilige plaats stil.

Geopend portier.

Een portier, de achterklep of de

motorkap is nog geopend:

- bij een snelheid lager dan 10 km/h

brandt dit lampje constant,

- bij een snelheid hoger dan 10 km/h

brandt dit lampje constant, in combinatie

met een geluidssignaal.

Veiligheidsgordel niet

vastgemaakt.

Dit lampje gaat branden als

de bestuurder* en/of voorpassagier

zijn veiligheidsgordel niet heeft

vastgemaakt of weer heeft losgemaakt.

Dit lampje gaat ook branden als de veiligheidsgordels

van één of meer achterpassagiers

zijn losgemaakt.

Stuurbekrachtiging.

Dit lampje gaat branden in het

geval van een storing in de

elektrische stuurbekrachtiging.

Water in brandstoffilter.

Dit lampje gaat branden in het

geval van de aanwezigheid van

water in het brandstoffilter (diesel).

Er bestaat kans op schade aan het inspuitsysteem

bij dieselmotoren.

* Volgens land van bestemming.


Koelvloeistoftemperatuurmeter

De koelvloeistoftemperatuurmeter geeft

de bestuurder tijdens het rijden informatie

over de koelvloeistoftemperatuur.

Als bij draaiende motor de wijzer zich

bevindt in:

- zone A, is de temperatuur in orde,

- zone B, is de temperatuur te hoog. Het

verklikkerlampje te hoge koelvloeistoftemperatuur

1 gaat branden in combinatie

met het verklikkerlampje STOP,

een geluidssignaal en een melding op

het multifunctionele display.

Stop zo snel mogelijk op een veilige

plaats.

Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt.

De temperatuur en de druk in het koelcircuit

beginnen na enkele minuten rijden

te stijgen.

Alvorens koelvloeistof bij te vullen:

wacht tot de motor is afgekoeld,

draai de dop twee omwentelingen

los om de druk te laten dalen,

verwijder vervolgens de dop,

vul bij tot aan het merkteken

"MAXI".

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

Motorolietemperatuurmeter

De motorolietemperatuurmeter geeft de

bestuurder tijdens het rijden informatie

over de motorolietemperatuur.

Als bij draaiende motor de wijzer zich

bevindt in:

- zone C, is de temperatuur in orde,

- zone D, is de temperatuur te hoog.

Het verklikkerlampje motoroliedruk

gaat branden in combinatie met het

verklikkerlampje STOP, een geluidssignaal

en een melding op het multifunctionele

display.

Stop zo snel mogelijk op een veilige

plaats.

Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt.

1

25


1

26

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

Onderhoudsintervalindicator

De onderhoudsintervalindicator geeft

aan hoeveel kilometer u nog verwijderd

bent van de eerstvolgende onderhoudscontrole

volgens het onderhoudsschema

van de fabrikant.

Deze afstand wordt berekend vanaf de

laatste nulstelling van de onderhoudsintervalindicator

op basis van twee parameters:

- het aantal afgelegde kilometers,

- de verstreken tijd sinds de laatste onderhoudscontrole.

De afstand tot de eerstvolgende

beurt is meer dan 1.000 km

Als het contact wordt aangezet, gaat

gedurende 5 seconden de onderhoudssleutel

branden. De kilometerteller geeft

de resterende kilometers tot de eerstvolgende

onderhoudscontrole aan.

Voorbeeld: De afstand tot de eerstvolgende

onderhoudscontrole bedraagt

4.800 km.

Als het contact wordt aangezet, geeft

het display gedurende 5 seconden het

volgende aan:

5 seconden na het aanzetten van het

contact verdwijnt de onderhoudssleutel;

de teller geeft weer de kilometerstand

en de stand van de dagteller aan.

De afstand tot de eerstvolgende

beurt is minder dan 1.000 km

Voorbeeld: De afstand tot de eerstvolgende

onderhoudscontrole bedraagt 900 km.

Als het contact wordt aangezet, geeft het display

gedurende 5 seconden het volgende aan:

5 seconden na het aanzetten van het

contact treedt de kilometerteller weer in

werking en blijft de onderhoudssleutel

branden om aan te geven dat er

binnenkort onderhoudswerkzaamheden

uitgevoerd moeten worden.


De afstand tot de eerstvolgende

beurt is overschreden

Als het contact wordt aangezet, gaat gedurende

5 seconden de onderhoudssleutel

knipperen om aan te geven dat

de onderhoudswerkzaamheden zo spoedig

mogelijk uitgevoerd moeten worden.

Voorbeeld: u hebt de afstand tot de eerstvolgende

onderhoudsbeurt met 300 km overschreden.

Als het contact wordt aangezet, geeft het display

gedurende 5 seconden het volgende aan:

5 seconden na het aanzetten van het

contact treedt de kilometerteller weer in

werking en blijft de onderhoudssleutel

branden.

i

De factor tijd kan worden meegewogen

bij de nog af te leggen kilometers,

afhankelijk van de rijgewoonten

van de bestuurder.

De onderhoudssleutel kan ook

gaan branden als het interval van

twee jaar is overschreden.

Op 0 zetten van de onderhoudsintervalindicator

De onderhoudsintervalindicator moet

na elke onderhoudsbeurt op 0 gezet

worden.

Voer dit als volgt uit:

zet het contact af,

druk op de resetknop van de dagteller

en houd deze ingedrukt,

zet het contact aan; de kilometerteller

begint terug te tellen,

laat de knop los als het display "=0"

aangeeft; de onderhoudssleutel verdwijnt.

i

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

Als u na deze handeling de accu

wilt loskoppelen, vergrendel dan

de auto en wacht minimaal 5 minuten.

Het op 0 zetten van de onderhoudsintervalindicator

zal anders

niet worden opgeslagen.

1

27


1

28

i

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

Motorolieniveaumeter

De motorolieniveaumeter geeft aan of

het motoroliepeil in orde is.

Bij het aanzetten van het contact wordt

eerst de onderhoudsintervalindicator

weergegeven en vervolgens gedurende

enkele seconden het motorolieniveau.

Een controle van het olieniveau

is alleen betrouwbaar als de auto

op een vlakke, horizontale ondergrond

staat en de motor minstens

15 minuten niet heeft gedraaid.

Olieniveau correct

Te weinig olie

Als de aanduiding "OIL" knippert in

combinatie met het verklikkerlampje

service, een geluidssignaal en een melding

op het multifunctionele display, is

het motorolieniveau te laag.

Controleer het olieniveau met de peilstok.

Als blijkt dat het olieniveau te laag

is, moet olie worden bijgevuld om te

voorkomen dat ernstige motorschade

ontstaat.

Storing motorolieniveaumeter

Als de aanduiding "OIL --" knippert,

duidt dit op een storing in de motorolieniveaumeter.

Raadpleeg een PEUGEOTservicepunt.

Oliepeilstok

Raadpleeg het hoofdstuk "Controles"

voor de plaats van de peilstok en het

bijvullen van motorolie voor het motortype

van uw auto.

2 merktekens op de peilstok:

- A = maxi; het oliepeil mag

nooit boven het niveau A

uitkomen,

- B = mini; als het oliepeil

niet boven het niveau B

uitkomt, moet het voor de

motor van uw auto voorgeschreven

type motorolie

worden bijgevuld via

de vuldop.


Kilometerteller

De kilometerteller geeft de totale

kilometerstand van de auto aan.

De kilometerteller en dagteller worden

gedurende 30 seconden weergegeven

bij het afzetten van het contact, bij het

openen van het bestuurdersportier en

bij het vergrendelen en ontgrendelen

van de auto.

Dagteller

De dagteller geeft het aantal gereden

kilometers weer nadat de bestuurder de

teller op 0 heeft gezet.

Druk bij aangezet contact op de knop

tot de dagteller op 0 staat.

Dimmer dashboardverlichting

U kunt de lichtsterkte van de dashboardverlichting

handmatig aanpassen

aan het licht van de omgeving.

Actief

Als de verlichting van de auto is ingeschakeld:

druk op de knop om de sterkte van

de dashboardverlichting te variëren,

als de verlichting de zwakste stand

heeft bereikt, laat de knop dan los en

druk hem opnieuw in om de verlichting

weer feller te maken,

of

als de verlichting de sterkste stand

heeft bereikt, laat de knop dan los en

druk hem opnieuw in om de verlichting

weer zwakker te maken,

laat de knop los zodra de gewenste

lichtsterkte is bereikt.

Inactief

De dashboardverlichting kan niet worden ingesteld

als de verlichting van de auto is uitgeschakeld of, bij

auto’s met verlichting overdag, in de dagstand staat.

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

KLOKJE

Bij het geïntegreerde klokje kunnen de

uren en de minuten afzonderlijk worden

ingesteld.

Knop 1: instellen van de uren.

Knop 2: instellen van de minuten.

Instellen

Druk kort op de desbetreffende knop

om de tijd in een laag tempo in te

stellen.

of

Houd de knop ingedrukt om de tijd in

een hoger tempo in te stellen.

1

29


1

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

MONOCHROOM DISPLAY A

(zonder autoradio RD4)

Weergave op het display

Dit display kan de volgende informatie

weergeven:

- de tijd,

- de datum,

- de buitentemperatuur* (de temperatuur

knippert bij kans op gladheid),

- controle van te openen carrosseriedelen

(portieren, achterklep, ...),

- informatie van de boordcomputer (zie

het einde van dit hoofdstuk).

Het display kan tijdelijk waarschuwingsmeldingen

(bijv.: "Storing emissieregeling")

of informatie (bijv.: "Achterklep

open") weergeven. Deze kunnen worden

gewist door op de toets "ESC" te

drukken.

* Uitsluitend bij auto’s met airconditioning.

30

Toetsen Algemeen menu

Het display kan met behulp van drie

toetsen worden bediend:

- "ESC" om de uitgevoerde handeling

af te breken,

- "MENU" om een overzicht van de

menu’s of hulpmenu’s weer te geven,

- "OK" om het gewenste menu of hulpmenu

te selecteren.

Druk op de toets "MENU" om een

overzicht van de diverse menu’s in

het algemene menu weer te geven:

- configuratie van de auto,

- opties,

- instellingen display,

- talen,

- eenheden.

Druk op de toets "OK" om het gewenste

menu te selecteren.


Configuratie van de auto

Als het menu "Config. auto" is geselecteerd,

kunnen de volgende functies geactiveerd

of gedeactiveerd worden:

- het inschakelen van de ruitenwisser

achter als de achteruitversnelling

wordt ingeschakeld (zie het hoofdstuk

"Zicht"),

- de bochtverlichting (zie het hoofdstuk

"Zicht"),

- de follow me home verlichting (zie het

hoofdstuk "Zicht").

Opties

Als het menu "Opties" is geselecteerd,

kan de status van de verschillende functies

worden weergegeven (geactiveerd,

gedeactiveerd, storing).

Instellingen display

Als het menu "Instellingen disp." is geselecteerd,

kunnen de volgende parameters

worden ingesteld:

- jaar,

- maand,

- dag,

- uren,

- minuten,

- tijdsaanduiding in 12 of 24 uur.

Selecteer een parameter en druk op

de toets "OK" om de waarde te wijzigen.

Wacht ongeveer 10 seconden tot de

gewijzigde waarde is opgeslagen of

druk op de toets "ESC" om de uitgevoerde

handeling af te breken.

Vervolgens keert het display terug naar

het vorige scherm.

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

Talen

Als het menu "Talen" is geselecteerd,

kan de taal van de weergave van het

display worden gewijzigd (Français, Italiano,

Nederlands, Portugues, Portugues-Brasil,

Deutsch, English, Español).

Eenheden

Als het menu "Eenheden" is geselecteerd,

kunnen de eenheden van de volgende

parameters worden gewijzigd:

- temperatuur (°C of °F),

- brandstofverbruik (l/100 km, mpg of

km/l).

!

Om veiligheidsredenen mag de bestuurder

het multifunctionele display

alleen bedienen als de auto

stilstaat.

1

31


1

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

MONOCHROOM DISPLAY A Toetsen

Weergave op het display

Dit display kan de volgende informatie

weergeven:

- de tijd,

- de datum,

- de buitentemperatuur* (er verschijnt

een melding bij kans op gladheid),

- controle van te openen carrosseriedelen

(portieren, achterklep, ...),

- informatie van de autoradio (radio, CD, ...),

- de boordcomputerfuncties (zie het

einde van dit hoofdstuk).

Het display kan tijdelijk waarschuwingsmeldingen

(bijv.: "Storing emissieregeling")

of informatie (bijv.: "Achterklep open")

weergeven. Deze kunnen worden gewist

door op de toets "ESC" te drukken.

* Uitsluitend bij auto’s met airconditioning.

32

Druk op het bedieningspaneel van de

autoradio RD4:

op de toets "MENU" voor toegang

tot het algemene menu,

op de toets "" of "" om door de

items op het display te scrollen,

op de toets "MODE" om de permanent

weergegeven toepassing te wijzigen

(boordcomputer, audio, ...),

op de toets "" of "" om de waarde

van een instelling te wijzigen,

op de toets "OK" om te bevestigen,

of

op de toets "ESC" om de uitgevoerde

handeling af te breken.

Algemeen menu

Druk op de toets "MENU" om het

algemene menu weer te geven en

op de toets "" of "" om door de

items op het display te scrollen:

- radio-CD,

- configuratie van de auto,

- opties,

- instellingen display,

- talen,

- eenheden,

Druk op de toets "OK" om het gewenste

menu te selecteren.

Radio-CD

Als de autoradio RD4 is ingeschakeld en

het menu "Radio-CD" is geselecteerd,

kunnen de functies van de radio (RDS,

REG), de CD-speler of de CD-wisselaar

(introscan, willekeurig afspelen, herhalen

van CD) worden geactiveerd of gedeactiveerd.

Raadpleeg voor meer informatie over

de radio/CD-speler het gedeelte "RD4"

van het hoofdstuk "Audio en telematica".


Configuratie van de auto

Als het menu "Config. auto" is geselecteerd,

kunnen de volgende functies geactiveerd

of gedeactiveerd worden:

- het inschakelen van de ruitenwisser

achter als de achteruitversnelling

wordt ingeschakeld (zie het hoofdstuk

"Zicht"),

- de bochtverlichting (zie het hoofdstuk

"Zicht"),

- de follow me home verlichting (zie het

hoofdstuk "Zicht").

Opties

Als het menu "Opties" is geselecteerd,

kan de status van de verschillende functies

worden weergegeven (geactiveerd,

gedeactiveerd, storing).

Instellingen display

Als het menu "Instellingen disp" is geselecteerd,

kunnen de volgende parameters

worden ingesteld:

- jaar,

- maand,

- dag,

- uren,

- minuten,

- tijdsaanduiding in 12 of 24 uur.

Selecteer een parameter en druk op

de toets "" of "" om de waarde te

wijzigen.

Druk op de toets "" of "" om de

vorige of volgende parameter te selecteren.

Druk op de toets "OK" om de gewijzigde

waarde op te slaan en terug

te keren naar het vorige scherm of

druk op de toets "ESC" om de uitgevoerde

handeling af te breken.

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

Talen

Als het menu "Talen" is geselecteerd,

kan de taal van de weergave van het

display worden gewijzigd (Français, Italiano,

Nederlands, Portugues, Portugues-Brasil,

Deutsch, English, Español).

Eenheden

Als het menu "Eenheden" is geselecteerd,

kunnen de eenheden van de volgende

parameters worden gewijzigd:

- temperatuur (°C of °F),

- brandstofverbruik (l/100, mpg of km/l).

!

Om veiligheidsredenen mag de bestuurder

het multifunctionele display

alleen bedienen als de auto

stilstaat.

1

33


1

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

MONOCHROOM DISPLAY C Toetsen

Algemeen menu

Weergave op het display

Dit display kan de volgende informatie

weergeven:

- de tijd,

- de datum,

- de buitentemperatuur* (de temperatuur

knippert bij kans op gladheid),

- controle van te openen carrosseriedelen

(portieren, achterklep, ...),

- audiofuncties (radio, CD, ...),

- informatie van de boordcomputer (zie

het einde van dit hoofdstuk).

Het display kan tijdelijk waarschuwingsmeldingen

(bijv.: "Storing emissieregeling")

of informatie (bijv.: "Automatische

verlichting actief") weergeven. Deze

kunnen worden gewist door op de toets

"ESC" te drukken.

* Uitsluitend bij auto’s met airconditioning.

34

Druk op het bedieningspaneel van de

autoradio RD4:

op de toets "MENU" voor toegang

tot het algemene menu,

op de toets "" of "" om door de

items op het display te scrollen,

op de toets "MODE" om de permanent

weergegeven toepassing te wijzigen

(boordcomputer, audio, ...),

op de toets "" of "" om de waarde

van een instelling te wijzigen,

op de toets "OK" om te bevestigen,

of

op de toets "ESC" om de uitgevoerde

handeling af te breken.

Druk op de toets "MENU" om het algemene

menu weer te geven:

- audiofuncties,

- boordcomputer (zie het einde van

dit hoofdstuk),

- persoonlijke instellingen-configuratie,

- telefoon (handsfree set).

Druk op de toets "" of "" om het

gewenste menu te selecteren en

bevestig door op de toets "OK" te

drukken.

Menu "Audiofuncties"

Als de autoradio RD4 is ingeschakeld

en dit menu is geselecteerd, kunnen de

functies van de radio (RDS, REG, RadioText),

de CD-speler of de CD-wisselaar

(introscan, willekeurig afspelen,

herhalen van CD) worden geactiveerd

of gedeactiveerd.

Raadpleeg voor meer informatie over de

audiofuncties het gedeelte "RD4" van

het hoofdstuk "Audio en telematica".

Menu "Boordcomputer"

Via dit menu kunt u verschillende informaties

met betrekking tot de auto raadplegen

(logboek waarschuwingsmeldingen,

status van functies, ...).


Menu "Persoonlijke

instellingen-configuratie"

Als dit menu is geselecteerd, kunnen de

volgende functies worden geselecteerd:

- parameters van de auto,

- configuratie van het display,

- taalkeuze.

Parameters van de auto instellen

Via dit menu kunnen verschillende systemen

van de auto geactiveerd of uitgeschakeld

worden:

- het inschakelen van de ruitenwisser

achter als de achteruitversnelling

wordt ingeschakeld (zie het hoofdstuk

"Zicht"),

- de bochtverlichting (zie het hoofdstuk

"Zicht"),

- de follow me home verlichting (zie het

hoofdstuk "Zicht"),

Voorbeeld: instellen van de tijdsduur

van de follow me home-verlichting

Druk op de toets "" of "" en vervolgens

op "OK" om het gewenste

menu te selecteren.

Druk op de toets "" of "" en vervolgens

op "OK" om het item "Follow

me home" te selecteren.

Druk op de toets "" of "" om de

gewenste waarde in te stellen (15,

30 of 60 seconden) en druk op de

toets "OK" om te bevestigen.

Druk op de toets "" of "" en vervolgens

op "OK" om "OK" te selecteren

en bevestigen of op de toets

"ESC" om de uitgevoerde handeling

af te breken.

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

Configuratie display

Als dit menu is geselecteerd, kunnen de

volgende parameters worden geselecteerd:

- instellen lichtsterkte-video,

- instellen datum en tijd,

- kiezen van eenheden.

Taalkeuze

Als dit menu is geselecteerd, kan de

taal van de weergave van het display

worden gewijzigd (Deutsch, English,

Español, Français, Italiano, Nederlands,

Portugues, Portugues-Brasil).

Menu "Telefoon"

Als de autoradio RD4 is ingeschakeld

en dit menu is geselecteerd, kunt u uw

Bluetooth handsfree set configureren

(koppelen), de verschillende indexen

van de telefoon raadplegen (lijst gesprekken,

diensten, ...) en uw gesprekken

beheren (opnemen, ophangen,

wisselgesprek, discretiefunctie, ...).

Raadpleeg voor meer informatie over

de telefoonfunctie het gedeelte "RD4"

in het hoofdstuk "Audio en telematica".

!

Om veiligheidsredenen mag de bestuurder

het multifunctionele display

alleen bedienen als de auto

stilstaat.

1

35


1

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

MONOCHROOM DISPLAY CT Weergave op het display

KLEURENDISPLAY DT

* Uitsluitend bij kleurendisplay DT.

36

Als het contact is aangezet, geeft

het display automatisch en direct de

volgende informatie weer:

- de tijd,

- de datum,

- de buitentemperatuur (bij kans op

gladheid wordt u gewaarschuwd door

een melding).

Het display kan tijdelijk waarschuwingsmeldingen

(bijv.: "Brandstofniveau

laag") of de status van functies van de

auto (bijv.: "Automatische verlichting

actief") weergeven. Deze kunnen worden

gewist door op de toets "ESC" te

drukken.

Algemeen menu

Als de autoradio/telefoon GPS

RT3 is ingeschakeld en dit menu is

geselecteerd, hebt u toegang tot de

volgende functies:

- navigatiesysteem en verkeersinformatie,

- audiofuncties (radio, CD, ...),

- boordcomputer (brandstofverbruik,

ritinformatie, ...),

- indexen,

- telefoon,

- instellingen van het display en

configuratie van de uitrusting van de

auto,

- navigatie met kaart*,

- video*.

Toetsen

Druk op het bedieningspaneel van de

autoradio/telefoon GPS RT3:

op de toets "MENU" voor toegang

tot het algemene menu,

draai aan de knop om een item te

selecteren,

druk op de draaiknop om de selectie

te bevestigen,

of

druk op de toets "ESC" om de

uitgevoerde handeling af te breken

en terug te keren naar het vorige

scherm.

Raadpleeg voor meer informatie over

deze functies het gedeelte "RT3" in het

hoofdstuk "Audio en telematica".


Menu "Configuratie"

Druk op de toets "MENU" van de

autoradio/telefoon GPS RT3 voor

toegang tot het algemene menu.

Draai aan de knop om het menu

"Configuratie" te selecteren en

druk op de knop om te bevestigen.

Vanuit dit menu hebt u toegang tot de

volgende functies:

Parameters van de auto instellen

Via het menu "Parameters van de

auto instellen" kunnen verschillende

systemen van de auto geactiveerd of

uitgeschakeld worden:

- het inschakelen van de ruitenwisser

achter als de achteruitversnelling

wordt ingeschakeld (zie het hoofdstuk

"Zicht"),

- de bochtverlichting (zie het hoofdstuk

"Zicht"),

- de follow me home verlichting en

tijdsduur (zie het hoofdstuk "Zicht"),

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

Voorbeeld: instellen van de tijdsduur

van de follow me home-verlichting

Draai aan de knop om het menu

"Configuratie" te selecteren en

druk op de knop om te bevestigen.

Selecteer het item "Tijdsduur follow

me home" en bevestig.

Selecteer de tijdsduur en druk op de

knop.

Draai aan de knop om de tijdsduur in

te stellen (15, 30 of 60 seconden) en

druk op de knop.

Selecteer "OK" en bevestig.

1

37


1

38

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

Configuratie van het display

Als dit menu is geselecteerd, kunnen de

volgende parameters worden geselecteerd:

- selecteren van het voor de weergave

beschikbare kleurenpalet*,

- instellen van de lichtsterkte en de helderheid

van het display,

- instellen van de gesproken commando’s

(volume, mannelijke of vrouwelijke

stem); activeren van de AUX-ingang*,

- internationale parameters, instellen van

de datum en tijd (weergave in 12 of

24 uur, instellen minuten via GPS); instellen

van eenheden (temperatuur in

°Celsius of °Fahrenheit; brandstofverbruik

in l/100 km, mpg of km/l),

- kiezen van de taal van de informatie

en de gesproken commando’s (Français,

English, Italiano, Portugues, Espanol,

Deutsch, Nederlands).

i

!

Voor het wijzigen van de stem

van de spraaksynthese (mannelijk

of vrouwelijk) of de taal van het

systeem is de configuratie-CD-

ROM nodig.

Om veiligheidsredenen mag de

bestuurder het multifunctionele

display alleen bedienen als de auto

stilstaat.

* Uitsluitend bij kleurendisplay DT.

Menu "Video"*

In het dashboardkastje bevinden zich

drie audio-/videoaansluitingen waarop

u een videoapparaat (camcorder, digitale

camera, DVD-speler, ...) kunt aansluiten.

De videoweergave werkt uitsluitend

bij stilstaande auto.

Als dit menu is geselecteerd, hebt u

toegang tot de volgende functies:

- "Videofunctie activeren" om de videofunctie

in of uit te schakelen,

- "Parameters video" om het formaat

van de weergave, de lichtsterkte, het

contrast en de kleuren in te stellen.

Druk op de toets "MODE" of "DARK"

om de weergave van de videofunctie

te onderbreken.

Druk herhaaldelijk op de toets

"SOURCE" om in plaats van de videofunctie

een andere functie van

het audiosysteem te selecteren.


BOORDCOMPUTER

De boordcomputer geeft tijdens het rijden

verschillende informatie (actieradius,

brandstofverbruik, ...).

Druk herhaaldelijk op de toets op het

uiteinde van de ruitenwisserschakelaar

om de verschillende informaties

van de boordcomputer weer te

geven.

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

Monochroom display A De boordcomputer kan de volgende

informatie weergeven:

Op 0 stellen

Weergave van de informatie

- actieradius,

- momenteel brandstofverbruik,

- afgelegde afstand,

- gemiddeld brandstofverbruik,

- gemiddelde snelheid.

Druk langer dan 2 seconden op de

toets om de afgelegde afstand, het

gemiddelde brandstofverbruik en de

gemiddelde snelheid op 0 te zetten.

1

39


1

40

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

BOORDCOMPUTER

De boordcomputer geeft tijdens het rijden

verschillende informatie (actieradius,

brandstofverbruik, ...).

Monochroom display C

Monochroom display CT

Kleurendisplay DT

Weergave van de informatie

Druk herhaaldelijk op de toets op het

uiteinde van de ruitenwisserschakelaar

om de verschillende standen

van de boordcomputer weer te geven:

- de momentele informatie:

• actieradius,

• momenteel brandstofverbruik,

• nog af te leggen afstand,

- traject "1":

• afgelegde afstand,

• gemiddeld brandstofverbruik,

• gemiddelde snelheid,

voor het eerste traject.

Traject op 0 zetten

- traject "2":

• afgelegde afstand,

• gemiddeld brandstofverbruik,

• gemiddelde snelheid,

voor het tweede traject.

Druk de toets langer dan 2 seconden

in zodra het gewenste traject wordt

aangegeven.

De trajecten "1" en "2" zijn onafhankelijk

en hebben dezelfde eigenschappen.

Traject "1" kan bijvoorbeeld gebruikt

worden voor een dagelijks verbruik en

traject "2" voor een maandelijks verbruik.


Enkele begrippen...

Actieradius

(km of miles)

De actieradius geeft op basis

van het gemiddelde verbruik

over de laatst afgelegde kilometers

aan hoeveel kilometer u nog met

de resterende brandstof kunt rijden

i

!

Dit getal kan verhoogd worden door

een verandering in de rijstijl of van

het landschap, die een aanzienlijke

verlaging van het momentele verbruik

tot gevolg heeft.

Zodra de actieradius minder dan 30 km

bedraagt, worden streepjes weergegeven.

Na het tanken van minimaal 5 liter

brandstof wordt de actieradius opnieuw

berekend en weergegeven zodra deze

meer dan 100 km bedraagt.

Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt

wanneer er tijdens het rijden

streepjes in plaats van cijfers

op het display verschijnen.

i

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

Momenteel brandstofverbruik

(l/100 km, km/l of mpg)

Dit is het verbruik dat geregistreerd

is tijdens de laatste seconden.

Deze informatie verschijnt alleen

als er met een snelheid van meer

dan 30 km/h wordt gereden.

Gemiddeld

brandstofverbruik

(l/100 km, km/l of mpg)

Dit is het gemiddelde verbruik

sinds de laatste nulstelling

van de boordcomputer.

Afgelegde afstand

(km of miles)

In deze stand geeft de

boordcomputer de afgelegde

afstand sinds de laatste

nulstelling aan.

Nog af te leggen afstand

(km of miles)

Dit is de nog af te leggen afstand

tot de eindbestemming.

Deze afstand wordt op elk moment

tijdens het gebruik van het navigatiesysteem

berekend of wordt ingevoerd

door de gebruiker.

Bij het ontbreken van de afstand verschijnen

streepjes in plaats van cijfers.

Gemiddelde snelheid

(km/h of mph)

Dit is de gemiddelde snelheid

sinds de laatste nulstelling van

de boordcomputer (contact

aan).

1

41


1

42

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

MENU "BOORDCOMPUTER"

Via dit menu kunt u verschillende informaties

met betrekking tot de auto raadplegen

(logboek waarschuwingsmeldingen,

status van functies, ...).

Logboek waarschuwingsmeldingen

Deze functie herhaalt de actieve waarschuwingsmeldingen

door ze achtereenvolgens

op het multifunctionele display

te laten verschijnen.

Toestand van de functies

Deze functie geeft aan of de verschillende

functies van de auto zijn in- of uitgeschakeld.

Afstand tot de eindbestemming

invoeren

Met behulp van deze functie kunt u een

globale waarde invoeren voor de resterende

afstand tot de eindbestemming.

Display C

Druk op de toets "MENU" voor toegang

tot het algemene menu.

Selecteer met de pijlen het menu

"Boordcomputer" en druk op de

toets "OK" om te bevestigen.

Selecteer in het menu "Boordcomputer"

één van de volgende functies:


Display CT of DT

Druk op de toets "MENU" voor toegang

tot het algemene menu.

Selecteer met de draaiknop het

menu "Boordcomputer" en druk op

de draaiknop om te bevestigen.

Selecteer in het menu "Boordcomputer"

één van de volgende functies:

Configuratie boordcomputer

Selecteer deze functie om de afstand tot

de eindbestemming in te voeren (als het

navigatiesysteem niet actief is; als dit wel

actief is, zorgt het navigatiesysteem voor

deze informatie) en de eenheden te wijzigen

(°C of °F, km/l, mpg of l/100 km)

Diagnose

Met behulp van deze functie kan het

logboek met waarschuwingsmeldingen,

de laadtoestand van de noodbatterie of

het aantal door het GPS waargenomen

satellieten worden weergegeven.

Toestand van de functies

Deze functie geeft aan of de verschillende

functies van de auto zijn in- of uitgeschakeld.

CONTROLE TIJDENS HET RIJDEN

1

43


2

44

COMFORT

VENTILATIE

De ventilatie zorgt voor een optimaal

comfort in het interieur.

Luchttoevoer

De lucht in het interieur wordt gefilterd

en wordt van buitenaf toegevoerd via

het luchtrooster onder de voorruit, of in

het interieur gerecirculeerd.

Luchtgeleiding

De lucht kan afhankelijk van de instellingen

van de bestuurder via verschillende

circuits worden toegevoerd:

- rechtstreekse toevoer naar het

interieur (toevoer van buitenlucht),

- toevoer via het verwarmingscircuit,

- toevoer via het circuit van de

airconditioning.

Stel de temperatuurregeling in: de lucht

van de verschillende circuits wordt gemengd

om het gewenste comfortniveau

te bereiken.

Stel de luchtverdeling in: de lucht wordt

via de gewenste uitstroomopeningen

over het interieur verdeeld.

Stel de luchtopbrengst in: de aanjagersnelheid

wordt verhoogd of verlaagd.

Bedieningspaneel

Het systeem wordt bediend via het bedieningspaneel

A van de middenconsole.

Volgens uitvoering zijn de volgende

functies aanwezig:

- temperatuurregeling,

- luchtopbrengstregeling,

- regeling luchtverdeling,

- ontdooien en ontwasemen,

- handbediende of automatische airconditioning.

Luchtverdeling

1. Uitstroomopeningen voor het ontdooien

of ontwasemen van de voorruit.

2. Uitstroomopeningen voor het ontdooien

of ontwasemen van de zijruiten.

3. Afsluitbare en verstelbare

zijventilatieroosters.

4. Afsluitbare en verstelbare

middelste ventilatieroosters.

5. Uitstroomopeningen beenruimte

voorpassagiers.

6. Uitstroomopeningen beenruimte

achterpassagiers.


i

GEBRUIKSADVIEZEN VOOR DE VERWARMING, VENTILATIE

EN AIRCONDITIONING

Neem voor een optimale werking van de verwarming, ventilatie en

airconditioning de volgende gebruiksadviezen in acht:

Als de binnentemperatuur zeer hoog blijft nadat de auto lang in de zon

heeft gestaan, kunt u het passagierscompartiment kort ventileren.

Zet de knop van de luchtopbrengst zodanig dat de interieurlucht goed

ververst wordt.

Let erop dat voor een gelijkmatige verdeling van de lucht naar het interieur

de uitstroomopening onder de voorruit, de verschillende luchtkanalen,

ventilatieroosters en overige uitstroomopeningen en de ventilatieopening

in de bagageruimte vrij blijven.

Let erop dat de zonnesensor op het dashboard niet wordt afgedekt. Deze

sensor dient voor de regeling van de airconditioning.

Zet de airconditioning 1 tot 2 keer per maand 5 tot 10 minuten aan om het

systeem in perfecte staat te houden.

Controleer regelmatig de staat van het interieurfilter.

De filterelementen dienen periodiek te worden vervangen. Laat de

filterelementen twee keer zo vaak vervangen als de omstandigheden dit

vereisen (zie hoofdstuk "Controles", paragraaf "Motoren").

Laat de airconditioning regelmatig controleren om het systeem in perfecte

staat te houden.

Gebruik de airconditioning niet als deze niet koelt en raadpleeg een

PEUGEOT-servicepunt.

Bij een zware belasting van de motor (trekken van een aanhanger op een

steile helling bij een hoge buitentemperatuur) kan de airconditioning tijdelijk

worden uitgeschakeld voor een optimale trekkracht van de motor.

Condensvorming in de airconditioning kan ertoe leiden dat er zich een klein

plasje water onder de auto vormt. Dit is een normaal verschijnsel.

COMFORT

Het airconditioningssysteem is

chloorvrij en is niet schadelijk voor

de ozonlaag.

2

45


2

46

COMFORT

VERWARMING/VENTILATIE

Bedieningspaneel met knoppen

Bedieningspaneel met toetsen

HANDBEDIENDE AIRCONDITIONING

Bedieningspaneel met knoppen

Bedieningspaneel met toetsen


VERWARMING/VENTILATIE

EN HANDBEDIENDE

AIRCONDITIONING

De verwarming/ventilatie en airconditioning

werken uitsluitend bij draaiende

motor.

1. Temperatuurregeling

2. Luchtopbrengst

i

Draai de knop van blauw

(koel) naar rood (warm)

om de temperatuur naar

behoefte in te stellen.

Draai de knop in één van

de vier standen om de

gewenste luchtopbrengst

te verkrijgen.

Wanneer de knop van de luchtopbrengstregeling

in de stand 0

wordt gezet (uitschakeling van

het systeem), wordt het thermische

comfort niet meer geregeld.

Er blijft door de rijwind echter

nog wel een kleine luchtstroom

gehandhaafd.

3. Luchtverdeling

Voorruit en zijruiten.

Voorruit, zijruiten en

beenruimte.

Beenruimte.

(gesloten ventilatieroosters)

Middelste ventilatieroosters

en zijventilatieroosters.

De luchtstroom kan worden

gevarieerd door de knop in

een middenstand te zetten,

aangegeven met "".

4. Toevoer van buitenlucht/

Luchtrecirculatie

De toevoer van buitenlucht voorkomt het

beslaan van de voorruit en de zijruiten.

De recirculatiestand dient om de

luchttoevoer af te sluiten bij stank en

stofoverlast.

Schakel zo snel mogelijk de toevoer van

buitenlucht weer in om te voorkomen

dat de luchtkwaliteit in het interieur

achteruitgaat en de ruiten beslaan.

COMFORT

Bedieningspaneel met knoppen

Schuif de knop naar rechts in de

stand "Luchtrecirculatie in het interieur".

Schuif de knop naar links in de stand

"Toevoer van buitenlucht".

Bedieningspaneel met toetsen

Druk op de toets om de lucht in het interieur

te laten recirculeren. Het verklikkerlampje

brandt om aan te geven dat

de luchtrecirculatie is ingeschakeld.

Druk nogmaals op de toets om de toevoer

van buitenlucht weer in te schakelen.

Het verklikkerlampje gaat uit.

Ontdooien - Ontwasemen

Ga voor het snel ontdooien of ontwasemen

van de voorruit en zijruiten als volgt te werk:

schuif de knop van de luchttoevoerregeling

4 in de stand "Toevoer van

buitenlucht",

draai de knop van de luchtverdeling

3 in de stand "Voorruit",

draai de knoppen van de temperatuurregeling

1 en de luchtopbrengst

2 in de maximale stand,

sluit de middelste ventilatieroosters,

schakel de airconditioning in met de

toets "A/C".

2

47


2

48

COMFORT

5. Airconditioning AAN/UIT

(handbediende airconditioning)

De airconditioning kan tijdens

alle seizoenen effectief gebruikt

worden, mits de ruiten

zijn gesloten:

- 's zomers: om de temperatuur in het

interieur te verlagen,

- 's winters, bij vorst: om de ruiten snel

te ontwasemen.

AAN

Druk op de toets "A/C", het

verklikkerlampje gaat branden.

De airconditioning werkt niet als de

knop van de luchtopbrengst 2 in de

stand "0" staat.

UIT

Druk nogmaals op de toets "A/C",

het verklikkerlampje gaat uit.

ACHTERRUITVERWARMING

De achterruitverwarming kan

worden ingeschakeld met de

toets op het bedieningspaneel

van de verwarming of airconditioning.

AAN

De achterruitverwarming werkt uitsluitend

bij draaiende motor.

Druk op deze toets om de achterruit

en de buitenspiegels te ontwasemen.

Het verklikkerlampje van de

toets gaat branden.

UIT

De achterruitverwarming wordt automatisch

uitgeschakeld om onnodig brandstofverbruik

te voorkomen.

U kunt de achterruitverwarming ook

eerder uitschakelen door nogmaals

op de toets te drukken. Het verklikkerlampje

van de toets gaat uit.

i

Als de motor wordt afgezet

voordat de achterruitverwarming

automatisch wordt uitgeschakeld,

wordt de achterruitverwarming

weer ingeschakeld als de motor

weer wordt gestart.

Schakel, zodra de omstandigheden

het toelaten, de achterruit-

en buitenspiegelverwarming uit

omdat een gering stroomverbruik

leidt tot een verlaging van

het brandstofverbruik.


AUTOMATISCHE AIRCONDITIONING MET GESCHEIDEN REGELING

De airconditioning werkt uitsluitend bij

draaiende motor.

Automatische werking

1. Automatisch programma

"comfort"

Druk op de toets "AUTO".

Het symbool "AUTO" wordt

weergegeven.

Het is raadzaam deze stand te gebruiken:

het systeem regelt de temperatuur,

de luchtopbrengst, de luchtverdeling en

de luchtrecirculatie automatisch en optimaal

aan de hand van de door u ingestelde

waarde.

Het systeem kan tijdens alle seizoenen

effectief gebruikt worden, mits de ruiten

zijn gesloten.

i

Om bij koude motor de toevoer van

koude lucht te beperken, wordt de

ventilatie geleidelijk op het optimale

niveau gebracht.

2. Temperatuurregeling bestuurderszijde

3. Temperatuurregeling passagierszijde

De bestuurder en voorpassagier

kunnen de temperatuur afzonderlijk

naar wens instellen.

De op het display weergegeven waarde

heeft betrekking op een bepaald comfortniveau

en niet op de temperatuur in

graden Celsius of Fahrenheit.

Draai de knop 2 of 3 naar links om de

waarde te verkleinen en naar rechts

om de waarde te vergroten.

i

COMFORT

Instelling op een waarde van ongeveer 21

biedt een optimaal comfort. Desgewenst

kunt u een andere waarde instellen, die gebruikelijk

tussen 18 en 24 ligt.

Het is raadzaam het verschil tussen de instellingen

links en rechts niet meer dan 3 te laten bedragen.

Als de temperatuur in de auto bij

het instappen veel lager of hoger

is dan de ingestelde waarde, heeft

het geen zin om voor een optimale

temperatuur de ingestelde waarde

te wijzigen. Het systeem compenseert

automatisch en zo snel mogelijk

het temperatuurverschil.

4. Automatisch programma "zicht"

In sommige gevallen kan het

automatische programma

"comfort" niet toereikend blijken

om de voorruit en zijruiten

snel condens- en ijsvrij te maken

(vocht, veel inzittenden,

vorst...).

Kies dan het automatisch programma

"zicht".

Het systeem regelt automatisch de

airconditioning en de luchtopbrengst en

zorgt voor een optimale luchttoevoer

naar de voorruit en zijruiten.

Druk nogmaals op de toets "zicht" of

op de toets "AUTO" om dit programma

af te sluiten. Het verklikkerlampje

in de toets gaat uit en het symbool

"AUTO" wordt weergegeven.

2

49


2

50

i

COMFORT

Handmatig instellen

Het is mogelijk één of meer functies van

de airconditioning handmatig in te stellen,

terwijl de overige functies automatisch

worden geregeld.

Druk op de toets "AUTO" om de

automatische werking van de airconditioning

te hervatten.

Voor een maximale afkoeling of

opwarming van het interieur kan

de temperatuurregeling op een

waarde lager dan 14 of hoger dan

28 worden ingesteld.

Draai de knop 2 of 3 naar links

tot "LO" wordt weergegeven of

naar rechts tot "HI" wordt weergegeven.

5. Airconditioning AAN/UIT

Druk op deze toets om de

airconditioning uit te schakelen.

Als de airconditioning wordt uitgeschakeld,

wordt het thermische comfort niet

meer geregeld (vocht, beslagen ruiten).

Druk de toets nogmaals in om de automatische

werking van de airconditioning

te hervatten. De aanduiding

"A/C" wordt weergegeven.

6. Regeling luchtverdeling

Druk deze toets herhaaldelijk

in om de luchtstroom te

verdelen naar:

- de voorruit, de zijruiten en de beenruimte,

- de voorruit en zijruiten (ontwasemen

of ontdooien),

- de middelste ventilatieroosters en

zijventilatieroosters,

- de middelste ventilatieroosters, de zijventilatieroosters

en de beenruimte,

- de beenruimte.

7. Regeling luchtopbrengst

Druk op de toets "kleine

propeller" om de luchtopbrengst

te verkleinen.

Druk op de toets "grote

propeller" om de luchtopbrengst

te vergroten.

Het symbool van de luchtopbrengst,

de ventilateur, wordt afhankelijk van de

ingestelde waarde geleidelijk voller.

8. Toevoer van buitenlucht/luchtrecirculatie

Druk deze toets in om de lucht in

het interieur te laten recirculeren.

Het symbool van de luchtrecirculatie

wordt weergegeven.

Deze stand dient om de toevoer van

buitenlucht bij stank en stofoverlast af

te sluiten.

Druk zodra de omstandigheden het toelaten

de toets nogmaals in om de toevoer

van buitenlucht weer te activeren en het

beslaan van de ruiten te voorkomen.

!

Uitschakelen van het systeem

Druk op de toets "kleine propeller"

tot het symbool van de ventilateur is

verdwenen.

Hierdoor worden alle functies van het

systeem uitgeschakeld.

Het thermische comfort wordt niet meer

geregeld. Door de rijwind blijft er nog wel

een kleine luchtstroom gehandhaafd.

Druk nogmaals op de toets "grote

propeller" of "AUTO" om het systeem

weer met de laatst ingestelde

waarden in te schakelen.

!

Gebruik de luchtrecirculatie alleen

als dit echt nodig is (kans op beslaan

van de ruiten en vermindering van

de luchtkwaliteit).

Het is niet raadzaam om langdurig

met uitgeschakelde airconditioning

te rijden.


PARFUMEUR

De parfumeur zorgt voor een aangename

geur in de auto en kan met een

draaiknop naar wens worden ingesteld.

Het geurelement is in verschillende

geuren leverbaar.

Functies

A. Regelknop

Met behulp van deze knop kunt u de ventilatie

en de sterkte van de geur instellen.

Er zijn drie hoofdstanden mogelijk:

0. Ventilatie uit.

1. Ventilatie maximaal/Geurverspreiding

uit.

2. Ventilatie maximaal/Maximale

geursterkte.

i

De geursterkte is mede afhankelijk

van de instellingen van de ventilatie

en de airconditioning.

B. Geurelement.

Het geurelement kan zeer eenvoudig

worden vervangen.

U kunt het geurelement op elk moment

verwisselen en buiten de auto bewaren,

dankzij de dop waarmee het element

kan worden afgesloten als het reeds is

gebruikt.

Bij de PEUGEOT-servicepunten zijn

verschillende geuren leverbaar.

!

Voer om veiligheidsredenen handelingen

met het geurelement uitsluitend

uit bij stilstaande auto.

Haal geurelementen niet uit elkaar.

Probeer de parfumeur of de geurelementen

niet bij te vullen. Gebruik

uitsluitend originele PEUGEOT-geurelementen.

Vermijd elk contact met de huid en

met de ogen.

Houd de geurelementen buiten het

bereik van kinderen en huisdieren.

i

COMFORT

Geurelement verwijderen

Draai het element een kwart

omwenteling.

Verwijder het element uit het

dashboard.

Sluit het element af met de dop.

Geurelement plaatsen

Verwijder de dop van het element.

Plaats het element in het dashboard.

Druk het element in en draai het een

kwart omwenteling.

Gooi het originele element niet

weg, dit moet worden gebruikt om

het systeem af te sluiten als de geurelementen

niet worden gebruikt.

Zet de knop voor een langere levensduur

van het geurelement in

de stand "0" of "1" zodra de sterkte

van de geur in het interieur voldoende

is.

2

51


2

52

COMFORT

VOORSTOELEN

U kunt de zitting, de rugleuning en de

hoofdsteun verstellen voor een optimale

zitpositie.

1. Verstelling in lengterichting

Til de beugel op en schuif de stoel

naar voren of naar achteren.

2. Hoogteverstelling bestuurders-

en passagiersstoel

Trek de hendel omhoog of duw deze

omlaag totdat de gewenste stand

bereikt is.

3. Rugleuningverstelling

Duw de handgreep naar achteren.


4. Toegang tot de achterbank

(3-deurs)

Trek aan de handgreep om de rugleuning

naar voren te klappen en schuif de

stoel vooruit. Als de stoel wordt teruggeduwd,

komt deze automatisch weer

in de oorspronkelijke stand terug.

!

Zorg ervoor dat het terugschuiven

in de oorspronkelijke stand niet

wordt verhinderd; deze stand is

noodzakelijk om de stoel te vergrendelen

in de lengterichting.

5. Hoogte- en hoekverstelling

hoofdsteun

Trek de hoofdsteun omhoog om hem

hoger te zetten.

Druk op de nok A en trek de hoofdsteun

omhoog om hem te verwijderen.

Steek om de hoofdsteun terug te zetten

de pennen in de openingen van

de rugleuning tot de hoofdsteun op

zijn plaats blijft.

Druk op de nok A en duw de hoofdsteun

gelijktijdig omlaag om hem lager

te zetten.

!

COMFORT

Voor de veiligheid is het frame van

de hoofdsteun gekarteld om te

voorkomen dat de hoofdsteun zakt

in het geval van een aanrijding.

De juiste stand van de hoofdsteun

is als de bovenzijde van

de hoofdsteun zich ter hoogte

van de bovenzijde van het hoofd

bevindt.

Ga nooit rijden als de hoofdsteunen

zijn verwijderd. De hoofdsteunen

moeten zijn geplaatst en correct zijn

afgesteld.

Kantel het onderste gedeelte van de

hoofdsteun naar voren of naar achteren

om de hoek van de hoofdsteun

af te stellen.

2

53


2

54

COMFORT

6. Armsteunen

Deze zijn neerklapbaar en uitneembaar.

Druk, om de armsteun te verwijderen,

op de knop tussen de armsteun

en de rand van de zitting en trek de

armsteun omhoog.

7. Schakelaars stoelverwarming

Bij draaiende motor is de stoelverwarming

voor elke voorstoel apart regelbaar.

Met de draaiknop naast de voorstoel

kan de stoelverwarming ingeschakeld

worden en kan de gewenste

stand worden geselecteerd:

0: Uit.

1: Laag.

2: Gemiddeld.

3: Hoog.

i

De geselecteerde stand van de

stoelverwarming blijft nadat het

contact is afgezet nog twee minuten

in het geheugen.

ACHTERBANK

U kunt het linkerdeel (2/3) en/of het

rechterdeel (1/3) van de achterbank

neerklappen om de bagageruimte te

vergroten.

Hoofdsteunen achter

De hoofdsteunen hebben twee standen, een hoge stand

(comfort) en een lage stand (zicht naar achteren).

De hoofdsteunen kunnen ook worden verwijderd:

trek de hoofdsteunen omhoog tot

aan de aanslag,

druk vervolgens de pal in.

!

Ga nooit rijden als de hoofdsteunen

zijn verwijderd; de hoofdsteunen

moeten zijn geplaatst en correct zijn

afgesteld.


Neerklappen van de achterbank

Kantel om beschadiging van de achterbank

te voorkomen altijd eerst de zitting

naar voren voordat u de rugleuning

neerklapt:

schuif de voorstoel indien nodig naar

voren,

til de zitting 1 aan de voorzijde op,

kantel de zitting 1 tegen de rugleuning

van de voorstoel,

controleer of de veiligheidsgordel langs

de rand van de rugleuning loopt,

trek de hendel 2 omhoog om de rugleuning

3 te ontgrendelen,

zet de hoofdsteunen in de laagste

stand of verwijder ze indien nodig,

klap de rugleuning 3 neer.

Terugplaatsen van de

achterbank

Bij het terugplaatsen van de achterbank:

zet de rugleuning 3 rechtop en

vergrendel deze,

klap de zitting 1 terug.

!

COMFORT

Let erop dat bij het terugplaatsen

van de achterbank de veiligheidsgordels

niet klem komen te zitten.

2

55


2

56

COMFORT

SPIEGELS

Buitenspiegels

De verstelbare buitenspiegels zorgen

voor het benodigde zicht naar achteren

bij een inhaalmanoeuvre of het parkeren

van de auto.

Handmatig verstelbare

buitenspiegels

Verstellen

Beweeg de hendel in de vier richtingen

om de spiegel in de gewenste

stand te verstellen.

Inklappen

Tijdens het parkeren kunt u de spiegels

handmatig inklappen.

Uitklappen

Klap voordat u de motor start de

spiegels uit.

Elektrisch verstelbare

buitenspiegels

Verstellen

Zet de knop A naar links of rechts

om de desbetreffende spiegel te

selecteren.

Duw de knop B in de 4 richtingen om

de spiegel af te stellen.

Zet de knop A weer in het midden.

Inklappen

van buitenaf: vergrendel de auto met

de afstandsbediening of de sleutel.

van binnenuit: trek bij aangezet contact

de schakelaar A naar achteren.

Uitklappen

van buitenaf: ontgrendel de auto met

de afstandsbediening of de sleutel.

van binnenuit: trek bij aangezet contact

de schakelaar A naar achteren.

i

!

Het automatisch in- en uitklappen

van de buitenspiegels kan worden

uitgeschakeld door een PEUGEOTservicepunt.

De weergegeven objecten lijken

in de spiegels verder af dan ze in

werkelijkheid zijn.

Hiermee moet rekening worden gehouden

om de afstand ten opzichte

van achteropkomend verkeer goed

in te schatten.


Binnenspiegel

Verstelbare spiegel voor het zicht recht

achter de auto.

Handmatige binnenspiegel

De binnenspiegel is voorzien van een

nachtstand (antiverblinding).

Verstellen

Stel de spiegel af als deze in de

dagstand staat.

Dag-/nachtstand

Trek aan het hendeltje om de spiegel

in de nachtstand te zetten.

Duw het hendeltje naar voren om

de spiegel terug te zetten in de dagstand.

!

Stel de spiegels om veiligheidsredenen

zo af, dat de dode hoek minimaal

is.

Automatisch dimmende binnenspiegel

De binnenspiegel verstelt geleidelijk

en automatisch van de dag- in de

nachtstand.

Om verblinding te voorkomen, wordt de

spiegel automatisch donker, afhankelijk

van de hoeveelheid licht die vanaf de

achterzijde van de auto op de spiegel valt.

Zodra de hoeveelheid licht (bijvoorbeeld

verlichting van achteropkomend verkeer,

zonneschijn...) vermindert, wordt

het spiegelbeeld weer helder voor een

optimaal zicht.

AAN

i

COMFORT

Zet het contact aan en druk op de

schakelaar 1.

Het verklikkerlampje 2 gaat branden en

de binnenspiegel werkt automatisch.

UIT

Druk op de schakelaar 1.

Het verklikkerlampje 2 gaat uit en de

spiegel blijft in de dagstand staan.

Zodra de achteruit wordt ingeschakeld,

wordt de spiegel in de dagstand

gezet voor een maximaal

zicht naar achteren.

2

57


2

58

!

COMFORT

STUURWIELVERSTELLING

Het stuurwiel kan in hoogte en diepte

worden versteld voor een optimale

zithouding van de bestuurder.

Verstellen

Zorg dat de auto stilstaat en trek

aan de hendel om het stuurwiel te

ontgrendelen.

Verstel het stuurwiel in hoogte en

diepte.

Druk de hendel goed vast om het

stuurwiel te vergrendelen.

Voer deze handelingen om veiligheidsredenen

uitsluitend uit bij stilstaande

auto.

ZONNEKLEP

De zonneklep kan zowel omlaag als naar

opzij worden geklapt en is voorzien van

een make-upspiegel met verlichting.

Open als het contact aan is het

afdekkapje. De verlichting van de

make-upspiegel gaat automatisch

branden.

De zonneklep bevat tevens een mogelijkheid

voor het opbergen van pasjes.

VENSTERS VOOR

PARKEER-/TOLKAARTEN

Hierin kunt u parkeer- en/of tolkaarten

plaatsen.

Deze vensters bevinden zich aan

weerszijden van de voet van de binnenspiegel

op de voorruit.

Op deze plaatsen is de thermisch isolerende

voorruit niet-reflecterend.

i

De thermisch isolerende voorruit beperkt

de opwarming van het interieur

door zonnestralen (ultraviolette

straling) te filteren. De voorruit bevat

bovendien een reflecterende laag

die radiogolven tegenhoudt (bijvoorbeeld

bij tolpoorten met elektronische

betaling).


MATTEN

De matten zijn uitneembaar en

beschermen de vloerbedekking van de

auto tegen vuil van buitenaf.

Bevestigen

Gebruik wanneer u een nieuwe mat

bevestigt uitsluitend de bevestigingen

uit het bijgeleverde zakje.

Verwijderen

Verwijderen van de mat aan de bestuurderszijde:

zet de stoel in de achterste stand,

maak de bevestigingen los,

verwijder de bevestigingen en vervolgens

de mat.

Terugplaatsen

Terugplaatsen van de mat aan de

bestuurderszijde:

leg de mat goed op zijn plaats,

druk de bevestigingen vast,

controleer of de mat goed vastzit.

!

Om te voorkomen dat de werking

van de pedalen wordt gehinderd:

- gebruik uitsluitend matten die op

de bevestigingen van de auto

passen, het gebruik van deze

bevestigingen is verplicht.

- gebruik nooit meer dan één mat

per plaats.

COMFORT

2

59


2

60

COMFORT

INDELING VAN HET INTERIEUR

1. Dashboardkastje met verlichting

(zie de volgende bladzijde voor

meer informatie)

2. Opbergvak met antislipmat

3. Kaartenhouder

4. Portiervak

5. Opbergvak met antislipmat

6. Asbak met verlichting/

Aansteker

(zie de volgende bladzijde voor

meer informatie)

7. Opbergvakken

8. Bekerhouder


Dashboardkastje met verlichting

Het dashboardkastje bestaat uit een

open bovenste opbergvak en speciale

ruimtes voor het opbergen van een fles

mineraalwater, het instructieboekje van

de auto, ...

In het deksel zijn speciale ruimtes gecreëerd

voor een pen, een bril, munten,

kaarten, een blikje, ...

Het dashboardkastje kan zijn voorzien

van een slot.

Trek de handgreep omhoog om het

te openen.

De verlichting van het dashboardkastje

treedt in werking zodra het wordt geopend.

In het dashboardkastje bevinden zich

de schakelaar voor het uitschakelen van

de airbag aan passagierszijde A en drie

aansluitingen* B voor een audio-/videoapparaat

(zie hoofdstuk "Audio en Telematica"

voor meer informatie over het

activeren van de extra aansluitingen).

Als uw auto is uitgerust met airconditioning,

bevat het dashboardkastje een afsluitbare

ventilatiebuis C, via welke het

dashboardkastje wordt voorzien van

dezelfde airconditioning als het interieur.

* Uitsluitend in combinatie met kleurendisplay

DT.

COMFORT

Asbak met verlichting/

Aansteker

Druk op het deksel om de asbak te

openen.

Open om de asbak te legen het deksel

en verwijder de asbak.

2

61


2

62

COMFORT

INDELING VAN DE

BAGAGERUIMTE

1. Hoedenplank

(zie de volgende bladzijde voor

meer informatie)

2. Haken

(zie de volgende bladzijde voor

meer informatie)

3. Riem

4. Sjorogen

5. Bagagenet

(zie de volgende bladzijde voor

meer informatie)


Hoedenplank

Verwijderen van de hoedenplank:

maak de twee koorden los,

til de hoedenplank iets op en verwijder

hem.

Er zijn meerdere mogelijkheden om de

hoedenplank op te bergen:

- achter de voorstoelen,

- achter de achterbank.

Haken

Hieraan kunt u een boodschappentas

ophangen.

i

Bij het verwisselen van een wiel

Bevestig bij het verwisselen van

een wiel het koord van de vloermat

van de bagageruimte aan de haken

voor een optimale toegang tot het

reservewiel.

Bagagenet

COMFORT

Gebruik de sjorogen om uw bagage stevig

vast te zetten met het bagagenet.

2

63


3

64

TOEGANG TOT DE AUTO

SLEUTEL MET

AFSTANDSBEDIENING

U kunt om de auto te ontgrendelen of vergrendelen

de centrale vergrendeling bedienen met de sleutel

in het portierslot of met de afstandsbediening. De

sleutel met afstandsbediening dient tevens voor de

lokalisatie en het starten van de auto en maakt deel

uit van de diefstalbeveiliging.

Ontgrendelen van de auto

Uitklappen van de sleutel

Druk op de knop A om de sleutel uit

te klappen.

Ontgrendelen met de

afstandsbediening

Druk op het geopende

hangslot om de auto te ontgrendelen.

Ontgrendelen met de sleutel in het

portierslot

Draai de sleutel linksom in het slot

van het bestuurdersportier om de

Het ontgrendelen wordt bevestigd door

het gedurende ongeveer 2 seconden

snel knipperen van de richtingaanwijzers.

Tegelijkertijd worden de buitenspiegels

automatisch uitgeklapt.

Vergrendelen van de auto

Normale vergrendeling met de

afstandsbediening

i

auto te ontgrendelen.

Druk op het gesloten hangslot

om de auto te vergrendelen.

Normale vergrendeling met de

sleutel

Draai de sleutel rechtsom in het slot

van het bestuurdersportier om de

auto te vergrendelen.

Het vergrendelen wordt bevestigd door

het gedurende ongeveer 2 seconden

branden van de richtingaanwijzers.

Tegelijkertijd worden de buitenspiegels

automatisch ingeklapt.

Als één van de portieren of de

achterklep geopend is, werkt de

centrale vergrendeling niet.

Supervergrendeling met de

afstandsbediening

Druk op het gesloten hangslot om de

auto te vergrendelen.

Druk binnen 5 seconden nogmaals

op het gesloten hangslot om de supervergrendeling

van de auto in te

!

schakelen.

Supervergrendeling met de sleutel

Draai de sleutel rechtsom in het slot

van het bestuurdersportier om de

auto te vergrendelen.

Draai de sleutel binnen 5 seconden

nogmaals rechtsom om de supervergrendeling

van de auto in te schakelen.

De supervergrendeling wordt bevestigd

door het gedurende ongeveer 2 seconden

branden van de richtingaanwijzers.

Tegelijkertijd worden de buitenspiegels

automatisch ingeklapt.

De supervergrendeling blokkeert

het van binnenuit en van buitenaf

openen van de portieren.

Als de supervergrendeling is ingeschakeld,

is ook de vergrendelingsschakelaar

in het interieur buiten

werking.

Schakel daarom nooit de supervergrendeling

in als er zich iemand in

de auto bevindt.


Inklappen van de sleutel

Druk op de knop A om de sleutel in

te klappen.

i

Als de auto is vergrendeld en per

ongeluk wordt ontgrendeld zonder

dat binnen 30 seconden een portier

wordt geopend, wordt de auto

automatisch weer vergrendeld.

Het automatisch in- en uitklappen

van de buitenspiegels kan worden

uitgeschakeld door een PEUGEOTservicepunt.

Lokaliseren van de auto Codekaart

Druk op het gesloten hangslot om de

eerder vergrendelde auto te lokaliseren

op een parkeerplaats.

De plafonniers gaan branden en de

knipperlichten knipperen gedurende

enkele seconden.

Diefstalbeveiliging

Elektronische startblokkering

In de sleutel is een chip aangebracht

die over een specifieke code beschikt.

Om te kunnen starten, moet bij het aanzetten

van het contact de code van de

sleutel worden herkend door de startblokkering.

Deze elektronische startblokkering

blokkeert het motormanagementsysteem

zodra het contact wordt afgezet

en voorkomt zo het starten van de motor

bij een inbraak.

Bij een storing in het systeem

wordt u gewaarschuwd door dit

verklikkerlampje in combinatie

met een geluidssignaal en een

melding op het multifunctionele

display.

De auto kan dan niet gestart worden.

Raadpleeg zo snel mogelijk een

PEUGEOT-servicepunt.

TOEGANG TOT DE AUTO

De codekaart wordt u bij aflevering van

de auto samen met de twee sleutels

overhandigd.

Op deze kaart staat de identificatiecode

die uw PEUGEOT-servicepunt nodig

heeft bij werkzaamheden aan de elektronische

startblokkering.

De code is afgedekt, verwijder de film

alleen als dit strikt noodzakelijk is.

!

Bewaar de kaart op een veilige

plaats buiten de auto.

Bewaar de kaart bij uw persoonlijke

documenten.

3

65


3

66

i

TOEGANG TOT DE AUTO

Starten van de motor

Steek de sleutel in het contactslot.

Wacht enkele seconden tot de code

van de startblokkering is herkend.

Draai de sleutel rechtsom in de stand

3 (Starten).

Laat zodra de motor draait de sleutel

los.

Afzetten van de motor

Zet de auto stil.

Draai de sleutel linksom in de stand

1 (Stop).

Verwijder de sleutel uit het contactslot.

Waarschuwingssignaal sleutel

Als het bestuurdersportier wordt

geopend terwijl de sleutel nog in

het contact zit, klinkt er een geluidssignaal.

Storing afstandsbediening

Na het losnemen en weer aansluiten

van de accukabels, het vervangen van

de batterij van de afstandsbediening

of een storing in de afstandsbediening

kan de auto niet meer met de afstandsbediening

ontgrendeld, vergrendeld en

gelokaliseerd worden.

Ontgrendel of vergrendel de auto

eerst met de sleutel in het slot.

Synchroniseer vervolgens de afstandsbediening.

Raadpleeg zo snel mogelijk een PEUGEOTservicepunt

als de storing niet is verholpen.

Synchroniseren

Zet het contact af.

Zet de sleutel in de stand 2 (Contact).

Druk zo snel mogelijk gedurende

enkele seconden op de vergrendelingsknop

(gesloten hangslot) van de

afstandsbediening.

Zet het contact af en verwijder de

sleutel uit het contactslot.

De afstandsbediening werkt nu weer.

Batterij vervangen

Batterij ref.: CR1620/3 V.

Als de batterij van de afstandsbediening

leeg is, wordt u gewaarschuwd

door dit verklikkerlampje,

een geluidssignaal en een melding

op het multifunctionele display

Wip het huis met een muntstuk bij

het oog los.

Verwijder de lege batterij.

Schuif de nieuwe batterij in de juiste

richting op zijn plaats.

Klik het huis vast.

Synchroniseer de afstandsbediening.


!

Sleutels

Noteer de sleutelnummers zorgvuldig. De sleutelcode is als streepjescode

aangegeven op het label bij de sleutel.

Een PEUGEOT-servicepunt kan bij verlies snel voor nieuwe sleutels zorgen.

Afstandsbediening

De radiografische afstandsbediening is een systeem met een groot bereik.

Het is raadzaam om niet met de knop van de afstandsbediening te spelen om

te voorkomen dat de portieren per ongeluk ontgrendeld worden.

Druk nooit op de knoppen van uw afstandsbediening buiten het bereik en

het zicht van uw auto. De afstandsbediening kan dan onbruikbaar worden en

moet in dat geval opnieuw worden gesynchroniseerd.

De afstandsbediening kan niet functioneren als de sleutel in het contactslot

zit, zelfs als het contact uitstaat, behalve voor het synchroniseren.

Vergrendelen van de auto

Het rijden met vergrendelde portieren kan in geval van nood de toegang tot

het interieur belemmeren.

Neem uit veiligheidsoverwegingen (kinderen in de auto) de sleutel met

afstandsbediening mee als u de auto verlaat, zelfs al is dit voor korte duur.

Diefstalbeveiliging

Breng geen wijzigingen aan in de elektronische startblokkering, dit kan tot

storingen leiden.

Bij het aanschaffen van een gebruikte auto

Controleer of u in het bezit bent van de codekaart.

Laat uw sleutels door een PEUGEOT-servicepunt in het elektronische geheugen

opslaan, zodat u er zeker van kunt zijn dat de in uw bezit zijnde sleutels

de enige zijn waarmee de auto kan worden gestart.

TOEGANG TOT DE AUTO

Gooi de lege batterijen van de

afstandsbediening niet weg, ze

bevatten metalen die schadelijk

zijn voor het milieu.

Lever lege batterijen in bij een

speciaal verzamelpunt.

3

67


3

68

ALARM

!

TOEGANG TOT DE AUTO

Dit systeem beveiligt uw auto tegen inbraak

en diefstal. Het systeem bestaat

uit een omtrek- en een interieurbeveiliging

en is voorzien van een anti-inbraakfunctie.

Omtrekbeveiliging

Dit systeem houdt de te openen carrosseriedelen

van de auto in de gaten.

Het alarm gaat af als iemand probeert

in te breken door een portier, de achterklep

of de motorkap te forceren.

Interieurbeveiliging

Dit systeem treedt in werking als er

bewegingen in het interieur worden waargenomen.

Het alarm gaat af als er een ruit wordt ingeslagen

of als iets of iemand in de auto beweegt.

Schakel de interieurbeveiliging uit als u tijdens

uw afwezigheid een ruit een stukje open wilt laten

of als er een huisdier in de auto achterblijft.

Anti-inbraakfunctie

Dit systeem treedt in werking als iemand

probeert het alarm te saboteren.

Het alarm gaat af als iemand probeert

de kabels van de sirene, de bedieningseenheid

of de accu door te knippen.

Breng geen wijzigingen aan het

alarmsysteem aan, dit kan leiden

tot storingen.

Vergrendelen van de auto met

volledig ingeschakeld alarm

Inschakelen

Zet het contact af en verlaat de auto.

Vergrendel de auto of schakel de supervergrendeling

in met de vergrendelknop

van de afstandsbediening.

Het alarm is geactiveerd; het verklikkerlampje

van de knop A zal één keer per

seconde knipperen.

Uitschakelen

Ontgrendel de auto met de ontgrendelknop

van de afstandsbediening.

Het alarm wordt uitgeschakeld; het verklikkerlampje

van de knop A gaat uit.

Vergrendelen van de auto met

alleen de omtrekbeveiliging

Uitschakelen van de

interieurbeveiliging

Zet het contact af.

Druk binnen 10 seconden op de

knop A tot het verklikkerlampje blijft

branden.

Verlaat de auto.

Vergrendel de auto of schakel de supervergrendeling

in met de vergrendelknop

van de afstandsbediening.

Alleen de omtrekbeveiliging wordt ingeschakeld;

het verklikkerlampje van de knop

A zal één keer per seconde knipperen.

i

De interieurbeveiliging wordt uitsluitend

uitgeschakeld als deze

procedure wordt uitgevoerd na het

afzetten van het contact.

Inschakelen van de

interieurbeveiliging

Ontgrendel de auto met de ontgrendelknop

van de afstandsbediening.

Het alarm wordt weer ingeschakeld met

twee beveiligingsniveaus; het verklikkerlampje

van de knop A gaat uit.


Activering

Als het alarm afgaat, treedt de sirene in

werking en knipperen de richtingaanwijzers

ongeveer dertig seconden.

Nadat het alarm is gestopt, zijn de omtrek-

en interieurbeveiliging weer actief.

!

Als het alarm 10 keer achter elkaar

is afgegaan, wordt het bij de elfde

keer uitgeschakeld.

Als het lampje van de knop A snel

knippert, betekent dit dat het alarm

tijdens uw afwezigheid is afgegaan.

Het lampje stopt met knipperen als

het contact wordt aangezet.

Om te voorkomen dat tijdens het

wassen van uw auto het alarm afgaat,

is het raadzaam de auto in dat

geval met de sleutel af te sluiten.

Schakel voordat u de accukabels

losneemt het alarm uit om te voorkomen

dat de sirene afgaat.

Storing afstandsbediening

Ontgrendel de auto met de sleutel in

het slot van het bestuurdersportier.

Open het portier; het alarm gaat af.

Zet het contact aan; het alarm stopt.

Vergrendelen van de auto

zonder het alarm in te schakelen

Vergrendel de auto of schakel de supervergrendeling

in met de sleutel in het

slot van het bestuurdersportier.

Storing

Als bij het aanzetten van het contact het

verklikkerlampje van de knop A gedurende

10 seconden blijft branden, duidt

dit op een storing in de verbinding met

de sirene.

Raadpleeg zo snel mogelijk een

PEUGEOT-servicepunt.

TOEGANG TOT DE AUTO

Automatisch inschakelen*

Afhankelijk van de wetgeving in uw land

is het volgende van toepassing:

- het alarm wordt 45 seconden nadat

de auto met behulp van de afstandsbediening

is vergrendeld geactiveerd,

ongeacht de toestand van de portieren

en de achterklep.

- het alarm wordt 2 minuten nadat het

laatste portier of de achterklep is gesloten,

geactiveerd.

Om het afgaan van het alarm bij het

openen van een portier of de achterklep

te voorkomen, moet eerst op de

ontgrendelknop van de afstandsbediening

worden gedrukt.

* Volgens land van bestemming.

3

69


3

70

TOEGANG TOT DE AUTO

ELEKTRISCH BEDIENBARE

RUITEN

U kunt de ruiten handmatig of automatisch

volledig openen en sluiten. De

ruiten zijn voorzien van een beveiliging

tegen beknellen en de elektrisch bedienbare

ruiten achter kunnen worden

geblokkeerd voor de veiligheid van kinderen

op de achterbank.

1. Schakelaar ruitbediening

bestuurderszijde.

2. Schakelaar ruitbediening

passagierszijde.

3. Schakelaar ruitbediening rechts

achter.

4. Schakelaar ruitbediening links

achter.

5. Blokkeerschakelaar elektrisch

bedienbare ruiten achter.

Werking

Handmatig

Duw of trek de schakelaar tot het

zware punt. De ruit stopt zodra de

schakelaar wordt losgelaten.

Automatisch

Duw of trek schakelaar voorbij het

zware punt. Als u de schakelaar hebt

losgelaten, opent of sluit de ruit volledig.

Druk opnieuw op de schakelaar om

het openen of sluiten te stoppen.

i

Nadat de sleutel uit het contact is

genomen, kunnen de ruiten nog

ongeveer 45 seconden, of tot een

voorportier wordt geopend, worden

bediend.

Beveiliging tegen beknellen

Als de ruit sluit en tegen een obstakel

stuit, stopt de ruit en gaat deze gedeeltelijk

weer open.

i

Als de ruit bijvoorbeeld bij vorst niet

wil sluiten:

druk dan op de schakelaar om

de ruit helemaal te openen,

trek vervolgens de schakelaar

omhoog tot de ruit volledig is

gesloten,

houd de schakelaar na het sluiten

nog ongeveer 1 seconde vast.

Tijdens deze handelingen is

de beveiliging tegen beknellen

uitgeschakeld.

Blokkering van de ruitbediening

achter

Druk, voor de veiligheid van uw kinderen,

op de schakelaar 5 om de

ruitbediening achter, ongeacht de

stand van de ruiten, te blokkeren.

Als de schakelaar omlaag staat, is de

ruitbediening geblokkeerd.

Als de schakelaar omhoog staat, is de

ruitbediening niet geblokkeerd.


Resetten

Nadat de accukabels los zijn geweest

of na een storing moet de ruitbediening

worden gereset:

laat de schakelaar los en trek hem

opnieuw omhoog totdat de ruit

volledig is gesloten,

houd de schakelaar na het sluiten

nog ongeveer 1 seconde vast,

druk op de schakelaar om de ruit

automatisch te openen,

druk als de ruit volledig is geopend

nogmaals op de schakelaar en houd

deze nog ongeveer 1 seconde vast.

Tijdens deze handelingen is de beveiliging

tegen beknellen uitgeschakeld.

!

Neem bij het verlaten van de auto,

zelfs voor een korte periode, altijd

de sleutel uit het contact.

Wanneer tijdens het bedienen van

de ruit iets tussen de ruit en de

sponning bekneld raakt, moet de

ruit weer worden geopend. Druk

daarvoor op de desbetreffende

schakelaar.

Wanneer de bestuurder de ruit

aan passagierszijde bedient, moet

deze ervan verzekerd zijn dat niets

het correcte sluiten van de ruit verhindert.

De bestuurder moet ervan verzekerd

zijn dat de passagiers op de

juiste manier gebruik maken van

de elektrische ruitbediening.

Zorg ervoor dat kinderen zich tijdens

het bedienen van de ruit niet

kunnen bezeren.

TOEGANG TOT DE AUTO

ZIJRUITEN ACHTER

Bij de 3-deurs uitvoering zijn de

achterste zijruiten uitstelbaar voor een

optimale ventilatie van de achterste

zitplaatsen.

Openen

Kantel de hendel naar voren.

Duw de hendel zo ver mogelijk naar

buiten om de ruit in de geopende

stand te vergrendelen.

Sluiten

Trek de hendel naar binnen om de

ruit te ontgrendelen.

Kantel de hendel volledig naar

achteren om de ruit in de gesloten

stand te vergrendelen.

3

71


3

72

TOEGANG TOT DE AUTO

PORTIEREN

Openen

Van buitenaf

Ontgrendel de auto met de afstandsbediening

of de sleutel en trek aan

de portiergreep.

Van binnenuit

Met de portiergreep van de voorportieren

kunnen gelijktijdig ook de

achterportieren en de achterklep

worden ontgrendeld.

Met de portiergreep van de achterportieren

wordt daarentegen alleen

het desbetreffende portier ontgrendeld.

!

De portieren kunnen niet met de

portiergrepen worden geopend op

het moment dat de supervergrendeling

is ingeschakeld.

Sluiten

Als een portier niet goed is gesloten:

- bij draaiende motor gaat het

verklikkerlampje branden in

combinatie met een melding

op het multifunctionele display

gedurende enkele seconden,

- tijdens het rijden (snelheid hoger dan

10 km/h) gaat het verklikkerlampje

branden in combinatie met een geluidssignaal

en een melding op het

multifunctionele display gedurende enkele

seconden.


Handmatige centrale vergrendeling

Deze functie biedt de mogelijkheid de

portieren en de achterklep van binnenuit

handmatig en volledig te vergrendelen of

te ontgrendelen.

Vergrendelen

Druk op de knop A om de auto te

vergrendelen.

Het rode lampje van de knop gaat branden.

i

Als één van de portieren is

geopend, werkt de centrale vergrendeling

van binnenuit niet.

Ontgrendelen

Druk nogmaals op de knop A om de

auto te ontgrendelen.

Het rode lampje van de knop gaat uit.

i

!

Als de auto van buitenaf is vergrendeld

of de supervergrendeling

is ingeschakeld, knippert het rode

lampje en is de knop A inactief.

Gebruik in dat geval de afstandsbediening

of de sleutel

om de auto te ontgrendelen.

Automatische centrale

vergrendeling

Deze functie zorgt ervoor dat de portieren

en de achterklep tijdens het rijden automatisch

en volledig worden vergrendeld.

U kunt de functie desgewenst inschakelen

of uitschakelen.

De automatische centrale vergrendeling

werkt niet als een van de

portieren is geopend.

Als de achterklep is geopend, is de

automatische centrale vergrendeling

van de portieren actief.

TOEGANG TOT DE AUTO

Inschakelen

Vergrendelen

Zodra sneller wordt gereden dan 10 km/h,

worden de portieren en de achterklep

automatisch vergrendeld. Uitschakelen

Ontgrendelen

Druk als sneller wordt gereden dan

10 km/h op de knop A om de portieren

en de achterklep tijdelijk te

ontgrendelen.

Druk langer dan 2 seconden op de

knop A.

Op het multifunctionele display verschijnt

een melding ter bevestiging.

Druk nogmaals langer dan 2 seconden

op de knop A.

Op het multifunctionele display verschijnt

een melding ter bevestiging.

3

73


3

74

TOEGANG TOT DE AUTO

Noodbediening

Functie die het mogelijk maakt om de

portieren mechanisch te vergrendelen

en ontgrendelen in het geval van een

storing in de centrale vergrendeling.

Vergrendelen van het bestuurdersportier

Steek de sleutel in het slot en draai

deze rechtsom.

Ontgrendelen van het

bestuurdersportier

Steek de sleutel in het slot en draai

deze linksom.

Vergrendelen van de overige

portieren

Steek de sleutel in het slotplaat in

de zijkant van het portier en draai de

sleutel een achtste omwenteling.

Ontgrendelen van de overige

portieren

Trek aan de portiergreep aan de

binnenzijde.

ACHTERKLEP

Openen

Ontgrendel de auto met de afstandsbediening

of de sleutel, trek aan de

handgreep en trek de achterklep

omhoog.

Sluiten

Als de achterklep niet goed is gesloten:

- bij draaiende motor gaat het

verklikkerlampje branden in

combinatie met een melding

op het multifunctionele display

gedurende enkele seconden,

- tijdens het rijden (snelheid hoger

dan 10 km/h) gaat het verklikkerlampje

branden in combinatie met een geluidssignaal

en een melding op het

multifunctionele display gedurende

enkele seconden.

Noodbediening

Hiermee kan bij een eventuele storing

in de centrale vergrendeling, de achterklep

mechanisch ontgrendeld worden.

Ontgrendelen

Klap de achterbank naar voren om

bij het slot in de bagageruimte te

komen,

Steek een kleine schroevendraaier

in de opening A van het slot om de

achterklep te ontgrendelen.


SCHUIFDAK

Het schuifdak zorgt voor extra ventilatie

en licht in het interieur. Het is voorzien

van een beveiliging tegen beknellen en

een zonnescherm voor een optimaal

thermisch comfort.

Werking

Openen

Draai de knop naar links (negen

standen mogelijk).

Er komt geleidelijk een windgeleider

naar buiten die dreungeluiden door de

rijwind voorkomt.

Sluiten

Draai de knop terug in de stand

"O".

Beveiliging tegen beknellen

Als het dak bij het sluiten tegen een obstakel

stuit, stopt het dak automatisch

en gaat gedeeltelijk weer open.

i

Als het schuifdak bijvoorbeeld bij

vorst niet wil sluiten, moet u zodra

het dak gestopt is:

de knop in de stand "O" zetten

en meteen op de schakelaar

drukken.

de knop ingedrukt houden totdat

het dak volledig is gesloten.

Tijdens deze handelingen is

de beveiliging tegen beknellen

uitgeschakeld.

Zonnescherm

Het zonnescherm wordt handmatig

bediend.

Het zonnescherm wordt automatisch

opengeschoven als het schuifdak wordt

geopend.

TOEGANG TOT DE AUTO

Resetten

U moet bij een storing nadat de accukabels

zijn losgenomen het schuifdak

resetten:

zet de knop terug in de stand "O",

druk langer dan 2 seconden op het

midden van de knop,

wacht tot het dak volledig is gesloten,

vervolgens zal het dak enkele millimeters

worden geopend.

Tijdens deze handelingen is

de beveiliging tegen beknellen

uitgeschakeld.

!

Neem bij het verlaten van de auto,

zelfs voor een korte periode, altijd

de sleutel uit het contact.

Wanneer tijdens het bedienen van

het dak iets tussen het dak en de

sponning bekneld raakt, moet het dak

weer worden geopend. Druk daarvoor

op de desbetreffende schakelaar.

Wanneer de bestuurder het dak

bedient, moet deze ervan verzekerd

zijn dat niets het correcte sluiten

van het dak verhindert.

De bestuurder moet ervan verzekerd

zijn dat de passagiers op de

juiste manier gebruik maken van

de dakbediening.

Zorg ervoor dat kinderen zich

tijdens het bedienen van het dak

niet kunnen bezeren.

3

75


3

76

TOEGANG TOT DE AUTO

PANORAMADAK

U hebt de beschikking over een panoramadak

met getint glas, waardoor de

lichtinval en het zicht in het interieur

worden vergroot. Het elektrisch bedienbare

zonnescherm zorgt voor een beter

thermisch comfort in het interieur.

Openen

Trek het zonnescherm met de handgreep

naar achteren tot de gewenste

stand is bereikt.

Sluiten

Trek het zonnescherm met de handgreep

naar voren tot de gewenste

stand is bereikt.


BRANDSTOFTANK

Als de brandstofmeter een laag niveau

aangeeft, is het raadzaam bij de eerstvolgende

gelegenheid te tanken.

Inhoud van de brandstoftank:

ongeveer 50 liter.

Waarschuwing brandstofniveau

Als dit verklikkerlampje gaat

branden, is het minimale niveau

in de brandstoftank bereikt.

U kunt nog ongeveer

50 km met de resterende

hoeveelheid brandstof rijden.

Raadpleeg indien u strandt met een

lege tank het hoofdstuk "Praktische

informatie".

Tanken

Op een label aan de binnenzijde van de

vulklep staat de voorgeschreven soort

brandstof voor uw auto aangegeven.

i

Zolang de brandstofvuldop niet is

vastgedraaid, kan de sleutel niet uit

de dop worden verwijderd.

Veilig tanken:

zet altijd de motor af,

open de brandstofvulklep,

steek de sleutel in de dop en draai

de sleutel linksom,

verwijder de dop en bevestig deze

aan de haak aan de binnenzijde van

de klep,

tank de auto af, maar laat het

vulpistool nooit meer dan 3 keer

afslaan; indien dit wel gebeurt,

kunnen er storingen optreden,

Na het tanken:

breng de dop aan,

draai de sleutel naar rechts en verwijder

deze vervolgens uit de dop,

sluit de brandstofvulklep.

TOEGANG TOT DE AUTO

3

77


4

78

ZICHT

LICHTSCHAKELAAR

Met de lichtschakelaar kunt u de verlichting

van de auto selecteren en inschakelen.

Hoofdverlichting

De lichtschakelaar heeft verschillende

standen om de zichtbaarheid van de

auto en het zicht van de bestuurder aan

te passen aan de omgeving:

- parkeerlicht: om gezien te worden,

- dimlicht: voor een optimaal zicht zonder

medeweggebruikers te verblinden,

- grootlicht: voor een optimaal zicht op

wegen waar het omgevingslicht onvoldoende

is.

Aanvullende verlichting

Uw auto is voorzien van aanvullende verlichting

voor specifieke rijomstandigheden:

- mistachterlicht: voor een optimale

zichtbaarheid van achteren als het

zicht minder dan 50 m is,

- mistlampen vóór: voor extra zicht bij

slecht weer,

- bochtverlichting voor een optimaal

zicht in bochten.

Instellingen

Het verlichtingssysteem van uw auto

heeft verschillende extra automatische

functies die afzonderlijk kunnen worden

ingesteld:

- follow me home verlichting,

- automatische verlichting,

- bochtverlichting.

Uitvoering zonder AUTO

Uitvoering met AUTO

Handbediende functies

De lichtschakelaar bestaat uit de ring A

en de hendel B.

A. ring voor de selectie van de stand

van de hoofdverlichting:

uit,

alleen parkeerlicht,

dimlicht of grootlicht,

automatische verlichting.

B. trek de hendel naar u toe om over

te schakelen van dim- naar grootlicht

en terug.

Als de verlichting is uitgeschakeld of

alleen de parkeerlichten zijn ingeschakeld,

kunt u een lichtsignaal geven door

de hendel naar u toe te trekken.

Verklikkerlampjes

Een verklikkerlampje op het instrumentenpaneel

geeft aan dat de geselecteerde

verlichting is ingeschakeld.


Uitvoering met mistachterlicht

Uitvoering met mistlampen vóór en

mistachterlicht

C. ring voor de selectie van de mistverlichting.

De mistverlichting kan worden ingeschakeld

in combinatie met dim- en grootlicht.

mistachterlicht

Draai de ring C naar voren om het

mistachterlicht in te schakelen.

Wanneer de verlichting automatisch

wordt uitgeschakeld (in de stand AUTO),

blijven het mistachterlicht en de dimlichten

branden.

Draai de ring C naar achteren om

alle lichten uit te schakelen.

mistlampen vóór en mistachterlicht

Draai de ring C naar voren om de

mistverlichting in te schakelen.

Draai de ring C twee keer naar

achteren om het mistachterlicht uit

te schakelen.

Wanneer de verlichting automatisch

wordt uitgeschakeld (in de stand AUTO)

of het dimlicht handmatig wordt uitgeschakeld,

blijven de mistverlichting en

de parkeerlichten branden.

Draai de ring naar achteren om de

mistverlichting uit te schakelen. De

parkeerlichten worden automatisch

uitgeschakeld.

!

i

ZICHT

Vergeet niet de mistlampen uit te

zetten zodra het niet meer nodig is.

Bij helder weer zijn de mistlampen

verblindend voor medeweggebruikers

en daarom niet toegestaan.

Vergeten verlichting

Als het contact is afgezet en één

van de voorportieren wordt geopend,

klinkt een geluidssignaal

om aan te geven dat de verlichting

nog brandt.

Het geluidssignaal stopt zodra de

verlichting wordt uitgeschakeld.

Motorvoertuigverlichting overdag*

Bij auto’s met motorvoertuigverlichting

overdag wordt bij het starten van de auto

automatisch het dimlicht ingeschakeld.

Op het instrumentenpaneel

gaat dit verklikkerlampje branden.

De dashboardverlichting (inclusief de verlichting

van het instrumentenpaneel, het multifunctionele

display, het bedieningspaneel van de airconditioning,

...) gaat niet branden, tenzij de automatische

verlichting wordt ingeschakeld of de verlichting

handmatig wordt ingeschakeld.

* Volgens land van bestemming.

4

79


4

80

ZICHT

Follow me home

Deze functie zorgt ervoor dat na het afzetten

van het contact de dimlichten nog

even blijven branden om het uitstappen

in het donker te vergemakkelijken.

Inschakelen

Geef bij afgezet contact een

"lichtsignaal" met de hendel B.

Geef nogmaals een "lichtsignaal" om

de functie te deactiveren.

Uitschakelen

Na het vergrendelen van de auto met

de afstandsbediening of na de ingestelde

tijd wordt de follow me home-verlichting

automatisch uitgeschakeld.

Automatische verlichting

Het parkeerlicht en het dimlicht worden

automatisch ingeschakeld als de lichtsterkte

van de omgeving onvoldoende

is (gesignaleerd door de sensor achter

de binnenspiegel) of zodra de ruitenwissers

wissen.

De verlichting wordt uitgeschakeld als

de lichtsterkte van de omgeving weer

voldoende is of het wissen is gestopt.

Inschakelen

Draai de ring A in de stand "AUTO".

Bij het inschakelen van de functie

verschijnt een melding op het

multifunctionele display.

Uitschakelen

Draai de ring A in een andere stand dan

de stand "AUTO". Bij het uitschakelen

van de functie verschijnt een melding

op het multifunctionele display.

Koppeling met follow me

home-verlichting

De koppeling van dit systeem aan de

automatische verlichting biedt de volgende

extra mogelijkheden:

- instellen van de duur van de follow me

home-verlichting (15, 30 of 60 seconden)

via het configuratiemenu van de

auto op het multifunctionele display,

- automatische inschakeling van de follow

me home verlichting als de automatische

verlichting is ingeschakeld.

Storing

Bij een storing in de lichtsensor

gaat de verlichting branden

en wordt het pictogram service

weergegeven in combinatie

met een geluidssignaal en een melding

op het multifunctionele display.

Raadpleeg in dat geval een PEUGEOTservicepunt.

!

Dek de met de regensensor gecombineerde

lichtsensor die zich in

het midden van de voorruit achter

de binnenspiegel bevindt, niet af.

Deze sensor regelt de automatische

verlichting.


BOCHTVERLICHTING

Als het dimlicht of grootlicht is ingeschakeld,

zorgt deze functie ervoor dat de lichtbundels

de richting van de weg volgen met

een extra hoek van ongeveer 30°.

Deze functie is vooral effectief bij lage en

gemiddelde wagensnelheden (binnen

de bebouwde kom, bochtige wegen, ...).

met bochtverlichting

zonder bochtverlichting

Configuratie

Inschakelen

De functie wordt ingeschakeld als bij een

bepaalde wagensnelheid het stuur met

een bepaalde hoek wordt ingedraaid.

Uitschakelen

Storing

Deze functie kan worden geactiveerd

of gedeactiveerd

via het configuratiemenu van

het multifunctionele display.

De functie is standaard geactiveerd.

De functie is uitgeschakeld als het stuur

wordt teruggedraaid naar de rechtuitstand.

De functie wordt tevens uitgeschakeld als

de achteruitversnelling wordt ingeschakeld.

In het geval van een storing knippert dit

pictogram op het display van het instrumentenpaneel

in combinatie met een melding

op het multifunctionele display.

Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt.

i

ZICHT

KOPLAMPEN VERSTELLEN

Verstel de koplampen afhankelijk van

de belading van uw auto om verblinding

van medeweggebruikers te voorkomen.

0. 1 of 2 personen op de voorstoelen.

-. 3 personen.

1. 5 personen.

2. 5 personen + maximaal

toegestane belading.

3. Bestuurder + maximaal toegestane

belading.

Stand "0": basisinstelling.

4

81


4

82

ZICHT

RUITENWISSERSCHAKELAAR

Met behulp van de ruitenwisserschakelaar

kunt u de ruitenwissers voor en

achter inschakelen om regen en vuil

van de ruit te wissen.

De ruitenwissers voor en achter zorgen

voor een optimaal zicht voor de

bestuurder, ongeacht de weersomstandigheden.

Instellen

Volgens uitvoering zijn de volgende

automatische functies van de ruitenwissers

mogelijk:

- automatische werking ruitenwissers

vóór,

- automatisch inschakelen ruitenwisser

achter bij inschakelen achteruitversnelling.

Uitvoering met intervalstand

Uitvoering met automatische

ruitenwissers

Handmatig inschakelen

Schakel de ruitenwissers handmatig in

met behulp van de hendel A en de ring

B.

Ruitenwissers vóór

A. selecteer de wissnelheid met de

hendel:

hoge snelheid (hevige neerslag),

normale snelheid (matige regenval),

interval (wissnelheid aangepast

aan de wagensnelheid),

uit,

één keer wissen (duw de hendel

omlaag),

automatisch (zie de volgende

bladzijde).


Ruitenwisser achter

B. selecteer de ruitenwisser achter

met de ring:

! Schakel bij sneeuw of strenge vorst

De functie is standaard ge-

i

of tijdens het gebruik van een op

de achterklep bevestigde fietsendrager

de automatische werking

van de ruitenwisser achter uit via

het configuratiemenu van het multifunctionele

display.

uit,

interval,

wissen en sproeien (gedurende

enige tijd).

Achteruitversnelling

Als de ruitenwissers vóór zijn ingeschakeld

op het moment dat u de achteruitversnelling

inschakelt, wordt automatisch

de ruitenwisser achter ingeschakeld.

Instellen

Deze functie kan worden

geactiveerd of gedeactiveerd

via het configuratiemenu

van het multifunctionele

display.

ZICHT

Ruitensproeiers vóór en

koplampsproeiers

Trek de ruitenwisserschakelaar naar

u toe. De ruitensproeiers treden

in werking, waarna enige tijd de

ruitenwissers worden ingeschakeld

om de ruit schoon te wissen.

Als de dimlichten branden, worden

tegelijk ook de koplampsproeiers geactiveerd.

activeerd. Bij auto’s met automatische airconditioning

wordt tijdens het bedienen

van de ruitensproeiers vóór

automatisch de luchttoevoer afgesloten

om stank in het interieur te

voorkomen.

4

83


4

84

ZICHT

Automatische ruitenwissers

vóór

De ruitenwissers worden automatisch

ingeschakeld als de sensor achter de

binnenspiegel regen detecteert. De

snelheid van de ruitenwissers wordt

aangepast aan de hoeveelheid neerslag.

Inschakelen

Zet de hendel A in de stand "AUTO".

Dit wordt bevestigd door een melding

op het multifunctionele display.

Uitschakelen

Zet de hendel A in een andere stand en

vervolgens in de stand "0" om de ruitenwissers

handmatig te bedienen.

Dit wordt bevestigd door een melding

op het multifunctionele display.

i

!

Als het contact meer dan 1 minuut

afgezet is geweest, moet de automatische

werking van de ruitenwissers

opnieuw worden geactiveerd

door de hendel A kort omlaag te

duwen.

Storing

In het geval van een storing in de automatische

werking van de ruitenwissers

werken deze in de intervalstand.

Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt

om het systeem te laten controleren.

Dek de regensensor, die zich gecombineerd

met de lichtsensor in

het midden van de voorruit achter

de binnenspiegel bevindt, niet af.

Zet het contact af als de auto wordt

gewassen in een wasstraat.

Wacht's winters met het inschakelen

van de automatische ruitenwissers

tot de voorruit ontdooid is.

Speciale stand van de

ruitenwissers voor

Als de ruitenwisserschakelaar binnen

één minuut nadat het contact is afgezet

wordt bediend, bewegen de ruitenwissers

naar het midden van de voorruit.

Deze stand kan worden gebruikt voor

's winters parkeren en het vervangen of

het reinigen van de ruitenwisserbladen.

Zet het contact aan en bedien de ruitenwisserschakelaar

om de ruitenwissers

na de werkzaamheden weer in de

ruststand te zetten.


PLAFONNIERS

Via de plafonniers kunt u de interieurverlichting

instellen en inschakelen.

1. Plafonnier vóór

2. Kaartleeslampjes

3. Plafonnier achter

Plafonniers vóór en achter

In deze stand gaat de interieurverlichting

geleidelijk branden:

- als de auto wordt ontgrendeld,

- als de sleutel uit het contact wordt verwijderd,

- als op de ontgrendelingsknop van de

afstandsbediening wordt gedrukt om

de auto te lokaliseren.

De interieurverlichting gaat geleidelijk uit:

- als de auto wordt vergrendeld,

- als het contact wordt aangezet,

- 30 seconden na het sluiten van het

laatste portier.

Permanent uit.

Permanent aan.

i

Kaartleeslampjes

ZICHT

Als de interieurverlichting permanent

is ingeschakeld, blijft deze

gedurende een bepaalde tijd branden:

- bij afgezet contact: ongeveer

10 minuten,

- in de eco-mode: ongeveer 30 seconden,

- bij draaiende motor: onbeperkt.

Druk bij aangezet contact op de

desbetreffende schakelaar.

4

85


5

86

i

VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN

ALGEMENE INFORMATIE

MET BETREKKING TOT

KINDERZITJES

Hoewel PEUGEOT bij het ontwerp van

uw auto veel aandacht heeft besteed

aan veiligheidsvoorzieningen voor uw

kinderen, is hun veiligheid natuurlijk ook

afhankelijk van u zelf.

Volg voor een optimale veiligheid de

volgende adviezen op:

- sinds 1992, en conform Richtlijn

2000/3 dienen kinderen jonger dan

12 jaar in gehomologeerde*, aan

het lichaamsgewicht aangepaste

kinderzitjes op met veiligheidsgordels

of ISOFIX-bevestigingen** uitgeruste

plaatsen te worden vervoerd,

- de veiligste plaats voor het

vervoeren van een kind is volgens

de statistieken een plaats op de

achterbank van uw auto,

- kinderen tot 9 kg moeten zowel

voor- als achterin met de rug in de

rijrichting worden vervoerd.

PEUGEOT beveelt u aan kinderen

op de achterzitplaatsen van uw

auto te vervoeren:

- met de rug in de rijrichting tot

2 jaar,

- met het gezicht in de rijrichting

vanaf 2 jaar.

BEVESTIGEN VAN EEN

KINDERZITJE MET EEN

DRIEPUNTS VEILIGHEIDSGORDEL

"Met de rug in de rijrichting"

Wanneer een kinderzitje met de rug in

de rijrichting op de passagiersstoel

voor wordt geplaatst, moet de airbag

aan passagierszijde** zijn uitgeschakeld.

Anders kan het kind bij het afgaan

van de airbag levensgevaarlijk

gewond raken.

"Met het gezicht in de rijrichting"

Wanneer een kinderzitje met het gezicht in de

rijrichting op de passagiersstoel voor wordt

geplaatst, moet de stoel van de auto in de

middelste stand met de rugleuning rechtop

worden gezet en mag de airbag aan passagierszijde**

niet worden uitgeschakeld.

Middelste stand

* Volgens de wettelijke bepalingen.

** Volgens uitvoering.


Airbag aan passagierszijde OFF**

** Volgens uitvoering.

VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN

DOOR PEUGEOT AANBEVOLEN KINDERZITJES

PEUGEOT levert een complete reeks kinderzitjes met een artikelnummer van Automobiles

PEUGEOT die met een driepunts veiligheidsgordel kunnen worden vastgemaakt:

Groep 0: vanaf de geboorte tot 10 kg

Groep 0+: vanaf de geboorte tot 13 kg

L1

"BRITAX Babysure"

(E11 0344117)

Wordt met de rug

in de rijrichting

geplaatst.

L2

"RÖMER

Baby-Safe"

(E1 03301146)

Wordt met de rug

in de rijrichting

geplaatst.

L3

"MAXI COSI

Cabrio"

(E4 03443301/

E4 04443517)

Wordt met de rug

in de rijrichting

geplaatst.

Groep 1, 2 en 3: van 9 tot 36 kg

L4

"KIDDY Life"

(E1 03301135)

Omwille van de

veiligheid van jonge

kinderen (van 9

tot 18 kg), raadt

PEUGEOT u aan de

gordelbeschermer

te gebruiken.

Groep 2 en 3: van 15 tot 36 kg

L5

"RECARO Start"

(E1 03301108).

L6

"KLIPPAN Optima"

(E17 030007)

Vanaf 6 jaar

(ongeveer 22 kg):

gebruik alleen de

zitverhoging.

5

87


5

88

VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN

BEVESTIGING KINDERZITJES MET DE VEILIGHEIDSGORDEL

Overeenkomstig de Europese wetgeving (Richtlijn 2000/3) geeft dit overzicht de mogelijkheden aan voor het bevestigen met

de veiligheidsgordel van een universeel gehomologeerd kinderzitje (a) in uw auto, gerangschikt naar het gewicht van het kind

en de plaats in de auto.

Plaats

Passagiersstoel vóór (c)

Tot 13 kg

(groep 0 (b) en 0+)

Tot ± 1 jaar

Gewicht van het kind/leeftijdsindicatie

9 tot 18 kg

(groep 1)

Van ± 1 tot ± 3 jaar

15 tot 25 kg

(groep 2)

Van ± 3 tot ± 6 jaar

(a) Universeel kinderzitje: kinderzitje dat in alle auto’s met de veiligheidsgordel kan worden bevestigd.

(b) Groep 0: vanaf de geboorte tot 10 kg.

(c) Raadpleeg de wetgeving in uw land alvorens een kinderzitje op deze plaats te bevestigen.

22 tot 36 kg

(groep 3)

Van ± 6 tot ± 10 jaar

- vaste stoel U U U U

- In hoogte

verstelbare stoel

Zitplaats links of

rechts achter

Middelste zitplaats

achter

U U U U

L1, L2, L3 X X X

U: plaats geschikt voor het bevestigen van een universeel goedgekeurd kinderzitje met de veiligheidsgordel. Kinderzitje

geplaatst met de rug in de rijrichting of het gezicht in de rijrichting.

X: plaats niet geschikt voor het bevestigen van een kinderzitje uit de aangegeven gewichtsgroep.

L-: alleen de aangegeven kinderzitjes mogen op de desbetreffende plaats worden bevestigd (volgens land van

bestemming).


!

ADVIEZEN VOOR

KINDERZITJES

De onjuiste bevestiging van een kinderzitje

brengt de veiligheid van het

kind in gevaar in geval van een botsing.

Zorg ervoor dat de veiligheidsgordels

of het tuigje van het kinderzitje, zelfs

bij korte ritten, worden vastgemaakt

waarbij de speling ten opzichte van

het lichaam van het kind zoveel mogelijk

moet worden beperkt.

Zorg er voor een optimale bevestiging

van het kinderzitje "met het gezicht in

de rijrichting" voor dat de rugleuning

van het zitje tegen de rugleuning van

de stoel van de auto aandrukt en dat

de hoofdsteun geen belemmering

vormt.

Als de hoofdsteun verwijderd moet worden,

berg deze dan zorgvuldig op om te

voorkomen dat de hoofdsteun door de

auto vliegt bij krachtig afremmen.

Kinderen jonger dan 10 jaar mogen

niet met het gezicht in de rijrichting op

de passagiersstoel voor worden vervoerd,

behalve als de achterzitplaatsen

al bezet zijn door andere kinderen

of als de achterbank niet bruikbaar,

neergeklapt of verwijderd is.

Schakel de airbag aan passagierszijde*

uit zodra een kinderzitje met

de rug in de rijrichting op de voorstoel

wordt geplaatst. Het kind kan anders

bij het afgaan van de airbag levensgevaarlijk

gewond raken.

VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN

Plaatsen van een stoelverhoger

Het bovenste gedeelte van de veiligheidsgordel

moet over de schouder

van het kind liggen zonder de hals te

raken.

Controleer of de heupgordel goed over

de bovenbenen van het kind ligt.

PEUGEOT beveelt aan een stoelverhoger

met rugleuning te gebruiken

voorzien van een gordelgeleider ter

hoogte van de schouder.

Laat uit veiligheidsoverwegingen:

- geen kinderen zonder toezicht achter

in een auto,

- nooit een kind of een dier in een auto

achter wanneer alle ruiten gesloten

zijn en de auto in de zon staat,

- de sleutels nooit binnen bereik van

de kinderen achter in de auto.

Gebruik de kindersloten* om te

voorkomen dat de portieren per ongeluk

geopend worden.

Zorg er voor dat de achterzijruiten*

niet verder dan voor 1/3 deel geopend

worden.

Plaats zonneschermen om uw jonge

kinderen tegen de zon te beschermen.

* Volgens uitvoering.

5

89


5

90

VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN

ISOFIX-BEVESTIGINGEN

Uw auto voldoet aan de nieuwe ISO-

FIX-normen.

De hieronder aangegeven zitplaatsen*

zijn uitgerust met de voorgeschreven

ISOFIX-bevestigingen:

Elke zitplaats is voorzien van drie bevestigingsringen:

- twee onderste bevestigingsringen A,

die zich tussen de rugleuning en de

zitting van de zitplaats bevinden,

- één bovenste bevestigingsring B, de

TOP TETHER-bevestiging.

De ISOFIX-bevestigingen zorgen voor

een veilige, degelijke en snelle montage

van het kinderzitje in uw auto.

De ISOFIX-kinderzitjes beschikken

over twee sloten die eenvoudig aan de

onderste bevestigingsringen A kunnen

worden verankerd.

Sommige kinderzitjes zijn bovendien

voorzien van een bovenste bevestigingsriem

die kan worden vastgemaakt

aan de bovenste bevestigingsring B.

Zet om de bovenste bevestigingsriem

vast te maken de hoofdsteun van de zitplaats

omhoog en steek de haak tussen

de hoofdsteun en de rugleuning door.

Bevestig de haak aan de bovenste bevestigingsring

B en trek de riem aan.

!

i

Bij een onjuist geplaatst kinderzitje

kan het kind bij een aanrijding ernstig

letsel oplopen.

Raadpleeg het overzicht voor de

bevestiging van ISOFIX-kinderzitjes

in uw auto, waarin staat vermeld

welke kinderzitjes voor uw

auto zijn gehomologeerd.

* Volgens uitvoering.


i

VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN

ISOFIX KINDERZITJES AANBEVOLEN DOOR PEUGEOT EN GEHOMOLOGEERD VOOR UW AUTO

Het MAXI COSI CabrioFix kinderzitje (gewichtsgroep E)

Groep 0+: tot 13 kg

Wordt met de rug in de rijrichting geplaatst.

Het ISOFIX-onderstel is voorzien van een in hoogte verstelbare steun.

Deze steun dient tegen de vloer van de auto te steunen.

Het RÖMER Duo kinderzitje (gewichtsgroep B1)

Groep 1: van 9 tot 18 kg

Wordt met het gezicht in de rijrichting geplaatst.

Voorzien van een bovenste riem voor verankering aan de bovenste

ISOFIX-bevestiging, de TOP TETHER.

Drie standen: rechtop, ruststand en ligstand.

Deze kinderzitjes kunnen ook worden bevestigd op zitplaatsen die niet zijn voorzien van ISOFIX-bevestigingen.

Het is in dat geval verplicht het kinderzitje met de normale driepunts veiligheidsgordel op de zitplaats van de auto te bevestigen.

Volg bij het plaatsen van het kinderzitje de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het zitje.

5

91


5

92

VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN

OVERZICHT BEVESTIGING ISOFIX-KINDERZITJES

Overeenkomstig de Europese wetgeving (ECE 16) geeft het overzicht de mogelijkheden aan voor het bevestigen van een

ISOFIX-kinderzitje op een plaats in de auto voorzien van ISOFIX-bevestigingen.

Bij universele en semi-universele ISOFIX-kinderzitjes wordt de ISOFIX-maat op het kinderzitje naast het ISOFIX-logo aangegeven

met een letter (A t/m G).

Type ISOFIXkinderzitje

Tot 10 kg

(groep 0)

Tot ca.

6 maanden

Reiswieg*

Gewicht van het kind/leeftijdsindicatie

Tot 10 kg

(groep 0)

Tot 13 kg

(groep 0+)

Tot ca. 1 jaar

"rug in de

rijrichting"

Van 9 tot 18 kg

(groep 1)

Van ca. 1 tot ca. 3 jaar

"rug in de

rijrichting"

"gezicht in de

rijrichting"

ISOFIX-maat F G C D E C D A B B1

ISOFIX-kinderzitjes

universeel en semiuniverseel

geschikt voor bevestiging op

de achterbank

IL-SU** X IL-SU** X IL-SU**

IUF**

IL-SU**

IUF: zitplaats geschikt voor de bevestiging van een universeel gehomologeerd ISOFIX-kinderzitje met het gezicht in de rijrichting

en een bovenste riem ("Top Tether" bevestiging).

IL-SU: zitplaats geschikt voor de bevestiging van een semi-universeel gehomologeerd ISOFIX-kinderzitje:

- rug in de rijrichting voorzien van een bovenste riem ("Top Tether" bevestiging) of een steun,

- gezicht in de rijrichting voorzien van een steun,

- reiswieg voorzien van een bovenste riem ("Top Tether" bevestiging) of een steun. Raadpleeg het hoofdstuk "Isofixbevestigingen"

voor meer informatie over de bevestiging van de bovenste riem ("Top Tether" bevestigingen).

X: plaats niet geschikt voor het bevestigen van een ISOFIX-kinderzitje uit de aangegeven gewichtsgroep.

* De ISOFIX-reiswieg wordt bevestigd aan de onderste ISOFIX-bevestigingen van een zitplaats en neemt de drie achterzitplaatsen in beslag.

Om bij de 3-deurs uitvoering een reiswieg op de achterbank de bevestigen, moet de hoogteverstelling van de veiligheidsgordel

vóór in de onderste stand staan.

** De hoofdsteun van de zitplaats waar het kinderzitje is bevestigd moet zijn verwijderd en opgeborgen.


MECHANISCH KINDERSLOT

Beide achterportieren zijn voorzien van

een kinderslot om het openen van binnenuit

te verhinderen.

De knop bevindt zich op de zijkant van

beide achterportieren.

Vergrendelen

Draai de rode knop een kwart

omwenteling naar rechts met de

contactsleutel.

Ontgrendelen

Draai de rode knop een kwart

omwenteling naar links met de

contactsleutel.

VEILIGHEIDSVOORZIENINGEN VOOR KINDEREN

ELEKTRISCH BEDIENBAAR

KINDERSLOT

Het elektrisch bedienbare kinderslot

voorkomt dat beide achterportieren van

binnenuit kunnen worden geopend.

De schakelaar bevindt zich in het midden

van het dashboard.

Inschakelen

Druk op de knop A.

Het verklikkerlampje van de knop A

gaat branden en er verschijnt een melding

op het multifunctionele display.

Uitschakelen

Druk nogmaals op de knop A.

Het verklikkerlampje van de knop A

gaat uit en er verschijnt een melding op

het multifunctionele display.

!

Dit systeem werkt onafhankelijk

van de centrale vergrendeling; gebruik

het nooit in plaats daarvan.

Controleer bij het aanzetten van

het contact altijd de stand van het

kinderslot.

Neem vóór het verlaten van de

auto altijd de sleutel uit het contact,

zelfs voor korte periodes.

5

93


6

94

i

VEILIGHEID

RICHTINGAANWIJZERS

Gebruik de richtingaanwijzers om een

verandering van rijrichting of rijstrook

aan te geven.

Links: duw de hendel omlaag.

Rechts: duw de hendel omhoog.

Wanneer bij een snelheid van meer

dan 60 km/h de richtingaanwijzers

na meer dan 20 seconden nog

niet zijn uitgeschakeld, wordt

automatisch het knippergeluid

versterkt.

ALARMKNIPPERLICHTEN

Gebruik de alarmknipperlichten om

het overige verkeer te waarschuwen in

het geval van file, pech, slepen of een

ongeval.

Druk de knop A in, de richtingaanwijzers

knipperen tegelijkertijd.

De alarmknipperlichten werken ook als

het contact is afgezet.

Automatische ontsteking van de

alarmknipperlichten*

Bij een noodstop schakelen de alarmknipperlichten,

afhankelijk van de remvertraging

die optreedt, automatisch in.

De alarmknipperlichten blijven knipperen

totdat er opnieuw gas wordt gegeven.

U kunt de alarmknipperlichten echter

ook uitschakelen door de knop A in

te drukken.

i

Schakel omwille van de veiligheid

de alarmknipperlichten in als u de

staart van een file nadert.

CLAXON

Gebruik de claxon om medeweggebruikers

te waarschuwen bij gevaar.

Druk op een van de spaken van het

stuurwiel.

i

Gebruik de claxon alleen wanneer

het echt nodig is en in de volgende

gevallen:

- onmiddellijk gevaar,

- naderen van een onoverzichtelijke

bocht.

* Volgens land van bestemming.


CONTROLESYSTEEM

BANDENSPANNING

Dit systeem controleert automatisch de

bandenspanning tijdens het rijden.

Elk ventiel is voorzien van een sensor,

die een waarschuwingssignaal uitzendt

als de bandenspanning te laag is

(snelheid hoger dan 20 km/h).

i

Het bandenspanningscontrolesysteem is niet meer

dan een hulpmiddel, hetgeen inhoudt dat de waakzaamheid

en verantwoordelijkheid van de bestuurder

niet door het systeem kunnen worden vervangen.

Te lage bandenspanning

Dit verklikkerlampje gaat branden op

het instrumentenpaneel in combinatie

met een geluidssignaal en een melding

op het multifunctionele display die aangeeft

welke band(en) het betreft.

Controleer zo snel mogelijk de bandenspanning.

Dit dient te worden uitgevoerd bij koude banden.

Lekke band

Dit verklikkerlampje en het verklikkerlampje

STOP gaan branden

op het instrumentenpaneel

in combinatie met een geluidssignaal

en een melding op het multifunctionele

display die aangeeft

welke band(en) het betreft.

Stop onmiddellijk, maar vermijd

abrupte manoeuvres met het stuur

en de remmen.

Vervang de beschadigde band (lekke

band of veel te lage bandenspanning)

en laat de bandenspanning zo

snel mogelijk controleren.

Sensor(en) niet gedetecteerd of

defect

Dit verklikkerlampje gaat branden

op het instrumentenpaneel

in combinatie met een geluidssignaal

en een melding op het

multifunctionele display die aangeeft

van welk(e) wiel(en) de bandenspanning

niet meer gecontroleerd wordt of

duidt op een storing in het systeem.

Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt

om de defecte sensor(en) te vervangen.

i

Deze melding wordt ook weergegeven

als één van de wielen niet op

de auto aanwezig is (bij reparatie)

of als er één of meerdere wielen

zonder sensor op de auto worden

gemonteerd.

Het reservewiel is niet voorzien van

een sensor.

!

i

VEILIGHEID

Alle reparaties aan een wiel dat met dit

systeem is uitgerust en het vervangen

van een band moeten worden uitgevoerd

door een PEUGEOT-servicepunt.

Wanneer bij het verwisselen een wiel

is gemonteerd dat niet door uw auto

wordt gedetecteerd (voorbeeld: montage

van winterbanden), dient het

systeem door een PEUGEOT-servicepunt

opnieuw geïnitialiseerd te

worden.

Ondanks dit systeem moet de bandenspanning

(zie de paragraaf

"Identificatie") nog regelmatig worden

gecontroleerd. De bandenspanning

heeft een belangrijke

invloed op het weggedrag van de

auto en de slijtage van de banden,

vooral onder zware rijomstandigheden

(zware lading, hoge rijsnelheden).

De bandenspanning dient minimaal

één keer per maand gecontroleerd

te worden, bij koude banden. Denk

eraan ook de bandenspanning van

het reservewiel te controleren.

Het bandenspanningscontrolesysteem

kan tijdelijk worden verstoord

door radiogolven in hetzelfde frequentiegebied.

6

95


6

96

!

VEILIGHEID

HULPSYSTEMEN BIJ HET

REMMEN*

Uw auto is voorzien van drie systemen

die u helpen om de auto in een noodsituatie

veilig tot stilstand te brengen:

- het antiblokkeersysteem (ABS),

- de elektronische remdrukregelaar

(REF),

- de noodremassistentie (AFU).

Antiblokkeersysteem (ABS) en

elektronische remdrukregelaar

(REF)

Deze systemen zorgen tijdens het

remmen voor een betere stabiliteit en

bestuurbaarheid van uw auto en voor

een betere controle in scherpe bochten,

vooral op een slecht of glad wegdek.

Inschakelen

Het antiblokkeersysteem treedt automatisch

in werking zodra één van de

wielen dreigt te blokkeren.

De normale werking van het antiblokkeersysteem

kan merkbaar zijn door

het trillen van het rempedaal.

Trap het rempedaal bij een

noodstop krachtig en volledig in en

laat het niet los.

Storing

Als dit verklikkerlampje gaat

branden in combinatie met een

geluidssignaal en een melding

op het multifunctionele display,

duidt dit op een storing in het antiblokkeersysteem.

Door deze storing zou u

tijdens het remmen de controle over uw

auto kunnen verliezen.

Als dit verklikkerlampje gaat

branden in combinatie met het

verklikkerlampje STOP en ABS,

een geluidssignaal en een melding

op het multifunctionele display, duidt

dit op een storing in de elektronische

remdrukregelaar. Door deze storing zou

u tijdens het remmen de controle over uw

auto kunnen verliezen.

Stop op een veilige plaats.

Raadpleeg in beide gevallen een

PEUGEOT-servicepunt.

i

Zorg er bij vervanging van de wielen

(banden en velgen) voor dat er

wielen worden gemonteerd die aan

de voorschriften van de constructeur

voldoen.

Noodremassistentie

Dit systeem zorgt ervoor dat in

noodgevallen de optimale remdruk

sneller wordt bereikt, zodat de

remafstand kleiner wordt.

Inschakelen

Het systeem wordt ingeschakeld als het

rempedaal sneller wordt ingetrapt dan

een bepaalde grenswaarde.

Het systeem zorgt er dan voor dat de

benodigde bedieningskracht minder

wordt en dat de effectiviteit van het

remmen wordt vergroot.

* Volgens land van bestemming.


STABILITEITSCONTROLE-

SYSTEMEN

Uw auto is voorzien van twee systemen

die voor zover dit mogelijk is ingrijpen

als de koers van de auto afwijkt van de

door de bestuurder gewenste richting:

- antispinregeling (ASR),

- elektronisch stabiliteitsprogramma

(ESP).

Antispinregeling en elektronisch

stabiliteitsprogramma

De antispinregeling past de aandrijfkracht

van de wielen aan om het doorspinnen

te voorkomen door de aangedreven

wielen en de motor af te

remmen.

Het elektronisch stabiliteitsprogramma

grijpt in via de remmen van één of

meerdere wielen en het motorkoppel

om de auto weer in de juiste koers te

brengen.

Inschakelen

De systemen worden automatisch

ingeschakeld zodra de motor wordt

gestart.

De systemen worden geactiveerd

zodra de wielen te weinig

grip hebben of de koers van de

auto afwijkt van de door de bestuurder

gewenste richting.

In dat geval gaat dit verklikkerlampje

op het instrumentenpaneel knipperen.

Uitschakelen

In bijzondere omstandigheden (als de

auto vastzit in de modder, sneeuw, in

mulle grond,...) kan het nuttig zijn de

systemen ASR en ESP uit te schakelen,

zodat de wielen kunnen spinnen en

weer grip kunnen krijgen.

Druk op de knop "ESP OFF”, die

zich in het midden van het dashboard

bevindt.

Als dit verklikkerlampje op het

instrumentenpaneel en het

verklikkerlampje van de knop

branden, zijn de systemen ASR

en ESP uitgeschakeld.

Opnieuw inschakelen:

De systemen ASR en ESP worden automatisch

weer ingeschakeld als het contact

opnieuw wordt aangezet of vanaf 50 km/h.

Druk nogmaals op de knop "ESP

OFF" om de systemen handmatig

weer in te schakelen.

Storing

!

VEILIGHEID

Als dit verklikkerlampje gaat

branden in combinatie met een

geluidssignaal en een melding op

het multifunctionele display, duidt

dit op een storing in deze systemen.

Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt

om de systemen te laten controleren.

De systemen ASR en ESP zorgen

voor meer veiligheid tijdens het

rijden. De bestuurder mag zich

echter nooit laten verleiden tot het

nemen van meer risico’s of het te

hard rijden.

De goede werking van de systemen

wordt verzekerd door de naleving

van de voorschriften van

de constructeur op het gebied van

wielen (banden en velgen), onderdelen

van het remsysteem, elektronische

onderdelen alsmede de

montageprocedure en het uitvoeren

van werkzaamheden door een

PEUGEOT-servicepunt.

Laat de systemen na een aanrijding

controleren door een PEUGEOTservicepunt.

6

97


6

98

VEILIGHEID

VEILIGHEIDSGORDELS

Veiligheidsgordels vóór

De veiligheidsgordels vóór zijn voorzien

van een pyrotechnische gordelspanner

en een gordelkrachtbegrenzer.

Deze systemen zorgen voor extra bescherming

van de bestuurder en passagier

in het geval van een frontale

aanrijding. Bij een krachtige aanrijding

zorgen de pyrotechnische gordelspanners

ervoor dat de veiligheidsgordels

stevig tegen de lichamen van de inzittenden

worden getrokken.

De pyrotechnische gordelspanners zijn

actief zodra het contact wordt aangezet.

De gordelkrachtbegrenzer beperkt de

kracht waarmee de gordel tegen het

lichaam van de inzittenden getrokken

wordt.

Bij de 5-deurs uitvoering zijn de veiligheidsgordels

vóór voorzien van een

geleider die ervoor zorgt dat de veiligheidsriem

optimaal aansluit.

Omdoen

Trek aan de gordel en steek de gesp

in de gordelsluiting.

Losmaken

Druk op de rode knop van de gordelsluiting.

Hoogteverstelling

Knijp de knop A in en schuif deze

omlaag om het bevestigingspunt

lager te plaatsen.

Schuif de knop A omhoog om het

bevestigingspunt hoger te plaatsen.

Verklikkerlampje veiligheidsgordel

Als het contact wordt aangezet,

gaat dit verklikkerlampje op het

instrumentenpaneel branden om

aan te geven dat de bestuurder*

en/of voorpassagier zijn gordel nog

niet heeft vastgemaakt.

Als de wagensnelheid hoger is dan 20 km/h,

knippert gedurende 2 minuten het verklikkerlampje

in combinatie met een steeds sterker

worden geluidssignaal. Na deze 2 minuten

blijft het verklikkerlampje branden zolang de

bestuurder* en/of voorpassagier zijn veiligheidsgordel

niet heeft vastgemaakt.

* Volgens land van bestemming.


Rij verklikkerlampjes

veiligheidsgordel

1. Verklikkerlampje veiligheidsgordel

links voor.

2. Verklikkerlampje veiligheidsgordel

rechts voor.

3. Verklikkerlampje veiligheidsgordel

links achter.

4. Verklikkerlampje veiligheidsgordel

midden achter.

5. Verklikkerlampje veiligheidsgordel

rechts achter.

In de middelste rij gaat het verklikkerlampje

1 of 2 branden:

- rood: als de desbetreffende gordel

niet is vastgemaakt of weer is

losgemaakt,

- groen: als de desbetreffende gordel is

vastgemaakt.

Veiligheidsgordels achter

De achterbank is voorzien van drie driepunts

veiligheidsgordels met oprolautomaat

en gordelkrachtbegrenzer.

Omdoen

Trek aan de gordel en steek de gesp

in de gordelsluiting.

Losmaken

Druk op de rode knop van de

gordelsluiting.

Verklikkerlampje veiligheidsgordel

Als een achterpassagier zijn

gordel losmaakt, gaat op het

instrumentenpaneel dit verklikkerlampje

branden.

Rij verklikkerlampjes

veiligheidsgordel

VEILIGHEID

Als het contact wordt aangezet, gaan

de verklikkerlampjes 3, 4 en 5 ongeveer

30 seconden branden:

- rood: als de desbetreffende gordel

niet is vastgemaakt.

- groen: als de desbetreffende gordel is

vastgemaakt.

Als het verklikkerlampje 3, 4 of 5 rood gaat

branden in combinatie met een geluidssignaal

en een melding op het multifunctionele

display, is de gordel van de desbetreffende

achterpassagier weer losgemaakt.

6

99


6

100

i

VEILIGHEID

Zorg ervoor dat alle inzittenden tijdens

het rijden hun veiligheidsgordel dragen,

ook al betreft het een korte rit.

Draai de gespen van de veiligheidsgordels

niet om; de gordels zijn dan

niet voldoende effectief.

Als de zitplaatsen zijn voorzien van

armsteunen*, moet de heupgordel altijd

onder de armsteun door worden

geleid.

De veiligheidsgordels zijn voorzien

van een oprolautomaat die ervoor

zorgt dat de lengte van de gordel automatisch

wordt aangepast aan uw

lichaamsbouw. De gordel wordt automatisch

opgerold als deze niet wordt

gebruikt.

Controleer zowel voor en na het gebruik

van de gordel of deze goed is

opgerold.

De heupgordel moet zo laag mogelijk

op het bekken worden geplaatst.

De schoudergordel moet langs het

holle gedeelte van de schouder worden

geplaatst.

De oprolautomaten zijn voorzien van

een automatische blokkeerinrichting

die in werking treedt bij een aanrijding

of een noodstop. U kunt de blokkeerinrichting

deblokkeren door kort aan

de riem te trekken en deze weer los

te laten.

Voor een effectieve werking van de

veiligheidsgordel:

- dient deze strak om het lichaam te

worden gedragen,

- mag deze door niet meer dan één volwassen

persoon worden gedragen,

- mag deze geen beschadigingen of

rafels vertonen,

- moet deze in een vloeiende beweging

naar voren worden getrokken,

om te voorkomen dat de gordel gedraaid

raakt,

- mag er om te voorkomen dat de gordel

niet goed werkt niets aan worden

gewijzigd.

Vanwege de wettelijke veiligheidsvoorschriften

moeten werkzaamheden en

controles aan de veiligheidsgordels worden

uitgevoerd door een PEUGEOTservicepunt,

die tevens voor de garantie

zorgt en de werkzaamheden volgens de

voorschriften uitvoert.

Laat de veiligheidsgordels van uw

auto regelmatig op beschadigingen

controleren door een PEUGEOT-servicepunt.

Reinig de veiligheidsgordels met zeepsop

of een reinigingsmiddel voor textiel, verkrijgbaar

bij een PEUGEOT-servicepunt.

Controleer na het neerklappen of verstellen

van een stoel of de achterbank

of de gordel zich op de juiste plaats

bevindt en goed is opgerold.

Voorschriften voor kinderen:

- Maak voor kinderen tot 12 jaar of

kleiner dan 1,50 m gebruik van een

geschikt kinderzitje,

- Gebruik geen gordelgeleider* wanneer

een kinderzitje is geïnstalleerd,

- De veiligheidsgordel mag door niet

meer dan één persoon gedragen

worden,

- Laat nooit een kind op schoot zitten

tijdens het rijden.

De gordelspanners kunnen, afhankelijk

van de aard en de kracht van de

aanrijding, vóór en onafhankelijk van

de airbags afgaan.

Het verklikkerlampje van de airbag

gaat in ieder geval branden.

Laat het systeem na een aanrijding

controleren en eventueel vervangen

door een PEUGEOT-servicepunt.

* Volgens uitvoering.


AIRBAGS

De airbags zijn speciaal ontworpen

voor een betere veiligheid van de inzittenden

bij ernstige aanrijdingen. Ze vormen

een aanvulling op de werking van

de veiligheidsgordels met gordelkrachtbegrenzers.

De kracht van een aanrijding is afhankelijk

van het soort obstakel en de snelheid

van de auto op dat moment.

De elektronische schoksensoren registreren

in dat geval de plotselinge vertraging

van de auto:

- als de drempelwaarde voor het in werking

treden wordt overschreden, worden

de airbags onmiddellijk opgeblazen en

beschermen ze de inzittenden van de

auto. Direct na de aanrijding ontsnapt

het gas zodat de druk op de borstkas

van de inzittende geleidelijk afneemt.

- als de drempelwaarde niet wordt overschreden,

treden de airbags niet in

werking. De veiligheidsgordels zorgen

dan voor een afdoende bescherming.

!

De airbags werken alleen als het

contact aan is.

Het uit de airbags ontsnappende

gas kan enigszins irriteren.

Airbags vóór

De airbags vóór beschermen bij een

frontale aanrijding het hoofd en de borst

van de bestuurder en voorpassagier.

De bestuurdersairbag is geïntegreerd

in het stuurwiel en de passagiersairbag

in het dashboard boven het dashboardkastje.

Activering

De airbags worden gelijktijdig opgeblazen, behalve

als de airbag aan passagierszijde is uitgeschakeld.

Uitschakelen

Alleen de airbag aan passagierszijde

kan worden uitgeschakeld:

zet het contact af, steek de sleutel in

de schakelaar voor uitschakelen van

de airbag aan passagierszijde 1,

draai deze in de stand "OFF",

verwijder de sleutel zonder de stand

van de schakelaar te veranderen.

!

VEILIGHEID

Dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel

en in de rij

drukschakelaars brandt bij aangezet

contact zolang de airbag

is uitgeschakeld.

Schakel voor de veiligheid van uw

kind de airbag aan passagierszijde

altijd uit als u een kinderzitje met de

rug in de rijrichting op de voorstoel

plaatst.

Anders kan een kind bij het afgaan

van de airbag levensgevaarlijk

gewond raken.

Als u het kinderzitje heeft verwijderd,

zet dan de schakelaar 1 weer op "ON"

om de airbag opnieuw in te schakelen

en zo de veiligheid van uw passagier te

garanderen.

6

101


6

102

Storing

!

VEILIGHEID

Als dit verklikkerlampje op het instrumentenpaneel

gaat branden

in combinatie met een geluidssignaal

en een melding op het

multifunctionele display, laat het

systeem dan controleren door

een PEUGEOT-servicepunt.

Plaats geen kinderzitje met de rug in

de rijrichting op de voorstoel als de

twee verklikkerlampjes van de airbags

permanent blijven branden.

Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt.

Zij-airbags*

De zij-airbags beschermen bij een zijdelingse

aanrijding de borst, de buik en het bekken

van de bestuurder en de voorpassagier.

De zij-airbags zijn aan de zijde van de

portieren in de rugleuningen van de

voorstoelen aangebracht.

Activering

De zij-airbags worden aan de zijde waar

de aanrijding plaatsvindt opgeblazen.

Window-airbags*

De window-airbags beschermen bij een

zijdelingse aanrijding het hoofd van de

inzittenden voor en achter.

De window-airbags zijn aangebracht in

de hemelbekleding boven de zijruiten.

Activering

De window-airbag wordt gelijktijdig met

de zij-airbag aan de desbetreffende

zijde opgeblazen.

Storing

Als dit verklikkerlampje op het

instrumentenpaneel gaat branden

in combinatie met een geluidssignaal

en een melding op

het multifunctionele display, raadpleeg

dan een PEUGEOT-servicepunt om het

systeem te laten controleren.

* Volgens land van bestemming.


!

Houd u aan de volgende

veiligheidsvoorschriften voor een

maximale effectiviteit van de airbags:

• Maak er een gewoonte van om normaal

rechtop in de voorstoelen te

zitten.

• Draag altijd een correct afgestelde

veiligheidsgordel.

• Zorg dat er zich niets bevindt tussen

de airbag en de inzittenden (kinderen,

huisdieren, objecten...).

Dit kan de goede werking van de airbag

belemmeren en/of de inzittende

bij het opblazen van de airbag verwonden.

• Laat na een aanrijding of diefstal van

uw auto de airbagsystemen controleren.

• Het is beslist niet toegestaan om

werkzaamheden uit te voeren

aan airbagsystemen, alleen een

PEUGEOT-servicepunt heeft hiervoor

gekwalificeerd personeel.

* Volgens land van bestemming.

VEILIGHEID

Airbags vóór

• Houd het stuurwiel niet aan de spaken vast en laat uw handen niet op het

stuurwielkussen rusten.

• Laat aan passagierszijde uw voeten niet op het dashboard rusten.

• Het is raadzaam niet te roken in de auto. Als de airbag wordt opgeblazen,

kunnen brandende sigaretten of een pijp brandwonden of ander letsel veroorzaken.

• Verwijder het stuurwiel nooit, maak geen gaten in de stuurwielbekleding en

sla er niet op.

Zij-airbags*

• Bedek de stoelen uitsluitend met de daarvoor bestemde stoelhoezen.

Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt.

• Bevestig nooit iets aan de rugleuning van de stoelen, dit zou bij het afgaan

van de airbags kunnen leiden tot verwondingen aan armen of middel.

• Ga niet onnodig dicht tegen het portierpaneel zitten.

Window-airbags*

• Bevestig nooit iets op de hemelbekleding, dit zou bij het afgaan van de

window-airbags kunnen leiden tot hoofdletsel.

• Demonteer nooit de handgrepen van het dak; deze maken deel uit van de

bevestiging van de window-airbags.

6

103


7

104

RIJDEN

HANDREM

Mechanisch systeem om de auto veilig

stil te zetten.

Aantrekken

Trek, als de auto volledig stilstaat, de

handrem aan.

Loszetten

Trek aan de hefboom, druk de knop

A in en duw de handrem geheel omlaag.

Als tijdens het rijden dit verklikkerlampje

en het verklikkerlampje

STOP branden in combinatie

met een geluidssignaal en een

melding op het multifunctionele display,

geeft dit aan dat de handrem nog (iets)

is aangetrokken.

!

Draai bij het parkeren van de auto

op een helling de wielen richting

trottoir, trek de handrem aan en

schakel een versnelling in.


"2 TRONIC"

VERSNELLINGSBAK

Bij de gestuurde handgeschakelde versnellingsbak

met vijf versnellingen kunt

u kiezen tussen automatische bediening

en handmatig schakelen.

Deze transmissie heeft drie gebruiksmogelijkheden:

- een automatische stand om automatisch

te schakelen,

- een handmatige stand om zelf te

schakelen,

- een auto-sequentiële stand, waarmee

u in de automatische stand op

ieder moment zelf kunt schakelen,

bijvoorbeeld voor een inhaalmanoeuvre.

Selectiehendel

R. Achteruit

Trap het rempedaal in en beweeg de

selectiehendel naar voren om deze

stand te selecteren.

N. Neutraalstand.

Trap het rempedaal in en selecteer

deze stand om de motor te kunnen

starten.

A. Automatische stand.

Beweeg de selectiehendel naar achteren

om deze stand te selecteren.

M. +/- Handmatig schakelen.

Beweeg de selectiehendel naar achteren

en vervolgens naar links om

deze stand te selecteren en:

- beweeg de selectiehendel kort

naar voren om op te schakelen,

- of beweeg de selectiehendel kort

naar achteren om terug te schakelen.

Stuurbediening

RIJDEN

+. Opschakelen.

Druk op de achterzijde van de stuurbediening

"+" om op te schakelen.

-. Terugschakelen.

Druk op de achterzijde van de stuurbediening

"-" om terug te schakelen.

7

105


7

106

RIJDEN

Weergave op het instrumentenpaneel

Standen van de selectiehendel

N. Neutral (neutraalstand)

R. Reverse (achteruitversnelling)

1, 2, 3, 4, 5 Versnellingen in de handgeschakelde

stand

AUTO. Verschijnt bij de selectie van de

automatische stand en verdwijnt

weer als de handbediende

stand wordt geselecteerd.

Als in de automatische stand dit

pictogram verschijnt, geeft dit aan

dat de transmissie detecteert dat de

wielen onvoldoende grip hebben.

Trap het rempedaal in

als dit pictogram verschijnt

(bijv.: starten van de motor).

Starten van de auto Handbediende stand

i

i

Selecteer de stand N.

Houd het rempedaal ingetrapt.

Start de motor.

Op het display van het instrumentenpaneel

verschijnt de aanduiding N.

De aanduiding N op het display

knippert als u de motor probeert te

starten zonder dat de selectiehendel

in de stand N staat.

Selecteer de eerste versnelling

(stand M of A) of de achteruitversnelling

(stand R).

Zet de handrem los.

Neem uw voet van het rempedaal en

geef gas.

Op het display van het instrumentenpaneel

verschijnen de

aanduidingen AUTO en 1 of R.

Gebruik nooit het gaspedaal om

de auto op een helling stil te laten

staan, maar gebruik daarvoor de

handrem.

Geef bij het wegrijden op een helling

geleidelijk gas terwijl u de

handrem loszet.

Beweeg na het starten van de auto de

selectiehendel in de stand M om de

handbediende stand in te schakelen.

De aanduiding AUTO verdwijnt

en de ingeschakelde

versnellingen verschijnen achtereenvolgend

op het display.

Het schakelen naar een andere versnelling

is alleen mogelijk als de snelheid

van de auto en het motortoerental

dit toestaan.

Als de auto vrijwel geheel tot stilstand

is gekomen, bijvoorbeeld voor een verkeerslicht,

schakelt de versnellingsbak

automatisch terug naar de eerste versnelling.

Automatische stand

Selecteer vanuit de handbediende

stand de stand A om terug te keren

naar de automatische stand.

Op het display van het instrumentenpaneel

verschijnen de

aanduiding AUTO en de ingeschakelde

versnelling.

De versnellingsbak werkt dan automatisch,

zonder dat u zelf hoeft te schakelen.

De versnellingsbak kiest voortdurend

de meest geschikte versnelling,

afhankelijk van de volgende parameters:

- de rijstijl,

- het profiel van de weg,

- de belading van de auto.


Auto-sequentiële stand

In de automatische stand kunt u, bijvoorbeeld

voor een inhaalmanoeuvre,

op ieder moment de functies van de

handbediende stand gebruiken.

Druk op de stuurbediening "+" of "-".

De transmissie wordt dan in de desbetreffende

versnelling geschakeld, als de snelheid

van de auto en het motortoerental dit

toestaan. De aanduiding AUTO blijft op het

display staan.

Als de stuurbediening enige tijd niet meer

gebruikt wordt, gaat de transmissie weer

over op de automatische stand.

Automatische stand "sneeuw"

Als de transmissie detecteert dat de

wielen onvoldoende grip hebben, wordt

automatisch overgeschakeld op de

sneeuwstand.

Op het display verschijnen de

aanduidingen AUTO en .

Parkeren van de auto

Voordat u de motor afzet, kunt u de selectiehendel

in de stand N bewegen om

de neutraalstand te selecteren.

Trek altijd de handrem aan om de auto

volledig still te zetten.

Resetten

Nadat de accukabels los zijn geweest,

moet de versnellingsbak gereset worden.

Zet het contact aan.

Op het display van het instrumentenpaneel

verschijnen de

aanduidingen AUTO, en -.

Selecteer de stand N.

Trap het rempedaal in.

Wacht ongeveer 30 seconden tot op

het display van het instrumentenpaneel

de aanduiding N of de ingeschakelde

versnelling verschijnt.

Laat het rempedaal los.

De versnellingsbak werkt dan weer normaal.

Storing

Als bij aangezet contact dit verklikkerlampje

gaat branden en

de aanduiding AUTO gaat knipperen

in combinatie met een

geluidssignaal en een melding op het

multifunctionele display, duidt dit op

een storing in de versnellingsbak.

Raadpleeg zo snel mogelijk een

PEUGEOT-servicepunt.

!

RIJDEN

Houd bij het starten van de motor

altijd het rempedaal ingetrapt.

Zet de selectiehendel tijdens het

rijden nooit in de stand N (neutraalstand).

Zet de selectiehendel alleen in de

stand R (achteruit) als de auto volledig

stilstaat en het rempedaal is

ingetrapt.

Trek altijd de handrem aan om de

auto volledig stil te zetten.

7

107


7

108

SNELHEIDSBEGRENZER

De snelheidsbegrenzer voorkomt dat de wagensnelheid

de door de bestuurder ingestelde

maximumsnelheid overschrijdt.

Als de ingestelde maximumsnelheid is bereikt,

heeft het dieper intrappen van het gaspedaal

geen effect.

Het inschakelen van de snelheidsbegrenzer

geschiedt handmatig: de ingestelde snelheid

dient minimaal 30 km/h te bedragen.

Het uitschakelen van de snelheidsbegrenzer

geschiedt eveneens handmatig met de hendel.

Door het gaspedaal tot voorbij het zware punt

in te trappen, kan de ingestelde snelheid tijdelijk

worden overschreden.

Als het gaspedaal vervolgens geleidelijk weer

wordt losgelaten en de wagensnelheid onder

de ingestelde maximumsnelheid komt, wordt

de snelheidsbegrenzer weer geactiveerd.

De ingestelde maximumsnelheid blijft na het

afzetten van het contact opgeslagen in het geheugen.

i

RIJDEN

Bij het gebruik van de snelheidsbegrenzer

moet de bestuurder te allen tijde de

snelheidslimiet in acht nemen, zijn aandacht

op het verkeer blijven vestigen en

zijn verantwoordelijkheid nemen.

Stuurkolomschakelaars Weergave op het display

De bediening van de snelheidsbegrenzer

is ondergebracht in de hendel A.

1. Knop voor het selecteren van de

snelheidsbegrenzer

2. Toets voor het verlagen van de ingestelde

snelheid

3. Toets voor het verhogen van de

ingestelde snelheid

4. Toets voor het in-/uitschakelen van

de snelheidsbegrenzer

De informatie van de snelheidsbegrenzer

wordt weergegeven op het display

van het instrumentenpaneel.

5. Snelheidsbegrenzer AAN/UIT

6. Snelheidsbegrenzer geselecteerd

7. Ingestelde snelheid


Programmeren

Draai de knop 1 in de stand

"LIMIT": de snelheidsbegrenzer is

geselecteerd, maar nog niet ingeschakeld

(OFF).

Er kan een snelheid worden ingesteld

zonder de begrenzer in te schakelen.

Stel de snelheid in door op de toets 2 of 3 te drukken

(bijv.: 110 km/h).

U kunt de ingestelde snelheid vervolgens wijzigen met

de toetsen 2 en 3:

- +/- 1 km = kort indrukken,

- +/- 5 km = lang indrukken,

- +/- in stappen van 5 km = ingedrukt houden.

Inschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk op de toets 4.

Uitschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk nogmaals

op de toets 4: het uitschakelen wordt bevestigd op het

display (OFF).

Weer inschakelen van de snelheidsbegrenzer: druk nogmaals

op de toets 4.

Overschrijden van de ingestelde snelheid

Als het gaspedaal geleidelijk wordt ingetrapt, wordt de snelheid

niet verhoogd. Als het gaspedaal met kracht wordt

ingetrapt, tot voorbij het zware punt, wordt de begrenzer

tijdelijk uitgeschakeld en gaat de ingestelde snelheid op het

display knipperen.

Het knipperen van de ingestelde snelheid stopt automatisch

als het gas wordt losgelaten.

Uitschakelen van de functie

Draai de knop 1 in de stand "0": de selectie van de snelheidsbegrenzer

wordt ongedaan gemaakt. Op het display

wordt weer de kilometerteller weergegeven.

Storing

In het geval van een storing in de

snelheidsbegrenzer wordt de ingestelde

snelheid gewist en knipperen de

streepjes op het display. Raadpleeg een

PEUGEOT-servicepunt om het systeem

te laten controleren.

!

RIJDEN

Bij een steile afdaling kan de snelheidsbegrenzer

niet voorkomen

dat de ingestelde snelheid wordt

overschreden.

Om te voorkomen dat de werking

van de pedalen wordt gehinderd:

- controleer of de mat goed op zijn

plaats ligt,

- gebruik nooit meer dan één mat

per plaats.

7

109


7

110

SNELHEIDSREGELAAR

Met behulp van de snelheidsregelaar kan

de bestuurder met een constante ingestelde

snelheid rijden zonder gas te hoeven geven.

Het inschakelen van de snelheidsregelaar

geschiedt handmatig: de ingestelde snelheid

dient minimaal 40 km/h te bedragen en bij

auto’s met handgeschakelde versnellingsbak

moet minimaal de vierde versnelling zijn

ingeschakeld.

Het uitschakelen van de snelheidsregelaar

geschiedt handmatig met de hendel, door

het rem- of koppelingspedaal in te trappen of

door activering van het ESP.

Door het gaspedaal in te trappen, kan de ingestelde

snelheid tijdelijk worden overschreden.

Om weer terug te keren naar de ingestelde

snelheid is het voldoende het gaspedaal los

te laten.

Na het afzetten van het contact worden alle

ingestelde snelheden gewist.

i

RIJDEN

Bij het gebruik van de snelheidsregelaar

moet de bestuurder te allen

tijde de snelheidslimiet in acht nemen,

zijn aandacht op het verkeer

blijven vestigen en zijn verantwoordelijkheid

nemen.

Stuurkolomschakelaars Weergave op het display

De bediening van de snelheidsregelaar

is ondergebracht in de hendel A.

1. Knop voor het selecteren van de

snelheidsregelaar

2. Toets voor het verlagen van de ingestelde

snelheid

3. Toets voor het verhogen van de

ingestelde snelheid

4. Toets voor het in-/uitschakelen van

de snelheidsregelaar

De informatie van de snelheidsregelaar

wordt weergegeven op het display van

het instrumentenpaneel.

5. Snelheidsregelaar AAN/UIT

6. Snelheidsregelaar geselecteerd

7. Ingestelde snelheid


Programmeren

Draai de knop 1 in de stand

"CRUISE": de snelheidsregelaar

is geselecteerd, maar nog niet ingeschakeld

(OFF).

Overschrijden van de ingestelde snelheid

Als de ingestelde snelheid wordt overschreden, gaat de ingestelde

snelheid op het display knipperen.

Het knipperen van de ingestelde snelheid stopt automatisch

als de snelheid weer is gedaald tot de ingestelde snelheid.

Uitschakelen van de functie

Stel de snelheid in door de wagensnelheid

op het gewenste niveau te

brengen en vervolgens op de toets

2 of 3 te drukken (bijv.: 110 km/h).

U kunt de ingestelde snelheid vervolgens wijzigen met

de toetsen 2 en 3:

- +/- 1 km = kort indrukken,

- +/- 5 km = lang indrukken,

- +/- in stappen van 5 km = ingedrukt houden.

Uitschakelen van de snelheidsregelaar: druk op de toets 4:

het uitschakelen wordt bevestigd op het display (OFF).

Weer inschakelen van de snelheidsregelaar: druk nogmaals

op de toets 4.

Draai de knop 1 in de stand "0": de selectie van de snelheidsregelaar

wordt ongedaan gemaakt. Op het display

wordt weer de kilometerteller weergegeven.

Storing

In het geval van een storing in de

snelheidsregelaar wordt de ingestelde

snelheid gewist en knipperen de

streepjes op het display. Raadpleeg een

PEUGEOT-servicepunt om het systeem

te laten controleren.

!

RIJDEN

Let tijdens het gebruik van de

snelheidsregelaar op wanneer u de

snelheid met de toetsen instelt; dit

kan een plotselinge verandering van

de wagensnelheid veroorzaken.

Gebruik de snelheidsregelaar niet

op gladde wegen of bij zeer druk

verkeer.

Bij een steile afdaling kan de snelheidsregelaar

niet voorkomen dat

de ingestelde snelheid wordt overschreden.

Om te voorkomen dat de werking

van de pedalen wordt gehinderd:

- controleer of de mat goed op zijn

plaats ligt,

- gebruik nooit meer dan één mat

per plaats.

7

111


7

112

i

RIJDEN

PARKEERHULP ACHTER

Dit systeem bestaat uit vier afstandssensoren

die zijn aangebracht in de

achterbumper.

Het systeem waarschuwt de bestuurder

voor elk obstakel (persoon, auto, boom,

hek, …) dat zich achter de auto bevindt.

Het waarschuwt u echter niet voor objecten

die zich direct onder de bumper

bevinden.

Paaltjes, pionnen bij wegwerkzaamheden

of gelijksoortige voorwerpen

worden waargenomen bij

aanvang van de aanrijmanoeuvre,

maar niet meer wanneer de auto te

dicht genaderd is.

Het systeem wordt ingeschakeld zodra

de achteruitversnelling wordt ingeschakeld.

Dit wordt aangegeven door een geluidssignaal.

De afstand tot het obstakel wordt aangegeven

door:

- geluidssignalen, die elkaar sneller opvolgen

naarmate de auto dichter bij

het obstakel komt,

- een grafische weergave op het multifunctionele

display*, met blokjes die

steeds dichter bij de auto komen.

Als de auto minder dan ongeveer

30 centimeter van het obstakel verwijderd

is, is het geluidssignaal continu

hoorbaar en verschijnt het symbool

"Gevaar", afhankelijk van het type multifunctioneel

display.

De parkeerhulp wordt uitgeschakeld

als de achteruit wordt uitgeschakeld.

i

De parkeerhulp is een hulpmiddel

voor de bestuurder die desondanks

waakzaam moet blijven en verantwoordelijk

is.

* Volgens uitvoering.


Deactiveren Storing

Druk op de toets A. Het verklikkerlampje

gaat branden en het systeem

is volledig uitgeschakeld.

i

Het systeem zal automatisch worden

uitgeschakeld bij het trekken

van een aanhangwagen of de montage

van een fietsendrager (auto

uitgerust met een door PEUGEOT

aanbevolen trekhaak of fietsendrager).

Activeren

Druk nogmaals op de toets A. Het

verklikkerlampje gaat uit en het systeem

is weer ingeschakeld.

In het geval van een storing zal

bij het inschakelen van de achteruitversnelling

dit verklikkerlampje

gaan branden in combinatie met

een geluidssignaal (kort piepje) en een

melding op het multifunctionele display.

Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt.

i

Zorg ervoor dat de sensoren in de

winter of bij slecht weer niet bedekt

zijn met modder, ijs of sneeuw. Als

de sensoren vuil zijn, wordt dit bij

het inschakelen van de achteruitversnelling

aangegeven door een

geluidssignaal (lange piep).

RIJDEN

7

113


MOTORKAP

De motorkap biedt toegang tot de

motorruimte, zodat u de verschillende

niveaus kunt controleren.

Openen

Open het linker voorportier.

Trek de hendel A aan de onderzijde

van het portierkader naar u toe.

Duw de veiligheidshaak B naar links

en til de motorkap op.

Neem de motorkapsteun C uit de

houder.

Bevestig de motorkapsteun in één

van de twee uitsparingen om de motorkap

geopend te houden.

Sluiten

Haal de motorkapsteun uit de uitsparing.

Bevestig de motorkapsteun in de

houder.

Laat de motorkap voorzichtig zakken

en laat deze aan het einde van de

slag in het slot vallen.

Trek aan de motorkap om te controleren

of deze goed is vergrendeld.

i

De plaats van de ontgrendelingshendel

in het interieur zorgt ervoor

dat de motorkap niet geopend kan

worden als het linker voorportier is

gesloten.

CONTROLES

BRANDSTOFTANK LEEG

(DIESEL)

Bij auto’s met HDI-motor is het in het geval

van een lege brandstoftank noodzakelijk

om het brandstofsysteem te ontluchten

(zie de desbetreffende afbeelding).

Het ontluchtingssysteem bestaat uit

een handopvoerpomp en een transparante

slang.

1,4 liter HDI turbodieselmotor

Open de motorkap.

Vul de brandstoftank met minimaal

5 liter diesel.

Bedien de handopvoerpomp tot u

brandstof door de transparante slang

ziet stromen.

Bedien de startmotor tot de motor

aanslaat.

Sluit de motorkap.

1,6 liter 16V HDI turbodieselmotor

Open de motorkap.

Vul de brandstoftank met minimaal

5 liter diesel.

Verwijder de afdekkap van de motor

voor toegang tot de opvoerpomp.

Bedien de handopvoerpomp tot

u brandstof door de transparante

slang met de groene aansluiting ziet

stromen.

Bedien de startmotor tot de motor

aanslaat.

Breng de afdekkap van de motor aan.

Sluit de motorkap.

8

115


8

116

CONTROLES

BENZINEMOTOREN

Dit overzicht is een hulpmiddel bij het controleren van de verschillende vloeistofniveaus en het vervangen van bepaalde

onderdelen.

1. Koelvloeistofreservoir.

2. Interieurfilter.

3. Reservoir ruiten- en

koplampsproeiers.

4. Luchtfilter.

5. Remvloeistofreservoir.

6. Zekeringkast.

7. Accu.

8. Oliepeilstok.

9. Motorolie (bij)vullen.


DIESELMOTOREN

CONTROLES

Dit overzicht is een hulpmiddel bij het controleren van de verschillende vloeistofniveaus, het vervangen van bepaalde

onderdelen en het ontluchten van het brandstofcircuit.

1. Koelvloeistofreservoir.

2. Interieurfilter.

3. Reservoir ruiten- en

koplampsproeiers.

4. Handopvoerpomp.

5. Remvloeistofreservoir.

6. Zekeringkast.

7. Accu.

8. Oliepeilstok.

9. Motorolie (bij)vullen.

10. Luchtfilter.

8

117


8

118

CONTROLES

NIVEAUS CONTROLEREN

Controleer de onderstaande niveaus

regelmatig en vul indien nodig bij, tenzij

anders aangegeven.

Laat in het geval van een sterk gedaald

niveau het desbetreffende circuit controleren

door een PEUGEOT-servicepunt.

Motorolieniveau

Een controle van het motorolieniveau

is alleen betrouwbaar als de

auto op een vlakke, horizontale ondergrond

staat en de motor minstens

15 minuten niet heeft gedraaid.

Het motorolieniveau kan bij aangezet

contact worden gecontroleerd via de

motorolieniveaumeter op het instrumentenpaneel,

of met de oliepeilstok.

Het motorolieverbruik mag gedurende

het verversingsinterval niet meer dan

0,5 liter per 1 000 km bedragen.

Olie verversen

Raadpleeg het onderhoudsboekje voor

het verversingsinterval voor uw auto.

Om een verminderde betrouwbaarheid

van de motor en de emissieregeling te

voorkomen, is het gebruik van additieven

in de motorolie niet toegestaan.

Type motorolie

Gebruik de door de fabrikant aanbevolen

motorolie voor uw auto en motoruitvoering.

Remvloeistofniveau Draai om brandwonden te voorkomen

Het remvloeistofniveau dient zich

zo dicht mogelijk bij het merkteken

"MAXI" te bevinden. Controleer indien

dit niet het geval is of de remblokken

van uw auto zijn versleten.

Remvloeistof verversen

Raadpleeg het onderhoudsboekje voor

het voorgeschreven verversingsinterval.

Type remvloeistof

Gebruik de door de fabrikant voorgeschreven

remvloeistof die voldoet aan

de DOT4-norm.

Koelvloeistofniveau

Het koelvloeistofniveau dient zich

zo dicht mogelijk bij het merkteken

"MAXI" te bevinden, maar

mag beslist niet hoger zijn.

Als de motor warm is, wordt de temperatuur

van de koelvloeistof geregeld

door de koelventilateur. Deze kan ook

bij afgezet contact werken.

Bij uitvoeringen voorzien van een

roetfilter kan de motor bij afgezet

contact nog (gaan) werken, zelfs bij

koude motor.

Wacht bovendien alvorens werkzaamheden

aan het koelsysteem uit te voeren

ten minste 1 uur nadat de motor

gedraaid heeft, omdat het koelsysteem

onder druk staat.

de dop eerst 2 omwentelingen los om

de druk te laten dalen. Verwijder, als de

druk eenmaal gedaald is, de dop en vul

koelvloeistof bij.

Koelvloeistof verversen

De koelvloeistof behoeft niet te worden

ververst.

Type koelvloeistof

Gebruik de door de fabrikant voorgeschreven

koelvloeistof.

Niveau ruiten- en

koplampsproeiervloeistof*

Een te laag vloeistofniveau van

de ruiten- en koplampsproeiers

wordt aangegeven door een

geluidssignaal en een melding

op het multifunctionele display.

Vul bij de eerstvolgende gelegenheid

het reservoir bij.

Type ruiten- en

koplampsproeiervloeistof

Gebruik voor een optimale reiniging de

door de fabrikant aanbevolen vloeistof.

* Volgens land van bestemming.


Niveau brandstofadditief

(diesel met roetfilter)

Een te laag additiefniveau wordt aangegeven

door het verklikkerlampje service

in combinatie met een geluidssignaal

en een melding op het multifunctionele

display.

Bijvullen

Laat het bijvullen zo spoedig mogelijk

uitvoeren door een PEUGEOT-servicepunt.

Afgewerkte producten

!

Vermijd langdurig huidcontact met

afgewerkte olie en andere vloeistoffen.

De meeste van deze vloeistoffen

zijn bijtend en schadelijk voor de

gezondheid.

Gooi afgewerkte olie en andere

vloeistoffen niet in het riool, in het

water of op de grond.

Deponeer afgewerkte olie in de

daarvoor bestemde containers bij

een PEUGEOT-servicepunt.

CONTROLES

Raadpleeg, tenzij anders aangegeven, de

bladzijden in het onderhoudsboekje, die

betrekking hebben op de motoruitvoering

van uw auto, voor het laten controleren

van bepaalde onderdelen volgens het onderhoudsschema

van de constructeur.

Laat de controles eventueel uitvoeren

door een PEUGEOT-servicepunt.

Accu

De accu is onderhoudsvrij.

Niettemin is het raadzaam om

regelmatig te controleren of

de accupolen en -klemmen

schoon zijn, vooral bij warm

weer en in de winter.

Raadpleeg voordat u de accukabels

losneemt het hoofdstuk "Praktische informatie"

voor meer informatie over de

te nemen voorzorgsmaatregelen.

Luchtfilter en interieurfilter

Laat de filters periodiek vervangen

volgens de in het onderhoudsboekje

aangegeven

intervallen.

Als de omgeving (veel stof...)

en het gebruik (veel stadsverkeer...)

daartoe aanleiding geeft, moeten de

filters twee keer zo vaak worden vervangen.

Roetfilter (diesel)

i

CONTROLES

Het onderhoud van het roetfilter moet

worden uitgevoerd door een PEUGEOTservicepunt.

Als langdurig met zeer lage snelheid

wordt gereden of de motor

langdurig stationair draait, kan bij

gasgeven soms rook uit de uitlaat

waargenomen worden. Dit heeft

geen invloed op de prestaties en

heeft geen gevolgen voor het milieu.

Oliefilter

Laat bij het olie verversen tevens

het oliefilter vervangen.

Raadpleeg het onderhoudsboekje

voor het vervangingsinterval.

8

119


8

120

CONTROLES

Handgeschakelde versnellingsbak

De versnellingsbak is onderhoudsvrij

(olie verversen niet

noodzakelijk).

Raadpleeg het onderhoudsboekje

voor het interval van

de niveaucontrole.

Remblokken

De slijtage van de remblokken

is sterk afhankelijk van de rijstijl,

vooral bij stadsverkeer en veel

korte ritten. Hierdoor kan het

noodzakelijk blijken om de remblokken

vaker, tussen twee onderhoudscontroles

door, te laten controleren.

Als het remsysteem vrij is van lekkages,

duidt een te laag remvloeistofniveau

erop dat de remblokken versleten zijn.

Staat van remschijven/

remtrommels

Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt

voor informatie over het controleren

van de slijtage van de remschijven

en/of remtrommels.

Handrem

Als de handrem een te grote

slag heeft of als het systeem

minder goed werkt, moet de

handrem zelfs tussen twee onderhoudscontroles

door worden

afgesteld.

Laat het systeem controleren door

een PEUGEOT-servicepunt.

!

Gebruik uitsluitend door PEUGEOT

aanbevolen producten of gelijkwaardige

kwaliteitsproducten.

Om de werking van belangrijke organen

als het remsysteem te optimaliseren,

selecteert en biedt PEUGEOT

specifieke producten aan.

Vanwege de kans op beschadiging

van het elektrisch systeem is het

reinigen van de motorruimte met

een hogedrukreiniger niet toegestaan.


WIEL VERWISSELEN

In het geval van een lekke band kunt u

het wiel met het bij de auto geleverde

gereedschap verwisselen volgens de

onderstaande procedure.

Toegang tot het gereedschap

Het gereedschap bevindt zich onder de

vloer van de bagageruimte:

open de achterklep,

til de vloerplaat op,

bevestig het koord van de vloerplaat

met de haak aan de steun van de

hoedenplank,

maak de houder met het gereedschap

los en verwijder deze.

PRAKTISCHE INFORMATIE

Beschikbaar gereedschap Overige accessoires

1. Wielsleutel. Hiermee kan de

wieldop worden verwijderd en

kunnen de wielbouten worden

losgedraaid.

2. Krik met geïntegreerde slinger.

Hiermee kan de auto worden

opgekrikt.

3. Gereedschap voor het

verwijderen van sierdoppen.

Hiermee kunnen bij lichtmetalen

velgen de sierdoppen van de

wielbouten worden verwijderd.

4. Dop voor het verwijderen van

slotbouten. Hiermee kunnen

met behulp van de wielsleutel

de speciale slotbouten worden

verwijderd.

5. Afneembaar sleepoog.

Zie de desbetreffende paragraaf.

i

Wiel met wieldop

Demonteren: verwijder eerst de

wieldop door deze met behulp van

de wielsleutel 1 bij de ventielopening

los te wippen en vervolgens

los te trekken.

Monteren: Plaats de wieldop, begin

bij de ventielopening en druk de

wieldop rondom met de hand vast.

9

121


9

122

i

PRAKTISCHE INFORMATIE

Toegang tot het reservewiel

Het reservewiel bevindt zich onder de

vloer van de bagageruimte.

Zie de paragraaf "Toegang tot het

gereedschap" voor meer informatie.

Bevestiging van het stalen

reservewiel

Indien uw auto is voorzien van lichtmetalen

velgen is het normaal dat bij

het monteren van het stalen reservewiel

de ringen van de bouten de velg

niet raken. Als de bouten volledig

zijn aangedraaid, zorgt het conische

draagvlak van de bouten voor de bevestiging

van het reservewiel.

Detectie te lage bandenspanning

Het reservewiel is niet voorzien van

een bandenspanningssensor. Laat het

repareren van de lekke band uitvoeren

door een PEUGEOT-servicepunt.

Verwijderen van het reservewiel

Draai de gele centrale bout een

kwart omwenteling los.

Til het reservewiel aan de achterzijde

op en trek het naar u toe.

Verwijder het wiel uit de bagageruimte.

Terugplaatsen van het reservewiel

Leg het reservewiel in de reservewielbak.

Draai de gele centrale bout een aantal

omwentelingen los en plaats de

bout in het hart van het reservewiel.

Draai de centrale bout vast tot deze

klikt en het reservewiel goed vastzit.

Plaats de houder met het gereedschap

in het hart van het reservewiel

en maak deze vast.

Plaats de vloerplaat terug.


Demonteren van het wiel Procedure

Verwijder de chromen sierdop van de

wielbouten met het gereedschap 3.

Verwijder de plastic dop van de

slotbout met het gereedschap 3.

Bevestig de dop 4 op de wielsleutel

1 en draai de slotbout een omwenteling

los.

Draai de overige wielbouten een

omwenteling los met alleen de

wielsleutel 1.

i

Stilzetten van de auto

Zet de auto op een plaats waar

het verkeer niet gehinderd wordt

en zorg ervoor dat de auto op een

vlakke en bij voorkeur horizontale,

stabiele en stroeve ondergrond

staat.

Trek de handrem aan, zet het

contact af en schakel de eerste

versnelling* in om de wielen te

blokkeren.

Plaats indien nodig een wielblok

onder het wiel kruislings tegenover

het te verwisselen wiel.

Ga nooit onder een auto liggen die

alleen op de krik steunt.

* stand R van de "2 Tronic" transmissie.

Plaats de krik 2 onder één van de

twee steunpunten aan de voorzijde

A of achterzijde B (bij het te verwisselen

wiel).

Draai de krik 2 uit tot het voetstuk

op de grond staat. Zorg ervoor dat

het voetstuk zich loodrecht onder het

gebruikte steunpunt A of B bevindt.

Krik de auto op tot er voldoende

ruimte tussen het wiel en de grond

is om het (niet lekke) reservewiel te

monteren.

Verwijder de wielbouten en leg ze op

een schone plaats weg.

Verwijder het wiel.

PRAKTISCHE INFORMATIE

9

123


9

124

i

PRAKTISCHE INFORMATIE

Monteren van het wiel Procedure

Plaats het wiel op de naaf.

Draai de wielbouten met de hand

vast.

Draai de slotbout met de wielsleutel

1 en de dop 4 enigszins vast.

Draai de overige wielbouten enigszins

vast met alleen de wielsleutel 1.

Na het verwisselen van het wiel

Verwijder de naafdop van het wiel

om het op de juiste manier in de

bagageruimte op te bergen.

Laat zo snel mogelijk het aanhaalmoment

van de wielbouten en de

bandenspanning van het reservewiel

controleren door een PEUGEOTservicepunt.

Laat de lekke band zo spoedig mogelijk

repareren en verwissel hem

met het reservewiel.

Laat de krik zakken.

Vouw de krik 2 op en verwijder hem.

Draai de slotbout vast met de

wielsleutel 1 en de dop 4.

Draai de overige wielbouten vast

met alleen de wielsleutel 1.

Bevestig de plastic dop op de

slotbout en de verchroomde doppen

op de overige wielbouten.

Berg het reservewiel en het gereedschap

op in de bagageruimte.


LAMPEN VERVANGEN

Een defecte lamp kan volgens de

onderstaande procedure zonder gereedschap

worden vervangen.

Koplampen

Uitvoeringen met conventionele

lampen

!

Raak de lampen uitsluitend met

een droge doek aan.

De koplampunits zijn voorzien van

een glas van polycarbonaat met

een speciale vernislaag:

reinig de koplampen nooit

met een droge of schurende

doek en gebruik geen oplosmiddelen,

gebruik een spons en zeepsop.

Uitvoeringen met bochtverlichting

1. Richtingaanwijzers

(PY 21 W amberkleurig).

2. Parkeerlicht (W 5 W).

3. Dimlicht (H7-55 W).

4. Grootlicht (H1-55 W).

5. Bochtverlichting

(H7-55 W).

6. Mistlampen (H11-55 W).

i

Bij bepaalde weersomstandigheden

(lage temperatuur, vochtig weer),

kan aan de binnenzijde van de

lamp enige condensvorming optreden.

Deze verdwijnt zodra de

lampen enige tijd branden.

PRAKTISCHE INFORMATIE

Richtingaanwijzers

Draai de lamphouder een kwart

omwenteling en verwijder hem.

Trek de lamp uit de lamphouder en

vervang de lamp.

Monteer de lamp in de omgekeerde

volgorde.

i

De amberkleurige lampen (richtingaanwijzers)

moeten worden vervangen

door lampen met dezelfde

kleur en eigenschappen.

9

125


9

126

PRAKTISCHE INFORMATIE

Parkeerlicht

Neem de stekker van de koplamp los.

Trek aan de borglip en verwijder de

kunststof beschermkap.

Draai de lamphouder een kwart

omwenteling en verwijder hem.

Trek de lamp uit de lamphouder en

vervang de lamp.

Monteer de lamp in de omgekeerde

volgorde.

Dimlicht, grootlicht of

bochtverlichting

Neem de stekker van de koplamp los.

Trek aan de borglip en verwijder de desbetreffende

kunststof beschermkap.

Neem de stekker van de desbetreffende

lamp los.

Duw de borgveer open en verwijder

de lamp.

Monteer de lamp in de omgekeerde

volgorde.

Mistlampen

Raadpleeg voor het vervangen van

deze lampen een PEUGEOT-servicepunt.

Geïntegreerde zijknipperlichten

Steek ter hoogte van het midden van

het zijknipperlicht een schroevendraaier

tussen het zijknipperlicht en

de voet van de buitenspiegel.

Wip het zijknipperlicht met de schroevendraaier

los.

Neem de stekker van het zijknipperlicht

los.

Monteer het zijknipperlicht in de omgekeerde

volgorde.

Een nieuw zijknipperlicht is verkrijgbaar

bij een PEUGEOT-servicepunt.


Achterlichten

1. Remlichten (P 21 W).

2. Achterlichten (R 5 W).

3. Mistachterlichten (P 21 W).

4. Richtingaanwijzers

(PY 21 W amberkleurig).

5. Achteruitrijlichten (P 21 W).

i

De amberkleurige lampen (richtingaanwijzers)

moeten worden vervangen

door lampen met dezelfde

kleur en eigenschappen.

Lampen vervangen

Deze vijf lampen kunnen van buitenaf

worden vervangen:

verwijder de bevestigingsbout van

de achterlichtunit,

verwijder de achterlichtunit via de

buitenzijde,

neem de stekker van de achterlichtunit

los,

verwijder het afdichtrubber van de

achterlichtunit,

druk de vier borglippen in en verwijder

de lamphouder,

draai de lamp een kwart omwenteling

en vervang de lamp.

Voer het monteren uit in de omgekeerde

volgorde.

i

Open bij auto's met JBL-audiosysteem

aan de rechterzijde het deksel

om bij de bevestigingsbout te

komen.

PRAKTISCHE INFORMATIE

9

127


9

128

PRAKTISCHE INFORMATIE

Lamp derde remlicht vervangen

(4 lampen W 5 W)

Druk de borgpennen aan weerszijden

van het derde remlicht in.

Trek het derde remlicht naar buiten.

Draai de lamphouder van de defecte

lamp een kwart omwenteling en verwijder

deze.

Trek de lamp uit de lamphouder en

vervang de lamp.

Voer het monteren uit in de omgekeerde

volgorde.

Lamp van de

kentekenplaatverlichting

vervangen (W 5 W)

Steek een kleine schroevendraaier

in één van de buitenste gaten van

het lampglas.

Duw de schroevendraaier naar buiten

om het lampglas los te maken.

Verwijder het lampglas.

Trek de lamp uit de lamphouder en

vervang de lamp.


ZEKERINGEN VERVANGEN

In het geval van een storing in een bepaalde

functie kunt u de desbetreffende

defecte zekering vervangen volgens de

onderstaande procedure.

Toegang tot het gereedschap

De tang voor het verwijderen van zekeringen

bevindt zich aan de binnenzijde

van het deksel van de zekeringkast

dashboard:

trek het deksel aan de bovenzijde los,

verwijder het deksel volledig,

maak de tang los.

Vervangen van een zekering

Voordat u een zekering vervangt, dient

u de oorzaak van de storing op te sporen

en te (laten) verhelpen.

U kunt aan de draad van een zekering

zien of deze defect is.

Goed Defect

Gebruik de speciale tang om de zekering

uit de zekeringkast te verwijderen.

Vervang een defecte zekering altijd

door een zekering met dezelfde

stroomsterkte.

Selecteer de zekering aan de hand

van het nummer op de zekeringkast,

de op de zekering aangegeven

stroomsterkte en het onderstaande

overzicht.

PRAKTISCHE INFORMATIE

i

!

Bij het ontwerp van het elektrische

circuit van uw auto is reeds rekening

gehouden met de montage

van zowel de standaarduitrusting

als eventuele opties.

Raadpleeg een PEUGEOT-servicepunt

voordat u andere elektrische

voorzieningen of accessoires in de

auto monteert of laat monteren.

PEUGEOT is niet aansprakelijk voor

kosten die voortvloeien uit het verhelpen

van storingen veroorzaakt

door het monteren van extra accessoires

die niet door PEUGEOT

aanbevolen en geleverd worden of

door voorzieningen die niet volgens

de voorschriften van PEUGEOT zijn

gemonteerd. Dit geldt met name

voor apparatuur met een stroomverbruik

van meer dan 10 milliampère.

9

129


9

130

PRAKTISCHE INFORMATIE

Zekeringen dashboard

De zekeringkast bevindt zich aan de

onderzijde van het dashboard (bestuurderszijde).

Toegang tot de zekeringen

zie de paragraaf "Toegang tot het

gereedschap".

Overzicht zekeringen

Zekering Ampère Functies

G39 20 A Hifiversterker.

G40 20 A Stoelverwarming bestuurder en voorpassagier.

Zekering Ampère Functies

F1 15 A Ruitenwisser achter.

F2 - Niet gebruikt.

F3 5 A

F4 10 A

F5 30 A

F6 30 A

F7 5 A

Elektronische eenheid airbags en pyrotechnische

gordelspanners.

Schakelaar koppelingspedaal, diagnoseaansluiting,

automatisch dimmende binnenspiegel,

airconditioning, sensor verdraaiing stuurwiel, pomp

roetfilter (diesel).

Elektrisch bedienbare ruiten, elektrisch bedienbare

ruiten achter, schuif-/kanteldak.

Elektrisch bedienbare ruiten vóór, voeding

inklapbare buitenspiegels.

Plafonniers voor en achter, kaartleeslampjes,

verlichting zonneklep, verlichting dashboardkastje,

klokje.


PRAKTISCHE INFORMATIE

Zekering Ampère Functies

F8 20 A

F9 30 A 12 V-aansluiting vóór.

F10 15 A

F11 15 A

F12 15 A

F13 5 A

F14 15 A

Autoradio, autoradio/telefoon, CD-wisselaar,

multifunctioneel display, klokje, stuurkolomschakelaars,

detectie te lage bandenspanning, servicecentrale

trekhaakaansluiting.

Sirene alarm, elektronische eenheid alarm,

bochtverlichting.

Diagnoseaansluiting, contactslot met circuit lage

stroomsterkte.

Regen- en lichtsensor, versterker, servicecentrale

trekhaakaansluiting, eenheid lesauto.

Servicecentrale motor, relais ABS, selectiehendel

"2 Tronic" versnellingsbak, rempedaalschakelaar

met twee functies.

Instrumentenpaneel, controlepaneel veiligheidsgordels,

koplampverstelling, airconditioning, handsfree set,

elektronische eenheid parkeerhulp achter, airbags.

F15 30 A Vergrendeling en supervergrendeling.

F17 40 A Achterruit- en buitenspiegelverwarming.

SH - Shunt tijdens opslag.

9

131


9

132

PRAKTISCHE INFORMATIE

Zekeringen motorruimte

De zekeringkast bevindt zich onder de

motorkap, naast de accu (links).

Toegang tot de zekeringen

Maak het deksel los.

Vervang de zekering (zie de desbetreffende

paragraaf).

Sluit na het vervangen van de zekering

zorgvuldig het deksel voor een goede

afdichting van de zekeringkast.

Overzicht zekeringen

Zekering Ampère Functies

F1 20 A

F2 15 A Claxon.

Voeding elektronische eenheid motor en voedingsrelais

motorventilateurgroep, luchthoeveelheidsmeter

(diesel), inspuitpomp (diesel), sensor water in

brandstoffilter (diesel), UGR-elektrokleppen,

voorverwarming inlaatlucht (diesel).

F3 10 A Ruitensproeiers voor en achter.

F4 20 A Koplampsproeiers.

F5 15 A Brandstofpomp (benzine).

F6 10 A Wagensnelheidssensor.

F7 10 A

F8 20 A Voeding startmotor.

Elektrische stuurbekrachtiging, bochtverlichting,

voedingsrelais bochtverlichting,

niveaucontact koelvloeistof (diesel), eenheid

veiligheidsschakeling (diesel).

F9 10 A Elektronische eenheid ABS/ESP, rempedaalschakelaar.

F10 30 A

Regelorganen elektronische eenheid motor

(benzine: bobines, elektrokleppen, lambdasonden,

verstuivers, verwarmingselementen, elektronische

thermostaat) (diesel: elektrokleppen,

verwarmingselementen).

F11 40 A Aanjager airconditioning.

F12 30 A Lage/hoge snelheid ruitenwissers vóór.


* De hoofdzekeringen zorgen voor een extra

beveiliging van de elektrische installatie.

Werkzaamheden aan de hoofdzekeringen

dienen door een PEUGEOT-servicepunt

uitgevoerd te worden.

PRAKTISCHE INFORMATIE

Zekering Ampère Functies

F13 40 A

Voeding intelligente servicecentrale (BSI)

(+ na contact).

F14 30 A Brandstofvoorverwarming (diesel).

F15 10 A Grootlicht links.

F16 10 A Grootlicht rechts.

F17 15 A Dimlicht links.

F18 15 A Dimlicht rechts.

Overzicht hoofdzekeringen

Zekering Ampère Functies

MF1* 70 A Motorventilateurgroep.

MF2* 20 A/30 A Pomp ABS/ESP.

MF3* 20 A/30 A Elektrokleppen ABS/ESP.

MF4* 60 A Voeding intelligente servicecentrale (BSI).

MF5* 60 A Voeding intelligente servicecentrale (BSI).

MF6* - Niet gebruikt.

MF7* 80 A Zekeringkast interieur.

MF8* 30 A Elektronische eenheid "2 Tronic" versnellingsbak.

MF9* 80 A Eenheid verwarming (diesel).

MF10* 80 A Elektrische stuurbekrachtiging.

9

133


9

134

ACCU

PRAKTISCHE INFORMATIE

Procedure voor het opladen van de

accu en het gebruik van een hulpaccu

voor het starten van de motor met behulp

van startkabels.

Toegang tot de accu

De accu bevindt zich links in de motorruimte.

Toegang tot de accu:

open de motorkap met de hendel in

het interieur en vervolgens de veiligheidshaak

aan de buitenzijde,

bevestig de motorkapsteun,

verwijder de kunststof afdekkap voor

toegang tot de twee accupolen.

Starten van de motor met een

hulpaccu en startkabels

Sluit de rode kabel aan op de (+)

pool van de ontladen accu A en vervolgens

op de (+) pool van de hulpaccu

B.

Sluit de groene of zwarte kabel aan

op de (-) pool van de hulpaccu B.

Sluit het andere uiteinde van de

groene of zwarte kabel aan op een

zo ver mogelijk van de accu verwijderd

massapunt C van de auto.

Stel de startmotor in werking en laat

de motor draaien.

Wacht tot de motor stationair draait

en neem dan de kabels los.


Laden met behulp van een

acculader

Maak de accupoolklemmen los.

Volg de aanwijzingen van de fabrikant

van de acculader.

Sluit de accukabels weer aan, te

beginnen met de (-) kabel.

Controleer of de accupolen en de

klemmen schoon zijn. Indien ze bedekt

zijn met een (witte of groene) oxidatielaag,

neem dan de accukabels

los en reinig de polen en klemmen.

i

Accu’s bevatten schadelijke stoffen,

zoals zwavelzuur en lood. Accu’s

moeten volgens de wettelijke

voorschriften worden afgevoerd en

mogen in geen geval bij het huisvuil

terechtkomen.

Lever lege batterijen en accu’s in

bij een speciaal afvalstoffendepot.

Het is raadzaam de accu los te

koppelen als uw auto langer dan

een maand buiten gebruik is.

!

Maak de accupoolklemmen niet los

bij draaiende motor.

Laad de accu niet op zonder de

accupoolklemmen los te nemen.

Het aanduwen van een auto met

de "2 Tronic" versnellingsbak om

de motor te starten is niet toegestaan.

Vóór het loskoppelen van de

accukabels

Wacht 2 minuten na het afzetten

van het contact.

Sluit de ruiten, het schuifdak en de

voorportieren.

Na het weer aansluiten van de

accukabels

Zet het contact aan en wacht 1 minuut

alvorens de motor te starten,

zodat de elektronische systemen

geïnitialiseerd kunnen worden.

Raadpleeg uw PEUGEOT-servicepunt

als er zich na deze handeling

toch nog problemen voordoen.

PRAKTISCHE INFORMATIE

SPAARFASE

De spaarfase stuurt de elektrische functies

van de auto aan om het ontladen

van de accu te voorkomen.

Tijdens het rijden kunnen in verband

met de laadtoestand van de accu

enkele functies (airconditioning, achterruitverwarming,

...) tijdelijk worden

uitgeschakeld.

Deze functies worden automatisch

ingeschakeld zodra de laadtoestand

van de accu dit toelaat.

!

De uitgeschakelde functies kunnen

tevens handmatig weer worden

ingeschakeld. Hierbij bestaat het

risico dat de accu ontladen raakt.

9

135


9

136

i

PRAKTISCHE INFORMATIE

ECO-MODE

De eco-mode bepaalt de maximale gebruiksduur

van een aantal functies om

te voorkomen dat de accu ontladen

raakt.

Nadat de motor is afgezet, kunt u een

aantal elektrische functies zoals radio,

ruitenwissers, plafonniers, ... nog in

totaal ongeveer 30 minuten gebruiken.

Inschakelen van de eco-mode

Na deze 30 minuten geeft een melding

op het multifunctionele display aan dat

de eco-mode is ingeschakeld en de

actieve functies worden in de ruststand

gezet.

Als u op het moment dat de ecomode

wordt ingeschakeld aan het

telefoneren bent, kunt u het telefoongesprek

gewoon voortzetten.

Uitschakelen van de eco-mode

De functies worden automatisch weer

ingeschakeld als de motor gestart

wordt.

Start om de functies direct weer te

kunnen gebruiken de motor en laat

deze gedurende enige tijd draaien.

De beschikbare tijd bedraagt het

dubbele van de tijd dat de motor heeft

gedraaid. Deze tijd zal echter altijd

tussen de 5 en 30 minuten bedragen.

!

Als de accu ontladen is, kan de

motor niet gestart worden (zie de

desbetreffende paragraaf).

WISSERBLADEN VERVANGEN

De ruitenwisserbladen kunnen zonder

gereedschap worden vervangen.

Demonteren van een wisserblad

vóór of achter

Til de desbetreffende ruitenwisserarm

op.

Maak het wisserblad los en verwijder

het.

Monteren van een wisserblad

vóór of achter

Controleer bij de ruitenwissers vóór

de lengte van het wisserblad, omdat

het kortste blad aan de passagierszijde

van de auto gemonteerd moet

worden.

Breng het nieuwe wisserblad aan en

klik het vast.

Zet de ruitenwisserarm terug.


SLEPEN VAN UW AUTO

U kunt uw auto laten slepen door een

andere auto of een andere auto slepen

met behulp van het sleepoog.

Toegang tot het gereedschap

Het sleepoog bevindt zich onder de

vloerplaat van de bagageruimte:

open de achterklep,

til de vloerplaat op,

bevestig het koord van de vloerplaat

met de haak aan de steun van de

hoedenplank,

neem het sleepoog uit de houder.

Slepen van uw auto

Maak het klepje in de voorbumper

los door op de onderkant ervan te

drukken.

Draai het sleepoog vast tot de

aanslag.

Bevestig de sleepstang.

Schakel de alarmknipperlichten van

uw auto in.

i

Zet de versnellingshendel in de

neutraalstand (stand N bij de

"2 Tronic" versnellingsbak).

PRAKTISCHE INFORMATIE

Slepen van een andere auto

Maak het klepje in de achterbumper

los door op de onderkant ervan te

drukken.

Draai het sleepoog vast tot de

aanslag.

Bevestig de sleepstang.

Schakel de alarmknipperlichten van

de te slepen auto in.

!

Gebruik voor het slepen van een

auto met de vier wielen op de grond

altijd een sleepstang.

Laat het takelen van de auto (met

twee wielen op de grond) uitsluitend

uitvoeren door een professioneel

takelbedrijf.

Bij het slepen van de auto met

stilstaande motor zijn de rem- en

stuurbekrachtiging uitgeschakeld.

9

137


9

138

PRAKTISCHE INFORMATIE

TREKKEN VAN EEN

AANHANGER, EEN CARAVAN...

De trekhaak bestaat uit een mechanisch

systeem voor het aankoppelen

van een aanhanger of caravan en een

elektrische aansluiting voor de verlichting

en signalering.

Uw auto is hoofdzakelijk bedoeld voor

het vervoer van personen en bagage,

maar is tevens geschikt voor het trekken

van een aanhanger.

Wij raden u aan gebruik te maken van

een speciaal door PEUGEOT geteste

en goedgekeurde trekhaak en deze

door een PEUGEOT-servicepunt te laten

monteren.

Het rijden met een aanhanger heeft veel

invloed op het rijgedrag van de auto en

vergt daarom extra aandacht van de

bestuurder.

Adviezen

Gewichtsverdeling

Verdeel het gewicht in de caravan/

aanhanger gelijkmatig en houd u

aan de toegestane kogeldruk.

Door een geringere luchtdichtheid

nemen de prestaties van de motor af

als men op grotere hoogte boven

de zeespiegel komt. Trek boven de

1 000 m 10 % van het maximum aanhangergewicht

af en herhaal dit voor

elke volgende 1 000 m.

Raadpleeg het hoofdstuk "Technische

gegevens" voor de gewichten en aanhangergewichten

die voor uw auto van

toepassing zijn.

Zijwind

Houd er rekening mee dat de zijwindgevoeligheid

van de auto groter is.

Koeling

Het trekken van een aanhanger op een

helling veroorzaakt een hogere koelvloeistoftemperatuur.

De koelventilator wordt elektrisch

bediend en is niet afhankelijk van het

motortoerental.

Pas uw snelheid aan om het toerental

te beperken.

Het maximum aanhangergewicht is afhankelijk

van het hellingspercentage en

de temperatuur van de buitenlucht.

Let in elk geval goed op de aanwijzing

van de koelvloeistoftemperatuurmeter.

Remmen

Het trekken van een aanhanger

vergroot de remweg.

Banden

Controleer de bandenspanning van

de auto en de aanhanger en breng

deze indien nodig op de juiste waarde.

Verlichting

Controleer de verlichting van de

aanhanger.

i

Als het verklikkerlampje van de

koelvloeistoftemperatuur gaat

branden in combinatie met het verklikkerlampje

STOP, stop dan zo

snel mogelijk en zet de motor af.

De parkeerhulp wordt bij het

aankoppelen van een aanhanger

automatisch uitgeschakeld.


ALLESDRAGERS MONTEREN

Gebruik bij het monteren van dwarsdragers

de vier hiervoor bestemde bevestigingspunten:

open de afdekplaatjes,

plaats de allesdragers en stel de

bevestigingspunten af.

i

Max. toegestane daklast op imperiaal,

bij een maximale laadhoogte

van 40 cm (m.u.v. fietsendrager):

65 kg.

Pas bij een belading hoger dan

40 cm de rijsnelheid aan aan de

rijomstandigheden om schade aan

de allesdragers en de bevestigingsplaatsen

op het dak te voorkomen.

Raadpleeg de wetgeving van uw

land met betrekking tot het vervoeren

van voorwerpen die langer zijn

dan de auto.

PRAKTISCHE INFORMATIE

9

139


9

140

PRAKTISCHE INFORMATIE

ACCESSOIRES VOOR UW 307

Het PEUGEOT-netwerk biedt u een ruime

keuze aan accessoires en originele

onderdelen.

Deze accessoires en onderdelen zijn

getest en goedgekeurd ten aanzien van

bedrijfszekerheid en veiligheid.

Ze zijn volledig aangepast aan uw auto,

voorzien van een artikelnummer van

PEUGEOT en worden geleverd met

PEUGEOT garantie.

Het aanbod van PEUGEOT Boutique is

onderverdeeld in 5 groepen: PROTECT -

CONFORT - AUDIO - DESIGN -

TECNIC:

"Protect":

inbraakalarm, graveren van

ruiten, wielbouten met slot,

verbandtrommel, gevarendriehoek,

veiligheidsvest, lokalisatiesysteem

gestolen auto,

sneeuwkettingen.

"Comfort":

matten*, kunststof bak bagageruimte,

bagagenet, kledinghanger voor

bevestiging aan de hoofdsteun, aluminium

of PVC dorpellijsten.

Voor de vrijetijdsbesteding: allesdragers,

fietsendrager voor bevestiging

op de trekhaak, fietsendrager

voor bevestiging op de allesdragers,

skidragers, dakkoffers, zitverhogingen en kinderzitjes,

console voor autoradio-/telefoonsysteem,

zonneschermen opzij en zonnescherm

achter, middenarmsteun vóór, opbergbox voor

CD’s, opbergruimte onder hoedenplank.

Trekhaak. Deze moet bij een PEUGEOTservicepunt

worden gemonteerd.

"Audio":

autoradio’s, audio-/telefoonsysteem,

versterkers, navigatiesystemen,

handsfree

set, CD-wisselaar, luidsprekers,

DVD-speler, kit voor de

aansluiting van een MP3- of

draagbare CD-speler, parkeerhulp.

* Om te voorkomen dat de werking van

de pedalen wordt gehinderd:

- controleer of de mat goed op zijn

plaats ligt en goed is bevestigd,

- leg nooit meerdere matten boven

op elkaar.

"Design":

"Tecnic":

!

stoelhoezen geschikt voor

stoelen met zij-airbags, aluminium

pookknop, aluminium

pedalen, mistlampen voor,

achterklepspoiler, gestyleerde

spatlappen, lichtmetalen velgen,

wieldoppen, sportuitlaat.

ruitensproeiervloeistof, reinigings-/onderhoudsmiddelen

voor interieur en exterieur.

Met behulp van de ombouwpakketten

"Entreprise" kan de auto worden omgebouwd

naar een bedrijfsuitvoering.

Het monteren van elektrische uitrustingen

of accessoires die niet onder

een artikelnummer in het assortiment

van PEUGEOT voorkomen, kan storingen

in het elektronisch systeem van

uw auto veroorzaken.

Houdt u rekening met deze bijzonderheid

en wij raden u aan contact op te

nemen met een vertegenwoordiger

van het merk PEUGEOT om u te laten

informeren over het assortiment uitrustingen

en accessoires voorzien van

een artikelnummer van PEUGEOT.


TECHNISCHE GEGEVENS

UITVOERINGEN: MOTOREN EN VERSNELLINGSBAKKEN

Type variant uitvoering:

WC... WA... WG...

KFV-C KFU-C KFU-C/P

BENZINEMOTOREN 1,4 liter 75 pk 1,4 liter 16V 90 pk

Cilinderinhoud (cm 3 ) 1 360 1 360

Boring x slag (mm) 75 x 77 75 x 77

Maximum vermogen: EEG norm (kW) 54 65

Toerental bij maximum vermogen (t/min) 5 400 5 250

Maximum koppel: EEG-norm (Nm) 120 133

Toerental bij maximum koppel (t/min) 3 400 3 250

Brandstof Loodvrij Loodvrij

Katalysator Ja Ja

VERSNELLINGSBAKKEN

INHOUD CARTER (liter)

Handgeschakeld

(5 versn.)

Handgeschakeld

(5 versn.)

Motor (met vervangen filter) 3,0 3,0 -

"2 Tronic"

(5 versn.)

Versnellingsbak - Differentieel 1,9 1,9 -

10

141


10 TECHNISCHE GEGEVENS

142

UITVOERINGEN: MOTOREN EN VERSNELLINGSBAKKEN

Type variant uitvoering:

WC... WA...

NFU-C 5FX-C

BENZINEMOTOREN 1,6 liter 16V 110 pk 1,6 liter Turbo 16V 150 pk

Cilinderinhoud (cm 3 ) 1 587 1 598

Boring x slag (mm) 78,5 x 82 77 x 85,8

Maximum vermogen: EEG norm (kW) 80 110

Toerental bij maximum vermogen (t/min) 5 800 5 800

Maximum koppel: EEG-norm (Nm) 147 240

Toerental bij maximum koppel (t/min) 4 000 1 400

Brandstof Loodvrij Loodvrij

Katalysator Ja Ja

VERSNELLINGSBAKKEN

INHOUD CARTER (liter)

Handgeschakeld

(5 versn.)

Handgeschakeld

(5 versn.)

Motor (met vervangen filter) 3,25 4,25

Versnellingsbak - Differentieel 1,9 1,9


VERBRUIKSCIJFERS Volgens richtlijn 80/1268/ECE

Benzinemotoren Versnellingsbak

Type variant

uitvoering

WC… WA…

WG...

Binnen

bebouwde kom

(liter/100 km)

TECHNISCHE GEGEVENS

Buiten

bebouwde kom

(liter/100 km)

Gecombineerd

(liter/100 km)

CO 2 -uitstoot

(g/km)

1,4 liter 75 pk Handgeschakeld KFV-C 8,4 5,0 6,3 150

1,4 liter 16V 90 pk

Handgeschakeld KFU-C 8,5 5,2 6,4 152

"2 Tronic" KFU-C/P 7,9 5,2 6,2 146

1,6 liter 16V 110 pk Handgeschakeld NFU-C 9,3 5,6 7,0 166

1,6 liter Turbo 16V

150 pk

Handgeschakeld 5FX-C 9,3 5,6 7,0 166

De aangegeven verbruikscijfers zijn de laatstbekende waarden ten tijde van het drukken van dit boekje. Deze verbruikscijfers

zijn gebaseerd op metingen die zijn uitgevoerd onder wettelijk voorgeschreven gebruiksomstandigheden (richtlijn 80/1268/EEG)

en kunnen variëren afhankelijk van de rijstijl van de bestuurder, de verkeersomstandigheden, de weersomstandigheden, de

belading van de auto, de staat van onderhoud van de auto en het gebruik van accessoires.

10

143


10 TECHNISCHE GEGEVENS

144

GEWICHTEN EN AANHANGERGEWICHTEN (in kg)

Benzinemotoren 1,4 liter 75 pk 1,4 liter 16V 90 pk

Versnellingsbak Handgeschakeld Handgeschakeld "2 Tronic"

Type variant uitvoering:

WC… WA… WG...

KFV-C KFU-C KFU-C/P

- Ledig gewicht rijklaar 1 296 - 1 258 - 1 232 1 313 - 1 294 1 322 - 1 300

- Nuttig laadvermogen 324 - 322 - 338 327 - 326 328 - 330

- Maximum technisch toegestane

massa totaal

- Maximum toegestaan treingewicht

1 620 - 1 580 - 1 570 1 640 - 1 620 1 650 - 1 630

max. hellingspercentage 12 % 2 400 2 580 2 580

- Aanhanger geremd (binnen max.

toegestaan treingewicht)

max. hellingspercentage 10 % of 12 % 780 - 820 - 830 940 - 960 930 - 950

max. hellingspercentage 8 % 830 - 870 980 - 1 000 950 - 970

- Aanhanger geremd* (met verminderde belading

auto, binnen max. toegestaan treingewicht)

950 1 150 1 150

- Aanhanger ongeremd 600 - 600 - 590 600 600

- Aanbevolen kogeldruk 38 - 38 - 46 46 46

* Het totale gewicht van de geremde aanhanger kan, binnen het maximum toegestane treingewicht, worden verhoogd indien de belading van de auto wordt

verminderd. Houd er in dat geval rekening mee dat het trekken van een aanhanger met een licht beladen auto een negatieve invloed heeft op het weggedrag.

Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1 000 meter; het opgegeven aanhangergewicht dient

voor elke extra 1 000 meter met 10 % te worden verminderd.

Bij het trekken van een aanhanger wordt aangeraden niet harder te rijden dan 100 km/h of de geldende snelheidslimiet in bepaalde landen in acht te nemen (in Nederland wettelijk 80 km/h).

Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen. Als de buitentemperatuur meer dan 37 °C bedraagt,

moet het treingewicht worden verminderd.


GEWICHTEN EN AANHANGERGEWICHTEN (in kg)

TECHNISCHE GEGEVENS

Benzinemotoren 1,6 liter 16V 110 pk 1,6 liter Turbo 16V 150 pk

Versnellingsbak Handgeschakeld Handgeschakeld

Type variant uitvoering:

WC… WA…

NFU-C 5FX-C

- Ledig gewicht rijklaar 1 358 - 1 342 1 376

- Nuttig laadvermogen 322 - 328 324

- Maximum technisch toegestane

massa totaal

- Maximum toegestaan treingewicht

1 680 - 1 670 1 700

max. hellingspercentage 12 % 2 630 2 640

- Aanhanger geremd (binnen max.

toegestaan treingewicht)

max. hellingspercentage 10% of 12% 950 - 960 940

max. hellingspercentage 8 % 1 000 - 1 010 1 000

- Aanhanger geremd* (met verminderde belading

auto, binnen max. toegestaan treingewicht)

1 150 1 150

- Aanhanger ongeremd 600 600

- Aanbevolen kogeldruk 46 46

* Het totale gewicht van de geremde aanhanger kan, binnen het maximum toegestane treingewicht, worden verhoogd indien de belading van de auto wordt

verminderd. Houd er in dat geval rekening mee dat het trekken van een aanhanger met een licht beladen auto een negatieve invloed heeft op het weggedrag.

Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1 000 meter; het opgegeven aanhangergewicht dient

voor elke extra 1 000 meter met 10 % te worden verminderd.

Bij het trekken van een aanhanger wordt aangeraden niet harder te rijden dan 100 km/h of de geldende snelheidslimiet in bepaalde landen in acht te nemen (in Nederland wettelijk 80 km/h).

Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen. Als de buitentemperatuur meer dan 37 °C bedraagt,

moet het treingewicht worden verminderd.

10

145


10 TECHNISCHE GEGEVENS

146

UITVOERINGEN: MOTOREN EN VERSNELLINGSBAKKEN

Type variant uitvoering:

WC… WA… WG...

DIESELMOTOREN 1,4 liter Turbo HDI 70 pk

8HZ-C 9HX-C 9HY-C 9HZ-C

1,6 liter Turbo HDI 16V

90 pk

1,6 liter Turbo HDI 16V

110 pk

Cilinderinhoud (cm 3 ) 1 398 1 560 1 560

Boring x slag (mm) 73,7 x 82 75 x 88,3 75 x 88,3

Maximum vermogen: EEG norm (kW) 50 66 80

Toerental bij maximum vermogen (t/min) 4 000 4 000 4 000

Maximum koppel: EEG-norm (Nm) 160 215 240

Toerental bij maximum koppel (t/min) 2 000 1 750 1 750

Brandstof Diesel Diesel Gazole

Katalysator Ja Ja Ja

Roetfilter Nee Nee Nee Nee

VERSNELLINGSBAKKEN

INHOUD CARTER (liter)

Handgeschakeld

(5 versn.)

Handgeschakeld

(5 versn.)

Handgeschakeld

(5 versn.)

Motor (met vervangen filter) 3,75 3,75 3,75

Versnellingsbak - Differentieel 1,9 1,9 1,9


VERBRUIKSCIJFERS Volgens richtlijn 80/1268/ECE

Dieselmotoren Versnellingsbak

1,4 liter Turbo HDI

70 pk

1,6 liter Turbo HDI 16V

90 pk

1,6 liter Turbo HDI 16V

110 pk

Type variant

uitvoering

WC… WA…

WG...

Binnen

bebouwde kom

(liter/100 km)

TECHNISCHE GEGEVENS

Buiten

bebouwde kom

(liter/100 km)

Gecombineerd

(liter/100 km)

CO 2 -uitstoot

(g/km)

Handgeschakeld 8HZ-C 5,8 3,8 4,5 120

Handgeschakeld 9HX-C 5,8 3,8 4,5 120

Handgeschakeld

9HY-C 6,2 4,1 4,9 129

9HZ-C 6,0 4,1 4,8 126

De aangegeven verbruikscijfers zijn de laatstbekende waarden ten tijde van het drukken van dit boekje. Deze verbruikscijfers

zijn gebaseerd op metingen die zijn uitgevoerd onder wettelijk voorgeschreven gebruiksomstandigheden (richtlijn 80/1268/EEG)

en kunnen variëren afhankelijk van de rijstijl van de bestuurder, de verkeersomstandigheden, de weersomstandigheden, de

belading van de auto, de staat van onderhoud van de auto en het gebruik van accessoires.

10

147


10 TECHNISCHE GEGEVENS

148

Dieselmotoren

GEWICHTEN EN AANHANGERGEWICHTEN (in kg)

1,4 liter Turbo HDI

70 pk

1,6 liter Turbo HDI 16V

90 pk

1,6 litre Turbo HDI 16V

110 pk

Versnellingsbak Handgeschakeld Handgeschakeld Handgeschakeld

Type variant uitvoering:

WC… WA… WG...

8HZ-C 9HX-C 9HY-C 9HZ-C

- Ledig gewicht rijklaar 1 336 - 1 294 - 1 269 1 373 - 1 357 - 1 290 1 395 - 1 390

- Nuttig laadvermogen 324 - 326 - 331 327 - 323 - 340 315 - 320

- Maximum technisch toegestane

massa totaal

- Maximum toegestaan treingewicht

1 660 - 1 620 - 1 610 1 700 - 1 680 - 1 630 1 710

max. hellingspercentage 12 % 2 600 2 650 2 690

- Aanhanger geremd

max. hellingspercentage 10% of 12% 940 - 980 - 990 950 - 970 - 1 020 980

max. hellingspercentage 8 % 940 - 980 980 - 1 000 1 030

- Aanhanger geremd* (met verminderde belading

auto, binnen max. toegestaan treingewicht)

1 150 1 150 1 150

- Aanhanger ongeremd 600 600 600

- Aanbevolen kogeldruk 46 46 46

* Het totale gewicht van de geremde aanhanger kan, binnen het maximum toegestane treingewicht, worden verhoogd indien de belading van de auto wordt

verminderd. Houd er in dat geval rekening mee dat het trekken van een aanhanger met een licht beladen auto een negatieve invloed heeft op het weggedrag.

Het maximaal toegestane treingewicht en de aanhangergewichten gelden tot een hoogte van maximaal 1 000 meter; het opgegeven aanhangergewicht dient

voor elke extra 1 000 meter met 10 % te worden verminderd.

Bij het trekken van een aanhanger wordt aangeraden niet harder te rijden dan 100 km/h of de geldende snelheidslimiet in bepaalde landen in acht te nemen (in Nederland wettelijk 80 km/h).

Bij hoge buitentemperaturen kunnen de prestaties van de auto minder worden om de motor te beschermen. Als de buitentemperatuur meer dan 37 °C bedraagt,

moet het treingewicht worden verminderd.


AFMETINGEN (in mm)

TECHNISCHE GEGEVENS

10

149


10

150

TECHNISCHE GEGEVENS

IDENTIFICATIE

De auto is voorzien van verschillende

zichtbare merktekens voor de

identificatie en registratie van de auto.

A. Serienummer onder de

motorkap.

Dit nummer is ingeslagen in de

carrosserie, bij het interieurfilter.

B. Serienummer op het dashboard.

Dit nummer staat op een sticker en is

zichtbaar door de voorruit.

C. Serienummer op het chassis.

Dit nummer staat op een eenmalige

sticker op de middenstijl, bij de slotplaat

van het bestuurdersportier.

D. Constructeursplaatje

Deze sticker is op de zijkant van het

bestuurdersportier bevestigd.

Het bevat de volgende informatie:

- velgmaat en bandenmaat,

- door de constructeur aanbevolen

bandenmerken,

- bandenspanning,

- kleurcode van de lak.

!

i

Wielen met 205/45 R17-banden

kunnen niet worden voorzien van

sneeuwkettingen. Raadpleeg een

PEUGEOT-servicepunt voor meer

informatie.

Controleer de bandenspanning

minimaal één keer per maand, bij

koude banden.

Een te lage bandenspanning

veroorzaakt een hoger

brandstofverbruik.


De internetsite INFOTEC geeft aanvullende informatie

over de RT3. Deze site is te raadplegen op het

volgende adres:

http://public.infotec.peugeot.com

Toegang kan worden verkregen door middel van een

eenvoudige registratie waarna de boorddocumentatie

gratis is te raadplegen.

De autoradio/telefoon/GPS RT3 is zodanig gecodeerd

dat deze uitsluitend in uw auto functioneert. Raadpleeg

uw PEUGEOT-servicepunt als u het systeem voor

gebruik in een andere auto wilt laten configureren.

Om veiligheidsredenen mag de bestuurder

handelingen die zijn volledige aandacht vragen

uitsluitend uitvoeren bij stilstaande auto.

INHOUD

RT3

AUTORADIO/TELEFOON/GPS

• 01 Basisfuncties blz. 152

• 02 Algemeen menu blz. 153

• 03 GPS blz. 154

• 04 Audio blz. 161

• 05 Telefoon blz. 163

• 06 Snelkeuze blz. 166

• 07 Configuratie blz. 168

• 08 Schermmenu’s blz. 170


152

01 BASISFUNCTIES

Selecteren van de geluidsbron:

radio, CD, CD-wisselaar en

externe apparatuur (AUX).

Lang indrukken van de toets

SOS: noodoproep.

Aan/Uit.

Volumeregeling.

Selecteren van het golfbereik

FM1, FM2, FMast, AM.

Alfanumeriek toetsenbord

voor invoeren van

omschrijvingen.

Toegang tot het

dienstenmenu

"PEUGEOT".

Selecteren van

schermweergave.

Weergave van het

algemene menu.

- Selecteren van zenders met een lagere/

hogere frequentie.

- Selecteren van de vorige/volgende CD.

- Selecteren van de vorige/volgende MP3-speellijst.

Annuleren van de bewerking.

Opening voor SIM-kaart.

- Automatisch zoeken naar zenders

in aflopende/oplopende volgorde.

- Selecteren van het vorige/

volgende nummer van de CD of

MP3.

Selecteren en bevestigen.


KLEURENDISPLAY DT

> MONOCHROOM DISPLAY CT

NAVIGATIE: GPS,

verkeersinformatie, opties.

TELEFOONFUNCTIES:

diensten, telefoonfuncties, SMS.

AUDIOFUNCTIES: radio, opties.

CONFIGURATIE: parameters

auto, weergave, tijd, talen.

02 ALGEMEEN MENU

BOORDCOMPUTER: snelheid,

brandstofverbruik, afstand.

KAART: GPS, gegevens,

oriëntering.

INDEX: telefoon en GPS.

VIDEO: activeren, parameters.

153


1

2

3

4

154

03 GPS

INVOEREN VAN EEN ADRES EN

OPSTARTEN VAN DE NAVIGATIE

Druk op de toets MENU.

Draai aan de knop om de functie

NAVIGATIE te selecteren.

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Draai aan de knop om de functie EEN

BESTEMMING KIEZEN te selecteren.

EEN BESTEMMING KIEZEN

Navigatie-CD-ROM:

Zorg ervoor dat bij gebruik van het navigatiesysteem de navigatie-CD-ROM in

de speler is geplaatst.

5

6

7

8

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Draai aan de knop om de functie EEN

ADRES INVOEREN te selecteren.

EEN ADRES INVOEREN

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Draai aan de knop om de functie

PLAATS te selecteren.

PLAATS


9

11

12

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

10 14

Draai aan de knop om de letters van de

plaatsnaam één voor één te selecteren

en te bevestigen door op de knop te

drukken.

PARIS

Voer de letters en cijfers in met het alfanumerieke

toetsenbord en gebruik de toets * voor eventuele

correcties.

Draai aan de knop om de functie OK te

selecteren.

OK

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

13

15

Herhaal de stappen 8 t/m 12 voor het de functies

STRAAT en Nr.

Selecteer de functie OK van het

scherm ADRES INVOEREN.

OK

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Selecteer de functie OPSLAAN om het ingevoerde adres in een kaart

van het geheugen op te slaan en druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

OPSLAAN

155


1

2

3

4

156

03 GPS

NAVIGATIEMOGELIJKHEDEN

Druk op de toets MENU.

Draai aan de knop om de functie

NAVIGATIE te selecteren.

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Draai aan de knop om de functie

NAVIGATIEMOGELIJKHEDEN te

selecteren.

5

6

7

8

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Draai aan de knop om

de functie DEFINIËREN

BEREKENINGSCRITERIA te

selecteren.

DEFINIËREN BEREKENINGSCRITERIA

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Draai aan de knop om bijvoorbeeld

de functie SNELSTE ROUTE te

selecteren.

NAVIGATIEMOGELIJKHEDEN SNELSTE ROUTE


9

10

11

12

13

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Draai aan de knop om bijvoorbeeld de

functie TOLAUTOWEG te selecteren

als deze nog niet is geselecteerd.

TOLAUTOWEG

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Draai aan de knop om de functie OK te

selecteren.

OK

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

1

2

3

4

5

GESPROKEN BERICHTEN

Druk op de toets MENU.

Draai aan de knop om de functie

NAVIGATIE te selecteren.

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Draai aan de knop om de functie

NAVIGATIEMOGELIJKHEDEN te

selecteren.

NAVIGATIEMOGELIJKHEDEN

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

157


6

7

8

9

158

03 GPS

GESPROKEN BERICHTEN

Draai aan de knop om de functie

INSTELLEN GESPROKEN

BERICHTEN te selecteren.

INSTELLEN GESPROKEN BERICHTEN

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Draai aan de knop om de functie

INSCHAKELEN te selecteren.

INSCHAKELEN

Druk op de knop om de functie te

bevestigen.

1

2

3

4

INSTELLEN VAN DE KAART

(alleen voor kleurendisplay DT)

Druk op de toets MENU.

Draai aan de knop om de functie

KAART te selecteren.

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Draai aan de knop om de functie

GEGEVENS VAN DE KAART te

selecteren.

Met behulp van deze functie kunt u

de op de kaart weergegeven diensten

selecteren (hotels, restaurants...).

GEGEVENS VAN DE KAART


1

2

3

4

ROUTEFILTER ACTIVEREN

Druk op de toets MENU.

Draai aan de knop om de functie

NAVIGATIE te selecteren.

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Draai aan de knop om de functie

VERKEERSINFORMATIE (TMC) te

selecteren.

VERKEERSINFORMATIE (TMC)

5

6

7

8

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Draai aan de knop om de functie

VERKEERSINFORMATIE (TMC)

FILTEREN te selecteren.

VERKEERSINFORMATIE (TMC) FILTEREN

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Draai aan de knop om de functie

ROUTEFILTER ACTIVEREN te

selecteren.

ROUTEFILTER ACTIVEREN

159


1

2

3

4

5

160

EEN TRAJECT TOEVOEGEN

Druk op de toets MENU.

Draai aan de knop om de functie

NAVIGATIE te selecteren.

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Draai aan de knop om de functie

TRAJECTEN EN ROUTE te selecteren.

TRAJECTEN EN ROUTE

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

6

7

8

8

Draai aan de knop om de functie EEN

TRAJECT TOEVOEGEN te selecteren.

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

EEN TRAJECT TOEVOEGEN

Voer een adres in (zie hoofdstuk GPS)

of selecteer een DIENST (restaurant,

hotel...).

DIENST

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Druk op de knop om de volgorde van

de trajecten te bevestigen.

Het traject moet worden afgelegd of verwijderd voordat de navigatie

naar de volgende bestemming kan worden voortgezet.


1

2

3

04 AUDIO

RADIO

SELECTEREN VAN EEN ZENDER

Druk herhaalde malen op de toets

SOURCE om de RADIO te selecteren.

Druk op de toets BAND AST om het

golfbereik te selecteren: FM1, FM2,

FMast of AM.

Druk kort op een van de toetsen om

automatisch naar zenders te zoeken.

4

1

Druk op een van de toetsen om

handmatig naar zenders te zoeken.

Druk op de toets LIST voor een lijst

van de beschikbare zenders in het

gebied waar u zich bevindt.

Druk langer dan 2 seconden op de

toets om deze lijst bij te werken.

RADIO

OPSLAAN VAN EEN ZENDER

Druk langer dan 2 seconden op een

van de toetsen van het alfanumerieke

toetsenbord om de weergegeven

radiozender onder de desbetreffende

toets op te slaan.

161


1

2

162

CD

EEN CD OF MP3-CD AFSPELEN

Bij gebruik van het GPS-navigatiesysteem moet de

navigatie-CD-ROM in de speler van de autoradio/

telefoon RT3 zijn geplaatst. Audio-CD’s kunnen dan

worden afgespeeld met de CD-wisselaar.

Plaats, indien het bovenstaande niet het geval is, de

audio- of MP3-CD in de speler. De CD-speler zal de

CD automatisch afspelen.

Als er al een CD in het apparaat zit,

druk dan herhaalde malen op de

toets SOURCE om de CD-speler als

geluidsbron te selecteren.

Druk op een van de toetsen om een

nummer van de CD te selecteren.

Druk op de toets LIST om de lijst met

nummers van de CD of de speellijsten

van de MP3-CD weer te geven.

Het afspelen of weergeven van een MP3-speellijst kan worden

beïnvloed door het gebruikte programma voor de CD en/of de

instellingen. Wij raden u aan een CD te gebruiken die aan de ISOnorm

9660 voldoet.

1

2

3

CD-WISSELAAR

EEN CD AFSPELEN (GEEN MP3-FORMAAT)

Plaats één of meer CD’s in de

CD-wisselaar.

Druk herhaalde malen op de toets

SOURCE en selecteer de

CD-WISSELAAR.

Druk op een van de toetsen van het

alfanumerieke toetsenbord om de

desbetreffende CD te selecteren.

Druk op een van de toetsen om een

nummer van de CD te selecteren.


1

2

3

05 TELEFOON

INSTALLEREN VAN DE SIM-KAART

(NIET BIJ DE AUTO GELEVERD)

Open de lade door de knop in te

drukken met de punt van een pen.

Plaats de

SIM-kaart in de

houder en steek

deze in de lade.

Voer stap 1 nogmaals uit om de SIM-kaart weer te

verwijderen.

Verwijder of plaats de SIM-kaart pas nadat de autoradio/telefoon/

GPS RT3 is uitgeschakeld en het contact is afgezet.

1

2

INVOEREN VAN DE PINCODE

Voer de PIN-code in met behulp

van het toetsenbord.

PIN-CODE

Druk op de toets # om de

PIN-code te bevestigen.

Selecteer bij het invoeren van de PIN-code de optie PIN-CODE

OPSLAAN om de telefoon te kunnen gebruiken zonder telkens de

PIN-code te hoeven invoeren.

163


1

2

3

4

164

05 TELEFOON

BELLEN VAN EEN CONTACTPERSOON

Druk op de toets OPNEMEN om het

menu van de telefoon weer te geven.

Draai aan de knop om de functie

NUMMER KIEZEN te selecteren.

NUMMER KIEZEN

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Toets het nummer van uw

contactpersoon in op het alfanumerieke

toetsenbord.

5

6

1

1

Druk op de toets OPNEMEN om naar

het gekozen nummer te bellen.

Druk op de toets OPHANGEN om het

gesprek te beëindigen.

EEN GESPREK ACCEPTEREN

OF WEIGEREN

Druk op de toets OPNEMEN.

Druk op de toets OPHANGEN.

Het gesprek wordt dan doorgeschakeld

naar de voicemail.


1

2

3

AFLUISTEREN VAN

VOICEMAILBERICHTEN

Druk op de toets OPNEMEN.

Draai aan de knop om de functie

VOICEMAIL te selecteren.

VOICEMAIL

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Druk langer dan 2 seconden op het uiteinde van de

stuurkolomschakelaar om het telefoonmenu weer te

geven: logboek van oproepen, index, voicemail.

OPROEPEN VAN DIENSTEN

Houd in een noodgeval de toets SOS

ingedrukt tot een geluidssignaal wordt

weergegeven en op het scherm de

functie BEVESTIGEN/ANNULEREN

verschijnt.

De diensten en opties zijn gebonden

aan voorwaarden en beschikbaarheid.

Druk op de toets LEEUW om toegang

te krijgen tot de diensten

van PEUGEOT.

De diensten en opties zijn gebonden

aan voorwaarden en beschikbaarheid.

CUSTOMER CONTACT CENTER

PEUGEOT ASSISTANCE

DIENSTEN OPERATOR

ONTVANGEN BERICHTEN

165


166

06 SNELKEUZE

STUURKOLOMSCHAKELAARS

RADIO: selecteren van de vorige voorkeuzezender.

CD-WISSELAAR: selecteren van de vorige CD.

Selecteren van het vorige item van een menu.

MP3: selecteren van de vorige speellijst.

RADIO: selecteren van de volgende

voorkeuzezender.

CD-WISSELAAR: selecteren van de volgende CD.

Selecteren van het volgende item van een menu.

MP3: selecteren van de volgende speellijst.

RADIO: automatisch zoeken naar zenders in

oplopende volgorde

CD/CD-wisselaar/MP3: selecteren van het volgende

nummer

Lang indrukken: versneld vooruitspoelen

Volume verhogen.

- Wijzigen van de geluidsbron.

- Bevestigen van een selectie.

- Telefoon opnemen/ophangen.

- Langer dan 2 seconden indrukken:

toegang tot het telefoonmenu.

Volume verlagen.

RADIO: automatisch zoeken naar zenders in

aflopende volgorde.

CD/CD-wisselaar/MP3: selecteren van het vorige

nummer.

Lang indrukken: versneld terugspoelen.

Geluid onderbreken:

gelijktijdig indrukken van de

volumetoetsen.

Druk op een van de twee

volumetoetsen om terug te

keren naar het oorspronkelijke

volume.


1

2

GESPROKEN COMMANDO’S

Druk om de lijst met beschikbare gesproken

commando’s weer te geven op het uiteinde van de

lichtschakelaar om de spraakherkenning te activeren en

zeg HELP of WAT KAN IK ZEGGEN.

Dezelfde handeling kan ook

worden uitgevoerd door lang

op de toets MENU te drukken

en vervolgens de functie LIJST

GESPROKEN COMMANDO’S te

selecteren.

GESPROKEN COMMANDO’S

Druk op het uiteinde van de lichtschakelaar om de

spraakherkenning te activeren.

Spreek de woorden duidelijk uit en wacht na elk

uitgesproken woord tot de bevestiging door het

geluidssignaal klinkt.

Het aantal in de weergegeven lijst opgenomen

commando’s is niet compleet.

AUDIO

- RADIO en VOLGENDE

- CD-SPELER en VOLGEND NUMMER

- CD-WISSELAAR en VOLGENDE CD

TELEFOON

- TELEFOON en LAATSTE NUMMER

- TELEFOON en INDEX en OMSCHRIJVING

- TELEFOON en VOICEMAIL

GPS

- NAVIGATIE en WEERGEVEN en BESTEMMING

- NAVIGATIE en STOPPEN

- NAVIGATIE en INZOOMEN

167


1

2

3

4

5

168

07 CONFIGURATIE

DATUM EN TIJD INSTELLEN

Druk op de toets MENU.

Draai aan de knop om de functie

CONFIGURATIE te selecteren.

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Draai aan de knop om de functie

CONFIGURATIE BEELDSCHERM te

selecteren.

CONFIGURATIE BEELDSCHERM

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

6

7

8

9

Draai aan de knop om de

functie INTERNATIONALE

PARAMETERS te selecteren en

bevestig.

INTERNATIONALE PARAMETERS

Draai aan de knop om de functie

DATUM EN TIJD INSTELLEN te

selecteren.

DATUM EN TIJD INSTELLEN

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Stel de parameters één voor één

in door deze te bevestigen met de

toets OK. Selecteer vervolgens

de tab OK op het scherm om de

instellingen te bevestigen.

OK


1

2

3

4

5

AUX-INGANG ACTIVEREN

KLEURENDISPLAY DT

Druk op de toets MENU.

Draai aan de knop om de functie

CONFIGURATIE te selecteren.

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Draai aan de knop om de functie

CONFIGURATIE DISPLAY te

selecteren, en bevestig.

CONFIGURATIE DISPLAY

Draai aan de knop om de functie

GELUID te selecteren, en bevestig.

GELUID

Op de AUX-ingang kan een extern apparaat worden aangesloten

(MP3-speler...).

6

7

1

2

Draai aan de knop om de functie

AUX-INGANG ACTIVEREN te

selecteren.

AUX-INGANG ACTIVEREN

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

AUX-INGANG GEBRUIKEN

KABEL NIET BIJGELEVERD

Sluit het externe apparaat (MP3-speler…)

aan op de audioaansluitingen (wit en rood,

type RCA) in het dashboardkastje.

Druk meermaals op de toets SOURCE

om AUX te selecteren.

169


DT

170

08 SCHERMMENU’S

CT

1

2

3

3

2

BASISFUNCTIE

KEUZE A

Keuze A1

Keuze A2

KEUZE B...

GEMEENSCHAPPELIJK SCHERMMENU

DISPLAY DT EN CT 5 golfterreinen

5 ijsbanen, bowling

5 wintersportcentra

5 parken & tuinen

1 NAVIGATIE/VERKEERSINFORMATIE

5 attractieparken

2 EEN BESTEMMING KIEZEN

4 transport & wagens

3 adres invoeren

5 havens, luchthavens

4 plaats

5 stations, autobusstations

4 straat

5 parkeerplaatsen

4 nr. knooppunt

5 autoverhuur

4 GPS

5 parkeerplaatsen

5 lengtegraad

5 servicestations, garages

5 breedtegraad

3 index

3 dienst

4 index nav

4 overheid en veiligheid

5 plaats, straat, nr.

5 gemeentehuizen, stadscentrum

5 ok

5 universiteiten, hogescholen

3 laatste bestemmingen

5 ziekenhuizen

4 lijst bestemmingen

4 hotels, restaurants, zaken & winkels

5 plaats, straat, nr.

5 hotels

5 ok

5 restaurants

2 TRAJECTEN EN ROUTE

5 wijnhuizen/-proeverijen

3 traject toevoegen

5 zakencentra

4 adres invoeren

5 supermarkten, winkelen

5 plaats

5 specialisten

5 straat

4 cultuur, toerisme & voorstellingen

5 nr. knooppunt

5 toerisme, historische monumenten

5 GPS

5 cultuur, musea & theaters

6 lengtegraad

5 toneel & tentoonstellingen

6 breedtegraad

5 casino’s & nachtleven

4 dienst

5 bioscopen

5 overheid en veiligheid

4 sportcentra & openlucht

5 hotels, restaurants, zaken & winkels

5 sportcentra, sportcomplexen

5 cultuur, toerisme & voorstellingen

5

5

4

5

6

6

4

5

6

6

3

3

4

5

4

4

3 gekozen bestemming

4 plaats, straat, nr.

4 wijzigen

2 NAVIGATIEMOGELIJKHEDEN

3 rekencriteria definiëren

4 snelste route

4 kortste route

4 afstand/tijd

4 met tolwegen

4 met veerpont/ferry

4 verkeersinfo

3

4

4

3

3

3

2

4

5

3

3

4

4

5

6

sportcentra & openlucht

transport & wagens

index

index nav

plaats, straat, nr.

ok

laatste bestemmingen

lijst bestemmingen

plaats, straat, nr.

ok

trajecten ordenen/verwijderen

route omleiden

route omleiden over 2 km

de beste omleiding is 3 km doorgaan?

bereik 1-50

ok

gesproken berichten instellen

volume

aanzetten/uitzetten

straatnamen aanzetten/uitzetten

beschrijving van de cd-rom

laatste bestemmingen wissen

wilt u de lijst van de laatste bestemmingen wissen?

ja/nee

VERKEERSINFORMATIE (TMC)

berichten raadplegen

verkeersinformatie (TMC) filteren

routefilter activeren/deactiveren

filter per evenement

wegeninformatie

verkeersinformatie


6 afsluiting van wegen

6 beperkte afmetingen

6 staat van de weg

6 weer & zicht

5 stadsinlichtingen

6 parkeren

6 openbaar vervoer

6 evenementen

4 geografische filter

5 rondom de auto

5 rondom een plaats/kiezen

5 gebied van filter 50 km

4 keuze van het TMC-station

5 naam station

5 volgend station

3 gesproken berichten

4 volume

4 activeren/deactiveren

3 verkeersinformatie activeren/deactiveren

2 NAVIGATIE HERVATTEN/BEËINDIGEN

1

2

2

2

2

AUDIOFUNCTIES

RDS VOLGEN ACTIVEREN/DEACTIVEREN

REG-FUNCTIE ACTIVEREN/DEACTIVEREN

WEERGAVE RADIOTEKST ACTIVEREN/DEACTIVEREN

WEERGAVE CD-GEGEVENS ACTIVEREN/DEACTIVEREN

1 BOORDCOMPUTER

2 CONFIGURATIE BOORDCOMPUTER

3 afstand tot bestemming invoeren

4 0 km

3 eenheden kiezen

4 l/100 & km

4 mpg & miles

4 km/l & km

4 °C/°F

4 bar/psi

2 DIAGNOSE

3 logboek meldingen

3 noodenergie voorziening

3 dekking GPS

2 STATUS VAN DE FUNCTIES

3 lijst functies

1 INDEX

2 BEHEER KAARTEN VAN DE INDEX

3 kaart raadplegen of wijzigen

4 volledige index

5 naam

5 opslaan gesproken commando

5 aantekening

5 adres

6 plaats

6 straat

6 nr.

5 nummer

6 tonen

7 lijst nummers

6 wijzigen

6 toevoegen

6 verwijderen

5 e-mail

6 tonen

7 lijst nummers

6 wijzigen

6 toevoegen

6 verwijderen

3 een kaart toevoegen

4 omschrijving

3 een kaart verwijderen

4 volledige index

3 alle kaarten verwijderen

4 wilt u alle kaarten van de index verwijderen

(behalve SIM-kaart)?

5 ja

5 nee

2 CONFIGURATIE INDEX

3 selecteer een index

4 gebruiker xxxx

3 index benoemen

3 startindex kiezen

4 gebruiker xxx

4 laatst gebruikte index

2 KAARTEN OVERDRAGEN

3 uitwisselen via infrarood

4 alle kaarten verzenden

4 één kaart verzenden

4

3

1

2

4

4

4

4

3

3

3

3

2 DIENST

3 customer contact center

3 PEUGEOT assistance

3 mobiele diensten PEUGEOT (indien beschikbaar en/of

geactiveerd)

3 ontvangen berichten

4 lijst v-cards

2 TELEFOONFUNCTIES

3

4

5

5

6

4

5

via infrarood ontvangen

uitwisselen met SIM-kaart

alle kaarten versturen

één kaart versturen

alle kaarten ontvangen

één kaart ontvangen

TELEFOON EN TELEMATICADIENSTEN

BELLEN

logboek gesprekken

nummer kiezen

index

voicemail

netwerk

zoeken naar netwerk

automatisch

handmatig

lijst netwerken

beschikbare netwerken

lijst netwerken

3 duur gesprekken

4 afzonderlijke teller

4 totale duur

4 op nul zetten

3 PIN-code beheren

4 activeren

4 PIN-code opslaan

4 PIN-code wijzigen

5 PIN-code invoeren

5 oude code

5 > nieuwe code

5 bevestiging

5 >> correctie

171


3 telefoonopties

4 lijst telefoonnummers en sms-berichten wissen

5 wilt u de lijst gesprekken en sms-berichten

wissen?

4 configuratie gesprekken

5 tonen van mijn nummer

5 automatisch opnemen na 3 keer overgaan

4 opties beltonen

5 voor mondelinge oproepen

6 volume

6 type beltoon

5 voor de sms-berichten

6 geluidssignaal sms-bericht

4 nummer voicemail

2 SMS-BERICHTEN

3 lezen ontvangen sms-berichten

4 lijst ontvangen sms-berichten

3 verzenden sms-bericht

4 lijst opgeslagen sms-berichten

3 opstellen sms-bericht

4 sms-bericht

5 verzonden sms-bericht

3 lijst sms-berichten wissen

172

BIJZONDERHEDEN DISPLAY CT

1 CONFIGURATIE

2 CONFIGURATIE DISPLAY

3 lichtsterkte instellen

3 geluid

4 gesproken berichten instellen

5 volume van de instructies

6 volume

6 activeren/deactiveren

5 volume andere berichten

6 volume

6 activeren/deactiveren

5 stem kiezen

6 mannelijk

6 vrouwelijk

5 gesproken berichten

6 activeren/deactiveren

4 instellingen gesproken berichten

5 volume

5 activeren/deactiveren

3 internationale parameters

4 datum en tijd instellen

5 dag, maand, jaar

5 uren, 12 u, 24 u, am/pm

5 aanpassen minuten op GPS

4 eenheden kiezen

5 l/100 & km

5 mpg & miles

5 km/l & km

5 °C/°F

5 bar, psi

3 taal kiezen

4 lijst beschikbare talen

2 PARAMETERS VAN DE AUTO DEFINIËREN*

* De parameters variëren afhankelijk van de auto.

BIJZONDERHEDEN DISPLAY DT

1 CONFIGURATIE

2 CONFIGURATION DISPLAY

3 kleur kiezen

4 6 kleuren

4 nacht

4 dag/nacht automatisch

3 lichtsterkte & contrast

4 lichtsterkte

4 contrast

3 geluid

4 instellingen gesproken berichten

5 volume van de instructies

6 volume

6 activeren/decativeren

5 volume andere berichten

6 volume

6 activeren/decativeren

5 stem kiezen

6 mannelijk/vrouwelijk

5 gesproken berichten

6 activeren/deactiveren

4 instellingen gesproken commando’s

5 volume

5 activeren/deactiveren

4 AUX-ingang

5 activeren/deactiveren

3 internationale parameters

4 datum en tijd instellen

5 dag, maand, jaar

5 uren, 12 u, 24 u, am/pm

5 aanpassen minuten op GPS

4 eenheden kiezen

5 l/100 & km

5 mpg & miles

5 km/l & km

5 °C/°F

5 bar, psi

3 taal kiezen

4 lijst beschikbare talen

2 PARAMETERS VAN DE AUTO DEFINIËREN*


1 KAART

2 KAART VERSCHUIVEN

2 ORIËNTERING VAN DE KAART

3 kaart op noorden gericht

3 kaart op auto gericht

2 OM HET VOERTUIG CONCENTREREN

2 GEGEVENS VAN DE KAART

3 overheid en veiligheid

4 gemeentehuizen, stadscentrum

4 universiteiten, hogescholen

4 ziekenhuizen

3 hotels, restaurants, zaken & winkels

4 hotels

4 restaurants

4 wijnhuizen/-proeverijen

4 zakencentra

4 supermarkten, winkelen

4 specialisten

3 cultuur, toerisme & voorstellingen

4 toerisme, historische monumenten

4 cultuur, musea & theaters

4 toneel & tentoonstellingen

4 casino’s & nachtleven

4 bioscopen

3 overdekte & openlucht sportcentra

4 sportcentra, sportcomplexen

4 golfterreinen

4 ijsbanen, bowling

4 wintersportcentra

4 parken & tuinen

4 attractieparken

3 transport en wagens

4 luchthavens, vliegclubs

4 stations, autobusstations

4 automatische controles

4 wagenverhuur

4 parkeerplaatsen

4 servicestations, garages

2 OPSLAAN VAN DE ACTUELE LOKATIE

3 omschrijving

4 verwijderd

1 VIDEO

2 VIDEO-FUNCTIE INSCHAKELEN

2 PARAMETERS VIDEO

3 afmetingen weergave

4 16/9 (volledig scherm)

4 4/3 (conventioneel)

3 lichtsterkte regelen

3 kleuren instellen

3 contrast instellen

Version arborescence 6.6

173


De internetsite INFOTEC geeft aanvullende informatie

over de RD4. Deze site is te raadplegen op het

volgende adres:

http://public.infotec.peugeot.com

Toegang kan worden verkregen door middel van een

eenvoudige registratie waarna de boorddocumentatie

gratis is te raadplegen.

De autoradio RD4 is zodanig gecodeerd dat deze

uitsluitend in uw auto functioneert. Raadpleeg uw

PEUGEOT-servicepunt als u het systeem voor gebruik

in een andere auto wilt laten configureren.

INHOUD

RD4

AUTORADIO

• 01 Basisfuncties blz. 175

• 02 Algemeen menu blz. 176

• 03 Audio blz. 177

• 04 Handsfree set blz. 179

• 05 Snelkeuze blz. 180

• 06 Configuratie blz. 181

• 07 Menustructuren blz. 182


Uitwerpen van de CD.

Aan/uit en

volumeregeling.

Selecteren van het golfbereik FM1, FM2,

FMast en AM.

Selecteren van de geluidsbron: radio,

CD-speler of CD-wisselaar.

Selecteren van de weergave op het

display.

- Opslaan van een zender.

- Selecteren van een voorkeuzezender.

- Selecteren van een CD in de CD-wisselaar.

Weergave van het algemene

menu.

01 BASISFUNCTIES

Instellen van de geluidsweergave:

Geluidsverdeling voor/achter, links/rechts,

loudness, geluidssferen.

Weergave van de radiozenders, de nummers van de

CD of de MP3-speellijsten.

Annuleren van de bewerking.

Bevestigen.

- Automatisch zoeken naar zenders

in aflopende/oplopende volgorde.

- Selecteren van het vorige/

volgende nummer van de CD of

MP3.

- Selecteren van een lagere/hogere

frequentie.

- Selecteren van de vorige/volgende CD.

- Selecteren van de vorige/volgende

MP3-speellijst.

175


176

02 ALGEMEEN MENU

> MONOCHROOM DISPLAY C

> MONOCHROOM DISPLAY A

GELUIDSBRON: radio, CD,

externe apparatuur.

BOORDCOMPUTER: invoeren afstand,

waarschuwingsmeldingen, status van

functies.

TELEFOON: handsfree set,

koppelingen, communicatieinstellingen.

PERSOONLIJKE INSTELLING-

CONFIGURATIE: parameters van de auto,

weergave, talen.


1

2

3

03 AUDIO

RADIO

SELECTEREN VAN EEN ZENDER

Druk herhaalde malen op de toets

SOURCE om de radiofunctie te

selecteren.

Druk op de toets BAND AST om het

golfbereik te selecteren: FM1, FM2,

FMast of AM.

Druk kort op een van de toetsen om

automatisch naar zenders te zoeken.

4

1

Druk op een van de toetsen om

handmatig naar zenders te zoeken.

Druk op de toets LIST REFRESH voor

een lijst van de beschikbare zenders in

het gebied waar u zich bevindt.

Druk langer dan 2 seconden op de

toets om deze lijst bij te werken.

RADIO

OPSLAAN VAN EEN ZENDER

Druk langer dan 2 seconden op een

van de toetsen van het numerieke

toetsenbord om de weergegeven

radiozender onder de desbetreffende

toets op te slaan.

177


1

2

178

CD

EEN CD OF MP3*-CD AFSPELEN

Gebruik alleen CD’s met een ronde vorm. Bepaalde

beveiligingssystemen op de originele CD of

zelfgebrande CD’s kunnen storingen veroorzaken,

ongeacht de kwaliteit van de CD-brander.

Zodra een CD of MP3-CD in de CD-speler wordt

gestoken, zal deze de CD automatisch afspelen.

Als er al een CD in het apparaat zit,

druk dan herhaalde malen op de

toets SOURCE om de CD-functie te

selecteren.

Druk op een van de toetsen om een

nummer van de CD te selecteren.

Druk op de toets LIST REFRESH om

de lijst met nummers van de CD of de

speellijsten van de MP3-CD weer te

geven.

Het afspelen of weergeven van een MP3-speellijst kan worden

beïnvloed door het gebruikte programma voor de CD en/of de

instellingen. Wij raden u aan een CD te gebruiken die aan de

ISO-norm 9660 voldoet.

1

2

3

CD-WISSELAAR

EEN CD AFSPELEN (GEEN MP3-FORMAAT)

* volgens uitrustingsniveau.

Plaats één of meer CD’s in de

CD-wisselaar.

Druk herhaalde malen op de toets

SOURCE en selecteer de

CD-WISSELAAR.

Druk op een van de toetsen van

het numerieke toetsenbord om de

desbetreffende CD te selecteren.

Druk op een van de toetsen om een

nummer van de CD te selecteren.

Houd een van de toetsen ingedrukt

om het nummer versneld vooruit of

terug te spoelen.


1

2

3

4

04 HANDSFREE SET

KOPPELEN VAN EEN TELEFOON

DISPLAY C

Het koppelen van de Bluetooth-telefoon aan de handsfree-set

van de RD4 mag om veiligheidsredenen en vanwege het feit dat

deze handeling volledige aandacht van de bestuurder vraagt,

uitsluitend worden uitgevoerd bij stilstaande auto en met aangezet

contact.

Activeer de functie Bluetooth van uw telefoon.

Zoek met behulp van uw telefoon naar aanwezige

Bluetooth-accessoires.

Selecteer het accessoire met de naam van uw

auto. Op het multifunctionele display verschijnt een

bovenliggend venster voor de configuratie.

Voer de toegangscode van uw auto (=1234) in met

de telefoon.

5

1

2

3

Selecteer met behulp van de toetsen

de knop JA op het scherm en bevestig

met OK.

GESPREK ONTVANGEN

Een inkomend gesprek wordt aangegeven door een beltoon en het

verschijnen van een bovenliggend venster op het multifunctionele

display.

Selecteer met behulp van de toetsen de

knop JA op het scherm.

Druk op de knop om de selectie te

bevestigen.

Druk op het uiteinde van de stuurkolomschakelaar

om het gesprek te accepteren.

JA

JA

179


180

05 SNELKEUZE

STUURKOLOMSCHAKELAARS

RADIO: selecteren van de vorige voorkeuzezender.

CD-WISSELAAR: selecteren van de vorige CD.

Selecteren van het vorige item van een menu.

MP3: selecteren van de vorige speellijst.

RADIO: selecteren van de volgende

voorkeuzezender.

CD-WISSELAAR: selecteren van de volgende CD.

Selecteren van het volgende item van een menu.

MP3: selecteren van de volgende speellijst.

RADIO: automatisch zoeken naar zenders in oplopende

volgorde.

CD/CD-wisselaar/MP3: selecteren van het volgende

nummer.

Lang indrukken: versneld vooruitspoelen

Selecteren van het vorige item.

Volume verhogen.

- Wijzigen van de geluidsbron.

- Bevestigen van een selectie.

- Telefoon opnemen/ophangen.

- Langer dan 2 seconden indrukken:

toegang tot het telefoonmenu.

Volume verlagen.

RADIO: automatisch zoeken naar zenders in aflopende

volgorde.

CD/CD-wisselaar/MP3: selecteren van het vorige

nummer.

Lang indrukken: versneld terugspoelen.

Selecteren van het volgende item.

Geluid onderbreken:

gelijktijdig indrukken van de

volumetoetsen.

Druk op een van de twee

volumetoetsen om terug te

keren naar het oorspronkelijke

volume.


1

2

3

4

06 CONFIGURATIE

DATUM EN TIJD INSTELLEN

DISPLAY C

Druk op de toets MENU.

Selecteer met de pijltoetsen

de functie PERSOONLIJKE

INSTELLING-CONFIGURATIE.

PERSOONLIJKE INSTELLING-CONFIGURATIE

Druk op de toets om de selectie te

bevestigen.

Selecteer met de pijltoetsen de functie

CONFIGURATIE BEELDSCHERM.

CONFIGURATIE BEELDSCHERM

5

6

7

8

Druk op de toets om de selectie te

bevestigen.

Selecteer met de pijltoetsen de functie

DATUM EN TIJD INSTELLEN.

DATUM EN TIJD INSTELLEN

Druk op de toets om de selectie te

bevestigen.

Stel de parameters één voor één in

door deze te bevestigen met de toets

OK. Selecteer vervolgens de knop OK

op het scherm om de instellingen te

bevestigen.

OK

181


C

1 AUDIOFUNCTIES

2 VOORKEUZE FM

3 RDS-functie

4 inschakelen/uitschakelen

3 REG-functie

4 inschakelen/uitschakelen

3 weergave radiotext (RDTXT)

4 inschakelen/uitschakelen

2 VOORKEUZE CD-AUDIO

3 RPT-functie (CD herhalen)

4 inschakelen/uitschakelen

3 RDM-functie (random)

4 inschakelen/uitschakelen

1

2

3

2

3

2

3

182

07 MENUSTRUCTUREN monochroom display C

BOORDCOMPUTER

VOER AFSTAND TOT BESTEMMING IN

afstand: ... km

LOGBOEK WAARSCHUWINGEN

diagnose

STATUS VAN FUNCTIES

functies ingeschakeld of uitgeschakeld

1

2

3

3

2

BASISFUNCTIE

KEUZE A

Keuze A1

Keuze A2

KEUZE B...

1 PERSOONLIJKE INSTELLING-CONFIGURATIE

2 PARAMETERS VAN DE AUTO DEFINIËREN

2 CONFIGURATIE BEELDSCHERM

3 regeling weergave

4 normale weergave

4 omgekeerde weergave

4 regeling helderheid (- +)

3 datum en tijd instellen

4 dag/maand/jaar instellen

4 uren/minuten instellen

4 keuze cyclus 12 u/24 u

3 keuze van eenheden

4 l/100 km - mpg - km/l

4 °Celsius/°Fahrenheit

2 TAALKEUZE

3 deutsch

3 english

3 español

3 français

3 italiano

3 nederlands

3 portugues

3 portugues-brasil

1 TELEFOON

2 RAADPLEGEN VAN INDEXEN

3 index telefoon

4 lijst index

3 logboek gesprekken

4 lijst gesprekken

3 lijst van diensten

4 customer contact center

4 hulpdienst

4 noodoproep

2 CONFIGURATIE

3 verwijderen koppeling

4 lijst koppelingen

3 raadplegen koppelingen

4 lijst koppelingen

3 keuze aan te sluiten mobiele telefoon

4 lijst mobiele telefoons

2 BEHEER VAN EEN GESPREK

3 wisselen

3 huidige gesprek beëindigen

3 mutefunctie

4 inschakelen/uitschakelen

* De parameters variëren afhankelijk van de auto.


A

1

2

3

3

07 MENUSTRUCTUREN monochroom display A

RADIO-CD

RDS VOLGEN

actief

niet actief

2 MODE REG

3 actief

3 niet actief

2 INTROSCAN

3 actief

3 niet actief

2 CD HERHALEN

3 actief

3 niet actief

2 RANDOM PLAY

3 actief

3 niet actief

1

2

3

3

2 FOLLOW-ME-HOME

3 actief

3 niet actief

1

2

3

3

1

2

2

2

2

2

2

1

2

3

3

2

CONFIG AUTO

RW ACHTER AAN

actief

niet actief

OPTIES

BASISFUNCTIE

KEUZE A

Keuze A1

Keuze A2

KEUZE B....

VERLATEN/RAADPLEGEN LST STORINGEN

(niet) geactiv. functies

waarsch. meldingen

INST. WEERG

JAAR

MAAND

DAG

UUR

MINUTEN

CYCLUS 12 U/24 U

1 TALEN

2 FRANCAIS

2 ITALIANO

2 NEDERLANDS

2 PORTUGUES

2 PORTUGUES-BRASIL

2 DEUTSCH

2 ENGLISH

2 ESPAÑOL

1

2

2

EENHEDEN

TEMPERATUUR: °CELSIUS/°FAHRENHEIT

BRANDSTOFVERBRUIK: KM/L - L/100 - MPG

183

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!