1 - EYE

bibliotheek.eyefilm.nl

1 - EYE

10 et

20ste 1 a ar g a^ni g

No. 28 - 3 Aug. I9


Edith OBS en Rudolf

Platt«

Magda Schneider

Rudolf Platte en Heinz

Engelmann

Rolverdeeling:

Beate Wilhnerding Magda Schneider

Mevr. Willmerding, haar- moeder ... Eleonore Ehn

Paul Fabri Heinz Engelmann

Fritz Godicke, Pauls vriend Rudolf Platte

Helga Edith Oss

Karl Hartmann, eigenaar van de

uitgeverij Hartmann Hans Leibelt

Lore Hartmann, zijn vrouw Rose Feldtkirch

Dr. Groner Richard Haussier

Professor Groner, zijn oom ; Paul Bildt

Milli Mallat, secretaresse Carsta Lock

Lieve Tante Mutz,

Het is nog maar een paar

dagen geleden — toen U met

moeder en mij naar den bioscoop

wilde gaan— dat U een beetje boos

was, omdat ik „alweer geen tijd

had". Moeder en U waren toen be-

slist overtuigd, dat ik me opof-

ferde voor „mijn" bedrijf. En

daarom zult U nu zeker heelemaal

wel groote oogen opzetten. Ik ga

namelijk weg bij flartmann. Ja,

ik heb er een eind aan gemaakt,

hoewel ik eerlijk zeggen moet, dat

het mij niet licht gevallen is. Paul

vindt ook, dat dit tenslotte toch

de eenige oplossing is — neem me

niet kwalijk, U kent Paul natuur-

lijk nog heelemaal niet. Nu, dan

zal ik de zaak eens precies van

voren af aan vertellen.

Mijnheer Hartmann wilde ein-

delijk eens wat werk uit handen

geven en zocht een bedrijfsleider.

Bovendien waren er ook eenige

Hans Leibelt en Paul BUdt

iïladcbn

financieele moeilijkheden, die om onmiddellijke af-

wikkeling vroegen, zoodat de zaak crediet moest

hebben. Op onze advertentie meldde zich een heer

aan, die als vakman op den heer Hartmann den

gunstigsten indruk maakte en die verder via een

oom een crediet kon aanbrengen, omtrent zoo groot

als het bedrag, dat noodig was — voor de zaak

was dit dus een reusachtige meevaller. Maar

deze heer, met wien ik ook door mijn werk in con-

tact zou komen, was Groner. Dezelfde Dr. Gro-

ner, die mij vroeger nog eens het hoofd op hol

heeft gemaakt en mij eigenlijk nogal leelijk behan-

deld heeft. Wat moest ik nu doen? Voor hem op

de vlucht slaan? Mijn werk, mijnheer Hartmann,

mijn collega's en alles, waaraan ik toch in den loop

der jaren gehecht was geraakt, in den steek laten?

Neen, ik dacht er niet over. Enfin, Groner heeft

toen zakelijk en z.g. „kameraadschappelijk" met me

gesproken: we moesten alles van vroeger maar als

vergeten en afgedaan beschouwen en we zouden

elkaar zooveel mogelijk uit den weg blijven. Ten

minste ik hèm!

Nu had ik inmiddels Paul leeren kennen. Paul

is een schat en hij is ingenieur. In heè begin dacht

ik, dat het.niet meer dan een vluchtige, voorbij-

gaande genegenheid zou zijn, maar Paul beschikt

over een geweldige volharding. Hij belde mij op,

hij kwam mij van huis en van kantoor halen; hij

moest met alle geweld met mij thee drinken. Zoo

ging het door en langzamerhand ben ik van hem

gaan houden. *

Nadat Groner eenmaal in de zaak opgenomen

was, bleek, dat zijn oom er heelemaal niet zoo op

gebrand was om zijn geld in onze zaak te steken.

Hij was eigenlijk een tamelijk wantrouwige, brom-

mige oude heer, die geen steek verstand had van

Magda Schneidet en Caista Lock

ULEJ WETEN)

ons uitgeversbedrijf, dat in den

grond toch kerngezond is. Toen

kreeg ik een idee en ik ging

naar hem toe om hem eens dui-

delijk uiteen te zetten hoe alles

in elkaar zat. U begrijpt, dat

ik er wel een beetje hartkloppingen van had. Maar

Professor Groner, d.i. de oom, kikkerde er heele-

maal van op, toen alles hem naar behooren duide-

lijk was gemaakt en ik hem had uitgelegd, hoeveel

er van zijn hulp zou afhangen, niet alleen voor mijn-

heer Hartmann zelf, maar voor het heele bedrijf. In

ieder geval had ik bereikt, dat hij nu zelf een uitge-

breid onderhoud met den heer Hartmann wilde heb-

ben. Precies dienzelfden avond kwam Paul mij halen,

van het kantoor. Ik was er niet e,n zoo liep hij Dr.

Groner tegen het lijf, die van zijn kant oogenblik-

kelljk begreep, dat hij een mededinger voorhad. Er

ontstond dus een hevige ruzie. Toen Paul eindelijk

besefte, dat zijn vermoeden, dat ik nog in het be-

drijf was, onjuist was, wilde hij weggaan. Maar om

een of andere reden kwam hij nog eens terug en

vond mij in de kamer van Dr. Groner. Ik was juist

in de beste stemming teruggekeerd van het bezoek

aan Prof. Groner. Paul kreeg nu het gevoel, dat hij

voor den gek gehouden was en meende in mijn aan-

wezigheid in Groners kamer het overtuigend be-

wijs te zien, dat ik hem bedrogen had. Alles was

dus uit. Het huilen stond mij nader dan het lachen,

maar ik zette mijn kiezen óp elkaar. Het werd ech-.

ter nog veel erger. Weinreich, een van onze vroe-

gere hoofdboekhouders, een akeligheid van een

kerel, had zich in zijn hoofd gehaald, dat Dr.

Groner en ik er de schuld van waren, dat hij,

Weinreich, ontslag had gekregen. Hij had namelijk

gehoord van de vroegere relatie tusschen Groner

en mij en insinueerde daarover op de meest min-

derwaardige manier tegen Hartmann. Nu wou mijn-

heer Hartmann de zaak natuurlijk opgehelderd

hebben. Ik vertelde hem wat er gebeurd was

en nam mijn ontslag. Ik ben naar huis gegaan en

heb gehuild als een klein kind. En zoo vond Paul

me die intusschen wel had ingezien, dat hij

zich een beetje door zijn drift had laten mee-

sleepen en dat hij^mij onrecht had gedaan. O,

U weet niet, hoe goed het me deed, hem eindelijk


DE GIER

DOOR HAROLD WARD SLRPT

..De Gier" is de schuilnaam van een bijzonder intelligenten maar wreeden

misdadiger, die geheel New York onveilig maakt en voor geen moord of diefstal

terugschrikt. De politie tracht hem onschadelijk te maken. Na een geslaagden raid.

waarbij de politie, onder leiding van inspecteur Booker. de medewerking had van

een zekeren majoor Havik, ziet ..De Gier" toch kans te ontsnappen. Hij duikt na

eenigen tijd weer op en bereidt zich voor zijn reeks misdaden te vervolgen. De

burgemeester van New York. Billy Jason, is zijn eerste slachtoffer. De commis-

saris van politie. Leverage, draagt Booker op ,.De Gier" te arresteeren. dood

of levend. Booker houdt echter vol, dat men hierin, zonder de hulp van Havik,

niet zal slagen. Havik is lid van den Geheimen Dienst en verloofd met de actrice

Evelyn Dwan. op wie ..De Gier" reeds lang heeft geloerd.

..De Gier", alias Williard Ayres. ontvoert het meisje en pleegt daarop weer een

reeks van moorden. Havik slaagt er door een list in te weten te komen, waar

..De Gier" zich bevindt en begeeft zich naar diens schuilplaats. Hij raakt evenwel

in de macht van den misdadiger, die hem wil laten dooden door zijn bediende

Tambo. een reus van een Maleier. die zeer wreed en bloeddorstig is en over een

geweldige lichaamskracht beschikt. Havik slaagt er echter in mot Evelyn te

ontkomen, doch in de moerassige omgeving van het huis vorderen zij zóó slecht,

dat de bende van ,.De Gier" toch nog kans ziet. zich weer van Evelyn meester

te maken. Havik dringt nogmaals met zijn ^ejpers het gebouw binnen, dat echter

in brand gestoken wordt, zoodat zij hals over kop moeten vluchten. Het blijkt, dat

,,De Gier" inmiddels met Evelyn en zijn handlangers de wijk heeft genomen naar

elders, In de volgende dagen wordt New Y»rk opnieuw geteisterd door een serie

misdaden, waarvoor ,,De Gier" verantwoordelijk is. Als Havik bezig is met de

politie-autoriteiten te overleggen wat er gedaan moet worden om hem te pakker;

te krijgen, komt er bericht van Hugo Dinwiddie, dat zijn oom Jarvis, de bekende

advocaat, is vermoord door ,,De Gier", Havik begeeft zich met Small, zijn assis-

tent, naar het huis van den vermoorde, en ontdekt, dat Hugo Dinwiddie zelf zijn

oom heeft vermoord, terwijl hij ook met .,De Gier" heeft samengespannen om zijn

broer Tommy te laten dooden, In het nauw gedreven legt Hugo een verklaring af,

waaruit blijkt, dat ,,De Gier", die hem in zijn macht had wegens bepaalde ver-

duisteringsdelicten, hem heeft gedwongen zijn eigen oom te vermoorden, Hugo

Dinwiddie vertelt daarop aan Havik, waar ,,De Gier" zich moet bevinden. Havik

begeeft zich nu naar het huis van miss Mary Buhler, een bijzonder excentrieke oude

dame, die in geheel New York bekend is om haar wonderlijke levenswijze. Hij loopt

echter in en val, want zoodra hij in het huis is, blijkt hij opgesloten te zijn, terwijl

,,Dc Gier", vermomd als miss Mary Buhler, tegenover hem zit,

,,De Gier" vertelt hem, dat hij van plan is zich uit zijn ,.zaken" terug te

trekken en een rustig leven te gaan leiden, nadat hij heeft afgerekend met zijn

vijanden. Hij zal zich het geld van miss Mary Buhler toeëigenen en EVelyn

Dwan dwingen met hem te trouwen. Ook Haviks assistent Small bevindt zich in

de macht van ..De Gier". Havik wordt daarop opgesloten in een cel. Hij ziet

echter kans om, met behulp van het zonlicht en zijn horlogeglas, noodseinen te

geven aan iemand, die in een tegenoverliggend huis in een kamer loopt. Deze

persoon waarschuwt de politie, welke te hulp snelt. Doch ..De Gier" laat het

gebouw in de lucht vliegen, waardoor vele personen, onder wie miss Mary Buhler.

jammerlijk omkomen. Havik wordt gered, doch ..De Gier" blijkt weer ontkomen

te zijn. waarschijnlijk door een onderaardsche gang. Havik gaat oogenbltkkelijk de

tuincs van het huis onderzoeken en zet zijn theorie aan Booker uiteen. Hij vraagt

hem. welke de conclusie is. die men uit zijn stellingen moet trekken.

V \

Dat de gang uitloopt, in de kelders van een der beide wolken-

krabbers," antwoordde' Booker direct.

„Juist! We behoeven dus slechts een der beide zykanten

van den kelder te onderzoeken. Indien wij ze daar niet vinden,

kunnen wij den anderen kant nemen!"

Ze zetten hun onderzoek weer voort, lederen steen bekloppend

of zij er soms een holle ruimte achter hoorden, waar de geheime

gang zich zou kunnen bevinden. Maar ook dit keer waren al hun

pogingen vruchteloos. Er was geen enkele aanwijzing, dat er zich

achter dezen muur een gang kon bevinden. Commissaris Leverage

wond zich op en uitte zijn teleurstelling in een reeks verwenschin-

gen aan het adres van „De Gier" en diens handlangers.

„Ik heb een boodschap gestuurd naar sergeant Cummings," zei

hij tegen Havik. „Dat is een specialiteit op het gebied van geheime

gangen en dergelijke. De kerel is zooiets als een puzzle-genie. Hij

kan nu ieder oogenblik hier zijn."

Terwijl h'ij deze laatste woorden zei, kwam er een man in burger-

kleeren haastig den kelder binnen en groette vluchtig. De com-

missaris vertelde hem vlug, tot welke conclusies zü gekomen

waren. Cummings wierp een paar keer een blik om zich heen en

knikte.

„Ik geloof, dat u gelijk hebt, mijnheer," zei hy toen. „De gang

moet zich ook mijns inziens aan een der zijkanten bevinden."

Hij begaf zich naur den noordelijken muur en liet zijn vingers

langs de gladde steenen glijden. Na verloop van een minuut of vijf

wendde hij zich tot den commissaris en schudde zijn hoofd.

„Ik ben er van overtuigd, dat de gang zich niét aan dezen kant

bevindt, mijnheer! Ik zal het eens aan den anderen kant

probeeren."

Hy herhaalde zijn onderzoek aan den zuidelijken muur. Hy was

daar slechts korten tijd bezig, toen zyn geoefende blik een spijker

ontdekte, die in de metselspecie tusschen twee. steenen was ge-

slagen, oogenschijnlijk met de bedoeling er iets aan op te hangen.

De spyker was oud en roestig, maar Cummings voelde als het ware

bij intuïtie dat hy het geheim op het spoor was. Hij pakte den

spyker tusschen zyn duim en wijsvinger van de rechterhand en

bewoog hem zachtjes heen en weer, zich terwyl voorover buigend

en zijn oor zoo dicht mogelyk bij den muur brengend om beter te

kunnen luisteren. Het resultaat scheen hem te bevredigen, want

hy knikte« tevreden.

„De gang moet hier achter zitten, mijnheer! Deze spyker dient

als sleutel. Ik heb nu echter pas de eerste helft van het „slot"

ontdekt, maar de tweede helft zal ik ook wel vinden."

Terwyl hy den spyker in zijn rechterhand hield, liet hy zyn

linkerhand tastend en voelend langs de rest van den muur gaan

in de hoop een ander gat te vinden dat als de tweede helft van

het combinatie-slot dienst moest doen.

Eindelyk vond hy het — een stukje metselspecie, dat als een

klein heuveltje tusschen twee steenen zat. Hij drukte er op, en stak

toen den spyker in de kleine holte, die zichtbaar was geworden.

Er klonk een scherp metaalachtig geluid. Daarop schoof er een

groot deel van den muur naar achteren en liet het donkere intérieur

van een smallen tunnel zien.

HOOFDSTUK XXI.

Water.

Havik slaakte een uitroep van vreugde, en reeds in de volgende

seconde was hij, bijgelicht door zijn lantaarn en met de revolver

in de vuist, de donkere gang binnengedrongen. Terwijl Havik voor-

opging, volgden de commissaris en Booker hem op den voet. Ook

de anderen hielden gelyken tred met hen om niet achter te raken.

Juist toen de laatste man in de donkere gang was verdwenen,

viel de deur achter hen dicht en een kort, helder klikje toonde

aan, dat «e op slot was. Cummings, de expert, draaide zich om

en stelde een haastig onderzoek in.

„In werking gesteld door een of ander mechanisme aan den

anderen kant," zei hy kort. „Het zal niet gemakkelijk zijn, de deui

van tlezen kant open te maken. Ik durf wel vCedden, dat onze prooi

aan het andere einde van de gang op ons zal wachten!"

„Prachtig! Daar zyn we voor hier," gromde Havik.

De tunnel liep een eindje rechtdoor en maakte toen ongeveer

halverwege een scherpen, hoek in de richting van het aangrenzende

gebouw.

Terwyl Havik den hoek omsloeg, struikelde hy over iets dat

op den grond lag. Hy viel op zijn handen en knieën en de lantaarn

schoot uit zyn hand, om wel een meter verder terecht te komen. Hij

stond weer op en bukte, terwijl Leverage het licht van zyn lantaarn

op het voorwerp liet spelen, waarover Havik gevallen was.

Het klaarblijkelijk levenlooze lichaam van Hugo Dinwiddie lag

vóór hen.. .-.

De mannen bukten om een nader onderzoek in te stellen. Het heft

van een mes stak uit de linkerhelft van zijn borst; het bloed vloeide

nog uit de wonde.

Öp een der lapellen der jas van den jongeman zat een kaartje

geprikt. Het was het visitekaartje van „De Gier". Er stond een

mededeeling op voor Havik. Hoewel ze snel en onduidelijk' ge-

schreven was, bleek ze toch wel te ontcijferen. Ze luidde:

„Nu mijn geheim is ontdekt, heb ik geen kans meer my meester

te maken van het geld van Mary Buhler. Deze lafaard kan mij dus

niet meer van dienst zyn. „De Gier"."

Terwijl zij zich over hem heen bogen, opende Dinwiddie even

zyn oogen en staarde de mannen van de politie aan. Hij herkende

Havik.

„Dit is. . . . het einde. ..." fluisterde hij nauw T elyks verstaanbaar.

„Ik héb.... myn verdiende.... loon.... voor myn lafheden ..

Zoo doet „De Gier" met iedereen.... Als zy hem niet meer....

van dienst kunnen zijn.... dan vermoordt hy ze...."

Het was duidelijk, dat de man stervende was. Een der agenten

in burger stopte Havik een fleschje in de hand. De man van den

Geheimen Dienst tilde het hoofd van den stervende wat op, bracht

het fleschje aan zyn lippen en liet een paar druppels van den inhoud

in zyn mond loopen. Dinwiddie hoestte en opende andermaal zyn

oogen.

„Gauw!" beval Havik. „Het is nog tyd voor je, om je rekening

met Ayres te vereffenen. Waar is hij op het oogenblik?. Waar is

zijn andere schuilplaats? Waar houdt hy Evelyn Dwan gevangen?"

Gedurende eenige seconden scheen Dinwiddie niet fn staat ant-

woord te geven. Havik herhaalde zyn vragen verschillende keeren.

Eindelijk scheen Dinwiddie het te begrypen. Al zyn krachten

inspannend fluisterde hij:

„Bungalow.... dak.... Illion.... hotel...."

De inspanning was te groot voor hem. Zyn hoofd viel op zijn

borst en hoorbaar blies hij den laatsten adem uit....

Havik kwam overeind.

...ER KLONK EEN SCHERP METAAUCHTIG GELUID...

„Dood," zei hy tegen de anderen.^Hy heeft zijn misdaad geboet!"

Ze drongen weer verder, tot zy eindelijk aan het einde van de

gangop een muur stuitten. Reeds de eerste kennismaking deed hen

veronderstellen, dat hy van gewapend beton was, hetgeen ook inder-

daad het geval bleek. Cummings begon hem direct met de hem eigen

behendigheid van een vakman te onderzoeken. Hy liet zyn vingers

verscheidene malen langs de betrekkelijk gladde oppervlakte gaan,

maar hy vond niet wat hy zocht, en na verloop' van een minuut of

tien moest hy erkennen, niets te hebben ontdekt wat op een ver-

borgen opening leek.

„Ik kan geen enkel mechanisme ontdekken hetgeen er op zou

wyzen, dat er een of andere uitgang is," deelde hy Leverage ten

slotte mede. , i

„Probeer het nóg eens," beval de commissaris. „We weten beslist,

dat ze hier ergens verdwenen zijn — er moét 'dus een uitgang

wezen!"

Hy hielp zelf eveneens zoeken, zoo goed als de anderen. Plotseling

echter hield hy er mee op.

„Waar voor den duivel komt dat water vandaan?" vroeg hij driftig.

Havik liet het- licht van zyn lantaarn op den grond spelen. Op

den betonnen vloer van de tunnel lag een klein plasje water.

Terwyl zy er naar keken, leek het steeds grooter te worden. Een

minuut later reikte het reeds hooger dan de neus van hun schoenen.

„Dat is weer een ander trucje van „De Gier" riep Havik uit. „Je

zult moeten vooptmaken, Cummings, of we verdrinken in deze

tunnel als ratten in een val."

Cummings begon met hernieuwden ijver naar het verborgen

mechanisme te zoeken, dat in ieder geval in den muur aangebracht

moest zyn. Zyn vingers leken wel over den gladden muur te vliegen.

Maar wederom waren zyn pogingen vruchteloos. Na verloop van

andermaal vyf minuten wendde hij zich weer tot zijn metgezellen.

Het zweet stond in groote droppels op zijn voorhoofd.

„Het is uitgeslote,!!, dat er zich hier een of ander mechanisme zou

bevinden," zei hij hijgend. „Laat ik het nog eens aan den anderen

kant probeeren."

Ze renden zoo snel ze konden terug door de nauwe tunnel. Het

water reikte nu reeds tot boven hun knieën. Booker, die het licht

van zijn lantaarn langs de muren liet glijden, ontdekte waar het

vandaan kwam. Een groote pijp, met een middellijn van misschien

wel vyftien centimeter, leegde haar inhoud in de tunnel. Het water

stroomde er uit. De mannen keken om zich heen, maar ontdekten

-niets waarmede zy de pijp konden dichtstoppen. Plotseling kreeg

Booker een idee. Hij trok zyn jas uit en trachtte daarmee de opening

van de pijp dicht te stoppen. Maar de stroom water, die er uitkwam,

was zoo krachtig, dat zelfs hy, hoe sterk hy ook was> daar geen

kans toe zag. Leverage en Havik kwamen hem te hulp, en met ver-

eende krachten slaagden zy er in de doorweekte jas in de opening

te proppen en ze er in te houden.

Even steeg het water niet hooger. Maar toen, zoodra de jas geheel

doordrenkt was. begon de pijp weer te loopen, ofschoon niet zoo

hard als eerst.

Intusschen zocht Cummings wanhopig naar het mechanisme

waarmede de deur, die den uitgang van de tunnel vormde, geopend

en gesloten kon worden. In een poging de aandacht te trekken van

de brandweerlieden die buiten aan het werk waren, sloeg een der

politieagenten met zijn wapenstok een roffel op de steenen. Maar er

kwam geen antwoord van den anderen kant.

Eindelyk wendde sergeant Cummings zich tct de anderen. Zyn

gezicht stond strak en bleek.

„Voor den eersten keer van mijn leven moet ik erkennen, dat ik

verslagen ben," zei hij. „De duivel zelf zou het. slot aan dezen kant

niet kunnen vinden! We zullen een andere manier moeten bedenken

om er uit te komen."

Het water was nu tot aan hun middel gerezen.

Havik kreeg een plotselingen inval. Hy wenkte een der agenten en

liet dien zijn taak overnemen om de jas in de opening van de pijp te

houden. Daarna nam hij den wapenstok van den agent en begon er

aan beide kanten mee op den muur te slaan. Een hol geluid was het

antwoord.

„Naar het geluid te oordeelen," zei hij. „zijn de muren niet dikker

dan een acht a tien centimeter. Indien wij er in kunnen slagen er

een gat in te maken, kunnen wij misschien een opening in de aarde

graven en ons zoo een uitweg banen!"

De ingesloten mannen maakten snel den inventaris op van hetgeen

zij in hun zakken hadden. In het eerst kwam er niets te voorschijn,

dat hun van dienst zou kunnen zyn. Toen haalde een der agenten

echter een zakmes van buitengewoon formaat te voorschijn. Havik

nam het aan en na het grootste mes geopend te hebben, probeerde ■

hij dit als een beitel te gebruiken, daarbij den wapenstok als hamer

bezigend. Op die manier wilde hy probeeren een gat te maken.

Na verloop van een minuut was het mes echter reeds gebroken.

Een oogenblik stonden zij als verslagen. Het stuk van het mes, dal

aan het heft was blijven zitten, bleek echter beter te gebruiken dan

het geheele mes en na verloop van een minuut of vijf was er in het

beton een gat ontstaan van minstens drie centimeter diep.

Transpireerend en bijna totaal uitgeput van den ingespannen

arbeid, liet Havik zyn werk door een der agenten voortzetten. De

man begon met de energie, die geboren wordt uit wanhoop. Maar

ondanks de pogingen van Booker en Leverage kwam het water nog

steeds met vrij groote kracht uit de opening van de pijp stroomen,

hoewel ze probeerden deze zoo goed mogelyk met de jas dicht te

stoppen.

Het water stond nu zoowat tot aan hun borst.

Bijna een uur lang werkten zij met de grootst mogelijke inspanning.

Het water steeg steeds hooger, tot het eindelijk tot aan hun schou-

ders reikte en de mannen, die de kleinsten onder hen waren, hadden

moeite om te zorgen, dat hun hoofd in letterlijken zin boven water

bleef.

De muren van de tunnel waren glad en glibberig; er was niets

waaraan zij zich konden vasthouden om te voorkomen, dat zij

zouden verdrinken.

Plotseling raakte het einde van den geïmproviseerden beitel de

aarde. De agent, die toevallig bezig was met boren, slaakte een

uitroep van vreugde. Havik greep den wapenstok en begon het gat

met hernieuwde energie te bewerken. Hij leende een anderen wapen-

stok van een der mannen en dezen als hamer gebruikend, sloeg hy

den eersterr stok in de opening, op deze wyze het gat grooter

makend. Daarna, de wapenstokken als hefboomen bezigend, begon

hij het beton stukje bij stukje af te breken tot er op het laatst een

opening was ontstaan, groot genoeg voor een niet te dikken man

om er doorheen te kruipen.

De aarde aan den buitenkant was erg hard. Toch groeven zy er

met koortsachtige opgewondenheid in met hun wapenstokken, hun

messen en zelfs met hun bloote handen. Het water was nu reeds

tot aan hun kin gestegen. Booker en Leverage hadden hun taak, de

pijp dicht te houden, nu opgegeven en hielden de twee kleinste

mannen boven water.

Plotseling slaakte Havik een kreet toen er een soort waterval van

aarde en modder op zijn hoofd viel. Hij keek naar boven en...

zag de starren.

Zijn kreet had de aandacht getrokken van een politie-agent die

buiten bij de ruïnes op post stond. De agent kwam toesnellen en

den man van den Geheimen Dienst bij de hand grijpend, trok hy

hem door het gat. De anderen volgden, tot zij allemaal in veiligheid

waren.

Havik wachtte, tot Booker en Leverage, die als laatsten de dooden-

val hadden verlaten, naast hem stonden.

„Ik ga eerst myn vuile, modderige kleeren uittrekken," zei hij toen.

„Ik raad jullie aan, hetzelfde te doen. Wc zijn zoo lang In de tunnel

geweest, dat „De Gier" tóch denkt, dat we dood zyn, vooral wan-

neer hij een schildwacht by den uitgang van de tunnel op wacht-

heeft gezet en deze heeft gezien, dat wij er niet uitgekomen zijn.

Zorg dat jullie over een uur bij de Illion zijn. Ik zal er dan ook

wezen. Reken er echter op, dat er gevochten zal moeten worden

— en hard gevochten!"

Zyn eigen auto was verdwenen. Waarschijnlijk was hij mee-

genomen door een agent, omdat Havik de voorschriften inzake het

parkeeren had overtreden.

Hij sprong in den politie-auto, dien Leverage hem ter leen gaf,

\ en terwijl Small naast hem zat. verdween hij om den hoek.

(Wordt vervolgd).


Wanneer In de lente het Ijs krakend

op de rivieren begon te breken en

de stormen over de bergen raasden,

zagen onze voorouders In deze geweldige

werkzaamheid der natuur de machtige

hand van Donar. „Donar rijdt door de

luchten, het haar van zijn baard {laddert

In den storm, de wolken, met regen ge-

laden, zijn zijn kleeren. . ." zongen zij.

Donars geweldige hamer zegevierde In

den strijd met de „Ijsreuzen'', die zich In

hun holen en grotten terugtrokken. Donars

zuster, de liefelijke Ostara, schudde uit haar hoorn des overvfoeds bonte bloemen

in de groene dalen. Regen en zonneschijn, de wisseling der seizoenen, dit dlle»

onderging men met een diepe vereering voor de goden. Indien de natuur ge-

storven was 'en de kilte des doods over de wereld ging, dan begon de tijd der

lange nachten. Het goden-paar Wodan en zijn gemalin trokken van land kaar

land, van erf naar erf. Ze deden zich voor als arme zwervers, en waar zij goed

werden ontvangen, lieten zij geschenken achter, die er aanvankelijk onaanzienlijk

uitzagen, maar die voor degenen, die ze dankbaar aanvaardden, in kostbare

sieraden veranderden. Vaak waren het ook slechts aanwijzingen, hoè en wier men

een schat kon vinden. Deze schatten werden natuurlijk door onderaardsche goden

bewaakt, wier rijk gevormd werd door de geweldige holen In de bergen. Hel en

Loki deelden de heerschappij over het bleeke zilver der zwijgende, In doodelijken

slaap verzonken Ijswereld en de In gouden gloed flakkerende

vuurschatten...

Sagen en werkelijkheid, innig met elkander verweven, stellen

ons nog thans In de gelegenheid deze^ schatten der reusachtige

holen te vinden en te bewonderen. Een ware Titanenarbeld

was het, waardoor de wereld vorm en gestalte kreeg. Land

steeg op uit de zeeën. Het geweld van het water rukte de

oevers weg en deed in zee verzonken werelddeelen weer

omhoog komen. De machtige kalkmassieven der Alpen, vooral die, waaruit de

Belersche en Salzburgsche bergen „gebouwd" werden, verraden duidelijk hun

oorsprong uit zee. Schelpen, sponzen en koralen toonen onafwijsbaar aan, dat ze

vroeger den bodem van een zee gevormd hebben. De inwerking van het water

schiep holen, die reeds in de bergen aanwezig waren vóórdat zij boven water

verschenen. De holen zijn dus aanzienlijk ouder dan de bergenl

De Ufa heeft In deze gebieden, die zoo rijk zijn aan Interessante ontdekkingen

en niet minder aan belangwekkende geologische formaties,

een cultuur-film vervaardigd, waaruit wij hier eenige mooie

foto's kunnen reproduceeren. „De wereld der ijs-reuzen" is

zeker een waardige aanwinst voor de reeds zoo uitgebreide

en leerrijke collectie cultuur-films, waarmede de Ufa baan- «n uitspanning

brekend werk heeft verricht voor de ontwikkeling en verhef- Hfcht WJ*'*«'«

fing der groote massa van hen, die, hoewel niet wetenschap- meest beziens-

pelijk onderlegd, tóch gaarne kennis maken met de wonderen, waardige grot-

die de geleerden op schier leder gebied hebben weten te ten en holen ge-

ontdekken. legen>

"~

s -

,,> c u «

'3 u ^

U S m ■•*""> J*! jus

N -^ .- C c

:^> h ta . c w d

- w u t, « j

u

>

S Ë C r« .§ ^ 13

g»s .2 •

o u «r

8

'S.8-3 «

c

Ex

ü ai

•d v

to T3

O S

u

o .

Ë \\

Ui .

ja c ja

T3 É ra

u C

'N 2 u

: « N3

C

u

So

c

4-*

c

'3D


U

•O

u

o

bo ■♦-» "^

« S .—*

'^ « Ë |

-o t, p J:

£ä ë

CUD U -•-■

'> U C

Ui 'X U

O ^ tjß

O , C

u u ;S

c

^

-o 3

«I

U •—i

> t! T) ^

U ^i Ui U

^ï 8'o

L, H T 1 O « W

u ' U bc

C-T3

1) C ^3 (O

S g-n «

« p-o sa

u

• a..ajs

w c 0 c h

S

Sg&c-ë-?

8-6 §S «.e.

-Ju- 2 c Z S

c ^

_ C

„- «

w

•a ü M) u C rt ^

in :=r>iJ _S u ei ö

l ■*•** es u "u

ÖT3 « bc

O

u rt 2' Ä *-< > -« >

Si* » c 'S

: «

c c >

(« c4 i* m CS

-o 2 ë-S

•T3 -O o , go u c

C C C ^ ^ o Jj g ^ 60 U

> +J ,

Ë Ë

u u

c 'S

-o

o

0

b U OJ > u

J<

« rS

C>

^ c

u

^•^

u « E^ -o c Ë

^ u u u

.* ja

U O

lJ - 1 -w CL.

-C U es u •>-'

" n ■" rt

-T3

XI

O

>

z c U

N u^

j C rt

O

'M e Ë «

«5 '1—» ..

a>

Ë g S 1^3 g

is ■*-* ? -a 5'S

8 SI'S -ö 3

-a JJ u c JS x

U 05

f* L- o •-

N -.

10

U CU "^ -2

U

> o -a 1 O

O O---' u >

o ■'~

'> iM U l>

c 2 u *- u

3 C

u u

u O ei T3 u

N

-o

cd

X

bX)

c

u

u

X

U N C N

ü MH J^ O

U

Ë'u g^

N 2 O

hO X «"O

o

C X

u

. u

U Ui

CO 4>

uu Cu Cujo 9

2 T-üä « to-^

« ü "^ : Ui

U

-o

u

o

w u e

.«• u "O

•- g 3 O

Z"" ë •

« rf rt n

U '3^

« « fe g .

to £PN t

-3 u P es h u u. ^

if rr\ -^-s W3 c r3 .3! ^ 'S M «

bc ^) to ;^i ^ CS U il 1

Ui O *J rt H

C 3 L o >^ .

to O

ËOH a > Ui

O

c

CS

CS

C

u

-T3

u

X

2 x

e es C *• 5

g OJ " So^ Q, CS u


CU UH

Ui

J<

3

Ui

U

U U)

u

bß*j

cS

CJ 3

— ■ t> -M O

Ë ^^ "? n ^ 3

3 ^

Ui '—* 1> S

-H ai

Ui -a 3 N

C

u 'C

O x « -2

>

ü bc

CS

-o

Ë

o

3'

u

X

_^

3

5J

u<

Ë 0

.x •-

3 cl

u -rt

bc

u -

E

o

Ui

-Tj u ^- u u

^ 3 u -T3 «

^ 3 U U J3

3 'Sc B f _

X u X

u -" 3 X

- Wg .

2 3M C '.

3 c C « -M

« 3 u


v

3 ^ u 'S

•. « o ?, g 5

es u N u S

u «

By CS

N U öß4-> "3

^ u O * Ë

X

; iH"a4 0:=r\3 g «


u es bD- HH O

'^X ,.

^ Ë^ g 13 S

rt X X s

u

g ^N ïN ;

bb

'3

T3

u

o

bß .

u

e P

i3 M

cS

u

3 CS U

'S t3 rt 0 - 3

to -*-" • U cS

' T3 >

? cS ■ e

u c< bß u u

bc—'__u "C 3

•-ri ? '

S3

cS

cS

e

-o

u

O o

• Ë ü

u ^

^r2

> u

>

-o

C ^3

rt X • -^ U

X 13 • :3^>

3

U 3

l^-S^ •

es x^ u —* u

ex "lË.g

u tj rt

bü 32 Ë

4-»

u

Ë

u

X

u

-5

d,

o

u

PH

3

v

bD

u

cS

3

b0:3

cS X

-o

c 4-»

h


j» Hg

"■ c

o ' —

v N

". p

3" n

O 3

O

l-h, C«

D. O

o

c

ft

3

n

3"

i-I c

n 3-

3 ?■

CA rt

3

< D.

3 3

ft W

ft v>

3 "■

O" ft

~3

CL "

ft N

ar

C/l

o

Er-

" O" 3

£L ft ■»-

O ft

3

■ i^

X 3

1 ^

— ET CL

3"

P

P

I-)

5' 2

CR ^

ft

^3 3"

rt n

3

p-S Ä

^ " f» 2

? 5" 3 3

** n

ft ft

ft 2 *" ft

?. «"

CL ?r r*

w w- s.- s- ^

3 ._ ft ft a -

P

3

N

O

ft

PT

ft

3

<

P

3

O- CL «

ft o

3

P HJ

1-f) ft

OQ

S N

p ft

en CfP

ft

3 ft

00 «.

_r ^3 00

O ft 3

OP cf5'

ft

n

3 gr

ö 5

O-o

3 ^

3

n P c 3-a.

p

p

^ a ft.trwcLNr^ 3-

•J=: 2 p'—j 1^ ft =• & o

3-=

o o

D-CTQ

ft ."

3 ^ 3

p cro

CL

ft 00

j 3 p

o

en

N

3- P

SS?

-o -

ft

3 N

ft

cro

CL p 2 3" ~ r* O ft

2 P « - 3 N .3- 3 " —

&--3: ^ D-

2. O CL 3

ft ft 3

2 ^ G.00 -

3 3- .. c

ft o 00

n

3

o

3":?^S S ' > '?3

M E ?;• P cr P-3 '

3 3"^? §U>

3-

o

2 =§ ^ «

^ ^ 3 2. 3 ft

X o N

fB ^ l>

^ 3 ÊL^N

n

3 en

^ " - 3 n

en 3"

L3,'

2-^.

— O 3. CL ft - ■ ^ .. ^ p p

CLOje; O. 3 CL^ -^

HJ — cti fti m fn r*

P

3

CL

ft

3

n- 3 o « >—-Qrp 3

- 3 P

^s o 3 i 3

3 CL<

f 2

N >-! 2

ft

3"

P

2 i-at,

3 "-f ft

_ i r 3

3'

"S-S-3

01

00

?r rt ft

?

H- &l"3 o 2 o

c

p

M-,

P

P

n

CL

en

*- 3

2 <

3 e.

ft 3

00 3

Ö o.'

3 r*

CL

CL2

ft 3

3 ...

il s 3

n «■'S

s

2 Ë.

3- 3-

p p ^f w j"

ft i-i 3

^ 00

§ § ^ tr- ê-

ft Q N r 4 rt

3 3 ft • 1


Mijn oom, Eddie Quillan, dl* ook voor de film speelt, vond dat ik wel talent had. De

wilde graag een mooie iilmdame zijn en xoo verliet ik mijn ouderlijk huis en mijn lieve

honden, waar ik zoo dol op bon.

II

f r

3 ff' ^^^51

^H ^r ;*%ew-'^ L -■ L- 7?^

^r^- • ^. * ■ i ■ rL

mm '■ i hi ■ % ■

Het eerste wat me overkwam, was dat ik een Jongenspak aan moest. Maar het ergste

kwam, toen ze me op een heele groote schildpad lieten rif den.

«

1


1

1

''

V

-.- ■"

.

QUlLLAN

Het kan soms raai toegaan in film-

land! Eerst was het Baby Sandy

— die in werkelijkheid een meisje

is — en die altijd als jongens-baby

speelde! Nu is het Baby Bobby oftewel

Barbara Quillan, die in de film „Swiss

Family Robinson" de rol van een kleinen

jongen vertolkt. Baby Bobby zelf is er

heelemaal niet over te spreken, „want,"

zegt zij, „ik ben nu eenmaal een meisje

en als er in een film een jongen optreedt,

dan moet het een jongen zijnl" Gelukkig

is zij, al filmende, een beetje over de be-

zwaren heen geraakt en ze vertelt dan

ook zelf hoe het allemaal gegaan is in

den studio. Van die wederwaardigheden

laten we U hier het een en ander zien,

voorzien van commentaar van de jeug-

dige filmster zelf.

Stel Je voor, dat Je als dame gefilmd wordt, ter-

wijl je in het bad zitl

Tot overmaat van ramp moest ik in de lange

broek. Ik was woedend, maar ze gaven me een

allerliefst geitje om mee te spelen en dat ver-

zoende me er een beetje mee.

:

Daarna moest Ik uit soo'n gek ding soep slurpen. Als welopgevoede

longedame vond ik het verschrikkelijk om me zoo te moeten toetake-

len, want U begrijpt dat het niet sonder morsen ging.

Het was alleen niet prettig, als ik met hem moest vechten, want sla

nu maar eens iemand op zijn gezicht, van wien Je veel houdt! Neen,

ik blijf er bij, dat ze voor zulke tollen maar Jongens moesten nemen.

Edna Best. die mijn moeder is in de film, moest mij ook nog

eens een waschbeurt geven. Alsof ik 'me al niet lang zélf kan

wasschenl » ■ ■

In de film had ik ook

een grooten broer,

van wien ik erg veel

moest houden. Nu, ik

vond hem heel aar-

dig, dus het was niet

zoo moeilijk om lief

tegen hem' te zijnl


hij was van meening, dat Butterson hem op de

trap moest zijn achterop gekomen, en hem

daarna om een onderhoud gevraagd moest heb-

ben. Colson moet hem toen mee naar binnen

hebben genomen en het kon wel niet anders

of Butterson moest hem daar toen hebben ver-

moord.

Harting voegde er nog bij, dat hij had ver-

geten dat de winkel, waar hij altijd sigaretten

kocht, dien dag wegens een sterfgeval gesloten

was geweest, zoodat hij naar een andere zaak

had moeten gaan, waardoor hij Iets langer, name-

lijk een kwartier zoowat, was weggebleven.

Zooals ik reeds heb gezegd, geloofde geen

mensch ook maar een woord van hetgeen Butter-

son vertelde en zoo kwam het, dat hij wegens

moord ter dood werd veroordeeld ...

heid in om de herinnering aan zijn levenswaren

en afschuwelljken droom van zich af te schud-

den. Hij zat op kantoor als iemand die in

trance verkeert en deed zijn werk volkomen

mechanisch. Hij liet zich niet langer omkoopen

en zijn gedachten waren vaak bij een anderen

man, die op de voltrekking van zijn doodvonnis

zat te wachten.

Den volgenden nacht ontwaakte hij wederom,

na eerst door de hallen van den slaap gegaan

te zijn, in de cel der ter dood veroordeelden...

De beide zelfde cipiers bewaakten hem weer,

maar hij lag niet langer in zijn bed. Hij zat nu

aan een tafel en speelde schaak met een der

beide mannen, die, toen hij er zich wederom

van lewust werd, dat hij zich in het voorportaal

van het doodenrijk bevond, zei;

DE AFSCHUWELIJKE DROOM

Geen mensch geloofde ook maar een woord

van hetgeen Butterson verklaarde. Hij be-

weerde voor de rechtbank, dat hij naar

den ouden Colson, den geldschieter, was ge-

gaan ten einde dezen om uitstel te vragen. Hij

was zijn betrekking kwijtgeraakt en de deur-

waarder bevond zich al in zijn huis om beslag

op zijn bezittingen te leggen.

Op de kantoren van den geldschieter aange-

komen, ontdekte hij, naar hij verder verklaarde,

dat de eerste kamer verlaten was. Daarom tikte

hij aan de deur van het privé-kantoor. Daar hij

geen antwoord kreeg, draaide hij den knop om

en keek naar binnen. Tot zijn afschuw en ont-

steltenis zag hij den ouden man met ingeslagen

schedel op den grond liggen — doodl Zijn

eerste gedachte was terug te gaan om hulp te

halen of om op andere wijze alarm te maken,

maar toen ontdekte hij een portefeuille met geld,

die op slechts eenige centimeters afstand van

de harTd van den doode lag. Hij was financieel

geheel óp; hij was geruïneerd, en zijn bezittin-

gen zouden publiek worden verkocht. Zonder

dat het eigenlijk tot hem doordrong wat de

gevolgen zouden kunnen zijn van een dergelijke

daad, bukte hij, raapte de portefeuille op en

stopte ze In zijn binnenzak .. .

Hij verliet het vertrek weer en betrad het

eerste kantoor, waar nu de bediende van Colson,

de oude en reeds vergrijsde Harting, aanwezig

was en hem bleek te hebben gadegeslagen.

„Wat deed je daar in die kamer," vroeg Har-

ting, „terwijl de baas er niet is?"

Toen begreep Butterson dat hij de verschrik-

kefijke ontdekking, die hij had gedaan, moest

vertellen, en dat hij dit onmiddellijk moest doen.

Hij wees met een bevenden vinger door de nog

half openstaande deur . . .

„Hij . . . hij is dood ... I" zei hij met trillende

stem. „Hij is vermoordl"

Hetgeen nu volgde, was voorujt te voorzien

geweest. De oude bediende wierp een blik op

zijn vermoorden patroon, belette Butterson te

vertrekken door eenvoudig de deur van het kan-

toor op slot te doen en belde toen de politie op.

Deze was binnen eenige minuten ter plaatse

en na een kort verhoor verzocht men Butterson

mee te willen gaan naar het bureau. Onderweg

daarheen herinnerde hij zich de portefeuille met

bankbiljetten, en deed hij een poging er zich

ongemerkt van te ontdoen. Maar dit lukte hem

niet; men zag wat hij van plan was, ontdekte

de portefeuille en zonder veel plichtplegingen

werd hij in arrest gesteld, verdacht van moord

op den ouden Colson.

Zoowel tijdens het voorloopig verhoor door

de politie als later voor de rechtbank, legde de

bediende Harting rustig en volkomen zakelijk

zijn verklaringen af. Hij was even weggeweest,

zoo vertelde hij, om sigaretten te gaan koopen,

en had de buitendeur met den sleutel op slot

gedaan. Het was een Yale-slot, en alleen hij

en zijn patroon hadden een sleutel.

De geldschieter was beslist niet op kantoor

geweest toen Harting even was weggegaan, en

De bediende Harting was een man die zeer

teruggetrokken leefde. Men had bijna van hem

kunnen zeggen, dat hij een soort kluizenaar

was. Hij woonde geheel alleen op een eenvou-

dige flat, en kookte zijn eigen maaltijden op

een ouderwetsch gasfornuis. Met de regelmaat

van een klok ging hij naar zijn werk en keerde

er van terug,, en zelden, behalve tijdens zijn

kantooruren, sprak hij tegen iemand een woord.

Hij was Colsons eenige en vertrouwde bedlende,

en de erfgenamen van den vermoorde droegen

hem onmiddellijk op, de zaak zoo spoedig moge-

lijk te liquideeren. .

Hij kreeg, tot taak alle uitstaande leeningen

te innen en men gaf hem volmacht om desnoods

een gedeelte der te leen gegeven gelden kwijt

te schelden, indien de rest contant werd betaald.

De erfgenamen voelden er klaarblijkelijk 'niet

veel voor langer dan noodzakelijk was iets te

maken te hebben met een „zaak", waaraan, op

zijn zachtst gezegd, een luchtje' was.

En zoo zat Harting lederen dag op het kan-

toor; onderhandelde met de schuldenaars en

bedong daarbij de beste voorwaarden die hij

kon verkrijgen. Menige schuldenaar verliet het

kantoor met een opgelucht gemoed omdat zijn

schuld met een belangrijk bedrag was vermin-

derd. Maar niemand was blljder dan Harting

zélf, die, om er maar niets anders van te zeg-

gen, aardig wat verdiende aan de elastieken

transacties.

Niemand zou echter aan zijn strak, nimmer

uit de plooi komend gezicht hebben gezegd,

dat hij zoo blij was. Hij voelde zich volkomen

gelukkig — tot zijn eerste droom kwam . . .

Harting werd omstreeks middernacht wakker

in een staat van onbeschrijfelijke verwarring,

maar hij werd niet op normèle wijze wakker.

Volgens dokter Batesman, dien hij er over raad-

pleegde, was hij wakker geworden in een soort

„levenden droom". Hij kwam overeind In zijn

bed en zag toen een man in unifomi naast zijn

ledikant zitten — een tweede zat er aan de

tafel — en de kamer, waarin hij wakker kwam,

leek in niets op zijn slaapkamer. De belde man-

nen waren cipiers en het duurde niet lang voor-

dat de even verbaasde als ongelukkige man tot

de conclusie kwam, dat hij zich In de cel der

ter dood veroordeelden bevond!

Op al zijn vragen en opmerkingen kreeg hij

slechts één antwoord. Kort, maar niet onvrien-

delijk, vertelden zijn bewakers hem, dat de di-

recteur van de gevangenis en de dokter het

beu waren nog langer naar zijn onzin te luiste-

ren, dat hij onderzocht was door verschillende

specialisten, die allen verklaard hadden dat hij

simuleerde; dat zijn verzoek om herziening van

het vonnis was afgewezen en dat hij zich daar-

om maar als een man gedragen moest — dat

zou beter zijn dan al dien onzin op te disschen

als zou hij droomen . . .

Tegen de ochtendschemering viel Harting weer

in slaap, om een paar uur later wakker te wor-

den in zijn eigen slaapkamer.

Dien dag slaagde hij er met geen mogelijk-

„Ik ben er van overtuigd, dat je je wel wat

beter zult voelen nu wij een spelletje hebben

geschaakt, vriend!"

Harting keek om zich heen — naar hel ge-

traliede venster, naar de ruwe houten tafel, naar

de stevige muren en zijn eenvoudige brits.. .

Hij schoof zijn stoel achteruit en stond op.

De bewaker stond tegelijk met hem op en ging

vóór hem staan. De andere bewaker schoot

haastig toe en stelde zich naast zijn collega op.

„Kom nou, kerel, wees een manl Het is af-

schuwelijk, dat weet ik, maar je zult er doorheen

moeten. Er is niets aan te doen!"

„Je zult er doorheen moeien! Er is niets aan

te doen!" herhaalde Harting bijna toonloos.

„Heer in den hemel, ik ben weer In de dooden-

cel..." ,

„Houd nu op met dien onzin,", zei de bewa-

ker. „Het gaat ons ook vervelen. Je hebt nu

met je dokter gesproken en' met je advocaat.

Al het mogelijke is voor je gedaan, maar jij

blijft maar met dien droom-onzin komen! Ik zou

maar wat gaan slapen, als ik jou was."

Harting wankelde op zijn beenen en de be-

waker greep hem bij den schouder.

„Is dit werkelijk de cel van de ter dood ver-

oordeelden?" vroeg Harting.

De bewaker knikte.

„En . . ." vroeg de droomende man, „hoeveel

dagen nog eer ..."

„Nu nog twee," antwoordde de bewaker.

„Maar kom nou, kerel, ga nu naar bed. Dat is

het beste ..."

„Nog twee dagen . . . nog twee dagen .. ."

herhaalde Harting als afwezig.

Weer wankelde hij en als de bewaker hem

niet bij zijn arm had gegrepen, zou hij zeker

zijn gevallenl Vager, steeds vager werden de

gestalten van zijn beide bewakers en hij viel

wederom in den slaap, die de voorbode was van

zijn ontwaken.

Den volgenden avond slenterde hij door de

straten van de stad ten einde zich zooveel mo-

gelijk te vermoeien, In de hoop, dat hij dan

zou doorslapen en niet gekweld worden door

zijn afschuwelljken droom. Omstreeks een uur

of tien voelde hij een soort geestelijke dofheid

over zich komen. Maar hij wilde niet naar huis

gaan. Hij ging op een bank in het park zitten,

en de agent, die hem tegen het aanbreken van

den dag bij zijn schouder greep, kreeg mede-

lijden met hem toen hij zijn verwrongen gezicht

en zijn sjokkenden gang zag .. .

De dokter, dien Harting in zijn wanhoop op

den avond van den derden dag raadpleegde, wist

slechts weinig van droomen af, maar hij was

geen idioot.

„Héb je den ouden Colson vermoord?" vroeg

hij met een bijna brute directheid.

„Neen," antwoordde Harting, „maar ik wist

dat u dit vragen zou. Kunt u of iemand anders

mij helpen?"

„Mijn gezonde verstand zegt mij, dat je ab-

soluut niet in gevaar verkeert," loog de dokter,

l„maar hetgeen je mij vertelt maakt, dat ik je

moet aanraden dokter Wallace te raadplegen

— en hoe gauwer hoe beterl"

„Dokter Wallace?"

„Ja. Dat Is een der grootste levende experts

op het gebied van droomen en hun beteekenis.

Hij zal ook dit raadsel wel voor je pplossen. Ik

zal hem direct telefoneeren - hij woont ge-

lukkig in New Yorkl - en hem vragen of je

direct bij hem kunt komen."

Een uur later zat Harting tegenover den be-

roemden specialist.

Dokter Wallace luisterde aandachtig naar het-

geen Harting haperend vertelde en liet hem

toen nog eens alles vertellen, hem daarbij tel-

kens allerlei vragen stellend, zoodat hij geen

enkele bijzonderheid kon verzwijgen.

„En nu," sprak hij ten slotte, „zeg mij: héb

jij den ouden Colson vermoord?'

„Neen," stamelde Harting. „Waaróm zou ik

het gedaan hebben?" (>

„Dat is niet aan mij om dat te zeggen, ant-

woordde dokter Wallace, „maar ik dien de waar-

heid te weten, anders kan ik je niet helpen."

„Ik heb Colson niet vermoord," herhaalde

Harting als afwezig. „En ik smeek u, mij die

afschuwelijke vraag niet weer te stellen!"

„Zeg me eens," zei dokter Wallace toen,

„heb je in je droom je bewakers als eens ge-

vraagd wien je zou hebben vermoord?"

„Neenl"

De specialist stond op.

„Meer hoef ik niet te weten," zei hij.

avond om tien uur zal ik bij je komen

,Van-

in ie

slaapkamer. Ik zal den geheelen nacht bij je

blijven en ik zal jé tegen ieder gevaar bescher-

men."

Harting deed een stap naar voren en legde

zijn hand in een opwelling van vertrouwen op

den arm van den beroemden dokter.

„U zult mij dus redden?"

„Ik zal je tegen leder gevaar beschermen,"

antwoordde dokter Wallace raadselachtig, „maar

tegen de bovenaardsche gerechtigheid kan geen

mensch je beschV^en. - Je vindt het wel

goed, dat ik een velend meebreng?"

„Ik ben In uw handen," zei Harting.

Dokter Wallace betrad zijn laboratorium ter-

wijl Bunting, zijn leerling en assistent, er bezig

was proeven te nemen met een zeer delicaat

instrument.

„Bunting," zei dokter Wallace met nadruk,

„je moet zien dat je een paar uurtjes gaat sla-

pen, want vannacht zullen wij moeten waken!

Ik zal je bm kwart voor tien laten roepen."

Bunting was gewend aan de zonderlinge ma-

nier van doen van den specialist. Hij liet zijn

werk in den steek en begaf zich zonder nade-

ren uitleg te vragen ter ruste.

Even over tienen stonden dokter Wallace en

zijn assistent in de slaapkamer van Harting.

„Wat voor zin heeft dat?" vroeg Harting,

toen dokter Wallace zijn verzoek had gedaan.

„Ik bid nooit; sinds mijn kinderjaren heb ik niet

meer gebeden."

„Vanavond," antwoordde dokter Wallace on-

verstoord, „zul je weer een kind worden en

voordat je je oogen sluit, zul je bidden.

Harting deed wat hem gezegd werd en eenige

oogenblikken heerschte er een doodsche stilte

in het vertrek. Toen stond Harting op en stapte

in zijn bed. Hij viel bijna onmiddellijk in slaap.

Naast zijn bed zaten de twee dokters - de

wereldberoemde droom-specialist en psychiater

en zijn jonge assistent. Ze spraken geen woord,

maar controleerden bijna iedere' ademhaling van

Harting, terwijl de uren verliepen ...

Tegen dat de ochtend aanbrak, begon Har-

ting onrustig te worden, en na eenige oogen-

blikken kwam hij langzaam overeind in zijn bed

terwijl hij onderzoekend met starende oogen om

zich heen keek. Hij bracht een been bulten bed

en wilde, er uit komen, en als dokter Wallace

het zijn assistent niet had belet, zou deze Har-

ting zeker hebben tegengehouden.

„We zullen even wachten," fluisterde dokter

Wallace. „Het is in ieder geval zeer gevaarlijk,

hem nu wakker te maken!"

Harting liep de kamer door en zette zich aan

zijn schrijftafel, die in een hoek van het ver-

trek stond. Zijn gezicht zag aschgrauw, zijn han-

den trilden, maar zijn stem klonk rustig terwijl

hij sprak.

„Er is Iets, dat ik eerst moet doen," zei hij.

Hij nam een vel papier uit een der laden van

de schrijftafel en begon te schrijven; daarna

draaide hij zich om en keek de beide dokters

aan.

„Ik ben gereed," zei hij toen kalm.

Hij deed een stap naar voren en eer ze een

hand konden uitsteken om hem tegen te hou-

den, sloeg hij als een blok tegen den grond.

De dokters tilden hem op, legden hem In

bed en probeerden zijn levensgeesten op te

wekken, maar de man die zoo afschuwelijk ge-

droomd had, zou nooit meer droomen . . .

Een hartverlammlng als gevolg van groote

geestelijke emoties had een eind aan zijn leven

gemaakt.. .

„Voordat ik het leel," "> dokter Wallace

even later, „zal ik je zeggen wat hij op dat pa-

pier geschreven heeft: een bekentenis, dat hij

den moord op Colson bedreven heeft."

„Hoe wéét u dat?"

„Van hemzelf - met zijn eigen mond heeft

hij zijn daad bekend. Want toen ik hem vroeg,

of hij tijdens zijn droom aan zijn bewakers den

naam van zijn slachtoffer had gevraagd, ant-

woordde hij, dit niet gedaan te hebben. Hij wist

het. . . omdat hij wist wien hij had vermoordl

Kijk nu maar, wat hij hier heeft geschreven! '

Het was inderdaad zooals de beroemde spe-

cialist had gezegd: de bekentenis dat Harting de

moordenaar was, lag voor hem .. .

„Maar hoe . .." begon de assistent. /

„Zeer eenvoudig," viel dokter Wallace hem

in 'de reden. „Ik wist, dat het tot deze beken-

tenis komen moest en heb den drang er toe

nog wat aangedikt door hem aan zijn jeugd te

herinneren, door hem te laten bidden .. .

„En waarom moest ik mee... ik heb niets

kunnen doen . .."

„Je moest mee, opdat Harting wèèr twee

„cipiers" voor zich zou hebben . . .

Plotseling greep Bunting dokter Wallace bij

den arm.

„Lieve hemell" schreeuwde hij bijna. „En die

ander... die Butterson .. . Misschien dat die

op deze zelfde minuut ter dood ..."

Dokter Wallace keek hem glimlachend aan.

„Ik was zoo zeker van hetgeen er vannacht

zou gebeuren," zei hij, „dat ik, terwijl jij sliep,

naar den officier van justitie ben gegaan en

dezen heb bewogen, in verband met de feiten,

die ik hem kon mededeelen, de terechtstelling

van Butterson eenige uren uit te stellen. But-

terson zal niet worden terechtgesteld voordat

men het resultaat van mijn experiment weet. Of

beter," besloot hij veelbeteekenend, „hij zal

heelemaal niet worden terechtgesteld .. .1"

Zware wolkengevaarten, wit-gekuifde golven en een straffe bries maakten van de Kagen

plassen een waar zeilersparadijs, toen er in de afgeloopen week de Kaagweek werd gehouden.

— Regenbogen in actie.


Robert Taylor,

Greet Garson

en Lew Ayres

X 7 erloofd met de mooie Linda Bronson, keert de jonge

^ Amcrikaanschc zakenman Sky Ames van zijn

vacantie terug, en inviteert zijn vroegeren school-

kameraad, thans publiciteit-manager,. Jeff Holland,

met Linda en hem te lunchen.

Tusschen Linda en Jeff is het liefde op het eerste

gezicht. Maar evenals Sky beschouwen zij het aanvan-

kelijk als een ongelukkige bevlieging, totdat zij voort-

durend in eikaars gezelschap zijn tijdens een week-end

op het landgoed der Bronsons, waar Sky's vader en

moeder en tante, Mrs. Carruthers, wel eenigszins ver-

steld staan van de ongelukkige driehoeksverhouding,

die langzamerhand is ontstaan. Gedurende een vossen-

jacht ontdekken Linda en Jeff, dat zij werkelijk van

elkaar houden, maar uit. fairheid tegenover Sky nemen

zij zich voor, elkaar te zullen vergeten.

Sky echter is een ernstige en diep-voelende jongeman,

die meent dat er op deze wijze altijd een schaduw over

zijn levensgeluk zou blijven hangen en hij stelt een njeu-

we oplossing voor, meenende dat de beste manier om iets

te vergeten is: het zich voortdurend te herinneren. Linda

en Jeff hebben dus een ontmoeting die er toe leidt, dat zij

samen willen weggaan. Maar een voortdurende hinder-

nis in deze liefde is Jeffs betrekking bij Mclntyre, wiens

oude patent-geneesmiddel nieuwe reclame-methoden

. ,•, ,

behoeft. En Jeff's plicht roept hem daar.

Daardoor vindt het geheime huwelijk

tusschen Jeff en Linda op eenigszins

komische wijze plaats in het huis van een

plattelandsrechter, na een wilde vlucht in

een taxi. Sky aanvaardt dit huwelijk filo-

sofisch en helpt zelfs bij de voorbereidin-

gen van de huwelijksreis. Mclntyre's

dwaze eischen voor de publiciteit voor zijn

geneesmiddel verschuiven deze

huwelijksreis keer op keer en

daardoor komt Jeff, na een

absurd déjeuner dinatoire, te

laat bij de boot. Linda heeft er

nu genoeg van en trekt zich

terug op het landgoed der

Bronsons, na een voorloopige

scheidingsracte verkregen te

hebben. Zij accepteert nu op-

nieuw Sky's gezelschap.

Intusschen is Jeffs reclame-

campagne voor Mclntyre, die

hem reeds zijn huwelijk ge-

kost heeft, in elkaar gestort,

daar Mclntyre evenals Jeff

inziet dat\wets ter wereld een

ouderwetsch geneesmiddel op-

nieuw populair kan maken. Sky

ziet in, dat Lindó en Jeff toch

eigenlijk in hun hart nog van

Robert Taylor en Lew Ayres.

elkaar houden en beproeft op hen beiden

een nieuw geneesmiddel, dat in Mclntyres

laboratorium wordt toebereid en dat ver-

getelheid en geheugenstoornis veroor-

zaakt. Inderdaad raken nu Linda en Jeff

.andermaal op elkaar verliefd zonder ,zich

tot verbazing van familie en vrienden iets

van hun scheiding en hun eerste experi-

ment te herinneren. Zij doorleven alles

nog eenmaal en dit keer komt Mclntyre

niet met zijn dwaze plannen tusschen-

beide, daar hij het belang van Sky's

geneesmiddel inziet. En Jeff en Linda

verlaten het tooneel, terwijl zij onbeschrij-

felijke tafereelen van ongeloovige familie-

leden en teleurgestelde vrienden achter-

laten


YOO0 EEN EEUW OVEf?LEE0

In Augustus van dit jaar is het een eeuw ge-

leden, dat de bekende dichter Antonj Chris-

tiaan Winand Staring overleed.

De bekende dichter. .. Welke dichter is er

eigenlijk niét bekend, althans van naèm niet?

Wie kent er zóó niet: Vondel, Tollens, Poot,

Huygens, en van de nieuweren Kloos, Perk,

Gorter, — die ook al weer „klassiek" beginnen

te worden, om van de allernieuwsten en nog

levenden maar te zwijgen.

Ja, we kennen onze dichters - van naam!

Maar het is alsof ons geslacht geen lust of geen

tijd meer heeft om poëzie te lézen. Het is na-

tuurlijk mogelijk, dat het gemis aan schoonheids-

ontroering, dat hierdoor wordt geleden niet

wordt beseft. Misschien is ook hier het gezegde

wel juist: wat niet weet, wat niet deert. Met

andere woorden: wie niet weet wat de dichters

ons kunnen geven, zal er ook geen hartzeer van

hebben dat hij het mist.

Er is een tijd geweest, dat het anders was.

OOGSTLIED.

^ ikkels klinken;

Sikkels blinken;

Ruischend valt het graan.

Zie de bindster gaaren!

Zie, in lange scharen,

Garf bij garven staan!

't Heeter branden

Op de landen

Meldt den middagtijd;

't Windje, moê van 't zweven.

Heeft zich schuil begeven;

En nog zwoegt de vlijt!

Blijde Maaijers;

Nijvre Zaaijers,

Die uw loon ontvingt!

Zit nu rustig neder;

Galm' het mastbosch weder,

Als gij juichend zingt.

Slaat uwe oogen

Naar den hoogen:

Alles kwam van daar!

Zachte regen daalde,

Vriendlijk zonlicht straalde

Mild op halm en aar!

Dat «nze dichters werden geëerd en ... gelezenI

Geezen door hun tijdgenooten, die dikwijls

verlangend uitzagen naar een nieuw vers, eèn

nieuwen bundel. Misschien komt dit, omdat er

toen nog niet zoovéél dichters waren. Althans

met zoo veel góéde dichters. Maar die dichters

schreven poëzie, en wij, die zooveel goede

dichters hebben, wij kunnen slechts weinig poëzie

meer beluisteren. Wellicht vindt dit zijn oorzaak,

m het feit dat onze dichters geen „poëzie" meer

willen scheppen, omdat zij zelf niet „poëtisch"

meer zijn, althans de meesten hunner, maar een

soort wijsgeeren, die filosofeeren in dichtvorm.

Zoodat de lezer, die wijsheid op wil doen naar

een of ander leerboek over de geschiedenis van

het menschelijk denken grijpt, en wie van poëzie

genieten wil, den moed mist om deor den rijste-

brij-berg van geleerdheid heen te eten - de

dichters daarom ongelezen laat en dus ook de

poëzie niet leert kennen, die er toch In leder

geval nog wel uit hun werk kan worden opge-

diept. Zij het met veel goedtin will

Maar waarom grijpen de laatsten niet eens

naar een bundel gedichten van een onzer oudere

dichters? Naar die van Staring bij voorbeeld?

De gelegenheid is er, nu hij in krant en tijd-

schrift binnenkort „herdacht" zal wordenl

Wie Staring leest, zal ontdekken, dat poëzie

niet „geleerd" of „wijsgeerig" behoeft te zijn.

Integendeel. Dat zij juist door haar eenvoud

bekoort, ook al zijn de woorden van den dich-

ter directer en zuiverder, béter gekozen vaak

dan van den romanschrijver.

We geven hier eenlge proeven van Starlngs

dichtkunst.

We gebruiken dit laatste woord opzettelijk,

om er nog aan toe te kunnen voegen, dat ge

U niet moest laten afschrikken omdat het ge-

dichten" zijnl De gedidhten van Staring zijn

nu eenmaal anders dan andere gedichten-- al-

thans dan sommige andere - die gij toevallig

tegenkwam en niet wilde lezenl

Staring leefde en stierf op den Wlldenborch

bij Lochem, in het hart van het GelderscKe

landschap, dat zijn liefde had en dat hij in zijn

keurig geschreven verzen dan ook vaak bezon-

gen heeft!

POLIJSTEN

Gij zonen van Apol, die min

doldriftig ijlt.

En 't warmgesmede vers

bedachtzaam koelt en vijlt,

Gedenkt: schoon 't ßeerenjong

bij Moeders likken winn'.

Als 't lieve Leven faalt, dat lekt

geen tong er inl

AANGEBRAND.

HERDENKING:

VV ij schuilden onder dropplend loover,

Gedoken aan den plas;

De zwaluw glipte 't weivlak over.

En speelde om 't zilvren gras;

Een koeltjen blies, met geur belaan.

Het leven door de wilgenblaän.

't Werd stiller: 't groen liet af van

~ droppen;

Geen vogel zwierf meer om;

De daauw trok langs de heuveltoppen,

Waar achter 't westen glom;

Daar zong de Mei zijn avendlied!

Wij hoorden 't, en wij spraken niet.

Ik zag haar aan, en^ diep bewogen

Smolt ziel met ziel in een.

O tooverblik dier minlijke oogen.

Wier flonkring op mij scheen!

O zoet gelispel van dien mond,

Wiens adem de eerste kus verslond!

Ons dekte vreedzaam wilgenloover;

De scheemring was voorbij;

Het duister toog de velden over;

En dralend rezen wij.

Leef lang in blij herdenken voort,

Gewijde stond! geheiligd oord!

B

AAN DE EENVOUDIGHEID.

reng mij, zachte Eenvoudigheid,

Waar de stulp uw schreden beidt.

Die de wijnstok 'half omvangt;

Daar de bloeitak over hangt.

Leid mij tot uw klein gezin.

Als een trouwen jonger, in;

Doe mij, luistrend naar uw mond.

Waarheids echte leering kond.

Dat mijn oor geen woest geschal

Boven eedlen zang gevall'.

Noch mijn oog een bont vertoon.

Meer dan oudheids zedig schoon.

Waag ik eens de lier te slaan;

Spoort tot pligt mijn handlen aan:

Schoone Nimf! ontsta mij niet;

Tooi mijn Leven en mijn Lied.

^agt Morsebel nam kleinen Piet

In kost, en als het kind, te middag aangezeten.

Haar soms zijn walging merken liet:

De vieze bijsmaak van heur knoeisels werd geweten

Aan kaarsvet, roet noch snuif; 't was altoos: „Lekkerïand

Wat zou het zijn, als aangebrand?"

Nu kwam er eens een schotel vol groen eten

Te voorschijn, die Kok Aagt spinazie had geheten-

Hiervan kreeg kleine Piet zijn deel op 't bord gesmakt;

Hij roert er in; hij vindt twee achterpooten ~

Van d'armen kikvorsch, onder 't warmoes kort gehakt.

En legt, met de oogen half gesloten.

Zijn eetvork neer, terwijl hij vraagt:

„Heeft aangebrand ook voetjes; moeder Aagt?" >-

A

^^

DE RAZENDE JUMBO

Een mensch tegen een in woede ontstoken

olifant, en de eerste totaal ongewapend -

kan men zlchr een méér ongelijken en

hachelijken strijd voorstellen? Het voorval be-

zorgde een • oppasser van den Dierentuin te

New York dan ook het afschuwelijkste kwartier,

dat hij ooit had beleefd.

Men had er een enormen olifant, die Gunda

heette. Het dier bezat een paar gevaarlijke

oógen, -en volgens kenners had het een „bui-

tengewoon schrander uiterlijk". Zonder dat

iemand er de reden van bevroeden kon, mocht

het dier den directeur van den Dierentuin

echter niet lijden; diens aanwezigheid werkte

op hem als een roode lap op een stier. Zijn

eigen oppasser evenwel, een nog Jonge en

rustige man, kon uitstekend met hem opschie-

ten, en wederkeerlg koesterde ook Gunda een

groote genegenheid voor hem. Eén enkel

woord van Thuman, zooals de oppasser heette,

was voldoende om alles van Gunda gedaan te

krijgen wat hij wilde.

Het behoorde tot Thumans werk om den oli-

fant lederen ochtend uit zijn afgesloten verblijf

^ i^ i r- \ / r- k i r k I r~\ r~\ r\ r\ t ;: t ; r- J R E E K s s H ä IN IN c. IN u cl AVO N.

OP LEVEN EN DOOD TUREN, NAAR WAARHEID VERTELD

te halen en naar de omrasterde open ruimte te

brengen, waar hij bij goed weer zijn tijd mocht

zoek brengen.

Op een ochtend zou ThurrAn het dier we-

derom naar buiten brengen. Zooals gewoonlijk

liep hij naast Gunda, hem den weg wijzend

door middel van zijn olifantshaak, waarmee hij

af en toe niet onvriendelijk onder Gunda's kin

prikte.

Toen de olifant de deur van zijn kool had

bereikt en naar bulten zou treden, gebeurde er

Iets onverwachts. Het was een onbeteekenend

feit op zichzelf, maar In de gegeven omstandig-

heden had het ernstige gevolgen: Gunda ont-

dekte In de verte den directeur, die op dat

oogenbllk. juist een vriend de tuinen liet

zien.

Nauwelijks had Gunda hem in liet oog ge-

kregen, of hij gaf uit pure woede een zijdeling-

schen stoot met zijn kop, waardoor hij Thuman

tegen den grond wierp, en de olifantshaak uit

diens hand vloog. Een soort razernij had zich

op slag van het dier meester gemaakt. Hij wist

niet meer wat hij deed, en.. . liep op zijn hul-

peloozen oppasser toe; die nog niet overeind

had kunnen komen. Als een misdadiger, die

een moord met, voorbedachten rade gaat ple-

gen, zóó wei-overlegd maakte Gunda zich ge-

reed om met zijn verzorger, dien hij anders

zoo goed gezind was, af te rekenen. Thumans

pogingen om op te staan waren vergeefsch,

want het logge dier vulde bijne den geheelen

uitgangl Bovendien was er niemand in de buurt

om den olifant In zijn hok terug te drijven.

Gunda bleek van plan met zijn oppasser af

te rekenen op de manier, die olifanten eigen

is. In het schemerachtige licht, dat er in het

betrekkelijk nauwe gangetje heerschte, trachtte

hij met zijn logge pooten op Thumans lichaam

te trappen. Indien hij hierin geslaagd was, dan

zou hij den man zeker binnen eenige seconden

hebben gedood. Maar gelukkig voor den op-

passer was deze vlak bij een hoek gevallen,

waardoor Gunda zijn plompen kop niet dicht

genoeg bij den muur kon brengen om met een

van zijn voorpooten op Thuman te kunnen

trappen.

De razende Jumbo probeerde dit nu te doen

door te knielen, en hier had' hij inderdaad

meer succes mee, want ofschoon Thuman zich

zoo dicht mogelijk tegen den muur aandrukte,

kon Gunda met zijn knieën toch zijn lichaam

bereiken en drukte hij dit met groote kracht

tegen den stalen wand'aan.

Thuman deed zijn uiterste best om zich met

een snelle beweging door een laag valdeurtje,

dat in den muur was aangebracht, uit zijn nete-

lige situatie te redden, maar Gunda was hem

te vlug af. Hij greep Thumans been met zijn

slurf en sleurde hem met zoo'n hevigen ruk

achteruit, dat hij bijna de heup uit het ge-

wricht trok.

Voordat Thuman weer probeeren kon door

het deurtje te ontkomen, trachtte Gunda hem

een por te geven met zijn slagtanden, die ruim

een meter lang waren. Een der tanden kwam

In aanraking met den metalen wand, en de

kracht van den stoot was zóó groot, dat de

tand afbrakl Het geluld werd gehoord door

een anderen 'oppasser, die op een meter of

tien afstand aan het werk was, maar voordat

deze te hulp kon snellen, maakte Thuman nog

de afschuwelijkste oogenblikken van zijn heele

leven door.

Terwijl hij probeerde zich vast te klemmen

aan den gebroken tand, ten einde zich tegen

den anderen te beschermen, slingerde de oli-

fant hem van zich af met zóó'n geweldige

kracht, dat iemand, die minder sterk was ge-

weest dan Thuman, het zeker niet zou hebben

overleefd! Thuman moest zijn houvast loslaten

en hiervan maakte Gunda gebruik om zijn nog

heelen slagtand dwars door de dij van zijn op-

passer te boren I

Thuman zat als het ware aan den slagtand

gesplest, en de pijn dreigde een oogyi^'k hem

het bewustzijn te doen verliezen, hetgeen na-

tuurfijk zijn einde had beteekend. . . Met in-

spanning van al zijn krachten lukte het hem

echter zijn tegenwoordigheid van geest te be-

waren en hieraan had hij stellig zijn leven te

danken, want hij slaagde er andermaal in, zich

aan den kspotten tand vast te klemmen, waar-

door de olifant geen kans kreeg hem van den

anderen tand éf te schuiven om den aanval te

herhalenl

De andere oppasser had zijn steek-vork mee-

gebracht, en terwijl Gunda nog alle mogelijke

moeite deed om een nieuwen aanval op zijn

verzorger te ondernemen, slaagde de te hulp

gekomen oppasser er In zijn vork met de scher-

pe punten tegen het voorhoofd van den olifant

te drukken. Met een afschuwelijken kreet draai-

de Gunda zich half om en kwam door de deur

om zijn aanvaller te weerstaan. Maar deze

stapte snel opzij en sloot de deur. ..

Thuman bleek veel ernstiger gewond dan

men aanvankelijk had gemeend. Niet alleen

dat hij een afschuwelijke vleeschwond had op-

geloopen, maar bovendien was zijn dijbeen to-

taal versplinterd. Drie maanden moest hij in het

ziekenhuis doorbrengen alvorens hij ontslagen

kon worden, en zelfs toen bleek nog, dal hij

nimmer meer de volledige beschikking over zijn

been zou krijgen. Het bleef altijd stijf en men

moest hem een andere taak in den Dierentuin

opdragen. Dit was echter ook noodzakelijk, om-

dat Gunda hem na het voorval evenmin kon

uitstaan als den directeur, die, ongewild, de

aanleiding tol de gansche tragedie was geweest.


Dr. Horst Heisterkamp Paul Hartmann

Johanna Heisterkamp Käthe Haack

Hansjürgen Heisterkamp Hannes Stelzer

Maxi Brunnhuber Ilse Werner

Lina Brunnhuber Lina Carstens

Florian Brunnhuber Theodor Danegger

Xaver Aigner Fritz Kampers

Paul Harlmann en Ilse Hannes Stelzer

Regie: Prof. Karl Ritter.

Theodolinde Melanie Horeschovsky

Joachim Himmelreich Walter Janssen

Elsa Schimek Erika von Thellmann

Franz Stanglmayr Karl John

Kati Kobus Grete Russ

Steffi Marianne Schulze

De disease Pamela Wedekind

Theodor Danegger en Use Werner

De groot-industrieel Dr. Horst Heister-

kamp, die naar München is gegaan om

zijn zoon Hansjürgen te introduceeren

in het korps, waartoe hij zelf behoort als

„alter Herr", leert op het bal pare in het

Deutsche Theater de jonge balletdanseres

Maxi Brunnhuber kennen. Daar het meisje

onbemiddeld is, besluit hij haar een toelage

te verschaffen, waardoor zij in staat zal

zijn de hoogste klas,-van de balletschool te

bezoeken. In overleg met de balletleerares

Elsa Schimek huurt hij kamers voor haar bij

den „Englischen Garten". Kort daarop komt

ook Hansjürgen door een toeval met Maxi

in kennis. Na een bal brengt hij haar naar

huis en verbaast zich over de luxe en

elegance van haar woning. Maxi be-

kent hem, dat een „beschermer" alles

voor haar betaalt. Een student uit het

korps van zijn vader brengt Hansjür-

gen op de hoogte van het feit, dat zijn

vader Maxis beschermer is. Als hij

daarover ruzie krijgt met Maxi, ver-

schijnt juist Heistërkamp ten tooneele

en begrijpelijkerwijze ontstaat er een

heftige scène tusschen vader en zoon.

Ten slotte verlaten Maxi en Hausjür-

gen samen het huis. Intusschen is ook

mevrouw Heisterkamp naar München

vertrokken. Na lang zoeken slaagt

men er in, Hansjürgen te vinden in

het artistenkroegje „Simplizissimus",

terwijl Maxi op een zolderkamertje bij

haar ouders wordt ontdekt. De heer

en mevrouw Heisterkamp hebben ech-

ter begrip voor de liefde van hun

zoon en zoo eindigt deze episode met

een vroolijk verlovingsfeest.

' /


2x4=8

©

Hi-hi-hi---

"»wwam-say-

^N*

»«

fw^V«»,'

Is zusje dan zóó dom,

dat ze niet kent die makkelijke som?

:-■ ... • :.>^'-

^^Sr.

©

r^JÄ

WsÊ?-.

ÄÄt^^

ess .USSäPMJ^ '■■.■ i •' ..!•>.•—J

iff^

Kom, kom, groote meid,

laat mij maar eens zien!

Ik heb allen tijd

en tel al tot tien!

,

^ X^

i

Eén, tee, trie, fier,

Wat 'n plezier...

Fier, tee, één, zes,

das rekenles!

■Ti

: ■ ■

S^ö

««»Sjf

"^f ^••y:.'--.-«»-.

■At'''"ï : -» i "''- r «' ;, ' ; '-

' y c

- ij ./*:

■fm&^^,

i>'i

«wii

;«s«a

;-0^

©

^^i ^V,- '

T^l

'k Geloof... Ja, ja zeker!

't is vast wel. .. öf niet ?

Je kunt immers rekenen

i

of je kunt het niét!

/

Nou's even kijken.

Hoe was dat nu weer?

Toch 'n moeilijke som, hoor

Ai, 'k weet het al weer. ..

©

■-i ■ ■- ■

H

©

Ik heb het gevonden!!

Zeg Zus, moet je zien

Kijk ... alle vingers ...

Dus is het tóch tien!!


fi^mmdHaak A^^^^^*ó^/^fe^/^»^


(a ^ prooper - Stilleven

u rt rt

j< *, : c •

e u 5 rt D ^ C -^ ^

,« ^ -^ au

u

ri

J3

« u o "

S w

tJ-C

. 4) j. 05 y

** c

, u u C c« ^

u

cl C

N pj •

c

u

-o

S u tj -S ä

6 "u

-a

c

c

hi

u

u . o

"- ^ *. o

" -rt (7 ÏT 9 00 ü :^> N

w u u

G > c

c

u

^^ -O in

U

ü .y _y .« ?J _5

SIL« > I

y 5! S c

u 'S

O C/) Ctf .fcj Ort.« s u

c-iS-o >

E ^ u

rt 3 J- 4-"

u

u

3 rt

fc -O rt

^ -a o •' " ïl _3 _> 3 -o

y ^^

_ > >

1 2 „ g C

H

>

S

^:

5 t3

u

«

u

W U w !-i p;

ST3 O

o --. .- Mo

> u

C

u

u


., rt

OHJ2

rt C 13

u

N c

u

.«2 -^ 'c €

2 t3 TS u

3 -H

s| §

o c

W3 O O,

c-o ^

« ca c _U ■>-' £>0»Srtu«OU

§ s 1 « c

13 '-

S-i '-I u

- C rt

O

0

« c ö _

&C N -J ^ ^ aß

o

c

1>^3/-^53C

U -O P rt C .3 .-.

«J"

J2

•a ? c w «

Sf 3-3 u o

-Q Ü -^ "O TD

■S. c rt ' h d « ^ Irt u

JS c c« « K

r- U ïH o ra

g 3 u ,5 o!

tlC ■"

U

c c

OJ . y o -e «

0

13 tn >

C

3 —

3 a! -^ ID

rt tSR.

«E'S STS

u

?;


^1

CR

ja

3" 'p (JD PT Ö ►_■

O P

O 3

u ,> ft 3 HT

" ^ o fTw ^•

CU ft ^ - CL 3 3

ft

ft

3

3" P

ft P

3 n

3 ~ ^ S.

P va: "

E.CL1

5 «

JLo w 3 g

3-« 3

O 3 2 a

w-S ere

? S ^^ sj 2

3 p

& ^ P rt«—•

N H! P

o 3 g^y«

•^ o 3 ft

0t5 P ^.CfQ aq O" &

? E.«? 5


OPLOSSINGEN ZOEK EN VIND

24 J U LI

R E 6 ^0 A L E N

S-J

A

m* ü& ^^hj 0 r 57^

P A ^ —~y * L B A 6

E

A>

V4 X f'

Il uil'

X vVZ-

E

1 e

E E

T

0 o r^ -V\^

'■^

0 || A r^^

rf

A N D

MAN e N^| r -

OPLOSSING CIRKELKRUISWOORDRAADSEL

,0° B 'L

L L N ü

A U N E E

KLOTSEN

R E T A E

AR G V

P E 0 e E

OPLOSSING

PUNTENRAADSEL

BE nh 0VEN

PART rli AXL

BLAD

KLEI

[Ni ERF

[Ni SEL 0

KUIP ^ RU

OPLOSSING TEEKENIN

GENRAADSEL

LINNE

INEUS VOR TEL |^|WERK 6E VER |

i KE 181 LEN TE TIJD ■£■ VA |

|VER VEN |g| 6EL |^| RE

tel STER VEN 1^1 VEN TEN

GEN |

[sCHJOL BANK|g| BE |^1 TIE REN 1

1 WK ll^l L0

TE RU |^| PEE |

[TER DE te ^^1 OEN DE REN |

OPLOSSING LETTERGREEP-

w 1 L L y • 1 R S E L

E U A N u y

C 1 T H 1 e

—, i w i—

B. ] A A T i

Z T e L A s

1 E A C A • M

1 —i »— — |__

N R N N a E

— —1 —1 — 1

OPLOSSING

FILMSTER-

PUZZLE-

KAMRAADSEL

WILLY BIRGEL

KRUISWOORD RAADSEL

m

D RAftEN

'I iflfljlNl 1

BASE

B I A| 6

TAT

OPLOSSING

MUURRAADSEL

HONINGRAATRAADSEL

INVULRAADSEL

[0^ E

^_D E ~"

i o^rzzz

" D E

\ ZÏLÏZ

D E

' 1 1 1 f—i 1

1. beslissing

2. het behooren tot den stand der edelen

3. op de viool spelen

4. geducht

5. een last op een voertuig plaatsen

6. ieder verhaal dat op volksoverlevering

berust

1. iels in veiligheid brengen

Z: neerleggen

3. met een werktuig iets van-

een scheiden

4. veter

5. rugtasch van soldaten

6. mond (volkstaal)

7. bij herhaling bevochtigen

8. pret na afloop van een feest

9. mannennaam

10. natmaken

11. terger

12. dadelijk

13. vloerkleed

14. van kralen vervaardigd

15. gemeente in Zuid-Holland

PAARDENSPRONG-

RAADSEL

In deze paardensprong-puzzle

is een bekend gezegde verbor-

gen. Men moet beginnen bij

het nummer 1 en dan verder

gaan met ,,paard ensprongen".

d.i. twee vakjes naar links of

rechts en één naar boven of

beneden öf één vakje naar links

of rechts en twee naar beneden

of naar boven.

Bij goede oplossing leest men

een bekend gezegde.

E E T \

S E G H

T N T A

E E Z E

U W A E

A J A 5

A T S D

E 0 z ^|

i

X

i

^

5

V

1 .

Te gebruiken woorden: aar — ven —

aan — tam — om — erf — pen — raak

— al — acht.

Elk der bovenstaande woorden krijgt

door het vóórzetten van één letter een

andere beteekenis. By goede invulling

vormen de voorgezette letters, in aange-

geven volgorde, den naam van een

filmster.

DE AMAIE

1

\

\

I

LADDERRAADSEL

FILMSTERPUZZLE-VOORZETRAADSEL

E«n bek.nd Inslulp.r had een k.mer gehuurd in een

deftig hotel. Neait hem woonde een baronet, die

bekend stond om de prachtige juweelen, die zij allud

droeg. Het waf natuurlijk geen toeval, dal Patten, looali

de iniluiper heette, lijn inliek in helzeHde hotel had

genomen alt de baronei. Integendeel I Het wat hem

bekend, dat deze. behalve de juweelen die z j droeg,

een eaxatte bij zich had, waarin zich nog talrijke edel-

steeiwn en andere sieraden bevonden. En Patiers zou

Palters nlel zijn geweest, als hij niet had geprobeerd,

zich van deze cassette meester te maken.

Op een keer dat de barones, zooals hij stellig meende,

reeds naar beneden was gegaan om te dineeren, besloot

hl] zlin plan ten uilvoer te brengen. Ten einde er echter

zeker van te zijn, dat de barones nlel meer op haar

kamer was. klopte hij even, opende de deur en ...

zag haar voor het raam zittenI

Wat wenschl u?" vroeg zij uiterst verbaasd.

Patters was evenwel niet gemakkelijk uit het veld te

''"pirdon," stamelde hij. „Ik schijn mij Ie hebben ver-

glitl Ik dacht dal dit mijn kamer was. Neemt u mij

nlel kwalijk..." En mal deze woorden verdween hi

zichzelf fellclteerend om de handige wijze waarop hij

zich uit de netelige situatie had gered.

Een kwartier later werd hij echter In de eetzaal gearres-

teerd. omdet de barones de politie had g.w.arschuwdl

KuM u ons zeggen, waarom zij dit had gedaan - du.

waardoor zij had begrepen dat Patter, met minde,

goede bedoelingen In haar kamer w*. verschenen 7

1. dichterlijke schildering van het

leven

2. berichten

3. accent

4. zeer mooi

5. voeten en lichaam op de maat

van muziek bewegen

Te gebruiken letters: a, a, a, d, d,

d, d, d, e, e, e, e, e, e, e, i, i, i, k,

1, 1, 1, m, in, n, n, n, n, n, n, n, o, o,

r, s, u, y, z.

Op de stijlen leest men een be-

kend gezegde.

WOORDZOEKEN

Neem uil elk van onderstaande

zinnen één woord. Plaats die woor-

den onder elkaar, zoodat ze ?en

bekend gezegde vormen.

1. In den zomer brengen veel men-

schen hun vacantie op het water

door

2. In het donker kan men moeilyk

zien

3. Wat is het in den afgeloopen

winter koud geweest!

4. Uit druiven kan men wijn be-

reiden

5. Fietstochten maken is een heer-

lijke sport en wij doen er graag

aan mee!

Wy stellen eeii hoofdprijs van ƒ 2.50

en tien filmfoto's beschikbaar om te

verdeelen onder de goede oplossers.

Antwoorden in te zenden vóór 14 Aug.

aan Dr. Puzzelaar, Noordeinde 8, Leiden.

Op enveloppe of briefkaart a.u.b. duide-

lijk vermelden: Filmpuzzle 14 Aug.

Deze puzzle kan tegelijk met de an-

dere ingezonden w'orden, doch liefst op

een apart velletje papier.

ETECHVE

Wij zullen weer een

prijs van f. 2.50 bene-

vens twee troostprijzen

verdeelen onder hen,

die ons een goed

antwoord zenden. De

verdeeling der prijzen

geschiedt op een ma-

nier, waarbij alle In-

zenders van goede op-

lossingen gelijke kansen

hebben op het verkrij-

gen van een der prijzen.

U gelieve Uw antwoord

in te zenden vóór 14

Augustus aan Mr De-

tective, Noordelnde 8,

Leiden. Op brielkeart of enveloppe vermelden:

Amateur-Detective 14 Augustus.

DE OPLOSSING VAN HET

VOORLAATSTE PROBLEEM

Men ziet deze hierboven afgebeeld!

De hoofdprijs van f. 2.50 werd verworven door:

mejuffrouw M. Kroes, Spekholzerhelde.

De troostprijzen vielen ten deel aan:

mejuffrouw M. Bijloo. Schiedam:

den heer J. v. Glnk, Dordrecht.

DE PRIJSWINNAARS

De hoofdprijzen konden deze week worden toe-

gekend aan:

mejutfrouw A. Schroder, Utrecht;

itiejuHrouw T. Tims, Scheveningen;

den heer J. Bloem, Delft;

den heer J. Gondrie, Helmond;

den heer J. Molenaar, Velp.

De troostprijzen werden verworven door:

mevrouw A. BlomLJ}redai _

mejuffrouw C. M. Trimp, Rotterdam;

mejuffrouw V. Buurman, Z.O. Beemster;

den heer J. v. d. Camp, Geleen;

den heer A. Willems, Utrecht;

den heer A. Nugteren, Rotterdam;

den heer D. Steeman, Amsterdam;

den heer T. Hofland, 's-Gravenhage;

den heer J. P. de Ruiter, 's-Gravenhage;

den heer C. T. de Groot, Schoonhoven;

den heer M. v. Jelgerhuis, Almen;

den heer M. R. F. Verbeke, Breda;

den heer J. Verkerk, Rotterdam;

den heer D. J. Dijkerman, Almen;

den heer H. F. Geiger, Amsterdam;

den heer B. Schenkel, Schiedam;

den heer A. Hageman, Amsterdam;

den heer N. Boots, Z.O. Beemster;

den heer J. J. v. Berkum, Purmerend;

^len heer J. Kamp, Amsterdam.

De hoofdprijs van de filmpuzzle werd toe-

gekend fean:

den heer W. F. Klok, Rotterdam.

De troostprijzen vielen ten deel aan:

mevrouw van Baren, Blauwkapel;

mevrouw G. Douwma, Groningen;

mejuffrouw D. M. H. Jarigse, Twello;

mejuffrouw A. Verschoor, Amsterdam;

den heer A. Kamphues,, Leiden;

den heer W. Vermeulen, Alkmaar;

den heer S, Pleysier, Glanerbrug;

den heer G. H, Peerbolte, Rotterdam;

den heer H. Paardekooper, 's-Gravenhage;

den heer G. A. M. v. Hout, Mill.

ONZE PRIJZEN.

Voor goede oplossingen van iedere

puzzle, rebus, probleem, enzoovoort,

stellen wij een prijs van ƒ 2.50 be-

nevens vier troostprijzen beschik-

baar. In totaal dus deze week

5 prijzen van ƒ 2.50 elk en

20 troostprijzen.

DE OPLOSSINGEN

op de in dit nummer voorkomende

puzzles, enzoovoort, gelieve men

vóór 14 Aug. in te zenden aan

Dr. Puzzelaar. Noordcinde 8, Leiden.

Op enveloppe of briefkaart vermelde

men duidelijk:

Oplossingen Zoek en Vind 14 Aug.


— i" I "-"—^"~—""^^^^^^^^^■^^■■^^^^^ mmmmm—m —"" ^^"

VOOR SLECHTS 1% CENT

noodig om deze annonce uitgeknipt In open enveloppe als drukwerk

aan ons op te zenden, ontvangt U uitvoerige brochures over het

HERSTEL VAN uw HAARGROEI

Vermeldt uw naam en adres op de achterzijde der enveloppe en

R.d.Vr. adresseert aan :

Dr. H. NANWIWG's Pharm. Fabriek N.V., DEN HAAG

Arrnonces betreffende

GENEESMIDDELEN

en GENEESWIJZEN

worden in dit blad

slechts opgenomen,

indien zij vooraf voor-

zien zijn van het stem-

pel „Geen bezwaar"

tegen de plaatsing,

algegeven door de

Commissie van Con-

trole op de Aanprij-

zing van Geneesmid-

delen en Genees-

wijzen, waarvan het

Secretariaat is ge-

vestigd:

SEGBROEKLAAN 33,

's-GRAVENHAGE

VERZEmm

UW LBVBN

spa.

"Av

BANK W

SCHIEDAM i

Het advertentiegedeelte van

ons nummer van

17 AUGUSTUS

wordt afgesloten

6 AUGUSTUS

T»?-^

op

HET KURHAUS-CABARET

TE SCHEVENINGEN

PIERRE MYIN %

Het kleine onooglijke theater, dat het heele aspect van het ruime

Gevers-Deynootplein in Scheveningen 100 eigenwijs bederft, zou

niettemin niet gaarne door de trouwe badgasten (en door de vele

Hagenaars!) gemist worden. Het Kurhaus-Cabaret heeft immers een

langdurige en zeer goede traditie, die het ook thans weer hoog weet

te houden.

Cor Ruys en de zijnen weten voortreffelijk de sfeer van het Cabaret

te vatten. Om te beginnen zijn daar al dadelijk de befaamde en uitstekende

virtuozen-op-twee-vleugels Beuker en Denijs. Hun spel is in alle opzichten

„af . Bovendien ontpopt Denijs zich plotseling als een uitstekend conferencier

- dat Han Beuker als liedjes-componist zijn sporen had verdiend, wisten

WIJ wel. Na een Inleidend babbeltje van Cor Ruys beleven wij- een

amusant (hoewel iets te lang) tafereeltje op het terras van „De Witte"

in Den Haag, waar het wel en wee van onze goed-HolIandschen

examen-tijd ook nog zijn invloed blijkt te hebben. Maggy d'Armond

weet zich daarna als een charmante Parijsche chansonnière te presen-

teeren. Tilly Lus behoeft vanzelf geen krans. Wie haar kent van het

groote tooneèl, weet, dat zij ook hier, als ernstig actrice, ons iets moois

zal toonen. Haar „Oudejaarsavond-brief van een gescheiden vrouw"

geeft een moment van werkelijke ontroering.

Daarna een serie zeer kort „gespeelde sprookjes". Helaas is er voor

deze sprookjes slechts één woord: flauw. Cor Ruys zelf met zijn geestige

en vlotte liedjes, is de clou van den avond. De manier, waarop hij de

versjes weet te „brengen", is reeds een gang naar het Kurhaus-Cabaret

waard.

Ten slotte nog twee nummers, die de vermelding overwaard zijn.

Carlo Reni is een - Nederlandsch sprekende - Weensche imitator,

die met zijn stem de merkwaardigste capriolen kan uithalen. Ten be-

wijze hiervan kunnen wij wellicht volstaan met de mededeeling, dat hij

het beroemde quartet uit de opera Rigoletto alleen kan ringenl Het

andere-stfüi*mer is een „bestuurbaar drama" door Cor Ruys naar het

Amerikaansch bewerkt.

In dit merkwaardige ideale tooneelstuk vertelt het publiek hoe de

ontknooping zich stap voor stap verder moet ontwikkelen. Onnoodig te

vermelden, dat het aantal ontknoopingen legio is, doch de ervaren ac-

teurs Tilly Lus, Theo Frenkel en Pierre Myin zijn teflen alles opgewassen.

o

^■i^^^^HÜ^

— ^ —

VAN DE REDACTIE-TAFEL

R.A.L.

WAT NIET JUIST IS...

Er zijn van die dingen, die nog altijd

geloofd worden, die zoo oud zijn

als de weg naar Kralingen, zooals

men wel zegt, en die tóch absoluut onjuist zijn.

Daar is bij voorbeeld het feit, dat de meeste

menschen gelooven, dat de rook omhoog stygt.

Zelfs wanneer men hun zegt, dat rook toch

zwaarder is dan lucht, zien ze u wat spottend

aan en antwoorden: „Kijk dan maar eens naar

uw haard of kachell Dan zult u wel merken,

dat de rook omhoog gaatl Indien hij zwaarder

was dan de lucht, zou hij niet naar boven gaan,

maar uw kamer binnendringen..."

Maar ze vergeten dan, dat het de door de

brandende kolen verhitte lucht is, die opstijgt

en... den rook meevoertl Indien de ongeloo-

vigen eens op een wlndloozen dag naar buiten

gingen, konden zij zich met eigen oogen er

van overtuigen, dat de rook, zbodra hij ont-

komen is aan den invloed der warme lucht, die

mede-opstijgt uit de schoorsteenen, naar be-

neden zakt. In fabrlekssteden kan men dan ook

dikwijls het opmerkelijke feit waarnemen, dat-

de toppen van hooge gebouwen, van torens en

dergelijke, zich in het zonlicht baden, terwijl

men in de straten «elf haast niet voor zich uit

kan zien van den rook, die er hangt.

Als kind hebt u misschien levertraan inge-

nomen. Om den „naren" smaak wat te ver-

drijven, heeft moeder die toen wellicht in een

beetje melk of koffie gegoten. De meeste men-

schen zijn daardoor gaan meenen, dat olie op

iedere vloeistof blijft drijven. Maar neem de

proef eens om te zien hoe olie zich gedraagt

wanneer ze in een glas brandewijn of jenever

wordt gegoten. Het soortelijk gewicht van

brandewijn is lichter dan van olie e« daarom

zal deze naar beneden zinken, terwijl de bran-

dewijn blijft bovendrijven.

Een misverstand, dat wel eens ernstige ge-

volgen kan hebben, is, dat „sterke drank bac-

teriën 'in water doodt, het met andere woor-

den steriliseert. Niets is echter minder waar.

Bedorven .water blijft even bedorven al mengt

men het met nog zooveel sterken drank!

Een ander waandenkbeeld Is, dat ook de

vorst bacteriën doodt en dat smeltend Ijs daar-

om altijd ongevaarlijk is. Er bestaan talrijke bac-

teriën, die zich zelfs van de strengste koude

niets aantrekken!

De genoemde en andere misverstanden zijn

echter wel zeer moeilijk uit te roeien. Er zijn

er trouwens nog veel meer, zoo bij voorbeeld

dat de bliksem altijd een wsrticalen weg van

den hemel naar de aarde volgt, dat pocwormen

in Iemands ooren kruipen, en dat een huis niet

op zandgrond gebouwd kan worden.

Deze misverstanden zijn al zoo oud, dat men

werkelijk benieuwd kan zijn, of ze wel ooit

verdwijnen zullen ...

Dag Karelsen, hoe gaat het.

•Kom hier uitten. Leege

coupé!

VOORSCHRIFTEN VOOR THEATERBEZOEK.

,rj,t In het stedelijk museum van Bräun-

et ratten een schip verlaten voordat 0 | schwe.o bevindt ^ een interessant

WIE VERTELDE HET AAN DE VOGELS?

o D hel een re,s 8anvan 9 t '


Als men kon nagaan, om welken

Duitschen toonfilmacteur. het

meest gelachen is tot dusver,

dan zou zeker Theo Lingen een der

mededingers naar den prijs zijn. In tien

filmjaren honderd blijspelrollen

dat doet niemand hem na! Al zijn films

hadden dat gemeen, dat geen mensch

den bioscoop verliet zonder gelachen

te hebben!

Het is niet altijd gemakkelijk om

vast te stellen hoeveel invloed een

succesvol komiek op het publiek heeft.

Men zit in den bioscoop, Theo Lingen

maakt een of andere opmerking en men

voelt oogenBlikkclijk zijn lachspieren

werken. Waarom? Ja, als we dat moe-

ten gaan uitpluizen!

Men zou kunnen beweren, dat

Lingen bij de stomme film niet zulk een

doorslaand succes heeft gehad. Het

geheim zou dus voornamelijk in zijn

stem liggen. Zijn toon is zoo hard en

nadrukkelijk, dat we er ons onmogelijk

aan onttrekken kunnen. Ieder woord,

dat hij spreekt, wordt scherp geaccen-

tueerd. Een enkel „Waarom?" uit den

mond van Lingen kan zoowel zijn

medespelers als het geheele publiek in

opwinding brengen. Hij kan de on-

mmmm

^ —

. J . i ..•■(|

benulligste kleinigheden zóó forfnuWren,

het briljante aphorismen worden.

Hij heeft menschen uitgebeeld, die bezeten

zijn door den duivel van het tempo. Menschen,

die bij het loopen, het denken en spreken ter-

nauwernood tijd hebben om adem te halen

en andere menschen,'wier koudbloedige lang-

zaamheid op iemands zenuwen gaat'wérken.

Hij ziet altijd kans om met zijn temperament

buiten het kader van het gewone te vallen.

Als voorbeeld er van brengen we U een paar

films in herinnering. In „Ihr Privatsekretär" gaf

hij zich veel moeite om een uitgeslapen gauw-

dief uit te beelden; in „Der ungetreue Eckehart"

was hij een voorbeeldige echtgenoot; in

„Opernball" een zelfbewuste knecht; in „Hoch-

zeitsreise zu Dritt" een hotclportier; in de film

„Marguerite: 3", die hij zelf regisseerde, een

wel gesitueerde zakenman, die een zeldzaam

vrouwenideaal najaagt; in „Das Abenteuer geht

weiter" een niet uit zijn doen te brengen secre-

taris van een kunstenaar; in „Drunter und

Drüber" een major domus van groot formaat.

En zoo verder, tot aan een toonfilm, die,

heette „Dolly macht Karriere", en die eigenlijk

„Theo macht Karriere' had moeten heeten.

Waarschijnlijk was het Theo's eersteling.

Thans echter moeten we nog wat hooger

tegen hem gaan opzien, want hij is kort geleden

in de rijen der regisseurs getreden. Heel kalm,

heel bedaard, heel serieus ook kwijt hij zich van

deze nieuwe taak.

In geen geval kan men de balans van

de eerste tien jaren der toonfilm opmaken

zonder het vroolijke

debet van Theo Lingens

naam.

Waarschijnlijk zal die

ook in de toekomst nog

wel te boek staan!

More magazines by this user
Similar magazines