21.09.2013 Views

Download PDF

Download PDF

Download PDF

SHOW MORE
SHOW LESS

You also want an ePaper? Increase the reach of your titles

YUMPU automatically turns print PDFs into web optimized ePapers that Google loves.

ARCHEOLOGIE CULTUURLANDSCHAP MONUMENTENZORG<br />

STEDELIJKE<br />

WOONCULTUUR<br />

IN DEVENTER<br />

JAARGANG 2 • NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

O N A F H A N K E L I J K V A K T I J D S C H R I F T V O O R<br />

BUNKERS<br />

IN HET DUIN<br />

FORUM: NAAR EEN JURIDISCH DWINGBARE ERFGOEDTOETS?<br />

MONUMENTENZORG<br />

IN HET<br />

WOONINTERIEUR<br />

KORT: MONUMENT AAN DE A10 • ESSAY POST-BELVEDERETIJDPERK • REFLECTIE OP DE CULTUURHISTORICUS<br />

• WONEN IN DE BRONSTIJD • BEGRAVINGSLANDSCHAPPEN • RECENT VERSCHENEN • AGENDA • EN MEER


Vitruvius:wie<br />

erachter<br />

staat<br />

staat<br />

voorop.<br />

Een SPONSOR VAN VITRUVIUS geniet voordelen:<br />

Bereik 4x per jaar uw doelgroep met een vakblad van hoogstaand niveau,<br />

gemaakt i.s.m. de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en<br />

Monumenten (RACM) en organisaties van naam<br />

Profileer uw organisatie als betrokken bij goede kennisuitwisseling<br />

en als cultuur-minnend<br />

Krijg de mogelijkheid tot publiceren, adverteren en meehelpen richting geven<br />

Steun een vernieuwend platform<br />

(tot op heden het enige dat archeologie+cultuurlandschap+monumentenzorg verbindt)<br />

Profiteer van het sterke imago van Vitruvius.<br />

Bel de uitgever Educom 010-425 6544 en zeg:<br />

‘Wij staan erachter’. Educom zet u erin.


itruvius<br />

inhoud<br />

ARCHEOLOGIE CULTUURLANDSCHAP MONUMENTENZORG<br />

A C M<br />

32<br />

STEDELIJKE WOONCULTUUR<br />

IN DEVENTER<br />

WONINGEN<br />

MET UITZICHT<br />

FORUM<br />

44<br />

NAAR EEN JURIDISCH<br />

DWINGBARE<br />

ERFGOEDTOETS?<br />

20<br />

BUNKERS<br />

IN HET DUIN<br />

REAGEREN?<br />

REACTIES OP ARTIKELEN<br />

IN DEZE UITGAVE<br />

KUNNEN TOT 15 FEBRUARI<br />

2009 NAAR DE UITGEVER<br />

WORDEN GESTUURD.<br />

KORT PAG 4-10: NIEUWE EIGENAAR ‘MONUMENT AAN DE A10’ • POST-BELVEDERETIJDPERK’ AAN PLASTERK AANGEBODEN •<br />

REFLECTIE OP CULTUURHISTORICUS • GPNV-PRIJS • STINZEN EN STATEN’ BEDREIGD • SYMPOSIUM ‘BODEMSCHATTEN<br />

EN NATUURONTWIKKELING • BEGRAVINGSLANDSCHAPPEN IN NOORD-WEST-EUROPA EN MEER<br />

RECENT VERSCHENEN PAG 10-11, 46-51 • AGENDA PAG 52-53<br />

1<br />

12<br />

‘NEDERLANDS’<br />

HOUT OP DRIFT<br />

26<br />

MONUMENTENZORG IN<br />

HET WOONINTERIEUR<br />

40<br />

TUFSTEEN IN NEDERLAND


UITGEVER/<br />

BLADMANAGER<br />

Robert Diederiks<br />

REDACTIE<br />

Drs. J.E. Abrahamse<br />

Drs. H.G. Baas<br />

mw. Drs. P.J. Braaksma<br />

R.P.H. Diederiks<br />

Ir. M. van Hunen<br />

mw. Drs. M. Kapelle<br />

Dr. H.C.M.Kleijn<br />

Dr. R.C.G.M. Lauwerier<br />

S.A. Muller<br />

mw. Dr. E.M. Theunissen<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

Vitruvius is een informatief,<br />

promotioneel, onafhankelijk<br />

vaktijdschrift dat beoogt<br />

kennis en ervaring uit te<br />

wisselen, inzicht<br />

te bevorderen en<br />

REDACTIERAAD<br />

Dr. (C.H.M.) de Bont<br />

Wageningen Universiteit<br />

Drs. H.M.P. (Jeroen) Bouwmeester<br />

Synthegra<br />

Drs. D.E. (Dorien) Fröling ADC<br />

Drs. B. Goudswaard<br />

Past2Present/Archeologic<br />

Dr. T.G. (Timo) Nijland TNO<br />

Dr. R.J. (Reinout) Rutte TU Delft<br />

Prof.Dr.Ir. M. (Theo) Spek<br />

RACM, Rijksuniversiteit Groningen<br />

Ir. F.G.M. (Frank) Véhof NRf<br />

Ir. G.A. (Gerdy) Verschuure-Stuip<br />

TU Delft<br />

C O L O F O N<br />

2<br />

belangstelling te kweken<br />

voor de vakgebieden<br />

archeologie,cultuurlandschap<br />

en monumentenzorg.<br />

www.vakbladvitruvius.nl<br />

EEN UITGAVE VAN MET MEDEWERKING VAN<br />

NV Amersfoortse Maatschappij<br />

tot Stadsherstel<br />

Postbus 842<br />

3800 AV Amersfoort<br />

Tel. 033-460 5020<br />

www.stadsherstelamersfoort.nl<br />

Uitgeverij Educom BV<br />

Mathenesserlaan 347<br />

3023 GB Rotterdam<br />

Tel. 010-425 6544<br />

Fax 010-425 7225<br />

E-mail info@uitgeverijeducom.nl<br />

www.uitgeverijeducom.nl<br />

S U B - S P O N S O R S<br />

Projectbureau<br />

Belvedere<br />

Postbus 389<br />

3500 AJ Utrecht<br />

Tel. 030-230 5010<br />

www.belvedere.nu<br />

Synthegra bv<br />

Doetinchemseweg 61A<br />

7007 CB Doetinchem<br />

Tel. 0314-36 99 40<br />

www.synthegra.com<br />

Rijksdienst voor<br />

Archeologie,<br />

Cultuurlandschap<br />

en Monumenten<br />

(RACM)<br />

M E D E - O N D E R S T E U N E R S<br />

Past2Present-ArcheoLogic<br />

Pelmolenlaan 12-14<br />

3447 GW Woerden<br />

Tel. 0348-437 788 Fax. 437 789<br />

info@archeologic.nl<br />

www.archeologic.nl<br />

ABONNEMENTEN<br />

Nederland 4 nrs/jaar E 45.-<br />

België 4 nrs/jaar E 55.-<br />

Voor betaling wordt een factuur<br />

verzonden. Vermeld bij correspondentie<br />

altijd het abonneenummer (zie de<br />

factuur). Tijdige betaling garandeert<br />

regelmatige toezending.<br />

Abonnementen lopen automatisch<br />

door. Opzeggingen (uitsluitend<br />

schriftelijk per aangetekend schrijven)<br />

dienen uiterlijk twee maanden voor<br />

afloop van de abonnementsperiode<br />

in ons bezit te zijn.<br />

Nationaal<br />

Restauratiefonds<br />

Postbus 15, 3870 DA Hoevelaken<br />

Tel. 033-253 9439<br />

info@restauratiefonds.nl<br />

www.restauratiefonds.nl<br />

ADC ArcheoProjecten<br />

Nijverheidsweg-Noord 114<br />

3812 PN Amersfoort<br />

Postbus 1513, 800 BM Amersfoort<br />

Tel. 033-299 8181 Fax 299 8180<br />

www.archeologie.nl<br />

LEZERSSERVICE /<br />

NABESTELLINGEN<br />

Adresmutaties/abonnementen<br />

en nabestellingen doorgeven<br />

via info@uitgeverijeducom.nl<br />

© Copyrights Uitgeverij Educom BV<br />

JANUARI 2009.<br />

Niets uit deze uitgave mag worden<br />

gereproduceerd door middel van<br />

boek-druk, foto-offset, fotokopie,<br />

microfilm of welke andere methode<br />

dan ook, zonder schriftelijke<br />

toestemming van de uitgever.<br />

ISSN 1874-5008


In de allereerste redactieraadvergadering van Vitruvius op<br />

18 november jl., is onder andere gesproken over wie nu<br />

eigenlijk de doelgroepen van het vakblad zijn en in welk<br />

segment van de cultuurhistorische bladenmarkt dit tijdschrift<br />

is gepositioneerd.<br />

De primaire doelgroep bestaat uit iedereen die vanuit zijn of<br />

haar professie werkzaam is in de archeologie, het cultuurlandschap<br />

of de monumentenzorg. Dat zijn wetenschappers, maar<br />

ook ambtenaren en studenten bijvoorbeeld.<br />

De secundaire doelgroep bestaat uit geïnteresseerden die semiprofessioneel<br />

of op andere wijze betrokken zijn bij<br />

één of meerdere van de drie vakgebieden.<br />

Als het gaat om de positionering van Vitruvius,<br />

zie je dat het zich beweegt tussen een wetenschappelijk<br />

en een populair wetenschappelijk blad in;<br />

het is een vaktijdschrift waarin de lezer een<br />

variëteit aan onderwerpen vindt.<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

VITRUVIUS EN HET ‘IN ELKAAR’<br />

SCHUIVEN’ VAN VAKGEBIEDEN<br />

Daarom juichen we bijvoorbeeld het ontstaan van het wetenschappelijke<br />

en digitale tijdschrift Journal of Archaeology in the<br />

Low Countries (www.jalc.nl) van harte toe en zien we dit<br />

initiatief niet als een bedreiging, maar veel meer als een<br />

welkome aanvulling en verrijking van het cultuurhistorische<br />

mediaspectrum.<br />

Om in marketingtermen te blijven: het Unique Selling Point<br />

van Vitruvius is dat we drie vakgebieden archeologie, cultuurlandschap<br />

en monumentenzorg bestrijken, vakgebieden die<br />

steeds meer ‘in elkaar schuiven’. Uiteindelijk zullen artikelen<br />

in Vitruvius – zo is ook de wens van de redactieraad<br />

– straks niet meer met kopjes ‘A’, ‘C’ of ‘M’<br />

worden aangeduid, zodat er op termijn helemaal<br />

geen sprake meer is van verschotting; niet in het<br />

veld en niet in ons tijdschrift.<br />

Tot slot: op www.vakbladvitruvius.nl vindt u<br />

alle voorgaande edities en u kunt ze kostenloos<br />

downloaden.<br />

— De redactie


K ort<br />

BANKGIRO LOTERIJ MAAKT RESTAURATIE DOOR<br />

VERENIGING HENDRICK DE<br />

KEYSER MOGELIJK<br />

NA 250 JAAR<br />

NIEUWE EIGENAAR<br />

VOOR ‘MONUMENT AAN A10’<br />

Voor het eerst sinds 250 jaar heeft het<br />

Gemeenlandshuis aan de Diemerzeedijk<br />

in Amsterdam een nieuwe<br />

eigenaar. Op 21 oktober jl. is de akte gepasseerd<br />

waarmee het waterschap Amstel, Gooi<br />

en Vecht (AGV) het Gemeenlandshuis heeft<br />

overgedragen aan Vereniging Hendrick de<br />

Keyser, de landelijk werkende vereniging die<br />

zich inzet voor het behoud van historische<br />

architectuur. Het Gemeenlandshuis is prominent<br />

zichtbaar vanaf de Amsterdamse ringweg<br />

A10. Gelegen op de dijk, omringd door<br />

water, dicht bij IJburg, is het een bekend<br />

punt voor de dagelijkse filerijders.<br />

Het Gemeenlandshuis is bijna tweeëneenhalve<br />

eeuw het statige onderkomen geweest<br />

van het ‘Hoogheemraadschap van den Zeeburg<br />

en Diemerdijk’. Dit roemruchte waterschap<br />

beheerde de dijk van de Zuiderzee<br />

tussen Amsterdam en Muiden. In 1727<br />

verrees het gebouw op de plaats van de oude<br />

herberg ‘daar de jager uithangt’, waar al sinds<br />

1609 werd vergaderd. Het bestuur van het<br />

waterschap gebruikte het Gemeenlandshuis,<br />

dat vrij uitzicht had op zee, als vergaderruimte,<br />

secretarie en uitvalsbasis bij dijkbewaking.<br />

De hoogheemraden konden er overnachten<br />

in bedsteden en de inwonende<br />

opzichter was ook kastelein.<br />

Vooraanstaande ambachtslieden werden aangetrokken<br />

voor de bouw en afwerking, waaronder<br />

kostbaar houtsnijwerk, stucwerk en<br />

smeedwerk. Ontwerp en bestek werden<br />

geleverd door de Amsterdamse timmermansbaas<br />

Cornelis van der Does. Cornelis van der<br />

Hoeven, ‘metselaarsbaas tot Amsterdam’ was<br />

verantwoordelijk voor de bouw. Het indrukwekkende<br />

stucwerk in Lodewijk XIV-stijl in<br />

de hal werd gemaakt door de stucwerker<br />

Christiaan Wittenbeeker. Kort na de oplevering<br />

verrezen achter het gebouw twee koets-<br />

huizen waarmee een symmetrische tuinaanleg<br />

werd gerealiseerd alsof het een voorname<br />

buitenplaats betrof. Een virtuele rondleiding<br />

is te zien op www.agv.nl.<br />

De overdracht door het waterschap heeft als<br />

doel het gebouw voor de toekomst veilig te<br />

stellen. Een restauratie is in voorbereiding.<br />

Deze betreft voornamelijk funderingswerk<br />

en constructief herstel van balklagen. Het<br />

Gemeenlandshuis zal na de restauratie in<br />

gebruik blijven voor bijeenkomsten en vergaderingen<br />

van het waterschap en krijgt een<br />

meer openbare bestemming. De overdracht<br />

aan ‘Hendrick de Keyser’ en de restauratie<br />

van dit historische en beeldbepalende monument<br />

zijn alleen mogelijk door financiële<br />

steun van de BankGiro Loterij.<br />

4


K ort VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

ESSAY ‘HET POST-BELVEDERETIJDPERK’<br />

AAN PLASTERK AANGEBODEN<br />

Onlangs is een essay verschenen aan<br />

de hand van prof. dr. J.E. (Koos)<br />

Bosma, met als titel ‘Het post-<br />

Belvederetijdperk: Cultuurhistorisch beleid verankerd<br />

in de ruimtelijke ordening en in de ontwerpopgave’.<br />

Het essay is geschreven in<br />

opdracht van de toenmalige rijksadviseur<br />

voor het cultureel erfgoed Fons Asselbergs.<br />

Het essay is op 3 september, namens het<br />

voormalige Collega van Rijksadviseurs, door<br />

Asselbergs aangeboden aan onze minister<br />

van OCW, dhr. Plasterk.<br />

Op 15 november 2005 heeft de toenmalige<br />

staatssecretaris van OCW, Medy van der<br />

Laan, aan het College van Rijksadviseurs een<br />

advies gevraagd over architectuur- en belvederebeleid.<br />

Eén van de vragen die ze stelde<br />

had betrekking op de vraag: ‘Hoe kan de<br />

opgebouwde kennis over ontwikkelingsgericht<br />

inzetten van cultuurhistorie bij ruimtelijke<br />

opgaven verder worden verankerd in<br />

het architectuurbeleid na 2008?’. Voor het<br />

beantwoorden heeft het college, om haar<br />

advies te onderbouwen, aan prof. dr. J.E.<br />

Het nieuwe stadsdeel Leidsche Rijn<br />

bij Utrecht krijgt elke dag verder<br />

gestalte. De nieuwbouw neemt het<br />

oude landschap in bezit, maar biedt tegelijkertijd<br />

ook ruimte aan ‘wat tot voor kort was’<br />

en maakt op sommige plekken het verre verleden<br />

opnieuw zichtbaar. De cultuurhistorie<br />

van het gebied is terug te vinden in de stedenbouwkundige<br />

opzet, in de vormgeving<br />

van de openbare ruimte en objecten en in<br />

activiteiten voor nieuwe bewoners. In samenwerking<br />

met de Rijksdienst voor Archeologie,<br />

Cultuurlandschap en Monumenten en<br />

Bosma gevraagd over dit onderwerp een<br />

essay te schrijven. Het essay wordt voorafgegaan<br />

door het advies. Hierin is te lezen dat<br />

het college van mening is dat in het post-<br />

Belvedere tijdperk met name de volgende<br />

twee noties van belang zijn:<br />

1. Het zoeken naar de optimale verhouding<br />

tussen oud en nieuw, tussen behoud en ontwikkeling,<br />

vergt van ontwerpers en opdrachtgevers<br />

een dynamische kijk op de cultuurhistorische<br />

component en een integrale<br />

benadering. Als de externe financiële impuls<br />

na 2009 is verdwenen, en ook de programmatische<br />

ondersteuning, zal deze opgave<br />

‘geëmancipeerd’ moeten worden opgepakt.<br />

Dat kan volgens het college alleen als de<br />

meerwaarde van die gelaagde benadering en<br />

het samengaan van oud en nieuw door<br />

betrokken partijen als vanzelfsprekend wordt<br />

gezien. De gewenste integrale benadering<br />

zou - met name bij majeure transformaties -<br />

geborgd kunnen worden door het opstellen<br />

van protocollen voor voorverkenning en ontwerpend<br />

onderzoek.<br />

2. Cultuurhistorie moet een sterke positie<br />

de gemeente Utrecht heeft projectbureau<br />

Belvedere een onderzoek laten uitvoeren<br />

naar de inbreng en rol van cultuurhistorici in<br />

het planproces van Leidsche Rijn en andere<br />

gebiedsontwikkelingen. Deze review is uitgevoerd<br />

door onderzoeksbureau Royal Haskoning.<br />

Het onderzoek geeft inzicht in het<br />

functioneren van de cultuurhistorische<br />

beroepsgroep in gebiedsontwikkelingen en<br />

ruimtelijke transformaties. De review gaat in<br />

op de vraag hoe je de kans vergroot dat de<br />

cultuurhistorie – nadat de laatste bouwkeet is<br />

verdwenen – vergroeid is met de nieuwe<br />

5<br />

krijgen (en behouden) in de ruimtelijke<br />

ordening en inrichting. Belvedere dient in<br />

alle fasen van transformaties regulier gedachtegoed<br />

et zijn. De vroegtijdige betrokkenheid<br />

van ontwerpend onderzoek kan als belangrijk<br />

voertuig fungeren om dit te bereiken.<br />

Het verder verankeren van het Belvederegedachtegoed<br />

moet verder ondersteund worden<br />

door goed doordachte programma's voor<br />

de ontwikkeling en overdracht van kennis.<br />

Het projectbureau Belvedere – dat 31 december<br />

2009 haar deuren sluit – moet volgens het<br />

college intensief worden betrokken bij deze<br />

overdracht van kennis. Het advies sluit af<br />

met een zin die belangrijk is om ook hier te<br />

herhalen: ‘De toekomstige ontwerpopgave<br />

zal steeds meer een transformatieopgave zijn<br />

waarbij de cultuurhistorische bagage voorziet<br />

in de leeftocht voor de toekomst. De cultuurhistorie<br />

levert op deze wijze een bijdrage<br />

aan de nieuwe cultuur.’<br />

Uitgave: Atelier Rijksbouwmeester, Den Haag,<br />

2008. ISBN 978-90-73525-44-3<br />

‘LEVEND VERLEDEN’:<br />

REFLECTIE OP<br />

INZET EN ROL<br />

CULTUURHISTORICUS<br />

omgeving. Wat kan de cultuurhistoricus<br />

daaraan bijdragen? Over welke vaardigheden<br />

moet hij beschikken? Welke kennis moet hij<br />

op welk moment aanleveren? Hoe kan hij de<br />

cultuurhistorische ambitie proberen te borgen;<br />

bestuurlijk, procesmatig en naar de toekomst<br />

toe? De review geeft inzicht in de<br />

manier waarop de inhoudelijke inbreng en<br />

persoonlijke inzet van cultuurhistorici het<br />

eindresultaat van een gebiedsontwikkeling<br />

kunnen beïnvloeden. Aan bod komen ook de<br />

zwakke plekken en de ideeën die cultuurhistorici<br />

hebben om deze te versterken.<br />

De publicatie is als <strong>PDF</strong> te downloaden op:<br />

www.belvedere.nu


K ort<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

HAAGSE STADSARCHEOLOGE WINT GPNV 2008<br />

‘STINZEN EN STATEN’<br />

WORDEN BEDREIGD<br />

DOOR DE POLITIEK<br />

Ruim zestig kastelen, stinzen en staten<br />

die Friesland rijk is, worden bedreigd<br />

in hun bestaan. Dat stelde Annemiek<br />

Wielinga van de Nederlandse Kastelenstichting<br />

(NKS) op 4 november<br />

2008 in een pleidooi dat<br />

ze hield bij de jaarvergadering<br />

van de stichting Stinzen<br />

en Staten.<br />

Volgens Wielinga worden<br />

de kastelen bedreigd door<br />

gemeenten, projectontwikkelaars<br />

en soms zelfs natuur-<br />

De Haagse stadsarcheologe Monique<br />

van Veen heeft de Grote Prijs der<br />

Nederlandse Veldarcheologie 2008<br />

gewonnen. Deze nationale prijs wordt jaarlijks<br />

uitgereikt op de Reuvensdagen aan een<br />

veldarcheoloog met een opvallende staat van<br />

dienst in de archeologie.<br />

Monique van Veen studeerde prehistorie aan<br />

de universiteit van Leiden en heeft zich daarnaast<br />

in Amsterdam gespecialiseerd in de<br />

middeleeuwse archeologie. In 1990 kwam zij<br />

in dienst bij de gemeente Den Haag.<br />

Sindsdien heeft zij veel veldonderzoek uitgevoerd,<br />

vooral naar middeleeuwse en postmiddeleeuwse<br />

bewoningssporen in de binnen-<br />

organisaties. Wielinga stelt dat<br />

het historisch erfgoed wordt<br />

bedreigd door wetgeving romdom<br />

ruimtelijke ordening,<br />

door geldgebrek en vooral ook<br />

door nieuwbouw op het historisch<br />

terrein rondom kastelen.<br />

6<br />

stad van Den Haag. In de loop der jaren heeft<br />

zij zich ontwikkeld tot een toonaangevende<br />

specialist in de middeleeuwse en post-middeleeuwse<br />

bewoningsgeschiedenis van Den<br />

Haag.<br />

Veel publicaties, zowel wetenschappelijke<br />

rapporten als publieksboeken, zijn van haar<br />

hand verschenen. Haar vakkennis en ervaring<br />

in de archeologie zijn volgens haar<br />

collega’s van onschatbare waarde voor de stad<br />

Den Haag.<br />

De jury van de Grote Prijs van de Nederlandse<br />

Veldarcheologie 2008 bestond uit<br />

Peter Deunhouwer, Benedict Goes en gelegenheidslid<br />

Hans Koot.<br />

Als voorbeeld noemt ze het Overijsselse<br />

kasteel Eerde (afbeeldingen), bedreigd<br />

doordat beheerder Natuurmonumenten<br />

volgens haar meer oog heeft voor natuur<br />

dan voor historische waarde. Ook in<br />

Utrecht is een stuk grond door de<br />

gemeente verkocht voor huizen in het<br />

duurdere segment.<br />

Wielinga pleit voor meer aandacht voor<br />

het historisch erfgoed. De laatste tijd<br />

heeft ze vooral ook oog gekregen voor de<br />

landerijen rondom kastelen en stinzen. De weg<br />

naar de rechtsgang schuwt Wielinga niet. In<br />

een enkel geval procedeerde haar stichting<br />

ruim tien jaar om nieuwbouw te voorkomen.<br />

Met succes, want de betreffende gemeente<br />

heeft het daarna opgegeven.


K ort VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

SYMPOSIUM ‘BODEMSCHATTEN EN<br />

NATUURONTWIKKELING,<br />

HET VERDRAG VAN MALTA<br />

IN DE PRAKTIJK’<br />

Op 23 september jl. organiseerden<br />

Stichting Probos, projectbureau<br />

Belvedere en de Rijksdienst voor<br />

Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten<br />

een voorlichtingsmiddag over Malta.<br />

Doelgroep: bos- en natuurbeheerders.<br />

In het prachtige kasteel Hernen in de<br />

gemeente Hernen (prov. Gelderland) werden<br />

de deelnemers ontvangen met een broodjeslunch<br />

en een stukje theorie over de nieuwe<br />

wet op de archeologische monumentenzorg.<br />

Onder leiding van Jo Latijnhouwers van Het<br />

Geldersch Landschap werd een veldworkshop<br />

georganiseerd waarbij van de deelnemers<br />

werd gevraagd na te denken over<br />

ruimtelijke vraagstukken en dan specifiek op<br />

het gebied van de bos- en natuurontwikkeling<br />

met Malta in het achterhoofd.<br />

Jo is ook projectleider van het project<br />

‘Stappen in de toekomst’, dat als hoofddoelstelling<br />

heeft: herstel en ontwikkeling van<br />

het cultuurlandschap in de aangewezen<br />

gebieden (Het Rijk van Nijmegen en het Land<br />

van Maas en Waal), het creëren van gebiedseigen<br />

verbindingen tussen stad en platteland<br />

7<br />

en het scheppen van randvoorwaarden voor<br />

het duurzaam beheer van dat landschap en<br />

die verbindingen. In dit grootschalig, meerjarig<br />

project heeft men uiteraard ook met<br />

de nieuwe wet op de archeologische monumentenzorg<br />

te maken gekregen. Door tijdig,<br />

in goed overleg en creatief te opereren is het<br />

vooralsnog niet nodig geweest of een groot<br />

deel van het projectgeld te besteden aan<br />

archeologisch (voor-)onderzoek of deelplannen<br />

niet uit te voeren.


K ort<br />

MONUMENTAAL<br />

DRIELUIK<br />

GERESTAUREERD<br />

In Museum Elisabeth Weeshuis te<br />

Culemborg is de tentoonstelling Zien<br />

doet geloven – vijf eeuwen bijbelverhalen in<br />

beeld te zien met religieuze schatten uit<br />

Culemborg en Zaltbommel. Daaronder, als<br />

glorieus middelpunt in de permanente<br />

opstelling, het drieluik van de Culemborgse<br />

schilder Jan Deys Geritsz. uit 1573. Dit<br />

fraaie voorbeeld van Gelders religieus erfgoed<br />

is ter gelegenheid van het festival<br />

Geloven in Gelderland gerestaureerd en sinds<br />

Op woensdag 3 september 2008<br />

promoveerde archeoloog Stijn<br />

Arnoldussen aan de Universiteit<br />

Leiden op zijn proefschrift ‘A Living landscape<br />

– Bronze Age settlement sites in the Dutch<br />

river area (c. 2000-800 BC)’. Hierin beschrijft<br />

Arnoldussen hoe en waar mensen leefden in<br />

het uitgestrekte rivieren- en deltalandschap<br />

van Midden Nederland. Waarom woonden<br />

deze prehistorische boeren in een dergelijk<br />

landschap en hoe structureerden zij hun<br />

nederzettingen? Op basis van enkele groot-<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

begin november weer te bezichtigen door<br />

het publiek. De nieuwe opstelling met het<br />

drieluik is permanent. De tentoonstelling<br />

Zien doet geloven is onderdeel van het provinciale<br />

festival Geloven in Gelderland en duurt<br />

schalige opgravingen in het rivierengebied<br />

zal de auteur het culturele landschap proberen<br />

te reconstrueren. Het boek geeft een<br />

overzicht van alle ontwikkelingen ten aanzien<br />

van locatiekeuze voor nederzettingen en<br />

veranderingen in nederzettingsarchitectuur,<br />

beginnend in het Midden-Neolithicum tot<br />

aan de IJzertijd. Uiteraard wordt dit alles in<br />

een bredere context geplaatst met gebruikmaking<br />

van andersoortige vindplaatsen zoals<br />

graven en rituele deposities.<br />

De basis van dit boek wordt gevormd door<br />

8<br />

t/m 15 maart. Het festival vraagt hiermee<br />

tevens aandacht voor (de noodzaak van)<br />

behoud en onderhoud van Gelders religieus<br />

erfgoed.<br />

‘A LIVING LANDSCAPE’: WONEN IN DE BRONSTIJD<br />

‘BELEEF TOEN NU!’: 50X<br />

HISTORISCH NEDERLAND<br />

Corine Koolstra en Maarten Hell<br />

schreven in samenwerking met Anno<br />

en Stichting entoen.nu het boek<br />

Beleef toen nu! In deze publicatie nemen zij de<br />

lezer mee naar vijftig plaatsen in Nederland<br />

die herinneren aan belangrijke historische<br />

gebeurtenissen. De keuze voor de plaatsten<br />

die zijn bezocht, zijn afkomstig uit de Canon<br />

van Nederland, die in 2006 is opgesteld.<br />

In Beleef toen nu! staat niet alleen achtergrondinformatie<br />

over de vijftig hoogtepunten<br />

uit onze vaderlandse geschiedenis, maar<br />

tevens informatie over wat er te plekke nog<br />

van deze geschiedenis te zien is.<br />

meer dan 50 grote opgravingen die samen<br />

meer dan 300 huisplattegronden opgeleverd<br />

hebben. Daarmee bevat dit boek verreweg<br />

rijkste data-set van bronstijd nederzettingen<br />

die tot op heden is gepubliceerd en is daarmee<br />

een must-have voor iedereen geïnteresseerd<br />

in nederzettingsarcheologie. De bijlagen<br />

verschenen als apart boek. Hierin worden<br />

diverse sites in detail behandeld.<br />

Beide boeken zijn nu verkrijgbaar bij Sidestone<br />

Press - www.sidestone.nl


K ort VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

BEGRAVINGSLANDSCHAPPEN IN<br />

NOORD-WEST-EUROPA<br />

BEDISCUSSIEERD<br />

Verslag van een internationaal<br />

congres in het Duitse Ruhrgebied<br />

LIESBETH THEUNISSEN<br />

Het landschap van de Ruhr Pott werkt<br />

vervreemdend op een treinreiziger.<br />

Vlak na de grensovergang bij<br />

Arnhem trekken hoge mijnschachten, roestbruine,<br />

ijzeren installaties en volkstuintjes<br />

waar de Duitse driekleur veelvuldig wappert,<br />

aan je voorbij. Het is in een oogopslag duidelijk:<br />

dit is een landschap waar de overblijfselen<br />

van een intensief industrieel verleden<br />

prominente tekens zijn en waar het Duits<br />

zijn benadrukt wordt.<br />

Het eindpunt van de reis bleek van een<br />

andere visuele schoonheid te zijn. Het Westfälisches<br />

Landesmuseum für Archäologie in<br />

Herne toont een prachtige archeologische<br />

collectie waarmee de langetermijngeschiedenis<br />

van Westfalen – tot en met de Tweede<br />

Wereldoorlog – wordt toegelicht. 1<br />

Van 15 tot en met 18 oktober waren in het<br />

museum ruim honderd archeologen samen-<br />

gekomen om zich te buigen over het thema<br />

‘Gräberlandschaften der Bronzezeit’. Het was<br />

niet de eerste keer dat er een internationale<br />

discussie over dit onderwerp werd gevoerd;<br />

al tweemaal eerder stonden workshops van<br />

de European Association for Archaeology in<br />

het teken van de ‘Archaeology of Burial<br />

Mounds’. 2 Het congres in Herne was georganiseerd<br />

door de Franse vereniging APRAB<br />

(Association pour la Promotion des Recher-<br />

9<br />

ches sur l’Age du Bronze) en het LWL-<br />

Archäologie für Westfalen. Het resultaat<br />

leidde niet eens tot een Babylonische spraakverwarring,<br />

want alle lezingen en discussies<br />

werden simultaan vertaald. INRAP – hét<br />

onderzoeksinstituut van Frankrijk die het<br />

leeuwendeel van de archeologische opgravingen<br />

voor zijn rekening neemt – financierde de<br />

vertaalkosten.<br />

De Franse en Duitse archeologen mochten<br />

hun archeologische begravingsrijkdom in<br />

hun moedertaal presenteren, terwijl het<br />

Engels – de voertaal voor het handjevol Nederlanders<br />

en Britten – werd gedoogd. Het was<br />

jammer dat de afvaardiging uit Denemarken<br />

– toch goed voor 86.000 grafheuvels – beperkt<br />

bleef tot de sessievoorzitter ‘grand old man’<br />

Henrik Thrane (1934). In zijn afsluitende<br />

woord bekende hij onmiddellijk dat grafheuvels<br />

zijn lievelingsobjecten zijn; ze zitten<br />

boordevol informatie over het verleden en<br />

niet één is hetzelfde.<br />

Grafheuvels, waartoe ook de urnenvelden<br />

werden gerekend, lenen zich uitermate goed<br />

voor een internationaal forumdiscussie: ze<br />

zijn grensoverschrijdend en kennen een uitgestrekt<br />

verspreidingsgebied; in Europa,<br />

maar ook daarbuiten.<br />

Het programma van vijftig voordrachten en<br />

posterpresentaties was thematisch verdeeld.<br />

Op het breedste niveau kwam de ruimtelijke<br />

verspreiding van de begravingen in het landschap<br />

aan bod, inclusief GIS-achtige toepassingen.<br />

Op grafveldniveau laaide de discussie<br />

over continuïteit en discontinuïteit op. Wat


K ort VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

zijn de gebruiksfasen binnen een begravingslandschap,<br />

wanneer kan men spreken van<br />

hergebruik van oudere grafmonumenten en<br />

in welke vorm ‘eindigt’ grafveld, als ‘gestapelde’<br />

begravingslocatie of als een ‘ritueel<br />

theater’? Op de schaal van de heuvel en het<br />

graf lag de nadruk vooral op de aangetroffen<br />

doden en hun bijgiften. De twee perspectieven<br />

van interpretatie, de één vanuit de<br />

begraven mens en de ander vanuit het landschap<br />

zijn geïnspireerd door het boek Beyond<br />

the Grave van Jonathan Last. 3 Een must voor<br />

de liefhebber.<br />

De meer theoretische gedachtes kwamen pas<br />

op de laatste middag goed op gang. Kennelijk<br />

was de beschikbare tijd (20 minuten) te<br />

krap om net iets verder te komen dan een<br />

bespreking van de locatie, chronologie en het<br />

gevondene. Toch bood het interessante<br />

aanknopingspunten, als ‘eye opener’, maar<br />

ook als inspiratiebron.<br />

Naast een serie onderzoeken waar door tracé-<br />

R ecent<br />

V erschenen<br />

aanleg en woningbouw incomplete grafvelden<br />

aan het licht waren gekomen, kwamen<br />

volledig gestripte landschappen voorbij. Zo<br />

kiezen de Kentse archeologen voor het grootschalig<br />

openleggen van te bebouwen gebieden.<br />

Pas wanneer men zicht heeft op de<br />

verspreiding en aard van de archeologische<br />

sporen, wordt een besluit genomen. Peter<br />

Clark gaf onmiddellijk toe dat het wel een<br />

dure aanpak is, maar weten waar de archeologie<br />

niet zit, is belangrijke informatie bij<br />

een landschapsbenadering.<br />

De variatie aan begravingsvormen in Noordwest-Europa<br />

en de aanpak daarin, bleek<br />

eveneens zeer divers: van vlakgraven gevuld<br />

met goedgeconserveerde skeletten of crematieresten<br />

zonder bijbehorend heuvellichaam tot<br />

heuvels die op minutieuze, tell-achtige wijze<br />

worden afgepeld, tot het aanleggen van een<br />

diepe sleuf dwars over een grafheuvel op de<br />

Russische steppe om zo snel het centrale<br />

wagengraf vrij te leggen.<br />

TITEL Handboek Duurzame Monumentenzorg<br />

AUTEURS Evert Jan Nusselder, Huub van de Ven, Michiel Haas en Birgit Dulski<br />

UITGAVE SBR<br />

DETAILS Genaaid gebrocheerd, 242 pagina’s, full colour, geïllustreerd<br />

ISBN: 978-90-5367-484-0. Prijs € 125,-<br />

Het Handboek Duurzame<br />

Monumentenzorg is met recht<br />

een ‘monumentale’ handleiding.<br />

Dit naslagwerk laat zien dat juist<br />

bij monumentwaardige of waardevolle<br />

historische gebouwen de<br />

kansen voor duurzaam bouwen<br />

ongekend groot zijn! Het boek<br />

is mede mogelijk gemaakt door<br />

de Rijksdienst voor Archeologie,<br />

Cultuurlandschap en Monumenten<br />

(RACM) en de Rijksgebouwendienst<br />

(Ministerie<br />

van VROM).<br />

Het handboek Duurzame<br />

Monumentenzorg is praktisch<br />

van opzet. Praktijkvoorbeelden<br />

schetsen hoe u met één strategie<br />

verschillende oplossingen voor<br />

een dumo-vraagstuk kunt vinden.<br />

In totaal zijn 20 strategieën ontwikkeld.<br />

Strategieën, die recht<br />

doen aan het behoud van de<br />

monumentale waarden én het<br />

milieu.<br />

Dit boek gaat uitgebreid in op<br />

de vraag hoe geavanceerde<br />

technische (dubo-)oplossingen<br />

inpasbaar zijn in monumenten.<br />

En hoe u om kunt gaan met<br />

comforteisen die ten tijde van<br />

de bouw van monumenten van<br />

een geheel andere orde waren.<br />

Een eeuwenoud pand blijft een<br />

eeuwenoud pand. Maar van het<br />

handboek Duurzame Monumen<br />

tenzorg mag u verwachten dat<br />

u verrassende strategieën aangereikt<br />

krijgt voor uiteenlopende<br />

comforteisen. Van het doos-in-<br />

10<br />

een-doosconcept tot de toepassing<br />

van klimaatgevels. Van thermische<br />

buffers tot reversibel bouwen.<br />

Het handboek bestaat uit<br />

drie delen:<br />

– Een speciaal ontwikkeld<br />

DuMo-instrument. Een handig<br />

rekenmodel dat u in de praktijk<br />

kunt gebruiken om diverse<br />

DuMo-strategieën op hun<br />

wenselijkheid door te rekenen;<br />

Met die DuMo-coëfficient kunt<br />

u eenduidig communiceren<br />

met de partners die bij verbouw<br />

betrokken zijn.<br />

– Vaak voorkomende situaties<br />

en mogelijke oplossingen;<br />

– Praktijkvoorbeelden die<br />

informeren én inspireren.<br />

In de afsluitende discussie werd benadrukt<br />

dat het zinvol zou zijn dat volledig geaccepteerde<br />

begrippen als ‘Gründergräber’ en<br />

‘continuiteit’ opnieuw bezien zouden moeten<br />

worden. Het zijn misschien meer ónze<br />

concepten dan die van de begravingsgemeenschappen<br />

uit het verleden. Zijn de oudste<br />

begravingen wel echte grondleggers? Alertheid<br />

blijft geboden.<br />

Ik kijk uit naar de publicatie van alle bijdragen;<br />

het wordt vast een mooi, degelijk Duits/<br />

Frans boekwerk, waarin het laatste woord over<br />

begravingslandschappen nog niet gezegd is.<br />

LIESBETH THEUNISSEN is senior onderzoeker<br />

Pleistoceen Late Prehistorie RACM.<br />

1 www.lwl.org/LWL/Kultur/WMfA_Herne<br />

2 Smejda, L. (ed.), Archaeology of Burial<br />

Mounds, Plzen, 2006.<br />

3 Last, J. (ed.), Beyond the grave. New<br />

Perspectives on Barrows, Oxford, 2007.


R ecent<br />

V erschenen<br />

TITEL Paard en landschap.<br />

Inspiratieboek met praktische tips<br />

AUTEUR René Zanderink en Claartje van Andel<br />

RECENSENT Henk Baas<br />

UITGAVE Fontaine, ’s-Graveland<br />

DETAILS ISBN 978-90-5956-279-0<br />

Het zal misschien niet iedereen<br />

zijn opgevallen, maar we hebben<br />

er in Nederland een nieuw landschappelijk<br />

‘probleem’ bij: het<br />

paard. De voormalig Rijksadviseur<br />

voor het landschap Dirk Sijmons<br />

had het vaak over de horsificatie<br />

van het landschap, waarmee<br />

werd bedoeld dat het aantal<br />

paarden dusdanig toenam, dat<br />

we konden spreken van een<br />

‘landschappelijk probleem’.<br />

Immers, veel paardenliefhebbers<br />

zijn in eerste instantie niet bezig<br />

met het verfraaien van het landschap,<br />

maar met het uitoefenen<br />

van hun sport. Of hun hobby, zo<br />

u wilt. Het gevolg hiervan was<br />

dat het aantal paarden vanaf 1985<br />

ruim vertienvoudigd is tot zo’n<br />

400.000 paarden. En die paarden<br />

staan allemaal in maneges (1100),<br />

in paardenbakken of paardenveldjes.<br />

Door het ontbreken van<br />

regelgeving over het uiterlijk<br />

van bedrijven, kon ongemerkt<br />

een wildgroei ontstaan van witte<br />

Dallashekken, prikkeldraad,<br />

mestsilo’s en oude roestige zeecontainers.<br />

Kortom: tijd voor<br />

actie! Een heus project Zorg voor<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

Paard en Landschap is opgetuigd,<br />

dat maatschappelijk uiting moest<br />

geven aan de problematiek die<br />

door de Minister van LNV was<br />

verwoord in haar Visie Paard en<br />

Landschap (Den Haag 2006).<br />

Partners in dit project zijn<br />

Landschapsbeheer Nederland,<br />

Stichting Beheer Natuur en<br />

Landelijk gebied (SBNL) en de<br />

Koninklijke Nederlandse<br />

Hippische Sportfederatie<br />

(KNHS).<br />

En nu ligt er dan een boek,<br />

geschreven voor met name de<br />

paardenliefhebber. Het is een<br />

boek met veel fraaie foto’s, van<br />

landschap en van heel veel paarden<br />

(zelfs één foto met een heuse<br />

cowboy!). Maar het zijn wel<br />

foto’s die de mooie kant van<br />

ons landschap laten zien. Het<br />

idyllische boerenlandschap, dat<br />

bestaat uit bossen, hagen, lanen<br />

en houtwallen. In die zin laat het<br />

boek zien hoe de initiatiefnemers<br />

van het project het landschap<br />

graag zouden willen zien, een<br />

landschap waarin de paardenbak<br />

is geïntegreerd in het landschap,<br />

Het bijzondere jaarverslag nr.<br />

92 van de Vereniging voor<br />

Terpenonderzoek is gewijd aan<br />

de eerste afgraving van prof.<br />

A.E. van Giffen in Dorkwerd.<br />

en waarin de paden zijn omzoomd<br />

door karakteristieke<br />

beplanting en streekeigen hekwerken.<br />

Een landschap waarin<br />

een ritje per paard een reis terug<br />

naar vroeger is lijkt het wel.<br />

Jammer is dat er niet of nauwelijks<br />

aandacht is geschonken aan<br />

de (architectonische) kwaliteit<br />

van de gebouwen zelf.<br />

Het boek wil aantonen dat de<br />

term ‘verpaarding’ geenszins een<br />

achteruitgang van het landschap<br />

hoeft te betekenen. Het boek<br />

benadert de groei van de paardensector<br />

als kans om iets te<br />

doen aan de versterking van de<br />

landschappelijke kwaliteiten.<br />

Naast meer beschrijvende verhalen<br />

over landschap (met focus<br />

op beplanting), geeft het boek<br />

ook veel praktische tips voor<br />

paardenhouders, zowel professioneel<br />

als hobbymatig, over hoe<br />

het eigen erf en grond in te<br />

richten, op een zodanige manier<br />

dat recht wordt gedaan aan het<br />

karakter van het landschap.<br />

Per landschapstype is bijvoorbeeld<br />

aangeven welke beplanting<br />

TITEL Om een profiel der afgraving te bezien.<br />

Na 100 jaar terug naar Dorkwerd<br />

AUTEUR Wim A. Van Es, Egge Knol, Gert Kortekaas, Annet Nieuwhof<br />

UITGAVE Vereniging voor Terpenonderzoek<br />

DETAILS Paperback, 196 pagina’s, full colour, geïllustreerd<br />

ISBN: 978-90-8117-143-4. Prijs € 19,50<br />

11<br />

Het aantekeningen-boekje<br />

van Van Giffen is integraal<br />

afgebeeld, aangevuld met veel<br />

artikelen over Dorkwerd.<br />

karakteristiek is, welke fruitsoorten<br />

er voor komen, welke<br />

flora kenmerkend is, welke<br />

planten giftig zijn, etcetera.<br />

Ook wordt ingegaan op natuuren<br />

landschapssubsidies die<br />

beschikbaar zijn.<br />

Het is te hopen dat de paardensector<br />

(3 procent van de<br />

Nederlandse bevolking rijdt wel<br />

eens paard) de signalen uit het<br />

boek oppakt, want we zijn allemaal<br />

gebaat bij een mooi landschap.<br />

Jammer is wel dat de<br />

illusie wordt gewekt dat de paardenhouderijen<br />

louter aan mooie<br />

landschappen zijn gekoppeld,<br />

ver weg van de stad, de stedelijkheid<br />

en de lelijkheid. Juist dat<br />

aspect had meer aandacht verdiend.<br />

Maar het tonen hiervan<br />

hoort wellicht niet bij een<br />

inspiratieboek?


M MONUMENTENZORG M. DELMÁS EN H. VAN DEN BERSELAAR<br />

erug in Nederland vroeg<br />

T<br />

Van den Berselaar aan Marta<br />

Domínguez Delmás, Spaans<br />

dendrochronoloog bij Stichting<br />

Ring, naar de betekenis. Na<br />

wat literatuuronderzoek kwam ze erachter<br />

dat hiermee eikenhout (Quercus sp.) bedoeld<br />

werd. Interessant was echter voor haar de<br />

verwijzing naar de ‘Vlaamse’ oorsprong van<br />

het hout. Dit is opmerkelijk omdat eiken-<br />

SAMENVATTING<br />

1<br />

ALTAARSTUK VAN DE<br />

IGLESIA DE CÁCERES<br />

SANTA MARÍA LA MAYOR<br />

DAT GEMAAKT IS VAN<br />

CEDER, GRENEN EN<br />

'MADERA DE BORNE DE<br />

FLANDES'.<br />

FOTO: J.M. VAN DEN BERSELAAR<br />

In Nederland wordt veel oud hout uit verre oorden gevonden in<br />

boven- en ondergrondse structuren zoals schepen, gebouwen of<br />

kunstwerken. Met name vanaf de Late Middeleeuwen vond de aanvoer<br />

van hout voor woning- en scheepsbouw op regelmatige basis<br />

plaats. Nederlandse handelaren vervoerden het hout echter niet<br />

alleen naar hun eigen land. Een deel ging door naar zuidelijke<br />

‘Ne ‘Nederlands’<br />

ho hout op drift<br />

hout voor panelen en sculpturen in de 16de<br />

eeuw zeer schaars was in de Lage Landen.<br />

Het is bekend dat Vlaamse kunstenaars in<br />

12<br />

Over houthandelsroutes en<br />

de herkomst van hout van<br />

de Late Middeleeuwen<br />

tot in de 18de eeuw<br />

In juni 2007 bezocht Harry van den Berselaar<br />

(communicatieadviseur RACM) de Spaanse Iglesia Santa<br />

María la Mayor in Cáceres. Zijn interesse voor het werk<br />

van de Bosschenaar Roque de Balduque had hem naar<br />

deze kerk gevoerd. Binnen stond immers een enorm<br />

wandretabel dat in de 16de eeuw door Guillén Ferránt<br />

en Roque de Balduque vervaardigd was (zie foto 1).<br />

In een uitgave over de geschiedenis van het retabel<br />

las hij dat, volgens het contract, het retabel van drie<br />

houtsoorten gemaakt moest worden: ceder, grenen en<br />

‘madera de borne de Flandes’. Deze laatste houtsoort<br />

was hem onbekend, maar door de aanduiding<br />

‘de Flandes’ (‘Vlaams’) dacht hij dat het om een<br />

houtsoort ging die in Vlaanderen of elders<br />

in de Lage Landen groeide.<br />

die tijd hout van een uitstekende kwaliteit<br />

uit de Baltische landen gebruikten. Dus de<br />

aanduiding ‘Vlaams’ zou slechts kunnen<br />

landen zoals Spanje. Dit hout, bewerkt of onbewerkt, werd<br />

daar 'Vlaams' hout genoemd. Dit artikel levert aan de hand<br />

van dendrochronologisch en literatuuronderzoek een bijdrage<br />

aan onze kennis over voormalige houthandelsroutes die<br />

Nederlanders volgden. Een aantal voorbeelden van de<br />

handel naar en vanuit de toenmalige Nederlanden wordt<br />

eveneens weergegeven.


verwijzen naar de nationaliteit van de handelaren<br />

die het hout naar Spanje brachten. De<br />

Lage Landen hebben toen immers een cruciale<br />

rol in de internationale houthandel<br />

gespeeld. In dit stuk zal over de mogelijke<br />

oorsprong van het zogenaamde ‘Vlaamse’<br />

hout worden gespeculeerd. Daarbij wordt<br />

vooral aandacht besteed aan de beschrijving<br />

van houthandelsroutes vanaf de Late<br />

Middeleeuwen tot de 18de eeuw van en naar<br />

het huidige Nederland.<br />

De route naar het Zuiden<br />

In het begin van de 16de eeuw kwamen de<br />

Nederlanden onder het gezag van Karel V, de<br />

Spaanse koning en later ook keizer van het<br />

Heilige Roomse Rijk. Reeds in de tijd van<br />

zijn (Bourgondische) voorgangers waren steden<br />

als Brugge en Antwerpen, maar ook Middelburg<br />

en Bergen op Zoom, van belang in de<br />

contacten met Zuid Europa. 1 Vanuit deze<br />

steden werden houten kunst- en gebruiksvoorwerpen<br />

naar Spanje verhandeld. In die<br />

tijd werden op het Iberisch schiereiland vele<br />

goederen die uit de Lage Landen kwamen<br />

‘Vlaams’ genoemd. 2 Dat valt te verklaren<br />

vanuit de gezichtsbepalende rol die Vlaanderen<br />

op dat moment binnen de Lage<br />

Landen speelde.<br />

Toen Santiago de Compostela zich in de 12de<br />

eeuw begon te ontwikkelen tot belangrijk<br />

bedevaartsoord, begon de migratie van<br />

ambachtslieden van het noorden naar het<br />

Iberisch schiereiland. Vooral langs de routes<br />

daarheen, werden kerken, kloosters en<br />

kapellen gebouwd, versierd en ingericht.<br />

Hierdoor groeiden de commerciële banden<br />

tussen Noord en Zuid. In de 15de eeuw werd<br />

de Vlaamse kunst bewonderd – en gekocht –<br />

door de Spaanse adel en de machtige handelaren.<br />

3 Deze situatie maakte Spanje in de<br />

16de eeuw nog aantrekkelijker voor architecten,<br />

bouwmeesters, kunstenaars en ambachtslieden<br />

uit het noorden. 4 Hieronder<br />

bevond zich ook de eerdergenoemde Roque<br />

de Balduque, beeldhouwer uit ’s-Hertogenbosch<br />

(Bolduque, in het Spaans). Met een<br />

aantal broers vertrok hij in de eerste helft<br />

van de 16de eeuw naar Spanje, waar ze hun<br />

naam vestigden. 5 Tegenwoordig zijn de werken<br />

van Vlaamse beeldhouwers, houtsnijders<br />

en timmerlieden te vinden op het hele<br />

Iberisch schiereiland. Kunstenaars en<br />

ambachtslieden uit met name de zuidelijke<br />

Nederlanden zijn daarmee verantwoordelijk<br />

voor het noordelijk accent binnen de<br />

Spaanse gotiek. Dat klinkt nu nog door in de<br />

termen ‘estilo gótico hispanoflamenco’ en ‘arte<br />

hispanoflamenco’. 6<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

‘Vlaams’ hout op het<br />

Iberisch schiereiland<br />

De Lage Landen exporteerden dus vanaf het<br />

begin van de 16de eeuw kunst en kunstenaars<br />

richting Spanje. Beelden, altaarstukken (retabels),<br />

tapijten en andere waardevolle objecten<br />

kwamen naar het Iberisch schiereiland. Maar<br />

het bleef niet bij kunst en hun makers, want<br />

ook (nog onbewerkt) hout werd door Nederlandse/Vlaamse<br />

handelaren naar Spanje<br />

vervoerd. 7 Soms werd dit hout genoemd naar<br />

de haven waar het verscheept werd, zoals<br />

‘Riga grenen’. In andere gevallen werd het<br />

aanduiding ‘de Flandes’ (uit Vlaanderen) aan<br />

de houtsoort toegevoegd. De term ‘madera de<br />

borne de Flandes’ 8 (Vlaams eikenhout) is bijvoorbeeld<br />

bekend uit de opdrachtomschrijving<br />

van het retablo mayor van de Iglesia de<br />

Santa María la Mayor te Cáceres. 9 Aan dit<br />

altaarstuk heeft de Bosschenaar Roque de<br />

Balduque in Spanje gewerkt in de 16de eeuw.<br />

Het is de auteurs onbekend of hij zijn<br />

opdrachtgevers specifiek om het gebruik van<br />

dit eikenhout had gevraagd. Uit dendrochronologisch<br />

onderzoek is gebleken dat in die<br />

tijd kunstenaars in de Lage Landen vaak<br />

gebruik maakten van geïmporteerd Baltisch<br />

hout, dat speciale kwaliteiten bezat voor het<br />

maken van beeldjes en panelen. 10 Zou dan dit<br />

‘Vlaamse’ eikenhout dat in Spanje werd<br />

gebruikt van Baltische herkomst kunnen<br />

zijn? Deze vraag is nog niet door dendrochronologisch<br />

onderzoek beantwoord, omdat<br />

13<br />

Spanje tot de gebieden behoort waarvan wij<br />

geen dendrochronologische data van historisch<br />

hout hebben (een zogeheten 'blanco'<br />

gebied). Desondanks, in de context van internationale<br />

houthandel in de 16de eeuw, kan<br />

dit hout gemakkelijk van verderweg dan de<br />

Lage Landen gekomen zijn.<br />

Houthandel in de Lage Landen<br />

vanaf de Late Middeleeuwen<br />

Net zoals elders is ook in de Lage Landen de<br />

geschiedenis van houthandel sterk verweven<br />

met de politieke en sociale geschiedenis. Al<br />

2 VLOT BIJ DE NONNENWHER IN PFORZHEIM,<br />

CIRCA 1890. RECHTS EEN ZAAGMOLEN.<br />

FOTO: STADTARCHIV PFORZHEIM IN SCHEIFELE, 1996,<br />

VIA L. VAN PROOIJE<br />

3 HET VOC-SCHEEPSWERFTERREIN OP OOSTBURG IN AMSTERDAM. PRENT UIT 1750, OP DE VOORGROND<br />

DE IJ-OEVER MET TWEE SCHEEPSHELLINGEN. BRON: BUREAU MONUMENTENZORG EN ARCHEOLOGIE, AMSTERDAM


M VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

in de Late Middeleeuwen kenden onze<br />

gewesten een (relatief) grote bevolkingsdichtheid,<br />

waardoor er een grote vraag was<br />

naar hout. Hout was in die tijd het voornaamste<br />

bouwmateriaal voor huizen en schepen.<br />

Kunstenaars gebruikten het tevens voor<br />

panelen, retabels en beelden. Bovendien<br />

waren grote hoeveelheden brandhout nodig<br />

bij het koken, het verwarmen van de huizen<br />

en het in bedrijf houden van smederijen,<br />

gieterijen en andere werkplaatsen. Het resultaat<br />

was dat de in de Lage Landen aanwezige<br />

bossen flink gekapt of intensief beheerd<br />

werden (hakhout) om te voldoen aan de grote<br />

vraag naar hout. 11 Tijdens de Late Middeleeuwen<br />

was het lokale aanbod zo schaars dat<br />

het hout voor woning- en scheepsbouw uit<br />

landen verder weg moest worden ingevoerd.<br />

12<br />

In de 13de eeuw leidde de totstandkoming<br />

van de Hanze, een alliantie van handelssteden<br />

rond de Oostzee en de Baltische Zee, tot<br />

stabiele handelsroutes die steden langs kusten<br />

en rivieren met elkaar verbonden. Dit<br />

handelsnetwerk spreidde zich al snel uit in<br />

de 14de eeuw naar steden zoals Brugge in het<br />

westen en Keulen in Centraal Europa. 13 Dit<br />

4 HOUT VAN SCHEEPSWRAKKEN IS EEN SCHAT VOOR DENDROCHRONOLOGEN. SCHEEPSWRAK BIJ KATSE VEER, ZEELAND FOTO: M. MANDERS<br />

Scheepswrak<br />

als schat<br />

Veel van de vaartuigen die tussen de<br />

16de en de 18de eeuw vervaardigd<br />

werden, liggen inmiddels op de zeebodem,<br />

geclassificeerd als ‘maritiem<br />

cultureel erfgoed’. Het materiaal<br />

waaruit ze gemaakt zijn, vormt voor<br />

dendrochronologen een ‘gezonken<br />

schat’ omdat meer dan 3000 bomen<br />

nodig waren om een middelgroot<br />

schip te bouwen. Naarmate het lokale<br />

hout schaarser bleek, kwam het<br />

bouwmateriaal uit verderweg<br />

gelegen gebieden. Het is bekend<br />

dat eikenhout uit Duitsland en de<br />

Baltische landen naar Nederland<br />

werd aangevoerd voor toepassing<br />

in de scheepsbouw.<br />

Tevens werden grove dennen vanuit<br />

de haven van Riga geïmporteerd<br />

om dienst te doen als masten. De<br />

Nederlandse handelaren voerden<br />

dit noordelijke hout door naar zuidelijke<br />

landen zoals Spanje. Termen<br />

zoals ‘Pruisisch grenen’, ‘Riga grenen’<br />

of ‘grenen uit Vlaanderen’ worden<br />

14<br />

vaak gevonden in Spaanse literatuur<br />

over scheepsbouw in de 16de<br />

tot de 18de eeuw. Deze grove dennen<br />

werden gebruikt voor masten<br />

en dekken of andere delen die niet<br />

in contact kwamen met het zeewater.<br />

Een gevolg van deze handelsrelaties<br />

is dat tegenwoordig in<br />

scheepswrakken hout van verschillende<br />

herkomst gevonden kan worden.<br />

Daarom moet het onderzoek<br />

op dit soort voorwerpen vanuit een<br />

internationaal perspectief gerealiseerd<br />

worden. Samenwerking tussen<br />

onderzoekers uit zowel de landen<br />

netwerk verhoogde de reikwijdte en de intensiteit<br />

van de handel tussen West-Europa en<br />

de oostelijke Baltische landen. 14 Tot dit verbond<br />

behoorde ook een groot aantal steden<br />

uit de Nederlanden, zoals Deventer en<br />

Kampen. In de 14de eeuw ontwikkelden de<br />

belangrijkste steden in het zuiden, zoals<br />

Brugge en Antwerpen, zich tot toonaangevende<br />

handelscentra en daarmee tot trefpunten<br />

van handelaren uit Noord- en Zuid-<br />

Europa. 15 Deze bevoorrechte positie werd<br />

teniet gedaan door Holland en Engeland aan<br />

het eind van de 16de eeuw. 16 Door deze brede<br />

verspreiding van handelverbindingen, wist<br />

die het hout leverden als die<br />

waar het hout aangetroffen wordt<br />

is dus nodig. Dendrochronologie<br />

is in deze context een hulpmiddel<br />

voor het vaststellen van de<br />

ouderdom en de oorsprong van<br />

het hout. Dit maakt bovendien<br />

de beschrijving mogelijk van<br />

de keuze voor bepaalde houteigenschappen<br />

en houtsoorten in<br />

relatie tot hun gebruik. In andere<br />

woorden, dendrochronologie kan<br />

ons helpen om de informatie die<br />

in deze schat verborgen ligt, weer<br />

‘boven water te halen’.


hout van zeer verschillende oorsprong de<br />

Nederlandse markten te bereiken. Een deel<br />

van deze aanvoer werd ook naar het buitenland<br />

verhandeld, waaronder Spanje.<br />

Duits hout<br />

De houtaanvoer vanuit het Duitse gebied<br />

naar de Nederlanden kent een lange geschiedenis<br />

die in de 2de eeuw met de Romeinen<br />

begon. 17 Tijdens de Middeleeuwen speelden<br />

de Rijn, Maas, Waal, Eems en IJssel een<br />

belangrijke rol voor het vervoer van hout<br />

vanuit de Duitse regio naar Nederlandse<br />

gebieden. Naast eikenhout werd ook naaldhout<br />

aangevoerd. Uit dendrochronologisch<br />

onderzoek van naaldhout in een aantal<br />

gebouwen in Utrecht en Deventer blijkt dat<br />

in de 13de en 14de eeuw dennenhout (Abies<br />

alba) uit de Alpen en het zuiden van<br />

Duitsland gebruik werd. 18 Het hout werd<br />

voornamelijk als vlot over rivieren naar<br />

stapelmarkten of zeehavens vervoerd. Dit<br />

was een goedkope manier en vaak ook de<br />

enige mogelijke wijze van transport. Een<br />

betrekkelijk kleine hoeveelheid hout werd<br />

met schepen vervoerd. 19<br />

Een Duitse stad als Pforzheim, gelegen aan<br />

de noordelijke rand van het Zwarte Woud<br />

ontwikkelde zich in de 14de eeuw tot een<br />

handelscentrum voor gevlot naaldhout (zie<br />

figuur 2). Het hout kwam naar Pforzheim<br />

over de rivieren Würm, Nagold en Enz, waarna<br />

het via Neckar en Rijn naar de<br />

Nederlanden ging. 20 Eenmaal in Nederland<br />

ging het hout richting de stapelmarkt van<br />

Dordrecht. Het stapelrecht van 1299 gaf deze<br />

stad het privilege om al het hout dat via Rijn<br />

en Maas aangevoerd werd te verhandelen. 21<br />

Hoewel dit recht in de 15e eeuw aan belang<br />

verloor (onder meer door de gevolgen van de<br />

Sint-Elisabethsvloed in 1421), laten de tolregisters<br />

en verschillende verbeteringen in de<br />

stedelijke infrastructuur zien dat in de 17de<br />

en 18de eeuwen nog aanzienlijke hoeveelheden<br />

Duits hout via Dordrecht naar met name<br />

de Zaanstreek, Amsterdam en Rotterdam<br />

werden vervoerd. 22 In het begin van de 18de<br />

eeuw werd langs de Rijn een aantal<br />

Holländer Holz-Floss-compagnieën gevestigd.<br />

In die tijd waren rijnvlotten met een<br />

lengte van meer dan 320 m, een breedte van<br />

50 m en een diepte van 2,20 m heel gebruikelijk.<br />

23<br />

In de Lage Landen werd Duits hout graag<br />

gebruikt als constructiehout voor huizen en<br />

schepen en in mindere mate ook voor meubilair<br />

of kunstobjecten, omdat voor deze laatste<br />

het Baltische eikenhout favoriet was. 24<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

Dendrochronologie en herkomst van het hout<br />

Dendrochronologie houdt<br />

zich als wetenschap bezig<br />

met onderzoek van jaarringen<br />

in het hout. Bij daterend<br />

dendrochronologisch<br />

onderzoek moeten eerst<br />

referentiekalenders (chronologieën)<br />

voor een bepaald<br />

gebied opgebouwd worden.<br />

In een gematigd klimaat<br />

vormt een boom elk jaar net<br />

onder de schors een nieuwe<br />

groeiring. Die is breder in<br />

een (klimatologisch) gunstig<br />

jaar en smaller in een<br />

ongunstiger. De variatie in<br />

de breedte van jaarringen<br />

geeft een groeipatroon weer.<br />

Het principe van dendrochronologie<br />

is dat bomen<br />

van dezelfde houtsoort die<br />

in hetzelfde gebied groeien,<br />

hetzelfde groeipatroon vertonen.<br />

Deze kunnen in een<br />

zogenaamde ‘referentiekalender’<br />

gemiddeld worden.<br />

Door jaarringpatronen van<br />

levende bomen te overlappen<br />

met die van historisch,<br />

archeologisch, en subfossiel<br />

hout, kan een referentiekalender<br />

terug in tijd worden<br />

verlengd. De belangrijkste<br />

resultaten hiervan voor de<br />

cultuurhistorische weten-<br />

15<br />

schappen zijn exacte dateringen<br />

van houten voorwerpen<br />

(bijvoorbeeld schilderijen<br />

en beelden), schepen,<br />

gebouwen, archeologische<br />

vondsten en resten van<br />

voormalige vegetatie. In<br />

Noord- en Midden-Europa<br />

hebben de resultaten uit<br />

het onderzoek van levende<br />

bomen, monumentale<br />

gebouwen, kunsthistorische<br />

objecten, archeologische<br />

houtresten en resten van<br />

subfossiele bomen de afgelopen<br />

decennia geleid tot de<br />

ontwikkeling van referentiekalenders<br />

voor onder<br />

andere eik (Quercus sp.),<br />

grove den (Pinus sylvestris),<br />

zilverspar (Abies alba) en<br />

fijnspar (Picea abies). Dit<br />

netwerk van referentiekalenders<br />

heeft inmiddels een<br />

nieuwe tak van jaarringonderzoek<br />

mogelijk gemaakt:<br />

de zogeheten ‘dendroprovenancing’.<br />

Deze richting<br />

houdt zich bezig met de<br />

herkomst van historisch<br />

hout. Om de oorsprong van<br />

het hout te kunnen bepalen,<br />

worden lokale referentiekalenders<br />

uit bepaalde gebieden<br />

gebruikt. De meeste<br />

lange historische referentiekalenders<br />

voor Centraal- en<br />

Noord-Europa zijn echter<br />

gemaakt voor ‘dateringsdoeleinden’.<br />

Ze kwamen tot<br />

stand door de middeling<br />

van jaarringen van monsters<br />

afkomstig uit een groot<br />

gebied. Dit betekent dat ze<br />

heel goed bruikbaar zijn<br />

voor datering, maar niet om<br />

de herkomst van hout mee<br />

vast te stellen. Deze chronologieën<br />

zouden uitgesplitst<br />

moeten worden om ze daarna<br />

opnieuw samen te voegen<br />

volgens hun oorsprong.<br />

Bovendien is er gebrek aan<br />

historische referentiekalenders<br />

voor andere<br />

gebieden, zoals voor<br />

bijvoorbeeld het Iberisch<br />

Schiereiland aan de ene<br />

kant van Europa en Wit-<br />

Rusland en Oekraïne aan de<br />

andere kant. In deze landen<br />

zijn de historische archieven<br />

de enige bron van informatie<br />

over houthandel. Voor<br />

meer informatie over<br />

dendrochronologie zie de<br />

website van Stichting Ring:<br />

www.archis.nl/RINGnieuw<br />

5 HET OPBOUWEN VAN REFERENTIEKALENDERS.(FOTO: ECKSTEIN EN WROBEL, 2008)


M VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

Baltisch hout<br />

De aanvoer van hoogwaardig Baltisch hout<br />

naar de Lage Landen was tot de tweede helft<br />

van de 17de eeuw van groot belang. Het<br />

meeste hout was afkomstig uit bossen langs<br />

de rivier de Vistula en haar zijtakken in het<br />

huidige Polen en Wit-Rusland. 25 Het hout<br />

werd als vlotten over de Vistula naar Danzig<br />

vervoerd. De tolregisters langs deze rivier<br />

wijzen uit dat zo’n vlot meestal bestond uit<br />

deels bewerkte producten zoals grote planken<br />

(wagenschot) en duigen. De bomen werden<br />

kort na de kap al in het bos gespleten.<br />

Meldingen van complete boomstammen<br />

komen minder vaak voor in de Poolse tolregisters.<br />

26 Vanaf de haven van Danzig werd<br />

het hout verder in het ruim van vaak<br />

Nederlandse koopvaarders getransporteerd.<br />

Toepassing vond plaats in scheepsbouw,<br />

panelen, sculpturen, retabels en andere houten<br />

kunstwerken. De schilder Jeroen Bosch<br />

(ca. 1450-1516) schilderde op panelen van<br />

hout uit de Oostzeelanden, evenals Pieter<br />

Paul Rubens (1577 - 1640) en Rembrandt (ca.<br />

BELANGRIJKE SCHEEPVAARTROUTES DIE IN DIT ARTIKEL GENOEMD WORDEN. ILLUSTRATIE: S. VAN DAALEN<br />

4<br />

1606 - 1669). 27 In 2007 zijn drie huidplanken<br />

en een plafondplank van het VOC-schip ‘de<br />

Batavia’, dat tussen 1627 en 1628 in Amsterdam<br />

gebouwd werd (zie foto 3), door Stichting<br />

RING dendrochronologisch gedateerd. 28 De<br />

herkomst van twee van de huidplanken werd<br />

gesitueerd in de bossen van Zuid-Polen. 29<br />

Het Poolse/Baltische hout bezat een aantal<br />

opmerkelijke kwaliteiten die zeer veel waardering<br />

ondervonden in de westerse ateliers<br />

en scheepswerven. Een langzame groei<br />

(smalle jaarringen) leidt tot een homogene en<br />

fijne nerf, die er voor zorgde dat het hout<br />

vormstabiel bleef (het werkt weinig). Hierdoor<br />

was het Poolse hout ideaal voor het<br />

splijten in panelen en planken en voor de<br />

bewerking tot beelden. 30<br />

Gedurende de Hanzetijd was Danzig de<br />

belangrijkste houtuitvoerhaven van de<br />

Baltische Zee, maar de Dertigjarige Oorlog<br />

(1618 - 1648) maakte een einde aan de han-<br />

16<br />

delsroutes die onder invloed van de Hanze<br />

ontstaan waren. 31 Vervolgens leidde de<br />

Noordse oorlog van 1655 - 1660 tussen Polen<br />

en Zweden ertoe dat Danzig zijn leidinggevende<br />

positie als Baltische haven moest<br />

afstaan aan Riga en (in mindere mate)<br />

Koningsberg (het huidige Kalinigrad in<br />

Rusland). 32 Deze ontwikkelingen leidden<br />

ertoe dat het Poolse hout niet meer beschikbaar<br />

was voor de westelijke markten. De<br />

teloorgang van Danzig kan ook uit de<br />

Spaanse archiefstukken worden afgeleid.<br />

Daarin wordt in de 16de eeuw het ‘Pruisisch<br />

grenen’ genoemd dat via Vlaamse handelaren<br />

naar Spanje ging om als masthout te dienen.<br />

In de 18de eeuw was het geïmporteerde<br />

naaldhout ‘Riga grenen’. 33<br />

In de 14de eeuw werd eikenhout voor de<br />

scheepsbouw in kleine hoeveelheden vanuit<br />

Riga verscheept naar westelijke havens waaronder<br />

Lübeck. Grotere partijen eikenhout<br />

werden vanaf de tweede helft van de 15de<br />

eeuw uitgevoerd. De belangrijkste houten<br />

exportproducten richting de Nederlanden<br />

waren eiken schotten voor de scheepsbouw<br />

en naaldhout voor masten en molenwieken. 34<br />

In de 17de eeuw werden nog omvangrijkere<br />

hoeveelheden grenen over de Daugava naar<br />

Riga vervoerd, vanwaar het door Nederlandse<br />

schepen opgenomen werd en naar<br />

Spanje vervoerd. 35 Sommige aanwijzingen<br />

laten zien dat deze grove dennen afkomstig<br />

kunnen zijn uit het stroomgebied van de<br />

Dnjeper (in het huidige Wit-Rusland). 36 In<br />

de Hollandse stad Zaandijk leeft de plaatselijke<br />

veronderstelling dat toentertijd bij de<br />

bouw van huizen ‘Russisch’ grenen gebruikt<br />

werd. Dit zou (volgens de lokale bewoners)<br />

afkomstig zijn van schepen die op de lokale<br />

werf gedemonteerd werden nadat ze hun tijd<br />

er op hadden zitten. 37 Het adjectief ‘Russisch’<br />

zou een verwijzing naar de oorsprong van het<br />

hout of naar de uitvoerhaven (Koningsberg,<br />

Riga of zelfs Sint-Petersburg) kunnen zijn,<br />

hoewel hiervoor (nog) geen dendrochronologisch<br />

bewijs is.<br />

Scandinavisch hout<br />

In de 15de en 16de eeuw werd maar weinig<br />

hout uit het huidige Zweden en Finland naar<br />

de Lage Landen vervoerd, terwijl de aanvoer<br />

van Noors hout een hoogtepunt na 1580<br />

bereikte. 38 In the 17de eeuw bleef het belang<br />

van Noorwegen als houtleverancier onder<br />

invloed van politieke ontwikkelingen groot. 39<br />

Een aanzienlijk deel van de Noorse houtuitvoer<br />

(tot 65%) was tot het eind van de 17de<br />

eeuw voor de Nederlanden bestemd. Het<br />

ging hierbij om nagenoeg onbewerkt eiken-,


vuren- en grenenhouten delen, balken en<br />

masten, die hoofdzakelijk afkomstig waren<br />

uit Zuid-Noorwegen. 40 De Hollandse<br />

scheepsbouw die in deze periode hoogtij vierde,<br />

was toen niet alleen de grootste afnemer<br />

van Scandinavisch hout maar ook van hennep<br />

en teer. 41<br />

We treffen in Nederland Scandinavisch<br />

eiken- en naaldhout aan in steden die toentertijd<br />

aan de kust lagen of die via waterwegen<br />

een korte verbindingsweg met de kust<br />

hadden. 42 Op een enkele uitzondering na,<br />

dateert dit hout uit het eind van de 16de<br />

eeuw of later. Dendrochronologisch onderzoek<br />

aan de vuren (Picea abies) funderingspalen<br />

van het Maritieme Museum van<br />

Amsterdam toonde aan dat deze rond het<br />

midden van de 17de eeuw werden gekapt. 43<br />

Daarnaast bleek dat dit hout inderdaad<br />

afkomstig was uit het zuiden van Noorwegen.<br />

In dit geval was het hout van de<br />

fundering homogeen in soort en herkomst.<br />

In andere gevallen treffen we een combinatie<br />

aan van hout uit diverse gebieden en bestaande<br />

uit diverse soorten, wat suggereert dat het<br />

gekocht moet zijn op belangrijke houtmarkten<br />

met een groot en divers aanbod. Interessant<br />

hieraan is dat de onderlinge dendrochronologische<br />

vergelijking tussen Scandinavisch<br />

eiken uit uiteenlopende steden een<br />

uitstekende ‘match’ oplevert. Dit wijst erop<br />

dat deze eiken in hetzelfde (Scandinavische)<br />

gebied groeiden en ten dele wellicht zelfs in<br />

hetzelfde bos. 44<br />

Terug naar het Iberisch schiereiland<br />

Na alles wat inmiddels gezegd is over de<br />

houthandel in de Lage Landen door de eeuwen<br />

heen, lijkt het aannemelijk dat het ‘Vlaamse’<br />

eikenhout dat op het Iberisch schiereiland<br />

werd gebruikt niet in de Lage Landen heeft<br />

gegroeid. De Scandinavische herkomst van<br />

dit hout schijnt vrij onwaarschijnlijk, aangezien<br />

het ingevoerde eikenhout van deze<br />

landen meestal voor bouwdoeleinden werd<br />

gebruikt. De Duitse herkomst kan niet verworpen<br />

worden. Echter, de uitstekende reputatie<br />

van het Baltische eikenhout dat in<br />

Vlaanderen werd gebruikt, zou het Iberisch<br />

schiereiland bereikt kunnen hebben samen<br />

met de Vlaamse kunstenaars. Het hout zelf<br />

zou via de Nederlandse handelaren in Spanje<br />

beland kunnen zijn en daarmee de naam<br />

‘Vlaams’ eikenhout hebben gekregen.<br />

Benodigd onderzoek<br />

Vanaf de Late Middeleeuwen zorgde een<br />

levendige handel voor de verspreiding van<br />

hout uit diverse landen over heel Europa.<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

Soms helpt informatie uit archiefstukken<br />

en literatuur bij de determinatie van de herkomst.<br />

Maar deze bron kan ook gefragmenteerd<br />

zijn. Dendrochronologie kan de<br />

bestaande kennis aanvullen en versterken.<br />

Om ons heen wacht nog veel historisch hout<br />

op ontdekking en onderzoek. Bovendien zijn<br />

er nog grote hoeveelheden (digitale) dendrochronologische<br />

data beschikbaar voor vervolgonderzoek.<br />

Momenteel worden reeds verzamelde<br />

dendrochronologische data uit Nederlandse<br />

en Belgische structuren en objecten<br />

binnen het NWO/GW project Digital Collaboratory<br />

for Cultural-Historcal Dendrochronology<br />

in the Low Countries bijeengevoegd in een<br />

digitale databibliotheek, met als doel van<br />

grootschalig onderzoek naar ondermeer de<br />

voormalige houthandel. 45 Dit is echter niet<br />

voldoende. Daarnaast dient er materiaal verzameld<br />

te worden in dendrochronologisch<br />

‘blanco’ gebieden, zoals het Iberisch schiereiland,<br />

Wit-Rusland en de verder weg gelegen<br />

Oekraïne. Hierdoor kunnen dendrochronologische<br />

referentiekalenders opgebouwd worden,<br />

die ons verder helpen de puzzel van handel<br />

en transport van hout in het verleden op te<br />

lossen.<br />

Wij willen graag Esther Jansma, Paul Copini,<br />

Ronald Visser, Sjoerd van Daalen en Ute<br />

Sass-Klaassen bedanken voor hun kritische<br />

opmerkingen bij eerdere versies en voor hun<br />

redactionele bijdragen aan deze tekst.<br />

Onze dank gaat ook uit naar M. Manders,<br />

BMA en J.M. van den Berselaar-van Osch<br />

voor het beschikbaar stellen van hun foto’s.<br />

1 Fagel, 1996, p. 4.<br />

2 In Spaanse teksten uit de beschreven periode<br />

kan ‘de Flandes’ ‘uit het graafschap Vlaanderen’<br />

betekenen, maar vaker nog ‘uit de zuidelijke<br />

Nederlanden’ of zelfs ‘uit de Nederlanden’ dan<br />

wel ‘uit de Lage Landen’, zie Rodríguez Pérez,<br />

2003, p. 159; in dit artikel gebruiken we de<br />

namen ‘Lage Landen’ en ‘Nederlanden’ door<br />

elkaar met dezelfde betekenis.<br />

3 Martens en Peeters, 2002, 164, 166.<br />

4 Gómez Bárcena, 2004, pp. 36-37.<br />

5 García Chico, 1993, p. 37.<br />

6 Thomas en Stols, 2000, p. 39; deze termen<br />

hebben geen relatie met het muziekgenre<br />

Flamenco, zie www.flamenco.nl/flamenco.cgi?<br />

pg=watisflamenco<br />

7 Gérard en Glatigny, 1996, p. 59; Zunde,<br />

1999, p. 121.<br />

8 ‘Borne = uit de latijn alburnum, spinthout; verwijst<br />

naar een houtsoort dat hard, gemakkelijk te<br />

splijten en moeilijk om te bewerken is’ Uit: Moliner,<br />

2007, p. 421; in Spanje werd deze term systematisch<br />

gebruikt voor de aanduiding van eiken-<br />

17<br />

hout. Tegenwordig wordt deze naam in Spanje<br />

gebruikt om naar de houtsoort Quercus pyrenaica<br />

te verwijzen.<br />

9 García Mogollón, 1993, p. 28<br />

10 Haneka et al. 2005, p. 262; Jansma et al. 2004,<br />

p. 142.<br />

11 Copini, persoonlijke mededeling.<br />

12 Haneka et al., 2005. p. 262.<br />

13 Brand, 2007, via: www.balticconnections.net/<br />

index.cfm?article=Baltic+Sea+Trade<br />

14 Wazny, 2005, p. 115.<br />

15 Haneca, 2005, p. 2.<br />

16 Baetens, 2003, p. 76.<br />

17 Visser, 2006; Van Helmond, 2008; Jansma,<br />

2007.<br />

18 Sass-Klaassen, 2000, p. 90.<br />

19 Van Prooije, 1990.<br />

20 http://en.wikipedia.org/wiki/Pforzheim<br />

21 Van Prooie, 1992.<br />

22 Idem.<br />

23 Buis, 1985, p. 506, 507.<br />

24 Stichting Ring ongepubliceerde data; Jansma<br />

et al. 2004, p. 143.<br />

25 Wazny, 2005. p. 117.<br />

26 Idem, p. 119.<br />

27 Eckstein et al. 1986, pp. 465-466.<br />

28 RING-rapportnummers 2007002 en 2007014.<br />

29 Wazny, persoonlijke mededeling.<br />

30 Gérard en Glatigny, 1996, p. 59; Sass-<br />

Klaassen, persoonlijke mededeling.<br />

31 Eckstein en Wrobel, 2007, p. 13.<br />

32 Wazny, 2005, p. 119.<br />

33 De Aranda y Antón, 1990.<br />

34 Zunde, 1999, 122..<br />

35 Idem, p. 122.<br />

36 Idem, p. 126.<br />

37 Horneman, persoonlijke mededeling.<br />

38 Buis, 1985, p. 510.<br />

39 Wazny, 2005, p. 119;<br />

40 Buis, 1985, p. 510.<br />

41 Brand, 2007, via: http://www.balticconnections.net/index.cfm?article=Baltic+Sea+Trade.<br />

42 Stichting Ring en BAAC b.v., ongepubliceerd<br />

data.<br />

43 Sass-Klaassen et al. 2008, p. 100.<br />

44 Stichting Ring en BAAC b.v., ongepubliceerd<br />

data.<br />

45 Voor meer informatie hierover: www.dccd.nl<br />

Literatuur<br />

– Baetens, R. 2003. El desarrollo social y<br />

económico de Flandes durante los siglos XV,<br />

XVI y principios del XVII. Thomas W. y<br />

Verdonk R. (eds.), Encuentros en Flandes,<br />

Relaciones e intercambios hispanoflamencos a<br />

inicios de la Edad Moderna, Leuven, p. 75-88.<br />

– Brand, H., 2007. Baltic Sea Trade: A history<br />

of the maritime relations between the countries<br />

around the Baltic Sea between 1450 and 1800.<br />

– BALTIC CONNECTIONS. Changing


M VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

Patterns in Seaborne Trade (c. 1450-1800).<br />

Via: www.balticconnections.net/<br />

index.cfm?article=Baltic+Sea+Trade<br />

– Buis, J., 1985. Historia forestis: Nederlandse<br />

bosgeschiedenis; deel 2, Houtmarkt en houtteelt<br />

tot het midden van de negentiende eeuw.<br />

Landbouwhogeschool, Wageningen en<br />

HES Uitgevers B.V., Utrecht.<br />

– De Aranda y Antón, G. 1990. Los Bosques<br />

Flotantes: historia de un roble del siglo XVIII.<br />

Colección Técnica. Ministerio de Agricultura,<br />

Pesca y Alimentación. ICONA.<br />

– Eckstein, D. en Wrobel, S. 2007.<br />

Dendrochronological proof of origin of historic<br />

timber - retrospect and perspectives. In:<br />

TRACE - Tree Rings in Archaeology,<br />

Climatology and Ecology, Vol. 5 Proceedings<br />

of the DENDROSYMPOSIUM, 20-22<br />

April, 2006, Tervuren, Belgium. - Jülich:<br />

Forschungszentrums Jülich, p. 13.<br />

– Eckstein, D., Wazny, T., Bauch, J., Klein,<br />

P., 1986. New evidence for the dendrochronological<br />

dating of Netherlandish paintings.<br />

Nature 320(3): 465-466.<br />

– Eckstein, D. en Wrobel, S., 2008:<br />

Dendrochronologie. In: Andreas Hauptmann,<br />

Volker Pingel (ed.), Archäometrie,<br />

E. Schweizerbart’sche Verlagsbuchhandlung,<br />

Stuttgart, 154-170.<br />

– Fagel, R., 1996. De Hispano-Vlaamse<br />

wereld, De contacten tussen Spanjaarden en<br />

Nederlanders 1496 - 1555. Brussel/Nijmegen.<br />

– García Chico, E., 1993. Los Bolduque,<br />

escultores. Boletín del seminario de estudios<br />

de arte y arqueología, 1936-1939, p. 37.<br />

– García Mogollón, F.J., 1993. Concatedral<br />

de Cáceres, Santa María la Mayor,<br />

vol. 16. Edilesa, León.<br />

– Gérard, A. en Glatigny, J.A. 1996.<br />

Fifteenth- and sixteenth-century methods of<br />

cutting wood for works of art. Symposium<br />

on Wood and Furniture Conservation.<br />

Veres/OR, Amsterdam, p. 59-60.<br />

– Gómez Bárcena, M. 2004. Arte y devoción<br />

en las obras importadas. Los retablos ‘flamencos’<br />

esculpidos tardogóticos: estado de la cuestión.<br />

Anales de la historia del Arte 14, Madrid,<br />

36-37.<br />

– Haneca, K., 2005. Tree-ring analysis of<br />

European oak: implementation and relevance<br />

in (pre)historical research in Flanders. Ph.D.<br />

dissertation, Ghent University, Ghent.<br />

– Haneca, K., Wazny, T., Van Acker, J.<br />

and Beeckman. 2005. Provenancing Baltic<br />

timber from art historical objects: successes<br />

and limitations. Journal of Archaeological<br />

Science 32: 261-271.<br />

– Jansma, 2007. Datering, herkomst en bouwvolgorde<br />

van De Meern 4. In: T. de Groot &<br />

J.-M.A.W. Morel (red.), 2007: Het schip uit de<br />

Romeinse tijd De Meern 4 nabij boerderij de<br />

Balije, Leidsche Rijn, gemeente Utrecht.<br />

Waardestellend onderzoek naar de kwaliteit<br />

van het schip en het conserverend vermogen<br />

van het bodemmilieu. RACM, Amersfoort.<br />

– Jansma, E., Hanraets, E. and Vernimmen,<br />

T. 2004. Tree-ring research on Dutch and<br />

Flemish art and furniture. In: Jansma, E.,<br />

Bräuning, A., Gärtner, H. and Schlesser,<br />

G. (Eds.), Tree Rings in Archaeology,<br />

Climatology and Ecology, Volume 2.<br />

Proceedings of the Dendrosymposium 2003.<br />

Schriften des Forschungszentrum Jülich,<br />

Reinhe Umwelt 44. Forschungszentrum<br />

Jülich, Jülich, 139-146.<br />

– Martens, M. P. J en Peeters, N., 2002.<br />

El Renacimiento en el mundo flamenco y las<br />

relaciones artísticas con España. In: Erasmo<br />

en España : la recepción del humanismo en el<br />

primer renacimiento español : Escuelas Menores<br />

de la Universidad de Salamanca 26 de septiembre<br />

de 2002 - 6 de enero de 2003. Sociedad<br />

Estatal para la Acción Cultural Exterior.<br />

– Moliner, M., 2007. Diccionario de uso<br />

del español, a-i. Tercera edición.<br />

Editorial Gredos. Madrid.<br />

– Rodríguez Pérez, Y., 2003. De Tachtigjarige<br />

Oorlog in Spaanse ogen. De Nederlanden in<br />

Spaanse historische en literaire teksten (circa<br />

1548-1673). Uitgeverij Vantilt.<br />

– Sass-Klaassen, U. 2000. Dendrochronologisch<br />

onderzoek aan naaldhout uit Nederlandse<br />

monumenten. KNOB Bulletin,<br />

Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige<br />

Bond. Jaargang 99, 2000, nummer 3, 85-94.<br />

– Sass-Klaassen, U., Vernimmen, T.,<br />

Baittinger, C., 2008. Dendrochronological<br />

dating and provenancing of timber used as –<br />

foundation piles under historic buildings in<br />

The Netherlands. International Biodeterioration<br />

& Biodegradation 61, 96-105.<br />

– Scheifele, M., 1996. Als die Wälder auf<br />

Reisen gingen: Wald, Holz, Flösserei in der<br />

Wirtschaftsgeschichte des Enz-Nagold-Gebiets.<br />

G. Bruin Druckerei GmbH & Co. KG,<br />

Karlsruhe.<br />

18<br />

– Thomas, W. en Stols, E., 2000. La integración<br />

de Flandes en la Monarquía Hispánica.<br />

In: Thomas W. y Verdonk R. (eds.),<br />

Encuentros en Flandes, Relaciones e<br />

intercambios hispanoflamencos a inicios<br />

de la Edad Moderna, Leuven, 39.<br />

– Van Helmond, N., 2008. Forum Hadriani:<br />

A dendrochronological study to determine<br />

the age and origin of wood from a Roman<br />

quay and landing stage. Bachelor’s thesis,<br />

Utrecht University.<br />

– Van Prooije, L. A., 1990. De invoer van<br />

Rijns hout per vlot 1650 - 1795. Economischen<br />

Sociaal-historisch Jaarboek, 53, pp 30-79.<br />

– Van Prooie, L.A., 1992. Dordrecht als<br />

centrum van de Rijse houthandel in de 17e<br />

en 18e eeuw. Economisch- en sociaalhistorisch<br />

jaarboek, dl. 55, p. 143-158.<br />

– Visser, R., 2006. De Romeinse houtvoorziening<br />

in het gebied van de Nedergermaanse<br />

Limes. Een historisch en dendrochronologisch<br />

perspectief. Amsterdam (doctoraalscriptie<br />

Vrije Universiteit Amsterdam).<br />

– Wazny, T. 2005. The origin, assortments<br />

and transport of Baltic timber: historic-dendrochronological<br />

evidence. In: Van de Velde, C.,<br />

Beeckman, H., Van Acker, J. and Verhaeghe,<br />

F. (Eds.). Constructing Wooden Images:<br />

proceedings of the symposium on the organization<br />

of labour and working practices of late<br />

gothic carved altarpieces in the Low Countries,<br />

Brussels 25-26 October 2002. VUB Press,<br />

Brussels, p. 115.<br />

– Zunde, M. 1999. Timber export from old<br />

Riga and its impact on dendrochronological<br />

dating in Europe. Dendrochronologia,<br />

16-17, 1998-1999: 119-130.<br />

IR. M. (MARTA) DOMÍNGUEZ<br />

DELMÁS is wetenschappelijk<br />

medewerker/dendrochronoloog van<br />

Stichting RING, het Nederlands<br />

centrum voor dendrochronologie.<br />

H.J.P.M. (HARRY) VAN DEN<br />

BERSELAAR MCC is Senior<br />

communicatiemedewerker RACM.


Onderscheidende inhoud Smaakvolle vormgeving<br />

Hoogstaand drukwerk Perfecte distributie<br />

Uw relaties zijn het waard<br />

Uw relaties zijn de basis voor uw succes. Dat mogen ze best weten. Geef blijk van uw<br />

waardering met een uitgave op niveau. Perfect drukwerk dat de ontvanger het gevoel van een<br />

cadeau geeft... Dat bereikt een e-mailing of website nooit.<br />

Educom realiseert al meer dan 20 jaar toonaangevende publicaties. Van basis-concept, inhoud en<br />

ontwerp, tot en met distributie (incl. sealen, postale- en abonneeservice).<br />

U heeft al een uitgave, of voelt er wel voor? Neem contact op voor een gesprek over hoe onze<br />

expertise u van dienst kan zijn.<br />

www.uitgeverijeducom.nl<br />

Uitgeverij Educom BV<br />

Mathenesserlaan 347<br />

Rotterdam<br />

T 010 - 425 6544<br />

info@uitgeverijeducom.nl


C CULTUURLANDSCHAP D.M. PURMER<br />

DE ATLANTIKWALL IN HET NATIONAAL PARK ZUID-KENNEMERLAND<br />

BUNKERS<br />

in het duin<br />

FOTO: M. PURMER<br />

In het Nationaal Park Zuid-Kennemerland liggen belangrijke restanten van de Atlantikwall, de Duitse linie uit de<br />

Tweede Wereldoorlog. In samenhang zijn hier diverse elementen en structuren als bunkers, wegen en tankgrachten<br />

bewaard gebleven. Belangrijke natuurwaarden hebben zich inmiddels op en rond deze linie ontwikkeld.<br />

De tijd lijkt rijp om zowel wat betreft bescherming als beleving stappen te nemen. Bescherming van delen van<br />

de Atlantikwall kan helpen keuzes te maken in het gebied. De RACM zou hierbij het initiatief kunnen nemen.<br />

Daarnaast zou erkenning van de monumentale waarden van de Atlantikwall kunnen helpen in het<br />

ontwikkelen van meer belevingsmogelijkheden rondom deze unieke restanten uit de Tweede Wereldoorlog.<br />

ver Zuid-Kennemerland, het<br />

Oduingebied ten westen van<br />

Haarlem, wordt wel verteld<br />

dat de Duitsers er meer overhoop<br />

gehaald hebben tijdens<br />

de Tweede Wereldoorlog dan de mens in alle<br />

eeuwen daarvoor. Feit is in ieder geval wel,<br />

dat in een klein aantal jaren het duingebied<br />

een ongekende bouwactiviteit heeft gezien.<br />

Maar dat is inmiddels als ruim zestig jaar<br />

geschiedenis. Hoe staat het nu met de overblijfselen<br />

van de Atlantikwall? En hoe passen<br />

deze in een natuurgebied?<br />

In dit artikel wordt eerst kort de historische<br />

achtergrond van de Atlantikwall in de duinen<br />

van Zuid-Kennemerland geschetst. Vervolgens<br />

wordt ingegaan op de nog overgebleven<br />

restanten in samenhang met het omringende<br />

landschap. Tenslotte wordt gekeken naar het<br />

samengaan van behoud van dit erfgoed met<br />

natuurbeheer en mogelijkheden voor de<br />

toekomst.<br />

Historische achtergrond van de Atlantikwall<br />

Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft de<br />

Duitse bezetter een verdedigingslinie aangelegd<br />

langs de West-Europese kust, van Zuid-<br />

Frankrijk tot Noorwegen. Deze linie diende<br />

een geallieerde invasie te voorkomen. Ook de<br />

Nederlandse kust werd onderdeel van deze<br />

zogenaamde Atlantikwall. Orders tot aanleg<br />

van deze linie stammen uit december 1941,<br />

maar vanaf het voorjaar van 1942 tot mei<br />

1945 zou aan deze verdedigingslinie gebouwd<br />

worden.<br />

20<br />

De Atlantikwall was niet opgezet als een aaneengesloten<br />

linie, maar als een keten van<br />

onafhankelijk te verdedigen steunpunten. De<br />

kleinste verdedigbare kern bestond uit een<br />

Widerstandsnest. Twee of meerdere Widerstandsnester<br />

vormden een Stützpunkt. Deze<br />

vormden de bouwstenen van de Atlantikwall.<br />

Combinaties van onafhankelijke Widerstandsnester<br />

en Stützpunkte vormden de<br />

verdediging van een kustdeel. Kustdelen<br />

kenden één van de drie verdedigingsstatussen<br />

(van minder belangrijk tot hoogst belangrijk):<br />

Freie Kuste, Stützpunktgruppen en<br />

Verteidigungsbereiche. Beide laatstgenoemde<br />

typen bestonden uit diverse met lichte en<br />

zware wapens uitgeruste bunkers, omgeven<br />

door een aanééngesloten anti-tanklinie.<br />

Hierbij verdedigden Verteidigungsbereiche


strategisch zeer belangrijke plekken, namelijk<br />

de havens waar een geallieerde invasie<br />

plaats zou kunnen vinden. Stützpunktgruppen<br />

verdedigden locaties van kleiner<br />

strategisch belang. Langs de Nederlandse<br />

kust lagen van Breskens tot Delfzijl 19<br />

Stützpunktgruppen en vier Verteidigungsbereiche:<br />

Den Helder, IJmuiden, Hoek van<br />

Holland en Vlissingen. In 1944 werden<br />

IJmuiden en Hoek van Holland tot Festung<br />

verklaard: dit waren de lokaties die in ieder<br />

geval behouden moesten blijven. Vlisssingen<br />

zou later in 1944 worden opgenomen in de<br />

Festung Walcheren (Rolf, 2005).<br />

In het huidige duingebied van het Nationaal<br />

Park Zuid-Kennemerland ligt zowel de<br />

noordgrens van het Stützpunktgruppe Zandvoort<br />

als het zuidfront van de Festung<br />

IJmuiden.<br />

Al sinds voorjaar 1942 was de Nederlandse<br />

kust verboden gebied. Ook kwam een verhuis-<br />

en vestigingsverbod voor Bloemendaal,<br />

Zandvoort en Velsen. In november 1942 werd<br />

in dit gebied ook daadwerkelijk met de bouw<br />

van de verdedigingswerken begonnen. Het<br />

betekende evacuatie van bewoners die direct<br />

achter de duinrand woonden. Naarmate de<br />

oorlog vorderde moesten steeds grote groepen<br />

mensen hun huizen verlaten. In Zandvoort<br />

werden 848 huizen en 13 hotels<br />

gesloopt voor de bouw van de Atlantikwall.<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

In Velsen ging het zelfs om 4.000 huizen<br />

(Nationaal Park Zuid-Kennemerland, 2002).<br />

Het daadwerkelijke bouwen van de Atlantikwall<br />

had zich voor een groot deel buiten het<br />

blikveld van de bewoners afgespeeld, maar na<br />

de bevrijding bleken de duinen veranderd in<br />

een compleet militair landschap: ooggetuigen<br />

vertelden van prikkeldraadversperringen,<br />

wachtposten, zoeklichten en bunkers voorzien<br />

van kanonnen. Het strand zelf stond vol<br />

palen, hekken en obstakels. Ook lagen er<br />

mijnenvelden (Scheffer, 2004).<br />

Na de oorlog werden de meest in de weg<br />

liggende onderdelen al spoedig gesloopt.<br />

Vooral de ‘obstakels’ op het strand en werken<br />

op en langs de doorgaande wegen zullen snel<br />

opgeruimd zijn. Duitse krijgsgevangenen<br />

werden hierbij ingezet. Zo moesten strandgangers<br />

zomer 1947 regelmatig van het<br />

strand als er weer mijnen of bunkers tot ontploffing<br />

werden gebracht (Scheffer, 2004).<br />

Men wilde de sporen van de Duitse bezetters<br />

zo snel mogelijk uitwissen en de meest in het<br />

oog lopende bunkers verdwenen dan ook<br />

letterlijk uit het zicht, soms door ze gewoon<br />

met zand te bedekken. Vooral de aan het<br />

strand liggende bunkers voor de kustverdediging<br />

verdwenen in hoog tempo. Een enkel<br />

element van de Atlantikwall werd op bijna<br />

moderne manier hergebruikt. Zo werd een<br />

cluster bunkers vanaf de jaren vijftig<br />

1<br />

2<br />

21<br />

gebruikt als vakantiewoningen. Dit zogenaamde<br />

‘Bunkerdorp’ is helaas in 1989<br />

gesloopt (Van Oostrom, 2004). Een Duitse<br />

observatiepost in Bloemendaal werd door het<br />

gemeentebestuur verbouwd tot uitkijktoren<br />

(Scheffer, 2004).<br />

Dat er toch nog veel van het zuidfront van de<br />

Festung IJmuiden is overgebleven, danken<br />

SAMENVATTING<br />

In het Nationaal Park Zuid-Kennemerland<br />

liggen belangrijke restanten van de Atlantikwall,<br />

de Duitse linie uit de Tweede Wereldoorlog.<br />

In samenhang zijn hier diverse<br />

elementen en structuren als bunkers,<br />

wegen en tankgrachten bewaard gebleven.<br />

Belangrijke natuurwaarden hebben zich<br />

inmiddels op en rond deze linie ontwikkeld.<br />

De tijd lijkt rijp om zowel wat betreft bescherming<br />

als beleving stappen te nemen.<br />

Bescherming van delen van de Atlantikwall<br />

kan helpen keuzes te maken in het gebied.<br />

De RACM zou hierbij het initiatief kunnen<br />

nemen. Daarnaast zou erkenning van de<br />

monumentale waarden van de Atlantikwall<br />

kunnen helpen in het ontwikkelen van meer<br />

belevingsmogelijkheden rondom deze unieke<br />

restanten uit de Tweede Wereldoorlog.<br />

EEN BUNKER IN GEBRUIK ALS VAKANTIEWONING IN HET ZOGENAAMDE BUNKER-<br />

DORP. DIT VAKANTIECOMPLEX WAS GEVESTIGD IN BUNKERS DIE DEEL UIT MAAKTEN<br />

VAN DE FESTUNG IJMUIDEN. VANAF DE JAREN '50 HEBBEN DIVERSE BUNKERS ZO<br />

TIENTALLEN JAREN EEN NIEUWE FUNCTIE GEHAD ALS VAKANTIEVERBLIJF. IN 1989<br />

ZIJN DE BUNKERS GESLOOPT. FOTO: UIT ONS BLOEMENDAAL, ARCHIEFDIENST KENNEMERLAND<br />

FESTUNG IJMUIDEN. DE HAVENS VAN IJMUIDEN ZIJN OMGEVEN DOOR DIVERSE BUN-<br />

KERCOMPLEXEN (ZWARTE PUNTEN, DE NUMMERS VERWIJZEN NAAR DE ZOGENAAM-<br />

DE BAUPUNKTE). EEN STELSEL VAN TANKGRACHTEN, DRAKETANDHINDERNISSEN EN<br />

TANKMUREN (DUBBELE LIJN, DIKKE LIJN EN DUNNE LIJN) OMSLUITEN DE FESTUNG.<br />

HET ZUIDELIJK GEDEELTE HIERVAN LIGT GROTENDEELS IN NATIONAAL PARK ZUID-<br />

KENNEMERLAND. BRON: RUDI ROLF EN HANS SAKKERS DUITSE BUNKERS IN NEDERLAND, MIDDELBURG, 2005


C<br />

3<br />

we waarschijnlijk aan het particuliere eigendom<br />

van dit deel van de duinen. Delen van<br />

dit gebied kwamen in de jaren zestig en<br />

zeventig aan Natuurmonumenten (Gorter,<br />

1986). Het is aannemelijk dat na de oorlog de<br />

prioriteit van de toenmalige eigenaar niet<br />

heeft gelegen bij het slopen van de diverse<br />

bunkers en andere betonwerken. Ze lagen<br />

hier immers minder in de weg. Ook de<br />

kosten zullen hierbij een rol hebben gespeeld.<br />

Restanten van de Atlantikwall in het<br />

Nationaal Park Zuid-Kennemerland<br />

In dit artikel wordt voornamelijk ingegaan<br />

op de restanten van het zuidfront van de<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

WALZKÖRPERSPERRE OP DE ZEEWEG, NAAR BLOEMENDAAL AAN ZEE. DE TWEE STAANDE BETONNEN BLOKKEN KONDEN OVER DE WEG GEKANTELD<br />

WORDEN. DE WEGVERSPERRING SLOOT AAN OP TANKMUREN. BRON: NOORD-HOLLANDS ARCHIEF<br />

4<br />

WALZKÖRPERSPERRE<br />

IN HET ZUIDFRONT<br />

VAN DE FESTUNG<br />

IJMUIDEN. DE HELFT<br />

IS TE ZIEN, IN GEOPENDE<br />

TOESTAND. DE LIGGING<br />

IN EEN OPEN GEBIED<br />

(ZIE HIERBOVEN) IS<br />

INMIDDELS BEHOORLIJK<br />

VERANDERD DOOR DE<br />

BEGROEIING. AAN<br />

BEIDE KANTEN SLUIT<br />

EEN TANKMUUR AAN<br />

OP DE WALZ-<br />

KÖRPERSPERRE.<br />

FOTO: M. PURMER<br />

Festung IJmuiden. Binnen de Atlantikwall<br />

was IJmuiden van groot strategisch belang:<br />

de haven was een mogelijk bruggehoofd voor<br />

de geallieerde invasie. Ook lagen hier de<br />

belangrijke sluizen in het Noordzeekanaal,<br />

het begin van de route naar Amsterdam. De<br />

hoogovens waren strategisch voor de Duitse<br />

oorlogsindustrie. Daarnaast was de haven<br />

van IJmuiden al sinds 1940 een uitvalsbasis<br />

voor torpedoboten. De status als Festung gaf<br />

aan dat behoud van IJmuiden voor de<br />

Duitsers van het grootste belang was.<br />

De bunkercomplexen zijn veel in het oog<br />

springende restanten van de Atlantikwall,<br />

22<br />

maar er is meer. Juist het zuidfront van de<br />

Festung IJmuiden illustreert dit goed. Dit<br />

was een gesloten, verdedigbare linie. Bunkers<br />

maakten hier maar een beperkt deel van uit.<br />

Het daadwerkelijke front was een combinatie<br />

van verschillende anti-tankversperringen.<br />

Deels een betonnen muur, deels een antitankgracht<br />

en deels bestaande uit andere<br />

tankversperringen zoals de zogenaamde<br />

‘Höckerhindernissen’ bestaande uit pyramidevormige<br />

betonblokken.<br />

Doorgangen in dit front werden voorzien van<br />

kantelbare wegversperringen. Geschutsopstellingen<br />

verdedigden de linie.<br />

Daarnaast waren achter de linie bunkers<br />

en gebouwen met verschillende functies te<br />

vinden, variërend van munitieopslag tot<br />

manschappenverblijven en toiletgebouwtjes.<br />

Voor bouw van het complex en snelle verbinding<br />

tussen de diverse onderdelen van de<br />

Festung werden wegen aangelegd, bestaande<br />

uit betonplaten. Ook kwamen er diverse<br />

loopgraven die bunkers met elkaar verbonden.<br />

Al met al is het zuidfront een samenhangend<br />

complex van gebouwen en structuren<br />

geweest.<br />

In de tijd dat de Atlantikwall actief was<br />

waren prikkeldraadversperringen, ‘Spaanse<br />

ruiters’ en andere hindernissen op en rond de<br />

betonwerken aangebracht. Tenslotte hebben<br />

de Duitsers enerzijds schootsvelden vrij<br />

gemaakt, maar anderzijds ook beplanting ter<br />

camouflage aangebracht. Bekend is dat<br />

balsempopulieren voor dit doel gebruikt


werden (Hengel, 1985). Daarnaast is voor de<br />

bouw van de diverse bunkers flink gegraven<br />

in het gebied. Duinen werden soms zelfs<br />

‘versteild’ om als extra hindernis te dienen.<br />

De invloed op het landschap ter plaatse was<br />

dus erg groot.<br />

Wat is van al deze verdedigingswerken nog<br />

over, zestig jaar na dato? Zoals eerder vermeld<br />

is een aantal zaken verdwenen. In ieder<br />

geval zijn de verdedigingswerken in het<br />

landschap minder zichtbaar geworden. Lag<br />

de linie in 1945 vooral in het open veld,<br />

inmiddels is deze grotendeels aan het oog<br />

onttrokken. Deels omdat bunkers bewust<br />

onder het zand zijn gewerkt, maar ook zijn<br />

veel bouwwerken overwoekerd door bomen<br />

en struiken.<br />

Toch resteert nog genoeg. Atlantikwallkenners<br />

Rudi Rolf en Hans Sakkers noemen<br />

de Festung IJmuiden ‘de meest intacte vesting<br />

van West-Europa, waarin nog een grote diversiteit<br />

aan duurzame verdedigingswerken op een<br />

relatief klein oppervlak terug te vinden is. (…)<br />

Het zuidelijke Landfront is door samenhang van<br />

bunkers en tankhindernissen interessant’ (Rolf,<br />

2005).<br />

Inderdaad is de ononderbroken lijn van verschillende<br />

tankhindernissen nog gaaf aanwezig.<br />

In verschillende vormen: tankgrachten,<br />

tankmuren en drakentanden komen allen<br />

aansluitend voor. In deze linie zit ook de – op<br />

Europees niveau – nu zeldzame wegversperring<br />

(Walzkörpersperre) met kantelbare<br />

betonblokken die de doorgang konden<br />

blokkeren. Zeldzaam, want juist deze werken<br />

verdwenen snel omdat ze letterlijk in de weg<br />

lagen.<br />

Daarnaast zijn rond de anti-tanklinie nog<br />

diverse bunkers te vinden. Sommige zijn<br />

door aanzanden aan het zicht ontrokken,<br />

andere liggen nog duidelijk zichtbaar in het<br />

landschap. Ook zijn er nog, voor wie goed<br />

kijkt, restanten over van het loopgravenstelsel<br />

in de vorm van zigzag lopende<br />

greppels in het bos. Op (korte) afstand van<br />

de anti-tankversperringen lagen de manschappenbunkers<br />

en opslagbunkers. Hiervan<br />

is ook nog een aantal bewaard gebleven,<br />

alhoewel de beroemde opslagbunker ‘De<br />

Moriaan’ recentelijk nog door brand verwoest<br />

is en daarna gesloopt.De diverse<br />

onderdelen van het zuidfront waren verbonden<br />

door wegen bestaande uit betonplaten.<br />

Stukken van deze weg bestaan nog, maar ook<br />

nog zeer recent zijn delen verdwenen. Voor<br />

de aanleg van een nieuw fietspad moesten de<br />

betonplaten wijken voor klinkers, alhoewel<br />

het tracé in ieder geval gehandhaafd is.<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

5<br />

TANKMUUR, OOIT GELEGEN IN EEN OPEN LANDSCHAP, INMIDDELS OVERWOEKERD. FOTO: M. PURMER<br />

Al met al is er nog behoorlijk wat aanwezig.<br />

De samenhang met het daadwerkelijke zuidfront,<br />

de anti-tanklinie, is groot. Door<br />

begroeiing en sloop is een aantal onderdelen<br />

wel verdwenen of moeilijker in samenhang<br />

met de overige onderdelen te beleven.<br />

Een gevaarlijke erfenis uit de Tweede Wereldoorlog<br />

vormt de grote hoeveelheid onontplofte<br />

munitie in het gebied. Niet alleen<br />

lagen er mijnenvelden, maar er waren ook de<br />

nodige munitie-opslagplaatsen. Deze voorraden<br />

zijn door de geallieerden na de oorlog<br />

vernietigd. Deels is dit onvolledig gebeurd,<br />

met als gevolg onontplofte munitie zoals<br />

handgranaten die ook zestig jaar na dato nog<br />

gevaarlijk kunnen zijn. Zelf heb ik eens de<br />

vondst van een handgranaat meegemaakt, die<br />

bovenkwam bij een stuifvlakte.<br />

Geallieerden hebben de Atlantikwall ook<br />

regelmatig bestookt, met bomkraters als<br />

gevolg. Omdat de duinen ook als oefengebied<br />

voor Duitse vliegers dienstdeden, zijn er ook<br />

grote aantallen oefenbommen teruggevonden.<br />

Dit zijn betonnen projectielen met de precieze<br />

afmeting van de echte munitie. Bij bezoekers-<br />

23<br />

centrum ‘De Zandwaaier’ zijn enkele van<br />

deze volstrekt ongevaarlijke bommen te<br />

bezichtigen.<br />

Natuur en cultuurhistorie verweven<br />

Zuid-Kennemerland is een Nationaal Park<br />

vanwege de grote natuurwaarden en wordt<br />

beheerd door Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer<br />

en het Waterleidingbedrijf Noord-<br />

Holland. De laatste jaren worden de beheerders<br />

zich steeds sterker bewust van de<br />

cultuurhistorische waarden die zich in het<br />

gebied bevinden.<br />

Die aandacht is terecht: het idee dat de duinen<br />

in het verleden ‘woest en ledig’ waren is<br />

inmiddels achterhaald. Al eeuwen zijn de<br />

duinen door de mens in gebruik geweest.<br />

De duinen zelf waren in gebruik als jachtgebied,<br />

oefenterrein maar ook als (veelal<br />

kleinschalig) landbouwgebied. Archeologisch<br />

belangrijke vondsten zijn in 2006 gedaan<br />

toen in de duinen een vroeg-middeleeuwse<br />

nederzetting is opgegraven (Flach, 2006).<br />

Langs de binnenduinrand is een strook landgoederen<br />

te vinden.


C<br />

De sporen uit de Tweede Wereldoorlog<br />

maken ook deel uit van de cultuurhistorie<br />

van dit gebied. De resten van de Atlantikwall<br />

zijn een relatief jong, maar wel zeer bepalend<br />

voor het huidige landschap.<br />

Natuurwaarden kennen de diverse onderdelen<br />

van de Atlantikwall inmiddels ook. Bekend<br />

voorbeeld zijn de overwinterende vleermuizen.<br />

Vleermuizen maken voor hun winterslaap<br />

graag gebruik van de constante temperatuur<br />

en luchtvochtigheid in de bunkers. Honderden<br />

vleermuizen van diverse soorten zijn ’s<br />

winters te gast in de Atlantikwall. Een minder<br />

bekend voorbeeld van natuur op de bunkers<br />

vormen wellicht de mossen. Het door de<br />

Duitsers gebruikte beton blijkt een prima<br />

ondergrond voor diverse mossoorten, die zich<br />

op dit beton al decennia lang ongestoord<br />

kunnen ontwikkelen. Dat ‘ongestoord’ is<br />

belangrijk: waar in Nederland krijgen mossen<br />

die kans op een betonoppervlak? Ook de tankgrachten<br />

in het gebied hebben een nieuwe<br />

functie gekregen: dodaars broeden er, er zitten<br />

veel kikkers en salamanders en de gewone pad<br />

maakt er dankbaar gebruik van als kraamkamer<br />

(Wijkhuisen, 1992). De verwevenheid<br />

van natuur en cultuurhistorie is dus groot.<br />

Daarnaast heeft het samenspel tussen natuur<br />

en cultuurhistorie ook een heel eigen land-<br />

6<br />

OVERGANG VAN EEN TANKMUUR IN EEN TANKGRACHT. FOTO: M. PURMER<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

schap gecreëerd. De deels overwoekerde<br />

tankmuren en bunkers vormen een bijna<br />

romantisch aandoend ruïnelandschap. Nederland<br />

is behoorlijk arm als het gaat om ruïnes.<br />

Waar bij middeleeuws muurwerk woekerende<br />

planten de nodige schade kunnen aanrichten,<br />

tast de begroeiing van de bunkers hooguit<br />

de zichtbaarheid aan. In dat opzicht is de<br />

ontstane symbiose cultuur-natuur ook waardevol.<br />

Voor het beheer in de toekomst schept<br />

het wel vragen: wanneer komen de cultuurhistorische<br />

waarden in gevaar? Voorlopig<br />

echter lijkt het gevoerde beheer de restanten<br />

van de Atlantikwall niet te schaden.<br />

Bedreiging is vooral vandalisme. En het in de<br />

weg liggen van onderdelen van de Atlantikwall<br />

bij (natuur-)ontwikkelingen in het<br />

gebied. Plannen om een kerf in de zeereep te<br />

maken en zo overstuivingen in de duinen te<br />

ontwikkelen bijvoorbeeld. Gaan deze plannen<br />

door, zal dat niet alleen resulteren in sloop<br />

van bunkers in de zeereep, maar zullen ook<br />

andere elementen zoals betonweg en andere<br />

bunkers op zijn minst onder het zand verdwijnen,<br />

of zodanig door stuivend zand ondermijnd<br />

worden dat sloop de enige optie is.<br />

De vraag is dan ook gerechtvaardigd welke<br />

onderdelen van de Atlantikwall in dit gebied<br />

beschermd dienen te worden. Tweede vraag is<br />

dan: hoe moet die bescherming vorm krijgen.<br />

24<br />

Beschermen van zeldzame<br />

bunkertypes of complexen?<br />

Op 2 november 2006 vond in bezoekerscentrum<br />

‘De Zandwaaier’ een symposium<br />

plaats over de (mogelijke) bescherming van<br />

de Atlantikwall. Hierbij waren belangengroepen,<br />

experts, terreineigenaren en bestuurders<br />

van diverse overheidslagen op initiatief van<br />

de RACM en Natuurmonumenten bij elkaar.<br />

Voorafgaand was in kleiner comité een selectie<br />

gemaakt van de meest waardevolle onderdelen<br />

van de Atlantikwall in Nederland. Een<br />

moeilijke opgave, want de benadering van<br />

deze grote linie was vaak niet eenduidig: kies<br />

je voor nationaal of internationaal perspectief?<br />

Typologisch zeldzame of bijzondere<br />

bouwwerken of samenhangende onderdelen<br />

in een complex? De uiteindelijke selectie is<br />

een mix geworden, waarbij enkele belangrijke<br />

concentraties zoals de onderdelen van de<br />

Festung IJmuiden van werken zijn afgewisseld<br />

met bijzondere puntlocaties zoals hoofdkwartierbunkers<br />

(De Vries, 2007).<br />

Voor het zuidfront van de Festung IJmuiden<br />

zou zowel een typologische benadering als<br />

een complexbenadering gebruikt kunnen<br />

worden. Enkele onderdelen, zoals de eerder<br />

genoemde Walzkörpersperre, zijn typologisch<br />

zeer zeldzaam. Maar juist de genoemde


samenhang van de onderdelen hier maakt het<br />

complex zo waardevol. Vraag is dan vooral<br />

wat complexbescherming in een natuurgebied<br />

als Kennemerland inhoudt: is dat het<br />

minutieus behoud van elk afzonderlijk<br />

onderdeel? Of kunnen er nog veranderingen<br />

in het gebied plaatsvinden? De veel gehoorde<br />

kreet 'behoud door ontwikkeling' lijkt ook<br />

hier van toepassing als het gaat om behoud<br />

van de Atlantikwall bij het ontwikkelen van<br />

de natuur. Hier ligt echter wel een grens die<br />

nog niet duidelijk opgezocht is. Het eerder<br />

genoemde fietspad-voorbeeld, maar de eveneens<br />

aangehaalde plannen voor verstuivingen<br />

lijken steeds ten koste te gaan van Atlantikwall-onderdelen.<br />

Wat dat betreft zou ergens<br />

ook een harde contour moeten worden<br />

getrokken om elementen en structuren die<br />

niet mogen verdwijnen omdat deze de waarde<br />

van het complex als geheel aantasten of<br />

typologisch zeer zeldzaam zijn. Het kan best<br />

zijn dat andere onderdelen, indien noodzakelijk<br />

bij natuurontwikkeling, wel kunnen verdwijnen<br />

zonder de waarden van het geheel<br />

aan te tasten. Op deze manier is er binnen het<br />

Nationaal Park nog niet naar de restanten<br />

van de Atlantikwall gekeken. Is dit een<br />

opdracht voor de gezamenlijke terreinbeheerders?<br />

Of zou de RACM hier een rol hebben?<br />

Helaas liggen de ontwikkelingen op dit<br />

vlak sinds het symposium stil. Een beschermingsvoorstel<br />

van het Rijk voor deze en<br />

andere waardevolle onderdelen van de<br />

Atlantikwall kan een welkome hulp zijn bij<br />

het maken van dit soort afwegingen.<br />

Hiermee kan ook de negatieve bijsmaak van<br />

dit erfgoed verder verdwijnen. Tot zeer<br />

recent werd Duits erfgoed in Nederland<br />

gezien als herinnering aan een moeilijke tijd<br />

dat maar beter kon worden gesloopt. Draagvlak<br />

voor bescherming was er dan ook nauwelijks.<br />

Door diverse publicaties en publieke<br />

aandacht begint dit beeld te kantelen.<br />

Inmiddels komen bunkers hier en daar op de<br />

gemeentelijke monumentenlijst en ontstaan<br />

er fiets- en wandelroutes langs bunkers, bijvoorbeeld<br />

in Zeeland bij Vlissingen. Toch is<br />

het meeste Duitse erfgoed de facto nog vogelvrij.<br />

Benoeming tot rijksmonument zou de<br />

definitieve erkenning voor dit erfgoed betekenen.<br />

Mogelijkheden voor beleving:<br />

Atlantikwall als ‘Lieu de Memoire?’<br />

De beleving van de Atlantikwall zou meer<br />

aandacht kunnen krijgen in het Nationaal<br />

Park. Er is overigens wel een mooi begin<br />

gemaakt toen het boekje ‘Tekens van toen’<br />

uitkwam. Hierin krijgen cultuurhistorische<br />

waarden uit verschillende periodes aandacht.<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

De lezer wordt uitgenodigd wandelend of<br />

fietsend plekken te bezoeken waar de<br />

geschiedenis beleefbaar is (Nationaal Park<br />

Zuid-Kennemerland, 2002).<br />

Maar zou het niet mogelijk zijn de relicten<br />

van de Atlantikwall in een breder kader te<br />

plaatsen? Gerelateerd aan de Tweede Wereldoorlog<br />

zijn er nog meer plekken te vinden<br />

in het Nationaal Park Zuid-Kennemerland.<br />

In de duinen zijn hier door de Duitsers 422<br />

verzetsmensen gefusilleerd en begraven,<br />

verspreid over 45 plekken in het gebied. De<br />

meeste verzetsstrijders zijn herbegraven op<br />

de Erebegraafplaats. Deze begraafplaats,<br />

ontworpen door de Haarlemse architecten<br />

Holt en Komter, werd november 1945 in<br />

gebruik genomen met de herbegrafenis van<br />

bekende verzetsstrijdster Hannie Schaft. Op<br />

een aantal vindplaatsen van de stoffelijke<br />

resten werden in 1949 gedenkstenen<br />

geplaatst (Nationaal Park Zuid-Kennemerland,<br />

2002).<br />

Hiermee zijn de duinen van Zuid-Kennemerland<br />

dus al sinds 1945 ook in gebruik als<br />

herdenkingsplek. Het is natuurlijk goed<br />

denkbaar om met eventuele aandacht voor<br />

de Atlantikwall hierbij aan te sluiten.<br />

De kwetsbaarheid van zowel natuur- als cultuurwaarden<br />

rondom de Atlantikwall zijn<br />

reeds genoemd. Niet overal is het wenselijk<br />

hordes wandelaars en fietsers langs de bunkers<br />

en tankmuren te voeren. Wel is het<br />

mogelijk bijvoorbeeld direct aan paden grenzende<br />

delen van de tankgracht, de betonweg<br />

of bunkers van informatiepanelen te voorzien<br />

of op te nemen in beschrijvingen van<br />

wandelroutes. Ook in het bezoekerscentrum<br />

De Zandwaaier zou meer aandacht aan de<br />

Atlantikwall besteed kunnen worden. Daarnaast<br />

is het nu al mogelijk voor ‘fijnproevers’<br />

met gespecialiseerde gidsen onderdelen van<br />

de Atlantikwall bezoeken, in samenwerking<br />

met locale verenigingen uit de buurt.<br />

Wellicht zou er nog meer mogelijk zijn als de<br />

Atlantikwall meer als herdenkingsplek met<br />

monumentale waarden aan de Tweede Wereldoorlog<br />

wordt gekoppeld. Maar dan zonder<br />

het kind met het badwater weg te gooien en<br />

de unieke sfeer van het gebied aan te tasten.<br />

Conclusie<br />

De cultuurhistorische waarde van de restanten<br />

van de Atlantikwall in het Nationaal Park<br />

Zuid-Kennemerland zijn zo langzamerhand<br />

zowel door beheerders als door publiek<br />

erkend. Wat betreft beheer lijken er weinig<br />

knelpunten te zijn voor het behoud van de<br />

waarden, hoewel sommige ontwikkelingen<br />

onderdelen bedreigen. Het nu nog missen-<br />

25<br />

de heldere waarderingskader voor de nog<br />

bestaande onderdelen van de Atlantikwall<br />

zou kunnen helpen hierbij de juiste keuzes te<br />

maken. Rijksbescherming is een mogelijkheid<br />

en zou een steun in de rug kunnen betekenen.<br />

Een breder beleefbaar maken van<br />

bepaalde plekken van de Atlantikwall binnen<br />

het Nationaal Park zou kunnen helpen ook<br />

het publieksdraagvlak te vergroten.<br />

Hierbij moeten we niet vergeten dat delen<br />

van de linie inmiddels een zeldzaam, maar<br />

kwetsbaar ruïnelandschap vormen waar<br />

natuur en cultuur sterk verweven zijn<br />

geraakt. Het is ook goed te proberen deze<br />

landschappelijke waarde te behouden. De<br />

beheerders van het Nationaal Park zullen<br />

zich hier dan ook terdege bewust van moeten<br />

zijn.<br />

Literatuurlijst<br />

– Flach, H. (2006) Zoiets is in Noord-<br />

Holland nog nooit eerder gevonden Artikel in<br />

het Haarlems Dagblad, 11 oktober 2006.<br />

– Gorter, H.P. (1986) Ruimte voor natuur.<br />

80 jaar bezig voor de natuur van de toekomst.<br />

Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten<br />

in Nederland, ’s-Graveland.<br />

– Hengel, S.J.H. van (samenstelling) (1985)<br />

Kennemer Kroniek 1910-1985. 75 jaar<br />

Kennemer Golf & Countryclub. Aerdenhout<br />

– Nationaal Park Zuid-Kennemerland<br />

(2002) Tekens van toen. Lopend of fietsend<br />

langs de cultuurhistorie van het Nationaal<br />

Park Zuid-Kennemerland. Enkhuizen.<br />

– Oostrom, C. van (2004) De duinen<br />

van Zuid-Kennemerland in ’40-’45. In:<br />

Ons Bloemendaal 3/2004 pp 12-13.<br />

– Rolf, R. en H. Sakkers (2005) Duitse<br />

bunkers in Nederland. Inventarisatie van de<br />

gebouwde en nog aanwezige duurzame verdedigingswerken.<br />

PRAK publishing, Middelburg.<br />

– Scheffer, H. (2004) De Atlantikwall,<br />

een muur die geslecht werd.<br />

In: Ons Bloemendaal 3/2004 pp 7-11.<br />

– Vries, B. de (2007) Bescherming van<br />

de Atlantikwall, een kwestie van kiezen.<br />

In: Nieuwsbrief van de Rijksdienst<br />

voor Archeologie, Cultuurlandschap en<br />

Monumenten, Amersfoort 1/2007 pp 22-23.<br />

– Wijkhuisen, H. (1992) Duitsers in<br />

het duin. In: Duin, 1/92 pp 6-7.<br />

DRS. D.M. (MICHIEL) PURMER<br />

is Senior Beleidsmedewerker<br />

Cultuurhistorie en Landschap bij<br />

Vereniging Natuurmonumenten.


M MONUMENTENZORG B. LAAN<br />

Naar een nieuwe vorm van monumentenzorg voor het woonhuisinterieur<br />

Niet verbieden<br />

maar informeren,<br />

enthousiasmeren<br />

& stimuleren<br />

'Uniek Joods interieur ontdekt' heette het in diverse Nederlandse kranten.<br />

Dat een nieuwe toeschrijving van een schilderij aan Frans Hals de landelijke<br />

pers haalt, zal niemand verbazen. 1 Maar dat de vondst van een interieur<br />

uit 1923 de landelijke media zelfs gedurende enkele weken weet bezig<br />

te houden2 is ongekend en blijft waarschijnlijk een unicum.<br />

26<br />

Het ging dan ook niet in de<br />

eerste plaats over het interieur<br />

als zo maar een onderdeel van<br />

het gebouwde erfgoed (zij<br />

het kunsthistorisch belangwekkend),<br />

en ook niet over een bijzondere<br />

inrichting of kunstverzameling, maar over de<br />

overblijfselen van een kamer waarin een<br />

Joods gezin heeft gewoond, een gezin waarvan<br />

de moeder Debora en hun drie dochters<br />

Theodora, Anna en Elise stierven in Auschwitz,<br />

Sobibor en Bergen-Belsen. Een link<br />

naar de eveneens in Bergen-Belsen vermoorde<br />

Anne Frank was gemakkelijk gemaakt en een<br />

heuse mediahype geboren.<br />

Hoewel het huis van de Joodse familie Korijn<br />

in de J.J. Viottastraat te Amsterdam geen<br />

‘personalitymuseum’ 3 zal worden vanwege het<br />

ontbreken van een herinnering aan een<br />

beroemd persoon – niemand van de familie


Korijn liet een ontroerend dagboek na dat<br />

postuum werd gepubliceerd – is deze interieurvondst<br />

zijn zuiver materiële status van<br />

kamerbetimmering ontstegen. Dit dankzij<br />

een aspect van de bewoning en niet in de<br />

laatste plaats vanwege het collectieve schuldgevoel<br />

over de afschuwelijke manier waarop<br />

de bewoners aan hun einde zijn gekomen.<br />

De roep om recuperatie als Joods cultuurgoed<br />

is echter nogal willekeurig, want waarom<br />

het nog geheel intacte eigen woonhuis<br />

van de architect Harry Elte dan niet? Toch<br />

is dit klaarblijkelijk de manier waarop dit<br />

interieur, gesteld dat het bezocht kan gaan<br />

worden, in een klap kan worden opgenomen<br />

in het collectieve geheugen van Nederland en<br />

een immateriële waarde kan verwerven die<br />

belangrijk is voor de promotie tot (Joods)<br />

cultureel erfgoed. 4<br />

Oneigenlijke lobby of niet, in mijn hart zou<br />

ik willen dat het alle vondsten zó verging die<br />

wij doen in het kader van het project<br />

Historische Interieurs in Amsterdam Zuid<br />

waarbij dit interieur twee jaar geleden werd<br />

ontdekt. Het historische woonhuisinterieur<br />

krijgt zelden de status van cultureel erfgoed,<br />

eenvoudigweg omdat het in de meeste gevallen<br />

onzichtbaar is gebleven en bovendien<br />

steeds opnieuw afhankelijk blijkt van de<br />

bereidwilligheid van nieuwe eigenaren om<br />

het te behouden. Het project Historische<br />

Interieurs in Amsterdam Zuid wil hierin<br />

verandering brengen door het interieur<br />

zichtbaar te maken en door de bereidwilligheid<br />

van de bewoners actief te stimuleren.<br />

Historische Interieurs in<br />

Amsterdam Zuid<br />

Het project wordt ontwikkeld en uitgevoerd<br />

door Barbara Laan, free lance interieurhistoricus,<br />

in opdracht van de daartoe opgerichte<br />

Stichting Historische Interieurs in<br />

Amsterdam en op intitiatief van Bureau<br />

Monumenten en Archeologie te Amsterdam<br />

(BMA). De Rijksdienst voor Archeologie,<br />

Cultuurlandschap en Monumenten (RACM)<br />

participeert in het project als één van de<br />

belangrijkste financiers en levert, evenals het<br />

Instituut Collectie Nederland (ICN), de<br />

nodige expertise. Het project wordt bovendien<br />

financieel ondersteund door Woningcorporatie<br />

Het Oosten, sinds 1 juli 2008<br />

gefuseerd tot ‘Stadgenoot’ en het Stadsdeel<br />

Oud Zuid. Daarnaast is samenwerking<br />

gezocht met een aantal Nederlandse universiteiten<br />

en academies.<br />

Het doel van de stichting is om woonhuizen<br />

op te sporen die vanwege hun architectuur,<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

SAMENVATTING<br />

De wens van de bewoners om woonhuisinterieurs te behouden is essentieel<br />

voor de instandhouding. Dit is de belangrijkste tussentijdse conclusie die<br />

gedaan werd in het kader van het project Historische Interieurs in Amsterdam<br />

Zuid. Het project is een initiatief van het Bureau Monumenten en Archeologie<br />

te Amsterdam (BMA) en wordt ontwikkeld en uitgevoerd door de speciaal<br />

daarvoor opgerichte stichting Historische Interieurs in Amsterdam (SHIA).<br />

De Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM)<br />

participeert in het project als een van de financiers en levert, evenals het<br />

Instituut Collectie Nederland (ICN), de nodige expertise.<br />

afwerking en bewoning interessant genoeg<br />

zijn om nader te onderzoeken en de waarden<br />

ervan te bepalen zodat een zorgvuldige<br />

omgang ermee kan worden gewaarborgd.<br />

Deze collectieve en private zorg, de belangrijkste<br />

voorwaarde voor behoud, is alleen<br />

mogelijk bij voldoende draagvlak. Om haar<br />

doel te bereiken, heeft de stichting het<br />

Project Historische Interieurs in Amsterdam<br />

Zuid bedacht met als belangrijkste eindproduct<br />

een publicatie. Daarnaast is er ‘flankerend<br />

beleid’ zodat de vergaarde kennis<br />

direct wordt overgedragen aan de bewoners<br />

middels een voorlichtingsbrochure, publieksboekje<br />

en bouwdossiers. Een inventarisatietraject<br />

dat in 2007 van start ging, levert<br />

medio 2009 150 panden op die allemaal<br />

worden gefotografeerd, beschreven en van<br />

documentatie voorzien (bouwtekeningen en<br />

bewonersgegevens). Dit gebeurt door de<br />

masterstudenten van verschillende herkomst<br />

en pluimage die zich voor het project hebben<br />

ingezet en nog zullen inzetten.<br />

De vondsten zijn talrijk, heel divers en keer<br />

op keer bijzonder te noemen. Ofschoon deze<br />

gebouwen zijn opgetrokken aan het begin<br />

van de industrialisatie van de bouw, is slechts<br />

een heel klein aantal exact dezelfde interieuronderdelen<br />

of bouwornamenten op verschillende<br />

locaties aangetroffen. De meeste<br />

interieurbestanddelen zijn (nu nog) anoniem,<br />

maar toch zijn enkele tientallen namen<br />

van kunstenaars, ambachtslieden, fabrieken<br />

en leveranciers van bouwmaterialen boven<br />

water gekomen. De architecten en/of aannemers<br />

zijn wel grotendeels bekend. Gegevens<br />

over bewoners waaronder gezinsamenstelling,<br />

inwonend personeel, geloofsovertuiging<br />

en beroep, zijn in het Bevolkingsregister<br />

opgezocht; ze zijn weliswaar niet altijd even<br />

goed leesbaar, maar wel altijd aanwezig.<br />

De stichting wil nader onderzoek doen naar<br />

een aantal aspecten van de sociaalhistorische<br />

en architectuur-, interieur-, en kunsthistori-<br />

27<br />

sche context van de geselecteerde panden,<br />

zodat gefundeerde uitspraken gedaan kunnen<br />

worden over de waardebepalende factoren.<br />

Dit om antwoord te krijgen op vragen zoals:<br />

hoe bijzonder en zeldzaam zo’n interieur als<br />

dat van de Joodse familie Korijn nu werkelijk<br />

is, bijvoorbeeld binnen de context van de<br />

andere vondsten van ‘Joodse’ interieurs in<br />

Amsterdam Zuid (figuren 1-4, 6). Het onderzoek<br />

richt zich ondermeer op thema’s als de<br />

opdracht- en uitvoeringssituatie, de culturele<br />

en financiële milieus van de bewoners en de<br />

rol van religieuze verzuiling in opdracht en<br />

uitvoering, de bouwnijverheid, de financiering<br />

van de elitewoning en de industrialisatie<br />

van de bouw, de woningtypologie en soorten<br />

1<br />

BELLENBORD IN DE JOODSE KEUKEN<br />

VAN DE FAMILIE KAHN IN DE LAIRESSESTRAAT.


M VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

plattegronden en de in Zuid werkende<br />

ambachtslieden, kunstenaars en handelaren<br />

in bouwmaterialen.<br />

Onderzoek naar makers en bewoners van<br />

individuele huizen is essentieel in verband<br />

met de betekenisverlening van de objecten.<br />

De betekenissen die wij aan deze interieurs<br />

toekennen zijn belangrijk om hun eventuele<br />

cultuurhistorische waarden te kunnen bepalen.<br />

Bij woonhuisinterieurs ligt dat net iets<br />

anders dan bij andere objecten waar monumentale<br />

of museale waarden aan worden<br />

toegekend. In de eerste plaats omdat het<br />

woonhuisinterieur als particulier domein<br />

wordt beschouwd en zich dus moeilijk als<br />

collectief erfgoed laat ‘labelen’. In de tweede<br />

plaats omdat interieur een fenomeen is dat<br />

zowel betrekking heeft op het gebouwde,<br />

locatiegebonden deel als op het niet-nagelvaste,<br />

dus niet locatiegebonden deel.<br />

In de wetenschap wordt het historische<br />

interieur beschouwd en bestudeerd als een<br />

eenheid van ruimte, afwerking en inrichting,<br />

5 een samenhang die in de werkelijk-<br />

heid zelden zo behouden blijft, althans niet<br />

als een onveranderlijke situatie, zelfs niet in<br />

een museale opstelling. Het interieur als een<br />

samenhangend geheel heeft per definitie een<br />

veranderlijk modieus en status karakter.<br />

Overigens wordt de ensemblewaarde van<br />

bestaande historische interieurs, inclusief de<br />

losse inrichting, inmiddels door RACM, ICN<br />

en de Inspectie Cultuurbezit onderkend,<br />

zoals blijkt uit het rapport Van object naar<br />

samenhang (2004), 6 waar de verschillende<br />

soorten van samenhangende eenheden nader<br />

worden gedefiniëerd en in categorieën ondergebracht.<br />

Het zou gezien de aard van het<br />

begrip interieur zeer aan te bevelen zijn als<br />

de diverse instellingen ook op het terrein van<br />

de waardestellende criteria een gezamenlijke<br />

aanpak zouden kiezen, want deze criteria zijn<br />

niet congruent. 7<br />

In het gehele veld van monumentenzorg en<br />

musea groeit de overtuiging dat interieurs<br />

hun betekenis voor een groot deel ontlenen<br />

aan de context waarin ze zijn ontstaan en<br />

gebruikt. Contextuele gegevens over zowel de<br />

makers als de opdrachtgevers worden dan<br />

ook steeds vaker door deze instellingen verzameld,<br />

zoals ondermeer blijkt uit diverse<br />

bijdragen in de jaarboeken van BMA en uit de<br />

uitkomsten van de ICN-themadag van 22 mei<br />

2008 over historische interieurs in musea<br />

die hun betekenis soms verliezen bij gebrek<br />

aan contextuele informatie.<br />

Wel is het in monumentenland nog vrij uitzonderlijk<br />

dat naast de ontwerper en de<br />

opdrachtgever ook de opeenvolgende bewoners<br />

aan een systematische studie worden onderworpen,<br />

zoals in het project Historische<br />

Interieurs in Amsterdam Zuid. De verhalen<br />

over de bewoners blijken juist essentieel te<br />

zijn in het wordingsproces van het woonhuisinterieur<br />

tot cultureel erfgoed.Verhalen<br />

zijn een belangrijke generator van historisch<br />

begrip. Bewoners voelen zich daardoor in een<br />

traditie staan. Deze verhalen staan ook heel<br />

dicht bij de essentie van het interieur als plek<br />

waar geleefd wordt en waarop elke bewoner<br />

zijn stempel drukt. In monumentenland<br />

moeten we leren dat dit ‘patina van het leven’<br />

een heel belangrijke betekenisverlener is die<br />

daarom ook meegewogen zou moeten worden.<br />

Maar dit is niet het enige aspect waarin het<br />

project een zeker pionierskarakter heeft.<br />

Instrumenten van de overheid<br />

schieten te kort<br />

Woonhuisinterieurs kunnen gedurende jaren<br />

behouden blijven, maar bij de wisseling van<br />

eigenaar toch plotseling worden gesloopt of<br />

aangepast. De huidige instrumenten van de<br />

overheid, waaronder de wetgeving, schieten<br />

hier ernstig tekort.<br />

Ofschoon bij rijks- en gemeentelijke monu-<br />

2 HAARDPARTIJ J.J. VIOTTASTRAAT<br />

28<br />

menten automatisch ook de binnenkant van<br />

het gebouw onder de bescherming van de<br />

Monumentenwet of van de gemeentelijke<br />

monumentenverordening valt, is dit zeker<br />

geen garantie dat historische indeling en<br />

afwerking behouden blijven. De moeilijkheid<br />

schuilt in het feit dat monumenten<br />

vaak uitsluitend op basis van kennis over de<br />

buitenkant van de gebouwen zijn aangewezen<br />

en beschreven. Het kennisgebrek is hier<br />

dus het grootste probleem. Dit nog afgezien<br />

van het gebrek aan controle op de naleving<br />

van de wet en afdoende werkzame sancties.<br />

Het gebrek aan kennis is zeker bij woonhuizen<br />

niet vreemd, want de binnenkant is<br />

uiteraard privé domein en veel mensen<br />

willen daarin geen overheidsbemoeienis.<br />

De panden in Amsterdam Zuid zijn voor de<br />

studenten geselecteerd op basis van de historische<br />

indeling en afwerking die ter plaatse<br />

door hen werd aangetroffen: ongeveer de<br />

helft van het aantal panden dat werd<br />

benaderd. Slechts een handvol ervan bleek de<br />

status van gemeentelijk of rijksmonument te<br />

hebben of stond op een lijst om als monument<br />

te worden aangewezen. Uit de redengevende<br />

omschrijvingen bleek in de meeste<br />

gevallen dat het interieur inderdaad niet was<br />

onderzocht en beschreven.<br />

3 DEUR J.J. VIOTTASTRAAT


Naar schatting is drie kwart van de woonhuizen<br />

in Zuid totaal of grotendeels van<br />

binnen gestript, aangepast of veranderd door<br />

intensieve bewoning. Het is daarom belangrijk<br />

om bewoners te doen beseffen dat de<br />

vondsten zeldzaam zijn en in de toekomst<br />

alleen nog maar zeldzamer zullen worden.<br />

Al bijna 100 particulieren in Amsterdam<br />

Zuid hebben hun medewerking verleend aan<br />

het onderzoeksproject. Vele verrassende<br />

vondsten van kamerbetimmeringen, schouwen,<br />

vloeren, glas in lood, stucplafonds en allerlei<br />

voorbeelden van historische woontechniek,<br />

zoals etensliftjes en bellenborden, zijn het<br />

resultaat. Bewoners zijn niet alleen vereerd<br />

met de belangstelling voor hun huis; ze<br />

willen graag alles over de geschiedenis,<br />

oorspronkelijke functies en voorgaande<br />

bewoners weten, zo blijkt. Bovendien willen<br />

ze hun pand in de regel zo goed mogelijk<br />

onderhouden en ze staan daarom open voor<br />

deskundig advies. Sommige eigenaren van de<br />

onderzochte panden zijn dermate begaan met<br />

het lot van hun bijzondere interieurs, dat ze<br />

graag willen dat de volgende bewoners het in<br />

stand zullen houden. Eigenlijk zouden zij<br />

over hun eigen graf heen willen regeren.<br />

Waarom zouden wij hen daarbij niet een<br />

handje kunnen helpen?<br />

Maar veel bewoners die wij hebben gesproken<br />

4<br />

GLAS IN LOOD J.J. VIOTTASTRAAT<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

zijn huiverig voor de gebiedende en verbiedende<br />

vinger van monumentenzorg. Ze<br />

willen niet dat hun pand monument wordt<br />

bijvoorbeeld omdat ze bang zijn dat het<br />

moeilijker wordt om het te verkopen vanwege<br />

de beperkende voorwaarden. Een groot<br />

woonhuis, oorspronkelijk bedoeld voor een<br />

gezin met inwonend personeel, kan in zo’n<br />

geval minder gemakkelijk worden opgesplitst<br />

in twee afzonderlijke woningen. Ook<br />

wordt gevreesd dat het pand minder waard<br />

wordt. Hoewel sommige studies aantonen<br />

dat woonhuismonumenten juist in waarde<br />

stijgen ten opzicht van niet-monumenten is<br />

men hiervan meestal niet op de hoogte. 8<br />

Bovendien lukt het bepaalde kopers, zoals<br />

projectontwikkelaars en vastgoedhandelaren,<br />

dikwijls om de vraagprijs van een pand te<br />

drukken als er beperkende voorwaarden op<br />

rusten. Daarbij komt dat zowel handelaren<br />

als particulieren heel inventief zijn als het<br />

gaat om het omzeilen van de verplichte<br />

bouw- en monumentenvergunning in het<br />

geval van een verbouwing en zeker voor wat<br />

betreft het interieur. En wie zal het kunnen<br />

terugdraaien als direct na de aankoop vast<br />

‘even’ de keuken en de badkamer worden<br />

‘opgeschoond’ door wat ‘oude rommel’ uit te<br />

breken. De problematiek is helder: de overheid<br />

is niet geliefd en blijft met lege handen<br />

achter en het culturele erfgoed is de dupe.<br />

Andere behoudstrategie:niet<br />

verbieden maar informeren,<br />

enthousiasmeren en stimuleren<br />

Het lijkt erop dat een alternatieve behoudstrategie<br />

mogelijk is: niet verbieden, maar<br />

informeren, enthousiasmeren en stimuleren.<br />

Dit vergt een ander denkmodel dan het<br />

huidige waarin beperkende voorwaarden<br />

worden opgelegd: het vergt een positieve<br />

benadering gericht op het ontwikkelen van<br />

particulier draagvlak. Zoals bij de gedragswetenschappers<br />

goede resultaten worden<br />

geboekt met de strategie van de positieve<br />

‘reinforcement’, zo kan er veel bereikt<br />

worden door de bewoners op hun verantwoordelijkheid<br />

aan te spreken. Niet door ze<br />

te verbieden om veranderingen door te<br />

voeren, maar door ze bewust te maken van<br />

hun rol als schakel in de bewonersgeschiedenis<br />

van het huis in kwestie. De groep<br />

bewoners die het pand heeft bewoond is<br />

lineair verantwoordelijk geweest voor het feit<br />

dat de woning historische waarden bevat.<br />

Het strippen van huizen gebeurt meestal<br />

omdat sommigen die waarden eenvoudigweg<br />

niet zien. Mensen hebben het recht op informatie<br />

en hulp bij het vaststellen van<br />

mogelijke cultuurhistorische of erfgoedwaar-<br />

29<br />

den. 9 Ze krijgen zodoende zicht op hoe goed<br />

hun voorgangers het gedaan hebben, zodat ze<br />

zelf, uit eigen beweging hun bijdrage kunnen<br />

leveren aan het behoud of herstel. Het is<br />

begrijpelijk dat veel mensen niet onder<br />

willen doen voor hun voorgangers. Er blijkt<br />

bovendien behoefte te zijn aan hulp bij het<br />

maken van de afwegingen om veranderingen<br />

op een verantwoorde wijze door te voeren en<br />

de juiste keuzes te maken bij onderhoud en<br />

conservering.<br />

Hoewel er diverse panden zijn onderzocht<br />

die de status van rijks- of gemeentelijk<br />

monument waardig zijn op grond van de<br />

monumentencriteria 10 is het dus nadrukkelijk<br />

niet de bedoeling om het behoud per se<br />

van overheidswege te regelen. Echter, in<br />

acute gevallen kan het wel de enige weg zijn.<br />

Gesterkt door de ervaringen in het veld valt<br />

er veel te winnen op het terrein van de voorlichting<br />

en het advies aan bewoners. Vaak<br />

zijn zij bereid om zelf initiatief te nemen om<br />

te waken over het interieurhistorisch erfgoed.<br />

Wellicht waarderen zij in beginsel het<br />

persoonlijke karakter, maar zij gaan het<br />

collectieve belang daarvan gaandeweg inzien<br />

en willen hun verantwoordelijkheid nemen,<br />

zeker als zij erop worden gewezen en aangesproken.<br />

Daarom willen wij dat bewoners,<br />

gebruikers en eigenaren te weten komen wat<br />

van waarde is en waarom, hoe ze daarmee om<br />

kunnen gaan en welke bijdrage behoud kan<br />

leveren aan de woonkwaliteit.<br />

Waardebepaling toegesneden<br />

op bewoners<br />

De betekenis van het genoemde Joodse interieur<br />

ligt vermoedelijk in de juiste mix van<br />

materiële authenticiteit en immateriële betekenis<br />

voor de geschiedenis van de Joodse<br />

Amsterdammers. Aan de ene kant is er de<br />

betekenis van de plek waar de ‘historische<br />

sensatie’ van het wrede lot van de bewoners<br />

aan den lijve gevoeld kan worden; aan de<br />

andere kant het visuele aspect van deze<br />

belevingswaarde (de tastbaarheid ervan): de<br />

aankleding van de ruimte, de aanwezigheid<br />

van de verlichting, de werkplek bij het<br />

schrijfbureau dat opgenomen is in de betimmering,<br />

de oude radiatoren in hun omkasting<br />

en het decorum van het pièce de résistance:<br />

de haardpartij met zijn luxe uitstraling van<br />

marmer en inlegwerk in dure houtsoorten.<br />

Het interieur is door de familie Korijn ingebracht<br />

in een huis van ouder datum. 11<br />

Kunsthistorisch is de kamer van waarde als<br />

een gaaf en zeldzaam voorbeeld van een werk<br />

gesigneerd door de Joodse ontwerper N. Le<br />

Grand; ontwerp en uitvoering is ongetwijfeld


M VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

van de interieurarchitect en meubelmaker<br />

Napoleon Le Grand (1857-1932), directeur<br />

van ’t Modelhuis, wellicht in samenwerking<br />

met zijn zoons Henri (1903-1989), die toen<br />

juist zijn opleiding tot architect aan de<br />

Académie des Beaux Arts te Parijs had voltooid,<br />

en Simon (1902-1986) die de zaak van<br />

zijn vader zou overnemen.<br />

De invoelbaarheid van de Joodse aspecten<br />

van de geschiedenis zijn belangrijke toegevoegde<br />

waarden waar het zonder de kennis<br />

van de achtergrond van de bewoners ‘slechts’<br />

een voorbeeld zou zijn van de warme sfeer<br />

van het wonen in de jaren ’20, zoals die in<br />

een rijke bankiersfamilie gebruikelijk was. 12<br />

De waardebepaling van interieurs staat in<br />

Nederland nog in de kinderschoenen, zeker<br />

van de jongere bouwkunst. Dit heeft deels te<br />

maken met achterstanden in de beschikbare<br />

kennis waardoor het soms lastig is om de<br />

waarde van individuele voorbeelden te vergelijken<br />

en te plaatsen in de context van nog<br />

bestaande soortgenoten. Deels is het een<br />

gebied waar intensief wordt nagedacht over<br />

de methodiek en de waarderingscriteria,<br />

hoewel het monumentale veld daar anders<br />

mee om gaat dan het museale veld. Het<br />

interieur wordt al jaren op basis van de<br />

monumentencriteria gewaardeerd bij bouwen<br />

architectuurhistorische onderzoeken en<br />

de cultuurhistorische waardestellingen die<br />

ten behoeve van verbouwingen en restauraties<br />

5<br />

gedaan worden. Bij het ICN worden de esthetische,<br />

stilistisch-kunsthistorische aspecten<br />

zwaarder meegewogen en ook nader gespecificeerd<br />

zoals bijvoorbeeld de plek van het<br />

object in het oeuvre van een kunstenaar. Bij<br />

musea worden interieuronderdelen vooral<br />

beoordeeld tegen de achtergrond van het<br />

museale beleidsprofiel van de instelling in<br />

kwestie.<br />

In het kader van het project Historische<br />

Interieurs in Amsterdam Zuid is vooral de<br />

vertaalslag van belang van professioneel<br />

begrippenapparaat naar verstaanbare taal.<br />

Vernieuwend is daarbij dat niet alleen naar<br />

de monumentencriteria gekeken wordt<br />

(mooi, gaaf, zeldzaam, belang voor de wetenschap),<br />

maar dat de criteria die voor bewoners<br />

van belang zijn (bijvoorbeeld gevoelswaarde,<br />

ambachtelijkheid) nader in kaart<br />

zullen worden gebracht en geanalyseerd.<br />

Tegenwoordig nemen overigens ook deskundigen<br />

steeds vaker populaire termen als<br />

‘belevingswaarde’ in de mond als het om<br />

monumentale waarden gaat, maar de inhoud<br />

van het begrip verdient nadere definiëring,<br />

want nu kan er van alles onder vallen: de<br />

charme van het slijtpatina, de levendigheid<br />

van een oude vloer, maar ook het sprekende<br />

aspect van de patronen. 13<br />

Het ligt voor de hand om bij een behoudstrategie<br />

die uit gaat van de particuliere<br />

bereidwilligheid om het interieur te behouden,<br />

andere instrumenten te bedenken dan<br />

de traditionele, i.e. bescherming door het<br />

aanwijzen van monumenten. De instrumenten<br />

die de stichting ontwikkelt worden dan<br />

ook in het bijzonder gericht op de doelgroepen:<br />

bewoners, gebruikers en eigenaren.<br />

Het betreft een pandspecifieke benadering in<br />

combinatie met een algemeen informatieve<br />

aanpak. Per individueel pand kunnen waardeadviezen<br />

worden opgesteld en bouwdossiers<br />

aangelegd. 14 Verder bracht de stichting afgelopen<br />

jaar een voorlichtingsbrochure 15 uit<br />

die bedoeld is om eigenaren van bijzondere<br />

woonhuizen te informeren over de waarde en<br />

betekenis van historische interieurs en inte-<br />

DE JOODSE INTERIEURARCHITECT EN<br />

DIRECTEUR VAN ‘T MODELHUIS NAPOLEON<br />

LE GRAND (1857-1932) IS CIRCA 1920<br />

GEFOTOGRAFEERD IN HET VONDELPARK<br />

(TWEEDE VAN RECHTS BOVENSTE RIJ) SAMEN<br />

MET ZIJN VROUW BE LE GRAND PINKHOF<br />

(LINKS ONDER), HUN ZOON HENRI (LINKS<br />

BOVEN), DOCHTER BETSY (RECHTS ONDER)<br />

EN ANDERE FAMILIELEDEN.<br />

30<br />

rieuronderdelen. Lezers wordt gewezen op<br />

de gevolgen van verbouwingen en krijgen<br />

praktisch advies over aanpassingen en onderhoud<br />

en de gevolgen van onoordeelkundige<br />

omgang voor het verlies aan historische<br />

waarden, onder het motto: weet wat u in huis<br />

heeft en zorg er goed voor.<br />

Ook stimuleert de voorlichtingsbrochure<br />

bewoners tot het aanleggen van het genoemde<br />

bouwdossier, documentatie waarin kennis<br />

over het gebouw en interieur wordt vastgelegd<br />

en bijeengehouden. Zo’n dossier kan<br />

bestaan uit oude en nieuwe foto's, maar ook<br />

uit bouwtekeningen of kopieën daarvan,<br />

documentatie over verbouwingen, groot<br />

onderhoud en restauraties. Uiteraard kunnen<br />

oude verkoopcontracten, die vroeger in<br />

Amsterdam verplicht met het huis moesten<br />

worden mee verkocht, in het bouwdossier<br />

een plaats krijgen. Ook voor de overige<br />

documenten is overdracht aan de volgende<br />

eigenaren essentieel, omdat er zo geen<br />

kennisverlies over het huis op treedt. Het<br />

idee van het bouwdossier komt voort uit de<br />

filosofie: mensen die van hun huis houden<br />

nemen er graag verantwoordelijkheid voor<br />

en willen die erfenis graag doorgeven aan<br />

toekomstige generaties bewoners.<br />

Samenvattend: de ambitie<br />

van de stichting<br />

De ambitie van de stichting Historische<br />

Interieurs in Amsterdam heeft twee speerpunten.<br />

Ten eerste het onderzoek, dus het<br />

vergaren en vastleggen en ontwikkelen van<br />

kennis zodat de vondsten in de juiste context<br />

kunnen worden beoordeeld en gewaardeerd.<br />

Ten tweede het ontwikkelen van een strategie<br />

voor behoud waarbij niet alleen argumenten,<br />

maar ook instrumenten worden aangedragen<br />

waarmee eigenaars en bewoners uit de voeten<br />

kunnen.<br />

Nadat tijdens het inventarisatietraject de<br />

basisgegevens zijn verzameld en vastgelegd<br />

zal nader onderzoek worden verricht naar de<br />

makers en bewoners van de panden. Over dit<br />

onderdeel zal in 2009 een boekje verschijnen<br />

met veel aandacht voor ‘human interest’ en<br />

gericht op een breed publiek.<br />

Het contextuele onderzoek zal resulteren in<br />

een omvangrijker boek waarin de vondsten<br />

in hun context worden geplaatst en beoordeeld<br />

op hun cultuurhistorische waarden.<br />

Er zal aandacht worden gegeven aan de<br />

argumenten voor behoud, mede op basis van<br />

criteria die voor bewoners van belang zijn.<br />

Ook zullen de opzet en de methodieken van<br />

het project worden beoordeeld op hun


elevantie voor andere stadsdelen en gemeenten<br />

in Nederland. Het boek zal in 2011<br />

verschijnen, gelijktijdig met een tentoonstelling<br />

in het Stadsarchief in Amsterdam.<br />

De wens van bewoners om interieurs te<br />

behouden is essentieel voor de instandhouding<br />

ervan. Dit is de belangrijkste tussentijdse<br />

conclusie in het kader van het project<br />

Historische Interieurs in Amsterdam Zuid.<br />

Een monumentenstatus is daarbij niet altijd<br />

nodig. Toch kan de overheid een belangrijke<br />

rol spelen, vooral als het gaat om een duwtje<br />

in de rug: voorlichting, in gesprek gaan, de<br />

instelling van een monumentenwacht voor<br />

het interieur stimuleren; de zogeheten interieurwacht<br />

zoals die in Noord-Brabant al<br />

bestaat,een verordening maken die overdracht<br />

van een bouwdossier bevordert, het<br />

zijn een paar voorbeelden van hulpmiddelen<br />

bij het stimuleren van behoud en instandhouding<br />

van het woonhuisinterieur.<br />

1 Opnieuw werk van Frans Hals ontdekt,<br />

NOS journaal 2 oktober 2008.<br />

2 Van circa half september tot half oktober<br />

2008 kwam het interieur Viottastraat 36 op het<br />

NOS journaal en het AT5 nieuws, op de radio<br />

en verschenen er stukken in de grote landelijke<br />

dagbladen en in de Jüdische Allgemeine.<br />

3 Voor de diverse categorieën woonhuismusea die<br />

internationaal worden onderscheiden verwijs ik<br />

naar de activiteiten van DEMHIST, een afdeling<br />

van de International Councel of Museums<br />

(ICOM) die sinds 1999 jaarlijks een conferentie<br />

organiseert.<br />

4 Zie over het pand Viottastraat 36 en de problematiek<br />

van erfgoedwording van woonhuisinterieurs<br />

de scriptie van Alexander Westra, gemaakt<br />

op basis van het onderzoek dat hij uitvoerde voor<br />

zijn stage bij de Stichting Historische Interieurs<br />

in Amsterdam en het Bureau Monumenten &<br />

Archeologie: A. Westra, De toekomst van de<br />

woonhuisinterieurs van de jongere bouwkunst,<br />

(scriptie duale master erfgoedstudies Universiteit<br />

van Amsterdam), Amsterdam 2008.<br />

5 Zie voor deze werkwijze: P. Thornton, Authentic<br />

decor. The domestic interior 1620-1920, London<br />

1984. En voor Nederland ondermeer: E. Bergvelt,<br />

F. van Burkom en K. Gaillard (red.), Van neorenaissance<br />

tot postmodernisme. Honderdvijfentwintig<br />

jaar Nederlandse interieurs, Rotterdam 1996.<br />

6 Van object naar samenhang. De instandhouding van<br />

ensembles van onroerend en roerend cultureel erfgoed,<br />

Den Haag, Rijkswijk, Zeist, Zoetermeer 2004<br />

(Rapport van de werkgroep Onroerend-roerend,<br />

opgesteld i.o.v. het Directeurenoverleg<br />

Cultuurdiensten).<br />

7 De criteria voor de waardering van gebouwen<br />

zijn ontleend aan de Monumentenwet van 1988,<br />

terwijl de criteria die gebruikt worden voor de<br />

6<br />

TRAPPAAL-<br />

SCULPTUUR<br />

DE LAIRESSE-<br />

STRAAT<br />

weging van losse objecten van wetenschap en<br />

kunst in museale collecties zijn ontleend aan<br />

het Delta-plan Cultuurbehoud.<br />

8 Zie bij voorbeeld het rapport opgesteld door de<br />

werkgroep ‘Monument en rendement’ (maart 2004)<br />

in opdracht van de gemeente Arnhem en de<br />

Rijksdienst voor de Monumentenzorg onder<br />

coördinatie van S.J.P.J. Smeets.<br />

9 De begrippen monumentale- en erfgoedwaarden<br />

worden tegenwoordig door elkaar gebruikt. Voor<br />

een overzicht van betekenissen van monumenten<br />

sinds de negentiende eeuw: C.P. Krabbe,<br />

‘Monumenten: architectonische overblijfselen’,<br />

in: F. Grijzenhout, Erfgoed. De geschiedenis<br />

van een begrip, Amsterdam 2007, 151-174.<br />

10 Zie de voor het MSP aangepaste en nader<br />

gespecificeerde criteria uit de Monumentenwet<br />

1988.<br />

11 Zie de bijdrage van A. Westra in nieuwsbrief<br />

no. 21, oktober 2008, Stichting Het Nederlandse<br />

Interieur.<br />

12 Met dank aan BONAS.<br />

13 Bijvoorbeeld tijdens het RACM symposium<br />

Over de vloer, gehouden op 8 oktober jl. in het<br />

Vredespaleis te Den Haag en de ter gelegenheid<br />

daarvan verschenen publicatie ‘Over de vloer: met<br />

31<br />

voeten getreden erfgoed’ (Zwolle/Zeist/<br />

Amersfoort 2008)<br />

14 Bij wijze van proef maakte erfgoedstudent<br />

Alexander Westra in het kader van zijn stage bij<br />

de stichting een systematiek waarin diverse<br />

aspecten van het interieur volgens een ordesysteem<br />

werden gewaardeerd en in getekende<br />

schema’s werden gepresenteerd. Het ordesysteem<br />

maakt mogelijk dat er rekening wordt gehouden<br />

met de erfgoedgradaties, zodat bewoners duidelijk<br />

zien dat bij lage of indifferente erfgoedwaarde<br />

de mogelijkheden open liggen voor hun eigen<br />

creativiteit en woonwensen.<br />

Ook werkte hij aan de ontwikkeling van een<br />

vragenlijst op basis waarvan inzicht wordt<br />

verkregen in de verschillende waarden die voor<br />

bewoners belangrijk zijn bij de beoordeling van<br />

de indeling en afwerking van hun interieurs.<br />

15 Historische Interieurs in Amsterdam, Amsterdam<br />

2008, samenstelling en teksten B. Laan en<br />

A. Westra. De brochure is via de stichting<br />

verkrijgbaar.<br />

DRS. BARBARA M. LAAN<br />

is projectleider Historische Interieurs<br />

in Amsterdam Zuid.


A ARCHEOLOGIE E.S. MITTENDORFF<br />

Het onderzoek<br />

et eerste geselecteerde onderzoek<br />

werd in 1948 uitgevoerd<br />

door het Biologisch Archeologisch<br />

Instituut (BAI) van<br />

de Rijksuniversiteit Groningen<br />

en de toen nog prille Rijksdienst voor<br />

Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) te<br />

Amersfoort, onder leiding van prof. dr. A. E.<br />

Van Giffen 3 (figuur 1 nr. 012). Het volgende<br />

grote onderzoek werd in het kader van stadsvernieuwing<br />

in 1980-81 onder leiding van H.<br />

Sarfatij door de ROB uitgevoerd 4 (figuur 1 nr.<br />

077). Vervolgens werden in 1982 en 1984<br />

twee kleinere noodopgravingen uitgevoerd<br />

door de Archeologische Werkgemeenschap<br />

Nederland, afd. 18. Dit gebeurde onder<br />

leiding van H. Lubberding (figuur 1 nr. 081 en<br />

095) 5 . Het laatste grote onderzoek in het<br />

gebied vond plaats in 1998-99 onder leiding<br />

van Th. Spitzers, uitgevoerd door BAAC 6<br />

H<br />

(figuur 1 nr. 197 en 199).<br />

Bovengenoemde opgravingen zijn vervolgens<br />

uitgewerkt op structuurniveau, toegespitst<br />

op de grotere structuren als huisplattegronden,<br />

waterputten en afvalkuilen, of<br />

de bestaande basisuitwerking is aangevuld.<br />

In de volgende stap van het onderzoek zijn<br />

de resultaten van deze basisuitwerkingen in<br />

een synthetiserend kader voor het hele<br />

onderzoeksgebied geplaatst. Dit kader<br />

bestond voor een belangrijk deel uit de combinatie<br />

van de gegevens van de individuele<br />

sites, die een hoog detailniveau bevatten, met<br />

de ontwikkelingspatronen, die bij de vergelijking<br />

van de afzonderlijke sites konden<br />

worden waargenomen. Het resultaat is een<br />

totaalbeeld van de ontwikkeling van een van<br />

de oudste delen van Deventer van een overwegend<br />

agrarisch gebied tot middeleeuwse<br />

stad. Bijzonder is dat dit proces voor het eerst<br />

in de onderzoeksgeschiedenis van Deventer<br />

op verschillende schaalniveaus kan worden<br />

gevolgd. Niet alleen op het niveau van de<br />

32<br />

In het kader van de doctoraalscriptie aan<br />

de Universiteit van Amsterdam is door de<br />

auteur een synthetiserend onderzoek<br />

uitgevoerd op basis van de opgravingsresultaten<br />

van vijf grotere opgravingen in<br />

het Polstraatkwartier, in de zuidoosthoek<br />

van de Deventer binnenstad, omsloten<br />

door de Polstraat, de Assenstraat en de<br />

Bursestraat. 1 In dit gebied zijn vanaf<br />

1909 in totaal 19 opgravingen en waarnemingen<br />

uitgevoerd, maar slechts twee<br />

onderzoeken waren (deels) uitgewerkt.<br />

Als gevolg van onvolledigheid of het<br />

geheel ontbreken van documentatie<br />

of vondsten vielen 14 onderzoeken af<br />

voor nadere uitwerking. Vijf opgravingen<br />

kwamen wel in aanmerking.<br />

1<br />

Woningen met uitzicht<br />

DE ONTWIKKELING VAN EEN STEDELIJKE<br />

DE VIJF OPGRAVINGEN IN HET CENTRUM, DIE DE BASIS VORMDEN VAN HET ONDERZOEK.<br />

WOONCULTUUR IN DEVENTER<br />

TUSSEN DE 9DE EN 13DE EEUW<br />

ruimtelijke ontwikkeling van het gebied als<br />

geheel, maar bijvoorbeeld ook op het niveau<br />

van ruimtelijke en functionele indeling van<br />

de individuele percelen en op het niveau van<br />

de huisplattegronden.<br />

Het uitgangspunt van het onderzoek vormde<br />

het archeologische bronnenmateriaal. Omdat<br />

historische bronnen voor de periode die dit<br />

onderzoek beslaat, relatief schaars en vaak<br />

slecht toegankelijk zijn, waar mogelijk, uit<br />

secundaire literatuur beschikbare historische<br />

bronnen gebruikt ter aanvulling van de<br />

archeologische gegevens.<br />

Het onderzoek omvatte bewoningssporen uit<br />

de periode tussen ongeveer 800 en 1250 n. Chr.<br />

Een belangrijk onderdeel van het onderzoek<br />

vormde de ontwikkeling van de woonhuizen<br />

binnen het onderzoeksgebied wat betreft<br />

constructie, vorm en functie. Binnen de<br />

onderzochte periode konden in totaal acht<br />

huistypen worden gedefinieerd. Het resultaat


is de eerste systematische typologie van huisplattegronden<br />

binnen de (vroeg)middeleeuwse<br />

stad. In dit artikel wordt de typologie<br />

van de gevonden huisplattegronden in chronologische<br />

volgorde beschreven. Daarnaast<br />

wordt getracht de ontwikkelingen in de wijze<br />

waarop woonhuizen werden geconstrueerd<br />

en in het uiterlijk van de huizen in de relevante<br />

maatschappelijke context te plaatsen.<br />

De resultaten hebben in eerste instantie<br />

betrekking op het onderzoeksgebied (zie<br />

figuur 1), maar kunnen waarschijnlijk ook op<br />

de rest van Deventer worden toegepast.<br />

Op basis van de historische vermelding van<br />

de stichting van een kerk rond 768 door de<br />

latere heilige Lebuïnus wordt verondersteld<br />

dat de bewoning in Deventer in ieder geval<br />

tot in het laatste kwart van de 8ste eeuw<br />

teruggaat. Vanuit archeologisch perspectief is<br />

deze oudste fase moeilijk traceerbaar.<br />

Grondsporen die mogelijk uit de late 8ste<br />

eeuw dateren zijn schaars en lastig te dateren<br />

als gevolg van het vrijwel ontbreken van<br />

nauwkeurig dateerbare importkeramiek. In<br />

het onderzoeksgebied zijn geen resten uit<br />

deze periode aangetroffen. De oudste hier<br />

aangetroffen structuren daar dateren in de<br />

eerste helft van de 9de eeuw, en dan vermoedelijk<br />

eerder in het tweede dan het eerste<br />

kwart daarvan.<br />

800-850: boerderijen<br />

Tot op heden zijn in de Deventer binnenstad<br />

slechts incomplete plattegronden uit deze<br />

periode aangetroffen. In de typologie van<br />

plattegronden zijn zij beschreven onder het<br />

type Deventer 3. Huisplattegronden van dit<br />

type worden gekenmerkt door een wandgreppel<br />

waarin de wandconstructie is<br />

geplaatst. De dragende constructie bestaat uit<br />

ingegraven houten palen aan de buitenzijde<br />

de wandgreppel (figuur 2). De wanden<br />

bestaan uit vlechtwerk. Alle gebouwen van<br />

dit type lijken een minimale lengte van 12 m<br />

te hebben gehad. Omdat geen complete plattegronden<br />

bewaard zijn gebleven, kunnen de<br />

exacte lengte en de breedte niet worden vastgesteld.<br />

De gebouwen van het type Deventer 3 vertonen<br />

overeenkomst met plattegronden van<br />

boerderijen van het type Odoorn C. Dit type<br />

wordt eveneens gekenmerkt door een draagconstructie<br />

die buiten de wanden is geplaatst.<br />

Daarnaast komen soms stijlen aan de binnenzijde<br />

van de wand voor. De wand is vaak<br />

deels ingegraven. De lengte varieert van 18<br />

tot 21 m. De breedte is over het algemeen 5 m.<br />

De plattegrond is rechthoekig van vorm,<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

veelal met afgeronde hoeken. Dit gebouwtype<br />

wordt tussen 700 en 900 na Chr gedateerd.<br />

7<br />

Gebouwen van het type Deventer 3 dateren<br />

uit de periode 800 - 850, met een uitloop tot<br />

ongeveer 900. De sterke gelijkenis met de<br />

plattegronden van het type Odoorn C doet<br />

een agrarische functie voor de gebouwen van<br />

het type Deventer 3 vermoeden. De afwijkende<br />

oriëntatie van gebouwen in duidelijk rurale<br />

contexten (oost-west) lijkt het belangrijkste<br />

verschil met de Deventer gebouwen, die<br />

overwegend noord-zuid zijn georiënteerd.<br />

De aanwezigheid van boerderijen wijst erop<br />

dat het onderzoeksgebied in deze periode een<br />

agrarisch karakter had. Deze gedachte wordt<br />

onderstreept door de ruime opzet van het<br />

gebied, het ontbreken van een systematisch<br />

verkavelingssysteem en het vrijwel ontbreken<br />

van importkeramiek.<br />

850-900: Functieverandering<br />

weerspiegeld in huisplattegronden<br />

Tussen 850 en 900 onderging het onderzoeksgebied<br />

een ingrijpende verandering in ruimtelijk<br />

en functioneel opzicht. Dat blijkt in de<br />

eerste plaats uit de aanleg van een structureel<br />

en systematisch verkavelingssysteem in het<br />

gehele onderzoeksgebied. De verkaveling<br />

bestond uit lange, smalle percelen, haaks op<br />

de IJssel. 8 De breedte van de individuele<br />

percelen varieerde van 9,5 m tot 11,5 m.<br />

2<br />

33<br />

Opvallend is dat deze verkaveling grotendeels<br />

tot na de Middeleeuwen gehandhaafd<br />

bleef. De huidige Assenstraat en Polstraat,<br />

die tegenwoordig het onderzoeksgebied<br />

omsluiten, fungeerden waarschijnlijk als<br />

primaire assen binnen dit verkavelingssysteem<br />

(figuur 3). Bij archeologische onderzoeken<br />

in andere delen van de binnenstad kon<br />

eenzelfde verkavelingssysteem worden aangetoond.<br />

9 Daarnaast bleek dat deze percelering<br />

al bestond voordat de nederzetting aan<br />

het eind van de 9de eeuw werd omgeven door<br />

een aarden wal. Deze wal is vermoedelijk<br />

aangelegd naar aanleiding van een Vikingaanval<br />

in het jaar 882. De verandering in<br />

ruimtelijke structuur van het 9de-eeuwse<br />

Deventer was niet het gevolg van de bij deze<br />

aanval toegebrachte verwoestingen, maar<br />

moet door andere redenen zijn ingegeven.<br />

Op de nieuwe percelen werden geen grote<br />

boerderijachtige huizen van het type Deventer<br />

3 gebouwd, maar kleinere gebouwen.<br />

Deze gebouwen hebben een uit enkele rijen<br />

paalsporen opgebouwde, rechthoekige plattegrond.<br />

De breedte varieerde van 4,5 m tot 5<br />

m. Gemiddeld waren de huizen ongeveer 12<br />

m lang. Deze gebouwen worden tot het type<br />

Deventer 2 gerekend. Gebouwen van dit type<br />

kwamen in de tweede helft van de 9de eeuw<br />

en de eerste helft van de 10de eeuw op verschillende<br />

plaatsen in de nederzetting voor.<br />

Deze gebouwen verschillen qua afmetingen,<br />

OVERZICHT VAN DE BEKENDE PLATTEGRONDEN VAN HET TYPE DEVENTER 3.<br />

SAMENVATTING<br />

Op basis van de resultaten van vijf grotere opgravingen in het centrum van<br />

Deventer is een synthetiserend onderzoek uitgevoerd, dat zich met name<br />

richtte op de ruimtelijke en sociaal-economische aspecten in de ontwikkeling<br />

van vroegmiddeleeuwse nederzetting tot middeleeuwse stad. Het onderzoek<br />

leverde veel nieuwe inzichten op in het verstedelijkingsproces van Deventer.<br />

Dit artikel richt zich op de ontwikkelingen die de burgerlijke huizenbouw<br />

tussen ca. 800 en 1250 n. Chr. doormaakte, geplaatst in de historische context.<br />

Daarnaast wordt kort aangegeven hoe de resultaten zich verhouden tot een<br />

breder onderzoekskader.


A VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

3<br />

4<br />

DE DRIE HOOFDASSEN, DIE DE BASIS VORMDEN VOOR DE VERKAVELING<br />

VAN DE NEDERZETTING IN DE TWEEDE HELFT VAN DE 9DE EEUW,<br />

GEPROJECTEERD BINNEN DE OMWALLING UIT DE LATE 9DE EEUW.<br />

RECHTHOEKIGE HUISPLATTEGRONDEN VAN HET TYPE DEVENTER 2<br />

34<br />

opbouw en indeling dusdanig van die van<br />

Deventer type 3, dat een agrarische functie<br />

voor deze gebouwen niet erg waarschijnlijk is.<br />

Intern waren deze gebouwen waarschijnlijk<br />

in twee of meerdere ruimtes verdeeld (figuur<br />

4). Mogelijk werd een van de ruimtes<br />

gebruikt als ambachtelijk atelier of voor de<br />

opslag van handelswaar of voorraden. Een<br />

combinatie van beide functies is tevens<br />

mogelijk. De overige ruimtes hadden waarschijnlijk<br />

een woonfunctie. Omdat de gebouwen<br />

uit één verdieping bestonden, hadden zij<br />

ten hoogste een soort vliering ter beschikking<br />

voor de opslag van voorraden of andere<br />

goederen. Het is dan ook niet waarschijnlijk<br />

dat deze als pakhuizen of opslagplaatsen<br />

dienden.<br />

De aanleg van een systematische, bijna planmatige<br />

verkavelingsstructuur betekende een<br />

grote verandering in de ruimtelijke indeling<br />

en ordening van de nederzetting en vormde<br />

in feite een eerste stap in het verstedelijkingsproces.<br />

Het vroegstedelijke uiterlijk van<br />

de nederzetting werd verder versterkt door<br />

de bouw van kleine, rechthoekige huizen.<br />

Deze stonden op een gemeenschappelijke<br />

rooilijn aan een straat en fungeerden zowel<br />

als woning als werkplaats/opslagruimte.<br />

Hiermee begon de nederzetting Deventer<br />

zich in ruimtelijk en economisch opzicht te<br />

onderscheiden van het omringende platteland.<br />

Dat de agrarische component na 850 niet<br />

geheel uit de nederzetting verdween, blijkt<br />

uit de vondst van een plattegrond van een<br />

ander gebouwtype, namelijk het type<br />

Deventer 1 (figuur 5). Van dit type is tot op<br />

heden slechts een plattegrond bekend. Deze<br />

is opgegraven aan de rand van de nederzetting<br />

aan de Smedenstraat. 10 Dit gebouwtype is<br />

naar verhouding groot (9 m breed en minimaal<br />

16 m lang) en bestaat uit een dubbele<br />

palenrij. De hoeken van het gebouw zijn<br />

afgerond. Gezien de datering, die niet scherper<br />

is te stellen dan tussen 800 en 882, vormde<br />

dit type mogelijk een overgangsvorm tussen<br />

de typen Deventer 3 en Deventer 2.<br />

De veranderingen in de ruimtelijke opbouw<br />

en het uiterlijk van de nederzetting impliceren<br />

tegelijkertijd een verandering in de<br />

sociaal-economische structuur. De agrarische<br />

functie raakte meer op de achtergrond, terwijl<br />

de ambachtelijke en uitwisselings- of<br />

handelscomponent lijkt te zijn toegenomen.<br />

Dat kan onder meer worden afgeleid uit de<br />

gevonden resten van been- en ijzerbewerking.<br />

Daarnaast neemt het aandeel importkeramiek<br />

in deze periode sterk toe.


Deze veranderingen zullen ook hun weerslag<br />

hebben gehad op het zelfbeeld van de bewoners<br />

van het 9de-eeuwse Deventer. Het blijft<br />

nog onduidelijk of zij zichzelf anders<br />

beschouwden als de bewoners van het omliggende<br />

platteland. Het initiatief tot de functieverandering<br />

van Deventer ging waarschijnlijk<br />

uit van de vorst en kerkelijke instellingen.<br />

De toegenomen bevolkingsdichtheid en de<br />

toename van uitwisseling werkten mogelijk<br />

wel als katalysator voor de ontwikkeling van<br />

nieuwe organisatievormen zoals gilde-achtige<br />

structuren, naast de feodale gezagsverhoudingen.<br />

Deze nieuwe organisatievormen hadden<br />

vaak de vorm van een eedgenootschap,<br />

waarbij de leden elkaar een eed van trouw<br />

zworen en daarbij beloofden de gezamenlijke<br />

belangen van de leden (vaak handelaren) als<br />

één groep te beschermen. Door deze horizontale<br />

organisatiestructuren kon de hiërarchische<br />

gezagsstructuur met de landsheer in het<br />

gedrang komen. Dergelijke organisaties werden<br />

in de 9de eeuw daarom herhaaldelijk verboden.<br />

11 Vergelijkend onderzoek van Deventer<br />

met andere portes in het Schelde-, Maasen<br />

Rijngebied, die een vergelijkbare toename<br />

in activiteit vertoonden in deze periode, kan<br />

meer duidelijkheid geven over deze belangrijke<br />

stap in het verstedelijkingsproces. 12<br />

900-950: Geleidelijke overgang<br />

naar houtskeletbouw<br />

Vanaf 900 kwam een geleidelijke verandering<br />

in de constructiewijze van houten gebouwen<br />

op gang. Er verscheen een nieuw type plattegrond<br />

op het toneel. Gebouwen van dit type<br />

(type Deventer 6) bestonden nog maar gedeeltelijk<br />

uit ingegraven palen. Dat blijkt uit de<br />

relatief grote afstand tussen de gevonden<br />

paalsporen (figuur 6). Op deze palen was<br />

vermoedelijk een horizontale balk bevestigd,<br />

die de basis voor de wandconstructie vormde.<br />

De breedte van plattegronden van dit type<br />

was minimaal 4 m, de lengte bedroeg minimaal<br />

tussen 11,5 m en 13 m.<br />

Gebouwen van het type Deventer 6 dateren<br />

voornamelijk uit de eerste helft van de 10de<br />

eeuw, maar kwamen ook in de tweede helft<br />

van de 10de eeuw nog voor. Zij verschilden<br />

qua afmetingen weinig van zowel gebouwen<br />

van het type Deventer 2 als Deventer 4 (zie<br />

hieronder). De functie van deze gebouwen<br />

zal daarom waarschijnlijk niet wezenlijk verschillen<br />

van die van de voorgangers en opvolgers<br />

van dit type: een woning voor personen<br />

met een behoefte aan opslagcapaciteit, mogelijk<br />

gecombineerd met een ambachtelijke<br />

werkplaats.<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

5<br />

6<br />

DE ENIGE IN DEVENTER BEKENDE PLATTEGROND VAN HET TYPE DEVENTER 1.<br />

DE PLATTEGRONDEN TYPE DEVENTER 6 MARKEREN HET BEGIN VAN<br />

EEN GELEIDELIJKE OVERGANG NAAR HOUTSKELETBOUW.<br />

De ruimtelijke structuur van de nederzetting<br />

bleef in deze periode vrijwel ongewijzigd. De<br />

perceelsgrenzen bleven gehandhaafd. De aan<br />

het eind van de 9de eeuw aangelegde aarden<br />

verdedigingswal, vormde echter een belangrijk<br />

nieuw element. 13 Mogelijk vormden de<br />

omwalling van de nederzetting en, als gevolg<br />

hiervan, de uitbreiding van de geestelijke<br />

gemeenschap en de verplaatsing van de<br />

bisschopszetel naar Deventer, een belangrijke<br />

impuls voor de verdere ontwikkeling van de<br />

nederzetting en de handel. De omwalling<br />

speelde daarnaast een belangrijke rol in het<br />

verstedelijkingsproces. De wal vormde een<br />

duidelijke fysieke grens tussen de vroegstedelijke<br />

nederzetting en het omringende<br />

platteland.<br />

De plattegronden van het type Deventer 6<br />

vormen de eerste aanzet van de overgang van<br />

gebouwen met ingegraven staanders naar in<br />

houtskeletbouw uitgevoerde gebouwen. De<br />

overgang naar een meer arbeidsintensieve,<br />

technisch geavanceerdere bouwtechniek kan<br />

mogelijk worden gezien als gevolg van de<br />

toegenomen politieke en militaire stabiliteit<br />

na de aanleg van de omwalling.<br />

35<br />

950-1050: Grotere huizen<br />

in houtskeletbouw<br />

Vanaf 950 kwam met de introductie van<br />

gebouwen van het nieuwe type Deventer 4 de<br />

ontwikkeling van de houtskeletbouwtechniek<br />

volledig op gang. De dragende constructie<br />

was opgenomen in de wanden van het<br />

gebouw in de vorm van een stijf houtskelet.<br />

Het geheel rustte op een raamwerk van horizontale<br />

balken, dat direct op de lemen vloer<br />

van het gebouw lag. Deze vakwerk- of houtskeletbouw<br />

maakte het mogelijk om gebouwen<br />

met meerdere verdiepingen te bouwen.<br />

Het subtype Deventer 4A is wat betreft constructie<br />

identiek aan type 4, met de uitzondering<br />

dat gebouwen van dit type geheel of<br />

gedeeltelijk waren onderkelderd (figuur 7).<br />

De gebouwen van dit subtype bestonden dus<br />

altijd uit minimaal twee verdiepingen, aangenomen<br />

dat zich op de begane grond ook een<br />

verdieping bevond. Op basis van de sporen<br />

van gebouwen van het type Deventer 4A kan<br />

worden vastgesteld dat de breedte van deze<br />

gebouwen varieerde van 4,2 m tot 5,2 m. De<br />

lengte kon tussen 11,5 m en 14,5 m bedragen.<br />

De nieuwe bouwtechnieken maakte het<br />

mogelijk het beschikbare bruto vloeroppervlak<br />

per gebouw aanzienlijk te vergroten. Dat


A VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

geldt zeker voor het onderkelderde type<br />

Deventer 4A. Deze gebouwen hadden waarschijnlijk<br />

in de eerste plaats een functie als<br />

woonhuis voor kooplieden of personen met<br />

grondbezit buiten de stad, mogelijk gecombineerd<br />

met een ambachtelijke werkplaats. Dat<br />

de bewoners van deze gebouwen tot de sociale<br />

elite moeten hebben behoord, blijkt uit de<br />

vondst van meerdere bekervormige kacheltegels,<br />

afkomstig van lemen kachelovens. 14<br />

Gebouwen van het type Deventer 4 kwamen<br />

zeker tot 1250 voor. Waarschijnlijk werd dit<br />

type pas verdrongen na de introductie van<br />

baksteen als grootschalig toegepast bouwmateriaal.<br />

Opvallend is dat de onderkelderde<br />

variant na 1050 nauwelijks meer voor lijkt te<br />

komen. Mogelijk bestaat er een verband tus-<br />

7<br />

8<br />

PLATTEGRONDEN VAN<br />

ONDERKELDERDE HOUTEN<br />

HUIZEN VAN HET TYPE<br />

DEVENTER 4A.<br />

OP DE ACHTERERVEN<br />

BEVONDEN ZICH KLEINE<br />

GEBOUWTJES IN HOUT-<br />

SKELETBOUW VAN HET<br />

TYPE DEVENTER 5,<br />

VERMOEDELIJK MET<br />

EEN AMBACHTELIJKE<br />

FUNCTIE.<br />

sen het verdwijnen hiervan en de opkomst<br />

van grote tufstenen woonhuizen na 1050.<br />

De introductie van houtskeletgebouwen van<br />

het type Deventer 4 en Deventer 4A vormt<br />

een belangrijke aanwijzing voor een toenemende<br />

specialisatie op het gebeid van de<br />

handel. In de kelder van een van de gebouwen<br />

zijn resten aangetroffen die op de opslag van<br />

een grote hoeveelheid graan wijzen. Aanwijzingen<br />

voor ambachtelijke activiteiten<br />

bestaan onder andere uit het voorkomen van<br />

kleine bijgebouwtjes van het type Deventer 5<br />

(figuur 8). De gebouwen van dit type vervulden,<br />

gezien het voorkomen van een haardplaats,<br />

mogelijk een functie als smelterij,<br />

stokerij of brouwerij. De aanwezigheid van<br />

haarden in deze relatief kleine gebouwtjes<br />

36<br />

sluit in ieder geval een opslagfunctie uit.<br />

Uit de archeologische data komt in de periode<br />

tussen 950 en 1050 voor het eerst een sociale<br />

groep naar voren, die zichzelf duidelijk profileert<br />

als lokale elite. Zij bewoonden grote<br />

houten huizen, die waarschijnlijk uit meerdere<br />

verdiepingen bestonden. Een deel van<br />

deze gebouwen werd verwarmd met luxe<br />

verwarmingssystemen, die in deze periode<br />

verder vooral in versterkingen en kloosters<br />

worden aangetroffen. Terwijl de economische<br />

activiteiten in de nederzetting als geheel zich<br />

steeds meer toespitsen op handel en ambacht,<br />

is op perceelsniveau een zekere specialisatie<br />

waarneembaar. Dat blijkt onder meer uit het<br />

feit dat bijgebouwen met een ambachtelijke<br />

functie nooit op hetzelfde perceel lagen als<br />

een onderkelderd houten gebouw met een<br />

opslagfunctie.<br />

Na 1050: grote gebouwen van tufsteen<br />

Vanaf 1050 wordt het stedelijke karakter van<br />

Deventer verder versterkt door de bouw van<br />

grote tufstenen gebouwen. In het onderzoeksgebied<br />

zijn in totaal de resten van acht<br />

van dergelijke gebouwen aangetroffen. Ook<br />

buiten het onderzoeksgebied bestaan aanwijzingen<br />

voor burgerlijke tufsteenbouw.<br />

Typologisch zijn deze gebouwen in twee<br />

groepen onder te verdelen.<br />

De gebouwen van het type Deventer 7 zijn<br />

vrijwel vierkant van opzet. De muurdiktes<br />

bedragen tussen 0,60 m en bijna 1 m. De<br />

afmetingen van de gebouwen variëren sterk<br />

van 5,50 bij 5 m tot bijna 8 bij 8,50 m (figuur<br />

9). Gebouwen van het type Deventer 8 daarentegen<br />

zijn langgerekter en rechthoekig van<br />

opzet (figuur 10). Bij deze gebouwen variëren<br />

de afmetingen van bijna 10 m bij 6 m tot 22<br />

m bij 6 m. De afmetingen zijn niet de belangrijkste<br />

criteria bij de toewijzing aan een type,<br />

maar de opzet van de plattegrond is hierin<br />

bepalend. De onderste verdieping van beide<br />

typen gebouwen was over het algemeen verdiept<br />

aangelegd als souterrain. Waarschijnlijk<br />

bestonden deze gebouwen uit meerdere<br />

verdiepingen.<br />

Gebouwen van de typen Deventer 7 en 8 werden<br />

waarschijnlijk kort na 1050 geïntroduceerd.<br />

Na de 12de eeuw lijkt het type Deventer 7<br />

niet meer voor te komen. Enkele gebouwen<br />

van dit type werden, nadat zij in de 12e eeuw<br />

door brand waren verwoest, vervangen door<br />

type Deventer 8. Gebouwen van dit laatste<br />

type functioneerden waarschijnlijk tot ver na<br />

de 13de en 14de eeuw, waarin het gebruik van<br />

baksteen steeds algemener werd.


Stenen gebouwen met een vierkante of rechthoekige<br />

plattegrond zijn in deze periode geen<br />

onbekend verschijnsel in Noordwest-Europa.<br />

We kennen ze onder meer uit Trier, Mainz en<br />

Rosheim (figuur 11). 15 Over het algemeen<br />

bestaan zij uit minimaal drie bouwlagen.<br />

Aangenomen wordt dat de begane grond en<br />

het souterrain een functie als opslagruimte<br />

hadden, terwijl de eerste verdieping als<br />

woonruimte fungeerde. Deze gebouwen moeten<br />

een zeker weerbaar karakter hebben uitgestraald,<br />

hetzij praktisch, hetzij symbolisch.<br />

Het bij de bouw gebruikte tufsteen is waarschijnlijk<br />

grotendeels afkomstig uit de voormalige<br />

Romeinse steden zoals Xanten.<br />

Daarnaast werd ook tufsteen in de voormalige<br />

Romeinse mijnen in het Eifelgebied<br />

gewonnen. 16 In deze periode moet er sprake<br />

zijn geweest van een aanzienlijke aanvoer van<br />

tufsteen als bouwmateriaal, niet zozeer voor<br />

burgerhuizen maar vooral voor de bouw van<br />

een imposante bisschoppelijke palts op enige<br />

honderden meters ten noorden van het<br />

onderzoeksgebied. Deze palts diende, behalve<br />

als tweede residentie van de bisschop van<br />

Utrecht, voornamelijk als uitvalsbasis voor<br />

zijn plaatselijke vertegenwoordiger. Mogelijk<br />

hangt deze bouwactiviteit samen met het<br />

verkrijgen van belangrijke rechten in Deventer<br />

door de bisschop. In deze context komen de<br />

lokale bisschoppelijke ministerialen (in de<br />

hoedanigheid van handelaar, grootgrondbezitter<br />

of beide) in aanmerking als initiatiefnemers<br />

tot de bouw van deze stenen gebouwen.<br />

Zij beschikten blijkbaar over voldoende<br />

invloed en financiële middelen om op eigen<br />

initiatief stenen woningen op te trekken.<br />

Vanwege hun positie als bisschoppelijke<br />

functionarissen hadden zij toegang tot<br />

invloedrijke functies, zoals die van bisschoppelijk<br />

domeinbeheerder. Tegen de achtergrond<br />

van de investituurstrijd is het juist<br />

deze groep die haar invloed aanwend om<br />

gemeenschappelijke belangen als collectief<br />

veilig te stellen. In andere steden, zoals in<br />

Trier en Kamerijk, treedt deze groep in de<br />

11de eeuw steeds meer naar voren als militaire<br />

en bestuurlijke elite. 17 Deze collectieven<br />

kenmerkten zich door een eigen, horizontale<br />

organisatiestructuur en kwamen waarschijnlijk<br />

voort uit soortgelijke collectieven die ook<br />

al in de 9de eeuw bestonden. Daarbij kwam<br />

het regelmatig tot conflicten met de landsheer,<br />

veelal de lokale bisschop.<br />

Een historische aanwijzing voor de aanwezigheid<br />

van een dergelijke georganiseerde<br />

groep in Deventer stamt uit 1116, toen de<br />

lokale bisschoppelijke ministerialen bij een<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

Tufsteen muurwerk<br />

Uitbraakspoor<br />

Reconstructie<br />

Grens opgravingsput<br />

<br />

DIT VOORBEELD<br />

VAN EEN GEBOUW<br />

UIT DE 12DE EEUW<br />

IN ROSHEIM (FR.)<br />

GEEFT EEN INDRUK<br />

VAN HET UITERLIJK<br />

VAN GEBOUWEN<br />

VAN HET TYPE<br />

DEVENTER 7 EN 8.<br />

37<br />

9<br />

DE PLATTEGRONDEN<br />

VAN DE TUFSTENEN<br />

GEBOUWEN VAN HET<br />

TYPE DEVENTER 7<br />

ZIJN MIN OF MEER<br />

VIERKANT VAN VORM.<br />

0<br />

PLATTEGRONDEN VAN<br />

HET TYPE DEVENTER 8<br />

ZIJN RECHTHOEKIG<br />

VAN VORM.


A VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

conflict tussen bisschop Godebald (1114 - 1127)<br />

en keizer Hendrik V (1081 - 1125) de zijde van<br />

de laatste kozen. Waarschijnlijk maakten in<br />

de 12de eeuw ook welgestelde, vrije handelaren<br />

deel uit van deze groep. Uit de archeologische<br />

en historische bronnen komen hiermee<br />

de eerste aanwijzingen naar voren van<br />

een maatschappelijke groep, met een eigen<br />

organisatievorm, en als zodanig naar buiten<br />

trad. Deze groep streefde naar een autonomie<br />

positie. Dit collectieve zelfbewustzijn en het<br />

daaruit voortvloeiende streven naar autonomie<br />

zijn belangrijke factoren in het mentale<br />

verstedelijkingsproces. Dit proces zette zich<br />

voort in de 12de een 13de eeuw, waarin uit de<br />

geschreven bronnen een toenemende autonome,<br />

bestuurlijke invloed van ministerialen<br />

en vrije burgers naar voren komt. Deze vond<br />

zijn weerslag bijvoorbeeld in de vorm van de<br />

instelling van een schepenraad. 18<br />

Conclusie<br />

Het onderzoek op basis van de analyse resultaten<br />

van meerdere oude opgravingen heeft<br />

belangrijke nieuwe inzichten opgeleverd<br />

over het ontstaan en de ontwikkeling van de<br />

ruimtelijke ordening en de sociaal-economische<br />

structuur van Deventer in de Vroege en<br />

Volle Middeleeuwen in relatie tot het verstedelijkingsproces.<br />

Ten eerste kan nu een integraal<br />

en systematisch beeld worden gegeven<br />

van de ontwikkelingen in de wooncultuur<br />

van de (vroeg)stedelijke fase in de periode<br />

800-1250. De, grotendeels nieuwe inzichten<br />

in de ruimtelijke indeling en het functionele<br />

gebruik van de nederzetting en de veranderingen<br />

die daarin in de loop der tijd optraden<br />

zijn van grote waarde bij de voorbereiding<br />

van toekomstige opgravingen in de binnenstad<br />

en bepalen voor een groot deel de vraagstellingen<br />

en daaraan gekoppelde onderzoeksmethoden<br />

met betrekking tot deze<br />

periode.<br />

Gezien in het bredere kader van het urbanisatieproces<br />

van Deventer gedurende de Middeleeuwen<br />

is een duidelijke samenhang aan te<br />

wijzen tussen het fysieke proces van verstedelijking,<br />

waarbij de nederzetting een steeds<br />

uitgesprokener stads uiterlijk kreeg, en het<br />

mentale verstedelijkingsproces van (een deel<br />

van) haar inwoners, die zichzelf steeds meer<br />

als aparte maatschappelijke groep gingen<br />

beschouwen en zich als zodanig profileerden.<br />

Hieruit kwam op verschillende momenten<br />

gedurende dit mentale proces een streven<br />

naar autonomie naar voren, dat geleidelijk<br />

steeds meer voet aan de grond kreeg en in het<br />

begin van de 13de eeuw resulteerde in de<br />

instelling van een stadsbestuur dat in ieder<br />

geval voor een deel bestond uit vrije burgers.<br />

Vergelijkbare processen zijn historisch en<br />

archeologisch waarneembaar in vroeg-urbane<br />

centra elders in Noordwest-Europa. 19 De<br />

vraag blijft nog hoe de wisselwerking tussen<br />

het fysieke en mentale deel van het verstedelijkingsproces<br />

werkte: werd de mentaliteitwijziging<br />

van de inwoners ingegeven door<br />

veranderingen in hun fysieke omgeving of<br />

juist omgekeerd?<br />

Uit de gegevens van het onderzoek blijkt in<br />

ieder geval dat essentiële stappen in het<br />

verstedelijkingsproces hun weerslag vinden<br />

in de bodem en dat de mentaliteitswijziging<br />

van de inwoners van Deventer voor een deel<br />

38<br />

wordt weerspiegeld in de veranderingen in<br />

de huisbouwtradities. Het proces van verstedelijking<br />

is in het onderzoeksgebied archeologisch<br />

traceerbaar in de vorm van enkele<br />

cruciale functionele en ruimtelijke veranderingen,<br />

zoals de aanleg van een systematische<br />

verkaveling, verdichting van de bebouwing,<br />

een diversificatie van het economische spectrum,<br />

waarbij de agrarische component<br />

steeds verder afneemt ten opzichte van<br />

ambachten en handel, en de ontwikkeling<br />

van stedelijk gebouwtypen, opgetrokken in<br />

houtskeletbouw of natuursteen. Daarbij moet<br />

ook de invloed van de aanleg van een omwalling<br />

niet worden vergeten. Deze stappen lijken<br />

in het middeleeuwse verstedelijkingsproces<br />

in Noordwest-Europa geen vaststaand chronologisch<br />

traject te kennen. Dat wil zeggen<br />

dat dezelfde stap in verschillende centra op<br />

een ander moment kan worden gezet. In<br />

vergelijking tot andere vroegstedelijke centra<br />

start het urbanisatieproces in Deventer relatief<br />

vroeg. Vergelijkend onderzoek met bijvoorbeeld<br />

Utrecht, Nijmegen, Maastricht of<br />

contemporaire centra in het Duitse Rijnland<br />

kan mogelijk uitwijzen of er groepen van<br />

centra zijn waar het verstedelijkingsproces<br />

synchroon verliep, of dat ieder centrum een<br />

eigen tijdspad volgde.<br />

1 Mittendorff, 2007.<br />

2 Bij veel onderzoeken betrof het een vrij kleine<br />

waarneming, die voor het grootste deel zijn<br />

beschreven door de Deventer tekenleraar<br />

Alex Dorgelo (1888-1963): Dorgelo, z.j.<br />

De onderzoeken, die wel in meer of mindere<br />

mate werden uitgewerkt, zijn in het onderzoek<br />

betrokken, zie noot 3 t/m 6.<br />

<br />

DEZE AQUAREL DOOR<br />

ALEX DORGELO UIT 1948<br />

VERBEELDT DE OPGRAVING<br />

VAN EEN TUFSTENEN<br />

GEBOUW VAN HET TYPE<br />

DEVENTER 8 AAN DE<br />

POLSTRAAT.


3 Dit onderzoek werd nooit uitgewerkt en de<br />

documentatie en geborgen vondstmateriaal<br />

raakten verspreid over verschillende instanties.<br />

Zie hiervoor Bartels, 2004, 14-15.<br />

4 Dit onderzoek maakte deel uit van het<br />

onderzoeksproject ‘De urbanisatie van Nederlandse<br />

rivierengebeid tijdens de Middeleeuwen’. Doel van<br />

dit project was om door combinatie van onderzoeksgegevens<br />

uit vier steden (Tiel, Dordrecht,<br />

Nijmegen en Deventer) de ontwikkeling van ieder<br />

van deze steden afzonderlijk in hoofdlijnen te<br />

beschrijven. Daarnaast was het de bedoeling om<br />

deze vier steden onderling te vergelijken, gezien<br />

in een algemener kader van urbanisatie (Sarfatij,<br />

1999, 15-17). Delen van het onderzoek aan het<br />

Burseplein werden uitgewerkt en gepubliceerd.<br />

Een korte beschrijving van de laat-middeleeuwse<br />

sporen en het vondstmateriaal uit de beerputten<br />

werd gepubliceerd (Clevis & Kottman, 1989).<br />

Een groot deel van het vondstmateriaal uit de<br />

beerputten is tevens gepubliceerd in Bartels, 1999.<br />

5 Beide onderzoeken werden kort beschreven<br />

door de opgravingsleider: Lubberding, 1991.<br />

6 Van dit onderzoek verscheen een volledige<br />

basisrapportage: Spitzers, 2000.<br />

7 Huijts, 1992, 149-160.<br />

8 Het zuidoostelijke deel van het onderzoeksgebied<br />

vormt hierop een uitzondering. Omdat de<br />

Polstraat hier een bocht maakt in noordelijke<br />

richting, zijn de percelen in deze bocht meer<br />

oost-west georiënteerd. De bocht in de straat is<br />

waarschijnlijk het gevolg van het natuurlijk<br />

reliëf ter plaatse.<br />

9 Vermeulen, Nalis & Havers, 2006, 53-59.<br />

10 Vermeulen, Nalis & Havers, 2006, 33.<br />

11 Akkerman, 1962, 418-419.<br />

12 Mittendorff, 2007, 278; vgl. ook Verhulst,<br />

1999, 44-67.<br />

13 Bartels, 2006a, 64-65.<br />

14 Mittendorff, 2008, 124-128.<br />

15 Wiedenau, 1983, 166-169; 253-256; 215-217.<br />

16 Bartels, 2006b, 22.<br />

17 Künzel, 1997, 171.<br />

18 Benders, 2004, 43.<br />

19 Zie ondermeer Laleman & Raveschot,<br />

1991, 217-218 (Gent) en Künzel, 1997,<br />

149-222 (Sint-Truiden, Trier en Kamerijk).<br />

Literatuur<br />

– Akkerman, J.B., 1961. Het koopmansgilde<br />

van Tiel omstreeks het jaar 1000, Tijdschrift<br />

voor Rechtsgeschiedenis 30, 407-471.<br />

– Bartels, M.H., 1999. Steden in Scherven. Vondsten<br />

uit beerputten in Deventer, Dordrecht Nijmegen<br />

en Tiel (1250-1900), Zwolle/Amersfoort.<br />

– Bartels, M.H., 2004. Professor Van Giffen in<br />

Deventer. Een historisch verslag van de eerste<br />

systematische archeologische stadskernonderzoek<br />

in 1948, in: E. Kleeman (et. al.) (red.),<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

De onderste steen. Essays over de cultuurgeschiedenis<br />

van Deventer. Liber amoricum<br />

voor Hans Magdelijns, Deventer, 10-17.<br />

– Bartels, M.H., 2006a. De wal tegen de Vikingen<br />

om middeleeuws Deventer Archeologisch en<br />

historisch onderzoek naar wal en stadsmuren<br />

(850-1900) en een vergelijking met andere vroegmiddeleeuwse<br />

omwalde nederzettingen, Deventer<br />

(Rapportages Archeologie Deventer 18).<br />

– Bartels, M.H., 2006b. Tufsteen, duyfsteen, dufsteen;<br />

handel, bouw en sloop in harde bouwmaterialen<br />

in middeleeuws Deventer, in: H. De Beer,<br />

C. Hogenstijn & D. Webbink (red.), Aan<br />

weerszijden van de IJssel; liber amicorum<br />

aangeboden aan Henk Nalis ter gelegenheid<br />

van zijn afscheid als archivaris van de<br />

gemeente Deventer, Deventer, 21-30.<br />

– Benders, J.F., 2004. Bestuursstructuur en<br />

schriftcultuur. Een analyse van de bestuurlijke<br />

verschriftelijking in Deventer tot het eind van<br />

de 15de eeuw, Kampen.<br />

– Clevis, H. & J. Kottman, 1989. Weggegooid<br />

en teruggevonden. Aardewerk en glas uit Deventer<br />

vondstcomplexen 1375-1750, Kampen.<br />

– Dorgelo, A., z.j. Opgravingen in Deventer<br />

1933-1959 (ongepubliceerd handschrift in<br />

twee delen).<br />

– Huijts, C.S.T.J., 1992. De voor-historische<br />

boerderijbouw in Drenthe. Reconstructiemodellen<br />

van 1300 vóór tot 1300 na Chr., Arnhem.<br />

– Künzel, R., 1997. Beelden en zelfbeelden<br />

van middeleeuwse mensen. Historisch - antropologische<br />

studies over groepsculturen in de<br />

Nederlanden, 7de - 13de eeuw, Nijmegen.<br />

– Laleman, M.C. & P. Raveschot, 1991.<br />

Inleiding tot de studie van de woonhuizen in<br />

Gent, periode 1100-1300, de kelders, Brussel.<br />

– Lubberding, H.H.J., 1991. Enkele koopmanshuizen<br />

in de Vrije Keizerlijke (Hanze)stad<br />

Deventer, in: Westerheem XL-4, 156-164.<br />

39<br />

<br />

– Mittendorff, E.S., 2007. Huizen van Heren.<br />

Archeologisch onderzoek naar het proces van<br />

verstedelijking en de vorming van een stedelijke<br />

elite in het Polstraatkwartier van Deventer,<br />

ca. 800 - 1200, Deventer (Rapportages<br />

Archeologie Deventer 20).<br />

– Mittendorff, E.S., 2008. Heteluchtverwarming<br />

in huizen van de vroegstedelijke elite in de 11de<br />

eeuw in Deventer (NL), in : L. Henderickx<br />

& N. Mees (red.), Archaeologia Mediaevalis,<br />

Archeologie van de Middeleeuwen en de<br />

Moderne Tijden in België en aangrenzende<br />

gebieden 31, Namen.<br />

– Sarfatij, H., 1999. Stad, archeologie en afval,<br />

in: M.H. Bartels, 1999. Steden in Scherven.<br />

Vondsten uit beerputten in Deventer, Dordrecht<br />

Nijmegen en Tiel (1250-1900),<br />

Zwolle/Amersfoort.<br />

– Spitzers, T.A., 2000. Archeologisch onderzoek<br />

Polstraat 69/71 te Deventer 1998-1999. 1100 jaar<br />

bouwen en leven in de Polstraat, BAAC basisrapportage<br />

(BAAC-rapport 99.006), Deventer.<br />

– Verhulst, A., 1999. The rise of cities in<br />

Northwest Europe, Cambridge.<br />

– Vermeulen, B., H. Nalis & G. Havers, 2006.<br />

Razende mannen, onrustige vrouwen. Archeologisch<br />

onderzoek naar de vroegmiddeleeuwse nederzetting,<br />

een adellijke hofstede en het St. Elisabethsgasthuis<br />

te Deventer, Deventer (Rapportages<br />

Archeologie Deventer 17).<br />

– Wiedenau, A., 1983. Katalog der romanischen<br />

Wohnbauten in westdeutschen Städten und<br />

Siedlungen (ohne Goslar und Regensburg),<br />

Tübingen.<br />

E.S. MITTENDORFF is projectleider<br />

archeologie gemeente Deventer.<br />

OPEN DAG OP<br />

DE OPGRAVING VAN<br />

PROF. DR. A.E. VAN<br />

GIFFEN AAN DE<br />

POLSTRAAT IN 1948,<br />

WAAR DE RESTEN<br />

VAN EEN TUFSTENEN<br />

GEBOUW VAN HET<br />

TYPE DEVENTER 7<br />

ZICHTBAAR ZIJN.


M MONUMENTENZORG T.G. NIJLAND EN R.P.J. VAN HEES<br />

Tufsteen<br />

Onder de stenen die als eerste<br />

ingevoerd werden, was tufsteen<br />

uit de Duitse Eifel,<br />

samen met Drachenfels trachiet<br />

uit het Zevengebergte<br />

en noorden daarvan en enig rood zandsteen<br />

uit de stroomgebieden van Main en Weser.<br />

De namen waarmee de verschillende Rijnlandse<br />

tufstenen aangeduid worden – Römer,<br />

Weiberner/Hohenleie, Ettringer/Hasenstoppler<br />

en Riedener tuf – duiden hun lokale herkomst<br />

aan en zeggen niets over hun (al dan<br />

niet overeenkomstige) eigenschappen. Tufstenen<br />

vertonen aanzienlijke variatie, ook binnen<br />

één en hetzelfde type. Allen zijn macroporeuze<br />

gesteenten met een variabele hoeveelheid<br />

puimsteen en gesteentefragmenten in een<br />

fijnkorrelige matrix die oorspronkelijk uit<br />

vulkanisch glas bestond. In alle Eifel tufsoorten<br />

is dit glas omgezet naar zeolieten.<br />

De Römer tuf is afkomstig van de versteende<br />

asstromen en -wolken van de uitbarsting van<br />

de Laacher Seevulkaan 11.900 jaar geleden.<br />

In oudere literatuur werd ze ook aangeduid<br />

als duifsteen, trastuf, lapillituf of Andernach<br />

tuf.Weiberner en Ettringer tuf worden in de<br />

oudere geologische literatuur te samen wel<br />

aangeduid als selbergitische tuf. Deze tufsoorten<br />

bevatten het mineraal leuciet, en zijn<br />

versteende asafzettingen uit het aanzienlijk<br />

oudere Rieden vulkaancomplex. Hohenleie<br />

(Hohen Ley, Hochlei) is een variëteit van Weiberner<br />

tuf, Hasenstoppler van de Ettringer.<br />

Oorspronkelijk gebruik van<br />

tufsteen in Nederland<br />

Het gebruik van tufsteen als bouwsteen gaat<br />

in Nederland terug tot de Romeinse tijd.<br />

Dezelfde tuf, niet voor niets als Römer tuf<br />

aangeduid, wordt opnieuw gebruikt in de<br />

romaanse periode, van de 10e tot in de 13e<br />

eeuw. Het gebruik is vrij beperkt in het oosten<br />

(Twenthe) en zuidoosten (Limburg),<br />

maar uitgebreid in de rest van het land.<br />

Römer tuf was het meest gangbare type<br />

natuursteen in die periode en werd zowel primair<br />

als secundair verwerkt. De resten van<br />

de vroeg 11e eeuwse romaanse Dom van<br />

Utrecht, gewijd in 1023 door bisschop<br />

Adelbold zijn van Römer tuf, en materiaal<br />

van deze Dom werd opnieuw gebruikt voor<br />

40<br />

Vulkanische tufsteen, in het<br />

bijzonder die varianten die door<br />

de vorming van zeolieten<br />

versteend zijn, zijn als bouwsteen<br />

in veel landen gebruikt, waaronder<br />

Bulgarije, Hongarije,<br />

Duitsland, Griekenland, Italië,<br />

Mexico, Roemenië en de VS.<br />

In Nederland, met haar geringe<br />

hoeveelheid landseigen natuursteen,<br />

werd natuursteen<br />

traditioneel geïmporteerd,<br />

in het bijzonder uit<br />

Duitsland en België.<br />

uit de Eifel TOEPASSINGEN<br />

IN NEDERLAND<br />

1<br />

RESTANTEN RÖMER TUF<br />

IN BAKSTEENMETSELWERK<br />

AAN DE LAURENTIUSKERK<br />

TE BAFLO.<br />

FOTO AUGUSTUS 2004<br />

de gothische Dom, waarvan de 1e steen<br />

gelegd werd in 1254 door bisschop Henry<br />

van Vianden.<br />

Ook aan de 11e eeuwse kapittelkerken van<br />

bisschop Bernold (Jans- en Pieterskerk in<br />

Utrecht, Lebuïnus in Deventer) werd op<br />

grote schaal tufsteen verwerkt, soms van<br />

opmerkelijke lengte, tot 92 cm aan de<br />

Pieterskerk. Het materiaal werd ook benut<br />

voor vele minder prominente kerken, zoals<br />

de vele romaanse dorpskerken in Groningen<br />

(figuur 1) en kerken in de Hollanden. Ook<br />

verdedigingswerken, zoals de Burcht in<br />

Leiden, een van oorsprong 12e eeuws chateau-en-motte,<br />

en profane gebouwen, zoals<br />

het oudste overlevende van oorsprong stenen<br />

huis in Nederland, de Proosdij in Deventer<br />

(figuur 2), werden (deels) opgetrokken uit tufsteen,<br />

net als verschillende andere vroegmiddeleeuwse<br />

huizen zoals Putruwiel, Lichtenberg<br />

en Drakenburg in Utrecht. In de<br />

zuidelijke Nederlanden is (secundair) Römer<br />

tuf gebruikt voor enkele romaanse of vroeggothische<br />

kerken in Belgisch Limburg, en in<br />

steden die ooit over het Zwin bevaarbaar


waren, zoals Brugge en Damme. Behalve als<br />

bouwsteen werd de Römer tuf ook gebruikt<br />

voor grafkisten, zoals in de Jans- en<br />

Nicolaaskerk in Utrecht en de verder van tuf<br />

gespeende St. Servaes in Maastricht. Vanaf<br />

het begin van de 13e eeuw werd de Römer<br />

tuf uit de markt geduwd door lokaal geproduceerde<br />

baksteen en andere natuursteensoorten.<br />

De vele tollen op de Rijn waren hier voor<br />

een deel debet aan. In sommige plaatsen<br />

werd Römer echter nog geruime tijd (her)gebruikt.<br />

Begin 15e eeuw, tot in de 16e eeuw, wordt<br />

opnieuw tufsteen uit de Eifel toegepast. Het<br />

gaat nu om Weiberner tuf, in het bijzonder<br />

de fijnkorrelige variëteit daarvan, Hohenleie.<br />

Deze steen laat zich zeer fijn en fraai bewerken,<br />

zoals onder andere begin 15e eeuwse<br />

kraagstenen hoog in het koor van de Leidse<br />

Pieterskerk (figuur 3) en in de St. Jan in<br />

’s-Hertogenbosch (nu in de bouwloods)<br />

getuigen. Ook hogels op de luchtbogen van<br />

de St. Jan, een muuraltaar in de St. Maarten<br />

in Zaltbommel en de blindtraceringen in de<br />

pandhof van de Dom in Utrecht zijn uit deze<br />

tuf vervaardigd. Het gebruik was echter niet<br />

tot bouwbeeldhouwkunst beperkt. De Weiberner<br />

werd ook voor parement gebruikt, bijvoorbeeld<br />

aan de OLV kerk in Zwolle en verschillende<br />

kerktorens, waaronder de Grote<br />

Kerk in Dordrecht. Veel later, 2e helft 19e<br />

eeuw – begin 20e eeuw werd de Weiberner<br />

opnieuw geïntroduceerd, als restauratiesteen<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

2<br />

SAMENVATTING<br />

Tufsteen uit het Duitse Eifelgebied (Römer, Weiberner/ Hohenleie, Ettringer/<br />

Hasenstoppler tuf) is in Nederland op grote schaal gebruikt als bouwsteen. In<br />

deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van dit gebruik en ingegaan op de<br />

behoefte aan geschikte vervangende stenen, in het bijzonder voor de Römer tuf.<br />

en voor nieuwbouw. In deze periode werd<br />

ook de Ettringer tuf voor het eerst geïntroduceerd.<br />

Ook de Ettringer, en haar variant Hasenstoppler,<br />

werden zowel voor nieuwbouw als<br />

restauratie gebruikt. Dat laatste ondermeer<br />

bij de Grote Kerk, Dordrecht (jaren ’20 en<br />

1953-1966), de St. Stevenskerk in Nijmegen<br />

(afgerond 1969), de Bovenkerk in Kampen<br />

(1958-1972) en als bekleding van de door<br />

Verlaan na de oorlog ontworpen toren van<br />

de Eusebiuskerk in Arnhem (1959-1964).<br />

Opmerkelijk genoeg heeft veel van de Ettringer<br />

tuf gebruikt in restauraties zich veel<br />

slechter gehouden dan de Ettringer die eind<br />

19e, begin 20e eeuw voor nieuwbouw<br />

gebruikt is. Voorbeelden van nieuwbouwgevels<br />

uit die periode in Ettringer tuf zijn<br />

ondermeer de toren van het stadhuis in<br />

Rotterdam (1916), het Rijnlandhuis in Utrecht<br />

(1920) en de KAS bank in Amsterdam (1932).<br />

In dezelfde periode werd Ettringer tuf ook<br />

veel gebruikt voor kleine bouwelementen (hoekblokken,<br />

dorpels, ornamenten) in gevels die<br />

RÖMER TUF TE SAMEN<br />

MET DRACHENFELS<br />

TRACHIET AAN DE GEVEL<br />

VAN HET OUDSTE<br />

STEENHUIS IN NEDERLAND,<br />

DE PROOSDIJ AAN DE<br />

SANDRASTEEG IN<br />

DEVENTER.<br />

FOTO OKTOBER 2004<br />

BEGIN 15E EEUWSE<br />

KRAAGSTEEN UIT<br />

WEIBERNER TUF<br />

(HOHENLEI) IN HET<br />

KOOR VAN DE<br />

PIETERSKERK<br />

TE LEIDEN.<br />

FOTO MAART 2005<br />

41<br />

3<br />

verder in rood baksteenmetselwerk zijn<br />

opgetrokken. Deze toepassing is wijd verbreid:<br />

de huizen aan Lange Nieuwstraat 40-<br />

42 in Utrecht en verschillende panden aan<br />

de Hoogehuisstraat in Eindhoven (laat jaren<br />

’30, figuur 4) tonen deze combinatie. Dezelfde<br />

combinatie wordt weer toegepast in de jaren<br />

’50, bijvoorbeeld aan de Rabobank in Ruurlo<br />

(1953), de gesloopte Rabobank in de<br />

Utrechtse wijk C (1956), in de Rechtestraat in<br />

Eindhoven (1954) en het stadhuis van West-<br />

Terschelling (1954).<br />

Typerend is ook het gebruik van Ettringer tuf<br />

in deze perioden voor kerkgebouwen in<br />

ecclectische stijl, soms met sterke orthodoxe<br />

invloeden, zoals de Jacobus de Meerdere in<br />

Enschede (1932-1933; figuur 5) en Heilige<br />

Hart van Jezus- of Koepelkerk in Maastricht.<br />

Na de jaren ’50 wordt het gebruik schaarser,<br />

al worden af en toe gevels (deels) bekleed met<br />

grote platen (Twentsche Schouwburg, Enschede,<br />

1965; St. Gregoriusschool, Utrecht,<br />

c. 1965; flatgebouw Brug. Loeffplein, ’s-Hertogenbosch,<br />

jaren ’90).


M VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

4<br />

ETTRINGER TUF IN COMBINATIE MET RODE BAKSTEEN AAN<br />

DE UIT 1939 DATERENDE GEVEL VAN HOOGEHUISSTRAAT 13<br />

TE EINDHOVEN. FOTO SEPTEMBER 2008<br />

Vervangende steen<br />

voor Rijnlandse tuf<br />

Tuffen uit de Eifel reageren zeer verschillend<br />

op verwering. Typische verweringsvormen<br />

variëren van afvallen van het gehele zichtvlak<br />

en verpoedering voor Römer, exfoliatie<br />

bij Weiberner, en vorming van grote scheuren<br />

in Ettringer. Alveoli zijn gangbaar in tuffen<br />

met veel puimsteen, terwijl zoutuitbloei en<br />

oplossing van de matrix bij alle soorten voorkomen.<br />

Alle tuffen zijn daarnaast ontvankelijk<br />

voor biokolonisatie. Deze verwering<br />

heeft tufsteen een niet onomstreden reputatie<br />

gegeven met betrekking tot duurzaamheid.<br />

Hoewel tufsteen ontegenzeggelijk in verschillende<br />

gevallen, afhankelijk van de steen<br />

en expositie, relatief snel verweert, laat de<br />

aanwezigheid van tufsteen uit de bouwtijd<br />

aan talrijke Nederlandse monumenten,- bijvoorbeeld<br />

de 15e eeuwse Römer en Weiberner<br />

tuf op de luchtbogen van de St. Jan in ’s-<br />

Hertogenbosch-, zien dat de steen heel duurzaam<br />

kan zijn. Vaak komen ook blokken<br />

sterk verweerde tuf voor naast niet of nauwelijks<br />

verweerde blokken van dezelfde ouderdom.<br />

Gelet de vorming van dit type gesteente,<br />

asstromen en -wolken van variabele samenstelling,<br />

verkit onder invloed van in meer of<br />

mindere mate aanwezig grondwater, is dit<br />

niet verwonderlijk. Het verdwijnen van<br />

Römer tuf van monumenten is overigens bij<br />

lange na niet alleen te wijten aan verwering.<br />

Het gebruik van gemalen tuf als puzzolane<br />

toevoeging aan kalkmortels (tras) speelde<br />

eveneens een rol. Waar Nederlandse handelaren<br />

concessies pachten om Romeinse ruïnes<br />

in Xanten voor dit doel van hun tuf te<br />

ontdoen, werd ook in Nederland tuf afgenomen<br />

voor de trasproductie. Toen na de grote storm<br />

van 1674 de Pieterskerk in Utrecht zwaar<br />

beschadigd was, dwong het vroedschap het<br />

kapittel om de torens van te kerk te slopen,<br />

om met de verkoop van de zo beschikbaar<br />

gekomen tufsteen het herstel van de kerk zelf<br />

te financieren. Bij de 19e eeuwse restauratie<br />

van de Domtoren in Utrecht droeg de afgenomen<br />

tuf ook bij aan de financiering van de<br />

restauratie.<br />

Bij restauraties in de 19e en 20e eeuw werd<br />

Ettringer tuf gebruikt als vervangende steen<br />

voor Römer tuf, niet altijd tot hedendaagse<br />

tevredenheid. Ook andere stenen zijn<br />

gebruikt, zoals Udelfanger zandsteen aan de<br />

St. Jan in ’s-Hertogenbosch in de jaren 1880,<br />

een steen die zelf niet altijd al te duurzaam is<br />

en op veel plaatsen binnen 50 jaar vervanging<br />

behoeft. De ideale vervangende steen voor<br />

Römer tuf zou vanzelfsprekend het oorspronkelijke<br />

materiaal zijn. Juist dit werpt een probleem<br />

op. Gedurende de laatste decennia is<br />

slechts een betrekkelijk geringe hoeveelheid<br />

Römer tuf bij restauraties toegepast. Dat<br />

materiaal is evenwel duidelijk afwijkend van<br />

het oorspronkelijke materiaal, zowel qua<br />

42<br />

5<br />

ETTRINGER TUF AAN DE JACOBUS DE MEERDEREKERK<br />

TE ENSCHEDE. FOTO JUNI 2005<br />

uiterlijk (door de talrijke opgenomen donkere<br />

bazaltfragmenten) als fysische eigenschappen<br />

zoals poriestructuur. Deze restauratiesteen<br />

komt, in tegenstelling tot het oorspronkelijke<br />

materiaal, uit het onderste deel van de<br />

laagsgewijze afzettingen. Bij de restauratie<br />

van de St. Jan kon nog de hand gelegd worden<br />

op een, ook qua fysische eigenschappen,<br />

meer op het origineel gelijkende partij. Gelet<br />

op de geringe beschikbare hoeveelheid, ligt<br />

het voor de hand te kijken naar andere vervangende<br />

steen, bijvoorbeeld tufsteen van<br />

elders. Italië, waar in de regio’s rond Rome<br />

en Napels als sinds pre-Romeinse tijd in<br />

tufsteen gebouwd wordt, biedt wellicht alternatieven.<br />

Sommige daarvan passen qua kleur<br />

en structuur erg goed bij de Römer tuf.<br />

De vraag is wel hoe deze stenen zich zullen<br />

houden in het Nederlandse klimaat. Recent<br />

TNO-onderzoek heeft aangetoond dat verschillende<br />

varianten aanzienlijk minder<br />

vorstvast zijn dan goede Römer tuf.<br />

Een vervangende steen die vaak ‘tufsteen’<br />

genoemd wordt, is de begin jaren ’70 geïntroduceerde<br />

eveneens uit Italië (omgeving<br />

Viterbo) afkomstige Peperino duro. Nieuw<br />

in Nederland, maar bepaald geen nieuwe<br />

bouwsteen. Marcus Vitruvius was er bekend<br />

mee en noemde hem in De Architectura:<br />

’lapidicinae Anicianae’, zijnde ‘spissis comparationibus<br />

solidatae’ (hard en compact) en met<br />

‘infinitas virtutes’ (eindeloze deugden). De


ETTRINGER TUF AAN DE ENTREE VAN DE TWENTSE<br />

6<br />

SCHOUWBURG IN ENSCHEDE. FOTO DECEMBER 2007<br />

steen lijkt absoluut niet op de tuf uit de<br />

Eifel. De steen is grijs, met de tijd donker<br />

kleurend, dicht en hard, met een hoog soortelijk<br />

gewicht. Door de vele, vaak lange<br />

gesteentefragmenten en vloeistructuren, heeft<br />

de steen een enigszins gevlamd uiterlijk.<br />

Zoals al opgemerkt, zijn de ervaringen met<br />

Weiberner en Ettringer tuf gebruikt voor<br />

restauratie en nieuwbouw eind 19e, begin 20e<br />

eeuw wisselend. Het is in dit verband saillant<br />

om te realiseren dat de meningen over de<br />

duurzaamheid van Rijnlandse tufsteen gedurende<br />

de 20e eeuw duidelijk veranderd zijn.<br />

Terwijl de eerste Delftse hoogleraar bouwmaterialen<br />

Van der Kloes in 1908 nog alle<br />

tufsteen uit de Eifel als duurzaam beschouwde,<br />

merkt Van der Veen, die in de jaren ’20<br />

onderzoek deed naar natuursteen voor de<br />

toenmalige Rijkscommissie voor de Monumentenzorg,<br />

in verband met de toenmalige<br />

restauratie van de Eusebiuskerk in Arnhem<br />

op dat tuf uit Andernach, i.e. Römer tuf, een<br />

slechte reputatie had en niet meer gebruikt<br />

werd; Ettringer tuf zou haar duurzaamheid<br />

bewezen hebben. Ook in de jaren ’40 werd<br />

leuciethoudende tuf, in het bijzonder<br />

Ettringer, in schoolboeken als die van Vrind<br />

et al. en Lijdsman als meer duurzaam<br />

beschouwd. Veel Ettringer uit die periode<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

(bijvoorbeeld uit de jaren ’20 en ’30 aan de<br />

St. Jan in ’s-Hertogenbosch) wordt echter<br />

nu weer vervangen. De Pieterskerk in Leiden<br />

is een ander voorbeeld waar aanzienlijke<br />

hoeveelheden tuf uit de jaren ’30 nu vervangen<br />

worden. In tegenstelling tot Römer tuf zijn<br />

Weiberner en Ettringer tuf nog zonder<br />

probleem beschikbaar. Zij zouden in aanmerking<br />

kunnen komen bij restauratie. Onderzoek<br />

heeft aangetoond dat zeker van de<br />

Weiberner ook duurzame, vorstbestendige<br />

stenen beschikbaar zijn; overigens wordt de<br />

door van der Veen aangehaalde slechte reputatie<br />

van de Römer tuf door de praktijk in<br />

veel gevallen gelogenstraft.<br />

Rijnlandse tuf als vervangende<br />

steen voor andere natuursteen<br />

Zowel Weiberner als Ettringer/Hasenstoppler<br />

tuf zijn gebruikt als vervangende steen<br />

voor andere steensoorten, in het bijzonder<br />

in het laatste kwart van de 19e en de 1e helft<br />

van de 20e eeuw. De al genoemde Van der<br />

Veen stelde in de jaren ’20 het gebruik van<br />

tuf voor, in het bijzonder Hohenleie, als<br />

vervangende steen voor de Gobertange, een<br />

witte zandige kalksteen uit de omgeving van<br />

Brussel, die voor veel Nederlandse monumenten<br />

gebruikt is. De kleuren zouden goed<br />

samengaan. Ondermeer bij de Bossche St.<br />

43<br />

Jan zijn in de periode 1918-1939 Weiberner<br />

en Ettringer tuf gebruikt als vervangende<br />

steen voor zowel Gobertange als Lede<br />

(Balegem), een eveneens witte Belgische<br />

steen. Aan de Pieterskerk in Leiden werd<br />

Weiberner tuf gebruikt voor het groot<br />

venster van het noordtransept kort na de<br />

Eerste Wereldoorlog, toen de eerder bij de<br />

restauratie gebruikte Franse kalksteen<br />

Morley niet meer beschikbaar was.<br />

Besluit<br />

Tufsteen uit de Eifel vormt een van de meest<br />

prominente natuursteensoorten aan Nederlandse<br />

monumenten door de eeuwen heen, al<br />

gebruikt door de Romeinen. Hoewel nominaal<br />

hetzelfde, toont de steen aanzienlijke<br />

variatie in uiterlijk, ook binnen één type.<br />

Ook de fysische eigenschappen, en daarmee<br />

de duurzaamheid, kunnen aanzienlijk<br />

variëren. Deze zijn ook tijdsafhankelijk, in<br />

de zin dat poriestructuur en -verdeling maar<br />

ook mechanische eigenschappen duidelijk<br />

veranderen met verwering en dus ouderdom.<br />

Een beoordeling van geschiktheid alleen op<br />

herkomst of uiterlijk is niet mogelijk. Tegelijkertijd<br />

zal, bij ongewijzigde productie, de<br />

beschikbaarheid van Römer tuf, en daarmee<br />

van goede vervangende stenen – zowel vanuit<br />

het oogpunt van authenticiteit en aanzien als<br />

van duurzaamheid – bij toekomstige restauraties<br />

een punt van zorg zijn.<br />

Literatuur<br />

Deze bijdrage is mede gebaseerd op vele<br />

bronnen die vermeld zijn in de volgende<br />

publicaties:<br />

– Nijland, T.G. & Hees, R.P.J. van, 2006.<br />

Use of Rhenish tuff in the Netherlands.<br />

ARKUS-Tagung Denkmalgestein Tuff,<br />

Koblenz. Institut für Steinkonservierung<br />

Bericht 22:7-18.<br />

– Nijland, T.G., Hees, R.P.J. van, Brendle,<br />

S. & Haas, G.J.L.M. de, 2005. Tufsteen. Deel<br />

1: Gebruik, samenstelling en verwering van tuf<br />

in Nederlandse monumenten. Praktijkboek<br />

Instandhouding Monumenten 21(14), 20 pp.<br />

– Nijland, T.G., Dubelaar, W. & Tolboom,<br />

H.J., 2007. De historische bouwstenen van<br />

Utrecht. In: Dubelaar, W., Nijland, T.G.<br />

& Tolboom, H.J., red., Utrecht in steen.<br />

Historische bouwstenen in de binnenstad.<br />

Matrijs, Utrecht, 31-109.<br />

TIMO G. NIJLAND is werkzaam bij TNO<br />

Bouw & Ondergrond, Delft.<br />

ROB P. J. VAN HEES is werkzaam bij TNO<br />

Bouw & Ondergrond, en RMIT, Faculteit<br />

Bouwkunde, Delft.


V itruvius<br />

Forum<br />

NAAR<br />

EEN<br />

juridisch dwingende<br />

ERFGOEDTOETS?<br />

ERFGOEDTOETS?SANCTUARY <br />

WOOD<br />

We kennen in Nederland al een habitattoets, een watertoets, een<br />

welstandstoets, een luchtkwaliteitstoets en vele andere toetsen, maar er<br />

bestaat nog geen wettelijke en dwingende erfgoedtoets. Nu we toch bezig<br />

zijn met een moderniseringsoperatie monumentenzorg en er een algemene<br />

trend is van integratie van wetgeving op het gebied van landschapsrecht en<br />

natuurbeschermingsrecht is het wellicht te overwegen om te komen tot één<br />

verplichte toets voor cultuurhistorie, landschap en natuur: erfgoed (heritage)<br />

in ruime zin. Waardevolle, doch thans nog weerloze gebieden en objecten,<br />

krijgen dan naast het stimulerend beleid ook een dwingend sturingsinstrument<br />

en eindelijk de rechtsbescherming die ze verdienen.<br />

De habitattoets voor Natura 2000 kan daarbij als voorbeeld gelden.<br />

ij de evaluatie van Belvedere<br />

merkt Royal Haskoning<br />

terecht op dat dit tienjarig<br />

impulsprogramma best wel<br />

als geslaagd beschouwd kan<br />

worden, maar dat het eindstation nog lang<br />

niet bereikt is. Dankzij vooral het projectbureau<br />

zijn we thans aanmerkelijk verder dan<br />

in 1999, maar belangrijke partijen zoals de<br />

vastgoedmarkt zijn nog steeds niet of nauwelijks<br />

bekend met de betekenis van cultuurhistorie.<br />

Dat hoeven ze ook niet te zijn want<br />

de hardheid van cultuurhistorische waarden<br />

ontbreekt nog steeds: men kan deze waarden<br />

doorgaans straffeloos negeren1. B<br />

De inbreng<br />

van erfgoed vindt niet of althans niet vroeg<br />

F.H. KISTENKAS<br />

genoeg in het ruimtelijk proces plaats en<br />

daardoor zou erfgoed aan de zijlijn staan.<br />

Naast het ontbreken van juridische hardheid<br />

legt het evaluatierapport de vinger op nog<br />

een andere zere plek: de cultuurhistorische<br />

wereld is van oudsher hulpeloos sectoraal<br />

versnipperd georganiseerd. Je hebt archeologie,<br />

je hebt monumenten en je hebt cultuurlandschap<br />

en interne en ook externe integratie<br />

met bijvoorbeeld het ruimtelijke<br />

ordeningsrecht komt in de bestuurspraktijk<br />

amper op gang 2.<br />

Het evaluatierapport geeft aldus twee essentiële<br />

gebreken aan: gebrek aan hardheid en<br />

gebrek aan integratie. Het rapport geeft, nu<br />

44<br />

(HILL 62), IEPER<br />

FOTO FRED KISTENKAS<br />

de opdracht slechts evaluatie was, begrijperlijkerwijs<br />

geen oplossing voor deze twee<br />

gebreken, maar volgens mij is deze in de<br />

nabije toekomst vrij simpel te geven. We<br />

kunnen daarbij leren van aanpalende beleidsvelden<br />

als natuur- en landschapsbeleid.<br />

Natuurbeleid<br />

Vaak wordt gedacht dat de strenge habitattoets<br />

uit de Natuurbeschermingswet en de<br />

EU Habitatrichtlijn alleen maar door ecologen<br />

voor Europese natuurgebieden is uitgedacht<br />

en slechts op Natura 2000 kan<br />

worden losgelaten, maar volgens mij is het<br />

eigenlijk een universele toets die je ook op<br />

andere waardevolle doch weerloze gebieden<br />

probleemloos kunt toepassen.<br />

Bij significante effecten van een voorgenomen<br />

project op de instandhoudingsdoelstellingen<br />

van het gebied moet er nader onderzoek (een<br />

zogenoemde passende beoordeling) volgen,<br />

moet je op zoek naar alternatieven, moeten er<br />

dwingende redenen van groot openbaar<br />

belang voor het (bouw)plan zijn en zal<br />

gekeken moeten worden naar kansrijke<br />

compensatiemogelijkheden. Anders krijg je<br />

geen toestemming van het bevoegd gezag.<br />

Dat is een universele juridische toets die de<br />

overheid meteen ook een gewichtige en tijdige<br />

onderhandelingspositie geeft aan het begin<br />

van de bouwplanontwikkeling. 3


GEEN JURIDISCHE STURING<br />

- Belvedere-gebieden<br />

- Nationale Landschappen<br />

- EHS<br />

- Nationale Parken<br />

ERFGOEDWET<br />

Wet op het natuurlijke en<br />

cultuurhistorische erfgoed<br />

ERFGOEDTOETS<br />

Tot nog toe stelt de huidige wetgeving deze<br />

habitattoets alleen verplicht voor Natura<br />

2000-gebieden, maar volgens mij zou nieuwe<br />

wetgeving ook zo’n toets verplicht kunnen<br />

voorschrijven voor gebiedscategorieën die nu<br />

nog geen enkele of slechts weinig juridische<br />

bescherming hebben.<br />

Erfgoedwet<br />

Wat dacht u bijvoorbeeld van een wet op het<br />

natuurlijk en cultuurhistorisch erfgoed? Die<br />

zouden we kortweg de Erfgoedwet kunnen<br />

noemen. Ik hoef hier niet uit te leggen dat<br />

natuurlijk/landschappelijk en cultuurhistorisch<br />

erfgoed vaak geruisloos in elkaar overgaan.<br />

Ze zijn doorgaans niet van elkaar los te<br />

vezelen en vormen in wezen één ensemble.<br />

Natuur en cultuurhistorie zijn allebei gewoon<br />

heritage zoals de Engelsen in hun Concise<br />

Oxford Dictionary zeggen. Mijn studenten laat<br />

ik altijd een alleszeggende foto van Sanctuary<br />

Wood nabij Ieper zien: een stil stuk bos met<br />

oude met regenwater volgelopen bomkraters<br />

uit de Eerste Wereldoorlog. De grond is er<br />

roestig van het ijzer van wapentuig en Engels<br />

bloed dat daar gevloeid heeft. De loopgraven<br />

van negentig jaar terug meanderen nog door<br />

dit zowel historisch als natuurlijk cultuurlandschap.<br />

Je zou de onderdelen uit de habitattoets als<br />

voorbeeld kunnen nemen voor een bredere<br />

erfgoedtoets die bijvoorbeeld ook geldt voor<br />

cultuurhistorische Belvedere-gebieden, Nationale<br />

Landschappen, Nationale Parken en de<br />

ecologische hoofdstructuur (EHS). Deze<br />

gebieden kennen wel allerlei vormen van<br />

zachtere sturing zoals financiële sturing<br />

(subsidies), planologische sturing (streekplannen)<br />

en communicatieve sturing, maar<br />

ze kennen nog steeds geen harde juridische<br />

sturing middels een wettelijk verplichte<br />

toets. 3 Met zo’n erfgoedtoets is dat juridisch<br />

tekort in één klap opgeheven. Uiteraard kan<br />

zo’n erfgoedtoets ook voor de klassieke<br />

WEL JURIDISCHE STURING<br />

- Natura 2000 en Ffw<br />

- Nsw-landgoederen<br />

- Monumentenwet<br />

- Boswet<br />

objectgerichte monumentenzorg gelden.<br />

We zouden de natuurbeschermingswetgeving<br />

(Natuurbeschermingswet (Nbw), Flora- en<br />

faunawet (Ffw), Boswet, Natuurschoonwet)<br />

tesamen met de Monumentenwet kunnen<br />

integreren tot een algemene erfgoedwet met<br />

naast de reeds bestaande habitattoets voor<br />

Natura 2000 ook een naar het voorbeeld van<br />

die habitattoets gemodelleerde erfgoedtoets<br />

voor de EHS, Nationale Parken, Nationale<br />

Landschappen, cultuurhistorische gebieden<br />

en monumenten. Dit sluit ook nog eens aan<br />

bij de huidige Haagse trend om wetgeving<br />

zoveel mogelijk te integreren en daarmee ook<br />

een vereenvoudigingslag te maken. Zo<br />

besloot de ministerraad afgelopen zomer om<br />

al te gaan werken aan een integratie van de<br />

Nbw, Ffw en Boswet. 5 Wel zullen er voor die<br />

gebieden instandhoudingsdoelstellingen<br />

(natuurwaarden en cultuurwaarden) geformuleerd<br />

moeten worden, want de toetsing<br />

begint immers met een onderzoek naar significante<br />

gevolgen voor deze doelstellingen.<br />

Daarna kunnen alternatieventoets, dwingende<br />

redenen en compensatie volgen. Volgens<br />

mij zou er in de jaarlijkse natuurbalans en<br />

andere evaluaties veel minder te mopperen<br />

zijn over de tegenvallende beleidsprestaties<br />

van tot nog toe zachte beleidsvelden als EHS,<br />

landschap en cultuurhistorie 6 wanneer zij<br />

een ruggesteuntje zouden krijgen in de vorm<br />

van een dwingende wettelijke toetsing.<br />

Hardheid en integratie<br />

Met een integrale erfgoedtoets hebben we<br />

zowel het juridische hardheidsgebrek als het<br />

integratiegebrek opgelost. Erfgoed kan niet<br />

langer straffeloos door projectontwikkelaars<br />

worden genegeerd en moet eindelijk in een<br />

vroegtijdig stadium van het ruimtelijk proces<br />

aan de orde komen. Een wettelijke toets werkt<br />

dat in de hand, zoals Natura 2000 ons heeft<br />

geleerd. Bovendien kan ook het tweede gebrek<br />

opgelost worden: interne integratie van<br />

gebouwde, cultuurlandschappelijk en archeo-<br />

45<br />

SAMENVATTING<br />

Het erfgoedbeleid kent veel stimulerend maar nog heel weinig<br />

dwingend beleid, terwijl het aanpalende natuurbeleid in de vorm van<br />

de habitattoets een dwingend wettelijke toets kent. Daardoor hebben<br />

veel natuurgebieden een keiharde rechtsbescherming waar cultuurhistorische<br />

gebieden die domweg niet hebben. Een naar het voorbeeld<br />

van de (in wezen universele) habitattoets te modelleren<br />

erfgoedtoets zou dit juridisch deficit in één klap kunnen wegnemen.<br />

Dat zou kunnen in een nieuw te ontwerpen integrale Erfgoedwet voor<br />

zowel cultuurlandschap, natuur en monumenten alsook ensembles<br />

daarvan. Waardevolle doch weerloze gebieden en objecten waarvoor<br />

je instandhoudingsdoelstellingen kunt formuleren krijgen zo die<br />

rechtsbescherming die ze nu niet of onvoldoende hebben. Bovendien<br />

sluit deze wetgevingsintegratie aan bij huidige Haagse trends.<br />

logisch erfgoed en ook externe integratie met<br />

natuur- en landschapsbeleid en wellicht zelfs<br />

met het ruimtelijk ordeningsbeleid.<br />

1Royal Haskoning, Evaluatie Belvedere. Op na(ar)<br />

2009, Nijmegen 2008, p. 59.<br />

2Ibidem, p. 11 e.v.<br />

3Bouwplannen worden tijdig aangepast en meestal<br />

kan het project dan doorgaan. Zie Chr.W. Backes,<br />

M.J. Bogaardt, A.G.A. Nijmeijer, J. Vader, De habitattoets<br />

getoetst, LEI Den Haag 2007, p. 62 e.v.<br />

Het aantal projecten in en rondom Natura 2000gebieden<br />

dat uiteindelijk na toetsing bij de Raad<br />

van State niet door kan gaan is de afgelopen jaren<br />

gestaag gedaald. Vgl. F.H. Kistenkas, Recht voor<br />

de groene ruimte, Wageningen 2008, p. 81 e.v. en<br />

F.H. Kistenkas, W. Kuindersma, Jurisprudentiemonitor<br />

natuur 2005-2007. Rechtsontwikkelingen Natura 2000<br />

en Ecologische Hoofdstructuur, WOT NM Wageningen<br />

2008, p. 31 e.v.<br />

4Een optimale sturingsmix bevat naast zachte<br />

stimulerende sturingsinstrumenten ook harde juridische<br />

instrumenten; zie N. Gunningham, P.<br />

Grabosky, D. Sinclair, Smart regulation. Designing<br />

environmental policy, Oxford 1998, passim.<br />

5Zie Persbericht Ministerraad, Kabinet wil sterke<br />

vereenvoudiging natuurwetten, persbericht 11 juli<br />

2008 terug te vinden op www.minlnv.nl.<br />

6Vgl. F.H. Kistenkas, Juridisch is Belvedere-beleid<br />

boterzacht, RO-Magazine 2006 jrg. 24 nr. 5, p. 34-36<br />

en F.H. Kistenkas, Pleidooi voor meer afdwingbaarheid,<br />

Landschap 25 (2008)-2, p. 87-91. Vgl. ook<br />

Projectbureau Belvedere, BelvedereMagazine over<br />

het Belvedere Festival, maart 2008 (ook als download<br />

op www.belvedere.nu), p. 62.<br />

MR. DR. FRED H. KISTENKAS<br />

(tel. 0317-485384, fred.kistenkas@wur.nl) is<br />

universitair hoofddocent bij de leerstoelgroep<br />

Bos- en Natuurbeleid en als senior onderzoeker<br />

omgevingsrecht verbonden aan onderzoeksinstituut<br />

Alterra van Wageningen Universiteit.<br />

Hij was lid van de Commissie modernisering<br />

monumentenzorg instrumentarium van het<br />

ministerie van OCW.


R ecent<br />

V erschenen<br />

Vanuit verschillende gezichtspunten<br />

wordt in Romeinse decadentie<br />

de decadente levenswijze<br />

beschreven die de Romeinen<br />

erop na zouden hebben gehouden.<br />

Zo wordt ingegaan op de<br />

verwerpelijke levenswijze van<br />

verschillende keizers en de<br />

enorme, luxe paleizen waarin zij<br />

woonden. Private luxe, met als<br />

voorbeeld rijk ingerichte badkamers,<br />

wordt geplaatst naast het<br />

tentoonspreiden van decadentie<br />

in het openbaar, de organisatie<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

TITEL Romeinse decadentie<br />

AUTEUR Stephan Mols, Olivier Hekster en Eric Moormann (red.)<br />

UITGAVE Uitgeverij VANTILT<br />

DETAILS Paperback, 171 pagina’s. ISBN: 978-94-6004-010-8. Prijs € 14,95<br />

van kostbare gladiatorenspelen.<br />

Ook de reacties hierop uit de<br />

eigen gelederen, die juist tot<br />

soberheid manen, en de opmerkingen<br />

erover van Griekse<br />

auteurs uit die tijd komen aan<br />

de orde. De rijke inrichting van<br />

vroeg-christelijke kerken wordt<br />

eveneens onder de loep genomen<br />

en ten slotte wordt bezien hoe<br />

het beeld van in luxe zwelgende<br />

Romeinen in de moderne tijd<br />

vorm heeft gekregen.<br />

Met bijdragen van Stephan Mols,<br />

TITEL Gevelstenen in Maastricht<br />

AUTEUR Jef Bartelet<br />

UITGAVE Uitgeversmaatschappij Walburg Pres<br />

Maastricht kent een rijke traditie<br />

van gevelstenen die ook vandaag<br />

de dag nog springlevend is.<br />

Oude stenen worden gekoesterd,<br />

maar er worden ook voortdurend<br />

nieuwe kunstwerken geplaatst.<br />

De stad herbergt een schat aan<br />

gevelstenen die het verdienen<br />

om eens in de schijnwerpers te<br />

worden gezet. Aan de hand van<br />

talrijke foto’s neemt Jef Bartelet<br />

in zijn boek de lezer mee op een<br />

speurtocht naar de boeiende en<br />

mysterieuze wereld achter de<br />

gevelsteen. De auteur belicht de<br />

historische gevelstenen aan de<br />

hand van concrete Maastrichtse<br />

voorbeelden. Het boek bevat tal<br />

van wetenswaardigheden over<br />

materialen, locaties, gebruiken<br />

en symbolen en biedt ter afsluiting<br />

een aantal overzichtslijsten.<br />

46<br />

Olivier Hekster, Eric Moormann,<br />

Nathalie de Haan, Louis van den<br />

Hengel, Floris Overduin,<br />

Vincent Hunink, Sible de<br />

Blaauw en Martijn Icks, allen<br />

specialisten op het terrein van de<br />

Klassieke Oudheid en verbonden<br />

aan de Faculteit der Letteren van<br />

de Radboud Universiteit<br />

Nijmegen.<br />

Romeinse decadentie sluit nauw<br />

aan bij de toptentoonstelling<br />

Luxe en decadentie, leven aan<br />

DETAILS Genaaid gebrocheerd, 160 pagina’s, full colour en rijk geïllustreerd.<br />

ISBN: 978-90-5730-503-0. Prijs € 29,50<br />

Daarop kan de lezer historische<br />

stenen snel terugvinden op soort<br />

en op adres. In de adressenlijst<br />

zijn ook moderne gevelstenen<br />

opgenomen.<br />

Jef Bartelet (1946) is onderwijzer<br />

met een passie voor<br />

gevelstenen. Hij is initiator<br />

van www.gevelstenen.net<br />

voor het inventariseren van<br />

gevelstenen waar dan ook.<br />

TITEL Bouwen aan een weerbarstige stad<br />

AUTEUR Paul Meurs<br />

UITGAVE VSSD Uitgeverij<br />

DETAILS Paperback, 91 pagina’s, full colour. ISBN: 978-90-6562-182-5. Prijs € 13,50<br />

De verschuiving van de bouwopgave<br />

van de stadsuitbreiding naar<br />

bestaand stedelijk gebied drukt<br />

ontwerpers met hun neus op het<br />

verleden en dwingt hen om een<br />

positie ten opzichte van de<br />

geschiedenis in te nemen. Het<br />

begrip cultuurhistorie heeft in<br />

de afgelopen tijd een brede betekenis<br />

gekregen. Het potentiële<br />

werkterrein van de monumentenzorg<br />

bestaat tegenwoordig uit<br />

ongeveer alles wat ooit is gebouwd.<br />

Concreet gevolg is dat in Nederland<br />

een ontwerpopgave zonder<br />

cultuurhistorische component<br />

bijna ondenkbaar is. Door de<br />

stad niet radicaal te vernieuwen<br />

maar te transformeren ontstaat<br />

een positief te waarderen histori-<br />

sche gelaagdheid. Ontwerpers<br />

zoeken in elke opgave opnieuw<br />

een balans tussen de bestaande<br />

en de nieuw toe te voegen kwaliteiten.<br />

De creatieve opgave om<br />

cultuurhistorie op te nemen in<br />

integrale planvorming staat centraal<br />

in ‘bouwen aan een weerbarstige<br />

stad'. Hoe cultuurhistorie<br />

heldere kaders aan transfor-<br />

de Romeinse goudkust, die tot en<br />

met 4 januari 2009 nog<br />

te zien zal zijn in museum<br />

Het Valkhof.<br />

matieprocessen kan geven, komt<br />

aan de orde in een tweede essay<br />

over interventie en restauratie:<br />

‘restaureren zonder dogma’.


R ecent<br />

V erschenen<br />

TITEL Archeologie en beekdalen –<br />

Schatkamers van het verleden<br />

AUTEUR Eelco Rensink<br />

UITGAVE Matrijs (i.s.m. RACM)<br />

DETAILS Genaaid gebrocheerd, 176 pagina’s, full colour en rijk geïllustreerd<br />

ISBN: 978-90-5345-349-0. Actieprijs € 29,95 (tot 1 mei 2009)<br />

Beekdalen hebben altijd een<br />

grote aantrekkingskracht<br />

uitgeoefend op mensen. In de<br />

steentijd waren het geliefde<br />

plaatsen van rondtrekkende<br />

jagers, vissers en verzamelaars.<br />

Later vestigden boeren zich<br />

langs de randen van beekdalen<br />

Naar aanleiding van de restauratie<br />

van de toren van de Sint Walburgiskerk<br />

vertellen drie Zutphense<br />

specialisten de grote en<br />

kleine verhalen over de toren,<br />

zijn historie en zijn patrones<br />

Walburga, die rond 1460 beloofde<br />

de bliksem te verdelgen en de<br />

duivel te verdrijven.<br />

De majestueuze toren van de<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

en werden er grafvelden en<br />

akkers aangelegd. Vanaf de middeleeuwen<br />

verschenen watermolens<br />

langs beken. Steeds meer<br />

voorzieningen werden aangelegd<br />

om de natte beekdalbodems beter<br />

te kunnen oversteken en gebruiken.<br />

Over archeologische resten<br />

Sint Walburgiskerk bepaalt al<br />

eeuwenlang het gezicht van<br />

Zutphen. Niets bleef de toren<br />

bespaard: blikseminslagen,<br />

brand of oorlogsgeweld. In<br />

2004 werd begonnen aan een<br />

grootscheepse restauratie van de<br />

toren, waarbij niet alleen de hele<br />

constructie werd aangepakt,<br />

maar ook aandacht was voor de<br />

47<br />

in beekdalen was tot voor kort<br />

weinig bekend. Toch bleek uit<br />

toevalsvondsten (zoals de<br />

beroemde kano van Pesse in<br />

1955) dat beekdalen archeologisch<br />

erg rijk zijn. Sinds enige<br />

jaren houden archeologen<br />

graafwerkzaamheden in en langs<br />

TITEL De toren van de Sint Walburgiskerk –<br />

Bouw en restauratie van een<br />

klinkend Zutphens monument<br />

AUTEUR Jeroen Krijnen, Gert Oldenbeuving en Constant Willems<br />

UITGAVE Uitgeversmaatschappij Walburg Pres<br />

DETAILS Genaaid gebrocheerd, 112 pagina’s, full colour en geïllustreerd.<br />

ISBN: 978-90-5730-454-5. Prijs € 16,95<br />

details. Zelfs de haan op de toren<br />

kreeg een oppoetsbeurt. Het in<br />

de toren hijsen van twee nieuwe<br />

klokken vormde de spectaculaire<br />

afronding. Het boek beschrijft de<br />

bouwgeschiedenis van de toren<br />

vanaf de vroegste vermeldingen<br />

van de kerk in de elfde eeuw tot<br />

aan de oplevering van de restauratie<br />

in 2005. Ook is er aandacht<br />

TITEL Jobsveem Rotterdam –<br />

Een gebouw in beweging 1912-2008<br />

AUTEUR Paul Groenendijk, Hans Citroen en Carel van Hees (fotografie)<br />

UITGAVE Uitgeverij 010<br />

DETAILS Hardcover, 208 pagina’s, full colour en rijk geïllustreerd<br />

Het voormalige pakhuis St. Job<br />

in Rotterdam is ingrijpend verbouwd.<br />

Het kloeke industriële<br />

rijksmonument veranderde van<br />

opslagruimte tot woonruimte.<br />

Het gerenoveerde Jobsveem is<br />

net als andere pakhuizen in verouderde<br />

havengebieden een<br />

voortrekker in de herstructure-<br />

ISBN: 978-90-6450-677-2. Prijs € 34,50<br />

ring van het Lloydkwartier. De<br />

transformatie tot woon/werkgebouw<br />

kreeg gestalte door de<br />

samenwerkende architecten<br />

Robert Winkel van Mei architecten<br />

en stedenbouwers en Wessel<br />

de Jonge architecten.<br />

Winkel perforeerde het circa 22<br />

meter diepe gebouw met drie<br />

grote gaten van voor- tot achtergevel.<br />

In deze ‘horizontale atria’<br />

is al het verticale verkeer opgenomen<br />

en zijn de wanden van de<br />

aangrenzende woningen uitgevoerd<br />

in glas. Maar het oorspronkelijke<br />

karakter van het gebouw<br />

bleef zo bewaard. In dit boek zijn<br />

de geschiedenis en de transfor-<br />

beken nauwlettend in de gaten.<br />

In dit boek worden archeologische<br />

ontdekkingen in en langs<br />

beken in Nederland, van Limburg<br />

tot Groningen, op aansprekende<br />

wijze gepresenteerd.<br />

voor allerlei andere ontwikkelingen<br />

die in de twintigste eeuw<br />

plaatsvonden, zoals de torenbrand<br />

in 1948 en de discussie<br />

over een passende bekroning die<br />

daarop volgde. Vervolgens wordt<br />

er uitgebreid ingegaan op de<br />

diverse restauraties van de toren.<br />

En tenslotte wordt de klokkengeschiedenis<br />

beschreven.<br />

matie van pakhuis tot woon/<br />

werkgebouw gedocumenteerd.<br />

Een boeiende confrontatie tussen<br />

oud en nieuw.<br />

De renovatie van Jobsveem tot<br />

woongebouw is winnaar<br />

Nationale Staalprijs 2008 de<br />

categorie woningbouw.


R ecent<br />

V erschenen<br />

TITEL Landschapsatlas Walcheren<br />

Inspirerende sporen van tijd<br />

AUTEUR Kees Bos (eindred.), bijdragen van Gerrie Andela, Jan Willem Bosch,<br />

Jan van Mourik en Jan Zwemer<br />

RECENSENT Henk Baas<br />

UITGAVE Bos & Böttcher, Koudekerke.<br />

DETAILS Te bestellen via www.landschapsatlas.nl. Prijs € 269,50<br />

Vierhonderdzestien pagina’s dik<br />

en drie kilo zwaar is deze prachtig<br />

uitgegeven Landschapsatlas<br />

van Walcheren. De atlas geeft<br />

vooral een overzicht van de<br />

ontstaansgeschiedenis van<br />

Walcheren, maar ook een handreiking<br />

voor hoe om te gaan met<br />

cultuurhistorie in gebieden met<br />

een bijzondere ontstaansgeschiedenis.<br />

De atlas ontleend een<br />

groot deel van zijn waarde aan<br />

de prachtige illustraties: ruim<br />

230 (historische kaarten), prenten,<br />

figuren en oude en nieuwe foto’s.<br />

Met name het gebruik van oude<br />

foto’s geven het boek een prettige<br />

uitstraling, het nodigt uit tot<br />

wegzakken in een luie stoel,<br />

met een lekker glas wijn erbij. In<br />

die zin is het de op één na beste<br />

manier voor een eerste kennismaking<br />

met het landschap van<br />

Walcheren.<br />

Als lezer ben je uiteraard geïnteresseerd<br />

in de inhoud van het<br />

boek, maar evenzeer in de doelstelling<br />

en achtergronden ervan.<br />

Waarom ligt dit lijvige boek er?<br />

Normaliter staat in een voorwoord<br />

wel iets over doel en aanleiding,<br />

maar de Zeeuwse gedeputeerde<br />

voor Water, Natuur en<br />

Landschap, Frans Hamelink,<br />

heeft het daar niet over. Een<br />

beetje speuren op internet leert<br />

dat dit boek voortkomt uit een<br />

Belvedere-kennisproject van<br />

Bosch&Slabbers, een landschapsarchitectenbureau<br />

uit Middelburg.<br />

Vanuit de Belvedere-regeling<br />

heeft het bureau € 90.000<br />

euro ontvangen, met name<br />

bedoeld om zicht te geven op het<br />

omgaan met cultuurhistorie in<br />

planvorming en inrichting. Het<br />

is dan ook goed om met name<br />

hierop te letten: in hoeverre is<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

het aardkundig en cultuurhistorisch<br />

erfgoed inspiratiebron<br />

geweest voor de toekomstvisie<br />

voor het landschap van<br />

Walcheren?<br />

Het boek heeft een chronologische<br />

opzet, lopend van 600 na<br />

Christus tot de huidige tijd. De<br />

periode daarvoor wordt vanuit<br />

geologisch en fysisch-geografisch<br />

perspectief behandeld. Hoewel<br />

het archeologisch perspectief wel<br />

wordt genoemd, krijgt dit nauwelijks<br />

enige verdieping. Dat is<br />

jammer, want er ligt genoeg<br />

materiaal dat met weinig moeite<br />

geïntegreerd had kunnen worden<br />

met dit aardwetenschappelijk<br />

perspectief. Daarmee kom ik<br />

direct op een ander (klein) kritiekpunt:<br />

het noten en literatuurapparaat.<br />

Het is duidelijk geen<br />

wetenschappelijk werk. Er wordt<br />

niet aan literatuurverwijzing<br />

gedaan, en er ontbreekt ook een<br />

literatuuroverzicht. Weliswaar<br />

kent het boek 88 eindnoten, met<br />

daarin ook de nodige literatuurverwijzingen,<br />

maar het had de<br />

leesbaarheid goed gedaan als dit<br />

aspect wat nadrukkelijker aandacht<br />

had gekregen. Zoals gezegd<br />

is het geen wetenschappelijk<br />

boek, maar een echt overzichtswerk,<br />

geschreven voor een breed<br />

publiek.<br />

Goed, over tot de inhoud van<br />

het boek. Waar lezen we allemaal<br />

iets over? Zoals gezegd begint het<br />

boek met een uitgebreid hoofdstuk<br />

over de geologische en<br />

fysisch-geografische landschapsgeschiedenis.<br />

Aan de hand van<br />

reconstructiekaartjes wordt de<br />

lezer meegenomen door de laatste<br />

10.000 jaar, de periode van zeespiegelstijging<br />

en de daarmee<br />

samenhangende vernatting, met<br />

48<br />

als gevolg een kustopbouw met<br />

getijdeafzettingen, de vorming<br />

van strandwallen en duinen en<br />

de vorming (en latere afslag) van<br />

veen. Deze ontwikkeling wordt<br />

in een zestal paleogeografische<br />

kaarten gepresenteerd. Opvallend<br />

is dat bij de verantwoording van<br />

deze kaarten wordt verwezen<br />

naar Zagwijn uit 1986 (Nederland<br />

in het Holoceen). Het is mij niet<br />

duidelijk waarom hier niet de<br />

latere (1997) en meer gedetailleerde<br />

kaarten van Vos en Van<br />

Heeringen zijn gebruikt.<br />

Verdiende aandacht in dit hoofdstuk<br />

krijgen de kreekruggen,<br />

poelgronden en gemoerneerde<br />

poelen, een landschappelijk<br />

verhaal dat bij veel mensen niet<br />

bekend zal zijn, maar dat ontegenzeggelijk<br />

‘typisch’ is voor<br />

Zeeland. Het hoofdstuk sluit af<br />

met een verhaal over ‘landschappelijke<br />

waarden’, een soort<br />

samenvatting waarbij gefocust is<br />

op de nog in het huidige landschap<br />

zichtbare sporen van deze<br />

lange landschapsgeschiedenis.<br />

In het volgende hoofdstuk wordt<br />

het middeleeuwse erfgoed (600-<br />

1500) nader beschouwd. Dit op<br />

de inleiding na kortste hoofdstuk<br />

focust op de oudste geschiedenis<br />

die nu nog in het landschap<br />

zichtbaar is, die van de strijd<br />

tegen het water, de vliedbergen,<br />

de steden en de dorpen.<br />

Algemene lijnen worden door<br />

illustraties tastbaar, zoals de<br />

reconstructie van de inpolderingen<br />

ten noorden van Oostkapelle<br />

en Serooskerke, waar het een<br />

komen en gaan was van dijken.<br />

Het reconstructiekaartje toont<br />

aan dat het een dynamische tijd<br />

was, waarbij land werd en gewonnen<br />

maar ook weer prijs werd<br />

gegeven. Debet hieraan was<br />

(deels) ook het moerneren, het<br />

winnen van turf ten behoeve<br />

van de zoutwinning.<br />

De periode van 1500 tot 1650<br />

wordt in het hoofdstuk ‘Een laatmiddeleeuws<br />

panorama’ behandeld.<br />

Dit hoofdstuk is wel heel<br />

letterlijk opgepakt door het<br />

opnemen van het landschappelijk<br />

deel (20 bladzijden!) van het<br />

Panorama dat (vermoedelijk)<br />

Anton van den Wijngaerde rond<br />

1550 van het eiland Walcheren<br />

maakte. Het panorama laat zien<br />

dat het een drukke boel was in de<br />

havenstadjes, met name door de<br />

aanwezigheid van talrijke koopvaardijschepen.<br />

Het is dan ook de<br />

periode van bloei voor Walcheren<br />

en voor Middelburg in het bijzonder.<br />

Dit hoofdstuk gaat verder<br />

in op de periode van de Opstand<br />

tegen de Spaanse vorst, die een<br />

aanvang had in 1568. Deze strijd<br />

toonde zich ook in het landschap,<br />

door de bouw van vestingwerken<br />

rond Veere, Arnemuiden, Middelburg<br />

en Vlissingen. Minder te<br />

weten komen we over de gevolgen<br />

die de strijd had voor de kleine<br />

nederzettingen.<br />

De periode 1650-1800 wordt<br />

gekenmerkt door de opkomst van<br />

de buitenplaatsen. De belangrijkste<br />

impulsen voor het ontstaan<br />

hiervan was de handel, eerst in<br />

de VOC en later in de WIC.<br />

Het hoofdstuk heeft als titel ‘een<br />

tijdelijke buitenplaatscultuur’<br />

meegekregen, hetgeen direct<br />

het kenmerk al weggeeft: op een<br />

aantal buitenplaatsen na, kent<br />

het huidige landschap nog<br />

nauwelijks sporen van deze bijzondere<br />

periode. Een groot aantal<br />

prachtige prenten en kaarten<br />

laat deze verdwenen pracht en<br />

praal in al haar glorie goed zien.<br />

Met de sprekende titel ‘Van


R ecent<br />

V erschenen<br />

Fransen tot Duitsers’ worden<br />

we meegevoerd naar de periode<br />

1800-1940. Het is de periode na<br />

de grote bloei, een periode met<br />

weinig landschappelijke neerslag.<br />

Of het moet de aanleg van klinkerwegen<br />

zijn, of de opkomst van<br />

het toerisme (badplaatsen).<br />

Tijdens de Franse periode wordt<br />

een groot aantal van nieuwe<br />

vestingwerken aangelegd. Bij<br />

een foto van een aantal moderne<br />

windturbines op de ruïne van fort<br />

de Ruyter bij Vlissingen wordt<br />

gezegd dat dit geen recht doet<br />

aan het adagium ‘behoud door<br />

ontwikkeling’. De niet ingevoerde<br />

lezer die de Belvedere-wereld niet<br />

kent zal dit bijschrift niet begrijpen,<br />

maar evengoed zal een wel ingevoerde<br />

lezer dit niet doen, want<br />

nergens wordt dit normatief<br />

standpunt toegelicht of verklaard.<br />

De oude foto’s die betrekking<br />

hebben op deze periode tonen<br />

een landschap met veel beplanting<br />

(tot aan de inundatie van<br />

1944 kenmerkend voor<br />

Walcheren) en met onverharde<br />

wegen. Een landschap van armoede<br />

en oude boerengebruiken.<br />

Hoe korter geleden, hoe meer<br />

aandacht het beschreven hoofdstuk<br />

krijgt. De periode 1900-2000<br />

omvat ongeveer een derde van<br />

het totaal aantal pagina’s van<br />

het boek (116 pagina’s). Het is<br />

ontegenzeggelijk een belangrijke<br />

periode in de landschapsgeschiedenis,<br />

al was het maar door de<br />

inundatie van 1944 en het creëren<br />

van een totaal nieuw landschap<br />

als gevolg daarvan, maar het staat<br />

toch wel een beetje in contrast<br />

met de perioden daarvoor, die<br />

wat betreft landschapsontwikke-<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

ling zeker zo veelbetekenend zijn<br />

geweest. Los van deze kanttekening<br />

zijn het opnieuw prachtige<br />

afbeeldingen die de teksten illustreren,<br />

zoals het schoonmaken<br />

van de wegen na de afzetting van<br />

50 cm slib (!) na de inundatie. De<br />

foto’s tonen een – als gevolg van<br />

de inundaties, de bombardementen<br />

en de vele beschietingen –<br />

desolaat landschap. Terecht geeft<br />

het boek een overzicht van het<br />

werk dat is uitgevoerd om dit<br />

verwoeste landschap weer te<br />

‘herstellen’, feitelijk om een<br />

nieuw landschap te maken. De<br />

Herverkavelingswet Walcheren<br />

(1947) maakte een integrale herinrichting<br />

van het landschap van<br />

Walcheren mogelijk, waarbij niet<br />

alleen de agrarische ontsluiting,<br />

waterbeheersing en grondverbetering<br />

aandacht kregen, maar<br />

waarbij ook een landschapsplan,<br />

de bouw of verplaatsing van boerderijen<br />

of bijvoorbeeld de aanleg<br />

van waterleidingen in het plan<br />

werden opgenomen.<br />

De tweede helft van de twintigste<br />

eeuw wordt verder gekenmerkt<br />

door komst van het massatoerisme,<br />

met alle landschappelijke<br />

gevolgen van dien (campings,<br />

bungalowparken, vermaakcultuur).<br />

Wat zeker positief moet<br />

worden beoordeeld is de aandacht<br />

die wordt geschonken aan<br />

de moderne ontwikkelingen,<br />

zoals de na-oorlogse groei van<br />

steden en dorpen. Geschiedenis<br />

houdt immers niet op bij 1900.<br />

Moderne stadswijken, hoogbouw<br />

en bedrijventerreinen worden<br />

allemaal in hun historische context<br />

geplaatst. En passant lezen<br />

we verder dat echt alles aan het<br />

49<br />

landschap van Walcheren is<br />

bedacht en gemaakt. Ook de<br />

aanwezigheid van fluitenkruid<br />

in de bermen, zo geurend in<br />

het voorjaar, is bedacht!<br />

Het laatste hoofdstuk betreft de<br />

toekomstvisie van Walcheren.<br />

Feitelijk het product waar het<br />

Belvedere als subsidiegever om te<br />

doen was. De auteurs stellen zich<br />

de vraag welke ontwikkelingen<br />

Walcheren gemaakt hebben tot<br />

wat het is, en welke mogelijkheden<br />

dit biedt voor de verdere ontwikkeling.<br />

Naast een foto-impressie<br />

zijn zeven aandachtsvelden<br />

benoemd waar rekening mee<br />

moet worden gehouden: kustveiligheid,<br />

woningbouw, landbouw,<br />

recreatie, zeehaven en industrie,<br />

infrastructuur en overheidsbeleid.<br />

Maar moet er ook geen rekening<br />

worden gehouden met de<br />

cultuurhistorische waarden, met<br />

het landschap van Walcheren dat<br />

zo centraal heeft gestaan in het<br />

boek? Belvedere gaat toch niet<br />

alleen over ontwikkeling? Om<br />

te bepalen op welke manier men<br />

aan wil sluiten bij de genoemde<br />

ontwikkelingen hebben de<br />

samenstellers van de visie een<br />

Belvedere-workshop georganiseerd.<br />

Met professionals overigens.<br />

De bewoners en gebruikers<br />

van het landschap van Walcheren<br />

hebben blijkbaar geen invloed<br />

kunnen uitoefenen op de visie.<br />

Dat is jammer in een tijd waarin<br />

het gaat om draagvlak en burgerparticipatie.<br />

De gemeente als<br />

belangrijke partij in de uitvoering<br />

van een dergelijke landschapsvisie<br />

is overigens ook niet gekend.<br />

Uitkomst van deze workshop is<br />

dat voor Walcheren moet worden<br />

ingezet op de ontwikkeling van<br />

hoogwaardig wonen en recreëren,<br />

gecombineerd met bijzondere<br />

vormen van landbouw. Deze<br />

uitkomst biedt kansen voor<br />

een groenblauwe ontwikkeling<br />

van het platteland. Het feit dat<br />

Walcheren aan goed vaarwater<br />

ligt biedt ook kansen voor een<br />

stedelijk-industriële ontwikkeling<br />

van Middelburg-Vlissingen. Los<br />

van de constatering dat dit niet<br />

echt specifiek voor Walcheren te<br />

noemen valt (elke regio wil hoogwaardig<br />

wonen en recreëren),<br />

is mij ook niet direct een relatie<br />

opgevallen met de historischlandschappelijke<br />

ontwikkelingen<br />

zoals die zijn beschreven. Was het<br />

schrijven van zo’n dik boek echt<br />

nodig voor het opstellen van deze<br />

landschapsvisie? Welke elementen<br />

uit de landschapsgeschiedenis<br />

zijn richtinggevend voor de landschapsvisie?<br />

Ter vergelijking wil<br />

ik hier de landschapsvisie Zuid-<br />

Limburg aanhalen (zie bespreking<br />

Vitruvius 5, pp. 52-53).<br />

Hier is op basis van de analyse<br />

van de landschapsgeschiedenis<br />

een ‘landschappelijk raamwerk’<br />

samengesteld: een groene dooradering,<br />

bestaande uit steile hellingen,<br />

dalbodems en dorpsranden<br />

die het reliëf en de kenmerkende<br />

verschillen tussen de dalen en de<br />

plateaus accentueert en de landschappelijke<br />

samenhang versterkt.<br />

Dit landschappelijke<br />

raamwerk vormt vervolgens de<br />

duurzame basis voor alle toekomstige<br />

ontwikkelingen, zoals het<br />

waterbeheer, de ontwikkeling<br />

van de natuur en het cultuurhistorisch<br />

erfgoed en de toeristisch<br />

recreatieve ontsluiting<br />

van dit landschap.<br />

Een dergelijke analyse van het<br />

landschappelijk raamwerk van<br />

Walcheren ontbreekt. Wat is nu<br />

de essentie van het landschap<br />

dat je wilt behouden, of waar je<br />

op voort wilt borduren?<br />

Misschien mist Walcheren een<br />

dergelijk raamwerk als gevolg<br />

van de totale herinrichting na de<br />

Tweede Wereldoorlog, maar ook<br />

die analyse ontbreekt. Conclusie:<br />

we hebben er een prachtig boek<br />

over Walcheren bij, dat chronologisch<br />

alle historisch-landschappelijke<br />

ontwikkelingen op een<br />

prachtig geïllustreerde wijze<br />

aan ons toont. Maar ook een visie<br />

die niet duidelijk maakt welke<br />

rol die landschapsgeschiedenis<br />

nou daadwerkelijk speelt voor<br />

het landschap van de toekomst.<br />

De doelstelling van het<br />

Belvedere-project lijkt daarmee<br />

maar deels te zijn behaald.


R ecent<br />

V erschenen<br />

TITEL Nederlandse Tegels 1900-2000<br />

AUTEURS Jan Pluis<br />

Dit boek biedt een representatief<br />

overzicht van de in Nederland in<br />

de periode 1900-2000 vervaardigde<br />

en/of gedecoreerde wandtegels.<br />

Was de decoratie en productie van<br />

de Nederlandse tegel tot ca. 1900<br />

betrekkelijk traditioneel gebleven,<br />

na 1900 onderging de Nederlandse<br />

tegel in zowel decoratief<br />

als technisch opzicht veel veranderingen.<br />

De vormentaal van de<br />

jugendstil leende zich bijvoorbeeld<br />

uitstekend voor toepassing<br />

op tegels. Door de welvaartstoename<br />

kregen ruimtes in huizen en<br />

bedrijven waar traditioneel tegels<br />

werden toegepast meer aandacht<br />

en groeide de vraag naar tegels.<br />

Een andere belangrijke ontwikkeling<br />

was een type elektrische oven<br />

dat rond 1950 op de markt kwam<br />

en waarmee het mogelijk werd<br />

om tegels ook in een kleinere<br />

oplage te vervaardigen: dit bracht<br />

een stroom aan nieuwe bedrijven<br />

en creativiteit op gang.<br />

De auteur beschrijft meer dan 150<br />

bedrijven en ateliers die tussen<br />

TITEL Villatuinen in Nederland 1900-1940<br />

AUTEUR Eric Blok & Birgit Lang<br />

UITGAVE RACM / SB4 Bureau voor Historische Tuinen, Parken en Landschappen<br />

DETAILS ISBN: 978-90-76046-57-0. Paperback, 156 pagina’s, full colour en rijk geïllustreerd.<br />

Prijs € 19,50. Bestellen via www.villatuinen.nl en www.sb4.nl. Meer informatie: RACM,<br />

afdeling Gebouwd Erfgoed, unit Groen Erfgoed, tel 030-6983211, of met SB4 Bureau voor<br />

Historische Tuinen, Parken en Landschappen, Eric Blok, telefoon 0317-424 167.<br />

Op woensdag 22 oktober verscheen<br />

Villatuinen in Nederland<br />

1900-1940, een tuinhistorische<br />

publicatie over het groene erfgoed<br />

van de villatuin. Het boek<br />

is geschreven door de landschapsarchitecten<br />

/ tuinhistorici<br />

Eric Blok en Birgit Lang van<br />

SB4 Bureau voor Historische<br />

Tuinen, Parken en Landschappen<br />

uit Wageningen. De publicatie<br />

kwam tot stand in nauwe samenwerking<br />

met de Rijksdienst voor<br />

Archeologie, Cultuurlandschap<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

UITGAVE RACM<br />

DETAILS ISBN/EAN 978 90 6650 090 7, 192 pagina’s, gebonden. Prijs € 19,90<br />

1900 en 2000 tegels gemaakt<br />

en/of gedecoreerd hebben. Naast<br />

de grote bekende bedrijven als<br />

Tichelaar (Makkum), Mosa en<br />

Sphinx (Maastricht), De Porceleyne<br />

Fles (Delft) komen ook vele<br />

kleinere fabrikanten en ateliers<br />

aan bod, zoals o.a. Gamma<br />

Sierkunst uit Amsterdam of<br />

Plateelfabriek Ivora uit Gouda.<br />

De tegels in dit boek zijn over<br />

het algemeen seriematig gemaakt:<br />

van één ontwerp zijn meer tegels<br />

geproduceerd. Uit de groep van<br />

kunstenaars die van een ontwerp<br />

maar één tegel gemaakt hebben<br />

(de unica-keramisten) is een<br />

beperkte keuze gemaakt.<br />

Het boek bevat niet alleen de topproducten,<br />

maar ook eenvoudig<br />

gedecoreerde tegels die door brede<br />

lagen van de bevolking werden<br />

gekocht. De auteur interviewde<br />

talloze ontwerpers en makers van<br />

tegels: van veel bedrijven worden<br />

in dit boek voor het eerst de<br />

gegevens en de geschiedenis<br />

op een rij gezet.<br />

en Monumenten (RACM).<br />

Ons land kent talrijke tuinen die<br />

onder architectuur werden aangelegd.<br />

In veel gevallen werden<br />

die tuinen met de villa volgens<br />

één stijlopvatting ontworpen.<br />

Soms gebeurde dat door de<br />

architect van de woning, veelal<br />

ook door de in die tijd opkomende<br />

beroepsgroep van tuin- en landschapsarchitecten.<br />

Concentraties<br />

van villatuinen uit periode 1900-<br />

1940 bevinden zich in de periferie<br />

van stads- en dorpskernen<br />

50<br />

In de inleiding worden de technische<br />

aspecten van het productieproces<br />

behandeld zoals de glazuren<br />

en decoratietechnieken. Ook aan<br />

de wijze van toepassing en gebruik<br />

van de tegels in de 20ste eeuw is<br />

aandacht besteed.<br />

Omdat onder verzamelaars van<br />

tegels en bouwhistorici veel<br />

behoefte is aan dateermogelijkheden<br />

biedt dit boek veel informatie<br />

over wanneer bepaalde merken<br />

voorkomen en worden ook veel<br />

achterkanten van tegels afgebeeld.<br />

Het boek is zo gebruikersvriendelijk<br />

mogelijk opgezet: de fabrikanten<br />

en ateliers zijn geordend<br />

op plaatsnaam. Een uitgebreide<br />

index vergemakkelijkt het zoeken<br />

op namen en begrippen.<br />

Door de eeuwen heen volgde de<br />

decoratieve wandtegel als toegepaste<br />

kunst de heersende modes<br />

en stijlen. Ook in de twintigste<br />

eeuw sluit de vormentaal van de<br />

tegel aan bij de visuele cultuur<br />

van die eeuw. Dit overzicht van<br />

en met name in speciaal voor<br />

gegoede burgers aangelegde,<br />

suburbane wijken. Bekende<br />

voorbeelden treffen we aan in<br />

het Gooi, in de regio Bloemendaal-Heemstede-Aerdenhout<br />

en<br />

Wassenaar.<br />

Villatuinen in Nederland 1900-<br />

1940 beoogt de cultuurhistorische<br />

waarde van villatuinen uit<br />

de eerste helft van de twintigste<br />

eeuw nauwkeuriger dan voorheen<br />

vast te stellen. Een groot<br />

aantal typische stijlkenmerken<br />

toegepaste kunst bij uitstek,<br />

waarin de enorme diversiteit<br />

van de visuele cultuur in de<br />

twintigste eeuw bijeen is gebracht,<br />

heeft daarom ook een kunsthistorische<br />

waarde.<br />

Aan dit standaardwerk met circa<br />

2000 afbeeldingen in kleur is<br />

ruim negen jaar intensief gewerkt.<br />

De auteur, Jan Pluis, is dé Nederlandse<br />

expert op het gebied van<br />

tegels. Eerder verschenen diverse<br />

standaardwerken van zijn hand:<br />

De Nederlandse tegel, decors en<br />

benamingen 1570-1930 (1997),<br />

Bijbeltegels-Bibelfliesen (1994),<br />

Kinderspelen op tegels (1979).<br />

en elementen worden beschreven,<br />

waardoor het herkennen en<br />

duiden van deze tuinen wordt<br />

vereenvoudigd. Het boek richt<br />

zich op overheden, erfgoedinstellingen,<br />

monumentendiensten,<br />

tuin- en landschapsarchitecten,<br />

hoveniersbedrijven en eigenaren<br />

als belangrijke spelers bij het in<br />

stand houden van dit bijzondere<br />

groen erfgoed.


R ecent<br />

V erschenen<br />

Ter gelegenheid van het RACMsymposium<br />

‘Over de vloer’ op 8<br />

oktober in het Vredespaleis in<br />

Den Haag is deze uitgave verschenen,<br />

de allereerste in<br />

Nederland over dit onderwerp.<br />

Ruim twintig auteurs uit<br />

Nederland en Vlaanderen gaan<br />

in op de geschiedenis van de<br />

vloer, de diversiteit hiervan en de<br />

rol die de historische vloer speelt<br />

in het huidige interieur. De bijdragen<br />

gaan over zeer uiteenlopende<br />

aspecten van de<br />

Nederlandse vloer en bestrijken<br />

onder meer de archeologie,<br />

bouwhistorie, architectuurhistorie<br />

en instandhouding. Van keitjes-<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

TITEL Over de vloer: met voeten getreden erfgoed<br />

AUTEUR T. Hermans, E. Koldeweij & D. Snoodijk (red.)<br />

UITGAVE Waanders uitgevers, Zwolle (i.s.m. Rijksdienst voor Archeologie,<br />

Cultuurlandschap en Monumenten)<br />

DETAILS ISBN 978 90 400 8561 1 / NUR 648<br />

Gebonden, 424 pagina’s, zeer rijk geïllustreerd. Prijs € 24.95<br />

vloer tot keramische tegel, van<br />

leem tot linoleum.<br />

Opzienbarend is de Vlaamse bijdrage<br />

over de dagelijkse omgang,<br />

vernieuwend de kijk op de kerkvloeren<br />

uit de negende tot en<br />

met de veertiende eeuw, opmerkelijk<br />

het artikel over industrieel<br />

vervaardigde vloeren, verrassend<br />

de archeologische invalshoek,<br />

maar ontluisterend de onderwaardering<br />

van de vloer. Het<br />

boek bevat tevens artikelen over<br />

de laatste stand van kennis over<br />

baksteenvloeren op houten balklagen,<br />

over opmerkelijke<br />

gebruikssporen in een tegelvloer<br />

in Utrecht, over de unieke blind<br />

51<br />

bevestigde grenenhouten vloer<br />

in de grote zaal van kasteel<br />

Amerongen, over glazen en<br />

natuurstenen vloeren, over keramische<br />

en cementtegels en over<br />

stalvloeren: van paardenbox tot<br />

tuigenkamer. De enorme variatie<br />

in materiaal, afwerking en ontwerp<br />

van dit zesde wandvlak van<br />

een ruimte blijkt groot en rijk.<br />

Het is verbazingwekkend dat<br />

vloeren en vloerafwerkingen zo<br />

weinig aandacht hebben gekregen.<br />

Dit is wellicht symptomatisch<br />

voor de stand van kennis<br />

over de diverse vloertypen: dit<br />

onderwerp behoort tot de<br />

slechtst bestudeerde gebouwon-<br />

ADVERTENTIE<br />

derdelen. Met dit boek wordt dit<br />

gebrek aan tastbare gegevens<br />

enigszins ingevuld, maar talloze<br />

deelaspecten wachten op nadere<br />

bestudering, onderzoek en<br />

publicatie.<br />

Nooit eerder verscheen er in<br />

Nederland een overzichtswerk<br />

over historische vloeren. Dit<br />

handboek is onontbeerlijk voor<br />

iedereen die regelmatig met<br />

monumenten in aanraking komt<br />

en voor hen die meer over dit<br />

onderwerp willen weten.


FOTO'S EN RECONSTRUCTIE: MAJA D'HOLOSSY<br />

VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

AGENDA<br />

v.a. 13.11.2008 Den Haag<br />

De eerste kustbewoners<br />

Vanaf 13 november 2008 is in het Museon in Den Haag de<br />

permanente tentoonstelling De eerste kustbewoners te zien. De vinexlocatie<br />

Ypenburg, het zuidoostelijke stadsdeel van de gemeente<br />

Den Haag, was gedurende een aantal<br />

eeuwen het woongebied van de prehistorische<br />

mens. Deze plek lag toen<br />

aan de kust en bestond uit lage duinen<br />

in een getijdengebied. De Steentijdmens<br />

leefde hier op de grens van zoet<br />

en zout water, van droog en nat land.<br />

Door graafwerkzaamheden werd een<br />

grafveld ontdekt met daarin de resten<br />

van 42 personen, zowel vrouwen,<br />

mannen als kinderen. Al gauw bleek<br />

dat het om mensen ging die hier<br />

hadden geleefd in de tijd van de<br />

Hunebedbouwers, zo’n 5500 jaar<br />

geleden. In deze nieuwe vaste presentatie<br />

wordt het accent gelegd op het<br />

werk van de verschillende specialisten<br />

binnen de archeologie, maar ook de<br />

kennis van andere vakdisciplines,<br />

zoals landschapsmicromorfologie<br />

(zeer gedetailleerd bodemonderzoek)<br />

en bouwhistorie worden benut.<br />

De expositie toont moderne archeologische<br />

onderzoekstechnieken en<br />

geeft een beeld van het leven in die tijd.<br />

Onderzoek en reconstructie<br />

van de skeletten<br />

Eén van de disciplines houdt zich<br />

bezig met het menselijk botmateriaal.<br />

Daarbij wordt eerst vastgesteld hoe<br />

compleet een skelet is en dan of het<br />

om een man of een vrouw gaat.<br />

De botten van een man zijn meestal<br />

groter en ruwer dan van een vrouw.<br />

Dat komt omdat mannen over het<br />

algemeen grotere spieren hebben.<br />

Die spieren zitten op bepaalde plekken<br />

aan het bot. Op die plekken zitten<br />

richeltjes of soms hele knobbels.<br />

Hoe groter de knobbel of randjes,<br />

hoe groter de kans dat het een man<br />

52<br />

is geweest. De schedel en het bekken zijn de plaatsen waar je dat<br />

het beste kan zien. Daarna worden de botten onderzocht op onder<br />

andere ouderdom, lengte en ziektes. Botten waarop specifieke<br />

ziekteverschijnselen zijn geconstateerd zoals misvormingen in<br />

de gewrichten zijn in één van de laboratoria in de nieuwe zaal te<br />

zien en de botspecialist vertelt daarbij over zijn onderzoek.<br />

Van drie van de opgegraven skeletten zijn reconstructies gemaakt.<br />

Zij zijn te zien in de nieuwe expositie: een man, een vrouw en een<br />

kind. Vooral het reconstrueren van een gezicht is een vak apart.<br />

Er wordt eerst een mal gemaakt van de schedel. Het uiterlijk wordt<br />

bepaald door kenmerken van de schedel. Het vet- en spierweefsel<br />

wordt bepaald op grond van wetenschappelijk vastgestelde standaarden.<br />

Zo is de dikte van spieren en de huid voor mannen, vrouwen<br />

en kinderen zeer verschillend. De ogen worden voor een groot<br />

deel met de hand gemaakt, zo worden de irissen met de hand<br />

geschilderd.<br />

Sporen van huizen<br />

Er werden ook sporen van huizen van<br />

deze Steentijdmensen teruggevonden.<br />

Deze sporen zien er voor een leek uit<br />

als vlekken in het landschap, maar bij<br />

nadere bestudering kan er veel uit<br />

worden geconcludeerd, al blijft het<br />

een lastige klus om vast te stellen<br />

welke sporen tot een huisplattegrond kunnen worden gerekend.<br />

Archeologen kijken dan vooral naar de plaats, vorm, kleur en<br />

samenstelling en maken zo een selectie van sporen die tot een huisplattegrond<br />

kunnen worden gerekend. De grootte en de diepte van<br />

een paalspoor zijn belangrijk om vast te stellen wat de dragende<br />

functie is geweest. Er wordt gezocht naar de onderlinge samenhang<br />

in de ruimtelijke opbouw. Uit al die gegevens wordt vastgesteld wat<br />

de constructie van het ‘skelet’ van het huis was. In dit geval werd een<br />

bouwhistoricus gevraagd een reconstructie van het gebouw te maken.<br />

Meer onderzoek<br />

Naast de bovengenoemde terreinen van onderzoek binnen de<br />

archeologie zijn er nog veel meer en daar wordt ook aandacht<br />

aan besteed. Onderzoek naar het gebruik van natuur- en vuursteen:<br />

met behulp van speciaal microscopisch onderzoek kan worden<br />

vastgesteld waar bepaalde gereedschappen voor werden gebruikt.<br />

Uit onderzoek naar het aardewerk weten we hoe de potten werden<br />

gemaakt en door onderzoek van de aankoeksels (etensresten) aan<br />

het aardewerk en door zaden- en pollenonderzoek weten we wat<br />

ze aten. Het onderzoek aan het dierlijk botmateriaal laat zien wat<br />

er nog meer op het menu van de steentijdmens stond.<br />

INFORMATIE: WWW.MUSEON.NL


VITRUVIUS NUMMER 6 JANUARI 2009<br />

tot 21.12.2008 Almere<br />

Rituelen. Van toen, nu, jou, mij, hier!<br />

Tijdens de tentoonstelling<br />

worden rituelen uit het verre<br />

verleden met die van het<br />

kleurrijke Almere van nu vergeleken<br />

en wordt antwoord<br />

gezocht op vragen als hoe<br />

‘anders’ waren de mensen uit<br />

het vroege Almere – uit de<br />

Steentijd en de Zuiderzeetijd?<br />

Wat weten archeologen van<br />

hun rituelen? Nog tot 21 december a.s. in het Kunstencentrum<br />

de Kunstlinie.<br />

INFORMATIE: WWW.DEKUNSTLINIE.NL<br />

9/10.12.2008 Rotterdam<br />

Digitaal Erfgoedconferentie 2008<br />

Digitaal Erfgoed Nederland (DEN)<br />

organiseert in samenwerking met<br />

Erfgoed Nederland de lustrumeditie<br />

van de Digitaal Erfgoedconferentie<br />

in de Doelen in Rotterdam. De<br />

conferentie staat in het teken van de<br />

mogelijkheden om digitaal beschikbaar<br />

erfgoed optimaal vindbaar en<br />

bruikbaar te maken. Niet alleen de<br />

grote zoekmachines maar ook community<br />

websites, open geografische<br />

systemen en mash up websites bieden<br />

mogelijkheden om het beschikbare<br />

digitale erfgoed bij het publiek te<br />

brengen. Hier is wel actief beleid<br />

voor open uitwisseling van informatie nodig. De presentaties,<br />

debatten en workshops hebben een gemeenschappelijke boodschap:<br />

zoek actief contact met je doelgroepen. Naar buiten! Werkt u bij<br />

een erfgoedinstelling, en wilt u uw kennis verbreden en verdiepen<br />

om digitale erfgoedinformatie bij het publiek te brengen?<br />

DE conferentie richt zich op wie de inzet van ICT kunnen sturen,<br />

en ook wie met digitalisering bezig zijn. DE conferentie heeft een<br />

erfgoedbreed karakter en is er voor musea, archieven, bibliotheken,<br />

monumentenzorg- en archeologische instellingen.<br />

INFORMATIE: DEN, 070 - 314 0343<br />

10.2.2009 Utrecht<br />

Manhattan aan de Oude Gracht?<br />

De 24ste Nicolaas van der Monde-lezing in de Pieterskerk te<br />

Utrecht: Manhattan aan de Oude<br />

Gracht? Erfgoedbehoud versus moderne<br />

ruimtelijke ordening, gaat in op de<br />

problematiek van stedelijke structuren,<br />

oude gebouwen en landschappelijke<br />

elementen die voortdurend<br />

worden aangepast en veranderd<br />

ten behoeve van nieuwe functies.<br />

Soms gebeurt dat met respect<br />

53<br />

voor waardevol erfgoed, maar vaak wordt dit zodanig ingekapseld<br />

dat de zeggingskracht ervan verloren gaat.<br />

INFORMATIE: WWW.OUD-UTRECHT.NL<br />

11.2.2009 Amsterdam<br />

Congres nu voor later!<br />

Erfgoed Nederland start een congresreeks met als thema nieuw erfgoed.<br />

Doel is het selecteren, bewaren (behouden en beheren) en presenteren<br />

van nieuw erfgoed en het zodanig op de kaart te zetten bij<br />

beleidsmakers, erfgoedinstellingen en hun medewerkers en particuliere<br />

verzamelaars dat het een vanzelfsprekend onderdeel wordt<br />

van het erfgoedbeleid. Het eerste congres van de reeks – in de<br />

Reinwardt Academie te Amsterdam – staat in het teken van<br />

computererfgoed en wordt georganiseerd samen met de stichting<br />

computererfgoed Nederland (SCEN).<br />

INFORMATIE: BINNENKORT OP<br />

WWW.ERFGOEDNEDERLAND.NL<br />

23 25.4.2009<br />

’s-Hertogenbosch<br />

Nederlandse<br />

Restauratiebeurs<br />

2009<br />

De Nederlandse Restauratiebeurs<br />

stimuleert de vakwereld door kennisuitwisseling<br />

en draagt tegelijkertijd<br />

bij aan verbreding van het maatschappelijke<br />

draagvlak voor de instandhouding<br />

van het cultureel erfgoed.<br />

Speciale aandacht is er voor actuele<br />

ontwikkelingen in de monumentenzorg,<br />

nieuwe producten en<br />

technologieën, kennis en vakmanschap. Experts verzorgen<br />

lezingen, presentaties en workshops. Daarnaast biedt de beurs<br />

gelegenheid om het publiek te interesseren voor de restauratiemethoden<br />

en conserveringstechnieken voor historische gebouwen<br />

en interieurs, archiefstukken, archeologische bodemvondsten<br />

en voorwerpen uit kunstcollecties.<br />

INFORMATIE: WWW.RESTAURATIEBEURS.NL<br />

Locatie: Brabanthallen te ’s-Hertogenbosch.<br />

Tips en persberichten voor de Agenda kunt<br />

u mailen naar info@uitgeverijeducom.nl


online...<br />

op tafel...<br />

Archeologie – Cultuurlandschap – Monumentenzorg:<br />

Vitruvius bereikt beslissers en betrokkenen.<br />

De mix van archeologie, cultuurlandschap en monumentenzorg onderscheidt VITRUVIUS<br />

– synergie in de zuiverste vorm. Nu ook op internet: www.vakbladvitruvius.nl<br />

Maar wie VITRUVIUS in handen houdt, valt voor ‘ouderwets drukwerk’. VITRUVIUS<br />

verschijnt niet in de winkel. Interesse? Mail dan naar info@uitgeverijeducom.nl.<br />

4x per jaar Nederland € 45,- / België € 55,-. Ook ideaal als cadeau!

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!