DE KATHOLIEKE JOUmtlST

webstore.iisg.nl

DE KATHOLIEKE JOUmtlST

DE KATHOLIEKE JOUmtlST

EERSTE JAARGANG

MAANDBLAD NO. 7-8

MEI-J UN I 19 4 7

REDACTIE:

A. L. G. M. VAN OORSCHOT

S. H. A. M. ZOETMULDER

INZENDINGEN AAN HET SECRETARIAAT: STATIONSSTRAAT 10 - UTRECHT (TELEFOON 6529 HILVERSUM)

ORGAAN VAN DE KATHOLIEKE NEDERLANDSE JOURNALISTENKRING

Per$~Nooclwet

De perswetgeving dreigt een van de

slepende kwalen in ons land' te worden,

waarmede wij moeizaam en met

grote tussenpozen van het ene naar

het volgende stadium sukkelen. Thans

zijn wij toe aan de Wet noodvoorziening

Perswezen, die de tweede verlenging

is van het Tijdelijk Persbesluit

1945, onvermijdelijk geworden, omdat

de regering de moeilijkheden, die komen

kijken bij het ontwerpen van de

definitieve perswet, onderschat heeft.

Voor het ontwerpen van deze perswet

is thans, zoals men zich herinneren

zal, door de ministers van O., K. en W.

en van Justitie een interdepartementale

commissie ingesteld, de commissie-Pompe,

welke commissie weliswaar

is geïnstalleerd, doch kwalijk als zijnde

aan het werk beschouwd kan worden.

Het zal nog wel geruime tijd duren

voor het definitieve perswets-ontwerp

ter tafel ligt.

Intussen moeten wij het dan weer

doen met deze noodvoorziening, die

op enkele belangrijke punten nog wel

iets meer blijkt in te houden dan een

continuering van het Tijdelijk Persbesluit

1945. Zij stelt in de eerste plaats

ten langen laatste aan de orde een

daad van eenvoudige rechtvaardigheid:

de instelling van een Raad van Beroep,

een hoger-beroepsinstantie op de

uitspraken van de perszuiveringscommissie

uitsluitend samengesteld uit

juristen en daarom de beste waarborgen

voor onpartijdigheid biedend,

gelijk de practijk op andere gebieden

van de zuivering ruimschoots bewezen

heeft. I

In de kring van het Federatiebestuur

wordt deze Raad van Beroep slechts

met instemming begroet, zij het dat

de voldoening over zijn stichting enigszins

getemperd wordt door de overweging,

dat zij te lang op zich heeft

laten wachten. De perszuivering is op

een oor na gevild op het moment, waarop

de stichting van de Raad van Beroep

nog slechts bij de Tweede Kamer

aanhangig is gemaakt. Men zal dus

eerst na voltooiïing der zuivering met

de tweede lezing beginnen, en dat zal

dan een klein jaar zijn, nadat minister

Beel aan een delegatie van het Federatie-bestuur

openbaarde, dat de regering

reeds besloten had de wens van

de Federatie als het ware te voorkomen

door de instelling van een instantie

van hoger beroep. Hoe langzaam

malen toch de molens van het gezag!

Een direct nadeel van deze late verschijning

van de Raad van Beroep is,

dat voor een aantal getroffenen — of

het er veel of weinig zullen zijn valt

nader af te wachten — een verzachtende

uitspraak van deze Raad meer de

betekenis van een moreel herstel dan

van een voorkomen van materieel

kwaad zal hebben. In het Voorlopig

Verslag wordt daaromtrent de misleidende

opmerking gemaakt, dat talrijke

„ontzette" journalisten van het hoger

beroep geen gebruik meer kunnen maken,

omdat de termijn van ontzetting

reeds is verstreken, een mening, die

geen grond vindt in de tekst van het

wetsontwerp, hetwelk bepaalt, dat ook

voor de reeds in kracht van gewijsde

gegane gevallen binnen vier weken na

het in werking treden van de wet beroep

op de Raad open staat, analoog

aan de regeling, die bij de zuivering

van kunstenaars, in hoger beroep getroffen

is. Doch het is te vrezen, dat

in vele gevallen het materiële kwaad

niet meer ongedaan gemaakt zal kunnen

worden. Een vermindering of een

ontslag T*in ontzetting zal dan geen

andere betekenis meer hebben dan een

op zichzelf natuurlijk zeer belangrijk

moreel rechtsherstel, dat evenwel het

in hoger beroep onrechtvaardig gebleken

materiële kwaad niet meer ongedaan

kan maken. Een algemeen, doch

niettemin betreurenswaardig gevolg

van een leemte in onze zuiveringswetgeving,

die verzuimd heeft van meet af

aan in de noodzakelijkheid van hoger

beroep te voorzien.

Hoe verheugd men dan overigens

ook moet zijn over het eerste novum,

dat met deze nieuwe editie van de

Pers-noodwet zijn intrede doet,., aanmerkelijk

minder ingenomen moet men

zijn met het tweede: het artikel, waarbij

het aan de perszuiveringscommissie

alsnog wordt mogelijk gemaakt gedu­

rende een tijdvak van tenminste drie

jaren de naam van een persorgaan te

verbieden, alsmede een met de oude

naam sterke gelijkenis vertonende

nieuwe naam, indien van dit persorgaan

een of meer der medewerkers is

of zijn ontzet van recht. Hiermede

brengt de minister, goed en wel aan

het einde der perszuivering gekomen,

een element in het geding, dat de zuiveringscommissie

practisch het recht

geeft de gehele zuivering, maar thans

op het stuk van de bedrijven, van voren

af aan te beginnen, zulks op een

argument, dat men eerlijk gezegd niet

vermag te ontwaren in wat de Memorie

van Toelichting daarover orakelt.

Het verbod van een besmette naam

komt de minister voor, schrijft hij, als

het noodzakelijke sluitstuk van de zuivering

van het perswezen. Blijkens het

Voorlopig Verslag is de Kamer daar

ook niet onverdeeld van onder de indruk

gekomen. Men merkt tenminste

op, dat het Nederlandse straf-, tuchten

zuiveringsrecht zich uit de aard

der zaak beperkt tot personen en de

aansprakelijkheid van zedelijke lichamen

zich steeds concretiseert in de

personen der leiders. Zou veronderstellenderwijs

een dergelijke afwijking

ten aanzien van dagbladondernemingen

nog op haar plaats zijn geweest, dan

toch terstond bij het begin van de

perszuivering en niet nog eens thans,

nu deze practisch is geëindigd, zoals

dezelfde uit het Voorlopig Verslag geciteerde

leden dan ook te kennen

geven.

Doch wel beschouwd, ziet men de ratio

voor deze nieuwe en afwijkende figuur

in het geheel niet. Zij brengt immers

het element der persordening in

de zuivering binnen en betreedt daarmede

een terrein, dat niet bij de zuivering

behoort en inderdaad te ingewikkeld

en te delicaat is om even in

de nasleep van de zuivering mede bewerkt

te worden, gelijk ook de regering

zelf erkend heeft door het nadrukkelijk

aan de commissie voor de perswetgeving

ter exploratie toe te wijzen.

Het Voorlopig Verslag openbaart

dan ook, dat er in de afdelingen van

de Kamer een geharnast verzet over

een breed front tegen deze bepaling

geheerst heeft. En dit niet alleen tegen

het beginsel, doch daarvan nog een

1


ogenblik afgezien, ook tegen de materiële

inhoud, die de commissie reeds

de bevoegdheid geeft de naam van een

blad te verbieden wanneer ook maar

één der journalistieke of leidende nietjournalistieke

medewerkers is ontzet

van recht. Daarmede krijgt de commissie

practisch het recht om de zuivering

over de gehele linie opnieuw te

beginnen en dat op niet méér dan op

een dergelijke smalle, formele basis.

Het zal wel niet de bedoeling zijn, dat

de commissie de straat, die zij nu zojuist

gekuist heeft, helemaal gaat

openbreken, doch als dit niet de bedoeling

is, waar zal dan het criterium

liggen? Zullen de bladen, die thans

met een gezuiverde staf onder hun

oude of een daarop veel gelijkende

naam alweer geruime tijd werken, verder

ongemoeid gelaten worden en zal

de commissie alleen van haar bevoegdheid

gebruik maken met betrekking

tot de weinige bladen, die nog niet zijn

teruggekeerd? Dat ware echter grove

onbillijkheid, want het zou niets minder

dan meten met twee maten zijn,

waartegen men zich in het Voorlopig

Verslag dan ook algemeen verzet. Doch

waar zal de Commissie het criterium

dan leggen? Er is daaromtrent geen

enkele aanwijzing, noch in de wet, noch

J OURNALISTIE

Het blijkt tot de onuitroeibare gewoonten

van vélen in het bedrijfsleven

te behoren, de pers te zien als

het verlengstuk van hun belangen,

een opvatting, waarvan het absurde

hun niet dadelijk duidelijk zal zijn,

omdat zij van het respectabele van

hun zienswijze overtuigd zijn. Sla de

gedenkschriften van onderscheiden

voorgangers in ons vak na en ge zult

telkens weer stuiten op de opdracht

van het een of ander bericht 'met een

commerciële achtergrond, van het

vriendelijk stukje over een pas geopende

bloemenzaak — bloemen-safon

heette zoiets natuurlijk, want een

voorgeslacht had behoefte aan mooimaken

(vandaar melksalon, ijssalon,

e.d.), zoals in onze tijd het grote moet

trekken, waardoor we Zuivelpaleizen

hebben zien verrijzen — tot de beschrijving

van fabrieken met geen

andere bedoeling dan er de eigenaar

een plezier mee te doen op de eerste

plaats en iets wetenswaardigs te vertellen

in de tweede.

Vooral bladen, die, gelijk dat in

sommige delen des lands het geval is,

zich hebben ontwikkeld tot een boekhandel

met een advertentieblaadje,

zijn jaren lang aan deze commerciële

geest onderhevig geweest. Het

zou dwaasheid zijn, dit thans te willen

ontkennen. En het heeft in njgt

geringe mate de publieke waardering

voor de courant bepaald bovendien. In

het Zuiden heeft jaren en jaren de

gewoonte bestaan, dat de redacties van

plaatselijke dagbladen op het einde

van de Vasten een rondgang langs de

extra-mooi opgemaakte slagersétalages

maakten, teneinde daarvan, naar gelang

deze vleeshouwers adverteerders

waren, dithyramben te dichten op de

2

in de toelichting te vinden,

. Indien de overheid met dit naamsverbod

de bedoeling heeft er voor te

'zorgen, dat zij haar eenmaal gegeven

belofte aan de voormalige illegale

pers — om haar levenskansen te waarborgen

— gestand doet, dan heeft zij

hierin een aanzienlijk slechter middel

gekozen dan in de bevoegdheid, welke

zij aan de inmiddels opgekalefaterde

Persraad wil geven en het wetsontwerp

vastlegt met betrekking tot het

gebruik van de technische outillage.

Daaromtrent kan de Persraad nu verplichtingen

opleggen aan de eigenaars

van de zet- en drukapparatuur en daarin

kunnen de voormalige illegale bladen

maar ook alle andere organen, die

niet over eigen technische apparatuur

beschikken alleszins gerechtvaardigde

waarborg vinden, dat hun niet door

vijandig gezinde concurrenten de adem

zal worden afgesneden. Het is vrijwel

de enige taak, die de sinds zijn ontstaan

nogal zwaar gehavende Persraad

heeft overgehouden. Laat ons hopen,

dat hij onder leiding van zijn nieuwe

deskundige voorzitter, de heer Reinalda,

op dit beperkte maar geenszins onbelangrijke

gebied nog goed werk zal

verrichten. L. H.

K EN RECLAME

schilderachtigheid der ontlede Paasossen,

de verrukkingen van de opgezette

speenvarkens en de kunstigheid

van de worstguirlandes, waarmee de

„vleselijke lusten" van de carnivoren

moesten gestreeld, zo niet geprikkeld

worden.

Het was de reinste prostitutie —

men vergeve mij de combinatie van

deze twee begrippen — van de journalistiek,

al was de administratie er

uitermate tevreden mee. Het haalde

het vak omlaag in de ogen van de beoefenaren

allereerst en vervolgens in

die van de lezers met onderscheidingsvermogen.

Het was een schande.

De zwakke broeders, die zich daaraan

ook na deze oorlog niet hebben

kunnen ontworstelen, vonden toen gelukkig

steun in enige persbepalingen,

die deze en dergelijke vermenging van

zakelijke met voorlichtende belangen

verboden en het laat zich aanzien, dat

straks in een definitieve porswet — de

pessimistische uitingen dienaangaande

in de Eerste Kamer ten spijt — afwijkingen

van deze regel strafbaar gesteld

zullen worden. In afwachting

daarvan hebben nog steeds plaatselijke

redacties last van verzoeken van zakenmensen,

die met deze nieuwe ontwikkeling

niet op de hoogte zijn of ze,

als zij ze kennen, toch wel graag in

hun richting zouden willen afbuigen.

En inderdaad kunnen er gevallen zijn,

die het m.i. toelaatbaar zouden maken,

dat bijvoorbeeld in een speciale rubriek

de aandacht gevraagd wordt

voor het jubileum van een zaak — ik

denk hier aan een boekhandel, een

kunsthandel —, welker bestaan in de

plaatselijke gemeenschap een cultuurfactor

is geworden. Maar er dient

onderscheid te blijven en dat wordt

maar moeilijk zo gezien.

Nog onlangs is het voorgekomen, dat

een groot filiaalbedrijf met een eigen

verwerkingsindustrie zestig jaren bestond

en de pers uitnodigde tot een

bezoek met lunch en verdere toebehoren.

Het (rijkelijk laat afkomend*)

advies van de Ned. Dagbladpers luidde

afwijzend. Niettemin probeerde

enige dagen later de directie van de

onderneming, thans niet met een

schrijven aan de redactie doch met

een brief aan de administratie, alsnog

een redacteur binnen hare gastvrije

poorten te krijgen, waarbij het hem

zou vrijstaan van zijn bevindingen al

da,n niet een verslag te schrijven. Het

was een afleidende onderkruip-poging,

die weinig succes zal hebben gehad.

Toch dient ze gesignaleerd en dient

de journalistenbent het been strak te

houden, ook nu het wel eens zou kunnen

gebeuren, dat bij de daling van

de conjunctuur (om het eens met een

omweg te zeggen) sommige directies

niet ongevoelig zouden kunnen blijken

voor de mogelijkheid, door middel van

het redactioneel apparaat een groot

adverteerder in het gevlij te komen of

te blijven. Een courantenbedrijf is

geen philantropische instelling. Het

zakelijk element zal er zich steeds

moeten laten gelden. Maar dit gebeure

niet in de keuze van de copy voor het

pluimstrijken van een of meer geregelde

bezetters van de advertentiepagina

. En op het ogenblik is het

zaak de naam waardig te blijven, die

de pers zich, gezuiverd van deze commerciële

onzuiverheid, zij het ook in

een wettelijk purgatorium, heeft weten

te maken.

Tot slot een herinnering. Het betreft

hier een tekeAend blijk van „proberen

hoever we met die redacties gaan

kunnen" van de zijde van de reclamechef

van een wereldconcern hier te

lande. We hebben dit briefje zuinig bewaard

en maken er nu gebruik van

om het voor de eerste maal te publiceren.

Het luidde (met weglating onzerzijds

van de namen zowel van het

artikel als van de betrokkene):

„Het doet ons veel genoegen i,e

kunnen vermelden, dat een lezeres

van ons blad, Mevr zo

gelukkig is geweest om haar inzending

voor de XXX-Prijsvraag bekroond

te zien met een prijs, bestaande

uit een fraai goud-plaqué

15 rubis Anker dameshorloge.

Wij brengen de kranige winnares

gaarne hulde met de door haar geleverde

prestatie en het doet ons genoegen,

dat een geregeld lezeres van

onze kolommen, dit succes heeft behaald.

Vermoedelijk zullen andere

lezeressen haar voorbeeld wel volgen

en óók haar opinie omtrent XXX

inzenden. Wij wensen haar veel

1 succes."

ZOETMULDER.

*) Door bijzondere omstandigheden

kon de Persconferentie-commissie, die

door de N.D.P. en de Federatie van

Ned. Journalisten is ingesteld, ditmaal

niet zo snel haar advies geven als anders

haar gewoonte is. (Secr. Federatie).


Geestelijke vreugde

„Dit schrijven wij U, opdat onze vreugde

volkomen zij." (

y\ eze woorden bevinden zich in de eerste brief van de

Apostel Johannes. Menigeen zal benieuwd zijn te

vernemen, welke de tijding is, die zo zeer in staat wordt

geacht, zowel de schrijver als de lezers te verblijden, ja

zelfs tot volkomen vreugde te voeren. Welnu het is geen

andere, dan dat Christus ons leven is en dat wij door Hem

gemeenschap hebben met God en de goddelijke personen.

Wat verloren was door de zonde, heeft Hij hersteld. En

nu kunnen wij weer met God in contact treden. Dat is de

rijkste en diepste bron van alle ware vreugde.

"Velen, die vijandig, althans vreemd staan tegenover de

godsdienst, hebben vaak zeer onjuiste opvattingen omtrent

de innerlijke houding van de Christus. Zij menen soms, dat

het geloof een belemmering is voor de ware levensvreugde

en dat een somber gemoed het twijfelachtig voorrecht van

de gelovige is.

Niets is minder waar. Want de gedachte aan Gods nabijheid

verruimt het hart en vervult het met blijdschap.

Het is nochtans een geestelijke vreugde, die niet allereerst

in de zinnen of in de oppervlakte der ziel is gevestigd. De

zorgen en het lijden worden dan ook de Christen zo min

als wie ook bespaard, al zijn deze ook dikwijls gemakkelijker

te dragen door de inwendige vrede des harten. Want

diep, heel diep in zijn ziel weet de gelovige zich met God

Bon

Oud-voorzitter Ned, R.K.

Journalisten Vereniging

De ouderen onder ons en vooral degenen,

die vóór de oorlog op de perstribune

van de Tweede Kamer zich

dag aan dag hebben gelaafd aan de

onuitputtelijke opgewektheid van wijlen

onze collega Bon, zal het bijgaande

kiekje interesseren. Het stelt Bon

voor in zijn laatste dagen. De vriendelijkheid,

die hem altijd kenmerkte,

heeft hij blijkbaar tot zijn laatste dagen

behouden. Ook zijn opgewektheid

heeft hem nooit verlaten. Alleen

heeft hij lichamelijk zeer geleden en'

daarvan spreken zijn trekken een duidelijke

taal.

Het is Bon, zoals een zijner zoons,

die de zeer gewaardeerde kanselier is

van de Nederlandse legatie in Rio de

Janeiro en die vroeger in de perskamer

van de Tweede Kamer dikwijls

zijn huiswerk kwam maken, mij vertelde,

na zijn komst in Zuid-Amerika

lichamelijk eigenlijk nooit goed gegaan.

Voordien genoot hij een uitmuntende

gezondheid. Na zijn komst heeft

zich een hartaandoening ontwikkeld,

die hem langzaam maar zeker ten

grave heeft gesleept. Op het laatst

mocht hij zelfs niet meer liggen. Het

heeft hem grote voldoening gegeven,

dat hij nog enkele maanden dicht bij

zijn kinderen heeft mogen leven, die,

zoals de ouderen onder ons weten, in

de Nederlandse kolonie te Carambehy

verbleven.

Alle vier de zoons zijn in de oorlog

geweest. Gelukkig zijn zij ongedeerd

uit de krijg gekomen. Alleen heeft de

jongste, de knülebol, — er -was een

sterke band tussen Bon en zijn jongens

— die wij zo dikwijls op de perstribune

zagen, bij Caen gevochten en

daar shell-shock gekregen, waarvan

hij nog altijd niet geheel genezen is.

Mevrouw Bon woont nog steeds in

verenigd en daar kan het leed niet doordringen.

Deze vreugde is in het christelijk leven geen overbodige

weelde, zij is ook niet slechts het voorrecht van enkele

gelukkige, optimistisch aangelegde naturen, maar zij is

een wezenstrek van het echte, doorleefde christendom, al

zal zij een verschillend karakter en verschillende uitingsvormen

vertonen, naar gelang ieders persoonlijke eigenschappen

en naar de wisselende toestanden in ieder leven.

Het kan daarom lopen van stille berusting tot uitbundig

gejuich.

Maar hoe het ook zij, gelijk wij allen kunnen groeien

in een dieper beleving van het christendom, zo ook in de

geestelijke vreugde onzer ziel.

De Kerk is voor ons een leermeesteresse en een voorbeeld

in het gebed, vooral in haar psalmgebed, dat zij

haast bij alle gelegenheden gebruikt en toepast. Hier wil

zij haar kinderen oefenen in de -vreugde en dat doet zij

zowel door hen woorden van lof en dank, van blijdschap

en vreugde, van gejuich en gejubel op de lippen te leggen,

als ook door hen nederig om de vreugde te doen smeken.

En dat alles telkens opnieuw, in steeds nieuwe wendingen.

Zo bidden wij in de psalm „Miserere": „Geef mij terug de

vreugde om Uw heil... mijn tong zal juichen om Uw

gerechtigheid."

De geestelijke vreugde moet als het ware de grondtoon

zijn, die het gehele christelijk leven begeleidt. Zij is een

voorsmaak der zaligheid, die wij mogen ondervinden, totdat

ons gezegd zal worden: „Welaan goede en getrouwe

knecht, ga binnen in de vreugde uws heren."

L. SMIT, geest, raadsman.

Amerika in de buurt van haar kinderen

en maakt het goed. Drie der zoons

wonen nog in Carambehy, een der

zoons is kanselier van de Nederlandse

legatie.

Lb.

Wijlen collega Bon volgde onze

nestor J. B. Vesters op als voorzitter

van de vroegere Ned. R.K. Journalistenvereniging.

Slechts enkele jaren

heeft hij die functie vervuld, doch

lang genoeg, om hem te maken tot de

vertrouwensman van alle leden. De

relaties die hij bezat wegens zijn journalistieke

werkzaamheid, buitte hij

graag uit, om daarmee onze leden te

kunnen helpen. Toen bekend werd, dat

hi] met zijn gezin naar Zuid-Amerika

zou vertrekken, heeft de organisatie

hem een hartelijk afscheid gebracht

en hem een stoffelijk aandenken meegegeven.

Hij beloofde toen in ons orgaan

te zullen vertellen van zijn leven

in de nieuwe wereld. Helaas kon daarvan

niet veel komen, want spoedig

werd hij door ziekte geslagen. En sneller

dan wij hier konden vermoeden,

kwam het einde.

~


DE COMMISSIE PERSWET GEÏNSTALLEERD

Maar .... zij begint pas in September ie werken.

De Ministers van O., K. en W. en van Justitie hebben

— zoals bekend is — een commissie ingesteld teneinde

van advies te dienen omtrent de wenselijkheid om met

inachtneming van de grondwettelijk gewaarborgde vrijheid

van drukpers nadere wettelijke regelen te stelden

met betrekking tot het perswezen, waarbij, onverminderd

de bevoegdheid van de commissie om andere onderwerpen

in haar advies te betrekken, in het bijzonder ware

na te gaan:

1. of en in hoeverre het aanbeveling verdient bij de wet

regelen te stellen met betrekking tot het uitgeven van

dag- en nieuwsbladen en andere periodieken en het

exploiteren van persbureaux, zulks in aansluiting aan

hetgeen dienaangaande door de Persraad werd voorbereid;

2. of en in hoeverre er aanleiding bestaat de bestaande

strafrechtelijke bescherming tegen misdragingen, door

middel van de drukpers begaan, uit te breiden;

3. of het wenselijk moet worden geacht de strafrechtelijke

bescherming, bedoeld onder twee (2) aan te

vullen met een tuchtrechtelijke, in dier voege, dat aan

een in te stellen of te erkennen organisatie van

journalisten de bevoegdheid wordt toegekend tot het

in eigen 'kring opleggen van tuchtmaatregelen.

De Ministers hebben deze commissie bevoegd verklaard

aan haar advies de voorstellen toe te voegen, welke zij

ter bereiking van de door haar aanbevolen maatregelen

nodig of wenselijk acht en verder bepaald, dat het door

haar uit te brengen advies zal worden vastgesteld bij

meerderheid van stemmen, met dien verstande, dat ieder

lid het recht heeft zijn afwijkend gevoelen afzonderlijk

kenbaar te maken.

In deze commissie zijn benoemd:

tot lid en voorzitter: Prof. Mr. W. P. J. Pompe, hoogleraar

te Utrecht;

tot leden: W. H. van Baarle, voorzitter van de Ned.

Organisatie van Tijdschriftuitgevers (Notu); A. M. Banda,

voorzitter van de Ver. Ned. Nieuwsbladpers; Dr. C.

Beekenkamp, administrateur Ministerie O., K. en W.;

G. H. J. B. Bodewes, voorzitter van de Kath. Ned. Dagbladpers;

A. J. Boskamp, bestuur der Ned. Dagbladpers

1945; Dr. E. Diemer, lid van de Persraad; Mej. Mr. G.

Galema, hoofdcommies Ministerie O., K. en W.; L. Hanekroot,

voorzitter Kath. Ned. Journalistenkring; Mr. R.

A. V. Baron van Haersolte, tijdelijk ambtenaar Ministerie

van Justitie; H. Hermans, secretaris minister-president;

Mr. B. H. Kazemier, raadsadviseur bij het.Ministerie

van Justitie; C. A. Keuning, dagbladdirecteur; H.

Korte Jr., en J. Meyer, leden Persraad; Mr. M. Rooy,

voorzitter Ned. Journalistenkring; Mr. W. Verkade, publicist

en tot secretaris: Mr. J. L. Kranenburg, secretaris

Persraad.

De installatie dezer Interdepartementale Commissie geschiedde

op Woensdagmiddag 2 April j.1. door de Minisvan

Onderwijs, vergezeld van zijn ambtgenoot van Justitie.

De rede van Dr. Gielen werd beantwoord door Prof.

Pompe als voorzitter der commissie. Het bleek niettemin,

dat de commissie, wegens drukke bezigheid van Prof.

Pompe, eerst in September a.s. haar taak zal kunnen

beginnen.

Aan de rede van de Minister van O., K. en W. is liet

volgende ontleend:

4

„Ongeveer tegelijk met het verzoek van de Persraad

om een Commissie ad hoc te benoemen voor een

nieuwe Perswet — uit overweging dat de samenstelling

van die Raad eigenlijk onvoldoende is om dit

deel van de hem opgedragen taak naar behoren te

vervullen, met name, omdat het wetenschappelijke en

ambtelijke element onvoldoende zijn vertegenwoordigd

— kwam mijn ambtgenoot van Justitie in de Raad

van Ministers met het denkbeeld, te laten onderzoeken

of en in hoeverre er aanleiding bestond, de Strafrechtelijke

bescherming tegen misdragingen, door middel

van de drukpers begaan, uit te breiden. Ik meen

te mogen zeggen, dat uit deze coïncidentie Uw Commissie

geboren is.

„Over haar taakomschrijving kan ik kort zijn:

„Ik moge mij bepalen tot het onderstrepen van een

enkele passage uit die taakomschrijving, namelijk de

woorden: „onverminderd de bevoegdheid van de Commissie

om andere onderwerpen in haar advies te betrekken".

Ik zou mij bijvoorbeeld zeer goed kunnen indenken,

dat gij er behoefte aan zoudt hebben, na te gaan of,

en in hoeverre aan het uitoefenen van het beroep van

journalist wettelijke vereisten kunnen en moeten gesteld.

En vanzelfsprekend bijna is het, dat voor een goede

behandeling van deze gehele materie van te voren moet

vaststaan wie als journalist kan worden aangemerkt.

„Hoe voortreffelijk de toekomstige Perswet ook moge

worden, zij zal ons volk geen goede pers geven, indien die

pers niet gemaakt wordt door mensen, „die liefde hebben

voor ideeën, niet omdat het hun eigen ideeën zijn, maar

omdat zij het ware. het goede, het schone inhouden".

De journalist moet evenals de directie „aan die ideeën

en beginselen dienstbaar wezen en zijn eigen gemak,

ijdelheid, voordeel, bij deze ideeën achterstellen".

„Ik heb wel eens gelezen, dat wij nog voor een goed

deel leven onder de heerschappij van het Romeinse recht.

Ook wat de rechtspositie van de journalist betreft is,

naar mijn mening, de tijd gekomen, dat men zich daaraan

ontworstelt.

„Het zou onbillijk zijn, een parallel te trekken tussen

een Romeinse slavenhouder en de dagbladdirecteur, die

inktkoelies in zijn dienst heeft; maar ligt de tijd, dat

directeuren meenden een soort jus abutendi op de journalisten

te hebben, zo heel ver achter ons?

„Ik ga niet zo ver, te beweren, dat het met de „mores"

wel in orde zal komen, indien de rechtspositie maar

behoorlijk geregeld is. Verdiepen van verantwoordelijkheidsbesef

— ik zinspeelde er reeds op — zal het primaire

doel moeten zijn en blijven van de organisaties der bedrijfsgenoten.

Doch het zal uw taak zijn te zoeken naar

een juridische vorm, waar binnen die verantwoordelijkheid

kan worden gestimuleerd. Of, om een uitdrukking te gebruiken

van de grootmeester der Nederlandse journalisten,

Dr. Abraham Kuyper: een hekwerk te timmeren,

waarlangs de leiboom kan worden gebonden, opdat zij

meer vrucht drage.

„De persvrijheid — kostelijk goed en onschatbaar voorrecht

in een democratisch bestel! — verdraagt zich ogenschijnlijk

niet met wettelijke beperkingen. Worde het

U vergund, ten dezen schijn en wezen te onderkennen en

te ontdekken, in hoeverre juist de gebondenheid waarborg

is voor de ware vrijheid."

De Collectieve Arbeids-Overeenkomst

De Commissie, gevormd door de besturen

van de N.D.P. 1945, de N.J.K. en de K.N.J.K.

tot. het ontwerpen van een Collectieve Arbeids-Overeenkomst,

heeft de onderhandelingen

over een ontwerp-C.A.O. beëindigd. Het

ontwerp is thans aan de besturen der drie

organisaties voorgelegd, die het nog in de

loop van Juni in behandeling zullen nemen.

i


BOEKEN VAN JOURNALISTEN

Maryke Vetter. — Een kleine huwelijkstragedie,

eenvoudig, zonder veel

diepgang verteld, heeft de schrijfster

gepubliceerd onder de titel „'t Was op

een dag in Mei". Nieuw is het gegeven

allerminst en verrassende elementen

komen in het verhaal niet voor. Deze

roman zou aan karakter hebben gewonnen,

wanneer Maryke Vetter (zoals

een vroegere publiciste van haar naam

wèl deed) verschillende beschrijvingen

had willen toetsen aan het christelijk

begrip. H. P. Leopold's Uitgeversmaatschappij

in Den Haag zorgde voor een

smakelijk uiterlijk van dit boek.

Johan Luger. — Deze collega, een der

bekenden in het vak, schreef een kort

verhaal over „De zeven kapitale leugens

van de heer Berkemeier". Aan

geestigheid ontbreekt het niet in dit

boekje. Luger is vanouds een smakelijk

verteller. Deze keer echter is hij

al te luchtig omgesprongen met d'e

huwelijkstrouw, een onderwerp, waarmede

niet te spelen valt. De uitgave

is van „De Boekerij" te Baarn.

APOSTEL DER WAARHEID

In het handboek van de Dominicaanse

tertiarissen vind ik een gebed, dat

iedere schrijver, journalist, trouwens

iedere arbeider in de wijngaard, diende

te bidden alvorens hij de hand opheft.

Het luidt:

„Eindeloos heilige Schepper, Gij, die

de ware bron van alle Ijeht en wijsheid

zijt, stort, bid ik TJ, over de duis-

Zuid-Amerikaanse collega's

bezoeken ons land

Een gezelschap Zuidamerikaanse

journalisten heeft, op uitnodiging der

K.L.M., van 22 April tot 7 Mei een bezoek

gebracht aan ons land. Het waren

de heren F. Souza Brasil („Journal do

Brasil"), Raimundo Austrogesilo de

Athayde („Diarios Associados"), Joao

Antonio Mesple („O Globo"), O. de

Carvalho Lengruber (radio-journalist),

Israel Dias Novais („Concio Paulistano"),

Virgniand Goncalves („Dario de

Sao Paulo") en Romeo Pasqualini

(hoofd-filmoperateur „National News

Service"), allen uit Brazilië en José

Gonzalez („El Dia") uit Uruguay.

De Zuidamerikaanse collega's kwamen

Dinsdagsmorgens in de vroegte

per K.L.M.-machine, via Lissabon, op

Schiphol aan, vergezeld van de heer

G. S. de Clercq, directeur van het Ned.

Informatiebureau te Rio de Janeiro en

de heren D. J. Lambooy, hoofdredacteur

van het Alg. Ned. Persbureau, en

Vogels, perschef van de K.L.M., die van

een reis naar Zuid-Amerika terugkeerden.

Ter ontvangst waren aanwezig officials

van de K.L.M, en van het Neder-

ternis van mijn verstand een straal

van Uw heilig licht. Verwijder van mij

de tweevoudige duisternis, waarin ik

geboren ben: de duisternis der onwetendheid

en der zonde. Gij, die de tong

der kinderen welsprekend maakt, bestuur

de mijne en zegen de woorden

die ik spreken zal. Verleen mij verstand

om te begrijpen, bekwaamheid om te

onthouden, gemakkelijkheid om te

leren, wetenschap om Uw woord! te

vertolken en de genade dat mijn woorden

vruchtbaar mogen zijn. Verlicht

mij in het begin van mijn arbeid, help

mij hem te verrichten, en wel hem bij

het einde bekronen."

In dit gebed vindt de katholieke journalist

de erkenning van eigen machteloosheid.

Want het is nog altijd zo, dat,

wil men inderdaad gelezen worden en

vrucht behalen met journalistiek werk,

men niet moet bouwen op eigen kracht.

Schrijven is een geestelijke arbeid;

een gesprek van mens tot mens; van

ziel tot ziel. Wil men inderdaad gehoord

worden en begrepen, w;il men de

geesten grijpen en vasthouden, en met

overtuiging vervullen van de waarheid,

dan is daarvoor eën genade des

hemels nodig.

De katholieke journalist en schrijver

zal eerst dan gezegend werk verrichten,

wanneer hij in deemoed het hoofd

buigt en de hulp van God afsmeekt.

Journalisten moeten apostelen der

waarheid zijn. Zij mogen het licht niet

onder de korenmaat verborgen houden.

Maar dat licht mag geen knetterend

nachtpitje wezen. M.

lands-Zuidamerikaanse Instituut en de

vertegenwoordiger van het bestuur der

Federatie van Ned. Journalisten, coll.

J. J. F. v. d. Bergh.

Er was voor dit bezoek een uitgebreid

programma samengesteld met bezoeken

aan verschillende grote gemeenten en

onderscheidene belangrijke industrieën,

bij de afwerking waarvan de collega's

uit Zuid-Amerika zich ten volle konden

oriënteren omtrent de toestand in ons

land en de mogelijkheden, welke de

Nederlandse handel en industrie bieden

voor uitbreiding der Nederlands-

Zuidamerikaanse handelsbetrekkingen.

In het kader van dit program waren

— zoals gebruikelijk — ook verschillende

officiële diners opgenomen. Zo was

er op de dag van aankomst een diner

van de K.L.M, in het Amstelhotel te

Amsterdam, aan welke maaltijd coll.

Mr. M. Rooy de Federatie van Ned.

Journalisten heeft vertegenwoordigd,

terwijl aan het afscheidsdiner, veertien

dagen later in „Lido" te Amsterdam,

de vice-voorzitter van het Federatiebestuur,

de heer L. Hanekroot, die taak

vervulde.

Tijdens hun verblijf in Amsterdam,

waar hun programma druk bezet was,

vroegen de gasten coll. Petzhold, of het

niet mogelijk was, dat zij eens rustig

met een paar Amsterdamse collega's

konden praten. Deze heeft onmiddellijk

daartoe het initiatief genomen en

Zaterdagavond, na het concert van het

Concertgebouworkest hebben de collega's

v. d. Bergh, Jan H. de Groot, Petzhold

en Rizouw op „De Koepel" de

Zuidamerikaanse collega's heel huiselijk

en genoegelijk ontvangen en hun

alle mogelijke inlichtingen, die zij

wensten over de organisatie en positie

der journalisten hier te lande, over

aantal en richting der dag- en weekbladen,

over de politieke verhoudingen,

samenstelling der Regering en der Staten

Generaal — kortom over allerlei

uiteenlopende onderwerpen verschaft.

De volgende Zaterdag heeft het bestuur

der Federatie van Ned. Journalisten

— dat, gehoord hebbende van dit

bezoek, zelf daartoe het initiatief had

genomen — de Zuidamerikaanse collega's

een ontvangst bereid in een der

zalen van het Kurhaus te Scheveningen,

waar zij door mr. Rooy in een

kort speechje hartelijk zijn verwelkomd.

Ongeveer vijftig personen hadden

aan de uitnodiging van het bestuur tot

bijwoning van deze ontvangst gevolg

gegeven. Daarbij was in de eerste

plaats de gezant van Brazilië, S. Rangel

de Cactro, voorts een aantal officials

van de K.L.M., o.m. Hans Martin,

de chef van de afd. perszaken van de

Regerings Voorlichtingsdienst, de perschefs

van de ministeries van Economische

Zaken en van Landbouw, visserij

en voedselvoorziening, verscheiden

hoofdredacteuren, bestuurderen van de

Buitenlandse persvereniging en een

aantal Haagse collega's. De bijeenkomst

was zeer geslaagd, hetgeen voor

een niet gering deel te danken was aan

de voortreffelijke voorbereiding daarvan

door coll. J. E. van der Wielen,

secretaris van de Haagse Journalistenvereniging.

Er heerste een genoegelijke

stemming en alleen de omstandigheid,

dat de Zuid-Amerikanen tegen half

acht genood waren aan een Indische

rijsttafel, noopte er toe de samenkomst,

waarin velen met de buitenlandse gassen

van gedachten hebben gewisseld, te

eindigen.

Mr. M. Rooy, voorzitter van de Federatie,

zond tijdens de bijeenkomst

het volgende telegram aan de heer

Herbert Moses, president van de Braziliaanse

journalistenorganisatie: „De

Federatie van Nederlandse Journalisten

in een samenkomst met de Braziliaanse

collega's verenigd, zendt zijn

hartelijke groeten aan de Braziliaanse

zusterorganisatie en spreekt de wens

uit, dat het contact tussen kameraden

der onderscheiden delen der wereld zal

bijdragen tot een blijvende vriendschap

tussen de twee landen."

Hierop werd het volgende antwoord

ontvangen: „De Braziliaanse organisatie

zendt broederlijke groeten aan de

Nederlandse collega's en juicht de gedachte

toe een innige kameraadschap

te bevorderen tussen alle journalisten

teneinde de vooruitzichten op duurzame

vrede te doen toenemen."

5


Belgische bladen in Nederland

Een medaille met twee kanten

In „De Journalist" no. 8/9 (Februari-

Maart '47) is het probleem aangesneden

van de Belgische bladen, die thans

in Nederland verkocht worden.

De redactie van ons vakblad heeft

zich in deze aangelegenheid op het

naar mijn bescheiden mening zeer

prijzenswaardige standpunt gesteld,

dat het niet wenselijk is maatregelen

tegen de invoer van Belgische bladen

te nemen, waarbij zij waarschijnlijk

ook overwogen heeft, dat wij, als

Nederlanders, op het gebied van gehalte

en kwaliteit van persorganen de

concurrentie met onze Belgische vrienden

rustig kunnen aangaan.

In deze tijd van overmatige reglementering

op elk gebied, inzonderheid

op economisch terrein, doet zulk een

standpunt prettig aan.

Het is daarom te bejammeren, dat in

de kringen der uitgevers van periodieken

en tijdschriften een minder breed

standpunt t.a.v. de Belgische bladen

wordt ingenomen.

In het Mededelingenblad voor het

Nederlands Tijdschriftenwezen van

April—Mei 1947 (No. 9/10) kan men

lezen, dat een speciale Commissie, die

de problemen op het terrein van verkoop

van Nederlandse tijdschriften

onderzoekt, bezwaren oppert tegen de

invoer van buitenlandse bladen in het

algemeen en tegen Belgische persorganen

in het bijzonder.

Gezegd wordt o.a., dat het papier in

België niet gedistribueerd is, dat verschillende

Nederlandse uitgevers er toe

overgaan hun objecten in België onder

te brengen, dat vele Belgische periodieken

niet als zodanig te herkennen zijn

en dat dit alles ongewenst is. De comrmssie

zou de invoer beperkt willen

zien tot zuiver litteraire en wetenschappelijke

uitgaven.

Zij heeft dan ook in deze geest stappen

ondernomen bij het Ministerie van

Economische Zaken. Het Directoraat-

Generaal van dit departement heeft

daarop geantwoord, dat de betreffende

aangelegenheid in overweging genomen

zal worden bij de onderhandelingen

met België over een nieuw handelsverdrag,

terwijl de Centrale Dienst

voor In- en Uitvoer heeft medegedeeld,

gaarne te zullen vernemen hoe de

Nederlandse belanghebbenden zich

voprstellen een juiste verhouding te

scheppen.

De hier aan de orde gestelde aangelegenheid

is echter een zaak, die,

behalve voor de betrokken Nederlandse

uitgevers, ook voor anderen van belang

is

Op de eerste plaats is het onjuist,

dat in België geen papierdistributie

zou bestaan. Er bestaat wel degelijk

een distributie-systeem en daarbij

moet in aanmerking worden genomen,

dat de papiersituatie bij onze zuiderburen

allerminst zo rooskleurig is als

6

de Nederlandse Uitgevers van Periodieken

enz. beweren.

Zonder twijfel is de toestand aanzienlijk

gunstiger dan in Nederland,

maar het is beslist onjuist de zaken

voor te stellen of men in België maar

raak bestellen kan. Verschillende grote

drukkerijen, papierleveranciers en uitgevers

beginnen krap in het papier te

zitten en zijn helemaal niet optimistisch

over de naaste toekomst.

Verder lijkt het ons dwaasheid van

de Belgen te eisen, dat hun uitgaven

een zodanig kenmerk moeten dragen,

dat men daaraan terstond de Belgische

oorsprong herkent. De Belgen zouden

dan met het volste recht van Nederland

kunnen eisen, dat de Nederlandse

uitgaven eveneens zulk een kenmerk

zullen dragen.

D ; t laatste doen zij overigens in werkelijkheid

toch, door hun verzorgdheid

en keuriee uitvoering.

De Nederlandse boeken, die men in

zeer talrijke mate in België aantreft,

zomede couranten en periodieken,

trekken, zoals ook vroeger, de aandacht

van het publiek door hun

aantrekkeli ike uitvoering en uitstekende

typografische verzorging.

Een andere kant van de zaak is deze.

Er bestaat een handelsverdrag tussen

Nederland en België benevens een culturele

overeenkomst, waarbinnen een

vrije uitwisseling van boeken, couranten

en periodieken voor beide partijen

gewaarborgd is.

België voert voornameliik periodieken

en couranten in Nederland in,

terwijl Nederland belangrijk afzetgebied

voor boeken in België heeft.

Men behoeft er niet aan te twijfelen,

dat de Belgen een beperking van hun

uitvoerfac'liteiten naar Nederland zullen

beantwoorden "met een contingentering

van de hoeveelheid boeken,

die Nederland over onze zuidergrens

stuurt.

Volgens Belgische belanghebbenden

voert Nederland een groter waarde

aan boeken en periodieken in Beltrië

in, dat België naar Nederland zendt.

Het zou interessant zijn hieromtrent

eens de juiste cijfers te vernemen.

Wat nu betreft de vraag of het juist

is. het Nederlandse publiek, dat door

ds slechte papiersituatie in Nederland

al zo bitter weinig waar voor zijn geld

krijgt op het gebied van periodieken,

vooral wat betreft ontspanningslectuur,

te beletten uitgaven uit België te kopen,

menen wij. dat dit onjuist is.

Het moge juist zijn, dat verschillende

Nederlandse uitgevers door een

samenwerking met Belgische uHgevers

kans hebben gezien hun uitgaven naar

België over te hevelen, hier dient de

vraag te worden gesteld, of dit een

nadeel is.

Wij betwijfelen dit. Immers, de zuiver

Belgische uitgaven zijn niet zó

geschikt voor Nederland, dat men daar

beducht voor behoeft te zijn. Zij zijn

ir het Vlaams geredigeerd en dit bevredigt

het Nederlandse publiek niet.

De Frans-geredigeerde uitgaven vinden

slechts geringe afzet.

In totaal gezien zouden wij durven

beweren, dat de werkelijk 100 pet. Belgische

uitgaven in Nederland slechts

een bescheiden markt vinden.

Indien nu uitgaven uit België

komen, die een werkelijk Nederlands

cachet dragen en dus vermoedelijk het

resultaat zijn van een Belgisch-Nederlandse

samenwerking, dan is dit een

voordeel voor het Nederlandse publiek.

Immers, op deze wijze wordt een tegemoetkoming

gegeven aan onze geringe

mogelijkheden.

Bovendien — en dit is de kant, waarmede

wij als journalisten te maken

hebben — groeit het begrip bij de

Belgische uitgevers, dat zij voor het

in Nederlandse trant redigeren van

hun uitgaven Nederlandse deskundigen

nodig hebben. Enige collega's hebben

dan ook dientengevolge reeds

connecties met Belgische uitgevers

kunnen aankopen en het is lang niet

onwaarschijnlijk, dat op die wijze een

interessante relatie ontstaat.

Tenslotte willen wij wijzen op het

vrij grote aantal werknemers, dat een

boterham verdient als agent of colporteur.

Velen hunner zouden ernstig gedupeerd

worden als zij een of meer

hunner obiecten, voor zover het Belgische

uitgaven betreft, moesten

missen. , ,„ .,

De Nederlandse tijdschriften-uitgevers

dienen dan ook te bedenken, dat

de papierschaarste mede een gevolg is

van het teveel aan periodieken in

Nederland zelf. Ondanks de papierschaarste

komen er voortdurend nieuwe

organen bij, terwijl er talrijke periodieken

zijn waarvan het bestaansrecht

in twijfel getrokken moet

worden.

Het lijkt ons dan ook niet onwaarschijnlijk,

dat de Nederlandse tijdschriften-uitgevers

bij het beoordelen

van de „Belgische kwestie" te veel hebben

gelet op hun eigen rechtstreekse

belangen en daarbij bovendien nog

verzuimd hebben acht te slaan op de

euvelen', die wij binnen onze eigen

grenzen moeten opruimen.

Gezien de culturele samenwerking

met België, die, naar wij hopen en

verwachten, in de niet ver verwijderde

toekomst zal leiden tot een nog inniger

contact dan voorheen, is het van belang,

dat het Nederlandse persorgaan,

het Nederlandse boek, kortom het

ganse Nederlandse geestesleven in gedrukte

vorm vrije en onbeperkte toegang

tot België krijgt en behoudt.

De belangstelling voor dat alles

neemt in België toe en het lijkt ons

niet verstandig onzerzijds beperkingen

te gaan opwerpen, die ons uiteindelijk

zelf zullen gaan benadelen.

De magere jaren, die Nederland

moet doorstaan, zullen eens voorbij

gaan. Of de vette jaren, die België

thans beleeft, langdurig zullen zijn,

kunnen wij onze zuiderburen slechts

toewensen en voor hen hopen.

M. G. HARINGMAN.

Hilversum, 26 April 1947.


HET BEROEPSGEHEIM VAN DE JOURNALIST

Collega H. W. Goldschmitz komt tot

de slotsom, dat het eigenlijke beroepsgeheim

van de journalist niet bestaat.

Wel is z.i. de vakgenoot onderworpen

aan de algemene, voor ieder bestaande,

zedelijke verplichting om „over vertrouwelijke

zaken zijn mond te houden".

Wanneer ik het mij tot een taak

reken, deze zienswijze t.a.v. het beberoepsgeheim

te bestrijden, dan wil

ik vooropstellen, dat de beschouwingen

van mijn geachte collega verraden,

hoezeer hij op respect afdwingende

wijze met het probleem heeft

geworsteld. Mijn bestrijding heeft dan

ook niet ten doel om ook maar iets

af te doen aan de hoge zedelijke opvattingen,

welke de schrijver aan zijn

zienswijze ten grondslag heeft gelegd.

Integendeel, het ideële belang van de

journalistiek kan slechts gediend worden,

indien zij gezien wordt als

staande onder de gelding van de algemene

zedewet. Mijn betoog strekt er

daarom alleen toe, aan te tonen, dat

mijn opponent de kwestie niet juist

heeft gesteld en in zijn behandeling

daarvan niet de gezichtspunten heeft

betrokken, welke m.i. beslissend zijn

en tot een tegengestelde conclusie

moeten voeren.

Na gewezen te hebben op het beroepsgeheim

van de medicus, de advocaat

e.a., die „beroeps- of ambtshalve

noodzakelijk in aanraking met vertrouwelijke

zaken komen, vraagt coll.

Goldschmitz: „Maar voor een journalist

bestaat toch niet de verplichting

krachtens zijn beroep om te luisteren

naar mededelingen uit vertrouwelijke

en geheime vergaderingen en besprekingen?"

Met deze min of meer rhetorische

vraag kan de zaak, waarop

het hier aan komt echter niet worden

afgedaan. Ik aarzel niet, de gestelde

vraag in juist tegengestelde zin te beantwoorden.

Ten einde zijn publieke

taak tot het geven van in- en voorlichting

naar behoren te kunnen vervullen,

behoeft de journalist wel degelijk

vertrouwelijke informatie. Bij het

publiek bestaat dikwijls de ernstige

misvatting, dat de journalist alles wat

hem ter ore komt, zo maar in de

krant zet. Onder vakgenoten behoeft

het echter geen nader betoog, niet

alleen dat zulks geenszins het geval is,

maar ook dat de juiste kennis van de

achtergronden van een zaak, onjuiste

of ontijdige publicaties kan voorkomen

dan wel publicatie in de juiste

vorm kan bewerken. Meermalen weigeren

de naast-betrokkenen, uit een

verkeerd begrip van de functie van

de pers of van het nut van goede

voorlichting, zelf de nodige background

information te verschaffen, en

moet de journalist zich deze kennis

wel uit andere bronnen vergaren, wil

hij de publieke voorlichting niet overlaten

aan het gerucht en de legendevorming.

Hier openbaart zich reeds de

eigen verantwoordelijkheid van de

journalist, die zijn plicht t.o.v. het

algemeen belang heeft.

Ook wenden zich soms personen tot

de journalist, die zich bezwaard ge­

voelen door de wetenschap van verborgen

gehouden feiten, en die evenzeer

gedreven worden door de behoefte

om hun hart uit te storten als

zij, die de bijstand van de advocaat

of de medicus inroepen. In bepaalde

gevallen kan het algemene belang dan

alleen gediend worden door publicatie

van de feiten, zonder dat echter de

bron zich kan laten kennen. Van dergelijke

situaties zijn historische voorbeelden

aan te wijzen. Vandaar ook

het adagium, door „The Times" reeds

tientallen jaren geleden aangevoerd:

„The Press lives with disclosures"

Aan deze kant van de zaak heeft ook

de commissie uit de Ned. Journalistenkring

— door collega Goldschmitz in

zijn eerste artikel vermeld —• aandacht

geschonken in de volgende bewoordingen:

„Het dagbladwezen is in onze hedendaagse

rechtsstaat een wel is waar niet

nauwkeurig omgrensd, doch niettemin

algemeen erkend publiek orgaan, welks

onbelemmerde werkzaamheid onderdeel

vormt voor de openbare controle

op de publieke zaak. Menigmaal valt

aan de courant een taak te beurt, het

licht te doen vallen op uitwassen en

misstanden, hetzij daarbij overheden

dan wel particulieren in het geding

zijn. Voor de vervulling van die taak

zal zij vaak op vertrouwelijke inlichtingen

moeten steunen, welker verkrijging

in hoge mate belemmerd zou

worden, ind ; en men niet op de discretie

van de journalist zou kunnen rekenen.

Bovendien is de courant meer dan

eens voor burgers van goeden wille

een onontbeerlijk hulpmiddel gebleken

om te voorkomen, dat handelingen

zouden worden begaan, c.q. correctie

van handelingen te bewerkstelligen,

welker lakenswaardig of ongewenst

karakter tot dusver aan de aandacht

was ontsnapt.

„Ongetwijfeld laat deze vrijheid

ruimte open voor willekeur en misbruik.

Zij is echter onverbrekelijk ver-

' bonden met het wezen der persvrijheid.

Zij laat zich noch omgrenzen,

noch omschrijven, doch zij vindt haar

natuurlijke beperking in de weerstandskracht

van het gezonde dagbladwezen,

die een snelle zelfcorrectie

van mogelijke buitensporigheden waarborgt,

„In dit geval moet met zorg onderscheiden

worden tussen het publiceren

van geheimen louter om der wille van

de reclame van voor goed-ingelicht

door te gaan en het publiceren van

feiten in het algemeen belang. Het

eerste is ongeoorloofd, het tweede kan

heilzaam zijn.

„De Commissie acht het nodig op

dit punt bijzondere nadruk te leggen.

Wanneer de pers, voor de goede vervulling

van haar taak in het algemeen

belang, een verschoningsrecht erkend

wil zien, moet zij ervoor waken, dat

dit recht alleen wordt ingeroepen op

deugdelijke gronden van noodzakelijkheid

in het algemeen belang.

„Uit het vorenstaande volgt, dat een

overheid, die de critische functie van

het dagbladwezen, zoals deze in ie

democratische rechtsstaat is gegroeid,

aan banden zou willen leggen, een

krachtig wapen zou kunnen vinden in

een doorbreking van het beroepsgeheim

van de journalist, zoals dit tot

dusver, naar internationale ere-code,

werd gehandhaafd, zonder nochtans

bescherming in de wet te vinden.

Immers, men zou zich wel tweemaal

bedenken, alvorens een journalist in

vertrouwen te nemen, indien men aan

diens vermogen om in dit opzicht naar

zijn beroepscode te handelen, ernstig

zou moeten gaan twijfelen."

De Commissie fundeert dus het beroepsgeheim

van de journalist in het

algemeen belang, dat gediend wordt

met een ongeschokt vertrouwen in

zijn zwijgzaamheid onder alle omstandigheden.

Daarin onderscheidt zich nu

de zwijgverplichting van de journalist

van de algemene plicht om vertrouwelijkheid

te bewaren. Met de door

collega Goldschmitz beoogde gelijkstelling

van de journalistieke beroepsplicht

aan de algemeen-menselijke verplichting

op dit stuk, komt de journalist

ook niet uit, want voor de gewone

burger wordt de verplichting tot zwijgen

in het algemeen opgeheven door

zijn wettelijke plicht tot spreken, wanneer

hij als getuige voor de rechter

wordt gedaagd, terwijl de journalist

ook dan, naar algemene opvatting,

moet zwijgen. Een journalist, die zijn'

bron tegen diens wil openbaart, verspeelt

de algemene achtmg, terwijl de

publieke opinie altijd geneigd is zich

te keren tegen de gewone getuige, die

niet medewerkt om de waarheid aan

het licht te brengen.

Het is van deze algemene gezichtshoek

uit, dat ook de vragen beantwoord

moeten worden, welke collega

Goldschmitz, naar mijn mening ten

onrechte, bij zijn behandeling van het

vraagstuk voorop heeft gesteld. Hij

heeft daardoor de indruk gewekt, dat

hij de kwestie in haar geheel had gevangen,

terwijl hij in werkelijkheid

daarmede slechts de casuistiek t.a.v.

de publicatie uit geheime vergaderingen

heeft beoefend. De zaak moet veel

ruimer gesteld worden. Er geschieden

in de ambtelijke sfeer, belangrijk

onderdeel van ons politiek leven, allerlei

dingen, welke onder de ambtelijke

geheimhoudingsplicht vallen, maar die

door chefs, hetzij uit prestige-overweg

; ngen, hetzij om andere redenen, verborgen

worden gehouden, en die eenvoudig

niet aan het licht treden, indien

zij niet langs vertrouwelijke weg

ter kennis van de pers worden gebracht.

In dergelijke gevallen moet de

journalist naar eigen geweten beoordelen,

of het algemeen belang publicatie

vordert, en mag hij bij voorbaat

niet aannemen, dat de ambtelijke

visie daarop de enig juiste is. Trouwens,

ook het oordeel van een vergadering

is ten deze n


is een merkwaardig ding, maar zodra

do openbaarheid wegvalt, vermindert

dikwijls ook het verantwoordelijkheidsbesef

der aanwezigen. Thorbecke

heeft hier reeds op gewezen, toen hij

in de jaren '40 met kracht openbaarheid

van vergaderingen van publieke

colleges eiste. Ook op dit punt stel ik

dus, dat de journalist zelf moet beoordelen,

of het algemeen publicatie

van vertrouwelijke inlichtingen vergt.

Doet hij dit, dan moet hij zijn bron

ook onvoorwaardelijk dekken.

Daarmede is voor mij tevens de

vraag beantwoord, of een journalist

aangifte zou moeten doen van het

strafbare feit, begaan door degene, die

zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden.

Evenmin als de dokter of

de geestelijke, die met dergelijke of

andere feiten in aanraking komt, naar

de opvatting van zijn beroep of ambt

de vertrouwelijkheid mag schenden,

mag de journalist zulks doen.

En daarmede kom ik tot de onderscheiding,

welke collega Goldschmitz

iii zijn artikel niet voldoende in het

oog heeft gehouden, n.1. tussen het

vertrouwen, dat de journalist niet mag

schenden, wanneer hij met medeweten

van zijn bron tot publicatie is overgegaan,

èn de vertrouwelijkheid, welke

de journalist moet bewaren, wanneer

hem onder het zegel van geheimhouding

bepaalde dingen zijn medegedeeld.

In het laatste geval mag de

journalist, die met het oog op het

algemeen belang, zoals hij dat na

nauwgezette overweging ziet, m.i.

slechts tot publicatie overgaan, na opnieuw

met zijn bron ruggespraak te

hebben gehouden. En evenzeer komt

het mij geboden voor, dat, wanneer

een journalist van bepaalde zijde een

vertrouwelijke mededeling „niet voor

publicatie" heeft ontvangen, doch van

andere kant hetzelfde niet onder de

voorwaarde van geheimhouding verneemt,

en zich dus tot openbaarmaking

in het algemeen gerechtigd

kan achten, zijn eerste bron daarvan

verwittigt. Inderdaad, ik ben het met

coll. Goldschmitz eens, dat in de

journalist gesteld vertrouwen een tere

plant is, welke met zorg moet worden

omgeven. Dat zulks zou insluiten, dat

de journalist geen beroepsgeheim zou

hebben, en niet naar wettelijke erkenning

daarvan zou moeten streven, ontken

ik met alle kracht.

M. ROOY.

TAALPERIKELEN

Dat journalisten zich beijveren om

bij onze taal de wacht te betrekken,

is ongetwijfeld een loffelijk streven,

't Is alleen maar jammer, dat Nederlands

zo moeilijk is, ook zelfs in de

nieuwe spelling — ja, misschien is het

volgens de jongste uitvinding op dit

gebied nog moeilijker geworden —, terwijl

zich bovendien nog de moeilijkheid

voordoet, dat niet ieder, die zich

tot zuiveren geroepen acht, daarvoor

de nodige bekwaamheid bezit.

In een verslag over de onthulling

van een gedenkplaat, kwam de volgende

critische opmerking voor: „Het

is jammer, dat een storende fout in de

8

SCHRIFTELIJKE CURSUS

Het onderstaande is een opstel,

als „vrij werk" gemaakt

door een leerling van een der

vele schriftelijke cursussen in

ons vak die ons vaderland arm

is. Het is zonder enige verandering

afgedrukt; de woorden

tussen haakjes zijn verbeteringen

van de leraar, die het werk

met het cijfer 74 beloonde en

het cursief gedrukte onderschrift

er aan toevoegde. Van

onze kant hebben wij hier niets

aan toe te voegen dan de verzuchting:

Hoe lang nog? Het

onlangs ingestelde toezicht op

de schriftelijke cursussen betreft,

naar wij menen, voorlopig

alleen het handelsonderwijs!

Ons vertrek

Het is 5 Februari. Wij hangen over •*

de reling van het troepenschip, starend

op de kade, die nu verlaten is.

Beneden verlaten de M.P.'s het schip.

De loopplanken worden binnengehaald

en de deuren in de scheepswand,

waardoor wij vanmorgen binnenmarcheerden,

worden gesloten.

Enkele mensen van de maatschappij

lopen nog haastig op de kade heen en

weer. Verder alles stil.

Ergens slaat een klok, twaalf slagen

klinken door de nachtelijke stilte. Een

der mannen op de kade blaast luide

op een fluit. Dit is het teken! De trossen

worden losgegooid. Nog even en

we raken los van de kade. Eerst tergend

langzaam, een halve meter, een

meter, maar steeds verder. Het begin

van de reis!

Langzaam verdwijnt de kade uit

het gezicht. Daar staat het hek, waarachter

vandaag nog vele familieleden

tekst is geslopen, — wellicht wordt

deze snel veranderd. Het „Ter herdenking

van de burgers, die op 7 Mei 1945

op de Dam gevallen zijn", dient te

worden gecorrigeerd in „Ter herdenking

aan "

Ja, de Nederlandse taal is niet makkelijk.

En er zijn nu eenmaal, ook in

ons mooie beroep, mensen, die graag

een beetje dik doen en niet vrij zijn

van eigenwijsheid.

Maar toch vraagt men zich af, of

op de redactie, waar zo'n verslag wordt

doorgegeven, niet iemand zit, die verstandiger

is en meer herinnering heeft

aan zijn schooluren Ned. taal.

v. d. B.

ons toewuifden. In gedachten zie ik

ze nog staan. Zwaaiend met zakdoeken,

anderen hadden oranje linten en

sommigen bliezen op een hoorn of

hadden grote houten borden bij zich.

Alles om ons een laatste afscheid toe

te wuiven. Ze lieten zich niet afschrikken

door het ongure weer en de bitter

koude wind, die hen door hun

kleding gesneden moet hebben. De

kade zinkt weg in het duister. Ik voel

iets in me opkomen. Bedwingen jongen,

wees flink. Ik zoek m'n hangmat

op en probeer een plaatsje te vinden

aan de zolderwand. We hangen allen

tegen elkaar, zij aan zij, ruimen vol.

's Nachts droom ik van een huilend

meisje en een bedroefde moeder.

We hangen weer over de reling. Het

is nu half vijf in de vroege morgen.

IJmuiden! Weer roepen de mensen op

de kade, ondanks de felle koude. Sommigen

hebben dekens om het lichaam

geslagen. Alle goeds wordt ons toegewenst.

Als het schip gaat varen hollen

zij nog mede, zolang ze maar kunnen.

Daar roept nog een moeder, zo luid

als zij maar kan: „Dag Jan, houdt je

goed hoor!" Haar jongen staat hier

tussen ons aan de reling. Zij roept die

woorden aan hem, maar het is mij

alsof ze voor ons allen bedoeld zijn.

Alsof al onze eigen moeders daar ook

staan, op het laatste stukje Holland

en ons toeroepen: „Dag, houdt je goed

hoor!" Ik zou namens ons allen willen

terugroepen: „We zullen ons goed

houden, we zullen laten zien wat we

waard zijn, wat er in,ons zit."

De mensen zwaaien nog met de armen,

maar het schip vaart medogenloos

verder. De mensen worden al kleiner

en kleiner... stipjes zijn het nu,

we zien ze al niet meer. De kust zakt

al dieper en dieper weg, tot ze zich

geheel oplost in de ochtendnevel die

over de rustige zee hangt. Ik groet u,

dierbaar Nederland!

Rondom ons is nu niets als (dan)

water, als (steeds) maar water. Het

schip klieft door de rustige zee met

zijn vier en twintig honderd soldaten

aan boord. Twee duizend hiervan waren

drie maanden geleden nog burgers.

Wij hebben het burgerleven

echter tijdelijk vaarwel moeten zeggen.

Het valt niet mee, maar het

moet.

Maar wij kunnen de toekomst met

open ogen tegemoet zien, omdat we

weten, dat velen in Holland, verlangend

naar onze terugkomst uitzien.

Wij zullen onze plicht doen (taak

verrichten), ook als het wel eens

moeilijk zal vallen. Het is onze plicht

tegenover volk en land van Nederland

en Indië.

TAAIE.

Heel goed. Zendt u het maar naar

de redactie van... Het lijkt me wel

iets voor dat blad.

Tracht bij de persdienst te komen

of bij de redactie van een soldatenkrant.

Maak verhalen van alle echte

avonturen. En veel succes!


HET LEVEN VAN TITUS BRANDSMA

A ukes' biografie van Titus Brandsma (uitgave Het

Spectrum te Utrecht) is het beheerste verhaal van

deze priester-martelaar. Het boek is vol van een rijk en

drukbezet leven, zowel van de hoogleraar als van wat de

schrijver noemt „de apostolische reiziger", van de geloofsgetuige

van de verzetsman.

Wat ons op deze plaats uiteraard het meest interesseert,

is Titus Brandsma als strijder voor de belangen van de

katholieke pers in Nederland. Daarover vinden wij inhoudrijke

bladzijden, die nochtans met honderd andere bijzonderheden

konden worden uitgebreid, ware de biograaf niet

gebonden wegens de omvang van zijn stof. Nu legt hij

zich beperking op en beschrijft Brandsma's grote contact

met de katholieke dagbladschrijvers, sedert zijn benoeming

in 1935 tot geestelijk adviseur van de toenmalige Ned. R.K.

Journalistenvereniging:

„Hij denkt er lang niet aan, Titus, dat dit podium een

schavot moet worden. En gaat aan de arbeid. Niet haastig

— met vlugge, zijdelingse blikken naar moraal en goede

zeden, — zo verstaat hij dit werk niet. Zijn adviseurschap

wordt een vaderschap, verworven in toegewijde arbeid, die

zich haast gretig keert naar de persoonlijke belangen van

de afzonderlijke journalist, niet minder dan naar de meest

algemene aspecten van dat prachtig beroep, waar hij volkomen

entre nous is, bij de gratie van zijn eigen verleden

en van eigen sociale bewogenheid. De geestelijk adviseur

blijkt een technisch adviseur van het eerste plan. In een

inleiding over de vorming der journalisten levert hij een

belangrijke bijdrage op een terrein, waarop Max van Poll

en anderen reeds werk van importantie hadden verricht.

Hij was eerder voorzitter geweest van de commissie tot

bestudering van de nieuwe vormen in journalistiek en interesseerde

zich daarbij vooral voor de betrekking van

pers tot radio. In de commissie tot verbetering van de

rechtspositie der Journalisten en in die tot opstelling van

een minimum-urj(itóe-program weert pater Titus zich

met al zijn organisatorische gaven; en — de naastbetrokkenen

getuigen het — tal van belangrijke formuleringen

in de verschenen rapporten zijn letterlijk van de geestelijk

adviseur zelf. In een ergens rustig reëel genoemde radiorede

zegt hij brede dingen over taak en plaats van de

katholieke pers, waaronder destijds zijn pleit voor het

goed recht der echt-gewestelijke en plaatselijke bladen

graag gehoord is. Dat Titus ooit op die zelfde plaats van

het apostolaat der pers gewaagde, lijkt pure noodzaak in

zijn mond. Vrijwel geen bestuursvergadering heeft hij

gemist, luidt het getuigenis ook in deze kring. „Zou er wel

een belangrijke plaats in ons land zijn, vraagt voorzitter

Geise, vier een een half jaar na pater Brandsma's benoeming,

waar hij niet geconfereerd heeft, of een vergadering

heeft bijgewoond, of gepleit heeft in het belang van ons

vak en van ons werk? Dat is geen arbeid, die aan de grote

klok gehangen wordt; maar ons bestuur kent die werkzaamheden

en weet, hoe vermoeiend en tijdrovend zij

zijn." De personalia van zijn nieuwe kudde lieten hem

nooit rust. Bezoldiging, rechtspositie van de individuele

journalist, werden gemakkelijk hartezaak van de adviseur.

Als het hier of daar al te erg was, ging hij er op uit naar

directie en commissarissen, om op verbetering aan te

dringen.

„Hij adviseerde zijn vrienden nog op de route van het

eeuwige; fris en eigen waren zijn methoden. Geen jaar­

Een boek vol kostbare herinneringen.

vergadering zonder Titus' H. Mis, en zijn speciaal op het

journalistenleven gericht priesterwoord. Hij organiseerde

in 1937 op de H. Landstichting een drietal enthousiast genoten

geestelijke dagen, met interessante rechtstreekse

toepassingen op de sfeer van het vak: Gods plaats in de

krant en op het bureau. Zachtmoedigheid en nederigheid

in de journalistiek, grenzen en eisen, en dergelijke prachtige

vondsten van de practische apostel."

T^\ eze karakterisering is even kort als krachtig. Wij zou-

'-^ den haar kunnen uitbreiden met het tragisch verhaal

over Titus' zending uit naam van de bisschoppen toen de

katholieke dagblad-directies en hoofdredacties eind 1941

door deze apostel voor de katholieke zaak werden aangespoord

tot volhouden tegenover de bezetter.

Aukes heeft zijn materiaal met ernst bewerkt en hij

gebruikte het als inleiding voor de beschrijving van het

martelaarschap, dat pater Brandsma wachtte.

Wat dit martelaarschap betekende, laat zich moeilijk

schetsen. Titus heeft het aanvaard, nadat hij de verantwoordelijkheid

van de leken op het terrein van de pers

op zich had genomen. Maar: „Pater Titus werpt zich niet

onder het zwaard van de beul. Hij is niet de martelaar

uit de legende, die op alle wijzen naar de bespoediging

van zijn eigen eind streeft. Hij zoekt zijn positie wel degelijk

zo gunstig mogelijk te belichten. Daar is hij een

nuchter man voor, en een man, die, als het God belieft,

nog veel goed werk denkt te doen hier beneden."

Toch leed pater Titus met vreugde voor de belijdenis,

eerst in Scheveningen, toen in Amersfoort, daarna in

Kleef en tenslotte in het kamp Dachau. Men kent de geschiedenis.

Aukes haalt in dit verband enkele getuigenissen

aan: „Titus was wel uitgeput, wel zeer zwak, maar

geestelijk bleef hij vitaal, altijd opgewekt. Hij was niet

klein te krijgen."

Toen heeft men de 61-jarige professor, die sterke geest

in dat.door veelvuldige ziekte gesloopte lichaam, aan het

werk gezet. Men weet, dat alles reeds uit publicaties, elders.

Dat werk werd in verschrikkelijke omstandigheden verricht;

Aukes zegt: „Dat werk heeft hem met de zekerheid,

doch niet met de barmhartige snelheid van guillotine of

vuurpeloton in enkele weken gedood." Men heeft er bij

gestaan, dat zo'n beest van een kerel de goede Titus met

zijn etenspannetje links en rechts om het hoofd sloeg, en

men zag, dat hij er een bloedende wonde van over hield.

„Als er één 'n martelaar was, dan Titus, meent een ooggetuige,

die zelf na afloop van deze afschuwelij kheden

Titus' bebloede gezicht afveegde."

Bij deze vluchtige aanhalingen moeten wij het laten.

Aukes, een verre verwant van pater Brandsma, tevens zijn

nabije medewerker in de Nijmeegse jaren, heeft in dit

boek de nobele figuur van Titus Brandsma opnieuw tot

leven gebracht. Geen journalist mag deze biografie ongelezen

laten; hij vindt er de beste van ons allen in terug

en moet zich dan wèl realiseren, dat de katholieke pers

een kostbaar en onvervreemdbaar goed is. Een voorname

en strijdlustige figuur als prof. Brandsma heeft er zijn

leven voor over gehad. Vergeten wij dat nooit. v. O.

9


PSYCHOLOCIE VAN HET PLAATSELIJK BLAD

Het aantal plaatsen in ons land

waar kleine dagbladen verschijnen, is

niet zo onbeduidend als het ogenschijnlijk

lijkt. Alles bijeengerekend

kan men ongeveer aannemen, dat 80%

onzer lezende landgenoten dagelijks

toch van minstens drie a vier rubrieken

der plaatselijke pers kennis nemen.

De kleine krant bleef ook na

de oorlog algemeen in ere, zelfs al

grijpt de „bovenlaag" van het lezend

publiek aan de kiosken het eerst naar

zijn „grote" krant. Ieder hunner demonstreert

daar enigszins zijn culturele

of politieke standing mee.

De mening, dat het grote dagblad,

gezien de brede verspreiding ervan,

als meest-toonaangevend beschouwd

. dient te worden, is volgens bovenstaande

beschouwing niet overeenkomstig

de feiten. Overziet men de

„spreiding" der plaatselijke bladen,

die meestal ook als „streekblad" verspreid

worden, en houdt men daarbij

rekening met de veel grotere intensiteit,

waarmee zij gelezen worden, dan

kan in 't algemeen moeilijk anders

geoordeeld worden, dan door de grote

adverteerders gedaan wordt. Deze zullen,

naast hun landelijke reclame,

steeds een minstens even beduidend

bedrag besteden aan advertenties in

de plaatselijke pers. Het is deze juist,

die hun aanbiedingen in de familiekring,

in de rustige huiskamers

brengt. De „boulevard"- en AKObladen

brengen het maar zelden zover.

Het is dit individueel „indringingsvermogen"

van het plaatselijke blad,

dat het zo interessant maakt voor

een psychologische beschouwing. Met

name in ons land, waar het in geringere

mate dan in den vreemde, blootstaat

aan niet- of neven-journalistieke

invloeden. Het is minder dan bijv. in

Amerika en Engeland of evengoed in

België en Frankrijk, als speculatieof

reclame-object m handen van politieke

of financiële groepen. Ten onzent

is het nog steeds, uitzonderingen

daargelaten, in de sfeer der zuivere

berichtgeving, der eigenlijke nieuwsverspreiding

gebleven. Toch is de

plaatselijke pers, in het voetspoor der

grote dagbladen, over 't algemeen iets

meer op het terrein der speciale reportages

terechtgekomen, dan haar

eigenlijk past. Juist deze speciale reportages,

met hun vaak bedekt-subjectieve

strekking, kunnen de plaatselijke

pers zo licht doen afglijden

naar die gevaarlijke hellingen van

een zekere ondergeschiktheid aan bijkomstige

belangen, die haar licht uit

de zuiver-journalistieke koers trekken.

Voor een plaatselijk blad geldt immers

sterker dan voor enig ander poriodiek

de eis: volstrekt zichzelf te

blijven.

Allerminst dient de kleine krant

zich te gedragen als een verlengstuk

van de grote dagbladen. Haar ver­

10

Hartslag-meten van het streekleven

dienste bestaat er niet in, nogmaals

het nieuws van de vorige dag onder

de aandacht van haar lezers te brengen;

evenmin zoiets als een vertraagde

film te projecteren, van hetgeen

zich de afgelopen 24 uur in een bepaalde

plaats aan kleine feiten en

mutaties voordeed. De tijd, in welke

het gezin van oud tot jong het wereldbeeld

in de verkleinende spiegel van

zijn krantje zag, is volstrekt voorbij.

Echter kan men nog aan verscheidene

der plaatselijke bladen bemerken, dat

zij in een overgangs-toestand verkeren,

waarin nog sporen van het verleden

zichtbaar zijn! Zij beginnen de

oude gemoedelijke sfeer van het

„stadskrantje" wel te ontgroeien,

maar in de nieuwe, psychologisch zo

veranderde situatie van de nieuwe

tijd hebben zij hun basis nog niet gevonden.

Daarom lijkt het niet van belang

ontbloot, enkele richtlijnen te

schetsen, waarlangs de plaatselijke pers

ten onzent tot kloeke opbouw komen

kan van haar principiële organisatie,

binnen haar eigen milieu. Zeker kan

zij daarbij ook lering trekken uit de

publicatie-methoden, die het buitenland

momenteel in de practijk brengt

op het terrein der plaatselijke dagbladen.

Wij volgen daarbij niet het

voorbeeld van een geachten collega, die

niet zo heel lang geleden aanbood, de

redactie van een periodiek op zich te

nemen. Hij wenste dit geheel te redigeren

„in Amerikaanse stijl", blijkbaar

ter aanbeveling van zijn kwaliteiten.

Dit is, zoals het niet moet!

Men voelt de fout, die deze reporter

maakte: het eigene van het plaatselijke

blad werd verloochend terwille

van een bepaalde mode. Een krant, en

wel het allerminst een plaatselijk blad,

is geen hoed, die men het ene seizoen

zus stoffeert en het andere seizoen zo.

Het dient te zijn: een zelfstandige

onderneming op het gebied der publiciteit,

met een onafhankelijk, eigen

karakter, zowel cultureel, als in haar

commerciële existentie.

Bij de ontplooing van dit eigen wezen

in de nieuwe tijd, komt het ten zeerste

aan op vastheid van leiding, in het

plaatselijke blad. Funest als plaatselijk

verschijnsel werkt het zogenaamde

„kop-blad", dat men gezien zijn ontwikkeling,

in vele gevallen eerder een

„voetvaag-blad" zou kunnen noemen.

Terwille van de actualiteit en (van een

ten deze misplaatste!) economie, mist

het kopblad ten enenmale die typische

sfeer en instelling, die voor een plaatselijk

blad juist karakteristiek zijn.

In concurrentie met een goedgeleid

plaatselijk blad (goedgeleid: redactioneel

zowel als commercieel) zal geen

enkel kopblad werkelijk aan „de kop"

kunnen komen. Het kan alleen kunstmatig

in stand blijven door te parasiteren

op het „rompblad", welks onzalig

uitvloeisel het is. Evenzo is het niet

twijfelachtig hoe de strijd zal aflopen

tussen een goedgeleid plaatselijk blad,

dat zich op algemeen-stedelijk standpunt

stelt en de „sectarische bladen",

welke gewoonlijk mede om een plaats

worstelen in onze Nederlandse volksgemeenschap.

De practijk bewijst dat

enkele, nationaal-optredende, politieke

of kerkelijke organisaties wel landelijke

publiciteits-organen kunnen onderhouden.

Maar plaatselijk is dergelijke

organen gewoonlijk een kort bestaan

beschoren en tegenwoordig ziet men

ze bijna overal nog slechts als kopbladen

te voorschijn komen.

Het plaatselijke blad heeft ten deze

reeds in de karakteristiek van zijn

opzet een voorsprong. Deze kan het

steeds vergroten door „karakteristiek"

te blijven, door de plaatselijke belangen

zo nauwgezet te dienen op journalistiek

terrein, dat ook dogmatisch

of politiek gespecialiseerde lezers de

objectiviteit van het blad, als een volstrekte

overbrugging van het verschil

in denkwijze, aanvaarden én waarderen!

De „karakteristiek", alsmede de

objectiviteit van het plaatselijke blad

wordt voornamelijk tot stand gebracht

en in stand gehouden door één persoon:

door een all-round hoofdredacteur.

Nu erkennen wij dadelijk dat

het in een betrekkelijk klein land als

het onze onmogelijk is, om aan elk

plaatselijk blad een all-round hoofdredacteur

te verbinden. Daarvoor beschikken

we over te weinig van dergelijke

lieden! De bladen die zulk een

best lot niet trekken, moeten zich helaas

met minder vergenoegen, óf hun net

zó breed uitzetten, dat er toch eenmaal

zulk een zeldzame vogel invliegt.

De gelukkige directies, die over een

all-round hoofdredacteur de beschikking

kunnen krijgen, doen het best

hem zoveel mogelijk vrijheid van handelen

te geven. Niet in die zin, dat hij

zonder „mandaat" of richtlijnen zou

moeten werken, maar zó: dat hij inzake

de karakteristiek van de redactie,

in het blad volle bewegingsvrijheid

heeft en behoudt. Men legge hem geen

commerciële normen in de weg, als:

het ontzien van de ene categorie lezers,

of: het „opluisteren" van de andere.

In minimum van tijd is het blad dan

de prooi van een lezers-coterie, hetgeen

zich vrij snel demonstreert in een

dalend abonnementental. Zo ergens

nog zulk een „vooroorlogse" politiek

gevoerd wordt door een plaatselijk

blad, kan het er zeker van zijn, dat

het vonnis daarover in die politiek zelf

vervat ligt. Afsluiting van bepaalde

levensterreinen binnen kleine plaatsen

heeft tengevolge, dat de algemene belangstelling

voor een zo te werk gaand

blad koudweg wordt omgebracht.

A. J. D. VAN OOSTEN

(Slot volgt.)


JOURNALISTIEK JOURNAAL

Hun vakopleiding.

De Indonesische journalisten-bond

zal aan het eind van deze maand een

spoedcursus in de journalistiek openen,

welke ongeveer twee weken in

beslag neemt.

Het leerplan omvat o.m. interviewlessen,

geschiedenis van de pers in

binnen- en buitenland, nieuwsverspreiding,

persvrijheid en persdelicten.

't Doét ons een beetje denken aan

de burgemeesterscursussen van de

N.S.B. (N. Haagse Crt.)

Onze vakopleiding.

Wij kregen eens een brief van een

jongeman, die zich „gediplomeerd

journalist" noemde. Het geval was in

méér dan één opzicht wat zonderling:

voor het beroep van journalist bestaan

geen wettelijke normen en daarom is

de omschrijving „gediplomeerd journalist"

even dwaas als b.v. „gediplomeerd

aannemer"; maar bovendien was de

brief zo erbarmelijk gesteld en bevatte

hij een dusdanig aantal vergrijpen

tegen de Nederlandse taal, dat wij ons

in verbazing afvroegen, wie in hemelsnaam

deze knaap het brevet had

uitgereikt, waarop hij zich zo trots

beriep. Daar het geval ons interesseerde

vroegen we hem, of wij zijn

diploma eens mochten zien. Twee

dagen later kregen wij het document

aangetekend toegezonden. De man

had niets te veel geschreven. Het was

een getuigschrift, uitgereikt door een

instituut voor schriftelijk onderwijs,

gevestigd in een Gelderse stad, waar

duidelijk op stond vermeld dat 'de bezitter

de lessen in de journalistiek

met vrucht had gevolgd. Het ding was

fraai gedrukt in verschillende kleuren

en voorzien van enige sierlijke handtekeningen,

geen wonder dat de bezitter

er erg mee in zijn schik was.

De opleiding bleek één hele winter te

hebben geduurd en ƒ50 te hebben

gekost. (Heerenveense Koerier)

Inkt in onze aderen.

Een van onze Amerikaanse collega's

Richard J. Lewis, die het comité uit

Albany vergezelde, was zo vriendelijk

voor ons blad zijn indrukken over de

Nederlandse verslaggevers weer te

geven.

Travelling in The Netherlands with

the Albany Committee for Nijmegen,

primarily as a news reporter, and'

secondarily as a "social" member of

that committee, I have been struck

by a variety of pleasant experiences.

In Amerika the "gentlemen of the

fourth Estate" are, at times, inclined

to show a brashness that would shock

the most hardened newspaperman of

your country.

The quiet self-control of the Dutch

newspapermen was exhibited in startling

measure at a pressconference

upon the arrival in Nijmegen of the

Albany committee. To me, as an

American reporter, little was said of

note in more than 90 minutes of discussion.

Nonetheless, the same politeness

of the more than 15 members of

the European press was not disturbed.

Since that first meeting with the

"Foreign" members of my profession,

I have come to know them more

intimately. We have "knocked about"

together and had fine times. Now,

upon the evening of my departure

from Nijmegen, I can unqualifiedly

state that, like reporters in America,

the men who report the news here,

have veins flowing with printer's ink,

a quality that makes a reporter a

man, and worth his salt.

(Groot-Amhem)

Katholieke Wereldpost

en de bezetter

Belangrijke documenten, die de

Sicherheitsdienst over de Katholieke

Kerk in Nederland had verzameld, zijn

kort voor de bevrijding, in September

1944, naar Duitsland overgebracht.

Maar dank zij de opsporingsijver van

het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie,

zijn reeds enkele dossiers

achterhaald en naar ons land teruggebracht.

Zij staan nu ter beschikkingvan

de Nederlandse autoriteiten. Drs. L.

de Jong, chef van het Rijksinstituut,

was zo vriendelijk, deze stukken ons

ter inzage te geven en toestemming te.

verlenen, daaruit een en ander te

publiceren.

In ons orgaan kunnen wij volstaan

met de vermelding, hoe het „De katholieke

Wereldpost", het bekende persbureau

van wijlen collega Hein Houben,

is vergaan... Dit persbureau werd gezien

als een der staatsvijandige ondernemingen,

van wat toen heette het

„politiek katholicisme" in Nederland.

Daarover had de S.D. een dossier aangelegd

van meer dan 30 getypte bladzijden,

waarin natuurlijk op de eerste

plaats werden gesignaleerd de leidende

figuren, als dr. Hein Houben en rector

van Lierop, die beiden dan ook spoedig

gevankelijk werden weggevoerd, om

niet meer levend terug te keren.

Ook over de medewerkers van dit

Persbureau had men „bezwarend"

materiaal verzameld." Het was alles

streng vertrouwelijk gesteld. J. P. J.

Asselbergs zou staan in dienst van de

Secret Service, wijlen prof. dr. J. Hoogveld

heette in een protocol van het

verhoor „ten zwaarste belast", eveneens

F. Ballhorn uit Breda en K. Urban

uit Den Haag was „vermoedelijk

een Engelse verbindingsman". Wijlen

collega rector van Lierop stond genoteerd

als verbindingsman voor Duitse

berichtgeving, Hein Houben als de

intiemste vriend van pater Muckermann,

„slaafs verbonden aan het

Vaticaan en onderdanigst dienaar van

bisschop Hopmans te Breda". „Hij

reisde alle bereikbare bisschopszetels

af" ...

Zo'n enkel krantje per dag.

De Amerikanen en Canadezen hebben

in het afgelopen jaar tezamen

voor een bedrag van bijna 890 millioen

dollar uitgegeven voor dagbladen. Dit

is te New York bekend gemaakt dooide

Amerikaanse vereniging van dagbladuitgevers.

Van dit bedrag namen de Canadezen

bijna 44 millioen dollar voor hun

rekening. (Alg. Dbl.)

Ter gelegenheid van de voetbalwedstrijd Nederland—België bood de

Nederlandse Sportpers in Hotel Victoria te Amsterdam de Belgische

sportcollega's een lunch aan. (Foto Alg. Holl. Fotopersbur)

11


MEDEDELINGEN VAN HET

BUREAU DER FEDERATIE.

Ledenlijst N.D.P. 1945. Van het

secretariaat van „De Nederlandse Dagbladpers

1945" is een bijgewerkte

ledenlijst dezer vereniging ontvangen,

welke voor de leden der Kringen op

het Secretariaat der Federatie ter

inzage ligt.

Waarschuwing. Alvorens in te gaan

op een uitnodiging van de heer Bruno

Mylen uit Stockholm tot het leveren

van foto's en/of artikelen voor Zweedse

en andere bladen stelle men zich in

verbinding met het Secretariaat der

Federatie, N..Z Kolk 28, Amsterdam-C,

tel. 46910.

Een telegram uit Java

De N.J.K. en de K.N.J.K. ontvingen

het volgende telegram uit Java:

„Ondergetekenden deel uitmakende

van een Nederlands reisgezelschap

dat begin April een rondtocht door

het binnenland van Java heeft gemaakt

brengen op verzoek van de

Journalistenvereniging Malang onderstaande

boodschap over aan de Nederlandse

Journalisten. Brengt onze groeten

over aan onze collega's in uw land

en laat ons als twee vriie volken

samenwerken rondborstig als twee

ridders, die beiden een zuiver en rein

hart hebben. Met een doel voor ogen

de zwakke te helpen en elkaar te versterken.

Malang, 10 April 1947, Journalistenvereniging

kring Malang. Deze

boodschap werd het Nederlandse reisgezelschap

aangeboden na een tournee

door het binnenland. Het door ons

bereisde gebied maakte een rustige en

ordelijke indruk. Gedurende de tournee

kregen de waarnemers de indruk

dat de nationale en sociale gedachten

belichaamd in de Republiek steunen,

op en gestuurd worden door groeperingen

waarvan de kracht en omvang

groter is dan. veelal in Nederland

verondersteld wordt. Het Nederlandse

reisgezelschap constateert voorts dat

de voorlichting in de Nederlandse pers

dienaangaande, alsmede omtrent het

consolidatie-stadium waarin de Republiek

zich bevindt in het algemeen

nog onvoldoende is, zoals ook de van

Indonesische zijde omtrent Nederland

gegeven voorlichting onvoldoende moet

worden geacht. Indruk werd gewekt

dat men bereid is tot hernieuwde

samenwerking met Nederland mits

deze samenwerking uitgaat van het

beginsel der gelijkwaardigheid en

gelijkgerechtigheid der beide volken.

Prof. dr R. F. BEERLING

Mr A. M. H. BONGAERTS

C. DE KONING

O MEULEMAN

Mr M. M. VAN POLL."

Aan Prof. Beerling c.s. werd door

de Federatie een telegrafisch antwoord

gezonden waarin tevens verzocht

werd een boodschap met groeten

aan de Journalistenvereniging Malang

te willen overbrengen.

12

Hoe heet onze Federatie? Aangezien

hieromtrent bij sommige leden misverstand

blijkt te bestaan, wordt de aandacht

er op gevestigd, dat de juiste

benaming van het federatief verband,

waarin N.J.K. en K.N.J.K. samenwerken,

luid*: Federatie van Nederlandse

Journalisten (niet: Federatie van

Nederlandse Journalistenkringen).

Persconferentiecommissie. Verzoeken

om advies aan de Persconferentiecommissie

van N.D.P. en Federatie betreffende

de wenselijkheid van het al of

niet aannemen van uitnodigingen tot

het bijwonen van persconferenties, ex

cursies enz., richte men uitsluitend tot

het Secretariaat der Federatie van

Ned. Journalisten, N.Z. Kolk 28,

Amsterdam-C.

Critiek.

The paper situation in the Netherlands

is none too good. Delivery from

Sweden will be much smaller than

was expected. It is chilly consolation

that the newspapers are somewhat

larger than last year. But it is remarkable

how one becomes accustomed to

anything. Now we find a six-page

edition "thick". Before the war a

twelve-page issue was "thin".

Nevertheless, this necessary limitation

has its good points (Heaven

deliver me from the anger of my

colleagues). In accordance with an

old proverb, perhaps this limitation

will provoke skill — the ability to absorb

what is written on four pages,

as well as to condense well enough to

put all one's material into that amount

of space. England could teach us a

thing or two in this respect. Its

papers certainly made the most of

their allotted space. The Daily Express

certainly managed to plunge

its 3i million readers into plenty of

mystery and crime sensations.

The Dutch press has not been able

to imitate this by any means, I note

with fraternal regret. Looking at

our press as a whole, it has definitely

retrogressed. The reason: the human

element; too many inexpert and incompetent

writers are now called

"journalists". Remarkable is the

fact that even available journalists

are not always "used". The brilliant

J. H. Boas — well-known to Knickerbocker

readers — is the London correspondent

of the Maasbode. But we

seldom find his articles in that paper.

Having mentioned its name we

should like to add that in our opinion

the Maasbode has retrogressed sadly.

In the category of Catholic newspapers,

is has long been overshadowed

by the Tijd (under the editorship of

the brisk P. J, Kerstens). The Volkskrant

is also on a higher level. Its

editor-in-chief, Lücker, learned the

trade in the employ of the Telegraaf.

The Nieuwe Courant (formerly the

Vaderland) has also become a fine

publication, under the editorship of

Gerard Polak Daniels, of the "old

guard." There are also excellent provincial

papers. Now that all the

papers are published in the same form

and size the quality of their editor­

ship shows up much more clearly.

Many of the big papers undoubtedly

have given way to the smaller ones.

But we will mention no names. That

would be painful for some of the

larger ones. And we believe in reverence,

even in journalism.

(Knickerbocker Weekly)

De V.N. en de persvrijheid.

Het is een merkwaardige samenloop

van omstandigheden, dat de sub-commissie

voor persvrijheid van de Ver.

Naties is ingesteld op hetzelfde ogenblik,

dat een rapport verscheen omtrent

de persvrijheid in de Verenigde

Staten, samengesteld door een commissie

van dertien geleerden, die

gedurende drie jaren een studie van

de Amerikaanse perstoestanden hebben

twaalf leden bestaat, dr. G. J. van

Heuven Goedhart verkozen. Behalve

de grote vijf, hebben hierin verder

vertegenwoordigers van Panama, Uruguay,

Tsjechoslowakije, Canada, Noorwegen

en de Philippijnen zitting. Vertegenwoordiger

van de Sowjet-Unie is

J. M. Lomaken, plaatsvervangend chef

van de persafdeling "van het Russische

departement van buitenlandse zaken.

De Ver. Staten zullen worden vertegenwoordigd

door prof. Zacheriah

Chaf ee, die voor het . in de aanhef

vermelde rapport omtrent de persvrijheid

in Amerika een groot deel

der verantwoordelijkheid draagt, daar

hij als vice-voorzitter van de betrokken

commissie fungeerde. Met deze

keus hebben de Ver. Staten dus laten

blijken er toe te willen medewerken

het probleem in al zijn omvang te

stellen.

De sub-commissie, voor welker eerste

vergadering de datum en plaats

van samenkomst op het ogenblik, dat

wij dit schrijven nog niet bepaald

zijn, doch die wel spoedig aan het

werk zal gaan, zal nu moeten beginnen

met na te gaan „welke rechten,

verplichtingen en practijken ,het begrip

vrijheid van voorlichting zal dienen

te omvatten". Een grote taak, die

neerkomt op het uitwerken van een

internationale gedragscode voor de

pers. Het betekent het overbruggen

van ideologische tegenstellingen zowel

als het ontwerpen van een dam tegen

ongewenste influencering van de pers

door machtige belangengroepen. Het

welslagen van deze onderneming zou

een belangrijke stap zijn in de richting

van geestelijke ontwapening.

(N.R.C.)

„Oud" en „nieuw".

De directie van „De Noordhollandse

Courant" en het stichtingsbestuur van

de „Vrije Hoomse Courant" hfebben

besloten in het vervolg samen te werken.

Een onaangenaam tijdperk in de

Westfriese krantengeschiedenis behoort

hiermede tot het verleden.

(Trouw)

N.V. DE ARBEIOERSPEfiS • AMSTERDAM

More magazines by this user
Similar magazines