Cahier 4 - Oxfam-Solidariteit

oxfamsol.be

Cahier 4 - Oxfam-Solidariteit

Geen vergiftigd geschenk.Sociaal investeren!

Waardig werk. Wij staan er op!

oxfamcahier JUNI 2005 NUMMER 4

Foto: Tineke D’haese

• Rijke landen vormen investeringen om in eigenbelang

• Investeringsakkoorden: ‘partnerschap’ op Europese maat

• De liberalisering van de kapitaalstromen

• De sociale wetgeving in het Zuiden: flexibiliteit voor alles


oxfamcahierJUNI 2005

2 oxfamcahier - juni 2005

➜ ➜

inhoud

4-5: Voorwoord . Investeringen zijn niet altijd zaligmakend

6-7: Investeringen uit het duister gelicht

Deel 1 Historiek van de investeringsakkoorden

8-9: Van Bretton Woods tot Doha - Het thema investeringen is al lang een bron van

discussies tijdens internationale onderhandelingen. Het voorstel voor het multilaterale

investeringsakkoord dat midden jaren ’90 op het internet verscheen, zorgde voor

internationale verontwaardiging.

10-12: Dogma’s en realiteit betreffende investeringen - Volgens de neoliberale

doctrine vormen investeringen – en in het bijzonder de directe buitenlandse investeringen

- een essentieel instrument voor de economische ontwikkeling van een land en

voor de groei van bedrijven. De realiteit toont echter aan dat investeringen niet noodzakelijk

leiden tot ontwikkeling.

13-18: Hoe rijke landen beperkingen opzij schuiven - Investeren is een grensoverschrijdende

activiteit die zou zorgen voor de groei van werkgelegenheid en ontwikkeling.

Maar fenomenen als delokalisatie of het sluiten van goed draaiende en

winstgevende bedrijven doen vragen rijzen over het doel van een investering.

19-22: De privé-investeerder legt zijn wet op - Internationale handelsakkoorden

worden meer en meer gekenmerkt door een macht die ze de overhand geeft op alle

andere akkoorden. Ze bevatten bepalingen over een geschillenregeling die aan een

rechterlijke instantie de macht geeft een staat te bestraffen op basis van aanklachten

ingediend door buitenlandse investeerders.

Deel 2 De Europese Unie en investeringsakkoorden

23-26: Investeringsakkoorden en voorschriften van Europa - Sinds 10 jaar onderhandelt de Europese Unie met een aantal

landen over bilaterale akkoorden en sluit ze vrijhandelsakkoorden met hen. Deze akkoorden gaan over drie van de vier zogenaamde

Singapore-materies: investeringen, concurrentiebeleid en handelsbevordering.

27-30: EPA of partnerschap op zijn Europees - Op het eerste gezicht lijkt dit een onschuldig letterwoord. Nochtans geven deze

drie letters de vastberadenheid weer van de Europese Unie om haar wetten op te dringen aan 77 landen in Afrika, de Caraïben en

de landen van de Stille Oceaan (ACP-landen), voormalige kolonies van enkele EU-lidstaten.



Deel 3 De liberalisering van kapitaalstromen

31-33: Speculatieve bewegingen en financiële crisissen - Investeringsakkoorden draaien de controle op kapitaal al te vaak

terug. Door gebruik te maken van de vrijheid van kapitaalstromen kunnen investeerders op verschillende manieren problemen

veroorzaken, met soms desastreuze gevolgen.

34-35: Delcredere beschermt tegen risico’s - De globale economie geeft concreet gestalte aan een maatschappijmodel

waarin competitiviteit voorrang heeft op samenwerkingsverbanden. En de vrijhandel primeert op een beschermende regulering

van de sociale en milieurechten.

➜ ➜

Deel 4 Sociale wetgeving in het Zuiden

36-40: De sociale wetgeving op de tocht in Centraal-Amerika - De maquilas zijn

het voorbeeld bij uitstek van de economische globalisering. Het zijn enclaves van multinationale

ondernemingen in een gebied waar goedkope arbeidskrachten voorhanden

zijn en waar bedrijven ongeremd kunnen genieten van fiscale en andere voordelen,

zoals belastingvrijstelling en gunstige wisselkoersen.

41-42: Analyse uit El Salvador - Rosalina Cornejo is medewerkster van Oxfam-

Solidariteit. Zij volgt de situatie van de maquila-arbeidsters al jaren op de voet. We

polsten haar over de recentste ontwikkelingen inzake arbeidsrechten en de flexibilisering

van de arbeidsnormen in de textielindustrie in Centraal-Amerika.

43-44: De Wereldbank en investeringen - Volgens een rapport van de Wereldbank

is het verbeteren van het investeringsklimaat fundamenteel voor de economische

groei en het bestrijden van de armoede in Centraal-Amerika.

45-47: Cuba, een andere manier van investeren - Cuba zorgt ervoor dat buitenlandse

investeringen ten goede komen aan de ontwikkeling van het land én ten goede

komen aan de Cubanen. Dankzij deze aanpak kan het land zowel economisch als

sociaal een stap vooruitzetten.

Deel 5 Een ander investeringsmodel

48-52: Meer zelfbeschikking voor de staten - De Wereldhandelsorganisatie reguleert de activiteiten van privé-ondernemingen

en investeerders niet, integendeel, ze dereguleert ze. Ze beperkt de macht van de staat, de regio’s en de gemeenten. En ze

geeft alsmaar meer ruimte aan het privé-initiatief, dat wil werken in een context van vrije concurrentie, niet gestoord door fiscale

en sociale regels of door een milieuwetgeving.

53-54: De Millenniumverklaring, arbeid en investeringsakkoorden - Arbeid wordt heel beperkt vermeld in de VN-

Millenniumdoelstellingen die, onder meer, de armoede willen halveren tegen 2015. Toch is arbeid een doorslaggevende factor in

de strijd tegen armoede. Investeringsakkoorden hebben dan weer gevolgen voor de arbeidsomstandigheden.

55-56: Campagne voeren, het vakantiewerk van Oxfam - Dit oxfamcahier over investeringen staat niet alleen, het maakt deel

uit van de campagne ‘Geen vergiftigd geschenk. Sociaal investeren! Waardig werk. We staan er op!’ De campagne werd opgebouwd

volgens een concept dat Oxfam-Solidariteit een drietal jaar geleden uitwerkte.

57-58: Voor meer informatie: websites en een literatuurlijst.

oxfamcahier - juni 2005

3


DEEL

1

4 oxfamcahier - juni 2005

Voorwoord

➜ ‘Economische groei’

Investeringen zijn

niet altijd zaligmakend

, het is de toverformule van het neoliberale beleid, het is de oplossing voor alle problemen.

Het blijkt een mythe: op wereldvlak komt die groei er niet. Na 20 jaar neoliberaal beleid ligt de eco-

nomische groei lager dan in de periode tussen 1960 en 1980. Trouwens, hebben we in het rijke

Noorden nog wel groei nodig?

Onze groei bereiken we op de rug van het Zuiden. We delokaliseren. We vestigen onze productieafdelingen

daar waar arbeid het goedkoopst is en waar de markt niet belemmerd wordt door sociale bepalingen en milieunormen.

Globalisering betekent vandaag dat we waar ook ter wereld de beste voorwaarden scheppen om ónze

concurrentiepositie te handhaven. Kortzichtig en zonder toekomstvisie.

Ook als het gaat over de ontwikkeling van het Zuiden is het sleutelwoord vandaag ‘investeringen’. Alle sectoren

komen in aanmerking: landbouw, industriële productie, de diensteneconomie,… Investeringen kunnen

nodig en nuttig zijn. Investeringsregels worden echter vertaald in wetteksten die alleen de belangen van het buitenlandse

bedrijf beschermen. Het ontvangende land krijgt geen middelen aangereikt om de investeringen in

lijn te brengen met zijn ontwikkelingsbeleid. Dit betekent het tegenovergestelde van ontwikkeling. En toch, het

is de strategie van de Europese Commissie.

De keerzijden van investeringen - De landen uit het Zuiden bieden investeerders steeds meer voordelen.

Investeringen zorgen voor een kapitaalsinjectie in hun land, maar de gevolgen op lange termijn zijn niet zo positief.

De voordelen van de investeerders hebben een keerzijde: ze impliceren vrijwel altijd een uitholling van de

soevereiniteit van de nationale staten en van de sociale wetten, de arbeidsrechten en de milieureglementering.

Bovendien tonen talrijke studies én de praktijk aan dat investeringen niet automatisch leiden tot ontwikkeling.

Het probleem ‘armoede’ is ondertussen verwezen naar een speciaal departement, ‘armoedebestrijding’. De

eurocommissaris voor Ontwikkeling – waarschijnlijk de laatste die er zal zijn - mag zich nog alleen bezighouden

met humanitaire interventie. De instrumenten om een heus ontwikkelingsbeleid te voeren, berusten bij de eurocommissaris

voor Buitenlandse Zaken en Buitenlandse Handel. Maar of dat zal helpen om de

Millenniumdoelstellingen te halen, zodat er in 2015 ‘nog maar’ 750 miljoen armen moeten leven met minder dan

1 dollar per dag, dat is nog maar de vraag.

Campagne investeringen en arbeidsvoorwaarden - Om de investeringsmythe te doorbreken start Oxfam-

Solidariteit in 2005 een campagne rond investeringen en de gevolgen voor de arbeidsomstandigheden. We willen

duidelijk maken dat investeringen, ondanks alle mooie woorden, niet altijd zaligmakend zijn. Met de slogan

“Geen vergiftigd geschenk. Sociaal investeren! Waardig werk. We staan er op!” trekken we het land rond. Dit

oxfamcahier is een leidraad voor onze campagne. Het bevat theoretische analyses, voorbeelden uit de praktijk

en getuigenissen van onze partners in het Zuiden.


De campagne staat niet los van de inspanningen die ngo’s vandaag wereldwijd leveren om de internationale

gemeenschap te herinneren aan de beloften gemaakt op de VN-Millenniumconferentie in 2000. Tijdens deze

conferentie ondertekenden regeringen en internationale instellingen de Millenniumverklaring en beloofden ze de

armoede tegen 2015 te halveren. Ondertussen zijn we vijf jaar verder. Als de regeringen niet snel met veel extra

geld over de brug komen, zal ook deze verklaring dode letter blijven.

De Millenniumdoelstellingen - De band tussen het investeringsdebat, arbeid & arbeidsomstandigheden en

de Millenniumdoelstellingen wordt verder in dit oxfamcahier van nabij bekeken. Arbeid is een essentiële factor

in de strijd tegen armoede. Het is het instrument bij uitstek om mensen te integreren in de maatschappij. In de

Millenniumverklaring staat echter omzeggens niets over arbeid. Met haar campagne naar het grote publiek en

naar de politieke verantwoordelijken wil Oxfam-Solidariteit dan ook heel duidelijk stellen dat de

Millenniumverklaring dringend aan een herwaardering naar boven toe is. Er moet veel meer aandacht gaan naar

het scheppen van arbeid en naar correcte arbeidsomstandigheden.

De investeringsakkoorden die vandaag op de agenda staan en die we in dit oxfamcahier onder de loep nemen,

bewerkstelligen net het omgekeerde. Ze leiden niet automatisch tot meer investeringen en liggen veelal aan de

basis van een verslechtering van de arbeidsomstandigheden. De voorbeelden zijn legio. De bijdrage over de

maquilapraktijken in Centraal-Amerika illustreert dit overduidelijk.

Indien de Millenniumdoelstellingen werkelijk op de agenda van onze beleidsverantwoordelijken staan, dan moeten

zij de investeringsakkoorden dringend aanpassen. Tijdens de VN-Millenniumtop in september 2005 zal

arbeid zeker aan bod komen. VN-secretaris-generaal Kofi Annan zei alvast dit over de sociale dimensie van globalisering:

“The best anti-poverty programme is employment and the best road to economic empowerment and

social well-being lies in decent work.” Hopelijk houden de Belgische regering en de Europese Commissie hier

rekening mee.


”De concurrentie is moordend, jammert de bedrijfsleider, ze concurreren ons kapot daar in het oosten en

het zuiden. Daar zijn de arbeiders tevreden met één vijfde van het loon. Wat zei ik? Eén tiende! En hier? Hier

willen ze steeds meer. En hoeveel denkt u wel dat ik betaal aan Sociale Zekerheid? En zij? Daar? Niks. Daar

staan er miljoenen te smeken om te mogen werken. Neen, ik kan er niet tegenop concurreren.” Het klopt, die

van hier kan nooit winnen tegen die van daar. Bovendien is protesteren streng verboden. De concurrentie

moet en zal zuiver zijn. Je arbeiders hongerlonen betalen om je product lager te kunnen prijzen, dat is eerlijke

concurrentie. Je arbeiders laten stikken als ze ziek worden, dus geen sociale zekerheid betalen, dat is eerlijke

concurrentie. Welke mistoestanden moeten we met wortel en tak uitroeien als we de zegeningen van de

vrije concurrentie willen smaken? Staatsspoorwegen die ervoor zorgen dat de treinen op tijd aankomen tot in

de kleinste stationnetjes. Weg ermee. Een post die als staatsinstelling ervoor zorgt dat de postkantoren tot

in de verste dorpen elke dag open zijn. Weg ermee. Een overheid die zorgt voor een goede ziekteverzekering

en zodoende de wolven van de privé-verzekeringsmaatschappijen klem zet. Weg ermee! Schande!

Concurrentievervalsing! Staatsterreur !”

Geert van Istendael in Mo*, april 2005, p.66.

Xavier Declercq,

directeur Mobilisatie Oxfam-Solidariteit

DEEL

1

oxfamcahier - juni 2005

5


6

DEEL

1

oxfamcahier - juni 2005

Belang van investeringen

De investeringen

uit het duister gelicht

XAVIER DECLERCQ, directeur Mobilisatie Oxfam-Solidariteit

WEINIGEN ZIJN ZICH BEWUST VAN HET BELANG DAT INVESTERINGEN HEBBEN IN DE WERELD-

ECONOMIE. HET THEMA HEEFT OOK VEEL MET NOORD-ZUIDVERHOUDINGEN TE MAKEN.

MEESTAL WORDT INVESTEREN ALS EEN SUCCESVERHAAL VOORGESTELD: ‘INVESTERINGEN ZIJN DE

BROODNODIGE KAPITAALSINJECTIE VOOR HET ZUIDEN EN TEKENEN DE WEG NAAR ONTWIKKELING’.

DE PRAKTIJK TOONT ECHTER DAT INVESTERINGEN MEESTAL AAN DE BASIS LIGGEN VAN DE UITHOLLING

VAN SOCIALE EN POLITIEKE RECHTEN EN NIET NOODZAKELIJK LEIDEN TOT ONTWIKKELING.

Dit cahier gaat over de wijze waarop investeringsakkoorden

tussen landen worden afgesloten, over de pogingen

om een ‘nieuwe mondiale economische grondwet’ te schrijven.(1)

We analyseren de manieren waarop de regeringen uit

het Noorden via deze akkoorden de belangen van hun multinationals

proberen te vrijwaren. Dit alles gebeurt onder het

motto van vrijhandel die de concurrentie zou stimuleren en

voordelig zou zijn voor de consument. Zelfs al is dat correct,

over welk soort consumptie en over welke consument hebben

we het dan? Over de 2,7 miljard mensen die onder de

armoedegrens leven en die niet eens aan consumeren toe

komen?

Het Zuiden aan het woord

Daarnaast bevat dit oxfamcahier ook getuigenissen van partnerorganisaties

van Oxfam-Solidariteit. Zij strijden elke dag

om te overleven, voor het recht om hun landbouwpolitiek zelf

te kunnen bepalen, voor waardige arbeidsomstandigheden,…

ook in de bedrijven van buitenlandse investeerders.

Zij zien, onder druk van de investeringsakkoorden, de lokale

sociale wetgeving afzwakken en de arbeidswetgeving

steeds verder flexibiliseren. Zij zijn getuige van een ‘race tothe-bottom’,

niet alleen op sociaal vlak, maar ook op het

niveau van milieuwetgeving. In dit oxfamcahier kijken we

vooral naar de impact die de akkoorden hebben op de lokale

sociale wetgeving, hoe vakbonden en andere organisaties

met deze problematiek te maken krijgen en hoe ze er op

reageren.

Recht van de sterkste

Vrijhandel is het alibi waaronder men de concurrentie tussen

de machtige multinationals probeert te organiseren. Dit

gebeurt binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en leidt

uiteindelijk tot het recht van de sterkste (of een aantal sterksten).

De VS en Europa proberen in de WTO – dat een toonbeeld

is van ondemocratische besluitvorming – de belangen

van hun multinationals te verdedigen ten koste van miljarden

mensen in het Zuiden. Het geheel wordt regelmatig overgoten

met wat ontwikkelingsretoriek, zoals de term ‘Doha-ontwikkelingsronde’

illustreert.(2)


Het ontbreekt het rijke Noorden aan een langetermijnvisie en

aan de politieke moed om op wereldschaal de noodzakelijke

economische en politieke afspraken te maken die de wereld

leefbaar moeten maken voor iedereen. De WTO heeft – net

zoals jaren vroeger gebeurde met de Wereldbank en het

Internationaal Monetair Fonds – ondertussen de legitimiteit

die ze had bij haar oprichting in 1995, zelf uitgehold.

Investeringen

en ontwikkelingssamenwerking

In België kreeg het investeringsdebat enige tijd geleden wat

aandacht. De Franstalige groene partij, Ecolo, vroeg informatie

over de bilaterale investeringsakkoorden die België

afsluit. Die info kreeg ze niet, ondanks herhaaldelijk aandringen.

Het ministerie van Economische Zaken weigerde inzage

te geven in de verdragen, omdat dat potentiële concurrenten

op ideeën zou kunnen brengen.

Ook op minder spectaculaire wijze komt het debat over

investeringen bij ontwikkelingssamenwerking terecht. In

2003, bij het aantreden van Marc Verwilghen (VLD) als minister

van Ontwikkelingssamenwerking, werd de impliciete visie

plots expliciet. De beleidsnota “Ondernemen tegen Armoede

en voor Ontwikkeling” luidde een nieuwe praktijk in. Voortaan

kan geld van de begroting voor ontwikkelingssamenwerking

gebruikt worden voor de reisonkosten van Belgische bedrijfsleiders

die in het Zuiden gaan uitleggen aan welke voorwaarden

een ‘goed’ investeringsklimaat moet beantwoorden.

De staat heeft al 35 jaar niet de politieke wil om 0,7 procent van

haar Bruto Nationaal Product aan ontwikkelingssamenwerking

te besteden. Blijkbaar zijn ngo’s ook niet in staat om het verschil

te maken met hun te kleine budgetten. De kloof tussen

Noord en Zuid, tussen rijk en arm, wordt steeds groter.

Volgt daaruit dan dat de verantwoordelijkheid voor ontwikkeling

in handen van de privé-onderneming moet komen?

Onder het adagium dat investeringen synoniem zijn voor

groei en jobcreatie en dat dit automatisch leidt tot ontwikkeling

en zelfs rechtvaardige, herverdelende ontwikkeling?

Worden bedrijven altruïstische instellingen die hun voornaamste

doelstelling, het uitkeren van winst aan aandeelhouders,

naar de achtergrond zullen schuiven? Zal een

bedrijf uit eigen wil plots verantwoordelijke ondernemerszin

hanteren gericht op ontwikkeling? De praktijk leert dat er

meer nodig is dan mooie intentieverklaringen.

Ondernemingen reguleren

Over investeringen praten, betekent fundamenteel de activiteiten

van ondernemingen reguleren. Daar wringt het

schoentje. Precies hierdoor ligt het debat zo moeilijk. Aan de

belastingbetaler kan je veel vragen, maar niet aan een bedrijf,

dan betreed je zeer glad ijs. Het debat rond de Tobintax is

een sprekend voorbeeld. Nochtans is de privé-sector een

bepalende factor in het debat en de praktijk van ontwikkeling.

Daarom willen we investeringen in het licht stellen: ooit

zal het beleid de politieke moed moeten vinden om bedrijven

te verplichten verantwoord te handelen. Sommige bedrijven

met een visie op lange termijn willen dat wel, maar durven de

stap niet zetten door het grote aantal concurrenten, voor wie

het doel de middelen heiligt.

Investeringen bij GATS- & EPA-gesprekken

Het thema investeringen is erg actueel. Op dit moment voert

de Europese Commissie op verschillende vlakken een offensief

rond dit onderwerp. In het kader van de GATS-onderhandelingen

– de Europese Unie (EU) heeft aardig wat comparatieve

voordelen tegenover de

VS in de wereldwijde slag om

de dienstensector – wil ze

absoluut de investeringsproblematiek

geregeld

krijgen. Via de WTO is

het vooralsnog niet

gelukt (zie p. 13 en verder),

maar dit betekent

niet dat de EU stil zit. Wat

niet op multilateraal vlak

geregeld kan worden, kan

misschien wel op bilateraal en

regionaal niveau doorgedrukt worden…

De staat heeft al

35 jaar niet de politieke

wil om 0,7 procent

van het Bruto Nationaal

Product aan ontwikkeling

te besteden.

Daar ligt vandaag de uitdaging in de gesprekken tussen 77

ACP-landen (landen uit Afrika, het Caraïbische gebied en de

Stille Oceaan) en de EU. Het oorspronkelijke Lomé-akkoord

van 1975 verglijdt steeds verder van ontwikkelingsakkoord

naar vrijhandelsakkoord. Sinds kort probeert Europa regionale

‘Economische Partnerschapsakkoorden’ (EPA’s) af te

sluiten met deze landen. Deze EPA’s zijn niet meer dan

kopieën van de WTO-blauwdrukken.

In het multilaterale forum WTO vormden belangrijke Zuiderse

landen een blok tegen de EU en de VS. Samen maakten ze

een vuist tegen de voorstellen van Europa om investeringen

te regelen. Maar bij de EPA-onderhandelingen staat de EU

sterker omdat grote Zuiderse landen zoals Brazilië, India, en

morgen China, niet mee aan tafel zitten. Verdeel en heers?

‘Power to decide’

We willen dit oxfamcahier eindigen met een aantal voorstellen.

Wij pleiten niet tegen investeringen, maar wel voor

akkoorden die het ontvangende land de mogelijkheid geven

zich te beschermen. Zij moeten bepalen in welke sectoren

en op welke voorwaarden investeringen al dan niet kunnen.

En deze beslissingen moeten het gevolg zijn van overleg met

de lokale betrokkenen. Vandaag zijn alle rechten en garanties

voor de investeerder en zijn alle plichten voor het ontvangende

land. Deze logica moet veranderen, rechten en plichten

moeten evenwichtig verdeeld worden.

(1) Renato Ruggiero, Algemeen Secretaris van de

Wereldhandelsorganisatie tussen 1995 en 1999.

(2) Genoemd naar de vijfde Ministeriële Conferentie in Doha, Qatar, in

december 2000, waarvan de beslissingen worden voorgesteld als

ontwikkelingsdoelstellingen voor het Zuiden.

DEEL

1

oxfamcahier - juni 2005

7


DEEL

1

8 oxfamcahier - juni 2005

Van Bretton Woods tot Doha

De wortels van

het investeringsdebat

XAVIER DECLERCQ, directeur Mobilisatie Oxfam-Solidariteit

HET THEMA INVESTERINGEN IS AL DECENNIALANG EEN BRON VAN HEVIGE DISCUSSIES TIJDENS

INTERNATIONALE ONDERHANDELINGEN, MAAR OOK DAARBUITEN. HET VOORSTEL VOOR HET

MULTILATERALE INVESTERINGSAKKOORD DAT MIDDEN JAREN ‘90 OP HET INTERNET VERSCHEEN,

ZORGDE VOOR INTERNATIONALE VERONTWAARDIGING.

In 1944 werden in Bretton-Woods het Internationaal

Monetair Fonds en de Wereldbank opgericht als instellingen

van de internationale economie. (1) Het was de bedoeling om

ook een Internationale Handelsorganisatie (ITO) op te richten,

maar die onderhandelingen waren nog niet afgerond.

In 1947 werd het GATT, het General Agreement on Tariffs

and Trade (Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en

Handel) in het leven geroepen, als kader voor het handelsoverleg.

Ondertussen gingen de gesprekken over het ITO

verder. In 1948 werd het Charter van Havana goedgekeurd,

dat de basis moest vormen voor de organisatie.

Uiteindelijk kwam die handelsorganisatie er niet. Dat had veel

te maken met de voorgestelde bepalingen over investeringen

in het Charter van Havana. Het bevatte nogal wat beperkende

maatregelen voor ondernemingen, ging voor een

beleid van volledige tewerkstelling en bevatte bepalingen

over handelsregels en arbeidsnormen. (2) De Senaat van de

Verenigde Staten weigerde het Charter te ratificeren, waardoor

de ITO niet kon opgericht worden.

Vandaag wordt algemeen aangenomen dat het de investeringsbepalingen

waren die de meeste controverse opriepen.

Die boden immers een aanzienlijke bescherming aan het

ontvangende land dat daardoor in staat was investeringen te

richten naar zijn prioriteiten. De internationale handelsonderhandelingen

zouden tot 1995 plaatsvinden tijdens de

Onderhandelingsrondes van het GATT.

Richtlijnen van OESO en VN

De Organisatie voor Economische Samenwerking en

Ontwikkeling (OESO) onderzocht de problematiek van investeringen.

In 1961 werkte de OESO een code uit (ondertussen

reeds honderden keren geactualiseerd) die de vrijheid

van kapitaalverkeer moet promoten, gebaseerd op de principes

van transparantie en niet-discriminatie. In 1976 stelde

de organisatie richtlijnen op voor multinationals. Deze werden

in 2000 herzien. (3)

Binnen de UNCTAD, de organisatie van de Verenigde Naties

die een beleid uittekent over handel en ontwikkeling (en die

in het leven geroepen werd om de noden van ontwikkelingslanden

in een internationale context te analyseren), werd

eveneens over investeringen gedebatteerd. In 1996 probeer-


de het VN-Centrum voor Transnationale Ondernemingen

(UNCT-NC) een afdwingbare gedragscode te ontwikkelen voor

Transnationale Ondernemingen. Het formuleren van deze

voorstellen werd het centrum fataal: het werd prompt opgedoekt

wegens “ingaan tegen de belangen van de TNO’s.”

De bewuste VN-teksten verschillen grondig van de OESOrichtlijnen.

Dat is logisch, want OESO-landen exporteren

kapitaal en zijn de zetel van menig multinationaal bedrijf. De

UNCTAD-teksten werden daarentegen vooral geïnspireerd

door kapitaal importerende landen. Geen van die richtlijnen

kon als verplichting ingevoerd worden. Iedere poging om

privé-investeerders te onderwerpen aan een afdwingbaar

geheel van regels lijkt gedoemd om te mislukken.

De geboorte van het MAI

Het koninginnestuk over investeringen – dat de legitimiteit

van de OESO zwaar onder druk zou zetten – diende zich

midden jaren ’90 aan. In 1994 werd de Uruguay-onderhandelingsronde

van het GATT afgerond, waarbij het GATT werd

omgevormd naar de Wereldhandelsorganisatie (WTO).

Meteen daarna werden binnen de OESO, het “luxe studiebureel

van rijke landen”, (4) onderhandelingen gestart die

moesten uitmonden in een Multilateraal Akkoord over

Investeringen (MAI). In een sfeer van uiterste zelfgenoegzaamheid

werd het MAI opgesteld.

Het document was niet bedoeld om buitenlandse investeringen

te stimuleren in het Zuiden, maar om de rechten van de

buitenlandse investeerders te vrijwaren.

Als een land het MAI zou aanvaarden, zou het alle controle

over investeringen uit handen geven. Met het MAI zou het

onmogelijk zijn investeringen te weren die de nationale economie

verstoren of investeringen in te schakelen volgens het

eigen ontwikkelingsbeleid. Het zou niet mogelijk zijn om

gedragslijnen uit te tekenen voor investeerders, het zou

evenmin mogelijk zijn ervoor te zorgen dat buitenlandse

investeringen de lokale economische activiteiten ten goede

komen. Het zou onmogelijk zijn nationale investeerders een

voorkeursbehandeling te geven tegenover internationale

investeerders,…

Er bestaat geen twijfel over dat het MAI, opgesteld binnen de

OESO, diende als ontwerptekst voor een later in de WTO

overeen te komen Multilateraal Investeringsakkoord. In het

MAI wordt namelijk nergens verwezen naar een institutioneel

kader waarin het zou moeten ondergebracht worden.

Internationaal publiek protest tegen het MAI

Samen met de ngo Public Citizen (VS) en het Polaris institute

(Canada), ontdekte Oxfam-Solidariteit (5) de plannen voor

het MAI op het internet en verspreidde de informatie naar het

beleid en het publiek. Eenmaal de inhoud van het MAI

bekend werd, bleef de reactie niet lang uit.

Verschillende Europese lidstaten schrokken (of deden alsof)

van de omvang van deze besprekingen, waarover zij niet

geïnformeerd waren. (6) Ngo’s, vakbonden, milieuorganisaties,

de Franse minister van cultuur Jacques Lang,… zowat

iedereen was verbolgen over de draagwijdte van deze discussie

en over de sfeer van geheimhouding waarmee ze

omgeven werd.

In maart 1998 werd het MAI in de koelkast geplaatst. In

oktober dat jaar, toen Frankrijk publiekelijk uit de onderhandeling

stapte omdat het oordeelde dat de OESO niet het

gepaste forum was voor dergelijke onderhandelingen, werden

de besprekingen over het MAI binnen de OESO stopgezet.

(7)

Het investeringsthema werd als onderdeel van de zogenaamde

‘Singapore-materies’ naar de WTO overgeheveld.

Tijdens de Doha-ontwikkelingsronde van de WTO werd op

de Ministeriële Conferentie in Cancùn (2003) opnieuw geprobeerd

om de besprekingen over investeringen nieuw leven in

te blazen. Het vervolg kan u lezen op p. 13.

(1) De Wereldbank ontvangt geld van zijn leden en ontleent op de internationale kapitaalmarkt om daarmee sectoriële projecten, publiek en privé, in

ontwikkelingslanden te financieren. In samenspraak met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) is het de bedoeling om betalingsbalansproblemen

op te lossen, veelal van landen met een hoge schuldenlast. Het IMF, oorspronkelijk opgericht om de vaste wisselkoersen te doen respecteren, werd

na 1971 zowat de waakhond en de brandweer van het internationale financiële systeem. In de functie van waakhond dringt ze structurele aanpassingsprogramma’s

op aan landen op straffe van geen leningen meer te verschaffen. Ze fungeert als brandweer wanneer ze financieel tussenbeide

komt om crisissen te voorkomen. In deze laatste taak slaagt ze niet, getuigen de crisissen in de jaren ’90 in Mexico, Azië, Brazilië en Rusland. De

hervormingsrecepten die ze oplegt zijn gestandaardiseerd: ze bestaan voornamelijk uit de massale privatisering van overheidsdiensten en het verminderen

van de staatsuitgaven.

(2) U vindt de tekst van het Charter van Havana op www.globefield.com/havana.htm

(3) U vindt de basisteksten van de OESO over investeringen en multinationals op www.olis.oecd.org/olis/2000doc.nsf/LinkTo/daffe-ime(2000)20

(4) Uitspraak van de toenmalige minister van Financiën Philippe Maystadt in een gesprek met Oxfam-Solidariteit eind 1997.

(5) Door het onderzoek van Oxfam-Solidariteit naar de Helms-Burtonwet, die in 1997 door de toenmalige Europese handelscommissaris Sr. Leon Brittan

uit een WTO-panel werd weggehaald om de VS geen veroordeling te laten oplopen, kwam Oxfam-Solidariteit terecht bij de discussies over investeringen

binnen de OESO waarnaar in de Helms-Burtonwetgeving verwezen werd. De controverse tussen de VS en Europa rond deze illegale extraterritoriale

wet, was trouwens een van de voornaamste redenen waarom zelfs onder OESO-landen geen akkoord werd bereikt over de werkversie

van het MAI.

(6) De Belgische diplomaat in de OESO werd weggepromoveerd omwille van het niet of onvoldoende informeren van de Belgische autoriteiten over

deze discussies.

(7) De strijd tegen het MAI was de eerste blijk van het potentieel van het internet, waardoor groepen overal ter wereld in direct contact met elkaar stonden.

De OESO-versie van het MAI verscheen op het web en commentaren werden druk rondgestuurd. Een ‘MAI-watch’ avant la lettre ontstond. Er

was niet echt veel straatprotest, maar de heisa die op het internet verscheen, heeft de politieke wereld danig verrast. Deze druk was zeker niet

vreemd aan het uiteindelijk stopzetten van de besprekingen.

DEEL

1

oxfamcahier - juni 2005

9


DEEL

1

10 oxfamcahier - juni 2005

Eenheidsdenken

Investeringen:

dogma en realiteit

RAOUL MARC JENNAR, onderzoeker bij Oxfam-Solidariteit en Urfig (1)

HET DISCOURS DAT WIJST OP DE NOODZAAK OM DE BELEMMERINGEN VOOR INVESTERINGEN OP TE

HEFFEN, MAAKT DEEL UIT VAN DE NEOLIBERALE DOCTRINE. DAT EENHEIDSDENKEN STELT DAT

INVESTERINGEN - EN IN HET BIJZONDER DE DIRECTE BUITENLANDSE INVESTERINGEN - EEN ESSEN-

TIEEL INSTRUMENT ZIJN VOOR DE ECONOMISCHE ONTWIKKELING VAN EEN LAND MAAR OOK VOOR

DE GROEI VAN BEDRIJVEN. DE REALITEIT TOONT ECHTER AAN DAT INVESTERINGEN NIET NOODZA-

KELIJK LEIDEN TOT ONTWIKKELING.

Het dogma

Het eenheidsdenken over investeringen wordt in Europa

voortgebracht door de drukkingsgroepen uit het bedrijfsleven

en verspreid door de Europese Commissie en door politieke

en academische elites. De media herhalen het dogma

tot vervelens toe. De geleidelijke afschaffing van de beperkingen

voor directe buitenlandse investeringen, in Europa en

daarbuiten, is een van de belangrijkste streefdoelen geworden

van de Europese Unie. Dit betekent concreet dat ze zelfs

ingeschreven staat in de Europese Grondwet (artikel 314, zie

kader) wat vanuit dit standpunt een vernieuwing is tegenover

de maatregelen over het commercieel beleid van de Unie in

het Verdrag van Nice (artikel 131, zie kader).

Het verbaast dan ook niet dat de Europese Unie in het kader

van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) het voortouw nam

in de pogingen een akkoord op te leggen inzake de

Singapore-materies (zie p. 13-18). Zelfs na de massale afwijzing

van de Europese standpunten tijdens de Ministeriële

Conferentie van de WTO in Cancun (2003), heeft de


Europese Commissie er alles aan gedaan om deze onderwerpen

tijdens internationale onderhandelingen toch op de

agenda te zetten.

Bij de GATS-onderhandelingen (Algemene Overeenkomst

inzake de Handel in Diensten) binnen de WTO, waar Europa

over een veel grotere speelruimte beschikt, is het evenzeer

duidelijk. De Europese Unie stelt aan de landen uit het

Zuiden uiterst verregaande eisen over de deregulering van

de nationale regels rond investeringen, voornamelijk op het

gebied van diensten, overheidsdiensten incluis.

De akkoorden tussen de Europese Unie en andere landen, of

groepen van landen, houden dan ook altijd voorschriften

inzake investeringen in. Tenslotte is het ook niet verbazingwekkend

dat de bilaterale overeenkomsten inzake investeringen

(BOI) (zie p.23-26), gesloten door de Europese landen,

beogen om een verregaande deregulering van de voorschriften

inzake investeringen te bekomen.

De realiteit: deregulering leidt niet

tot meer investeringen

Dereguleringen rechtvaardigen door te wijzen op de toename

van investeringen, is nochtans niet meer geloofwaardig.

Er verschijnen steeds meer studies over de honderden bilaterale

overeenkomsten die tot deregulering geleid hebben

zoals de EU dat wil met betrekking tot concurrentie, over-

De gemeenschappelijke

handelspolitiek

* Europese Grondwet, art. III-314

Met de oprichting van een douane-unie, overeenkomstig

artikel III-151, levert de Unie in het gemeenschappelijk

belang een bijdrage tot een harmonische ontwikkeling

van de wereldhandel, tot de geleidelijke

afschaffing van de beperkingen voor het internationale

handelsverkeer en voor buitenlandse directe investeringen,

en tot de vermindering van de douane- en andere

belemmeringen.

* Verdrag van Nice, art. IX-131

Door tezamen een douane-unie op te richten, beogen de

lidstaten een bijdrage te leveren, in overeenstemming

met het gemeenschappelijk belang, tot een harmonische

ontwikkeling van de wereldhandel, de geleidelijke

afschaffing van de beperkingen in het internationale handelsverkeer

en de verlaging van de tariefmuren.

Bij de gemeenschappelijke handelspolitiek wordt rekening

gehouden met de gunstige invloed die de

afschaffing van de rechten tussen de lidstaten kan uitoefenen

op de toeneming van het vermogen tot mededinging

van de ondernemingen dezer staten.

DEEL

1

oxfamcahier - juni 2005

11


DEEL

1

12 oxfamcahier - juni 2005

Eenheidsdenken

heidsopdrachten en investeringen. Alle studies relativeren

het effect van deregulering op de investeringsstroom. (2)

Uit de vergelijking van de stroom aan directe buitenlandse

investeringen (FDI – Foreign Direct Investment) tussen de

OESO-landen (Organisatie voor Economische samenwerking

en Ontwikkeling) enerzijds en 31 ontwikkelingslanden

anderzijds tijdens de voorbije twintig jaar is dat ook duidelijk

gebleken. In deze vergelijking werd onderzocht wat het verschil

was tussen landen met en landen zonder bilaterale akkoorden

over investeringen. Niets klinkt valser dan de slogan van de

Internationale Kamer van Koophandel die beweert dat “WTOregels

over investeringen voordelen bieden aan de ontwikkelingslanden.”

(3)

Tijdens een interne vergadering van de WTO erkende de

Europese Commissie trouwens zelf “dat er geen automatische

wisselwerking bestaat tussen FDI en de overdracht van

technologie”. Bij haar eigen voorstellen voor een multilateraal

investeringsakkoord, voegde ze er nog aan toe dat “nooit

beweerd is dat het opstellen van dergelijke regels onontbeerlijk

is om de aantrekkingskracht van een gastland voor

FDI te vergroten. Ze zouden hoogstens een beperkte maar

zeer gewaardeerde bijdrage leveren door de juridische veiligheid

voor de investeerders te verbeteren.” (4)

Zelfs de Wereldbank moet wel erkennen dat “de landen die

een BOI ondertekenden, niet meer directe buitenlandse

investeringen ontvangen hebben dan de landen die deze

overeenkomsten niet ondertekenden.” (5) In een meer uitgewerkte

studie moest de Wereldbank toegeven dat “de analyse

van twintig jaar directe buitenlandse investeringen van

de OESO-landen naar de ontwikkelingslanden, niet aantoont

dat bilaterale overeenkomsten inzake investeringen ook bijkomende

investeringen tot gevolg hebben”. (6)

China en Maleisië bevestigen het tegendeel: ze hebben

geweigerd de dominante denkwijze te volgen. Hun wetgeving

over investeringen is zeer weinig geliberaliseerd vergeleken

met de landen die BOI’s met Westerse landen onderte-

kend hebben. Toch behoren China en Maleisië tot de landen

waar de buitenlandse investeringen het meest toenamen in

de loop van de jaren negentig. (Zie ook artikel over investeringen

in Cuba p. 45)

Nogmaals blijkt dat het dogmatisch toepassen van een principe

botst met de verscheidenheid aan situaties. Het is noodzakelijk

om rekening te houden met de diversiteit en af te zien van

verplichtende, homogene en dwingende regelgeving.

Deregulering ontwricht de samenleving

De aangroei van de directe buitenlandse investeringen vertaalt

zich in verschillende controleerbare en niet tegenspreekbare

verschijnselen. Bij gebrek aan een internationale

regelgeving die de praktijken van de investeerders indijkt,

passen de staten hun eigen wetgeving aan om alsmaar aantrekkelijker

te worden voor investeerders. De staten, onderworpen

aan het ideologische gehamer en aan de druk van

de Westerse regeringen en internationale instellingen, voeren

die aanpassingen door hoewel die vaak nadelig zijn voor hun

autonomie, voor de arbeidsomstandigheden en de sociale

rechten en voor milieurichtlijnen.

De liberalisering van het kapitaal en de rechten van de investeerders

brengen systematisch de sociale afbraak en milieuvernietiging

met zich mee. Maar de prijs om een investeerder

te onthalen wordt zelfs niet gecompenseerd door het creëren

van toegevoegde waarde en van arbeidsplaatsen.


Conclusie:

Het is een feit, deregulering leidt niet tot een toename van

investeringen. Er moeten bovendien nog andere factoren in

rekening gebracht worden om het nut van directe buitenlandse

investeringen te beoordelen, zoals de rol van speculatieve

investeringen en de ontwrichtende effecten van de

mobiliteit van de investeringen. Verder moet ook rekening

gehouden worden met het verdwijnen van lokale arbeidsplaatsen

als gevolg van investeringen, de demografische

verschijnselen die erdoor ontstaan en de ingrijpende veranderingen

in de maatschappij die daaruit voortvloeien.

1) Urfig: Unité de Recherche, de Formation et d’Information sur la

Globalisation. Onderzoeksgroep. www.urfig.be

(2) African Development Bank, International Investment in Africa:

Trends and Opportunities, 2001; A. Singh, Foreign Direct

Investment and International Agreements, South Centre, Geneva,

2001; UNCTAD, A Positive Agenda for Developing Countries: Issues

for Future Trade Negotiations, UNCTAD, Geneva, 2000.

(3) ICC, Policy statement, ICC’s expectations regarding a WTO investment

agreement, Paris, 7.03.2003.

(4) OMC, secretariaat, verslag van de vergaderingen op 7 en 8 maart

2001, WGTI/M/14, p.6.

(5) World Bank, Global Economic Prospects and the Developing

Countries 2003: Investing to Unlock Global Opportunities?, World

Bank, Washington DC, 2003.

(6) M. Hallward-Driemeier, Do Bilateral Investment Treaties Attract FDI?,

World Bank, Washington DC, 2003.


Liberaliseringsakkoorden

Hoe rijke landen

beperkingen opzij schuiven

RAOUL MARC JENNAR, onderzoeker bij Oxfam-Solidariteit en Urfig (1)

INVESTEREN IS EEN GRENSOVERSCHRIJDENDE ACTIVITEIT DIE OVER HET ALGEMEEN OMSCHREVEN

WORDT ALS EEN BELANGRIJKE FACTOR VOOR DE GROEI VAN WERKGELEGENHEID EN ONTWIKKE-

LING. MAAR MEN ZOU ZICH KUNNEN AFVRAGEN - VOORAL DOOR FENOMENEN ALS DELOKALISATIE

OF HET SLUITEN VAN GOED DRAAIENDE EN WINSTGEVENDE BEDRIJVEN - WAT HET DOEL VAN EEN

INVESTERING WERKELIJK IS.

Waarom wordt geïnvesteerd? Om een activiteit op te

starten? Om zoveel mogelijk winst te boeken door een

competitie tussen staten in te voeren en daarbij de zwaktes

in de sociale en ecologische wetgeving te gebruiken?

Die vraag is van primordiaal belang. Ze zet de soevereiniteit

van de staten en de rol van de overheden op losse schroeven.

De mate van vrijheid die buitenlandse investeerders krijgen,

is een maatstaf voor de neoliberale vooruitgang in de

21ste eeuw, waarin lokale, regionale en nationale overheden

steeds minder beweegruimte krijgen. In alle normatieve teksten

over investeringen die goedgekeurd worden op multilateraal

niveau of bij bilaterale akkoorden, valt dezelfde wil van

het Westen op om de staatssoevereiniteit aan banden te

leggen en brandhout te maken van alle sociale en ecologische

belemmeringen.

1. De eerste akkoorden binnen het GATT

Rond die thematiek werd een eerste reglementering uitgewerkt

binnen het GATT (General Agreement on Tariffs and

Trade – Algemeen Akkoord inzake Tarieven en Handel, in

werking vanaf 1948 tot 1994, zie kader De Uruguay Ronde)

wat vorm gaf aan een ‘Algemeen Akkoord over de gevolgen

van de beperking en de verstoring van de handel die voortkomen

uit maatregelen over investeringen’. Het wou vermijden

dat investeerders, uit welk land dan ook, zouden gediscrimineerd

worden door nationale maatregelen inzake investeringen.

In het kader van het GATT had dit akkoord geen

bindende werking.

Tijdens de conferentie van Punta del Este in 1986, die de

start was van de Uruguay Ronde (zie kader p.16), werd

besloten onderhandelingen op te starten om nieuwe maatregelen

uit te werken die dergelijke discriminatie beter zou

tegenhouden.

Het is de grondslag van een van de akkoorden die uitgaan

van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Het kreeg de naam

‘Akkoord over de maatregelen rond investering en handel’,

(TRIMS – Agreement on Trade-Related Investment

Measures). Het werd van kracht op 1 januari 1995 en maakt

deel uit van de Akkoorden van Marrakech, die ondertekend

werden in april 1994.

DEEL

1

oxfamcahier - juni 2005

13


DEEL

1

14 oxfamcahier - juni 2005

Liberaliseringsakkoorden

2. Het TRIMS-Akkoord

Het TRIMS betreft alleen maatregelen inzake de handel in

goederen. Daarbij wordt de regel van niet-discriminatie toegepast,

dat de grondslag vormt van alle WTO-akkoorden en

die vertaald werd in twee principes:

a) Het principe van de ‘nationale behandeling’ verplicht een

land om iedereen op dezelfde manier te behandelen als

de eigen onderdanen (privé-personen, morele personen,

privé-bedrijven, openbare diensten,…).

b) Het principe van ‘de meestbegunstigde natie’ verplicht

een land geen onderscheid te maken tussen binnenlandse

en buitenlandse handelspartners.

Daarbovenop worden de lidstaten door het TRIMS verplicht

om tegenover de investeerder elke kwantitatieve beperking

op te heffen. Om elke dubbelzinnigheid uit de weg te gaan,

worden er in het Akkoord voorbeelden opgenomen van wetgevingen

of reglementeringen die onaanvaardbaar zijn.

Bijvoorbeeld wanneer ze ingaan tegen het principe van de

nationale behandeling of wanneer de kwantitatieve beperkingen

niet worden afgeschaft. (zie kader hieronder).

Voorbeelden uit wetgeving

Wat strookt er niet met nationale

behandeling?

a) Een investeerder verplichten nationale producten te

kopen of te gebruiken;

b) De import van de investeerder beperken tot buitenlandse

producten met dezelfde waarde of tegen

dezelfde prijs als de producten die hij exporteert.

Wat strookt er niet met de verplichte

afschaffing van kwantitatieve beperkingen?

a) De geïmporteerde producten van investeerders,

bedoeld voor de lokale productie, beperken tot de

waarde of het bedrag van de producten die zij uitvoeren;

b) De geïmporteerde producten van investeerders, bedoeld

voor de lokale productie, beperken door de investeerder

een beperkte toegang te verlenen tot valuta;

c) De export van bepaalde producten door een investeerder

beperken.

Om het TRIMS afdwingbaar te maken, kijkt een comité van

de Wereldhandelsorganisatie erop toe dat de lidstaten het

akkoord naleven. De Geschillencommissie (Dispute

Settlement Body) is bevoegd om klachten te behandelen die

door een lidstaat worden ingediend tegen een andere lidstaat

die zich niet aan het akkoord houdt.

Om alle maatregelen strijdig met het Akkoord af te schaffen,

beschikten de industriële landen over twee jaar (tot eind 1996),

de ontwikkelingslanden over vier jaar (tot eind 1999) en de

minst ontwikkelde landen over zeven jaar (tot eind 2002).

Volgens het akkoord konden de lidstaten vanaf januari 2000

onderzoeken hoe ze die bepalingen kunnen aanvullen.

3. De Akkoorden van Marrakech

Twee andere akkoorden die eveneens in april 1994 in

Marrakech getekend werden, bevatten zoals het TRIMS,

maatregelen over investeringen. Ook deze bepalingen zijn

vooral gunstig voor investeerders. Die twee andere akkoorden

zijn het TRIPS, het Akkoord over de handel in rechten op

intellectuele eigendom (Agreement on Trade-Related

Aspects of Intellectual Property Rights) en het GATS, het

Akkoord inzake de handel in diensten (General Agreement

on Trade in Services). Samen leveren die Akkoorden al een

antwoord op de voornaamste verwachtingen van multinationals,

namelijk:

• De internationale bescherming van de rechten op intellectuele

eigendom;

• De vrije beweging van kapitaal, daarbij inbegrepen het

recht om vrij het eender welk land binnen te komen of te

verlaten in eender welke sector;

• Transparantie is verplicht voor staten maar niet voor

bedrijven;

• Het recht om in alle vrijheid actief te zijn in een land,

waarbij hun werkterrein volledig vrij is van elke verplichting

tegenover de zakenwereld.

De combinatie van het TRIMS en het GATS is maar een van

de voorbeelden van de kracht van de Akkoorden van

Marrakech. Ze vullen elkaar zo aan dat als het doel van volledige

liberalisering niet bereikt wordt via het ene Akkoord,

het zeker is dat het kan gebeuren via een andere invalshoek.

4. De Singapore-materies

Het offensief om het nationale beleid omtrent investeringen

te ‘liberaliseren’ (‘verstoren’ zou de term zijn die het best

aanleunt bij de werkelijkheid) werd opgestart kort na de

Uruguay Ronde. Tijdens die onderhandelingsronde moest

de zakenwereld met tegenzin genoegen nemen met het

TRIMS-Akkoord over investeringen.

In 1995 eiste de voorzitter van de Zwitsers-Zweedse industriële

groep ABB “dat mijn groep de vrijheid heeft om te

investeren waar hij wil, voor zolang hij wil, om te produceren

wat hij wil, en daarbij te kunnen kiezen waar hij zich bevoorraadt

en waar hij verkoopt en waarbij hij zo weinig mogelijk

belemmeringen ondervindt van het arbeidsrecht en sociale

conventies”. (2)

Al op de eerste Ministeriële Conferentie van de gloednieuwe

(WTO) in 1996 te Singapore, wilden de regeringen van de

industriële landen nieuwe onderhandelingen aanknopen over

vier materies: investeringen, transparantie in overheidsaanbestedingen,

concurrentiebeleid en handelsbevorderende

maatregelen. De ontwikkelingslanden weigerden halsstarrig


zie vervolg p. 16





WAT BETEKENT ... ?

Meestbegunstigde natie’?

Landen mogen geen onderscheid maken tussen handelspartners.

Als een staat een voordeel verleent aan een andere staat (bijvoorbeeld

door douanerechten te verminderen op een product of een

dienst), moet dat voordeel ook gelden voor alle andere leden van de

WTO die er aanspraak op kunnen maken.

‘Nationale behandeling’?

Liberaliseringsakkoorden

Geïmporteerde producten en die van lokale fabricage moeten op

dezelfde manier behandeld worden, minstens van zodra het geïmporteerde

product op de markt komt.

Hetzelfde geldt voor diensten, handelsmerken, auteursrechten en

buitenlandse of nationale brevetten.

Dat principe van ‘nationale behandeling’ (anderen op dezelfde

manier behandelen als de eigen onderdanen) staat ook vermeld in

de drie belangrijkste akkoorden van de WTO (artikel 3 van het GATT,

artikel 17 van het GATS en artikel 3 van het TRIPS - Agreement on

Trade-Related Aspects of Intellectual Property Rights). De nationale

behandeling treedt in werking van zodra een product, een dienst of

een onderdeel van de intellectuele eigendom op de markt komt.

WAT BETEKENT... ?

‘Kwantitatieve beperkingen’

Behalve douanerechten of taksen en andere belastingen, mag een

land geen beperking instellen of limieten opleggen aan de import

van een product afkomstig uit een ander land, of op de export of de

verkoop voor de export van een product bedoeld voor een ander

land.

DEEL

1

oxfamcahier - juni 2005 15


DEEL

1


vervolg van

p. 14

16 oxfamcahier - juni 2005

Liberaliseringsakkoorden

De Uruguay Ronde : van GATT naar WTO

1994

GATS

1948

1994

GATT

1994

GATT wordt

WTO

1994

TRIMS

1986

URUGUAY

RONDE

1994

TRIPS

en de vier materies werden overgeheveld naar een werkgroep,

waarna ze ‘Singapore-materies’ gedoopt werden.

De regeringen van de industriële landen weigerden zich neer

te leggen bij de beslissing van Singapore en startten in het

grootste geheim onderhandelingen over die materies op de

hoofdzetel van de Organisatie voor Economische

Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

5. Het Multilateraal Investeringsakkoord

Het project dat binnen de OESO werd uitgewerkt, heette

‘Multilateraal Investeringsakkoord’ (Multilateral Agreement on

Investment – MAI). De staten kregen daardoor zeven maatregelen

opgelegd die in het voordeel speelden van investeerders:

5.1.Het begrip ‘investering’ werd in zijn breedste betekenisopgevat:

het ging niet alleen over productiemiddelen,

maar over de ‘activa’. Dit wil zeggen over “alle types

van activa die een investeerder (namelijk een bedrijf) op

een directe of indirecte manier bezit of controleert, maar

ook over de aandelen, kapitaalsaandelen of andere vormen

van kapitaalsparticipatie en de rechten die eruit

voortvloeien, obligaties, leningen en andere vormen van

schuldvordering samen met de rechten die eruit voortvloeien

en geldvorderingen”.

De tekst voegde daaraan toe dat investering ook ging

over “de rechten op intellectuele eigendom, concessies,

vergunningen, elk ander lichamelijk of niet-lichamelijk

De onderhandelingen van de Uruguay Ronde begonnen in

1986 in Punta del Este (Uruguay) en werden beëindigd in

1993. In april 1994 tekenden de ministers van Handel van

120 landen in Marrakech de akkoorden die de liberalisering

van de wereldhandel bekrachtigen. Het GATT,

gesticht in 1947, werd vervangen door de WTO.

• De WTO is juridisch erkend als internationale organisatie,

in tegenstelling tot het GATT dat een contractueel

akkoord was tussen staten.

• Terwijl het GATT voornamelijk de handel in goederen

regelde, streven de WTO en haar akkoorden naar de

regeling van de handel in diensten en intellectuele

eigendom.

• De WTO beschikt over een Geschillenorgaan. Wanneer

een land oordeelt dat een ander land zijn rechten

schendt die toegewezen werden door de WTO, dan

kan het klacht indienen bij het Geschillenorgaan.

Sancties zijn mogelijk.

goed, roerend of onroerend, en alle rechten verwant aan

eigendom”. Investeringen omvatten volgens het MAI

zelfs beleggingen, speculaties en marktaandelen.

5.2. Het juridische statuut van het MAI zou dat van een bindende

overeenkomst zijn voor de staten die het ondertekenden.

Binnen de rechtspraak die als een rode draad

door de akkoorden van de WTO loopt, zouden de

regels van het MAI, net zoals die van de WTO, voorrang

krijgen op het nationaal recht.

5.3. De liberaliseringsmaatregelen zouden onomkeerbaar

zijn. Bij de ondertekening van het akkoord zouden de

staten hun eigen reglementeringen strijdig met het MAI

moeten opsommen en ze aanduiden als ‘reserves’ (het

equivalent van de vrijstellingen in het GATS). Het was

verboden achteraf nieuwe reserves toe te voegen. De

staten werden sterk aangemoedigd om hun reserves

geleidelijk aan te schrappen. Elke nieuwe liberaliseringsmaatregel

kon noch afgeschaft noch ongeldig verklaard

worden. Dat wordt het ‘tandwieleffect’ genoemd.

5.4. De reserves moesten duidelijk geformuleerd worden om

te vermijden dat ze voor een te ruime interpretatie vatbaar

waren, men spreekt meestal over ‘reserves uit

voorzorg’, die term wordt vaak gebruikt in het internationaal

recht.

5.5. Het MAI richtte zijn eigen juridisch systeem op, een

eigen geschillenorgaan (Dispute Settlement Body). Het


gaf industriële en financiële groepen de

mogelijkheid om staten te dagvaarden

voor arbitrage-instanties. Ook kon een

staat een andere staat dagvaarden, maar

een industriële of financiële groep kon niet

door een staat gedagvaard worden.

Handelsexperten zouden als rechter fungeren

op de zittingen, net zoals dat

gebeurt in het geschillenorgaan van de

WTO.

5.6. De staten waren verplicht aan de investeerders

de voordelen toe te kennen van

de nationale behandeling en de meestbegunstigde

natie. Dit wil zeggen dat buitenlandse

investeerders (Hiermee worden

vooral de investeerders van de rijkste landen

bedoeld) niet alleen dezelfde behandeling

moesten krijgen als binnenlandse

investeerders, maar ook dezelfde als

investeerders van de landen uit het Zuiden

die voordelen kregen in het kader van het

ontwikkelingsbeleid.

5.7. Staten zouden geen recht meer hebben om investeerders

verplichtingen op te leggen (Behalve verplichtingen

die niet rechtstreeks verband houden met het bedrijf,

zoals milieunormen). Het MAI bevatte een lijst van twaalf

verboden verplichtingen, waaronder het voorrang geven

aan nationale producten of diensten, de waarde van

export en import aan elkaar koppelen, de overdracht

van technologie, een bepaald aantal plaatselijke mensen

aanwerven,…

6. Het MAI verworpen

Toen Public Citizen, een ngo uit de Verenigde

Staten, in februari 1998 de inhoud van het

MAI op het internet ontdekte en verspreidde,

was de verontwaardiging en de

woede over dat project zo groot, dat

Frankrijk zich terugtrok uit de onderhandelingen.

Het gaf als reden dat de

onderhandelingen niet in het juiste kader

werden gevoerd, ze moesten plaatsvinden

binnen de WTO.

Een jaar later liet de Europese Commissie door

de Ministerraad een aantal voorstellen goedkeuren

die het mandaat vastlegden voor de enige onderhandelaar

van de Europese Unie tijdens de derde Ministeriële

Conferentie van de WTO in Seattle. Met dat mandaat kreeg

de Europese Commissie carte blanche om er alles aan te

doen om de Singapore-materies op de agenda te zetten van

de onderhandelingen die moesten vastgelegd worden in

Seattle. De bepalingen van het MAI moesten in een akkoord

van het WTO opgenomen worden via de vier Singaporemateries.

Un AMI de trop = een MAI te veel

Volgens het werkprogramma, bepaald op de Ministeriële

Conferentie van Doha (november 2001), zouden er onderhandelingen

plaatsvinden na de vijfde sessie van de Ministeriële

Conferentie, op basis van de unanieme beslissing over het verloop

van de onderhandelingen tijdens die sessie. Dit betekende

dat de onderhandelingen niet na Doha, maar na de vijfde

Ministeriële Conferentie in Cancun in september 2003 zouden

starten. En dat die onderhandelingen maar zouden kunnen

beginnen als de lidstaten eerst ook duidelijk overeengekomen

waren hoe ze wilden onderhandelen.

Tijdens

de Ministeriële

Conferentie in Cancun

in september 2003 zegevierde

het verzet van 90 landen

over de druk van de

Europese Unie.

Tijdens de Ministeriële Conferentie in

Cancun in september 2003, zegevierde

het verzet van 90 landen over de

druk van de Europese Unie. Er viel

geen enkele beslissing over onderhandelingen

over de Singaporemateries.

Tijdens de Algemene

Raad, die afliep op 31 augustus

2004, kwam er alsnog een akkoord

uit de bus over onderhandelingen,

maar alleen over de materie handelsbevorderende

maatregelen.

Het is nog te vroeg om zich uit te spreken over de besluiten

van 31 augustus 2004. De zesde Ministeriële Conferentie

van de WTO (Hongkong, van 13 tot 18 december 2005) zal

een antwoord brengen. Hoe dan ook, door de beslissing die

de Ministeriële Conferentie van de Europese Unie nam op 9

december 2003, gaf ze duidelijk te kennen dat ze nog altijd

multilaterale onderhandelingen over de Singapore-materies

wil voeren.

DEEL

1

oxfamcahier - juni 2005

17


DEEL

1


18 oxfamcahier - juni 2005

Handelsbevorderende maatregelen

Het besluit van Doha over de bevordering van de handel stelt

dat de onderhandelingen moeten gaan over een betere uitvoering

van de bepalingen van het GATT 1994 en voornamelijk

over drie facetten :

• vrijheid van verkeer;

• heffingen en formaliteiten die verband

houden met import en export;

• publiciteit en administratie van

handelsrichtlijnen.

Die formulering verdoezelt de drang van de Westerse landen om

hun eigen wetgeving en reglementeringen overal te doen gelden,

zonder aandacht te schenken aan de immense kloof tussen hun

eigen administratieve, financiële en menselijke middelen en die

van de andere landen.

De rijke landen leggen bijvoorbeeld een voorstel op tafel om de

fysieke controle van de goederen door douanebeambten zoveel

mogelijk terug te schroeven, om sneller de douanerechten te

kunnen opheffen op goederen.

Daarbij houden ze er geen rekening mee dat in vele ontwikkelingslanden

het risico op verlies veel groter is dan in Westerse

landen. Dat voorstel naleven betekent dat ontwikkelingslanden

gedoemd zijn om inkomsten te verliezen uit douanerechten.

Europa versus

ontwikkelingslanden?

Eens te meer komt de Europese unie met de meest agressieve

voorstellen voor de dag.

• Voor vrijheid van verkeer vraagt de Europese Unie dat de procedures

niet duurder zouden zijn dan diegene die gelden voor de

import.

• Omtrent de heffingen en de formaliteiten gelinkt aan import en

export, eist ze gebruiksklare richtlijnen en geleidelijke maar onomkeerbare

hervormingen.

• In verband met publiciteit vraagt ze, samen met Canada, Korea

en Japan, dat er meer informatie wordt verstrekt, een verplicht

overleg met de WTO vooraleer douanerichtlijnen worden goedgekeurd

en een mogelijkheid tot beroep tegen de beslissingen van

de douane.

(1) Urfig: Unité de Recherche de Formation et d’information sur la Globalisation. Onderzoeksgroep. www.urfig.be

(2) ABB is wereldleider in energie - en automatiseringstechnologieën

(3) Observatoire de la Mondialisation, Lumière sur l’AMI, le test de Dracula, Parijs, L’Esprit frappeur, 1998.


Liberaliseringsakkoorden


Lessen trekken uit NAFTA

Wanneer de privé-investeerder

zijn wet oplegt

RAOUL MARC JENNAR, onderzoeker bij Oxfam-Solidariteit en Urfig (1)

INTERNATIONALE HANDELSAKKOORDEN WORDEN MEER EN MEER GEKENMERKT DOOR EEN MACHT

DIE ZE DE OVERHAND GEEFT OP ALLE ANDERE AKKOORDEN. ZE BEVATTEN BEPALINGEN OVER EEN

GESCHILLENREGELING DIE AAN EEN RECHTERLIJKE INSTANTIE DE MACHT GEEFT EEN STAAT TE

BESTRAFFEN OP BASIS VAN AANKLACHTEN INGEDIEND DOOR BUITENLANDSE INVESTEERDERS.

Het Noord-Amerikaanse vrijhandelsakkoord (NAFTA), getekend

in 1994 tussen Canada, de Verenigde Staten van

Amerika en Mexico, creëert in het elfde hoofdstuk een rechterlijk

apparaat dat privé-ondernemingen toelaat klacht in te

dienen tegen de staten waar ze investeren. De scheidsrechterlijke

uitspraak wordt gegeven door een ‘Rechtbank’ die

bestaat uit het algemeen secretariaat van NAFTA en die als

referentiekader de regels van het Internationaal Centrum

voor de Beslechting van Investeringsgeschillen hanteert (2).

Wat betreft investeringen, concretiseert NAFTA de wil om

investeerders te onttrekken aan het recht van de staten waar

ze investeren, een wil die al aan de oorsprong lag van het

project van het Multilateraal Investeringsakkoord (MAI),

opgegeven in 1998. Diezelfde wil bevindt zich aan de basis

van de voorstellen over investeringen, overheidsaanbestedingen,

transparantie en handelsbevorderende maatregelen,

tot nog toe zonder succes voorgesteld door de Europese

Unie in het kader van de Wereldhandelsorganisatie (WTO).

Tien jaar toepassing van NAFTA levert waardevolle aanwijzingen

over de gevaren van bepalingen omtrent investeringen

zoals ze ingeschreven staan in NAFTA. Diezelfde bepalingen

zouden we kunnen terugvinden in een akkoord binnen

de WTO of in de akkoorden die de Europese Unie onderhandelt

met staten of groepen van staten.

Bepalingen die deregulerend

en dwingend zijn voor de staten

In het elfde hoofdstuk (hier in de originele Engelstalige versie)

vindt men bepalingen die tegenwoordig schering en inslag

zijn in de akkoorden van de WTO. Zo is er bijvoorbeeld het

artikel 1102 over nationale behandeling (zie ook p. 15):

1. Each Party shall accord to investors of another Party

treatment no less favorable than that it accords, in like circumstances,

to its own investors with respect to the establishment,

acquisition, expansion, management, conduct,

operation, and sale or other disposition of investments.

2. Each Party shall accord to investments of investors of

another Party treatment no less favorable than that it

accords, in like circumstances, to investments of its own

investors with respect to the establishment, acquisition,

expansion, management, conduct, operation, and sale or

other disposition of investments.

3. The treatment accorded by a Party under paragraphs 1

and 2 means, with respect to a state or province, treatment

no less favorable than the most favorable treatment

accorded, in like circumstances, by that state or province

to investors, and to investments of investors, of the Party

of which it forms a part.

DEEL

1

oxfamcahier - juni 2005 19


DEEL

1

20 oxfamcahier - juni 2005

Lessen trekken uit NAFTA

4. For greater certainty, no Party may:

(a) impose on an investor of another Party a requirement

that a minimum level of equity in an enterprise in the territory

of the Party be held by its nationals, other than

nominal qualifying shares for directors or incorporators of

corporations; or

(b) require an investor of another Party, by reason of its

nationality, to sell or otherwise dispose of an investment

in the territory of the Party.

> Of nog, artikel 1103: Behandeling van de meestbegunstigde

natie:

1. Each Party shall accord to investors of another Party treatment

no less favorable than that it accords, in like circumstances,

to investors of any other Party or of a non-

Party with respect to the establishment, acquisition,

expansion, management, conduct, operation, and sale or

other disposition of investments.

2. Each Party shall accord to investments of investors of

another Party treatment no less favorable than that it

accords, in like circumstances, to investments of investors

of any other Party or of a non-Party with respect to

the establishment, acquisition, expansion, management,

conduct, operation, and sale or other disposition of

investments.

> Deze twee artikels zijn ondergeschikt aan een derde,

artikel 1104: norm van behandeling:

Each Party shall accord to investors of another Party and to

investments of investors of another Party the better of the

treatment required by Articles 1102 and 1103.

Deze maatregelen brengen op onweerlegbare wijze aan het

licht dat de buitenlandse investeerders worden bevoorrecht

ten opzichte van de staat waar ze investeren.

> Investeren wordt hier zeer ruim gedefinieerd, zie artikel

1139: investment means:

(a) an enterprise;

(b) an equity security of an enterprise;

(c) a debt security of an enterprise

(i) where the enterprise is an affiliate of the investor, or

(ii) where the original maturity of the debt security is at least

three years,

but does not include a debt security, regardless of original

maturity, of a state enterprise;

(d) a loan to an enterprise

(i) where the enterprise is an affiliate of the investor, or

(ii) where the original maturity of the loan is at least three

years,

but does not include a loan, regardless of original maturity,

to a state enterprise;

(e) an interest in an enterprise that entitles the owner to share

in income or profits of the enterprise;

(f) an interest in an enterprise that entitles the owner to share in

the assets of that enterprise on dissolution, other than a debt

security or a loan excluded from subparagraph (c) or (d);

(g) real estate or other property, tangible or intangible, acquired

in the expectation or used for the purpose of economic

benefit or other business purposes; and

(h) interests arising from the commitment of capital or other

resources in the territory of a Party to economic activity in

such territory, such as under

(i) contracts involving the presence of an investor’s property

in the territory of the Party, including turnkey or construction

contracts, or concessions, or

(ii) contracts where remuneration depends substantially on

the production, revenues or profits of an enterprise;

Op dezelfde manier beperkt NAFTA de bewegingsvrijheid

van staten die het eigendom of het beheer van een grondgebied

of activiteit willen toevertrouwen aan de overheid:

> Artikel 1110: Onteigening en vergoeding

1. No Party may directly or indirectly nationalize or expropriate an

investment of an investor of another Party in its territory or take

a measure tantamount to nationalization or expropriation of

such an investment (“expropriation”), except:

(a) for a public purpose;

(b) on a non-discriminatory basis;

(c) in accordance with due process of law and Article 1105 (2); and

(d) on payment of compensation in accordance with paragraphs

2 through 6.

2. Compensation shall be equivalent to the fair market value

of the expropriated investment immediately before the

expropriation took place (“date of expropriation”), and

shall not reflect any change in value occurring because

the intended expropriation had become known earlier.

Valuation criteria shall include going concern value, asset

value including declared tax value of tangible property,

and other criteria, as appropriate, to determine fair market

value.

3. Compensation shall be paid without delay and be fully

realizable.

Onthullende voorbeelden

Op basis van voorgaande maatregelen halen we vier gevallen

aan die de bevoorrechte positie aantonen van privébedrijven

ten opzichte van het algemeen belang. De vier

voorbeelden ontstonden dankzij dergelijke akkoorden die

onderhandeld en ondertekend werden door regeringen.

Canada beboet voor verbod op uitvoer giftig afval

In 1995 verbood de Canadese regering de uitvoer van giftig

afval, beter gekend onder de naam PCB, van Canada naar

de Verenigde Staten. Een bedrijf uit Ohio gespecialiseerd in

het behandelen en het verwerken van het PCB-afval, S.D.

Myers Inc., verloor een aantal contracten ten gevolge van dit

verbod. Het bedrijf diende een aanklacht in op 30 oktober

1998, het beweerde dat het Canadese verbod de verplich-


tingen van Canada niet nakomt krachtens hoofdstuk 11 van

het Noord-Amerikaans Vrijhandelsakkoord.

Volgens het privé-bedrijf vormt deze beslissing een schending

van verschillende maatregelen van NAFTA, waaronder

het principe van nationale behandeling en de maatregelen

omtrent onteigening. Zoals wordt aangetoond in het zojuist

geciteerde artikel 1110, mag een regering geen enkele maatregel

treffen die vergelijkbaar is met onteigening of met nationalisering

van een investering.

S.D. Myers Inc. beschouwde dat de maatregel van de

Canadese regering het bedrijf van winst onthield op zijn

investering en bijgevolg beschouwd moest worden als vergelijkbaar

met een onteigening. In plaats van het hoofd te

bieden aan de klacht, hief de Canadese regering het verbod

op. Dit weerhield S.D. Myers Inc. niet een geschil aan te

spannen voor de verliezen die het geleden had gedurende

de 15 maanden dat het verbod van kracht was. Het

Gerechtshof velde zijn oordeel op 13 november 2000. Het

concludeerde dat de Canadese maatregelen twee van de

vier verplichtingen van hoofdstuk 11 waarop de aanklacht

doelde niet nakwam en dat Canada compensaties moest

betalen.

Verbod op gevaarlijk additief geschrapt

In 1997 liet de Canadese regering door het parlement een

wet uitvaardigen die de invoer verbiedt van

Methylcyclopentadienyl Manganese Tricarbonyl, beter

gekend als MMT. Het is een additief dat gebruikt wordt om

het octaangehalte in benzine te verhogen. Als MMT geïnhaleerd

wordt, is het zeer schadelijk voor de gezondheid (ziekte

van Parkinson, geheugenverlies, invloed op het voortplantings-

en ademhalingssysteem) en voor het milieu. Het product

is verboden in verschillende Europese landen en in de

Amerikaanse staat Californië. Het Amerikaanse bedrijf Ethyl

Corporation is de enige fabrikant van MMT.

Krachtens hoofdstuk 11 voert het bedrijf actie tegen

Canada, omdat het financiële en morele schade zou ondergaan.

Het verklaart dat de definitie van investering zoals

ingeschreven in NAFTA op artikel 1139 “ervoor zorgt dat

regeringsmaatregelen die het onaantastbaar bezit van de

investeerder schaden, praktijken voortbrengen die gelijk zijn

aan onteigening.”

Ethyl Corp. eist 350 miljoen dollar voor de geleden schade.

De Canadese regering is zo bevreesd het proces te verliezen,

dat ze liever tot een overeenkomst komt. Canada trok

de wet, zoals ze werd uitgevaardigd door het parlement, in.

Ze beweert dat “MMT niet schadelijk is voor de gezondheid”,

schenkt 13 miljoen dollar aan Ethyl Corp. en neemt de 6 miljoen

gerechtskosten op zich. Zo wordt dus, onder druk van

transnationale bedrijven, een regering er toe aangezet om

een wet in te trekken die uitgevaardigd werd door vertegenwoordigers,

gekozen door een volk, en die bedoeld was om

de gezondheid en het milieu te beschermen.

Klacht wegens onteigening

De Metalclad Corporation, een bedrijf uit de VS dat afval verwerkt,

diende in juli 1997 een klacht in tegen Mexico.

Metalclad Corp. beweerde dat Mexico geen gevolg gaf aan

de verplichtingen in hoofdstuk 11 van NAFTA omdat het land

geen gemeentelijke toelating had gegeven om een installatie

voor het verwerken van gevaarlijk afval uit te baten, en evenmin

voor de locatie van het stort. Verder omdat Mexico de

site waar het bedrijf gevestigd was per decreet bestempelde

als ecologische zone, nadat het bedrijf een heel pak geld had

geïnvesteerd voor de uitbating ervan, De klacht wees erop

dat het ging om een maatregel gelijkend op een onteigening.

In augustus 2000 bracht het Gerechtshof een oordeel uit ten

voordele van Metalclad Corp. In de motivering van het Hof

stond te lezen dat “een onteigening niet enkel bestaat uit het

in beslag nemen, op een zichtbare manier, bewust of toevallig,

van een eigendom, maar het betreft ook een gebruik van

de eigendom dat ervoor zorgt dat de eigenaar moet afzien

van het benutten van de redelijke economische winst, in zijn

geheel of gedeeltelijk, die hij als eigenaar zou moeten verwachten.”

Belasting op maïssiroop voor de rechtbank

Corn Products International Inc., een bedrijf uit de VS, heeft

een arbitrageaanvraag ingediend tegen Mexico in oktober

2003, zowel in eigen naam als in naam van haar filiaal,

Arancia Corn Products, SA de CV, een Mexicaans bedrijf.

Corn Products International Inc. beweert dat Mexico door

het uitvaardigen van een belasting op maïssiroop met een

zeer hoog gehalte aan fructose, de Mexicaanse verplichtingen

krachtens hoofdstuk 11 van het Noord-Amerikaans

Vrijhandelsakkoord niet nakomt. De klacht beschouwt de

belasting als gelijkend op een onteigening krachtens artikel

1110 en verwijst op expliciete wijze naar de jurisprudentie

ontstaan door de beslissing van het Gerechtshof ten voordele

van Metalclad Corporation. De zaak is nog onbeslist.

Het is duidelijk dat een klacht van een transnationaal bedrijf

verwijzend naar hoofdstuk 11 van NAFTA, ertoe kan leiden

dat een soevereine staat een wetgeving intrekt die op onbetwistbare

wijze aangenomen werd in het algemeen belang

van de bevolking. Het is ook mogelijk dat een beleid dat de

actiemogelijkheden inperkt van buitenlandse privé-operatoren,

in vraag gesteld wordt, zoals bijvoorbeeld bij algemene

plannen van aanleg of door beperkingen op eigendomsrechten.

En toch staan in NAFTA verzachtende maatregelen die

doen geloven dat staten hun nationale prioriteiten kunnen

beschermen. Is dit niet wat men vaker en vaker terugvindt in

neoliberale verdragen die, terwijl ze beweren dat ze de privileges

van de overheid respecteren, neigen naar het versterken

van de macht van privé-bedrijven?

Terwijl de Europese Unie druk blijft uitoefenen om internationale

onderhandelingen te bekomen over de inhoud van het

overleden Multilateraal Investeringsakkoord, maakt ze van

haar superioriteit gebruik om gelijksoortige maatregelen op

te leggen aan landen uit Afrika, de Caraïben en de Stille

DEEL

1

oxfamcahier - juni 2005

21


DEEL

1

22 oxfamcahier - juni 2005

Lessen trekken uit NAFTA

Oceaan. Daarom is het goed om de waargenomen effecten

van investeringsmaatregelen binnen NAFTA te onthouden. Er

vallen lessen te trekken uit tien jaar toepassing.

Een veelzeggend juridisch advies

De Canadese Overheidsvakbond vroeg Steven Shrybman, een

advocaat gespecialiseerd in handelsrecht, juridisch advies over de

verenigbaarheid van de NAFTA-regels inzake investeringen en

diensten met een wetsontwerp over het privatiseren van bepaalde

gezondheidsdiensten. In zijn advies stond onder meer te lezen:

a) De doelstellingen van de handelsliberalisering ingeschreven

in NAFTA zijn, op verschillende wijzen, onverenigbaar met een

beleid dat handelswetten aan de kant wil schuiven om andere

sociale doelstellingen te halen, zoals het verschaffen van

gezondheidszorg die universeel en toegankelijk is en waarvan

de kosten worden gedragen door publieke fondsen.

b) De rechten die NAFTA verleent aan investeerders en buitenlandse

leveranciers van diensten, beperken de keuzemogelijkheid

van regeringen inzake het beleid en deregulering.

Deze beperkingen bedreigen de mogelijkheden van Canada

om de essentiële elementen van haar publieke gezondheidszorg

te bewaren.

c) Dezelfde opmerking geldt ook voor de eigendommen van

buitenlandse investeerders die meer beschermd zijn dan

eigendommen van Canadezen, volgens de wet of het

gewoonterecht. Die rechten van de buitenlandse investeerders

laten niet toe, voor praktische redenen, dat de regering

een eind maakt aan privatiseringen die buitenlandse investeerders

zouden aangetrokken hebben.


De rechten

die NAFTA verleent

aan investeerders en

buitenlandse leveranciers

van diensten beperken

de keuzemogelijkheden

van regeringen inzake

het beleid en deregulering.

Een voortreffelijke actie

Kunnen burgers dan helemaal niets ondernemen tegen een

akkoord als NAFTA, tegen de akkoorden van de WTO of

tegen vergelijkbare richtlijnen van de Europese Unie?

Vakbonden en militante Canadese verenigingen tonen aan

dat een uitweg mogelijk is.

De Canadian Council, een netwerk dat 800 verenigingen en

ngo’s telt en meer dan 100.000 leden bijeenbrengt onder voorzitterschap

van de militante andersglobaliste Maude Barlow, en

de vakbond van de Post (STTP) hebben bij het begin van 2005

een klacht ingediend bij het Hooggerechtshof van Ontario

waarmee ze de NAFTA-regels over investeringen ongrondwettelijk

willen verklaren. (3)

De auteurs van die klacht deden een beroep op de eerder vermelde

mr. Shrybman die de stap rechtvaardigde door te stellen

dat: “De overheid heeft in het kader van NAFTA de macht

van Canadese gerechtshoven overgeheveld naar internationale

gerechtshoven die buiten het wettelijk kader van Canada

oordelen. Deze manier van werken is zeker tegen de democratie

en wij willen daarom argumenteren dat ze bovendien

ongrondwettelijk is.” Deborah Bourque, nationaal voorzitter van

STTP verklaarde: “Nafta laat toe dat buitenlandse bedrijven

onze wetten, ons beleid en diensten proberen te vervolgen,

zoals de Post. Dat gebeurt zonder dat de mensen die daar

betrokken zijn het recht hebben om deel te nemen aan het juridisch

proces.” Ze voegde toe: “We staan vandaag voor de

rechtbanken om ons te verzetten tegen een internationaal handelsakkoord

dat onze democratische wetten inperkt.”

Een voorbeeld om even bij stil te staan. En om te volgen.

(1) Unité de Recherche, de Formation et d’Information sur la Globalisation, onderzoeksgroep, www.urfig.org

(2) Het Internationaal Centrum voor de Beslechting van Investeringsgeschillen werd gesticht in het kader van de Conventie inzake de beslechting van

geschillen met betrekking tot investeringen tussen staten en onderdanen van andere staten (1965). Deze instelling heeft als doel het reglement te

vergemakkelijken over investeringen tussen regeringen en buitenlandse investeerders. De zetel ligt in Washington.

(3) De website van de Canadese vakbond van overheidsdiensten: http://www.sttp.ca/pages/document_fra.php?Doc_ID=771


Analyse van 10 Akkoorden

Investeringsakkoorden:

de voorschriften

die Europa oplegt

RAOUL MARC JENNAR, onderzoeker bij Oxfam-Solidariteit en Urfig (1)

SINDS 10 JAAR ONDERHANDELT DE EUROPESE UNIE OVER BILATERALE AKKOORDEN MET EEN AAN-

TAL LANDEN EN SLUIT ZE VRIJHANDELAKKOORDEN. DEZE AKKOORDEN GAAN OVER DRIE VAN DE

VIER SINGAPORE MATERIES: INVESTERINGEN, CONCURRENTIEBELEID EN HANDELSBEVORDERING.

De inwerkingtreding van de Wereldhandelorganisatie (WTO) in

1995, (opgericht om over multilaterale handelsakkoorden te

onderhandelen en om ze te beheren), heeft de EU niet tegengehouden

om bilaterale onderhandelingen te voeren met een aantal

landen. Dit weerlegt de woorden van de voormalige eurocommissaris

Pascal Lamy die, na zijn terugkeer uit Cancun, verklaarde

dat over geen enkel bilateraal akkoord overleg was

gepleegd, een uitspraak die door de media werd overgenomen.

Deze onderhandelingen leidden tot het ondertekenen van

tien vrijhandelsakkoorden met Israël en Tunesië (1995),

Marokko (1996), de Palestijnse Autoriteit, Mexico en

Jordanië (1997), Zuid-Afrika (1999), Algerije (2001) en Chili

en Libanon (2002).

Sommige van deze partnerlanden zijn nog geen lid van de

WTO (Algerije, Palestijnse Autoriteit, Libanon). Telkens wanneer

het akkoord met de EU in werking trad vooraleer het

land lid werd van de WTO, kan ervan uitgegaan worden dat

Europa erin geslaagd is bepaalde Europese verplichtingen

op te leggen.

Deze akkoorden bevatten allemaal bepalingen over drie van

de vier Singapore-materies: investeringen, concurrentiebeleid

en handelsbevordering. Ze bevatten eveneens bepalingen

omtrent de dienstensector. Bij de analyse van deze

Akkoorden groeperen we ze met de Akkoorden die met de

landen van het Middellandse-Zeegebied werden afgesloten,

want deze zeven Akkoorden zijn erg gelijklopend.

Investeringen

In een akkoord over investeringen gaan de hoofdbepalingen

over de bevordering en de bescherming van wederzijdse

investeringen, de toegang tot de markt voor buitenlandse

investeerders en de niet-discriminatie tussen investeringen

(nationale behandeling). De akkoorden die door de EU

onderhandeld en getekend werden, behandelen enkele

aspecten of het geheel van deze bepalingen.

Middellandse-Zeelanden

De acht Akkoorden met de Middellandse-Zeelanden bevatten

voornamelijk algemene bepalingen ter bevordering van

de samenwerking en coördinatie inzake de liberalisering van

kapitaalbewegingen. Het stimuleren van wederzijdse investeringen

rechtvaardigt de beslissing tot harmonisatie en vereenvoudiging

van de procedures voor joint ventures en coinvesteringen.

In twee Akkoorden (Algerije, Libanon) werd de

toeristische sector aangewezen voor de bevordering van

investeringen.

De bescherming van investeringen dient vooral om te vermijden

dat de bilaterale investeringakkoorden die door de lidstaten

getekend werden, het Akkoord met de EU ter discussie

stellen. De acht Akkoorden bepalen dat de kapitaalbewegingen

verbonden aan investeringen aan geen enkele

beperking onderworpen zijn, tenzij uitzonderlijk bij ernstige

problemen van de betalingsbalans. Over de afwezigheid van

DEEL

2

oxfamcahier - juni 2005

23


DEEL

2

24 oxfamcahier - juni 2005

Analyse van tien Akkoorden

discriminatie bevindt zich geen enkele specifieke bepaling in

deze Akkoorden, behalve voor de dienstenactiviteiten. Hier

worden de verplichtingen van het GATS (General Agreement

on Trade in Services of Algemeen Akkoord inzake de Handel

in Diensten) uitdrukkelijk vermeld, maar zonder specifieke

verbintenis.

Alleen het Akkoord met Jordanië bevat de verplichting van

nationale behandeling voor het geheel van diensten (artikel

30 van het Akkoord EU-Jordanië), met toch nog enkele uitzonderingen

hier en daar. Samengevat wegen de Akkoorden

met de acht Middellandse-Zeelanden betrekkelijk weinig

door wat investering betreft. Ze zijn voornamelijk gericht op

het creëren van een gunstig klimaat.

Zuid-Afrika

De bepalingen van het Akkoord met Zuid-Afrika inzake

investeringen zijn in hoofdzaak vergelijkbaar met de

Akkoorden gesloten met de Middellandse-Zeelanden.

Mexico

De bepalingen omtrent de bevordering van investeringen zijn

identiek aan de Akkoorden met de acht Middellandse-

Zeelanden. De bepalingen over de kapitaalbewegingen echter

zijn specifiek van toepassing op de directe investeringen in de

vastgoedsector en in activiteiten die aan veiligheidssystemen

verbonden zijn zoals ze beschreven staan in de liberaliseringsregels

van de Organisatie voor Economische Samenwerking

en Ontwikkeling (OESO).

Alle beperkingen zullen geleidelijk worden opgeheven, behalve

bij problemen van de betalingsbalans. De belangrijkste

bepalingen hebben betrekking op het GATS waarin een verbintenis

wordt aangegaan over markttoegang, de behandeling

van de meestbegunstigde natie en de nationale behandeling

(zie diensten).

Chili

De bepalingen over investeringen zijn verspreid over verschillende

hoofdstukken. Hierdoor is het minder duidelijk dat

dit Akkoord vandaag het verste gaat. De bevordering van

investeringen wordt gestimuleerd via verschillende bepalingen

over transparantie, een aantrekkelijk wettelijk en reglementair

kader, technische bijstand en de ontwikkeling van

eenvormige en vereenvoudigde procedures.

De kapitaalbewegingen van directe investeringen mogen niet

belemmerd worden, de betalingen kunnen gebeuren in een valuta

die vrij inwisselbaar is en uitzonderingen zijn mogelijk in geval

van ernstige bedreiging van de betalingsbalans.

Een van de belangrijkste elementen van dit Akkoord is dat het

principe van de nationale behandeling niet enkel van toepassing

is op de diensten maar ook op sectoren daarbuiten: landbouw,

visvangst, mijnbouw, fabrieken en energie (behalve kernenergie).

Wat de financiële diensten betreft, is er voorzien in markttoegang

en nationale behandeling (zie diensten).

Concurrentie

Terwijl de WTO geen conventie op vlak van concurrentie heeft

gesloten, bevat elk Akkoord van de EU bepalingen hieromtrent.

Dit geeft weer in welke mate de partners van Europa

bereid zijn toegevingen te doen in een domein waar ze de

WTO elke multilaterale onderhandeling hebben geweigerd.

Middellandse-Zeelanden

In het Akkoord met Algerije en Libanon werd overeengekomen

dat misbruik van een dominante positie, marktafspraken en

voorkeursbehandelingen voor nationale ondernemingen

ingaan tegen het Akkoord. Via administratieve samenwerking

wil men concurrentiebelemmerende praktijken voorkomen.

Maar er wordt geen enkele definitie gegeven en evenmin een

procedure ter regeling van geschillen. In het Akkoord met

Israël werd staatssteun toegevoegd als inbreuk op de concurrentieregels.

Transparantie over deze steun is vereist.

Het Akkoord dat werd gesloten met de Palestijnse Autoriteit,

Jordanië, Marokko en Tunesië verwijst expliciet naar het

Oprichtingsverdrag van de Europese Gemeenschap (OEG)

en naar de artikels 81, 82 en 87. De vier ondertekenaars van

dit Akkoord moeten de Europese wetgeving inzake concurrentie

en staatssteun integreren in hun eigen wetgeving. In

het Akkoord wordt hen vijf jaar toegekend om dit te doen.

Zuid-Afrika

Dit Akkoord is gedetailleerder dan de Akkoorden met de

Middellandse-Zeelanden omdat er al een Zuid-Afrikaanse

wetgeving over concurrentie bestaat. Het bevat bepalingen

over coördinatie, uitwisseling van informatie en samenwerking

op het gebied van concurrentie. Praktijken die van

invloed zijn op de concurrentie worden door Europa beoordeeld

op basis van de artikels 81 en 82 van het OEG en door

de Zuid-Afrikanen op basis van hun eigen wetgeving.

Het Akkoord verbiedt praktijken die de concurrentie treffen

en die misbruik maken van een dominante positie. In artikel

35 worden de partijen verplicht juridische procedures in te

stellen om het Akkoord te respecteren. De autoriteiten van

de ene partij kunnen de autoriteiten van de andere partij verzoeken

op te treden bij schending van het Akkoord of zelf

rechtstreeks optreden. Subsidies voor bepaalde bedrijven of

voor de productie van bepaalde goederen die concurrentievervalsend

zijn en die geen specifiek doel van openbaar

beleid nastreven, worden beschouwd als strijdig met het

Akkoord.

Mexico

Dit Akkoord is erg duidelijk over de samenwerkings- en coördinatiemodaliteiten:

eerst worden de regelgeving en praktijken

op het gebied van concurrentie gedefinieerd, net zoals

de autoriteiten die deze moeten toepassen. Bijzondere aandacht

gaat naar marktafspraken tussen ondernemingen en

naar misbruik van een dominante positie. De samenwerkingsprocedures

zijn gedetailleerd, de partijen moeten uitdrukkelijk

de beslissingen inzake concurrentie melden, zelfs bij geschillen.

Het Akkoord zwijgt in alle talen over staatssteun.


Chili

Dit Akkoord wordt gekenmerkt door het belang van de

bepalingen over staatssteun waarover jaarlijks informatie

moet worden uitgewisseld. Het bevat bepalingen over openbare

bedrijven die specifieke rechten genieten. Er is bepaald

dat deze de concurrentieregels moeten naleven zonder dat dit

invloed heeft op hun taken. (Artikel 179).

Dit Akkoord is even precies over samenwerking als het

Akkoord met Mexico, het is erg gedetailleerd inzake transparantie

van staatssteun die concurrentievervalsend kan werken.

Toch wordt het bestaan van openbare of privé-monopolies niet

verboden als ze conform de wet van elke partij zijn.

Handelsbevordering

De landen uit het Zuiden hebben na acht jaar tegenstand -

onder veelvoudig voorbehoud - aanvaard onderhandelingen

over handelsbevordering aan te gaan met de WTO. Acht

WTO-Akkoorden voorzien in onderhandelingen over het

bevorderen van de handel. Het gaat over de middelen om de

complexiteit en de kost van de handelsprocedures voor

import en export, beschouwd als niet-tarifaire handelsbarrières,

terug te dringen. Deze barrières nemen twee vormen

aan: de douaneprocedures en de administratieve vereisten

die aan ondernemingen worden opgelegd.

Middellandse-Zeelanden

Deze Akkoorden bevatten identieke bepalingen over de

samenwerking tussen douanediensten en de vereenvoudiging

van douaneprocedures. Het Akkoord met Israël bepaalt

tevens de informatisering ervan. Behalve in de Akkoorden

met Israël en Libanon, voorziet een clausule in de invoering

van een eenvormig administratief document. Ook wederzijdse

steunmechanismen zijn opgenomen in de protocollen.

Zuid-Afrika

De bepalingen zijn erg algemeen en minder dwingend dan in

de Middellandse-Zeeakkoorden (geen eenvormig administratief

document). Er wordt uitdrukkelijk verwezen naar

wederzijdse bijstand.

Mexico

Het Akkoord bevat precieze bepalingen over de samenwerkingsmateries:

uitwisseling van informatie, ontwikkeling van

nieuwe opleidings- en coördinatietechnieken, uitwisseling

van personeel en hoge ambtenaren van de douanediensten

en de fiscale administratie, vereenvoudiging van de administratieve

maatregelen en technische bijstand.

Een bijkomend overgangsakkoord voert nog andere samenwerkingsmodaliteiten

in: gebruik van een eenvormig administratief

document, verbetering van de werkmethoden, transparantie,

efficiëntie, eerlijkheid en verantwoordelijkheid.

Het Akkoord voorziet in de oprichting van een speciaal

comité voor douanesamenwerking en de regels van oorsprong.

Het zorgt voor een forum dat alle douanekwesties

behandelt en de samenwerking tussen de partijen versterkt.

Chili

Dit is het omvangrijkste en meest gedetailleerde Akkoord.

Het weerspiegelt alle verwachtingen van de EU tegenover de

WTO over deze materie. Het veronderstelt een hoge mate

van liberalisering van de economieën en een vereenvoudiging

van de respectieve douaneformaliteiten. De coördinatie

tussen de partijen gebeurt via één enkel agentschap, zowel

voor de import als voor de export. Enkele nauwkeurige

bepalingen behandelen de administratieve vereenvoudiging,

de standaardisering van de documenten en de invoering van

een eenvormig document voor het binnenkomen en het buitengaan.

De informatisering van de douaneprocedures, het

invoeren van de meest recente douanetechnieken, een audit

door privé-bedrijven en het aannemen van een gemeenschappelijk

standpunt hieromtrent in de internationale organisaties,

maken deel uit van dit Akkoord.

Diensten

De tien bilaterale Akkoorden die door de Unie werden getekend,

zijn alle gericht op het instellen van de algemene principes

van het GATS, door gebruik te maken van artikel V dat

de mogelijkheid van bilaterale akkoorden over diensten

beoogt. Artikel V van het GATS schrijft voor dat elk bilateraal

akkoord “in geen a priori uitsluiting voorziet van eender welke

aanleveringswijze” en dat het “voorziet in de afwezigheid of

eliminatie van elke discriminatie.” Het GATS is op zich een

akkoord over investeringen in de dienstensector want het is

gericht op de grensoverschrijdende liberalisering van dienstenactiviteiten.

Middellandse-Zeelanden

De Akkoorden met de Middellandse-Zeelanden die lid zijn

van de WTO (Israël, Jordanië, Marokko en Tunesië) herbevestigen

de in dit kader aangegane verbintenissen inzake het

GATS. Ze geven de door het Akkoord opgerichte organen

van de associatie de taak om een brede toepassing van het

GATS te bevorderen.

Het Akkoord met Jordanië bevat bepalingen ten gunste van

het internationaal maritiem transport (recht op handelsaanwezigheid

en nationale behandeling, met beperkingen echter op

de toepassing ervan die kunnen worden gewijzigd). Het voorziet

in bepalingen overeenkomstig wijze 4 van het GATS om de

inzet van personeel van de ene partij op grondgebied van de

andere partij te vergemakkelijken. Het Akkoord met Marokko

bevat gemeenschappelijke aanbevelingen voor de liberalisering

van de internationale maritieme transportsector. Deze

Akkoorden bevatten de verplichting om de reikwijdte en snelheid

van het liberaliseringsproces van de dienstensector te

revalueren binnen een termijn van drie tot vijf jaar.

De landen die geen lid zijn van de WTO (Algerije, Palestijnse

Autoriteit, Libanon), hebben toch het principe van het GATS

aanvaard, zonder het in elke situatie toe te passen. Zo heeft

Algerije aanvaard om het principe van nationale behandeling

toe te passen, onder bepaalde reserves, op het gebied van

DEEL

2

oxfamcahier - juni 2005

25


26 oxfamcahier - juni 2005

Analyse van tien Akkoorden

handelsaanwezigheid en internationaal maritiem transport.

Libanon verkoos de toepassing van het GATS te laten ingaan

vanaf het moment dat het lid van de WTO wordt. De

Palestijnse Autoriteit heeft de bepalingen over de liberalisering

van diensten niet opgenomen.

Zuid-Afrika

Het Akkoord legt een strikte naleving van het GATS vast. Er

wordt expliciet verwezen naar artikel V van het GATS, maar

het vaststellen van de termijn voor de inwerkingtreding werd

overgelaten aan het gemeenschappelijk orgaan belast met

de toepassing van het Akkoord. Toch werd al bepaald dat de

eliminatie van discriminatie in 2005 bereikt moet zijn. Zuid-

Afrika heeft zich verbonden het GATS toe te passen in de

vier aanleveringswijzen van diensten. Wat de internationale

maritieme diensten betreft, werd het principe aanvaard van

een onbeperkte toegang tot het internationale maritieme verkeer

en tot de internationale maritieme markt.

Het Akkoord voorziet in de toepassing van de nationale

behandeling voor burgers en schepen. We wijzen er op dat

het Akkoord meer betrekking heeft op de economische

samenwerking tussen diensten (informatie- en communicatietechnologieën,

transport, toerisme, mijnbouw, energie)

dan op hun liberalisering.

Mexico

Dit Akkoord is veel ambitieuzer dan de voorgaande. Eén jaar

na de inwerkingtreding heeft het al geleid tot gemeenschappelijke

beslissingen over zijn concrete toepassing. Het voorziet

in de toepassing van het GATS in de vier aanleveringswijzen

van diensten, met uitzonderingen voor de audiovisuele

diensten, het luchttransport en de kustvaart. Behandeling

van de meestbegunstigde natie, nationale behandeling en

markttoegang zijn bepaald volgens het GATS. Toch behandelt

het Akkoord de openbare markten en subsidies niet.

Een nauwkeurige agenda voor de inwerkingtreding werd

vastgelegd. In een eerste fase worden alle discriminerende

maatregelen stopgezet. Een tweede fase, gelinkt aan het

verwachte Akkoord binnen de WTO over de inwerkingtreding

van het GATS, zal gewijd worden aan de eliminatie van

discriminaties en aan het opmaken van een lijst met specifieke

verbintenissen, op basis van een nog vast te stellen

agenda. Op het gebied van de internationale maritieme

transportdiensten werd overeengekomen om het principe

van de nationale behandeling en van een onbeperkte toegang

na te leven.

De financiële diensten, die deel uitmaakten van een beslissing

tot inwerkingtreding één jaar nadat het Akkoord van

kracht ging, worden onderworpen aan de bepalingen van

het GATS en de annex over financiële diensten. Geen enkele

discriminerende procedure is toegestaan, zelfs als de

grensoverschrijdende verstrekkers van financiële diensten

zich moeten registreren. Geen enkele beperking wordt nog

toegestaan betreffende de herkomst van en het aantal per-

(1) Urfig: Unité de Recherche de Formation et d’information sur la Globalisation. Onderzoeksgroep. www.urfig.be

soneelsleden. De principes van de meestbegunstigde natie

en van de nationale behandeling zijn van toepassing op de

financiële diensten in het kader van de aangegane verbintenissen,

en deze kunnen worden uitgebreid. Verschillende

bepalingen garanderen de transparantie en de procedures

van de beslissing over financiële diensten waarbij “de

bescherming van de investeerders en de veiligheid van de

verstrekkers van financiële diensten” gevrijwaard worden.

Chili

Het Akkoord wil “de ontwikkeling en diversificatie van de productiviteit

en competitiviteit van de Chileense dienstensector

bevorderen.” Dit is het meest volledige, gedetailleerde en nauwkeurige

Akkoord over de omzetting van het GATS: in de verschillende

aanleveringswijzen (wijze 4 is inbegrepen), in de liberaliseringsinstrumenten

(markttoegang, behandeling van de

meestbegunstigde natie, nationale behandeling) en in de agenda

voor de inwerkingstelling. De specifieke verbintenissen zullen

elke drie jaar worden herzien.

Bepalingen zorgen ervoor dat de industrieën, in de sector

waarvoor een partij specifieke verbintenissen aangegaan is,

geen enkele regelgevende beperking ondervinden die nietnoodzakelijke

barrières op de markt van de andere partij

zouden creëren. Diploma’s worden erkend en verplichtingen

inzake nationaliteit en residentie zullen worden geëlimineerd.

Inzake internationaal maritiem transport verbinden de partijen

zich tot een onbeperkte toegang en beloven ze de unilaterale

procedures, die de beweging van internationale maritieme

diensten kunnen beperken, uit te schakelen.

Wat de telecommunicatiediensten betreft, is dit het meest

liberale Akkoord van alle gekende Akkoorden: de regelgevende

agentschappen zijn niet-discriminerend en onafhankelijk

van elke verstrekker van telecommunicatiediensten. In

de veronderstelling dat vergunningen nodig zijn, zal de transparantie

het meest ingrijpend zijn. Maatregelen zullen concurrentievervalsende

praktijken tussen verstrekkers van telecommunicatiediensten

tegengaan, ook de subsidies die de

concurrentie zouden vervalsen. De openbare verstrekkers

zijn gehouden aan het verschaffen van koppelingen aan

andere verstrekkers zonder dat er ook de minste discriminatie

op vlak van tarieven, voorwaarden en kwaliteit bestaat.

Voor de financiële diensten worden de bepalingen van het

GATS inzake markttoegang en nationale behandeling toegepast.

Verstrekkers van financiële diensten zullen nieuwe diensten

kunnen aanbieden. Een proces van verhoging van het

liberaliseringsniveau van de financiële diensten is ingeschreven

in het Akkoord.

Het is duidelijk dat in de vier bestudeerde types van akkoorden

over diensten, de Europese Unie erin geslaagd is om

beslissingen met onmiddellijke toepassing te verkrijgen,

maar ook verbintenissen die verder gaan dan het proces van

inwerkingtreding van het GATS.


Het koloniale erfgoed

Partnerschap

op zijn Europees

RAOUL MARC JENNAR, onderzoeker bij Oxfam-Solidariteit en Urfig (1)

EPA: ECONOMISCH PARTNERSCHAPSOVEREENKOMST, ECONOMIC PARTNERSHIP AGREEMENT IN

HET ENGELS. OP HET EERSTE GEZICHT IS DIT EEN ONSCHULDIG LETTERWOORD MET EEN VEELEER

POSITIEVE GEVOELSWAARDE. NOCHTANS GEVEN DEZE DRIE LETTERS DE VASTBERADENHEID WEER

VAN DE EUROPESE UNIE OM HAAR WETTEN OP TE DRINGEN AAN 77 LANDEN IN AFRIKA, DE

CARAÏBEN EN LANDEN VAN DE STILLE OCEAAN (ACP-LANDEN), VOORMALIGE KOLONIES VAN

ENKELE EU-LIDSTATEN.

Het Cotonou-Akkoord uit 2000, waarvan de voorwaarden

vooral werden bepaald door de Europese Commissie,

onderwerpt de betrekkingen tussen Europa en haar voormalige

kolonies aan de regels van de Wereldhandelsorganisatie

(WTO). Daar speelt de Europese Unie een toonaangevende

rol. Het Cotonou-Akkoord vloeit voort uit de akkoorden van

Marrakech, die in 1994 ondertekend werden als besluit van

de Uruguay Ronde. Met deze verdragen werd de WTO

opgericht, samen met de regelgeving die ze oplegt. Het

Cotonou-Akkoord bevat vele parallellen met de regels van de

WTO: hetzelfde dogmatisch geloof in de deugden van de

vrije handel; hetzelfde absolute vertrouwen in het privé-initiatief;

dezelfde wil om de macht van de publieke sector te verzwakken

en de soevereiniteit van de volkeren te beperken;

dezelfde organisatie van het onevenwicht tussen Noord en

Zuid en de bevestiging dat de geïndustrialiseerde Westerse

landen afhankelijk zijn van de rest van de wereld.

De voorwaarden bij het onderhandelen van het Cotonou-

Akkoord vertonen ook grote gelijkenis met de voorwaarden

die de landen uit het Zuiden opgelegd kregen bij de onderhandelingen

tijdens de Uruguay Ronde. Dat verklaart de

vaststelling van Mevr. Sévérine Rugumamu, hoogleraar aan

de Universiteit van Dar es Salaam (Tanzania): “Omdat de

Europese Unie over superieure institutionele en economische

middelen beschikte, was ze duidelijk in staat om te

wegen op de onderhandelingen en om de criteria te bepalen

voor de samenwerking zoals de Unie die verstond.” (2)

Het einde van het partnerschap

Vrijhandel kan een middel zijn om groei en ontwikkeling te

bevorderen, op voorwaarde dat die vrijhandel geregulariseerd

en omkaderd is. Maar het mag niet dogmatisch het

énige middel zijn. Het Cotonou-Akkoord, dat die laatste visie

volgt, is het instrument waarmee de Europese Unie 77 landen

dwingt om zich te onderwerpen aan de akkoorden van

Marrakech.

Van 1963 tot 1995 karakteriseerden niet-wederkerige handelsvoorkeuren

de Akkoorden van Yaoundé en daarna die

van Lomé. Het Cotonou-Akkoord veroordeelt die akkoorden

en voorziet hun ontmanteling tegen het einde van 2007.

Daarenboven worden de compensatiemechanismen voor

het deficit van de export-inkomsten als gevolg van prijsschommelingen

op de wereldmarkt, afgeschaft. (De bekende

Stabex en Sysmin, in het leven geroepen door respectievelijk

de Akkoorden van Lomé I en II). Tenslotte wordt er op

termijn voorzien in de afschaffing van de quota met gegarandeerde

prijzen voor basisproducten zoals bananen, suiker

en rundvlees.

Het Cotonou-Akkoord betekent in de eerste plaats de vernietiging

van solidariteitsmechanismen die de laatste 40 jaar

DEEL

2

oxfamcahier - juni 2005 27


DEEL

2

28 oxfamcahier - juni 2005

Het koloniale erfgoed

werden opgebouwd tussen Europa en haar voormalige kolonies.

Het einde van de Europese vrijgevigheid, die men

terugvond in de Akkoorden van Yaoundé en Lomé, is in

zicht. Solidariteit maakt plaats voor concurrentie volgens de

neoliberale dogma’s van de Europese Commissie.

Een partnerschap

dat neerkomt op concurrentie

Omdat de ACP-landen de regels van de WTO moeten

respecteren en omdat ze zich moeten integreren in de

wereldhandel, legt Europa de wetten van de concurrentie

op. Dit gebeurt door het blok van 77 ACP-landen te verdelen

in zes regio’s waarmee regionale economische partnerschapsovereenkomsten

worden gesloten: West-Afrika,

Centraal-Afrika, Oost-Afrika en de Hoorn van Afrika, Zuidelijk

Afrika, de Caraïben en de landen van de Stille Oceaan.

Deze opsplitsing komt niet overeen met de bestaande regionale

organisaties en beantwoordt niet aan de wensen van de

betrokkenen. Zij konden niet anders dan de Europese dictaten

aanvaarden. De opdeling in regio’s komt neer op een

opsplitsing ten voordele van de geïndustrialiseerde landen.

Sinds september 2003 voert Europa onderhandelingen

met elk van die regio’s apart.

Europa beweert de integratie van de landen

in elk van deze regio’s te bevorderen.

Maar het integratiemodel dat de

Unie promoot, bestaat er voornamelijk

in de landen te dwingen zo vlug

mogelijk vrijhandel mogelijk te maken

met de Europese Unie zodat ze er zelf

voordeel uit kan halen. De Europese

bezorgdheid om echte regionale integratie

te bevorderen tussen de landen van elke

regio, is zo goed als onbestaande. Het gaat er

vooral om deze landen open te stellen voor Europese

ondernemingen en dat met zo weinig mogelijk beperkingen.

De bilaterale onderhandelingen tussen de Europese

Commissie en elk van de zes regio’s zijn volop bezig. Nu ze

onder druk van Europa verdeeld zijn in kleine groepen, bevinden

de ACP-landen zich in een nog zwakkere positie dan

toen ze nog met 77 waren!

Het opleggen van het absolute liberalisme

In tegenstelling tot wat sommigen willen doen geloven, is de

Europese Unie tijdens internationale onderhandelingen een

groot voorstander om de wereld volledig open te stellen voor

Westerse investeerders. Nochtans bekommeren deze laatsten

zich niet om de soevereiniteit van de staten, om de

rechten van de bevolking, om de sociale rechten of om

milieuverplichtingen.

In het kader van de Organisatie voor Samenwerking en

Economische Ontwikkeling (OESO) heeft Europa het

Multilateraal Akkoord over Investeringen (MAI) bepleit. Na de

weigering van Frankrijk om de onderhandelingen voort te

zetten in het kader van de OESO (3), heeft de Europese Unie

Met het

Cotonou-Akkoord

werden de solidariteitsmechanismen

vernietigd

die de laatste 40 jaar

opgebouwd waren tussen

Europa en de voormalige

kolonies.

er alles aan gedaan om bij de WTO onderhandelingen te

beginnen over de belangrijkste elementen van het MAI.

Tijdens de onderhandelingen over de EPA’s, verwijst de

Europese Commissie naar de akkoorden van de WTO als ze

er belang bij heeft, maar wijkt ze er ook weer van af als het

in haar kraam past.

Zo eist de Commissie een strikte toepassing van het

Algemeen Akkoord inzake de Handel in Diensten (GATS), in

het bijzonder van wat men in het jargon de “mode 3” noemt,

dit wil zeggen de opheffing van de beperkingen van de investeringen

in het domein van de diensten. Welnu, het volume

investeringen afkomstig van de ACP-landen bedroeg in 2000

slechts 1,5 procent van de investeringen in de wereld.

De Europese Commissie kreeg ernstige tegenkantingen te

slikken tijdens de onderhandelingen met de WTO. Sindsdien

probeert ze haar wil op te dringen in de onderhandelingen

over de EPA’s en langs die weg toch te bekomen waarin ze

voorheen niet slaagde, in het bijzonder tijdens de

Ministeriële Conferentie van Cancun.

De Commissie wil namelijk dat de concurrentie

gegarandeerd “vrij en onvervalst” is en

ook een markt waar buitenlandse en

nationale ondernemingen op gelijke

voet behandeld worden. Verder drukt

ze op het thema investeringen, waarbij

ze de deregulering eist van het

investeringsbeleid dat nu bestaat in

het merendeel van de ACP-landen. Het

komt erop neer dat ze die landen wil

verbieden om zelf de buitenlandse investeerders

te kiezen en om zelf te bepalen welk

soort maatschappij zij wensen op te bouwen.

Om zijn eisen te rechtvaardigen, herhaalt Europa de slogans

van de drukkingsgroepen uit het bedrijfsleven die stellen dat

dereguleringen de aangroei van investeringen stimuleert.

Maar die redenering is niet meer geloofwaardig. Er verschijnen

steeds meer studies over honderden bilaterale akkoorden

die geleid hebben tot deregulering zoals de EU ze wenst

op het gebied van concurrentie, handel en investeringen.

Al deze studies relativeren de impact van deregulering op de

stroom investeringen. (4) Zelfs de Wereldbank ziet zich verplicht

te erkennen dat “de analyse van twintig jaar directe

buitenlandse investering, afkomstig van OESO-landen, naar

ontwikkelingslanden amper hebben bijgedragen tot supplementaire

investeringen.” (5)

Een enkel doel:

de Europese politiek veranderen

De Europeanen kunnen de landen uit het Zuiden helpen door

zich in te spannen om de Europese politiek te veranderen.

Op grond van het huidige artikel 133 betreffende de oprichting

van de Europese Gemeenschap, is de Europese

Commissie de enige onderhandelaar in naam van de 25 lid-


staten, zowel bij de WTO als bij de bilaterale

onderhandelingen met staten of groepen van

staten. Voor elke onderhandeling dient de

Commissie, de bron van alle voorstellen, een

mandaatvoorstel in ter goedkeuring bij de

regeringen. Het mandaat van de Europese

Commissie betreffende de internationale

commerciële onderhandelingen dateert van

1999. Het werd bevestigd in december 2003,

ondanks de klinkende afstraffing die de arrogante

Europese onderhandelaars vier maanden

eerder in Cancun hadden gekregen. De

regeringen hebben de neoliberale blanco cheque

die de Commissie hen had gevraagd,

toegestaan én bevestigd.

Het blijft een prioriteit van de Europese Unie

om in elke commerciële onderhandeling het

thema investeringen op te leggen. Dit

ondanks de feiten die het belang van de

investeringen als factor van creatie van

tewerkstelling ontkrachten en ondanks de blijvende

weigering van de landen uit het Zuiden,

wier bezwaren systematisch worden genegeerd

door de Europese Commissie. (zie

kader hiernaast)

Breken met het neokolonialisme

Tegenover zulke arrogantie blijft er maar één

enkele mogelijkheid: het mandaat van de

Commissie veranderen. Dit houdt in dat 25

nationale parlementen die dat willen bereiken,

die verandering op de agenda zetten en ze bij

hun respectievelijke regeringen aankaarten.

Het wordt tijd dat Europa breekt met alle vormen van neokolonialisme

en imperialisme. Dat is pas mogelijk als de volkeren

van Europa een driedubbele eis formuleren ten overstaan

van hun parlement, van hun regering en van het

Europees parlement:

• het verwerpen van het neoliberale dogma;

• de erkenning van het recht van de volkeren om hun economische

ontwikkeling te organiseren in volle soevereiniteit;

De ACP-landen zeggen ‘neen’.

• Op 18 januari 2005 bevestigde mr. Karl Falkenberg,

directeur van het Directoraat Generaal Handel van de

Europese Commissie, dat de ACP-landen geen enkell

bezwaar hebben tegen het integreren van bepalingen

over investeringen in de toekomstige ACP-akkoorden.

Nochtans verklaren die landen bij elke gelegenheid net

het tegenovergestelde.

• Tijdens een top in juni 2005 in Caïro, hebben de ministers

van Handel van de Afrikaanse Unie hun standpunt

herhaald. Ze stelden nogmaals dat de materies investeringen,

concurrentiebeleid en overheidsaanbestedingen

niet opgenomen mogen worden in de onderhandelingen

bij de WTO of in de onderhandelingen over de EPA.

Verslag van de AU Conference of Ministers of Trade, « AU’s

Ministerial declaration on EPA negotiations », 5-9 juni 2005, Caïro.

www.epawatch.net/documents/doc292_1.doc

• steun van de Europese Unie aan de verwachtingen van de

derde wereld tijdens de multilaterale en bilaterale economische

onderhandelingen, in plaats van ze te bestrijden.

Een verandering van mandaat dringt zich op. Het komt de

nationale regeringen toe die verandering op te leggen aan de

Europese Commissie. Maar dat zal alleen gebeuren als hun

inwoners het eisen.

1) Urfig: Unité de Recherche, de Formation et d’Information sur la Globalisation. Onderzoeksgroep. www.urfig.be

(2) Séverine Rugumamu, Le nouvel accord de partenariat entre les ACP et l’Union européenne ne résout pas tout. New York, UNDP, Coopération

Sud, nr. 2, 2000, pp. 59-73.

(3) Officieel trok Frankrijk zich terug uit het MAI omwille van het kader waarin het werd onderhandeld, niet om inhoudelijke redenen.

(4) African Development Bank, International Investment in Africa: Trends and Opportunities, 2001; A. Singh, Foreign Direct Investment and

International Agreements, South Centre, Geneva, 2001; UNCTAD, A Positive Agenda for Developing Countries: Issues for Future Trade Negotiations.

UNCTAD, Genève, 2000; World Bank, Global Economic Prospects and the Developing Countries 2003 : Investing to Unlock Global Opportunities?,

Wereldbank, Washington DC, 2003.

(5) M. Hallward-Driemeier, Do Bilateral Investment Treaties Attract FDI?, Wereldbank, Washington DC, 2003.

DEEL

2

oxfamcahier - juni 2005 29


Steun de campagne

30 oxfamcahier - juni 2005

van Oxfam-Solidariteit

Campagne voeren, het vakantiewerk van Oxfam-Solidariteit: zie pagina 55


GEEN VERGIFTIGD GESCHENK.

Social investeren!

Waardig werk. We staan er op!

Voor arbeidsrechten in Noord en Zuid

Investeringen

zijn soms als

een paard van Troje:

een vergiftigd

geschenk.


Kapitaal aan banden leggen

De nefaste bijverschijnselen van

vrije kapitaalstromen

MYRIAM VANDER STICHELE, SOMO (1)

INVESTERINGSVERDRAGEN DRAAIEN DE CONTROLE OP KAPITAAL AL TE VAAK TERUG. DOOR

GEBRUIK TE MAKEN VAN DE VRIJHEID VAN KAPITAALSTROMEN, KUNNEN INVESTEERDERS OP VER-

SCHILLENDE MANIEREN PROBLEMEN VEROORZAKEN, MET SOMS DESASTREUZE GEVOLGEN.

Waarom ontwikkelingslanden de vrijheid

van kapitaal aan banden leggen?

Ontwikkelingslanden hebben lange tijd de in- en uitvoer van

geld en buitenlands kapitaal beperkt en gecontroleerd. En

een bedrijf of een persoon moest toestemming krijgen om in

buitenlandse munt te betalen, buitenlanders mochten geen

aandelen kopen van binnenlandse bedrijven. Om de buitenlandse

schulden terug te kunnen betalen, wilden de overheden

van sommige ontwikkelingslanden het beheer van buitenlandse

valuta in eigen handen houden en niet overlaten

aan de vrije markt. Zonder kapitaalcontrole kan de waarde

van een munt snel veranderen, mét nefaste gevolgen.

Verdragen draaien kapitaalcontrole terug

• Vele bilaterale investeringsverdragen:

> bepalen dat alle buitenlandse betalingen die verband

houden met de gedane investering, vrij mogen worden

overgemaakt naar het buitenland. Onder die maatregel

valt het onmiddellijk terugsluizen van winsten en van geld

uit de verkoop van de investering;

> beschouwen het kopen van bedrijfsaandelen ook als

een vorm van investering. Deze investeringen zijn van

speculatieve aard maar worden toch beschermd door de

bepaling van ‘kapitaalvrijheid’ en de bepaling van ‘nationale

behandeling’, en door de clausule van de ‘meest

begunstigde natie’ (zie p. 14);

> bevatten geen clausules waardoor de gastlanden maatregelen

mogen nemen om de vrijheid van betalingen door

investeerders op te schorten bij financiële problemen van

een land. Waar wel zo’n clausule opgenomen is, zijn

maatregelen aan allerlei voorwaarden gebonden.

• Veel handelsverdragen bevatten eveneens artikelen om

investeringen te liberaliseren, soms zelfs inclusief korte-

DEEL

3

oxfamcahier - juni 2005

31


DEEL

3

32 oxfamcahier - juni 2005

Kapitaal aan banden leggen

termijninvesteringen en speculatieve investeringen zoals

het kopen van aandelen.

• Enkele Europese regionale handelsakkoorden met ontwikkelingslanden

bevatten bepalingen dat overheden

geen beperkingen mogen opleggen aan betalingen en

kapitaalstromen in buitenlandse munt die te maken hebben

met investeringen. Bij serieuze financiële problemen

mogen de gastlanden maatregelen nemen. Opmerkelijk is

dat sommige Europese regionale handelsakkoorden bepalen

dat er gestreefd wordt om in de toekomst alle kapitaalstromen

vrij te maken, ook al zijn ze niet aan investeringen

gebonden!

• Ook het GATS-verdrag (Algemeen Akkoord inzake de

Handel in Diensten):

> bevat bepalingen om alle betalingen door investeerders

in de dienstensector vrij te laten;

> legt aan landen de verplichting op kapitaal vrij binnen te

laten bij bepaalde soorten diensteninvesteringen;

> kan bij investeringen door banken, verzekeraars en

andere financiële diensten (bv. pensioen- en beleggingsfondsen)

tot grote financiële onstabiliteit leiden;

> stimuleert kortetermijninvesteringen. Zo vraagt de EU

binnen de GATS-onderhandelingen aan Chili om de

beschermende maatregel weg te nemen die verplicht het

kapitaal ten minste een jaar in Chili te laten.

Eigenaardig genoeg hebben ontwikkelde landen onderling

geen investeringsverdragen met elkaar gesloten. Dat komt

omdat ze onder elkaar een OESO-Code voor liberalisering

van kapitaalbewegingen hebben afgesproken, zonder strenge

mechanismen om de code afdwingbaar te maken. Deze

OESO-Code liberaliseert veel soorten kapitaal en investeringen.

Maar dat betekent niet dat ieder land uitzonderingen

mag maken en mag ingrijpen in geval van problemen op de

betalingsbalans.

Waarom die vrijheid voor investeerders?

De clausule in investeringsverdragen om geld naar het buitenland

vrij over te maken in buitenlandse munt, wil ervoor

zorgen dat investeerders geen hindernissen ondervinden

wanneer ze bv. importproducten voor productie in het investeringsland

willen betalen of hun winsten willen terugsluizen.

Wanneer investeerders hun investering verkopen, willen ze

niet verplicht worden om nog langer hun geld in het land te

moeten houden, hoe kort het er ook geweest is.

Investeerders zien elke vertraging of hindernis in betalingen

als een inbreuk op hun doeltreffendheid en op hun streven

om winst te maken. Zo’n betalingsclausule is dus een

beschermingsmaatregel voor de investeerders; ze is bedoeld

om investeerders aan te trekken.

Problemen door de vrijheid van kapitaal

Er ontstaat echter een zeer groot probleem wanneer op een

bepaald moment te veel kapitaal naar het buitenland stroomt

en omgezet wordt in buitenlandse munt. De lokale munt

komt dan onder druk te staan. Overheden proberen een

muntontwaarding tegen te gaan door tussen te komen op

de wisselmarkten met de eigen, soms schaarse, reserves

aan buitenlandse munt.

Als de lokale munt toch in waarde vermindert, wordt het

duurder om de buitenlandse schuld terug te betalen. De

ingevoerde producten worden duurder en exporteurs krijgen

minder betaald in buitenlandse munt. Er is een tekort aan

buitenlandse muntreserves en de betalingsbalans is volledig

uit evenwicht. Een economische crisis met minder jobs en

meer armoede is dan vaak het gevolg

Door gebruik te maken van die vrijheid van kapitaalstromen,

kunnen investeerders op verschillende manieren problemen

veroorzaken:

1) Geen garantie op langdurige

investeringen

In tegenstelling tot wat vroeger werd beweerd, willen investeerders

vaak zo snel mogelijk winst maken om hun aandeelhouders

tevreden te stellen. Meer dan 50 procent van de

directe buitenlandse investeringen wereldwijd bestaat uit het

opkopen van lokale of geprivatiseerde bedrijven. Vooral

investeerders die aandelen kopen, willen vaak snel winst zien

of hebben uitdrukkelijk speculatieve bedoelingen. Zodra de

investeerders niet genoeg winst maken of veranderen van

strategie, worden die investeringen opnieuw verkocht.

Ontwikkelingslanden hebben soms langere tijd nodig om

investeringen te doen renderen en om het nut ervan te

ondervinden. Met andere woorden, landen hebben geen

enkele garantie dat de rechten die aan investeerders zijn

gegeven in de investeringsakkoorden, ook worden beloond

met langdurige investeringen die een positief effect hebben.

De investeringsakkoorden zijn gegarandeerd voor een langere

periode, de investeringen niet.

2) Transacties kunnen een munt

destabiliseren

De sommen geld die directe investeerders versluizen kunnen

soms zeer groot zijn. Wanneer een land veel investeerders

heeft, kunnen zelfs het repatriëren van al hun winsten of hun

betalingen voor import zo groot zijn dat het een invloed heeft

op de stabiliteit van een munt. Vooral in kleine ontwikkelingslanden

kunnen de uitstroom of instroom van grote kapitalen

de wisselkoers beïnvloeden. Bij een grote uitstroom

kan dat een waardevermindering van de munt veroorzaken.

In sommige landen leidt dit tot een economische crisis.

3) Speculatief kapitaal kan een financiële

crisis veroorzaken

Wanneer verdragen ook speculatief kapitaal (zoals aandelen)

als investeringen beschouwen en kapitaalvrijheid garanderen,

of wanneer (in de toekomst) vrijheid van kapitaal niet

gebonden moet zijn aan investeringen, dan kunnen landen in

een financiële crisis terechtkomen.


Gevolgen van de liberalisering

Gevolgen in Azië:

Het liberaliseren van kapitaalstromen in de jaren ‘90 was

een belangrijke oorzaak van de financiële en economische

crisis in Azië in 1997-98. Zuid-Korea was bovendien

lid geworden van de OESO in oktober 1996 en had

dus zijn kapitaalstromen moeten liberaliseren volgens de

OESO-Code voor liberalisering van kapitaalstromen.

• Gedurende de jaren ‘90 kwamen niet alleen langetermijninvesteringen

binnen, maar werden ook veel aandelen

van Aziatische bedrijven opgekocht en werd

aan speculatieve beleggingen gedaan. Bovendien

werden er veel en té riskante kortetermijnleningen

verstrekt door buitenlandse banken. Wanneer die

kortetermijnleningen moeilijk terug te betalen waren,

gingen speculanten de munt onder druk zetten.

Investeerders verloren hun vertrouwen en verkochten

massaal hun aandelen.

• De grote kapitaaluitstroom maakte het bijna onmogelijk

om de muntwaarde te behouden. De overheden

van Thailand, Zuid-Korea en Indonesië verkochten

massaal dollars (2) om het tij te doen keren. Ze durfden

niet opnieuw kapitaalcontroles in te voeren om

investeerders niet af te schrikken, alleen Maleisië durfde

dat wel. Toch zijn de muntwaarden enorm gezakt

Ontwikkelingslanden krijgen te weinig

bescherming

Sommige, maar niet alle, investeringsverdragen bevatten

bepalingen die landen het recht geven om maatregelen te

nemen als hun betalingsbalans of monetair beleid ontwricht

worden door onstabiele vrije kapitaalstromen.

Dat recht geldt enkel voor een beperkte tijd en is aan verschillende

condities gebonden. De maatregelen kunnen enkel worden

genomen als er al schade geleden is, ze kunnen in geen

geval als voorzorgsmaatregel dienen.

waardoor de leningen en importen heel duur werden.

• De zware economische crisis die volgde, leidde tot

veel werkeloosheid en deed de armoede- en zelfmoordcijfers

drastisch stijgen. Meer exporteren, vaak

ten koste van het milieu, was een van de maatregelen

tegen de crisis. De bedrijven die juist in deze moeilijke

economische tijden aandelenkapitaal nodig hadden,

konden op weinig ‘durfkapitalisten’ rekenen. In

de daarop volgende jaren werden wel veel noodlijdende

bedrijven door buitenlandse bedrijven overgenomen…die

dan weer vrijheid van kapitaalbeweging

kregen onder de investeringsverdragen.

Gevolgen in Argentinië:

Ook in Argentinië stond de vrijheid van kapitaalbeweging

voorop, zelfs toen buitenlandse investeerders het vertrouwen

verloren en aandeelhouders of speculanten

massaal hun kapitaal uit het land terugtrokken.

• In 2001 volgde een zware financiële en economische

crisis met een ongeziene werkloosheid en armoede

die tot vandaag voortduren. Toen de Argentijnse overheid

op een bepaald moment begon in te grijpen,

hebben buitenlandse banken vliegtuigen en vrachtwagens

vol met dollars het land uitgestuurd!

Veel landen die investeringsverdragen afsluiten, staan al onder

verregaande verplichtingen van het IMF (Internationaal

Monetair Fonds) en de Wereldbank om alle kapitaalstromen vrij

te laten. Na de Aziatische financiële crisis die gevolgd werd

door financiële crisissen in Rusland en Latijns-Amerika, heeft

het IMF eindelijk toegegeven dat het liberaliseren van kapitaalstromen

langzaam moet gebeuren en moet begeleid worden

met de nodige maatregelen of wetgeving.

De ironie is dat vrijhandels- en investeringsakkoorden verder

gaan met het vrijmaken van alle kapitaalstromen en de ervaringen

van schadelijke financiële crisissen naast zich neerleggen.

(1) Stichting SOMO: verricht onderzoek naar multinationale ondernemingen. www.somo.nl

(2) De overheden kopen dan bv. met hun dollarreserves de lokale munt (tegen de wisselkoers), dit is. ze verkopen dollars. Zo komt de vraag naar

de lokale munt weer in evenwicht met de vraag naar dollars, veroorzaakt door de kapitaaluitstroom. Hier geldt met andere woorden de wet van

vraag en aanbod op een vrije markt. Wanneer de uitstroom zo groot is dat de overheid onvoldoende tegenaankopen kan doen, vermindert

de waarde van de munt.

DEEL

3

oxfamcahier - juni 2005

33


DEEL

3

34 oxfamcahier - juni 2005

Verzekerde investeringen

Tegen risico’s beschermd

door Delcredere.

DANIEL VAN DAELE, FEDERAAL SECRETARIS ABVV, LID BEHEERSRAAD DELCREDERE

DE GLOBALE ECONOMIE GEEFT CONCREET GESTALTE AAN EEN MAATSCHAPPIJMODEL DAT ALLES-

BEHALVE DUURZAAM IS. IN DIT MODEL HEEFT COMPETITIVITEIT VOORRANG OP DE VOORDELEN VAN

SAMENWERKINGSVERBANDEN. EN DE VRIJHANDEL PRIMEERT - ZONDER BELEMMERINGEN NOCH

DWINGENDE REGELS - OP EEN BESCHERMENDE REGULERING VAN DE SOCIALE EN MILIEURECHTEN.

DIT ALLES BRENGT ONZE WERELDECONOMIE IN GEVAAR, WANT ZIJ WORDT UITSLUITEND GELEID

DOOR DE ZORG OM STEEDS MEER KAPITAAL OP TE STAPELEN.

We moeten ons ontwikkelingsmodel dringend herzien.

Als exportland beschikt België over de nodige middelen

om dat te doen. De Delcrederedienst is daar een voorbeeld

van. Maar dan moeten we wel een andere maatschappij

willen en beslissingen in die zin nemen.

Wat is het? Hoe werkt het?

Delcredere is een autonome overheidsinstelling met als

opdracht internationale economische betrekkingen te bevorderen.

Ze doet dit door haar cliënten te beschermen tegen de verschillende

risico’s verbonden aan de internationale handel.

Exportkredietverzekeringen zijn een soort contract tussen de

garanderende instelling of bank, de afnemer van de goederen

en de exporteur. Enerzijds beschermen ze de afnemer

tegen bijvoorbeeld onvolledig geleverde prestaties.

Anderzijds beschermen ze ook de exporteur tegen de commerciële

risico’s zoals het faillissement van de koper.

Ze bieden ook een bescherming tegen politieke risico’s: oorlogen,

staatsgrepen, onteigening of andere overheidsbeslissingen

of externe gebeurtenissen die de financieel-economische

situatie verstoren, zoals bankcrisissen, gebrek aan sterke

valuta, handelsbelemmeringen, de devaluatie van de

munt, een te hoge schuldenlast…

Bijkomende voorwaarden

De internationaal afgesproken milieunormen dienen gerespecteerd

te worden en Delcredere zal steeds proberen de

belangen van de gemeenschap en die van de exporteurs te

verzoenen, door een Milieu Effect Rapportering te eisen voor

projecten welke in een kwetsbare zone gepland worden.

Delcredere zet zijn exporteurs aan ook de sociale normen na te

leven die opgenomen zijn in de OESO-richtlijnen voor multinationale

ondernemingen. In de OESO-richtlijnen wordt ondermeer

gepleit voor het respecteren van het recht van werknemers

op vereniging en collectief onderhandelen, het bijdragen

tot uitroeiing van gedwongen tewerkstelling en kinderarbeid en

het voorkomen van alle vormen van discriminatie.

Onze noorderburen staan verder op het vlak van Maatschappelijk

Verantwoord Ondernemen (MVO). ‘Atradius’, de

Nederlandse evenknie van onze Delcredere, heeft van de

Nederlandse regering immers de opdracht gekregen een

duidelijke inspanningsverplichting te vragen aan haar ondernemers

in verband met bovenstaande OESO-richtlijnen.

Ten minste indien deze gebruik willen maken van exportkredietverzekeringen

of investeringsverzekeringen met Staatsgarantie.


Zo moet er bij de aanvraag ondermeer verklaard worden dat

men kennis heeft genomen van de OESO-richtlijnen en dat

men zich zal inspannen deze naar vermogen toe te passen

en dat men zich zal onthouden van omkoping. Bij de aanvraag

van een investeringsverzekering moet bovendien aangegeven

worden of er bij de investering en haar looptijd

sprake is geweest van kinderarbeid, gedwongen tewerkstelling

of een beperking van het recht op vereniging en collectieve

onderhandeling voor werknemers. Gegronde vrees dat

deze fundamentele arbeidsnormen (zullen) worden geschonden,

zal mede als afwijzingsgrond voor een aanvraag worden

beschouwd.

De TUAC (Trade Union Advisory Committee to the OECD),

waar ook het ABVV deel van uit maakt, deelt de visie dat het

toekennen van exportkredietgaranties afhankelijk moet

gemaakt worden van het respecteren van de fundamentele

arbeidsnormen en de bredere mensenrechten. Het recht op

vereniging en onderhandeling binnen de OESO-richtlijnen is

immers een hefboom in de ontwikkeling van sociale normen

voor de werknemers ter plaatse. Zeker in risicolanden, waar

werknemers en hun vakbonden dikwijls in een zeer zwakke

positie zitten, kan de promotie van deze fundamentele

arbeidsnormen door het exportland de noodzakelijke steun

in de rug bieden.

Een groot aantal landen heeft zich, met het ondertekenen

van de OESO-richtlijnen, geëngageerd om zijn verantwoordelijkheid

te nemen ten aanzien van een aantal minimumnormen

in de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen

en deze normen ook te promoten. Dit zowel voor

ondernemingen die op hun grondgebied werkzaam zijn als

voor deze die actief zijn in andere landen. De bijzondere

omstandigheden in elk gastland worden hierbij ook in acht

genomen. Om coherent te zijn met de volledige inhoud van

de OESO-richtlijnen dient men dus ook sociale voorwaarden

te koppelen aan exportkredieten.

Social labelling

Zoals in meerdere beleidszaken heeft de overheid ook hier

een voorbeeldfunctie: zij kan het maatschappelijk verantwoord

ondernemen belonen. Het mag dan ook gezegd worden

dat de Belgische overheid koploper is inzake de integratie

van sociale en ethische criteria bij de keuze van toekenning

van overheidsopdrachten. Zo was er begin dit jaar

de rondzendbrief die expliciet stelt dat alle aan het gezag van

de Staat onderworpen instellingen de ecologische en ethische

voorwaarden, vermeld op de website www.gidsvoorduurzameaankopen.be,

moeten toepassen. Dit geldt ondermeer

voor kantoor- en keukenbenodigdheden, reinigingsproducten,

verpakkingmateriaal, meubilair, voertuigen…

Bovendien moeten de inschrijvers zich engageren tot het

naleven van de 8 basisconventies van de Internationale

Arbeidsorganisatie, tenzij hun producten het Belgische

Sociaal label of iets gelijkwaardigs hebben verkregen. Het

ontbreken van een dergelijk engagement of het niet respec-

teren van dat engagement bij de uitvoering van de opdracht

vormt een grond voor uitsluiting. Het ABVV hoopt dat het

sociale labellen onder impuls van de overheidsuitbestedingen

evolueert naar een standaard voor alle bedrijfsactiviteiten.

In de praktijk worden de sociale en ethische criteria momenteel

niet specifiek onderzocht bij het toekennen van

Delcrederesteun. Ten eerste ontbreekt het de raad aan

betrouwbare gegevens hierover. Ten tweede heeft de instelling

een louter economische functie. Ten derde heeft de

instelling er alle belang bij snel te kunnen beslissen. Bedrijven

en regionale politieke niveau’s moeten echter ook een rol

spelen in het respect voor de vermelde criteria. En ten slotte

heeft de vakbeweging slechts een beperkte bevoegdheid

binnen de Delcrederedienst.

Bovendien mag niet vergeten worden dat de vakbond deelneemt

met een economisch mandaat en in eerste instantie

bezig is met de arbeidsvoorwaarden in een ruimere context

van economische evoluties.

Het ABVV kijkt met bijzondere aandacht naar de recente ontwikkelingen

in verband met de wetsvoorstellen in de federale

Kamer van Dirk Van Der Maelen (sp.a), Geert Lambert (Spirit)

en die van Marie Nagy & Muriel Gerkens (Ecolo). In de Senaat

ligt ondertussen een wetsvoorstel van Sabine de Bethune

(CD&V) over Delcredere te wachten op bespreking. Het voorstel

van Van der Maelen is het oudste en meteen het meest

verregaande. In dat voorstel stelt hij de oprichting voor van een

ethische commissie die Belgische bedrijven kan screenen op

hun activiteiten indien er klachten zijn. We zijn op de goede

weg. De hoorzittingen over dit wetsvoorstel in de kamercommissie

zijn uitgesteld tot september of oktober van dit najaar.

De opdracht van Delcredere

• Zijn cliënten beschermen tegen de risico’s die verbonden

zijn aan de internationale handel, vooral in de

opkomende markten en in de ontwikkelingslanden;

• De internationale economische betrekkingen bevorderen,

door de dekking van risico’s op het gebied

van export, import, en buitenlandse investeringen;

• Wisselrisico’s dekken, transitotransacties verzekeren,

tussenbeide komen bij exportfinanciering. De verzekering

geldt vooral voor markten buiten de OESO.

In het internationale vlak is Delcredere rechtstreeks

betrokken bij de activiteiten in het kader van de

Europese Unie, de OESO en de Club van Parijs. Hij

is ook lid van de Berner Unie (Internationale Unie van

Verzekeraars van Kredieten en Investeringen).

DEEL

3

oxfamcahier - juni 2005

35


DEEL

4

36 oxfamcahier - juni 2005

Moderne slavernij

Sociale wetgeving op de tocht

in Centraal-Amerika

KARIN LIEVENS

DE MAQUILAS ZIJN HÉT VOORBEELD BIJ UITSTEK VAN DE ECONOMISCHE GLOBALISERING. HET ZIJN

ENCLAVES VAN MULTINATIONALE ONDERNEMINGEN IN EEN GEBIED WAAR GOEDKOPE ARBEIDS-

KRACHTEN VOORHANDEN ZIJN EN WAAR BEDRIJVEN ONGEREMD KUNNEN GENIETEN VAN FISCALE

EN ANDERE VOORDELEN, ZOALS BELASTINGVRIJSTELLING EN GUNSTIGE WISSELKOERSEN. DE NEO-

LIBERALE REGERINGEN IN CENTRAAL-AMERIKA ZORGEN ERVOOR DAT DE BUITENLANDSE INVES-

TEERDERS GEEN HINDER ONDERVINDEN VAN LASTIGE WETTEN.

De investeringspolitiek

Meer dan 330.000 mensen (vooral vrouwen) werken in de

maquila-industrie, in assemblagebedrijven gevestigd in vrijhandelszones.

Zij vormen slechts een klein radertje in de productiemachine

van de multinationale ondernemingen, en zijn

zo goed als volledig aan hun willekeur onderworpen.

De maquila-industrie

Een vrouw die in Guatemala in een textielbedrijf hemden

stikt, weet niet eens wie haar echte opdrachtgever is en

beseft dat ze bij de minste fout door een andere arbeidster

vervangen wordt. De fabriek waar ze werkt kan zelfs van de

ene dag op de andere naar een ‘gunstiger’ land overgeplaatst

worden. Van haar regering moet ze niet veel steun

verwachten, want die doet er alles aan om met de buiten-

landse investeerders op goede voet te staan. De multinationals

maken optimaal gebruik van de armoede die heerst in

landen als El Salvador, Nicaragua, Honduras of Guatemala.

De economische globalisering zoals we die vandaag kennen,

is het resultaat van de herstructurering van het kapitalisme,

waardoor kapitaal, goederen en diensten zich steeds vrijer

over de planeet mogen bewegen. Overal ter wereld hanteren

de multinationale bedrijven dezelfde economische doelstellingen.

Van het land waar ze hun productieketen opzetten

verwachten ze zo laag mogelijke loonkosten, lage inflatie, zo

weinig mogelijk commerciële grenzen, een vaste wisselkoers

en een minimale arbeidswetgeving. De lokale overheid laat

zich door de buitenlandse investeerders gijzelen, met het

argument dat die voor werkgelegenheid zorgen. Dat het niet

om duurzame jobs gaat en dat de werknemers (vooral vrou-


wen) veel te weinig verdienen, is blijkbaar geen punt. De bijdrage

van de maquilas aan de nationale economie is misschien

wel belangrijk om de betalingsbalans in evenwicht te

houden en de uitvoer te diversifiëren, maar brengt geen

wezenlijke verbetering van de levensomstandigheden van de

arbeidsters met zich mee. En toch blijft de sector groeien. In

Nicaragua hebben de laatste drie regeringen de investeerders

zo in de watten gelegd dat de maquilas nu al voor een

vierde van de werkgelegenheid instaan.

Regeringen spreiden bedje

voor investeerders

Uit een recent onderzoek van Oxfam International, uitgevoerd

in El Salvador, Nicaragua, Honduras en Guatemala,

blijkt dat de regeringen van die landen hun commerciële

grenzen zo wijd mogelijk willen openstellen.(1) De belangrijkste

strategie voor de ontwikkeling van hun land bestaat uit

het aantrekken van buitenlandse investeringen. Sinds de

jaren negentig heerst er in de regio een meer stabiel klimaat

voor de investeerders, en er wordt ook gegoocheld met

betere macro-economische cijfers.

Diverse handelsovereenkomsten (Iniciativa de la Cuenca del

Caribe, Plan Pueblo Panamá, ALCA) zorgen ervoor dat

Centraal-Amerika een aantrekkelijke en bevoorrechte handelspartner

blijft voor de Verenigde Staten.(2)

De huidige handelswetgeving in de vier landen van Centraal-

Amerika is coherent met de economische neoliberale politiek.

Zo zijn er diverse regimes in het leven geroepen (soorten

vrijhandelszones) waar de maquilabedrijven onbeperkt

hun gang kunnen gaan en waar ze genieten van een serie

fiscale voordelen. De bedrijven moeten bij voorbeeld geen

belastingen betalen op de in- en uitvoer van grondstoffen en

machines. Ze betalen geen BTW, ze kunnen gebruik maken

van speciale loketten die diensten verlenen aan de investeerders,

zoals het regelen van douaneformaliteiten. De buitenlandse

investering wordt op dezelfde hoogte geplaatst als

de binnenlandse, het kapitaal mag zonder meer terugvloeien

naar het land van herkomst. Investeerders kunnen zonder

veel problemen een verblijfsvergunning krijgen in het land

waar ze produceren. In Honduras schenkt de regering

bovendien het terrein waar de maquilas op gevestigd zijn

aan de investeerder.

Boven de grondwet geplaatst

Heel wat van die handelswetgeving is in tegenstrijd met de

Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de

Verenigde Naties (VN). De beschermingsmechanismen waar

de buitenlandse investeringen over kunnen beschikken (via

de Wereldbank (WB) en de Wereldhandelsorganisatie (WTO))

plaatsen zich boven de grondwet. Als een investeerder met

zijn activiteiten het milieu schaadt, dan treden er bemiddelingsmechanismen

in werking die altijd de investeerder

bevoordelen en waarbij de staat het onderspit zal delven. In

DEEL

4

oxfamcahier - juni 2005 37


DEEL

4

38 oxfamcahier - juni 2005

Moderne slavernij

de hele wetgeving over maquilas vonden de onderzoekers

slechts één verwijzing naar het feit dat de buitenlandse

investeerders rekening moeten houden met de lokale

arbeidswetgeving: in El Salvador staat in de wet op de vrijhandelszones

dat een bedrijf bij sluiting een schadevergoeding

moet betalen aan de werknemers.

Momenteel trekt Guatemala de meeste buitenlandse investeringen

aan van de vier landen. Dit ondanks het feit dat de

Guatemalteekse overheid sinds 2000 een (minimale) belasting

heft op de maquilas en de ‘hoogste’ lonen hanteert.

Maar Guatemala beschikt over de beste infrastructuur en

over meer gedisciplineerde handarbeidsters. Desondanks

bedraagt het loon van een Guatemalteekse arbeidster maar

13,5 procent van wat een Amerikaanse vrouw voor hetzelfde

werk zou verdienen.

Een gebrekkige arbeidswetgeving

De internationale akkoorden

Als lid van de internationale gemeenschap zijn de vier landen

van Centraal-Amerika gebonden aan de internationale conventies

die ze ondertekend hebben, zoals de Universele

Verklaring van de Rechten van de Mens. Honduras heeft het

bijkomende protocol van de Conventie over Economische,

Sociale en Culturele Rechten van de Mens van de VN echter

niet ondertekend. Nicaragua keurde het evenmin goed. Dit is

niet toevallig het protocol dat de voornaamste rechten van

de arbeidsters opsomt en hun de mogelijkheid biedt een

werkgever aan te klagen als die hun rechten schendt. Ook

een aantal recentere internationale akkoorden over de

bescherming tegen discriminatie van de vrouw,

zijn door Honduras, Nicaragua en El Salvador

niet onderschreven.

De conventies van de Internationale

Arbeidersorganisatie (ILO) (3) zijn een ander

belangrijk instrument voor de arbeidsrechten

op internationaal vlak. Met enige variaties

hebben de vier landen de acht fundamentele

conventies ondertekend, met uitzondering van El

Salvador dat de conventies 87 (vakbondsvrijheid en de

bescherming van het recht op vakbondsaansluiting) en 98

(recht op vakbondslidmaatschap en collectieve onderhandelingen)

niet heeft goedgekeurd.

Drie conventies die van toepassing zijn op de arbeidsters in

de maquilas werden door deze landen ook niet ondertekend.

Het gaat om conventie 183 (de bescherming van het moederschap)

en conventies 156 (over arbeiders met familiale

verantwoordelijkheid) en 177 (over thuiswerk).

De plaatselijke wetgevingen

Elk land heeft sinds de jaren ‘70 zijn eigen arbeidswetgeving,

die in de jaren ’90 meestal gewijzigd werd. Over het algemeen

is deze wetgeving weinig van toepassing op de specifieke

situatie van de vrouwen in de maquilas. Het is boven-

De huidige

handelswetgeving

in de vier landen van

Centraal-Amerika is

coherent met de

economische neoliberale

politiek.

dien zeer moeilijk om de schendingen van die rechten te

registreren. Noch het ministerie van Arbeid, noch de arbeidsrechtbanken

beschikken over exacte cijfers van de aanklachten

tegen de maquilas.

De meeste arbeidsters durven bovendien geen beroep doen

op de bevoegde openbare instanties en daardoor blijven

heel wat van die schendingen verborgen. Elke dag worden

de arbeidsrechten van de vrouwen geschonden, zowel op

professioneel als op persoonlijk vlak. Een extreem voorbeeld

is dat van een arbeidster die stierf omdat haar werkgever

weigerde toestemming te geven om op consultatie te gaan

bij de dokter. Dit verklaart hoe een schending van het

arbeidsrecht ook andere rechten aantast, namelijk het recht

op leven en op gezondheid.

• Salaris/ arbeidsuren/premies

Elk van de vier onderzochte landen hanteert een minimumloon,

maar dat is onvoldoende om in het levensonderhoud

van de arbeidsters te voorzien. In Nicaragua bedraagt het

minimumloon 69 dollar, maar daarmee kan een arbeidster

slechts 48 procent van de basisproducten kopen. In El

Salvador is het minimumloon in 2003 verhoogd met 5 procent,

maar dat bedrag dekt slechts 60 procent van de totale

kosten om te kunnen overleven.

Alleen in El Salvador en Honduras staat het principe ‘gelijk

loon voor gelijk werk’ in de arbeidswetgeving. Maar in het

geval van de maquila’s krijgen alleen mannen de betere jobs

en dus ook meer loon. Premies zijn ook niet in de wetgeving

opgenomen en hangen dus volledig van de welwillendheid

van de werkgever af. Alleen in Honduras en Guatemala

voorziet de wet in een bonus op het einde van jaar.

• Werkzekerheid, contracten en sociale voorzieningen

De werkzekerheid is zonder twijfel het

aspect dat het meeste invloed ondervindt

van het economische model dat afstuurt op

meer flexibiliteit. De arbeidsters worden op

een snelle en dynamische manier aangenomen,

meestal door onderaannemers, en ze krijgen

geen kopie van hun contract. Hoewel de wet bepaalt

dat de contracten van onbepaalde duur moeten zijn en dat

tijdelijke slechts een uitzondering mogen zijn, is het in de

praktijk net andersom.

De wetgeving voorziet in uitzonderingen op het principe van

de werkzekerheid, maar die zijn veel te toegankelijk en kunnen

ertoe leiden dat de uitzondering de regel wordt. Het duidelijkste

voorbeeld is de mogelijkheid om contracten op te

zeggen en de gevallen waarin een tijdelijke aanwerving

mogelijk is. Via deze weg kunnen de werkgevers voor een

bepaalde tijd stoppen met het uitbetalen van het loon om

verschillende redenen, zoals het ontbreken van grondstoffen

of een staking. In die gevallen wordt meestal gebruik

gemaakt van juridische termen als overmacht. (Zie kadertje

Ontslag als eindejaarspremie pag. 39)


Sommige landen hebben geprobeerd die wetten te wijzigen

– lees: nog te versoepelen - om de investeerders te behagen,

maar dat is op verzet gestoten.

• Gezondheid, sociale zekerheid en bescherming van het moederschap

Zoals eerder vermeld heeft geen enkel land de ILO-conventie

183 in verband met het moederschap ondertekend. Dat

zorgt voor dagelijkse misbruiken, zoals ontslag omwille van

zwangerschap, een andere job moeten aanvaarden omwille

van moederschap, bedreigingen als

een werkneemster zwangerschapsverlof

wil nemen, enz.

Het werk in de maquilas veroorzaakt

heel wat beroepsziekten (artritis,

migraine, longziekten,...) door het

werken met textiel en kleurstoffen,

maar die komen nog steeds niet in

aanmerking voor de sociale zekerheid.

De wetgeving is niet mee geëvolueerd

met de nieuwe soort beroepsziekten

die door die specifieke tewerkstelling

veroorzaakt worden. In Guatemala en

Eind november 2002 schorste het bedrijf Anthony

Fashions (Noord-Amerikaans en Hondurees kapitaal) alle

700 werkneemsters in de vrijhandelszone San Bartolo in

El Salvador. Als reden gold dat hun belangrijkste klanten

Leslie Fay en Liz Clayborne geen bestellingen meer hadden

geplaatst.

• Op 20 december kregen de arbeidsters hun eindejaarspremie

niet, noch hun salaris van de voorbije 15

dagen. Ze ontvingen wel het bericht dat iedereen ontslagen

werd. Dankzij heel wat protestacties kregen ze uiteindelijk

op 30 december het achterstallige salaris uitbetaald,

maar een eindejaarspremie was er niet bij.

• Bovendien was er nog iets aan de hand. Gedurende de

laatste 15 maanden had het bedrijf zijn bijdragen voor

pensioen en sociale zekerheid niet betaald aan de staat,

terwijl de bijdragen al die tijd wel afgehouden werden van


Ontslag als eindejaarspremie

Honduras scheren ze gewone ziekten en beroepsziekten

nog steeds over dezelfde kam.

• Recht op vereniging en vakbondslidmaatschap

Er zijn landen waar de vereisten voor collectieve onderhandelingen

veel te streng zijn waardoor ze het recht op vereniging

in de praktijk onbestaande maken. In El Salvador moet

een vakbond de helft plus één van de arbeiders verenigen,

om gebruik te kunnen maken van die rechten. In een gesloten

omgeving als de maquilas is dat vrijwel onmogelijk.

Praktijken als bedreigingen, intimidaties

en ontslag zijn dagelijkse kost. Er

circuleren ook zwarte lijsten van

‘gevaarlijke’ werknemers. In Guatemala

zijn slechts drie vakbonden

erkend op de 413 textielfabrieken in

de maquilas. In Honduras kunnen de

arbeiders van een maquila geen staking

organiseren als die niet is goedgekeurd

door het ministerie van

Arbeid, omdat de maquilas daar

ondergebracht zijn bij de openbare

sector.

de salarissen. Ondertussen was het volop bezig een

nieuw bedrijf op te starten en alle activiteiten naar daar

over te hevelen. De arbeidsters dienden meer dan 200

aanklachten in bij de belastingsdienst wegens fraude

(zeg maar diefstal). Ze eisten ook een tussenkomst van

de minister van Arbeid, maar die deed niets.

• In januari 2003 verklaarde de minister dat hij het bedrijf

een zware boete had opgelegd, maar de arbeidsters

hebben daar geen bewijs van gezien. Integendeel, de talloze

bezoeken van de inspecteurs van het ministerie van

Arbeid eindigden steeds in het kantoor van de eigenaar,

Jorge Paz, die als motto hanteert dat ‘geld alles regelt’

en die opschept met zijn goede relaties met het ministerie.

Sinds de bezoeken werden de arbeidsters en de vakbonden

elke toegang tot de dossiers van het ministerie

van Arbeid geweigerd.

DEEL

4

oxfamcahier - juni 2005 39


DEEL

4


40 oxfamcahier - juni 2005

Moderne slavernij

Conclusies

Meer flexibiliteit

De onderzoekers van de studie van Oxfam International zijn

het erover eens dat de bestaande arbeidswetgeving

geschikt en voldoende is, maar dat de problemen vooral in

de praktijk liggen. In alle landen wordt de plaatselijke wetgeving

door de internationale akkoorden op het vlak van arbeid

en tewerkstelling gedwarsboomd. Het pijnlijke is dat die wetgeving

en akkoorden geen deel uitmaken van de dagelijkse

praktijk van veel functionarissen en ondernemers, noch van

de arbeiders die meestal geen weet hebben van al die rechten

en akkoorden.

Een belangrijke vaststelling is dat de huidige globalisering en

de tekortkomingen in de werkomgeving leiden tot meer flexibiliteit.

Dé strategie van de multinationals om nog meer winst

te maken.

Wetgeving rond loon, schadevergoedingen, vakanties, eindejaarspremies

en dergelijke vormen een belemmering voor

de investeringen. Maar in elk van die landen vindt de facto

een flexibilisering plaats omdat heel wat van de wetten niet

toegepast worden.

Meer werk?

De vier landen van Centraal-Amerika hebben nog niet de

grote golf van flexibilisering gekend zoals het geval was in

Zuid-Amerika, maar er zijn wel al talloze initiatieven geweest

in die richting. In El Salvador kwam er in 2001 een wetsvoorstel:

Ley de reactivación del Empleo, zogezegd met de

bedoeling meer werk te creëren. Het voorstel hield in dat

vrouwen, kinderen en personen van de derde leeftijd anders

zouden behandeld worden omdat zij minder zouden presteren

dan andere werkkrachten. Hen zouden alleen flexibele,

zeer tijdelijke contracten aangeboden worden. Dit voorstel

haalde het echter niet, dankzij hevig protest van de vakbonden

en de oppositie in het parlement. Nog in El Salvador

zouden via de Ley de aprendizaje ook de leerjongens en leermeisjes

minder betaald worden. Maar ook dat voorstel werd

vrij snel afgevoerd.

Gedragscodes

Een ander gevaar dat dreigt voor de arbeidswetgeving is de

tendens om de arbeidswetgeving te vervangen door de

gedragscodes. Die codes kunnen echter onmogelijk de wetgeving

vervangen want ze houden vaak geen rekening met

de ILO-conventies of met het recht op vereniging en ze vormen

geen verbintenis tot vast werk.

Handelsakkoorden

De komst van een nieuw vrijhandelsverdrag tussen Centraal-

Amerika en de VS (CAFTA) (4) en tussen Centraal-Amerika,

de VS en de Dominicaanse Republiek (ook een maquilakampioen)

(DR-CAFTA) zal de arbeidswetgeving zeker geen

dienst bewijzen.

De voornaamste kritiek op die handelsverdragen is dat ze

alles in functie stellen van de liberalisering en de rechten van

de directe buitenlandse investeerders (multinationale bedrijven

en financieringskapitaal) behartigen. In die verdragen is

ook de liberalisering van de openbare diensten (denk aan

gezondheid, onderwijs) opgenomen. Ze herleiden de nationale

overheden tot stropoppen die het algemeen belang van

de bevolking opofferen.

Tegenstanders van de nieuwe verdragen vermelden ook dat

er een grote vrijheid van beweging is voor de managers en

technici van de buitenlandse bedrijven, maar dat die vrijheid

totaal onbestaande is voor de arbeidskrachten. Bovendien

zouden mogelijke geschillen tussen de staat en de buitenlandse

ondernemers niet door rechtbanken behandeld worden,

maar door onafhankelijke panels die aangeduid worden

door de WTO en de WB. De CNOC (Coordinadora Nacional

de Organizaciones Campesinas) in Guatemala verklaarde

dat in Guatemala een fonds beschikbaar is van om en bij de

3,2 miljoen dollar om de parlementsleden te belonen die

voor vrijhandelsverdragen stemmen.

(1) Trabajo de muchas, ganancias de pocos. Mujeres, derechos

y discriminación en la flexibilización de los estándares laborales

en las maquilas de vestuario y textiles centroamericanas. Oxfam

International 2004.

(2) ICC: Iniciativa de la Cuenca del Caribe, waardoor de landen van

Centraal-Amerika en de Caraïben een bevoorrechte positie krijgen

als handelspartner van de Verenigde Staten, uitgetekend in de jaren

‘80 onder Amerikaans president Ronald Reagan.

Plan Pueblo Panamá: Uitgewerkt op initiatief van de Mexicaanse

president Vicente Fox, die de handelsrelaties tussen Mexico en

Centraal-Amerika wil bevorderen. Het is een miljoenenplan dat

landen van Centraal-Amerika en Mexico met elkaar wil verbinden

over land en over zee.

ALCA of FTAA: Area de Libre Commercio de las Americas of Free

trade Area of the Americas: Vrijhandelszone die van Alaska tot

Vuurland moet reiken.

(3) www.ilo.org

(4) Demonstraties in Guatemala tegen de ratificatie van CAFTA

werden in maart 2005 hardhandig neergeslagen door de politie

en het leger, waarbij twee doden vielen.


Analyse uit El Salvador

Pogingen om meer te

flexibiliseren

KARIN LIEVENS

ROSALINA CORNEJO IS MEDEWERKSTER VAN OXFAM-SOLIDARITEIT IN EL SALVADOR. ZIJ VOLGT

DE SITUATIE VAN DE MAQUILA-ARBEIDSTERS AL JAREN OP DE VOET EN WERKTE MEE AAN HET RAP-

PORT ‘TRABAJO DE MUCHAS, GANANCIA DE POCAS’ (*) VAN OXFAM INTERNATIONAL. WE POLSTEN

HAAR OVER DE RECENTSTE ONTWIKKELINGEN INZAKE ARBEIDSRECHTEN EN DE FLEXIBILISERING

VAN DEARBEIDSNORMEN IN DE TEXTIELINDUSTRIE IN CENTRAAL-AMERIKA.

Rosalina Cornejo: “Het is ontzettend moeilijk om concrete

informatie te krijgen over de maquilas en de arbeidsrechten.

De gegevens zitten verspreid over diverse instanties

en je moet zelf alle data bijeenbrengen. Er

bestaat een soort adressenlijst van alle

maquilas in Centraal-Amerika, maar de

coördinator van ons onderzoek kreeg

die maar niet te pakken omdat de

Vereniging van Industriëlen van de

Confectie van El Salvador (ASIC) weigerde

de lijst te bezorgen. Pas na herhaaldelijk

aandringen van de ‘top’ van

Oxfam International is het gelukt de lijst

van vorig jaar te bemachtigen. De

meeste regeringsfunctionarissen beweerden

wel te willen meewerken aan het onderzoek,

maar gaven meestal heel diplomatieke

antwoorden waar je niet veel mee kon aanvangen.

De cijfers die we uiteindelijk kregen, zijn dezelfde die ze als

promotie gebruiken. Daaruit kunnen we alleen maar besluiten

dat de functionarissen zelf niet eens weten hoeveel

De ondernemers

uit Centraal-Amerika

willen vooral

een goed figuur slaan

bij de buitenlandse

investeerders,

ten koste van

de arbeidswetgeving.

bedrijven in hun land werkzaam zijn, en nog minder wat ze

daar allemaal uitspoken. De registratie verloopt uiterst

gebrekkig en de inbreuken op de arbeidsrechten worden

niet eens per industrietak geclassificeerd en nog

minder volgens sekse van de betrokkene. “

- Zijn er recent nog nieuwe

wijzigingen doorgevoerd aan

de arbeidswetgeving in een

van de vier landen van Centraal-Amerika?

Rosalina Cornejo: “Neen, de

arbeidswetgeving als dusdanig is niet

veranderd. Maar er zijn wel ettelijke

pogingen gedaan om meer te flexibiliseren.

De ondernemers in Centraal-Amerika proberen

via hun onderzoeksinstituten voorstellen te formuleren

die hun land verder zouden moeten ontwikkelen. Maar

wat hen vooral bezig houdt, is de bekommernis een goed

figuur te slaan bij de buitenlandse investeerders. En zij vinden

DEEL

4

oxfamcahier - juni 2005 41


DEEL

4


42 oxfamcahier - juni 2005

Analyse uit El Salvador

dat de arbeidswetgeving van hun land vaak een belemmering

vormt. Zij willen zeker de boot van het vrijhandelsverdrag

tussen de VS en Centraal-Amerika (CAFTA) niet missen.

Een voorbeeld daarvan is het wetsvoorstel ‘ter voorkoming

van arbeidsrisico’s’ in El Salvador. Onze lokale partners en tal

van andere organisaties en de procureur voor de

Mensenrechten hebben dat wetsvoorstel in vraag gesteld

omdat het thema van de vrouwenarbeid volledig ontbreekt

en de verantwoordelijkheden van de staat naar de privé worden

overgeheveld. Het ministerie van Volksgezondheid zou

inzake arbeidsrisico’s niets meer te zeggen hebben.

Er zijn wijzigingen aangebracht aan de strafwet van El

Salvador, waardoor misdrijven door bedrijven, zoals het ste-

len van de bijdragen aan de sociale zekerheid en het pensioen,

zwaarder bestraft zouden worden. Ook al zijn die misbruiken

schering en inslag, toch heeft geen enkele bedrijfsleider

al een sanctie opgelopen.

Volgens een onderzoek van de UCA (Centraal-amerikaanse

universiteit) is het voortduren van de schendingen van de

arbeidsrechten vooral te wijten aan de politieke onwil om iets

te veranderen, waardoor de arbeidsters geen vertrouwen

hebben om aanklachten in te dienen. Als in een bedrijf

onwettige ontslagen vallen, leggen de inspecteurs van het

ministerie van Arbeid zich meestal toe op het bemiddelen en

verzoenen van de partijen en proberen ze de arbeidsters

ervan te overtuigen een schadevergoeding aan te nemen

(buiten de wet om). Terwijl het de taak is van die functionarissen

de wet te doen naleven.

In Guatemala zijn er voorstellen om seksuele intimidatie op

het werk strafbaar te maken, ook vooral met het oog op

de nakende vrijhandelsakkoorden.

- Sinds 1 januari 2005 is de liberalisering van

de textielquota een feit. Hoe reageren de landen

van Centraal-Amerika daar op nu ze tegen

de concurrentie van landen als China moeten

opboksen?

Rosalina Cornejo: “Er circuleren nogal wat tegenstrijdige

boodschappen op dat vlak.

Over het algemeen verwacht men een drastische afname (22

procent volgens sommige studies, andere spreken over 50

procent) van de tewerkstelling in die sector. De positieve

boodschappen komen vooral van de ondernemers die de

CAFTA promoten en

beweren dat op die

manier net meer jobs

zullen gecreëerd worden.

Hun optimisme

stoelt ook op de nabijheid

van de Centraal-

Amerikaanse markt ten

opzichte van de VS.

Daardoor zouden de

Amerikaanse klanten

meer opdrachten ‘tegen

de klok’ kunnen geven,

met alle gevolgen vandien

voor de werknemers

die onder een

nog grotere druk zullen

komen te staan.

De meeste Centraal-

Amerikaanse regeringen

hebben experten

aangeworven die samen

met de privé-ondernemingen

een regionale strategie moeten uitdokteren. Een van

die mogelijke maatregelen is het diversifiëren van de maquilas.

Maar maquilas die zich toeleggen op hoogstaande elektronica

vereisen geschoolde arbeidskrachten en die zijn

schaars. Daarnaast is er ook een tendens om in de regimes

van vrijhandelszones andere producten, zoals landbouwproducten,

toe te laten. Vooral Guatemala legt zich daarop toe.

In El Salvador gingen vorig jaar al 8.000 jobs verloren.

Waarschijnlijk is dat ten voordele van Nicaragua gebeurd,

omdat dat land een voorkeursbehandeling (wat betreft invoer

van grondstoffen en uitvoer van afgewerkte producten) kreeg

tijdens de onderhandelingen van de vrijhandelsakkoorden.

Bedrijven zoals Gildan Sportwear en GAP verplaatsten hun

productie meteen van El Salvador naar Nicaragua.”

(*) “Werk van velen, winst van enkelingen”. Zie voetnoot (1), pagina 40.


Analyse van de Wereldbank

De Wereldbank en investeringen

in Centraal-Amerika

KARIN LIEVENS

DE WERELDBANK PUBLICEERDE BEGIN 2005 EEN UITVOERIG RAPPORT OVER HET INVESTERINGS-

KLIMAAT IN DE VIER LANDEN VAN CENTRAAL-AMERIKA. (1) HAAR VISIE IS DUIDELIJK: HET VERBE-

TEREN VAN HET INVESTERINGSKLIMAAT IS FUNDAMENTEEL VOOR DE ECONOMISCHE GROEI EN HET

BESTRIJDEN VAN DE ARMOEDE IN DE BETROKKEN LANDEN. MEER PRODUCTIVITEIT EN DIRECTE BUI-

TENLANDSE INVESTERINGEN MOETEN HET PROBLEEM VAN DE ARMOEDE OPLOSSEN.

Het rapport van de Wereldbank stelt vast dat de hele regio

belangrijke hervormingen inzake het investeringsklimaat

heeft doorgevoerd in het afgelopen decennium en dat de macroeconomische

cijfers beter zijn. Maar de vier landen bevinden zich

nog ver onder hun groeipotentieel en zijn er niet in geslaagd de

armoede te reduceren

Voor de WB zijn de grootste hindernissen voor een beter investeringsklimaat

in Centraal-Amerika de volgende:

1) Te weinig goed bestuur. De vier landen zijn nog te veel overgeleverd

aan politieke onzekerheid, criminaliteit, bureaucratie,

corruptie van ambtenaren en ministers;

2) Te gebrekkige infrastructuur. Zowel de hoeveelheid als de

kwaliteit moeten verhoogd worden;

3) Te moeilijke toegang tot de financiële diensten, die volgens de

WB ook veel te duur zijn;

4) Te weinig ontwikkeling van kwaliteitsnormen en een gebrek

aan gekwalificeerde arbeiders en spitstechnologie.

Over het algemeen stelt het rapport dat El Salvador een beter

investeringsklimaat vertoont dan Honduras en Nicaragua.

Guatemala krijgt ook een goed rapport vooral voor de hogere

technologische ontwikkeling.

Goed bestuur en veiligheid

Volgens het Rapport van Wereldontwikkeling 2005 zorgen de talloze

problemen die met corruptie, criminaliteit en dergelijke te

maken hebben voor een meerkost van 25 procent aan de bedrijven.

Dat is driemaal zoveel als wat ze aan belastingen betalen.

DEEL

4

oxfamcahier - juni 2005 43


DEEL

4

44 oxfamcahier - juni 2005

Analyse van de Wereldbank

Hieronder valt bijvoorbeeld ook de tijd die nodig is om een

nieuw bedrijf op te starten en alle papieren in orde te brengen.

Die tijd is in vergelijking met ander regio’s veel te lang.

In China zet je een bedrijf op in 40 dagen, in Centraal-

Amerika moet je minstens 100 dagen rekenen. Daarom vind

je volgens de WB een grotere informele economie in

Centraal-Amerika (40 procent) dan in China (15 procent).

Een ander belangrijk aspect is volgens de WB de (on)geloofwaardigheid

van het juridisch systeem. De afgelopen twee

jaar is slechts 20 procent van de aanklachten van bedrijven

opgelost in de rechtbanken, in tegenstelling tot China waar

ongeveer 40 procent via de rechtbanken is verlopen.

Voor de WB ligt de oplossing niet in het verbeteren van het

functioneren van die rechtbanken, maar wel in het opzetten

van onafhankelijke bemiddelaars. Met de corruptie valt het in

Centraal-Amerika nog mee. Wat bedrijven moeten betalen

aan functionarissen en ambtenaren zodat ze de ogen dichtknijpen

voor bepaalde zaken, bedraagt gemiddeld 2,1 procent

van de verkoopcijfers (in El Salvador en Nicaragua is dat

slechts 1,7 procent). In Aziatische landen zoals Indonesië, de

Filippijnen en Cambodja ligt dat bedrag boven de 4 procent,

in Zuid-Amerika is dat 12 procent.

In alle landen van Centraal-Amerika vind je een hoge criminaliteitsgraad.

Ook dat veronderstelt meer kosten voor de

bedrijven. Ze moeten meer veiligheidsfunctionarissen betalen,

muren en poorten bouwen, alarminstallaties aanbrengen,

verzekeringen tegen diefstal nemen. Guatemala en El

Salvador spannen de kroon wat criminaliteit betreft, maar

ook in Honduras zijn er problemen met de veiligheid.

Nicaragua is het veiligste land.

Infrastructuur

Een belangrijk onderdeel van de infrastructuur is de toegang tot

het elektriciteitsnet, telefoon en internet. Volgens de WB heeft

El Salvador veel minder last van stroomonderbrekingen omdat

de energie daar al voor een groot stuk geprivatiseerd is.

Er moet meer geïnvesteerd worden in wegen en havens, en dit

vooral met het oog op de vrijhandelsverdragen. Volgens de

WB klaagt 10 procent van de bedrijven over het slechte

wegennet en weinig toegankelijke havens, en vrezen ze dat dit

een obstakel zou kunnen worden om te kunnen genieten van

de vele mogelijkheden die de vrijhandelsverdragen bieden.

De haven Acajutla in El Salvador bijvoorbeeld, is veel te duur

in vergelijking met havens in andere gebieden die zich vier

keer zover bevinden van de Verenigde Staten. De WB stelt

wel vast dat de douaneformaliteiten eenvoudiger zijn geworden,

dank zij het douaneprotocol CAUCA (Código Aduanal

Unificado de Centroamérica), maar toch vormen ze nog

steeds een te groot obstakel voor de vrijhandelsverdragen.

Toegang tot financiering

De hoge kredietkosten en de moeilijke toegang tot financiering

zijn voor de WB een van de belangrijkste belemmeringen

voor de bedrijven om in Centraal-Amerika te investeren. Dat

is bijvoorbeeld belangrijk voor nationale bedrijven die in functie

van een multinational een plaatselijk bedrijf opzetten.

Eens te meer scoort El Salvador hier het best, met het meest

ontwikkelde bankwezen. Maar dat is uiteraard weer te wijten

aan de privatisering van de banken.

Vernieuwing, kwaliteit en vaardigheden

Een belangrijke vereiste om de huidige tred van de globalisering

te kunnen volgen is voor Centraal-Amerika het bijbenen

van de technologische vernieuwingen. Ook de kwaliteit

van de geleverde diensten moet opgetrokken worden naar

internationale normen. Meer gekwalificeerd personeel kan de

productie verhogen, maar in het geval van de maquilas is er

geen ruimte of plaats voor vorming van de arbeidsters.

Volgens de WB hebben de landen van Centraal-Amerika al

veel vooruitgang geboekt de afgelopen jaren, maar moet er

nog steeds een groot inhaalmanoeuvre plaatsvinden.


Conclusie

Het algemeen besluit van de WB is dat als de wetgevingen

wat minder complex zouden zijn, er veel meer bedrijven officieel

zouden gaan werken in plaats van in de informele sector

te blijven hangen. En zoals steeds wordt hetzelfde medicijn

voorgeschreven: meer liberalisering en privatisering.

De realiteit getuigt echter van het feit dat het verschaffen van

werk alleen de armoede niet uit de wereld zal helpen.

Recente cijfers van de Internationale Arbeidsorganisatie ILO

tonen aan dat van de 2.800 miljoen mensen met een job er

49 procent in armoede leven. Nog steeds leven 535 miljoen

mensen met slechts 1 dollar per dag. Het aantal arme arbeiders

bedraagt zeven maal het aantal werklozen.

(1) Fortaleciendo el clima de inversión en centroamérica, 27 januari

2005. Studie gemaakt door de Wereldbank tussen 2002-2004.


Investeren in Cuba

Investeerders

aan banden in Cuba

DR. OMAR EVERLENY PEREZ VILLANUEVA, Cubaans economisch studiecentrum, Universiteit van la Havane in Cuba. (1)

CUBA ZORGT ERVOOR DAT BUITENLANDSE INVESTERINGEN TEN GOEDE KOMEN AAN DE ONTWIKKE-

LING VAN HET LAND ÉN AAN DE CUBANEN. INVESTEERDERS MOETEN ZICH HOUDEN AAN VASTE

VOORSCHRIFTEN EN MOGEN ALLEEN IN WELBEPAALDE ACTIVITEITEN INVESTEREN. DANKZIJ DEZE

AANPAK KON HET LAND ECONOMISCH EN SOCIAAL EEN STAP VOORUIT ZETTEN.

Ontwikkelingslanden trekken investeringen aan om

inkomsten te verkrijgen voor hun economie. Een aantal

landen die hun economieën openstelden voor buitenlands

kapitaal, zagen een aanzienlijke groei dankzij het binnenkomen

van deviezen en vooruitstrevende technologie. Het

bekendste voorbeeld zijn de Aziatische landen.

Toch verrijken investeerders zich vaak dankzij investeringen

terwijl ze activiteiten ontplooien die haaks op ‘ontwikkeling’

staan. Dit gebeurt onder meer wanneer ze plaatselijke werkkrachten

uitbuiten en sociale en ecologische lacunes in de

wetgeving misbruiken.

Gecontroleerd investeren

Cuba gaat anders om met investeringen dan de meeste landen.

Het opende de deuren voor investeerders in overeenstemming

met de internationale eisen, maar zorgde ervoor

dat investeringen tegemoet komen aan de nationale belangen.

Zo trok Cuba investeringen aan die gezorgd hebben voor

deviezen, vooruitstrevende technologie en ervaring in sectoren

die nog onontgonnen terrein waren. Dankzij de nieuwe

technologie kon de industrie uitgebouwd worden waardoor

nieuwe markten geopend werden. Dat alles heeft ertoe

geleid dat Cubaanse producten aan een hogere kwaliteit

beantwoorden. En dat is te merken aan de resultaten op

nationaal en internationaal vlak.

De investeringen hebben de uitbouw van de economie

bevorderd en daarmee ging niet alleen de economie, maar

ook de sociale ontwikkeling vooruit.

De samenwerking tussen de Cubaanse staat en de buitenlandse

ondernemers heeft aangetoond dat het mogelijk is om:

• het risico en de onzekerheid te verkleinen,

• vertrouwen te scheppen,

• een aantal problemen van het Cubaanse systeem op te

lossen, zoals het ontbreken van kapitaal en vooruitstrevende

technologie in bepaalde sectoren,

• winst te kanaliseren naar economische projecten die bijdragen

tot het welzijn van de samenleving in het algemeen.

De staat speelt een uiterst belangrijke rol bij alles wat met

investeringen te maken heeft en houdt nauwlettend in de

DEEL

4

oxfamcahier - juni 2005

45


DEEL

4 Investeren in Cuba

46 oxfamcahier - juni 2005

gaten of ze de geldende regelgeving en de nationale soevereiniteit

niet aantasten. Cuba bewijst dat als een land de

gepaste beleidskeuzes neemt in overeenstemming met haar

eigenheden, het voordelen kan halen uit de investeringen die

haar economie binnenkomen. Hoewel investeerders vaak

willen wegen op het uittekenen van de economische politiek

en de verdeling van de middelen, is aangetoond dat hun

voorkeuren niet altijd vooraf vastliggen. Die worden verfijnd

tijdens de onderhandelingen met de staat. Het komt erop

neer dat de buitenlandse ondernemers trachten hun winsten

te maximaliseren, maar de strategie die ze daarvoor gebruiken

hangt af van de politieke en institutionele context van het

land waar ze willen investeren.

De deur op een kier voor investeringen

Bij het begin van de jaren ’80 verkeerde Cuba in een zeer

voordelige economische situatie, maar toch kon het moeilijk

buitenlands kapitaal aantrekken. In het bijzonder bleek dat

het niet de vooruitstrevende technologie kon aantrekken die

noodzakelijk was voor het ontwikkelen en het aanwenden

van de voordelen die Cuba had vergeleken met andere landen.

Daarom werd in 1982 een wet goedgekeurd waarmee

de structuur en de reglementering voor buitenlandse investeringen

vastgelegd werden. Desondanks duurde het nog tot

de jaren ’90 vooraleer de wet echt bekend werd.

Met de val van de Muur verdwenen de socialistische landen

van Europa en verdwenen ook de bron van inkomsten, de

technologie en de markten waarop de ontwikkelingsstrategie

van Cuba gebaseerd was. Het eiland zag zich wegglijden in

een periode van economische moeilijkheden en moest veranderingen

doorvoeren om economische stabiliteit te bereiken.

Het zag zich genoodzaakt de internationale relaties te

heroriënteren en de visie op buitenlandse investeerders te

herzien. Het land stelde zich daadwerkelijk open voor buitenlands

kapitaal.

Cuba bestempelde investeringen als een efficiënte, complementaire

manier om externe financiën te bekomen. Zeker

omdat tegelijk met het kapitaal ook de technologie om producten

en diensten competitiever te maken het land binnenkwamen.

Investeringspolitiek verankerd

Cuba bouwde een zeer eigen visie uit, zich baserend op

internationale ervaringen. De wet op investeringen van 1982

laat toe dat buitenlanders investeren in Cuba zolang de

Cubaanse vennoot een aandeel van 51 procent in handen

heeft en de buitenlander 49 procent. Alleen bij uitzondering

kan een buitenlander een groter aandeel verkrijgen.

In 1992, bij de hervorming van de grondwet, werd herhaald

dat buitenlandse investeringen minstens gedeeltelijk moeten

bijdragen aan de ontwikkeling van het land, niet mogen

raken aan de politieke, sociale en economische fundamenten

van de staat en voorafgaand goedgekeurd moeten zijn

door de ministerraad of het uitvoerend comité.

Cuba tekende APPRI (Acuerdos de Promoción y Protección

Recíproca de Inversiones) met een groot aantal landen. Dit

zijn bilaterale akkoorden waarbij de staten besluiten dat bij

investeringen in het andere land de algemene voorwaarden

voordelig moeten zijn voor de economische en juridische

belangen van beide staten.

Dat de Cubaanse aanpak van investeringen anders is dan

elders, is af te leiden uit de klachten van de investeerders op

het eiland. Volgens hen zijn “… de lonen in Cuba soms zeer

hoog vergeleken met wat in andere landen van de regio in

dezelfde industrie betaald wordt. Dit komt vooral voor in de

toeristische industrie waar in andere landen van de regio

zoals de Dominicaanse Republiek of Jamaica zeer goedkoop

personeel kan ingezet worden…”

Sectoren open voor investeringen

De buitenlandse investeringen in de Cubaanse landbouw

gingen meestal naar de verbetering van plantages en

bestaande installaties. Die werden gebouwd voor de voormalige

socialistische interne en Europese markt, maar

ondertussen was de technologie verouderd.

Investeringen zijn belangrijk in sectoren zoals het toerisme,

daarvoor werden aparte bepalingen opgesteld. Zo moet een

bedrijf dat een hotel bouwt in de toeristenzones Ciudad de

La Habana en Varadero, eerst –of tegelijk- een hotel bouwen

in een andere streek van Cuba.

Ook in de basisindustrie zijn de resultaten duidelijk, vooral bij

de petroleumontginning, de elektriciteitsproductie en de nikkelontginning.

Voor elk van de sectoren van de basisindustrie

gelden andere regels voor investeringen, in verhouding

met de voordelen. Men moedigt bijvoorbeeld niet aan om in

de papierindustrie te investeren, terwijl andere sectoren de

investeerder veel mogelijkheden bieden.

De nikkelindustrie is een van de belangrijkste sectoren waar

de aanwezigheid van buitenlands kapitaal beslissend was

om goede resultaten te bereiken. Dit door de ernst waarmee

de activiteiten gebeuren, het goede beheer van de middelen,

de hoge scholingsgraad van het personeel en de vooruitstrevende

technologie die de investeerder inbrengt.

Conclusie

Cuba wil investeringen in heel wat sectoren blijven aantrekken,

en het aantal investeringen opvoeren. Binnen het ministerie

voor Buitenlandse Investeringen en Economische

Samenwerking promoot het CPI – Promotiecentrum voor

Investeringen- actief de mogelijkheden voor investeerders.

Investeringen hebben op economisch maar ook op sociaal

vlak positieve gevolgen zoals de stijging van het aantal

arbeidsplaatsen, de stijging van de lonen van de arbeiders die

werken in sectoren waarin geïnvesteerd wordt. Uiteindelijk

komen de investeringen iedereen ten goede omdat, hoewel

niet iedereen rechtstreeks hogere lonen krijgt, iedereen voordeel

haalt uit de verschillende programma’s die het land kan

opzetten dankzij inkomsten uit investeringen.


Cuba, aanleiding tot het mondiale investeringsdebat?

Oxfam-Solidariteit voert al jaren actie tegen de Helms-

Burtonwet. Deze wet, in de VS gestemd in maart 1996,

verklaart alle investeringen in Cuba illegaal. Illegaal want

de investeringen gebeuren in infrastructuur en eigendommen

die door de Cubaanse regering ‘illegaal’ werden

genationaliseerd in de vroege jaren van de revolutie,

tussen ’60 en ’64. Alleen de VS bestempelen de

investeringen illegaal, als enige land weigeren zij steevast

om nog maar te praten over compensatieregelingen

voor de nationalisaties. Cuba heeft met alle andere

landen compensatieakkoorden afgesloten, tot tevredenheid

van beide partijen.

De Helms-Burtonwet is daarenboven ook ‘extraterritoriaal’,

ze geldt dus niet alleen voor de VS, maar voor de

hele wereld. Als een Mexicaans, Japans of Belgisch

bedrijf investeert in Cuba kan het zwaar beboet worden

als een gerechtshof uit de VS dat beslist.

De Helms-Burtonwet moest de blokkade tegen Cuba

die de VS begin de jaren ’60 instelde, uitbreiden naar

de internationale gemeenschap. Volgens de VS was

Cubaans president Fidel Castro nog altijd aan het

bewind omdat andere landen het eiland niet boycotten.

De uitgesproken bedoeling was daarenboven in Cuba

een ‘hogedrukpan-effect’ te creëren: door het gebrek

aan investeringen zou de bevolking beginnen morren,

er zou steeds meer schaarste heersen en de druk zou

zo hard op de ketel komen te staan dat een revolutie

zou uitbreken. In de chaos zouden de VS militair tussenbeide

komen en het eiland en zijn inwoners

‘beschermen.’

Het investeringsdebat

en de wet Helms-Burton

Al in de jaren ’80 onder VS-president Ronald Reagan

probeerde de extreem rechtse Senator Jesse Helms

het wettelijk onmogelijk te maken voor landen om buitenlandse

bedrijven te nationaliseren. In de jaren ’80

waren in Centraal-Amerika nogal wat voorbeelden. De

Sandinisten in Nicaragua nationaliseerden enkele VSbedrijven,

ook in Honduras en Costa Rica werden de

belangen van eigenaars uit de VS meermaals bedreigd.

Helms wilde daar een internationale wetgeving tegen

uitvaardigen, maar hij haalde zijn slag niet meteen thuis.

Het was wachten tot 1996. In februari dat jaar schoot

de Cubaanse luchtmacht twee vliegtuigjes van

Cubanen uit Miami uit het Cubaanse luchtruim. Dit leidde

tot opgeklopte verontwaardiging in de VS (zij lieten

dergelijke illegale vliegtuigraids immers al jaren oogluikend

toe). De tijd was rijp om de Helms-Burtonwet te

laten stemmen. De wet, die in feite van a tot z door de

advocaten van Bacardi & C° werd geschreven, maakte

plots kans. Een maand na het neerhalen van de vliegtuigjes

werden de Helms-Burton-bepalingen in de

4.000 pagina’s tellende budgetwet gesluisd. Voor president

Bill Clinton het besefte, was de wet een feit.

Europese klacht

Europa moest wel reageren. Een wet gestemd in de VS

met gevolgen voor het Europese bedrijfsleven was in

strijd met de regels van de Wereldhandelsorganisatie

(WTO). In oktober 1996 diende de Europese Unie een

klacht in bij de WTO tegen deze wet. In april 1997 trok

Leon Brittan, de toenmalige eurocommissaris voor

Handel (en gekend om zijn uiterst Atlantische positie)

deze klacht opnieuw in. De belofte om bilaterale

besprekingen te beginnen over ‘gezamenlijke disciplines

en principes te ontwikkelen ter versteviging van de

bescherming van investeringen in het kader van de

Organisatie voor Economische en Sociale Ontwikkeling

(OESO) was voldoende voor de EU om haar klacht

opnieuw in te trekken.

Nieuwe terminologie

Belangrijk is de verschuiving in terminologie. Van een

probleem over Helms-Burton en Cuba evolueerde men

naar ‘algemene disciplines ter bescherming van investeringen’.

Het vervolg is bekend. Het Multilateraal

Investeringsakkoord (MAI) zou het sluitstuk worden van

deze OESO-bespreking.

In de woorden van de regering Bush en het bedrijfsleven

in de VS klinkt de investeringsproblematiek duidelijk.

Het gaat om het afdwingen van een internationale

wetgeving die moet garanderen dat het fundamenteel

mensenrecht dat ‘eigendom’ heet, gevrijwaard wordt.

Of hoe Cuba in de jaren ’90 als alibi fungeerde om een

MAI te onderhandelen tussen de VS en Europa.

Xavier Declercq,

directeur Mobilisatie Oxfam-Solidariteit

DEEL

4

oxfamcahier - juni 2005 47


DEEL

5

48 oxfamcahier - juni 2005

Het recht om te beslissen

Meer zelfbeschikking

voor de staten

RAOUL MARC JENNAR, onderzoeker bij Oxfam-Solidariteit en URFIG (1)

DE WERELDHANDELSORGANISATIE REGULEERT DE ACTIVITEITEN VAN PRIVÉ-ONDERNEMINGEN EN

INVESTEERDERS NIET, INTEGENDEEL, ZE DEREGULEERT ZE. ZE BEPERKT DE MACHT VAN DE STAAT,

DE REGIO’S ENDEGEMEENTEN. EN ZEGEEFT ALSMAAR MEER RUIMTE AAN HET PRIVÉ-INITIATIEF,

DAT WIL WERKEN IN EEN CONTEXT VAN VRIJE CONCURRENTIE, WAAR HET NIET GESTOORD WORDT

DOOR FISCALE EN SOCIALE REGELS OF DOOR EEN MILIEUWETGEVING.

Juist op het vlak van investeringen laat de rol van de

Wereldhandelsorganisatie (WTO) zich voelen. Daar volgen

pogingen om ingrijpende dereguleringen door te drukken

elkaar op, ondanks herhaaldelijk protest van de meeste

landen in het Zuiden. Het teruggrijpen naar de ‘laisser faire,

laisser passer’-gedachte moet stoppen. De neoliberale tendens

moet omgedraaid en er moeten handelswijzen ontwikkeld

worden die de waardigheid van mensen en de zelfbeschikking

van volkeren respecteert. Dergelijke praktijken zullen

in alle vrijheid de solidariteit versterken.

Niet een kwestie van verbieden

Het gaat er niet om het investeren te verbieden, wel om er

een activiteit van te maken die drievoudig rendeert.

De investering moet:

• toegevoegde waarde en duurzame jobs opleveren;

• vergezeld gaan van betere loon- en arbeidsvoorwaarden,

conform de regels die gelden binnen de Internationale

Arbeidsorganisatie (ILO);

• gebeuren met respect voor het milieu.

Iedere staat moet kunnen oordelen of aan die voorwaarden


wordt voldaan, niet alleen vóór het aanvaarden van een buitenlandse

investering, maar ook nadat de investering werd

gerealiseerd. Directe buitenlandse investeringen beheren, valt

onder het zelfbeschikkingsrecht van volkeren.

Een aantal internationale instellingen deed voorstellen over

het reglementeren van investeringen. Allemaal onderschre-

De voorstellen van de UNCTAD

De Conferentie van de Verenigde Naties voor Handel en

Ontwikkeling (UNCTAD) is zonder enige twijfel de organisatie

die het meest bekommerd is over de voorwaarden om van

investeringen een instrument te maken dat bijdraagt tot ontwikkeling

met meer zelfbeschikking. Uit alle VN-instellingen

werd de UNCTAD aangeduid als instelling die alle vragen

over buitenlandse directe investeringen verzamelt.

Een aantrekkelijke omkadering

Overheden kunnen een gunstig klimaat voor investeerders

creëren zonder hun soevereiniteit op te geven, de menselijke

waardigheid te schenden of het milieu te schaden én tegelijk

te voldoen aan de criteria van de rechtsstaat.

Staten die investeerders willen aantrekken, moeten elementen

aanvoeren die langdurig investeren interessant maken.

Op basis van expertrapporten die de praktijk onderzochten

en die lessen trokken uit successen onderscheidt de

UNCTAD vier elementen. (2)

• Voorspelbaarheid: Voor investeringen is een specifiek

wettelijk-reglementair kader nodig, waarvan de regels helder,

eenvoudig, precies en voorspelbaar zijn. De toepassing

ervan moet rechtvaardig en samenhangend zijn en

de procedures eenvoudig en beperkt.

• Verantwoordelijkheid: De verwachte resultaten van de

investering moeten beantwoorden aan bepaalde normen,

die worden goedgekeurd en waarvan de toepassing

gecontroleerd wordt, zodat corruptie geen kans krijgt. Dit

betekent dat deze normen publiek zijn en dat de toezichthouders

gekend moeten zijn. Zij moeten zich verantwoordelijk

voelen doordat de nationale wetgeving duidelijke

en onpartijdige mogelijkheden tot beroep bevat, die

gericht zijn op het bestrijden van de corruptie.

• Transparantie: Iedereen moet het beleid en de praktijken

inzake investeringen kennen. Het beleid moet dus

voor iedereen gemakkelijk en snel toegankelijk zijn, zowel

voor mogelijke investeerders als voor burgers. Iedere

overheid is in staat de wetgeving, reglementeringen en

procedures op het internet te plaatsen.

• Participatie: Via overlegstructuren kan open en formeel

overleg tussen de publieke overheid, de buitenlandse

investeerders, vakbonden, sociale organisaties en vereni-

ven ze de Universele Verklaring van de Rechten van de

Mens, het Internationaal Verdrag over politieke en burgerlijke

Rechten en het Internationaal Verdrag over economische,

sociale en culturele Rechten.

Noch de Wereldbank, noch het Internationaal Monetair

Fonds (IMF), noch de WTO onderschreven die verdragen.

gingen georganiseerd worden. Zo moet een evenwicht

ontstaan tussen enerzijds maatregelen die investeerders

vertrouwen geven en anderzijds regels die aanvaardbare

normen voor gezondheid, tewerkstelling en milieu inhouden.

Deze overlegstructuur kan bijvoorbeeld een socioeconomisch

platform zijn.

Pertinente eisen

De UNCTAD noteert dat “commerciële belangen van multinationals

niet noodzakelijk samenvallen met de ontwikkelingsdoelstellingen

van het gastland.” (3) Om deze tweespalt

tussen belangen op te vangen, leggen landen buitenlandse

investeerders bijzondere voorwaarden op. Sommige van die

voorwaarden zijn onverzoenbaar met het Akkoord op investeringsmaatregelen

ter bevordering van handel (Trade-

Related Investment Measures, TRIMs) van de WTO. (4)

Andere voorwaarden zijn niet opgenomen in een multilateraal

akkoord, maar ze worden verboden door regionale akkoorden

(vb. NAFTA) of door bilaterale akkoorden (vb. het

akkoord EU-Chili of het akkoord VS-Bolivië). Ondanks het

verbod blijven sommige eisen pertinent. Het verbod is een

gevolg van machtsverhoudingen die tot besluiten leiden die

geen rekening houden met het welzijn van de bevolking.

Het komt erop aan de impact van investeringen te optimaliseren.

Dit probeert men te bereiken door de investeerder

voordelen te bieden of verplichtingen op te leggen.

Een aantal voordelen die geboden kunnen worden, zijn:

• het afzien van tolheffingen;

• het invoeren van een aanmoedigend fiscaal beleid;

• het opheffen van verplichtingen rond

het juridisch statuut van de onderneming;

het personeel;

de loonvoorwaarden;

het investeringskapitaal;

het respecteren van regels over veiligheid, volksgezondheid

en milieu.

In elk geval impliceren deze voordelen het opgeven van

inkomstenbronnen en van soevereiniteit. Precies die voordelen

willen Westerse regeringen opleggen via bilaterale, regio-

DEEL

15

oxfamcahier - juni 2005 49


DEEL

5

50 oxfamcahier - juni 2005

Het recht om te beslissen

nale en multilaterale akkoorden. Op deze manier kan het

optimaliseren van investeringen duidelijk niet verwezenlijkt

worden, aangezien de compensaties niet opwegen tegen de

geboden voordelen.

Een andere manier om de impact van een investering te optimaliseren,

is door normen te voorzien om:

• de industriële basis van ontwikkeling te versterken en de

toegevoegde waarde te verhogen;

• jobcreatie te bevorderen;

• de overdracht van technologie aan te moedigen;

• regionale ontwikkeling te promoten;

• de handelsbalans te versterken;

• exportcapaciteit te doen ontstaan;

• leningen haalbaar te maken;

• politieke invloed te herverdelen.

Deze normen kunnen verbonden worden met de verplichting

voor de investeerder, om:

Het programma van de ILO

Om de levenskwaliteit van arme bevolkingsgroepen in ontwikkelingslanden

(met name in de minst ontwikkelde landen)

op een duurzame manier te verbeteren, moeten zij toegang

hebben tot verloonde arbeidsplaatsen of inkomsten uit productie.

Investeringen die jobs creëren of bedoeld zijn voor

het uitvoeren van openbare werken (wegen, watertoelevering,

draineren, woongelegenheid en scholen) kunnen een

belangrijke bijdrage tot hun welzijn leveren.

Infrastructuurwerken

Het belang van dit soort infrastructuurwerken voor de bevordering

van economische ontwikkeling wordt ruim erkend. De

helft van de overheidsinvesteringen in de meeste ontwikkelingslanden

gaat naar die types basisinfrastructuur.

In een groot aantal gevallen wordt meer dan 50 procent van

de investeringen (80 tot 90 procent in de minst ontwikkelde

landen) door buitenlands geld gefinancierd.

Infrastructuurprojecten kunnen veel arbeidsplaatsen scheppen,

maar in de praktijk blijft de jobcreatie ondermaats. En

projecten die de inzet van veel materiaal vergen, worden

doorgaans vooral door buitenlandse ondernemers uitgevoerd.

Soms is dat noodzakelijk, voor projecten als luchthavens,

snelwegen of bruggen van grote afmetingen. Maar er

bestaan ook andere oplossingen, gestoeld op een intensief

gebruik van lokale arbeidskrachten, die grote voordelen bieden,

met name bij werken aan basisinfrastructuur.

• een joint venture met een lokale partner aan te gaan; (5)

• een minimum aan verbindingen met lokale ondernemingen

te aanvaarden;

• een zetel te vestigen in dat land of die streek;

• personeel lokaal aan te werven;

• te exporteren;

• de verkoop van goederen of diensten te beperken tot het

gebied waar ze geproduceerd of geleverd worden;

• goederen en diensten exclusief te leveren in één welbepaalde

streek;

• te handelen als exclusieve toeleveraar van goederen of

diensten;

• over te gaan tot overdracht van technologie en productieprocédés;

• onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten te uit te voeren.

Vandaag verbieden een aantal regionale en bilaterale akkoorden

deze soort van verplichtingen. Multilaterale akkoorden

bevatten dergelijke verboden niet. De uitvoering van deze

normen en de resultaten verschillen van land tot land.

Intensief gebruik van arbeidskrachten

Sinds vele jaren helpt de Internationale Arbeidsorganisatie

(ILO) haar lidstaten om de effecten van investeringen in

infrastructuur te optimaliseren op het vlak van werkgelegenheid

en lokale economische ontwikkeling, via het programma

voor intensief gebruik van arbeidskrachten (Employment-

Intensive Investment Programme - EIIP). Die benadering

betekent dat lokale werkkrachten als voornaamste hulpmiddel

worden ingezet bij infrastructuurwerken; daarbij wordt

gelet op de rendabiliteit en de kwaliteit van de werken. Dat

veronderstelt een oordeelkundige inzet van werkkrachten en

passend materiaal. Het komt hoofdzakelijk neer op het

gebruik van lichte (hand)werktuigen, en andere middelen om

competitieve en kwaliteitsvolle producten te verkrijgen.

Het afgelopen decennium zijn in 40 lidstaten ongeveer één

miljoen directe en zo’n twee miljoen indirecte arbeidsplaatsen

gecreëerd, dankzij investeringsprogramma’s waaraan

het EIIP door pilootprojecten en door de versterking van de

werkcapaciteit een directe bijdrage leverde. Eens de methodes

van het EIIP ingang vinden, geeft het programma raad

over het permanent gebruik en de verankering.

Het programma werkt samen met regeringen, met de privésector,

met werkgevers- en vakbewegingen en met lokale verenigingen.

Het tilt de openbare en de privé-investeringen in

infrastructuur naar een hoger niveau in termen van productieve

tewerkstelling door het gebruik van EIIP-technologie.


De meeste projecten worden uitgevoerd door privé-ondernemingen

aan wie het openbare werk werd toegewezen.

Hoe langer hoe meer wordt daarbij de voorkeur gegeven aan

een aanpak op gemeenschapsniveau. Dat houdt dus onder

meer in dat lokale verenigingen bij het opzetten van een project

worden aangesproken.

Voordelen van het EIIP

Het EIIP zorgt voor een verbetering van de basisinfrastructuur

en schept tegelijk kwalitatief goede en duurzame jobs.

Het programma steunt daarbij op meer dan twee decennia

van ervaring in onderzoek en ontwikkeling, vorming, uitvoering

en herhaling van projecten.

De verbetering van basisinfrastructuur

In landbouwstreken en in stedelijk gebied helpt het verbeteren

van de basisinfrastructuur om:

• arbeidsplaatsen te scheppen door investeringen in EIIPinfrastructuur

aan te moedigen, zowel in openbare werken

als in werken voor de gemeenschap, zowel in landbouwstreken

als in verstedelijkt gebied;

• Infrastructuur te bouwen, te herstellen en te onderhouden

door lokale arbeidskrachten, middelen en capaciteit in te

zetten. Werkgelegenheid en de mogelijkheid tot inkomstverwerving

voor armen worden zo gemaximaliseerd;

• technisch advies te geven, de capaciteit te versterken om

verschillende types EIIP-infrastructuur te plannen en uit te

voeren (wegen, bevloeiingssysteem, drainage, landbehoud,

drinkwatervoorziening, herwaardering van de sloppenwijken).

Het scheppen van kwaliteitsvolle arbeidsplaatsen

Hierbij gaat het in wezen om:

• het respect voor rechtvaardige arbeidsomstandigheden

en het verzekeren van fundamentele arbeidsrechten. Dit

De mening van de vakbonden

Tegenover de wil van de WTO om alsmaar meer deregulering

op te leggen, met name op het vlak van investeringen, klaagt

de Internationale Confederatie van vrije Vakbonden (ICFTU) die

“race-to-the-bottom” of nivellering ten koste van alles aan. Die

dwingt immers landen en hun werkkrachten om elkaar te

bekampen om handel en investeringen aan te trekken.

Syndicale rechten worden geschonden en arbeiders zien zich

verplicht een hongerloon te aanvaarden, voornamelijk in de

industriële vrijhandelszones. (Verklaring ICFTU, 1 mei 2004)

De ICFTU onderstreept dat “liberalisering van de economie

meer privatisering met zich meebracht en ook een grotere

houdt ondermeer een gelijke behandeling in, het verbod

op kinderarbeid en op gedwongen arbeid;

• de bevordering van de participatie en de zelfstandigheid

van arme arbeiders, door hen op lokaal niveau te betrekken

bij de planning, door van EIIP-infrastructuur een prioriteit

te maken en door nieuwe methodes van collectieve

onderhandeling in te voeren.

Het scheppen van duurzame jobs door ondernemen

te promoten

Het EIIP mikt ook op duurzaamheid van de werkgelegenheid,

door de competitiviteit, productiviteit en rendabiliteit

van nationale en lokale ondernemers te verhogen. Terwijl

ze ondernemers aanmoedigt om ook te letten op rechtvaardige

arbeidsomstandigheden, laat het programma

hen toe bij openbare aanbestedingen een aanbod met de

EIIP-methodes te doen.

Vergelijkende studies tonen aan dat EIIP-projecten voordelen

hebben in vergelijking met projecten die veel materiaal vereisen.

Zo stelde men de volgende zaken vast:

• er worden meer niet-geschoolde arbeidskrachten ingezet

(direct en indirect);

• de inkomsten worden beter verdeeld;

• het inkomen en het verbruik van de huishoudens neemt toe,

wat het nationale inkomen per hoofd doet stijgen;

• het ontstaan van een deviezeneconomie en een verlaging

van de overheidsschuld, wat de betalingsbalans doet verbeteren;

• een groeiende democratische deelname, te danken aan het

feit dat het EIIP gebaseerd is op de behoeften van de

gemeenschap en democratische deelname aanmoedigt;

• een grotere rendabiliteit van de economieën met een overaanbod

van niet-geschoolde arbeidskrachten met lage lonen;

• een groeiend respect voor het milieu.

bewegingsvrijheid voor kapitalen en investeringen (directe

buitenlandse investeringen) door het aanzwengelen van de

concurrentie, maar daarom nog niet voor een concurrentieniveau

zorgde dat alle betrokkenen voordelen geeft. Het gaat

om concurrentie die armen tegenover machtigen en rijken stelt,

en armen opzet tegen elkaar. Ondanks de groei van handel en

investering op wereldschaal zijn armoede, ongelijkheid, werkloosheid

en milieuvervuiling toegenomen.

Sociale doelstellingen

De krachten van een economische globalisering die uitsluitend

marktgericht is, voldoen niet aan essentiële sociale

DEEL

5

oxfamcahier - juni 2005 51


DEEL

5

52 oxfamcahier - juni 2005

Het recht om te beslissen

doelstellingen zoals een rechtvaardige duurzame groei, het

wegwerken van armoede, het scheppen van waardige jobs,

gelijkheid tussen mannen en vrouwen, het voorzien in sociale

en essentiële publieke diensten, het respect voor mensenrechten

en syndicale rechten en het garanderen van sociale

stabiliteit en vrede.

De fundamentele principes waarop sociale rechtvaardigheid

is gebaseerd, worden hoe langer hoe meer miskend. De

internationale vakbondsbeweging vindt dat deze situatie niet

kan: de wereld kan geen commercieel systeem accepteren

dat onderdrukking, kinderarbeid en groter sociaal onrecht

toelaat in naam van de maximalisering van de export en het

promoten van investeringen.” (6)

De internationale vakbeweging onderstreept “het belang van

de nationale politieke ruimte. Regeringen moeten een sociaal

beleid en een arbeidswetgeving kunnen formuleren om de

bescherming en het welzijn van de arbeiders te garanderen.

De evolutie van de globalisering, liberalisering en privatisering

heeft ertoe geleid dat regeringen minder mogelijkheden hebben

om een dergelijk beleid te formuleren. De groeiende wisselwerking

tussen commerciële akkoorden (bilateraal, regionaal

en multilateraal) en het nationale beleid blijft de mogelijkheden

verder uithollen.”

Vrijhandelszones

“In de loop van de laatste 20 jaar,” zo stelt de ICFTU vast,

“heeft nationale economische deregulering en liberalisering

geleid tot de explosieve groei van vrijhandelszones, die buitenlandse

investeerders van de plicht ontslaan zich naar


Conclusie: Welke eisen stellen?

reglementeringen inzake arbeids- en milieubescherming te

voegen en die vaak belastingsvoordelen bieden of nog andere

reglementaire vluchtformules.

De globalisering van de economie heeft de concurrentie tussen

vrijhandelszones in verschillende landen verscherpt. Om

de investeringen te beschermen, worden alsmaar grotere

financiële voordelen aan investeerders aangeboden, of worden

maatregelen getroffen opdat arbeiders zich inschikkelijker

zouden tonen. Dat kan een aantal jobs scheppen, maar

de arbeidsvoorwaarden zijn meestal onvoldoende.

Arbeidswetten worden vaak overtreden en de organisatie

van arbeiders is over het algemeen potentieel onmogelijk.

Multinationale ondernemingen zijn vaak de eersten en soms

de enige die voordeel hebben bij die maatregelen.

Op gelijke voet

De vrijhandelszones zijn de uiting van een van de meest onevenwichtige

aspecten van de WTO-regels: het begrip van

national treatment. Velen denken dat nationale en buitenlandse

entiteiten dus op gelijke voet moeten behandeld worden.

Dit is niet correct. Het betekent dat buitenlandse entiteiten niet

slechter behandeld mogen worden dan nationale. Met andere

woorden, niets verhindert dat ze beter behandeld worden dan

de nationale. Daar komt het op neer bij de vrije exportzones:

de multinationale ondernemingen zijn niet verplicht belastingen

te betalen of te voldoen aan milieuwetgeving en wetten

over arbeid, gezondheid en veiligheid, terwijl de nationale

werkgevers daartoe wel verplicht zijn.”

Er bestaat geen ideale blauwdruk van voorstellen die toelaat investeringen te reguleren zodat de drie doelstellingen (zie inleiding)

verwezenlijkt worden. Tenzij men er dwingende voorwaarden voor iedere investeerder van maakt. Dat lijkt een noodzakelijke

tussenstap. Hervormen dus, en een internationaal akkoord over investeren voorstellen, bedoeld om de drie vermelde

doelstellingen te verwezenlijken. Zo’n akkoord zou moeten ontstaan in een neutraal institutioneel kader dat Westerse investeerders

niet bevoordeelt.

UNCTAD zou dat kader kunnen zijn. Nogmaals, het gaat er niet om de markteconomie en de vrije uitwisseling van handelsgoederen

in vraag te stellen. Het gaat er om hier geen doel op zich van te maken, maar een middel in dienst van een maatschappelijk

model, waarin vrijheid en solidariteit verenigbaar zijn.

(1) Urfig: Unité de Recherche, de Formation et d’Information sur la Globalisation, Onderzoeksgroep, www.urfig.com

(2) UNCTAD, Good governance in investment promotion, Genève, 2004.

(3) UNCTAD, Foreign Direct Investment and Performance requirements: new evidence from selected countries. New York en Genève, 2003.

(4) Zie p. 13, “Hoe rijke landen investering trachten te ontregelen.”

(5) Joint venture: een gemeenschappelijke onderneming. Een vereniging waarin twee mensen of groepen samenwerken, volgens verscheidene

modaliteiten met het doel een welbepaald project te verwezenlijken en daarbij hun kennis, hun technologie of hun middelen samenbrengen,

alsook de risico’s en de opbrengsten delen.

(6) Verklaring ICFTU tijdens UNCTAD XI, Sao Paolo, 13-18 juni 2004.


Afbraak van arbeidsvoorwaarden

De Millenniumverklaring, arbeid en

investeringsakkoorden

XAVIER DECLERCQ, directeur Mobilisatie Oxfam-Solidariteit

ARBEID WORDT HEEL BEPERKT VERMELD IN DE VN-MILLENNIUMDOELSTELLINGEN DIE ONDER

MEER DE ARMOEDE WILLEN HALVEREN TEGEN 2015. TOCH IS ARBEID EEN DOORSLAGGEVENDE

FACTOR IN DE STRIJD TEGEN ARMOEDE. INVESTERINGSAKKOORDEN HEBBEN DAN WEER GEVOLGEN

VOOR DE ARBEIDSOMSTANDIGHEDEN. DE DRIE ELEMENTEN ZIJN NAUW VERWEVEN.

De band tussen investeringsakkoorden en het (weinige)

respect voor arbeidsomstandigheden dat uit deze

akkoorden voortvloeit, is onrechtstreeks maar reëel. Het aanbieden

van steeds betere investeringsvoorwaarden leidt tot

een “race to the bottom”, tot een minimaliseren van de reglementering,

vooral op sociaal vlak.

Investeringsontvangende landen spreiden het bedje voor buitenlandse

investeerders, onder andere door te beloven dat ze

de sociale wetgeving niet op de letter zullen toepassen. Een

deel van de investeringsvoorwaarden vertaalt zich in het nietondertekenen

van internationale conventies, in het laten dalen

van salarissen, het niet te nauw nemen van arbeidsuren en

–contracten. Werkzekerheid wordt niet gegarandeerd en

sociale voorzieningen worden niet meer vermeld. Landen proberen

hun sociale wetgeving steeds verder te flexibiliseren.

Vrijheid van vereniging en collectief onderhandelen wordt in de

praktijk bemoeilijkt, intimidatie en ontslag zijn schering en inslag.

De toegevingen worden verdedigd door te wijzen op de noodzaak

om de investeerder goede voorwaarden aan te bieden.

Investeringsakkoorden zouden echter een hefboom kunnen

zijn tot het laten respecteren van een democratisch internationaal

bestuur, tot ‘global governance’, en ook tot het stimuleren

van een internationaal sociaal overleg.

Ze zouden ook positieve gevolgen kunnen hebben op het versterken

van het respect voor de lokale sociale wetgeving.

Waarom zou er in een investeringsakkoord bijvoorbeeld geen

financiering kunnen worden voorzien van de sociale inspectie

van een ontvangend land?

De leemtes in de Millenniumdoelstellingen

In het voorwoord van dit oxfamcahier werd al aangestipt dat

Oxfam-Solidariteit haar campagne over investeringen kadert in

de inspanningen van de ngo’s om de VN- Millenniumverklaring

(2000) nieuw leven in te blazen. De acht Millenniumdoelstellin-

DEEL

15

oxfamcahier - juni 2005 53


DEEL

5

54 oxfamcahier - juni 2005

Afbraak van arbeidsvoorwaarden

gen (Millennium Development Goals- MDG’s) gelden als concrete

invulling van die verklaring. Die acht doelstellingen werden

vertaald in 18 streefdoelen en 48 indicatoren.

De Verklaring en de doelstelling om de armoede in de wereld

te halveren, pleit vooral voor het ter beschikking stellen van

aanzienlijke sommen geld voor ontwikkeling. Dat is inderdaad

een noodzaak, maar zeker geen voldoende voorwaarde.

Handel en schuldkwijtschelding bijvoorbeeld, zijn de twee

thema’s die veel meer invloed kunnen hebben op onrechtvaardigheid

en de armoede die daar uit voortvloeit, dan de

rechtstreekse financiering van ontwikkelingsprogramma’s.

De Millenniumverklaring is bovendien te weinig ambitieus.

Armoede met de helft verminderen zodat ‘slechts’ 750 miljoen

mensen moeten leven met minder dan 1 dollar per dag, is

bezwaarlijk ambitieus te noemen. Bovendien is de Verklaring

veel te beperkt in haar instrumentarium.

De Millenniumdoelstellingen uitgeplozen

Het thema arbeid komt in de MDG’s omzeggens niet aan bod.

• In doelstelling 8 “een wereldwijd partnerschap voor ontwikkeling

uitbouwen”, streefdoel 16, wordt verwezen naar het op

punt stellen en uitvoeren van strategieën die jongeren moeten

toelaten fatsoenlijke en nuttige arbeid te vinden. Daarbij wordt

in indicator 45 verwezen naar het werkloosheidscijfer van personen

tussen de 15 en de 24 jaar.

• In doelstelling 3: “gelijke kansen voor mannen en vrouwen en

de empowerment van vrouwen bevorderen” is niets over

arbeid opgenomen. Alleen indicator 11 “het aandeel van de

vrouwen dat buiten de landbouw in loondienst werkt” kan

beschouwd worden als een (zwak) aandachtspunt dat naar

arbeid verwijst.

• In de rapportering die de landen moeten maken over de

vooruitgang van de doelstellingen en de streefdoelen, valt het

moeilijk om gegevens over arbeid terug te vinden.

Arbeid komt duidelijk te weinig aan bod in de

Millenniumdoelstellingen. Het reduceren van de werkloosheid

staat nergens als doelstelling opgenomen. Werkgelegenheid als

instrument of wapen tegen armoede is compleet onderbelicht.

Er is geen verwijzing opgenomen naar de Internationale

Arbeidsorganisatie (ILO), wel naar de Wereldhandelsorganisatie

(WTO) bijvoorbeeld.

Er wordt evenmin iets gezegd over de verantwoordelijkheid

van bedrijven voor het volume en de kwaliteit van de tewerkstelling.

En het is precies daarover dat onze campagne gaat.

Het handelen van bedrijven heeft een zo grote invloed op

arbeid en de arbeidsvoorwaarden, dat het niet onder tafel kan

geschoven worden. In de investeringsakkoorden (waar de

Europese Commissie zo hard naar streeft) die worden afgesloten,

zijn geen bepalingen van sociale aard opgenomen.

Hoop op verbetering

Toch zou de Millenniumverklaring een vertrekpunt kunnen zijn

voor aanvulling en actie. De Verklaring zelf is namelijk ruimer

dan de geformuleerde doelstellingen. Enkele uitgangspunten

en ‘waarden’ die er in staan, kunnen op een natuurlijke manier

aan arbeid worden gekoppeld. De Verklaring gaat uit van een

rechtvaardige en inclusieve globalisering en stelt waarden

voorop zoals gelijkheid en solidariteit. Ze doet voorstellen over

handel en investeringen en ze verwijst naar de rol van de privésector

en van niet-gouvernementele organisaties.

Ook de sociale VN-top van 1995 in Kopenhagen kan al heel

wat inspiratie bieden. Daar werd gesproken over volledige

tewerkstelling als eerste prioriteit voor de economische en

sociale politiek. In het actieplan van deze top is er een volledig

hoofdstuk, vijftien bladzijden lang, gewijd aan aanbevelingen.

De ILO is aan een inhaaloperatie bezig. Op verschillende

manieren zoekt de arbeidsorganisatie aansluiting bij het

Millenniumdebat. Het is uiterst belangrijk dat zij haar rol opeist

in deze discussie. De vakbonden raken steeds meer betrokken

bij het Millenniumdebat en willen dat de ILO daarin meegaat.

Het rapport ‘A Fair Globalisation, creating opportunities

for all’ (2004) werd opgesteld door de Wereldcommissie voor

de Sociale Dimensie van de Globalisering, binnen het ILOkader.

(1) Het rapport geeft heel wat elementen om arbeid

hoger op de agenda te brengen van het Millenniumdebat. Zo

spreekt het over waardig werk voor allen als basis van een

nationaal en internationaal sociaal economisch beleid. De

voorstellen in verband met ‘global governance’ (die kunnen

gevolgd worden door de Wereldbank, het Internationaal

Monetair Fonds, de WTO,...) kunnen uitgewerkt worden binnen

doelstelling 8 van de Millenniumverklaring en aangevuld

worden met indicatoren.

Aanbevelingen voor de VN-Millenniumtop

Tijdens de VN millenniumtop van september 2005 zullen nieuwe

teksten voorgelegd worden die aanbevelingen bevatten

over het thema arbeid. VN-secretaris-generaal Kofi Annan

stelde in een reactie op het genoemde rapport over de sociale

dimensie van globalisering het volgende: “the best antipoverty

programme is employment and the best road to economic

empowerment and social well-being lies in decent

work”. Hopelijk houden de Belgische regering en de Europese

Commissie hier rekening mee.

De aanbevelingen van ILO liggen helemaal in de lijn van wat

wereldwijd door ngo’s wordt geëist. Het gaat duidelijk om een

‘Millennium Development Goals Plus’- aanpak, die leemtes in

de lijst van Millenniumdoelstellingen en in de aanpak opvult én

de nadruk legt op structurele analyse en beleidsverandering.

Alleen met druk vanuit een brede alliantie kan arbeid zijn

terechte plaats krijgen in de Millenniumtiming. De ILO rekent

uiteraard vooral op de steun van de vakbonden. In België zijn

we goed geplaatst om de toenadering tussen ngo’s en de

vakbonden in de internationale campagnes vorm te geven.

Hier bestaat immers een relatief goede verhouding en samenwerking

tussen beide groepen.

(1) Op deze website vindt u meer informatie over het rapport en de opvolging.

www.ilo.org/public/english/fairglobalization/index.htm


Van Dorpstraat naar Wetstraat

Het vakantiewerk van Oxfam,

campagne voeren

XAVIER DECLERCQ, directeur Mobilisatie Oxfam-Solidariteit

DIT CAHIER OVER INVESTERINGEN STAAT NIET ALLEEN, HET MAAKT DEEL UIT VAN DE CAMPAGNE

‘GEEN VERGIFTIGD GESCHENK. SOCIAAL INVESTEREN! WAARDIG WERK. WE STAAN ER OP!’

DE CAMPAGNE WERD OPGEBOUWD VOLGENS EEN CONCEPT DAT OXFAM-SOLIDARITEIT EEN DRIE-

TAL JAAR GELEDEN UITWERKTE.

Zomerfestivals als uitvalsbasis

Sinds drie jaar voeren we campagne door acties te organiseren

tijdens de zomermaanden. We gaan bewust naar die

plaatsen waar veel jongeren aanwezig zijn en gebruiken een

aantrekkelijke, interactieve methode om hen te informeren en

te sensibiliseren. We voeren onze campagnes doelbewust

met vrijwilligers. Ze krijgen een vorming over de problematiek

en we zorgen ervoor dat op elk festival een team van personeelsleden

en vrijwilligers aanwezig is.

Bij de campagne hoort informatiemateriaal: de campagnekrant

Globo met gebalde informatie en het achtergronddossier

oxfamcahier voor wie nog meer informatie wil. Het

oxfamcahier laat toe zich in het thema te verdiepen, het globale

kader te leren kennen, te grasduinen, verschillende

meningen te ontdekken, …

Themakeuze

Niet om het even welk onderwerp kan centraal staan in een

campagne van Oxfam-Solidariteit. Een thema komt in aanmerking

als het relevant is voor de Noord-Zuidproblematiek

en als er een verantwoordelijkheid te identificeren is bij onze

politici, op nationaal of internationaal niveau.

Het thema moet eveneens relevant zijn voor onze partners in

het Zuiden. Zij vragen dat we in het Noorden onze verantwoordelijkheid

opnemen en druk uitoefenen op het beleid.

Onze beleidsverantwoordelijken spelen immers een belangrijke

rol in de grote internationale organisaties, zoals de

Europese Unie of de Wereldhandelsorganisatie. De beslissingen

van deze organisaties hebben grote gevolgen voor

het dagelijkse leven van boeren, arbeiders of jongeren, in het

Noorden maar ook in het Zuiden.

De GATS-campagne rond water

DEEL

5

In 2002 en 2003 waren we met ‘waterteams’ aanwezig op de festivals

om de problematiek van de privatisering van de watervoorzieningen in

het Zuiden aan te kaarten. De waterteams maakten deel uit van onze

toenmalige GATS-campagne, over de gevaren van het Algemeen

Akkoord inzake de Handel in Diensten.

Dat campagnethema was ons aangereikt door onze partners in het

Zuiden. Zij melden steeds vaker problemen rond de toegang tot zuiver

water. Liever dan financiering voor zuiver drinkwater te vragen, wilden ze

het probleem aan de basis aanpakken, bij de Wereldhandelsorganisatie

(WTO). Daarom vroegen ze ons meer druk uit te oefenen op de GATSbesprekingen

(die ook het thema water omvatten) in de WTO.

oxfamcahier - juni 2005 55


DEEL

5

56 oxfamcahier - juni 2005

Van Dorpstraat naar Wetstraat

Resultaten boeken

Een campagne moet ook resultaten opleveren. We stellen

ons niet tevreden met het louter informeren van het publiek.

We vragen om een petitie te ondertekenen (zie foto hierboven)

die een aantal concrete politieke eisen bevat. Oxfam-

Solidariteit verbindt zich ertoe deze eisen over te maken aan

onze politici en ook de opvolging te garanderen. Met de

GATS-campagne (zie kader) zamelden we een 30.000-tal

handtekeningen in en ook vandaag nog volgen we het

thema op de voet. We informeren het publiek daarover in

onze publicaties en op onze website www.oxfamsol.be.

Oxfam-Solidariteit krijgt vaak de vraag of haar acties het verschil

maken, of ze echt iets uithalen. Het antwoord is niet

eenvoudig. Soms maken we het verschil, soms niet. Maar

hoe sterker we staan, hoe meer verschil we kunnen maken.

Onze sterkte hangt onder meer af van de allianties die we

kunnen smeden rond bepaalde thema’s. Met de watercampagne

waren we in staat verschillende ngo’s en sociale

organisaties, waaronder de vakbonden, te mobiliseren. De

Vlaamse koepelorganisatie voor Noord-Zuidorganisaties

11.11.11. gaf zeer concreet opvolging aan onze campagne.

Ze tilde ze naar een hoger niveau door ze op te nemen in het

werk met de gemeentebesturen. De vakbonden namen het

GATS-dossier ook zeer ernstig en lieten hun studiediensten

het dossier grondig uitpluizen.

Samen organiseerden we betogingen die ook bij de regeringsleden

in de kijker liepen. Ze vroegen zich af hoe het

kwam dat 20.000 mensen op straat kwamen rond het thema

GATS, een term die een jaar voordien nog door weinig politici

gekend was. Resoluties over GATS en/of water werden

ondertussen in het Vlaamse, het Brusselse, het Waalse en

het federale parlement gestemd. Op 14 april 2005 stemde

de Kamer de resolutie “Toegang tot water voor iedereen”

goed, waarin de federale regering gevraagd wordt “te bevestigen

dat de toegang tot veilig water in hoeveelheden en van

een kwaliteit die toereikend zijn, een grondrecht van de mens

is (…) en dat overheden op alle niveaus de verplichting hebben

dit grondrecht te waarborgen.”

Heeft dit de privatisering van de watersector gestopt? Neen,

nog niet, maar heel wat mensen, ook politici, zijn ondertussen

wel op de hoogte van de problematiek en de uitdagingen

die deze stelt.

Campagne over investeringen

en arbeidsrechten

Met onze nieuwe campagne willen we minstens evenveel

bereiken. Het thema investeringen is nog niet bekend bij het

publiek en staat niet hoog op de politieke agenda. Oxfam-

Solidariteit zal campagne voeren op festivals, in de

Dorpstraat en in de Wetstraat.

Onze partners in het Zuiden zullen ook actie voeren rond het

thema. Zij kunnen moeilijk openlijk spreken over het investeringsklimaat,

omdat ze dan onmiddellijk als antipatriottisch

worden afgeschilderd. Hun kritiek zou immers investeerders

kunnen afschrikken. Daarom voeren ze actie op de werkvloer

van de bedrijven die internationaal investeren, waarbij

ze de sociale wantoestanden in die bedrijven benadrukken.

Maar onze partners vragen het thema wel expliciet op de

agenda te plaatsen. Zij weten maar al te goed waar het

schoentje knelt. En voor een deel is dat hier in het Noorden,

omdat we agressief onze investeringsvoorwaarden aan het

Zuiden opleggen. Met de koppeling van het thema investeringen

aan het thema arbeid, hopen we de noodzakelijke

allianties te kunnen smeden om, net zoals in het GATS-dossier,

ook in de problematiek over investeringen een verschil

te kunnen maken.

Doe mee met onze Investteams!

Wil je iets doen met wat je weet over investeringen?

Heb je interesse om mee te werken als vrijwilliger?

Vind je ook dat we niet stil mogen zitten? Wij kunnen

je inzet gebruiken!

Contacteer Wendy Verheyden,

wve@oxfamsol.be - tel.: 02/ 501 67 67


Websites

>

>

>

>

>

>

>

>

>

>

>

>

>

>

>

>

>

>

>

>

>

>


www.oxfamsol.be/invest (Campagne investeringen van Oxfam-Solidariteit)

www.epawatch.net (Informatie over de Europese Partnerschapsakkoorden)

www.stopepa.org (Campagne tegen de Europese Partnerschapsakkoorden)

www.schonekleren.be (Schone Kleren Campagne)

www.bilaterals.org (Informatie over investeringsakkoorden)

www.somo.nl (Onderzoek naar multinationale ondernemingen)

www.ilo.org (Internationale Arbeidsorganisatie)

www.etuc.org (Europese Vakbondsfederatie)

www.acv-online.be (Algemeen Christelijk Vakverbond)

www.abvv.be (Algemeen Belgisch Vakverbond)

www.icftu.org (Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen)

www.gresea.be (Onderzoeksgroep over internationale economie)

www.urfig.org (Onderzoeksgroep over globalisering)

www.ecdpm.org (Europees centrum dat de relaties tussen Europa en de ACP-landen opvolgt)

www.caldh.org (Guatemalteekse partner die onder meer in de maquilas werkt)

www.thailabour.org (Ngo Thai Labour Campaign)

www.amrc.org.hk (Asia Monitor Ressource Center)

www.cifca.org (Copenhagen Initiative for Central America)

www.iisd.org (Internationaal Instituut voor Duurzame Ontwikkeling)

europa.eu.int/comm/trade (Site van het DG Handel van de Europese Commissie)

www.acp-eu-trade.org (Informatie over de handelsrelaties tussen Europa en de ACP-landen)

www.unctad.org Voer “World Investment Report” in als zoekterm.

www.acpsec.org (Secretariaat van de ACP-landen)

oxfamcahier - juni 2005 57


>

>

>

>

>

>

>

>

58 oxfamcahier - juni 2005


Litteratuur

Arbeid, een kwestie van rechten, cahieroxfam, Oxfam-Solidariteit, april 2004.

Fair Play at The Olympics. Respect worker’s rights in the sportswear industry, Oxfam

International, Clean Clothes Campaign, Global Unions, Oxford, 2004.

Trading away our rights. Women working in global supply chains, Oxfam International,

Oxford, 2004.

Rigged rules and double standards, trade, globalisation, and the fight against poverty,

Oxfam International, 2002, pp. 200-235.

Libéralisation et résistances. Le Mexique et l’Union européenne: les mêmes défis,

CIFCA, december 2004.

EPA ou PAS? Introduction critique aux Accords de partenariat économique, Cahiers

des alternatives n°6, GRESEA, november 2004.

Rapport annuel des violations des droits syndicaux, Confédération internationale

des syndicats libres (CISL).

Trade and Development Report, UNCTAD.

Human Development Report, UNDP.

> Crabbé (Carole) en Delforge (Isabelle), Speeltjes van de globalisering. Walt Disney,

allesbehalve een sprookjeswereld, Oxfam-Magasins du monde, Vista, Brussel, 2002.

> Jennar (Raoul Marc) Europe, la trahison des élites, Fayard, Paris, 2004 (Kreeg de prijs

“prix des Amis du Monde diplomatique” in 2004).

> Jennar (Raoul Marc), L’AGCS, un instrument de la restauration conservatrice,

collectie Raisons d’agir, 2005.

> Klein (Naomi), No logo. De strijd tegen de dwang van de wereldmerken,

Lemniscaat, Rotterdam, 2001.

> Lievens (Karin), De maquilarepublieken, Oxfam-Solidariteit, 1998.

> Mestrum (Francine), Globalisering en armoede. Over het nut van armoede in de nieuwe

wereldorde, EPO, Antwerpen, 2002.

> Robinson (William), Transnational Conflicts, Central America, Social Change and Globalization,

Verso Books, Londen, 2003.

> Ziegler (Jean), Les nouveaux maîtres du monde et ceux qui leur résistent, Fayard, Paris 2002.

Te

bekijken

• Bij de Schone Kleren Campagne kan u video’s ontlenen over maquilas en arbeidsrechten

en een CD-ROM met achtergrondmateriaal zoals informatie over arbeidsrecht, verantwoord

ondernemen, etc.

Contacteer: Schone Kleren Campagne, PB20, 1031 Brussel.

Tel.: 02/246.36.81, fax: 02/246.38.85, e-mail: materiaal@schonekleren.be

• ‘De nachtmerrie van Darwin’, documentaire van Hubert Sauper (2004) die de ravages

toont die de globalisering kan aanrichten. De film toont de gevolgen van het exportbeleid

in Tanzania in de regio van het Victoriameer.


De auteurs

Alle bijdragen in deze

publicatie zijn voor de verantwoordelijkheid

van de auteurs. Overname

van uittreksels is toegestaan na

overleg met de redactie, mits bronvermelding

en toezending van een presentexemplaar.

Art. 4 Wet 8.12.92 - Min. Besluit 18.03.93.

Oxfam-Solidariteit vzw, Vierwindenstraat 60-1080 Brussel, beheert volkomen

zelfstandig een geautomatiseerd adressenbestand teneinde gegevens

op te slaan die betrekking hebben op het beheer van de relaties met haar

donors en sympatisanten.

U heeft het recht alle gegevens over uzelf op te vragen en deze desgevallend

te laten wijzigen. Richt uw schriftelijke aanvraag aan :

Oxfam Schenkersbestand, Vierwindenstraat 60 - 1080 Brussel.

Voor alle informatie betreffende dit bestand kan u terecht bij het

Rijksregister van de Commissie voor Bescherming van de

private levenssfeer, Regentschapsstraat 61 - 1000

Brussel. Oxfam-Solidariteit is geregistreerd onder

nummer 000500836.

Raoul Marc Jennar

is gedoctoreerd in de politieke wetenschappen en

onderzoeker bij Oxfam-Solidariteit. Hij werkt rond

de Wereldhandelsorganisatie en investeringen. Hij

werkt eveneens voor Urfig, l’Unité de recherche,

de formation et d’information sur la globalisation.

Hij is lid van het uitvoerend comité van het

Europees netwerk van ngo’s en andersglobalistische

organisaties “Van Seattle tot Brussel” en van

de coördinatie van het wereldwijd netwerk “Onze

wereld is niet te koop.”

Lees meer op www.urfig.org

Xavier Declercq

is licentiaat in de politieke wetenschappen. Sinds

1984 werkt hij voor Oxfam-Solidariteit. Hij was

twaalf jaar projectbeheerder Centraal-Amerika en

sinds 1996 is hij directeur Mobilisatie. In die hoedanigheid

deed hij onderzoek naar het Multilateraal

Investeringsakkoord dat in de OESO werd

besproken. Hij schreef vele artikels over deze problematiek

en over handel en globalisering in het

algemeen.

Karin Lievens

journaliste, is goed vertrouwd met de problematiek

van de maquilas door haar jarenlange verblijf

in El Salvador. In 1997 stelde ze voor Oxfam-

Solidariteit al een dossier over het thema samen:

“De Maquilarepublieken”.

Daniel Van Daele

is Federaal Secretaris van het Belgisch Vakverbond

(ABVV) en lid van de beheersraad van de

Delcredere.

oxfamcahier - juni 2005 59


60 oxfamcahier - juni 2005


Investeringen

zijn niet altijd

zaligmakend

oxfamcahier JUNI 2005 NUMMER 4

Bevat bijdragen van: Xavier Declercq, Raoul Marc Jennar,

Karin Lievens, Dr. Omar Everleny Perez Villanueva, Daniel van Daele,

Myriam Vander Stichele

Tekstbewerking: Lieve Reynebeau.

Coördinatie en eindredactie: Chantal Nijssen

Redactiemedewerkers: Marian Blondeel, Donatienne Coppieters,

Britt Dams, Tanguy Corbillon, Deborah Myaux, Lieve Reynebeau,

Wilfried Van Houte.

Foto’s: Tineke Dhaese en Eric de Mildt.

Opmaak: José Mangano

oxfamcahier is een uitgave van Oxfam-Solidariteit,

Vierwindenstraat 60 - 1080 Brussel

Redactie: 02/ 501.67.24 - redactie@oxfamsol.be

web: www.oxfamsol.be

Economische groei, het is dé toverformule van het neoliberale beleid. Maar dat

blijkt een mythe: op wereldvlak komt die groei er niet. Na 20 jaar neoliberaal

beleid ligt de economische groei lager dan tussen de jaren ’60 en ’80.

Onze groei bereiken we op de rug van het Zuiden. Zodra het over ontwikkeling

gaat, is het sleutelwoord ook daar ‘investeringen’. Investeringsregels

worden echter vertaald in wetteksten die alleen de belangen van het buitenlandse

bedrijf beschermen. Het ontvangende land kan de investeringen niet

in lijn brengen met zijn ontwikkelingsbeleid.

Dit betekent het tegenovergestelde van ontwikkeling. En toch, het is de strategie

van de Europese Commissie.

Om de mythe te doorbreken start Oxfam-Solidariteit in 2005 een campagne

rond investeringen en de gevolgen voor de arbeidsomstandigheden. Arbeid

is een essentiële factor in de bestrijding van armoede. Arbeid is het instrument

bij uitstek om mensen te integreren in de maatschappij. We zijn geen

tegenstanders van investeringen maar we willen duidelijk maken dat investeringen,

ondanks alle mooie woorden, niet altijd zaligmakend zijn.

Met de slogan “Geen vergiftigd geschenk. Sociaal investeren! Waardig werk.

We staan er op!” trekken we het land rond. Dit oxfamcahier is een leidraad

voor onze campagne. Met theoretische analyses, voorbeelden uit de praktijk

en getuigenissen van onze partners in het Zuiden.

VN-secretaris-generaal Kofi Annan zei alvast dit: “The best antipoverty

programme is employment and the best road to economic

empowerment and social well-being lies in decent work.”

More magazines by this user
Similar magazines