N I E U W S B R I E F 2012 - 2 - RAAP Archeologisch Adviesbureau

raap.nl

N I E U W S B R I E F 2012 - 2 - RAAP Archeologisch Adviesbureau

opgraving historische kern

N I E U W S B R I E F

ARCHEOLOGISCH ADVIESBUREAU

Binnenstedelijk archeologisch onderzoek:

kleine waarnemingen, grootse resultaten

Er is een duidelijke trend te bespeuren, mede door de economische crisis:

kleine inbreidingsplannen in steden en dorpen nemen de plaats in van

grote uitbreidingswijken aan de randen van woonkernen. Ook in die

kleine plangebieden doen archeologen onderzoek en ondanks het geringe

oppervlak kan dat een belangrijke bijdrage leveren aan de kennis over de

gemeentelijke bewoningsgeschiedenis. Drie recente RAAP-onderzoeken in

binnensteden ter illustratie.

Kleinschalig binnenstedelijk onderzoek

Bodemingrepen in historische kernen bieden een uitgelezen kans om informatie

over het verleden van een stad of dorp te verzamelen. Archeologen kunnen met hun

onderzoek en de opgegraven resten ontbrekende puzzelstukjes leggen in de lokale

bewoningsgeschiedenis. En die informatie kun je als gemeente weer goed gebruiken

om je mee te onderscheiden. Door de geschiedenis bijvoorbeeld te verbeelden en

beleefbaar te maken, wordt de stad aantrekkelijker voor toeristen en ondernemers.

Archeologisch onderzoek in historische binnensteden is doorgaans verplicht vanaf

een oppervlakte van 50 m². Gemeenten kunnen van deze ondergrens afwijken en ook

voor kleinere plangebieden een onderzoek verplicht stellen. De gemeente Harderwijk

hanteert bijvoorbeeld een ondergrens van 30 m² voor onderzoek in de binnenstad.

Daar werd van afgeweken toen er 20 ondergrondse afvalcontainers geplaatst moesten

worden. De plaatsing daarvan bood de gelegenheid om verspreid over de stad een

beeld te verkrijgen van het bodemprofiel in putjes van slechts 6 m²!

Stadskasteel Harderwijk

Het onderzoek van RAAP in de kleine putjes in Harderwijk leverde naast informatie

over bodemopbouw tal van belangrijke waarnemingen op. Zo zijn uitzonderlijk goed

bewaarde restanten van het 16e eeuwse stadskasteel van de graaf van Gelre ontdekt,

evenals een houten weg aan de Hoogstraat, destijds een belangrijke ontginningsas.

In een put van 3x2 meter voor de Grote Kerk werden wel zeven begravingen, een

knekelkuil en een poer van een kerkhofmuur blootgelegd.

INHOUD

2012 - 2

Selectiebeleid voor Regio Achterhoek

erfgoedzorg

Booronderzoek van extreem groot tot

piepklein

Erfgoedmonitor voor de Rijksdienst voor

het Cultureel Erfgoed

Over een stekelbaarsje in onze schedelpan

En verder: nieuwe archiefdatabase voor Odile

| verbeelding cultuurhistorie: Deltavesting

Breskens + Reconstructie Kaboutersberg

Hoogeloon | RAAP informatiemiddagen |

Odyssee-project

Begraven

oorlogsverleden


Links: Harderwijk tweede helft 13e eeuw. Kaart Jacob van Deventer

met daarop het bestaande stratenpatroon (rood), de grafelijke

residentie/zaalbouw (zwart), het Minderbroedersklooster (groen) en

de waterlopen (blauw). Rechts: Opgegraven zaalbouw in Harderwijk

met op de voorgrond de veldkeienbestrating.

Afgezien van fraaie vondsten kwam ook een aantal brede

greppels of smalle grachten aan het licht. Zij bleken, in

combinatie met greppels en grachten aangetroffen bij eerdere

opgravingen aan de Brugge- en Vijhestraat, een belangrijke

kennisbron in de vroege stadsontwikkeling te zijn. Door

de aanleg van greppels en grachten werd het beekdal aan

de rand van het toenmalige Harderwijk rond 1200 verder

ontwikkeld, en het zuidelijke deel werd opgenomen in de zich

uitbreidende stad. De aanleg ervan is in verband te brengen

met de geldingsdrang van de graaf van Gelre, die er zijn eerste

residentie bouwde. Het was een prominente plek in een toen

lege zone van de stad nabij de Hoge brug, de belangrijkste

toegang tot de zee. Toen de graaf van Gelre later zijn

versterking verplaatste, ontstond een duidelijke tweedeling

in de stad. In de noordelijke oude kern lag de dicht bebouwde

handelsstad met de markt en in het zuiden ontstond een ruim

opgezette en door geestelijke instellingen gedomineerde

woonwijk. Zo leverden de kleine kijkgaten nieuwe inzichten op

over de ontwikkeling van de stad.

Winterswijkse grachten

Een ander voorbeeld van kleinschalig onderzoek vond in

2010 in Winterswijk plaats, waar aan de Wooldstraat een

brede gracht werd ontdekt. Een jaar later kwam, tijdens de

archeologische begeleiding van rioolwerkzaamheden door

Binnenstedelijk archeologisch

onderzoek:

een specialistische aanpak

Archeologisch onderzoek in een historische kern is

wezenlijk anders dan in het buitengebied. De oude kern

is gedurende een aantal eeuwen intensief bewoond

geweest, waardoor op een klein oppervlak een hoge

concentratie van archeologische resten uit verschillende

perioden ligt opgestapeld.

Voor binnenstedelijke opgravingen geldt een hoge

mate van onvoorspelbaarheid. De complexiteit van de

archeologische resten, samen met de veel voorkomende

civieltechnische uitdagingen - zoals kabels en leidingen, bodemvervuiling,

graven tussen panden - zorgen voor een lastig te plannen puzzel. Het

vooraf maken van een inschatting over de benodigde tijd voor het veldwerk

is daarom doorgaans meer een beredeneerde schatting dan een exacte

berekening.

Ook de hoeveelheid en kwaliteit van de archeologische resten zijn vooraf

lastig te voorzien. Van de recente (20e eeuwse) verstoringen bestaat vaak

wel een duidelijk beeld, maar in hoeverre de oudere archeologische sporen

elkaar het licht gunnen, wordt pas duidelijk nadat de opgraving van start

is gegaan. Vaak levert een binnenstedelijke opgraving een keur aan sporen

en vondsten op uit zeer uiteenlopende perioden: van de Nieuwe Tijd tot en

met, in sommige gevallen, het Paleolithicum. Op kleine binnenstedelijke

percelen is een dergelijke brij aan sporen bijzonder lastig te duiden en

typisch werk voor specialisten. Bij grootschalige opgravingen bestaat de

mogelijkheid om met een veel ruimere blik de aanwezige archeologische

resten te bestuderen. Op deze manier kunnen omvangrijke sporen, zoals

sloten, percelen en gebouwen en bijbehorende beerputten, samenhangend

onderzocht worden. Inzicht in dergelijke grote structuren kan ook de

kleinere details in een helder daglicht plaatsen. Zowel bij grootschalig als

kleinschalig binnenstedelijk onderzoek is ook de historische kennis van een

vindplaats uit archiefstukken en oude kaarten, van groot belang.

RAAP, een tweede gracht tevoorschijn. De dubbele gracht intrigeerde

en met hulp van kennis van amateurarcheologen, historische bronnen

en oude opgravingsgegevens werd een reconstructie gemaakt.

Waarschijnlijk vormde de dubbele gracht al in de 11e eeuw de

begrenzing van de hof van de bisschop van Münster. Er zijn meldingen

van op grote diepte aangetroffen bakstenen funderingen, die min of

meer het verloop van het grachtenstelsel volgden. Mogelijk vormden

ze een verdedigingsmuur. Zo’n versterking kan verband houden met

de aanwezigheid van de hoge kerkelijke functionarissen in de 13e

en 14e eeuw in Winterswijk. Wat meespeelt is dat de bisschop van

Münster in 1316 het wereldlijke gezag wist te verwerven over het ‘ambt

Bredevoort’ waar Winterswijk toe behoorde. Dit grondbezit werd door

de Graaf van Gelre betwist, met als gevolg een hevige strijd waarbij

men herhaaldelijk steden, dorpen en kastelen op elkaars grondgebied

aanviel. Waarschijnlijk liet de bisschop van Münster daarom het

kerkelijke centrum Winterswijk versterken: om zijn territoriale

aanspraken kracht bij te zetten, en om de nederzetting tegen de

Gelderse aanvallen te beschermen. Dat de Gelderse graaf Winterswijk

bij zijn invallen niet ongemoeid liet, is op te maken uit de dikke

brandlagen met aardewerk uit de 14e eeuw, aangetroffen rond de Markt.

Het verhaal van de grachten van Winterswijk moet natuurlijk getoetst

worden. Toekomstige graafwerkzaamheden in de oude kern, hoe klein

ook, bieden daartoe alle gelegenheid.

Reconstructie van het grachtenstelsel in Winterswijk


Krukgewicht uit de beerput in

Groningen (foto ARC bv)

De muren en funderingen van het refugium

in Groningen (foto ARC bv)

Grootschalig binnenstedelijk

onderzoek

Gronings refugium

Recentelijk onderzocht RAAP, in samenwerking met ARC,

de plek van het toekomstige Groninger Forum, midden

in het centrum van de stad Groningen. In een deel van

het ongeveer 1 hectare grote onderzoeksgebied zijn

de bakstenen muren van het refugium van het klooster

Bloemhof uit Wittewierum aangetroffen. Een refugium

diende voor de kloosterlingen onder andere als vluchthuis,

een huis binnen de veilige stadsmuren waarheen men in

tijden van oorlog en ellende zijn toevlucht kon nemen. Uit

historische bronnen was de plek van het laatmiddeleeuwse

refugium bekend. Ook over de latere functies van het

gebouw - het diende vanaf de 17e eeuw als weeshuis,

gevangenis en ijkkantoor en later als school - waren

historische bronnen voorhanden.

Uit de funderingen konden de archeologen het grondplan

van het laatmiddeleeuwse gebouw reconstrueren. Tevens

is een beerput onderzocht die vermoedelijk in de 15e of

16e eeuw is aangelegd, maar tot in de 19e eeuw in gebruik

is gebleven. De vondsten uit deze put komen voornamelijk

uit de tijd dat het gebouw als gevangenis en ijkkantoor

functioneerde (17e-19e eeuw). Bovenin de beerput

lag bijvoorbeeld een afgedankt krukgewicht. Aan de

binnenzijde van de oostelijke muur zijn enkele muurtegels

gevonden met daarop afbeeldingen van allerlei ondeugden.

Wellicht hebben deze ‘moralistische’ afbeeldingen een

samenhang met de gevangenis.

Naast het gebouw zelf is ook de omgeving van het

refugium onderzocht. Zo konden ook de bijbehorende

percelen geïdentificeerd worden: ze dienden als tuin en

opslagruimte. Ook werden hier verschillende waterputten

aangetroffen. In de loop van de tijd lijken de percelen

rond het gebouw kleiner te worden, onder invloed van een

steeds voller wordende stad. Alles bij elkaar leveren deze

gegevens een mooi archeologisch beeld op van het gebouw,

zijn omgeving en de ontwikkeling van het complex.

Projectleider Jasper Huis in ’t Veld (Groningen)

T 0512-589140 | E j.huisintveld@raap.nl

Projectleider Martin Schabbink (Harderwijk)

T 0575-567876 | E m.schabbink@raap.nl

SPOOKDELTA

Het is nog maar enkele weken geleden

dat we werden opgeschrikt door het

nieuws dat Sandy Island, een eiland

van 25 km lengte gelegen tussen Australië en

Nieuw-Caledonië, niet bleek te bestaan. Hoe

is dat toch mogelijk, en dat nog wel in een tijd waarin we alles, maar dan

ook alles, denken te weten van wat zich waar ook op de wereld bevindt.

Het op spookachtige wijze verdwenen eiland groeide dan ook uit tot het

wereldnieuws van de dag.

Wat was het geval? Als in vroeger tijden zeelui een eiland dachten te zien,

werd dat op de kaart gezet en pas verwijderd als het tegendeel bewezen was.

Zo ontstond het begrip ‘spookeiland’. Sandy Island is al rond 1850 op Franse

kaarten verschenen, maar wie het eiland voor het eerst gezien zou hebben is

(nog) niet bekend. Vermoedelijk speelde de claim van Frankrijk op een groot

deel van de archipel waartoe het eiland zou behoren, een rol. Tot op de dag

van vandaag is Nieuw-Caledonië in Franse handen gebleven. In 1997 is Sandy

Island echter weer van de Franse kaarten verwijderd. Vreemd genoeg bleef

het zichtbaar op Google Earth (!) en diverse andere kaarten. Dat was dus

nieuws!

Een vergelijkbare verbazing overviel mij toen ik de geologische

dwarsdoorsnede bestudeerde die aan de onderzijde van deze nieuwsbrief

staat afgedrukt. Ik zag paars veen, veel bruingrijze zeeklei, en maar een

ietsie pietsie groene rivierafzettingen. Dat lijkt geen wereldnieuws, maar

is het wel degelijk. Want waar was onze delta gebleven?? Onze delta van

het Deltaplan, de Zuid-Hollandse Delta, Deltares, en alle andere namen die

geïnspireerd zijn op onze o zo gevierde Rijn-Maasdelta. Was hier sprake van

een delta die verdwenen is onder de golven van de Noordzee, of is hij er

nooit geweest? Hebben we hier te maken met de eerste spookdelta, of is de

verklaring een geologische dwaling omdat er wat is gehusseld met het begrip

delta. Hij was er wel, maar eigenlijk ook niet.

De geologische handboeken bieden gelukkig uitsluitsel. Een delta ontstaat

daar waar een rivier in een meer of zee uitmondt en door de rivierafzettingen

- mits niet teveel golfwerking en getijdenstroming - een in het water

vooruitstekend stuk land in de vorm van een ∆ (de Griekse letter delta) wordt

gevormd. Kernwoorden zijn dus rivierafzettingen en de delta-vorm. Wat uit

de handboeken ook duidelijk wordt is dat West-Nederland een kustvlakte is

met strandwallen, dikke pakketten zee-afzettingen met daarop en daartussen

lagen veen. Doorheen dat kustgebied stromen de rivieren Rijn, Maas en

Schelde - met getijdenwerking in de benedenloop – naar zee. Niks geen delta

dus, ruim de helft van de Nederlanders leeft in een kustgebied met estuaria.

Misschien is de delta ooit bedacht als smaakmaker voor een nieuwe identiteit

van de Nederlander: een opgepoetste Hansje Brinker die, in plaats van

het vingertje belerend op te heffen, hem heel praktisch in de dijk rondom

de delta steekt. Probleem opgelost, zo zijn wij Nederlanders! Terug van

dominee naar koopman, geheel passend in de tijdgeest. Ik wil deze optie niet

uitsluiten, want identiteit is in. Toch is sleutelen aan een nieuwe identiteit

niet zonder risico. Voor je het weet maak je een historische blunder. Want wie

kent niet de beroemde woorden van de nestor van de Nederlandse geologie

W.C.H. Staring? Hij schreef al in 1860 in zijn ‘De bodem van Nederland’, in

de paragraaf ‘Oordeel van buitenlanders’: ‘Een hernieuwd slaan op het oude

aambeeld. Nederland is slechts ene bezinking van den Rijn, een aanspoelsel,

dat geologisch slechts een aanhangsel is van Duitschland en dus politisch

eigenlijk ook daarbij diende te behooren!’. Oppassen dus met die delta.

Marten Verbruggen

directeur RAAP Archeologisch Adviesbureau


Profiel Beverwijk-Wijngaarden:

booronderzoek

het grootste aaneengesloten geologische profiel

ooit geboord in Nederland

In verband met de aanleg van de aardgastransportleiding

tussen Beverwijk en Wijngaarden door Gasunie, voerde RAAP

een inventariserend veldonderzoek uit. Tussen februari

2011 en juli 2012 zijn daarvoor twee provincies en dertien

gemeenten doorkruist. Doel van het booronderzoek was het

in kaart brengen van het landschap en de daarin aanwezige

archeologische vindplaatsen of kansrijke archeologische zones.

Daarnaast leidde het onderzoek ook tot een uitzonderlijk

gedetailleerde en uitgebreide geo-archeologische doorsnede

waar de vorming van West-Nederland goed van is af te lezen.

Van Wijngaarden naar Beverwijk, van het Zuid-Hollandse

donkengebied, via de afzettingen van de Oude Rijn en de

Haarlemmermeer tot het Noord-Hollandse Oer-IJ. Voor

zover bekend is dit in Nederland het langste aaneengesloten

uitgeboorde geologisch profiel ooit.

De feiten:

Lengte: 64 km van het in totaal 90 km lange tracé is uitgeboord

Aantal: 2024 boringen zijn er in totaal gezet, verkennend en

karterend

Boorafstand: 25 of 50 meter (verkennend booronderzoek) verdicht

tot maximaal 5 meter (karterend booronderzoek)

Diepte: 6 meter ging de diepste boring

Kaart: 16 meter lang is de A3-kaartenbijlage van het

profiel schaal 1:4000

Projectleider Geuch de Boer

T 071-5768118 | E g.de.boer@raap.nl

Uitvergroot fragment van het 64km lange uigeboorde tracé (in

zijn geheel afgebeeld aan de onderzijde van deze nieuwsbrief).

B ooronderzoek:

doen ze dat zo?!

Booronderzoek is in de Nederlandse archeologie een

veel toegepaste prospectiemethode. RAAP startte

met booronderzoek in de jaren 80 van de vorige eeuw

en was daarmee trendsetter. Jaarlijks worden vele

booronderzoeken uitgevoerd als onderdeel van het

archeologisch vooronderzoek. Grote booronderzoeken

zoals het uitboren van de spoorlijntracés voor ProRail,

maar ook kleine onderzoeken van slechts een halve dag

voor particulieren die een bouwvergunning hebben

aangevraagd.

Regelmatig krijgt RAAP vragen van bedrijven en

particulieren die willen weten wat er bij een booronderzoek

komt kijken. Teamleider prospectief onderzoek van de RAAP

vestiging in Leiden, Maaike de Waal: “Soms denken mensen

dat we met een grote machine het land op moeten en zo

het terrein en eventuele gewassen zullen beschadigen,

maar dat is een misverstand. Booronderzoek is op enkele

uitzonderingen na handwerk en de bodem wordt door het

boren minimaal verstoord. Om opdrachtgevers te laten zien

hoe het booronderzoek in zijn werk gaat, hebben we nu

een informatief filmpje gemaakt.” Het filmpje is te bekijken

op de website van RAAP en daar is ook een informatieblad

over booronderzoek aan te vragen.

Boorfilm:

www.raap.nl/pages/Archeologisch_Booronderzoek.html


archeologische software

Een uitwisselingsformaat voor de

archeologie

De afgelopen jaren is er hard gewerkt aan de

uniformering van het aanleveren van digitale

opgravingsgegevens aan archeologische depots. Met

30 depots en bijna evenveel opgravingsbedrijven

met hun eigen standaards was dat bittere noodzaak.

Sinds 1 juli 2012 heeft de SIKB het universeel

uitwisselformaat SIKB0102 beschikbaar gesteld.

RAAP breidt het databaseprogramma Odile uit met

een component voor archivering van archeologische

gegevens dat aansluit op dit formaat.

Odile archivering en

deponering

De nieuwe

archiefdatabase

ondersteunt het

SIKB0102 formaat

(versie 2.1.x) zowel

voor import als voor export en is daarmee interessant

voor zowel depothouders als vergunninghouders. Een

vergunninghouder kan Odile-projectgegevens toevoegen

aan de archiefdatabase, vanuit het archief gegevens

naar het SIKB0102 formaat exporteren (bijvoorbeeld

in de vorm van de ‘digitale pakbon’) en de gegevens in

de archiefdatabase projectoverschrijdend bevragen. De

depothouder kan eveneens gegevens aanleveren aan een

archiefdatabase van een vergunninghouder.

Bevragen van gegevens in het archief

Het archief maakt het mogelijk binnen de SIKB0102 XML

uitwisselingsstandaard vastgelegde gegevens op uniforme

manier op te vragen. Het formaat bevat de basisgegevens

van nagenoeg alle KNA-‘bouwstenen’ waarmee deze

archeologische objecten doorzoekbaar worden. Aanvullend

kan ook specialistische informatie in het archief worden

opgenomen, die ook kan worden doorzocht.

Overzicht van de Odile archiefcomponenten.

Oorspronkelijke coderingen

Voor een eenvormige bevraging is het noodzakelijk over uniforme

codes te beschikken. Hiervoor wordt de officiële standaard

gevolgd (ABR). Om geen kwaliteit van de gegevens te verliezen,

worden de (veld)coderingen met omschrijving ook in het systeem

opgenomen.

Kaarten, documenten en fotomateriaal

Geografische gegevens, documenten en fotomateriaal worden

geheel geïntegreerd in het archief, zodat ook deze typen gegevens

ontsloten kunnen worden. Zoeken op geografische locatie is

ook mogelijk. Tevens is rekening gehouden met de wens om de

geografische data te kunnen visualiseren. Er is niet voorzien in de

mogelijkheid om de inhoud van documenten te doorzoeken.

Odile conversie ondersteuning

Veel archeologische bedrijven, gemeenten en universiteiten

gebruiken de Odile software die RAAP ontwikkelde. Odile is groot

geworden dankzij de flexibiliteit in het veld en bij de analyse.

Een onderzoek vastgelegd met Odile kan geconverteerd worden

naar de archiefdatabase en vervolgens geëxporteerd naar het

SIKB0102 formaat. De conversie kan niet volledig automatisch tot

stand komen, want alleen de onderzoeker weet hoe de gegevens

in de betreffende projectdatabase gestructureerd zijn. Er is

echter voorzien in ‘tooling’ om de conversie te ondersteunen.

Aanpassingen aan Odile vereenvoudigen vervolgens het

werkproces zodat als er eenmaal een conversie gemaakt is deze

voor databases gebaseerd op hetzelfde sjabloon automatisch

verloopt. Het ‘terugconverteren’ van data in het archief naar een

Odile database is niet mogelijk.

Meer informatie: Marten Verbruggen

T 0294-491500 | E m.verbruggen@raap.nl


archeologiebeleid

Archeologie met beleid

Afwegingskader voor

het archeologiebeleid

in de Regio Achterhoek

Anno 2012 is archeologisch onderzoek vanzelfsprekend

gekoppeld aan de ruimtelijke ordening. Van vrijwel

elk terrein waar bodemverstorende activiteiten zijn

gepland, wordt uit voorzorg eerst het archeologisch

belang bepaald. Toch vragen gemeenten zich wel af

hoe zinvol het opgelegde onderzoek is geweest, of

het de gemaakte kosten waard was. Om daarin een

verantwoorde afweging te kunnen maken, heeft

de Regio Achterhoek een Afwegingskader voor

Archeologiebeleid laten opstellen. RAAP projectleider

Nico Willemse maakte het rapport in samenwerking

met regioarcheoloog Marc Kocken.

De Regio Achterhoek omvat 1489 km² en is een

samenwerkingsverband tussen de acht gemeenten Aalten,

Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Montferland, Oost

Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. Alle gemeenten

hebben archeologiebeleid geformuleerd, alle beschikken

over gedetailleerde archeologische waarden- en

verwachtingskaarten, de meeste gemaakt door RAAP. Onlangs

is er voor de regio ook nog een archeologische kennisagenda

beschikbaar gekomen. De gemeenten willen daarmee een

verantwoorde balans zien te bereiken tussen cultuurhistorische

belangen enerzijds, en maatschappelijke en organisatorische

uitvoerbaarheid anderzijds. Wat nog ontbrak, was een praktisch

en helder afwegings- en selectiekader om goed gemotiveerde

keuzes te kunnen maken voor het al dan niet laten uitvoeren

van archeologisch onderzoek bij bodemverstorende activiteiten.

Doelmatigheid, eenduidigheid en evenwichtigheid

Doelmatigheid, draagvlak, evenwichtigheid en het voorkomen

van overbodige regelgeving binnen de archeologische

monumentenzorg vormen sleutelbegrippen voor de

Regio Achterhoek. Het uitvoeringsinstrument dat RAAP

vervaardigde, geeft daar op praktische wijze invulling aan.

In het afwegingsproces staat een genuanceerde aanpak

centraal. Niet alle (bouw)activiteiten zijn even ingrijpend. Wat

er moet gebeuren verschilt per gebied en per locatie, maar

de afwegingen moeten wel eenduidig zijn. Als de overheid

bepaalt dat er archeologisch onderzoek moet plaatsvinden, of

als men daar juist vanaf wil zien, dient duidelijk te zijn welke

achterliggende argumenten zijn gehanteerd en hoe de belangen

tegen elkaar zijn afgewogen.

Trechteren

In het afwegingskader is gekozen voor drie beknopte hoofdlijnen

of schakels, die als het ware getrechterd vorm geven aan het

onderzoeks- en selectieproces: 1) vrijstellingsgrenzen, 2) regionale

eisen aan archeologisch vooronderzoek en 3) een standaard

Programma van Eisen voor proefsleufonderzoek.

SCHAKEL 1

Beredeneerde ondergrenzen:

wel/geen onderzoek

SCHAKEL 2

Regionale eisen archeologisch

vooronderzoek

SCHAKEL

3

Standaard PvE

IVO-P regionale

thema’s

In schakel 1 zijn ondergrenzen voor archeologisch vooronderzoek

inhoudelijk gemotiveerd en beredeneerd. Schakel 1 eindigt met een

kant-en-klare gemeentelijke vrijstellingsregeling archeologisch

vooronderzoek.

Schakel 2 komt tegemoet aan de behoefte aan ‘effectiviteit en

betrouwbaarheid’ van archeologisch vooronderzoek. De gemeenten

hebben kwaliteitsborging onderkend en zien het opstellen van

een ‘eigen norm’ als belangrijk onderdeel van de gemeente

als eisende overheid bij de uitvoering van de archeologische

monumentenzorg. Schakel 2 geeft naast inzichten en richtlijnen

voor goed archeologisch vooronderzoek een aantal operationele

onderzoeksvragen die als norm verplicht worden gesteld voor de

Regio Achterhoek.

Schakel 3 het standaard Programma van Eisen (PvE), is bedoeld

voor inventariserend zoek- of proefsleufonderzoeken (IVO-P) in

het landelijk gebied. Het standaard PvE koppelt kennisthema’s uit

de regionale onderzoeksagenda aan concrete onderzoeksvragen

en good-practice, zodat deze tijdens gravend archeologisch

onderzoek een rol van betekenis kunnen spelen. Doel is een betere

kwaliteit van karterend en waarderend proefsleufonderzoek en

het verbeteren van de efficiency voor de bevoegde overheid én

opdrachtgevers.


Kant-en-klaar advies

In het rapport worden de achtergronden van het

afwegingskader helder en beknopt toegelicht. Het rijk

geïllustreerde rapport moet daarmee zijn doelstellingen -

vergroten van het interne en externe draagvlak, transparantie

in beleid, en informatievoorziening - gaan halen. Daarnaast zijn

belangrijke onderdelen sterk specialistisch van aard en bedoeld

als kant-en-klaar advies. Het gaat om regelingen, normen

en standaarden die in principe direct - na goedkeuring door

de gemeenteraad - operationeel kunnen worden. Momenteel

loopt de vaststelling van het Afwegingskader al of is deze in

voorbereiding bij de acht Achterhoekse gemeenten.

Projectleider Nico Willemse

T 0575-567876 | E n.willemse@raap.nl

Marc Kocken, regioarcheoloog Achterhoek en opdrachtgever

van het Afwegingskader over het eindresultaat:

Had u duidelijk voor ogen wat voor product u van RAAP verwachtte?

Niet direct in welke vorm het moest worden gegoten, maar wel qua inhoud. Het is nu een

rapport in drie delen. Aanvankelijk dacht ik nog over een drieluik met losse brochures, maar

omdat de delen wel degelijk met elkaar samenhangen is één rapport toch beter.

Is het rapport geschikt om de verschillende gemeentebesturen te overtuigen?

Ik merk in de discussies en voorbereidingen op de vaststelling dat het toch nog taaie kost is

voor met name de bestuurders. Er is geprobeerd om moeilijke termen te vermijden, maar het

onderwerp blijft lastig voor de politiek. Qua inhoud zijn we er zeker in geslaagd om voor de

verruiming van de ondergrenzen voor onderzoek een plausibele en beredeneerde onderbouwing te geven. Uit verschillende

hoeken hebben we al complimenten mogen ontvangen en wil men het Afwegingskader als voorbeeld volgen. Bij het

ontbreken van een factsheet met de belangrijkste winstpunten heb ik wel gezorgd voor een B&W- en raadsadvies dat men in

het eigen format kon omzetten.

Wat is het grote voordeel van dit Afwegingskader?

Het voordeel zit ‘m vooral in een beredeneerde verruiming van de ondergrenzen. Overigens zou dit werk meer tijd en

geld hebben gevergd als de Provinciale Kennisagenda archeologie Oost-Gelderland er niet was geweest. In dat kader is

ook een database aangelegd van zo’n 1200 onderzoeken uit 15 jaar onderzoek in de Achterhoek. Deze database bevat

veel beleidsinformatie die nu goed van pas kwam, zoals de oppervlaktematen van plangebieden en diepteligging van

vondstlagen. Met de verruiming van de ondergrenzen kunnen we in ieder geval gehoor geven aan de politieke wens tot

vermindering van administratieve en financiële lasten voor burgers en bedrijven. De beide andere Schakels (het Normblad

archeologisch vooronderzoek en de Standaard PvE voor IVO-P) moeten bijdragen aan een verhoging van de kwaliteit van het

vooronderzoek en een vereenvoudiging en uniformering van de toetsbaarheid van de onderzoeksrapporten. Daarnaast ook

aan de optimalisatie en sturing van het proefsleuvenonderzoek binnen de regiogemeenten.

Natuurlijk zijn er grote landschappelijke en archeologisch inhoudelijke verschillen in zo’n regio, maar qua procedures en

richtlijnen is het veel praktischer om nauwer samen te werken. Dit levert efficiency en doordoor meer tijdwinst op. Ook hoop

ik dat ik zo meer met de inhoud bezig kan zijn evenals met behoud in situ en de vermarkting van het erfgoed.

Is er eerder een soortgelijk initiatief ondernomen in Nederland?

Ik weet dat er her en der in het land studies zijn verricht naar de problematiek van de ondergrenzen. En dat gemeenten met

een eigen archeoloog vaak ook al richtlijnen voor onderzoek hebben opgesteld en met standaard PvE’s werken. Maar de

combinatie van al dat voor een regionaal samenwerkingsverband van gemeenten heb ik niet direct op mijn netvlies staan.

De reacties die ik heb gekregen verraden al dat het vooral voor samenwerkingsverbanden van gemeenten met een eigen

archeoloog uitstekend als voorbeeld kan dienen.


archeologisch onderzoek

Behoud in situ in Nederland. Een loze kreet of kreet met inhoud?

In opdracht van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed onderzoekt RAAP hoe het er voorstaat met het

behoud in situ in Nederland. Hoeveel behoudenswaardige vindplaatsen worden in de bodem bewaard? Hoeveel

worden er opgegraven? Wat is van invloed op deze keuze? Deze vragen staan centraal in een kwantitatieve

analyse die RAAP nu uitvoert. Tijd voor cijfers.

In 1992 committeerde Nederland zich aan een betere

bescherming van het archeologisch erfgoed, bij voorkeur in

de bodem. Het behoudsprincipe kent een lange aanloop met

veel frustraties. Tot diep in de 90’er jaren van de vorige eeuw

werden bouwwerkzaamheden slechts incidenteel begeleid of

vooraf gegaan door opgravingen. Veel ging daarmee ongezien

verloren. De ondertekening van het Verdrag van Malta

betekende hierin een keerpunt.

Het principe van Malta werd in 2007 via de Wet op de

archeologische monumentenzorg van kracht. Dit heeft

ertoe geleid dat er tegenwoordig systematisch onderzoek

wordt gedaan en dat alles met maar één doel: een betere

bescherming van het archeologisch erfgoed, bij voorkeur in de

bodem.

De vraag is nu of de wet doet wat ze beoogt. Zorgt het

marktsysteem, dat in een paar jaar is opgezet en volwassen

geworden, er daadwerkelijk voor dat er meer vindplaatsen in

de bodem bewaard blijven? Of worden ze opgegraven? Bij een

wetsevaluatie in 2011 werd hierop een weinig bevredigend

antwoord gegeven. Ongeveer 20% blijft in de bodem bewaard,

was het antwoord, op basis van een enquête onder 340

archeologen.

RAAP anticipeerde op deze evaluatie en legde haar eigen

onderzoek onder de loep. Het rapport ‘Wie wat bewaart

die heeft wat’, dat eind vorig jaar werd gepresenteerd,

doet verslag van een kwantitatieve analyse van bijna 2000

onderzoeksrapporten. Belangrijkste conclusie van het

onderzoek was dat van alle behoudenswaardig geachte

vindplaatsen er in totaal 38,2% in situ worden bewaard.

Aangezien er een verschil is tussen een advisering en een

besluit, leidde dit tot het volgende statement: Van elke

10 behoudenswaardig geachte vindplaatsen wordt er in 7

gevallen geadviseerd deze in situ te behouden. In 4 gevallen

gebeurt dit ook.

Ondertussen verscheen een advies van de Raad voor Cultuur

over de wetsevaluatie, waarin werd opgemerkt: “Het heeft de

Raad verbaasd in de evaluatie geen kwantitatieve gegevens

aan te treffen over in situ-behoud en -beheer. Het is niet

bekend in hoeveel gevallen er sinds 2007 is besloten om

vondsten en vindplaatsen te ontzien, hoe duurzaam dit is en of

dit positief afsteekt bij de situatie voor ‘Malta’.”

Een en ander leidde in een brief van de staatssecretaris aan

de Tweede Kamer tot het volgende voorstel: “Ik laat de RCE

kwantitatieve gegevens verzamelen over het behoud in situ

of ex situ”. Daarnaast moest in kaart gebracht worden welke

actoren en factoren een rol spelen bij het besluit tot en

het realiseren van behoud in situ. RAAP kreeg de opdracht

dit te onderzoeken en is de afgelopen maanden bezig

geweest de enorme berg data in een speciaal ontwikkelde

databaseapplicatie te verwerken. De data vormen een

nulmeting voor de mate van behoud in situ, als onderdeel van

de Erfgoedmonitor, en zullen onder andere in de volgende

Erfgoedbalans worden gepresenteerd. Naar verwachting

zullen de resultaten van het onderzoek in januari 2013

gepresenteerd worden.

Projectleider Ivar Schute

T 071-5768118 | E i.schute@raap.nl


Over een stekelbaarsje in onze schedelpan

Zo had mijn collega het geschreven - eenvoudig - als

afsluitende zin. Dit … wordt bevestigd door de broer van Jef,

die toen hij als jongen ging vissen, dergelijke schedelpannen

gebruikte als emmertje om gevangen stekelbaarsjes in te

bewaren.

Zelem, zo heet het gehucht waar de sprekende anekdote

plaatsvond. Eeuwenlang een dorpje zoals er zo vele zijn,

verscholen in de glooiingen op de grens tussen Vlaams

Brabant en Limburg. Een dorp met een kerk. De kerk verdween

met het verglijden van de tijd, maar haar bestaan bleef

bekend. En wij werden uitgenodigd om de waarde van de

kerkelijke resten in de grond te beoordelen. Om het erfgoed

te waarderen, zoals dat dan heet, en te oordelen of een site al

dan niet behoudenswaardig is. Een prachtig project, waar we

met plezier aan terug denken.

Nog geruime tijd na het afronden van het uitgebreide

rapport bleef het bovenstaande beeld weerbarstig hangen

in mijn eigen schedelpan, alsof het stekelbaarsje zijn stekels

had rechtgezet. Het gaat hier om het laatste zinnetje van

een uitgebreid hoofdstuk. Het eerste deel van een rapport

dat op basis van een uitgebreide zoektocht in archieven,

oude kaarten en mondelinge getuigenissen, maar ook via

proefsleuven, boringen en geofysische technieken (die het

mogelijk maken om in de ondergrond te kijken zonder te

verstoren) de levensgeschiedenis poogt te reconstrueren van

het verdwenen plattelandskerkje.

Ik heb geen idee welk weer het was, die dag in de jaren na de

Tweede Wereldoorlog toen het dorpsjongetje vissen ging. Ik

stel me er een lome zomerdag bij voor, zo’n dag waar geen

eind aan komt. Een hurkend kind, vuile knieën in korte broek,

een geïmproviseerd visnet in de knuistjes gekneld. Een jongen

die zo sterk in het moment opging, dat hij argeloos het

eerste het beste voorwerp gebruikt om de verschalkte visjes

tijdelijk te huisvesten. Zijn blik strak op het water gericht,

zich compleet verliezend in de onderwaterwereld voor zijn

spiedende ogen, het hele universum samengebald in het

stukje water net voor zijn sandaaltjes.

Daar aan de waterkant, rolden de schedels en botten echt gewoon

uit de oevers van de beek. De beek was namelijk enkele eeuwen

voordien door de mens gegraven dwars door een middeleeuws

kerkhof rondom de toenmalige kerk. En in de jaren net voor het

vissen bij de beek - tijdens de grote wereldbrand - had men om

strategische redenen een nabijgelegen brug opgeblazen, waardoor

een groot gat was ontstaan. De lokale bevolking werd aan het werk

gezet om dat gat weer te dichten. Hierbij groeven ze een kleine

heuvel weg, waarbij ze onder meer stuitten op de vloertegels van

de kerk en botten en schedels van een lang vergeten kerkhof. In

de onmiddellijke omgeving van de verdwenen kerk, waar het kind

vissen ging, was flink gerommeld en lagen de skeletresten aan het

oppervlak.

Die ene zomerdag was het oorlogsgeweld allang verstomd, evenals

het gemompel van de pastoor die voor zijn parochianen de mis

leest in de eenvoudige zaalkerk. Het beeld van de jongen die

stekelbaarsjes bewaart in een schedelpan die toevallig in de buurt

ligt, zal me altijd bijblijven. Het visje dat driftig heen en weer

zwemt in de gladde kalken viskom. Maar ook hoe dit verhaaltje

tot ons is gekomen. Hoe een oude man zich, vast met enige

melancholie, deze anekdote nog herinnerde. Hoe mijn collega de

opmerking en passant vermeldt bij het schrijven van een gedegen

studie. Hoe mijn oog op het zinnetje viel bij het nalezen van deze

tekst en ik getroffen werd door de schoonheid ervan.

Het jongetje viste aan de voet van een grote heuvel waarboven zich

een magnifiek Kartuizerklooster verheft. De plek van het gebeuren

- het vissen, de kerk, de bomen en de beek - heeft nog steeds een

zekere magie. Je moet wel enige moeite doen om dit gevoel op te

roepen. Niet enkel lukt het ons nog zelden om volledig in het nu

op te gaan, een voorrecht van onschuld dat vooral lijkt samen te

hangen met de kindertijd, maar bovendien worden ter plekke je

overpeinzingen abrupt overstemd door het continue geraas van

autobanden die zich losscheuren van het asfalt, een paar honderd

meter verderop loopt een drukke snelweg van west naar oost.

De gelauwerde schrijver David Van Reybrouck verwoordde dit gevoel

prachtig in zijn debuutroman ‘De Plaag’, “Niet dat het verleden

tot leven kwam, nee, het verleden komt nooit tot leven. Maar het

was alsof ik het dode voorhoofd van de tijd mocht aanraken… Ik

moest ineens denken aan het spelletje dat wij als kinderen soms

speelden. We plaatsten onze handen tegen elkaar en streken

toen met de vrije hand over de rechtopstaande middelvingers.

De bizarre gewaarwording van levende en dood lijkende huid die

daarop volgde, stemt overeen met de historische ervaring die

oude voorwerpen kunnen oproepen. Het gaat om die simultane

ontdekking van het zelf met het andere, van heden met verleden.”

Er zijn zo van die momenten die blijven hangen, beelden, zinnetjes,

anekdotes, lang nadat een project is afgesloten, een rapport

afgewerkt. De klant is bediend, de onderzoeksvragen zijn zo goed

mogelijk beantwoord. Een moment van schoonheid, verscholen

tussen glooiende heuvels en de pagina’s van een rapport, zo weer

verzwolgen door de tijd.

Wim De Baere

Hoofd regionale vestiging Zuid-Nederland & Vlaanderen


Fort Frederik Hendrik

zichtbaar in

Deltakering Breskens

cultuurhistorie & waterbeheer

Oud fort in nieuwe waterkering

In Zeeuws-Vlaanderen wordt in het kader van

nationale deltaproject Zwakke Schakels de

waterkering langs de Schelde op deltahoogte

gebracht. Ter hoogte van het voormalige

fort Frederik Hendrik in Breskens komt een

verharde dijk met een betonnen waterkering. In de 500 meter lange muur

van de waterkering wordt het oude fort op verschillende manieren verbeeld.

Parklaan Landschapsarchitecten ontwikkelde het plan voor de vormgeving

in samenwerking met RAAP. Het technisch ontwerp is gemaakt door het

waterschap Scheldestromen.

Kanonnen langs de Schelde

Fort Frederik Hendrik werd in 1810 aangelegd door de Fransen (tegen de

Engelsen) en was onderdeel van de stelling van Breskens. Verschillende

legers gebruikten het en veranderden de naam. Het fort ligt achter de dijk

en slechts de contouren herinneren nog vaag aan wat er ooit stond. Uit

een analyse van RAAP bleek dat de boog die op deze plaats in de deltadijk

aanwezig is, dateert uit tijd van de aanleg van het fort. Op deze plaats, de

batterij genoemd, stonden de kanonnen opgesteld. De nieuwe betonnen

muur volgt deze boog en refereert naar de vormgeving van de vesting.

De gebogen muur,

refererend aan de

vorm van het fort,

in aanbouw. In de

betonnen muurdelen

is een patroon van de

plattegrond van het fort

zichtbaar.

Unieke betonnen muurdelen

Vanaf de veerboot van Vlissingen naar Breskens en vanaf het land wordt de

geschiedenis weer zichtbaar. Wie naar Breskens vaart, heeft mooi zicht op

de plaats van het fort, herkenbaar door de roodbruine kleur van de deltadijk

als verwijzing naar het metselwerk. Op de deltamuur zijn, naast een contour

van het fort, de verschillende benamingen van het fort te lezen: fort

Imperial, fort Frederik Hendrik en Atlantikwall. Aan de landzijde

zijn belangrijke momenten uit de geschiedenis van het fort

aangegeven. Ter hoogte van de batterij is een patroon

aangebracht van kanonnen ‘gericht op de Schelde’ en op

Foto’s Bart Beex

de muur, langs het veel gebruikt fietspad, zijn vijf kleine

roestvrijstalen platen met informatie aangebracht.

De werkzaamheden aan de Deltakering Breskens zijn

medio 2013 afgerond.

Meer info: www.parklaan.nl

Projectleider Ivar Schute

T 071-5768118 | E i.schute@raap.nl

Visualisatie van de deltakering vanaf de dijk.


KORTE BERICHTEN

Kaboutersberg Hoogeloon weer beleefbaar gemaakt

In de afgelopen maanden is in het Brabantse plaatsje

Hoogeloon dankzij de inzet van vele enthousiastelingen een

reconstructie gemaakt van de Kaboutersberg. De Kaboutersberg

is de benaming van een verdwenen grafheuvel uit de Romeinse

tijd. De heuvel leefde tot in de 20ste eeuw in plaatselijke

volksverhalen voort als residentie van kabouterkoning

Kyrië. De ‘nieuwe’ Kaboutersberg, die geen dienst doet als

grafheuvel maar als vleermuizenkelder, werd op 20 november

officieel geopend. Op de website van RAAP en in de volgende

RAAP-nieuwsbrief wordt uitgebreid aandacht besteed aan dit

bijzondere project.

Kijk op: www.raap.nl/pages/Kaboutersberg_Hoogeloon.html

Geslaagde RAAP-informatiemiddagen

Het is inmiddels een traditie: de informatiemiddagen die RAAP

in het najaar organiseert. Ze werden in oktober in Zutphen,

Assen, Den Haag en Thorn gehouden. Drie lezingen stonden

op het programma: op elke locatie een lokaal thema met

daarnaast de presentatie van de Erfgoedkansenkaart en tips

voor het aanbesteden van archeologische projecten. Bezoekers

reageerden enthousiast op de verschillende lezingen, met

name de toelichting op de erfgoedkansenkaart was

voor velen een eye-opener. Voor wie het

gemist heeft: een informatieblad

over de Erfgoedkansenkaart en

Aanbestedingstips is op te vragen via

onze website: www.raap.nl

Column

Bloed en veren

Alles is betrekkelijk. Met verbazing luister ik

naar Helle, een blonde dame, nieuw hier

op kantoor. Ze komt net van een opgraving

in Burgum, ergens in Friesland en ik vraag hoe het

was. “Ja, prachtig al dat prehistorische vuursteen

dat we daar op die rug aantroffen, alleen jammer

van de stank, en ze hebben de schoorsteen nog wel

verhoogd.” Dat behoeft toelichting en die krijg ik

dan ook. Helle vervolgt: “pal naast de opgraving

staat een bedrijf dat slachtafval verwerkt, en we

stonden daar in een stank, dat wil je niet weten.

Bleek de ‘Afdeling bloed en veren’ te zijn.” Ja,

het dient gezegd, als archeoloog kom je nog eens

ergens.

Als zo’n dame me zo’n verhaal vertelt, schieten me

er ogenblikkelijk tientallen andere door het hoofd.

Ik kies een recente, maar bewaar hem voor mezelf.

Soms kun je beter denken dan praten.

In de aanloop naar de winter stonden Bram en ik op

het strand van Katwijk, op bezoek bij collega Jeroen

die daar bezig was met een groot booronderzoek.

Het was zo’n kraakdag, dat alles strakblauw is en

windstil. Koud en warm tegelijk. Een vrijwel lege

zandbak die, voor één keertje, werd gesierd door

iets dat lijkt op een kruising tussen een tractor en

een tank. Deze mechanische boormachine werd

bediend door een man met een honkbalpetje, op

aangeven van Jeroen die de monsters onderzoekt

die naar boven komen. Jeroen, een collega die we

al sinds de vorige eeuw kennen, legde hier bloot wat

de verbeelding tart. Dat lange strand van Katwijk

herbergt op een paar meter diepte een landschap uit

de Romeinse tijd, en niemand die het ziet behalve

Jeroen. En Bram en ik hapten rustig in een broodje

Hollandse garnalen met cocktailsaus.

Onder de promenade van Katwijk ligt de hoeksteen

van het Romeins imperium, met alles erop en

eraan. En in Burgum ligt een prehistorisch

jachtkampement in de stank van een slachterij. Als

archeoloog weten we dat, we voelen de resten met

onze handen en onze professionele verbeelding

doet de rest. Eigenlijk is het een paradox: niemand

ziet het, maar wij ‘zijn’ er. Ziedaar ons probleem.

Die (on)zichtbaarheid voedt de discussie over nut

en noodzaak van archeologisch onderzoek en haar

grondbeginsel, het behoud van het erfgoed in de

bodem, juist daar waar niemand haar ziet. Leg

dat maar eens uit. Je publieke taak als archeoloog

is dan vooral ballonnen oplaten, hele mooie

ballonnen.

Ivar Schute

Senior projectleider bij RAAP


KORTE BERICHTEN

Oorlog op de plank

Onder veel belangstelling presenteerde RAAP het

onderzoeksrapport ‘Oorlog op de plank’ tijdens de

Reuvensdagen op 17 november in Ede. Met deze rapportage

van het Odyssee- project ‘Begraven Oorlogsverleden’ is een

begin gemaakt met de systematische ontsluiting van sporen

en vondsten uit de Tweede Wereldoorlog die bij toeval zijn

aangetroffen bij opgravingen naar oudere vindplaatsen.

De inventarisatie en analyse, die RAAP samen met

onderzoeksinstituut CLUE van de Vrije Universiteit Amsterdam

uitvoerde, bracht een aantal knelpunten in kaart.

De voornaamste bedreiging van dit ondergrondse

oorlogserfgoed bestaat uit het ontbreken van een goed zicht

op de ligging en waarde van deze sporen. Bovendien wordt bij

de opsporing van explosieven het bodemarchief grootschalig

vergraven. Hierdoor en door het uitblijven van conserverende

maatregelen, is veel vondstmateriaal sterk aangetast.

De wetenschappelijke potentie van oude onderzoeken die

resten uit de Tweede Wereldoorlog opleverden, blijkt beperkt

door een gebrek aan goede documentatie en registratie van

het vondstmateriaal. De cultuurhistorische potentie van

oorlogsvondsten staat daarentegen zelden ter discussie.

Enkele Duitse helmen,

ongeconserveerd opgeslagen in

het depot (gemeente Arnhem).

COLOFON

Kluwen roestig prikkeldraad

ongeconserveerd (Kamp Vught).

RAAP Nieuwsbrief 2012-2, november 2012

De RAAP Nieuwsbrief is een uitgave van RAAP Archeologisch

Adviesbureau B.V.

RAAP is een zelfstandig en onafhankelijk adviesbureau voor

archeologische monumentenzorg en integrale cultuurhistorie,

met vestigingen in Leiden, Zutphen, Drachten, Weert en Weesp.

Aan dit nummer werkten mee: Wim De Baere, Wouter Boasson,

Geuch de Boer, Jasper Huis in ’t Veld, Ruurd Kok, Martin

Schabbink, Ivar Schute, Marten Verbruggen en Nico Willemse

Fotografie en cartografie: RAAP (tenzij anders vermeld)

Vormgeving: Olav Odé

Eindredactie: Caroline Hom

Wilt u op de verzendlijst van de RAAP Nieuwsbrief komen te staan,

of de nieuwsbrief juist niet meer ontvangen, stuur dan een e-mail

naar receptie@raap.nl

www.raap.nl

@RAAPerfgoed

Naarmate

het aantal

ooggetuigen

van de oorlog

minder wordt, lijkt

bovendien de betekenis van stille getuigen toe te nemen.

Het project heeft ook inzicht gegeven in de knelpunten die

een beperking vormen bij onderzoek naar en deponering

van resten uit deze periode. Een integrale visie op de

omgang met oorlogserfgoed wordt node gemist. Een eerste

slag is te maken door in het beleid nadrukkelijk de relatie

te leggen tussen onder- en bovengronds oorlogserfgoed.

De constatering dat zich in de depots en collecties

opgravingsmateriaal bevindt met een wetenschappelijke

en cultuurhistorische potentie is slechts een eerste stap.

De logische volgende stap is de uitwerking van nader te

selecteren oude onderzoeken.

Meer informatie over dit rapport: www.raap.nl

Oorlog op de plank: inventarisatie en potentie van oude

archeologische opgravingen met sporen en vondsten uit

de Tweede Wereldoorlog, RAAP-rapport 2546

Auteurs: drs. R.S. Kok & ir. J.A.T. Wijnen | Uitgever: RAAP

november 2012 | Aantal pagina’s:112 | Prijs € 22,50

inclusief verzendkosten.

Projectleider Ruurd Kok

T 071-5768118 | E r.kok@raap.nl

RAAP Hoofdkantoor

Leeuwenveldseweg 5b, 1382 LV Weesp

Postadres: Postbus 5069, 1380 GB Weesp

T 0294-491500 | E raap@raap.nl

RAAP Regio Noord-Nederland (Fr, Gr, Dr)

De Kiel 11, 9206 BG Drachten

T 0512-589140 | E raapnnl@raap.nl

RAAP Regio Oost-Nederland (Gld, Ov)

Pollaan 48 E-F, 7202 BX Zutphen

Postadres: Postbus 222, 7200 AE Zutphen

T 0575-567876 | E raaponl@raap.nl

RAAP Regio Zuid-Nederland (Li, N-Br)

De Savornin Lohmanstraat 11, 6004 AM Weert

T 0495-513555 | E raapznl@raap.nl

RAAP Regio West-Nederland (N-Hl, Z-Hl, Zld, Fl, Ut)

Le Pooleweg 5, 2314 XT Leiden

Postadres: Postbus 4025, 2301 RA Leiden

T 071-5768118 | E raapwnl@raap.nl

RAAP Vlaanderen

Postbus 1063, 2300 Turnhout, België

T (+32) 0468-128670 | E raap@raap.be

Een bordje met de tekst ‘Voor

Joden verboden’ (depot

Nijmegen).

More magazines by this user
Similar magazines