Opm. Drents landschap 12 - Stichting Het Drentse Landschap

drentslandschap.nl

Opm. Drents landschap 12 - Stichting Het Drentse Landschap

Kwartaalblad

12

dec. 1996

no. 12

Het Hijkerveld


2

Kwartaalblad van de

Stichting Het Drentse Landschap

3

4

11

15

19

22

24

26

31

Kom er even voor zitten...

— bestuursberichten

Het Hijkerveld

— terreinbeschrijving

Jaap Beuker

Harm Tjalling Waterbolk

— interview

Sytze Bottema

De Stroeten bij Zweeloo

— wandelroute

Bertus Boivin/Eric van der Bilt

De geschiedenis als drager van de toekomst

— beschouwingen

Tjalling Waterbolk

Vogels in je tuin

— jeugdrubriek

Geert de Vries

De Kerkuil

— flora en fauna

Bertil Zoer

Kortweg

— berichten

Agenda

Uitgave StichtingHet Drentse Landschap

Kloosterstraat 5 / 9401 KD Assen

Tel. (0592) 31 35 52 / Fax (0592) 31 80 89,

Bankrek. nr. 43.97.50.962 / Postbanknr. 19 45 729

Redactie E.W.G. van der Bilt, J.N.H. Elerie, B.R.W. Grevink,

J.D.D. Hofman, J.G. Schenkenberg van Mierop, R. H. van der Sleen

Vormgeving Albert Rademaker BNO, Annen

Pre-Press Von Hebel bv, Groningen

Lithografie Repro Groningen, Groningen

Druk en afwerking Boom Pers Drukkerijen BV, Meppel

Omslag Het Hijkerveld (Harry Cock)

De lithografie en het drukken van het omslag is mogelijk gemaakt

door Installatiebedrijf Dick Sjabbens te Dwingeloo

ISSN 1380-3263

Overname van artikelen met bronvermelding is toegestaan.

De inhoud van de bijdragen van gastschrijvers weerspiegelt niet noodzakelijk

de opvattingen van de StichtingHet Drentse Landschap’.

Het Drentse Landschap is een uitgave van de StichtingHet Drentse

Landschap’. Het geeft informatie over de terreinbezittingen en

activiteiten van de Stichting. Het blad verschijnt viermaal per jaar,

bij het wisselen der seizoenen en wordt gratis toegezonden aan de

Beschermers van het Landschap. Beschermer kan men worden door

bijgevoegde kaart in te vullen en te verzenden. Minimale bijdrage

ƒ 30,– per jaar.

Als u ‘Het Drentse Landschap’ extra wilt steunen dan kan dat op de

volgende wijze:

Lijfrente Dit betreft een vaste periodieke uitkering (minimaal 5 jaar)

en moet worden geregeld door een notaris.

Giften Voor minimaal 1% en maximaal 10% van uw onzuiver

inkomen zijn giften aftrekbaar voor de inkomstenbelasting.

Legaten of erfstellingen Tot een bedrag van ƒ. 15.647,– (1996) is

Het Drentse Landschap’ geen successierechten verschuldigd.

Daarboven geldt voor ‘Het Drentse Landschap’ een tarief van 11%.


Bestuursberichten

Kom er even voor zitten...

Afgelopen zomer heeft

Prof. Dr. H.Tj. Waterbolk zijn

funktie als lid van het Algemeen

en Dagelijks bestuur neergelegd.

Na 36 jaar lang, waarvan deels als

vice-voorzitter, in de Stichting

aandacht te hebben gevraagd

(en gekregen) voor de cultuurhistorische

waarden van het

Drentse landschap, leek het ons

op zijn plaats om dit aspect als

thema voor dit nummer te kiezen.

Naast een interview met

– uiteraard – de heer Waterbolk

een artikel over een nota die hij

bij zijn afscheid als bijdrage voor

de toekomstvisie van de Stichting

beschikbaar heeft gesteld.

Verder een artikel over sporen

van onze voorouders op het

Hijkerveld en een artikel over

de Kerkuil als bewoner van

historische monumenten.

Tevens treft u een wandelroute

aan rond ons reservaat Stroeten bij

Zweeloo door een cultuurhistorisch

imponerend landschap. Het is de

bedoeling voortaan in elk nummer

van ons kwartaalblad een wandelroute

te beschrijven.

Redactie

Het zal u niet ontgaan zijn dat de

minister van Landbouw, Natuurbeheer

en Visserij, onlangs heeft besloten tot

een vrij drastische beleidswijziging.

Een wijziging die het bestuur van de

stichting ‘Het Drentse Landschap’ met

grote zorg vervult. De minister wil de

rol van het particulier natuurbeheer

sterk vergroten ten koste van het

instrument verwerving. Op termijn

een bezuiniging van ruim ƒ 20 miljoen.

Hij handelt daarmee volledig in strijd

met eerder door hem gedane uitspraken.

In het rapport van zijn

ministerie uit 1994 “De toestand van

natuur 2” staat bijvoorbeeld: “Voor de

bescherming van natuurgebieden wordt

verwerving algemeen als de beste

natuurbeschermingsmaatregel gezien”.

Dit standpunt lijkt de minister nu

ineens verlaten te hebben.

In bijna heel Nederland holt de natuur

in kwaliteit achteruit. Alleen in de

gebieden waar ze professioneel beheerd

wordt, blijft haar waarde staande.

Duurzaam staande.

3

Boeren en andere particulieren, hoe

goed willend ook, kunnen wat betreft

de uitvoering van het Natuurbeleidsplan,

de verwezenlijking van de Ecologische

Hoofdstructuur nooit op tegen

professionele organisaties zoals Natuurmonumenten,

de Landschappen en

Staatsbosbeheer, die kunnen bogen op

vele tientallen jaren ervaring. Voor hen

is natuur en landschap de basis van hun

werk. Ze hebben geen enkel winstoogmerk.

Ze blijven hun idealen, ook

als het economisch gezien wat minder

gaat, altijd trouw.

Voor agrarisch en particulier natuurbeheer

gelden begrijpelijkerwijs,

andere normen. Als aanvulling en in

sommige gevallen, prima. Maar waar

het de grote lijnen betreft, een zorgwekkende

ontwikkeling.

Het bestuur van ‘Het Drentse Landschap

zal er samen met andere natuurbeschermingsorganisaties

alles aan doen

om de minister op andere gedachten te

brengen.

Aleid Rensen

Voorzitter StichtingHet Drentse

Landschap


4 Het Hijkerveld

Het Hijkerveld is met een oppervlakte van bijna 600 ha het grootste terrein van onze

Stichting. Door zijn omvang en het gevarieerde karakter is het een uniek gebied voor

flora en fauna. De waarde ligt echter ook nog op een ander vlak. Cultuurhistorisch is

het Hijkerveld een van onze belangrijkste bezittingen. We vinden er o.a. grafheuvels

uit diverse perioden van de prehistorie, met wallen omgeven akkers uit de IJzertijd

en het tracé van een weg die mogelijk tot in de Nieuwe steentijd teruggaat.

Jagers en boeren op het Hijkerveld

Jaap Beuker*

Boven: Kaart van de prehistorische elementen op het Hijkerveld.Nog bestaande

grafheuvels zijn aangegeven met een dichte en verdwenen heuvels met een

open stip. Lijnen geven, voorzover herkenbaar op luchtfoto’s, de wallen van het

Celtic field aan. De laatste jaren zijn er luchtfoto’s gemaakt die aanvullende

gegevens opleverden. Deze zijn nog niet op deze kaart verwerkt. In het gerasterde

gebied ligt het nog bestaande Celtic field. (Tek. J. Bruggink, Drents Museum.)

Rechts: Inventaris van een mannengraf van de enkelgrafcultuur, opgegraven ten

zuiden van de Leemdijk.

Geheel rechts: Karresporen tussen de grafheuvels op het Landgoed Hooghalen

geven het tracé van een prehistorische weg aan.

Het Hijkerveld, voorzover in bezit van ‘Het Drentse Landschap’,

kan verdeeld worden in het Noord Hijkerzand, het

Noorderveld, het Landgoed Hooghalen en het Laaghalerveld.

Het relatief hoog gelegen gebied ligt op de waterscheiding

tussen de dalsystemen van de Drentse Aa en de

Beilerstroom en is tamelijk vlak afgezien van het Noord

Hijkerzand en omgeving. Daar vinden we een grillig reliëf

dat vooral in de 18e en 19e eeuw ontstaan is door zandverstuiving.

Kleine, min of meer ronde vennen liggen op verschillende

plaatsen in het terrein. In ieder geval een deel daarvan vindt

z’n grondslag in de laatste ijstijd.

Deftige heren op de hei

‘In overweging genomen zijnde, dat zich in de nabuurschap

van het Boerschap Hijken bevinden eene menigte van die

oude wallen, welke men gewoonlijk voor overblijfselen van

Romeinsche Legerplaatsen of voor omheiningen der woonplaatsen

van de vroegste Inwoonders van Drenthe houdt Is

goedgevonden de Heeren ontvanger Generaal Hofstede en

van der Feltz te committeren en te verzoeken, gelijk dezelven

daartoe bij deezen worden gecommitteerd en verzogt, ten

einde zich ter gelegener tijd, daarhenen te transporteren.....’

Dit besluit werd genomen in de vergadering van het

‘Genootschap ter beoefening en opheldering der Oudheden

en Geschiedenissen van Drenthe’ op vrijdag 6 oktober 1820.

Ongetwijfeld was de belangstelling voor Hijken uiteindelijk

het gevolg van een circulaire die twee jaar eerder door de

Gouverneur des Konings in Drenthe, P. Hofstede, aan de

gemeentebesturen werd gezonden. De Gouverneur, zelf lid

van het Genootschap, verzocht daarin verslag te doen van

foto’s: Harry Cock


6 Het Hijkerveld

oudheden. De schulte van Beilen bezocht daarom op

15 december 1818 het terrein ten noordwesten van Hijken.

In zijn rapport maakt hij betrekkelijk gedetailleerd melding

van wallen die hij interpreteert als overblijfselen van legerplaatsen.

Verder beschrijft hij dat er wel 60 heuveltjes liggen

‘kennelijk niet veroorzaakt door zandverstuivingen’.

De belangstelling voor de wallen en heuvels bleef ook daarna.

In 1833 bezocht prof. C.J.C. Reuvens het terrein bij

Hijken en in zijn boek ‘Drentsche Oudheden’ (1848) geeft

L.J.F Janssen een beschrijving van de wallen en van zijn

onderzoek in enkele heuvels.

Heuvels van aarde en op papier

Sinds de vorige eeuw is er veel veranderd op het Hijkerveld.

Door ontginningen, met name tussen 1930 en 1969, zijn

veel prehistorische monumenten verdwenen. Gelukkig heeft

er vaak vooraf een systematisch onderzoek plaatsgevonden,

zodat veel van wat verdween in ieder geval nog op papier

vastgelegd is. Met name de bekende Groninger archeoloog

prof. dr. A.E. van Giffen heeft hierbij een grote rol gespeeld.

Binnen het niet ontgonnen natuurterrein zijn vandaag de

dag nog 21 grote grafheuvels over. Eén daarvan werd pas in

1995 op het Noorderveld ontdekt. Bezien we de verspreiding

van de verdwenen en nog bestaande heuvels, dan valt op dat

er een aantal groepen te onderscheiden is. Ten oosten van

het Noord Hijkerzand liggen nog twee heuvels die oorspronkelijk

deel uitmaakten van een groep van 18 stuks,

voornamelijk daterend uit de IJzertijd. Zuidelijk hiervan lag

een groep van minimaal 24 heuvels uit Brons- en IJzertijd.

Ze zijn alle ten prooi gevallen aan de ontginningen. In het

Noorderveld ligt een in 1952/53 onderzochte en daarna

gerestaureerde ijzertijd-heuvel met aansluitend een groep

van minstens 8 kleine heuvels en een langwerpig grafmonument.

Mogelijk dateren ze uit de overgang van de Late

Bronstijd naar de Vroege ijzertijd. Tot slot ligt op het

Landgoed Hooghalen een groep van 15 heuvels daterend uit

het Neolithicum en de Bronstijd en mogelijk de IJzertijd. In

1952/53 werden er 10 van opgegraven en na het onderzoek

gerestaureerd.

Heuvels die niet tot de groepen behoren, lagen en liggen ten

zuiden van de Leemdijk en ten oosten van het Landgoed

Hooghalen. Nog juist binnen de begrenzing van ons gebied

Grafheuvelopgraving op het Hijkerveld in 1930.

De heuvel is volgens de door prof. Van Giffen

ontwikkelde kwadranten-methode blootgelegd.

ligt op de markegrens Halen - Hijken een grafheuvel,

precies op de plek waar deze grens een knik vertoont.

Mogelijk is dit de zogeheten Villersberg die op 18 augustus

1681 wordt genoemd bij het vaststellen van de markegrens.

De met wallen omgeven akkers uit de IJzertijd (Celtic field)

strekken zich uit over het gebied ten zuiden van de schaapskooi

tot over de Leemdijk. Tot voor kort leken ze alleen op

luchtfoto’s nog herkenbaar te zijn, maar in 1991 werd

ontdekt dat ten noorden van de schaapskooi toch nog

wallen bewaard zijn gebleven.

Ook in het Laaghalerveld hebben heuvels en een Celtic field

gelegen maar deze laten we hier verder buiten beschouwing.

Jagers en verzamelaars

Aan de rand van een ven op het Hijkerveld zijn vuurstenen

werktuigen en afval gevonden die dateren uit het laatste deel

van de Oude steentijd. Ze zijn vermoedelijk tussen 11.600

en 10.700 v.Chr door ter plaatse bivakkerende jagers achtergelaten.

Meer aanwijzingen voor bewoning kennen we uit

de Midden steentijd (9500-4400 v.Chr.). De meeste vondsten

uit deze tijd zijn aan de rand van vennen gedaan. Dat is geen

toeval. Omdat men vooral door jacht, visvangst en het verzamelen

van voedsel in z’n levensonderhoud voorzag, waren

reliëfrijke en daardoor ecotopenrijke terreinen ideaal. Ook

de aanwezigheid van water was natuurlijk van belang.

Verschillende voorwerpen werden door oplettende wandelaars

opgeraapt op zandpaden in het gebied. Verder heeft de

bekende amateurarcheoloog Tjerk Vermaning op omliggende

akkers veel materiaal verzameld.

In de Midden steentijd werd het klimaat beter, de laatste ijstijd

was voorbij. De vegetatie ontwikkelde zich van een bos

met dennen en berken naar een gemengd bos met Es, Eik,

Linde, Iep, Hazelaar en Els. Dieren als Edelherten, Elanden,

Reeën, Everzwijnen, gevogelte en vis stonden op het menu.

Daarnaast werden eieren, bessen, noten e.d. verzameld.

We gaan er vanuit dat men in deze periode in koepelvormige

hutten woonde.

De eerste boeren

In de Nieuwe steentijd (4400 - 2100 v.Chr.) voorzag de

mens niet langer in z’n levensonderhoud door jagen en

verzamelen. Landbouw werd de belangrijkste bestaansbron.


foto: Vakgroep Archeologie RUG

Op steeds grotere schaal werd in het landschap ingegrepen.

Stukken bos werden gekapt en/of afgebrand zodat er

gewassen als naakte gerst en emmertarwe konden worden

verbouwd. Men hield vee zoals runderen, schapen, geiten en

varkens. Op de verlaten akkers kon het bos zich niet

herstellen en ontstonden op beperkte schaal heidevelden en

zelfs zandverstuivingen.

Door de nieuwe bestaanswijze werd alleen nog van woonplaats

veranderd wanneer de akkers in de buurt van de

nederzetting uitgeput waren. Men bouwde grotere en meer

duurzame behuizingen.

Er bestonden in deze tijd contacten over afstanden van

honderden kilometers en waarschijnlijk was er al een vrij

grootschalig wegenpatroon.

De eerste boeren op het Hijkerveld waren mensen van de

trechterbekercultuur (3400 - 2850 v.Chr.), beter bekend als

de hunebedbouwers. Hunebedden zijn bij Hijken niet

gevonden maar direct tegen de zuidwest-, noord- en oostkant

van ons natuurgebied zijn door amateurarcheologen wel

vuurstenen werktuigen en aardewerkscherven uit deze

periode opgeraapt. Ze wijzen op nederzettingen ter plekke.

Terreinbeschrijving

Uit onderzoek in Duitsland en Denemarken weten we dat

zo’n nederzetting bestond uit enkele tweeschepige woningen

waar maximaal enkele tientallen mensen woonden.

Rond 2850 v.Chr. was de periode van de hunebedden

definitief voorbij. Waren de hunebedden collectieve graven,

nu kwam de nadruk meer op het individu te liggen.

Tijdens de periode van de enkelgrafcultuur, vroeger standvoetbekercultuur

genoemd (2900 - 2400 v.Chr.), kwam in

Drenthe de ronde aarden heuvel of tumulus als grafmarkering

op. Daarnaast waren er ook graven zonder heuvel, zogeheten

vlakgraven, in gebruik. De doden werden in hurkhouding

bijgezet in rechthoekige, oost-west georiënteerde kuilen.

Grafgiften zijn bekers met een geprononceerd voetje (standvoetbekers),

doorboorde stenen hamerbijlen, bijlen, vuurstenen

klingen, slijpstenen en vuurstenen pijlpunten.

Van het Hijkerveld zijn zowel grafheuvels als vlakgraven van

de enkelgrafcultuur bekend.

Een voorbeeld van de eerste categorie is een heuvel die in

1952/53 werd opgegraven op het Landgoed Hooghalen. De

grafinventaris bestond uit een complete standvoetbeker en

de bodem van een tweede. Ten zuiden van de Leemdijk

7


Grafvondst uit een

tumulus op het

Landgoed

Hooghalen,

daterend uit

ca. 1600 v.Chr en

bestaande uit een

bronzen naald,

een getordeerde

bronzen pin,

10 pijlpunten van

bronsblik,

2 gouden spiralen

en een vuurstenen

vuurslag.

(Tek. Vakgroep

Archeologie, RUG.)

8 Het Hijkerveld

werden in 1969/70 maar liefst zeven vlakgraven gevonden.

Uit één ervan kwam o.a. een prachtige stenen hamer

tevoorschijn. Het voorwerp is versierd met een pseudogietnaad

om de schijn van kostbaar metaal te wekken. Zo

gaf het de bezitter die rond 2900 v.Chr. moet zijn overleden,

meer aanzien.

Bij opgravingen in 1969 werden aan de oostrand van het

Noord Hijkerzand aardewerkscherven en vuursteen gevonden

die duiden op een nederzetting van de enkelgrafcultuur.

Ten tijde van de klokbekerperiode (2600 en 2100 v.Chr.)

bleven zowel heuvelgraven als vlakgraven in gebruik.

De aardewerken bekers die in de klokbekerperiode aan de

doden werden meegegeven, hebben de vorm van een

omgekeerde klok en zijn vaak rijkelijk versierd. Nog steeds

werden stenen hamerbijlen, vuurstenen bijlen, vuurstenen

klingen en pijlpunten meegegeven.

Van de klokbekercultuur zijn op het Hijkerveld verschillende

grafheuvels bekend. Een van de heuvels op het Landgoed

Hooghalen dateert bijvoorbeeld uit deze tijd. Hij werd

Rechts: Luchtfoto uit 1986 van een deel van het Celtic field van Hijken.

Geheel rechts: Op basis van een boerderijplattegrond uit het Celtic field bij

Hijken is in de buurt van Orvelte deze reconstructie gebouwd.

tussen 2150 - 1900 v.Chr. aangelegd. In september 1930

werd de grafheuvel op de markegrens opgegraven en daarna

gerestaureerd. De datering van deze heuvel ligt tussen ca.

2300 en 1950 v.Chr. Als grafgift was een prachtige stenen

hamer aan de overledene meegegeven. Ongeveer 400 m.

oostelijk ligt in een klein bosje nog een grafheuvel. Ook

deze werd in 1930 gedeeltelijk onderzocht en dateert uit de

klokbekerperiode.

Er zijn aanwijzingen dat grafheuvels langs wegen werden

aangelegd. Ze kunnen op deze wijze als territoriale bakens

gewerkt hebben. Op het Hijkerveld kunnen we langs de

hierboven beschreven grafheuvels en vlakgraven een lijn

trekken vanaf de Leemdijk eerst naar het noordoosten en

voorbij de schaapskooi naar het oosten in de richting van

Hooghalen. Deze lijn geeft het tracé aan van een weg die in

historische tijd tot het graven van de Beilervaart in 1792 nog

de verbinding vormde tussen Zuidwest- en Noord-Drenthe.

Binnen ons terrein zijn sporen van de weg op twee plaatsen

zichtbaar en wel in de zuidoosthoek van het Noord Hijkerzand

en tussen de grafheuvels op het Landgoed Hooghalen.

Schaalvergroting

De schaalvergroting van de latere agrarische nederzettingen

en akkercomplexen leidde ertoe dat de bewoning zich in de

Bronstijd (2100 - 750 v.Chr.) concentreerde op de hogere

gronden. Bos verdween meer en meer van het toneel en

heidevelden maakten nu een belangrijk deel uit van het

landschap.

De indeling van de boerderijen suggereert dat in de loop van

de Bronstijd vooral veeteelt werd bedreven. Bij een boerderij

stonden één of meerdere bijgebouwen.

De doden werden in het begin van de Bronstijd al of niet in

een grafheuvel bijgezet. In de Midden bronstijd werden de

overledenen veelal begraven in kisten van uitgeholde boomstammen.

Naast het hoofdgraf middenin de heuvel komen

we vaak nabijzettingen tegen. Omdat het hier om verwanten

zou kunnen gaan, worden deze heuvels wel familiegrafheuvels

genoemd. In de Late bronstijd kwam een geheel nieuwe

wijze van begraven in zwang. De dode werd gecremeerd en

de asresten werden meestal in een urn verzameld. Deze resten

werden daarna in een kuiltje bijgezet en overdekt met een

foto: Paul Paris.


laag heuveltje met een greppeltje er omheen. Een complex

van dergelijke graven wordt een urnenveld genoemd.

In de Bronstijd werden oudere grafheuvels soms ‘hergebruikt’.

In een dergelijk geval spreken we van een meer-periodenheuvel.

Verschillende heuvels in ons terrein behoren tot die

categorie.

Uit de Bronstijd kennen we van het Hijkerveld twee grafheuvelgroepen,

een nederzetting en akkerland. De heuvels

maken deel uit van de zuidelijke groep ten oosten van het

Noord Hijkerzand en van de groep op het Landgoed

Hooghalen. Sommige waren op akkerland aangelegd. Bij

opgravingen werden de krassen van de ‘ploeg’ zelfs nog

gevonden. De zuidelijke heuvels horen waarschijnlijk bij de

nederzetting die in 1969/70 en 1972/73 ten zuiden en

noorden van de Leemdijk werd opgegraven. De drieschepige

huizen varieerden hier in lengte van 17 tot 27 meter. De

breedte bedroeg 5 à 6 meter. In totaal werden er acht huizen

gevonden die niet alle tegelijkertijd zullen hebben bestaan.

Een bronstijdnederzetting bestond vermoedelijk uit niet

Terreinbeschrijving

meer dan één tot vier boerderijen met ongeveer 6 bewoners

per boerderij.

Het zou te ver voeren alle grafheuvels die op het Hijkerveld

zijn opgegraven, te behandelen. Eén van de tumuli op het

Landgoed Hooghalen verdient echter wel apart vermeld te

worden. In het uit ca. 1600 v.Chr. daterende hoofdgraf van

deze heuvel werden uitzonderlijke grafgiften gevonden. Het

gaat om een bronzen naald, een getordeerde bronzen pin, 10

pijlpunten van bronsblik, 2 gouden spiralen en een vuurstenen

vuurslag. De vondsten wijzen er op dat hier niet zomaar

iemand is begraven. Hij behoorde ongetwijfeld tot de meer

invloedrijken van zijn tijd.

Op verschillende plaatsen op het Hijkerveld zijn urnen uit

de Late bronstijd-Vroege ijzertijd opgedolven. In enkele

gevallen betreft het nabijzettingen in oudere grafheuvels. In

de collectie van het Drents Museum bevindt zich een aantal

potten waarvan weinig meer bekend is, dan dat ze in 1916

en 1917 uit grafheuveltjes bij Hijken zijn opgegraven en dat

er crematieresten bij werden gevonden. Ze kunnen uit de

noordelijke grafheuvelgroep ten oosten van het Noord

9

foto: Harry Cock.


10 Het Hijkerveld

Hijkerzand komen, maar ze kunnen ook opgegraven zijn uit

de kleine heuvels op het Noorderveld. Deze zijn namelijk

op de top ingegraven en vermoedelijk leeggeroofd. Het idee

dat we bij deze heuveltjes inderdaad te maken hebben met

een urnenveld, wordt versterkt door de aanwezigheid van

een langwerpig grafmonument; een vorm die in de midden

en late fase van de urnenveldentijd voorkomt.

Vliegen over vervlogen akkers

In de Vroege ijzertijd bleven de urnenvelden in gebruik.

Langzamerhand vond een ontwikkeling plaats naar een

andere grafvorm. De asresten van de overledene werden niet

langer in een urn verzameld. De resten van de brandstapel

werden nu overdekt met een van plaggen opgeworpen heuvel.

Deze heuvels, ook wel brandheuvels genoemd, liggen

vaak in grote groepen bij elkaar.

Tijdens de Late bronstijd, maar ook in de IJzertijd (750 v.Chr. -

begin van de jaartelling) ontstonden door de intensievere

landbouw zandverstuivingen. Akkerbouw en veeteelt

bedreef men in de IJzertijd op zogeheten Celtic fields of

raatakkercomplexen. De akkertjes met een afmeting van

ca. 40 x 40 m waren omgeven door een walletje en vormden

soms vele hectaren grote complexen. Na de oogst – er

werden produkten verbouwd als emmertarwe, gerst en gierst

– zal ‘begrazing’ van de veldjes hebben plaatsgevonden.

Voorts zullen uitgeputte akkers door braakligging, in

combinatie met begrazing, zijn bemest. Gebleken is dat in

de Midden ijzertijd op de Drentse zandgronden een nederzettingspatroon

ontstond, dat in beginsel met de historische

indeling in buurtschappen overeenkomt. Nederzettingen

verplaatsten zich alleen nog binnen begrensde territoriale

eenheden, de latere marken.

De huizen waren in deze periode, tot kort voor het begin

van de jaartelling, drieschepig. In beide lange zijden lag

tegenover elkaar een ingang. De lengte van de huizen

bedroeg 10-20 m en de breedte 5,5 m.

Met name door het onderzoek op het Hijkerveld aan het

eind van de jaren zestig en begin jaren zeventig is gebleken

dat de nederzettingen nauw verweven waren met het akkerland.

Ten noorden en zuiden van de Leemdijk werden in het

Celtic field sporen van bewoning uit de IJzertijd opgegraven.

In totaal werden er 15 huisplattegronden gevonden. Omdat

ze pasten binnen de percelering van het Celtic field, mogen

we aannemen dat de ‘akkertjes’ ook als erf dienden. Na afbraak

van het huis en de bijgebouwtjes kon zo’n erf, door

verrijking van de bodem ter plaatse, weer als akker worden

gebruikt.

Met name de bestudering van luchtfoto’s heeft ons een goed

idee gegeven van de oorspronkelijke omvang en richting

van het Celtic field bij Hijken.

Dat er niet alleen bij de Leemdijk maar ook op andere plaatsen

in het Celtic field bewoningssporen aangetroffen kunnen

worden, ligt voor de hand. De grafheuvels uit de zuidelijke

groep kunnen we in verband brengen met de opgegraven

nederzettingssporen. De heuvels uit de noordelijke groep,

het Noorderveld en het Landgoed Hooghalen, zouden bij

een bewoningsfase kunnen horen die meer in het noordelijk

deel van het Celtic field gesitueerd was. Daarbij hoort ook

het kleine deel dat niet alleen vanuit het vliegtuig maar ook

op de grond herkenbaar is ten noorden van de schaapskooi.

Het meet ca 150 bij 150 m en vertegenwoordigt dus een

fractie van de oorspronkelijke grootte; een bezit om zuinig

op te zijn.

Omstreeks het begin van de jaartelling werd het Hijkerveld

als woonplaats verlaten. Het kwam toen in gebruik als weidegrond

voor rundvee, geiten en schapen. Tot op de dag van

vandaag is daar eigenlijk weinig in veranderd. Met de huidige

begrazing door runderen en schapen wordt een eeuwenoude

traditie voortgezet. Wat gelukkig wel veranderde is onze

houding m.b.t. (pre)historische elementen in het landschap.

Het beheer in het Hijkerveld is er op gericht de zichtbare,

maar ook de niet zichtbare cultuurhistorische elementen

zoveel mogelijk te beschermen. Niet alleen het bewuster en

selectiever plaggen van de heide maar ook de plannen voor

restauratie en consolidatie van grafheuvels horen daarbij.

* J.R. Beuker is conservator bij het

Drents Museum en is lid van het Algemeen

Bestuur van ‘Het Drentse Landschap’.

foto: Harry Cock


Sytze Bottema

Harm Tjalling Waterbolk

11

Ten geleide: de vragensteller

beschouwt zich als een leerling van

Harm Tjalling Waterbolk. Hij dankt zijn

wetenschappelijke scholing mede aan

Waterbolk’s interesse, kennis en

inzicht in het proces van wisselwerking

tussen de (pre)historische

mens en zijn omgeving.

Wat hem het meest opvalt in

Waterbolk is diens enorme waarnemingsvermogen

op allerlei fronten

van het buitengebeuren. Planten,

dieren, vogels, en vooral sporen.

Sporen in het landschap, in de bodem,

op de bodem, gewone verschijnselen

en ongewone verschijnselen. Daarnaast

de snelheid waarmee de waarnemingen

gedaan worden en successievelijk

geordend en verwerkt. Op

archeologisch gebied, of dat nu in

Nederland, de Joegoslavische Vojvodina

of de Syrische steppe was, leidden

Waterbolk’s snelle waarnemingen tot

vruchtbare discussies en doorslaggevende

conclusies. In hoeverre heeft

de Drentse natuur- en cultuurlandschapsbescherming

daarvan

geprofiteerd?

Over natuur en landschap kan men

lange discussie opbouwen. De interviewer

beperkt zich tot een klein

aantal vragen.


12 Interview

Gedachtenwisseling

Er zijn voor mij in de beleving van natuur en

landschap twee duidelijke perioden: de millennia

lange cultuurlijke en natuurlijke ontwikkeling,

ruwweg alles van voor 1940 en de fase daarna,

waarin grootschalig ter hand genomen

ontwikkelingen plaatsvinden. De jongste periode

wordt bovendien gekenmerkt door het feit dat wij

er – al of niet bewust – in leven.

Er zijn allerlei duidelijke en minder duidelijke

sporen achtergebleven afkomstig uit de eerste fase.

Je hebt het belang van dergelijke resten altijd

onderkend en je hebt er op aangedrongen om

sporen te beschermen, maar ook zichtbaar te

houden of te maken in het landschap. Is er een

tijd geweest waarin je je deze sporen bewust bent

geworden, waarin je geprint bent op deze sporen?

Maakte je daarbij een keus uit diverse sporen?

Voor mezelf heb ik lange tijd onderscheid

gemaakt tussen het prehistorische verleden

met zijn hunebedden, grafheuvels, Celtic

fields en nederzettingsterreinen, en het

historische verleden met zijn dorpen, essen,

heidevelden, zandverstuivingen, bossen,

groenlanden en maden, en de daarbij

behorende flora en fauna. Het ene verleden

was het werkterrein van mijn beroep, het

andere hield me bezig als lid van de Natuurbeschermingsraad,

van de Natuurwetenschappelijke

Commissie (NWC, red.) van

die Raad, en van het Bestuur van ‘Het

Drentse Landschap’. Het ene moest allereerst

onderzocht worden, bij het andere

stond het behoud voorop. Dat beide

verledens vloeiend in elkaar overgaan en

dat het historische landschap nog allerlei

structuurkenmerken met het voorafgaande

prehistorische landschap gemeen heeft, ben

ik pas in de jaren ’60 gaan zien. Een

eye-opener was de opgraving in Odoorn,

waar de omheiningen van de huisplaatsen

uit de vroege Middeleeuwen nog te

herkennen waren in de verkaveling van de

es die de plaats had ingenomen van het oude

dorp. Overeenkomstige waarnemingen

deden we later in Gasselte en Peeloo. In de

jaren ’80 komt dan het besef dat in het

historische cultuurlandschap beide interessegebieden

– onderzoek en behoud – samenvallen.

Grondige kennis van het ontstaan

van het historische cultuurlandschap zie ik

nu als een noodzakelijk uitgangspunt voor

de bescherming van zowel de natuur als het

landschap. De dubbele interesse in de

natuur en de geschiedenis die ik altijd heb

gehad, zal wel mee te danken zijn aan het

feit dat ik in mijn studentenjaren gelijktijdig

in NJN-verband de plantensociologie

bedreef en als assistent op het Instituut van

Van Giffen de pollenanalyse en de archeologie.

Dat ook het ouderlijke milieu een rol

heeft gespeeld zal ieder begrijpen die het

boek over Havelte leest, dat mijn vader in

1934 heeft geschreven. Het zal duidelijk

zijn dat ik geen periode kan aanwijzen,

waarin ik mij niet bewust ben geweest van

de aanwezigheid van in het landschap

herkenbare sporen uit het verleden.

Havelte was er vol mee!

In die vormende jaren werd ik geconfronteerd

met een natuuropvatting die veel te

weinig rekening hield met de invloed van

de mens in het verleden. De directeur

van het Biologisch Station in Wijster,

Dr. Beijerinck, dacht dat de heidevelden

met hun oerbank al in de ijstijd waren

ontstaan, en de bekende amateur-archeoloog

Voerman meende dat de diepe laagte

in het Holtingerzand, waarin hij zijn fraaie

paleolithische werktuigen vond, aan de

rendierjagers beschutting had geboden

tegen de winterstormen in de ijstijd. Dat de

oerbank over grafheuvels uit het Neolithicum

en zelfs over de Celtic fields uit de

IJzertijd heen liep, was een grote schok

voor Beijerinck. De diepe laagte van

Voerman blijkt een stuifkom te zijn, die

hoogstens enkele eeuwen oud is. Aan de

opkomst van de plantensociologie en de

pollenanalyse is het te danken, dat de

natuurbescherming is gaan beseffen dat

natuurterreinen niet aan zich zelf konden

worden overgelaten, maar actief beheerd

moeten worden. Voor mij was dat van het

begin af aan vanzelfsprekend. Ook in dat

opzicht kan ik niet spreken van een

bepaalde periode van bewustwording.

Binnen ‘Het Drentse Landschap’ kwam de

stelling naar voren, dat elke generatie het recht

heeft om iets bepaalds met haar omgeving te

doen. Dat recht zou dan onder meer het begrip

“Natuurontwikkeling” in-houden. Hoe sta jij

tegenover de bewuste grootschalige ontwikkelingen

en ingrepen ten bate van de “natuur” in

verhouding tot de -niet door ons gemaakte- landschappen,

die de afgelopen millennia ‘onbewust’

ontstonden?

Het als resultaat van een vijfduizendjarige

ontwikkeling ontstane landschap dat ons op

de oudste stafkaarten uit de vorige eeuw

tegemoet treedt en waarover we kunnen

lezen bij Harm Tiesing en anderen – en

waarvan resten een halve eeuw geleden

nog overal in Drenthe konden worden

waargenomen – is sinds de tweede helft

van de vorige eeuw grondig veranderd

door de ontginning van de heide tot bouwland,

groenland of bos. Toch veranderde

daarbij de hoofdstructuur van het landschap

niet; het ging vooral om een verandering

van functie binnen die structuur en zulke

veranderingen hebben altijd plaatsgevonden.


Met de grote ruilverkavelingen begint

echter een volledige breuk met de historische

ontwikkeling – jouw tweede fase – de

grenzen tussen de essen, het veld en de

beekdalen vervagen, boerderijen verschijnen

in het buitengebied en zelfs de grenzen van

de oude dorpsgebieden, de marken, worden

niet gerespecteerd. De projecten van landschapsbouw

en natuurontwikkeling die

momenteel aan de orde zijn zie ik door

hun grootschaligheid eveneens als een

potentiële doorbreking van de historische

ontwikkeling. Onze Stichting mag daaraan

naar mijn mening alleen meewerken als de

historische structuur van het betreffende

gebied niet wordt aangetast. In ander

opzicht kan natuurontwikkeling een

controversiële zaak zijn, namelijk

wanneer daarbij nieuw reliëf geschapen

wordt. Natuurlijk zijn er in het verleden

om economische redenen hoogten

geëgaliseerd en beken genormaliseerd en

ligt het voor de hand om op bescheiden

schaal over te gaan tot de uitvoering van

correctie-ingrepen. Het op grote schaal

scheppen van nieuw reliëf of het uitgraven

van nieuwe meanders zie ik echter als het

vervalsen van het landschap zoals dat als

historisch document tot ons is gekomen.

Mijn standpunt is dat wij ter wille van de

blijvende duidelijkheid van onze plaats op

aarde in ruimte en tijd, dat wil zeggen van

onze identiteit, grote zorg moeten besteden

aan het behoud van ons erfgoed. Het

natuurhistorisch, het landschappelijk, het

archeologisch en het bouwkundig erfgoed

moeten we met gelijk respect behandelen,

en dat zowel op lokaal en regionaal, als op

nationaal niveau. Ik zie het als de taak van

onze Stichting om daaraan bij te dragen,

allereerst op het gebied van natuur en land-

schap, maar voor zover het in haar vermogen

ligt ook op de beide andere terreinen.

Gedwongen door de overheid heeft de particuliere

natuurbescherming er aan moeten wennen dat voor

het beheer van haar eigendommen gedetailleerde

plannen gemaakt moeten worden. Veel beheer

van sterk antropogene situaties vraagt om zo’n

plan. Bepaalde historische exploitatievormen die

de waarde van een eigendom mee kunnen uitmaken

zijn echter om allerlei redenen niet meer

uitvoerbaar. Daar zijn dan vervangende oplossingen

voor gekozen, bijvoorbeeld door terreinen

te laten begrazen door primitieve huisdierrassen.

Wat is jouw mening over de natuurwetenschappelijke

en cultuurlandschappelijke kant

van deze maatregel?

Het is duidelijk dat van handhaving of

herintroductie van historische beheers- en

exploitatievormen in de aangekochte

gebieden in vele gevallen geen sprake kan

zijn. Wel is het mogelijk om met moderne

middelen de oude werkwijzen zo dicht

mogelijk te benaderen, en dat niet alleen

terwille van het cultuurlandschap, maar

ook terwille van de flora en fauna, die

tijdens de 5000 jaar van menselijke activiteit

de natuur in dat landschap zijn gaan

vormen. Ik heb al eens gezegd dat een

dergelijk beheer onder meer gekenmerkt

moet zijn door differentiatie en zonering.

Begrazing door weinig zorg vragende grote

herbivoren kan op zich zelf een nuttig

alternatief zijn voor de vroegere beweiding,

maar het verenigen van percelen tot grote

begrazingseenheden betekent een aantasting

van de historische structuur, is strijdig met

het principe van differentiatie, en moet dus

worden afgewezen. Ik heb ook al eens

vaker gezegd dat ik zou willen dat er net

zoveel geld – en belangstelling – zou zijn

Interview

voor het ontwikkelen van moderne

alternatieven voor het beheer van oude

cultuurlandschappen, als er nu is voor het

bedenken en ontwerpen van natuurontwikkelingsprojecten

die met graagte

worden aangegrepen door dezelfde

cultuurmaatschappijen die vroeger de uitvoerders

waren van de ruilverkavelingen

en de beeknormalisaties.

Gezien de planologische ontwikkelingen in de

provincie Drenthe heeft men de door jou aangedragen

informatie matig benut. Sommigen

verwijten het de wetenschap dat zij het publiek

slecht van dienst was en is. Toch kom jij er in

verhouding met je collega’s nog heel goed af. Ik

herinner me je radiorubrieken destijds voor de

RONO, je hebt veel leesbaars geproduceerd, o.a.

het boek ter gelegenheid van het jubileum van

Het Drentse Landschap’ en je hebt je meer dan

waar gemaakt in de provinciale en nationale

natuurbescherming. Heb je het gevoel dat er door

de provinciale en nationale natuurbescherming

voldoende naar je geluisterd is? Hoe is dat bij de

Natuurbeschermingsraad en de NWC? Heb je

de indruk gehad iets fundamenteels bereikt te

hebben, of was de Natuurwetenschappelijke

Commissie een forum voor de leden?

Over de respons op mijn archeologische

werk mag ik niet klagen. Op het gebied

van de natuurbescherming in engere zin

heb ik weinig geschreven, en ik kan dan

ook niet verwachten dat er veel naar mij

geluisterd is. Over het effect van wat ik

mondeling in besturen of commissies naar

voren breng heb ik me nooit veel illusies

gemaakt. Ik heb overigens wel het gevoel

dat ik landelijk met enig succes aandacht

heb gevraagd voor het behoud van de

cultuurhistorische waarden in het landschap.

Dat is me althans verzekerd vanwege

13


14 Interview

het ministerie bij mijn afscheid als lid van

de Natuurbeschermingsraad in 1982. De

Kroon-lezing van 1984 wordt vaak

geciteerd. Sindsdien heb ik nog een tiental

andere publicaties aan dat onderwerp

gewijd. Overigens ben ik niet de enige die

bezorgd is voor het cultuurlandschap. Vele

historisch-geografen, verenigd in de

Beekman-Stichting, doen daarvoor

momenteel hun best. Helaas is de groeiende

belangstelling van de overheid voor het

cultuurlandschap in de afgelopen jaren

overspoeld door de overmatige aandacht

die de natuurontwikkeling heeft gekregen

als gevolg van de succesvolle gang van

zaken in de Oostvaardersplassen.

Van de Natuurwetenschappelijke Commissie

ben ik lid geweest van 1955 tot de opheffing

van de commissie in 1991. Het

resultaat van onze discussies en terreinbezoeken

zit verpakt in talloze rapporten

en brieven binnen het overheidsapparaat.

Naar buiten traden we alleen bij onze

bezoeken aan ruilverkavelingen in voorbereiding.

Die bezoeken werden enorm

gewaardeerd door hen die op provinciaal

niveau de belangen van natuur en landschap

moesten verdedigen. Tijdens de

discussies in de NWC over het toetsingskader

voor het beoordelen van ingrepen in

natuur en landschap kwamen twee

verschillende uitgangspunten naar voren,

het ecologische en het cultuurhistorische.

Mijn keuze was voor het laatste: ik zie door

mijn archeologische werk te zeer de

omvang en intensiteit van de menselijke

invloed gedurende 5000 jaar om me hier

nog een natuur voor te kunnen stellen die

daarvan onafhankelijk is. Voor anderen

gold echter als uitgangspunt het natuurlijke

ecosysteem, zoals zij zich dat meenden te

kunnen voorstellen. Het is deze antithese,

die zich momenteel overal in de praktijk van

het natuurbeschermingswerk manifesteert.

Welke cultuurlandschapsproducten van na de

tweede wereldoorlog zijn naar jouw mening het

beschermen waard?

Als een geslaagd cultuurlandschap beschouw

ik de Noordoostpolder, omdat daar bij alle

rationaliteit van het patroon van dorpen,

wegen en afwateringskanalen toch ook

regionale verschillen in exploitatievormen

zijn ontstaan die samenhangen met natuurlijke

verschillen in grondsoort – akkerbouw,

veeteelt, fruitteelt, bosbouw –, en omdat de

beplanting langs wegen en kanalen en op

erven een eigen karakter heeft en de

structuur van het landschap accentueert.

Het gebied heeft daardoor een duidelijke

identiteit.

Geslaagd zijn ook de grote complexen

staatsbossen die voor en na de oorlog zijn

aangelegd daar waar een aantal marken aan

elkaar grenzen. Gegeven het feit dat de

heidevelden hun tijd hebben gehad, zijn de

staatsbossen door hun overeenkomstige

grootschaligheid en nieuwe mogelijkheden

voor flora en fauna een zeer aanvaardbare

vervanger van de heide. Deze bossen

hebben bovendien een eigen karakter; ze

dragen bij tot de identiteit van Drenthe als

geheel.

Voor het overige kan ik wijzen op de in

sommige ruilverkavelingen aangelegde

beplantingszones die in de omgeving van

de oude dorpen en de beekdalen het landschap

een nieuwe vorm van beslotenheid

geven die positief afsteekt bij het structuurloze

kale ontginnningslandschap dat men

elders in Drenthe aantreft.

Nog een slotopmerking. Je hebt me tijdens

ons gesprek gewezen op een mogelijke

tegenstelling die er zou kunnen zijn tussen

mijn persoonlijke wetenschappelijke analyse

van het landschap en de herkenning daarin

van bepaalde structuren, en mijn opvatting

dat die structuren het toetsingskader

zouden moeten zijn voor het beoordelen

van de maatschappelijke wenselijkheid van

ingrepen in het landschap. Zou ik als

onderzoeker wel het recht hebben om

praktische toepassing te vragen van die

persoonlijke opvattingen? Dat zou ik zeker

niet hebben als het hier alleen ging om een

wetenschappelijk stokpaardje en om

structuren die niemand anders dan ikzelf

zou kunnen herkennen. Ik heb echter al

vele malen ervaren dat mijn kennis overdraagbaar

is en zie een groeiende interesse

in de beoefening van wat men de archeologie

van het cultuurlandschap kan noemen.

Ik durf dus voor mijn opvattingen te staan.

Maar ik ben het met je eens dat gestreefd

moet worden naar op zijn minst een zekere

mate van wetenschappelijke en maatschappelijke

consensus en ik heb daarom

dan ook verscheidene publicaties aan dit

onderwerp gewijd.


Een eindje om met Het Drentse Landschap

Bertus Boivin / Eric van der Bilt

Startpunt kerkje aan de Wheem in

Zweeloo

Lengte circa 5,5 km

Benodigde tijd ongeveer 2 uur

Begaanbaarheid uitstekend te belopen,

ook in natte jaargetijden

Honden toegestaan, mits aangelijnd

Parkeren parkeerplaatsen tegenover

de kerk (ook bij het

klinkerweggetje)

Openbaar o.a. VEONN-lijn

vervoer 27 vanaf NS-Station Emmen

(20 min.), uurdienst op

werkdagen (halte Zweeloo)

Wandelroute

De Stroeten bij Zweeloo

Wandelend rond de Stroeten bij Zweeloo maakt u

kennis met vrijwel alle facetten van het Drentse

esdorpenlandschap: de hoge essen, de bloemrijke

madelanden en het veld eromheen. In de Stroeten

kunt u goed zien hoeveel je met twintig jaar

consequent terreinbeheer kunt bereiken.

Verschraling van het land gaf de Stroeten hun

soortenrijke madelanden terug. De mooiste tijd

om deze wandeling te maken is dan ook het voorjaar

als de weiden in bloei staan. Maar ook ‘s winters,

als het gebied zich in zijn volle weidsheid

toont, zijn de Stroeten onvergetelijk en zijn ze een

eindje om met ‘Het Drentse Landschap’ méér dan

waard.

1


Stroeten

• De wandeling begint bij het kerkje van

Zweeloo.

Zweeloo heeft één van de oudste Drentse kerkjes; meer dan

700 jaar geleden gebouwd en zo authentiek dat de gaten

voor de bouwsteigers nog in de muren zitten. Heel bijzonder

is het torentje dat bedekt is met eikenhouten plankjes

(‘schaliën’); in die tijd voor een arme parochie een goedkoop

alternatief voor gebakken pannen. Vrijwel de hele

wandeling houdt u zicht op het prachtige kerkje.

• Volg de straat richting dorp.

Met name aan de rechterkant van de weg ziet u tussen de

bebouwing nog steeds de oude ‘huisweidjes’ die vrijwel

overal elders al lang zijn omgetoverd in bouwkavels. Heel

bijzonder is de 19de-eeuwse smederij waar blijkens een bord

aan de muur een ‘Rijksonderwijzer in Praktisch Hoefbeslag’

domicilie heeft gekozen.

• Steek de weg naar Benneveld over en sla bij

Restaurant Idylle linksaf het zandpad in.

Dit zandpad vormt de scheiding tussen de Zuidesch van

Zweeloo en de weidegrond in de Grootmaten langs de

Westerstroom. Links aan de kant van de es overheersen

grillige Eiken het laantje, rechts aan de ‘natte’ kant staan

voornamelijk Elzen. Brandnetels langs het pad illustreren de

overmaat aan stikstof van deze tijd. Een zandpad als dit is

honderden jaren oud. En laat het alsjeblieft ook nog honderden

jaren een zandpad blijven. Onderweg langs dit laantje is vrijwel

altijd het scherpe gekras van de Roeken te horen.

© Topografische Dienst Emmen

Een eindje om met Het Drentse Landschap

Start

• Aan het eind van het zandpad gaat u linksaf

in de richting van de straatweg naar

Benneveld.

(Hoewel... misschien is het aardig hier even rechtsaf naar het

bruggetje over de Westerstroom te lopen. Natuurlijk, sinds

zijn kanalisatie is de Westerstroom de Westerstroom niet

meer, desondanks echter heeft de kronkelende beekloop iets

van zijn authentieke karakter behouden.)


• Bij de weg naar Benneveld aangekomen

slaat u rechtsaf.

Ga aan de linkerkant van de weg lopen.

U loopt door de Stroeten. De weg naar Benneveld doorsnijdt

ze als het ware. Dit deel van het reservaat is het kortst in het

bezit van ‘Het Drentse Landschap’. Een paar jaar geleden

was het weiland links nog een aardappelveld. Het beheer is

er vooral op gericht de grond natter te maken en de bodem

te verschralen. Eigenlijk hoort de sloot middenin de stroet

er niet te liggen. Stroeten waren laaggelegen delen in het

veld waar het afstromende water zich verzamelde. U kunt zich

een stroet voorstellen als een natte spons waaruit aan de laagste

kant een stroompje tevoorschijn komt. Om in de Stroeten

het water langer vast te houden is een deel van de dwarsslootjes

inmiddels afgedamd. De veelvuldige aanwezigheid

van Brandnetels illustreert dat de bodem hier nog voedselrijk is.

Door het grasland consequent te laten begrazen en te maaien

verschraalt de bodem op den duur. In zo’n situatie zullen

orchideeën als de Brede orchis zich uitstekend thuis voelen.

Wandelroute

• Neem het eerste zandpad links dat precies

op de grens van de Stroeten en de

Bennevelder Esch loopt.

Vanaf het pad heeft u een schitterend uitzicht op de Stroeten

en ervaart u het bijzondere karakter van dit stukje Drenthe.

Mooi is hier het opmerkelijke hoogteverschil te zien tussen

de Stroeten en de hoge Zuidesch van Zweeloo aan de overkant

en die van Benneveld rechts van het pad. Hoe verder u

langs het pad komt, hoe langer de madelanden in het beheer

bij ‘Het Drentse Landschap’ zijn. U ziet dus de verschillende

stadia van verschraling. Brandnetels worden opgevolgd door

Pitrussen die op hun beurt een paar jaar later ook al weer

zijn verdwenen. Als u ter hoogte van het hakhoutbosje aan

de rechterkant van het pad bent, moet u zeker even bij het

hek de Stroeten in kijken. Hier ziet u hoe uiteindelijk de

hele stroet eruit zal zien: ‘wollige’, groene madelanden met

hier en daar wilgenstruiken en elzen.


18

• Na verloop van tijd buigt het pad naar

rechts, van de stroet vandaan.

Hier vormt het pad de grens van de Bennevelder Esch en

het Noorderveld dat pas in de 20ste eeuw werd ontgonnen.

Op het laatste stuk van het pad is aan de kant van de es goed

te zien hoe de moderne landbouw het landschap op zijn kop

kan zetten. Hier lag van oudsher een behoorlijke laagte in

de es waar vroeger eigenlijk niemand iets mee kon. Een

meters-diepe waterlossing zorgt ervoor dat hier nu ook

aardappels kunnen worden verbouwd. Dat zo’n ingreep in

de omgeving enorme verdroging tot gevolg heeft, laat zich

raden. Let u hier ook even op het dorp Benneveld in de

verte. Is het een wonder dat reizigers vroeger naar huis

schreven dat Drentse dorpen zich op afstand voordeden als

bosjes in het uitgestrekte veld...

• Aan het eind van het pad slaat u linksaf.

(Hoewel... als u zin heeft, kunt u hier natuurlijk ook even

rechtsaf naar Benneveld: zo’n prachtig klein esdorp waar de

tijd lijkt te hebben stil gestaan. Het grootste deel van het

dorp is aangewezen als beschermd dorpsgezicht.)

• Na ruim honderd meter in oostelijke richting

gaat u bij de kerstbomen linksaf de Turfweg

op.

De Turfweg kwam al op de 19de-eeuwse topografische

kaarten voor. Langs dit pad brachten de boeren van

Benneveld karrenvrachten turf uit de tientallen veentjes op

het Noorderveld naar hun dorp. Lopend over de Turfweg

zult u beslist de rechtlijnigheid van het heideontginningslandschap

ervaren. In de berm groeien planten als Boerenwormkruid,

Kamille en Gewoon duizendblad die typisch op

dit soort schrale zandgronden thuishoren. ‘Het Drentse Landschap

hoopt het gebied tussen de Turfweg en de Stroeten

op den duur in eigendom te krijgen om weer iets van het

oude Noorderveld terug te kunnen krijgen. Op die manier

zou de functie van het veld als ‘inzijggebied’ van de Stroeten

enigszins kunnen worden hersteld.

Rechts van de Turfweg ziet u de hoge

torenspits van Sleen af en toe net boven

de bomen in het stroomdalletje van

het Drostendiep uitsteken.

• Ruim voor de verharde weg van Zweeloo naar

Noord-Sleen gaat u linksaf het zandpad op.

Let u hier eens op de sloot rechts van het pad. Over een

afstand van een paar honderd meter zult u de meters-diepe

sloot zien ‘opkomen’ tot een nietszeggend greppeltje. Ingrepen

als deze hebben na de oorlog op grote schaal in het

hele Drentse esdorpenlandschap plaatsgevonden. Ten koste

bijvoorbeeld van de Stroeten, want de sloot voert het water

juist bij de stroet vandaan! Zodra u links de Stroeten heeft,

moet u eigenlijk even blijven staan en om u heen kijken.

Hier is namelijk heel mooi te zien dat de essen en het veld

rond de stroet allemaal een flink stuk hoger liggen en dat al

het water dus vanzelf deze kant opkomt. Althans: tot de

20ste-eeuwse waterhuishoudingsdeskundigen iets anders

bedachten.

• Ga voorbij de stroet linksaf het pad op.

Het pad volgt de grens van de Zuidesch van Zweeloo en de

Stroeten. Aan de houten landhekken kunt u zien dat u weer

in het domein van ‘Het Drentse Landschap’ bent teruggekeerd.

In totaal bezit de stichting in de Stroeten op dit moment

zo’n vijftien hectare.

• Na een laatste blik op de Stroeten neemt u

het klinkerweggetje rechtsaf dat u met een

wijde boog terugbrengt naar het kerkje van

Zweeloo.

Wellicht is het goed om al wandelend over de es van

Zweeloo te bedenken dat de cultuurgronden waar u hier

loopt, echt eeuwen en eeuwen oud zijn. Al in de vroege

Middeleeuwen en ver daarvoor werd hier geboerd. Het graf

van de ‘Prinses van Zweeloo’, dat bij het dorp gevonden

werd, illustreert dat zulks niet zonder succes was. Cultuur en

natuur zijn in het Drentse landschap onlosmakelijk met

elkaar verbonden. Hier rond de Stroeten was dat duidelijk

te zien en bij een volgend ‘eindje om’ zullen we het

gegarandeerd weer tegenkomen.

© StichtingHet Drentse Landschap

Kloosterstraat 5 / 9401 KD Assen / Tel. (0592) 31 35 52


Tjalling Waterbolk

(bewerking Joan D.D.Hofman)

De geschiedenis als de

drager van de toekomst

Naar aanleiding van het beëindigen van zijn lidmaatschap

van het bestuur van ‘Het Drentse Landschap’ heeft het

dagelijks bestuur prof. Waterbolk verzocht om zijn visie

te geven over de manier waarop de Stichting in de

toekomst met cultuurhistorische waarden, waaronder

de archeologische, zou moeten omgaan. De nota die de

heer Waterbolk heeft geschreven, lijkt het bestuur ook

voor de begunstigers van de Stichting interessant. Het

verhaal is echter te lang om in zijn geheel in het kwartaalblad

te plaatsen. Daarom treft u hier een bewerking aan.

Zij die de oorspronkelijke nota willen lezen, krijgen die

op aanvraag toegezonden.

Redactie

De eenzame eikeboom bij de Popkenmaat en de Zuidlaarderlanden, markeert nog de plaats waar in

1775 de eerste grenssteen van de markegrens Schipborg/Zuidlaren werd gelegd. (foto: Harry Cock)

Beschouwingen

19

Wat is het probleem

Wie zijn wij, waarom moeten we er zijn, hoe breed is de taak

van ‘Het Drentse Landschap’, wat is kortom onze identiteit.

Dit zijn vragen die we ons als 60-jarige stichting in een zich

turbulent ontwikkelende samenleving regelmatig moeten

stellen om vanuit onze doelstellingen steeds een zinvolle taak

te kunnen blijven vervullen.

Zoals in een modern huis met moderne mensen oude spullen

heel goed kunnen passen, kunnen in het moderne, steeds

veranderende landschap oude patronen en elementen die inzicht

bieden in de geschiedenis, worden ingepast. Cultuurhistorische

waarden, die we niet alleen ontzien omdat ze

oud zijn en iets van het verleden laten zien, maar die ook in

het huidige landschap als een rijkdom worden ervaren.

De cultuurhistorische hoofdstructuur van Drenthe

De ondergrond van Drenthe bestaat uit een in de ijstijd

gevormd keileemplateau dat met dekzand is bedekt. Via

brede dalen watert het plateau af in drie hoofdrichtingen:

noord, zuidwest en zuidoost. Na de ijstijd zijn langs de rand,

maar ook plaatselijk in de dalen en op vlakke delen van het

plateau, dikke pakketten hoogveen ontstaan. In de vroege

Middeleeuwen lag het gebied als een grillig gevormde drielobbige

bult temidden van een uitgestrekt hoogveengebied

en was eigenlijk alleen via waterwegen toegankelijk.

In deze natuurlijke eenheid vinden we een grote verscheidenheid

aan cultuurlandschappen. Elk landschapstype wordt

gekenmerkt door een eigen ontstaansgeschiedenis, een eigen

structuur en een eigen invulling met menselijke activiteiten.

Met een eigen milieu voor de flora en fauna.

Het grootste deel van de hogere zandgronden wordt in-


20 Beschouwingen

genomen door het esdorpenlandschap, dat al in de Middeleeuwen

zijn huidige vorm heeft gekregen, maar rechtstreeks

teruggaat op veel oudere, doch meer door de natuur dan door

de mens gevormde landschappen. Langs de randen van het

plateau ontwikkelden zich op zandruggen streekdorpen met

een opstrekkende verkaveling. De systematische afgraving van

de hoogveengebieden vanaf de zestiende eeuw leidde tot het

ontstaan van veenkoloniale landschappen met een karakteristiek

patroon van bewoningslinten, kanalen en wijken.

Het primaire stramien wordt gevormd door een wijdmazig

net van ongeveer 100 dorpsgebieden dat al in prehistorische

tijd zijn grondslag vindt. Deze dorpsgebieden zijn dus ouder

dan de dorpen zelf. Je zou ze ‘oermarken’ kunnen noemen,

omdat de historische marken eruit zijn ontstaan. Die latere

marken kenden een zekere bestuurlijke zelfstandigheid. De

bewoners beslisten zelf over zaken van gemeenschappelijk

belang, zoals het gebruik en beheer van de gronden. Binnen

de huidige boermarken is de aanspraak op dit ‘recht’ nog

terug te vinden.

Boven het niveau van de marken stonden de dingspelen, die

met name een taak hadden op het gebied van de rechtspraak.

Oorspronkelijk zijn het er drie geweest. De grenzen kwamen

ongeveer overeen met de waterscheidingen tussen de drie

afwateringssystemen. Deze driedeling is vermoedelijk aanleiding

geweest voor de naam van de provincie.

Bij de kerkelijke indeling werden in de meeste gevallen een

aantal marken tot een kerspel verenigd. Binnen een kerspel

ontwikkelde vooral het kerkdorp zich met zijn vanuit de

wijde omgeving zichtbare toren. Hier kwamen de wegen

samen; hier werd markt gehouden.

De huidige gemeenten zijn in veel gevallen de directe opvolgers

van de kerspelen. Al zijn de grenzen van marken en

kerspelen altijd onderhevig geweest aan kleine veranderingen,

de hoofdstructuur wordt nog op tal van plaatsen in het landschap

gemarkeerd door een weg, een waterloop, een grenssteen

of -boom. Bij de gemeentelijke herindeling zullen tal

van dergelijke elementen hun betekenis als bestuurlijke

markering verliezen.

Een stapje verder terug in de tijd

Ook uit de tijd van vóór de Middeleeuwen worden we in

Drenthe geconfronteerd met menselijke activiteit, samen te

Deze boswal vormt het restant van de markegrens

tussen Annen en Zuidlaren.

vatten onder de naam ‘bodemarchief’. Sporen van

prehistorische nederzettingen worden vaak aangetroffen in

of bij bestaande dorpen, maar ook daarbuiten; bijvoorbeeld

op (voormalige) heidevelden of zelfs onder essen. De essen

zijn dan ook niet alleen om historische en landschappelijke

redenen van groot belang, doch ook als bodemarchief.

In archeologisch opzicht heeft Drenthe binnen Nederland

een eigen identiteit. Het meest opvallend zijn wel de hunebedden,

maar ook de Celtic fields illustreren die. Of burchtheuvels,

voorden (doorwaadbare plaatsen), veenbruggen en

knuppelpaden als elementen uit de prehistorische infrastructuur.

Het bodemarchief is een kostbaar bezit, dat nog

regelmatig grote verrassingen oplevert en ons inzicht in het

leven van onze voorouders en de ontwikkelingsgeschiedenis

van Drenthe verdiept.

Een en ander betekent onder meer dat voorzichtigheid

geboden is, wanneer men bij het terreinbeheer grondwerkzaamheden

wil verrichten.

De natuurlijke identiteit van Drenthe

Door menselijke activiteiten is geen stukje Drenthe

onberoerd gebleven. Pure natuur bestaat niet in onze

provincie. We hebben te maken met planten en dieren voor

wie de omstandigheden geschikt zijn om er te leven. Die

omstandigheden worden door tal van factoren bepaald, maar

de bodemgesteldheid en de waterhuishouding behoren wel

tot de basis-elementen. Daarin is in de loop der geschiedenis

evenwel het nodige gerommeld. En dat zal ook in de toekomst

wel doorgaan, al proberen we hier en daar de klok

een beetje terug te zetten.

In de oude cultuurlandschappen, waarin veranderingen zich

heel geleidelijk voltrokken, was een opbouw in de intensiteit

van het grondgebruik. Dichtbij de nederzettingen werden

de gronden intensiever gebruikt dan verderaf gelegen

gronden. In combinatie met verschillen in hoogteligging,

bodemsoort en waterhuishouding leidde dit tot een grote

variatie aan oecologische omstandigheden en dus tot grote

biologische verscheidenheid.

Kenmerkend voor Drenthe zijn dan ook plantensoorten die

van nature in heel andere landschapstypen voorkomen, maar

die ook binnen de specifiek Drentse omstandigheden een

plaats hebben gevonden. Van de oude cultuurlandschappen

foto: Harry Cock


zijn dat dan bijvoorbeeld de heidevelden, beekdalgraslanden,

blauwgraslanden, roggeakkers en zandverstuivingen. Maar

ook sommige bostypen bevatten karakteristieke soorten, wat

kan samenhangen met extreme voedselarmoede of juist met

de rijkdom van de in Drenthe aan de oppervlakte aanwezige

potklei.

Juist in de laatste eeuw zijn bij pogingen van de mens om de

natuur naar zijn hand te zetten - vooral bij agrarische ruilverkavelingen

- grote oppervlakten halfnatuurlijke cultuurlandschappen

verdwenen. Daarmee verdween ook een groot

deel van de karakteristieke flora en fauna, of werd uiterst

zeldzaam.

Waarmee gaat ‘Het Drentse Landschap’ verder

Het ligt voor de hand dat onze Stichting alleen recht doet

aan haar naam, als ze doorgaat met het beschermen van de

archeologische, historische en natuurlijke waarden in het

landschap. Met name wanneer die voor Drenthe karakteristiek

zijn of juist in deze provincie goed bewaard zijn gebleven. De

aandacht zal allereerst uitgaan naar wat nog rest van de oudere

cultuurlandschappen, omdat die het meest karakteristiek en

waardevol en in biologisch opzicht het rijkst zijn. Doch ook

de jongere, veelal armere landschappen verdienen de aandacht.

Al was het maar om daar de biologische en landschappelijke

kwaliteit te verbeteren. Voor de eigen terreinen

zullen voortdurend keuzen moeten worden gemaakt. De

belangen van de flora lopen niet altijd parallel met die van

de fauna of de cultuurhistorie. Met duidelijke doelstellingen

en keuzen kan de Stichting haar identiteit en plaats in de

samenleving manifesteren.

Van belang is daarbij het typisch regionale als uitgangspunt

Beschouwingen

21

te kiezen om de funktie van de Stichting enigszins af te

bakenen ten opzichte van de landelijk opererende organisaties.

Samenwerking met anderen is op het vlak van natuurbescherming

goed geregeld. Wat de cultuurhistorische

aspecten betreft, is er echter in organisatorisch opzicht weinig

structuur te bespeuren. Hoewel ‘Het Drentse Landschap

een open oog heeft voor cultuurhistorische waarden en er in

haar terreinen zorg voor draagt, zou zij meer in het algemeen

voor cultuurhistorische zaken een actievere rol kunnen

vervullen. Het landelijk gebied heeft meerdere funkties. Er

gebeurt van alles om allerlei funkties te realiseren. Maar al te

vaak is de vernieuwingsdrift zo groot dat men zich er

onvoldoende van bewust is, dat er patronen en elementen

zijn die het behouden waard zijn. En dat dit vaak met weinig

inspanning mogelijk is. Bij elke activiteit dient men zich

vooraf af te vragen, welke sporen uit het verleden getuigen

van de geschiedenis van het gebied. Zijn er bewoningssporen

uit de prehistorie, vertelt de nederzettingsstructuur of het

wegenpatroon iets over de historische ontwikkeling. Blijkt

de relatie tussen de natuurlijke omstandigheden en de eertijdse

mogelijkheden uit de verkaveling, zijn er historische

monumenten met herkenbare samenhang met de omgeving,

etc.

Er zijn inmiddels tal van voorbeelden van de modieuze opvatting

van een maakbare natuur; de zogenaamde natuurontwikkeling

die de gevolgen van de vernietiging moet

compenseren. In veel gevallen houdt men daarbij echter te

weinig rekening met gegevens uit het verleden. Nog afgezien

van de vraag of de beoogde natuur maakbaar is en zo

ja, of je dan nog van natuur mag spreken. Wat zich hier en

daar ook aandient, is het creëren van namaaknatuur of

pseudocultuur; imitaties die afbreuk kunnen doen aan de

authenticiteit van wat overgeleverd is. Herstel en restauratie

zijn uiteraard te rechtvaardigen. Nieuwe natuur is ook

prima, mits het niet ten koste gaat van historische waarden

en duidelijk is dat het nieuw is. ‘Het Drentse Landschap’ zal

zulke keuzen uiterst zorgvuldig moeten blijven maken.

Er mag geen twijfel over bestaan dat de StichtingHet

Drentse Landschap’ een duidelijke taak heeft bij het in stand

houden van de eigen identiteit van Drenthe in natuur en

landschap.


22

Natuurlijk

* Geert de Vries

Vogels in je tuin

In de wintermaanden

kun je heel goed beginnen

met het leren herkennen van

de verschillende vogelsoorten.

Omdat veel bomen en struiken

nu kaal zijn, kun je de vogels

goed zien. Hoe meer soorten

voer je geeft, hoe meer soorten

vogels je in de tuin ziet.

Maak deze winter eens een

lijstje met alle vogelsoorten

die in jullie tuin gezien zijn.

* G. de Vries, consulent voor natuur- en milieueducatie

in het onderwijs, is lid van het Algemeen

Bestuur van ‘Het Drentse Landschap’.

Roodborstje (foto: Joop v.d. Merbel)


De top tien

Er is een top-tien lijst van vogels

die het vaakst ’s winters in

tuinen worden gezien. Spreeuw,

Huismus en Pimpelmees worden

het meest gezien. Direct gevolgd

door Merel, meeuw, Vink en

Roodborst. De Groenling, Koolmees

en kraai sluiten de rij.

Klopt deze top-tien met de

vogels die in jullie tuin het meest

worden gezien?


De Koolmees

Een bioloog wilde eens weten of

het waar was dat de Koolmees

’s winters in zijn tuin steeds

dezelfde was. Omdat hij een

speciale vergunning had, mocht

hij Koolmezen vangen. Hij ving

zijn Koolmees even en deed een

ringetje met een nummer om

een pootje. De volgende dag

ving hij zijn Koolmees weer. Tot

zijn verbazing was die niet

geringd. Hij bleef aan het ringen,

want zijn ene Koolmees bleek er

niet één te zijn, maar meer dan

dertig verschillende Koolmezen.

Met dit onderzoekje heeft hij

bewezen dat ook de Koolmees

die steeds op jouw voedertafel

komt, niet altijd dezelfde is, maar

één van de tientallen die

’s winters in jullie buurt rondzwerven.

Vaak hoor je mensen zeggen:

“dat Koolmeesje komt al meer

dan 15 jaar in onze tuin”.

Helaas, dat is niet waar. De

meeste zangvogels zoals mezen

en Roodborstjes worden slechts

twee tot drie jaar oud. Een

enkeling haalt de leeftijd van

tien jaar. Dat is te vergelijken

met mensen die 100 jaar oud

geworden zijn.



Het Roodborstje

De meeste Roodborstjes die je nu

ziet komen uit Scandinavië of

Rusland. Veel van onze Roodborstjes

zitten nu in Spanje.

Je zult ’s winters nooit twee

Roodborstjes gezellig bij elkaar

zien. De mannetjes en vrouwtjes

hebben ’s winters allemaal een

eigen plekje waar ze voedsel

zoeken. Roodborstjes zingen

zelfs ’s winters. Het liedje

betekent voor de andere Roodborstjes:

“Dit is mijn voedselgebiedje,

zoek jij maar iets

anders”. Elk Roodborstje

verdedigt zijn voedselgebied zo

fanatiek dat er ongeveer één op

de tien Roodborstjes met een

hersenschudding rondvliegt.

In tegenstelling tot de mezen zijn

de Roodborstjes dus wel steeds

dezelfde exemplaren die je

’s winters bij het voederhuisje

ziet.

Merel (Archief HDL)

Koolmees, getekend door

Ilse Wilkens uit Hoogeveen


De Spreeuw

Spreeuwen zie je altijd in groepen.

Ook slapen ze samen. Als een

Spreeuw op een dag weinig

voedsel heeft kunnen vinden,

dan gaat hij ’s nachts naast een

Spreeuw slapen die zijn buikje

wel lekker rond heeft gegeten.

De volgende ochtend volgt de

hongerige Spreeuw zijn buurman

om er achter te komen waar wel

wat te halen is.


De Merel

Aan het begin van deze eeuw

zag je bijna nooit een Merel in

de tuin. Het waren schuwe bosvogels.

Toen er in een paar

strenge winters vrijwel geen

voedsel in het bos te vinden was,

kwamen ze tot de ontdekking

dat er in tuinen nog wel wat te

halen was. Een enkel paartje

keerde niet

terug naar

het bos,

maar ging in de tuin broeden.

Steeds meer Merels dachten er

net zo over en nu is het één van

de meest algemene vogels in de

tuin.

Tips

Jeugdrubriek

23

• De voederplaats

Een paal met een plank is al voldoende.

Vogels willen graag een goed uitzicht

hebben op katten en andere vijanden.

Zet het voederhuisje niet te dicht bij

het raam. Zet het bij voorkeur in de

buurt van een heg of ander dicht

struikgewas. Bij gevaar willen ze

graag een verstop-plek hebben.

• Voedsel

Hoe meer soorten voedsel, hoe groter

kans is op verschillende soorten vogels.

Het voedsel mag niet zout zijn.

Merels eten graag oude appels.

Roodborsten zijn dol op bijvoorbeeld

havermout en meelwormen.

Mussen, Vinken en Groenlingen

verwen je met vogelzaad.

Mezen komen af op vetbollen

en pindasnoeren.

• Ontdekken

Kortom: probeer eens een lijstje te

maken van wie wat eet. Eet een

Merel ook brood? Kun je mussen

aan een pindasnoer zien hangen?

Je kunt een heleboel over de vogels

in jouw tuin ontdekken en daar

ongetwijfeld veel plezier

aan beleven.


24

Bertil Zoer*

De Kerkuil

Van oudsher is de Kerkuil als bondgenoot in de bestrijding van muizenplagen een graag geziene

gast op de Drentse boerderijen. Menig boerenhuis was dan ook voorzien van een ‘oelebred’,

waardoor de uil naar binnen kon. Tegenwoordig moet er met behulp van actieplannen en de

inzet van provinciaal georganiseerde kerkuilenwerkgroepen hard aan gewerkt worden om

de Kerkuil als broedvogel te behouden.

foto: Eddy Kuis

Geruisloze killer

Een Kerkuil is ‘ontworpen’ voor een

leven in de duisternis. Zijn ogen zijn

opvallend groot en enigszins buisvormig

van structuur om zelfs een

minieme hoeveelheid licht nog te kunnen

benutten. De bijzondere oogstructuur

heeft als nadeel dat de ogen onbeweeglijk

vastzitten in de kop. Hierdoor

moet de uil leren leven met een starre,

starende blik en het bijbehorende

imago van wijze vogel. Gelukkig

wordt het beperkte blikveld gecompenseerd

door een opmerkelijke

beweegbaarheid van de kop. Een

Kerkuil kan zijn kop maar liefst driekwart

rond draaien.

Naast een stel geavanceerde nachtkijkers,

beschikt de uil ook nog eens

over een uitstekend ontwikkeld

gehoor. Het zachtste muizenritseltje

wordt niet alleen opgemerkt, maar ook

nog eens met een griezelige precisie

gelokaliseerd. Het karakteristieke

uilenmasker vervult hierbij, als een

soort schotelantenne, een onmisbare

rol. De ooropeningen liggen direct

achter de rand van het hartvormige

masker. Opmerkelijk is dat de gehooropening

aan de linkerkant van de kop

ietsje hoger ligt dan aan de rechterkant.

Ook dit draagt bij aan het nauwkeurig

kunnen lokaliseren van prooidieren.

Hoe perfect de stereo-schotelontvangst

werkt blijkt uit experimenten, waarbij

geblindeerde Kerkuilen zich keer op

keer feilloos op wegvluchtende muizen

wisten te storten. Zelfs in het holst van

de meest duistere nacht zijn de muizen

dus niet veilig.

De oren op ongelijke hoogte en de

onbeweeglijke grote ogen zouden van

een uilskuiken nooit moeders mooiste

maken, als alles uiteindelijk niet met

een schitterend verenpak werd afgewerkt.

Dankzij een speciale verenstructuur

zijn Kerkuilen in staat volkomen

geruisloos te vliegen, wat

natuurlijk bijzonder handig is als je

muizen wilt vangen. Een scherpe

haaksnavel en een paar fikse klauwen

completeren de uitrusting van de

nachtelijke jager, de schrik van iedere

veldmuis, de perfecte muizenkiller.

Teruglopend kerkbezoek

Kerkuilen broeden graag op een

donkere rustige plaats, zoals die in

allerlei gebouwen aangetroffen kan

worden.

Hoewel zijn naam anders doet

vermoeden, zoekt een Kerkuil tegenwoordig

zijn heil eerder in boerenschuren

dan in kerken. De Engelse


naam ‘Barn Owl’, oftewel schuuruil, is

wat dat betreft toepasselijker gekozen.

Het dichtspijkeren van kerktorens,

maar ook stadsuitbreidingen, waardoor

de kerk steeds verder van geschikt

jaaggebied af komt te liggen, werken

een teruglopend kerkbezoek in de hand.

In Drenthe biedt alleen de kerk van

Anloo nog onderdak aan kerkse uilen.

Met onheilspellende kreten, geliefd bij

makers van griezelfilms en het aanbieden

van een onthoofde muis tracht

het mannetje het vrouwtje paringsbereid

te maken. Het huwelijksbed

bestaat hooguit uit een laagje platgetrapte

braakballen, vaak in een

speciaal voor Kerkuilen vervaardigde

uilenkast. Soms moet er een stapeltje

vers gedode muizen aan te pas komen

om de laatste twijfels bij mevrouw weg

te halen om in te stemmen met de

paring.

Kerkuilen doen aan geboorteregeling

door de hoeveelheid eieren af te

stemmen op de beschikbare hoeveelheid

prooidieren. In muizenrijke jaren

kan het aantal eieren per legsel wel tien

stuks bedragen. Doordat de eieren uitkomen

in dezelfde volgorde als waarin

ze gelegd zijn, zit er vaak

enkele dagen leeftijdsverschil tussen de

kuikens. Het oudste nestjong neemt

gewoonlijk als eerste de prooi in

ontvangst van de ouders. Pas als hij

voldoende heeft gegeten, geeft hij een

muis door aan zijn oudste broertje of

zusje. Het jongste kuiken komt altijd

als laatste aan bod. In tijden van

onvoorziene voedselschaarste laten de

oudere kuikens zo weinig over voor de

Benjamin dat hij dat met de dood

moet bekopen. Deze, in onze ogen

onrechtvaardige gang van zaken, houdt

in dat meestal alleen de jongste kuikens

de hongerdood sterven, maar dat niet

het gehele nest verzwakt raakt.

Kleinschalig cultuurlandschap

De Kerkuil woont het liefst vlak bij

zijn voedselbron. Of er Kerkuilen in

een gebied voorkomen, hangt enerzijds

af van de aanwezigheid van geschikte

nestplaatsen en anderzijds van het

voorkomen van voldoende muizen.

In moderne ruilverkavelde streken,

waar boerenschuren vervangen zijn

door hermetisch afgesloten bioloodsen,

ontbreekt het vaak aan geschikte nestlokaties.

Modern graslandgebruik met

scheuren van de zode, slepen en regelmatig

doorzaaien is funest voor Veldmuizen,

en dus ook voor Kerkuilen. In

gebieden waar een goede muizenstand

beperkt is tot de ‘natuurvriendelijk

beheerde’ wegbermen, vallen helaas

nogal wat verkeersslachtoffers onder de

uilen.

Het kleinschalige cultuurlandschap met

zijn vele muizenrijke houtwallen, graslandjes

en met boerderijen die nog

voorzien zijn van een oelebred biedt

nog altijd de beste mogelijkheden. Of

Het Drentse Landschap’ wat dat

betreft nog wat te bieden heeft? Gaat u

maar eens kijken op Rheebruggen, in

het Reestdal of bij De Kleibosch.

Uileballen pluizen

Prooidieren worden in hun geheel

doorgeslikt, waarna de onverteerbare

delen, zoals haren en botjes, als braakbal

naar buiten komen. Het uitpluizen

van braakballen levert verrassende

informatie op over de samenstelling

van de muizenbevolking in het jachtgebied

van de uil.

De Kleibosch

Flora en fauna

Reestdal / Rabbinge

Twee schijfdiagrammen met weergave

van braakbalsamenstelling

(muizensoorten) afkomstig uit

verschillende terreinen van HDL

25

Veldmuis

Aardmuis

Bosspitsmuis

Huisspitsmuis

Waterspitsmuis

Dwergspitsmuis

Bosmuis

Huismuis

Dwergmuis


Markegrens

26

Kortweg


Hijkerveld 10

Aan de noordzijde van het

Landgoed Hooghalen in het

Hijkerveld ligt een markante

grafheuvel. Ter hoogte van

deze grafheuvel maakt de oude

markegrens tussen Hooghalen

en Hijken een knik. In vroeger

tijden is deze grafheuvel door

landmeters gebruikt omdat dit

het enige herkenningspunt

vormde in het open kale heidelandschap.

Deze markegrens is

compleet met knikpunt, nog

altijd te herkennen aan de grens

tussen bos en cultuurgrond.

De grafheuvel is in de loop der

jaren behoorlijk ‘geërodeerd’,

waardoor de oppervlakte veel

kleiner is geworden. Nadat in

het verleden de grafheuvel in

twee helften werd aangekocht

kon nu ook de aangrenzende

© Topografische Dienst Emmen

cultuurgrond worden aangekocht.

Deze aankoop

maakt het mogelijk de grafheuvel

te restaureren en het

oorspronkelijke profiel te

herstellen. Het aangrenzende

landbouwbedrijf bleek bereid

voor dit doel een stuk van het

huiskavel aan de Stichting te

verkopen.

Inmiddels wordt deze grafheuvel,

tezamen met tientallen

andere op het Landgoed

Hooghalen, door Landschapsbeheer

Drenthe onder leiding

van de provinciaal archeoloog

opgeknapt. Ze komen er weer

prachtig uit te zien.

Er kon verder 0,57.60 ha heide

worden aangekocht. Dit

lijkt maar een postzegel in

vergelijking met de aankoop

van het Hijkerveld in 1987

toen 586 ha in één keer werd

verworven. Het nu aangekochte

perceel lag als een

enclave binnen het veld.

Dergelijke ‘eilandjes’ kunnen in

het beheer voor grote

problemen zorgen. Ontbrekende

eigendommen maken soms

begrazingsbeheer of aanpassingen

in de waterhuishouding

onmogelijk. Hieruit blijkt het

grote belang van dergelijke

kleine aankopen.

Op 17 oktober vond een

evaluatiebijeenkomst plaats met

de grote groep vrijwilligers die

ook dit jaar de vogelkijkhut

van Diependal naar het publiek

toe begeleidde. Ongeveer 2000

liefhebbers bezochten de kijkhut

dit jaar. Bijna drie keer

zoveel als in 1995. Opnieuw

werden er weer interessante

vogels waargenomen, vooral

ook door mensen uit de vogelwerkgroep

De Koperwiek.

Wessel Spoelder, Dirk Haanstra

en Sipke van der Veen zijn wat

dat betreft waarnemers van

formaat. Roodhalsfuut, Roerdomp,

Zomertaling, Waterral,

Porseleinhoen, Blauwborst en

Paapje waren interessante

broedvogels. Witwangstern,

Grote en Kleine zilverreiger,

Lepelaar, Chileense flamingo,

Visarend, Slechtvalk, Kraanvogel,

Kluut en zelfs de Zeearend

werden als passanten aangetroffen.

Voorwaar een

indrukwekkende lijst. Veel

dank gaat uit naar onze vrijwilligers.

Op 7 juli was de Stichting te

gast bij de VARA en wel bij

het programma Vroege Vogels.

Een paar honderd mensen

bezochten het Hijkerveld,

namen deel aan de excursies en

bezochten de vogelkijkhut. Op

dit moment wordt gezocht naar

nieuwe samenwerking met de

VARA in 1997.


Rheebruggen 25

Voor het eerst sinds lange

tijd werd op Rheebruggen de

roep van een Steenuiltje

gehoord. Mogelijk het begin

van de terugkeer.

De boerderij aan de Dr. Larijweg

124 te Ruinerwold blijkt

scheuren te vertonen. Met

name de laatste 1,5 jaar is het

een probleem geworden en

naar blijkt niet alleen bij deze

boerderij. We ontvingen van

buren een zevental brieven met

dergelijke problemen. De angst

bestaat dat de in de ruilverkaveling

Ruinerwold-Koekange

sterk ten gunste van de landbouw

gewijzigde waterhuishouding

de oorzaak hiervan

is. Door verdere ontwatering

klinken de onderliggende veenlagen

in. Door de complexe

bodemopbouw, met haar vele

overgangen tussen zand en

veen echter niet overal even

sterk. Het gevolg kan zijn dat

de monumentale panden

scheuren. De brieven zijn

doorgestuurd naar de RVK

Ruinerwold-Koekange, het

waterschap Meppelerdiep en de

gemeente Ruinerwold. In een

gesprek met de burgemeester,

waarbij ook de

provinciale Monumentenzorg

aanwezig was, werd de

gemeente gevraagd initiatieven

te ontwikkelen om deze

ontwikkeling te onderzoeken

en zo mogelijk maatregelen te

treffen. Tezamen met de

andere belanghebbenden wordt

op het resultaat gewacht.

Desnoods kunnen we zelf

initiatieven ontwikkelen.



Drouwenerzand 19

Met de aankoop van het

Drouwenerzand in 1974 werd

een aaneengesloten natuurgebied

van 200 hectare

verworven. Aan de rand van

het natuurgebied, op de overgang

naar de cultuurgronden in

het veen, ligt een smalle strook

met zeer veel kleine perceeltjes.

In deze wirwar van eigendommen

kon weer een

perceeltje van 0,24.20 ha bos

aan de legpuzzel worden toegevoegd.

In het verleden zijn hier

heel wat zweetdruppeltjes

gevallen. Onder het stuifzand

van soms enkele meters dik,

bleek nog veen te zitten. Om

hier te kunnen vervenen moest

eerst het stuifzand worden

weggegraven. De metersdiepe

kuilen zijn op een aantal

plekken nog steeds herkenbaar.

Omdat iedereen in die tijd

belang had bij veen, werden de

gronden in kleine perceeltjes

verdeeld. Dit is waarschijnlijk

dan ook de reden waarom deze

versnipperde eigendomssituatie

is ontstaan.

Op 12 oktober werd met de

basisschool De Dobbe uit

Gasselte een zwerfvuilaktie

gehouden. Met veel

enthousiasme werden 25 volle

vuilniszakken afval uit het

natuurgebied verwijderd. Een

prachtig initiatief. Gedurende

het seizoen 1996 werden door

Gijs Leyenaar en Loek Pasman

van het IVN Gieten

18 wandelingen in het

Drouwenerzand georganiseerd,

waaraan door 445 liefhebbers

werd deelgenomen. Overigens

wordt met de verschillende

recreatiebedrijven rond het

Drouwenerzand op een

plezierige manier samengewerkt.


Doldersummerveld 22

Dit voorjaar werden op

21 april door dhr. Prinsen op

het gedeelte Landarbeid twee

Grote trappen waargenomen.

Daarbij vergeleken waren drie

Kraanvogels centraal op het

veld maar relatief gewoon. In

Eén van de opdrachten bij de

kindermiddag tijdens de Week van

het Landschap was het schrijven

van een gedicht.

Bovenstaand gedicht is van Natalie

van de basisschool De Ekkelboom.

Rechts: Tijdens de speurtocht kon

iedereen op deze wijze opdrachten

invullen.

foto: Geert de Vreis

het bos in de omgeving van

Doldersum worden regelmatig

Damherten waargenomen.

Deze schitterende dieren zijn,

na aanvankelijk als te bestrijden

exoten te worden gezien, op de

Rode Lijst terechtgekomen.


Berichten

27

Takkenhoogte 5

Het natuurontwikkelingsproject

stond in het centrum

van de belangstelling gedurende

de ‘Week van het Landschap

in september. Bijzonder was de

kinderdag die ’s woensdags

gehouden werd. Onder de

bezielende leiding van de

Natuur en Milieueducatieconsulent

Geert de Vries,

genoten ca. 250 kinderen van

een uitgezette speurtocht.

Iedereen ontving een diploma

‘speurneus’, waarvan onze

voorzitter Aleid Rensen het

eerste uitreikte. De Stichting

dankt de familie Van Hagen

van wiens gastvrijheid zij een

week lang mocht genieten.

Inmiddels is het natuurontwikkelings

project afgerond

en opgeleverd. Alleen de

indrukwekkende gronddepots

zullen nog enige jaren blijven

alvorens zij afgevoerd zijn. Het

ligt in de bedoeling het gebied

in het voorjaar van 1997

officieel open te stellen. De

eerste interessante vogels

werden al waargenomen, waaronder

een broedgeval

van de Kleine plevier.



28 Berichten

Reestdal 7

In het Reestdal kon ter

hoogte van De Stapel 6,13.10

ha. worden aangekocht; een

karakteristiek stukje Reestdal.

Een steilrand markeert de overgang

tussen laaggelegen veengronden

en de hooggelegen

zandgronden. In dit Reestperceel

groeien Dotterbloemen

en diverse zegge-soorten. De

grondverwerving vordert in het

Reestdal slechts stapje voor

stapje. De gronden liggen dikwijls

vlak bij de boerderijen,

waardoor zij voor de landbouw

van groot belang zijn. Deze

aankoop vormde een enclave

tussen de in de afgelopen jaren

aangekochte percelen. Ter

hoogte van De Stapel wordt nu

ca 1,5 kilometer langs de Reest

door percelen van de Stichting

begrensd.

De brug naar De Havixhorst

buikte door het gewicht van

auto’s zo sterk uit dat het voegwerk

eruit vloog. De brug is

inmiddels prachtig gevoegd door

het voeg- en gevelrestauratiebedrijf

Zantingh te Meppel

waarbij de zeldzame muurvarens

gespaard werden. Verder

zal het wegdek dusdanig versterkt

worden dat de oorzaak

voor het bolstaan van de brugmuren

wordt weggenomen.

De serre bleek de afgelopen

maanden zo snel te verzakken

dat de muren gefixeerd moesten

worden. Restauratie is

inmiddels aan de fa. Poortman

opgedragen.

Archief HDL

Ten aanzien van de voorgenomen

bouw van de

dressuurhal bij De Stapel heeft

de rechter op advies van de

stichting Advisering Bestuursrechtspraak

Het Drentse Landschap

en de Milieufederatie in

het gelijk gesteld. Over een

nieuw ontwerp, ditmaal binnen

het bouwblok wordt momenteel

met de gemeente De Wijk

gesproken. Een minder lelijk

ontwerp en een betere landschappelijke

inpassing kunnen

mogelijk de pijn een beetje

verzachten.


Hollandsche Veld 33

Het project in het kader van

het Overlevingsplan Bos en

Natuur (OBN) is inmiddels

vrijwel uitgevoerd. Met steun

van het Ministerie van

Landbouw, Natuurbeheer en

Visserij is een perceel slechtgroeiende

Fijnspar omgevormd

tot loofbos. Verder heeft de

bosgroep De Holting de

Heidemij/LB+P een onderzoek

laten uitvoeren naar de

mogelijkheden voor verhoging

van de waterstand in het uitgestrekte

bosgebied. Met

betrekkelijk eenvoudige middelen

is waterpeilverhoging van

de wijken goed te realiseren.

In september werd samen met

het IVN een wandeling

georganiseerd die nogal wat

belangstelling trok. Dit oude

bosgebied is een van de minst

bekende bossen in Drenthe.



Hunzedal 10

Voor het natuurontwikkelingsgebied

De

Branden aan de voet van het

Drouwenerzand in het Hunzedal,

wordt door ‘Het Drentse

Landschap’ een actief aankoopbeleid

gevoerd. Veelal is het

niet mogelijk gronden rechtstreeks

aan te kopen maar is het

alleen mogelijk om gronden te

verwerven door middel van

kavelruil. Er wordt in overleg

met alle betrokken partijen

gepoogd grondeigenaren uit te

ruilen naar het naastgelegen

deelgebied Kanaalstreek van de

Herinrichting Gronings-

Drentse Veenkoloniën. Binnen

de Herinrichting kon een

akkerbouwbedrijf van 40 ha.

worden aangekocht. Hierdoor

ontstaan weer nieuwe ruilmogelijkheden.

In één van de

komende nummers van het

kwartaalblad zal aandacht

worden besteed aan alle kavelruilactiviteiten

ten behoeve van

dit natuurontwikkelingsgebied.

In nauwe samenwerking met

de Herinrichtingscommissie

kon met ruimhartige financiële

steun van het Wereld Natuur

Fonds in totaal 47 ha langs de

Hunze ter hoogte van Eexterveen

verworven worden. Het

gebied wordt in een aaneengesloten

blok overgedragen en

draagt de naam De Elzenmaat.

Het op dit moment lopende

onderzoek van de Grontmij

naar de mogelijkheden van

hermeandering, zal ons al snel

een inrichtingsplan opleveren.

De stichting is zeer verheugd

over de samenwerking met de

verschillende deelnemende

foto: Grontmij

partijen. Op 6 december

werden de info-panelen die bij

het project horen door burgemeester

Munniksma van de

gemeente Anloo, plechtig in

gebruik genomen.

In de Zoersche Landen wordt

op dit moment door Oranjewoud

grondwerk verricht om

het gebied te vernatten en voor

te bereiden op de komende

bebossing. Binnenkort zal hier

een ca. 80 groot bos ontstaan.

De Waterleidingmaatschappij

Drenthe (WMD) slaagt er inmiddels

in om aanzienlijke

oppervlakte grond te verwerven,

al meer dan 100 ha. Talloze

voorlichtingsbijeenkomsten

proberen de streek inzicht in de

plannen te verschaffen. De

Stichting is ook met de Waterleidingmaatschappij

Groningen

(WAPROG) in gesprek over

de mogelijkheden voor natuurontwikkelingen

in het Hunzedal.

foto: Johan Vos

Eexterveen


Elper Westerveld 16

Opnieuw kon er met de

aankoop van 0,65 ha een stukje

worden toegevoegd aan de

puzzel van het versnipperde

eigendom in het Elper

Westerveld. Dit stukje werd 15

jaar geleden met kerstboompjes

beplant. Een dissonant in dit

mooie natuurgebied. Door de

aankopen van dit jaar kan de

begrazingseenheid worden uitgebreid.

Daardoor kan dit versnipperde

terreingedeelte met

stukjes heide, bos, wildakkers

en de kerstboomplantage weer

één geheel gaan vormen met

de rest van het terrein.

Met Landschapsbeheer Drenthe

en de WSW werd afgesproken

om deze winter de jeneverbesstruwelen

vrij te stellen.


Berichten

29

Scharreveld 2

Na het weidevogelseizoen

werd gestart met het natuurontwikkelingsproject,

bedoeld

om het Scharreveld en de

Boekweitenplas met elkaar te

verbinden. De fa. Haverkort

heeft reeds een grote oppervlakte

ontdaan van de bouwvoor,

wat aan de grote depots

ook wel te zien is. Nadien

zullen een aantal dichtgeschoven

laagtes weer ontgraven worden.

De hoop bestaat dat het waterschap

Meppelerdiep nu ook

vaart zal zetten in het aanpassen

van de waterhuishouding. In juli

werden er nog zeven Patrijzen

in het veld waargenomen.

Patrijs


Diversen


Drentse boerenerven en

tuinen

Voor liefhebbers van het

Drentse landschap en in het

bijzonder voor bewoners van

boerderijen is onlangs het

standaardwerk ‘Drentse boerenerven

en tuinen’ verschenen. Ons

oud-bestuurs- en erelid, de

landschapsarchitect Harry de

Vroome, belicht op inzichtelijke

wijze de geschiedenis en inrichting

van het Drentse boerenerf.

De aanleg van een nieuw

erftype volgens de streekeigen

tradities krijgt veel aandacht,

evenals de aanplant van

karakteristieke bomen, struiken

en bloemen. In het klassiek

vormgegeven boek met foto’s

van Harry Cock bevindt zich

een zeer uitgebreide sortimentslijst

van streekeigen beplanting,

inclusief de klassieke Drentse

fruitrassen. Een apart hoofdstuk

is gewijd aan het ecologische

aspect van de boerentuin. De

Vroome werd bijgestaan door

een team van deskundigen,

waaronder de tuinspecialist

Heilien Tonckens, de boerenervendeskundige

Greet Bierema,

de pomoloog Jelle de Vries en

de ecoloog Jan van Ginkel.

Het boek is uitgegeven door de

Vereniging Brede Overleggroep

Kleine Dorpen in

Drenthe en de Boerderijen

Stichting Drenthe in samen-

werking met uitgeverij van

Gorcum. De winkelprijs

bedraagt ƒ45,–. Een schitterend

geschenk voor de feestdagen !

• P.R.

Excursies, lezingen, het aanbrengen

en onthullen van

panelen, het handboek dat

inmiddels voor u ligt, allemaal

inspanningen die we ons

getroosten om ons werk onder

de aandacht te brengen. Week

van het Landschap, Vroege

Vogels op 7 juli, de etstoel te

Anloo op 17 augustus. Zomaar

een greep. Deze zaken kunnen

natuurlijk alleen maar tot stand

komen met hulp van onze vrijwilligers.

Om als groep wat

meer met elkaar bekend te

geraken en ook als blijk van

erkenning werd op 28 oktober

een vrijwilligersdag gehouden.

Met z’n vijftigen hebben we

lekker op Kampsheide

gewandeld en wat zaken

bediscussieerd. Het gevoel blijft

over dat we trots mogen zijn

op deze toegewijde groep

vrijwilligers die ons gebaar

zeker op prijs stelden.

• Personeel

Freek Posthumus is op

15 november, na een dienstverband

van 15 jaar, met

vervroegde uittreding gegaan.

Hoewel nog jong en fris van

leden heeft hij voor deze optie

gekozen. Op deze plaats wil de

Stichting Freek danken voor

zijn inzet en zijn bijdrage aan

de sfeer door zijn zachtmoedige

en eerlijke aanwezigheid al die

jaren.


Oude Diep

De talrijke werkgroepen van

het IGOD-project (Integrale

Gebiedsontwikkeling Oude

Diep) beginnen hun produkten

af te leveren. Er is een

NBL-visie Middenveld, een

landbouwvisie, een natuurontwikkelingsplan

voor het

voetgebied van de VAM en

een rapport Stadslandschap

Hoogeveen. De hoeveelheid

papier is indrukwekkend. Op

dit moment vindt de integratie

plaats, tegelijk met het

betrekken van de streek. De

ontwikkelingen zijn op dit

moment dermate complex en

onoverzichtelijk dat er nog

geen peil op het eindresultaat is

te trekken.

De gemeente Hoogeveen heeft

Ecoplan opdracht gegeven om

een inrichtingsplan voor de

zone langs het Oude Diep nabij

de Toldijk te maken. Het plan

ziet er goed uit, alhoewel de

zone te smal is om werkelijk

iets te bereiken. Men krijgt

toch tranen in de ogen wanneer

je ziet hoe daar midden in het

beekdal een industrieterrein

wordt neergesmeten. In plaats

van het aantrekken van hoogwaardige

industrie of het

ontwikkelen van kantorenlokaties,

is Hoogeveen al

tevreden met bulk-industrieën.

Men vraagt zich af wie eigenlijk

controle op zo’n proces

uitoefent. Verder zal er een

probleem ontstaan indien de

gemeente Hoogeveen doorgaat

om langs het Oude Diep een

metersbrede betonbaan aan te

leggen. Men noemt het een

fietspad naar Echten maar het is

in feite een ontsluitingsweg. De

particuliere natuurbescherming

zal zich ertegen verzetten dat

op deze wijze het Oude Diep

definitief in een corset zal

worden gezet.


Verdrogingsbestrijding en

particulier natuurbeheer

De stichting heeft zitting

genomen in een werkgroep

van die naam, in het leven

geroepen door het waterschap

Meppelerdiep. Met alle belanghebbenden

wordt ernaar

gestreefd om de knelpunten te

prioriteren en zo snel mogelijk

via projecten op te lossen. In

het blad “Het Waterschap” van

november, waarschuwt de

redactie ook al voor de

bezuiniging op verwerving door

Ministerie van Landbouw,

Natuurbeheer en Visserij

(LNV). Uitholling van dit

instrument tezamen met de afkalving

van Gebiedsgerichte

Bestrijding Verdroging

(GEBEVE)-fondsen brengt de

uitvoering van projecten al snel

in gevaar. Evenals in het blad

“Landinrichting” verbaast men

zich over de wat onbezonnen en

vooral politiek gemotiveerde

keuze van de minister van LNV

voor particulier natuurbeheer

ten koste van verwerving. De

Stichting vindt het tekenend dat

zowel waterschappers als landinrichters

kritische geluiden

laten horen om deze

ontwikkelingen te nuanceren.

De Unie van Landschappen

heeft samen met Natuurmonumenten

een folder uitgegeven

om de waarheid

omtrent het complexe natuurbeheer

in een brede kring

bekend te maken.


Agenda

Algemeen

do. 26 dec.

10.00 uur.

za. 29 maart 1997

13.00 - 17.00 uur.

za. 19 april

14.00 uur

za. 10 mei

14.00 uur

Schaapskudde Hijkerveld.

De schapen vertrekken met de herder om 9.30 uur

naar de heide en komen om 16.30 uur terug bij de

kooi. De schaapskooi is te bereiken vanaf het dorp

Hijken via de Leemdijk.

Vogelkijkhut Diependal.

Vanaf het weekend 13/14 april tot en met het

weekend van 28/29 sept. is de hut van 08.00 tot

18.00 uur vrij toegankelijk. De hut is te bereiken

via de Zwarte weg, vlakbij de “Speelstad Oranje”.

Kerstwandeling op het Hijkerveld met gidsen van het

IVN.

Startpunt is de schaapskooi, te bereiken vanaf

Hijken via de Leemdijk. Vanaf het dorp is de

route aangegeven met bordjes.

Open dag op de beheersboerderij bij de Wildenberg in

het Reestdal.

Nadere informatie volgt in het volgende kwartaalblad.

Reestdalwandeling onder begeleiding van dhr. A.Dragt.

Vertrekpunt is de parkeerplaats van De Havixhorst,

gelegen aan de Schiphorsterweg (van De Wijk

naar Schiphorst). Speciale aandacht voor de

havesathen De Havixhorst en Dickninge.

De havesathe Dickninge is vooral bekend vanwege

de stinzeflora, met name de Holwortel.

Reestwandeling onder begeleiding van dhr. A.Dragt.

Startpunt is de kerk in Oud-Avereest in Overijssel.

Tijdens deze wandeling zal onder andere aandacht

geschonken worden aan de opbouw van het landschap

in het beekdal. Vanaf de Overijsselse kant

wordt de Reest overgestoken naar de heide en de

bossen van Wildenberg-Rabbinge.

Voor alle activiteiten geldt dat honden niet

mee mogen; ook niet aangelijnd!

Film inmonteren!!!!

31


32

Deze uitgave werd mede mogelijk gemaakt dankzij een financiële bijdrage van:

• Koninklijke BOOM PERS

Meppel (0522) 26 61 11

• Aannemingsbedrijf VEDDER BV

Eext (0592) 26 26 20

Grond-, weg- en waterbouw

• Bouwbedrijf H. POORTMAN

Veeningen (Zuidwolde Dr.) (0528) 39 14 82

Restauratie-nieuwbouw-onderhoud-verbouw

• IWACO B.V.

Groningen (050) 521 42 14

Adviesbureau voor water en milieu

• GRONTMIJ DRENTHE

Assen (0592) 34 29 71

Advies- en ingenieursbureau

• ORANJEWOUD BV - HEERENVEEN

Heerenveen (0513) 63 45 67

Ingenieursbureau

• ABN AMRO BANK N.V.

Assen (0592) 33 33 00

District Drenthe

• NV EDON Groep

Zwolle (038) 455 41 34

Onderneming voor energie, milieu en telecommunicatie

• NAM B.V.

Assen (0592) 36 20 74

Aardoliemaatschappij

• Havesathe ‘DE HAVIXHORST’

De Wijk (0522) 44 14 87

Hotel - Restaurant

• NV Waterleidingmaatschappij ‘DRENTHE’

Assen (0592) 39 55 55

Water, het wonder uit de kraan

• Buro HOLLEMA

Rolde (0592) 24 13 13

Tuin- en landschapsarchitekten BNT

• VAM Wijster

Wijster (0593) 56 39 24

Hergebruik en (eind)verwerking van afvalstoffen

• HOLLAND CASINO Groningen

Groningen (050) 312 34 00

Prominent in uitgaan

• HEIDEMIJ ADVIES BV

Assen (0592) 39 21 11

Advies- en ingenieursbureau (inrichting, infrastructuur,

milieu en ecologie)

• DENGERINK Vleeswaren

Meppel (0522) 25 25 14

Uitsluitend topkwaliteit

• ERICSSON Radio Systems B.V.

Emmen (0591) 63 77 77

Produkten voor mobiele communicatie

• HULZEBOSCH Grondwerken C.V.

Beilen (0593) 52 21 39

Natuurbouw, grond-, straat- en rioleringswerk,

leverantie van zand en grind

• RABOBANK

Groningen (050) 520 89 11

Regio Noord-Nederland

• KADASTER DRENTHE

Assen (0592) 31 10 66

Bevordert de rechtszekerheid bij het maatschappelijk

verkeer in vastgoed

• CHRISTIAAN DEN DEKKER B.V.

Lisse (0252) 41 86 50

De ecologische aanpak in waterbodemsanering

• QUERCUS Boomverzorging en Advisering

Emmen (0591) 51 27 07

Uw bomen, onze zorg

• Veenbedrijf HAVERKORT VROOMSHOOP B.V.

Vroomshoop (0546) 64 38 02

Veenafgraving, verkoop veengrond en tuinaarde

• N.V. Waterleidingmaatschappij

voor de provincie Groningen

Groningen (050) 318 23 11

Wees wijs met water

• DE BOER Winkelbedrijven NV

Hoogeveen (0528) 29 02 90

Supermarkten, drogisterijen en slijterijen

• BÜGEL HAJEMA ADVISEURS

Assen (0592) 31 62 06

Bureau voor ruimtelijke ordening en milieu

More magazines by this user
Similar magazines