De Journalist

webstore.iisg.nl

De Journalist

3de Jaargang Nos. 1 -2

Verschijnt maandelijks

Aug./Sepi. 1948

De Journalist

Redactie: J. J F. v. d. Bergh

Mr. E. hiias - Yge Foppema

ORGAAN VAN DE NEDERLANDSE JOURNALISTENKRING

VERVULDE VERWACHTING

EINDELIJK is het zover, dat de

*-* collectieve arbeidsovereenkomst

op het punt staat ingevoerd te

worden. Weliswaar moet het College

van Rijksbemiddelaars nog zijn

formele goedkeuring aan het contract

hechten, doch het staat na de met

deze instantie gevoerde besprekingen

en na het aanbrengen van de daaruit

voortgevloeide wijzigingen wel vast,

dat deze goedkeuring nu zal worden

verleend. Ik kan mij voorstellen, dat

sommige leden van de N.J.K. en de

K.N.J.K. t.a.v. het collectieve contract"

in een ietwat pessimistische

stemming zijn geraakt. Zouden de

gewekte verwachtingen ooit in vervulling

gaan? De besturen begrijpen

deze gevoelens ten volle, overtuigd

als zij ervan zijn, dat de in de C.A.O.

vervatte arbeidsvoorwaarden het

minimum vormen van wat voor een

redelijke rechtspositie van de journalist

geboden is. Zij zijn dan ook voldoende

diligent geweest, doch zij

hadden het niet in de hand, om

andere instanties de beslissing te

laten nemen, welke in het journalistenkamp

met zoveel ongeduld werd

verbeid. Wat de wederpartij, de

Vereniging „De Nederlandse Dagbladpers

1945" aangaat, hebben wij

ons mogen verheugen in de vlotte

aanneming van het contract in zijn

eerste lezing door de Algemene Vergadering;

de daarbij in overweging

gegeven wijzigingen konden zonder

veel bezwaar door onze instanties

worden aanvaard. Even vóór de

finijsh dreigde onze partner echter te

Struikelen. Verzet uit de Algemene

Vergadering, die eind Juli de door

het College van Rijksbemiddelaars

gevorderde wijzigingen had te aanvaarden,

tegen de — in eerste instantie

aangenomen — opzet van de

voorlopige pensioenregeling, had oorzaak

kunnen worden, dat de zaak op

de lange baan zou zijn geschoven tot

heropening der onderhandelingen,

ware het niet, dat het gezonde inzicht

van enkele leden van de N.D.P.

tenslotte de overhand wist te krijgen.

Wij verheugen ons hierover. De

eerste onderhandelingen met de delegaties

van de N.D.P. waren immers

in een geest van goede verstandhouding

en wederzijds begrip gevoerd;

aan beide zijden was de wil

aanwezig om met een voor alle partijen

aanvaardbaar resultaat van dp.

conferentietafel op te staan. De

hierboven reeds gereleveerde vlotte

behandeling door de Algemene

Vergadering van de N.D.P., welke

vooral aan de doortastende leiding

van de voorzitter, de heer Van der

Klieft, was te danken, hield de

belofte van een spoedige toepassing

in. De vertraging echter, welke

— buiten schuld van de betrokken

partijen — uit de inschakeling van

het College van Rijksbemiddelaars

moest voortvloeien, maakte verscheidene

onzer leden, niet ten onrechte

wat ongeduldig, zo niet mismoedig.

Indien, bij deze stand van zaken, onze

wederpartij, de N.D.P., thans een

definitieve beslissing had willen

uitstellen, zou aan de reeds gelegde

vertrouwensbasis op ernstige wijze

afbreuk zijn gedaan. Dit argument

was het vooral — als ik goed ben

ingelicht —, dat in de N.D.P.-vergadering

de balans naar de goede kant

heeft laten doorslaan. En ik meen

geen geheim te verklappen, indien ik

mededeel, dat het de voorzitter van

de N.D.P.-delegatie, de heer R. Peereboom,

is geweest, die dit argument

met. de meeste kracht heeft onderstreept

om zijn collega's van het

heilloze van hernieuwd uitstel te

overtuigen. Wij begrijpen enerzijds,

dat sommige dagbladdirecteuren juist

de pensioenbepalingen, wegens hun

vermeende verre .strekking, in het

bijzonder onder de loupa wensten te

nemen. Anderzijds moest in aanmerking

worden genomen, dat de Ln de

voorliggende C.A.O. te dezen aanzien

opgenomen artikelen slechts van

provisorische betekenis waren en dat

op de inhoud van de definitieve

pensioenovereenkomst niet werd

vooruitgelopen, zodat, indien er al

enig bezwaar tegerr een thans overeengekomen

onderdeel mocht worden

gevoeld, de aanvaarding daarvan

geen onherstelbare toestand in het

leven zou roepen. Zoals gezegd, het

gezonde inzicht heeft het bij de

N.D.P. gewonnen en aan een goedkeuring

door Rijksbemiddelaars behoeft

thans niets meer in de weg te

staan. Ik waag mij intussen ïiiet aan

het noemen van een datum, waarop

de toepassing van de C.A.O. een feit

zal zijn; reed,s eerder is aan bepaalde

verwachtingen de bodem ingeslagen.

De leden kunnen er echter van overtuigd

zijn, dat de besturen in verder

onnodig uitstel niet zullen bewilligen.

E EN van de bezwaren, welke van

de zijde van Rijksbemiddelaars

waren te verwachten, was het ontbreken

van een z.g. maximum-bepaling

t.a.v. de salarissen. De in de

C.A.O. opgenomen schaal behelst

immers minimu m—salarissen,

waarboven de ondernemingen mogen

uitgaan. In verband met de algemene

loonstop en met de dienovereenkomstig

in andere collectieve contracten

opgenomen maximum-begrenzing

van de daarin geregelde

bezoldigingen meenden Rijksbemiddelaars

hun eis tot opneming van zulk

een maximum-lbepailing to onzls

C.A.O. niet te mogen laten vallen.

Hoezeer zowel van de zijde der

journalisten als van die der directeuren

tegenover de vertegenwoordiger

van het College, prof. Levenbach,

ook werd betoogd, dat in de journalistiek

de beloning van bepaalde

kwaliteitsfuncties niet van een

„plafond" mag worden voorzien —

zulks teneinde* te voorkomen, dat de

journalistiek zich de besten ziet ontgaan

—, het College bleef eisen, dat

enigerlei begrenzing van de salarissen

moest worden bepaald. Het

toonde echter begrip voor ons argument

dat een bepaald maximum voor

elke journalist tot ernstige moeilijkheden;

in de personeelsbezetting van

sommige dagbladen aanleiding zou

geven; vandaar de concessie, dat het

totaal van de door een onderneming

uitgekeerde salarissen —

waarbij dat van de hoofdredacteur

volgens het College buiten beschouwing

zou moeten blijven — niet meer

dan 1101% van de som volgens de

normen der C.A.O. mag overschrijden.


Hierbij hebben de partijen zich moeten

neerleggen.

Een ander bezwaar lag in de voorlopige

inhouding van maximaal

8 pet als reserve voor toekomistige,

nader overeen te komen, pensioenverplichtingen.

Het B.W. verzet er

Zich n.1. tegen, dat zulke inhoudingen

geschieden, indien de desbetreffende

pensioenregeling van overheidswege

niet is goedgekeurd. Nadat hiervoor '

in overleg met het College een aanvaardbare

oplossing was gezocht,

brachten de hierboven reeds gereleveerde

bezwaren van de Algemene

Vergadering nog weer enkele wijzigingen

mede, welke aan de beginselen

van de aan de leden bekende

bepalingen niet te zeer afbreuk

hebben gedaan.

Evenmin konden Rijksbemiddelaars

zich verenigen met de uitgebreide

bevoegdheden van de Raad van Uit-

- voering, hoewel de .C.A.O. voor de

typografie deze vorm van uitvoering

sinds jaren kent en de meeste leden

van onze wederpartij, de N.D.P., met

deze uitgebreide bevoegdheden reeds

ervaring hebben. De beperkingen,

welke het College te dezen aanzien

noodzakelijk oordeelde, hebben echter

de grondslag van 's Raads bevoegdheden

in stand gehouden. En zo

mogen wij verwachten, dat de beslissingen

van de paritair samen te

stellen Raad van Uitvoering een

even grote betekenis zullen krijgen

als die van de Centrale Commissie

voor de typografie. En naar ik hoop,

ook een even groot gezag zullen

genieten. .

•TELEURSTELLEND was de onver-

* zettelijke houding van Rijksbemiddelaars

t.a.v. het* verplichte

lidmaatschap, dat in onze C.A.O. was

opgenomen. Ook hier kon een beroep

op de door het College goedgekeurde

C.A.O. voor de typografie niet baten;

het wenste eerst af te wachten, wat

de Stichting van de Arbeid op dit

stuk zou adviseren, alvorens voor

nieuwe contracten een verplicht

lidmaatschap te accepteren. Ons

argument, dat de bewuste bepaling

niet strekte tot versterking der

journalistenorganisaties, doch in de

allereerste plaats ten doel had alle

dagbladjournalisten langs deze weg

automatisch te brengen onder de

nu ingestelde verenigingstuchtrechtspraak,

kon ten deze geen doorslag

geven. Wij betreuren dit, omdat een

althans alle dagbladjournalisten omvattende

tuchtrechtspraak zulk een

sprekend blijk geweest zou zijn van

de vaste wil om de persvrijheid in

gelouterde vorm te handhaven.

Intussen, de onthouding van goedkeuring

aan het verplichte lidmaatschap

heeft) ook belangrijke materiële

gevolgen en wel voor de dagbladjournalisten,

die hun plicht tegenover

de organisatie (nog) niet verstaan.

De wet op de C.A.O. houdt n.1. wel de

bepaling in, dat de werkgever verplicht

is de overeengekomen arbeidsvoorwaarden

ook voor niet-georganiseerde

journalisten toe te passen,

doch deze kunnen daaraan individueel

geen enkel recht tegenover hun

2

GEBOORTE VAN HET SPLINTERNIEUWS

N de dagen, waarin wij water en

S bloed transpireerden, bij het uitkoken

van een berg nieuws tot een

extract, dat het halve velletje papier

—• ons dagelijks rantsoen in het

eerste halfjaar na de bevrijding —

zou vullen, in die dagen, waarin de

lawine der ingezonden stukken heviger

was dan ooit tevoren, in die

dagen is de rubriek Kort Nieuws geboren.

Een geboorte, die verademing

bracht.

Nu was de vergaarbak van nieuws

in alle variaties, gereed. Nu kon in

enkele woorden gezegd worden, wat

anders in grote zinnen den volke bekend

zou worden gemaakt. De rubriek

floreerde. Redacteuren binnenen

buitenland wierpen zich er op als

bokken op de haverkist. Geen blad

bezat niet zijn Snippernieuws, zijn

Koirt-af, zijn In Weinig Woorden of

zijn Van de Hak op de Tak. Complete

'binnenlandse en buitenlandse

overzichten werden gecomprimeerd

in Kort Nieuws, financiële (en zelfs

een enkele parlementaire) redacteu-

' ren vatten, hetgeen zij te zeggen

hadden, in telegramstijl samen.

Het had er alle schijn van dat deze

jonge loot aan de journalistieke stam

roemloos sterven zou, zodra de papiersituatie

het levenslicht zou bieden

aan een „veelheid" van normale berichten.

Edoch, het viel anders uit.

Toen inderdaad iets meer papier beschikbaar

kwam, bleven de rubrieken,

aanvankelijk voor samenvatting

van veel nieuws in weinig woorden

bedoeld, bestaan. Hun karakter echter

wijzigde zich, of werd gewijzigd.

Langs wegen van geleidelijkheid en

wellicht zonder opzet groeide de rubriek

tot het vrolijke oog van de

krant, zoals een hoofdredacteur onlangs

't driepootje in zijn eigen blad

betitelde. De rubriek, laten we haar

„Splinternieuws"' noemen, verheugde

zich in de aanvang reeds in een grote

belangstelling van de zijde der lezers.

Men stelde het lezen van veel

nieuws in luttele zinnen op prijs en

gaf daarvan vaak ondubbelzinnig

blijk, daarmee de correspondentie

werkgever ontlenen. Indien deze

andere, minder gunstige arbeidsvoorwaarden

op de niet-georganiseerden

willen toepassen, zijn deze arbeidsovereenkomsten

niet nietig. Alleen de

journalistenorganisaties hebben een

actie tot handhaving van de bewuste

arbeidsovereenkomsten. .

De besturen van de journalistenorganisaties

hebben echter

besloten vooralsnog zulk een actie

niet in te stellen; de niet-georganiseerde

journalisten worden dus

aan hun eigen, weinig benjjdenswaardig

lot overgelaten.

Tenzij zij alsnog besluiten, zich

als lid aan te melden en mede de

lasten, welke de belangrijke taken

der organisatie meebrengen, te dragen.

Doen zij dit niet, dan zijn zjj ook

van de redactie (toch al zo ontstellend,

omvangrijk in die dagen) aanzienlijk

vergrotend. Deze interesse

van de lezers echter zal er zeker toe

hebben bijgedragen, dat de hoofdredacteuren

ongaarne hun Splinterternieuws

zouden hebben zien verdwijnen.

Ongemerkt sloop in de voor die

tijd uitsluitend met binnenlandse berichten

gevulde rubriek, het berichtje

met een buitenlands kleurtje binnen

(en omgekeerd, hoewel dit zeldzaam

voorkwam) en toen het hek eenmaal

van de dam was, was het karakter

van het Splinternieuws vrijwel ineens

een gans ander geworden als wat in

opzet bedoeld werd. Humor en curiosa,

namen steeds meer de overhand

en de eigenlijke nieuwsgeving kwam

hoe langer hoe meer op de achtergrond.

Als vuilnisbak — men vergeve

mij het woord —• behield de rubriek

echter haar betekenis. Veel

niet actuele berichten, die om een

of andere reden tóch — zij het in

luttele woorden — mee moesten, vonden

hun plaats in het Splinternieuws,

dat er in aantrekkelijkheid aan won.

De rubriek veroverde zich in haar

vernieuwde vorm een even grote en

misschien nog grotere plaats in de

welwillende aandacht van de lezers,

die vaak op begrijpende, soms op

volkomen onbegrijpende wijze reageerden.

Naast de dagelijkse portie,

die de glimlachende philosoof van elk

blad, het lezerscorps presenteert,

(men mist Grimbeert de ^ Das nog

immer in De Maasbode!) werd de

rubriek Splinternieuws een onderdeel

van het journalistieke werk, dat zich

een vaste plaats op de pagina en in

het dagelijks werk veroverde.

De rubriek nestelde zich muurvast

in de krant en zal daaruit, zo wij het

goed zien, niet spoedig verdreven

worden. Want als het waar is, dat

de Nederlandse krant, te weinig aan

humor biedt, dan maakt de rubriek

Splinternieuws, zoals zij door meerdere

collega's verzorgd wordt, daarop

in ieder geval een gunstige uitzondering.

HENRI KERKHOFFS.

verstoken van 't beroep op de Raad

van Uitvoering, indien enig geschil

over de arbeidsovereenkomst ontstaat.

En dit betekent, dat zij van de

deskundige rechtspraak van eigen

vakgenoten blijven verstoken.

Allemaal redenen voor degenen, die

nog afzijdig bleven staan, zich ten

spoedigste aan te melden. En evenzeer

voor de leden om collega's, die

nog geen lid zijn, tot aanmelding op

te wekken. Waarbij onze leden de

anderen er op kunnen wijzen, dat hun

vertegenwoordiging in het overleg

binnen de onderneming (door

middel van de redactiecommissies) al

evenzeer op losse schroeven staat.

Ik verwacht, dat degenen, die nog

geen lid zijn, over hun bezwaren

zullen heenstappen en dat de laatste

vrijbuiters zich zullen aanmelden.

ROOY.


Nederlandse Journa

O

P uitnodiging van de regering dei-

Hongaarse Republiek hebben zes

Nederlandse journalisten van. 1 tot

12 Juni een bezoek gebracht aan het

land der Magyaren. Sinds 1933 was

er geen delegatie van de Nederlandse

pers meer in Boedapest ontvangen.

Evenals destijds had zich ook nu de

in Nederland gevestigde Hongaarse

journalist Pal Balazs bij de groep

gevoegd, die niet alleen gaarne deze

gelegenheid aangreep om zichzelf opnieuw

te oriënteren in zijn vaderland,

waar sedert het einde van de oorlog

zoveel veranderd is, maar die ook

voor zijn Nederlandse collega's als

vriend, leidsman en af en toe als tolk

grote efl belangrijke diensten heeft

verricht, waarvoor hem hier openlijk

dank wordt gebracht.

De delegatie werd ontvangen door

de heer Ivan Boldizsar, gewezen

journalist, thans staatssecretaris van

Buitenlandse Zaken en hoofd van de

Inlichtingendienst voor de Buitenlandse

Pers. Natuurlijk was er, gelijk

te doen gebruikelijk, een programma

voor ons uitgestippeld, maar toen wij

de wens te kennen gaven daarin

enige veranderingen aan te brengen,

bleek daartegen geen enkel bezwaar

te bestaan. Men had overigens van

te voren reeds rekening gehouden

met de ook in Nederland bestaande

goede gewoonte alle dingen van twee

kanten te bekijken. Zo hadden wij,

om een enkel voorbeeld te noemen,

niet alleen met de heer Gyula Ortutay,

minister van Onderwijs en Eredienst,

een gesprek over de thans zo

actuele kerk- en schoolstrijd, maar

ookj met kardinaal Joszef Mindszenty,

de grootste tegenstander van de

regering op dit gebied. Ook dit laatste

gesprek was door de dienst van

de heer Boldizsar georganiseerd;

geen zijner vertegenwoordigers was

er bij aanwezig, zodat er volkomen

vrij-uit van gedachten gewisseld kon

worden.

Telkens weer deden wij de ervaring

op, dat men niets trachtte te verbergen;

geen enkele gevraagde inlichting

werd ons' onthouden en nergens

werd ons belemmerd zelf zonder

geleide op onderzoek uit te gaan.

Sommigen onzer hebben van die vrijheid

in ruime mate gebruik gemaakt

om de officiële voorstelling van

zaken te toetsen aan de practijk.

Een onzer, die kort tevoren een reis

door Polen had gemaakt, had daar

een geheel andere ervaring opgedaan.

En toen wij op onze terugreis

een halve dag te Praag overbleven,

bleek, dat de Tsjechen in veel grotere

mate bevreesd zijn hun persoonlijke

mening te kennen te geven dan

de Hongaren dat tegenover ons hadden

gedaan.

Het is te Boedapest en ook in het

land voor privé-personen bepaaldelijk

niet verboden er een andere mening

op na te houden dan de officiële; in

isten te Boedapest

veel mindere mate geldt dat echter

voor de binnenlandse pers, hoewel

van een algehele gelijkschakeling

niet, althans nog niet, gesproken kan

worden. De grote groep der kleinhandelaren

en kleinindustriëlen heeft

haar eigen dagblad, „Vilag", dat

onder leiding staat van redacteuren

van het vroegere liberale avondblad

„Az Est"; het publiceert meermalen

gematigd-critische artikelen over

regeringsmaatregelen. Een katholiek

dagblad is er echter niet.

Van Westerse cultuur is Boedapest

niet afkerig. Amerikaanse, Engelse

en Franse bladen en tijdschriften zijn

er openlijk te koop aan de kiosken.

Tijdens ons bezoek hield Kingsley

Martin, hoofdredacteur van het

weekblad „New Statesman and

Nation" er op uitnodiging van een

semi-officiële instelling een rede over

de Engelse buitenlandse politiek, die

door honderden parlementsleden,

journalisten en zakenlieden werd

aangehoord. Louis Piérard, voorzitter

van de Belgische Pen-club, hield er

een lezing over leven en werken van

Vincent van Gogh, die in deze stad,

waar meer dan duizend schilders

wonen, sterk de aandacht trok. Tijdens

een bezoek aan de radiostudio's

trof ik er een Brits componist (zijn

naam is mij ontschoten), die eigen

werken voor koor en orkest dirigeerde.

Ikzelf heb er een lezing gehouden

over Nederland voor de Hongaarse

Journalistenkring; de tekst

was niet tevoren gecensureerd.

Er bleek in vele kringen menig

misverstand te bestaan over de toestanden

in de „onder de dictatuur

van Marshall" staande landen van

West-Europa. Aan de andere kant is

ons wel gebleken, dat wij in Nederland

geen juiste voorstelling hebben

van de gang van zaken in Hongarije

en al heel gauw geneigd zijn alle

landen achter „het IJzeren Gordijn"

over één kam , te scheren, hetgeen

niet juist is.

GERHARD WERKMAN

ENERGIEK

REDACTEUR-VERSLAGGEVER,,

32 j., gen., m. 12 j. erv. op alle

gebieden beh. sport en muziek,

momenteel werkz. bij gr. landel.

dagblad (kopblad) in het centrum

des lands, zag zich gaarne geplaatst

op red. van prov. of stedelijk

dagblad c.q. combinatie

van prov. dagbladen voor het verzorgen

van grote reportages, leiding

nieuwsdienst o.i.d. Bekend

met opmaak. Ev. uitzending naar

Indonesië of West-Indië geen bezwaar.

Brieven onder Nr. 36/48

van „De Journalist".

:

Bioscoopbond tast vrijheid

van critiek aan

Alle Amsterdamse dagbladen hebben

5 Augustus geweigerd, de gebruikelijke

Donderdagse bioscoopadvertentie

te plaatsen. De directies

der zeven Amsterdamse kranten hebben

dit besluit genomen als protest

tegen een advies van de afd. Amsterdam

van de Nederlandse' Bioscoopbond

om voorlopig niet in „de

Volkskrant" te adverteren. Zij zien

dit advies als „een poging, om de

vrijheid van critiek aan te tasten"

(Het Parool) en menen, dat er „een

aantasting in ligt van de persvrijheid"

(Algemeen Handelsblad).

Het bestuur der afd. Amsterdam

van de Ned. Bioscoopbond had namelijk

haar leden 'n circulaire toegezonden,

ondertekend door de secretaris

de heer Dubbeldeman, waarin het

zegt van oordeel te zijn, dat het nut

van een filmrecensie daarin is gelegen,

dat het publiek een juiste voorlichting

krijgt. „Deze kan zowel

goed- als afkeurend zijn, maar vermeden

dient te worden, dat de

woordkeus en de toon van de recensie

er op gericht zijn, om de film

bespottelijk te maken en de lachlust

van de lezers op te wekken en dat

hierdoor het doel van de recensie niet

wordt bereikt en het bedrijf ook

schaadt. Dit is, naar de mening van

het bestuur, de laatste tijd herhaaldelijk

voorgekomen in de filmcritiek

van „De Volkskrant". Het bestuur

heeft daarom besloten, dringend te

adviseren het adverteren in „De

Volkskrant" voorlopig achterwege te

laten."

Nadat als gevolg hiervan de wekelijkse

bioscoop-advertentie aan

De Volkskrant" was onthouden,

hebben de directies van alle Amsterdamse

dagbladen unaniem besloten,

deze advertenties eveneens niet op te

nemen,

Een juiste daad, gelukkig gesteld

in volkomen eensgezindheid.

Krantenbezorger

langs de bedden

In menig Nederlands hotel vindt

de logeergast 's morgens het ochtendblad

bij zijn ontbijtbordje. Dat is

een attentie van de hotelier aan zijn

gasten, ongeveer zoals de attentie in

sommige Londense hotels, waar de

kellner 's morgens een doosje sigaretten

aanbiedt: 20 for you en 4 for

your friend. Degenen, die deze

maand de Rolduc'se Sociale Week

bezochten, ondergingen een dagbladservice,

zoals die in ons land tot dusverre

ongekend was: de Volkskrant

werd op bed bezorgd, bij wijze van

huis-aan-huis verspreiding! Helemaal

tegen de Duitse igrens aan; en het

was pas zeven uur in de vroege

ochtend, na een korte nacht!

3


„Waarom de Pers in Holland zo machtig is"

Onder dit opschrift publiceerde het Italiaanse blad II Popoio van 12 Juni

19Ji8 een brief uit Rotterdam van zijn correspondent Riccardo Forte. Hoewel

bij enkele van gijn uitspraken wel een vraagteken zou kunnen worden gezet,

leek het ons belangwekkend eens te laten zien hoe een buitenlander over ons

en ons werk oordeelt. Wij laten hieronder de hoofdzaken uit het artikel van

onze Italiaanse collega volgen.

ALS het in Itaüë zo was als in

*» Nederland (dat is nu wel heel

gemakkelijk gezegd, maar laat ieder

zeggen wat hij wil), zou de Corriere

della Sera met een oplage van anderhalf

millioen exemplaren uitkomen,

en in Rome, Milaan, Napels en op Sicilië

zouden bloeiende katholieke en

liberale bladen bestaan, die ieder dagelijks

van vier- tot achthonderdduizend

kopers zouden vinden. Als liet

in Italië zo was als in Holland, zouden

de journalisten meer achting genieten

en zekerder van hun bestaan

kunnen zijn, omdat het publiek geregeld

kranten zou kopen en de

uitgevers meer achting zouden hebben

voor de man met de vulpen, die

zijn nachten doorwaakt om de krant

verkoopbaar te maken.

Verbaast u, gij uitgevers, directeuren

en lezers: in Nederland —• een

land dat nog voor meer dan de helft

protestant is — heeft een uitgesproken

katholiek blad als de Volkskrant

173.000 abonné's, A. w. z. 173.000

vaste lezers, waarop men het gehele

jaar kan rekenen! Bedenk daarbij

dat het Hollandse afzetgebied wordt

betwist door niet minder dan 127

dagbladen.

Aangezien Nederland nauwelijks

9% millioen inwoners heeft, waarvan

minder dan de helft katholiek zijn,

kan men zich gemakkelijk voorstellen

hoe welvarend de pers in Italië

zou zijn, als de Italianen eens niet zo

veel zouden lezen als de Hollanders,

en als ze zich eens even eerlijk tegenover

hun krant zouden gedragen.

Ik zeg eerlijk. Want het is soms niet

een kwestie van waardering en eerlijkheid

tegenover een krant, die men

elke morgen bij zijn ontbijt vindt

klaarliggen — een krant die de

vrucht is van de stille en soms pijnlijke

offers van honderden mensen,

die bij nacht en ontij klaar staan —

dat men die krant geregeld betaalt,

en niet het exemplaar van zijn buurman

meeleest — want dat getuigt van

gebrek aan begrip en solidariteit.

Als dus het publiek in Italië zich net

zo gedroeg als de Nederlandse lezers,

zouden wij hier in Italië algemeen

oriënterende, liberale, socialistische

en katholieke bladen hebben,

die ieder een oplage van een millioen

of meer exemplaren zouden hebben'.

Het succes van de verkoop

De organisatie van de Nederlandse

pers is ongetwijfeld beter dan die

van de onze, maar ik weet niet of

de Hollandse pers ook zo goed

zou zijn en ook zoveel succes zou

oogsten met haar verkoop, als ze te

kampen had met lezers, die zo onberekenbaar

en zo weerspannig zijn

wat betreft het nemen van een abonnement,

als de Italianen. Maar bij

4

ons worden de kranten, die reeds

weinig steun krijgen van hun halfonverschillige

lezers, die voor een

deel in de journalist nog de leegloper

en dagdief anno 1910 zien, bovendien

in hun* ontwikkeling geremd

doordat de opvattingen van de uitgevers

star-onvruchtbaar beperkt

blijven tot de commerciële kant van

de journalistieke zaak, zodat dit een

slechte zaak is geworden — bij gebrek

aan verbeelding en door de

hardnekkige weigering om de journalistieke

problemen nu ook eens van

de journalistieke kant te bekijken.

Laat ons nu zien hoe het in Holland

gebeurt.

Het eerste en belangrijkste verschil

—• ik herhaal het —: andere

mensen, andere mentaliteit. Zo trouw

zijn deze lezers aan hun met zorgvuldigheid

en na rijp beraad uitverkoren

dagblad, dat ze slechts dan

losse nummers kopen, als het eén

andere krant betreft dan de hunne.

De verkoop van losse nummers in de

kiosken is uiterst beperkt; alleen op

de drukke punten van de grote steden

en op de stations worden ze gekocht.

De eigenlijke lezerskring bestaat

uit abonné's, die 95 %! of, zoals

in het geval van de Volkskrant,

97 % — van de oplage absorberen.

Ook hierom is de organisatie anders

dan bij ons. Aan het hoofd van

de onderneming staat de directeur,

wiens naam in de kop van de krant

vermeld staat, en die de teugels geheel

en al in handen heeft. Hij is de

eigenlijke fabrikant van het journalistieke

product. Door deze functie

wordt .de Hollandse directeur een

soort adjministratieur en uijtgever.

Maar denk niet dat deze directeuradministrateur-uitgever

een zakenman

is die zich met redactiewerk

bemoeit, of een journalist die zich op

commercieel terrein waagt. Het dualisme,

waardoor de Italiaanse pers

gekenmerkt wordt, bestaat in Holland

niet: de directeur-administrateur-uitgever

is een man die zowel

een politieke overtuiging heeft als

een grote ervaring in het scheppen

en besturen van een dagbladonderneming;

een man die behalve zijn zakelijke

inzichten ook geestelijke

waarden erkent en handhaaft, zodat

hij zijn oppermachtige functie niet

alleen uitoefent op deskundige wijze,

maar daarbij tevens binnen de politieke

én zedelijke grenzen blijft die

hij zelf heeft uitgestippeld.

De organisatie

Naast de directeur-uitgever staat

de figuur van de hoofdredacteur, een

zuiver journalistieke-functionaris, die

belast is met de technische leiding

van de krant. De directeur eerbiedigt

de technische leiding van de hoofd-

Meer papier

Er bestaat veel kans, dat'

de papiertoewijzing aan de

dagbladen met ingang van

1 October enigszins wordt

verhoogd. Dit betekent, dat

de landelijke dagbladen vier

pagina's en de niet-landelijke

dagbladen twee pagina's

per week meer zouden

mogen geven.

redacteur in zodanige mate, dat het

in dertig jaar tijds in Holland maar

één keer is voorgekomen dat een redacteur

op last van een directeur

werd ontslagen — en in dat geval

ging het om een zo beruchte, ontaarde

persoonlijkheid, dat zijn aanblijven

niet toelaatbaar kon worden

geacht.

Op technisch gebied wordt de

hoofdredacteur geheel vrijgelaten.

Ook is hij de man die in laatste instantie

beslist over elke bevordering

en over elk ontslag. De verhouding

tussen redactie en directie is er trouwens

een van nauwe samenwerking,

gebaseerd op de erkenning van bebepaalde

beginselen, die ook door de

administratieve leiding met heilig

vuur worden verdedigd. Zelf heb ik

beleefd, dat de administratieve leiding

er bij de redactie — tegen haar

eigen financiële belang — met klem

op aandrong, een advertentie te weigeren,

die volgens deze laatste instantie

wel, maar volgens de overtuiging

van de directie-administratie

niet toelaatbaar was. Dit zijn de dingen,

waarin de Hollandse pers waarlijk

groot is. Hierom is het, dat het

publiek zulk een achting koestert

voor zijn 'eigen krant, en het uit deze

gevoelens in een ongeëvenaarde

trouw. Men zou het — terecht —• als

een unfairheid beschouwen als men

zich anders gedroeg.

REDACTEUR . . .

Soms is er niets meer dat het hart

nog raakt

als heel de wereld en haar barre

pijnen

in vet, romein, cursief tussen de

koperlijnen

der dagelijkse krant ligt opgemaakt.

De telex heeft zijn meters nieuws

ontrold:

de politiek, de beurs, de ongelukken,

van een vertwijfeld mensdom alle

dwaze nukken,

het is nu al tot staal en lood gestold!

Straks als de pers haar wentelingen

staakt

sta ik weer klaar kolommen druks

te lozen.

Met schaar én lijm stel ik de

diagnose:

soms is er.niets meer, dat het hart

nog raakt

OOR DENEER


DE TUCHTRAAD GEÏNSTALLEERD

RIJDAGMIDDAG 23 Juli heeft

V plaats gehad de installatie 'van

de Raad van Tucht, ingesteld door

de Federatie van Nederlandse Journalisten.

Deze installatie-plechtigheid werd

bijgewoond door de vertegenwoordiger

van de minister van Onderwijs,

Kunsten en Wetenschappen, Mr H.

J. Schölvinck en de "vertegenwoordiger

van de minister van Justitie, Mr

B. H. Kazemier, die met de leden en

plaatsvervangende leden van de Raad

van Tucht en enkele andere gasten,

onder wie Prof. Dr K. Baschwitz,

buitengewoon hoogleraar aan de

Gem. Universiteit van Amsterdam en

Mr W. G. J. Veenhoven en Mr C. A.

Steketee van het Secretariaat der

Vereniging, de „Ned. Dagbladpers

1945", de heren W. H. van Baarle en

Mr N. Drost, resp. voorzitter en secretaris

van de Ned. Org. van Tijdschriftuitgevers

en bestuursleden der

Federatie van Ned. Journalisten waren

samengekomen in de vergaderzaal

van het gebouw van ,,De Arbeiderspers"

aan het Hekel veld te Amsterdam.

Rede Mr. Kooy

De voorzitter der Federatie van

Ned. Journalisten, Mr M. Rooy heette

in zijn openingswoord de aanwezigen

hartelijk welkom, waarbij hij zich

speciaal richtte tot de vertegenwoordigers

van de minister van Onderwijs,

Kunsten en Wetenschappen en

van diens collega van Justitie en tot

de andere gasten, waarbij hij hun

aanwezigheid zag als een blijk van

door de Federatie zeer gewaardeerde

belangstelling voor de installatie van

deze Raad van Tucht. Voorts richtte

Mr Rooy woorden van dank tot de

leden en plaatsvervangende leden van

de Raad, voor hun bereidverklaring

deel uit te maken van dit college,

welks instelling door N.J.K. en K.N.

J.K. hij ziet als een prijzenswaardig

bewijs van de wens van het journalistiek

organisatiewezen om naar buiten

toe hun belangen als 'n eenheid

te behartigen.

Reeds voor de oorlog — aldus Mr

Rooy — zijn pogingen gewaagd om

tot de instelling van zulk een tuchtcollege

te komen. Doch tot meer dan

een embryonaal begin heeft dit niet

geleid. Bij de tijdens de bezettingsjaren

gevoerde besprekingen inzake de

reconstructie der journalisten-organisatie

(s) na de Bevrijding is ook van

meet-af aan de instelling van zulk

een tuchtcollege gedacht. En in zijn

openingsrede in de vergadering, waar

de wederoprichting van de Ned.

Journalisten Kring haar beslag kreeg,

heeft spr. drie punten genoemd, welke

de nieuwe organisatie zo spoedig

mogelijk moest trachten te verwezenlijken,

nl.: 1. Verzekering der sociale

positie van de Ned. journalisten.

2. Instelling van een tuchtcollege

en 3. Het in het leven roepen van

een journalistieke opleiding. Het sub

1 genoemde zal binnenkort door de

afsluiting der Collectieve Arbeidsovereenkomst

verwezenlijkt worden.

Wat het sub 3 genoemde betreft,

heeft de K.N.J.K. reeds een belangrijk

resultaat bereikt, terwijl ook bij

de N.J.K. plannen in voorbereiding

zijn. En het sub 2 genoemde wordt

thans door de installatie van deze

Raad van Tucht verwezenlijkt.

De instelling van dit college —• aldus

vervolgde Mr Rooy — bewijst,

dat de Nederlandse journalisten hun

positie in het maatschappelijk leven

zien als een dienende functie. Reeds

in de Statuten der beide organisaties,

welke deze Raad van Tucht hebben

ingesteld, is voor de leden als norm

gesteld, dat zij zich hebben te onthouden

van elke handeling, welke de

waardigheid van de journalistenstand

zou kunnen schaden.

De Raad van Tucht zal in zijn

praktijk rechtsvindend kunnen optreden

en uit de door dit college te vormen

jurisprudentie zal zich op den

duur een aantal regelen voor een

erecode der journalisten kristalliseren.

Bovendien zal het bestaan van zulk

een Raad op zichzelf reeds een preventieve

werking hebben. De samenstelling

van de Raad waarborgt een

juiste vervulling van zijn taak en in

de personen van zijn leden ligt de

waarborg voor rijpe ervaring op juridisch

gebied en deskundigheid op

het terrein van het perswezen.

Mr Rooy zeide niet te willen vooruitlopen

op de beslissingen van de

Raad. Doch wellicht zal h'et de leden

van de Raad interesseren te vernemen,

wat de journalisten denken over

de eisen, welke de waardigheid van

de stand stelt, nl. dat van deze publicatie

de inhoud feitelijk juist en

naar de vorm veranwoord is, doch

particuliere noden ontzien en dat het

optreden van de journalist, zowel tegenover

collega's als tegenover derden

behoorlijk is.

Na nog als zijn verwachting te

hebben uitgesproken, dat de verenigingstucht-rechtspraak,

die thans is

ingesteld, straks — mede door de arbeid

der Commissie-Pompe — een

wettelijke grondslag zal • krijgen,

sprak hij de wens uit, dat de Raad

van Tucht zo weinig mogelijk zaken

te behandelen zal krijgen. Helemaal

gerust is hij echter daarop niet. Want

er zijn verschijnselen, die 'erop wijzen,

dat de Raad niet werkloos zal

blijven.

Met de wens, dat de Raad, onder

de beproefde leiding van zijn voorzitter,

tot zegen van de Nederlandse

journalistiek werkzaam zal zijn, verklaarde

Mr Rooy het nieuwe college

voor geïnstalleerd.

Prof. Van Hamel 'antwoordt

De voorzitter van de Raad, Prof.

Mr J. A. van Hamel, dankte namens

allen, die deel. van de Raad uitmaken

voor het hun geschonken vertrouwen

en gaf de verzekering, dat

elk lid zijn taak met alle verantwoordelijkheid

zal opvatten. De Raad

krijgt een zeer kiese en verantwoordelijke

opdracht. Kies, omdat het leven

van de pers rust op de individuele

karakters van de journalisten.

Daarom mag voor hen geen beambtenrecht

gelden en hun geen eng

keurslijf worden aangelegd.

De essentie van het drukperswezen

is vrije verantwoordelijkheid en verantwoordelijke

vrijheid. Verantwoordelijk

ook, om het besef van de grote

invloed van de drukpers op alle lagen

van de bevolking. De journalist

heeft daarom zulk een invloedrijke en

betekenisvolle taak omdat hij denkt

voor honderden andere mensen. Het

is zaak met een gezonde pers een invloed

ten goede uit te oefenen op

onze een beetje bandeloos geworden

tijd.

Prof. van Hamel hoopt met Mr

Rooy dat het werk van de Raad

schaars zal zijn en dat door zijn aanwezigheid

de journalisten zich tweemaal

rekenschap zullen geven van

hun verantwoordelijkheid. Ereregels

zijn reeds latent in hen aanwezig.

Het zal minder nodig zijn deze te

codificeren dan wel de naleving daarvan

te waarborgen.

Prof. van Hamel bracht de fanfare

in herinnering, waarmee voor de oorlog

een internationaal perstuchtcollege

werd geïnstalleerd, dat slechts

zeer kort bestond. Hij verheugde

zich, dat deze tuchtraad in alle eenvoud

is geïnstalleerd en besloot met

het uitspreken van de hoop, dat men

over 5 a 10 jaar zal zeggen, dat dit

een nuttig begin is geweest.

Hiermede was de installatiepleehtigheid

geëindigd.

Do Raad hield hierna zijn eerste

vergadering.

Voor ervaren

REDACTEUR-BUITENLAND

is een plaats beschikbaar bij een

groot dagblad. Brieven no. 39/48,

aan de Journalist.

ALL ROUND JOURNALIST,

35 jaar, P.G., zeer gevarieerde*

journalistieke en organisatorische

ervaring bij grote dag- en weekbl.,

zoekt verantwoordelijke functie.

Brieven onder no. 40/48 van

De Journalist.

EEN JONG, AMBITIEUS

JOURNALIST,

thans verbonden aan een landelijk

dagblad, wil van werkkring

veranderen. Hij heeft een voorkeur

voor de redactie Buitenland. Wie

kan hem gebruiken? Brieven onder

Nr. 35/48 van „De Journalist".

5


PERS IN DUITSLAND (I)

Thans telt Berlijn 16 kranten en

ongeveer 190 week- en maandbladen,

tijdschriften en vakbladen.

De.oplagen van deze bladen steken

ver boven die van voor de oorlog uit,

hoewel de bevolking van de Duitse

hoofdstad nu toch circa een millioen

zielen minder telt. En nog zijn de

oplagen — althans van de niet onder

Russische invloed staande bladen —

te klein.

De oplagen zijn trouwens altijd

kleiner geweest dan men, naar het

voorbeeld van de Franse, Engelse en

Amerikaanse bladen, zou verwachten.

De bladen van werkelijk wereldbetekenis,

die trouwens in geen enkel

land een grote oplaag hebben — men

denke maar aan de Londense „Times"

(350.000) —, hadden een oplaag, die

al heel weinig boven die van de

grootste Nederlandse kranten uitstak.

De zestien, te Berlijn verschijnende

kranten zijn — met daarachter vermeld

de oplaag, voor zover bekend

— Berliner Zeitung (450.000), Der

Abend (100.000), Der Freie Bauer

(Wochenzeit.), Der Kurier (250.000),

Der Morgen (250.000), Der Sozialdemokrat

(65.000), Der Tagesspiegel

(315.000), Nacht-Express (250.000),

Neues Deutschl., Neue Zeit (100.000),

Spandauer Volksblatt (30.000), Tagliche

Rundschau, Telegraf (550.000),

Tribune (Tageszeitung des Freien

Deutschen (Gewerkschaftbund)

(300.000), Tribune (Wochenzeitung

des FDGB) en Vorwarts.

Tot 29 Februari van dit jaar verscheen

ook nog de sterk anti-westerse,

onder Russische controle

staande, „Berlin a. Mittag" (150.000)

maar dit blad werd wegens heftige

critiek op de Franse regering en de

Franse bezettingsautoriteiten verboden.

Van de 16 bladen verschijnen er

8 in de Sowjet-sector, 4 in de Britse,

3 in de Amerikaanse en 1 in de

Franse. Partijbladen zijn „Neues

Deutschlarïcï" en „Vorwarts" (Soc.

Eenheidspartij), „Der Sozialdemokrat"

(soc.-dem. partij), „Neue Zeit"

(Chr.-Dem. Unie) en „Der Morgen"

(Lib. Dem. Partij).

Het meeste gezag heeft de in de

Amerikaanse sector verschijnende

Der Tagesspiegel". Het blad

verzet zich voortdurend openlijk tegen

de in rood-Berlijn gevolgde politiek.

Het wordt geredigeerd door

voormalige redacteuren van de

„Frankfurter Zeitung".

De Engelsen stichtten „Der

Berliner", een socialistisch getint,

naar Britse opvattingen geredigeerd

en opgemaakt blad. Wij weten echter

niet of het nog bestaat.

Onder Brits toezicht verschijnen

o.m. nog de „Telegraf" en het „Spandauer

Volksblatt".

Onder Russisch toezicht verschijnen

O.m. de „Neue Zeit", „Der

6

Morgen", de „Vorwarts", „Neues

Deutschland", „Der Sozialdemokrat"

en de communistisch georiënteerde

„Berliner Zeitung".

Interessant is de in de Franse

zone verschijnende „Kurier", die vrijwel

uitsluitend uit Parijs van nieuws

wordt voorzien. Het blad neemt een

zo onafhankelijk mogelijke houding

aan ten opzichte van de grote politieke

problemen.

De vroegere kapitalistische concerns

zoals Hugenberg, Mosse en

Ullstein zijn niet weer opgedoken.

De Berlijnse pers heeft weer vorm

en kleur gekregen. Er zijn zuivere

partijbladen, meer of minder onafhankelijke

kranten en interessant opgemaakte

boulevard-bladen met het

Be toestand in de

ET ingang van 6 Juli hebben de

Franse kranten hun verkoopsprijs

vóór Parijs en omgeving op

6 Franse francs gebracht. In het

overige deel van Frankrijk zullen zij,

evenals de provinciale pers, de prijs

cp 5 Franse francs houden. Het lijkt

ons de moeite waard om de oorzaken

van dit prijsverschil te onderzoeken.

Een studie van de toestand der

Franse pers brengt de volgende

punten aan het lic'ht:

1. De globale oplaag van de Franse

pers is tussen 1939 en 1948 gestegen

met meer dan 1 millioen

exemplaren (12.050.000 tegen

10.990.000).

2. Deze stijging is het gevolg van

de opkomst van de provinciale

pers (8.000.000 tegen 5.250.000).

3. De oplaag van de Parijse pers is

daarentegen teruggelopen van

5.740.000 tot 4.050.000.

4. De verkoop van de Parijse bladen

is in Parijs hetzelfde gebleven als

vóór de oorlog (1.500.000). Maar

hun verkoop in de provincie is

aanzienlijk gedaald (2.550.000 inplaats

van 4.240.000).

5. Het gemiddelde totaal van onverkochte

exemplaren van de

Parijse pers is aanzienlijk gestegen:

19,5% i.p.v. 14,5% voor de

expeditie in Parijs; 24% i.p.v.

18% voor de expeditie in de provincie.

(Percentages van Febr.

1948 met betrekking tot die van

Maart 1939.)

Deze toestand heeft de volgende

consequenties met zich gebracht.

Het aantal Parijse dagbladen, 28 in

1939 en 38 in 1945, bedraagt nu

slechts 17. Geen van deze 17 heeft

laatste nieuws en uitgebreide sport-,

verslagen.

Het formaat is even verscheiden

als de inhoud. Meer dan ooit wordt

de tekst met foto's verlucht. Ook

partijbladen bevatten interessante

reportages en goede, vaak uitgebreide

sportrubrieken.

De huidige Berlijnse pers is niet

vrij in haar doen en laten. Zolang de

bezettende machlen regeren, kunnen

de journalisten — vooral in de Sowjet-sector

— zich niet uiten zoals zij

dat wel zouden willen. Met „tact en

overleg" moeten zij hun werk verrichten.

Maar als overgangsverschijning

is de Berlijnse pers aller aandacht

waard.

Dat sommige van hun bladen niet

in een andere sector of zone gelezen

mogen worden, is niet van de journalisten

uitgegaan ....

(Het Vrije Volk).

Franse Perswereld

een groter oplage dan 1.000.000,

waar twee kranten van voor de oorlog

zich op konden beroemen. Het

merendeel heeft een oplage, die ligt

tussen de 50.000 en de 500.000. Het

meest opmerkelijke feit is wel, dat,

terwijl vóór de oorlog de Parijse

kranten een uitstekende bestaansmogelijkheid

hadden bij een oplaag

van minder dan 50.000, de laatste,

die zich op het huidige moment in

die positie bevond, zo juist het strijdperk-

heeft moeten verlaten.

De verklaring van deze bestaansmoeilijkheden

is gelegen in twee

feiten, n.1. dat de ontvangsten ongeveer

met 2/3 in absolute waarde

verminderd en dat de productiekosten

voor een krant aanzienlijk gestegen

zijn.

Wanneer een krant met een grote

oplage voor 5 Franse francs verkocht

wordt, dan calculeert men de

verdeling van dit bedrag als volgt:

Verspreidingsorganen = 2,10

Productie

(papier en vervaardiging) — 1,25

Administratie = 0,95

Redactie = 0,70

De stand van zaken bij de periodieken

zou een bijzondere bestudering

vergen. Negen er van hebben

een oplage boven de 100.000. Het

record houdt een weekblad met een

grote opzet, dat op een miniem aantal

onverkochte nummers kan bogen,

en de 600.000 exemplaren verre overschrijdt.

Gevraagd

van

no.

voor Encyclopedie

JAARVERSLAGEN

Nederlandse Dagbladen.

41/48 aan De Journalist.

Br.


Mijnheer de Redacteur....

BAZEN-CURSUS NODIG

Wordt het aantal bazen in de

journalistiek langzamerhand niet wat

al te groot ? ».

Deze vraag houdt geen critiek in

op het beleid van hoofdredacteuren

en directeuren. Integendeel, ze is bedoeld

als een waarschuwing. Want

er lopen in ons lieve land allerlei

heren rond, die zich sterren wanen

in de journalistiek en dus recht menen

te hebben op stoelen, bestemd

voor hoofdredacteuren en directeuren,

te gaan zitten.

Een paar voorbeelden:

Een journalist krijgt opdracht een

babbeltje te maken met graaf Bernadotte,

die uit New York terugkomt.

Hij gaat naar Schiphol, praat

met de K.L.M.-persdienst, die z'n

best heeft gedaan om een goede regeling

te ontwerpen en komt terecht

in de wachtkamer voor passagiers.

Daar staat dan z'n baas in de uniform

van een korporaal der Kon. Marechaussee.

—! Bernadotte spreken? Ik zal wel

eens zien, of hij iemand ontvangen

wil!

Prompt wordt de tussendeur gesloten

en de hoogmogende heer

draagt de jeugdige kellner een

bleeks..;... van een jaar of zestien,

zeventien — op te zorgen, dat niemand

die deur openmaakt. Zelfs kijken

naar het gezelschap van Bernadotte

is verboden. De baas beveelt!

Op zo'n moment mogen journalisten

elkaar vertellen, dat een zekere

minister Lieftinck opdracht heeft

gegeven de journalisten op Schiphol

faciliteiten te verlenen En als

dan de AVRO met haar reportagedienst

stukken te laat arriveert, mogen

ze er getuige van zijn, dat deze

vorm van publieke voorlichting zo

maar zonder briefje van hele hoge

bazen het „platform" op wandelt. Och

ja, rangen en standen zijn. er.

Ander geval:

Een krant geeft opdracht foto's te

maken van Christiansen. Mag niet!

De advocaat-fiscaal heeft beslist, dat

Christiansen een dag te voren zal

poseren. Fotograaf van de krant

wordt dus geweerd.

Nou ja, wat doe je als je een opdracht

hebt ? Je maakt toch een

plaat. En wordt officieel gearresteerd

met alle gevolgen van dien: in

beslagneming van toestel, van film,

proces-verbaal. Met aan 't slot een

onderhoud met de advocaat-fiscaal,

die betoogt, dat het in hoge mate onbehoorlijk

is en oncollegiaal een

foto te maken als de anderen er niet

zijn. Hij zal dus de film zenden aan

het A.N.P.

Weer een baas in de journalistieke

wereld er bij. Een hele hoge, wien

het alleen maar ontbreekt aan kennis

van ons vak en aan 'begrip voor

wat een krant nodig heeft. Maar hij

zit toch maar eventjes breed-uit op

de stoel van de hoofdredactie, totdat

er na wat heen en weer praten overeenstemming

wordt bereikt. Voor

het zo ver is, zijn echter vijf politiemannen

en de advocaat-fiscaal in

hevige actie geweest.

Of dit:

Je hebt iets gezegd in de krant

over een hoogedelachtbaar politiecorps.

Het was geen politienieuws,

maar een bericht over de interne organisatie.

Dan zegt de hoofdcommissaris:

„Meneer, dat verbied ik. U

hebt zich 't-e onthouden van allle

nieuws, dat U Aiet van mijn dienst

krijgt."

Weer een baas ontdekt. Een hoge

en een beste, als tot hem doordringt,

dat een journalist in laatste instantie

alleen orders aanneemt van zijn

hoofdredacteur. Doch je moet eerst

heel correct en toch een beetje parmantig

zeggen: „Ik zal met Uw wensen

en bevelen stipt rekening houden,

zodra U hoofdredacteur bent geworden

van mijn krant!"

Al die directeuren en hoofdredacteuren

buiten ons vak worden zo-etjes-aan

een tikkeltje irriterend. Zou

de Kring niet eens in overweging

kunnen nemen een cursus te organiseren

voor al die buiten het vak

staande bazen. Een schriftelijke cursus,

die langer duurt dan de beroemde

cursus in bezettingstijd, waar

ze iemand in een week klaarstoomden

voor een belangrijk ambt. Want

de heren zijn verduveld hardleers.

HEIN VAN DE WEG

SLECHTE rKKSMAJNLEBJflJN.

Met enige ophef maakt de redactie

van „De Nederlander" in haar nummer

van 20 Juli gewag van een onjuiste

propaganda-methode, welke

door een colporteur van „Trouw"

zou zijn toegepast. In grote opmaak

signaleert zij enkele weken later (5

Aug.) een soortgelijk geval van een

colporteur van „De Rotterdammer",

waarbij de naam van „Trouw" opnieuw

in het geding wordt gebracht.

De zaak is, dat een colporteur van

„Trouw" tegen een abonné van „De

Nederlander" gezegd moet hebben,

dat dit blad nog hoogstens één maand

kon verschijnen en slechts 7000

abonné's had. Een brief van deze

abonné wordt in extenso gepubliceerd

met een opschrift van de redactie,

dat zij deze wijze van con­

curreren „hoogst bedenkelijk vindt

en opheldering verwacht van de directie

van Trouw".

Wij weten niet, hoe de verhoudingen

bij „De Nederlander" liggen, maar de

kolommen van „Trouw" staan niet

open voor een polemiek, die de

directie zou willen voeren. Evenmin

zou de redactie zich inlaten met

zaken, die niet de redactie maar de

directie behoort te behandelen. Dit,

om de verhouding directie-redactie,

zo zuiver mogelijk te houden. Wél

hebben wij ons — wat ook de

directie maar niet de redactie van

De Nederlander vóór haar publicatie

had kunnen doen, — tot de directie

van „Trouw" gewend, die ons verzekerde,

dat alle colporteurs in haar

dienst uitdrukkelijk opdracht hebben

ontvangen de naam van „De

Nederlander" bij hun werving zelfs

niet te noemen. Er blijkt bij oWerzoek

één zwart schaap te zijn geweest.

De schuldige is inmiddels ter

verantwoording geroepen.

Veel belangrijker en — van journalistiek

standpunt bezien — zéér

gevaarlijk, lijkt ons de door de redactie

van „De Nederlander" gevolgde

methode. Wij zouden zelfs de

woorden „hoogst bedenkelijk", die

deze redactie in de mond neemt, hier

willen herhalen.

De redactie van „De Nederlander"

schrijft, dat het nauwelijks mogelijk

is zich tegenover de toegepaste

methode (van één colporteur!) te -

verweren, maar inmiddels gebruikt

zij de opening van de krant voor

een verweer, dat die naam niet meer

mag hebben, met een onderschrift,

waarin zij zegt overtuigd te zijn, dat

hier sprake is van een systematische

campagne. Een verweer en een insinuatie

dus, waartegenover de

directie van „Trouw" machteloos

staat, omdat zij hiervoor haar krant

niet kan en mag misbruiken.

Zou ooit de directie van „Trouw"

zich met een soortgelijk geval tot

haar redactie wenden met het verzoek

tot publicatie hiervan over te

gaan, dan zou de redactie van dit

blad haar ongetwijfeld het advies

geven, zich met haar klacht tot de

directie van „De Nederlander" te

wenden, een methode, die ons zowel

fatsoenlijk als juist lijkt.

A. A. K.

„peRSBeUnQen" •

VRAAGT

L \WJM-JM- t_>


H

VERGADERING MET RADIO­

MEDEWERKERS.

r>i3 afdeling Gooi van de N.J.K.

*^7 en de afdi i Midden-Nederland

van de K.N.J.K. hebben op Vrijdag

16 Juli j.1. een vergadering belegd

te Hilversum in ,,Hof van Holland",

speciaal voor de medewerkers aan

de iradio-omroep, wier arbeidsveld

op journalistiek gebied ligt.

jDe bedoeling was na te gaan of

het niet mogelijk en wenselijk was,

dat bovengenoemde functionarissen

in de journaHistJenorganisaties worden

opgenomen.

De vergadering was uitstekend bezocht.

Ongeveer 30 belangstellenden

hadden aan de uitnodiging van K.N.

J.K. en N.J.K. gehoor gegeven. Een

vijftiental omroepmedewerkers, wegens

werkzaamheden verhinderd,

had bericht van instemming en belangstelling

gezonden. Namens de

K.N.J.K. was collega van Oorschot

aanwezig. Voorzitter van de vergadering

was collega van Looi (afd.

Gooi N.J.K), tevens initiatiefnemer.

Mr. M. Rooy, Federatie-voorzitter

en N.J.K.-praeses, hield een inleiding,

waarin hij een uiteenzetting

van doel en streven der journalistenorganisaties

gaf. Spr. wees op de

concrete resultaten van het werk

dier organisaties, meer speciaal de

collectieve arbeidsovereenkomst voor

het dagbladbedrijf, de tuchtrechtuitspraak

en de vakopleiding, en wees

op de vele belangrijke zaken, die

door de journalistenorganisaties behartigd

worden of nog behartigd

zullen worden.

De inleider nam voorts de positie

der omroepmedewerkers onder de

loupe en uitte de mening, dat er

onder hen velen waren, wier hoofdzakelijke

arbeid op journalistiek terrein

lag, b.v. radio-reporters, commentators,

kortom allen, waarop de

door collega van Looi, gevonden benaming

„woord-publicisten" van toepassing

was. Hun arbeid is inderdaad

journalistiek werk, dat nu eens

niet gedrukt, maar voor de microfoon

uitgesproken in het publiek verschijnt.

En voor zover deze arbeid

de werkelijk voornaamste taak van

een omroep-functionaris vormt, bestaat

aanleiding te onderzoeken of

zijn plaats niet in de journalistenorganisaties

is.

Vele aanwezigen maakten gebruik

van de gelegenheid tot gedachtenwisseling

of het stellen van vragen.

Op deze wijze kwam al spoedig

vast te staan, dat het omroepbedrijf

nieuwe wegen in de journalistiek

heeft geopend. Van sommige omroepmedewerkers

kan zander aarzelen

gezegd worden, dat zij volledig

journalistiek werk doen. Anderen

weer doen dit slechts ten dele. Er

zijn b.v. vele omroepers, die zelf hun

teksten en commentaren schrijven

en daarvoor verantwoordelijkheid

dragen. Nog andere omroepmedewerkers

hebben gemengde functies.

8

E-NIEUWS

In elk geval kwam vast te staan,

dat de omroepmedewerkers geenszins

afwijzend staan tegenover aansluiting

bij de journalistenorganisaties

voor zover hun functies en werkzaamheden

dit wettigen, doch tevens

bleek duidelijk, dat er ook functionarissen

waren, die stellig niet tot

de journalisten gerekend mogen

worden. Daarenboven waren er heel

wat z.g. „grensgevallen".

De vergadering besloot, dat de

betrokken regionale afdelingen van

K.N.J.K. en N.J.K. een commissie

zullen benoemen, waarin ook een

aantal omroepmedewerkers wordt

opgenomen. Deze commissie zal op

korte termijn, na onderzoek, rapporteren

welke categorieën omroepmedewerkers

journalisten zijn of

hoofdzakelijk journalistieke arbeid

verrichten. De commissie zal omtrent

de mogelijk- en wenselijkheden

van opneming van deze functionarissen

in de journalistenorganisaties

prae-advies uitbrengen aan het

Federatiebestuur.

Alvorens bedoeld rapport uit te

brengen zal de commissie eerst nog

eens bijeenkomen met de omroepmedewerkers,

zodat deze hun mening

over het prae-advies kunnen

kenbaar maken.

Collega Rooy wees nog op de mogelijkheid

van een eigen sectie of

vakgroep van omroep-journalisten

binnen de kringen, resp. federatie.

Belangwekkend was tevens, dat

onder de omroepmedewerkers bebelangsteliing

bleek te bestaan voor

de arbeid op 't gebied van vakopleiding.

Men hoopte, dat dit t.z.t. ook

voor de journalistieke medewerkers

bij de omroep mogelijk zou worden.

Uiteraard zou dit een speciale opleiding

moeten worden.

Indien de journalistieke medewerkers

bij de radio-omroep zich

inderdaad bij de journalistenorganisaties

kunnen aansluiten zullen de

afdelingen Noord-Holland van de

K.N.J.K. en Gooi van de N.J.K. hiermede

een aanzienlijke uitbreiding

ondergaan en doet een belangwekkende

groep collegae zijn intrede in

ons organisatieleven.

M. G. HARINGMAN

Secretaris afd. Gooi N.J.K.

AUSTRALISCHE COLLEGA

ZOEKT CONTACT.

Coll. Keith H. Hooper, sub-editor

van het Australische blad de National

Advocate, zou gaarne in contact

komen met een Nederlands journalist,

teneinde elkaar door een geregelde

correspondentie op de hoogte

te houden van de omstandigheden in

beider landen. Nederlandse collega's,

die^ voor een dergelijke briefwisseling

gouden voelen, kunnen zich rechtstreeks

tot hem wenden. Het adres

van de heer Hooper is: Falmouth, 128

Lambert Street, Bathurst, N.S.W.

(Australië).

OPRICHTING SECTIE

TIJDSCHRIFTJOURNALISTEN

De collega's: P. M. S. Donders,

(lid K.N.J.K.), Mr E. Elias (lid

N.J.K.) en J. Jasper Pzn., (lid N.J.

K.) hebben het initiatief genomen

tot oprichting van een Sectie Tijdschriftjournalisten.

Aan de leden tijdschriftjournalisten,

die lid zijn van de N.J.K. of

de K.N.J.K., zonden zij onderstaande

circulaire:

Zeer geachte Collega,

Wij achten het van belang, dat door

de Federatie van Nederlandse Journalisten

en de daarbij aangesloten

organisaties meer aandacht dan

voorheen wordt besteed aan de

vraagstukken waarbij in het bijzonder

de tijdschriftjournalisten betrokken

zijn.

Hierbij denken wij zowel aan de

verbetering van de sociale positie

van de tijdschriftjournalist, in de

gevallen waarin deze nodig is, als

aan een bestudering en behandeling

van de verschillende problemen welke

met de verheffing van het peil der

periodieke pers samenhangen.

Tot dusver kwamen deze aangelegenheden

slechts incidenteel aan

de orde. Een oorzaak daarvan is

ongetwijfeld, dat de tijdschriftjournalisten,

die lid zijn van de N.J.K.

of van de K.N.J.K., slechts een betrekkelijk

kleine minderheid in de

Federatie vormen en er tussen hen

geen georganiseerd contact bestaat.

Bovendien hebben allerlei organisatorische

en algemeen-journalistieke

aangelegenheden, zo mede de voorbereiding

en de afsluiting van een

collectieve arbeidsovereenkomst voor

dagbladjournalisten, in de afgelopen

periode de aandacht der besturen

opgeëist.

Het is ons bekend dat het Bestuur

der Federatie voornemens is thans

ook t.a.v. daarvoor in aanmerking

komende categorieën tijdschriften

onderhandelingen te openen om de

afsluiting van collectieve arbeidsovereenkomsten

voor te bereiden en

dat het daarbij gaarne de medewerking

en de steun zou hebben van

een goed georganiseerde en zo groot

mogelijke groep tijdschriftjournalisten.

Teneinde deze en de andere genoemde

belangen der tijdschriftjournalisten

te behartigen, achten wij

het wenselijk over te gaan tot oprichting

van een sectie Tijdschriftjournalisten

binnen het verband der

Federatie.

Het ligt in de bedoeling om, wanneer

de bedoelde sectie tot stand is

gekomen, zo spoedig mogelijk op

grote schaal de niet aangesloten tijdschriftjournalisten

op te wekken

zich bij de N.J.K. of de K.N.J.K. als

lid aan te melden teneinde een krachtige

en representatieve sectie te

kunnen vormen.

Er zijn vele en zeer uiteenlopende

categorieën tijdschriften. Wanneer

met de voorgestelde sectie een begin

is gemaakt, zal nagegaan dienen


te worden of en in hoeverre de betrokken

redacteuren voor aansluiting

bij de sectie in aanmerking

komen. Indien dit op den duur nodig

mocht blijken, kan voorts overwogen

worden om de sectie in enkele groepen—

naar gelang van de aard van

de tijdschriften — te splitsen. Doch

dit is van later zorg. Eerst dient

de sectie te worden opgericht, -wat

alleen mogelijk is indien een voldoende

aantal collega's hun instemming

met ons streven betuigt.

Tot zover de circulaire.

Leden die in deze Sectie belang

stellen en om de een of andere reden

de circulaire niet mochten hebben

ontvangen, kunnen onder opgave van

het tijdschrift of de tijdschriften,

waaraan zij verbonden zijn, hun

adhaesie-betuiging doen toekomen

p.a. Federatie van Nederlandse Journalisten,

N.Z. Kolk 28, Amsterdam-C.

ONTSLAGGEV ALLEN,

VORDERINGEN ENZ.

In de afgelopen periode verleende

het Federatiebureau wederom zijn

bemiddeling bij de behandeling van

aanspraken van leden, die wegen,s

hun gegeven ontslag nog salaris tegoed

hadden of recht hadden op

honorarium voor verleende medewerking,

in enkele gevallen met

bevredigend resultaat. Helaas kon

slechts weinig worden bereikt voor

een groep collega's, die door een

onlangs opgeheven dagblad werden

ontslagen. Ondanks de veelvuldige

bemoeiingen van Federatiezijde en de

medewerking van het Gewestelijk

Arbeidsbureau, dat t.a.v. enkele

dezer gevallen advies vroeg aan de

Ontjslagcommissie van de N.D.P. en

de Federatie, moesten de betrokkenen

genoegen nemen met een hun aangeboden

accoord, dat slechts ten dele

aan hun aanspraken tegemoet kwam.

De financiële situatie van de opgeheven

onderneming was van zodanige

aard, dat een faillissementsaanvrage

waarschijnlijk tot een geringere uitkering

zou hebben geleid.

In de toekomst zal de Raad van

Uitvoering, welke krachtens de

CA.O. zal worden ingesteld, de aangewezen

instantie zijn voor de behandeling

van de salaris-aanspraken

van dagbladjournalisten in ontslaggevallen,

voorzover tenminste het in

de C.A.O. voorziene overleg tussen

journalisten en directie binnen de

dagbladonderneming niet tot een

gunstig resultaat heeft geleid. Verwacht

mag worden dat te dezen

aanzien slechts bij uitzondering een

beroep op de Raad van Uitvoering

zal behoeven te worden gedaan.

Anders is het gesteld met de

tijdschrift- en de nieuwsblad journalisten,

die ontslagen worden zonder

dat met de gebruikelijke opzegtermijnen

van twee maanden bij een

diensttijd korter dan een jaar en van

drie maanden bij een langer dienstverband

is rekening gehouden. Onder

verwijzing naar de berichten hierover

in vorige nummers, zij is er nogmaals

op gewezen, dat de betrokkenen

terstond bij hun directie tegen het

ontslag dienen te protesteren en aan

het Gewestelijk Arbeidsbureau ter

plaatse moeten verzoeken geen toestemming

tot het ontslag te verlenen,

aangezien de in de journalistiek

gebruikelijke termijnen voor opzegging

niet in acht zijn genomen. Het

is in hun belang onverwijld het

Federatiebureau op de hoogte te

stellen. Meermalen komt het voor,

dat ontslagen collega's geruime tijd

laten voorbijgaan, aleer zij tegen het

ontslag in verzet komen of dat zij

beginnen met een getuigschrift te

vragen. In dergelijke gevallen stellen

de Gewestelijke Arbeidsbureaux zich

op het standpunt, dat de betrokkenen

stilzwijgend met het gegeven ontslag

zijn accoord gegaan, zodat hun toestemming

dan niet vereist i,s. Indien

het eenmaal zover is, valt er in de

regel weinig meer te bereiken.

Of het gegeven ontslag op zichzelf

onredelijk moet worden geacht, wordt

door de Arbeidsbureaux in het algemeen

buiten beschouwing gelaten.

Zolang er terzake geen wettelijke

regeling bestaat (zoals men weet is

een dergelijke regeling in voorbereiding),

welke een beroep op de

^rechter mogelijk maakt, zijn er

•— behalve dan minnelijk overleg —

geen middelen, waarmede een onredelijk

ontslag ongedaan kan worden

gemaakt.

Hoewel het hier geen gewone

vordering betreft, willen wij aan het

slot van deze rubriek nog vermelden,

dat aan de nagelaten betrekkingen

van een overleden collega, die geen

pensioenverzekering had, mede na

tussenkomst van de Federatie, door

de betrokken directie een jaarlijkse

vrijwillige uitkering is toegezegd.

INLICHTINGENDIENST VOOR DE

VERENIGDE NATDES.

i

De Federatie zal haar medewerking

verlenen aan de binnenkort op te

richten Stichting Nederlandse Inlichtingendienst

voor de Verenigde

Naties (adres: Oranjestraat 7 te

's-Cravenhage). Deze stichting stelt

'zich ten doel het verbreiden van

•kennis aangaande de Verenigde

Naties en haar werkzaamheden onder

het Nederlandse volk. In het bestuur

der stichting zullen vertegenwoordigers

van verschillende organisaties

l(o.a. de Nederlandse Dagbladpers

1945) zitting nemen. De Federatie

zal daarin vertegenwoordigd worden

door haar secretaris, Mr. A. E. van

Riantwijk.

JONG ONDERWIJZER,

23 jaar, ongehuwd, zoekt werkkring

teneinde opgeleid te worden

voor journalist. Enig inzicht in

politieke en culturele zaken door

jeugdbeweging en andere organisaties.

Geruime tijd reeds medewerker

aan diverse bladen.

Brieven met graag zo uitv. mog.

inl. onder Nr. 33/48 van De Journalist,

N.Z. Kolk 28, A'dam-C.

VERGADERING VAN DE

EXECUTIEVE DER I.O.J.

Volgens van de I.O.J. ontvangen

mededeling zal de Executieve der

internationale organisatie binnenkort

bijeenkomen. In deze bijeenkomst,

welke waarschijnlijk te Luxemburg

zal worden gehouden, zullen naar te

verwachten valt de moeilijkheden in

de I.O.J., welke een gevolg zijn van

de bestaande tegenstellingen, aan de

orde komen. De Federatie zal zich op

dit congres door een of meer afgevaardigden

laten vertegenwoordigen.

Bijzonderhede» omtrent de agenda

der vergadering zijn nog niet bekend.

DE IDENTITEITSKAARTEN I.O.J.

De lang verwachte indentiteitskaarten

I.O.J. zijn thans op het Federaüebureau

ontvangen. Zij zijn of

worden zo spoedig mogelijk aan de

betrokkenen doorgestuurd.

Charivaria

Het liggende kabinet

Het gaat in ieder geval om de beste

mensen en die zó gekozen dat ze in één

vlak liggen en in staat zijn een team te

vormen. (Tijd).

Maar dan toch wel een erg plat

team.

Dubbel-op

Doch dan diene men zijn pathologisch

wantrouwen te verliezen. (Elsevier).

De regie viel in het vijfde bedrijf weer

terug naar de fouten van haar aanvang.

(Elsevier).

Voor de zoveelste keer.

Tot voor drie maanden terug heeft de

Republiek nooit om Nederlandse bijstand

gevraagd. (Alg. Dagbl.).

Gevaarlijk vaarwater

Het verrassende nu is, dat er in deze

opdracht iets lijkt te zitten, wat doet

denken aan de dubbel-openslaande-portebrisée-deur..-..

Maar dan komen we weer in het vaarwater

van dat dubbel-openslaande geval.

(Volkskr.).

Literaire stijl

Menno ter Braak was misschien een

vent, maar in elk geval een heer. In

een discussie over hem met Paul

Rodenko schrijft J. B. Charles in

Podium:

Een eigen, gepassioneerd verteren of

uitkotsen van het verworven ,quod erat

demonstrandum'. — De vergulde hoerekastpaleizen,

die de bouwmeesters der

Barok hun machtige Europese vorsten

bouwden. — Op zichzelf al kolder. —

Dat is toch allemaal geklier met begrippen,

polariteiten en antithesen. — Hektor

komt als overwinnaar Troye binnen

en zegt: ik verdom het langer. — De

Rodenko, die als maar aandringt op een

engagement, op kiezen en beslissen,

kliert er zelf meesterlijk in om. — Kiele

"kiele. Ik begrijp er geen bliksem van. —

Ik verdom het. — Ik duld niet dat zij

hun bek opendoen over het lynchen van

negers. —

En de redactie van Podium laat

dat allemaal maar drukken. Is ze

besodemieterd ?

9


EEN KLEIN KRANTJE

Maar een goed krantje

In de Nederlandse Nieuwsbladpers

(N.N.P.), het orgaan van de Vereniging

van in Nederland verschijnende

Nieuwsbladen, is een interessante polemiek

ontstaan over de betekenis en

de journalistieke leiding van de

nieuwsbladen. Het lijkt mij niet ondienstig,

dat ook in ons orgaan, al is

dit in hoofdzaak voor dagbladjournalisten

bestemd, daarop de aandacht

gevestigd wordt, vooreerst omdat de

nieuwsbladpers een belangrijk onderdeel

van de Nederl. pers is, maar ook

omdat het gaat over een principiële

strijd die, mutatis mutandis, ook in

de dagbladjournalistiek nog niet geheel

is uitgevochten. Er schijnen ook

nog wel uitgevers van dagbladen te

zijn, die de journalistieke leiding van

hun blad dienstplichtig zouden willen

zien aan hun commerciële belang, zoals

zij dat begrijpen, en de hoofdredactie

liefst in handen zouden willen

stellen van hun adverteerders. Ik

weet wel dat de meesten niet zo denken,

zo goed als ik weet, dat het „ex

uno disce omnes" onbillijk is en onwaar.

Aanleiding tot de pennestrijd was

een artikel van collega Lodewijk in

N.N.P. van Mei. De schijver constateert,

dat bij de nieuwsbladpers het

commerciële belang veelal het journa-'

listieke belang overheerst, en dat vele

uitgevers - drukkers - redacteuren dit

laatste op grond van te eng begrensde

commerciële overwegingen lager

waarderen dan juist voor het zakelijk

belang van hun nieuwsblad gewenst

moet worden geacht. Hij betoogt, dat

men, door de redactionele inhoud

van het blad op hoger peil te brengen,

ook de zakelijke waarde er van,

niettegenstaande mogelijk hogere uitgaven,

zal dienen. Coll. Lodewijk

pleit er voor, de journalistieke leiding

van het nieuwsblad in handen te geven

van een journalist, een vakman

dus, die zijn verantwoordelijke taak

in volle vrijheid, door goede journalistieke

beginselen geleid, . vervult, en

onafhankelijk staat van zuiver commerciële

invloeden, van de adverteerders

vooral, doch uiteraard niet buiten

beschouwing mag laten, dat het

uitgeven van een krant wel degelijk

ook zijn commerciële zijde heeft.

Dit betoog lokte in het Juni-nummer

van N.N.P. een ingezonden stuk

uit van een der persbureaux, die de

nieuwsbladpers van artikelen voorzien,

en waarover coll. Lodewijk, bij

alle waardering voor hun werk, toch

ook enkele critische opmerkingen

maakte. Op dit gedeelte van de pennestrijd

zal ik niet ingaan, omdat het

minder principiële 'betekenis heeft en

meer een oratio pro domo is, hetgeen

ook de schrijver van het artikel niet

betwist.

Van meer belang £cht ik de rechtstreekse

bestrijding die de opvatting

van coll. Lodewijk en de journalistieke

waarde van het nieuwsblad bij een

10

uitgever van een nieuwsblad zelf vonden.

Deze zou het blijkbaar wel een

„ideale toestand in ons dorpswereldje"

vinden, wanneer aan het plaatselijk

nieuwsblad inderdaad de mogelijkheid

gegeven ware voor zijn mening uit te

komen, de kleine krant tot een echte

krant te maken, en toch het bedrijf

commercieel verantwoord te doen zijn.

Maar „die concurrentie, geachte

collega, die alles tot de onmogelijkheden

voert."

De opponent van coll. Lodewijk

daagt de uitgever van zulk een plaatselijk

nieuwsblad uit, het maar eens

te proberen „met een eerlijk critisch

verslag van de dorpstoneel-vereniging

aan te komen, als de collega niets

dan goeds weet te vertellen van het

stuk en de „sublieme" wijze waarop

alle spelers (met naam en toenaam

vermeld) hun rol vervulden".

„Waag het eens," zo gaat hij voort,

„Uw gemeentebestuur te verwijten,

dat het deze of gene zaak niet democratisch

aanpakt en signaleer eens

het feit, dat uw burgemeester de belangen

van de kleine gemeente over

het hoofd zag, toen hij de bouw van

de nieuwe brug per se aan de stadsfirma

wilde gunnen. Ik zeg U, dat

't nieuwsblad onmiddellijk alle abonnees,

lid of donateur der toneelvereniging,

en alle raadsleden mitsgaders

hun aanhang kan afschrijven."

Wat de ongebreideldheid der concurrentie

betreft mag deze uitgever

van een nieuwsblad misschien gelijk

hebben, — zij is een zaak die de Vereniging

van Nieuwsbladen, niet ons,

aangaat. Over de vrees voor vrijmoedige

critiek plaatste de redactie van

N.N.P. onder het stuk een opmerking.

Zij schreef, zich niet te kunnen voorstellen,

dat een amateur-toneelgezelschap

het de uitgever of de redacteur

van een plaatselijk nieuwsblad

kwalijk zou nemen, dat hij in zijn

blad opbouwende critiek over het gebodene

opneemt, en zij meent, dat

ook de burgemeester en de raad in

objectieve, correct gestelde critiek op

hun beleid in de regel waarlijk geen

aanleiding zullen vinden als abonné

te bedanken. Het komt de redactie

dan ook voor, dat de schrijver van

het stuk wellicht als gevolg van enige

persoonlijk teleurstellende ervaringen

op dit gebied


Hulde gebracht aan „Gouden Schotel"

Het grapje van „de kop en de

schotel" heeft ruimschoots opgeld

gedaan bij het gouden jubileum van

onze verdienstelijke collega J. C.

Schotel Fzn. De velen, die Schotel

kennen, weten wel, dat hij een kop

heeft en dat er nog wat in zit ook.

Niet alleen de journalistiek -heeft dat

ervaren, maar ook de Kring weet

er van mee te praten en zeker de

plaatselijke . joumalistenorganisatie

De Amsterdamse Pers", welker

ijverige secretaris hij dertien jaar

lang is geweest.

Daarom was het niet te verwonderen,

dat zijn grote broeder J. J. F.

van den Bergh, wiens eerste schreden

op het pad der journalistiek hij

nog heeft geleid, de eerste spreker

was op de ontvangst, die hem Dinsdag

3 Augustus in Krasnapolsky

werd bereid. Collega Van den Bergh

liet niet na, dit in zijn toespraak te

memoreren en daaraan een overzicht

vast te knopen van de verdienstelijke

staat van dienst, waarop de jubilaris

in zijn vak mag wijzen.

„Schotel was er vroeg bij", zo vertelde

collega Van den Bergh. ,,Op

zijn zeventiende jaar diende hij het

vak reeds bij het „Nieuwsblad voor

Nederland" en daarna legde het

„Algemeen Handelsblad" 33 jaar

lang beslag op zijn activiteit. Hier

was hij in de verslaggeving met zijn

hulpvaardigheid en hartelijkheid een

steun voor velen en een waardig

ambassadeur voor het „Handelsblad",

binnen welks muren hij zich later op

de Redactie Buitenland verschanste.

Hoewel officieel „met pensioen",

staat hij nog in het journalistieke

leven als correspondent van Scandinavische

bladen en als actief functionaris

van en propagandist voor

het Persmuseum." Onder aanbieding

van een geschenk onder couvert

wenste collega Van den Bergh de

jubilaris nog tal van jaren in ge-

(Foto E. 3. Noordhoff, Amsterdam)

waardeerde werkzaamheid en daarna

hopelijk ook nog in welverdiende rust.

Mr H. M. Planten maakte zich tot

tolk van directie en hoofdredactie

van het „Handelsblad", toen hij er

aan herinnerde, hoezeer men daar

Schotel's werk altijd op hoge prijs

heeft gesteld. „Verwonderlijk", aldus

deze woordvoerder, „is de pit, die

bedaagde journalisten kenmerkt, in

wier naam „Schot" zit en die het

„Handelsblad" nog steeds beslag doet

leggen op uw krachten, zij het dan

in een niet-journalistieke functie".

Als afgezant van burgemeester

Arn. dAilly en als voorzitter van

het Persmuseum sprak mr P. J.

Mijksenaar de jubilaris toe. „Gij hebt

de stad grote diensten bewezen" was

het woord uit Vondel's „Gysbrecht",

dat spreker op collega Sciotel toepasselijk

maakte en dat hij^ergezeld

deed gaan van een autobiografie van

een collega met dezelfde „gouden"

staat van dienst. Als voorzitter van

het Persmuseum, dat in het die dag

juist gestichte Persinstituut nog een

grote rol zou kunnen spelen, wenste

mr Mijksenaar collega Schotel toe,

dat deze ook daarin zijn steentje

zou mogen bijdragen.

Namens de Buitenlandse Persvereniging

bood collega M. S. Vaz Dias

de jubilaris met een toepasselijk

woord een boekwerk over Amsterdam

aan. „De arbeid", aldus spreker, ,,in

een periode van rust verricht, kan

vaak nog veel meer voldoening geven

dan die in officiële activiteit".

In overeenstemming met zijn

tegenwoordige functies dook Collega

Schotel bij de beantwoording der

sprekers in het archief van .zijn

loopbaan en vroeg zich af, of hij het

wel was, over wie deze middag al

deze lof werd uitgestort. Maar hij

erkende, dat de totstandkoming dor

tegenwoordige federatieve journalistenorganisatie

ook voor hem een

Hulde aan „De Witte"

De Witte" (zo schrijft De Nieuwe

Courant) heeft in de afgelopen dagen

van de Haagse conferentie der Vijf,

het' werkelijk alle journalisten,

buitenlanders en landgenoten, voor

wie zij voor deze gelegenheid haar

deuren had opengesteld, ten volle naar

de zin gemaakt. Daar, vlak bij, ja

met het gezicht op het Ministerie van

Buitenlandse Zaken op het Plein,

hebben de dienaressen en dienaren

van 'de pers volop gelegenheid gekregen

hun werk op even practische

als aangename wijze te verrichten.

De geboden gastvrijheid is, naar wij

weten, door allen die hiervan hebben

kunnen genieten, op buitengewoon

hoge prijs gesteld. Vandaar dat er

aanleiding bestaat voor grote erkentelijkheid

tegenover het Bestuur van

De Witte", alsook tegenover de leiding

van de Dienst Buitenlandse

Voorlichting van het Ministerie van

Buitenlandse Zaken, waar men het

uitermate gelukkige initiatief had

genomen om aan dat bestuur gastvrijheid

voor de pers te vragen. Op

deze wijize heeft „De Witte" de openbare

zaak ten zeerste gediend.

Wist Lldat.,,-

= Het Batavia's Nieuwsblad weer is

verschenen ?

=; „Mandril" niet — zoals wij abusievelijk

schreven — een maandblad,

doch een weekblad zal worden?

= In Den Haag een weekblad (ad

20 pagina's) zal verschijnen, dat

Groen en Geel zal heten ?

=z Collega S. Davids geen lid van de

hoofdredactie van „De Groene" meer

is?

= In Nederland een krant (2 maal

per week) is verschenen met een

bloemlezing uit de in Indonesië verschijnende

bladen en

= „De Zakenwereld" daarvan de

directie voert en

= Dat blad in flans naar Nederland

gezonden zal worden?

= De naam Algemeen Handelsblad

toch gehandhaafd mag blijven?

grote persoonlijke voldoening is. In

zijn antwoord aan mr Planten herinnerde

hij er aan, dat ook de „voortreffelijke

verslaggever" altijd nog

wel een steekje kan laten vallen. Mr

Mijksenaar verzocht hij, de burgemeester

zijn dank over te brengen

voor zijn vriendelijke woorden en

collega Vaz Dias voegde hij toe: „Er

is maar één mooi vak: de journalistiek".

Daarna werd ruimschoots gebruik

gemaakt van de gelegenheid, de gehuldigde

en zijn familie- en huisgenoten

persoonlijk geluk 'te wensen

en dit hield het gezelschap nog

«•eruime tijd in gezellig samenzijn

11


JOURNALISTIEK JOURNAAL

• Eerst de balk uit het eigen

oog: Vorige maal schreven wij twee

maal journeaux in plaats van journaux

en wij kregen twee briefjes

daarover: een charmante, collegiale

terechtwijzing van onze oude polyglotte

vriend Edouard de Nève en

een bits, zuur en schoolmeesterend

snauwtje van een jonge collega wiens

naam wij maar niet zullen noemen.

Het ergste is dat het geen zetfout,

geen drukfout, geen tikfout en geen

schrijffout was, doch gewoon: een

fout.

0 Dat verschil tussien die beide

briefjes, in vorm, in toon, in aard en

vooral: in beschaving is niet zó onbelangrijk

als het lijkt. Wij geloven

niet dat dit verschil in de leeftijd

zit, maair wel in de aard van het

beestje. Met Edouard zouden wij

graag de kermis op gaan. Met die

andere knaap niet. En juist dat dekermis-opgaan

is (voor ons) een

maatstaf.

• En nu even een splinter uit

andermans kijkers: Leidsch Dagblad

schreef: ,, Fanny Blankers „the

flying Dutch girl, mother from two

children" zoals een Londense krant

het so typisch zei " Ja, typisch

zeker voor een Londense krant.

Wanneer een Leidse courant from

in plaats van off zou schrijven zou

dat zo typisch niet zijn, maar een

Londense

0 Over Fanny geschreven

Zo maar een vraag: hoeveel krantenlezers

zouden alles over haar gelezen

hebben ®n hoeveel alles over

de kabinetsformatie?

0 Wij nemen onmiddellijk aan

dat Fanny honderden procenten meer

belangstellenden heeft dan alle 'excellenties

bij elkaar. Dat is begrijpelijk

en niet eens betreurenswaardig. Een

snob, die daar een traan om zou laten.

Maar hier dringt zich onmiddellijk

een andere vraag op: hoeveel,

laten wij zeggen: intellectuelen hebben

de voor. en nabeschouwingen

over die kabinetsformatie gelezen?

Wij hebben zo'n vaag idee dat dit

aantal niet zou meevallen. Dat de

tijd van wikken-en-wegen-op-voorhand

voorbij is. Dat de wereldgebeurtenissen

te dynamisch zijn geworden

voor (grauwe) theorie. En dat men

wacht op feiten • en daden. Wij geloven

met name dat de waardebepaling

van de beschouwende functie

van de krant sterk gedaald is. En

dat meer dan ooit nieuws en feiten

de belangstelling der lezers hebben.

Met andere woorden: • wij geloven

dat onze hoofdartikels véél te lang

zijn vooir het „rhythme van de tijd".

Dit is overigens onze persoonlijke

mening die wij voor beter geven

12

wanneer een opinie-onderzoek ons in

het ongelijk zou stellen.

0 Elders in dit blad wordt gewaagd

van het conflict-met-de-bioscopen

in Amsterdam. Wij hebben

ons verheugd oveir de solidariteit

der dagbladen die daarbij is gebleken.

Omdat wij ons altijd verheugen

wanneer de eer van ons vak wordt

hoog gehouden.

0 Er stond in De Volkskrant

een (gissend) berichtje over een mogelijke

samensmelting van drie

Amsterdams-landelijke weekbladen.

Waaruit blijkt dat het sommige dezer

weekbladen niet naar den vleze

gaat. En dit betreuren wij. Vooral

omdat dit naar onze stellige overtuiging

niet zo had behaetven te zijn.

Uiteraard spreekt de' conjunctuur

een woordje mee. En uiteraard was

het korte bloeitijdperk voor alle bladen

dat na de bevrijding inzette geen

maatstaf. Maar wij geloven stellig

dat hier ook de factor van het vakmanschap

in het spel is. Dat met

name wat wij zouden willen noemen:

„de kunst der dosering'' niet

voldoende beoefend is. Elk algemeen

weekblad, hoe waardig en belangrijk

en respectabel zijn idealen ook zijn;

hoe belangwekkend zijn standpunten

ook, moet nu eenmaal „voor elk wat

wils" bieden, hoe gemeenplaatsig

en „burgerlijk" dit ook klinkt. En of

men dit betreurt of niet. En hieraan

schort het dikwijls, met gevolgen die,

om méér dan één reden, te betreuren

zijn. Zowel materialiter als idealiter.

0 Aan een onwaardige vertoning,

aan een onwaarachtig fenomeen is

een eindtógekomen. De geïllustreerde

weekbladen worden weer tveekbla,den.

En de (gedwongen) flauwiteit

van één en het zelfde blad, dat om de

andere week een andere naam had,

kan worden nagelaten. De Week

wordt weer ronduit De Wereldkroniek

en De Beiaard der Lage Landen heet

weeir Ons Vrije Nederland. Wat heeft

dit kinderachtig gedoe voor nut gehad?

0 Over kinderachtig gesproken:

wij houden nu zeker op met de grapjes

over Heinekens Bier? Dat (gedoe)

ligt ons even zwaar op de maag

als het perpetueel gezeur over de

new look.

Sit modus in rebus journalisticis.

Nederlandse Dagbladen in

België

Aan „Benelux-Handelsbelangen",

officieel orgaan van het Comité van

deze naam, dat de vorige maand voor

het eerst uitkwam ontlenen wij het

volgende:

Terwijl men in Nederland dagelijks

de Belgische dagbladen kan kopen,

zijn de Nederlandse dagbladen in

België vrijwel niet te koop.

Alleen te Antwerpen kan men een

bekend Nederlands dagblad van dezelfde

dag verkrijgen, doch niet vóór

10 uur 's avonds en dan nog maar

op één enkel adres.

Te Brussel kan men datzelfde dagblad

ook kopen, doch dan is 't reeds

twee dagen oud.

Deze toestand is in alle opzichten

ongewenst. Niet alleen .voor de Nederlanders,

die in België tijdelijk of

permanent verblijven, speciaal voor

de zakenlieden onder hen, maar ook

omdat het op het Belgische publiek

een indruk van laksheid maakt.

Indien nu de Belgische dagbladen

op de dag van verschijning kans zien

in alle grote steden van Nederland

op straat te komen, waarom kunnen

de Nederlandse dagbladen dit dan

niet op hun beurt in België?

De Nederlandse afdeling van het

„Comité Benelux-Handelsbelangen",

heeft voor deze aangelegenheid de

bijzondere aandacht van het bestuur

van de Vereniging „De Nederlandse

Dagbladpers'' gevraagd.

„Hogeschoor'-Journalistiek

|_JET Wit-Gele Kruiscongres liep

T. ten einde. Achter in de zaal

reikte men een krant uit, met het

volgende gedrukte opschrift van het

bandje: "„De Tijd — actueel —

brengt U het verslag van Uw vergadering".

En zó actueel was dit

verslag, dat de congressisten er het

uittreksel in vonden van een rede,

die .... niet gehouden was. Immers,

enkele minuten tevoren had de voorzitter

meegedeeld, dat deze rede

(van dr. Mol) wegens het vergevorderde

uur niet kon worden uitgesproken!

Dat komt er van, als men, vanwege

de „actualiteit" gemakshalve

steunt op voorverslagen, zoals perschef

Edmond Nicolas, goedbedoeld,

die had uitgereikt. Helaas moest het

een dagblad van formaat zijn, blunderend

op een wijze, die wij ons herinneren

uit de slechtste dagen der

voor-oorlogse concurrentie-journalistiek.


UIT DE NJ.K.

NIEUW AANGENOMEN LEDEN

PER 1 AUGUSTUS 1948

Azimal A., Celelbeslaan 8, Hilversum

(iRadio Ned. Wereldomroep).

Barkey Wolf A. G., Zeestraat 66 b.,

Den Haag (Weekblad Timotheus).

v. d. Bergh J. A. A., Kokosnootstraat

57, Den Haag (Elsevier,

Het Dagblad).

Beukman M. A. C, Lindelaan 28,

Rijswijk (Het Daglblad', De Nederlander,

e.a.).

Beijersbergen C, Burg. iv. Tuylïkadie

20 bis, 'Zuilen (De Sportwereld).

Bresser P., Utrechtsestraat 2, Arnhem

(Het Vrije Volk, Arnhem).

de Bruin K. J., Melis Stokelaan 61,

Den Haag (Haagse Courant).

Bunste E. H., Simon Stevinstraat 2,

Utrecht (Dagblad Trouiw).

Dane H. P., Floralaan 180, Eindhoven

(De Arbeiderspers).

Duif A„ Loosdiuinseweg 641, Den

Haag (Het Lichtspoor).

van Emmenes, Ir. A., Pauwenlaan

116, Den Haag (N.V. Olympus,

Sportweekbladen).

Fris B. J., Prof. Ritzama Beslaan 99,

Tuindorp Maartensdijk, posit

Utrecht (Het Parool)..

Fuchs J. M., Herengracht 276, Amsterdam

(Het Parool').

Houwaart D. P., Uddelstraat 103,

Den Haag (N.V. Cetenum Censo).

lsselman J. C, Tollenskade 29, Voorburg

(De Nieuwe Courant).

Jans P. G., Keizersgracht 30, Meppel

(Meppeler Courant).

Kienhuis P. Th., Malakkastraat 38,

Den Haag (Haags Daglblad).

Kiers J. E. A., •Naohtiegaaïstraat 32,

Almelo (Dagblad v. h. Oosten).

Martens P., Barjonetstraat 101, Rotterdam

(De Waarheid).

Mahieu C. J. E., Gevers Deynootiweg

36, Sdheveningen (Algemeen Dagblad).

Mokveld D. E.,, Sdhaikseweg 2, Leerdam

(De Gecombineerde).

Nolet J. A. M., p/a Haagse Courant,

Den Haag (Haagse Courant).

Polak K., Hunizestraat 43, Hilversum

(De Arbeiderspers).

Russchen Jan, Etamastraat 59, Meppel

(Meppeler Courant).

Russel P. W. H. D., Staringplein 81,

Amsterdam (De Nieuwe Post).

v. d. Sandt C. G. R., Burg. Meineszlaan

79, Rotterdam (Algemeen

Dagblad).

Schuurman A., Victoria Hotel, Am-

Sterdam (Het Lichtspoor, De Spiegel,

e.a.).

Sluyser M., Gabrdëllaan 1, Bussum

(De Arbeiderspers).

Smith N. J. P., Middenweg 200, Amsterdam

(Onafh. Persbureau).

Steehouwer H. J., Stationsstraat 15,

Alphen a/d Rijn (De Pers, Dagbl.

van R* en Gouwe).

van 't Veer P., Appelstraat 139, Den

Haag (De Telegraaf).

de Vos J., Diephiuisstraat 4öa, Groningen

(Het Vrije Volk).

Vreedenburgh C, Rochussenötraait

317 b, Rotterdam (Lawn Tennis,

Edelmetaal).

van Wamelen Ir. J. W., Laan van

Meerdervoort 399, Den Haag

.(K.iN.A.C., De Auto).

Weemhoff R., Hoofdstraat 30, Emmen

(Emmer Courant).

Wiersma J. P., Lekkumerweg 38,

Leeuwarden ('Nwe Rotterdamse

Courant).

de Wit |H., PI. Pank'laan 5IH, Amsterdam

(Aflig. Handelsblad).

LEDEN VERGADERING G.D.J.V.

Acht leden en twee bestuursleden

in een holle zaal in de nok van „De

Faun'' te Groningen. Dat was het

beeld van de op 3 Juni gehouden ledenvergadering

van de Gron. Drentse

journalistenvereniging.

De G.D.J.V. telt momenteel een

dertig leden, van wie ruim de helft in

de stad Groningen, de rest verspreid

in de provincies Groningen, Drente

wonen. Het contact is, mede gezien de

geringe middelen waarover de afdeling

beschikt, uiterst gering, zodat

van een opgewekt verenigingsleven

geen sprake is.

De voorzitter, coll. Bonder kon op

deze vergadering zegge en schrijve

twee leden van buiten de stad Groningen

welkom heten. Aan de orde

was de verkiezing van een nieuw bestuurslid

in de vacature coll. E. Evenhuis,

onze ijverige secretaris, aan

wiens activiteit het voor een belangrijk

deel te danken is geweest, dat er

ondanks de weinig ten dienste staande

middelen in de afdeling belangrijk

organisatorisch werk kon worden

verricht.

De voorzitter deelde mee, dat hem

kort voor zijn vertrek naar Indonesië,

waar hij thans als eerste-redacteur

van de Nieuwe Courant te Soerabaja

werkzaam is, als blijk van waardering

namens de G.D.J.V. een zilveren

potlood met inscriptie werd overhandigd.

.

Tot zijn opvolger werd met algemene

stemmen gekozen coll. R. K.

Hèys van de N. Prov. Gron. Crt, die

in zijn bed, waarin hij na een zware

nachtdienst op deze Zaterdagmiddag

nog toefde, van de benoeming op de

hoogte werd gebracht. Waarna hij

met een snelheid, alsof het een uitslaande

brand betrof, zich naar het

toneel van de vergadering spoedde en

er nog tijdig verscheen om de gelukwensen

van de voorzitter in ontvangst

te nemen.

In deze vergadering werden voorts

nog enige vertegenwoordigers voor

de Kringraad gekozen, zulks eveneens

in verband met het vertrek van

collega Evenhuis en met dat van collega

Vink naar Den Haag. Gekozen

werden de collega's R. H. Heys plv.

J. U. Reinders en P. H. Barkema plv.

C. W. H. van Twisk.

Een huishoudelijk reglement werd

vastgesteld overeenkomstig het door

het Kringbestuur toegezonden model.

Enkele leden waagden een schuchtere

opmerking over enige activering der

vereniging, waarop de voorzitter toezegde,

dat het 'bestuur nog eens diepzinnig

zal bepeinzen wat er gaan kan

worden.

R.

DRINGEND VERZOEK AAN

G.D.J.V.-LEDEN.

In de vergadering van 14 Febr. '48

werd besloten om jaarlijks een contributie

van ƒ 2.50 per afdelingslid te

heffen ten bate van de afdelingskas.

Verschillende leden, speciaal in de

provincie, hebben deze contributie

nog niet voldaan. Willen zij thans het

verschuldigde bedrag zo spoedig mogelijk

overmaken aan de penningmeester

per postwissel of giro 42469 ?

De Penningmeester der G.D.J.V.

J. U. REINDERS,

Oranjesingel 20, Groningen.

„HET OOSTEN".

In een 19 Juni j.1. te Almelo gehouden

bijeenkomst is besloten tot

oprichting van de Journalistenvereniging

„Het Oosten", omvattende de

provincie Overijsel en de gemeente

Apeldoorn.

Het bestuur is als volgt samengesteld:

J. C. Visser, Apeldoorn, voorzitter;

J. C. Rugaart, Prins Mauritslaan

21, Apeldoorn, secretaris. Telef.

2436; C. J. Rotteveel, Zwolle, H.

KKlaassen, Almelo, H. van Heerde,

Kampen, leden.

Als lid van de Kringraad werden

aangewezen: J. C. Visser, Apeldoorn

en C. J. Rotteveel, Zwolle.

Als plv. lid J. T. Brinkerhof, Deventer

en N. Lulofs, Apeldoorn.

Getracht zal worden een provinciale

bijeenkomst te organiseren voor

dagbladdirecties, journalisten, industriëlen

en anderen, ter belichting van

de positie van het dagblad en de

journalist in het maatschappelijk leven.

BIJEENKOMST H.J.V. EN K.N.J.K.

Op 31 Mei j.1. hebben de Haagse

Journalisten Vereniging en de Kring

Zuid-Holland van de Kath. Ned. Journalisten-Kring,

onder leiding van collega

P- van der Valk, een gecombineerde

vergadering gehouden, waarin

collega Mr. Jan Derks op zeer onderhoudende

wijze heeft gesproken

over de Geneefse Conferentie over de

vrijheid van informatie. De talrijke

afwezigen hebben veel gemist; met

enig recht kunnen zij zich verontschuldigen

met een beroep op het

overladen conferentie- en vergaderprogramma

van Den Haag in die dagen.

Voordat aan Mr. Derks het woord

werd verleend, herdacht de voorzitter

der H.J.V., collega Lambooy, in een

kort woord onze overleden persbroeder

C. Wildenberg. Hij schetste hem

als een voortreffelijk journalist, een

algemeen geachte figuur op de pers-

13


Het recht op de waarheid

Feiten zijn heilig

Het onderstaande nemen

wij over uit PSF, het

orgaan der Studievereniging

van de faculteit

der Politieke en Sociale

"Wetenschappen van de

Universiteit van Amsterdam.

jT%E directeur-generaal van het

^-' „Agence France-Presse", Paul

Louis Bret, heeft zich eens laten interviewen

door C. H. Lecomte van

„Le Monde" (6-3-'48). Onderwerp van

gesprek was het „recht op waarheid"

en in verband daarmee de eisen,

waaraan de voorlichting moet voldoen,

't Interview lijkt ons van meer

dan actueel belang' voor Frankrijk

alleen; vandaar een verkorte weergave.

Het vraaggesprek met de man

— jurist en philosoof — die „slechts

één passie kent — de objectiviteit"

—, begint met diens opvatting

over de voorlichting, thans en in de

toekomst.

,,De voorlichting is tot nu toe vooral

empirisch en voor een te groot

deel subjectief geweest. De voorlichting

van morgen, die zich op objec-

(Vervolg van pag. 13).

tribune in de Kamers, als penningmeester

van de H.J.V., als verdienstelijk

secretaris der N.J.K. en beminnelijk

mens. Wijlen Wildenberg is in de

bezettingstijd met Mr. Rooy al bezig

geweest om de N.J.K. weer op poten

te zetten. Als een prettige vriend en

een goed collega zal Wildenberg in

onze herinnering blijven voortleven.

Vervolgens hield Mr. Derks zijn

causerie. Hij zette in korte trekken,

in beelden en termen, die aan duidelijkheid

niets te wensen overlieten de

tegengestelde standpunten uiteen,

van waaruit men te Genéve moest

trachten te komen tot een positief resultaat.

En. over dit resultaat was hij

niet ontevreden, daar men een begin

heeft kunnen maken aan een positief

internationaal recht van informatie.

Men had te maken met de opvatting

van het Slavische blok op het gebied

van de persvrijheid: vrijheid slechts

om het publiek te waarschuwen tegen

fascisme, nazisme en oorlogsgevaar;

met de Amerikaanse opvatting

van het „laisser faire, laisser passer".

Dan was er de derde opvatting, bij

welke die der Nederlandse delegatie

zich aansloot: aan elke vrijheid is

verantwoordelijkheid inhaerent. Dit

standpunt houdt een zekere beperking

in, welke de Nederlandse delegatie

wilde ontlenen aan wat in 't Charter

der 'U.N.O. is vastgelegd omtrent de

rechten van de mens.

Wij -menen, met deze hoofdlijnen te

mogen volstaan. Op prettige wijze is

met de inleider van gedachten gewisseld.

14

tiviteit als regel en ideaal zal stellen,

moet voortkomen uit strenge methoden

en een techniek, die zoveel mogelijk

getoetst is aan wetenschappelijke

werkwijzen."

De heer Bret wijst erop, dat de

democratie pas functionneert bij kennis

van de juiste feiten en dat, als

men de democratie voor een recht

houdt, de kennis van het feit een

ander recht is.

„Of men erkent het recht van de

mens om te weten wat er gebeurt,

of men dwingt hem te geloven wat

men hem zegt. Deze twee criteria

verdelen thans onze wereld en alle

mensen zullen eens moeten overgaan

tot de keuze tussen die twee."

Het „feit", definieert hij: „C'est

simplement 1'événement". Ik meen

dus dat de weergave van het feit

moet zijn als de fotografie van de

gebeurtenis zonder retouche. De

moeilijkheid, komt daarvan, dat men

de weergave van feiten tot 'n winstgevend

bedrijf of middel van beïnvloeding,

heeft willen maken.

Maar ,het werktuig heeft zijn krachten

sterk verbruikt. Het verschaft

noch winst noch invloed meer. Het

gebruik ervan heeft volslagen achterdocht

opgewekt. Bet is heus geen

grote verdienste om terug te keren

tot de eenvoudige eerlijkheid. Dat is

namelijk de enige weg, die open

blijft.

Maar, zo volgt de vraag, hoe wilt

U de berichtgever weerhouden van

het verzwijgen van feiten of het kiezen

hieruit. En hoe wilt U voorkomen,

dat de feiten op hun weg van

het agentschap naar de kranten in

commentaren gehuld en. de strekkingen

aldus vervalst' worden ? Langs

een omweg komt 't antwoord: „Men

werpt mij dikwijls tegen: „zuivere

objectiviteit is niet te verwezenlijken."

Het streven naar objectiviteit

vereist een geloof in de democratie

(foi civique), een zelfverloochening

en een techniek, steunend op beroepsvaardigheid.

Het uitgangspunt

van dit streven is de aanhankelijkheid

van de uitvoerders aan de gedachte,

dat zij zonder commentaar

WIST U DAT....

= Nenni is afgetreden als hoofdredacteur

van „Avanti" ?

== De commissie voor de perszuivering

heeft bepaald, dat gedurende

tien jaar geen persorgaan mag worden

uitgegeven onder de naam Rotterdams

Nieuwsblad, Goudse Courant

of Dordrechts Nieuwsblad en

gedurende twintig jaar geen persorgaan

onder de naam van Dagblad

van het Zuiden, overwegende „dat de

bladen zich in zeer ernstige mate aan

propaganda voor nationaal-socialistische

en vijandelijke denkbeelden

hebben schuldig gemaakt" ?

hunnerzijds, uitsluitend de feiten

rapporteenden, zoals deze ontstaan

door waargenomen gebeurtenissen —

de visu et auditu —, maar ook zoals

deze ontstaan door verklaringen en

meningen, op de formele voorwaarde,

dat zij hun zegsman citeren.

In de weergave van tegenstellingen

past het de argumenten van de

twee partijen evenveel ruimte te geven;

steeds dient men daarbij het

essentiële van het pro en contra te

zoeken. Wat de keuze van. 't nieuws

betreft, deze moet alleen voorgeschreven

worden door het onderscheid

tussen het essentiële en het

secundaire. Op dit terrein valt nog

een hele techniek te perfectionneren,

ja zelfs te scheppen."

De heer Bret wil de naam Havas

weer invoeren, ondanks de associaties,

die deze naam wekt aan liet begrip

reclame. „De juiste voorlichting

kan slechts plaats vinden, als ze

beveiligd is tegen elke mogelijkheid

van pressie door de staat, de partijen

of* andere belanghebbenden. Daarom

kan er in de nieuwsvoorziening geen

verband zijn tussen reclame en voorlichting.

Deze kwestie lijkt me voorgoed

afgedaan." En omdat bijna alle

buitenlandse afnemers de naam

Havas terugwensen, was zijn voorstel:

„Institut Havas d'information".

De financiering hiervan en de vrijwaring

van regeringsinmenging

komt aan de orde. Aangezien nieuwsverspreiding

over de gehele wereld

onvermijdelijk een tekort meebrengt,

wil de heer Bret in de toekomst een

financiering door publieke fondsen

zonder inmenging van de staat. Voorlopig

zou het tekort gedekt moeten

worden door de kranten (die ook nu

betalen) en de radioluisteraars. Een

raad van trustees zal toezicht houden

op de werkzaamheden van het voorgestelde

Institut Hava*s, en zo nodig

als tuchtrechter optreden.

Het vraaggesprek eindigt: „Dit

plan is werkelijk uitsluitend geplaatst

op het ,,plan civique et collectif", en

het belaagt natuurlijk ieder, die zich

laat leiden door materiële belangen

van zichzelf, een economische groep

of een politieke partij."

W. F. S.

=2 Dezelfde commissie heeft bepaald,

dat gedurende vijftien jaar

geen persorganen mogen worden uitgegeven

onder de naam Het Dagblad

"van Rotterdam, Het Dagblad van

Gouda, De Dordtse Courant of het

Maandagochtendblad ?

De Courant Het Vaderland, De

Courant Het Vaderland mag blijven

heten, doch dat er geen Courant Het

Vaderland meer bestaat (althans niet

dagelijks-tastbaar) ?

= J. M. Pattist een kwart-eeuw

werkzaam was bij de N.R.C, en deswege

(terecht) hartelijk is gehuldigd?


Rehabilitatie van coll R* Kiek

Het door coll. R. Kiek voor het

persbureau Aneta gemaakte verslag

van de persconferentie, welke de

Commissie "van Goede Diensten in

Februari te Lake Success hield, heeft

destijds, zowel in officiële als in

journalistieke kringen, de gemoederen

nogal in beweging gebracht. Coll.

Kiek werd verweten, dat hij bij het

uitbrengen van zijn verslag geen

rekening zou hebben gehouden met

het vertrouwelijk karakter der conferentie

en bovendien de behandelde

punten ten dele onjuist of zonder

voldoende nuances zou hebben weergegeven.

Zoals bekend, heeft de

Federatie van Ned. Journalisten, gezien

het bijzonder belang van deze

aangelegenheid, in overleg met en na

verkregen medewerking van de betrokkenen,

een commissie van onderzoek

ingesteld, teneinde rapport uit

te brengen omtrent de journalistieke

gerechtvaardigdheid van het verslag

van coll. Kiek. In deze commissie

namen zitting: prof. mr A.' J. P.

Tammes, hoogleraar aan de Universiteit

van Amsterdam, voorzitter;

coll. R. W. P. Peereboom, directeurhoofdredacteur

van het Haarlems

Dagblad en coll. dr E. van Raalte,

lid van de redactie van-de Nieuwe

Rotterdamse Courant; mr A. E. van

Rantwijk, secretaris van de Federatie

van Ned. Journalisten, trad als

secretaris van de commissie op.

In haar rapport heeft de Commissie

uitvoerige beschouwingen gewijd

aan de vraag van de vertrouwelijkheid,

en over die van de juistheid

van de inhoud van het verslag;

tevens heeft zij naar een verklaring

gezocht van de ontstane opschudding

over Kiek's verslag. Gaarne

hadden wij dit belangwekkende rapport

in extenso gepubliceerd; daar

dit document twaalf compact getypte

foliovellen beslaat, moeten wij hier-

= Het Lichtspoor onder nieuwe leiding

komt?

= Mr. Dr. J. G. van Maasdijk persofficier

wordt van Koningin Juliana ?

=± En kapitein Gerand Rutten zijn

huidige functie na de 'kroningsfeesten

zal neerleggen?

= Het bulletin van de Voorlichtingsdienst

der Franse Ambassade feestelijkerwijs

zijn nieuwe vorm heeft ingewijd

en

= de voormalige Attaché d'Information,

de heer Berveiller een hoge

Nederlandse onderscheiding heeft

gekregen ?

= Arnold (de baard) Vas Dias,

N.R.C.'s correspondent in de V.S.,

bestuurslid werd van de Vereniging

van Correspondenten bij de V.N. ?

== Het aantal betalende abonné's der

Nederlandse dagbladen op 1 Juni j.1.

2.846.000 bedroeg tegen 2.841.000 een

jaar geleden ?

= Rusland de drie intenna)tïonale

conventies, .die dn April te Genève

van wegens gebrek aan plaatsruimte

noodgedwongen afzien en ons tot het

weergeven van conclusies beperken.

Wel willen wij uit het rapport nog

aanstippen de door de Commissie

geheel in ihet algemeen uitgesproken

wenselijkheid ,,dat bij iedere persconferentie

het karakter daarvan

duidelijk geformuleerd worde". Gezien

de misverstanden, die zich in de

practijk nog wel eens voordoen,

achten wij het uitspreken van deze

wenselijkheid allerminst overbodig!

Hier volgen dan de conclusies van

het rapport:

De Commissie is van oordeel:

a. dat de heer Kiek geen blaam

treft als zou hij gehandeld hebben

in strijd met de journalistieke

ere-code door de publicatie van

iets wat als vertrouwelijk („off

the record") zou zijn medegedeeld

en daarom niet gepubliceerd had

mogen worden;

b. dat de heer Kiek geen blaam treft

als zou de inhoud van zijn verslag

uit een oogpunt van goede, betrouwbare,

weergave, onvoldoende

of onjuist genoemd moeten

worden.

De Commissie is dan ook tot de

slotsom gekomen, dat de heer Kiek

het slachtoffer is geworden, buiten

zijn schuld, van een ongelukkige

samenloop van omstandigheden. Zijn

werk en optreden als journalist zijn

aan ernstige critiek blootgesteld geweest

en deze critiek is ook in de

openbaarheid gekomen. De Commissie

heeft zich ervan overtuigd, dat

voor deze critiek onvoldoende grond

heeft bestaan en heeft er ook zelf

geen toereikende grond voor kunnen

\ inden. Men zou kuxii.en menen, dat

de heer Kiek, ook in de volle overtuiging

van zijn vrijheid om het ver-

door de conferentie van 55 landen

over de vrijheid van berichtgeving

werden opgesteld, heeft verworpen?

— en dat ons dit helemaal niet verbaast

?

= Paul de Groot als hoofdredacteur

van De Waarheid moest plaatsmaken

voor Fred Schooneberg en dat

= deze de eerste hoofdredacteur is

die zo maar Fred ;heet?, en

= dat wij dit echt-plezierig-familiair

vinden ?

= De eis van de A'damse Off. van

Justitie tegen de hoofdred. van „De

Nieuwe Post", L. A. Rodrigues Lopes,

wegens smaadschrift jegens de

Haagse politieman H. P. Huisman

ƒ 500 inplaats van ƒ 250 zou zijn geweest,

als verdachte niet reeds ƒ 4000

aan beledigde had moeten betalen bij

civiele vordering?

Wanneer U dit allemaal niet bekend

was, vindt U het dan niet fijn,

dat wij dat allemaal voor U hebben

uitgezocht ?

slag aan een persconferentie van de

Cie. van Goede Diensten toe te schrijven

en van de feitelijke juistheid van

zijn weergave en samenvatting van

het gesprokene, niettemin toch eigener

beweging meer indirecte, vage

en diplomatieke toeschrijvingen en

formuleringen had kunnen kiezen,

gezien de gevoeligheid van het onderwerp.

De Commissie van Onderzoek

meent hiertoe te kunnen opmerken,

dat het in deze de taak en

de opdracht van de heer K.ek is geweest

zo juist mogelijk verslag uit

te brengen onder inachtneming van

de publicatievoorwaarden, zoals hij

deze voorwaarden had moeten verstaan.

Het beleggen van deze persconferentie

kan geen andere bedoeling

hebben gehad, dan dat de aanwezige

leden van de Cie. van Goede

Diensten hun meningen op juiste

wijze in de pers wilden zien weergegeven,

sommige van welke meningen,

enige dagen nadien nogmaals

in de Veiligheidsraad publiekelijk tot

-uiting zouden komen. Uit niets is

gebleken, dat de aanwezige leden van

de Commissie hun uitgesproken meningen

op vage wijze weergegeven

wilden zien. De heer Kiek had dit

dus niet behoeven te doen; hij had

het kunnen doen, maar hij heeft het

niet willen doen wegens het belang

door hem gehecht aan deze meningen.

De Commissie van Onderzoek

meent derhalve dat de heer Kiek hier

geen verwijt kan treffen. De Commissie

twijfelt alleen omtrent de

vraag, of het punt van de uitbreiding

van de bevoegdheden geheel

adequaat is weergegeven; zij acht

dit onderdeel echter zo onzeker en in

eventuele toerekenbaarheid zo weinig

in evenredigheid staande tot het

op het werk van de heer Kiek uitgeoefende

critiek,- dat de Commissie

meent, dat dit onderdeel niet kan

verhinderen om de schade, toegebracht

aan de naam van de heer

Kiek als journalist, ongedaan te maken.

De Commissie wenst de resultaten

van haar onderzoek beschouwd

te zien als een rehabilitatie van de

heer Kiek.

Wegens het onrecht, dat door de

bovengenoemde samenloop van omstandigheden

aan de heer Kiek is

aangedaan, meent de Commissie aan

het Bestuur van de Federatie van

Nederlandse Journalisten met klem

te moeten aanbevelen, dat dit rehabiliterende

rapport volledig ter kennis

worde gebracht van meer personen

dan het Bestuur aanvankelijk

op het oog heeft gehad. Allen, die in

enigerlei hoedanigheid met deze zaak

in aanraking zijn gekomen, behoren

van de volledige overwegingen door

de Commissie eenstemmig in aanmerking

genomen, te kunnen kennis

nemen. Dit rapport draagt om geen

reden een vertrouwelijk karakter; er

wordt geen-critiek op bepaalde personen

geoefend en het bevat geen

aanhalingen, waarvan de bekendheid

thans nog enig belang zou kunnen

benadelen".

15


DE FREE

Nadat in uw kolommen één onzer

collegae wees op de volgens hem onjuiste

uitdrukking „free lancer", is

De Journalist" zo aan een schuldcomplex

gaan lijden, dat onder Charivaria

de uitdrukking Free Lancer

vermeld wordt als „net niet Engels".

Als free lancer nu kan ik niet

gedogen, dat onze goede oude Journalist

(hij had nota bene zelf deze

uitdrukking gebruikt) gaat lijden

onder een misplaatst gevoel van

schuld en schaamte. Daarom het

volgende:

Lance betekent zowel speer als ook

speerdrager.

Lancer duidt alléén de drager aan

(lancier, Lanzer).

Wil men dus een onafhankelijk

man, een. vrije lansdrager of lancier,

aanduiden, of overdrachtelijk, een los

journalist, dan kan men zeggen hetzij

free lance, hetzij free lancer. De Bengaalse

lanciers hadden dus óók de

Bengal Lances kunnen heten en mijn

collegae kunnen dus met evenveel

vrucht betiteld worden met free

lancers als met free lances, eyenals

men kan spreken over een gentlemans

agreement en een gentlemens

agreement.

De uitdrukking free lance bestond

echter reeds voordat men nog nooit

van een krant, laat staan van een

linotype, gedroomd had. Ja, de uitdrukking

in haar journalistieke betekenis

is waarschijnlijk volgens analogie

ontstaan uit de oude betekenis,

welkd was: onafhankelijk parlementslid,

een „wilde".

Zette ik boven uiteen, dat men in

goed Engels de „r" al of niet kan

gebruiken, het is idiomatisch juister,

waarde collega, om de „r" wèl te

gebruiken. Men spreekt n.1. algemeen

in de Angelsaksische landen over onafhankelijke

of wilde journalisten als

free lancers, zoals U trouwens vrijwel

wekelijks hebt kunnen lezen in

, het vaak geciteerde weekblad, dat ik

zelf graag betitel als „the best bad

weekly in the world", n.1. Time.

Mr. K.,

free lancer.

[Discipulus, door de redactie onderhanden

genomen, erkende dat hij

gesoesd had toen hij zijn kritiek op

„free lancer" (die was blijven overstaan)

niet schrapte nadat een ander

er in De Journalist het zijne van had

gezegd. Waarop de redactie gestrengelijk

sprak: „Indignus, quandoque

bonus dormitat Discipulus", hetgeen

de toegesprokene des te deemoediger

het hoofd deed buigen omdat hij het

niet helemaal verstond.

Daarna echter vatte hij moed en

kwam met vele kilogrammen Universal

English Dictionary van professor

Wyld aandragen, waaruit hij het

volgende voorlas:

„Freelance, n. a (hist.) Soldier who

fought as mercenary for any one

who would pay him for his service;

b (fig.) one who acts as his principles

16

LANCE(R)

or inclinations prompt; one not controlled

bij a particular party, or body

of authority; c journalist, writer on

miscellaneous subjects, not attached

to a particular paper &c."

— En free lancer? vroeg de redactie.

— Staat er niet in, zei Discipulus,

Waarop de redactie op haar beurt

begon voor te lezen:

„Men spreekt n.1. algemeen in de

Angelsaksische landen over onafhankelijke

of wilde journalisten als free

lancers ...."

— Wacht even, zei Discipulus. Hij

graaide in een stapeltje weekbladen

met blauwe omslagen en vertoonde

triomfantelijk de World's Press News

van 15 April 1948. — Een weekblad

uit een Angelsaksisch land, als ik

me niet vergis, zei hij alvorens hij

begon voor te lezen:

„Institute Freelances Back Merger.

Reginald M. Lester, chairman of the

Institute Freelance Section and

member of the Council, has issued

the following statement: —

„Institute freelance members, have

De schrobbering van de President

van een Bijzonder Gerechtshof en een

wrevelig stukje in ,)De Nieuwe

Eeuw" van mr. v. d. Putt hebben de

redactie de vraag doen stellen of de

kunstbroeders met hun rechtbankverslagen

op de verkeerde weg zijn.

Ter verbetering, althans als punten

van discussie, doet zij een paar suggestief

aan de hand in de vorm van

een aantal alternatieven, waarvan de

uitersten elkander niet uitsluiten, en

naar mijn smaak daarom liever te

vermijden zijn. Aan de nationale

opvoedingsdrift wordt al meer toegegeven

dan menigeen lief is, terwijl

het prikkelen van de sensatielüst ook

al een erkende ondeugd van de pers

is.

Mr. v. d. Putt vraagt om meer

„objectiviteit". Maar dan blijven we

toch zitten met de vraag, welke

objectiviteit: die van de raadsman,

waarmee hij de naar de bekende

formule van Trapman de subjectieve

positie van verdachte'a geval beoordeelt,

of die van de zaak, waarover

het O.M. subjectief het oordeel velt?

Of moet de verslaggever zich tenslotte

vermeten aansluiting te zoeken

bij de rechter, die de objectieve

positie objectief te beoordelen

tracht? En trouwens, waarom zou

hij, bij nadere beschouwing, helemaal

objectief moeten zijn? Het wil er bij

mij niet in, dat een journalist de heer

Rauter, ondanks de mogelijke juridische

mérites van diens zaak, niet nog

eens aan zijn publiek mag voorstellen

al|s een weinig gevierde

persoonlijkheid in den lande, zo goed

als zijn collega van de toneelrubriek

mag herinneren aan de geringe

not, as a whole .. .."

— Spaar ons de rest, wil je ? vroeg

de redactie.

Discipulus begon genadeloos aan

een andere rubriek: „Obituary. Herbert

W. Gadsden, aged 65. Born in

Bournemouth, where he received his

early training.... For some years

he worked as a freelance ...."

De rbdactie is' atilletjes weggegaan;

Discipulus leest vermoedelijk nog, de

man is ietwat hardnekkig. Tussendoor

heeft hij tijd gevonden om de

redactie op te bellen met de mededeling

dat „a free lance is a gentleman

who may be described as one

who was once a reporter, but who

now only works when the right thing

tumbles his way and when he has no

beer into which to dip his beak" —

waarop de redactie hem vroeg of dit

citaat (uit F. J. Mansfield: Gentlemen,

the Press!) persoonlijk bedoeld

was.

— Persoonlijk tegen wie? vroeg

hij. Hij was de aanleiding van zijn

opzoekingen al lang vergeten.

Overigens kan die definitie niet op

mr. K. slaan, want die is free lancer

(met een R). En hij zal óók wel gelijk

hebben, want hij leest Time.]

Over Rechtbankverslagen

zedelijke voortreffelijkheid van de

heer Macbeth. Nu we van Huizinga

weten, dat ook de openbare strafzitting

een spel is, geloof ik, dat we

het verschil niet zo scherp mogen

stellen. En zomin t als er een vast

schema bestaat voor de toneelbespreking,

zomin is er, dunkt me,

een voor het rechtbankverslag. Of

het moest dat zijn van het wetboek

van strafvordering; een nauwelijks

volmaakt en zeker een saai schema.

Een schema nochtans, dat de

rechtbankverslaggever moet kennen,

zo goed als de toneelcriticus het

schema van het klassieke drama

kent. En daar is het, naar het me

voorkomt, dat de schoen wringt, die

President en verdediger zulke lelijke

gezichten deed trekken. Ik geloof

niet, dat mr. v. d. Putt er principieel

bezwaar tegen kan maken, wanneer

een journalist hem zegt: „Alles bij

elkaar genomen vind ik uw cliënt

toch maar een nare jongen". Wanneer

hij evenwel in zijn krant leest,

dat een of andere verdachte een

gitzwarte ziel heeft, zal hij terecht

boos worden. Hij wenst namelijk niet

bedot te worden. De verslaggever nu,

die zulke dwaze dingen neerschrijft,

doet dit uit ondeskundigheid.

Het gaat er namelijk niet op dè

eerste plaats om, of een verdachte

een nare jongen is; het gaat erom, of

het gedrag van verdachte strafbaar

is naar bepaalde rechtsnormen. Die

gedraging van verdachte wordt in het

algemeen ter openbare terechtzitting

ampel besproken, doch de verslag-

(Sldt op pag, 19)


VAN ALLERLEI KANTEN EN KRANTEN

BAARDEN OF JOURNALISTEN

The Foreign Press News

is het gestencilde maandblad van de

(New Yorkse) Foreign Press Association

(pres.: onze landgenoot Simon

Koster; lid van het bestuur o.a.:

onze - landgenoot Fred Vas Dias).

Ons bereikte het Mei-nummer van

dit blad, waarin een artikel Journalists

and Beards, geschreven door

N.R.C.'s Arnold Vas Dias, zelf een

baardman van-uw-welste. Wij nemen

dat gehele stuk over, voorzien van

een (daarin voorkomend) portret

van de schrijver, getekend door de

befaamde Hongaar Kelen:

JOURNALISTS AND BEARDS

by Arnold Vas Dias

In an unguarded moment J promised

the untiring editor of THE

FOREIGN PRESS NEWS a contribution

on „The Beard in Journalism'".

I did not realize what I let myself

in for. This subject is too "vast —

and too important — to be treated

in a superficial and, may be, flippant

manner. Contrary to my friends and

to my detractors, who like to use

the beard as an element for ridicule,

I take my beard seriously. It has

been my mainstay in times of stress,

the firm rock (covered by fertile

vegetation) on which my reputation

has been built.

Several other members of the

Dutch journalistic community bear

the same last name as myself and

any reference to my person is always

accompanied by a graphic description:

"Vas Dias, you mean the man

with ....", here the hand is brought

toward the chin in a waving movement.

"Yes, yes", is the reply and

another hand is raised, making a

stroking movement along both

cheeks. It is the same kind of

compelling gesture, which underlines

the description of a spiral staircase.

"The Beard in Journalism" can

only be the subject for a book, which

I yet hope to write when I shall

have retired from active newspaperwork.

I shall dedicate it to Reuters'

Michael Fry, that brilliant

young journalist who, some months

ago, saw the light and whose steadily

maturing beard — although not yet

quite in its full flowering — has

already made its mark in the lounges

and at the bars at Lake Success and

Flushing. He readily recognizes that

he found inspiration in my example.

He calls me reverently: "My Master".

I have trained many young journaliats

in my time, but none of them

ever showed such a degree of vener­

ation. This proves what the beard

can do.

The present article can, therefore,

only raze the surface of this engrossing

subject. In my book I shall surely

treat of illustrious precursors. There

was a time when the editor of any

well established newspaper, whose

opinions were held in great esteem,

had to have a beard. The beard

stood for- well-founded views, for

stability and ripeness. That was the

time when readers first opened their

papers at the editorial page, when

leading articles made news. Now'the

newspapers, edited by beardless indi-

Arnold Vas Dias

viduals, seek their strength in facts,

as bare and naked as the chins of

the journalists, who are supposed to

marshall them.

There are few great newspapers

on which bearded journalists have

not left their mark. I like to remember

my good friend Frederick Birchall,

who contributed so greatly to

building up the world news service

of the New York Times. Was

it not because he gave free, though

well-clipped, scope to all the hairs

that are fit to grow, that he was so

successful in gathering in the capitals

of Europe all the news that is fit to

print ?

Who can say how much the

Christian Science Monitor

has owed to Sisley Huddleston's

beard? And, coming to British journalism,

dit not George Slocombe's

red beard become one of the land­

marks of Paris? In Dutch journalism,

too, we had a famous redbeard

in the person of J. C. Schroder, a

much read commentator and much

feared theatrical critic, whose nomde-plume,

Barbarossa, made many a

playwright and actor or actress

miss a heartbeat.

I have some hesitation in dealing

with the case of Wickham Steed. His

was a timorous approach, it was a

beard and yet not a beard, a compromise

which made one doubt

whether he had the full courage of

his convictions. In fact, there was a

suggestion that he was trying to

split hairs.

It is true that some- journalists

have made a success of their career

and a mark on their profession without

this adornment, which James

Reston in a historic article on the

San Francisco conference once called

"magnificent". A spiteful colleague

suggested that in this category I

should mention in the first place

Madame Tabouis. This, I think, is

ungenerous. Let us leave the ladies

out of this, they surely are ' hors

concours". Confining myself to men,

I am willing to concede that some

beardless correspondents did not do

too badly. But who can tell how

much better they would have done

if only they would have sported this

additional attraction? Dit not

Hemingway and Steinbeck find it

an indispensable attribute to the

make-up of a war correspondent?

In my experience the beard has

proved its worth. It made people

remember me and single me out

where other colleagues went unnoticed.

At least two British Prime

Ministers gave me their confidence

because of it.

When the ill-fated World Economic

Conference was assembled in London,

the British government gave a reception

for the delegates in-Lancaster

House. It was a dazzling affair. At

the head of the monumental staircase

stood Prime Minister Ramsay Mac-

Donald, flanked by his daughter

Ishbel, receiving the thousands of

guests, shaking hands, uttering formal

greetings until I came

within his field of vision. I could see

his face reflect his innermost

thoughts. They must have been

something like this: "I have seen

this man before. Who the devil is

he ? He looks like somebody. I m u s t

know him!" And so, to cut the

dilemma short and be sure to do the

right thing, he advanced with outstretched

hands two steps down the

17


stairs, took both my hands in his

and, with a great show of cordiality,

exclaimed: 'How do you do!" Later

he must have realized that this exuberance

on his part was not called

for, but he has never forgotten me

since.

And there was Winston Churchill.

That was during an election campaign

in the thirties when the principal

plank in his program was antibolshevism.

Three of us, foreign

correspondents, decided to follow

Churchill during a night of campaigning.

It was, I must own, a

remarkable combination: Svenska

Dagbladet's Eric Swenne, tall,

lank, fair, and very Scandinavian;

A. B. C. ' s Pedro Castro, Spanish,

dark en somehow sinister looking;

finally your bearded Hollander,

whose black frontispiece was plastered

all over his front-page. Together,

armed with bulging briefcases

which might have contained

anything — even bombs, we could

not fail to attract attention.

Churchill was campaigning in his

Epping district, which is partly rural

and partly London suburban. He

held three meetings that night. The

first was in an outlying villageschool.

Here we made a spectacular

entry, when he was already addressing

his constituents, making the

blood of placid farmers and old

maids curdle. He gave us one black

look and went on. At the secondmeeting,

where we followed him by

car, we were already In our seats on

a front bench, when Churchill appeared

on the platform. Another

grim look in our direction. When at

the third meeting our mysterious

trio bobbed up again, it became too

much, even for such a seasoned

campaigner as Winston. While the

chairman introduced the speaker to

this torbulent meeting in the heart

of industrial London, Churchill bent

over to his secretary and whispered

something in his ear.

Duly his emissary arrived. Would

we mind telling who we were? The

message, with which the secretary

returned, clearly brought much relief

to the candidate, who with his accustomed

gusto threw himself into

the fray and, within ten minutes,

forced an uproarious audience to

silence and rapt attention. Meanwhile

the emissary had come back

to us. Would we accept Mr. Churchill's

invitation to join him, after the

meeting, in his temporary home in

Epping Forest? Of course we would

be delighted.

It was a long drive at the hour

of midnight through the dark lanes

of tjhe forest. Finally we arrived

before a stately mansion in the

woods. Churchill, who had stepped

out of his car, was waiting for us on

the portico. There were smiling

introductions, followed by cocktails

18

inside. A candlelight supper round

an oval table, with Churchill's

daughter Sarah as hostess, ensued.

For a long time we remained

talking over our brandies, served in

huge bowls, and Churchillian cigars.

Winston was in one of his best

moods. . He painted an engrossing

picture of the political situation at

home and the international stresses

abroad, highlighted by an inexhaustible

store of anecdotes. It was a rare

feast for a journalist. When we got

back to Whitehall, Big Ben struck

four.

I am inclined to believe that the

peculiar combination of our incongruous

types made that singular

impression, which prompted Churchill

to get to the bottom of what we

were and why we followed him like

shadows.

But my friends disagreed. "Arnold",

they said, "we have your

beard to thank for this".

So here you have an illustration

of the role of the beard in journalism.

Some think that they can do without

it. Well, let them. I shall not discourage

their views, for it is the

lone beard which is most effective.

I know what I owe to it. I shall

never shave it off.

PLUIMPJE (I)

Het Lichtspoor schreef:

VER de aanwezigheid van de vele

O voorlichtingsdiensten is menig

woordje gesproken en geschreven;

in het eerste na-oorlogse jaar vaak

in niet-prijzenswaarójige bewoordingen.

Als paddestoelen uit de grond verrezen

na de bevrijding voorlichtingsen

persdiensten, die ieder door het

uitschrijven van een ,,persconferentie"

van hun — vaak nutteloos —

bestaan blijk wensten te geven. Aan

het einde van zo'n bijeenkomst werd

dan een gestencild communiqué aangeboden,

waaruit dan ten overvloede

duidelijk bleek, dat de gehele persconferentie

overbodig was geweest.

Particuliere instellingen volgden dat

voorbeeld van de overheid en „concurreerden"

door het aanbieden van

uitgebreide lunches, borreluurtjes, en

wat dies meer zij.

In de loop der na-oorlogse jaren is

gelukkig — door ingrijpen van de

Nederlandse Journalistenkring — veel

gereorganiseerd en verbeterd: tal

van overheids- en particuliere persdiensten

en -dienstjes zijn verdwenen

en de thans nog bestaande voorlichtingsorganen

leggen veelal op

lofwaardige wijze getuigenis af van

de opvatting hunner taken.

In het bijzonder willen wij de aandacht

vestigen op de Legervoorlichtingsdienst,

die door het organiseren

van de legertentoonstelling op voortreffelijke

wijze het begrip „voorlichting"

tot uiting heeft gebracht. Van

de „Sherman-tank", die — zoals al­

les op deze expositie — van onder tot

boven en van buiten tot b'innen bekeken

kan worden, tot de dagelijkse

broodbelegging van de soldaat toe

wordt getoond. Onvolkomenheden

worden ronduit erkend; soms is de

oorzaak van een misstand geld-,

soms materiaalgebrek, maar ook

worden zonder meer klachten geaccepteerd

en voor verbetering genoteerd.

Voorlichting op deze wijze billijkt

niet alleen het bestaan van een voorlichtingsdienst

als die van ons leger,

doch bewijst de noodzakelijkheid

daarvan. Hetgeen nog niet van alle

persdiensten kan worden gezegd!

Ter navolging dus!

Ni.

PLUIMPJE (II)

In de memorie van antwoord betreffende

de begroting 1948 van het

ministerie van Algemene Zaken

komt o.m. ter sprake het werk van

de commissie-Van Heuven Goedhart

inzake de regeringsvoorlichtingsdienst

en de persdiensten der departementen.

Volgens de memorie stelt

de later ingestelde ambtlijke reorganisatie-commissie

voor, het voorlichtingsbeleid

omtrent de verschillende

takken van overheidsdienst

onder de verantwoordelijkheid der

onderscheiden ministers te doen

vallen.

Wat de kostenbecijfering betreft,

kwam de ambtelijke reorganisatiecommissie

tot veel gunstiger resultaten

dan de commissie-Van Heuven

Goedhart. Becijferde deze een bedrag

van ruim negen millioen plus enkele

memorieposten voor het begrotingsjaar

1946 en meende zij een tendenz

tot stijging waar te nemen, de reorganisatiecommissie

heeft alles overgecijferd

en is tot de conclusie gekomen,

dat ondanks twee salarisverhogingen

de kosten met bijna twee millioen

waren verminderd. Volgens haar

komen de totale kosten aan voorlichting

in de strikte zin van het woord

slechts op ruim drie millioen. Verder

becijferde zij de verhouding tussen de

kosten voor de buitenlandse en voor

de binnenlandse voorlichting niet op

2 : 7 gelijk de commissie-Van Heuven

Goedhart meende, doch op 3:2.

Ernstige klachten over de regeringsvoorlichtingsdienst

hebben de

regering niet bereikt; integendeel

constateert de minister van Algemene

Zaken, na de reorganisatie, een toenemende

waardering voor het werk

van de regeringsvoorlichtingsdienst.

PLUIMPJE (III)

Het is nu eenmaal zo, dat De Gooien

Eemlander (zo schrijft De Gooien

Eemlander) redactioneel niet

onder doet voor de z,g. grote bladen

en zulks nog wel ondanks alle zuiveringsmanipulaties,

die .ons blad heeft

meegemaakt en waarvan sommige

bladen om voor ons niet Iheldere

redenen gevrijwaard zijn gebleven. De

vrucht van onze uitstekende redact!»


weerspiegelt zich duidelijk in de

dagelijkse groei van onze lezerskring.

(WIT) PLUIMPJE (IV)

„As a journalist I salute him for

having produced a newspaper which

is among the 12 greatest newspapers

in the world, although near the hottorn

of the list. As a Britisher, I

would not weep if he got caught up

in his own presses and added a fifth

colour to the cartoons."

(Beverly Baxter, MP, over

Robert Mc.Cormick, directeur

Chicago Tribune).

ROBOT NODIG?

Telephonoigraphy is a word which

appears likely to come into the average

vocabulary goon through the inventive

powers of Willi Mueller, a

German-born Swiss expert in the

science. When he -leaves for New

York this month he will take with

him plans for the commercial development

of his "Notaphonie", 'an instrument

which combines the functions

of telephone and phonograph

for the purpose of talking messages

in the subscriber's absence.

Writing to World's Press News

Frederick Sands describes the ad>vantages

the Notaphone would have

for a newspaperman. He hired such

a machine after it had been demonstrated

in Switzerland and refers to

it now as his "robot secretary." The

Notaphone answers all telephone

calls if the receiver has not been lifted

after three rings, takes whatever

messages are dictated to it, recording

them on a 12-inch disc with a

capacity of nearly half an hour, and

will then play them back in response

to a secret code known only to its

owner. The owner may phone his

own office and by uttering a code of

vowel sounds have 'the recording

played back to hitm.

Earlier technical achievements in

this field have failed in a commercial

sense because of high rental and installation

costs, (but the (Mueller machine

is expected to be within reach

of average incomes. Mr. Sands says

the cost of his robot secretary is

about 2 guineas a month.

R.D.B.

Dat waren de initialen van Ralph

D. Btamenfeld, onlangs overleden,

voonmalïg hoofdredacteur van de

(Londense) Daily Express. — Dit

schrijft Roy Johnson over hem in

Inky Way Annual:

"To the young journalist of today

he is merely a name; to the old

hand, a happy memory. To Fleet

Street he is, and ought to foe, a tradition;

so much that is good about

the profession of journaMsim—and

nothing that is bad about it—derives

from him.

"That phrase 'the profession 1 of

journalism' is not to him a vain and

bombastic piece of self-assertion. He

envisages a journalist as a man or

woman with this equipment: Sound

and thorough education; knowledge

of life; wit, and, if possible, humour;

a keen but kindly scepticism—a

swift perception of the bogus, whether

in a person or in a story; social

an!d (mental culture; practical knowledge

of every technical stage in the

making of a newspaper; and, of

course, a flair for mews.

"These were the qualities he required

of his men. He did not mind verymuch

in what order they were acquired

... .

Set Type

"R.D.B. himself .had learned his alphabet

by setting it in type, in the

composing room of the rustic newspaper

his father edited and printed.

He learned world geography by sending

news despatches at 40 words a

minute as stand-in for the local telegraph

clerk. Between times he read

everything he could lay his hands, on,

from Marx to Thackeray. Be could

not only sell a 'Linotype machine, he

could erect lone. (His only 'deflection

from journalism was a lucrative spell

at this; but when Alfred Harmsworth

called him, from the adjoining

chair in Carter's hairdiressing saloon,

to come back to the craft and be

news editor of the Daily Mail, he

recanted gladly.)

"After .two years (19O0-2) at Carmelite

House he came to Shoe Lane

to edit the Daily Express, gathered

his mixed crew and 'made them the

happiest ship Fleet Street has ever

known.

"He proved himself the finest

journalist of his day. It is a tenable

opinion—I, for one, hold it—that

Fleet Street has never seen his equal.

He knew more people, and more secrets,

than any man in the newspaper

world. He was the Ambassador

of Journalism; the best [Public Relations

Officer the Press has ever

had

"I think R.D.B. was outstanding

for four reasons.

'IHe had the keenest sense of prestige.

Salisbury's biting comment on

the Daily Mail—'a paper written by

office boys for office boys'—was unjust

and untrue; but it stuck. R.D.B.

meant to make sure it never stuck to

the Daily Express. He chose men

who would be 'in the picture' as he

always was himself; whether the

picture was Lansdowne House or

Llmehouse.

"He treated 1 his readers with the

same tact as he treated his guests.

He did not instruct them. Still less

did he take the line 'Let us find out

about this together.' He assumed they

knew—as, of course, the Daily Express

did. If they did not, how flattering

to foe reminded, as if you did.

' "He could discern a faker—social,

political, philahthropical or journalistic

— with the shrewdness' of

a beagle. However clever their piece,

fakers did not iget into the Daily Express;

or, if they did, they were

sorry. He was as canny with a fake

story

"Finally, R.D.B. was as kind as an

editor as he was as a man. He shot

no lines about the sacred duty of

printing all the news. 'Take that bit

out. That girl's really nothing to do

with the ease, and it'll only upset

her. Yes, I know. It does brighten

'the story. All the same, cut it out.'

"Happy memories, R.D.B.! Fleet

Street owes you more than it

knows."

OVER RECHTBANKVERSLAGEN

(Slot van pag. 16)

gever zal er goed aan doen in alle

bescheidenheid te bedenken, dat

rechter, O.M. en verdediger door

bestudering van persoon en dossier

van verdachte in die gedraging een

beter inzicht hebben dan hij. Eén

weinig kennis van de criminologie,

samen met de beroepsmatige oplettendheid

en snel verwerken der

gegevens, zou hem die voorsprong

enigszins doen inhalen.

Ook enige bekendheid met de

normen, waarnaar en volgens welke

die gedraging getoetst wordt, zou de

verslaggever niet ontsieren. Hij zou

dan bijvoorbeeld weten, dat de verdediging

in onze rechtspleging een zo

wezenlijk deel uitmaakt, dat het

weglaten ervan uit een rechtbankverslag

een even grote dwaasheid is

als het weglaten van de hoofdrol uit

de „Lucifer", uit zedelijke verontwaardiging

over diens wangedrag.

De verslaggever, die min of meer

deskundig is, zal zulk een blunder

niet begaan; ook als hij tenslotte

de partij van het O.M. kiest. Hij zal

dan ook aan andere blunders ontkomen;

van de kleine onzin om het

O.M. een straf op te laten leggen

— zulke dingen staan er soms in

kranten! — tot de ten top gevoerde

belachelijkheid om een verdediger,

die — en hoe voortreffelijk soms —

zijn vaderlandse plicht staat te vervullen,

aan te vallen. Zulke dingen

zijn weinig geschikt om bij het publiek,

dat ook niet helemaal van

gisteren is, de eerbied voor het

krantenvak op te wekken.

Geloof ik dus niet aan de „objectie

viteit" van mr. v. d. Putt, noch aan de

vaste regels, die de redactie voor het

rechtbankverslag zoekt, wel meen ik,

dat enige deskundigheid de bezwaren

kan wegnemen, die tegen de verslagen-

van sommige strafzittingen

terecht worden aangevoerd. En hoe

meer eigen oordeel, hoe meer deskundigheid.

Helaas zou ik niet weten, waar de

minder ervaren journalist die zou

moeten halen; of het zou uit de gebruikelijke,

te uitvoerige handboeken

moeten zijn. Misschien schrijft eens

een oudere vakbroeder het handige

boekje, dat de jongere collegae

wegwijs maakt in de belangrijkste

problemen van strafrecht, strafprocesrecht

en criminologie. Of is het

iets voor'de bekende strafpleiter mr.

v. d. Putt, om daarmee de journalistiek

een dienst te bewijzen ?

mr. W. S.

19


Lagere school

CHARIVARIA

D» IJffeltoren in stroomlicht.

(Alg. HM.)

Deze dappere mannen, die eens hun

leven en gezondheid feil hadden voor

Nederland. (Voorwaarts).

Een deel van de pers is daarvan blijkbaar

zo verschrikt (N.R.C.).

Parijs' commentaar (Elsevier).

Voorbereidend hoger onderwijs

De Volkskrant heeft in de zesde

druk van de Winkler Prins verschillende

„ïapsi" ontdekt. Na de va-,

cantie zal ze aan de vierde declinatie

heginnen.

„Melk voorlopig vrij' , kondigde

Het Vrije Volk aan en zijn tekenaar

zette daarbij een melkfles met het

opschrift VRY. Waarschynlyk volgde

hy tydelyk de schryfwyze van wylen

Multatuli.

Hetzelfde blad beschrijft 't afscheid

van een hoogste klas lagere school:

afscheid van de school en van de

ïïl&GStGr •

Drie jaar zijn ook zij samen opgetrokken

De meester kent zijn kinderen ....

De meester heeft over enkele weken een

nieuwe derde klas.

Hoeyeel klassen heeft een lagere

school ?

Trouw aan de naamvals-n

waarin hij den nabestaanden de

verzekering gaf dat, dank zij den goeden

zorgen van den directeur.... — wu zijn

onzen doden onwaardig.

.... tot in het vrouwelijke

Wh vlogen bij helderen maan hoog

over de stad. (Trouw).

Na vijf jaar Duits

Een plicht die een actieve stellingname

vereist. (Alg. Hbl.).

Opname van gedemobiliseerden in het

•^reSEJSSSSi- door generaal

«gSFSJEFSttf voorstellen de

besprekingen doorkruiste. (Alg. HblJ.

Wij zijn vóór gelijkberechtiging. (Tijd).

In toneelmatige vorm. (Tijd).

Het personeel, dat verschillende rijksdiensten

afstoten. (Volkskr.).

Het beste is hij er aan toe, die zich

de baan zoekt, die hem het b^ 1 ^*;^.

De zaak is al misselijk genoeg. (Tijd).

Een verdwijnende minderheid.

Een uitputtende opsomming.

De margarine-industrie zal haar belangen

veilig gesteld zien. - Een ordening

die de waarachtige vrijheid veiligstelt.

Het karakter van raamwet. (Parool).

Veesmokkel ontdekt. (Tijd).

Veesmokkel per pantserauto. (Trouw).

Het betreffende artikel. (Alg. Hbl.).

De betreffende socialistische verklaring.

(Volkskr.).

Nederland, we voelen het dagelijks, is

niet meer „steenrijk". (Volkskr.).

Dit is daarom belangrijk, omdat

(Volkskr.)

Even later vraagt de president: lag er

een gerechtelijk vonnis voor? (Alg. Hbl.).

De z.g. Woltersomse organisaties.

(schrijft de Voskuilse krant).

Tussen de perioden van zaaien, ver-

20

plegen en oogsten heeft de kleine boer

weinig te doen. (Parool).

Een aardigheid, die de Duitsers eerst

recht arm zal maken. (Elsevier).

Toen wilde het eerst recht niet meer.

(Parool).

Dora Paulsen is een vrouw, die— de

zin van een tekst moeiteloos over hét

voetlicht weet te brengen. (Parool).

Da stellt ein Wort

zur rechten Zeit sich ein

De E.H.B.O.'ers zullen zich instellen

voor de Roode-Kruis-Campagne.

, (Trouw)

Het Parool vindt dat Dora Paulsen

„liever in zuiver Duits dan in gebroken

Nederlands" zou moeten

zeggen. wat zij te zeggen heeft.

Discipulus denkt wel eens hetzelfde

van sommigen onder zijn collega's.

Engels

De vraag is hoe dit precies uit te vin-,

den. — Gallup vond dit uit. (Trouw).

Een tripartite conferentie. (N.R.C.).

De editorialist van het Eindhovensch

Dagblad. (Spectator).

En al moet het bedrijfsleven dan nog

,,organisatie-minded" worden (Parool).

De Belgische liberalen realiseren zich

gevaren voor de monarchie. (N.R.C.).

dat de huidige impasse nauwelijks

veel langer kan duren. (N.R.C.)

Voorstel Baiidoengconferentie voor

overgangsbestuur. — Bondowoso-transport

voor de krijgsraad. (Vrije Volk).

Operatie broodwinner. (Groene).

Een straat met nondescript© huizen.

(Elsevier).

Daar hebben we in Nederland nu practisch

veel te veel van. (Volkskr.).

Accoord.

Geen Engels

Happy ending. (Elsevier).

Frans

Britten heeft een muziek doen klinken

van ontroerende schoonheid; soms

is deze muziek van een sombere grootheid.

(Vrije Volk).

Half Duits, half Engels

De zware dieptrommen van de Arnhem-band.

(Volkskr.).

Half Duits, half Frans

Het zijn alleen de geschoolde krachten,

die nog behoorlijke kansen krijgen.

Hachelijk experiment

dat de door hem behandelde instrumenten

— wat klankzuiverte betreft

— die van Stradivari evenaren. (Parool).

Als de speelbaarte van het instrument

er nu maar niet onder geleden

heeft.

Hogere literatuur

De zondoorschoten aula van het Velsense

crematorium. (N.R.C.).

De vrouw die voor hem d e vrouw versymboliseert.

(Ned. BiM.).

De schrijver verinterpreteert hiermee

natuurlijk alleen zijn eigen

opvatting.

Hogere meetkunde

Dekens van langwerpig vierkante

vorm. (Elsevier).

In tegenstelling tot kleedjes, die

soms ovaal rond zijn.

Hogere rekenkunde

De statistiek leert ons voorts dat er

nog geen duizend Nederlanders in Paramaribo

verblijven (700 mannen en 350

vrouwen). (Oost en West).

Hogere physiologie

Hersenen, niet op de hoogte van

E.H.B.O., kunnen deze methode gemakkelijk

nadoen door afkijken.

(Ned. Rode Kruis).

Het dwaselijke adjectief

Geen waarlijke verzetslieden. (Elsevier).

Onze regering bewijst haar waarlijke

progressiviteit. (Vrije Volk).

De bezittende klassen

Een vak waarvan zelfs de primitiefste

volken enige kennis bezaten. — Doornspij

k bezit een fabriek voor het drogen

van kruiden. — De kruidenzoeker moest

de onverklaarbare eigenschap bezitten.

(Parool).

Het geheel bezat routine. (Elsevier).

Mislukte poging

Ik had getracht vrij zuiver in te stellen.

(Elsevier).

Discipulus heeft tevergeefs getracht

zich zuiver voor te stellen

wat de schrijver nu eigenlijk gedaan

heeft.

Nog een mislukte poging

Het chic Ostende. (Volkskr.).

Discipulus gaat liever naar het

coquet Le Coq.

Het halve woord

Een goed verstaander heeft maar een

half woord nodig: uranium. (Volkskr.).

Hoe luidt de'andere helft?

Mulder, wiens kind twee dagen' na zijn

arrestatie geboren werd en dat hij nog

nooit had gezien

Dit zinnetje, welks stijl miserabel

is en die ik daarom moet veroordelen,

stond in Het Vrije Volk.

In wat?

De trailer werd doormidden gereden,

waarbij de cabine in tact bleef.

Kecept

Men neme:

vlees,

bloed,

vakmanschap,

en spanning,

en wat krijgt men ? U raadt het

nooit — regie:

Een opera-regie van vlees en bloed en

van uitmuntend vakmanschap en grote

spanning. (Elsevier).

Stijl-onderwijs

Natuurlijk zijn de technische grondslagen

zuivere spelling, zinsvorming, interpunctie,

alinering, uiterlijke woordenkeus

en de vermijding van stijlfouten

belangrijk en onontbeerlijk. Daartoe

moet de basis in de drie eerste cursusjaren

worden gelegd. (Alg. Hbl.).

Met het eerste is Discipulus het eens,

maar hij vindt het overdreven, de

leerlingen daarvoor drie jaar in de

eerste klas te laten zitten.

Discipulus zegt de inzenders van

knipsels dank voor hun steun bij het

zware werk. Wie helpt (mee?

More magazines by this user
Similar magazines