De campus als publiek domein - Rooilijn

rooilijn.nl

De campus als publiek domein - Rooilijn

Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009

Compacte clusteruniversiteit 1950-2010

Groeiende studentenaantallen

Halverwege de jaren zestig was de verwachting dat het

studentenaantal in 1975 zou zijn gegroeid tot 14.000.

Dankzij de babyboom en toenemende participatie aan

het wetenschappelijk onderwijs werd dit aantal al veel

eerder gehaald. Eind jaren zestig werd de studentenprognose

daarom bijgesteld richting 25.000 in 1975

waarvan 18.000 alfastudenten (men maakte in die tijd

nog geen onderscheid tussen alfa- en gammastudies).

De alfastudies moeten volgens de gemeente en de

universiteit grotendeels in de binnenstad gehuisvest

worden.

Het BG-terrein was op dat moment nog niet beschikbaar.

De Nederlandsche Bank, toen nog gehuisvest

in het huidige Allard Pierson Museum, aasde ook op

het terrein. Voor de alfa’s werden daarom steeds meer

kleine grachtenpanden gekocht of gehuurd om te

voorzien in de ruimtebehoefte. De ad hoc oplossingen

wakkerden de discussie over de huisvesting van de

alfawetenschappen voortdurend aan. In de periode

1965-1970 werden zeer uiteenlopende locaties voorgesteld.

Die varieerden van nieuwbouw in de Bijlmermeer

of Flevoland en sloop en nieuwbouw van de gemengde

woonwerkbuurten Uilenburg en Valkenburg tot een

universiteit langs de grachten. Het laatste voorstel

speelde in op de trend dat bedrijven op dat moment

massaal uit de binnenstad vertrokken. De leegstaande

kantoren boden interessante huisvestingsmogelijkheden

voor de universiteit. De leegstand in de binnenstad

en de gelijktijdige woningnood vormden de aanleiding

voor een fel verzet tegen de sloop van woningen op

Uilenburg, Valkenburg en nabij het Roeterseiland

voor de bouw van nieuwe universiteitscomplexen. In

1972 werd zelfs de actiegroep Geen woningsloop voor

universiteitsbouw opgericht (Schuiling, 1972).

Ook de huisvesting van de medische faculteit naast

het WG-terrein verliep problematisch. In 1965

werd duidelijk dat de ‘sanering’ van de Kinkerbuurt

nog flink op zich liet wachten. De gemeente bood

de universiteit als alternatief 64 hectare aan in de

Bullewijkerpolder (naast de Bijlmer) voor het nieuw

P. 241

te bouwen AMC. Dat werd door de universiteit in

dank aanvaard, mede omdat goede alternatieven voor

de huisvesting van de medische faculteit ontbraken

(Jonker en Schuiling, 1974). De planvorming en bouw

op het Roeterseilandcomplex zelf konden wel doorgang

vinden. De nieuwbouw op het terrein week sterk af

van de woonbuurten er om heen. De compacte, hoge

bebouwing zorgde voor een nieuw aanzicht in de

Amsterdamse binnenstad. In 1964 werd Anna’s Hoeve

in de Watergraafsmeer aangekocht. Die locatie, ver

buiten de binnenstad, was bedoeld voor de biologen.

Het Zeven-kernen-plan 1973

In 1973 nam het College van Bestuur van de UvA

het Zeven-kernen-plan aan: een gebundelde deconcentratie.

Vier vestigingen binnen de binnenstad

en vier erbuiten. De door de gemeente aangedragen

locatie Valkenburg/Uilenburg aan weerszijden van

de aanvoerweg naar de IJ-tunnel stond de universiteit

wel aan, maar bleek controversieel. Zowel de beoogde

gebruiker (de Letterenfaculteit) als de Universiteitsraad

(toen het hoogste orgaan) stemden tegen deze locatie.

Het College van Bestuur droeg het besluit vervolgens

voor aan de Kroon, die het vernietigde. Hierop volgde

een jarenlange impasse. In de tussentijd werden panden

gehuurd en voorstellen gedaan voor indikken op het

BG-terrein en bij het AMC.

Ook het eerste plan voor het BG-terrein (1975) vond

geen doorgang. Het was monofunctioneel, diende

alleen de belangen van de universiteit en ging uit van

sloop. Het wordt uiteindelijk door de Universiteitsraad

afgestemd na breed verzet zowel vanuit de buurt als van

monumentenliefhebbers. Veel kritiek was er op het feit

dat er geen inspraak met belanghebbenden had plaatsgevonden,

de cijfers over de ruimtebehoefte van de UvA

discutabel en ondoorzichtig waren en onvoldoende duidelijk

was of concentratie van ongelijksoortige instellingen

wel zinvol was. Ten slotte werd het bezwaar van

velen tegen de grootschaligheid van de nieuwbouw en

de eenzijdigheid van de bestemmingen breed gedeeld.

In 1977 telde de universiteit meer dan 20.000 studenten

en was de prognose voor 1980 opgelopen tot 24.000.

More magazines by this user
Similar magazines