De campus als publiek domein - Rooilijn

rooilijn.nl

De campus als publiek domein - Rooilijn

Rooilijn Jg. 42 / Nr. 4 / 2009 Broedmachine van de creatieve klasse

P. 280

ruimte: “Gebouwen moeten zich openen

op het maaiveld naar de voorbijganger”

(Meerjaren Huisvestingsplan, 2008, p.

9). De UvA wil niet alleen de kosten van

de huisvesting drukken, maar zich met

de herontwikkeling van het REC ook

profileren om zo de concurrentiestrijd met

andere universiteiten binnen en buiten

Nederland, maar heel expliciet vooral die

met de VU, aan te gaan. Want veel meer

dan voorheen moet een universiteit aantrekkelijk

zijn voor studenten. Die vormen

“een belangrijke inkomstenbron voor de

universiteit” (Meerjaren Huisvestingsplan,

2008, p. 12). De huisvesting speelt in dat

gevecht om de student een belangrijke

rol. Mooie gebouwen zijn dan niet meer

voldoende, ook de directe omgeving, de

campus’, moet aantrekkelijk worden.

Van kathedraalschool tot

opwerkfabriek

De eerste universiteiten in Europese steden

werden opgericht in de Middeleeuwen,

met die van Bologna in 1088 als eerste.

Deze instellingen hadden een nauwe band

met de (katholieke) kerk en waren deels

een uitvloeisel van kathedraalscholen.

De locaties van universiteiten waren dan

ook nauw verbonden met de ruimtelijke

structuur van de katholieke hiërarchie.

Na de Reformatie en mede onder invloed

van de Verlichting werden in tal van grote

steden nieuwe universiteiten opgericht om

te fungeren als leverancier van theologen,

juristen en artsen. Veel recenter, na de

Tweede Wereldoorlog, werden universiteiten

ingezet als instrument om regionale

ontwikkeling te bevorderen (Newlands,

2002). Met het oprichten van een nieuwe

universiteit dachten beleidsmakers de lokale

economie te kunnen versterken. Eerst en

direct door de bouw van het complex, vaak

een echte campus, en naderhand door de

lokale bestedingen van de universiteit zelf,

de studenten en de medewerkers. Daarnaast

zou de vestiging van een universiteit een

zeker prestige met zich mee brengen. In

bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk

en Frankrijk treffen we veel van deze,

inmiddels vaak al weer enigszins vervallen,

modernistische complexen aan. In

Nederland kunnen de universiteiten van

Enschede, Tilburg en Maastricht onder deze

noemer worden geschaard. Hun vestiging

was mede ingegeven om de lokale economische

ontwikkeling te stimuleren. Geheel

in de geest van het modernisme trachtte

men vaak de mogelijke effecten van zo’n

vestiging in te schatten met behulp van regionale

input-output modellen (zie Bleaney

et al., 1992; Armstrong et al., 1997; Harris,

1997). Met de bestedingen kwam men een

heel eind. Maar met minder tastbare en

direct meetbare effecten die gekoppeld zijn

aan kennisverspreiding wist men in zulke

modellen veel minder raad (Felsenstein,

1996). Toch zijn het juist de indirecte (meer

lange termijn) gevolgen in termen van

verbetering van het lokaal beschikbare

human capital die er steeds meer toe lijken

te doen in een kenniseconomie. Human

capital is echter mobiel en kan letterlijk de

benen nemen naar andere, meer aantrekkelijke

plekken. De universiteit en de stad

waarin deze gevestigd is zou dan een soort

van ‘opwerkfabriek’ voor human capital

worden, waarbij eenmaal afgestudeerden

hun heil elders zoeken.

De creatieve klasse

Het strategische belang van human

capital voor de economische ontwikkeling

van steden heeft door het werk van

Richard Florida (2002) nieuwe aandacht

getrokken. Hij wees niet alleen op het

More magazines by this user
Similar magazines