Groene Blad februari 2006 - IVN Veenendaal-Rhenen

ivnveenendaal.rhenen.nl

Groene Blad februari 2006 - IVN Veenendaal-Rhenen

Vogels in de tuin: de Huismus

Heeft u ook meegedaan in december met het tellen van vogels in de tuin ( In het weekend van

17 en 18 december organiseerde Vogelbescherming Nederland de tuinvogeltelling: in twee

dagen werden meer dan 400.000 waarnemingen van tuinvogels verzameld door ruim 14.000

deelnemers) en had u ook de huismus op nummer 1, net als de landelijke einduitslag? Toch

was in lang niet alle tuinen deze gezellige scharrelaar te zien. Neem je dat als criterium aan (

derde kolom) dan is het niet de huismus maar de koolmees die het won. In praktisch iedere

tuin was deze mees wel gezien gevolgd door merel, roodborst en pimpelmees. Pas daarna, op

de vijfde plaats, de huismus. Maar wat aantallen betreft, ja dan kwam de mus op de eerste

plaats.

De Nationale Tuinvogel Top-10 (2005) ziet er als volgt uit:(tussen haakjes staat de rang in 2004). De

derde kolom geeft het aantal plekken aan waar de soort gezien is.

Huismus (1) 66.111 5835

Koolmees (2) 63.078 8484

Merel (3) 36.291 8467

Pimpelmees (4) 29.512 6624

Vink (6) 25.154 5279

Spreeuw (7) 20.761 3239

Kauw (5) 19.691 3398

Turkse tortel (8) 16.301 4551

Roodborst (12) 12.432 6934

Ekster (11) 11.936 4793

Toch was het geen verrassing dat ook in 2005 het aantal getelde huismussen hoger lag dan van

welke andere vogelsoort ook. Immers, ook het jaar daarvoor en in 2003 pronkte hij bovenaan ondanks

het feit dat de populatie huismussen de laatste jaren in aantal is gehalveerd.

Huismussen zijn uitgesproken cultuurvolgers, sterk afhankelijk van de bewoonde wereld. Ze komen

altijd in groepjes voor. Het zijn echte kolonievogels die ook de winter samen proberen door te komen.

Op plaatsen waar ze worden waargenomen, worden er daarom altijd meerdere geteld, dit in

tegenstelling tot de koolmees, merel, roodborst en pimpelmees.

Maar kunnen we uit deze resultaten concluderen dat het wel mee zal vallen met de alarmerende

berichten over de achteruitgang van deze vogel? Helaas niet. Velen die net als ik dat bericht over de

sterke achteruitgang van de mus twee jaar geleden hoorden, realiseerden zich plotseling dat

inderdaad dit straatjong onder de vogels tegenwoordig op minder hangplekken te zien is dan nog niet

zo lang geleden.

Ook bij mij in de tuin waren ze verdwenen toen de laatste moestuin in de

buurt werd omgezet in siertuin. Al heel snel hield de hele kolonie, die

jaarlijks onder onze daken met veel bedrijvigheid hun jongen groot

brachten, het voor gezien. Enkele jaren hebben we toen, ook in de winter

en ondanks veel strooiwerk, het moeten doen zonder deze schavuiten.

Maar op het moment, ruim een jaar geleden, dat achter mijn tuin een

voetbalveldje, welke al lang was verworden tot hondenuitlaatplaats en

hangplek voor baldadige jeugd, werd omgespit en te huur werd gegeven aan omwonenden voor de

kweek van groenten, kwamen met de sla, kool en rabarber ook de huismussen in onze tuin weer

terug. Kennelijk was de kolonie dit stekje nog niet vergeten en hadden ze het hier goed naar hun zin

gehad maar had voedselgebrek hun genoodzaakt tot tijdelijk verblijf elders.

Nu bij mij weer enkele dagen per week twee peuters rond kruipen en ik , moe geworden van al dat

voorzeggen: “wat zegt het schaapje: Bèèè Bèèè, wat zegt het ezeltje: Ia,Ia”, wel genoodzaakt ben,


met veel genoegen overigens, naar het dierenkampje in Dragonder Noord en naar de dierentuin te

gaan, valt mij daar steeds het zeer grote aantal mussen op. Met tientallen, waar je ook kijkt,

scharrelen ze tussen de beesten hun maaltijden bij elkaar. Het meeste plezier lijken ze te hebben in

de grote volières van Ouwehands Dierenpark.

Hier zijn de mussen groter in aantal dan hun vleugelgenoten waarvoor de kooien zijn gemaakt.

Ongehinderd en met veel bravoure fladderen zij door het gaas in en uit. Hun plezier is daarbij zo groot

dat het getsjilp niet van de lucht is Geen wonder want in tegenstelling tot de tentoongestelde vogels

hebben zij, onooglijk zoals ze zijn met hun grijsbruine voorkomen, weinig te vrezen om in een kooitje

gestopt te worden. Zou de grote brutaliteit van deze vogels hier uit voort vloeien?

Deze brutaliteit, zo dacht men, vormde juist hun sterke punt en het voorbeeld van aanpassing in een

omgeving die steeds verder verstedelijkt. Dat andere vogelsoorten hierdoor in aantal achteruit gaan

had men voor mogelijk gehouden, maar de mus! Nee dat was en is eigenlijk nog steeds een raadsel.

Nestgelegenheid is waarschijnlijk niet de hoofdoorzaak zoals in eerste

instantie werd gedacht. De tegenwoordig gebruikte sneldekdakpan zo

dacht men eerst, zou de daken zo afsluiten dat geen mus er een nestje

meer onder kan maken. Maar dan zouden vooral de nieuwbouwwijken

musloos moeten zijn. En verrassend, dat zijn ze niet! Integendeel.

Binnen twee jaar nadat Petenbos was aangelegd kwamen de eerste

mussen in de wijk en nu is hij overal in de tuinen te vinden maar lijkt hij in

het centrum, waar nog nestgelegenheid genoeg te vinden is, achteruit te

gaan. De volwassen vogels handhaven zich daar nog wel even maar jongen worden in de oude wijken

steeds minder gezien. Waarschijnlijk kunnen de ouders van deze zaadetende soort hier onvoldoende

voedsel vinden om hun kroos groot te brengen. Jongen van zaadetende vogelsoorten worden immers

ook met eiwitrijke insecten grootgebracht.

Oorzaken kunnen zijn; het volbouwen van ons centrum en overige oude wijken, waardoor steeds

minder overhoekjes met dat ‘nare onkruid’ overblijven. Misschien de vervuilde stadslucht door het vele

verkeer en onkruidbestrijding om alles nog netter te doen lijken. Dit alles kan het aantal insecten

negatief beïnvloeden en daardoor de mus.

De nieuwbouwwijken echter worden bijna altijd aan de rand van de steden aangelegd. Het

voedselrijke buitengebied is daar dichtbij. Een klein kunstje voor Pa en Ma mus om voor hun jongen

korte voedselvluchten te ondernemen naar het platteland. Een plaatsje voor hun nest weten ze

ondanks de sneldekdakpan kennelijk toch wel te vinden.

Tot slot nog enkele wetenswaardigheden die ik op internet vond, op een rijtje gezet over deze meest

bekende vogel in Nederland. Maar juist daardoor is hij misschien voor velen ook zo onbekend in

levenswijze.

Voortplanting en ontwikkeling

Paartijd april - augustus, 2-3 broedsels

Een mussenpaar bouwt gezamenlijk een nest in muurnissen en spleten, op dakbalken, onder

dakpannen en in andere holtes, soms echter ook in bomen, een rommelig overdekt nest van halmen,

stengels, papier, lompen waarin het vrouwtje vier tot zeven eieren legt.

Na ongeveer 12 dagen broeden komen de eieren uit. Als de

kuikens uit het ei komen, zijn ze nog naakt en wegen niet

meer dan 3 gram. Gedurende deze eerste dagen worden de

kuikens door beide ouders met klein dierlijk eiwitrijk voedsel

gevoed, maar al snel wordt het dieet gevarieerder en

plantaardiger. Na ongeveer twee weken vliegen de jongen uit.

Ze blijven hierna nog enige tijd afhankelijk van de zorg van de

ouders en worden nog regelmatig gevoed.Vaak gaan ze in

hun eerste levensjaar al dood (75 tot 80%), meestal door

gebrek aan ervaring.

Huismussen broeden in losse kolonies. De grootte van een

kolonie varieert van zo'n zeven tot enkele honderden nesten.


In de winter wordt het nest als slaapplaats gebruikt.

Huismussen kunnen flink vechten om een nest. Soms verjagen ze ook andere vogels zoals

koolmezen uit nestkasten of kraken ze het nest van bijvoorbeeld de huiszwaluw.

Leven in groepsverband

Mussen leven in groepen. Ze bouwen hun nesten graag dicht naast elkaar. De nesten zien er vaak uit

alsof ze gemaakt zijn van geweven materiaal, vandaar ook de naam "wevervogels".

De meeste gedragingen, zoals eten, verenpoetsen e.d., vindt ook een groepsverband plaats. Ondanks

dit groepsverband bestaat er geen pikorde waarbij er een leider is.

Het gehele jaar verblijft de huismus in zijn kolonie, echter in de tijd dat het graan rijp is vormen zich,

vaak tot ergernis van de boeren, grote zwermen huismussen. Voor een groot deel bestaan deze uit

jonge vogels. Zodra het graan verdwenen is zullen de oude vogels hun eigen kolonie opzoeken en de

jonge vogels zich in de omgeving verspreiden.

Van trek bij de huismus is ook nauwelijks sprake. Bij het vogeltrekstation in Heteren werden veruit de

meeste teruggemelde ringen binnen een straal van 5 km van de ringplaats gevonden

Verspreiding

De huismus leeft in grote delen van de wereld, in ieder geval in bijna

alle gematigde en subtropische gebieden, vaak dicht bij of in de

woongebieden van mensen. Voor een deel is de verspreiding op een

natuurlijke wijze verlopen, voor een deel is de huismus door de mens

verspreid en geldt als een cultuurvolger. Het zijn echte standvogels; ze

blijven altijd in de buurt van hun broedgebied

De huismus heeft zich mogelijk in de prehistorie verspreid door de

uitbreiding van de landbouw van de mens te volgen. In Nederland

kwam de huismus al rond 4.000 jaar voor Christus voor in Zuid -

Limburg. In Noord-Amerika, Australië en in Nieuw-Zeeland is de

huismus tussen 1850 en 1870 bewust op verschillende plaatsen

uitgezet. In 1872 werden ze Buenos Aires uitgezet en in 1953 in Peru. In

1890 werden huismussen in

Zuid-Afrika uitgezet.

In koudere streken, zoals rond de poolcirkel, kan de mus dankzij de warme omgeving van de mensen

overleven. De huismus en de ringmus hebben een deels complementaire spreiding: waar de huismus

de overhand heeft, zijn er veel minder ringmussen, en vice versa.

Ondersoorten

De huismus heeft een aantal ondersoorten, die in twee groepen verdeeld kunnen worden: de

domesticus-groep en de indicus-groep. De domesticus-groep komt voor in Europa, Noord-Afrika en

Arabië, de indicus-groep komt voor in Azië. Twee ondersoorten van de indicus-groep zijn trekvogels

die de winters doorbrengen in dalen en 's zomers hoog in de bergen broeden.

De Italiaanse mus (Passer italiae) wordt door sommige auteurs ook als ondersoort van de huismus

gezien: Passer domesticus italiae.

Bert de Ruiter

More magazines by this user
Similar magazines