DE KRING EN DE KATHOLIEKE JOURNALISTEN.

webstore.iisg.nl

DE KRING EN DE KATHOLIEKE JOURNALISTEN.

No. 468

Adres voor Redactie en Administratie

Van Slingelandtstraat 70 Den Haag

Int. Institute

Soc. GeschieoeriK

Amste*-da>-

Redacteur;

W.N. VAN DER HOUT

7 October 1931

Dit blad verschijnt ten minste

éénmaal per maand.

DE KRING EN DE KATHOLIEKE JOURNALISTEN.

I.

Een Memorie van

Pater Kruitwagen.

De geestelijke adviseur der Roomsch-Katholieke Journalisten-Vereeniging,

pater B. Kruitwagen, heeft, onder

dagteekening van 25 April 1931, aan den Aartsbisschop

van Utrecht, en de overige Bisschoppen, een Advies

(Rapport; Memorie) uitgebracht inzake de vraag van

het lidmaatschap voor katholieken van den Kring.

Een afschrift van deze Memorie is — door vriendelijke

hand toegezonden — in ons bezit.

Wij hebben er aan gedacht, haar in zijn geheel te

publiceeren, maar wellicht is het (voorloopig) beter, om

op verschillende onjuistheden uit deze Memorie te wijzen,

en te doen zien, hoe de Bisschoppen zijn voorgelicht.

Daarom mogen hier enkele citaten volgen.

„De Kring, die reeds ongeveer 45 jaren bestaat,

en nog al actief is, laat de pretentie gelden dat hij

ALLE Nederlandsche journalisten vertegenwoordigt.''

Voor het compliment der activiteit: dank. Wij bestaan

niet 45, maar bijna 48 jaar. Wij laten niet de pretentie

gelden, dat wij „alle Nederlandsche journalisten" vertegenwoordigen

(„alle" staat in de Memorie vet onderstreept),

want wij kunnen onmogelijk journalisten vertegenwoordigen,

die geen lid bij ons zijn, maar wij laten

deze waarheid gelden:

dat wij zijn de algemeen-representeerende, grootste

en oudste journalisten-vereeniging, die bij al haar bemoeiingen

optreedt voor de geheele pers, geen enkel

blad uitgezonderd, iets wat de katholieke vereeniging

uitteraard nooit zal kunnen of mogen doen of bereiken,

en zelfs wanneer inderdaad alle katholieke leden ons

mochten verlaten, dan nog zullen wij onzen regelenden,

bemiddelenden, representatieven arbeid tot de geheele

pers blijven uitstrekken.

„De Kring, speciaal de reeds lange jaren fungeerende

voorzitter, de bekende heer D. Hans,

weigert er op te wijzen, dat de R. K. Journalisten-

Vereeniging een zelfstandige organisatie is,^ die

afzonderlijk behoort te worden uitgenoodigd."

Een zeer besliste en ernstige onwaarheid. Tallooze

malen heeft onze voorzitter aan autoriteiten van land

en stad, aan allerlei officieele en particuliere colleges,

ongevraagd het advies gegeven, ook de R. K. Vereeniging

uit te noodigen, hetzij op een bijeenkomst, aan

een maaltijd, of in een commissie; tallooze malen is de

R. K. Vereeniging door den Kring op den voorgrond

gebracht bij alle mogelijke gelegenheden; op alle officieele

en belangrijke oogenblikken in het Kringleven zélf

hebben wij mede die vereeniging genoodigd; en op onze

jongste algemeene vergadering is dan ook de vraag

gesteld, waarom wij dat toch hebben gedaan. Maar wij

wilden een breed en loyaal standpunt innemen. Wat

in de Memorie wordt medegedeeld is in vierkanten strijd

met de waarheid en wij moeten ernstig betreuren, dat

de Bisschoppen op deze wijze zijn voorgelicht.

„Het zou misschien den Kring er toe kunnen

dwingen, het lidmaatschap van de plaatselijke of

gewestelijke kringen niet langer automatisch vast

te koppelen aan het lidmaatschap van den Kring.

Naar ik verneem is men in Amsterdam reeds langeren

tijd, ofschoon niet precies om confessioneele

redenen, doende om beide lidmaatschappen van

elkaar los te krijgen. Maar het Bestuur van den

Kring verzet zich daartegen."

Pure fantasie. De vraag is bij het Kringbestuur nooit,

officieel noch officieus, aan de orde geweest. Van Amsterdamsche

besprekingen is ons niets bekend. Eerst

nu, in de laatste weken, is de vraag van de wenschelijkheid

van een dergelijken maatregel even aangeroerd,

door onzen voorzitter in een gesprek met een katholiek

journalist. Vóórdien echter nog nooit.

Om economische redenen is het lidmaatschap van

den Kring voor katholieken niet noodzakelijk — zegt

de Memorie — want

„wanneer het over de rechtspositie van de journalisten

in het algemeen gaat, zoekt de Kring reeds

thans uit eigenbelang" — (vet gedrukt!) — „de

medewerking van de R. K. Journalisten-V ereeniging.

Dus wij behoeven voor dat doeleinde den

Kring niet te versterken. De Kring zoekt reeds thans

uit eigen beweging zijn versterking bij ons."

Ook dit is in flagranten strijd met de feiten. De economische

actie inzake salaris en pensioen is geheel zelfstandig

door den Kring begonnen. De R. K Vereeniging

vroeg medewerking, bood deze aan, en wij hebben ze

aanvaard. Doch de actie voor het Arbeidscontract is

wederom geheel zelfstandig door ons gevoerd; dat contract

was ons werk; eerst op het aller-laatste oogenblik,

toen de zaak zoo goed als in kannen en kruiken was,

is, op initiatief van de Directeuren-Vereeniging, de

R. K. Vereeniging er bij gehaald, en toen hebben onze

vertegenwoordigers ten slotte nog moeten vechten tegen

een verzwakking van eenige punten uit het contract,

door die yereeniging voorgesteld. De mededeeling, dat

wij uit „eigenbelang" ons op economisch gebied tot de


80 DE J O U R N A L I S T

R. K. Vereeniging zouden hebben gewend, is voor ingewijden

weinig minder dan belachelijk, (de zaak is

precies andersom), maar, alweer, het valt ernstig te

betreuren dat de Bisschoppen zoo onjuist zijn voorgelicht.

Misschien zou het hun hebben geïnteresseerd ook

eens het volgende te vernemen. De Kring heeft destijds

na lange en moeizame voorbereiding het Pensioencontract

met de Nationale tot stand gebracht, dat voor

de deelnemers uitermate voordeelig was, doch slechts

na veel arbeid, moeite en kosten verkregen werd. Wat

gebeurde? In 1923 zond het Bestuur der katholieke vereeniging

een schrijven aan de directie van de Nationale,

met de vraag of het dat Kring-contract en die Kringtarieven

ook voor zijn leden mocht overnemen. De Nationale

vroeg toestemming van den Kring — en wij

gaven die. Met één papieren brief en één postzegel

had het katholieke Bestuur bereikt, wat het onze

slechts na veel voorbereiding, veel inspanning en

veel kosten had weten te verkrijgen. Indien de

katholieke journalisten, die thans tegen hun zin den

Kring moeten verlaten, niettemin kunnen blijven profiteeren

van een zoo voordeelig Pensioen-contract, dan

danken zij dit enkel en uitsluitend aan het feit, dat wij

dit voor hen hebben tot-stand-gebracht.

Uit de Memorie blijkt overtuigend, hoe het bisschoppelijk

besluit strijdt met de zienswijze van de meeste

katholieken zélf. „Eenige" (wij onderstrepen) „eenige

leden van onze vereeniging en ook enkele leden van het

Bestuur zijn daarenboven van meening, dat het lidmaatschap

van den neutralen Kring moeilijk vereenigbaar is

met de levensbeschouwing van den katholieken journalist."

Ziedaar de kern van de vraag: de principieele

opvatting, en dan vinden slechts „eenige" en ,,enkele

leden het dubbele lidmaatschap „moeilijk" (dus eigenlijk

nog wél) te verdedigen. Bovendien waren — naar uit

de Memorie blijkt — verscheiden katholieke journalisten

van oordeel, dat het niet aangaat van het Kring-werk

profijt te trekken, zonder lid te zijn. Dit noemden zij

terecht „parasiteeren". Toch gingen er in de vereeniging

„telkens luider stemmen op tegen dat lidmaatschap

van den Kring". Precies. Van de drijvers (in De Maasbode

ontkende Pater Kruitwagen dat die er geweest

zijn!). Maar in weerwil hiervan kwam het Bestuur der

katholieke vereeniging op 21 Juni 1930, naar wij in de

Memorie lezen, tot deze formuleering:

„dat het dubbele lidmaatschap vooralsnog alleen

toelaatbaar moet worden geacht voor hen, die ernstige

redenen, aan het vakbelang ontleend, meenen

te kunnen doen gelden",

dus ook het Bestuur wilde van een volstrekt verbod niet

weten, op dit oogenblik. Dan weegt dus het principieele

blijkbaar niet zoo heel zwaar.'

Trouwens:

ook Pater Kruitwagen zélf had een uitzondering

gereed. Hij herinnert er aan dat, dank zij den Kring,

aan eenige Universiteiten begonnen zal worden met

lessen over de journalistiek en zegt:

„Ongetwijfeld zullen die voordrachten wel voor

iedereen toegankelijk zijn. Maar mochten alleen

leden van den Kring worden toegelaten, dan zou

men aan katholieken uit dien hoofde het lidmaatschap

van den Kring moeilijk kunnen weigeren.

Want de journalistiek — en niet het minst de katholieke

— heeft een wetenschappelijke ondergrond

ten zeerste noodig".

Is het niet keurig? Die lessen (initiatief van den Kring)

hebben juist ook katholieken — zegt Pater Kruitwagen

zeer noodig, en als het niet anders kan, moeten ze

daarvoor dan maar Kring-lid blijven, teneinde die

neutrale lessen aan een neutrale Hoogeschool, op initiatief

van een neutrale vereeniging ondernomen, te kunnen

volgen, maar kan dit zonder het lidmaatschap van

den Kring, dan „parasiteeren" wij liever.

m

Fraai is ook het volgende. De heer Kruitwagen wijst

er op, dat aan het lidmaatschap van onze plaatselijke en

gewestelijke vereenigingen „vakbelangen" kunnen vastzitten,

dagblad-belangen, ook voor de katholieken, en

vervolgt dan:

„Wanneer de Kring dus zou blijven vasthouden

aan de samenkoppeling der lidmaatschappen"

(d.w.z. van Kring en plaatselijke vereenigingen)

„zou er een conflict kunnen ontstaan, en misschien

zelfs gewenscht zijn, tusschen den Kring eenerzijds

en en de R. K. Journalisten plus R. K. Directeuren

anderzijds. Onze journalisten zouden

daarmee sterker komen te staan. En al mocht het

conflict eventueel niet het evenbedoelde succes

hebben, dan zou het toch een zeer gewenscht gewin

zijn, wanneer daardoor een sterker gevoel van

saamhoorigheid werd aangekweekt tusschen de

R. K. Directeuren en de R. K. Journalisten".

Met deze proeve van opvoedkundige organisatorische

tactiek, die een conflict tusschen Kring en katholieken

„gewenscht" acht, en verder geen commentaar van

noode heeft, besluiten wij voor ditmaal onze aanhalingen

uit en aanteekeningen bij de Memorie, welke ons ook

noq binnenkort wel qoede diensten bewijzen kan.

D. H.

II.

Verklaring van het

Kringbestuur.

In de algemeene vergadering, op 26 September j.1.

te Amsterdam gehouden, heeft de Voorzitter namens

het Bestuur het volgende gezegd:

„Ik geloof niet, dat ik deze vergadering mag 'openen,

zonder een enkel woord te wijden aan het u allen bekende

feit, dat de Bisschoppen van Nederland besloten

hebben den Kring tot verboden terrein voor katholieke

journalisten te verklaren.

Vooraf mag ik u er op wijzen, dat dit besluit niet

is gemotiveerd. Het is een decreet, zonder meer. In

alle bescheidenheid wil het mij voorkomen, dat eenige

motiveering èn tegenover de betrokken journalisten èn

tegenover den Kring wenschelijk ware geweest. Mocht

men een beroep doen op het bekende feit, dat een

neutrale vereeniging naar katholiek begrip dient te

worden gemeden, zoo ligt het antwoord gereed, dat

wij 47 jaar lang een neutrale vereeniging zijn geweest,

zonder dat de Bisschoppen ons in hun gewaardeerde

aandacht hadden betrokken, en tevens, dat den katholieken

dagblad-directeuren blijkbaar wél wordt toegestaan

lid te zijn van de neutrale directeuren-vereeniging, welke

evenzeer voor vak-belangen en stoffelijke aangelegenheden

strijdt als wij. Waarom de Kring nu plotseling

gevaarlijk is geworden, had — meen ik — althans tegenover

ons, die zoovele jaren ook voor de belangen der

katholieke bladen en der katholieke journalisten naar

ons beste weten zijn opgekomen, alleen reeds uit een

oogpunt van beleefdheid aangetoond dienen te worden.

Maar natuurlijk kunnen wij den heeren Bisschoppen

niet dwingen, zich nader te verklaren.

Het was ons bekend, dat reeds vrij geruimen tijd

machten aan het werk waren, met name in de katholieke

vereeniging zélf, die naar dit besluit dreven.

Doch wij wisten dat er andere machten tegenover stonden,

die uit gehechtheid aan den Kring poogden de

noodlottige beslissing te verhinderen, en die getracht

hebben den Bisschoppen duidelijk te maken, dat het

dubbele lidmaatschap gerechtvaardigd en met het oog

ook op de beroepsbelangen der betrokkenen noodzakelijk

was. De eerste hebben het gewonnen; Rome heeft

gesproken; wij raken zeer vermoedelijk onze katholieke

collega's kwijt, althans de meeste van hen.

Dit is méér dan een verlies voor den Kring, ik aarzel

niet te zeggen dat het een ideëel verlies is voor ons

I nationale gemeenschapsleven. De Nederlandsche Jour-


nalisten-Kring was tot dusver, in ons verscheurde en

versplinterde volk, een der laatste centrale organisaties,

waarin aanhangers van alle overtuigingen, alle partijen,

alle godsdiensten samenwerkten in goede kameraadschap

en in verdraagzame collegialiteit. Dit mocht niet

meer. Ook deze organisatorische eenheid, gebouwd op

de volstrekte eerbiediging van elkanders geloof en

beginsel, moest gebroken worden. Dit beteekent een

moreel verlies voor ons volksleven. Om het numeriek

verlies, dat 7 % van ons leden-aantal bedraagt, beklagen

wij ons niet in de eerste plaats; wij beklagen

ons dat hier het karakter, hetwelk onze vereeniging

bijna een halve eeuw lang met eere heeft

gedragen, wordt geschonden. Waarom? Ik zei al:

het decreet is niet toegelicht. Dat de betrokken journalisten

„katholiek georganiseerd" dienen te zijn, kan hier

niet gelden; zij waren het. Doch ze waren ook tot ons

gekomen; ze hadden het dubbele lidmaatschap, dus de

dubbele contributie, er voor over om te toonen, dat ze

bij ons wilden blijven en met ons wilden samen-werken.

Ze waren dus geen Kringlid ten koste van, doch naasr

de katholieke vereeniging. Dit wordt verboden. Daarom

is het bisschoppelijk besluit van louter afbrekende beteekenis,

te bedenkelijker, waar de nauwe samenwerking

met katholieke collega's meermalen onder ons het beter

begrip van de katholieke opvattingen heeft bevorderd.

Het Kringbestuur zal binnenkort den nieuwen toestand

in overweging nemen en het resultaat van die

overweging aan den Kring meedeelen. Dan zal er gelegenheid

zijn, nader over de zaak te spreken.

Thans alleen nog dit.

Men denkt natuurlijk, door de aftapping op ons, de

katholieke vereeniging beter en sterker te maken, doch

gelooft men werkelijk, zooiets door dwang te bereiken?

Welke zedelijke beteekenis heeft een dergelijke opzegging

van het lidmaatschap? Bijna een halve eeuw zijn

vele katholieken lid bij ons geweest..Ze staan op bestuursposten.

Ze zitten in commissies. Ze komen op

onze vergaderingen en nemen deel aan onze excursies.

Maar nu zijn we tot verboden terrein geproclameerd.

In dit oogenblik wensch ik de katholieke collega's

te danken voor de trouw, aan onze vereeniging betoond,

voor de wijze, waarop zij met ons hebben samengewerkt,

voor het vele, dat zij op verschillende posten voor ons

hebben gedaan. Wij weten, dat zij gaan tegen hun zin

en daarom is de moreele, de ideëele winst tenslotte toch

voor ons. Het is mij een trots en een vreugde om hier te

verklaren, dat uit hun midden ons in de laatste dagen

bewijzen van hartelijke vriendschap hebben bereikt; dat

zij ons hebben verklaard met droefheid in het hart den

Kring te verlaten; ja, zonder namen te noemen mag

ik zeggen dat er op mijn kamer hebben gezeten, met,

naar hun eigen woord, „een prop in de keel", maar met

de verklaring dat zij er prijs op stelden, persoonlijk

afscheid te komen nemen en in mijn den Kring te komen

bedanken voor hetgeen hij voor hen was geweest en

had gedaan.

Er zijn er onder hen — ik schreef het reeds in ons

orgaan — die ons gevraagd hebben op middelen te

zinnen, om den geestelijken band niet geheel te verbreken.

Het Kringbestuur zal gaarne deze wensch in

overweging nemen, evenzeer als het thans de verhouding

tot de Katholieke Vereeniging nader onder de

oogen moet zien. En op de overige leden van den Kring

doe ik een krachtig beroep, om, na dit bisschoppelijk

besluit, in des te sterker saamhoorigheids-gevoel vereend

te blijven en den Kring te handhaven op de eer-volle

plaats, welke hij reeds zoo lang in ons volks-leven inneemt."

De vergadering begroette deze mededeeling van

het Bestuur met luid applaus. Er werd geen debat gevoerd,

aangezien het Bestuur had toegezegd, de zaak —

nadat het zich nader zou hebben beraden — in den Kring

aan de orde te zullen stellen. Het Bestuur zal dus binnenkort

aan den Kring meedeelen, tot welk resultaat dit

nader beraad heeft gevoerd; allicht zal dan de toestand

beter zijn te overzien als op dit oogenblik.

DE J O U R N A L I S T 81

III.

Brief van een

katholiek lid.

Bij het Kringbestuur is ingekomen het volgend schrijven

van een katholiek lid:

Waarde collega's,

Als katholiek lid van den Ned. Journalistenkring

wensch ik U mijn standpunt uiteen te zetten.

Het lijkt mij een verkeerde opvatting te meenen, dat

het bekende besluit der Bisschoppen de verplichting

meebrengt poor uw katholieke leden om het lidmaatschap

van den Kring op te zeggen. De vergelijking met

de kath. dagblad-directeuren, die lid van een neutrale

organisatie zijn, heeft daarmee niets te maken. De Kath.

Kerkelijke hiërarchie is het best met de militaire te vergelijken.

Als de commandanten eener divisie te rade

worden om een bepaalde order voor een oyer hunne

korpsen verdeeld dienstvak te geven, dan heeft de bemerking

van een lid van het dienstvak: „Waarom alleen

voor öns dienstvak en niet ook voor dienstvak zus of

zoo?" geen zin. Ze hebben disciplinair te gehoorzamen.

Echter, er is hier geen order gegeven. Er is slechts een

„wensch" uitgedrukt, omdat de Bisschoppen, door een

vrager yoor het principiëele dilemna geplaatst, natuurlijk

niet KONDEN antwoorden, dat zij in het gegeven

geval wel aansluiting bij de neutrale organisatie konden

toestaan. Volgens de kath. moraal-theologie verplicht

niet een wensch maar slechts een bevel. Een zoodanig

bevel is bv. vervat in de bekende uitspraak van precies

dezelfde Bisschoppen dd. 12 Juli 1930 tegen het lidmaatschap

der Rotary, toen de tekst luidde: „Daarom

achten Wij het Onzen plicht UITDRUKKELIJK te

verklaren, dat de toetreding tot de Rotary voor den

Katholiek NIET GEOORLOOFD is". Hier is geen

sprake van een wensch maar van een verbod.

Van de omstandigheid, dat de Bisschoppen het toetreden

tot de Kath. vereeniging niet in hun wensch begrepen

hebben, zult gij misschien nota hebben genomen.

Ik voor mij wensch lid te blijven van den N. J. K.,

zoolang mij dit als geloovig katholiek niet door een uitdrukkelijk

verbod onmogelijk wordt gemaakt. En ik

twijfel, of dit wel volgen zal.

U kunt van dit mijn schrijven — echter zonder mijnen

naam te publiceeren — desgewenscht gebruik maken."

Natuurlijk hebben wij met groote belangstelling van

dezen brief kennis genomen. Wij weten niet, hoeveel

katholieke leden zich op dit standpunt zullen stellen en

het Bestuur zal zeker geen pressie oefenen. Zij moeten

het voor-zichzelf beslissen. In verband hiermede moge

hier echter nog het onderstaande volgen, door onzen

voorzitter als hoofdredacteur van De Avondpost in een

polemiek met Pater Kruitwagen (die het bisschoppelijk

besluit in De Maasbode verdedigd had) geschreven:

„Het gaat, schrijft u, niet tegen den Journalisten-

Kring. Dit versta ik niet. Het gaat wél tegen den

Kring. Want na een 47-jarig bestaan wordt het lidmaatschap

onzer vereeniging thans verboden. Of: wordt

het niét verboden? U legt er den nadruk op, dat het hier

een „wensch" der Bisschoppen geldt. Beteekent dit, dat

het geen bevel is en niet daarmede gelijk-staat? Mogen

de betrokkenen lid bij ons blijven, zonder dat dit kwalijk

wordt genomen? Blijven zij vrij? Zoo ja, dat het

duidelijk gezegd worde. Zoo neen, wat beteekent dan

de mededeeling dat de Bisschoppen slechts een „wensch"

uitspreken? Het gaat ook daarom tegen den Kring, omdat

diegenen onder de betrokken katholieken, die directeur-hoofdredacteur

zijn, niét in den neutralen Kring,

maar wel in de neutrale Directeuren-Vereeniging mogen

blijven. Want de wel zeer merkwaardige omstandigheid

doet zich voor, dat juist kort geleden een overeenkomst

is gesloten tusschen de neutrale Directeuren-

Vereeniging eenerzijds en de Katholieke anderzijds,

waarbij laatstgenoemde zich verplichtte van elke bij haar

aangesloten katholieke dagbladonderneming ten minste

één lid der directie lid te doen zijn van de neutrale ver-


82 DE J O U R N A L I S T

eeniging. Op hetzelfde oogenblik dus, dat de katholieke

journalisten den neutralen Kring moeten verlaten, gaan

de katholieke directies een overeenkomst aan, waarbij

zij zich tot het lidmaatschap der neutrale Directeuren-

Vereeniging verplichten. Het gaat niet tegen den

Kring — maar vanwaar dan dat onderscheid?"

Hierbij kan nog worden aangeteekend dat — nadat

de hoofd-inhoud van bovenstaanden brief in de dagbladen

was gepubliceerd — een ander bekend katholiek

journalist zijn ontslag als Kring-lid, dat hij reeds had

ingediend, weer heeft teruggenomen, zich nu ook op het

standpunt stellend dat de Bisschoppen niet meer dan een

„wensch" hebben geuit. In De Tijd van 2 October j.1.

wordt zelfs gesproken van „het verzoek" der Bisschoppen

aan de katholieke journalisten.

In aansluiting hieraan kunnen wij voorts nog berichten,

dat in het slot van Pater Kruitwagens concept-

Memorie stond, dat „de opzegging van het lidmaatschap

van den Kring niet zoo buitengewoon urgent lijkt " Inderdaad.

Maar nadat het concept in het Bestuur der

KJ.V. was geweest, is die zin geschrapt; immers hij

komt in het definitieve stuk niet voor.

Naschrift.

Nadat wij, in de dagbladpers met Pater Kruitwagen

polemiseerend, op bovenbedoelde Memorie gezinspeeld

hadden, heeft hij in De Maasbode van 2 October op

zeer boozen toon tegen het gebruikmaken van het stuk

geprotesteerd.

Ten onrechte.

Het afschrift van de Memorie is ons geheel spontaan

en vrijwillig verstrekt, zonder den minsten invloed van

onzen kant, en met de vrijheid om er desgewenscht gebruik

van te maken. Had de inhoud van het stuk zich

beperkt tot een principieeïe uiteenzetting, dan zouden

wij er zeer vermoedelijk geen gebruik van hebben gemaakt,

maar nu wij zagen dat de Memorie een door verscheidene

onware argumenten gesteunden aanval op den

Kring bevatte, was het niet alleen ons recht, maar tevens

onze plicht om daartegen op te komen. Wij zijn

te zeer aan den Kring gehecht, om dat te dulden. Het

standpunt van Pater Kruitwagen komt hierop neer, dat

hij wèl in een vertrouwelijk stuk den Kring met allerlei

onjuiste motieven mag bestrijden, maar dat wij — als

ons de aanval bekend wordt — daarop niet zouden mogen

antwoorden. Dat zou wat moois zijn!

Indien men dezen loop van zaken had willen voorkomen,

had men de kwestie maar open lijk met ons moeten

behandelen.

Maar:

ons achter de schermen aanvallen, en dan eischen dat

wij ons niet zullen verdedigen omdat men achter de

schermen bleef — dit gaat te ver. D. H

Indische Pers-Ordonnantie*

Rede J. E. Stokvis.

Spr. dankt den voorzitter voor diens verwelkoming

en de vergadering voor de hiermee betoonde instemming.

Overgaande tot het onderwerp, zegt hij, dat de

Indische pers-ordonnantie, zij moge dan reeds door den

Volksraad zijn aangenomen, stellig nog actueele waarde

voor den Kring heeft. Een bespreking kan de wijze van

toepassing beinvloeden, de Kamers kunnen er zich over

uiten en zouden desnoods op vernietiging kunnen aandringen.

Dat het Kringbestuur zich, toen het nog tijd

was, met een protest tot den Volksraad heeft gericht,

kan spr. in het algemeen waardeeren.

Naast de praktische beteekenis heeft de Indische persordonnantie

ook een meer algemeenen kant, zij werpt

een bijzonder licht op het algemeene probleem der persvrijheid.

Orienteering.

Spr. geeft een orienteerrede voor de collega's zonder

koloniale ervaring. Hier te lande is het vraagstuk der

persvrijheid nauwelijks nog een vraagstuk. Ofschoon

ook hier wettelijke beperking bestaat, wordt deze maar

bij uitzondering gevoeld. Wij leven in een land, waar

nationale eenheid heerscht, met een staatkundig-normale

structuur. Allen genieten een vol en gelijk staatsburgerschap,

de regeering komt uit het volk voort, alle richtingen

kunnen zich ruim uiten en pers-excessen vinden

een correctief in de eigen samenleving.

Als men Thorbecke, die de Nederlandsche en de koloniale

pers onder één gelijke wetgeving wilde zien behandeld,

wees op de bijzondere Indische verhoudingen,

dan vroeg hij sarcastisch naar de bronnen van deze „geheime

wetenschap". Toch staat het er in een koloniaal

land met het vraagstuk der persvrijheid anders voor.

Daar is de staatkundige structuur, hoe men dat overigens

ook waardeere, niet normaal. Er is geen nationale

eenheid, er is geen gelijk staatsburgerschap, geen regeering

uit het volk en een kleine minderheid van vreemde

herkomst regeert er over een zeer groote meerderheid

van inheemschen. Onder zulke omstandigheden, zegt

spr., is de behoefte aan persvrijheid veel grooter en •—

het moge paradoxaal klinken — kan het tevens weer

noodzakelijk zijn om tegen hare excessen te waken. Spr.

is door en door voorstander van persvrijheid, maar nergens

kan zij zonder perken zijn. In een land nu als Ned.-

Indië, waar uit reeds genoemde oorzaken de verhoudingen

zoo overgevoelig zijn, de tegenstellingen zoo scherp,

ontaardt de geheele persvrijheid zoo gemakkelijk in verwildering,

in uittarten en krenken; de samenleving wordt

dan ondragelijk. Al nu aanwijsbaar is, dat onbelemmerde

persvrijheid ophoudt een goede zaak te zijn, waarom

haar dan dogmatisch op te eischen? Een rijk man kan

een behoorlijk man zijn, zoolang hij geen geldpatser

wordt; een athleet kan een eerzaam beroep uitoefenen,

mits hij geen krachtpatser wordt, en zoo moet een strijder

voor de vrijheid ook geen vrijheidpatser worden,

vindt spr. Niet echter zou hij het uiten van welke overtuiging

ook willen zien tegengegaan maar wel een grievende

wijze van uiting. Tegen drift heeft spr. geen

bezwaar, maar wel tegen gift. Het komt er bij zekere

beperking echter vooral op aan, waar de grenzen worden

gesteld, op de wijze van beperking en op de autoriteit,

met die beperking belast. Op voorwaarde, dat een

en ander goed onder de oogen wordt gezien, heeft spr.,

tegen een rem op de uiterste persvrijheid voor Ned.-

Indië geen principieel bezwaar.

Het Drukpersregïement*

Door de abnormale staatkundige structuur des lands

is de Indische pers eigenlijk gedurende heel onze moderne

koloniale geschiedenis een probleem geweest. Het

werd vooral acuut sedert 1848, toen het Nederlandsche

parlement na de overwinning der liberalen ruime grondwettelijke

medezeggenschap ook over de koloniën verkreeg.

Deze gebeurtenis opende in datzelfde jaar ook

den strijd om persvrijheid voor de Europeesche gemeenschap

in N.-I. Een van de leiders was toen mr. P. Mijer,

dezelfde, die als minister van Koloniën enkele jaren later

het Drukpersreglement hardnekkig verdedigde.

Bij de behandeling van het Indische Regeeringsreglement

in 1854 was de Indische persvrijheid een hevige

strijdvraag tusschen koloniaal-liberalen en koloniaalconservatieven.

Thorbecke vooral was een kampioen

ook voor gelijke persvrijheid hier en ginds. Zooals voor

welhaast alle koloniale onderwerpen wilde hij regeling

bij Nederlandsche wet. Deze eisch bleef vele jaren het

centrum van den strijd. Aanvankelijk verloor hij het

beginsel, maar later (1858—1861) zegden vele achtereenvolgende

ministers een Indische pers-wet toe, maar

zonder die toezegging gestand te doen.

Deze principieeïe strijd is nu volstreden, want het tegenwoordige

artikel 164 van de Ind. Staatsregeling —

overigens nog geheel gelijkluidend aan het oude art.

110 van het Reg. Regl. — schrijft de regeling van het

onderwerp bij „ordonnantie" voor, dus door den G.G.

in overeenstemming met den Volksraad, terwijl er vroeger

stond „bij algemeene verordening", hetgeen ook de

bevoegdheid van den Nederlandschen wetgever insloot.


In 1856 (Ind. Stbl. 8 April no. 74-75) kwam het beruchte

Drukpersreglement tot stand, als uitvoering van

art. 110 R.R. Het later zoo veelbesproken stuk was in

Nederland nauwelijks bekend geworden. Thorbecke

kreeg er toevallig kennis van door middel van den uitgever

Nijgh en legde er al dadelijk het merk „gewrocht

der duisternis" op. Hij vroeg een interpellatie aan, welke

leidde tot de benoeming van een Kamer-commissie, welker

verslag weer aanleiding werd tot het grootscheepsche

parlementair debat van 27 April—2 Mei 1857.

De strijd voor Indische persvrijheid in die dagen

moet, meende spr., niet uitsluitend uit ideeële motieven

worden verklaard. De voorstanders waren tevens voorstanders

van vrijen arbeid of, wat er mee samen viel,

van het vrije kapitaal; de tegenstanders wilden behoud

van het cultuurstelsel. Eerstgenoemden wenschten in

Indië een vrije kritiek tegen dat stelsel; de andere groep

vreesde die .

Toen en nu.

De debatten van 1857 hebben thans nieuwe actualiteit

verkregen ,want uit de nieuwe Indische pers-ordonnantie

stijgt de oude geur van het Drukpersreglement op.

Het ging ook toen om dezelfde vragen van nu; en wat

de een wenschte, werd door den ander gevreesd. Uitschakeling

van den rechter, almacht der administratie,

breideling van het vrije oordeel.

Het oorspronkelijk Drukpersreglement moge na 1906

veel zijn ingeschrompeld, er bleef toch ook het een en

ander van over. De meest betwiste bepaling van de

nieuwe Pers-ordonnantie vertoont sterke overeenkomst

met een analoog vroeger voorschrift van het Drukpersreglement.

Er is een merkwaardige teruggang. In vergelijking

met vroeger, is thans de beperking van de persvrijheid

zelfs grooter, omdat de repressieve maatregelen sedert

nog zijn verscherpt. Behalve strafbaarheid wegens

smaadschrift, laster of eenvoudige beleediging — welke

ook hier bestaat — zijn er nog de bekende z.g. „haatzaai-artikelen"

de zeer straffe artt. 153bis en ter der

Indische strafwet, de strafbaarheid van verspreiding

van logenachtige berichten en tenslotte de zg. anti-revolutie-ordonnantie

van 1930.

Maar bovendien is het een dwaling, als men denkt,

dat er geen preventieve wetgeving meer bestond. Spr.

wijst op de overblijfselen van het Drukpers-reglement,

welke volgens hem lang niet onschuldig zijn; slechts het

z.g. „droit de réponse" acht hij het behouden waard. Zij

worden weliswaar nauwelijks meer toegepast, maar dat

zou, als eenmaal de nieuwe pers-ordonnantie werkt, weleens

anders kunnen worden. Naast de resten van het

Drukpersreglement kent de Indische pers-wetgeving

echter nog andere preventieve belemmeringen. Volgens

Ind. Stbl. 1900 no. 317 kan de invoer van elders dan in

Nederland gedrukte stukken verboden worden en die

stukken, vernietigd en inbeslaggenomen. Douane-ambtenaren

zijn verplicht, ze aan te houden; de post moet ze

terugzenden naar het kantoor van oorsprong. Deze beperkingen

worden nog steeds en soms zeer scherp toegepast.

! Il

De Pers-ordonnantie.

En nu nog de Pers-ordonnantie! Spr. zal die, nu ze

wet is geworden, niet meer uitvoerig ontleden. De grieven

zijn trouwens in en buiten ons orgaan vol uitgemeten:

de uitlokking tot willekeur, de regeering als partij in eigen

zaak op den rechterszetel, geen hooger beroep voor de

belanghebbenden, kans op groote materieele schade.

De meeste van deze bedenkingen zijn uitteraard inhaerent

aan het karakter van de ordonnantie, welke nu

eenmaal aan de regeering groote bevoegdheid wil geven

om snel te kunnen handelen. Slechts op twee belangrijke

punten wil spr. nog bijzonderen nadruk leggen.

In de eerste plaats op het feit, dat de toelichting zich

voor den maatregel uitsluitend beroept op „tijden van

spanning", terwijl dat motief in den tekst der ordonnantie

geheel wordt gemist. Dat klopt niet. Indien de

ordonnantie in werking zou treden telkens, nadat in de

DE J O U R N A L I S T 83

Jav. Ct. de noodzakelijkheid wegens spannende tijden

zou zijn afgekondigd — de pers-ordonnantie ware dan

in overeenstemming met de toelichting. Er is in die richting

trouwens een antecedent. Bij Ind. Stbl. 1905 no. 88

kan „in bijzondere omstandigheden" de mededeeling van

troepen- en scheepsbewegingen worden verboden. Wijziging

der ordonnantie in dezen geest zou haar lang niet

zoo onaannemelijk maken.

De Europeesche pers.

Er is ook een andere grief geuit. Men bestreedt de algemeenheid

van de voorschriften, wilde de Europeesche

pers er van zien uitgezonderd. Tegen dit streven verzet

spr. zich met kracht. Hij ontkent allerminst, dat ook niet-

Europeesche bladen aan excessen schuldig staan. Met

onvoorwaardelijke waardeering voor den arbeid van

vele voortreffelijke collegas, die daarginds werken en

hebben gewerkt, moet spr. toch vaststellen, dat de

Europeesche pers niet alleen hierin is voorgegaan, maar

dat zij ook nu nog niet vrij uit gaat. Dat is ook bijna

onvermijdelijk. Spr. ziet in de pers een geestelijk lichtbeeld,

een oogenbliksopname van de samenleving, welke

zij dient. Die samenleving — spr. wees er reeds op —

is niet normaal. Een Europeesche minderheid voert er

de macht over tientallen millioenen van ander ras. Dat

feit reeds geeft een prikkel om zich te handhaven; er

ontstaat een machtsbesef, dat tot een geval van persoonlijke

overwaarde leidt; tegelijkertijd leeft er zekere

onbestemde vrees, een verhoogde prikkelbaarheid. Die

minderheid voelt zich daarginds ook niet waarlijk gevestigd,

is aan snelle wisseling onderhevig, verlangt terug.

Tenslotte heeft ook het tropische klimaat een prikkelenden

invloed. Door dit alles kenmerkt zich die koloniale

gemeenschap door onrustigheid, ongestadigheid.

Onvermijdelijk beinvloedt deze gesteldheid ook den

Europeesenen journalist en zijn werkwijze. Hij richt

zich van nature naar zijn publiek. Dat brengt mede, dat

ook bij hem de persoonlijkheid zich sterker uitleeft, dat

ook hij de tucht en de zelftucht mist in een gemeenschap,

welke zooveel losser in hare voegen is, zoo geheel anders

geaard dan in het nationaal-normale moederland;

men zou kunnen spreken van een staatkundige „bohème".

Deze toestand heeft het voordeel, dat de persoonlijkheid

zich meer kan ontplooien en dat begaafde collega's

met hun talenten vrijer kunnen schitteren. Hiertegenover

ziet spr. echter het veel grootere nadeel van de kans

op een ongebondenheid, welke in een door scherpe tegenstellingen

snelbewogen samenleving zeer bedenkelijke

gevolgen kan hebben. De Europeesche gemeenschap is

immers de machtigste en hare pers beinvloedt die machtigsten,

hun regeering, hunne apparaten van politie,

justitie en geweld. Om al die redenen zou spr. het reeds

uit algemeen oogpunt onjuist vinden, indien de Europeesche

pers een wettelijk bevoorrechte positie zou verkrijgen.

De niet-Europeesche pers.

En de niet-Europeesche pers? Ook zij kent uitspattingen,

maar haar rechtstreeksche invloed is niet zoo

groot en zij vertolkt de verlangens en grieven van de

minst machtigen. Reeds op deze gronden heeft zij een

grootere behoefte aan persvrijheid en een organisatie

van journalisten moet wel de laatste zijn om juist die

niet-Europeesche pers daarin te bemoeilijken. Bovendien,

zegt spr., praktisch staat die pers in vrijheid reeds

zoo ten achter.

In de toelichting op de pers-ordonnantie zegt de Indische

regeering onder meer, dat in de praktijk de strafwet

tekortschiet. Dat moge dan misschien juist zijn wat

de Europeesche pers betreft, want ofschoon zij toch ook

haar excessen kent, komt zij als regel ongeschaad uit de

handen van den strafrechter. Als er straf wordt opgelegd,

dan is het als regel een geldstraf.

De niet-Europeesche overtreders van de strafwet

worden daarentegen slechts bij uitzondering vrijgesproken

en gemeenlijk krijgen zij vrij zware vrijheidsstraffen.


84 DE JOURNALIST

Men vergete verder niet, zegt spr., dat de niet-Europeesche

journalist is aangewezen op de minst deugdelijke

rechtspleging en bij vervolging meestal dadelijk preventief

wordt gezet: de Europeesche journalist geniet de

beste rechtspraak en ondergaat welhaast nooit voorloopige

hechtenis. Spr. durft zeggen, dat onze Europeesche

collegas in Indië praktisch een zeer ruime, vaak te ruime

persvrijheid genieten. Toch acht spr. den invloed van excessen

van Europeesche zijde minstens even gevaarlijk

als die, door Europeesche bladen begaan; zoo niet soms

gevaarlijker.

Deze beschouwingen komen niet uit een speciaal politiek

inzicht voort, maar uit de niet te betwisten feiten.

Conclusie.

Spr. komt thans tot zijn eindoordeel. Hij is op grond

van de koloniale verhoudingen principieel niet tegen

zekere beperking van de persvrijheid; die beperking

moet dan niet gericht zijn tegen het belijden van eigen

overtuigingen, maar tegen de wijze van uiting. Preventieve

beperkingen acht spr. naast en boven de reeds

straffe repressieve èn preventieve pers-wetgeving niet

toelaatbaar.

Maar spr. koestert nog een ander, meer opportuun

bezwaar en dat geldt de wijze van uitvoering. Reeds is

de toepassing van de bestaande wetgeving verre van

evenwichtig. Spr. wil op deze plaats niet oordeelen, of

veroordeelen, maar het is niet te ontkennen, dat bij de

toepassing van de wettelijke voorschriften tegen de pers

de overwegingen des rechters het meest en het scherpst

den niet-Europeeschen journalist treffen. Spr. vreest,

dat bij de werking van de pers-ordonnantie die onevenwichtigheid

zich nog scherper zal doen gevoelen, nu

naast den rechter ook aan de administratie grootere

macht over de Indische pers zal worden toegekend.

Hiermee wil spr. zijn inleiding besluiten.

Officiëele Mededelingen.

Algemeene Vergadering

op

Zaterdag 31 October 1931 's middags 2 l /a uur,

in Hotel VICTORIA, Spuistraat 18,

Den Haag.

1. Notulen.

Agenda:

2. Ingekomen stukken.

3. Voortzetting van de bespreking over de Indische

Pers-ordonnantie.

4. De Kring en de Katholieken (nadere mededeelingen

van het Kringbestuur).

5. Rondvraag.

*

De vergadering zal des avonds woeden voortgezet.

INHOUD: De Kring en de Katholieke journalisten. — Indische

Persordonnantiën.^ Officiëele Mededeelingen. — Ledenvergadering.~

Plaatselijke en Gew. Vereenigingen: AmsterdamschePers; Haagsche

Journalistenvereen.: Oostelijke Pers.— Algemeene Belangen Colleges

te Utrecht; Het Eere-Trubinaal; Bedreigde Persvrijheid. — Nederl.

Indië; Dagblad in Indië, — Personalia en Berichten: P. Hyacinth

Hermans; H. Versteeg; Een Reunie.

LEDENVERGADERING

op Zaterdag 26 September te Amsterdam*

Zaterdag 26 Sept. n.m. iy2 uur in Hotel Polen, Rokin,

Amsterdam.

Aanwezig waren de gewone leden: Hans, van der

Hout, Dekking, Holsboer, Ricardo, Stokvis, Lievegoed,

van Goudoever, v. d. Wielen, Schotting, Schotel, Evers,

van der Laan, v. d. Bergh, Kouwenaar, Santcroos, Rugaart,

Beeremans, Minkenhof, Assmann, Lamers, Bongers,

Klein, Burger, de Vries, de Roode, Burger, Pam,

Derjeu, van Loon, Holdert, Hirsch, Nunes Vaz, Mechamicus,

Mevr. van Bylert-van Rijsbergen, Boersma,

Crayé, Tersteeg, van Overbeek, Sand, Rogge, Biemond,

v. d. Broeke.

Opening.

De voorzitter opent de vergadering.

In de eerste plaats wijdt spr. woorden van herinnering

aan de nagedachtenis van die leden van den Kring,

die sedert de laatste algemeene vergadering ons door

den dood zijn ontvallen.

In de eerste plaats — aldus spr. — gaan dan onze

gedachten uit naar ons eere-lid Johan de Meester, dien

eminenten collega, die in alle opzichten een sieraad van

den Kring kon worden genoemd. Bij zijn teraardebestelling

heb ik er reeds van getuigd, hoeveel ook de Kring

door het verscheiden van dezen collega en ouderen kameraad

verloren heeft.

Dan de heer Vieweg, de oud-voorzitter van de Ned.

Dagbladpers, die na zijn directeursfunctie te hebben

neergelegd, weer tot zijn oude vakgenooten, tot het

lidmaatschap van den Kring terugkeerde. Een lidmaatschap,

waarop hij grooten prijs stelde.

Dan enkele weken geleden is onze jonge collega van

Tienhoven ten grave gebracht. Ook hij heeft zich naam

gemaakt, zoowel in de journalistiek als in de kringen

van litteratoren.

De namen van deze collega's zullen in den Kring met

eerbied en dankbaarheid worden herdacht.

De vergadering hoorde deze herdenkingsrede staande

aan.

De voorzitter herinnert er dan aan, dat collega Lievegoed

zijn voordrachten aan de Leidsche Universiteit zal

beginnen op 9 October a.s. 's middags te half 3. Collega

van der Hout zal zijn colleges als privaat-docent

aan de Utrechtsche Universiteit beginnen op 19 October

a.s. 's middags te 4 uur.

Kringleden, die de beide eerste openbare lessen willen

bijwonen, zijn daar welkom.

Mededeelingen.

Mededeeling wordt hierna gedaan:

Ie. dat het bestuurslid collega Polak Daniels door ongesteldheid

verhinderd is aanwezig te zijn;

2e. dat collega van Oosten, in verband met het Bisschoppelijk

Besluit voor zijn bestuursfunctie en tevens

voor het lidmaatschap van den Kring heeft bedankt.

De voorzitter zegt, dat allen ongetwijfeld met

leedwezen collega van Oosten uit den Kring en uit het

bestuur zien gaan.

Spr. voegt hieraan nog toe, dat van verschillende

Katholieke collega's reeds bedankjes voor het lidmaatschap

zijn binnen gekomen, een aantal katholieke collega's

blijft lid tot 1 Januari a.s., terwijl eenige te kennen

hebben gegeven n i e t te zullen bedanken.

Representatie.

Het bestuursvoorstel tot het aangaan met de drie andere

Vereenigingen van de Representatie-overeenkomst,

geeft collega C r ay é aanleiding er zijn spijt over uit te

drukken, dat het Kringbestuur in den loop der jaren

aan de R. K. Journalistenvereeniging zoo'n royale plaats

in de representatie heeft ingeruimd. Spr. weet, dat het

pleiten achteraf is, maar wil toch opmerken, dat ware

men tegenover de R. K. J. V. wat minder royaal geweest,

,,de heeren" wellicht het thans genomen besluit

niet zouden hébben genomen.


De voorzitter kan hierop slechts antwoorden,

dat er in den loop der jaren inzake de representatie achter

de schermen heel veel is gebeurd, dat niet altijd voor

het front van den Kring kon worden gebracht.

Intusschen door de nu voorgestelde overeenkomst

wordt aan tal van moeilijkheden een einde gemaakt.

Laat men met dit resultaat tevreden zijn.

Zonder verdere discussie en zonder stemming aanvaardt

de vergadering de Representatie-overeenkomst.

De Indische Persordonnantie.

Aan de orde is dan de bespreking van de door de

Indische Regeering aan den Volksraad voorgestelde

ordonnantie inzake de Pers.

De voorzitter doet mededeeling van hetgeen

aan de aan de ordestelling van dit punt vooraf is gegaan.

In den gang van zaken vond het bestuur geen

aanleiding dit punt weer terug te nemen. Wat het door

het bestuur verzonden telegram betreft, dit is na rijp

beraad geschied en niet onmiddellijk toen de feiten bekend

werden.

Met leedwezen heeft het Kringbestuur de critische

opmerking van een lid in het orgaan gelezen, dat het ter

inleiding van deze zaak een sociaal democraat heeft uitgenoodigd.

Dit is een onjuiste opvatting. Het Kringbestuur noodigt

geen sociaal democraat, of Staatkundig Gereformeerden,

of welke personen van bepaalde politieke overtuiging

ook uit, het noodigt collega's uit. In dit geval is

collega Stokvis uitgenoodigd, omdat hij geacht wordt

met groote deskundigheid en met kennis van zaken deze

zaak te kunnen inleiden. Nu toch sprekende over collega

Stokvis, wil spr. hem hartelijk welkom heeten bij

zijn terugkeer in ons land. Wij hebben de verwachting,

dat onze bekwame collega, straks bij zijn werkzaamheden

ook hier te lande, zich steeds in de eerste plaats

journalist zal gevoelen, zooals trouwens steeds het geval

bij hem is geweest.

Wat de te houden inleiding betreft, wil spr. bovendien

nog opmerken, dat toen het Kringbestuur destijds

de collega's Feith en Lievegöed uitnoodigde tot het

uitbrengen van een prae-advies, ook toen c o 11 e g a's

en geen personen van bepaalde politieke richting werden

uitgenoodigd.

Spr. geeft nu allereerst het woord aan collega E 1 o u t,

die het heeft gevraagd.

Spr. licht toe zijn opvatting dat nu de Volksraad de

ordonnantie reeds heeft aangenomen, er geen haast

meer is met deze behandeling. Hij wenscht de kwestie

daarom thans academisch te behandelen en door praeadviseurs

te laten voorbereiden. De rede van den heer

Stokvis dient dan ook uitgesteld te worden.

Nadat eenige leden en de Voorzitter deze opvatting

hebben bestreden omdat niets h.i. er tegen is de rede

te laten houden verwerpt de vergadering het voorstel-

Elout met groote meerderheid.

Vervolgens houdt de heer Stokvis zijn rede, die elders

in dit nummer is afgedrukt.

Na de rede van den heer Stokvis volgde een langdurig

hartelijk applaus.

De Voorzitter dankte den spreker zeer voor

zijn voortreffelijke rede en stelde aan de vergadering

voor het debat daarover tot een volgende spoedig te

houden vergadering uit te stellen omdat te vreezen viel,

dat in een eventueele avondvergadering te weinig leden

aanw r ezig zouden zijn.

De heer Tersteeg voelde meer voor een onmiddellijk

debat omdat dan de indruk nog versch is.

De heer Feith verklaarde zich voor een latere bespreking.

De vergadering besloot het debat later maar in ieder

geval zeer spoedig te houden.

Namens den Haarl. Journalistenkring diende de heer

B e e r e m a n s bij de rondvraag twee moties in, luidende:

De Haarlemsche Journalistenkring, gehoord de be­

DE J O U R N A L I S T 85

sprekingen in de algemeene ledenvergadering van Dinsdag

26 September 1931;

overwegende dat de oorkonde, aangeboden te Geneve

door het bestuur van de Nederlandsche Dagbladpers

naar aanleiding van het petitionnement voor internationale

ontwapening, uitsluitend in de Fransche taal

werd gesteld;

overwegende dat het petitionnement tot stand is gekomen

na schriftelijke verklaringen van eenaanzienlijk

deel van het Nederlandsche volk op uitsluitend in het

Nederlandsch gestelde formulieren;

betreurt dat in de oorkonde de Nederlandsche tekst

niet aan de Fransche vertaling is voorafgegaan;

verzoekt het bestuur van den Nederlandschen Journalistenkring

van de motie kennis te willen geven aan de

Nederlandsche Dagbladpers en besluit haar te publiceeren

in de pers.

De Ned. Journalistenkring, in algemeene vergadering

te Amsterdam bijeen op 26 Septemberl931, van oordeel,

dat het modelcontract onvoldoende is, daar daarmede

de rechtspositie van den journalist niet verzekerd is,

draagt het Bestuur van den N.J.K. op ten spoedigste de

noodige stappen te doen om te komen tot een collectieve

arbeidsovereenkomst.

De Voorzitter meende, dat de eerste motie al

haar doel had bereikt wijl zij gepubliceerd was. De

vergadering kan die dus wel aannemen; de tweede moest

naar het Kringbestuur om praeadvies, meende hij.

Aldus werd besloten.

De vergadering werd gesloten.

Ledenlijst.

Voorgedragen als gewoon lid;

J. W. L. Lamers, Volk, Prinsengracht 925, Amsterdam.

D. M, Huizinga, Tel. Nachtegaalstr. 81bis, Utrecht.

N. J. H. C. van der Grift, Bred. Ctt,, Veemarkt 30a,

Breda.

Mej. M. J. Smelt, Prov. Ov. en Zw. Crt., Zwolle.

H Stekelenburg, Prov. Ov. en Zw. Crt., Veenestraat

4, Zwolle.

A. Scheffer, Volksbl. v. Twente, Gronauer straatweg

225, Enschedé.

Adresverandering:

K. Jassies van Almelo naar Walhofstr. 73A, Enschedé.

C. A. Faber van Rotterdam naar Schalsumerstraat 11,

Leeuwarden.

R. Hagoort naar Abstederdijk 204, Utrecht.

R. Wiersinga van Arnhem naar Hoofdstraat 148b,

Apeldoorn.

A. C. de Goozer naar Adelaarstraat 26, Utrecht.

Th. Rademakers van Amsterdam naar P. C. Hooftstraat

14, Arnhem,

K. Voskuil, naar Frambozenstraat 21, Den Haag.

J. E. Stokvis naar L. v. N. Oost Indië 211, Den Haag.

C. A. Crayé naar Carel Reinierskade 7 Den Haag.

F. J. Wahlen van Den Haag naar Jac. Obrechtstr. 24b,

Amsterdam Z.

Plaatselijke en Gewestelijke Ver eenlingen

Amsterdamsche Pers.

Voor het lidmaatschap van onze vereeniging heeft zich

aangemeld collega H. A. Lunshof (Het Volk). Bezwaren

kunnen binnen 8 dagen worden ingebracht bij

den secretaris J. C. E. Sand, Wakkerstraat 28, Amsterdam-O.

Haagsche Journalistenvereeniging.

De Haagsche Journalistenvereeniging hield op 21

September j.1. een ledenvergadering, ter voorbereiding


86 DE J O U R N A L I S T

van de Kringagenda, onder leiding van den voorzitter

Mr. van Bolhuis in Restaurant Bagatelle. Alleen de

quaestie van de bespreking van de door de Indische

regeering aan den Volksraad voorgestelde ordonnantie

lokte vrij langdurige discussie uit. Terwijl er aan den

eenen kant waren, die zooals de heer Feith de houding

van het Kringbestuur sterk laakten, meenend, dat men

de Indische pers niet kon vergelijken met de Nederlandsche,

en de gevoerde actie ontijdig achtend, waren

er anderen als de heer Lievegoed ,die zich volkomen

het standpunt van het Bestuur konden verklaren en de

actie toejuichten, daarbij het zelfde standpunt innemend

dat door den heer Polak Daniels ,die de critiek op het

Bestuur betreurde, ingenomen werd, n.1. dat het hier

gold reactie, dat n.1. als de middelen, die de wet den

Indischen strafrechter toekende onvoldoende waren,

deze moesten worden verscherpt, maar dat niet, als in

een vroeger tijdperk, aan den ambtenaar mocht worden

overgelaten willekeurige maatregelen toe te passen en

tegelijkertijd als aanklager en als rechter op te treden.

De heer Elout daarentegen liet in het midden, of het

bestuur den juisten weg had betreden, welks actie hij

agitatorisch noemde. (Een qualificatie welke hij later

getuigde niet disqualificeerend te hebben bedoeld.) Hi)

betreurde het, dat het bestuur slechts één deskundige

had gekozen, om een voor 90 pet. ondeskundige vergadering

voor te lichten en wel een, van wien men bij

voorbaat de conclusie kon weten — welke laatste opvatting

zeer in twijfel getrokken werd door den heer

Lievegoed. De heer Elout had gaarne deskundige voorlichting

van menschen van verschillende richting gezien,

maar meende in elk geval dat nu de ordonnantie

was aangenomen, een uitspraak geen zin had. Een uitspraak

van de Kringvergadering achtte hij in elk geval

ongewenscht en daarom wilde hij liever overgaan tot

een academische behandeling. Hij stelde voor, dat de

gedelegeerden der vereeniging in den Kring het prealabele

voorstel zouden doen om deze zaak, als niet meer

opportuun, af te voeren van de agenda, en, ter nadere

behandeling van de vraag of de drukpersvrijheid in

Ned.-Indië naar eenzelfden maatstaf moet worden beoordeeld

als in Nederland, het bestuur te verzoeken,

daarvoor twee pre-adviseurs uit te noodigen, teneinde

die quaestie in een latere vergadering te doen behandelen.

Op een vraag daaromtrent, zeide hij, dat het zijn

bedoeling was, dat als de Kring het voorstel niet aannam,

de gedelegeerden zich dan verder van stemming

zouden onthouden, bij eventueele behandeling van een

motie over de ordonnantie .De heer Feith, die een motie

van afkeuring in zijn zak had, die z.i. niet behoefde te

leiden tot het stellen van de portefeuillequaestie door

het Bestuur van den Kring, betuigde daarnaast zijn

volle sympathie met het voorstel Elout, dat werd aangenomen

met 11 stemmen voor, 2 tegen en 1 blanco. Het

2e voorstel, dat de gedelegeerden bij verwerping van

het voorstel en behandeling van de ordonnantie zich

van stemming zouden onthouden, werd aangenomen

met 9 voor, 4 tegen en 2 in blanco. Tot gedelegeerden

naar de Kringvergadering werden gekozen de heeren

Elout, Feith en Ricardo en tot plaatsvervangend gedelegeerde

de heer Canter.

De vergadering moest twee bestuursleden kiezen,

want, terwijl de heer Luikinga was afgetreden, omdat

hij werkzaam zou zijn aan het Correspondentiebureau

voor dagbladen, dat reeds door den heer van Berkum

werd vertegenwoordigd in het Bestuur, had deze laatste

zich kort voor de vergadering teruggetrokken. De heer

Luikinga, dien men nu algemeen wilde handhaven,

stond erop dat er een afzonderlijke stemming zou plaats

hebben; hierbij werd hij gekozen. Voor de andere vacature

stelde de heer Luikinga den heer Voskuil candidaat,

terwijl de heer Feith en anderen voelden voor een

Indische candidatuur, welke het bestuur voorloopig niet

noodig achtte. Tenslotte werd de heer Voskuil gekozen.

Daarna was aan de orde de quaestie van het verkenen

van een subsidie voor de ontvangst der buitenland-

sche journalisten, die hier komen voor de installatie

van het Eeregerechtshof voor Journalisten en voor de

bijeenkomst van de Int. Federatie van Journalisten. De

Voorzitter deelde mede, dat het dagelijksch bestuur der

H.J.V. in het regelings- en ontvangstcomité had zitting

genomen en vertelde verdere bijzonderheden van de

voorgeschiedenis en de plannen van deze ontvangst,

welke voornamelijk in Den Haag zou plaats hebben,

terwijl een dag was bestemd voor Amsterdam en een

voor Rotterdam. Tenslotte werd een maximumsubsidie

van ƒ 100.— toegestaan.

Bij de rondvraag behield de heer Feith zich voor, zijn

persoonlijk standpunt nog in de Kringvergadering te

geven, nadat hij als gedelegeerde zijn taak had volbracht.

Het uittreden der Katholieke journalisten kwam

nog aan de orde, waarna werd geconcludeerd, dat er

wel aanleiding was, dat de gedelegeerden in de Kringvergadering

het punt ter sprake brachten.

Als gewoon lid heeft zich aangemeld Leo 't Hart,

Westlander.

Bezwaren bij de secretaresse Emmy J. Belinfante,

2e Schuytstraat 172.

Haarlemsche Journalistenkring.

De Haarlemsche Journalistenkring vergaderde op

Dinsdag 22 Sept. 1931 in café Brinkman, Groote Markt,

onder voorzitterschap van collega Van Oosten. Verslag

werd uitgebracht over de bemoeiingen inzake het bekomen

van een perspenning, 'geldig te Amsterdam en andere

groote plaatsen, welke kwestie thans tot een oplossing

is gebracht, door het verstrekken van een aantal

penningen. Bij de besprekingen over de agenda-punten

•voor de algemeene vergadering van den Kring op 26

Sept. werd n.a.v. de kwestie arbeids-contract besloten

dat door onze afgevaardigden zou worden aangedrongen

op het spoedig aanwenden van stappen ten einde

zoo spoedig mogelijk een dwingend arbeidscontract in

te voeren, in plaats van het thans voorgestelde model

contract, zulks in aansluiting met de motie in 1928 door

den Haarlemschen Journalistenkring aangenomen.

Tot afgevaardigden werden benoemd collega's Beeremans,

Evers en Boudewijns.

Met groote meerderheid van stemmen werd een motie

aangenomen waarin betreurd wordt dat in de oorkonde,

te Genève aangeboden door de Ned. Dagbladpers ter

ondersteuning van het petitionnement voor internationale

ontwapening, de Nederlandsche tekst niet aan de Fransche

vertaling is voorafgegaan.

Verder deelt de voorzitter collega Van Oosten mede

dat hij, ingevolge den wensch uitgesproken door de

R. K. bisschoppen, tot zijn leedwezen zich gedwongen

acht aan dezen wensch gehoor te geven en hij dus met

het einde van dit vereenigingsjaar den Nederlandschen

en oo kden Haarlemschen Kring zal verlaten.

Hij bekende dat dezen stap voor hem een offer beteekent,

daar hij aan het lidmaatschap van den N.J.K.

altijd veel genoegen heeft gehad. Hij dankte allen voor

de prettige samenwerking en sprak de hoop uit dat het

den Kring verder goed moge gaan.

Collega Sarlet, als nestor der vereeniging, beantwoordde

den voorzitter. Hij betreurde diep dit besluit,

omdat collega Van Oosten zich steeds heeft doen kennen

als een goed lid en een voorbeeldig voorzitter. Het

besluit van de bisschoppen achtte ook hij van ontzaglijk

belang, waarvan het verder bestaan van den Haarlemschen

Journalistenkring wel eens zou kunnen afhangen.

Hij wenschte uit aller naam collega Van Oosten veel

goeds toe op zijn verderen levensweg (applaus).

Ook collega Lunshof voorzag niets goeds voor den

Kring. Hij drong aan op het behoud van een nauw

contact of samenwerking tusschen den Nederl. Journalistenkring

en de R. K. Journalistenvereniging, omdat

de verdeeldheid onder de journalisten hem niet gewenscht

voorkomt. Collega Van Oosten meent dat men de bezwaren

kan wegnemen indien de verplichting niet meer


gehandhaafd wordt dat men lid moet zijn van den Ned.

Journalistenkring om tot den Haarlemschen te worden

toegelaten. Doch de aandrang daartoe zal van hem niet

uitgaan en de vrees bestaat dat er van deze gedachte

niet veel in de practijk tot stand zal komen. Het beste

zal zijn de verdere ontwikkeling van dit vraagstuk nog

even af te wachten.

Oostelijke Pers.

Zaterdag 19 September vergaderde te Deventer de

Vereeniging De Oostelijke Pers, onder voorzitterschap

van collega F. Th. Holsboer. Medegedeeld werd, dat

de geheele regeling voor de pers bij de opening van het

vliegveld Twente is geschied op aanwijzing van de vereeniging,

die hiermee een volledig succes heeft behaald.

Ook de pers-politiekaarten, geldig in verschillende steden

van Overijsel en Gelderland, blijken zeer op prijs

te worden gesteld.

Het door de Oostelijke Pers, in samenwerking met

de Amsterdamsche Pers en den Haarlemschen Journalistenkring,

voorbereide voorstel tot reorganisatie van

den Ned. Journalistenkring in een bond met afdeelingen

zal, na de voorloopige besprekingen in de daartoe benoemde

commissie, weldra definitief vastgesteld worden.

Instede van collega J. K. van Loon, te Arnhem, die

wegens vertrek naar Amsterdam als bestuurslid moest

aftreden, werd gekozen collega J. O Rugaart te Apeldoorn.

Besloten werd, het tienjarig bestaan der vereeniging

eenigszins feestelijk te herdenken.

Algemeene belangen.

Colleges te Utrecht.

In aansluiting aan het bericht in het vorige nummer

kan ik nog meedeelen, dat de openbare Les op Maandag

19 October a.s. in het Klein-Auditorium zal aanvangen

om 4.15 precies.

De verdere colleges zullen, aanvangende Maandag

26 October gehouden worden op denzelfden dag, het

zelfde uur en in het zelfde lokaal als de openbare les.

v. d. H.

Het Eere-tribunaal.

De installatie van het Eere-Tribunaal van Journalisten

zal plaats hebben op Maandag 12 October v.m. ÏO)^

uur in het Vredespaleis.

Als voorzitter van de commissie van ontvangst is

opgetreden Mr. J. J. van Bolhuis, als secretaresse Mej.

Emmy J Belinfante, 2e Schuytstraat 172, tot wie men

zich eventueel om nadere inlichtingen enz. kan wenden.

Bedreigde persvrijheid.

De Nederlandsche Journalisten Kring voert een alleszins

te prijzen actie tegen de Indische persordonnantie.

Wij hebben in de jongste Kringvergadering de prachtige

uiteenzetting van collega Stokvis gehoord en krijgen

nu een vervolgvergadering, waar de zaak nog nader

zal kunnen worden belicht.

Maar waar blijft de Kring met zijn actie, nu ook in ons

eigen land de persvrijheid in het gedrang komt? Heeft

het Kring-bestuur nooit gehoord van de actie der regeering

tegen de ,,Tribune", welk blad op haar bevel uit

de gesubsidieerde leeszalen moet worden geweerd?

Heeft het Kring-bestuur den brief niet gelezen, dien

minister Deckers geschreven heeft aan de directie van

de ,,N.V. de Arbeiderspers" met de mededeeling, dat

„Het Volk" en ,,Het Haagsche Volk" uit de cantines

der kazernes moeten worden geweerd, omdat er artikelen

in deze bladen zijn verschenen, die den minister van

Oorlog niet welgevallig waren? Heeft het Kring-bestuur

niet gelezen, dat ettelijke geschriften en zelfs boeken

door denzelfden minister op den index zijn geplaatst?

DE J O U R N A L I S T 87

Wij mogen wel aannemen, dat het Kring-bestuur van

dit alles op de hoogte is. Het is daarom buitengewoon

verwonderlijk, dat het Kring-bestuur zwijgt in alle talen.

Wanneer de Kring in werkelijkheid iederen aanval

op de persvrijheid wil afslaan, zal overwogen dienen

te worden of niet op dezelfde wijze als tegen de

Persordonnantie een actie moet worden gevoerd tegen

de bedenkelijke houding der regeering en der ministers

afzonderlijk in Nederland.

L. A. PAM.

Nederlandsch-Indië.

Dagbladen in Indië.

Een collega in Oost-Indië is zoo welwillend eenige

aanvulling te geven op de lijst van Indische bladen gelijk

die in het Jaarboekje is opgenomen.

Om met Bandoeng te beginnen: hier verschijnt ook

dagelijks een filiaalblad van de Javabode. Des avonds

krijgen de abonné's dan nog de eigenlijke courant uit

Batavia, die per trein wordt opgezonden.

Het N. v. d. D. en het Bat. Nbl. arriveeren hier per

luchtpost.

De opgave omtrent Batavia bevat o.m. De Courant.

Dit blad kwam eenige malen in andere handen en heet

thans De Volkscourant.

In Djogja komt mede dagelijks uit het Djokjasch

Dagblad.

Het Nieuwsblad van Atjeh (het heet iets uitgebreider),

hetwelk in Koeta Radjah verschijnt, is géén dagblad.

Het komt 3 X per week uit.

In Malang verschijnt mede dagelijks De Malanger.

Te Bandjermasin kent men het dagblad De Borneopost.

Dit wat de dagbladen betreft.

— De heer G. A. Tenret verliet de redactie van De

Malanger (Malang).

— Pater ƒ. /. ten Berge, S.J., werd opgenomen in

de redactie van De Koerier. Deze collega was te voren

verbonden aan de R. K. normaalschool in Moentilan

(Midden-Java).

— Wij lezen in de Sumatra Bode (Padang), dat als

hoofdredacteur van dat blad is opgetreden de heer C.

H. G. Roest, terwijl de aftredende, de heer A. Scholten,

na een 37-jarige werkzaamheid in Indië, ter Westkust

van een verdiende rust ging genieten.

— De heer C. H. D. Th. van de Kamer, laatstelijk

verbonden aan het katholieke dagblad De Koerier te

Bandoeng, ging over naar Djokja als verantwoordelijk

redacteur van Midden-Java.

— De heer A. Weeber hield op, als hoofdredacteur

in dienst te zijn van het persbureau Aneta te Batavia.

— Van Batavia vertrok naar Medan de heer W. C.

M. Vlasman, gewezen redacteur van de Java Bode, om

de leiding op zich te nemen van het weekblad Sumatra.

Personalia en Berichten.

P. Hyacinth Hermans.

26 September heeft Pater P. Hyacinth Hermans den

dag gevierd waarop hij 25 jaar aan ,,De Maasbode"

verbonden was.

Van vele zijden ontving de jubilaris gelukwenschen.

De N.J.K. zond hem bloemen. Verhinderd door de alg.

ledenvergadering kon het Bestuur helaas niet bij de

huldiging aanwezig zijn.


88 DE JOURNALIST

Ten bureele van de krant had die huldiging plaats.

Het was allereerst de directeur, de heer Henri Kuijpers,

die zich tot den jubilaris richtte.

Mede namens commissarissen bood spr. eenige geschenken

aan die als een blijvend aandenken een plaats

op de pastoriekamer mogen vinden. Het is een fauteuil,

een sigarenstandaard en toebehooren.

Vervolgens wendde de hoofdredacteur, dr. J. Witlox

zich met een speech tot den jubilaris.

Op de eerste plaats bood spr. een schemerlamp, welke

haar fantastisch licht moge doen schijnen over de ruïne

van uw welgeordende kamer. De bijbehoorende tafel

is slechts sober bekleed, maar er ontbreekt niet de doos,

om de onafscheidelijke gezellen, de sigaretten, in te bewaren

alsmede een gelegenheid om het stoffelijk overschot

daarvan te bergen. En ten slotte bood spr. bloemen

aan.

Namens het administratief personeel sprak hierna de

heer W. N. van Eijck, namens het technisch personeel

de heer J. R. Abels, onder aanbieding resp. van een stel

bronzen boekenklemmen en een schrijfgarnituur.

Na deze toespraken en de aanbieding der geschenken

heeft Pater Hermans op een hartelijke wijze voor

een en ander zijn dank gebracht.

H. Tersteeg.

Collega H. Tersteeg, chef van de af deeling Binnenland

aan het H a n d e 1 s b 1 a d, heeft 19 September zijn

zestigsten verjaardag gevierd. Hij is in de eigen werkkamer

hartelijk gehuldigd; een geschenk en bloemen

legden getuigenis af van de gevoelens van vriendschap

en waardeering jegens den jubilaris. Namens het bestuur

van „De Amsterdamsene Pers" kwam een deputatie

den heer Tersteeg, die oud-voorzitter van deze vereeniging

is, gelukwenschen aanbieden.

Een Reunie.

Op 16 September had te 's-Gravenhage in „Boschlust" een réunie

plaats van medewerkers van het geïllustreerd tijdschrift „Timotheus".

Slechts een enkele maal houdt de hoofdredactie van „Timotheus"

wapenschouw. De laatste maal was reeds elf jaar geleden ongeveer

en had nog plaats in het mooie oude Potterhuis aan de Dunne Bier­

kade, toenmaals nog woonhuis van den hoofdredacteur, den heer

J. N. Voorhoeve.

Velen hadden aan de vriendelijke uitnoodiging gehoor gegeven,

zoodat niet minder dan achtentwintig medewerkers van de Christelijke

pers in het aardige restaurant aan het Bezuidenhout aanwezig

waren.

De genoodigden vereenigden zich, na een gezellige thé, aan een

maaltijd, waar de heer ]. H. van Riessen de leiding had en waar

uiteraard vele goede woorden zijn gesproken.

Over het hooge peil, waarop alle christelijke journalistieke arbeid.

moet staan, sprak nog dr. de Visser, die menigmaal in klaardoorwrochte

artikelen van zijn genegenheid voor het blad blijk gaf.

Spr. wees erop, dat de vrijheid van drukpers gelegenheid geeft

tot vrije meeningsuiting. En met blijdschap mag geconstateerd, dat

in den loop der jaren die vrije meeningsuitfhg, o.m. belichaamd in

de tegenstellingen van zedelijken en van religieusen aard, zich steeds

sterker heeft kunnen ontwikkelen. Zoo is gaandeweg de Christelijke

pers geboren, er is een strooming gekomen in Christelijke richting

en het Christendom kon tot ontwaking en ontwikkeling komen. Dit

legt echter de Christelijke pers groote verantwoordelijkheid op, want

op elk terrein moet zij de draagkracht op dat principe van het

Christelijk beginsel doordenken om haar standpunt te bepalen. Dit

geldt niet alleen voor het politiek terrein. Ook als er bijvoorbeeld

sociale moeilijkheden zijn. Steeds geeft die vrijheid van drukpers

anderzijds de verantwoordelijkheid, om bij het geven van leiding de

tegenstellingen juist te beoordeelen en de overtuiging te wekken,

dat men put uit de verantwoordelijkheid, die men tegenover God

heeft. Christus was daarom groot, omdat Hij de behoeften van alle

tijden en aller menschen in zich kon opnemen. En wil de Christelijke

pers dat ideaal dienen, dan moet zij in haar meeningsuiting ook

steeds op den persoon van Christus kunnen zien. Zoo gezien, kan

er van de pers een groote zegen uitgaan.

Het gezelschap bleef nog langen tijd in gezelligen kout bijeen.

— Tot redacteur van het Volksblad v, Twente (Uitg.

Arbeiderspers) is benoemd K. Jassies, thans redacteur

van het Twentsche Zondagsblad te Almelo.

—r Bij de redactie der Arbeiderspers te Arnhem

is benoemd Th. Rademakers, thans te Amsterdam.

— Tot redacteur aan Het Volk is benoemd J.

Lamers, thans hoofdredacteur van D e P r i n s.

— Onder redactie van J. Hoven verscheen het nieuwe

sportblad Hockey Sport, officieel orgaan van den

Ned. Hockeybond, den Ned. Dameshockeybond enz.

èn Het Amsterdamsche Sportblad, officieel

orgaan van den Amsterdamschen Voetbalbond, den

Amst. Volksvoetbalbond enz.

More magazines by this user
Similar magazines