PRO DOMO

webstore.iisg.nl

PRO DOMO

No. 558

Adres voor Redactie:

Flatgebouw Westzeedijk 128 b

Rotterdam (Telefoon 50538)

INHOUD: Onze excursie. — Officieel. — Personalia. — Uit de

plaatselijke vereenigingen. — Algemeene belangen. — Binnenland.

— Buitenland. — Advertenties.

PRO DOMO

Nu ik, sinds enkele weken uit het ziekenhuis ontslagen,

weer thuis ben en er aan denken mag in den loop

van den zomer mijn werk gedeeltelijk te hervatten, moet

mij in De Journalist tot de collega's een woord van diepe

erkentelijkheid van het hart.

Hoevele goede vrienden ik in den Kring heb verworven,

niet alleen onder de ouderen, die ik al zoo tal van

jaren ken, maar ook onder de jongeren, is mij nu gebleken.

Ik durf niet beweren dat ik zooveel waardeering,

deelneming en hartelijkheid heb verdiend, maar het heeft

mij goed gedaan te ondervinden dat men mij zoo genegen

is. Vaak, in moeilijke uren, was dit mij een troost

en een bemoediging. Ook voor mijn trouw zorgende

vrouw. Hartelijk dank.

Een afzonderlijk woord van erkentelijkheid komt mijn

goeden vriend Polak Daniels toe. Hij heeft het voorzitterschap

van den Kring en het redacteurschap van De

Journalist met rustige blijmoedigheid aanstonds overgenomen

en bij zijn zéér uitgebreid ander werk (o.a. het

Kringsecretariaat!) vervuld, op een wijze, die, naar ik

met voldoening mocht waarnemen, door allen in den

Kring wordt gewaardeerd. Met den geestigen gentlemanliken

zwier, die hem eigen is èn met groote bekwaamheid

en volkomen kennis van zaken leidde hij moeilijke

vergaderingen tot een allen bevredigend resultaat. De

Kring en ik in het bijzonder, heeft aan Polak Daniels

groote verplichtingen. Ook hem oprecht dank.

Ik hoop het e.v. (September)nummer van ons maandblad

weer ineen te zetten en beveel me bij de collega's

voor medewerking wel zéér aan.

H.

H. DEKKING.

(Buiten medeweten van den waarn. redacteur geplaatst).


Int. Instituut

Sac Geschiedenis

Amsterdam

Redacteur:

DEKKING.

1 Juli 1939

Adres voor Administratie

Yaillantlaan 523

Den Haag

HET KRINGUITSTAPJE

De H.J.V. als gastvrouwe

Het waren zonnige dagen.

Voor de commissie van voorbereiding was het weder

n.1. de onbekende en tegelijk allesbeheerschende factor.

Haar was wel buitengewone machtiging verleend, waarvan

zij gebruik maakte op een wijze, welke boven onzen

lof is verheven; maar die machtiging bleef een stuk beneden

de zon. Daardoor werd de commissie gehandicapt

en hing haar arbeid gewoon in de lucht: het programma

was labiel als een moderne begrooting: wel sluitend op

papier, maar in werkelijkheid afhankelijk van een grooten

perspectiefpost.

De optimisten zeiden „het zal waarachtig wel gaan," je

moét in dezen tijd de kunst verstaan gevaarlijk te leven,

doch de bedachtzamen lieten zich „geen ooren aannaaien"

en voelden hun verantwoordelijkheid zwaar tegenover

de honderden die, in goed vertrouwen, zich voor

deelneming aanmeldden. Zonder eenig voorbehoud erkenden

zij de veelheid en de verscheidenheid van aantrekkelijkheden

van de Residentie. Haar appendix, Scheveningen,,

kan ongetwijfeld zekere rechten doen gelden

op den'eerenaam: de koningin van het blonde Hollandsche

strand. Maar die „rechtszekerheid" is in gevaar,

zoodra de zon ontbreekt. Den Haag zonder zon is als

een botboer zonder bot; als nasi goreng zonder mata

sapi.

Maar „het oog van den dag" heeft vriendelijk en

welwillend op ons neergezien en daardoor is het uitstapje

een glansrijk festijn geworden. Ons Haagsche

hart zwol van fierheid en ontroering toen wij, in den

namiddag van Zaterdag 17 Juni, zooveel journalisten en

hun dames vereenigd zagen op het Binnenhof, in het

welverzorgde gidsje van den A.N.W.B, genoemd: de

bakermat en de politieke ziel van ons land. Vooral de

dames zorgden voor een kleurige stoffeering van het

Stadhouderlijk kwartier en de geest van den troep was

monter. Friezen stonden broederlijk naast Groningers en

lieden uit Groot-Mokum waren verspreid onder hun collega's

uit de stad aan de Maas en van vele andere steden

uit ons goede vaderland. „Een demonstratie van

nationale eenheid" zei één van de deelnemers. Inderdaad.

Misschien zal het bij een volgend uitstapje nóg

vollediger zijn, als de K.L.M, in één dag den afstand

Batavia-Amsterdam overbrugt en de journalisten uit Indië

ook even overwaaien

Tegen halfvijf openden zich de deuren van de oude

Ridderzaal: al wie dien drempel overschrijdt — men

loopt niet in zoo'n historisch monument, men schrijdt —

komt nog meer onder den indruk van de eeuwen, die op

hem nederzien. Hier wachtte ons meteen het plechtigste

gedeelte van de excursie. Immers hier stond de Regeering,

vertegenwoordigd door een der eerste, in binnen- en


242 DE JOURNALIST

buitenland meest bekende dienaren der Kroon, gereed de

journalisten te ontvangen. Alleraardigste kleine kleuters

offreerden ieder van ons een anjer; en zoo, feestelijk

getooid, traden wij den grijzen Minister-President tegemoet,

die weldra zijn zeventigsten jaardag zou vieren.

Mevrouw Polak Daniels stond dr. Colijn bij deze ontvangst

ter zijde: een onderscheiding, waarmee wij ons

zonder onderscheid vereerd voelden. Het moet voor velen,

vooral voor hen, die nooit in de gelegenheid waren

dr. Colijn te ontmoeten en te hooren spreken, een buitengewone

sensatie zijn geweest van aangezicht tot aangezicht

tegenover hem te staan en hem de hand te mogen

drukken.

Dr. Colijn verstaat — bij vele andere eigenschappen

welke hem sieren — voortreffelijk de kunst, zich aan te

passen. Misschien zal men geen reden vinden dit bijzonder

te roemen in den man, die jarenlang de aanpassing

heeft voorgestaan, doch hier wordt deze in anderen zin

bedoeld: dr. Colijn is immers oud-lid van den Kring, en

dit was het uitgangspunt van zijn toespraak waarin hij

uiteenzette, dat geen Regeering haar taak goed kan volbrengen

zonder een goede Pers en getuigde, dat Nederland

zich over het algemeen in een objectieve Pers mag

verheugen; al laat zij inderhaast wel eens een steek vallen.

Een spreekwoord zegt, dat dit zelfs de beste breister

wel overkomt. Als oud-collega was de Minister-President

zoo vriendelijk, dit toe te schrijven aan de snelheid,

welke het moderne krantenbedrij f van den journalist

eischt.

Het was een onopgesmukte, voor de vuist weg uitgesproken

rede, die door den wnd. Voorzitter, den heer

G. Polak Daniels vlot werd beantwoord, waarbij deze

er aan herinnerde dat dr. Colijn in 1933 aftrad als hoofdredacteur

van „De Standaard," omdat H.M. de Koningin

hem een hoogere functie opdroeg, zoodat zijn naam uit

de ledenlijst van den Journalistenkring moest worden

geschrapt. Intusschen is die plaats nog altijd vacant en

De Premier bedankt onzen vice-vcorzitter voor zijn goede wenschen.

Fotopersbureau „ Gompers '

als dr. Colijn ooit weer journalistieken arbeid zou gaan

verrichten, hoopte spr. dat hij opnieuw als lid van den

Kring zou toetreden: waarmee de spreker zeker ons aller

wensch vertolkte.

Men heeft beide redevoeringen natuurlijk in de krant

gelezen. Maar een aardig, pikant puntje stond er niet in,

n.1. dat de wnd. Voorzitter als een journalistieke Bamberg

een manuscript uit zijn binnenzak produceerde, dat

het afscheidsartikel voor ,,De Standaard" bleek te zijn,

in 1933 geschreven door dr. Colijn, waarop deze had

aangeteekend: ,,Geen tijd tot overlezen. Even stijl nagaan.

— C." Waarmee werd aangetoond, dat de haast

in de journalistiek, waarvan dr. Colijn sprak, ook in zijn

tijd al bestond. Intusschen was de voorzorg blijkbaar

overbodig — althans er is in het artikel — dat een plaats

krijgt in het persmuseum —• niets veranderd.

Daarna waren de buffetten aan de beurt en vervolgens

hebben vele deelnemers een kijkje in Eerste en Tweede

Kamer genomen, waarna bussen van de H.T.M, ons naar

Hotel De Witte Brug brachten, waar de H.J.V. gastvrouwe

was. Mr. van Bolhuis, haar voorzitter, sprak hier

woorden van welkom; er werd gelegenheid geboden tot

kennismaking met een Zweedsch buffet, onder het motto:

neem wat gij wilt en wat er te krijgen is. Zoo'n

Zweedsch buffet vereischt, net als de Indische rijsttafel,

een bepaalde techniek, wil men de culinaire genoegens

er van uitputtend beleven en men wist toen nog niet wat

het Gemeentebestuur van Den Haag in petto hield.

Geestelijk voedsel was er in De Witte Brug eveneens

in overvloed. Want mr. Van Bolhuis vierde daar zijn

zilveren jubileum als voorzitter van de H.J.V. en collega

Polak Daniels heeft hem namens de leden van de H.J.V.

gehuldigd en geschenken aangeboden. Er was ook een

telegram van den Voorzitter van den Kring, Henri Dekking,

en een bloemenmand van de journalisten in Indië,

die vroeger met Van Bolhuis op de perstribune in het

Parlement hebben gewerkt en daaraan de aangenaamste


DE JOURNALIST 243

Fotopersbureau „Gompers".

Ons eerelid Hans, in gesprek met twee ministers van financiën, dr. Colijn en Wildenberg, penningmeester van de H.J.V.

herinneringen bewaren. Dat kan ook niet anders, want

onze leading man van de perstribune is een bekwaam,

hartelijk en hulpvaardig collega en het was ons een voorrecht,

dezen dag voor den heer en mevrouw Van Bolhuis

extra-feestelijk te maken. De jubilaris zal in deze herdenking

het tegendeel van een „consilium abeundi" zien.

Het voorstel, den Kringvoorzitter een telegram te zenden

met de beste wenschen voor zijn spoedig herstel,

werd onder enthousiast applaus goedgekeurd. Wij allen

hopen den heer Dekking in de najaarsvergadering weer

in functie te zien.

's Avonds was er ontvangst in het gemeentemuseum,

waar de wethouders prof. v. d. Bilt, Buurman, Feber,

Snoeck Henkemans en Vrijenhoek met den gemeentesecretaris

mr. Boasson ter begroeting aanwezig waren.

De burgemeester, mr. De Monchy, die in de Ridderzaal

wel aanwezig was, moest nu elders de Gemeente vertegenwoordigen.

Prof. v. d. Bilt heeft ons welkom geheeten,

waarna een rondgang door het museum werd

gemaakt, nadat dr. Knuttel de beteekenis er van had

toegelicht.

Bijzonder werd het concert geapprecieerd, dat in de

muziekhistorische afdeeling werd gegeven. De conservator,

de heer Balfoort, leidde het in, Toos Kingma—Ver-

Fotopersbureau „Gompers",

De jubileerende voorzitter van de H.J.V., mr. van Bolhuis, aan tafel met de leden van het Dag. Bestuur, Polak Daniels en Schraver,

allen met hun echtgenöoten.


244 DE JOU RN A L I S T

hey, sopraan, Johan J. Jalink viola di gamba en Elisabeth

Everts, clavecord, spinette en tafelpiano, verleenden

hun medewerking.

Rijkvoorziene buffetten had het gemeentebestuur ten

afscheid laten aanrichten.

Tegen halftwaalf werden de deelnemers naar den

foyer van het Kurhaus gebracht, waar zij de gasten waren

van den A.N.W.B. en de directie van de My. Zee-

Collega Kroon, van de Koninklijke, spreekt het gezelschap toe.

Foto dr. Erich Salomon.

bad Scheveningen. Hier werden zij toegesproken door

den voorzitter van den A.N.W.B., den heer H. P. J.

Bloemers en baron Kraijenhoff, waarop de vice-voorzitter

het antwoord niet schuldig bleef.

Het werd een bijzonder geslaagde avond en nacht.

Den volgenden morgen vond ons om halftien in stralenden

zonneschijn op het plein voor het Kurhaus, waar

de bussen van de Westlandsche Stoomtram My. gereed

Voorzitter van de HJ.V. en Kringpenningmeester zijn tevreden over het verloop.

Foto dr. Erich Salomon.


DE JOURNALIST 245

Nestor Bothenius Brouwer, D. Hans en D. J. Lambooy, adj. chef van den R.P.D.

stonden voor den tocht van dien dag. Eerst naar het

schoone recreatieoord van de K.P.M, te Rijswijk, waaide

pers-chef van de Koninklijke, de heer H. Kroon )r.

en de secretaris van het clubhuis, de heer A. Steenbergh,

recipieerden, en de koffie klaar stond. Vervolgens ging

de reis naar de bloemen- en vruchtenkweekerij van den

heer P. Kester te Westerlee, waar de V.V.V. voor het

Westland ons rondleidde door de warenhuizen, waar

anjers bloeiden en druiven hingen. (Zij waren nog zuur

en moesten nog uitgedund worden). Maar aan het einde

van den rondgang kreeg ieder een portie heerlijke druiven,

een perzik en een anjer, die den rijkdom van het

Westland symboliseerden.

Een mooie tocht eindigde in Seinpost, waar de Kamer

van Koophandel ons een lunch aanbood. Voor een deel

van de excursisten was een rijsttafel geserveerd in de

Waroong Djawa. In Seinpost heeft de Voorzitter van

Foto dr. Erich Salomon

Onze vice-voorzitter huldigt mr. van Bolhuis.

Foto dr. Erich Salomon

de Kamer van Koophandel, de heer A. G. Verbeek, uiteengezet

dat de Residentie ook industriestad is en'zich

in dit opzicht nog voortdurend ontwikkelt. Aldus leerde

men Den Haag weer van een andere zijde kennen.

De interessante rede werd beantwoord door den heer

G. Polak Daniels, zoodat men om strijd het gebodene in

geestelijk en materieel opzicht roemde, ondertusschen

genietend van het verrukkelijk uitzicht op zee. Geen

wonder, dat de lunch eerst tegen halfvijf eindigde. Een

kleine wandeling naar het Solarium was daarna zeer

welkom.

Hier stond de thee — en nog wat anders — klaar en

waren het de heer en mevrouw Kroon, die de pers ontvingen.

De eerste — één der beste zonen uit het Hollandsche

journalistengezin — stond voor een buitengemeen

moeilijke taak: na het dien dag zoo rijkelijk genotene

iets aan te bieden in zoo aantrekkelijken vorm, dat

het een in alle opzichten waardig

besluit niet alleen van dien dag, = ^ = = = = = ^ = ^ = = :

maar van de heele excursie vormde.

Zonder reserve kan worden

getuigd, dat hij daarin uitnemend

slaagde.

And that was the end of it,

Het overzicht is alweer veel te

lang geworden; ik hoor den

redacteur van het orgaan al mompelen:

Gee! what tosh that man

writes. All platitudes, platitudes.

Half of it has been said by Adam,

and the other half ought never

to have been said.

Slechts één opmerking nog: de

commissie van voorbereiding

heeft prachtig werk gedaan —

daar waren we het allemaal over

eens. Hulde zij haar nog eens gebracht;

naar ik meen te mogen Foto dr. Erich Sa,omon.

vertrouwen namens alle deel- .....

, _ De voorzitter van de H.J.V. spreekt het

nemers. de K. gezelschap toe.


246 DE JOURNALIST

HET JONGSTE KRINGUITSTAPJE

De omstandigheid, dat bij het jongste Kringuitstapje

zoovele leden der Haagsche Journalistenvereeniging zich

hebben willen herinneren wat ik vergeten waande en aan

niemand hunner had medegedeeld, noopt mij tot een

woord van oprechten dank. De hartelijke toespraak van

onzen voortreffelijken waarnemenden Kring-voorzitter,

collega G. Polak Daniels, de fraaie geschenken, mij aangeboden,

de gelukwenschen van zoovelen hebben mij

dien zonnigen Zaterdag 17 Juni jeugdig van hart gemaakt,

hoezeer een voorzitterschap van 25 jaren gedachten

aan grijzende haren en naderenden ouderdom moge

wekken. Mijn erkentelijkheid geldt ook de niet-Hagenaars,

die hun felicitaties bij de Haagsche zijn komen

voegen, en zeer in het bijzonder de oude kameraden van

Kamer- of Raads-tribune, Van Meurs, Ritman, Voute,

mr. Versteeg en Van Goudoever, die in de tropen ontdekt

hadden wat mijzelf bijkans ontgaan was en die in

den letterlijken zin van het woord op zoo bloemrijke

wijze uiting hebben gegeven aan hun vriendschappelijke

gevoelens.

Nog een tweeden plicht der dankbaarheid heb ik te

vervullen. Als,het Kringuitstapje aan de verwachtingen

mocht hebben beantwoord is dat goeddeels te danken

aan mijn medeleden in de daarvoor gevormde commissie:

aan mej. Belinfante, aan collega Wildenberg, trait

d'union ook met het Kringbestuur, en aan die andere

trouwe helpers vol plannen en initiatief: Bonsma, Hotke,

van 't Veer, van der Wielen en mr. de Wit. Ons Naaldwijksche

lid Leo 't Hart placht de vergaderingen der

commissie bij te wonen en zijn kennis van het Westland

te onzen dienste te stellen. Ook hem ons aller dank!

De deelneming aan het uistapje was verblijdend groot,

zou nog grooter geweest zijn, als de commissie niet op

een bepaald oogenblik de inschrijvingen had moeten

sluiten. Zij heeft zich daarbij geheel gedragen naar hetgeen

in De Journalist van 1 Juni was medegedeeld: „Inschrijvingen

worden slechts geaccepteerd," zoo stond

daar te lezen, „indien de bijdrage, welke uitsluitend gebruikt

wordt voor dekking van administratiekosten e.d.,

vóór of op 7 Juni a.s. zal zijn ontvangen." De Journalist

van 3 Mei, die ook reeds melding van het Kringuitstapje

had gemaakt, had reeds het volgende bericht bevat: „Inschrijving

is mogelijk tot en met 6 Juni Alle aanmeldingen

na dien datum zullen onherroepelijk ter zijde

worden gelegd."

Ettelijke inschrijvingen hebben kort na 6 Juni plaats

gehad, tal van bijdragen hebben ons kort na 7 Juni

bereikt.

Houden wij ons aan dezen laatsten datum! Waren de

commissieleden zulke Jantjes Secuur, zulke bedillerige

schoolvossen, dat zijalleen om het overschrijden van den

gestelden termijn eenige tientallen inschrijvingen hebben

geannuleerd? Het tegendeels is het geval; niets ware ons

liever geweest dan a//en welkom te heeten in de residentie.

De termijnoverschrijding ging echter samen met een

zeer aanzienlijke overschrijding van het geraamde aantal

deelnemers. Het topcijfer ging nu reeds de 260 te

boven, al waren natuurlijk niet steeds die 260 allen ter

plaatse. Ware met den fatalen datum geen rekening gehouden,

dan zou 300 een veel te laag cijfer zijn geweest

ter schatting van het aantal deelnemers.

Welnu, er zijn zekere grenzen, waarbinnen men naar

het oordeel der commissie moet blijven, wil men niet

den schijn op zich laden, misbruik te maken van de

gastvrijheid, van verschillende zijden tegenover den

Journalisten-kring betoond.

Reeds thans heeft de H.J.V. een grooter deel der

gastheerlijke plichten voor haar rekening moeten nemen

dan aanvankelijk mogelijk was geacht. Meer echter kon

zijzelve niet doen en het dagelijksch bestuur van den

Ned. Journalisten-Kring, waarmede op de aangenaamste

wijze werd samengewerkt, bleek dit zeer wel te

beseffen. Doch evenmin konden wij meer vergen van

de organisaties, colleges en goede vrienden, wier medewerking

ons zoo gul en spontaan was toegezegd.

Er moest dus een scheidslijn getrokken worden en wat

was redelijker dan het eerbiedigen van den fatalen termijn!

Met bloedend hart hebben de commissieleden tal

van inschrijvingen geannuleerd; zij zelf hebben zich telkens

opnieuw afgevraagd, of er geen mouw aan te passen

was. Maar: a 1'impossible nul n'est tenu.

Op raad van Amsterdamsche collega's is ditmaal voor

het eerst bij een Kringuitstapje een klein inleggeld geheven,

waartegenover weliswaar een tegemoetkoming

der Ned. Spoorwegen stond zóó groot als wij hadden

durven hopen noch verwachten, een tegemoetkomend-

Reid, veel grooter nog dan uit De Journalist van 1 Juni

op te maken viel. Niettegenstaande dit inleggeld was

het aantal inschrijvingen met inbegrip van de geannuleerden

veel grooter dan ooit te voren.

Op zich zelf een verblijdend verschijnsel, doch tevens

aanleiding tot het stellen van de vraag, of niet in den

vervolge schier steeds een limiet zal moeten worden gesteld,

hetzij in den vorm van een fatalen termijn, hetzij

in dien van een maximaal aantal deelnemers. Bij excentrisch

gelegen plaatsen is dit misschien niet strikt noodig,

maar ook daar zal toch rekening moeten worden

gehouden met het stijgend ledenaantal en de stijgende

belangstelling. Hoewel ons allen natuurlijk niets liever

zou zijn dan een ongelimiteerde excursie, al ware het

slechts omdat de Kringuitstapjes niet alleen de gelegenheid

bieden, elkander beter te leeren kennen, doch

tevens op de gelukkigste wijze een einde te maken aan

de dwaling, dat slechts vrijgezellen vrij gezellig zijn.

Wat zouden de excursies zijn zonder de dames, wier

tegenwoordigheid echtgenooten en bachelors gelijkelijk

inspireert!

J. J. VAN BOLHUIS.

Officiëele berichten.

VERHUIZING

Vergeet niemand bij verhuizing zijn (haar) nieuwe

adres aan het Kringsecretariaat, Schiefbaanstraat 15,

den Haag, op te geven?

Voor het binnenland kan daarvoor een „formulier

voor adreswijziging", aan de postkantoren voor l^

cent verkrijgbaar, gebruikt worden.

Ook van een verandering in hoofdfunctie ontvangt

het Secretariaat altijd gaarne bericht.

LEDENLIJST.

Aangenomen als gewoon lid:

J. C. Francken, De Rottere., Boreelstr. 3a, Rotterdam.

A. C. van Kampen, Heldersche Ct., Parallelweg 38,

den Helder.

Drs. G. de Bruyn, N. Rott. Ct., Schietbaanlaan 66a,

Rotterdam (thans buitengewoon lid).

Voorgedragen als gewoon lid:

D. W. Dettmeijer, N. Rott. Ct., Gevers Deynootweg

137 Scheveningen.

G. H. Wallagh, Holl. Wbld. en Persb. V. D., Hoofdweg

106 hs., Amsterdam W.

J. B. Bouwer, Engelsche bh, van Tuyll van Serooskerkenweg

45, Amsterdam Z.

G. H. Meijroos, A.R. Wbld. v. d. Zaanstreek e.a. bh,

Burgem. ter Laanstraat 43, Zaandam.

Bedankt als gewoon lid:

J. Pieters, Stuyvesantstraat, den Haag

Aangenomen als buitengewoon lid :

G. L. Weisz, Int. Pers Corr., Kr. Mijdrechtstraat 36,

Amsterdam Z.


Overleden:

J. F. L. de Balbian Verster te Amsterdam.

Wegens wanbetaling geroyeerd:

Mej. T, Eygenhuysen, Amsterdam.

C. H. Geudeker, Amsterdam.

J. W. L, Lamers, Amsterdam.

M. Pont van Valckenborg, den Haag.

H. W. J, Schaap, Hilversum.

Mr. H. Scholte, Amsterdam.

G. Sillevis, Haarlem.

B, Sluimers, Bandoeng.

H. Veersema, Medan.

J. Polak, Bussum.

Adresverandering:

R. Kampman naar Prof, dr. Heymanslaan 8b, Groningen.

E. van Nie naar Vijzelstraat 90 III, Amsterdam C.

A. E. M. Kortebein naar Misterstraat 80, Winterswijk.

L. R. Stallinga naar Da Costalaan 86, Rijswijk.

C. Meyer naar Julianastraat 21, Purmerend.

B. Bruins naar Plantageweg 44b, Rotterdam.

W. A. van Krieken naar Weerstraat 25, Tiel.

A. A. Stuurman naar Pieter Saenredamstr. 8, Utrecht.

P. A. Wansink naar Leidschegracht 45 I, Amsterdam

Centrum.

J. Winkler naar Rijnstraat 126 II, Amsterdam.

N. Oosterbeek naar Burnierstraat 34, den Haag.

J. Breunis naar Sinaasappelstraat 108, den Haag.

Joh. J. van der Heide naar Groningerstraatweg 101,

Leeuwarden.

G. P. Bakker naar Eemnesserweg 225, Hilversum.

WAT LEERT ONS DE LEDENLIJST?

Onder dit opschrift heeft collega Van Boetzelaer in

het vorige nummer een bijdrage geleverd, waarin hij

nagaat met hoeveel leden de verschillende bladen in ons

land in den Kring vertegenwoordigd zijn. Hij schrijft

daarin, dat De Standaard de eenige krant is van tien

leden en men daarmee van de dubbele cijfers af is. Maar

dit is niet juist, want De Rotterdammer heeft op den kop

af precies tien leden. De heer van Boetzelaer betrekt in

zijn becijferingen voor de Arbeiderspers ook de districtbladen.

Maar dan moet hetzelfde ook gebeuren voor

De Rotterdammer, welke onder de benaming ,,De Vijf

Samenwerkende Christelijke Dagbladen" ook verschillende

bladen uitgeeft. De ledenlijst vermeldt leden van

De Rotterdammer, de Nieuwe Haagsche Courant, de

Nieuwe Leidsche Courant, de Nieuwe Utrechtsche Courant.

Welnu, al die bladen behooren bij elkaar en als

men de leden samentelt, dan zijn het er — zooals gezegd

— precies tien. Merkwaardig intusschen, dat de

grootste twee Christelijke dagbladen in de ledenlijst van

onzen Kring elk met tien leden voorkomen.

De Rotterdammer groeit nog in ledental, want in hetzelfde

nummer van De Journalist werd weer een redactielid

voorgedragen. Laat ons hopen, dat het dit jaar zoo

zal voortgaan.

J. VAN OOSTENDE.

PERSONALIA.

J. F. L. DE BALBIAN VERSTER

Jan Verster! De oude tijd. Het oude Amsterdam

van de jaren '90. Met de paardentram van de A.O.M.

en de Gasfabriek en de bierkneipen van Kohier en Buhrdorff

in de Warmoesstraat en „de Vic" (Victoria) met

Michel Solter en Strauss in de Nes En het Palais-

Royal op den hoek van den Voorburgwal en de Paleisstraat.

En de Ronde Tafel van de journalisten daar,

's middags als van de omgevende krantenbureaux de

vormen gezakt waren. Wat hebben we daar een

D E JOURNALIST 247

„steentjes" gelegd en een dubbeltjes op het groene

laken: Jan Timmer en Geerke en Berckenhoff en Derkinderen

(ook de deftige Waalwijk wel eens), Tersteeg

en Gorter en Vierhout en Muller Massis en

Peaux en de Jong en Jan Verster. Van wie allen,

geloof ik, alleen Vierhout en Peaux en ik nog over zijn.

En van dien kring is nu juist misschien de meest sociale

weggenomen.

Want Jan Verster was een uiterst beminnelijk, gezellig

en toch tegelijk hoofsch man. Mij dunkt dat hij

nooit vijanden moet hebben gehad; ik heb die althans

nooit gekend. Maar een mooiprater was hij allerminst.

Niet licht zou hij iemand iets onaangenaams zeggen en

ooiijk grinnekend nam hij alle plagerijen op (soms, dunkt

mij, hebben wij wel eens misbruik gemaakt van zijn goedigheid

en zijn onverstoorbaar goed humeur) maar zijn

eigen meening had hij en zei hij, als het noodig was.

Want hij had net zoo'n stevig karakter als een goed

humeur. En hij wist wat hij zei; nooit stelde hij zich tevreden

met een a-peu-près: Hij was de grondigheid zelf

en wat hij deed, moest hij goed doen om over zijn werk

tevreden te kunnen zijn. Zoo had hij, in een tijd toen

hij, Vierhout en ik, verwoed aan 't biljarten waren geslagen,

ontdekt dat er, boven een koffiehuis aan 't Damrak,

zich een „professeur de billiard" had gevestigd (een

Belg, Henry Wilden) bij wien men les in 't biljarten

kon nemen, vooral in masseeren en piqueeren. Aanstonds

troonde hij ook mij er heen „want wat je doet, moet je

goed leeren doen".

En toch was hij allerminst ernstig van aard; hij zat vol

grappen en snakerijen en ik herinner mij o.a. een vroolijken

avond in de Warmoesstraat waarop een troepje

van ons met Jan Verster aan 't hoofd zeer vroolijk door

die straat trokken, een soort loopenden dans uitvoerden

waarbij hij telkens al voortdansend quasi viel.

Het was maar vertooning, maar hij deed het zóó goed

dat voorbijgaande vrouwen gilden omdat die man zoo

akelig scheen te vallen.

Verster was een vriend, een echte, die een vriend nooit

in den steek zou laten. Ik heb in De Journalist wel eens

verteld van dat dwaze duel waartoe ik een anderen

collega had uitgedaagd en waarvoor ik hem en een

anderen, niet-journalistieken, vriend tot getuigen had

gevraagd. Een ander zou licht bang zijn geweest om

zich belachelijk te maken, maar Verster niet (mijn tweede

getuige trouwens ook niet); hij deed ook dit karweitje

even nauwgezet en grondig als hij alles deed.

Want dat blijkt misschien het meest merkwaardige in

Verster: dat hij zoo'n vlot en rap verslaggever was èn

zoo'n uiterst gedegen artikelenschrijver. In Indische èn

in Amsterdamsche dingen, in zaken van oude kunst èn

van Amsterdamsche personalia, was hij zóó goed thuis

dat menige deskundige er respect voor had en hem raadpleegde.

Maar als het mooiste in Jan Verster zullen toch altijd

blijven, voor wie hem gekend hebben: zijn doorzichtig

zuivere karakter en zijn gouden hart. Hij was in al zijn

eenvoud toch waarlijk een ridder zonder vrees of

blaam, een door en door klaar mensch. En een met

een zeer warm en een zeer goed hart. Waarlijk een

„Coeur d'or".

Men zal hem vergeten.

Men zal ons allen vergeten.

Maar wie hem gekend hebben, vergeten hem, zoo

lang zij nog leven, nooit, dien nobelen, hartelijken

vriend: Jan Verster.

C. K. ELOUT.

G. P. BON f

Met groot leedwezen zal in den kring van onze collega's

vernomen zijn, dat G. P. Bon, die in Maart 1938

naar Brazilië vertrok om zich bij zijn zoons te vestigen,

aldaar op 10 Juni in den ouderdom van 58 jaar is overleden.

Met Bon is een voortreffelijk collega en een goed


248 D E JOURNALIST

mensch heengegaan. Hij was een trouw Kringlid en het

deed hem niet minder leed dan ons, toen hij zich door

den bekenden wensch van het Episcopaat genoopt voelde

voor het Kringlidmaatschap te bedanken.

In 1936 volgde hij collega Vesters op als voorzitter

van de Ned. R.K. Journalistenvereniging, door welke

functie de oude banden met den N.J.K. opnieuw werden

aangeknoopt. Op de parlementaire perstribune, waar hij

29 jaar voor verschillende r.k. bladen werkte, was Bon

een der meest geziene collega's, wiens vertrek naar Brazilië

algemeen betreurd werd. Daar hoopte hij een nieuw

leven van werken op te bouwen. Vol optimisme vertrok

hij met zijn vrouw naar het land van zijn kinderen, voor

wie hij nog veel dacht te kunnen doen.

Helaas is zijn hoop niet in vervulling gegaan. De

oogenschijnlijk zoo sterke, altijd hard werkende, Bon

werd door een klimaatziekte getroffen en een ernstige

hartaandoening maakte, nog sneller dan verwacht werd,

een eind aan dit welbestede leven. Zijn stoffelijk overschot

rust op het kerkhof van de Nederlandsche kolonie

te Carambéhy.

Bon zal in onzen kring niet vergeten worden.

F. VAN DER GOES f

Op 80-jarigen leeftijd is te Laren de bekende letterkundige

Frank van der Goes overleden. Hij behoorde tot

de eerste redactie van De Nieuwe Gids, was tooneelcriticus

van De Amsterdammer, medewerker aan De

Kroniek, De Twintigste Eeuw, De Nieuwe Tijd, chefbuitenland

van Het Volk, waarin hij van 1912 tot '25

het dagelijksche buitenlandsch overzicht schreef.

E. HOORNIK

De jaarvergadering van de Nederlandsche Maatschappij

voor Letterkunde heeft, overeenkomstig de

voordracht van de commissie voor Schoone Letteren,

den C. W. van der Hoogtprijs voor poëzie toegekend

aan ons lid Eduard Hoornik, voor zijn episch gedicht

„Mattheus".

Hij verkreeg een gelijk aantal stemmen als de dichteres

Clara Eg gink. De commissie besliste na loting ten

gunste van Hoornik.

J. M. W. WAANDERS f

Te Zwolle is op 56-jarigen leeftijd na een kortstondige

ziekte overleden de heer J. M. W. Waanders. De

overledene is verbonden geweest aan het Overijselsch

Dagblad te Zwolle en wel als onder-directeur van 1919

tot 1924, in welk jaar de heer Waanders tot directeur

werd benoemd. In deze laatste functie was hij tot 1938

werkzaam.

MAURITS WAGENVOORT 80 JAAR

Op 27 Juni jl. heeft de bekende romanschrijver en

journalist Maurits Wagenvoort zijn tachtigsten verjaardag

gevierd. Er had zich een comité gevormd om den

jubilaris op dien dag te huldigen.

De Kring heeft Wagenvoort telegrafisch gelukgewenscht.

JOURNALISTEN VROEDE VADEREN

Bij de jongste verkiezingen zijn in den Haag tot lid

van den Raad gekozen ons lid C. A. Crayé en de heer

A. van Dijk, die „Het Volksdagblad" (ex-„Tribune") op

de perstribune van de Tweede Kamer vertegenwoordigt.

Laatstgenoemde is pas 23 jaar en is dus nog niet

kiezer.

Wat gij in vertrouwen verneemt, houd dat voor u.

Een journalist die niet dicht is, raakt spoedig heel zijn

crediet kwijt.

(Julius Bachem, „Allerlei Gedanken über Journalistik", 1906).

Uit de plaatselijke vereenigingen.

Rjv.

Voor het lidmaatschap der Rotterdamsche Journalisten

Vereeniging heeft zich aangemeld de heer J. H. Mackenzie,

Dagblad van Rotterdam.

Eventueele bezwaren kunnen worden ingediend bij

den secretaris, H. Bos, Middenhoefstraat 19.

H.J.V.

Voor het lidmaatschap van de H.J.V. hebben zich

aangemeld de heeren C. Craamer, A.N.P., Jurriaan

Kokstraat 216, Scheveningen en A. J. Hendriks, van

Speijkstraat 32a, den Haag.

Eventueele bezwaren bij de Secretaresse, mej. E. J.

Belinfante, Schuytstraat 172, den Haag.

Algemeene belangen.

BUITENLANDSCHE PROPAGANDA?

In ons vorig nummer vestigden wij de aandacht op het

feit, dat volgens Hollandsch Weekblad een bekend Persbureau

in den Haag kort voor Hitlers 50en verjaardag

een gratis pagina over Hitler zou hebben aangeboden,

welke verkapte propaganda en een advertentie van het

Duitsche propagandaministerie werd genoemd.

Naar aanleiding hiervan zijn wij in de gelegenheid

gesteld van deze pagina kennis te nemen. Deze rechtvaardigt

o.i. dergelijke qualificaties niet. Het bedoelde

Persbureau levert zijn abonné's tegen een vast abonnementsbedrag

dergelijke pagina's. Van een gratis-aanbieding,

zoo werd ons verzekerd, was dus geen sprake. Het

bureau streeft naar objectiviteit en veelzijdigheid. Zoo

kreeg onlangs Roosevelt eenzelfde beurt als Hitler. Uit

een artikel, dat ons eveneens getoond werd en dat in de

vorige maand aan de bladen werd aangeboden, bleek

ons, dat ook kopij, die voor Duitschland allerminst aangenaam

is, door het Persbureau verspreid wordt.

BESCHERMING TITEL JOURNALIST

Het 24ste congres van den Algemeenen Belgischen

Persbond, dat onder voorzitterschap van Demarteau,

hoofdredacteur van de Gazette de Liège", te Luik gehouden

is, heeft de volgende motie aangenomen:

1. Het congres draagt aan den voorzitter van den

Algemeenen Belgischen Persbond op, alle maatregelen

te nemen, die noodig zijn om bescherming aan den titel

van journalist te verzekeren, te weten:

a. Het opstellen van een lijst van personen, die wezenlijk

het beroep van journalist uitoefenen in België en

het recht hebben, dezen titel te dragen.

b. Er voor zorgen, dat de Belgische overheden alleen

personen, die op deze lijst voorkomen, practisch als journalist

erkennen.

c. Het bestudeeren van een wetsvoorstel op korten

termijn, waardoor een straf kan worden opgelegd aan

dengene, die misbruik maakt van den titel van journalist.

2. Het congres doet een beroep op de Kamerleden,

vooral op de journalisten, die zitting nebben in het Parlement,

om deze zeer belangrijke hervorming voor de

verdediging van de waardigheid van de Pers en voor de

bescherming van haar vrijheid, te bevorderen.

De dagbladpers ondergeschikt aan de Regeering!

De N. Rott. Cf. schrijft:

Overheid en pers zijn het niet altijd eens geweest. In

1793 werd te Schoonhoven een koerantier (zooals het

toen heette), die iets tegen den zin van het gemeentebestuur

had geschreven, van zijn octrooi beroofd en buiten

de stadspoorten gezet.


Ook in onze dagen komen nog wel eens botsingen

voor. De overheid is niet buitengewoon gesteld op critiek

op haar daden — de pers daarentegen voelt critiek als

een deel van haar roeping. De ambtenaar is bedachtzaam,

hoedt zich voor het mededeelen van iets wat nog

niet onomstootelijk vaststaat, hetgeen neerkomt op hetgeen

iedereen weet. De journalist beijvert zich om te vertellen

wat juist nog niemand weet.

Met dezen onvrede zou het spoedig gedaan zijn, perspacificatie

zou op til zijn, gelijk de leeuw en het lam

zouden pers en overheid samen weiden, indien de raad

gevolgd werd, die in een vergadering van de Leidsche

afdeeling der Jong-Liberalen door den voorzitter van

den studiekring is gegeven.

Die vergadering heeft blijkbaar weinig aandacht getrokken:

is men, omdat de aanwezigen algemeen tegen de

voorgestelde breideling van de persvrijheid opkwamen,

tot de orde van den dag overgegaan?

,,De voorzitter van den liberalen studiekring", zoo las

men in het verslag, „bepleitte een sterk regeeringsgezag.

De macht van de dagbladpers wil spr. ondergeschikt maken

aan de regeering; week- en maandbladen wil hij vrijlaten.

De regeeringspersdienst dient uitgebreid te worden

tot een persbureau."

Dus. naast het radio-persbureau een dagbladredactie?

en in de plaats van de groote verscheidenheid van bladen

met al hun onhebbelijkheden en onvriendelijkheden over

wat hun niet aanstaat, Oss en zoo, een groote vriendelijke,

op elke plaats van het land met den zelfden zachtaardigen,

tevreden inhoud verschijnende „Oprechte Algemeene

Nederlandsche Staatscourant", van den Haag

uit geredigeerd? Onder een administrateur als hoofdredacteur,

een referendaris als chef der redactie en met

commiezen voor kunst, wetenschap, binnenland, buitenland,

sport enz. In de hoofdartikelen wordt slechts één

meening verkondigd, aan alle berichten slechts één maatstaf

aangelegd. De humor wordt, als bij dr. Göbbels, regeeringshumor.

Wie zich te buiten gaat aan de gelijkschakeling

wordt op het matje geroepen. Of gingen de

denkbeelden van den spreker niet zóó ver?

Welk een zalige vrede anders! De staatsburger, die

aan zijn ontbijt of aan de avondthee deze gelijkgeschakelde

journalistiek geniet, zal booze opwellingen over

regeeringsdaden, geldverspilling, bevoordeeling, belastingdruk,

aanstonds onderdrukken, wel inziende hoe

storend het zou werken, ze te uiten.

Indien er tenminste menschen zouden gevonden worden,

die zich op deze eenheidskrant willen abonneeren!

BINNENLAND.

ONDEUGDELIJKE MEDICIJN EN BELEEDIGING

VAN EEN VOLKSGROEP

Met groote belangstelling heb ik in het nummer van

3 Mei j.1. van ons orgaan het artikel „Ondeugdelijke

medicijn" gelezen, temeer waar, sinds dit artikel uit de

pen vloeide, de ondeugdelijke medicijn nog in heel wat

zwaardere dosis aan de Nederlandsche perswereld geoffreerd

wordt in den vorm van het wetsontwerp van

Minister Goseling, dat thans voor ons ligt.

Een rechtgeaard Nederlander kan zich beroepen op

de Grondwet, welke Grondwet wel spreekt van vervolging,

het opleggen van boete, subs, gevangenisstraf, of

hechtenis en gevangenisstraf bij persdelicten, i) doch

geen ruimte laat voor het totaal verbieden van organen.

Gaat men tot dit laatste over, dan worden de grondwettelijke

rechten van ieder saatsburger aangetast en

daarmede aan het staatkundige stelsel, dat de schrijver

van het artikel „Ondeugdelijke medicijn" verkiest, zijn

grondslag ontnomen.

Wanneer een dagbladschrijver een artikel schrijft,

hetwelk door inhoud, of door de wijze waarop het opgediend

wordt, in strijd is met het Wetboek van Strafrecht,

laat men dan een vervolging instellen en den

DE JOURNALIST 249

delinquent desnoods veroordeelen. Dit stuit nog niet

tegen onze rechten, doch wél is het in flagranten strijd

met de vrijheden in Nederland, wanneer de overheid

rechten verkrijgt, zooals Minister Goseling deze thans

wil opeischen. 2 )

Tegen dit wetsontwerp spreekt m.i. ook de laatste

zin van het door mij hierboven aangehaalde artikel zich

uit: lederen stap in de richting van een steeds dreigende

inmenging van Ministers (met hun ambtenaren)

in onze Pers wijzen wij zonder voorbehoud af. 3 )

Men kan verschil van meening hebben over staatsvorm,

men kan hemelsbreed van opvatting verschillen ten

aanzien van vorm en inhoud van critiek, doch m.i. kan

men in vakkringen moeilijk nog van meening verschillen

over de beknotting van de persvrijheid, welke vervat is

in het wetsontwerp, hetwelk thans Minister Goseling

het licht deed zien.

Tenslotte nog enkele woorden naar aanleiding van

het opnemen van het bericht over mijn veroordeeling

voor den Haagschen Politie-rechter. Hieruit zou men

zonder nadere beoordeeling de conclusie kunnen trekken,

dat het plaatsen van het bericht over de dierenmishandeling

te Lochem door mij uit louter anti-semitische

overwegingen 4 ) zou zijn geschied en ten tweede,

dat ik mij van onjuiste gegevens zou hebben bediend.

Met betrekking tot het eerste verklaar ik met nadruk,

dat — indien een ander veehouder, van welke nationaliteit

of politieke opvatting ook, hetzelfde zou hebben gedaan,

ik met dezelfde kracht en met dezelfde opvattingen

mij daartegen in de pers zou hebben verzet. Het ging

hier om de beschermnig van ons vee. 4 ) Ik kende den

veehouder M. niet, wist niets van zijn persoonlijk leven,

doch was in het bezit van geteekende verklaringen omtrent

zijn gedrag op dien bewusten kouden winterdag.

Met deze verklaringen zijn we tevens bij de tweede conclusie,

welke mogelijk getrokken zou kunnen worden.

Voldoende weerlegging van deze beschuldiging moge

gevonden worden in een brief, welke ik d.d. 28 April

ongevraagd van een landbouwer uit Lochem ontving,

waarin deze — na van mijn veroordeeling gelezen te

hebben — pertinent verklaart hoe en op welke wijze de

dierenmishandeling heeft plaats gehad. Ik heb dezen

brief den Haagschen Politie-rechter alsnog toegezonden.

4)

H. J. OTTO.

1 ) Zoo staat het niet in de Grondwet. Daarin wordt alleen

vastgelegd, dat niemand voorafgaand verlof noodig heeft, om door

de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders

verantwoordelijkheid voor de wet. — Red.

2 ) Voor de justitie. — Red.

3 ) Het omstreden voorstel brengt een nieuwe bevoegdheid voor

den rechter, geen ministeriëele inmenging. — Red.

4 ) De heer Otto schijnt nog altijd niet te beseffen wat hij misdeed.

Hij mag zooveel als hij wil mishandeling van dieren bestrijden,

hij mag niet beleedigen en hij moge dan niet „1 o u t e r"

uit anti-semitische overwegingen hebben gehandeld, de Politierechter

heeft hem terecht onder het oog .gebracht, dat de toevoeging, dat

de door inzender aangevallen veekoopman Jood was, er op wijst

dat dergelijke overwegingen wel degelijk in het spel zijn geweest.

Voorts zij hier slechts aangeteekend, dat in De Journalist geen

oordeel is gegeven. Wij hebben slechts melding gemaakt van de

behandeling van een paar zaken, waarbij een Kringlid met den

strafrechter in aanraking kwam. Hetgeen voor onze leden van

belang is. — Re d.

ALWEER VOOR DEN RECHTER

Collega H. J. Otto, redacteur van het „Nationale

Dagblad" moest voor de Haagsche rechtbank terecht

staan, omdat in genoemd blad onder verdachtes verantwoordelijkheid

een artikel verschenen is getiteld „Naar

de hel van Oss", dat beleedigend werd geacht voor het

burgerlijken armbestuur te Nistelrode.

O. was niet verschenen en had den Officier van Justitie

laten weten, dat het hem niet meer mogelijk was op de

terechtzitting te verschijnen.

De Officier eischte een geldboete van ƒ 100 subs. 50

dagen hechtenis.

Uitspraak ƒ25 subs. 50 dagen hechtenis.


250 DE JOURNALIST

N.D.P.

Te s-Gravenhage is op 7 Juni de jaarlijksche algemeene

vergadering van de vereeniging van uitgevers van

dagbladen De Nederlandsche Dagbladpers gehouden.

Vele zaken, de vereeniging en het dagbladbedrijf betreffende,

werden behandeld. De voorstellen van het bestuur

met betrekking tot een regeling voor de zuivering van

advertentie-aquisitiewezen werden met algemeene stemmen

aangenomen. Hetzelfde geschiedde met het bestuursvoorstel

betreffende de door de vereeniging te

nemen maatregelen met betrekking tot het wetsontwerp,

houdende nadere bepalingen ter bescherming van de

openbare orde, welk ontwerp de persvrijheid raakt.

In de bestuursvacatures werd voorzien door de benoeming

van de heeren mr. H. Dikkers, C. M. Dosker en

F. H. J. Holdert.

Het bestuur bestaat thans uit de heeren J. W. Henny

(Leidsch Dagblad), voorzitter; H. Nijgh (Nieuwe Rotterdamsche

Courant) penningmeester; L. Arts (Nieuwe

Tilburgsche Crt.) vice-voorzitter; mr. H. Dikkers (Provinciale

Overijsselsche* en Zwolsche Courant), C. M.

Dosker (De Nieuwe Koerier), F. H. J. Holdert (Telegraaf)

en P. W. Peereboom (Haarlem's Dagblad). Secretaris

mr. W. G. J. Veenhoven, Haarlem.

DE NEDERLANDSCHE PERIODIEKE PERS

De vereeniging de Nederlandsche Periodieke Pers,

waarbij zijn aangesloten de uitgevers van rond 700 in

Nederland verschijnende nieuwsbladen en tijdschriften,

heeft te Amsterdam haar jaarlijkschen congresdag gehouden.

In de ochtenduren waren de deelnemers te gast bij

het Algemeen Nederlandsch Persbureau A.N.P., waar

de directeur, de heer H. H. J. van de Pol, de gasten

rondleidde.

In de drukbezochte algemeene ledenvergadering kon

de voorzitter, de heer A. J. G. Strengholt, die bij acclamatie

als zoodanig werd herkozen, constateeren, dat de

vereeniging, dank zij een steeds toenemende activiteit,

haar aanzien naar buiten weet te versterken en meer en

meer in de perswereld de plaats gaat innemen, die met

de belangrijkheid van de periodieke pers in ons land in

overeenstemming is.

INTERNATIONALE LUCHTVAARTPERS

Op het eerste congres van de Internationale Luchtvaartpers

te Rome, waar 150 publicisten uit 22 landen

aanwezig waren, is op uitnoodiging van de Duitsche

regeering besloten in 1940 eenzelfde congres te Berlijn

te houden.

Het voorstel van Nederland, dat met instemming van

den Minister van Waterstaat, mr. dr. ir. J. A. M. van

Buuren, werd gedaan om in 1941 een congres in Den

Haag te houden, is bij acclamatie aangenomen. (Hbld.)

DE BREDASCHE COURANT

Vrijdagmiddag 16 Juni vond de heropening plaats van

het geheel verbouwde en gemoderniseerde pand der

NV. Broese & Peereboom, de uitgeefster der Bredasche

Courant.

In zijn openingswoord zei de president-commissaris,

mr. A. Loeff, dat de Bredasche Courant zich vooral in

de laatste maanden ontwikkeld heeft tot een up to date

dagblad.

De directeur der N.V. Broesè en Peereboom, de heer

C. Riezebos, zei o.a. dat de redactie met een kleine bezetting

vaak wonderen weet te verrichten.

Een deputatie uit het personeel bood de directie een

fraaie electrische klok aan met het verzoek deze een

plaats in het gebouw te geven.

Ten slotte werd de eerewijn rondgediend en werd een

rondgang door het bedrijf gemaakt.

Een permanente tentoonstelling van werken van de

leden van den Bredaschen Kunstkring in de ruime hal

trok algemeen de aandacht.

BRUGNUMMER DORDRECHTSCHE

COURANT

Ter gelegenheid van de ingebruikneming van de brug

over de Oude Maas op 24 Juni j.1. heeft de Dordrechtsche

Courant een speciaal nummer van 48 bladzijden

uitgegeven. Tal van autoriteiten hebben er een artikel

voor afgestaan. De Minister van Waterstaat mr. dr. ir.

van Buuren opent de rij. De Burgemeester volgt met een

bijdrage getiteld „Groote mogelijkheden voor Dordrecht

geopend", dat aldus besluit:

„Dat de pers haar aandacht aan deze hoogst belangrijke

gebeurtenis schenkt, verwondert me niet, omdat ze

zich steeds bijzonder heeft geïnteresseerd voor verkeersvraagstukken.

Dat de Dordrechtsche Courant bij deze gelegenheid

zich extra inspant, is het handhaven van een mooie traditie,

omdat haar leiders in den loop der 19e eeuw steeds

in hooge mate de belangen van Dordrecht op het gebied

van het verkeer hebben gediend."

UIT DE JEUGDJAREN DER PERS

Op het 17e Nederlandsche Bibliotheek congres heeft

dr. J. H. Kernkamp van de Koninklijke Bibliotheek te

Rotterdam een voordracht gehouden over de „Jeugdjaren

der Pers." De jonge wetenschap, welke zich met de

bestudeering van het courantenwezen bezig houdt, heeft

vooral in Duitschland belangstelling ondervonden.

Het courantenwezen, in het bijzonder hier te lande,

ontleent niet alleen zijn beteekenis — aldus dr. Kernkamp

— aan de hoogte welke de Nederlandsche dagbladpers

heden heeft bereikt, maar kan tevens bogen op

een roemrijk verleden, dat een nadere bestudeering ten

volle waard is. Op dit meer speciale terrein was het de

Zweed Folke Dahl, die ons bewust deed worden van

den achterstand, die valt in te halen, door het openbaar

maken van zijn vondst betreffende oude in Nederland

gedrukte couranten, die thans bewaard worden in de

Kon. Bibl. te Stockholm. Zijn ontdekking geeft hem o.m.

aanleiding Amsterdam omstreeks 1620 als centrum van

de pers in West-Europa te beschouwen. Hij beschikt

over de bewijzen, dat de Nederlandsche courantiers van

dien tijd behalve hun landgenooten ook het Fransche

en het Engelsche publiek geregeld van gedrukte nieuwstijdingen

voorzagen.

Voorts vestigde dr. Kernkamp de aandacht op het

archief van der Meulen, dat een schat van geschreven

nieuwstijdingen bevat, waarvan de beteekenis ons eerst

ten volle zal blijken, als de papieren van Daniel van der

Meulen en die van zijn broeder Andries, in Leiden,

Utrecht, Den Haag en Amsterdam bewaard, in zijn geheel

een bewerker en uitgever zullen hebben gevonden.

De Rijksarchivaris te Zwolle heeft nog aandacht gevraagd

voor een pak couranten en geschreven nieuwstijdingen,

aanwezig in het oud-archief Van Hasselt,

waarin 18 gedrukte couranten uit de jaren 1620—1622

worden aangetroffen, welke met slechts één uitzondering

geen van alle voorkomen in de te Stockholm bewaarde

verzameling. Na nog verschillende bijzonderheden

over courantiers, den inhoud der oude couranten,

zoowel wat nieuws als advertenties betreft, te hebben

medegedeeld, zeide spr. nog dat de pers hier te lande

niet aan een strenge censuur was overgeleverd, gelijk

algemeen in het buitenland het geval was, waar bijna

niets zonder goedkeuring van het gezag gedrukt mocht

worden, ja zelfs het drukken van couranten bij tijden

geheel werd stopgezet, maar toch bestonden er zelfs in

ons land, dat prat ging op zijn vrijheidsprincipe, beperkende

regelingen en wenken van hooger hand.

(Handelsblad).


UIT NED. INDIË.

OPLEIDING INHEEMSCHE JOURNALISTEN

BATAVIA, 8 Juni (Aneta). De organisatie van inheemsche

journalisten heeft een instituut voor journalistieke

en algemeene ontwikkeling opgericht. Enkele inheemsche

journalisten, alsmede studenten van de rechtshoogeschool,

zullen hieraan les geven. Het lid van den

Volksraad, de heer Mohamed Yamin, zal de leerlingen

op de hoogte stellen van persdelicten.

Ook adatrecht en koloniale geschiedenis, alsmede sociologie

en partij-organisatie zullen van 1 Augustus af

worden onderwezen.

Bovendien heeft een negental inheemsche journalisten

te"Keboemen een organisatie opgericht, waaraan tevens

een school voor journalisten is verbonden.

BUITENLAND.

CAMILLE DESMOULINS

De journalist der Franse Revolutie

Nu allerwegen het feit wordt herdacht, dat honderdvijftig

jaar geleden de Franse Revolutie uitbrak, past

het zeker om in ons orgaan een kort woord te wijden

van een figuur, die minder bekend is dan Mirabeau,

Robespierre, Danton, Marat en sommige anderen, maar

die in deze bewogen jaren van Frankrijgs historie toch

ook een zeer belangrijke rol heeft gespeeld: de journalist

Camille Desmoulins.

Twee grote momenten uit zijn leven vallen samen met

DE JOURNALIST 251

Standbeeld van

Camille

'Desmoulins

te Parijs in den

tuin van het Palais

Royal op de

plek, waar Desmoulins

op 12 Juli

1789 het volk

toesprak.

het begin en het einde der Revolutie: als een 26-jarige

nog onbekende jongeman is het C. Desmoulins, die op

12 Juli 1789 in de tuin van het Paleis Royal de bevolking

van Parijs wijst op de Bastille, symbool van reactie

en onderdrukking, waarop twee dagen later de inname

van deze dreigende gevangenis volgt; en nog geen vijf

jaar daarna, in de winter van 1793—'94, keert Camille

zich met zijn scherpe pen hartstochtelijk tegen het Schrikbewind,

waarmee de Revolutie eindigt.

Desmoulins is op 2 Maart 1760 te Guise geboren;

zijn vader was een vrij hooggeplaatst ambtenaar en

Camille dus een zoon der gegoede burgerij, die als opkomende

Derde Stand de verpletterende en verstikkende

macht van absoluut koningschap, hoge geestelijkheid en

adel moest breken om zijn plaats als handeldrijvende,

intellectuele en heersende maatschappelijke klasse te

kunnen innemen. Evenals de andere leidende personen

uit de Revolutie was hij gegrepen door de ideeën der

Verlichting, waarmee denkers en schrijvers als Montesquieu,

Voltaire, Rousseau, Diderot (de Encyclopedie)

in geestelijk opzicht de doorbraak van vrijheid en mensenrechten

hadden voorbereid; bovendien was hij door

zijn studie voor advocaat een groot bewonderaar geworden

van de democratische staatsinrichting der oude

Grieken. Als jong advocaat en studiegenoot van Robespierre

vestigde hij zich in Parijs, het bruisend middelpunt

van alles wat naar verandering en vernieuwing

stuwde. „Want", zo schreef hij, „ik voel innerlijk een

gebiedende drang, die me met onweerstaanbare kracht

naar de vrijheid drijft; dat gevoel moet me wel zijn

ingeboren". En van de vrijheid zelf zegt hij, dat die met

één woord betekent: het geluk.

Het speet Camille dan ook zeer, dat het departement

Aisne, waarin hij was geboren, hem in het voorjaar van

1789 niet koos tot vertegenwoordiger van de Derde

Stand in de Staten-Generaal, maar hij was door een

licht spraakgebrek nu eenmaal geen indrukwekkend

redenaar en legde er zich al spoedig op toe om de strijd

voor vrijheid, gelijkheid en broederschap te voeren met

zijn welversneden pen.

In Juli van dit jaar verscheen het eerste belangrijke

geschrift van zijn hand: „La France libre", dat zijn

politiek programma bevatte en de heersende machten in

gloedvolle woorden wees op de gesmoorde kreet „Vrijheid!",

die van de ene hoek van Frankrijk tot aan de

andere opsteeg. Dat er niets nieuws onder de zon is

blijkt al weer uit het feit, dat dit geschrift te Toulouse in

het openbaar werd verbrand, hetgeen Camille deed

schrijven: „Ook alle boeken van Salomo werden Koning

Ezechias persoonlijk op de trappen van de tempel verbrand

uit vrees, dat het volk er te wijs door zou worden.

Dit moet alle schrijvers tot troost zijn, wier arbeid aan

de voet van de een of andere eretrap wordt verbrand.

Het vuur, dat een boek verteert, wijst er op, dat dit den

mensen niet onverschillig heeft gelaten"!

Enkele maanden daarna verscheen het vlugschrift

„Discours de la Lauterne aux Parisiens", waarin de

schrijver het Parijse volk bezonnenheid aanbeval.

Zijn omvangrijkste werk is getiteld: „Révolutins de

France et de Brabant", een krant, die wekelijks verscheen

en een prachtig beeld geeft van de Revolutie

van November 1789 tot Juli '91. Hierin trachtte Desmoulins

de taak van den journalist te verenigen met die

van den geschiedschrijver en de actuele gebeurtenissen

te verklaren uit de grote oorzaken en krachten der Omwenteling.

Van April tot Mei 1792 verscheen „La Tribune des

Patriots", die nog wel invloed had op de stormachtige

gebeurtenissen rondom de 10e Augustus, welke tot de

schorsing van Lodewijk en de verkiezing van een nieuwe

volksvertegenwoordiging, de Nationale Conventie, leidden.

In deze dagen werd Danton minister, die Camille

tot zijn secretaris („Secretaris-generaal van het Departement

van Justitie") benoemde.

Maar het rijpste werk van dezen journalist der Revolutie

is de „Vieux Cordelier", die verscheen in de

winter van 1793—'94 en waarin Desmoulins heftig de

Terreur bestreed.

Op 15 December kwam het eerste nummer uit en Camille

leidde dit in met te zeggen, dat hij de langzame pen

van den historie-schrijver wilde verwisselen voor de

snelwerkende, scherpe pen van den journalist, want „de

angst voor de guillotine heeft zich van allen meester

gemaakt, zodat er geen blad meer is, dat de waarheid,

althans de hele waarheid, zegt. Ik treed terug in de

arena met de openhartigheid en moed, die men van mij

kent, teneinde Frankrijk en de ene en ondeelbare republiek

te redden".

En daarop valt hij in dit en de volgende nummers het

Schrikbewind scherp aan. Dit werd uitgeoefend door het

Comité de Salut Public, waarin Robespierre een grote

rol speelde en dat ter zijde werd gestaan door het Comité

de Sureté Générale en het Tribunal Révolutionnaire.

Tegenover het principe der despoten, dat het beter is


252 D E J OURNALIST

meerdere onschuldigen te treffen dan dat één schuldige

ontkomt, stelt Desmoulins als richtlijn voor de regering,

dat het beter is meerdere onschuldigen niet te straffen,

dan één onschuldige te veroordelen. En met grote voorbeelden

uit de wereldgeschiedenis tracht Camille te bewijzen,

dat de liefde duurzamer is dan de vrees en dat

op de wankele peilers van angst en onderdrukking geen

bewind duurzaam is te handhaven. In plaats van de

genoemde Comité's eist hij de instelling van een Comité

de Clémence, dat de 200.000 burgers, die als verdachten

zijn gearresteerd, moet verhoren en onmiddellijk vrijlaten

wanneer dit de Republiek niet in gevaar brengt.

En een zeer scherpe critiek op de Terreur schrijft Camile,

door na te vertellen, wat Tacitus heeft meegedeeld

over de dictatuur der Romeinse keizers, die een enkel

woord, een blik, een zucht, ja zelfs het zwijgen als een

misdaad tegen de veiligheid van de staat geliefden uit

te leggen. „Op die manier", schreef Desmoulins, „was

het niet mogelijk dat men enige bekwaamheid bezat

zonder dat men in U een staatsgevaarlijk instrument zag

en zonder dat U zich aan de naijver van den despoot

en aan een zekere ondergang blootstelde. Men werd

veroordeeld om zijn naam of zijn gezicht en verraden

door zijn vijanden en slaven. En als men geen vijanden

had, door een vriend of een zoon. Onder dat regiem

was de natuurlijke dood van een bekend persoon zo iets

zeldzaams, dat de kranten het vermeldden als een gebeurtenis".

De uitwerking van deze scherpe critiek was onder de

bevolking zeer groot: op de ochtend dat het vierde nummer

verscheen (21 December 1793) stonden voor de

winkel van den drukker Desenne lange rijen kopers; men

huilde, jubelde en zond Camille geestdriftige brieven.

En deze schreef verder en werd steeds feller, zodat zijn

drukker het zevende nummer, dat rechtstreekse aanvallen

op Robespierre, Saint-Just en Vadier bevatte, niet op

de pers durfde leggen!

Maar wat Camille reeds angstig voorvoelde, al hoopte

hij ook dat hij niet als slachtoffer van zijn eerlijke strijd

voor een vrij en gelukkig volk zou moeten vallen, gebeurde

einde Maart begin April: de leidende figuren uit

de revolutionnaire regering namen ook tegen Desmoulins

hun gevreesde en door dezen zo moedig bestreden maatregelen.

Want Robespierre, die zich nog maar enkele jaren

tevoren een principieel democraat had genoemd en de

doodstraf had afgewezen, was in het moeilijke jaar 1793

(oorlog met Oostenrijk, Pruisen, Engeland, Spanje en

binnenlands verzet tegen de Revolutie) tot de overtuiging

gekomen, dat een verlichte minderheid ten behoeve

van het volk krachtig en onverbiddellijk moest optreden,

met andere woorden: een dictatoriaal bewind uitoefenen,

met het doel voor de toekomst de Vrijheid definitief te

vestigen.

Nadat Robespierre in Maart '94 eerst de groep onschadelijk

had gemaakt, die onder aanvoering van

Hébert op nog groter werkzaamheid van de valbijl aandrong,

volgde eind Maart begin April de aanval op

Desmoulins, Danton en enkele anderen, die ter dood

veroordeeld werden op een acte van beschuldiging,

samengesteld naar aantekeningen van Robespierre en

bestaande uit onware en lasterlijke aantijgingen van

samenzwering tegen de republiek.

Ontroerend zijn de brieven, die Camille uit de gevangenis

stuurde aan zijn innig geliefde Lucile, met wie

hij ruim drie jaar was getrouwd. We halen daaruit enkele

gedeelten aan:

Ik word door mensen, die zich mijn vrienden

noemden en die republikeinen willen heten, in een kerker

eenzaam opgesloten alsof ik een samenzweerder ben. De

grootste misdadiger zou nog te zwaar gestraft zijn

wanneer hij anders dan door de dood, die de smart van

zo'n scheiding in ieder geval maar een ogenblik laat

voelen, van een Lucile werd gescheiden. Maar een

schuldige zou jij nooit hebben kunnen trouwen en jij

hebt mij alleen lief gehad omdat ik uitsluitend voor het

geluk van mijn medeburgers leefde".

„Ik sterf op 34-jarige leeftijd, maar het is een wonder,

dat ik de afgelopen vijf jaren aan zoveel afgronden der

revolutie ben voorbijgegaan zonder er in te vallen, een

wonder, dat ik nu nog leef en mijn hoofd rustig kan

neerleggen op het kussen van mijn geschriften. Dit zijn

er misschien teveel. Maar zij ademen alle liefde voor de

mensen en het verlangen om hen gelukkig en vrij te

maken, en — mijn geschriften zullen door de valbijl der

tyrannen niet getroffen worden".

Lucile deed nog alle moeite om haar Camille van de

valbijl te redden; het enige resultaat was, dat zij ook

werd gearresteerd en wel op grond van de beschuldiging

het volk te hebben aangestookt om de gevangenen gewelddadig

te bevrijden. Ze werd eveneens ter dood veroordeeld

en kleede zich voor haar gang naar de guillotine

in bruidskleed, omdat ze nu weer met Camille verenigd

zou worden.

Drie maanden later werd de voorspelling van Danton

een feit: Robespierre viel als slachtoffer van zijn eigen

dictatuur.

GER. BAKKER.

Dr. FRIEDRICH FUNDER f

De gewezen directeur en hoofdredacteur van de

Weensche „Reichspost", staatsraad dr. Friedrich Funder,

is, naar de Volkskrant van absoluut betrouwbare

zijde verneemt, in het concentratiekamp te Dachau gestorven.-

Dr. Funder werd in 1872 te Graz geboren. Reeds in

1896 werd hem de leiding van de katholieke Reichspost

toevertrouwd, het blad, dat als orgaan van de christelijksociale

partij in de laatste jaren van Oostenrijks onafhankelijk

bestaan zulk een belangrijke rol heeft gespeeld,

en een officieus karakter droeg.

Na den wereldoorlog stond zijn naam op de lijst van

de Entente-mcgendheden, die zijn uitlevering eischten.

Later heeft hij als vertrouwd medewerker van den voormaligen

Oostenrijkschen bondskanselier, tegenover

Duitschland een zeer tegemoetkomende houding aangenomen.

De persovereenkomst, die in 1936 tusschen Oostenrijk

en het Derde Rijk gesloten werd, is grootendeels

zijn werk geweest. Doch toen de tegemoetkomende

houding van Oostenrijk door Duitschland niet op de

verwachte wijze werd beantwoord, herhaalde de hoofdredacteur

van de Reichspost, dr. Schuschnigg's woorden:

„Tot hiertoe, maar niet verder".

In Maart 1938 verloor Oostenrijk zijn onafhankelijkheid:

de Duitschers namen bezit van het land en dr. Funders

arbeid was hiermede geëindigd. Hij had nog de

gelegenheid naar het buitenland te vluchten. Maar hij

bleef, evenals Schuschnigg op zijn post. Weldra werd

hij als een der meest intieme medewerkers van dr. Dollfuss

en dr. Schuschnigg gearresteerd en naar het concentratiekamp

te Dachau overgebracht, waar hij in den

ouderdom van 66 jaar is overleden.

ADVERTENTIES.

JOURNALIST

30 jaar, kringlid, niet" dienstplichtig,

wenscht verandering van werkkring

(Nederland of Indië), Jarenlange ervaring

in binnen- en buitenland, als

verslaggever, als dagbladcorrespondent"

en als reporrer-phorograaf (Leica)

Voortreffelijk solliciratïe-mareriaal en

prima referentiën.

Zeer bescheiden wenschen aangaande

salarieering.

Brieven onder letter B.N., aan het bureau v,d. blad,

More magazines by this user
Similar magazines