Tot op de dag van vandaag heb ik - Rooilijn

rooilijn.nl

Tot op de dag van vandaag heb ik - Rooilijn

Rooilijn

Rooilijn

Tijdschrift voor wetenschap en beleid in de ruimtelijke ordening

Stelling

Leo Platvoet

InBeeld

Wegblikken

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

Achtergrond

Van grondbeleid

naar ontwikkelbeleid

Interview

Een haat-liefdeverhouding

met planning

Amsterdam

top- of toblocatie

De invloed van de

mondialisering op

volkswoningbouw

in Ecuador

Hypotheeklening

moeilijker in

gekleurde wijk

Vinexwijk

Carnisselande

voldoende

aangehaakt?

P. 1

Naoorlogse

probleemwijken in

Stockholm

Woonlastenbeleid

van een

hervormingskabinet


Rooilijn

Colofon

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

Uitgever

Rooilijn is een uitgave van de

Faculteit der Maatschappij- en

Gedragswetenschappen, Afdeling

Geografie, Planologie en Internationale

Ontwikkelingsstudies van de

Universiteit van Amsterdam.

Bureauredactie en administratie

Rooilijn

Nieuwe Prinsengracht 130

1018 VZ Amsterdam

Telefoon: 020-525 4365

Telefax: 020-525 4051

Email: info@rooilijn.nl

Internet: www.rooilijn.nl

Kopij

De redactie stelt spontane toezending

van voorstellen voor artikelen op prijs.

Auteursrichtlijnen treft u aan op

www.rooilijn.nl of kunnen worden

opgevraagd bij de bureauredactie.

Advertenties

Tarieven kunnen worden opgevraagd

bij de bureauredactie

Prijzen jaarabonnement 2007

37,50 euro voor particulieren

61,00 euro voor instellingen

24,50 euro voor studenten

Colofon

Prijs los nummer

6,75 euro exclusief verzendkosten

Abonnementen worden jaarlijks stilzwijgend

verlengd, tenzij uiterlijk vóór

1 november schriftelijk is opgezegd.

Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

Oplage: 1600

ISSN 1380-2860

Redactie

Marjolijn van der Klis

(hoofdredactie), Marlies de

Stigter (beeldredactie), Niels Al

(penningmeester), Manuel Aalbers,

Jelle Adamse, Raffael Argiolu,

Wilma Bakker, Albertine van Diepen,

Joram Grünfeld, Nadav Haran,

Perry Hoetjes, Hilje van der Horst,

Leonie Janssen-Jansen, Robert

Kloosterman, Femke Kloppenburg,

Anne M. Koeman, Melika Levelt,

Sabine Meier, Stefan Metaal,

Laurens Peijs, Karin Pfeffer, Fenne

Pinkster, Maarten Rottschäfer,

Hilde Schelfaut, Eva Stegmeijer,

Onno Terpstra, Thijs Terpstra, Ineke

Teijmant, Frans Thissen, Thijs Turel,

Els Veldhuizen, Clementine Vooren,

Michel van Wijk

P. 2

Rechten

© Auteurs en Universiteit van

Amsterdam, Afdeling Geografie,

Planologie en Internationale

Ontwikkelingsstudies.

Deze uitgave heeft geen commercieel

oogmerk. Getracht is alle rechthebbenden

te achterhalen. Diegenen die

menen alsnog aanspraak te kunnen

doen gelden worden verzocht contact

op te nemen met de redactie. Artikelen

uit Rooilijn mogen niet worden verveelvoudigd,

opgeslagen of openbaar

gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke

toestemming van de redactie.

Ontwerp en productie

LandofPlenty (Antoin Buissink)

Fotografie

Alle fotografie door Marcel Heemskerk met

uitzondering van: Hypotheeklening moeilijker

in gekleurde wijk: Manual Aalbers, Na-oorlogse

probleemwijken in Stockholm: Wouter van Gent,

InBeeld: Janneke Berendsen, De invloed van de

mondialisering op volkswoningbouw in Ecuador:

Christien Klaufus, Vinexwijk Carnisselande

voldoende aangehaakt?: Sake Zijlstra (p54 r.b. en

r.o., p59).

Drukwerk

Dékavé, Alkmaar


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

Redactioneel

Redactioneel

Verbreding

Dit jaar beleeft Rooilijn haar veertig jarig bestaan. Veertig jaar waarin

Rooilijn uitgroeide van het mededelingenblad van de vakgroep

Planologie van de Universiteit van Amsterdam tot haar huidige vorm.

Een mooie reden om komend voorjaar in een speciaal nummer eens stil

te staan bij veertig jaar vaderlandse ruimtelijk ordeningshistorie en een

blik te werpen op de toekomst van ons vakgebied.

Een gebeurtenis bij Rooilijn die voor mij persoonlijk van bijzonder

belang is, is mijn eigen afscheid als hoofdredacteur na dit eerste nummer

van 2007. In het afgelopen jaar heb ik binnen de redactie de verantwoordelijkheid

op mij genomen om als hoofdredacteur leiding te geven aan

de veranderingen die wij ons als redactie ten doel hadden gesteld. Er

stonden ons op dat moment veranderingen voor ogen in onder meer de

werkwijze van de redactie, de variatie in artikelvormen en de frequentie

en uiterlijke verschijning van Rooilijn. In de tweede helft van 2006

werden die veranderingen ook voor u als lezer zichtbaar in de vernieuwde

Rooilijn. Nu deze veranderingen op de rails zijn gezet, is het voor mij

tijd om me te richten op een andere wetenschappelijke bezigheid, het

proefschrift. Helaas is er op dit moment nog geen nieuwe hoofdredacteur

gevonden, maar dat zal ongetwijfeld een tijdelijke situatie zijn.

Een belangrijk onderdeel van de vernieuwde Rooilijn die mijns inziens

zeer interessant is om in de toekomstige periode voort te zetten, wordt

gevormd door twee vormen van verbreding van de kijk op de ruimtelijke

ordening. Een in het oog springende rubriek die we afgelopen jaar

introduceerden is de katern InBeeld, waarmee we naast het schrijven

over ruimtelijke ordening, het voor ons vakgebied zo belangrijke kijken

een speciale plek hebben gegeven in Rooilijn. In samenwerking met

de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht biedt Rooilijn ruimte aan

afstuderende studenten fotografie om vanuit hun vakgebied een breed

spectrum aan onderwerpen binnen de ruimtelijke ordening te belichten.

Daarnaast zie ik een belangrijke vorm van verbreding in de geografische

reikwijdte van de binnen Rooilijn belichte case studies. In de context van

mondialisering is het mooi dat lokale voorbeelden van ruimtelijke ordening

uit alle windstreken, zowel uit westerse als niet-westerse landen, tot

inspiratie kunnen zijn voor ons als vaderlandse specialisten.

P. 3

Ik hoop dat deze kanten van Rooilijn in de toekomst een belangrijke

bijdrage zullen geven aan uw en mijn inspiratie als liefhebbers van

ruimtelijke ordening.

Marjolijn van der Klis

Hoofdredacteur Rooilijn (m.vanderklis@uva.nl)


Rooilijn

Inhoud

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

Inhoud

5 Stelling “In stadswijken

komen mensen vooruit, maar

dat gaat nooit vanzelf.”

Leo Platvoet

6 Achtergrond Van grondbeleid

naar ontwikkelbeleid

Nieuwe kansen met nieuw instrumentarium,

maar strategisch grondbeleid is

bewust kiezen tussen actief of passief

grondbeleid Jan Winsemius

14 Amsterdam top- of

toblocatie?

Het beeld dat managers van

Amsterdam als vestigingslocatie in hun

hoofd hebben, komt niet op alle punten

overeen met objectieve criteria Frank

Bruinsma en Piet Rietveld

22 Hypotheeklening moeilijker

in gekleurde wijk

Hypotheekverstrekkers proberen op

verschillende manieren hun risico te

beperken. Ook de wijk of de postcode

kan daarbij een rol spelen Manuel

Aalbers

30 Naoorlogse probleemwijken

in Stockholm

Nederland kan leren van de Zweedse

aanpak van naoorlogse probleemwijken

Wouter van Gent

34 InBeeld Wegblikken Janneke

Berendsen

48 De invloed van de mondialisering

op volkswoningbouw in

Ecuador

De grootschalige arbeidsmigratie naar

het Westen heeft in Ecuador de lokale

woningarchitectuur doen veranderen

Christien Klaufus

P. 4

54 Vinexwijk Carnisselande

voldoende aangehaakt?

Om een isolement voor de bewoners te

voorkomen is een versterking van de

verbindingen met de stedelijke centra

noodzakelijk Sake Zijlstra en Paul

Stouten

60 Woonlastenbeleid van een

hervormingskabinet

Minister Dekker heeft de erfenis van

het laatste kabinet Balkenende op het

gebied van het woonlastenbeleid verwoord

in een Visienota. Een volstrekt

ongeschikte opmaat voor een zeer

noodzakelijke fundamentele aanpak

van dit beleidsterrein Hugo Priemus

66 Interview Tot op de dag van

vandaag heb ik een haat-liefdeverhouding

met planning

Interview met Ton Kreukels Edwin

Buitelaar

70 Recensie Signalementen

> Ruimtelijke ordening geordend

De belangrijkste planologische thema’s

van dit moment komen op een leesbare

manier aan de orde Evelien van Rij

71 Signalementen

74 Column Momentum

O. Naphta


Rooilijn

Stelling

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

“In stadswijken komen mensen vooruit,

maar dat gaat nooit vanzelf.”

De stad is een plek waar door de eeuwen heen geluks-

Stelling

zoekers naar toe getrokken zijn. Weg van het platteland,

op de vlucht voor honger, weg van een saai en voorspelbaar

leven. Tegelijkertijd wordt de stad ook de rug

toegekeerd. Eerst door de elite, later door gezinnen uit de

middenklasse die een woning in het groen willen.

Een stad zonder dynamiek, zonder het komen en gaan

van mensen, is al snel geen stad meer. Het wordt een

samenleving van gearriveerden die zich er in bekwaamt

de boel nog verder aan te harken, de gekkigheid van

straat te halen en de zelfkant van de samenleving uit te

bannen.

De stedelijke dynamiek vindt zijn biotoop in wat achterstands-

of probleemwijken worden genoemd. Dáár

vinden nieuwkomers met een laag inkomen een woning.

Maar die instroom is de laatste veertig jaar fors veranderd.

Naast de constante instroom van studenten hebben

immigranten de steden gekleurd. Langzaam is het beeld

gegroeid dat ‘de gemiddelde Nederlander’ op het netvlies

heeft gekregen. In de grote steden ballen de problemen

zich samen. Vormen zich langzamerhand getto’s, zijn er

alleen nog witte en zwarte scholen, viert de Marokkaanse

jeugdcriminaliteit hoogtij en lijkt de opmars van de fundamentalistische

islam onstuitbaar.

Maar klopt dit beeld? Het zijn mede de statistieken die

aanleiding geven tot het gesomber over de stad en zijn

achterstandswijken. Maar die statistieken zijn momentopnames.

Het zijn foto’s. Wie de film bekijkt, ziet heel iets

anders. Mensen komen de stad binnen, maken carrière,

worden geconfronteerd met andere leefstijlen, waarden

en meningen, emanciperen zich en vertrekken vaak

weer, veelal in latere levensfasen. De film toont ons de

dynamische werkelijkheid achter de cijfers: de stad als

emancipatiemachine. Vanzelf gaat dat echter niet. Er

liggen bedreigingen op de loer. Eén zo’n bedreiging is de

lust van gemeentebestuurders en woningbouwcorpo-

P. 5

Leo Platvoet

raties tot grootschalige en zeer kostbare herstructurering

van naoorlogse woonwijken. Minder goedkope huurwoningen

en meer koopwoningen moeten leiden tot een meer

gemengde bevolking. Opvallend is dat sociaal-wetenschappelijk

onderzoek wordt genegeerd waaruit blijkt dat

menging nauwelijks helpt voor mensen die werkloos zijn

en kinderen hebben die slecht op school meekomen omdat

ze een taalachterstand hebben. De gebouwde omgeving is

onschuldig als het gaat om het waarom van achterstanden.

Voor het oplossen van hun problemen moet er geïnvesteerd

worden in beter onderwijs en passende arbeid. Moeten

bestaande netwerken niet doorgeknipt worden, maar juist

ondersteund en gestimuleerd.

Het investeren in sociale infrastructuur, onderwijs en werk

is ongetwijfeld minder sexy dan in flonkerende nieuwbouw

maar effectiever om mensen tot zelfontplooiing te brengen.

De achterstandswijk wordt dan een vooruitgangswijk. Niet

het putje van de woningmarkt – er zal altijd een ‘laagste

punt’ zijn, hoe hard je ook wijken transformeert – maar een

startpunt.

Uiteraard betekent dat niet dat leefbaarheid en woonkwaliteit

in deze wijken veronachtzaamd moeten worden.

Permanente aandacht voor onderhoud en verbetering zijn

een eerste vereiste. Ook mensen met een laag inkomen

hebben recht op een leefbare woonomgeving.

Leo Platvoet (platvoet@planet.nl) is Eerste Kamerlid voor GroenLinks en

mede-auteur van Amsterdam als emancipatiemachine.


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Van grondbeleid naar ontwikkelbeleid

P. 6

Van grondbeleid

naar ontwikkelbeleid

Jan Winsemius


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

Achtergrond

Na de oorlog werd in Nederland een actief gemeentelijke

grondbeleid gevoerd met behulp van locatiesubsidies

van de Rijksoverheid als maatstaf. Gemeenten

droegen zorg voor de verwerving ontwikkeling en

uitgifte van grond voor woningbouwlocaties. De

risico’s van de ontwikkeling waren beperkt, doordat

grotendeels sprake was van een gesubsidieerd

woningbouwprogramma. Bovendien was het grondexploitatierisico

afgedekt door rijkssubsidies; tekorten

en tegenvallers werden door het Rijk aangevuld en

meevallers moesten worden terugbetaald. In de jaren

negentig wilde het Rijk van deze subsidieverplichting af

vanwege begrotingsoverwegingen.

Tegelijk met het afschaffen van de locatiesubsidieregeling

was er sprake van een omslag in het woningbouwprogramma.

Voortaan moest minimaal zeventig

procent in de vrije sector worden gebouwd. Na de

slechte ervaringen met risicodragende grondexploitaties

van begin jaren tachtig waren de Nederlandse gemeenten

zeer terughoudend in het voortzetten van een actief

grondbeleid. Dit betekende het begin van een periode

waarin marktpartijen overal grond kochten met het

doel daar ooit zelf te kunnen bouwen (zelfrealisatie of

zelfuitvoering). Langdurige onderhandelingen tussen

Van grondbeleid naar ontwikkelbeleid

De nieuwe grondexploitatiewet, die vermoedelijk per 1 januari 2008 van kracht wordt,

zal zorgen voor een betere positie voor gemeenten die zelf geen grond bezitten. De

wetswijziging betekent niet dat gemeenten hun grondbeleid massaal moeten aanpas-

sen. Eerder zouden gemeenten op een andere manier hun ontwikkelbeleid moeten

gaan vormgeven.

P. 7

gemeenten en marktpartijen waren het gevolg. Met

name bij de ontwikkeling van de VINEX bleek het

instrumentarium van het zogenaamde kostenverhaal

tekort te schieten. Bij het kostenverhaal gaat het om

de mogelijkheid om kosten voor voorzieningen van

openbaar nut, zoals de aanleg van openbare ruimte, te

verhalen op diegenen die baat hebben bij die investeringen.

Ervaringen met de VINEX zijn niet zonder gevolgen

gebleven. Zo zijn er verschillende aanpassingen van

de Wet Voorkeursrecht Gemeenten (WVG) geweest om

de positie van gemeenten op uitleglocaties te versterken.

Ook streven gemeenten, onder invloed van die ervaringen,

de laatste jaren weer steeds vaker naar een actief

grondbeleid. De invoering van de grondexploitatiewet is

de laatste wetswijziging die voorvloeit uit de ervaringen

met de ontwikkeling van VINEX-locaties.

Het kostenverhaal

In de theorie wordt er een onderscheid gemaakt tussen

actief en passief grondbeleid. Bij een actief grondbeleid

verwerft de gemeente een locatie, maakt de grond

bouw- en woonrijp en geeft deze uit. Bij een passief

grondbeleid daarentegen, laat de gemeente de verwerving,

ontwikkeling en uitgifte van de grond aan derden

over. In de literatuur worden ook wel tussenvormen


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

beschreven, zoals het faciliterend grondbeleid, waarbij

de gemeente de grond niet verwerft maar wel bepaalde

activiteiten ontplooit om de private ontwikkeling te

faciliteren. In de praktijk bestaan er talrijke tussenvormen

tussen actief en passief. Die tussenvormen hangen

samen met de manier waarop publieke en private

partijen in de planontwikkeling en de grondontwikkeling

samenwerken.

Gemeenten zonder grond kunnen niet vertrouwen op

het bestaande instrumentarium van kostenverhaal

om de kosten voor de aanleg van voorzieningen van

openbaar nut te verhalen op de ontwikkelende partij.

Het probleem is dat het publiekrechtelijke instrument

van de baatbelasting ronduit slecht functioneert. Het

alternatief - de exploitatieovereenkomst - berust op

vrijwilligheid. De grondeigenaar moet bereid zijn een

overeenkomst aan te gaan. Wat vaak wordt vergeten is

dat gemeenten niet kunnen worden gedwongen kosten

te maken. Er is geen wet die gemeenten verplicht openbare

ruimte aan te leggen als een private partij ergens

een huis bouwt. De grondeigenaar die zich beroept

op zijn zelfuitvoeringsrecht mag immers integraal

uitvoeren, dus ook de openbare ruimte. Gemeenten

zouden zich dan misschien ook minder druk moeten

maken om het kostenverhaal en in de onderhandeling

eerder moeten zeggen: zoek het maar uit. De gemeente

is ook niet verplicht de openbare ruimte die de ontwikkelaar

maakt over te nemen. Alleen bij de zogenaamde

free-riders werkt deze strategie niet. Het gaat hier om

grondeigenaren die maar een stukje van de locatie in

eigendom hebben en wel willen ontwikkelen maar niet

willen meewerken aan het kostenverhaal. Zij proberen

te profiteren van andere partijen die de noodzakelijke

openbare ruimte aanleggen om hun eigen ontwikkeling

mogelijk te maken. De nieuwe grondexploitatiewet

geeft gemeenten meer mogelijkheden om de kosten te

verhalen op deze onwillige grondeigenaren. Ook in de

relatie tot andere partijen dan de free-rider kan de wet

een rol spelen doordat het kader waarbinnen gemeenten

en marktpartijen onderhandelen zal wijzigen. Toch

is het de vraag of er veel zal veranderen. Het probleem

is eerder dat gemeenten in de praktijk vaak geen

Van grondbeleid naar ontwikkelbeleid

P. 8

goede onderhandelaars zijn dan dat de instrumenten

tekortschieten.

De algemene conclusie is dat met de nieuwe grondexploitatiewet

het kostenverhaal geen goed argument

meer is om te kiezen voor een actief grondbeleid. Daar

is tenminste één kanttekening bij te plaatsen. Straks

is er namelijk sprake van een limitatieve opsomming

van verhaalbare kosten. Als een bepaalde kostenpost

niet op de lijst staat, is verhaal onmogelijk. Wanneer

gemeenten kosten die niet in de lijst voorkomen, willen

betalen uit de opbrengsten van locatieontwikkeling,

is daar nog steeds een actief grondbeleid voor nodig.

Daarbij blijft het natuurlijk een groot voordeel dat

bij een actief grondbeleid niet eerst hoeft te worden

onderhandeld.

Thomas-theorema

Een belangrijk argument vóór een actief grondbeleid

is dat een gemeente zonder grond de ontwikkeling

niet goed zou kunnen sturen. In mijn visie worden die

sturingsmogelijkheden zonder grond vaak onderschat.

In de praktijk kunnen gemeenten in een gedetailleerd

bestemmingsplan vrij precies vastleggen wat er wel en

niet mag worden gebouwd. De nieuwe welstandsregeling

biedt de mogelijkheid om zeer precies de vereiste

kwaliteiten vast te leggen. Gemeenten kunnen er zelfs

voor kiezen die sturing direct zelf te organiseren door

een supervisor aan te stellen. Er zijn ook beperkingen

aan het zelfuitvoeringsrecht van de grondeigenaar.

De zelfuitvoering moet geschieden in de door de

gemeente gewenste vorm. Dat betekent bijvoorbeeld

dat gemeenten eisen kunnen stellen aan de kwaliteit

van het openbaar gebied die verder gaan dan hetgeen er

in het bestemmingsplan en met de welstandsregeling

kan worden geregeld. Het kan bijvoorbeeld gaan om

kwaliteitseisen die samenhangen met het toekomstig

beheer. Ook kan de gemeente aangeven wat het

wenselijk volkshuisvestingsprogramma is. Er moet in

dat geval wel sprake zijn van een gemeentelijk beleid op

dit gebied. Het wordt bijvoorbeeld lastig ergens dertig

procent sociale woningbouw voor te schrijven als dit

verder nooit wordt gedaan in de gemeente.


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

Van grondbeleid naar ontwikkelbeleid

In de praktijk gaat het niet zo zeer om de sturingsinstrumenten

maar veel meer om de onderhandelingspositie

van de gemeente ten opzichte van de

grondeigenaar-ontwikkelaar. Wie zegt dat gemeenten

zonder grond slechte sturingsmogelijkheden hebben,

zegt eigenlijk dat een gemeente zonder grond een

slechte onderhandelingspositie heeft. Wellicht is hier

sprake van het zogenaamde Thomas-theorema: “if

men define situations as real, they are real in their

consequences.” De veronderstelling dat de onderhandelingspositie

slecht is, is vaak voldoende om tot een

slecht onderhandelingsresultaat te leiden.

Vechten met één hand op de rug

De feitelijke onderhandelingspositie is zo slecht nog

niet. De grondeigenaar kan immers niets zonder

de medewerking van de gemeente. Omgekeerd

kan de gemeente wél zonder de medewerking van

de grondeigenaar. Hierboven is al aangegeven wat

de publiekrechtelijke sturingsmogelijkheden zijn.

Een gemeente kan tegenover de zelfuitvoerder een

afwachtende houding aannemen en zeggen: gaat u

vooral uw gang, maak een plan. De gemeente hoeft

in deze fase geen verplichtingen aan te gaan. De

zelfuitvoerder moet kosten gaan maken zonder dat

daar garanties tegenover staan. Deze strategie geeft

direct het belangrijkste dilemma aan van de gemeentelijke

onderhandelingspositie. De grootste troef is

de mogelijkheid om niets te doen. Als die troef geheel

kan worden uitgespeeld, is de onderhandelingspositie

sterk. Politiek is dit lastig. De belangrijkste doelstelling

is namelijk vaak tempo of actie. Het is niet

eenvoudig om aan de gemeenteraad uit te leggen dat

het bestuur haar doelstelling van tempo maken wil

realiseren door in het onderhandelingstraject juist te

weigeren iets te doen. Een bijkomend probleem is dat

de grondeigenaar-zelfuitvoerder vaak geen haast heeft

omdat hij een gratis of goedkope optie op de grond

heeft. Onder het oude regime van de WVG was die

optie voldoende om een zelfuitvoeringsrecht zeker

te stellen. In de praktijk wordt de gemeente vaak nog

geconfronteerd met optiehouders die onder dat oude

regime vallen (De Wolf & Groetelaars, 2004).

P. 9

Opvallend is verder dat gemeenten in het algemeen

het spel niet hard spelen. Marktpartijen doen er niet

moeilijk over om rechtszaken tegen gemeenten aan te

spannen. Andersom zijn gemeenten zeer terughoudend

om de grondeigenaar-zelfuitvoerder hard aan te

pakken. Gemeenten vechten vaak vrijwillig met één

hand op de rug. De vooronderstelling dat de positie

zwak is, speelt daarin een belangrijke rol. Voor een

scherpe onderhandeling bij een passief grondbeleid

is veel kennis van zaken nodig. Daar komt bij dat een

scherp strategisch onderhandelingsspel lastig te spelen

is in het nieuwe duale stelsel.

Op het gebied van sturing biedt de wetswijziging extra

mogelijkheden. Een belangrijke mogelijkheid is om in

het bestemmingsplan woningbouwcategorieën vast te

leggen. In het exploitatieplan kan voorts meer concreet

worden aangegeven op welke plekken die financieringscategorieën

moeten worden neergezet. Daarnaast

biedt het exploitatieplan de mogelijkheid om eisen te

stellen ten aanzien van de kwaliteit van de openbare

ruimte en de planning en fasering meer concreet uit

te werken. Daarmee wordt het ook veel eenvoudiger

om de eisen en randvoorwaarden van de gemeente te

concretiseren.

Onteigening en voorkeursrecht

Ook het instrumentarium voor het actieve grondbeleid

heeft zijn beperkingen. Het belangrijkste is dat het

met de onteigeningswet en het voorkeursrecht in de

hand nog steeds niet met zekerheid mogelijk is om

als gemeente grondeigenaar te worden. Iemand die

bereid en in staat is zelf volgens het bestemmingsplan

te bouwen kan niet worden onteigend. Dit betekent

dat gemeenten worden teruggeworpen op een passief

grondbeleid en het bijbehorende instrumentarium

van sturing en kostenverhaal. Een tweede bezwaar

van de onteigeningswet is dat het niet mogelijk is snel

grond te verwerven. Dat betekent dat het machtsmiddel

van de onteigening tegen de deadline aan niet goed

kan worden ingezet. Onteigening is altijd een slecht

functionerend instrument als tempo maken het doel is.

Dankzij een amendement wordt de grondexploitatie-


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

wet aangepast en met de invoering van de wet zal ook

sprake zijn van een wijziging in de onteigeningswet.

In theorie is onteigening hierdoor sneller mogelijk. De

praktijk zal moeten uitwijzen of het ook zo werkt.

Een probleem bij het voorkeursrecht is dat partijen die

een optie hebben die nog dateert van voor de wijziging

van de WVG eigenlijk een gratis zelfuitvoeringsrecht

hebben. Een tweede probleem is dat een gemeente

die een voorkeursrecht vestigt juridisch beschouwd

een recht vestigt dat gericht is op het verwerven van

grond. Praktisch willen gemeenten hiermee echter

meestal voorlopig juist geen grond verwerven. Ze

willen de situatie op een locatie bevriezen. Wanneer

eigenaren grond te koop aanbieden aan derden moet

de gemeente haar voorkeursrecht gaan effectueren,

terwijl zij eigenlijk nog niet wilde kopen. Een derde

probleem is de periode waarvoor het voorkeursrecht

kan worden ingezet. Die periode is beperkt terwijl de

ontwikkeling van een grote locatie zeer lang duurt.

Weliswaar kan de periode steeds worden verlengd

wanneer het plan verder wordt gebracht maar zoals

eerder gezegd, kan het strategisch belang van de

gemeente juist zijn om het plan niet verder te brengen.

Strategisch zijn er dan ook verschillende situaties

denkbaar waarin het verstandiger is om helemaal geen

voorkeursrecht te vestigen. De beperkingen van het

instrumentarium van onteigening en voorkeursrecht

leveren niet automatisch argumenten voor een passief

grondbeleid. Wel zullen gemeenten soms noodgedwongen

een passief grondbeleid moeten voeren.

De beperkingen van de wet maken het immers niet

altijd mogelijk voor de gemeenten om de grond ook

daadwerkelijk te verwerven.

Baatafroming

Een belangrijke reden om de voorkeur te geven aan een

actief grondbeleid is dat grondeigendom de mogelijkheid

geeft om mee te delen in de winst op de locatieontwikkeling.

Echter, er ontbreekt een instrument om

een dergelijke baatafroming voor de gemeente zonder

grond te garanderen want het kostenverhaal geeft

alleen de mogelijkheid kosten in rekening te brengen.

Van grondbeleid naar ontwikkelbeleid

P. 10

De nieuwe grondexploitatiewet verandert niets aan dit

principe. Toch krijgen gemeenten in de nieuwe wet wel

de mogelijkheid om zonder grond toch te profiteren

van de winstgevendheid van een plan. Bij de behandeling

van de wet is namelijk een wetsartikel toegevoegd

over bovenplanse verevening. De grondexploitatiewet

biedt daarmee de mogelijkheid kosten die buiten het

plangebied worden gemaakt te verhalen. Het kan dan

bijvoorbeeld gaan om groenontwikkeling naast het

plangebied. De redenering achter deze verevening is

onder andere dat het zonder die regeling nodig zou

zijn om kunstmatig verschillende plannen onder

één grondexploitatie te brengen, omdat dit de enige

mogelijkheid is om te komen tot één kostenverhaal. Het

praktische gevolg is dat het mogelijk wordt gemaakt

kosten die elders, buiten het plangebied, worden

gemaakt, te verhalen. Deze mogelijkheid hangt in de

praktijk veel meer samen met de winstpotentie van het

betreffende plan dan met de kosten van de bovenplanse

investeringen. Voor het eerst wordt op deze manier een

mogelijkheid geschapen om als gemeente te delen in de

baten van een locatie. Het is nog afwachten hoe deze

regel in de praktijk zal uitwerken en welke mogelijkheden

gemeenten hierdoor precies krijgen.

Risico’s, kennis en capaciteit

Belangrijke inhoudelijke argumenten in de afweging

voor een actief of passief grondbeleid zijn de risico’s

van de grondexploitatie en de kennis en capaciteit die

de gemeenten hebben om een grondexploitatie tot een

goed einde te brengen. De redenering is in het algemeen

dat een actief grondbeleid risicovol is en gemeenten

onvoldoende de kennis en capaciteit hebben om zo’n

grondexploitatie tot een goed einde te brengen.

Deze redenering is op zijn minst dubieus te noemen.

Het is altijd lastig als buitenstaander een beeld te

krijgen van de resultaten van grondexploitaties. Mijn

indruk is dat, als er nieuws naar buiten komt over

verliesgevende grondexploitaties op VINEX-locaties,

het vaker gaat over locaties waar gemeenten geen actief

grondbeleid voerden en waar sprake is van een publiekprivate

grondexploitatiemaatschappij. Een gemeente

met grond kan heel goed de risico’s afwentelen op


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

marktpartijen, bijvoorbeeld door de marktpartijen in

concurrentie een aanbieding te laten doen voor de ontwikkeling

van de locatie. Een gemeente zonder grond

die bijvoorbeeld deelneemt in een publiek-private

samenwerking heeft het veel moeilijker. Deze gemeente

heeft niet alle zeggenschap maar wel een belangrijk deel

van de risico’s. De belangen van de partners kunnen

strijdig zijn met de risicobeheersing van de gemeente.

In het algemeen wordt aangegeven dat het voeren van

een actief grondbeleid risicovol is. Grondverwerving,

planontwikkeling en grondontwikkelingen brengen

kosten met zich mee die later moeten worden terugverdient.

Daar valt tegen in te brengen dat de gemeente als

grondeigenaar alle mogelijkheden heeft zelf te sturen

op risicobeperking. Bovendien heeft de gemeente

als grondeigenaar de vrijheid om marktpartijen te

selecteren op de mate waarin zij bereid zijn risico’s van

de gemeente over te nemen. Bij een passief grondbeleid

heeft de gemeente steeds het grote risico dat zij wordt

geconfronteerd met een marktpartij die zij nooit zelf

op objectieve gronden zou selecteren, met alle gevolgen

van dien.

De wetswijzigingen betekenen vooral een versterking

voor de positie van de gemeente zonder grond. Het kostenverhaal

functioneert, als het goed is, straks goed. De

bovenplanse verevening maakt het gemeenten mogelijk

te profiteren van de opbrengsten van winstgevende

locaties door kosten van verliesgevende locaties daarop

af te wentelen. In theorie wordt het mogelijk zonder

grond ook meer op het tempo van de ontwikkeling te

sturen. In het exploitatieplan dat in het kader van de

grondexploitatiewet wordt opgesteld, kan namelijk een

planning worden opgenomen. Daaraan is een versnelde

onteigeningsprocedure gekoppeld. Daarmee wijzen alle

wijzigingen in de wet één kant op, namelijk naar een

versterking van het passieve grondbeleid.

Dat betekent echter niet dat na de wetswijziging alle

gemeenten ineens zullen kiezen voor een passief

grondbeleid. De wetswijzigingen veranderen niets

aan de voordelen van een actief grondbeleid. Ook na

Van grondbeleid naar ontwikkelbeleid

P. 11

de wetswijziging is het nog steeds makkelijker om een

ontwikkeling te sturen als grondeigenaar. Een groot

voordeel is dat gemeenten hun ontwikkelpartners zelf

in concurrentie kunnen selecteren. Daarbij is het nog

steeds zo dat het tempo met grond beter te bepalen is

dan zonder grond.

Samenwerken met marktpartijen

De kern van een gemeentelijke nota is vaak dat de

gemeente zelf de grond voor een locatie wil verwerven.

Echter, er wordt meestal weinig tot niets gezegd over de

daarop volgende strategie. Ook bij een actief grondbeleid

zal de gemeente immers op enig moment een

marktpartij moeten betrekken bij de ontwikkeling of

in ieder geval bij de uitvoering. De belangrijke keuzes

van een gemeente zijn op welk moment, op welke

manier en voor welke periode die marktpartij wordt

betrokken. Werkt de gemeente eerst het plan zelf uit

om vervolgens een selectie te organiseren, selecteert de

gemeente een marktpartij om gezamenlijk een plan uit

te werken, of vraagt de gemeenten aan marktpartijen in

concurrentie een plan op te stellen? Wordt een marktpartij

geselecteerd voor een meerjarige samenwerking

rond de ontwikkeling van een grootschalige locatie, of

wordt de locatie opgeknipt om selecties voor deelgebieden

te organiseren? Wordt de selectie zo vroeg mogelijk

in het planproces georganiseerd, of zo laat mogelijk?

Dit zijn allemaal mogelijke uitwerkingen van een actief

grondbeleid die principieel sterk verschillen. De keuze

op deze onderwerpen is strategisch van zeer groot

belang. Een meerjarige samenwerking committeert

marktpartijen niet vanzelfsprekend aan de kwaliteit

van een plan. Het is net zo goed mogelijk dat een

meerjarige samenwerking de concurrentie jarenlang

uitschakelt.

Het is opvallend dat een strategische beschouwing over

dergelijke principiële vragen in de gemeentelijke nota’s

ontbreekt. Als er op in wordt gegaan, worden bestaande

samenwerkingsmodellen beschreven, wat de merites

van die samenwerkingsmodellen zijn en waar de voorkeur

naar uitgaat. Het probleem is dat op die manier

het beleid vooral in algemeenheden wordt uitgedrukt.


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

Van grondbeleid naar ontwikkelbeleid

Een gemeentelijke grondexploitatie wordt als risicovoller

aangeduid dan een private grondexploitatie omdat

de gemeente zelf de investeringsrisico’s draagt. Bij

een publiek private samenwerking worden de risico’s

gedeeld en bij een private exploitatie liggen de risico’s

meer bij de private partij. Zoals bij de vergelijking

tussen actief en passief grondbeleid al is aangegeven,

is dit in de praktijk veel te kort door de bocht. In veel

gevallen zal de risicoanalyse juist omgekeerd kunnen

uitvallen. De werkelijke risico’s zijn niet afhankelijk

van het model maar van de inhoud van de afspraken

binnen dat model.

Naar een ontwikkelbeleid

Gemeenten zouden hun nota grondbeleid moeten

uitbreiden met een visie op het ontwikkelbeleid.

Daarin dienen zij aan te geven volgens welke criteria

partijen worden geselecteerd als de gemeente de grond

in handen heeft. Ook zou erin moeten staan hoe de

selectie plaatsvindt, welke garanties worden verwacht

en wat de samenwerkingsvorm is die de gemeente

voorstaat. Die ontwikkelstrategie is afhankelijk

van het type locatie. Voor bepaalde locaties ligt een

publiek-private samenwerking misschien voor de hand

maar voor andere locaties niet. Gemeenten kiezen op

verschillende locaties voor verschillende strategieën

van verwerving en selectie.

De nota’s grondbeleid van gemeenten die een actief

grondbeleid nastreven zouden ook een ontwikkelbeleid

moeten bevatten voor het geval de verwerving niet

lukt. Zo weet niet alleen de gemeente van te voren wat

haar strategie in dat geval is maar ook de zelfuitvoerder

weet wat de gemeente van hem verwacht. Nu moeten

de oplossingen voor het geval de verwerving is mislukt

vaak ad hoc worden gezocht.

Deze overwegingen leiden tot de conclusie dat een nota

grondbeleid en ontwikkelbeleid bij uitstek van belang

is voor gemeenten die geen actief grondbeleid voeren.

Juist bij een passief grondbeleid is het van belang

scherp uit te werken op welke manier de gemeente haar

doelstellingen gaat realiseren. Rond het thema van

P. 12

het gemeentelijk ontwikkelbeleid zou ook veel meer

kennisontwikkeling en kennisuitwisseling tussen

gemeenten moeten plaatsvinden. Alleen op die

manieren zal de kennis ontstaan om van de gemeentelijk

nota grondbeleid daadwerkelijk een instrument

voor het ontwikkelingsbeleid te maken. Het is

verbazingwekkend dat gemeenten samenwerkingen

met en selecties van marktpartijen steeds weer ad hoc

organiseren.

Als het gaat om de verhouding tussen gemeenten en

marktpartijen betekenen de wetswijzigingen, in het

bijzonder dankzij de aangenomen amendementen,

een versterking van de positie van de gemeenten. Die

positie was overigens in mijn visie al veel sterker dan

gemeenten vaak zelf dachten. Het instrumentarium

was niet het grootste probleem. Het probleem is dat

gemeenten de instrumenten vaak niet gebruiken.

Wellicht biedt de huidige verbetering van het instrumentarium

het zelfvertrouwen om de mogelijkheden

ook daadwerkelijk te gaan benutten. Hoewel de

wetswijzigingen vooral gevolgen hebben voor de

positie van de passief opererende gemeente, blijft ook

in de toekomst een actief grondbeleid op verschillende

punten voordelen hebben. Wat dat betreft is

niet te verwachten dat na de wetswijziging een grote

omslag zal plaatsvinden.

Uitdaging voor gemeenten

Een belangrijke opgave voor gemeenten is om de stap

te maken van een grondbeleid naar een ontwikkelbeleid.

Het theoretisch onderscheid tussen actief en passief

grondbeleid voldoet niet meer. Ook het toevoegen

van een tussenvorm als facilitair grondbeleid en

mogelijk nieuwe tussenvormen is onvoldoende. Het

grondbeleid krijgt in toenemende mate vorm in de

selectie van en de samenwerking met marktpartijen.

Nota’s grondbeleid zouden dieper in moeten gaan op

de principiële beleidskeuzen die hiermee samenhangen.

Het nieuwe instrumentarium van gemeenten

betekent ook dat er per locatie een grondbeleid

en ontwikkelbeleid dient te worden opgesteld dat

specifiek aansluit bij die locatie. In de toekomst lijkt


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

Van grondbeleid naar ontwikkelbeleid

het niet waarschijnlijk dat sommige gemeenten altijd

een actief grondbeleid en anderen altijd een passief

grondbeleid zullen voeren. Gemeenten moeten vooraf

bedenken in welke context een actief grondbeleid van

belang is en in welke context een passief grondbeleid

de voorkeur heeft. Op dezelfde manier zal afhankelijk

van de specifieke ontwikkelopgave moeten worden

bedacht wat de beste samenwerkingsvorm is. Er zal

veel meer differentiatie ontstaan in de uitwerking van

het grondbeleid afhankelijk van de kenmerken van de

locatie en de opgave zowel tussen als binnen gemeenten.

Op die manier geeft een gemeentebestuur vooraf

helderheid aan de gemeenteraad en aan marktpartijen

over de strategie als zij geen grond heeft aangekocht en

over de selectiemethode en samenwerking mocht zij de

grond wel hebben verworven.

Als er nog een noodzaak is voor uitbreiding van het

instrumentarium van grondbeleid hangt dit samen met

toekomstige opgaven, zoals de transformatie van het

landelijk gebied. Op verschillende plekken bestaat er

nu al een noodzaak om te komen tot een ander beheer

van het landelijk gebied omdat landbouw verdwijnt.

De nieuwe wetgeving is eigenlijk nog toegesneden op

de opgaven van gisteren. Het is de vraag of die instrumenten

ook voldoen voor de opgaven van morgen. Met

de mogelijkheid van bovenplanse verevening is wel

een handreiking gedaan aan de transformatie van het

landelijk gebied maar het is de vraag of dat instrument

voldoende is.

Jan Winsemius (info@bureaumiddelkoop.nl) is vennoot bij Bureau Middelkoop.

Literatuur

Wolff, H.W. de & D.A.Groetelaers (2004) Grondposities voor wijziging Wet

voorkeursrecht gemeenten. Analyse van optie- en koopovereenkomsten,

Onderzoeksinstituut OTB, Delft

P. 13


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Amsterdam top- of toblocatie?

P. 14

Frank Bruinsma en Piet Rietveld

Amsterdam

top- of toblocatie?


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Amsterdam top- of toblocatie?

P. 15

De Zuidas in Amsterdam moet

zich ontwikkelen tot een inter-

nationale vestigingslocatie

voor Europese hoofdkantoren

van wereldwijd opererende

bedrijven. Tot nu toe heeft zich

echter nog geen enkel buiten-

lands bedrijf met zijn Europese

hoofdkantoor gemeld. Dit doet

de vraag rijzen wat de inter-

nationale concurrentiepositie

van Amsterdam is. In hoeverre

komen de objectieve metingen

overeen met de inschattingen

van managers?

De Europese economieën hebben, met de

gebruikelijk ups en downs, sinds de Tweede

Wereldoorlog een sterke groei meegemaakt.

De Nederlandse economie vormt

daarop geen uitzondering. Na een oriëntatie

op de wederopbouw van het eigen land

hebben de overheid en het bedrijfsleven

meer oog gekregen voor economische

ontwikkelingen over de landsgrenzen

heen. De toenemende globalisering heeft

er toe geleid dat bedrijven steeds meer

internationaal zijn gaan opereren, hoewel

veel overheden nog steeds moeite doen om

hun eigen markt af te schermen tegen

buitenlandse toetreders. Om Europa

sterker te maken tegen de handelsblokken

uit Azië en Midden-Amerika hebben

de landen besloten tot het instellen van

één Europees marktgebied in 1992. Uit

vrees voor “Fortress Europe” trachtten

veel niet-Europese ondernemingen in

die tijd een Europees hoofdkwartier of

distributiecentrum te vestigen in één van

de landen die deel uitmaakten van deze

grote interne Europese markt om zo deze

markt te kunnen (blijven) bedienen. Veel

nationale, regionale en lokale overheden

keken begerig uit naar de komst van

dergelijke Europese hoofdkantoren en

distributiecentra. Ze zouden een nieuwe

impuls geven aan de nationale dan wel

regionale economie. In deze periode

rond het einde van de jaren tachtig van

de vorige eeuw ontstonden dan ook de

ranglijstjes van steden die het meest

geschikt waren als vestigingsplaats voor

dergelijke Europese hoofdkantoren en

distributiecentra van niet-Europese

bedrijven. De meest bekende hiervan is

de European real estate monitor (later

European cities monitor) van Healey

& Baker (later Cushman & Wakefield

Healey & Baker) die vanaf 1990 jaarlijks

is verschenen. Voor deze monitor worden

jaarlijks managers van meer dan vijfhonderd

internationale ondernemingen

geïnterviewd over de aantrekkelijkheid

van de belangrijkste Europese steden als

vestigingsplaats.

Naast deze sterk commercieel georienteerde

studies verschenen in deze

periode ook meer wetenschappelijke

analyses naar de concurrentiekracht van

Europese stedelijke regio’s. Een bekend

voorbeeld is de studie van Brunet “Les


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Amsterdam top- of toblocatie?

P. 16

Villes Européennes” uit1989. Hierin werd

de “Blue Banana” geschetst: het Europese

kerngebied dat van Londen over de

Randstad, het Ruhrgebied en München

naar Milaan loopt. In 1991 was ook een

themanummer van het Geografisch

Tijdschrift aan Europese steden gewijd. De

aandacht voor de concurrentiekracht van

Europese steden is in de afgelopen jaren

weliswaar wat geluwd, maar op meer dan

incidentele basis vinden nog steeds onderzoeken

plaats; partieel, bijvoorbeeld naar

de ligging van steden in de trans Europese

infrastructuurnetwerken, of integraal. In

2004 hebben Manshanden e.a. onderzoek

verricht naar de positie van Randstad

Holland in de top-20 van Europese

stedelijke regio’s. Dit artikel is gericht op

de positie van Amsterdam in het bijzonder.

Vanuit twee invalshoeken zal de positie van

Amsterdam aan bod komen. In de eerste

plaats zal gekeken worden hoe managers

van internationale ondernemingen over

Amsterdam als vestigingsplaats denken.

Zij besluiten immers om hun bedrijf al

dan niet in Amsterdam te vestigen. Zowel

de relatieve positie van Amsterdam voor

een aantal vestigingsfactoren als het

belang dat de managers aan deze factoren

hechten zal aan de orde komen. De tweede

invalshoek is meer objectief: cijfermatig

wordt nagegaan hoe Amsterdam zich

verhoudt tot de andere Europese steden.

Amsterdam volgens

managers

Door de tijd heen staat Amsterdam op

een vijfde plaats in de “overall ranking

hitlijst” van het onderzoek van Healey

& Baker, achter respectievelijk Londen,

Parijs, Frankfurt en Brussel. Hoewel op

respectabele afstand van Londen, Parijs

Tabel 1: Ontwikkeling relatieve positie van Amsterdam als aantrekkelijke locatie voor internationaal

georiënteerde bedrijven (op basis van top 15 uit 2005)

1990 1992 1994 1996 1998 2003 2005

London 0,81 0,93 1,05 0,99 1,03 0,91 0,87

Parijs 0,76 0,73 0,80 0,66 0,67 0,64 0,60

Frankfurt 0,64 0,67 0,64 0,50 0,50 0,39 0,33

Brussels 0,52 0,46 0,47 0,34 0,35 0,29 0,30

Barcelona 0,23 0,22 0,24 0,20 0,21 0,24 0,28

Amsterdam 0,44 0,40 0,35 0,28 0,33 0,28 0,24

Madrid 0,19 0,19 0,21 0,15 0,17 0,22 0,24

Berlijn 0,19 0,20 0,17 0,10 0,13 0,17 0,19

München 0,21 0,19 0,18 0,14 0,15 0,14 0,18

Zürich 0,30 0,29 0,25 0,17 0,17 0,14 0,18

Milaan 0,24 0,23 0,21 0,16 0,15 0,16 0,15

Dublin -- -- -- 0,10 0,17 0,12 0,14

Praag 0,08 0,16 0,16 0,06 0,05 0,09 0,14

Lissabon 0,19 0,24 0,15 0,11 0,11 0,10 0,12

Manchester 0,21 0,28 0,18 0,13 0,11 0,11 0,12

Bron Healey & Baker, Cushman & Wakefield


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Amsterdam top- of toblocatie?

P. 17

Tabel 2: Positie van Amsterdam naar rangorde voor verschillende vestigingsplaatsfactoren

1990 1992 1994 1996 1998 2003 2005

Toegang tot markten/klanten 5 7 7 6 6 5 6

Telecommunicatie infrastructuur 7 7 7 6 6 6 9

Interne transportinfrastructuur 5 8 8 11 8 7 12

Externe transportinfrastructuur 4 4 4 4 4 4

Beschikbaarheid kantoorruimte 7 13 11 11 17 13 16

Prijs-kwaliteitverhouding kantoren 7 8 9 12 7 13 16

Arbeidskosten 12 11 15 15 12 13 17

Beschikbaarheid personeel 6 9

Talenkennis 3 3 3 3 2 2 3

Woonklimaat 8 7 13 9 11 8 17

Milieukwaliteit -- 7 8 8 7 8 11

Overheidsbeleid 1 3 6 4 3 4 10

Bron Healey & Baker, Cushman & Wakefield

en Frankfurt, voorwaar een eervolle plaats

voor steden als Barcelona, Madrid, Berlijn,

München en Milaan om maar eens een

paar andere belangrijke Europese steden

te noemen. De situatie verslechtert echter

in de loop der tijd indien gekeken wordt

naar de gewogen score. In 2005 wordt

Amsterdam voor het eerst ingehaald door

Barcelona en staat dat jaar met Madrid op

een gedeelde zesde plaats (tabel 1). Is er

reden voor zorg?

Het leuke van het Healey & Baker onderzoek

is dat sinds 1990 slechts weinig in

de vragenlijst veranderd is. Op basis

van tijdsreeksen kan daarom nagegaan

worden hoe Amsterdam zich op basis

van een groot aantal vestigingsfactoren

gepositioneerd heeft in het internationale

krachtenveld. In tabel 2 staat voor de

onderscheiden vestigingsplaatsfactoren de

positie van Amsterdam in de rangorde van

belangrijke Europese steden weergegeven.

Amsterdam scoort goed voor de factoren

talenkennis, externe bereikbaarheid en het

gevoerde overheidsbeleid (belastingklimaat

financiële regelingen). Op het gebied van de

beschikbaarheid en prijs/kwaliteitverhouding

van kantoorruimte lijkt Amsterdam

echter terrein te verliezen. Verder blijkt niet

zo zeer de beschikbaarheid van geschikt

personeel als wel het hoge loonniveau in

Amsterdam een probleem. Opvallend is dat

in 2005 opeens een relatief sterke terugval

waarneembaar is in de waardering van

zowel het overheidsbeleid als het woon- en

leefklimaat. Wat zou hier achter zitten?

Het is niet uitgesloten dat Nederland na

de moorden op Fortuyn en Van Gogh

een andere plaats in de mental map van

Europese managers heeft gekregen en dat

dit weerspiegeld wordt in lagere scores op

dit terrein. Overigens komen ook steden als

Londen, Parijs, Brussel en Madrid regelmatig

op een negatieve manier in het nieuws;

maar het is niet onmogelijk dat we hier

factoren op het spoor zijn op het terrein van

cultuur en sociale veiligheid die uiteindelijk

hun invloed hebben op locatiebeslissingen

van internationaal georiënteerde bedrijven.

Hoe blijvend dit soort incidenten van

invloed zijn op de beeldvorming kan nog

niet worden vastgesteld.

De bevindingen uit tabel 2 krijgen gewicht

door de vragen over het belang dat de

ondernemers hechten aan de betreffende

vestigingsfactoren (zie tabel 3). Duidelijk

is dat de managers van internationale

ondernemingen door de tijd heen veel

belang hechten aan de toegankelijkheid

van de markt, de externe bereikbaarheid

en de telecommunicatie-infrastructuur.

Juist op deze punten scoort Amsterdam

relatief goed. Dit verklaart de vijfde plaats

in de overall ranking. Duidelijk is ook dat

Amsterdam in 2005 een lagere beoordeling

heeft ontvangen op een aantal vestigings


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Amsterdam top- of toblocatie?

P. 18

Tabel 3: Belang van locatiefactoren voor ondernemers

1990 1992 1994 1996 1998 2003 2005

Toegang tot markten/klanten 60 62 71 63 66 58 60

Telecommunicatie infrastructuur 59 43 48 46 54 49 50

Interne transportinfrastructuur 57 22 25 22 21 24 22

Externe transportinfrastructuur 49 51 52 62 56 52

Beschikbaarheid kantoorruimte 27 22 19 22 25 26 30

Prijs-kwaliteitverhouding kantoren 22 23 22 26 26 31 31

Arbeidskosten 35 39 40 43 50 35 35

Beschikbaarheid personeel 57 57

Talenkennis 17 17 16 18 22 24 24

Woonklimaat 14 10 10 10 13 15 16

Milieukwaliteit -- 11 7 11 12 14 13

Overheidsbeleid 30 34 31 36 36 33 32

Bron Healey & Baker, Cushman & Wakefield

factoren die weliswaar minder belangrijk

worden gevonden maar toch het verlies

van een positie kunnen verklaren. De

enige factor van gewicht waar Amsterdam

echt matig op scoort is de arbeidsmarkt.

Gelukkig voor Amsterdam hechten

managers minder belang aan de arbeidskosten

dan aan de beschikbaarheid van

arbeid. Het is juist het hoge loonniveau dat

Amsterdam opbreekt.

Voor een goede analyse van de

Amsterdamse positie is het ook belangrijk

om na te gaan wat de naaste concurrenten

op de ranglijsten zijn en hoe die het

doen. Is het verzwakken van de positie

bijvoorbeeld simpelweg het gevolg van

de opkomst van Zuid-Europese steden

en daalt Amsterdam terwijl de rest stijgt?

Allereerst blijkt dat afgezien van Londen,

ook andere steden zoals Parijs, Frankfurt

en Brussel systematisch dalen (zie tabel

1). De relatieve concurrentiepositie ten

opzichte van deze steden is dus niet sterk

veranderd. Daar staat tegenover dat Madrid

en Barcelona een stijgende trend vertonen.

Dit zijn echter steden die gezien hun

locatie minder als directe concurrent van

Amsterdam kunnen worden gezien. Toch

blijft over dat meer nabijgelegen concurrenten

zoals Berlijn en München nu een

meer vergelijkbare impactscore behalen en

het in relatieve zin dan ook beter hebben

gedaan dan Amsterdam. Er is in de periode

1990-2005 echter ook een aantal naaste

concurrenten van Amsterdam uit de top-15

weggevallen. In 1990 en 1992 behoorden

Hamburg en Glasgow er nog toe, daarna

niet meer. In 1996 had Düsseldorf voor het

laatst een plek bij de beste vijftien. Genève

raakte haar plek in deze groep in 2005 kwijt

toen Praag de top juist binnendrong. In

de periode daarvoor waren ook al andere

nieuwkomers in de top gekomen. Tussen

1990 en 1994 kwamen Lissabon, Madrid en

München er voor het eerst in terecht. Door

het gunstige fiscale klimaat, verscheen

in 1996 ook Dublin in de kopgroep van

vijftien. Met betrekking tot de concurrentiepositie

van Amsterdam zijn vooral

het afzakken van nabijgelegen steden als

Hamburg en Düsseldorf in de beginperiode

en de opkomst van München en recent ook

Praag relevant.

Amsterdams positie in de

statistiek

Manshanden e.a. (2004) hebben onderzoek

verricht naar de top-20 van Europese

verstedelijkte regio’s in de periode 1995-

2003. Amsterdam maakt hierin onderdeel

uit van de Randstad Holland. Zoals bij

alle vergelijkende studies werden de

auteurs geconfronteerd met verschillende

ruimtelijke schaalniveau’s. Voor

alle 20 onderzochte gebieden konden zij

vergelijkbare regionale data verzamelen;

voor een groot aantal regio’s slaagden zij


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Amsterdam top- of toblocatie?

P. 19

Tabel 4: De ranking van Amsterdam in twee studies op basis van vergelijkbare indicatoren

Healey & Baker, Cushman & Wakefield (2005) Manshanden et al. (2004)

Indicator Rang Indicator Rang

Toegang tot markten 6 Bevolking binnen 5 uur reizen via weg (2001) 4

erin deze data uit te splitsen naar stad en

omgeving. In dit artikel wordt gebruik

gemaakt van gegevens op het niveau van

de regio. De reden hiervoor is dat steden

meegenomen kunnen worden die in de

kwalitatieve analyse sterk opkwamen, zoals

Barcelona en Madrid waarvoor op het

stedelijk niveau veelal de data ontbreken.

Dit heeft wel tot gevolg dat de cijfers voor

de Randstad veelal ongunstiger zijn dan

voor Amsterdam zelf. In vergelijking met

de kwalitatieve analyse zijn in de studie van

Manshanden e.a. (2004) Zürich en Praag

niet in beschouwing genomen. Wij hebben

het Ruhrgebied en Hamburg uit de studie

van Manshanden e.a. (2004) als nabijgelegen

concurrenten opgenomen. Rome,

Stockholm, Kopenhagen, Wenen en Lyon

zijn niet meegenomen aangezien het geen

directe concurrenten van Amsterdam zijn.

In de studie van Manshanden e.a. (2004)

is gezocht naar data die over nagenoeg

dezelfde indicatoren informatie verschaffen

als in de kwalitatieve analyse van

Bevolking binnen 5 uur reizen via spoor (2001) 4

Bevolking binnen 5 uur reizen via lucht (2001) 4

Telecommunicatie infra. 9 Internetverkeer (2004) 2

Interne transportinfra. 12 Dichtheid snelwegennet in m/km2 (2003) 3

Dichtheid spoorwegennet in m/km2 (2003) 10

Externe transportinfra. 4 Passagiersverkeer luchthavens (2003) 4

Groei passagiersverkeer 1995-2000 4

Groei passagiersverkeer 2000-2003 6

Beschikbaarheid kantoren 16 Gemiddelde huurprijzen 2004 8

Prijs-kwaliteit kantoren 16 Gemiddelde leegstand 2004 4

Ontwikkeling huurprijzen 1998-2004 7

Arbeidskosten 17 Ontwikkeling arbeidsvolume 1995-2003 4

Beschikbaarheid personeel 9 Aandeel hoog opgeleiden 2003 5

Talenkennis 3 Arbeidsproductiviteit 2003 7

Woonklimaat 17 --

Milieukwaliteit 11 --

Overheidsbeleid 10 --

Bron: bewerking Healey & Baker, Cushman & Wakefield (2005) en Manshanden e.a. (2004)

Ontwikkeling arbeidsproductiviteit 1995-2003 10

Healey & Baker, Cushman & Wakefield

(2005). Vervolgens zijn alle resultaten van

de studie van Manshanden e.a. omgezet

naar rangordes om de data vergelijkbaar

te maken met de studie van Healey &

Baker, Cushman & Wakefield. Dit levert

een schat aan informatie op die hier niet

volledig kan worden weergegeven. Tabel 4

geeft alleen een overzicht van gerelateerde

indicatoren en de ranking van Amsterdam

voor de betreffende indicatoren. Omdat

Manshanden e.a. gebruik maken van data

op regionaal niveau en met name woonklimaat

en milieukwaliteit zeer lokaal kunnen

verschillen, hebben zij voor deze aspecten

– en overheidsbeleid - geen indicatoren

opgenomen.

Mental map

In hoeverre is de perceptie van de

managers van internationale ondernemingen

in Europa met betrekking tot de

concurrentiekracht van Amsterdam in

overeenstemming met de “harde feiten”?

Voor de door managers belangrijk geachte


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Amsterdam top- of toblocatie?

P. 20

locatiefactoren als “toegang tot markten/

klanten”en “externe infrastructuur” (zie

tabel 3) geldt dat zij daar een goed beeld

van hebben. Er is niet expliciet gekeken

naar de goederenstromen via de zeehavens.

Gezien de ligging van Rotterdam

in de Randstad zou echter ook op dit

punt een hoge ranking behaald zijn. Voor

andere belangrijk geachte factoren zoals

“telecommunicatie infrastructuur” en

“beschikbaarheid personeel” konden in

de studie van Manshanden e.a. minder

goed vergelijkbare indicatoren gevonden

worden. Het internetverkeer geeft

natuurlijk maar een beperkt beeld van de

geschiktheid van de telecommunicatieinfrastructuur.

De beschikbaarheid van

personeel zou mogelijk terug te vinden

zijn in de ontwikkeling van het arbeidsvolume

en het aandeel hoogopgeleiden.

De Randstad en dus ook Amsterdam

scoren beter op deze punten dan de

managers aangaven. Van gemiddeld

belang worden de “arbeidskosten” en

de kantorenmarktindicatoren geacht.

De managers geven aan dat Amsterdam

relatief laag scoort voor deze indicatoren.

Hier kan een aantal opmerkingen bij

geplaatst worden. De arbeidskosten in

Nederland zijn hoog maar de arbeidsproductiviteit

in de Randstad ligt beduidend

hoger dan in de Zuid-Europese steden.

Zij is echter weer aan de magere kant

in vergelijking tot andere Noordwest-

Europese steden zoals Parijs, München,

Frankfurt, Dublin, Hamburg en Londen.

Dit kan de lage score van Amsterdam

voor “arbeidskosten” verklaren.

Ten slotte de kantorenmarktindicatoren.

De managers geven Amsterdam ook

hier een relatief lage ranking. Qua

huurprijzen en de ontwikkeling daarin

scoort Amsterdam echter gemiddeld. De

huurprijzen liggen beduidend lager dan

in Londen, Parijs en Frankfurt, maar

weer net wat hoger dan in nabijgelegen

concurrerende steden als Brussel, Berlijn

en Düsseldorf. Wat betreft leegstand,

gemeten als percentage van het totaal

verhuurbare oppervlak, heeft Amsterdam

nog relatief veel meters in de aanbieding.

Met de ontwikkeling van de Zuidas

neemt de hoeveelheid kantooroppervlak

nog verder toe. Om deze meters gevuld

te krijgen zal de Zuidas onderscheidend

moeten zijn wat betreft kwaliteit.

Bovendien zal de ruime beschikbaarheid

van hoogwaardige kantoorlocaties

op de Zuidas goed bij de managers van

internationale ondernemingen in beeld

moeten worden gebracht.

Frank Bruinsma (fbruinsma@feweb.vu.nl) en Piet Rietveld

(prietveld@feweb.vu.nl) zijn als respectievelijk universitair

hoofddocent en hoogleraar verkeer- en vervoerseconomie

verbonden aan de Afdeling Ruimtelijke Economie van de

Vrije Universiteit.

Literatuur

WBrunet, R. (1989) Les Villes Européennes, rapport pour la

DATAR, RECLUS, Montpellier

Cushman &Wakefield Healey & Baker (2003-2005) European

cities monitor, Cushman &Wakefield Healey & Baker,

London

Geografisch Tijdschrift (1991) Themanummer Europese

Steden, Geografisch Tijdschrift, nr. 5.

Healey & Baker (1990-1994) European real estate monitor,

Healey & Baker, London

Healey & Baker (1996-1998) European cities monitor, Healey

& Baker, London

Manshanden, W.J.J., A.C. Muskens, P.J.M. de Bruijn, O.

Koops en J. Vlek (2004) De top-20 van Europese stedelijke

regio’s 1995-2003: Randstad Holland in internationaal

perspectief, Rapport 2004-46, TNO Inro, Delft


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Amsterdam top- of toblocatie?

P. 21

>

>

>

Hoogwaardige kantoorlocaties op de Zuidas moeten internationaal bekendheid krijgen

Nabijheid tot Schiphol volstaat niet om internationale hoofdkantoren te trekken


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Hypotheeklening moeilijker in gekleurde wijk

P. 22

Hypotheeklening

moeilijker in Manuel Aalbers

gekleurde wijk


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Hypotheeklening moeilijker in gekleurde wijk

P. 23

Banken en andere hypotheekverstrekkers lopen het liefst zo weinig mogelijk

risico als ze een hypotheeklening verstrekken. Op verschillende manieren

proberen ze hun risico te beperken. Ook de wijk of de postcode kan daarbij een

rol spelen. Een hypotheekaanvraag uit de ‘verkeerde’ wijk kan anders worden

beoordeeld. Dit leidt in het meest extreme geval tot ‘redlining’.

Een hypotheekverstrekker (of hypotheeknemer)

wil graag zekerheid dat een

verstrekte lening wordt afbetaald door de

hypotheekaanvrager (of hypotheekgever).

Daarom kijkt een hypotheekverstrekker

allereerst naar de verhouding tussen de

hoogte van de lening en de hoogte en

stabiliteit van het inkomen. Ten tweede

kijkt een hypotheekverstrekker naar de

verhouding tussen hoogte van de lening

en de waarde van het onderpand; dat

is de waarde van de woning waarop de

lening wordt aangevraagd. Verder zal een

hypotheekverstrekker ook kijken naar het

recente betalingsgedrag: slechte betalers

maken minder kans op een lening. Een

hypotheekverstrekker wil ook weten

wat voor vlees hij in de kuip heeft en zal

hypotheekaanvragers daarom in groepen

indelen, bijvoorbeeld naar arbeidsfunctie

of sociaal-demografische klasse.

Ook komt het voor dat hypotheekverstrekkers

de buurt of de postcode betrekken in

de beoordeling van een hypotheekaanvraag.

Een wijk waarvan een hypotheekverstrekker

verwacht dat de woningprijzen

zullen zakken of waarin relatief veel

huishoudens hun lening niet (op tijd)

afbetalen, scoort dan minpunten in de

hypotheekbeoordelingsprocedure. Als een

hypotheekaanvraag die aan alle acceptatiecriteria

voldoet toch wordt afgewezen

vanwege de buurt of postcode wordt van

redlining gesproken. De term redlining

heeft zijn oorsprong in de Verenigde Staten

van de jaren dertig van de twintigste eeuw:

op stadskaarten waren de wijken waar

geen hypotheken werden verstrekt rood

gekleurd. In Nederland is weinig bekend

over redlining. We weten slechts dat

redlining eind jaren negentig van de vorige

eeuw verschillende Rotterdamse buurten

trof (Aalbers, 2003; 2006a).

In dit artikel wordt gekeken in hoeverre

de buurt of de postcode tegenwoordig

een rol speelt in de hypotheekaanvraag.

Dit artikel is gebaseerd op een in 2005 en

2006 uitgevoerd onderzoek naar zowel

plaats- als etnisch-bepaalde hypotheekuitsluiting

in de steden Arnhem, Den Haag

en Rotterdam (Aalbers, 2006a; 2006b),

maar in dit artikel zal vanwege de omvang

alleen worden gekeken naar plaatsbepaalde

hypotheekuitsluiting in Den Haag en

Rotterdam. Voor dit onderzoek zijn ruim

dertig lokale woningmarkt- en hypotheekmarktspecialisten

geïnterviewd, vooral

hypotheekbemiddelaars en makelaars.

Credit scoring en NHG

Voordat er wordt ingegaan op de resultaten

van het onderzoek, is het belangrijk kort

stil te staan bij twee belangrijke begrippen:

credit scoring en de Nationale Hypotheek

Garantie (NHG). Credit scoring is een

methode om de risico’s in te schatten die


Rooilijn

gepaard gaan met het verlenen van een

hypotheeklening. Het is de laatste tien jaar

in de hypotheekmarkt steeds gebruikelijker

geworden dat hypotheekverstrekkers

de verschillende beoordelingsfactoren

in één systeem ‘wegen’ waarbij elke

hypotheekaanvraag een score meekrijgt.

Een score van minimaal 140 staat dan

bijvoorbeeld voor “hypotheekaanvraag

honoreren”, een score van minder dan 120

voor “hypotheekaanvraag afwijzen” en

een score tussen 120 en 140 voor “individuele

beoordeling”. De scores die tussen

“honoreren” en “afwijzen” vallen, worden

in de hypotheekwereld vaak “het grijze

gebied” genoemd.

Een hypotheekverstrekker beperkt het

risico dat hij loopt niet alleen door te kijken

naar inkomen, onderpand, betalingsgedrag

en postcode, maar ook door een deel van

het afbetalingsrisico over te hevelen naar

de Nationale Hypotheek Garantie. Het doel

van de NHG is het bevorderen van eigenwoningbezit

en kwaliteitsverbetering van

woningen. De koper en de hypotheekverstrekker

kunnen de NHG aanvragen bij de

Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen

(WEW). Dit kan tot een aankoopbedrag

van 250.000 euro (in 2006). Als een

aanvraag aan de voorwaarden voldoet,

staat het WEW borg voor de lener. Als de

lener haar/zijn hypotheek niet aflost, kan

een hypotheekverstrekker bij het WEW

aankloppen. Hoewel de NHG en de WEW

door de overheid in het leven zijn geroepen,

is het WEW een private instelling.

Catch-22

De meeste hypotheekverstrekkers willen

in bepaalde wijken in Den Haag en

Rotterdam alleen een hypotheek verstrekken

als deze met NHG kan worden

gefinancierd. Dit betekent dat aanvragen

van mensen die niet in aanmerking

komen voor de NHG, maar die wel

voldoen aan de acceptatiecriteria van de

hypotheekverstrekker, worden afgewezen.

Bovendien hebben hypotheekaanvragen

die in het ‘grijze gebied’ van de credit score

vallen, een aanmerkelijk kleinere kans om

gehonoreerd te worden als deze uit buurten

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Hypotheeklening moeilijker in gekleurde wijk

P. 24

komen die slechter staan aangeschreven.

Volgens de normen van de bank en van de

NHG (WEW, 2006) mogen deze klanten

afgewezen worden, maar het is opvallend

dat de mate van flexibiliteit in het ‘grijze

gebied’ sterk verschilt tussen de ‘goede’ en

de ‘mindere’ wijken.

Doordat sommige hypotheekverstrekkers

in bepaalde wijken alleen met NHG een

lening willen verstrekken, betekent dit dat

woningen die duurder zijn dan 250.000

euro en daarmee niet aan de NHG-normen

voldoen, niet gefinancierd kunnen worden.

Hiermee creëren deze hypotheekverstrekkers

een catch-22 situatie: ze stellen NHG

verplicht voor hypotheekaanvragen

waarop niet eens NHG aangevraagd kan

worden! Omdat de meeste woningen in

deze wijken een relatief lage transactieprijs

kennen, zijn er maar weinig woningen

waarop geen NHG kan worden aangevraagd.

In de Haagse Schilderswijk komt

het echter af en toe voor.

Postcodebeleid of prijsbeleid?

De plaatsbepaalde uitsluiting gaat in sommige

gevallen echter nog een stap verder: in

beide steden zijn er wijken waar sommige

hypotheekverstrekkers zelfs op aanvragen

met NHG geen hypotheek willen verstrekken.

De hypotheekverstrekkers Fortis ASR

en de SNS bank worden het meest genoemd

door de respondenten. Het is moeilijk

te zeggen of het bij deze banken om een

prijsbeleid of om een postcodebeleid gaat.

Doordat bepaalde prijsklassen sterk zijn

geconcentreerd in bepaalde wijken, is er

empirisch een sterke overlap. Het lijkt erop

dat SNS een prijsbeleid en Fortis zowel

een prijsbeleid als een postcodebeleid

hanteert. SNS verstrekt geen hypotheken

voor woningen onder een bepaalde

executiewaarde. Fortis wil onder een

bepaalde executiewaarde slechts 90, of bij

uitzondering 100, procent van de executiewaarde

financieren, terwijl 125 procent het

‘standaard’ maximum is. Dit betekent dat

kopers een flinke aanbetaling moeten doen

omdat de verkoopprijs inclusief ‘kostenkoper’

gemiddeld rond de 125 procent

van de executiewaarde ligt. Het probleem


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Hypotheeklening moeilijker in gekleurde wijk

P. 25

Onder een bepaalde executiewaarde wordt geen hypotheek verstrekt

is echter dat mensen die in de laagste

prijsklassen een woning kopen zelden veel

eigen vermogen hebben. Ook de Bank of

Scotland hanteert een minimale executiewaarde

waaronder zij geen hypotheekleningen

verstrekt. Deze Britse bank hanteert

in de provincies Noord- en Zuid-Holland

een hogere minimale executiewaarde dan

elders in het land.

Het hanteren van een drempelwaarde

waaronder een hypotheekverstrekker geen

hypotheken wil verstrekken, kan voor verstrekkers

niet alleen als alternatief dienen

voor wijken waar een verstrekker liever

geen hypotheken verstrekt, maar kan ook

een direct gevolg zijn van het (vermeend)

hoge risico dat gepaard gaat met de lagere

prijsklassen, bijvoorbeeld als meer hypotheekleningen

onder de drempelwaarde

dan boven de drempelwaarde niet op tijd

worden afbetaald. Een andere optie is dat

de goedkopere segmenten door sommige

hypotheekverstrekkers als niet interessant

worden gezien omdat de overhead op kleine

hypotheekleningen relatief hoog is. Dit

komt omdat een verstrekker vaste kosten

heeft die gepaard gaan met het verstrekken

en volgen van een hypotheeklening, terwijl

de opbrengsten die daar tegenover staan

voornamelijk variabel zijn.

Zelfs niet met NHG

Fortis, maar ook de ABN-AMRO, ING,

Fortis-dochter Direktbank, SNS-dochter

BLG Hypotheken en wellicht ook andere

verstrekkers zoals de Postbank, Rabobank

en SNS verstrekken soms geen hypotheken

op aanvragen die zowel aan de eigen,

formele acceptatiecriteria als aan de

NHG-normen voldoen. Slechts een enkele

keer vermeldt de hypotheekverstrekker op

papier dat de wijk of de postcode oorzaak

is. Als dit het geval is, staat er vaak dat de

aanvraag niet gehonoreerd kan worden

omdat de woning in een “niet-courante

wijk” staat. Courantheid betekent

verkoopbaarheid. De verkoopbaarheid

van een woning wordt bepaald door het

taxatierapport en in het bijzonder de in


Rooilijn

dit rapport vermelde executiewaarde. De

executiewaarde ligt in ‘mindere’ wijken

net als de verkoopprijs, gemiddeld lager

dan in ‘betere’ wijken. De courantheid

van de wijk is dus al verdisconteerd in de

executiewaarde van een woning. Het is

daarom opmerkelijk dat wordt gesteld dat

een woning in een “niet-courante wijk”

ligt als het taxatierapport in orde is. In veel

gevallen geven de hypotheekverstrekkers

echter niet zwart-op-wit aan dat het om een

“niet-courante wijk” gaat, maar zetten ze in

de brief iets over problemen met het onderpand

of de aanvrager (terwijl deze aan de

normen voldoen) en wordt er desgevraagd

telefonisch verklaard dat het om de wijk

gaat. Het probleem wordt aanmerkelijk

groter als het gedrag van de ene bank wordt

gekopieerd door de andere.

Het is opvallend dat zelfs hypotheken die

met NHG kunnen worden gefinancierd

soms niet worden afgesloten. De NHG is in

het leven geroepen om het risico dat hypotheekverstrekkers

lopen bij relatief ‘kleine

hypotheeksommen’ weg te nemen. Het

WEW neemt immers het afbetalingsrisico

over van de verstrekkers doordat het WEW

eventueel niet-afbetaalde hypotheekleningen

die met NHG zijn verstrekt aan de

verstrekkers vergoed.

Er zijn tenminste twee redenen te bedenken

waarom hypotheekverstrekkers bepaalde

hypotheekaanvragen met NHG toch

afwijzen. Ten eerste kan er, net als bij

drempelwaarden, sprake zijn van variabele

opbrengsten die niet tegen de vaste

kosten opwegen. Hierdoor worden zelfs

hypotheken met NHG als onaantrekkelijk

beschouwd. Ten tweede kan er, zowel

met behulp van drempelwaarden als

met behulp van postcodebeleid, getracht

worden hypotheekaanvragen met een (vermeend)

potentieel hoog afbetalingsrisico

uit te sluiten. Hiermee worden eventuele

kosten die met niet-afbetaling en gedwongen

verkoop gepaard gaan voorkomen. Er

is dan sprake van een transactiekostenprobleem.

Het WEW staat weliswaar garant

voor de afbetaling van de lening, maar niet

voor de personele kosten die gepaard gaan

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Hypotheeklening moeilijker in gekleurde wijk

P. 26

met de extra tijdsinvestering die een nietafbetaalde

lening en het regelen van een

gedwongen verkoop met zich meebrengen.

Belangrijk is dat de hypotheekverstrekkers

volgens de respondenten geen aanvragen

‘standaard’ afwijzen in bepaalde wijken:

als twee hypotheekaanvragen in dezelfde

wijk beide voldoen aan zowel de NHGnormen

als de acceptatiecriteria van de

verstrekker, kan het zijn dat de eerste

aanvraag wél wordt gehonoreerd, maar de

tweede niet! De verstrekkers willen volgens

de respondenten echter niet aangeven op

welke aanvragen ze een afwijzing kunnen

verwachten en op welke aanvragen een

acceptatie. Dit kan zeer frustrerend werken

voor hypotheekbemiddelaars, makelaars

en ook voor particulieren die zelf hun

hypotheek willen regelen, omdat er in

de ontbindende voorwaarden van een

voorlopig koopcontract vaak staat dat de

financiering in een aantal weken geregeld

moet zijn. Doordat mensen met afwijzingen

te maken krijgen kan het voorkomen

dat ze door de tijdsdruk de financiering

niet meer rond krijgen.

Hypotheekbemiddelaars geven aan dat

ze een aanvraag die aan de NHG-normen

voldoet uiteindelijk bijna altijd wel bij een

andere hypotheekverstrekker kunnen

onderbrengen mits daar tijd voor is of

het tijdelijke koopcontract verlengd kan

worden. Dit is voor particulieren minder

eenvoudig omdat zij weinig ervaring

hebben met de acceptatiepraktijken van

de verschillende hypotheekverstrekkers en

ontmoedigd kunnen worden een aanvraag

in te dienen bij een andere hypotheekverstrekker

omdat ze denken toch niet aan de

acceptatiecriteria te voldoen. Bovendien

constateren veel respondenten dat het

bij hypotheekaanvragen uit bepaalde

wijken langer duurt voordat de hypotheekverstrekker

laat weten wel of niet tot

financiering te willen overgaan. Sommige

respondenten spreken van het ‘onder op de

stapel leggen’ van hypotheekaanvragen uit

bepaalde buurten.


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Hypotheeklening moeilijker in gekleurde wijk

P. 27

Gekleurde wijken

Welke wijken zien de hypotheekverstrekkers

nu eigenlijk als de ‘mindere’ wijken?

In Den Haag gaat het om de wijken

Schilderswijk, Transvaal en Laakkwartier.

Verder wordt soms ook het deel van de

Stationsbuurt nabij de Schilderswijk

en station Hollands Spoor genoemd.

Ten opzichte van eerdere berichten

over redlining in Den Haag (Mulder &

Yagmur, 2003) valt op dat tegenwoordig

ook de wijken Rustenburg-Oostbroek en

Zuiderpark geregeld worden genoemd

(figuur 1).

In Rotterdam gaat het om grote delen van

Rotterdam-West en Rotterdam-Zuid en in

mindere mate Rotterdam-Noord (figuur

2). De wijken die vaak worden genoemd,

zijn grotendeels dezelfde als enkele

jaren geleden (Aalbers, 2003): Spangen,

Tussendijken, Bospolder, Delfshaven,

Nieuwe Westen en Middelland in West en

Feijenoord, Afrikaanderwijk, Bloemhof,

Hillesluis en Tarwewijk in Zuid. De

wijken Strevelswijk, Oud Charlois,

Carnisse, Pendrecht en Beverwaard in

Zuid en Schiemond, Oude Westen en

Oud Mathenesse Noord worden ook

geregeld genoemd. De in Rotterdam-Zuid

gelegen naoorlogse wijken Pendrecht en

Beverwaard zijn nieuwkomers in deze lijst.

In beide steden gaat het om ‘gekleurde

wijken: de wijken met de hoogste

percentages etnische minderheden

(vergelijk figuur 1 en 2 met figuur 3 en 4).

Hiermee is niet gezegd dat het aandeel

etnische minderheden de reden is voor

een hypotheekverstrekker om geen of

minder snel hypotheken te verstrekken.

Het is echter wel zo dat etnische minderheden

zwaarder worden getroffen door

het verscherpte acceptatiebeleid omdat zij

verhoudingsgewijs vaker in deze wijken

wonen. Toch is er slechts in een aantal uitzonderingsgevallen

sprake van afwijzing

van hypotheekaanvragen met NHG. Zoals

de meeste respondenten aangeven, kan

een aanvraag die aan de NHG-normen

voldoet bijna altijd wel ergens worden

ondergebracht.

De impact van hypotheekuitsluiting

blijft beperkt, maar is wel voelbaar voor

hen die er het slachtoffer van zijn. Het

frustreert de verkoop van woningen,

waarmee niet alleen de koper, maar ook

de verkoper wordt getroffen. Bovendien is

indirect onderscheid niet alleen de neerslag

van stereotypen en vooroordelen over

bepaalde wijken en bepaalde groepen in

de samenleving, maar heeft het ook een

weerslag doordat zowel de emancipatie van

minderheidsgroeperingen als het stedelijke

vernieuwings- en ‘mengingsbeleid’

wordt gefrustreerd. Tot slot belemmert

onderscheid op de hypotheekmarkt het

overheidsbeleid dat eigenwoningbezit – en

eigenwoningbezit onder lage inkomensgroepen

in het bijzonder – wil bevorderen.

De privatisering van de woningmarkt staat

hoog op de politieke agenda en leidt tot de

verzelfstandiging van woningcorporaties

en een toename van het aantal koopwoningen.

Hierdoor worden meer mensen

afhankelijk van het acceptatiebeleid van

hypotheekverstrekkers en neemt het belang

van uitsluiting op de hypotheekmarkt toe.

Manuel Aalbers (m.b.aalbers@gmail.com) is 20 december

2006 aan de Universiteit van Amsterdam gepromoveerd en is

als postdoc verbonden aan de Department of Urban Planning

van Columbia University in New York. Hij is tevens redacteur

van Rooilijn.

Literatuur

Aalbers, M. (2003) Redlining in Nederland. Oorzaken en

gevolgen van uitsluiting op de hypotheekmarkt, Aksant/

Spinhuis, Amsterdam

Aalbers, M.B. (2006a) Who’s afraid of red, yellow and green?:

Geographies of redlining and exclusion in the Netherlands and

Italy, proefschrift Universiteit van Amsterdam, Amsterdam

Aalbers, M.B. (2006b) Direct en indirect onderscheid op

de hypotheekmarkt in Arnhem, Den Haag en Rotterdam.

Onderzoek in opdracht van de Commissie Gelijke Behandeling

naar discriminatie bij risicoselectie door hypotheeknemers,

Amsterdam Institute for Metropolitan and International

Development Studies (AMIDSt), Universiteit van Amsterdam,

Amsterdam

Mulder, A. & M. Yagmur (2003) ‘Redlining’ in Den Haag’,

Haagsche Courant, 17 juli

WEW (2006) Nationale Hypotheek Garantie voorwaarden

& normen 2006, Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen,

Zoetermeer


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Hypotheeklening moeilijker in gekleurde wijk

P. 28

Figuur 1 en 2: Den Haag

Bron: Aalbers, 2006

Meer dan 55% etnische minderheden

30 tot 55% etnische minderheden

Minder dan 30% etnische minderheden

1 Transvaal

2 Schilderswijk

3 Molenwijk

4 Laakkwartier

5 Spoorwijk

6 Stationsbuurt

7 Rustenburg-Oostbroek

8 Zuiderpark

9 Bouwlust

10 Bohemen

11 Vogelwijk

13 Belgisch Park

Wijk waar het volgens (bijna) alle respondenten moeilijker is om een hypotheeklening te krijgen

Wijk waar het volgens een aantal respondenten moeilijker is om een hypotheeklening te krijgen

Stadscentrum


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Hypotheeklening moeilijker in gekleurde wijk

P. 29

Figuur 3 en 4: Rotterdam

Bron: Aalbers, 2006

Meer dan 60% etnische minderheden

40 tot 60% etnische minderheden

Minder dan 40% etnische minderheden

1 Spangen

2 Nieuwe Westen

3 Nieuwe Westen

4 Middelland

5 Tussendijken

6 Bospolder

7 Delfshaven

8 Tarwewijk/Millinxbuurt

9 Bloemhof

10 Hillesluis

11 Afrikaanderwijk

12 Feijenoord

13 Oud Mathenesse

14 Oude Westen

15 Schiemond

16 Oud Charlois

17 Carnisse

18 Pendrecht

19 Strevelswijk

20 Beverwaard

21 Liskwartier

22 Agniesebuurt

23 Oude Noorden

24 Oud Crooswijk

25 Nieuw Crooswijk

26 Kralingen-West

27 Kralingen-Oost

Wijk waar het volgens (bijna) alle respondenten moeilijker is om een hypotheeklening te krijgen

Wijk waar het volgens een aantal respondenten moeilijker is om een hypotheeklening te krijgen

Stadscentrum


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Naoorlogse probleemwijken in Stockholm

P. 30

Wouter van Gent

Naoorlogse

probleemwijken

in Stockholm


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Naoorlogse probleemwijken in Stockholm

P. 31

Op dit moment wordt ook in Zweedse steden veel

aandacht besteed aan naoorlogse woonwijken.

Deze aandacht is deels het gevolg van de fysieke

staat van de buurt, maar vooral een gevolg

van sociaaleconomische verschijnselen in dit

type buurten. Net als in Nederland worden

deze verschijnselen met gebiedsgericht beleid

te lijf gegaan. In Zweden speelt echter ook de

afbraak van de verzorgingsstaat een belangrijke

rol. Kunnen we in Nederland leren van deze

Zweedse aanpak?

Sinds de jaren dertig van de vorige eeuw is

in Zweden, onder invloed van de sociaal

democratie en het corporatisme, een

sterke sociale verzorgingsstaat ontstaan,

die uiteindelijk zou uitgroeien tot één van

de meest omvangrijke in Europa. In de

jaren zestig en zeventig kwam het Zweedse

model volledig tot wasdom tijdens een

periode van mondiale economische groei.

Gedurende deze jaren was Zweden een

staat die zowel veel welvaart, als een grote

mate van sociale gelijkheid kende. In het

begin van de jaren negentig kwam het

model in moeilijkheden. Het bleek niet

langer betaalbaar bleek en saneringen van

overheidsuitgaven waren nodig. Deze saneringen,

geïnitieerd door een neoliberale

regeringscoalitie, hadden grote gevolgen

voor de huisvestingssector. Deze sector

werd tot dan toe sterk gedomineerd door

de staat, die zich de taak had gesteld om

voor alle burgers gelijke kansen te creëren

op de woningmarkt. Dit betekende dat de

staat garant stond voor de bouw en verhuur

van goedkope woningen voor alle burgers.

Daarom sprak men ook niet van sociale,

maar van publieke woningbouw. Deze

redenering, waarbij alle burgers gelijke

kansen krijgen, past binnen de universele

principes van de Zweedse verzorgingsstaat.

In de praktijk kwamen deze solidaire

principes tot uitdrukking in een wettelijke

voorkeurspositie voor de gemeentelijk

woningcorporaties, die konden rekenen op

aanzienlijke overheidssteun voor bouw en

exploitatie.

De huisvestingssector is ingrijpend

veranderd door de maatregelen die sinds de

crisis van de jaren negentig zijn ingevoerd.

Door de privatisering van vele gemeentelijke

woningcorporaties, deregulering van

de huurmarkt, het snijden in subsidies, en

de verkoop van publieke huurwoningen in

vele gemeenten (waaronder Stockholm),

wordt het universele huisvestingsbeleid

samen met de sociaaldemocratische

verzorgingsstaat langzaam afgebroken. In

dit proces wordt publieke woningbouw

langzaam sociale woningbouw. Deze


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Naoorlogse probleemwijken in Stockholm

P. 32

verschuiving betekent dat het recht op

huisvesting niet langer een recht is dat op

alle burgers betrekking heeft, maar een

recht dat slechts impliceert dat de staat

alleen voor de sociaal zwakkeren moet

zorgen. Bijvoorbeeld door woningen in

de huurmarkt beschikbaar te stellen,

afgeschermd van de vrije markt. De nadruk

binnen het nationale huisvestingssysteem

verschuift dan van solidariteit naar

liefdadigheid. Deze verschuiving komt

in Stockholm tot uiting in de gedwongen

verkoop van gewilde woningen in en rond

het centrum, waardoor ´publiek bezit´

zich beperkt tot de ongewilde woningen in

naoorlogse woonwijken aan de rand van

de stad.

De opkomst van gebiedsgericht beleid

Aan het einde van de jaren negentig, tijdens

een periode van economische groei die

gevoed werd door de groei in de ICT en

dienstensector, is een nieuwe trend op gang

gekomen. Voor het eerst werd het belang

van de stad voor de Zweedse economie

duidelijk, maar tegelijkertijd bleek ook dat

er grote sociale problemen spelen in de

steden. Deze problemen zijn voornamelijk

gerelateerd aan armoede, het achterblijven

van de integratie en de hoge mate van

segregatie van niet-westerse immigranten.

In reactie hierop wordt in 1998 voor het

eerst een nationaal selectief en geïntegreerd

gebiedsgericht beleid ontwikkeld, een

grotestedenbeleid. Dit beleid was gericht

op economische groei en op het bestrijden

van sociaal, economische, en culturele

discriminatie en segregatie. Hoewel het

grotestedenbeleid inmiddels niet meer van

kracht is, vormde zij wel het het startschot

voor de ontwikkeling van gebiedsgericht

beleid op gemeentelijk niveau. Dit beleid

uit zich meestal in de vorm van program-

ma’s die een aantal jaar subsidies beschikbaar

stellen voor initiatieven, beleid en

projecten in een aantal hulpbehoevende

stedelijke gebieden. Deze programma’s

zijn verbonden met thema’s als integratie,

armoedebestrijding en economische groei.

Het gebruik van gebiedsbeleid om armoede

te bestrijden en integratie te bevorderen

vormt een breuk met het verleden. De

nadruk verschuift van universeel beleid

gericht op sectorale ingrepen naar selectievere

instrumenten. De oorzaak van de

breuk is grotendeels te vinden in de relatief

nieuwe immigrantenproblematiek in de

steden en in hoge kosten van ‘traditionele’

sectorale ingrepen (Andersson, 2006a).

Stockholm: Husby en Tensta

Husby en Tensta zijn twee wijken aan de

noordelijke rand van Stockholm waar zich

sterke sociaaleconomische problemen aftekenen.

Zij zijn daarom geselecteerd voor

gebiedsgericht stedelijk beleid. De modernistische

wijken zijn gebouwd ten tijde van

grootschalige nationale bouwprogramma’s

in de jaren zestig en zeventig en zijn typerend

voor de naoorlogse probleemwijken in

Zweedse steden. De wijken delen een aantal

karakteristieken; zij zijn gebouwd aan de

rand van de stad als zelfstandige satellieten

met een klein winkelcentrum, te midden

van een groen veld en door de metro goed

verbonden met het centrum. De woningen

zijn grotendeels twee- of driekamerwoningen

in flatgebouwen die op een rechtlijnige

wijze geplaatst zijn ten opzichte van elkaar.

Deze wijken kennen een overvloed aan

huurwoningen, die grotendeels in bezit zijn

van de gemeentelijke woningbouwcorporaties.

Al enige jaren vormen de woningen

in de wijken de onderkant van de woningmarkt.

Zij worden vooral bewoond door

eerste en tweede generatie niet-Westerse


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Naoorlogse probleemwijken in Stockholm

P. 33

immigranten (meer dan 80 procent)

die, wanneer mogelijk, snel uit de buurt

verhuizen. De voornaamste geconstateerde

problemen zijn dan ook een hoge mate van

ruimtelijke segregatie en een lage mate van

integratie. Naast de integratieproblematiek,

worden armoede en werkloosheid eveneens

gezien als problemen in de wijken. De redenen

voor werkloosheid onder immigranten

worden gezocht in de taalachterstand en

het gebrek aan scholing en werkervaring.

Problemen zoals criminaliteit, huiselijk

geweld, bendevorming onder jongeren en

vandalisme worden als voortvloeisel gezien

van de integratieachterstand, de ruimtelijke

segregatie en werkloosheid.

Stadsdelförnyelsen

Het meest recente beleidsinitiatief in

Stockholm is het stadsdelförnyelsen (stadsdeelvernieuwing)

programma dat loopt

van 2003 tot eind 2006. Dit programma

wordt gefinancierd door de gemeente en de

gemeentelijke woningbouwcorporaties en

bouwt direct voort op het eerder gevoerde

gebiedsgericht beleid. Ook nu richt men

zich op integratie en deels armoede- en

werkloosheidsbestrijding. In Husby en

Tensta betekent dit extra aandacht voor

taalbeleid, de verbetering van het onderwijs

en het creëren van stageplekken. Voor de

immigranten wordt het vinden van werk en

het spreken van de taal als essentiële voorwaarden

van de integratie in de samenleving

gezien. Naast werk en integratie

besteedt men aandacht aan de verbetering

van de reputatie van de wijk om zo het

gevoel van eigenwaarde bij de bewoners te

verhogen en stigmatisering tegen te gaan.

Dit onderdeel van het beleid vertaalt zich

in initiatieven, zoals het organiseren van

festivals en het verbeteren van de publieke

ruimte.

Het beleid bestaat voor het grootste deel

uit van bovenaf gestimuleerde bottomup

initiatieven. Hoewel de stad en de

gemeentelijke woningbouwcorporaties het

budget verstrekken, ligt een hoge mate van

verantwoordelijkheid bij lokale instanties

zoals de stadsdelen, plaatselijke woningbouwcorporaties

en sociale werkers. Deze

instanties moeten de weg vrijmaken voor

burgerparticipatie en een burgerlijke

cultuur kweken waar lokale organisaties

en verenigingen actief meewerken aan

de verbetering van de buurt. Hoewel in

Zweden goede voorbeelden te vinden zijn

van achterstandswijken met een sterke

burgerlijke cultuur die daardoor in staat

zijn geld en beleidsaandacht te verkrijgen,

zijn de pogingen in Husby en Tensta nog

onvoldoende gebleken. Ten eerste is de

schaal van Husby en Tensta zeer groot

(respectievelijk 11.495 en 16.834 inwoners)

wat het kweken van representatieve en

informele contacten met individuen,

belangen- en vrijwilligersorganisaties

moeilijker maakt dan bij kleinere en meer

overzichtelijke wijken. Ten tweede lopen de

programma’s vier jaar tot aan de verkiezingen,

waarna de subsidies ophouden en een

nieuw programma moet worden opgestart.

Deze breuken frustreren de structurele

samenwerking en bemoeilijken de voortgang

van de lopende projecten in de wijken.

Ten slotte vergeet men bij de centrale stad

dat veel nieuwkomers niet in staat zijn om

te participeren in projecten, aangezien zij

de taal moeilijk spreken of omdat zij hun

eigen problemen vóór die van de buurt

stellen. Naast de bovenstaande obstakels

zijn bij het gebruik van deze programma’s

fundamentelere kanttekeningen te

plaatsen in het kader van de veranderende

verzorgingsstaatlogica.

Lees verder op pagina 44


Rooilijn

InBeeld

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

Wegblikken

Fotografie: Janneke Berendsen

InBeeld: Wegblikken

De weg biedt ruimte voor auto’s. Voor langzaam verkeer zijn

stoepen en paden gereserveerd. De hoofdzaak blijft hetzelfde.

De weg is openbare ruimte en verbindt plekken met elkaar. Deze

ruimte heeft daarnaast andere functies. Een belangrijke functie is

het bieden van ruimte voor ontmoeting en contact met de ander.

Snel en langzaam blijven echter vaak gescheiden. De parkeer-

plaats is de plek waar de automobiele mens weer voetganger

wordt en de kans heeft uit zijn cocon te stappen om de ander te

ontmoeten. Zo luidt de theorie, de praktijk leert anders.

P. 34


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

InBeeld: Wegblikken

P. 35


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

InBeeld: Wegblikken

P. 36


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

InBeeld: Wegblikken

P. 37


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

InBeeld: Wegblikken

P. 38


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

InBeeld: Wegblikken

P. 39


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

InBeeld: Wegblikken

P. 40


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

InBeeld: Wegblikken

P. 41


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

InBeeld: Wegblikken

P. 42


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 InBeeld: Wegblikken

P. 43

Janneke Berendsen studeert dit jaar af aan de

Hogeschool voor de kunsten Utrecht, afdeling fotografie

(berendsenjanneke@hotmail.com).


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Naoorlogse probleemwijken in Stockholm

P. 44

Extra koopwoningen bouwen kan slechts op beperkte schaal

Evaluatie Stockholm

De opkomst van gebiedsgericht beleid om

socio-economische problemen op te lossen

is een duidelijke breuk met de Zweedse

verzorgingsstaats- en huisvestingsbeleidgeschiedenis.

Het is geen verrassing dat deze

overgang wrijving veroorzaakt en daardoor

bijdraagt aan een discrepantie tussen

probleem en strategie.

Ten eerste wordt door het huidige beleid,

dat bepaalde wijken uitzondert, het

gelijkheidsdenken aangetast. Hoewel de

wijken een rol van emancipatiemachine

voor nieuwkomers zouden kunnen vervullen,

wordt het door lokale beleidsmakers

als oneerlijk ervaren dat hun wijken

de zwaarste lasten toebedeeld krijgen.

Bovendien merken zij op dat de slechte

reputatie negatieve gevolgen heeft voor de

bewoners. De angst voor verdere stigmatisering

is ook merkbaar bij de stadsdelen

waarvan de reputatie nog niet zo slecht is,

maar die wel in aanmerking komen voor

het Stadsdelförnyelsen programma. Een

aantal van deze stadsdelen twijfelden of ze

mee zouden doen uit angst voor stigmatisering.

Eén stadsdeel heeft zelfs geweigerd

mee te doen.

Een tweede voorbeeld van de worsteling

tussen oude idealen en een nieuwe tijd, is

de manier waarop integratievraagstukken

worden aangepakt. Traditioneel is

het integratiebeleid in Zweden gericht op

systeemintegratie. Dit betekent dat men

zich concentreerde op de gelijke rechten en

kansen van nieuwkomers op het gebied van

onderwijs, werk en politieke participatie.

Het is theoretisch gezien mogelijk om een

ruimtelijk gesegregeerde stad te hebben

met systeemgeïntegreerde bewoners.

Toch wordt segregatie nu als probleem

gezien in Zweden, omdat nieuwkomers

in de gesegregeerde wijken onvoldoende

sociaal geïntegreerd zijn. Oftewel: immigranten

spreken niet met autochtonen. Dit

bemoeilijkt hen in het leren van de taal en

het vinden van werk. Sociale integratie en

desegregatie zijn slechts te bereiken door

een hogere mate van sociale menging van


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Naoorlogse probleemwijken in Stockholm

P. 45

sociaal-culturele klassen binnen de wijken.

Het bijbouwen van koopwoningen zoals in

Nederland sinds enkele jaren gebruikelijk

is, kan slechts op beperkte schaal. Sloop

van kwalitatief goede woningen is geen

optie vanwege langdurige woningtekorten

in de regio Stockholm. Bovendien houdt

de Groene Partij de bouw van nieuwe

woningen op de groene velden tegen. Naast

obstakels voor grootschalige herstructurering,

is ook het selectief toewijzen van

woningen door de woningcorporaties geen

oplossing omdat het in strijd is met het

recht op vrije woonkeuze. De gebiedsgerichte

programma’s zijn slechts nuttig om

systeemintegratie binnen de wijk te bevorderen.

Echter, zij lossen problemen zoals

segregatie en een lage sociale integratie niet

of nauwelijks op.

Tenslotte, is het van belang dat men niet te

veel op gebiedsgericht beleid leunt, hoewel

het goed kan worden gecombineerd met

sectorgericht beleid. Naast de mogelijke

stigmatiserende werking zijn vraagtekens

te plaatsen bij het doel om werk te bevor-

Grootschalige herstructurering is in Stockholm geen optie

deren en zo armoede te verminderen. De

meerderheid van de armen woont namelijk

verspreid over de stad en het grootste deel

woont buiten de concentratiewijken. Daar

komt bij dat de er geen zekerheid is dat alle

hulpbehoevenden binnen de wijk worden

bereikt. Het is niet verkeerd dat initiatief

en welwillendheid worden beloond, maar

dit zou niet tot gevolg moeten hebben dat

passievere bewoners geen hulp krijgen.

Uit de voorbeelden wordt ook duidelijk dat

de retoriek van de sociaaldemocratische

verzorgingsstaat niet verdwenen is. Men

kan zich echter afvragen hoe lang de

spagaat tussen oude waarden en de nieuwe

beleidsinstrumenten vol te houden is. Met

het oog op de overwinning van centrumrechtse

coalities in de lokale en nationale

verkiezingen in het najaar van 2006, lijkt

dit niet lang te zijn.

Lessen uit Zweden

In Zweden bestaat een discrepantie tussen

strategie en doelstellingen. De reden

hiervoor ligt in de randvoorwaarden, die


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Naoorlogse probleemwijken in Stockholm

P. 46

Bottom-up initiatieven geven lokale organisaties ontwikkelingskansen

een erfenis zijn van de sociaaldemocratische

verzorgingsstaat, de hervormingen

binnen het huisvestingbeleid, van simpel

pragmatisme, de opkomst van de stad en

de recente immigrantenproblematiek.

De discrepantie laat zien dat in termen

van problemen en oplossingen niet altijd

de meest effectieve strategieën worden

gevolgd. Om van de praktijk in Stockholm

te kunnen leren moet men zich bewust

zijn van haar specifieke context. Een groot

verschil tussen Nederland en Zweden is

bijvoorbeeld het feit dat in Stockholm de

grootschalige herstructureringprojecten

ontbreken vanwege een andere kijk op

sloop en de woningmarkt. Toch zijn

er parallellen tussen de wijkaanpak in

Zweden en in Nederland. In beide landen

wordt gebiedsgericht beleid gebruikt om

de verschillen tussen arm en rijk binnen

het stedelijk gebied te verkleinen en om

integratie te bevorderen. Er zijn dan ook

enkele belangrijke lessen te trekken uit de

Zweedse situatie en het stadsdelförnyelsen

programma.

Ten eerste is gebiedsgericht beleid ineffectief

op het gebied van armoedebestrijding,

aangezien de doelgroep niet

geconcentreerd woont in enkele wijken.

Ook bij segregatie moet de stedelijke regio

in ogenschouw worden genomen. De hoge

representatie van een sociale groep in één

gebied betekent een lage representatie in

andere wijken. Segregatie is een relationeel

verschijnsel op een hoger schaalniveau en

zou zo ook behandeld moeten worden.

Het kiezen van de juiste schaal is ook van

belang bij de bottom-up benadering, die

goed kan werken om systeemintegratie

te bevorderen, mits de projecten enkele

jaren op structurele ondersteuning van

verschillende overheidsinstanties en

woningbouwcorporaties kunnen rekenen.

De bottom-up initiatieven geven lokale

organisaties een kans zich te ontwikkelen,

te emanciperen en uiteindelijk partners te

worden in coalities op buurtniveau. Dit

om criminaliteit te bestrijden, scholen

in te richten op taalonderwijs, te werken

aan de fysieke omgeving en om voorzie-


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Naoorlogse probleemwijken in Stockholm

P. 47

Een burgerlijke cultuur verbetert de leefbaarheid in probleemwijken

ningen te realiseren en te behouden. De

schaal waarop lokale initiatieven worden

ontplooid moet echter niet te groot zijn,

vanwege problemen met representativiteit

en buurtidentiteit. De wijken in Stockholm

laten zien dat het aantal inwoners en

de grootte van de wijken te groot en te

massaal zijn om breed gedragen coalities te

vormen. Andere voorbeelden van kleinere

naoorlogse wijken in Zweden laten zien

dat het kweken van een burgerlijke cultuur

wel degelijk de positie en leefbaarheid van

een wijk kunnen verbeteren. Dit laatste

punt pleit voor de bouw van kleinschalige

wijken.

Wouter van Gent (W.P.C.vanGent@uva.nl) is promovendus aan

de Universiteit van Amsterdam en werkt aan een onderzoek

binnen het Corpovenista onderzoeksprogramma (onderdeel

van Habiforum Vernieuwend Ruimtegebruik).

Literatuur

Andersson, R. (2006a) ‘Breaking Segragation. Rhetorical

construct or effective policy? The case of the metropolitan

initiative in Sweden’, Urban Studies, nr. 43, p. 787-799

Andersson, R. (2006b) Ethic segregation and integration

processes in Sweden. An overview of social development,

research approaches, and findings, Wissenschaftzentrum

Berlin für Soziallforschung

Andersson, R., Molina, I., _resj_, E., e.a. (2003) Large housing

estates in Sweden; overview of developments and problems

in J_nk_ping and Stockholm, Raport 2i, Faculteit voor

geowetenschappen, Universiteit Utrecht

Andersson, R. & S. Musterd (2005) ‘Area-based policies: a

critical appraisal’ Tijdschrift voor economische en sociale

geografie, nr. 96, p. 377-389

Bengtsson, B. (2001) ‘Housing as a social right: implications

for welfare state theory’, Scandinavian political studies, nr.

24, p. 255-275

Elander, I. (1999) ‘National strategies for urban renewal

and housing rehabilitation: the case of Sweden’, H. Skifter

Andersen & P. Leather, Housing renewal in Europe, Policy

Press, p. 25-63


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 De invloed van de mondialisering op volkswoningbouw in Ecuador P. 48

De invloed van de

mondialisering op

volkswoningbouw

in Ecuador Christien Klaufus


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 De invloed van de mondialisering op volkswoningbouw in Ecuador P. 49

Als gevolg van grootschalige arbeidsmigratie naar het Westen ondergingen steden

in Ecuador aan het eind van de vorige eeuw snelle fysieke en sociale veranderin-

gen. Families uit lagere sociale klassen wisten hun woonsituatie te verbeteren

dankzij het geld dat gemigreerde familieleden opstuurden. Om hun sociale stij-

ging aan de buitenwereld te tonen, kozen zij voor een opzichtige woningarchitec-

tuur. Daardoor werden lokale professionals in hun werk met nieuwe dilemma’s

geconfronteerd.

Het Zuid-Amerikaanse land Ecuador

bevond zich rond de millenniumwisseling

in een turbulente periode. Na jaren van

politieke instabiliteit en corruptie en de

desastreuze gevolgen van de natuurramp

‘El Niño’ kregen de Ecuadoranen in 1999

te maken met een diepe economische

crisis. Het stringente economische beleid

van president en ‘Harvard-boy’ Jamil

Mahuad leidde tot hyperinflatie en tot het

faillissement van de grootste banken van

het land. Spaarzame burgers waren in één

klap al hun spaargeld kwijt. De president

werd in een staatsgreep afgezet maar zijn

opvolger zette zijn beleid voort. In 2000

werd de munteenheid sucre verruild voor

de Amerikaanse dollar, waardoor de kosten

van alledaagse uitgaven nog verder stegen.

Veel gewone Ecuadoranen zagen in die

periode hun bestaanszekerheid afnemen

en verloren de hoop op een betere toekomst

in eigen land. Daardoor kwam vanaf de

tweede helft van de jaren negentig een massale

emigratiegolf naar de VS en Europa op

gang. De massale uitstroom van mensen

leidde tot een verdere internationalisering

van de Ecuadoraanse cultuur doordat de

migranten geld, goederen en nieuwe ideeën

naar hun achtergebleven familieleden

stuurden. De culturele veranderingen

hadden invloed op sociale relaties,

leefwijzen en expressievormen, ook in de

woningbouw.

In dit artikel worden de resultaten van een

antropologisch onderzoek gepresenteerd

dat tussen 1999 en 2003 is uitgevoerd in

de provinciesteden Riobamba en Cuenca

in het centraal-zuidelijke hoogland van

Ecuador. Het onderzoek richtte zich op de

ontwikkelingen in de volkswoningbouw

en de sociale verschuivingen die daarmee

samenhingen. Er wordt beschreven hoe

families die dankzij buitenlandse inkomsten

op de sociale ladder wisten te stijgen,

hun nieuwe positie in de woonomgeving

tot uitdrukking brachten. De meningen en

ervaringen van architecten en beleidsmakers

in dat proces vormen de andere kant

van het verhaal (Klaufus, 2006).

Transnationale migratie

Toen aan het begin van het nieuwe

millennium de omvang van de stroom

arbeidsmigranten duidelijk werd, bleken

al honderdduizenden Ecuadoranen voor

langere of kortere tijd naar de VS, Spanje

of Italië vertrokken te zijn. Alle persoonlijke

drama’s ten spijt, de succesverhalen

werkten als een katalysator. Uit verschillende

sociale lagen van de bevolking en

uit alle provincies van het land stonden

mannen en vrouwen klaar om illegaal naar

het buitenland te reizen in de hoop op werk

en een beter leven. De arbeidsmigratie ging

gepaard met de instroom van buitenlands

geld dat door de migranten naar hun

families gestuurd werd. In 1996 bedroegen


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 De invloed van de mondialisering op volkswoningbouw in Ecuador P. 50

de zogeheten remittances nog 485 miljoen

dollar, in 2003 was dat al anderhalf miljard

en een jaar later 1,7 miljard, zo’n zeven

procent van Ecuador’s bruto nationaal

product. In de nationale economie werden

remittances na olie-export de tweede bron

van inkomende valuta en dus van grote

waarde voor de regering, die de migratie

dan ook niet afremde. Dankzij het geld dat

transnationale migranten naar Ecuador

stuurden, konden veel achterblijvers hun

woon- en leefsituatie verbeteren. Families

die geld ontvingen, verbouwden hun

woningen soms tot ware paleizen. De

invloed van arbeidsmigratie op de lokale

bouweconomieën was in 2001 en 2002

goed merkbaar. Volgens een landelijke

studie had gemiddeld vijftien procent

van de families uit Ecuadoraanse steden

een familielid in het buitenland. In de

zuidelijke stad Cuenca lag dat percentage

iets hoger. Deze families ontvingen gemiddeld

acht keer per jaar een bedrag van

175 dollar; in Cuenca gemiddeld nog iets

meer (Bendixen & Associates, 2003). Voor

huishoudens die normaal gesproken van

honderd of tweehonderd euro per maand

moeten rondkomen, betekent zo’n extra

geldbedrag al snel een verdubbeling van

het maandinkomen. In sommige gevallen

leidde het ertoe dat leden van gemarginaliseerde

groepen zoals boeren en volkswijkbewoners

op de maatschappelijke ladder

konden opklimmen. Zij verbouwden hun

huizen en kozen opzichtige bouwstijlen

om hun nieuwe sociale positie kracht bij

te zetten. Tegelijkertijd veroorzaakte de

sociale mobiliteit van succesvolle transnationale

migranten ook een grotere kloof

tussen rijk en arm, omdat de consumptiedrift

van de sociale stijgers de prijzen in

sommige steden flink had opgestuwd. De

families zonder extra inkomsten konden

die prijsstijgingen niet betalen en zakten

dieper weg in armoede.

Mythische huizen

Omdat de emigratie vanuit de zuidelijke

provincies eerder op gang gekomen was

dan in de rest van het land, werden de

dorpen en steden daar proportioneel

met de grootste uittocht van arbeids-

krachten en met een enorme import van

geld geconfronteerd. In de regio Cuenca

waren de veranderingen in het straatbeeld

duidelijk zichtbaar. Al vanaf de jaren

zeventig en tachtig werden in de dorpen

rond de stad de karakteristieke portaalwoningen

van adobe en hout vervangen door

grote, gesloten villa’s. In de jaren negentig

kwamen daar appartementencomplexen

van gladde en glimmende materialen bij.

De nieuwe woongebouwen vielen op door

hun materiaalgebruik, de vorm, de rijke

decoraties en vooral door hun grootte.

Op sommige gebouwen prijkte de naam

van de trotse familie die het huis had laten

bouwen. Omdat ze boven de oude adobe

huizen uitstaken, trokken ze in het landschap

de aandacht.

Binnenshuis lieten migrantenfamilies

comfortverhogende voorzieningen

aanbrengen zoals boilers en ligbaden.

Veel families lieten zich inspireren door

huizen die hun familielid in het buitenland

had gezien hetzij in het echt, hetzij op

afbeeldingen. Ze vroegen een architect of

aannemer om een soortgelijk ontwerp te

maken. De ontwerpers en bouwers kregen

de taak de soms buitenissige wensen van

hun opdrachtgevers te verwerken met de

materialen en technieken die ze in Ecuador

tot hun beschikking hadden. Een priester

in Cuenca vertelde bijvoorbeeld hoe één

van zijn parochianen, een vrouw wiens

man naar het buitenland vertrokken was,

aan een architect een plaatje liet zien van

het model dat ze voor haar nieuwe huis

wenste: het was een afbeelding van het

Sydney Opera House. Een vrouwelijke

architect uit Cuenca had ooit een vergelijkbare

opdracht gekregen. Het had haar

veel moeite gekost om van een plaatje met

daarop een kolossaal kantoorgebouw een

woningontwerp voor een klein, stedelijk

perceel te maken. Als een huis er eenmaal

stond, bleken de bewoners de voorzieningen

bovendien vaak heel anders te gebruiken

da waarvoor ze waren bedoeld. Zo zag

zij bijvoorbeeld ooit dat in een luxueuze

villa van een migrantenfamilie het ligbad

gebruikt werd om maïskolven te drogen

en alleen een keuken en een slaapkamer in


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 De invloed van de mondialisering op volkswoningbouw in Ecuador P. 51

Familietrots vastgelegd in woningbouw

gebruik waren genomen; de rest stond leeg.

Volgens de architect hadden de mensen

weliswaar genoeg geld om een goed huis te

kopen maar geen idee hoe erin te leven en

het te gebruiken.

Toonaangevende architecten en beleidsmakers

vonden de huizen van de nieuwe

rijken ongepast voor het stedelijke of

buitenstedelijke landschap en ongeschikt

voor de leefwijzen van de bewoners.

Ook waren de architecten bang dat het

monumentale karakter van de historische

binnensteden verloren zou gaan door

de oprukkende opulente huizen. Dat

deed de hang naar lokale eigenheid en

de waardering voor lokale bouwtradities

toenemen. Architectuur en woningbouw

werden de inzet van verwoedde discussies

over ‘geschikte’ bouwvormen. De

professionals die verantwoordelijk waren

voor de volkshuisvesting, ruimtelijke

ordening en de beeldkwaliteit van stad

en landschap, hadden geen grip op deze

ontwikkeling. Dit kwam mede doordat

de beleidshandhaving te wensen over

liet. De gemeentelijke afdeling bouw- en

woningtoezicht functioneerde doorgaans

gebrekkig. Veel bouwinspecteurs konden

geen bouwtekeningen lezen en het

kwam regelmatig voor dat er geen auto’s

beschikbaar waren om op inspectie te gaan.

Bovendien was er corruptie en willekeur

binnen de gemeentelijke diensten, waar-

door controles selectief werden uitgevoerd.

De directeur van bouw- en woningtoezicht

in Cuenca vertelde bijvoorbeeld dat zijn

dienst bepaalde delen van de stad jarenlang

niet had gecontroleerd omdat het gerucht

ging dat het er gevaarlijk was. Terwijl veel

gevestigde architecten bezwaar hadden

tegen de veranderingen in de volksarchitectuur,

hadden vooral jongere vakgenoten die

nog geen grote klantenkring hadden, baat

bij de nieuwe klandizie. Zij verwelkomde

de niches in de woningbouwmarkt en

droegen bij aan de productie van nieuwe,

opvallende woonhuizen aan de stadsrand.

Met andere woorden: er bestond

geen consensus over de wenselijkheid of

onwenselijkheid van de nieuwe vormen van

volkswoningbouw.

Achter deze discussies ging bovendien een

complex probleem schuil van verdwijnende

oude hiërarchieën en nieuwe sociale

relaties. Architecten die tot de culturele

elite behoorden, zagen in de opkomst van

de zogenaamde ‘migrantenarchitectuur’

de vervlakking en ‘vervolksing’ van de

stedelijke samenleving. Dat was overigens

niet alleen het geval in Cuenca maar ook

in het meer naar het noorden gelegen

Riobamba dat vanaf het einde van de jaren

negentig met transnationale migratie

en mondialisering te maken kreeg. De

nieuwe sociale normen en architectonische

vormen werden niet alleen door profes-


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 De invloed van de mondialisering op volkswoningbouw in Ecuador P. 52

sionals maar ook door de overige burgers

bekeken, beoordeeld en soms betwist.

Vreemde voorbeelden gingen in het

alledaagse discours een eigen leven leiden.

Zo ontstond een stedelijke mythe over een

opzienbarend migrantenhuis. In die mythe

die in verschillende varianten verteld werd,

staat het huis van een migrantenfamilie

centraal. Dat huis zou ergens in een klein

dorp in de buurt van Cuenca liggen; de

naam van dat dorp wisselde per verteller.

Over het huis werd verteld dat het groot en

erg luxueus was. Het had zelfs een lift. Om

uiteenlopende redenen werd de lift alleen

gebruikt om vee in te stallen: de boeren

zouden niet weten hoe ze een lift moesten

gebruiken of er was in het dorp nog geen

elektriciteit. Het verhaal werd altijd op een

spottende toon verteld, ter illustratie van de

misplaatste rijkdom van mensen die boven

hun stand wilden leven. Niet toevallig had

de mythe dorpsbewoners als onderwerp.

Het verhaal werd namelijk ook gebruikt

om een nieuwe sociale orde te construeren,

gebaseerd op het oude herkenbare

contrast tussen stad en platteland en tussen

een stedelijke middenklasse en boeren.

Zo legitimeerden de stedelingen hun

eigen moderne levensstijlen, terwijl al te

opvallende consumptiepatronen werden

gecorrigeerd. De snelle sociale en culturele

veranderingen en de ambivalente gevoelens

die dat opriep, werden via het vertellen van

de mythe bespreekbaar gemaakt.

Potentiële klanten

Hoe kritisch of denigrerend de opmerkingen

van stadsbewoners over vermeende

migrantenhuizen in dorpen en verre

buitenwijken soms ook waren, iedereen gaf

toe dat de gevolgen van de mondialisering

en modernisering veel dichter bij huis te

vinden waren. Twee decennia terug was

het bijvoorbeeld nog heel gebruikelijk dat

woningzoekenden uit de lagere middenklasse

een perceel kochten en daarop

eigenhandig of met hulp van vrienden en

familie een huis bouwden. Het bouwproces

in volkswijken werd zo geheel of gedeeltelijk

bepaald door het systeem van wederkerige

arbeid, met alle dankfeesten, rituelen

en uitbetalingen in natura die daarbij

hoorden. Loonarbeid werd alleen ingehuurd

voor de onderdelen die de eigenaar

niet zelf kon maken. Tegenwoordig heeft

betaalde arbeid de plaats van de wederkerigheid

in bouwprocessen ingenomen.

Industriële bouwmaterialen werden ook in

volkswijken steeds populairder: een huis

van gemetselde baksteen kon veel sneller

gebouwd worden dan een huis van adobe.

Omdat het verwerken van dit product

gespecialiseerde technieken vereist, kunnen

de bewoners dat vaak niet meer zelf. De

tijdswinst die een snelle bouw oplevert,

maakte zo’n huis ondanks de kosten van

arbeidsloon toch goedkoper dan een zelfgebouwd

huis. Tijdens de economische crisis

eind jaren negentig werden de kosten van

het in natura uitbetalen van vriendendiensten

tijdens het langdurige zelfbouwproces

voor veel volkswijkbewoners gewoonweg

te hoog. Een volkswijkbewoonster uit

Riobamba verwoordde dat treffend door

te stellen dat “wat je uitgeeft aan een feest,

daar kun je ook een raam van kopen.”

Economische veranderingen brachten

veranderingen in prioriteitstelling en in de

onderlinge sociale verhoudingen teweeg.

Met de modernisering van de stedelijke

arbeidsrelaties viel de vanzelfsprekendheid

van vriendendiensten weg. Woningbouw

werd een individuele aangelegenheid.

Toen, mede als gevolg van massale

emigratie, de sociale stijgers met elkaar

gingen wedijveren om de opvallendste

huizen te bouwen, werd ook de vormgeving

van huizen steeds individueler. Families

die een nieuw huis wilden bouwen of hun

bestaande woning wilden laten verbouwen,

riepen daarom soms de hulp in van professionele

ontwerpers, zodat ze iets bijzonders

zouden krijgen. Omgekeerd ontdekten

architecten, ingenieurs en aannemers

de sociale stijgers als potentiële klanten.

Hadden architecten vroeger vooral klanten

uit de binnenstedelijke middenklasse, nu

bezochten ze ook migrantenfamilies in

verderweg gelegen volkswijken en dorpen

in de hoop er een opdracht te verkrijgen.

Op die manier leverden de gevolgen van

mondialisering en modernisering tal van


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 De invloed van de mondialisering op volkswoningbouw in Ecuador P. 53

nieuwe dilemma’s op. Sommige professionals

zagen de toegenomen bestedingen

in de bouwsector als wenselijk vanwege de

werkgelegenheid, andere zagen deze juist

als onwenselijk omdat ze de lokale cultuur

en het stadsbeeld en landschap aantastten.

Over de emancipatoire kracht van

woningbouw sprak vrijwel niemand. Een

sociaal-wetenschappelijk onderzoeker van

de Universiteit van Cuenca merkte eens op

dat lokale bestuurders jarenlang hadden

getracht het platteland via hulpprogramma’s

te moderniseren. Nu voormalige

boeren hun leven op eigen kracht gemoderniseerd

bleken te hebben, schrokken

bestuurders en de culturele elite van het

resultaat. Dat gaf aan hoe ingrijpend de

sociale veranderingen waren, zo stelde hij.

Architectonische emancipatie?

In de jaren zestig en zeventig maakte architect

John FC Turner furore met zijn theorie

over de positieve aspecten van zelfbouw in

Latijns-Amerikaanse volkswijken (Turner,

1968; 1976). Zijn theorie had betrekking

op volkswijken aan de randen van

snelgroeiende metropolen. Turner stelde

dat zelfbouwers in verschillende stadia

van hun wooncarrière afwegingen maken

wat betreft de optimale locatie voor hun

werkzaamheden, voor woningeigendom

en voor de gewenste uitstraling en status

van het huis. Het door hem beschreven

wooncarrièremodel geeft weer hoe rurale

migranten zich eerst in een suburbane

volkswijk vestigen, zich opwerken en

vervolgens verhuizen om in een betere

wijk met een beter huis een hogere status te

verkrijgen.

Volgens critici heeft het model van Turner

alleen oog voor de keuzes die zelfbouwers

maken. Noch de institutionele kant van het

huisvestingsbeleid, noch de machtsongelijkheid

en de beperkende factoren waarmee

stedelijke armen te maken krijgen,

zijn erin verwerkt. Voor hen is het model

daarom onevenwichtig en niet realistisch.

Sommige critici gaan zelfs zo ver dat ze

Turner ervan beschuldigden neoliberale

beleidsmakers in de kaart te spelen die naar

meer marktwerking in het volkshuisves-

tingsbeleid streven. Om de ontwikkelingen

in Ecuador te begrijpen, lijkt het model

echter wel degelijk geschikt. Hoewel zijn

theorie betrekking heeft op grote en

snelgroeiende steden en niet op provinciesteden

die gebukt gaan onder het juk van

de mondialisering, biedt zijn stelling dat in

eigen beheer gebouwde woningen een bron

van emancipatie kunnen zijn, juist in de

huidige periode van internationalisering

en mondiale netwerken een interessante

verklaring voor de veranderingen die op

lokaal niveau worden waargenomen. De

discussie die in veel steden in Ecuador en

elders gevoerd wordt over de wenselijkheid

of onwenselijkheid van nieuwe bouwvormen

en snel veranderende stadslandschappen,

doet immers vermoeden wat John

Turner enkele decennia terug al stelde:

dat migrantenarchitectuur, of wat ervoor

doorgaat, een signaal is van de emancipatie

van voormalig uitgesloten groepen in en

rond steden.

Christien Klaufus (C.J.Klaufus@tudelft.nl) is postdoconder-

zoeker bij Onderzoeksinstituut OTB.

Literatuur

Bendixen & Associates (2003) Receptores de remesas en

Ecuador: Una investigación del Mercado, Inter-American

Development Bank, International Monetary Fund & Pew

Hispanic Center, Quito

Klaufus, C. (2006) ‘Globalization in residential architecture

in Cuenca, Ecuador: social and cultural diversification of

architects and their clients’, Environment and Planning D

Society and Space, nr. 1, p.69-89

Turner, J. (1968) ‘Housing priorities, Settlement Patterns, and

Urban Development in Modernizing Countries’, AIP Journal,

nr. 20, p.354-363

Turner, J. (1976) Housing by People: Towards Autonomy in

Building Environments, Marion Boyars, London

Gaat dit huisje verdwijnen?


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

Vinexwijk Carnisselande voldoende aangehaakt?

Sake Zijlstra en Paul Stouten

Vinexwijk

Carnisselande

voldoende

aangehaakt?

P. 54


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Vinexwijk Carnisselande voldoende aangehaakt?

P. 55

Vinexwijken bestaan nu ruim tien jaar en

staan voortdurend in de belangstelling. Ze

zijn gebaseerd op een ambitieus beleid over

openbaar vervoer, stedelijkheid en milieu. In

de vinexlocatie Carnisselande zijn veel van de

geformuleerde doelstellingen op dit moment

nog niet gehaald. Wat zijn hiervan de oorzaken

en wat is het toekomstperspectief van deze en

oudere wijken?

Vanaf begin jaren negentig vormen vinexlocaties

een nieuwe periode in de geschiedenis

van de suburbanisatie. De compacte

stad, hoewel niet letterlijk genoemd in de

Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra

(VINEX, 1993), is wel een nadrukkelijk

streven. Het concept van compacte verstedelijking

(Dantzig & Saaty, 1973) blijkt uit

de planbeschrijvingen waarin sprake is van

een centrum met daar omheen woningen

in hoge concentraties. Vervoer wordt

door een snel en Hoogwaardig Openbaar

Vervoer (HOV) geregeld. Zonering en

balling maken verschillen in functies van

wijken mogelijk. De uiteindelijke realisatie

kenmerkt zich echter door een zekere mate

van tweeslachtigheid tussen stedelijkheid

en een suburbaan woonmilieu. Het

contrast tussen gebouwde omgeving en

landschap lijkt te verdwijnen. Opvallend

is dat de betekenis van natuur en artifice

meer en meer wordt omgedraaid. Het

stedenbouwkundige ontwerp in het kader

van de stedelijke groei wordt steeds meer

als een natuurlijk verschijnsel gezien,

terwijl de natuur de artifice is geworden

(Stouten, 2004).

In dit artikel staat de analyse van

Carnisselande centraal. Carnisselande

ligt in de gemeent Barendrecht en is de

vinexlocatie voor de stadsregio Rotterdam.

Het is een vinexlocatie waarbij de ontsluiting

door hoogwaardig openbaar vervoer

(HOV) een belangrijke plaats inneemt.

Kortom, een concept in de vorm van

streetcar build-outs dat in de Verenigde

Staten al in 1870 tot ontwikkeling kwam

(Hayden, 2003). De keuze voor de casus

Carnisselande is bepaald op grond van

drie factoren: omvang, ligging en openbaar

vervoersvoorzieningen. Het is één van de

weinige locaties waar sprake is van een

in een vroeg stadium gerealiseerd HOV

aanbod. Qua ligging behoort de locatie

Carnisselande tot één van de gemiddelde

vinexlocaties in Nederland.

Vinex doelstellingen

De rijksoverheid had met het vinexbeleid

een drietal doelen voor ogen. Op de

eerste plaats was er de wens het milieu te

beschermen, zowel ten aanzien van de

uitstoot van zogenaamde broeikasgassen

door de personenauto, als ten aanzien van

de bescherming van open groene ruimte.

Ten tweede had men de doelstelling om

hoogwaardige stedelijkheid te bereiken

door balling en functiemenging. Als laatste

wilde men binnen Europees verband de

economische positie van Nederland, vooral

van de Randstad, verbeteren. Deze drie

doelstellingen vormen de basis voor de

sociaal-economische en ruimtelijke positie

van toekomstig Nederland.

Momenteel is er nog steeds sprake van een

kwantitatieve en kwalitatieve woningnood

(WBO 2002, 2004). Bovendien is er sinds

de jaren zeventig meer aandacht voor

een maatschappelijke veroudering die is

ontstaan door verandering van woonbehoeften.

Daarbij ligt de nadruk niet langer

alleen op de directe gebruikskwaliteit van

de woning, maar ook op de vormgeving

en woonomgeving (Stouten, 2004). De

ontwikkeling van hoogwaardig openbaar

vervoer kreeg vanwege de beoogde

milieubescherming en de gewenste afname

van het gemiddelde autogebruik per

kilometer hoge prioriteit. Dit kon volgens

de nota bereikt worden door nabij steden

in hoge dichtheden gemengd en compact te

bouwen met een goede aansluiting op deze

steden. Nabijheid en hoge dichtheid dragen

tegelijkertijd bij aan de bescherming van


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Vinexwijk Carnisselande voldoende aangehaakt?

P. 56

de open ruimte doordat er minder beslag

wordt gelegd op ruimte.

De convenanten met betrokken partijen

over de uitwerking van de opgave zijn

echter vrijblijvend wat betreft de lange

termijnplanning. Aan de stadsgewesten,

provincies en gemeenten zijn bouwopgaven

voor het realiseren van woningen en

werklocaties toegekend die zijn gekoppeld

aan een bepaalde locatie. Het Rijk, met

name de ministeries van Volkshuivesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

(VROM), het ministerie van Verkeer en

Waterstaat (V&W) en het ministerie van

Binnelandse Zaken (BiZa), heeft deze

opdracht gedelegeerd aan de gemeenten,

provincies en de stadsgewesten. Samen met

de grondeigenaren en de ontwikkelaars

zijn afspraken gemaakt over het te leveren

product. De inhoud van de convenanten

behelst de locatie, het aantal woningen, de

verdeling over categorieën (alleen financieringsklasse

en prijsniveau), de grondkosten

en de verdeling van kosten voor de aanleg

van infrastructuur. In sommige gevallen is

de ontwikkeling van een bedrijvenlocatie

opgenomen, evenals de inspanningsverplichting

tot het realiseren van HOV. Voor

de uiteindelijke realisatie van de convenanten

hebben de gemeenten geen krachtige

instrumenten voor handen gehad om de

vorm van de locatie te beïnvloeden. Het

overheidsbeleid is gezien als een richtlijn

en onderhandelbaar tijdens de totstandkoming

van de locaties.

Doelmatig?

De doelstellingen van de vinex zijn in de

eerste plaats gericht op de lange termijn:

milieu, hoogwaardige stedelijkheid en de

versterking van de economische positie.

Pas daarna is er invulling aan lagere doelen

zoals woningbouw gegeven. De doelen en

de uitwerking van middelen zijn, hoewel

expliciet vermeld in de vinex, niet meer

in de convenanten opgenomen, waardoor

ze niet of minder meetbaar zijn. Het is de

vraag of de realisatie van de vinexlocaties

een antwoord geeft op de doelen die gesteld

zijn voor de lange termijn. Centraal staat de

vraag of de vinexlocaties ruimtelijk gezien

(zowel stedenbouwkundig, programmatisch

als architectonisch) voldoen aan

de gestelde doelen ten aanzien van milieu,

hoogwaardige stedelijke kwaliteit en

versterking van de economische positie.

Vinexlocatie Carnisselande

Volgens de planning worden er 10.000

woningen gerealiseerd waarvan 30 procent

in de huursector, 75 procent eengezinswoningen

en 60 procent heeft meer dan vier

kamers. In vergelijking met de woningprijzen

in de gemeente Rotterdam liggen de

prijzen in Carnisselande aan de hoge kant

als gevolg van de gerealiseerde maat en het

type woningen. De gemiddelde prijs voor

een woning was in 2005 179.000 euro. De

stedenbouwkundige opzet is ruim en mede

doordat het een oude polder betreft is er

veel aandacht voor water, gecombineerd

met ruimte voor langzaam-verkeersroutes,

zoals fietspaden. De stedenbouwkundige

opzet is duidelijk geïnspireerd op nieuwbouwwijken

uit de jaren zeventig en tachtig

met een hoofdontsluiting die is gekoppeld

aan een vorm van woonerven.

Over het vervoer op, van en naar de locatie

moet een duidelijk onderscheid gemaakt

worden tussen verschillende modaliteiten.

Carnisselande is met de auto matig

ontsloten: het is nog slechts op drie plaatsen

mogelijk de locatie op of af te rijden. Op

de locatie zelf is gekozen voor een grote


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Vinexwijk Carnisselande voldoende aangehaakt?

P. 57

gridachtige structuur voor het autoverkeer.

De locatie wordt ontsloten door HOV in de

vorm van de geïntroduceerde Tramplus.

Deze tramlijn loopt over één van de

hoofdassen (excentrisch gelegen van noord

naar zuid) van de locatie. De route heeft

het karakter van een laan. Het autoverkeer

wordt voor een groot deel van de laan

geweerd. Alleen het bestemmingsverkeer is

toegestaan.

Verspreid over de locatie zijn voorzieningen

op lager schaalniveau gerealiseerd

waarbij het programma niet altijd consistent

is uitgewerkt. Een voorbeeld daarvan

is een flat, bestemd voor ouderen, die in

plaats van dichtbij juist ver van het winkelcentrum

af is gebouwd. Er is op de locatie

nauwelijks ruimte voor bedrijvigheid.

Daar komt bij dat de kleine hoeveelheid

bedrijfsruimte die is gerealiseerd, geconcentreerd

is in een zone aan de rand van

de locatie dichtbij Barendrecht. Daarmee

is het een voorbeeld van het aloude recept

van functiescheiding.

De HOV-laan eindigt met een keerlus

in het weiland. Langs de HOV-laan zijn

woon-werkwoningen gerealiseerd maar

deze leveren een negatieve bijdrage aan de

dichtheid door hun relatief grote ruimtebeslag.

Slechts een klein deel van de woonwerkwoningen

wordt als zodanig gebruikt.

Bijna aan het einde van de HOV-laan ligt

het centrum van Carnisselande. Hier zijn

de winkels geconcentreerd in een winkelcentrum

dat is opgetild van het maaiveld

en in de hoek van een groot plein gelegen

is. Het centrum van Carnisselande, inclusief

de HOV-laan, kent een relatief hoge

dichtheid wanneer we deze vergelijken met

de rest van de locatie; 38 woningen per

hectare tegen 30 over de gehele locatie als

gemiddelde. Daarmee is het door het Rijk

vastgestelde minimum behaald.

Stand van zaken

Veel vinexlocaties zijn nog niet af. Er is

tot op de dag van vandaag veel discussie

over de kwaliteit gevoerd. Soms wordt de

toegankelijkheid van de locaties, of juist

de ontoegankelijkheid daarvan, door de

slechte verbinding met bestaande steden

als een zegen beschouwd. Dit laatste zou er

volgens het Ruimtelijk Planbureau (RPB,

2006) toe kunnen leiden dat de locaties

kunnen gaan functioneren als zelfstandige

kernen of kleine dorpen binnen de

bestaande gemeenten waaraan zij zijn

toegevoegd. De discussie gaat zelden over

de (lange termijn) doelen van vinex en of

die zullen worden gehaald.

Op basis van de analyse van Carnisselande

moet worden geconstateerd dat de vinexlocaties

in vele opzichten niet voldoen aan

de gestelde doelen. Één voorbeeld is de

parkeernorm. In de vinex werd voorgesteld

deze laag te houden, ongeveer één parkeerplaats

per woning. Tijdens het sluiten van

de convenanten en vervolgens weer tijdens

de realisatie is deze norm al aanzienlijk naar

beneden bijgesteld, en nu de locaties hun

voltooiing naderen blijkt de gerealiseerde

norm te laag. Hiervoor zijn twee redenen

aan te voeren. Ten eerste was het laag

houden van de norm bedoeld als stimulans

voor het gebruik van het openbaar vervoer,

maar had niet de beoogde uitwerking: de

tram op Carnisselande blijft goeddeels leeg

en vormt hiermee geen uitzondering. Ten

tweede is het zo dat in veel gevallen het

openbaar vervoer te laat, niet, of niet hoogwaardig

gerealiseerd wordt op de uitbreidingslocaties.

Het doel milieubescherming

is dan ook (nog) niet behaald.


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Vinexwijk Carnisselande voldoende aangehaakt?

P. 58

Daarnaast zijn veel woningen van het type

grondgebonden eengezinswoningen en

de daaraan verbonden te hoge prijsklassen

gerealiseerd. Hiermee hebben zij een

aanzuigende werking op bewoners uit

de steden. Er is sprake van een selectieve

suburbanisatie. De woningen zijn vooral

toegankelijk voor huishoudens met een

inkomen hoger dan modaal. Hierdoor

neemt de economische segregatie in

de kernsteden van de regio toe, waar,

door deze verscherping, uiteindelijk een

eventueel economisch herstel van de gehele

regio wordt bedreigd. In welke mate deze

polarisatie bijdraagt aan de versterking van

de economische en ruimtelijke structuur

is onduidelijk. Kanttekening hierbij is

dat op basis van de Nota Ruimte (2005)

nieuwe suburbane uitbreidingen als een

olievlek kunnen uitlopen in het landschap.

De hogere inkomensgroepen, die nu in de

duurste huizen aan de uiterste randen of

in het centrum van de vinexlocaties met

uitzicht op de weilanden wonen, zullen

dan weer vertrekken. De deur naar een

ongebreidelde suburbanisatie staat al op

een kier.

In de toekomst zijn vinexlocaties echter

minder geschikt voor herstructurering,

zoals we dat nu doen. De woningen en

de stedelijke opzet lenen zich slecht voor

intensivering of voor een aanpassing

binnen de gerealiseerde voorraad. Er is

weinig bruikbare restruimte die zonder

problemen gebruikt kan worden voor

verdichting in bepaalde zones. De woningen

zijn veelal van een vergelijkbaar type

en gebaseerd op gelijke woningplattegronden.

Daarnaast hebben ze veel gemeen

qua uitstraling, ook bij vergelijking van

locaties onderling. Verder zijn de woningen

gebouwd met een verdiepingshoogte

van 2,40 meter wat hen minder geschikt

maakt voor transformatie (Stuurgroep

Experimenten Volkshuisvesting, 2004).

Op stedenbouwkundig niveau is er te

weinig differentiatie in dichtheid toegepast.

De lage dichtheid en de eenzijdigheid van

het programma, tot stand gekomen door

de sterke scheiding van functies, komt het

Aan vinexlocaties wordt nog volop gebouwd

draagvlak van de winkels in het centrum

en het gerealiseerde HOV niet ten goede.

De ruimtelijke kwaliteit staat hierdoor

onder druk.

In het ruimtelijke concept is niet voorzien

in een aansluiting bij Barendrecht of

Rotterdam. Bovendien zijn de fietsafstanden

naar Rotterdam en Barendrecht te

groot en ontbreekt een directe verbinding

met het centrum van Barendrecht. De verbinding

met het centrum van Rotterdam

is wel via de Tramplus gerealiseerd, alleen

het gebruik daarvan blijft, zoals al eerder is

opgemerkt, nog achter.

De toekomst

Vinexlocaties blijken verschillend gewaardeerd

te worden door bewoners, professionals

en beleidsmakers (RPB, 2006). Het

overheersende beeld “Vinex mist uitstraling

en karakter” is de meest gehoorde

klacht van de bewoners (Meesters, 2006).

Met alleen mooiere architectuur kun je de

voorwaarden voor de als maar versnipperde

uitbreidingen van steden van ring

naar ring niet veranderen. Daarentegen,

om te voorkomen dat nieuwe wijken zoals

Carnisselande in de toekomst de nieuwe

herstructureringswijken worden, moeten

passende maatregelen worden genomen.

Om een isolement te voorkomen is het

versterken van verbindingen met andere

stadsdelen en stedelijke centra in de regio


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Vinexwijk Carnisselande voldoende aangehaakt?

P. 59

HOV-laan Carnisselande

noodzakelijk. Dat betekent aansluiten

op de randen van de steden door het

gedeeltelijk overkluizen van barrières en

ontwikkeling van openbaar vervoernetwerken

tussen verschillende centra in de

regio. Op deze wijze wordt de ruimtelijke

positie versterkt maar ook direct de

gunstige voorwaarde geschapen, die de

naoorlogse wijken ook kennen: nabijheid

van groot stedelijkheid en het centrum.

Naast differentiatie van het woningaanbod

is het belangrijk om voldoende aandacht te

besteden aan collectieve aspecten: scholen,

sociale en commerciële voorzieningen.

Door deze aanpak nu al te lanceren wordt

verzet en sociale ontwrichting voorkomen

omdat de sociale banden op de locaties nu

nog losjes zijn. Pas na langere tijd vindt

binding met locatie en met de sociale

omgeving plaats. De bewoners leven er

nu hoogstens tien jaar. De gemeenten

dienen bij de ontwikkeling een sterke

regiefunctie te hebben die is gebaseerd

op de eveneens in de Nota Ruimte (2005)

gewenste woonvisie. Zij kunnen op basis

van de woonvisie een menging van wonen

en werken in hoge dichtheden realiseren

tussen vinex en de bestaande steden.

Door op deze plaatsen de dichtheid,

menging en (woon)programma’s gericht

op diverse leefstijlen aan te leggen, kan een

toekomstige situatie vergelijkbaar met de

naoorlogse wijken mogelijk nog worden

afgewenteld.

Sake Zijlstra (s.zijlstra@bk.tudelft.nl) en Paul Stouten

(p.l.m.stouten@bk.tudelft.nl) zijn respectievelijk als

promovendus en universitair docent verbonden aan de

faculteit Bouwkunde van de Technische Universiteit Delft.

Literatuur

Dantzig, G. & T. Saaty (1973) Compact City: A Plan for a Livable

Urban Environment, Freeman, San Francisco

Hayden, H. (2003) Building Suburbia Green Fields and Urban

Growth, 1820-2000, Pantheon Books, New York

Meesters, J. (2006) Woonwensen nader in kaart: de

woonbeleving van bewoners, in: vhv bulletin jaargang 33

nummer 2, maart 2006, Forum voor volkshuisvesting, Delft

Ministerie van VROM, LNV, V&W & EZ (2005) Nota Ruimte,

Den Haag

Ruimtelijk Planbureau (2006) Vinex! Een morfologische

verkenning, NAi Uitgevers, Rotterdam

Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (2004) Bouwen

met Tijd, een praktische verkenning naar de samenhang

tussen levensduur, kenmerken en milieubelasting van

woningen, SEV en VROM, Rotterdam

Stouten, P.L.M. (2004) Duurzaamheid van de

stadsvernieuwing, Delft University Press, Delft

Ministerie van VROM (1993) Vierde Nota Ruimtelijke Ordening

Extra, Denhaag

WBO 2002 (2004) Beter thuis in wonen, ministerie van VROM,

Den Haag

Zijlstra, S. (2005) Vinex: compacte stad met hoogwaardig

openbaar vervoer? afstudeerrapport TU Delft


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Woonlastenbeleid van een hervormingskabinet

P. 60

Hugo Priemus

Woonlastenbeleid

van een

hervormingskabinet


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Woonlastenbeleid van een hervormingskabinet

P. 61

Het kabinet-Balkenende II/III afficheerde zichzelf graag als hervormingskabinet.

Op het terrein van het woonlastenbeleid is van een hervorming echter niets

terechtgekomen. De erfenis van het kabinet-Balkenende II/III op dit beleidsterrein

is door ex-minister Dekker verwoord in haar ‘Visie op de woningmarkt’. Zij betitelt

daarin de woningmarkt als vertrouwensmarkt en dat impliceert volgens haar dat

niet mag worden getornd aan de hypotheekrenteaftrek en de huurtoeslag. Een

nieuw kabinet zou het woonlastenbeleid krachtig op de schop moeten nemen. Dat

vergt een zorgvuldige beleidsdomeinoverschrijdende analyse.

Op 22 november 2006 gingen we naar

de stembus. Naar verwachting zal in de

loop van 2007 een nieuw kabinet door de

Koningin worden geïnstalleerd met een

nieuwe bewindspersoon op VROM. De

beleidserfenis van de vorige kabinetten

op het gebied van het woonlastenbeleid

is door minister Dekker verwoord in de

op 16 juni 2006 verschenen nota Ruimte

geven, bescherming bieden. Een visie op

de woningmarkt. Hierin ontvouwt de

beleidsvrouwe een ‘beleidsagenda voor

de toekomst’ (Dekker, 2006), bestaande

uit drie punten. In de eerste plaats het

actief bevorderen dat voldoende woningen

beschikbaar zijn. In de tweede plaats het

beter afstemmen van de kwaliteit van

woningen en woonomgeving op de woonwensen.

En tenslotte het verbinden van de

gescheiden huur- en koopmarkten.

De eerste twee agendapunten leiden tot

overwegend verstandige beleidsvoorstellen.

Een verhoging van het woningbouwvolume

is hard nodig. Binnen bepaalde

grenzen kan dat gebeuren door een minder

restrictief ruimtelijk beleid en door een

zekere deregulering van het bouw- en

milieubeleid. En natuurlijk is het verstandig

om de woonwensen van bewoners als

richtsnoer te nemen. Meer controversieel

is het agendapunt ‘Het verbinden van de

gescheiden huur- en koopmarkten’. Dit

agendapunt is te beschouwen als de erfenis

van het kabinet-Balkenende II/III op het

gebied van het woonlastenbeleid.

Vertrouwensmarkt

In de samenvatting van de Visienota

schrijft Dekker (2006, p. 18): “De woningmarkt

is in toenemende mate een ‘vertrouwensmarkt’,

waarbij het vertrouwen in een

stabiel rendement (‘confidence’) en een

vertrouwen in de instituties betrokken bij

de woningmarkt (‘trust’) de investeringsbereidheid

van investeerders (aanbieders

en consumenten) bepaalt. (…) Dit vraagt

dus om een betrouwbare overheid. (…)

Vanuit deze invalshoek is het behoud van

huurtoeslag en hypotheekrenteaftrek


Rooilijn

van cruciaal belang”. Nu staat al in het

hoofdlijnenakkoord van het kabinet-

Balkenende II dat niet wordt getornd aan

de hypotheekrenteaftrek, dus verrassend

is de stellingname van minister Dekker

niet. Welke argumentatie mobiliseert

de bewindsvrouwe? Zij zegt daarover

het volgende: “De hypotheekrenteaftrek

is immers geen oorzaak van de huidige

stagnatie op de woningmarkt”. Dat is een

wel zeer summiere rechtvaardiging voor

het overhevelen van ruwweg twaalf miljard

Euro aan belastinggeld per jaar aan de

midden- en vooral hoge inkomensgroepen.

Juist de combinatie van hypotheekrenteaftrek,

waarvan vooral de hoge inkomensgroepen

profiteren, en huurtoeslag,

waarvan vooral de lage inkomensgroepen

profijt hebben, leidt tot een kloof tussen

huren en kopen. De opwaartse effecten

op de vastgoedprijzen ten gevolge van de

hypotheekrenteaftrek dragen aan deze

kloof aanzienlijk bij.

Kloof

Ook minister Dekker (2006) ziet een groot

probleem in de kloof tussen huren en

kopen en zij pleit in dit verband voor een

‘vloeiende woningmarkt’. De meest voor

de hand liggende aanpak, namelijk een

integraal herzien van het woonlastenbeleid

waarbij de hypotheekrenteaftrek en de

huurtoeslag ter discussie komen, laat zij

liggen. Zij zoekt de oplossing in een gedeeltelijke

liberalisering van het huurbeleid,

het bevorderen van ‘passend wonen’ en

het stimuleren van tussenvormen tussen

huren en kopen. Minister Winsemius zag

nog kans om het voorstel om de huren

deels te liberaliseren door de Tweede

Kamer te loodsen. Het gereguleerde deel

van de huurwoningvoorraad daalt daarbij

van 95 procent tot 75 procent. Wie een

huurtoeslag ontvangt, heeft van de extra

huurverhogingen geen last. Bewoners

die een huurtoeslag ontvangen, en dat

is ongeveer een derde van alle huurders,

hebben dus een krachtig argument om niet

te verhuizen. Dat bevordert de mobiliteit

niet. Dat belemmert de mobiliteit.

Huurders krijgen volgens de Visienota de

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Woonlastenbeleid van een hervormingskabinet

P. 62

keuze uit twee regimes: een huurcontract

op basis van de maximale huurprijs, of

een huurcontract met een gereguleerde

huurprijs, waarbij periodiek, bijvoorbeeld

elke vijf jaar, een inkomenstoets wordt

uitgevoerd. Zodra het inkomen boven de

voormalige ziekenfondsgrens stijgt, wordt

de maximale huur van kracht.

Voor de ontvangers van een huurtoeslag

verandert er overigens niets. Het huidige

regime, wonen in een huis met een

gereguleerde huur zonder inkomenstoets,

moet dus volgens minister Dekker worden

verboden. Hoe dat in zijn werk gaat en

welke sancties hier gelden, wordt in de

nota niet uitgewerkt. Woningcorporaties

moeten worden gesplitst in een puur

Woonlastenbeleid is ondoorzichtig

sociale rechtspersoon en een of meer

commerciële rechtspersonen. Voor

woningcorporaties zou elke woning

waarvan de huur wordt geliberaliseerd, dus

een overheveling betekenen van een sociale

rechtspersoon naar een commerciële

rechtspersoon. De omvang van de sociale

huursector zal dus in rap tempo afnemen,

en dat is ook precies de bedoeling. Dan kan

de Nederlandse regering de complimenten

van Eurocommissaris Kroes incasseren.

De Europese Commissie gaat namelijk uit

van een gelijk speelveld voor marktpartijen.

Commerciële dochters van woningcorporaties

moeten dan ook vennootschapsbelasting

betalen. Voor de sociale dochters


Rooilijn

Tussenvormen van huur en koop aanbieden

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Woonlastenbeleid van een hervormingskabinet

P. 63

geldt dat de doelgroep strikt moet worden

afgebakend. De Europese Commissie kan

zich namelijk niet voorstellen dat de doelgroep

van de sociale huursector 35 procent

van de Nederlandse huishoudens omvat.

Passend wonen

Huishoudens die tussentijds meer zijn gaan

verdienen kunnen in hun huidige woning

blijven wonen en de maximale huur gaan

betalen, of omzien naar een koopwoning

dan wel een huurwoning in een hoger

segment. Dekker (2006, p. 115): “De

instrumenten moeten zo worden ingericht

dat de armoedeval niet wordt vergroot,

de segregatie in wijken naar inkomen niet

toeneemt en de herstructurering niet wordt

belemmerd”. Helaas is het overduidelijk

dat door dit beleidsvoornemen de armoedeval

juist aanzienlijk wordt vergroot:

een inkomensstijging impliceert immers

een forse huursprong en het vervallen

van de (impliciete) subsidiëring van de

woningcorporaties.

Het passend huisvesten wil minister

Dekker bevorderen door de inkomens van

bewoners in sociale huurwoningen periodiek,

bijvoorbeeld eenmaal per vijf jaar, te

toetsen. Als het inkomen boven de voormalige

ziekenfondsgrens komt, moeten de

desbetreffende huishoudens de maximale

huur betalen. Die woningen zijn dan op

slag geliberaliseerd. Deze ideeën zijn al zo

oud als de weg naar Rome en bij herhaling

politiek en wetenschappelijk afgeschoten.

De uitvoerbaarheid van zulke regels is

een groot probleem. Bovendien wordt een

marginalisering van de sociale huursector

in brede politieke en maatschappelijke

kringen niet gewaardeerd. De meest directe

vorm om de kloof tussen huren en kopen te

dichten is het aanbieden van tussenvormen

van huur en koop. Minister Dekker (2006)

juicht zulke tussenvormen toe en bevordert

experimenten op dit terrein.

Tenslotte is er de verkoop van corporatiebezit.

Minister Dekker volgt gelukkig niet

het advies van de Raad van Economisch

Adviseurs (REA, 2006), die aanbeveelt om

de verkoopwinsten bij woningcorporaties

geheel af te romen. De minister wil de

verkoop van corporatiewoningen juist

bevorderen en wil de prijskortingscondities

waaronder corporaties hun woningen

mogen verkopen, het liefst verruimen. Dat

zou een subsidie betekenen, die kopers

ontvangen en huurders mislopen.

Kanttekeningen

In vele Europese landen is er een kloof

tussen kopen en huren, doordat beide

vormen zeer verschillend worden behandeld.

Hierdoor wordt de doorstroming

tussen deze sectoren belemmerd. Dit is

al in de jaren zeventig (Murie et al., 1976)

gesignaleerd. De minister van VROM is

niet verantwoordelijk voor de hypotheekrenteaftrek.

Daar is zijn/haar collega van

Financiën voor verantwoordelijk. De meest

fundamentele oplossing is een beleid dat zo

veel mogelijk sectorneutraal is (Priemus,

2001). Dit betekent dat een huurtoeslag

voor bewoners met een laag inkomen zou

moeten worden verbreed tot een woonkostentoeslag

voor huurders en eigenaarbewoners.

Deze toeslag zou los moeten

staan van de huur- of koopsom van de

desbetreffende woning en zou dus eerder

thuishoren in het domein van het sociaal

beleid dan het volkshuisvestingsbeleid.

Overwogen kan worden om de woontoeslag

te differentiëren volgens de gemiddelde

huur- of koopsom per regio.


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Woonlastenbeleid van een hervormingskabinet

P. 64

Het huidige woonlastenbeleid is vooral een

ondoorzichtig rondpompen van geld met

componenten als hypotheekrenteaftrek,

eigenwoningforfait, overdrachtsbelasting,

vrijstelling van vermogensrendementsheffing

en onroerendezaakbelasting. Als de

woning wordt beschouwd als een investeringsgoed

dan is de hypotheekrenteaftrek,

binnen bepaalde marges, een logische

aftrekpost. Renteontvangsten zijn immers

ook een bestanddeel van het inkomen en

worden dus belast. Als de eigen woning

wordt beschouwd als een huis dat de

bezitter aan zichzelf verhuurt, dient een

realistisch huurwaardeforfait als inkomen

te worden aangemerkt, waarover belasting

moet worden betaald. Het huurwaardeforfait,

tegenwoordig spreekt de regering van

eigenwoningforfait, is echter uitgesproken

laag: te laag. Het verschil tussen realistische

huurwaarde en feitelijke huurwaarde

noemen we het huurwaardevoordeel. Het

huurwaardevoordeel is zeer omvangrijk

omdat de hoogte van het eigenwoningforfait

veel lager is dan een realistisch huurwaardeforfait.

Dit huurwaardevoordeel is

ongeveer even groot als de hypotheekrenteaftrek

en heeft vergelijkbare verdelingseffecten

(De Kam & Priemus, 1979).

Het huidige stelsel leidt macro gezien

tot steeds hogere hypotheekschulden.

Op dit punt is Nederland in korte tijd

Denemarken voorbijgestreefd. Ons land

is in deze discipline Europees kampioen

(Norris & Shiels, 2004). Zo’n eenvoudig

kengetal ontbreekt in Dekker (2006).

Het is aan te bevelen om het hele woonlastenstelsel

op de schop te nemen en integraal

te bezien, inclusief de daarmee verband

houdende risico’s voor de bewoner en de

beheersbaarheid van overheidsuitgaven.

Alternatieve stelsels kunnen worden

ontworpen en doorgerekend.

Het beginsel van de vertrouwensmarkt kan

worden gerespecteerd door consequent een

onderscheid te maken tussen bestaande

en nieuwe gevallen, zowel bij de hypotheekrenteaftrek

als bij de huurtoeslag.

Aandacht dient voorts te worden gegeven

aan de timing en de fasering, de ex-ante te

becijferen gevolgen voor de nieuwbouw van

woningen, de stedelijke vernieuwing, de

prijs van het vastgoed, en de doorstroming.

Per saldo zou het systeem aanzienlijk

eenvoudiger moeten kunnen, met minder

grote gevolgen voor de overheidsuitgaven

en de netto woonuitgaven van

huishoudens.

Zo’n operatie is onlangs tamelijk succesvol

in Groot-Brittannië uitgevoerd, waar

de hypotheekrente op initiatief van de

Conservatieve Partij (!) stap voor stap in

een periode van hoogconjunctuur op de

woningmarkt is afgeschaft. Een soortgelijke

operatie in Zweden verliep minder

succesvol. Hier werd de hypotheekrente vrij

Segregatie naar inkomen niet laten toenemen

snel beëindigd in een economisch ongunstige

periode. Deze ervaringen leren dat een

fiscale hervorming voor eigenaar-bewoners

zeer zorgvuldig en zeer grondig moet

worden voorbereid en niet op voorhand

worden gefrustreerd door politieke taboes.

De nota van Dekker (2006) is overduidelijk

de vrucht van het politieke taboe op het Hwoord

dat in het Hoofdlijnenakkoord van

het kabinet-Balkenende II is opgenomen.

Nieuw kabinet

Het is wenselijk dat een nieuw kabinet de

problemen op het terrein van het woonlastenbeleid

in kaart brengt en alternatieve

beleidsscenario’s ontwerpt om deze pro-


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Woonlastenbeleid van een hervormingskabinet

P. 65

Doorstroming wordt belemmerd

blemen te ondervangen. Dit zou een mooie

taak zijn voor een deskundige staatscommissie

die de zaak onbevangen en gedepolitiseerd

kan beschouwen. Men dient

zich te realiseren dat het hier niet alleen

om VROM-beleid gaat, maar dat het een

verwevenheid betreft tussen woonbeleid,

fiscaal beleid, sociaal beleid, inkomensbeleid,

arbeidsmarkt- en levensloopbeleid.

De eigendomsneutraliteit van het

woonlastenbeleid kan met de user costs

methode worden benaderd (Conijn, 1995;

Haffner, 1990). Vooral de huurtoeslag en

het huurwaardevoordeel zullen, zo valt te

verwachten, onder vuur komen te liggen.

Per scenario zullen effecten gekwantifi-

ceerd moeten worden op het inkomen van

verschillende categorieën huishoudens, de

overheidsuitgaven, de woningbouwproductie

en de mobiliteit op woningmarkt en

arbeidsmarkt. Met kennis van deze becijferde

effecten zal de regering en uiteindelijk

het parlement de knoop moeten doorhakken.

Daarbij zal het onderscheid tussen

‘oude’ en ‘nieuwe’ gevallen wezenlijk zijn,

alsmede de relatie met het beleid in andere

EU-landen, vooral onze buurlanden.

Zowel het kabinet als de Tweede Kamer

zullen tot een positiebepaling moeten

komen. Dit alles vergt een nieuw hervormingskabinet,

dat het woonlastenbeleid

fundamenteel wil aanpakken. De nota

Ruimte geven, bescherming bieden. Een

visie op de woningmarkt is hiervoor een

volstrekt ongeschikte opmaat. De kloof

tussen huren en kopen wordt hierin

wel gesignaleerd, maar de belangrijkste

oorzaken van deze kloof worden over het

hoofd gezien. Het wachten is dus op een

nieuw kabinet dat het aandurft om ook op

dit terrein de status van hervormingskabinet

te verwerven. De woningmarkt kan

alleen een vertrouwensmarkt blijven als het

woonlastenbeleid zorgvuldig en grondig

wordt hervormd.

Hugo Priemus (h.priemus@tudelft.nl) is decaan van de

Faculteit Techniek, Bestuur en Management, Technische

Universiteit Delft.

Literatuur

Conijn, J.B.S. (1995) Enkele financieel-economische

grondslagen van de volkshuisvesting, Delftse Universitaire

Pers, Delft

Dekker, S.M. (2006) Ruimte geven, bescherming bieden. Een

visie op de woningmarkt, Ministerie van VROM, Den Haag

Haffner, M.E.A. (1999) Kosten en uitgaven van eigenaarbewoners

in West-Europa: een financieel-economische

vergelijking, Delftse Universitaire Pers, Delft

Kam, C.A. de, & H. Priemus (1979) ‘De fiscale behandeling van

de bewoner-eigenaar opnieuw bezien’, Economisch Statistisch

Berichten ESB, 11 juli p. 680-686 en 18 juli, p. 704-712

Murie, A., P. Niner & C.J. Watson (1976) Housing policy and the

housing system, Allen & Unwin, London

Norris, M. & P. Shiels (2004) Housing developments in

European countries. Synthesis Report, The Housing Unit,

Dublin

Priemus, H. (2001) ‘Poverty and housing in the Netherlands: A

plea for tenure-neutral public policy’, Housing Studies, nr. 3,

p. 277-290

Raad van Economisch Adviseurs (REA) (2006) Over goede

intenties en de harde wetten van de woningmarkt, Den Haag

Passend wonen


Rooilijn

Ton Kreukels

Tot op de dag van vandaag heb ik een haatliefdeverhouding

met planning

‘Afscheid’ van Ton Kreukels: het boegbeeld van de Utrechtse planologie

Edwin Buitelaar

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

Op 13 oktober jongstleden nam Ton

Kreukels afscheid als hoogleraar pla-

nologie van de Universiteit Utrecht, na

een dienstverband van 36 jaar waarvan

24 als hoogleraar. Het emeritaat werd

ingeleid in de Lutherse Kerk met het

seminar ‘Een toekomst van planning?’.

In zijn periode als hoogleraar zijn onder

zijn bezielende leiding honderden stu-

denten afgestudeerd, tot op heden ruim

30 onderzoekers gepromoveerd en zijn

er vele publicaties van zijn hand ver-

schenen in binnen- en buitenland. In

dit interview, dat voorafgaand aan zijn

afscheidsseminar plaatsvond, wordt

teruggeblikt op de carrière van een zeer

uitgesproken planoloog.

Tot op de dag van vandaag heb ik een haat-liefdeverhouding met planning

P. 66

Wat verwacht u van het afscheidsseminar?

“Allereerst verwacht ik een dag waarin inhoudelijke

discussie en debat voorop staan. De discussie met

vakgenoten, onder leiding van Michaël Zeeman, is wat

ik in navolging van Hans van der Cammen (1979) een

discussie aan ‘de binnenkant van de planologie’ noem.

Maar bij een binnenkant hoort ook een buitenkant, en

daarom heb ik er voor gepleit om Wim van der Donk

als voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het

Regeringsbeleid (WRR) en politicoloog Hans Blokland

uit te nodigen om een voordracht te verzorgen. Wim

van der Donk is iemand die het toekomstdenken en

de planning in ruime, en niet alleen in ruimtelijke

zin, representeert. Hans Blokland heeft onder andere

in brede zin gepubliceerd over de rol van planning in

de politiek. Na de pauze vindt een rondetafel plaats

waarin weer aandacht is voor zowel de binnen- als de

buitenkant. De binnenkant wordt vertegenwoordigd

door twee vakgenoten: Len de Klerk en Willem Salet.

Beiden zijn bij mij gepromoveerd en met beiden heb

ik, ook daarna, nauw samengewerkt. Talja Blokland

zal vanuit een sociologisch perspectief en Cock Hazeu

vanuit een economisch perspectief op het thema

reflecteren. Daarna gaat de bijeenkomst over in een

informeel gedeelte.”

In de jaren tachtig en begin jaren negentig is er vaak

een onderscheid gemaakt tussen de Amsterdamse

beslissingsgerichte benadering (van met name

Andreas Faludi), de Nijmeegse handelingsgerichte

benadering (van Gerrit Wissink en Barrie Needham),

en de Utrechtse institutionele benadering (van Ton

Kreukels). Wat ziet u tegenwoordig nog terug van deze

bloedgroepen?


Rooilijn

Interview

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007 Tot op de dag van vandaag heb ik een haat-liefdeverhouding met planning

“In die tijd koos ik ervoor om te wijzen op het feit dat

er meer is dan de procedurele kant van planning. Het

object, de ruimte, en de context waarbinnen het object

en het proces zich beiden bevinden, verdienden wat

mij betreft meer aandacht. Faludi bracht terecht in dat

planning meer was dan alleen toegepaste geografie.

Die aandacht voor het proces sloeg wat mij betreft

wat te ver door. Maar de correctie die ik gemaakt

heb is ook door veel anderen, waaronder Faludi zelf,

gemaakt. Inmiddels is door velen onderkend dat zowel

object, proces als context van belang zijn en hierdoor

is de scheiding tussen de verschillende benaderingen

verwaterd. De uitdaging die op dit moment voor ons

ligt is niet alleen het onderkennen van het belang van

deze drie elementen, maar het daadwerkelijk verbinden

P. 67

van deze elementen. Dit blijkt vaak nog geen gemakkelijke

opgave.”

De basis voor de institutionele benadering werd vooral

gelegd in uw proefschrift (Kreukels, 1979) waarin u

de stuurkracht van planning en de planner relativeert.

Wat heeft u indertijd bewogen om deze lijn te kiezen?

Tot op de dag van vandaag heb ik een haat-liefdeverhouding

met planning. Enerzijds vind ik het een

heel interessant fenomeen dat mensen en organisaties

bereid zijn te investeren in hun toekomst. Hier doe ik

totaal niet cynisch over. Aan de andere kant vind ik

ook nu nog dat sommige planners, maar ook wetenschappelijke

planologen en stedenbouwkundigen,

een erg naïef geloof hebben in de kenbaarheid en de


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

planbaarheid van de toekomst. Die verbazing werd

niet toevallig in de jaren zeventig gevoed. We hadden

toen met de hoogtijdagen van de verzorgingsstaat te

maken, waarin het geloof in het kunnen van de planner

oneindig leek. Ik vond indertijd de betrekkelijk

technocratische insteek onthutsend. Toch waren er

toen ook al auteurs als Schelsky die dit soort verhalen

doorprikten. Hier heb ik me bij aangesloten. We

moeten onderkennen dat planners de maatschappij

niet kunnen construeren als een groep professionals

die weet wat goed is voor de samenleving. Planners

zouden eerder moeten functioneren als de sensoren

van de maatschappij. Daarmee wordt planning een

weergave van de krachten in de maatschappij zelf. Er

is in de steden een geweldig potentieel aanwezig om

van onderop te plannen. Dit potentieel wordt in veel

gevallen niet benut.”

U heeft zich vanuit die sociologisch georiënteerde

positie vaak zeer uitgesproken gekeerd tegen de vermeende

koningsrol van de planologie. Waarom hebt u

zich op dit punt (bijvoorbeeld in de Van Eesterenlezing

uit 1997) laten verleiden tot zulke stevige polemieken

gericht tegen het geloof in het kunnen van de planner?

“Toen ik mijn proefschrift schreef, maar ook in de

stukken daaraan voorafgaand, ging ik er vanuit dat

wat ik zei over de rol van de planner, en vooral mijn

kritiek op die koningsrol, voor velen evident zou zijn.

Dit bleek niet het geval. In de Van Eesterenlezing waar

je naar verwijst, heb ik mijn standpunt nog eens geprononceerd

voor het voetlicht gebracht. Ik was verbaasd

over de reacties die deze lezing losmaakte. Nadat ik

de lezing had uitgesproken viel er een ijzige stilte in de

zaal. Veel van de aanwezigen, onder wie de fine fleur

van de Nederlandse planologie en stedenbouwkunde,

waren onthutst door wat ik zojuist verteld had. Het

lijkt erop dat mensen maar moeilijk afstand kunnen

nemen van de traditionele koningsrol. Als ik dit aan

de kaak stel dan wordt dat toch al snel als een aanval

op hun positie beschouwd. En dat verbaast mij dan

weer. Als je mijn opvatting van planning onderschrijft,

namelijk een vak waarbij je gebruik maakt van de

potentie en het plannende vermogen van de stad,

Tot op de dag van vandaag heb ik een haat-liefdeverhouding met planning

P. 68

oftewel de mensen zelf, dan wordt het vak alleen maar

interessanter. Nu worden initiatieven van bijvoorbeeld

sportverenigingen en andere maatschappelijke

organisaties veelal bij voorbaat al door de stadsplanners

van tafel geveegd omdat zij menen het primaat op

planning te hebben.”

Deze kritiek heeft u ook impliciet gericht op de vakwereld,

de planologie: er zou te weinig aandacht zijn voor

de buitenkant van de planologie. U begeeft zich slechts

sporadisch binnen de internationale planologiegemeenschap.

Zit er een verband tussen die afwezigheid

en uw kritiek op planologen?

“Nee, ik denk het niet. Ik voel me niet te goed voor

de binnenkant van de planologie, integendeel. De

reden dat ik me niet zo veel heb laten zien op bijvoorbeeld

AESOP (Association of European Schools of

Planning)-congressen, is de aandacht die ik altijd

ook heb willen geven aan de buitenkant, oftewel aan

disciplines zoals economie, politicologie en sociologie.

Daarom heb ik ook dat soort congressen bezocht. De

bijeenkomsten gebruikte ik om als het ware intellectueel

bij te tanken. De inspiratie die vanuit die

disciplines geboden wordt is onmisbaar voor het vak

van de planologie. De binnenkant wordt nadrukkelijk

verrijkt door de inzichten van de buitenkant.”

In hoeverre zijn uw latere wetenschappelijke interesses

voor bijvoorbeeld het Amerikaanse Growth

Management, zee- en luchthavenplanning en stedelijke

planning in het Verre Oosten nog een voortvloeisel

uit de institutionele benadering?

“Enerzijds ben ik elke keer vrij toevallig bij de

specifieke onderzoeksprojecten, zoals het zeehavenonderzoek,

betrokken geraakt. Aan de andere kant

kun je, als je met enige afstand kijkt, zeggen dat die

thema’s duidelijk in de lijn liggen die ik eerder heb

ingezet. Ik word elke keer gegrepen door thema’s die

mooi illustreren dat er op het gebied van planning

zoveel institutionele variatie is. Binnen deze thema’s is

het heel interessant om te zien op wat voor manieren

er om gegaan wordt met het economische en maatschappelijke

krachtenspel. We zouden ontzettend veel


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

kunnen leren van de manier waarop andere landen

omgaan met de context van planning. Hiermee wil

ik niet zeggen dat we al die praktijken vanuit andere

landen hier moeten implementeren, integendeel. Maar

we kunnen ons er wel door laten inspireren. Zo leer je

ook je eigen planningspraktijk beter begrijpen.”

Met welk gevoel kijkt u terug op uw carrière?

“Ik heb altijd met veel plezier en gedrevenheid gewerkt.

Dit is zowel dankzij als ondanks de werkomgeving

van de universiteit. Het wetenschappelijke klimaat

heeft er toe geleid dat er vanuit drie richtingen druk

ontstaat: vanuit onderwijs, onderzoek en bestuurlijke

activiteiten. Dit maakt het voor veel mensen moeilijk

om zich op het gebied van onderzoek te meten met

internationale topinstituten, waar de onderwijs- en

bestuurlijke last kleiner is. Ook voor mij persoonlijk

geldt dat ik soms te weinig heb gewerkt en heb kunnen

werken aan mijn onderzoeksprofilering. Veel van

mijn onderzoekstijd is opgegaan aan het begeleiden

van promotieonderzoek, wat ik overigens altijd met

plezier gedaan heb. Maar terugkijkend had de balans

misschien iets anders mogen liggen.

Daarom heb ik er soms voor gekozen om mijn heil

ook buiten de muren van de universiteit te zoeken.

Het beste voorbeeld is mijn verbintenis aan de

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

tussen 1986 en 1992. Het lidmaatschap van de raad zie

ik als een van de mooiste periodes van mijn carrière.

Dit zorgde ervoor dat ik mijn grenzen kon verleggen.

Het ging binnen het onderzoek dat ik daar deed niet

om ruimtelijke planning sec. Integendeel, het ging

vooral om andere sectoren, zoals sociaal-economisch

beleid en onderwijs, die voor de stad waarschijnlijk

nog belangrijker zijn. Maar ook via andere coalities,

zoals bij mijn onderzoek naar Amerikaanse stadsplanning

in het begin van de jaren tachtig en het Europese

zeehavenonderzoek in de jaren negentig, heb ik af

en toe richting kunnen geven aan mijn eigen onderzoeksagenda.

Enerzijds is die ruimte geboden door de

universiteit, maar anderzijds moet je die ruimte vooral

zelf creëren en benutten.”

Tot op de dag van vandaag heb ik een haat-liefdeverhouding met planning

P. 69

Het afscheid op 13 oktober 2006 is een afscheid van het

dienstverband aan de Universiteit Utrecht. Komen we

u daarna nog tegen als onderzoeker?

“Jazeker, ik zal nog actief blijven, alleen zal ik nu wat

selectiever zijn met wat ik wel en niet doe. In mijn

onderzoek wil ik me meer richten op wat ik eerder een

‘gedragswetenschappelijke planologie’ heb genoemd.

Ik verzet me tegen een al te sterk geloof in de sturingscapaciteiten

van de planner. Aan de andere kant heb ik

eveneens weinig affiniteit met (Marxistische) benaderingen

die uitgaan van extreem structuurdenken,

met andere woorden de context die ons gedrag en dat

van de planner determineert. Het is veel interessanter

om te kijken wat voor positiefs je nog kunt doen met

bepaalde ontwikkelingen van buitenaf. Door selectieve

investeringen kun je slim omgaan met die processen.

De manier waarop in verschillende landen en verschillende

steden wordt omgegaan met die ontwikkelingen

vind ik fascinerend. In veel opzichten lijken Aziatische

steden op Amerikaanse, maar als je goed gaat kijken

dan gaat er een heel andere vorm van stedelijkheid

achter schuil. De gedrags- en culturele componenten

spelen hierbij een belangrijke rol. Ik wil weten hoe

dit precies werkt. Hierbij zal ik me in de komende

tijd vooral richten op islamitische steden, mijn meest

recente hobby.”

Edwin Buitelaar (e.buitelaar@fm.ru.nl) is als universitair docent verbonden aan

de leerstoelgroep planologie en de onderzoeksgroep Governance and Places

(GaP) van de Radboud Universiteit Nijmegen.

Literatuur

Kreukels, A.M.J. (1979) Planning en planningproces, VUGA, Boekerij, Den Haag

Van der Cammen, H. (1979) De binnenkant van de planologie, Dick Coutinho,

Muiderberg

Kreukels, A.M.J. (1997) Een eerste perspectief voor de stad (vierde Van

Eesterenlezing), Blauwe Kamer, pp. 1-19


Rooilijn

Recensie

Evelien van Rij

Ruimtelijke ordening

geordend

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

Hidding M. (2006) Planning voor stad en

land (derde druk), Coutinho, Bussum,

295 p., ISBN 97-89-0469-001-47, 24,00

euro

In het boek Planning voor stad en land

willen Marjan Hidding en mede-auteur

Adri van den Brink theorie en praktijk

van ruimtelijke planning beschrijven.

Het boek is geschreven voor studenten

aan het HBO en de universiteit die opgeleid

worden om een bijdrage te leveren

aan de inrichting van Nederland. Omdat

het boek in eerste instantie bedoeld

is voor studenten Landinrichtingswe

tenschappen uit Wageningen ligt de

nadruk op het landelijk gebied en het

overgangsgebied tussen stad en land.

Dit betekent niet dat het alleen geschikt

is als studieboek. Doordat de belangrijkste

planologische thema’s van dit

Recensie

moment op een goed leesbare manier

aan de orde komen, kan Planning voor

stad en land ook interessant zijn voor

een breder publiek.

Het boek voorziet duidelijk in een

bepaalde behoefte; op dit moment ligt

de derde herziene druk in de boekhandel.

Deze editie snijdt nieuwe thema’s

aan en alle teksten zijn geactualiseerd.

De eerste hoofdstukken gaan in op de

belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen

in Nederland en de geschiedenis

van de ruimtelijke planning. Vervolgens

komt de Europese dimensie aan de

orde. De volgende hoofdstukken

behandelen het verschijnsel ruimtelijke

planning (zowel inhoudelijk als procesmatig),

planstelsels voor water, ruimte

en milieu en planconcepten. Daarna

wordt aandacht besteed aan gebiedsgericht

beleid, ontwikkelingsplanologie en

nieuwe perspectieven voor complexe en

lange-termijnvraagstukken. De laatste

twee hoofdstukken behandelen twee

specifieke gebieden: de Blauwe stad en

het Groene Hart.

Eén van de sterke punten van het

boek is de keuze voor verschillende

invalshoeken. Zo gebruiken de

schrijvers onder andere een historisch,

bestuurskundig en juridisch

perspectief. Het sterkst is het boek als

het planconcepten beschrijft. Het boek

heeft moeite met het hanteren van het

juridische perspectief. De simpele

en voor de praktijk belangrijke vraag

‘welke beperkingen beïnvloeden mijn

planologische keuzeruimte en hoe hard

zijn deze beperkingen’ wordt niet helder

beantwoord. Vaak zullen die ruimtelijke

keuzes gemaakt worden bij het

P. 70

opstellen van een bestemmingsplan en

dan is het handig als de afgestudeerde

landinrichter weet met welke bepalingen

uit provinciaal beleid hij wel of geen

rekening hoeft te houden. Om zeker te

zijn van juridische onderwerpen, kan

de student beter een ander boek ter

hand nemen. Zo wordt in Planning voor

stad en land ten onrechte beweerd dat

onder de nieuwe Wet op de ruimtelijke

ordening gemeenten, als zij langer dan

tien jaar geleden een bestemmingsplan

hebben vastgesteld, geen vergunningen

meer kunnen afgeven.

Het boek kent een goede selectie

van onderwerpen. Gevolgen voor de

ruimtelijke ontwikkeling van Europees

beleid, milieuregelgeving, gebiedsgerichtbeleid,

het Investeringsbudget

Landelijk Gebied, het zijn allemaal

thema’s die op dit moment, zowel op

nationaal strategisch als op een lokaal

en praktisch niveau, de planning

beïnvloeden. Op het praktische niveau

is er voor een eventuele vierde editie

nog wat te winnen. Het boek zou een

scherper antwoord kunnen geven op de

vraag hoe bijvoorbeeld Europees beleid

en milieuregelgeving doorwerken in

de praktijk. Moet Europees beleid eerst

omgezet worden in nationale wetgeving

of is er sprake van directe werking?

Mag een bestemming zo gewijzigd

worden dat er gebouwd kan worden

naast een fabriek met geluidsoverlast?

Omdat het boek beoogt praktijkgericht

te zijn, valt ook op dat de voor de praktijk

zeer belangrijke artikel 19-procedure

slechts één keer wordt genoemd en dat

men het dan heeft over “de beruchte

artikel 19-procedure”. Wellicht komen

deze onderwerpen in het onderwijs aan


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

Signalementen

de orde bij de bespreking van de vragen

die aan het einde van elk hoofdstuk te

vinden zijn. Deze vragen zijn zo gekozen

dat ze een goed startpunt zijn voor een

discussie in werkgroepen.

Tijdens het lezen van Planning voor stad

en land wordt je je ervan bewust dat

er de laatste jaren veel nieuws onder

de zon is in de wereld van de ruimtelijke

planning. De watertoets, diverse

(milieu-) effectrapportages, nieuwe

landgoederen, het zijn begrippen die

zo snel ingeburgerd zijn in de planningspraktijk

dat je bijna zou vergeten

dat ze enkele tientallen jaren geleden

nog niet, in deze vorm bestonden. In het

boek komen ze allemaal aan de orde.

Voor wie op zoek is naar een introductie

over het Investeringsbudget Landelijk

Gebied raad ik hoofdstuk 7 aan.

Daarnaast is dit boek één van de eerste

plaatsen waar het Gemeenschappelijk

Ontwikkelings Bedrijf van het Rijk

beschreven wordt.

De laatste twee hoofdstukken over

de Blauwe Stad en het Groene Hart

vormen welkome praktijkvoorbeelden.

Deze twee casussen zijn goed gekozen.

De problematiek die in deze gebieden

speelt en de daarbij gekozen aanpak

zijn actueel en geven aanleiding tot

veel discussie. In deze hoofdstukken

stelt de schrijfster kritische vragen en

laat zien welke dilemma’s spelen. Dit

ontbreekt op sommige andere plekken

in het boek. Zo komt de weerstand van

agrariërs tegen vormen van landinrichting

die in hoge mate gericht zijn op

natuur en recreatie niet aan de orde.

Ook bij de bespreking van onderwerpen

als decentralisatie en het overlaten

van voormalige overheidstaken aan de

markt en de civil society, zou naast op

de voordelen ook op de risico’s gewezen

kunnen worden. Terecht citeert het

boek de slogan ‘geen beleid zonder

budget’. Deze slogan levert echter geen

kritische vragen op ten aanzien van

bijvoorbeeld het Investeringsbudget

Landelijk Gebied. In de praktijk bestaat

de vrees dat als de betrokken ministers

minder aandacht voor het beleidsterreinen

krijgen, de financiële middelen ook

af zullen nemen. Hoewel het boek soms

kritischer en praktischer zou mogen

zijn, verdient het zeker een plaats in de

boekenkast van studenten en andere

geïnteresseerden. Al met al geeft

Planning voor stad en land een goed

beeld van de ruimtelijke planning aan

het begin van de eenentwintigste eeuw.

Evelien van Rij (h.e.vanrij@tudelft.nl) is als

onderzoeker verbonden aan de sectie Geoinformatie

en Grondbeleid van onderzoeksinstituut

OTB, TU Delft.

P. 71

Signalementen

Kleine geschiedenis

van de Stadsregio

Amsterdam

Auteur: Jos van der Lans; Uitgever:

Inmerc; 82 p.; ISBN 10-90-6611-613-7;

14,95 euro

Tien jaar geleden zette de bevolking

van Amsterdam een dikke streep

door de plannen om van de regio

Amsterdam een stadsprovincie te

maken. Het zoenoffer dat daarvoor

door de hoofdstad gebracht moest

worden – het opdelen van de gemeente

Amsterdam – stuitte op enorme weerzin.

Massaal trokken de Mokumers

naar de stembus om, in de woorden

van toenmalig burgemeester Patijn,

met een ‘Albanese referendumuitslag’

van bijna 94 procent het plan naar de

prullenbak te verwijzen.

De gevolgen daarvan waren groot. Ze

klonken door tot in Den Haag, waar het

‘nee’ van Amsterdam een einde maakte

aan paarse plannen om grootstede-


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

Signalementen

lijke regio’s in Nederland een eigen

bestuur te geven. Maar ook in de regio

Amsterdam zelf liet de Amsterdamse

afkeuring diepe sporen na. Het

wantrouwen was groot en er moest

heel wat gebeuren om de bestuurlijke

gelederen weer tot elkaar te brengen.

Tien jaar later maakt publicist Jos van

der Lans de balans op. Hoe heeft de

stadsregio Amsterdam het trauma

van 1995 verwerkt? Aan de hand van

gesprekken met directe betrokkenen

en op basis van schriftelijke bronnen

reconstrueert hij de recente geschiedenis

van de stadsregio Amsterdam. Een

geschiedenis van – hoe kan het ook

anders – bestuurlijke drukte en menselijk

ongeduld, maar vooral ook een

geschiedenis van tastbare resultaten en

blijvende zorgen.

Architectuur in

Nederland jaarboek

2005/06

Samenstelling: Daan Bakker, Allard

Jolles, Michelle Provoost & Cor

Wagenaar; Uitgever: NAi Uitgevers; 184

p.; ISBN 90-5662-488-1; 39,50 euro

Al jaren lang publiceert de uitgever van

het Nederlands Architectuur Instituut

een jaarboek met daarin de belangrijkste

Nederlandse architectuurwerken

van het afgelopen jaar. Ook dit jaar

worden grote namen als Neutelings

Riedijk (vertegenwoordigd met het

Scheepvaart- en Transportcollege in

Rotterdam) en De Architecten Cie. (met

de Philharmonie in Haarlem) afgewisseld

met relatief onbekende architectenbureau’s

als HVDN en Joustra

Reid. De laatste laat met een woonhuis

in Aerdenhout zien dat lokaal-traditioneel

(rieten kap) en Superdutch

(een glazen doos op de begane grond)

prima samen kunnen gaan. HVDN staat

met haar prefab containerwoningen

(vooral bedoeld voor studenten) in

de Amsterdamse Houthavens in het

jaarboek – een opvallende keuze omdat

het hier om tijdelijke woningen gaat.

Ook Jo Coenen’s smalle, hoge toren in

de Eindhovense buurt Smalle Haven,

Kasteel Leliënhuize bij Den Bosch

– waarvan wel wordt gezegd dat het de

eerste gated community in Nederland

is – en de geluidswal annex autoshowroom

langs de A2 bij Leidse Rijn staan

erin. De projectbeschrijvingen en

prachtige foto’s worden afgewisseld

door korte essays, van moskeeën tot

luchtkwaliteit tot de Nota Ruimte.

P. 72

In dienst van de stad:

25 jaar werk van de

stedenbouwkundige

diensten van Amsterdam

Den Haag en Rotterdam

Samenstelling: Han Meyer en Leo van

den Burg; uitgever: SUN; 96 p.; ISBN

90-8506-186-5; 19,50 euro

Dat de charme en sfeer van een tijde-

lijke tentoonstelling vastgelegd kunnen

worden in een elegante catalogus is al

lang bekend. Deze tweetalige publicatie

(Nederlands en Engels) is een mooie

poging om een tentoonstelling die vorig

jaar in de faculteit Bouwkunde van

TU Delft te zien was te laten herleven.

Het thema van die tentoonstelling was

de positie die ruimtelijke diensten

van gemeenten innamen in het tot

stand komen van het Nederlandse

stedenbouwkundige erfgoed. Dat was

geïllustreerd met projecten en plannen

uit het de gemeentelijke diensten van

Amsterdam, Den Haag en Rotterdam.

Deze diensten, meent de redactie,


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

Signalementen + Advertentie

samen met de diensten van andere

steden, zorgden voor de renaissance

van de stedenbouwkundige disciplines

die sinds de jaren tachtig van de vorige

eeuw te bespeuren is. Vanaf die jaren

hebben stedelijke diensten ontwerpconcepten

en planmethoden ontwikkeld

die afweken van de verouderde

naoorlogse traditie. Deze nieuwe

concepten en methoden worden in deze

publicatie geïllustreerd en met elkaar

vergeleken.

Het eerste gedeelte van de publicatie

bevat een overzicht van de tentoonstelling.

Er worden kleurrijke

plaatjes en planmateriaal van de drie

stedenbouwkundige diensten gepresenteerd

met een bondige uitleg over

stedenbouwkundige concepten en

projecten. In het tweede gedeelte

staan vijf korte essays waarin de

reflecties en analyses van deskundigen

van de faculteit Bouwkunde uit

Delft naar voren worden gebracht.

Naast essays over het belang van het

structuurplan zoals blijkt uit de prak-

P. 73

tijk in de drie steden (Joost Schrijnen),

het ontwerpen van openbare ruimte

in Den Haag (Henko Bakkering) en

een overzicht van aantal stedelijke

projecten en hoe de diensten deze

als strategische instrument hanteren

(Luisa Maria Calabrese) wordt er ook

aandacht geschonken aan de betekenis

van een veranderende maatschappelijke

en ruimtelijke context voor de rol

van stedelijke diensten en de aard van

het stedenbouwkundige werk (Agnes

Franzen en Han Meyer).


Rooilijn

Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

Column O. Naphta

Momentum

Column: Momentum

Je hoort het woord vaak, vooral in de politiek. Er is geen

momentum of juist wel. In gewoon Nederlands: het zal er

het moment wel niet voor wezen. Wat doen de taalbedervers

– Van Vaaghuizen zal je bedoelen, zegt Deelder dan – met zo’n

mooi natuurkundig begrip? Momentum is een even geheimzinnig

als mooi begrip, net als koppel, dat je vroeger nog wel

eens met een getalsverhouding zag aangeprezen als een

eigenschap van een auto. Het (statisch) moment ten opzichte

van een punt is het product van de kracht en de loodlijn uit

dat punt op de richting der kracht neergelaten. Een koppel is

een stelsel van twee gelijke en evenwijdige krachten die in

tegengestelde richting draaien.

Aan deze mooie definities moest ik denken toen ik onlangs

in mijn lievelingskrant een huilerig verhaal las van een

Tilburgse professor die was stukgelopen op de Haagse politiek.

Waarvoor had de professor m/v, kind geen bezwaar, zich

laten lijmen? Voor de Evaluatiecommissie Wet milieubeheer.

De ouderen onder jullie weten dat milieu mijn lievelingsonderwerp

is. Welke mooie herinneringen bewaar ik niet aan

de milieucursus van de provincie Zuid-Holland in de vorige

eeuw, waar we avond aan avond studeerden op het maken

van milieukaarten. Ten minste, daar houd ik het nog steeds

op. Volgens de cursusmeester ging het over beleid. Enfin, de

professor c.s. hebben twaalf adviezen afgeleverd aan VROM

en de Evaluatiecommissie zou een lang en gelukkig leven

tegemoet gaan. Welke commissie was immers zo productief?

De Vrommers dachten er anders over: opheffen zo’n

productiemachine, lastpakken, ongewilde druktemakers.

De ambtenaren vonden dat de ‘adviezen niet aansloten op

het momentum. Ze gingen vaak over aspecten waarnaar het

ministerie en de Kamer op dat moment hun hoofd niet hadden

staan.’ Hun hoofd. Interessante zinnen zijn dat. Je ziet het

voor je: een stelletje statische sufkezen is niet in staat om het

punt te bereiken waarop de kracht van de commissie van de

Tilburgse professor op hen wordt neergelaten en hen uit het

P. 74

lood zal slaan. Natuurkunde bestaat niet alleen in het veld,

maar ook in de vergaderlokalen van ’s land regeringscentrum.

In het artikel staan tal van voorbeelden van niet werkende

wetsregels. Eentje die onze planologische besognes raakt

is de standstill-regel uit de Wet milieubeheer. Die wil dat de

milieukwaliteit van een gebied waarvoor nieuwe plannen

worden gemaakt nooit mag verslechteren. Als eenvoudig

planoloog zou je zoiets niet kunnen bedenken, maar

Nederland zit vol lui die dat wel bedenken en er ook nog in

slagen dat in de wet vast te leggen. Wat ze vastleggen ontgaat

mij. Maar daarin sta ik niet alleen. Een Duitse milieuprofessor

die is geïnterviewd valt het op dat volgens de Nederlandse

wetgevingscultuur nooit de doelstelling van de wet in de wet

zelf wordt vastgelegd. In toelichtingen wordt er uitvoerig over

gebabbeld, maar wetten zelf zwijgen erover als het graf. Dat

levert enorme interpretatieproblemen waarvan een hele

machinerie van juristen en bureaucraten een goed belegde

boterham eet. Dat is een veel interessanter waarneming van

een andere Nederlandse milieuprofessor die volhoudt dat

wetten alleen maar werken als er maatschappelijk draagvlak

voor is. Nou schreef ik toch eerst draagvlek, mooi woord

eigenlijk. Nog weer en andere professor jammert over de

slechte uitvoerbaarheid van onze wetten. De getorpedeerde

Evaluatiecommissie was opgevolgd door de Structurele

Evaluatie Milieuwetgeving (STEM, alle afkortingen hebben

tegenwoordig iets herkenbaar leuks) en ook de STEM des

volks had het ministerie niet aan een touwtje; doet zelf wat

hij/zij, het geen bezwaar, wil. De STEM is een consortium

van eigenwijze wetenschappers – zeg de lui die zojuist zijn

geciteerd.

Hier is duidelijk sprake van koppel tussen het personeel

van onze regering, de Vrommers, de Bzetters enz. Koppel x

momentum = óns personeel, de regering, weet niet goed haar

personeel te kiezen.


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

Advertentie

P. 75


Rooilijn Jg. 40 / Nr. 1 / 2007

InBeeld: Wegblikken

>

Grachtengordel (stadsdeel Centrum)

P. 76

More magazines by this user
Similar magazines