25.09.2013 Views

DE ACTUALITEIT VAN INCLUSIEF DENKEN - Hogeschool Utrecht

DE ACTUALITEIT VAN INCLUSIEF DENKEN - Hogeschool Utrecht

DE ACTUALITEIT VAN INCLUSIEF DENKEN - Hogeschool Utrecht

SHOW MORE
SHOW LESS

You also want an ePaper? Increase the reach of your titles

YUMPU automatically turns print PDFs into web optimized ePapers that Google loves.

CENTRUM VOOR

SOCIAL WORK/ DE HORST

AMERSFOORT

Horstcahier 27

DE ACTUALITEIT VAN

INCLUSIEF DENKEN

Maarten van der Linde (red.)

Met bijdragen van Hans Achterhuis, Charlotte van Besouw,

Bureau Empowerment, Léon van de Griendt, Arriën Kruyt,

Jos van der Lans, Mario Nossin, Jan van der Meulen,

Herman Noordegraaf, Herma Tigchelaar en Gerrit Wolfswinkel.

Centrum voor Social Work/ De Horst

87


Horstcahier 27 De actualiteit van inclusief denken


Horstcahier 27

De ActuAliteit vAn

inclusief Denken

Maarten van der Linde (red.)

Met bijdragen van Hans Achterhuis, Charlotte van Besouw,

Bureau Empowerment, Léon van de Griendt, Arriën Kruyt,

Jos van der Lans, Mario Nossin, Jan van der Meulen,

Herman Noordegraaf, Herma Tigchelaar en Gerrit Wolfswinkel.

Prijs: t 10,-

Centrum voor Social Work/ De Horst


Inhoud

Voorwoord 6

Welkom 8

Léon van de Griendt

Inclusief denken 10

Arriën Kruyt

Feitse Boerwinkel 12

Maarten van der Linde

Is inclusief denken mogelijk? 15

Hans Achterhuis

Uit de discussie met Hans Achterhuis 28

Maarten van der Linde

Boerwinkels beproeving moet nog komen 32

Jos van der Lans

Burgerschap en inclusie: over de betekenis van het cliëntenperspectief 43

Mario Nossin

De Kamers, een plek voor cultuur en ontmoeting in Amersfoort-Noord 50

Jan van der Meulen

Feitse Boerwinkel als inspirator voor diversiteit en multiculturaliteit 55

Herma Tigchelaar

Een deltaplan voor de grijze golf 64

Gerrit Wolfswinkel

De actualiteit van inclusief denken


Inclusief denken en huiselijk geweld 68

Charlotte van Besouw

Inclusief of exclusief? 70

Bureau Empowerment

Het inclusieve denken van Feitse Boerwinkel 73

Herman Noordegraaf

Medewerkers aan deze publicatie 78

Horstcahiers 80

Colofon 84

Centrum voor Social Work/ De Horst


Maarten van der Linde

Voorwoord

Dit Horstcahier biedt actueel en spannend studiemateriaal over het inclusieve denken,

zoals dat veertig jaar geleden door Feitse Boerwinkel werd geformuleerd. Het zijn de

integrale teksten die zijn gepresenteerd op de studiedag op 12 mei 200 in het

gebouw van HU Amersfoort, aan de Berkenweg. Deze studiedag werd georganiseerd

door het Alumnibureau van Centrum voor Social Work/ De Horst ter gelegenheid van

de honderdste geboortedag van Feitse Boerwinkel (190 -200 ) en de veertigste

‘verjaardag’ van zijn bestseller Inclusief denken (19 -200 ).

Een stoet van personen presenteerde aan het gehoor (circa 1 deelnemers) analyses,

visies en impressies, waarbij het interessante was dat sommigen van hen

Boerwinkel goed hadden gekend en zelfs al in de jaren zestig/zeventig met zijn werk in

de weer (of in de clinch) waren en anderen nog nooit van hem hadden gehoord, maar

wel sterk in dezelfde geest werkzaam blijken te zijn. Zo was er Léon van de Griendt,

directeur van het Centrum voor Social Work/ De Horst die destijds als ‘katholieke

Brabander tijdens zijn opleiding in Eindhoven geïnspireerd werd door de protestantse

Boerwinkel’ en de Amersfoortse wethouder Arriën Kruyt, die zich herinnerde hoe hij als

tweede jaarsstudent in Utrecht in 19 7 in een vrijzinnig-christelijk dispuut het boekje

Inclusief denken bestudeerde.

Twee bekende schrijvers presenteerden een geheel verschillende visie. De filosoof

Hans Achterhuis (kende Boerwinkel goed en ging met hem in debat) gaf een kritische

analyse vanuit drie invalshoeken. Allereerst analyseerde hij de spanning tussen inclusief

denken op individueel en op maatschappelijk-politiek niveau; vervolgens onderzocht

hij de strijdigheid die optreedt tussen inclusief denken en erkenning van de ander;

tenslotte behandelde hij een aantal denkers, die na Boerwinkel over deze thema’s

hebben gepubliceerd.

De publicist/politicus Jos van der Lans (die tot voor kort nog nooit van Boerwinkel

had gehoord) plaatste Boerwinkel in de context van de culturele vloedgolf van de

jaren zestig en zeventig waarin hij hem opvoert als de grote inspirator van de nieuwe

De actualiteit van inclusief denken


solidariteitsgedachte die in die jaren doorbrak. Hij vroeg zich af wat de doorwerking

van dit gedachtegoed is geweest en wat er nu nog steeds de actuele betekenis van is.

Vervolgens was het woord aan mensen uit de sociaal-agogische beroepspraktijk.

Want deze studiedag werd georganiseerd door het Centrum voor Social Work/ De Horst

en dan hoort een belangrijke vraagstelling te zijn: wat betekent deze visie van het

inclusieve denken voor het werk met mensen?

Deze vraag werd behandeld met zes invalshoeken: Mario Nossin met als invalshoek het

cliëntenperspectief, de inclusie van mensen met een verstandelijke beperking; Jan van

der Meulen vanuit een vernieuwend samenlevingsopbouwproject in Amersfoort-Noord;

Herma Tigchelaar vanuit het perspectief van diversiteit en multiculturaliteit; Gerrit

Wolfswinkel met als invalshoek de grijze golf; Charlotte van Besouw met als invalshoek

huiselijk geweld en het vierdejaars Studentenbureau Empowerment met als invalshoek

drie discussiestellingen.

In de uitnodiging voor de studiedag van 12 mei werd Boerwinkel aangehaald;

hij schreef over veranderingen in die tijd, die ‘niet het karakter hebben van een

stroomversnelling, maar van een waterval. Dit eist een nieuwe manier van denken en

handelen. Het oude denken was overheersend antagonistisch en exclusief, waarbij de

tegenstellingen het meest op de voorgrond traden en beslissend waren. De totaal

nieuwe situatie, waarin we nu leven, vraagt een inclusief denken, d.w.z. een denken

dat er principieel van uitgaat dat mijn welzijn niet verkregen wordt ten koste van of

zonder de ander, maar alleen als de mens tegelijk het welzijn van de ander beoogt en

bevordert.’

Uit de reacties van deelnemers – op de dag zelf en ook in de schriftelijke evaluatie -

bleek dat de studiedag positief is gewaardeerd.

Op deze plaats nog een woord van dank:

- aan de leden van het Alumnibureau: Ans de Bruin, Hananja Venema en Gerrit

Wolfswinkel;

- aan de collega’s van het Praktijkbureau voor hun praktische hulp;

- aan Stichting Vermogen die deze dag en de uitgave van twee Horstcahiers

financieel heeft gesteund.

Centrum voor Social Work/ De Horst

7


Léon van de Griendt

welkom

Namens de directie van het Centrum voor Social Work van de Hogeschool Utrecht heet

ik u hartelijk welkom. Eigenlijk zou mijn collega Anneke Menger hier staan, maar zij is

door ziekte geveld. Het spijt haar enorm, omdat zij het een belangrijke en interessante

studiedag vindt, maar ook omdat zij zelf een oud-student van De Horst is en destijds

als eerstejaars-student nog heeft meegewerkt bij het afscheidsprogramma van

Boerwinkel in juni 1971.

Met de organisatoren van deze dag ben ik blij dat u in zo’n groten getale bent gekomen.

Allereerst een speciaal welkom aan de leden van de familie Boerwinkel. Het is voor u

een bijzondere dag, want precies vandaag 12 mei 200 is het honderd jaar geleden dat

uw vader / schoonvader / grootvader werd geboren. Wij stellen het zeer op prijs dat u

aanwezig wilt zijn bij deze conferentie over het thema ‘inclusief denken’.

Ook welkom aan alumni uit alle jaargangen, in het bijzonder aan drie oud-studenten uit

de allereerste lichting van 19 : mw. Gijsje van den Akker, mw. Doortje Jansen en de

heer Leen van Ginkel. Uit alle decennia zien wij oud-studenten en wij zijn blij dat ook

een groep eerstejaars die dit jaar met hun studie zijn begonnen, vandaag meedoen.

Er zijn hier studenten en oud-studenten die met elkaar meer dan 0 jaar opleiding en

beroep overbruggen. Dat alleen al maakt deze dag tot een bijzondere ontmoeting

tussen de generaties.

Ook heten wij docenten en oud-docenten welkom, en ook vertegenwoordigers van

diverse werkveldinstellingen met wie wij samenwerken, en vele anderen die op een of

andere wijze met Feitse Boerwinkel hebben samengewerkt of zich hebben laten

inspireren door zijn gedachtegoed.

In het bijzonder wil ik daarbij ook het bestuur van Kerk en Wereld welkom heten.

De actualiteit van inclusief denken


Kerk en Wereld is ten slotte toch de bakermat waarop Hogeschool De Horst is groot

geworden.

Bij het begin van deze dag wil ik hier nog iets persoonlijks zeggen. Het is zeker zo dat

de denkwereld van de protestantse Boerwinkel voor mij als katholieke Brabander

minder bekend was. Maar ik herinner mij dat ik zijn ideeën over ‘inclusief denken’ heel

boeiend vond en van groot belang voor het maatschappelijk werk. In de opleiding

voor maatschappelijk werk die ik in Eindhoven volgde, werd zijn boekje – dat was

uitgegeven door de destijds zeer bekende Werkgroep 2000 in Amersfoort – in de

jaren zestig behandeld en het inspireerde ons enorm.

Tot zover deze kleine persoonlijke noot van mijn kant. Graag wens ik u een boeiende

en leerzame studiedag toe.

Centrum voor Social Work/ De Horst

9


10

arriën Kruyt

InclusIef denken

Het is voor mij om drie redenen belangrijk om hier het openingswoord te mogen voeren:

1. Als wethouder van Amersfoort ben ik er trots op dat Feitse Boerwinkel in

Amersfoort is geboren, dat zijn boekje Inclusief Denken destijds in 19 is uitgegeven

door de in Amersfoort gevestigde Werkgroep 2000 en dat er nu veertig jaar later

een congres over zijn publicatie wordt gehouden in Amersfoort.

2. De inspirator van deze bijeenkomst Maarten van der Linde is een oude vriend van mij.

Maar eigenlijk zijn dat niet de echte redenen.

. De echte reden is dat ik altijd gefascineerd en geïnspireerd ben geweest door het

boekje Inclusief Denken van Boerwinkel.

Toen het boekje in 19 verscheen, studeerde ik in Utrecht aan de universiteit. In 19 7

werd ik bestuurslid van de afdeling Utrecht van de Vrijzinnig Christelijke Studenten

Bond (VCSB). Als bestuurslid was ik belast met de disputen. Vanzelfsprekend kwam er

een dispuut over Inclusief Denken, omdat er onder studenten een grote behoefte was

om zich te verdiepen in het geschrift van Feitse Boerwinkel.

Ik heb ter voorbereiding van deze bijeenkomst het boekje opnieuw gelezen en ik was

aangenaam verrast bij het vaststellen van het feit dat het thema nog steeds actueel is.

Een enkel citaat:

“Tegenover het oude antagonistische, exclusieve denken zou ik als adekwaat antwoord

op de totaal veranderde situatie willen stellen: een nieuw, een inclusief denken.

Daaronder versta ik een denken, dat er principieel van uitgaat dat mijn heil (geluk,

leven, welvaart) niet verkregen wordt ten koste van of zonder de ander, maar dat het

alleen verkregen kan worden als ik tegelijk het heil van de ander beoog en bevorder.”

De actualiteit van inclusief denken


Dat staat haaks op het denken in tegenstellingen tussen armen en rijken en haaks op

de politiek waarbij vaak juist tegenstellingen worden benadrukt. Haaks op het denken

van Pim Fortuyn en Rita Verdonk die over buitenlanders praten in termen van wij en zij.

Dat zijn mensen die antagonistisch denken en spreken. Ook binnen mijn eigen

gemeenteraad zie ik politici die denken in termen van wij en zij, maar ik zie ook politici

die de saamhorigheid in woord en daad bevorderen.

Nog een citaat dat mij trof bij het herlezen van Inclusief Denken: “Deze vraag is van

groot belang, oa. in de coming dialogue, die Prof. Kraemer zag tussen de grote

wereldreligies; een dialoog die in de komende decenniën veel aandacht zal vragen.

Reeds thans zijn er ook in ons land honderden turken, islamieten dus, en dit is in heel

Europa het geval. Meer dan een miljoen mohammedanen werkt naast christelijke

arbeiders in de fabrieken van West-Europa.” Boerwinkel voorzag in 19 al de noodzaak

van het gesprek met de Islam!

Heel goed dat er nu veertig jaar na dato aandacht geschonken wordt aan deze denker

die vooruitliep.

Ik hoop dat de Hogeschool, voor mij nog steeds De Horst, nog veel meer van dit

soort initiatieven zal nemen. We zullen graag als gemeente meewerken. Ik heb nog

een vraag aan U. In Utrecht heeft de Universiteit verschillende gebouwen genoemd

naar beroemde hoogleraren. Waarom wordt dit gebouw aan de Berkenweg niet

vernoemd naar Boerwinkel? Een Boerwinkel Academie of een Boerwinkel Gebouw zou

zowel de hogeschool als Amersfoort sieren.

Arriën Kruyt

Wethouder sociale zaken, cultuur en sport

Centrum voor Social Work/ De Horst

11


12

Maarten van der Linde

feItse BoerwInkel,

InclusIef denker

Feitse Boerwinkel (190 -19 7) groeide op in Amersfoort als oudste zoon in een kinderrijk

gereformeerd middenstandsgezin, waar muziek en literatuur een belangrijke plaats

innamen. Hij bezocht het Stedelijk Gymnasium te Amersfoort en studeerde in Utrecht

Nederlandse letteren en geschiedenis.

Bij het conflict in de Gereformeerde Kerken over ‘het spreken van de slang’, dat na

de synode van Assen 192 leidde tot een kerkscheuring, nam de 20-jarige Boerwinkel

zelfstandig de beslissing om zich aan te sluiten bij de Gereformeerde Kerken in

Hersteld Verband.

Tijdens zijn studententijd in Utrecht was Boerwinkel een actief lid van de NCSV. Hij

ontwikkelde een brede sociale, culturele en politieke belangstelling, waarbij hij van

verschillende kanten invloeden onderging, o.a. Karl Barth, Rudolf Otto, Frits Kuiper en

Heiko Miskotte. Vanaf zijn studententijd publiceerde hij artikelen in vele tijdschriften.

Onder de indruk van de naoorlogse literatuur waarin de gruwelen van de Eerste

Wereldoorlog werden beschreven, en geraakt door de vredesbeweging, werd

Boerwinkel pacifist. Bij de herhalingsoefeningen weigerde hij in 1927 militaire dienst

en vervulde zijn vervangende dienstplicht op het Centraal Bureau voor de Statistiek in

Den Haag, waar hij Jan Tinbergen leerde kennen. Boerwinkel werd lid van Kerk en

Vrede. Na ‘München 19 ’ vond hij het echter onmogelijk zo absoluut ‘neen’ te zeggen

tegen het leger als Kerk en Vrede deed. Hij zegde zijn lidmaatschap op.

In 1929 sloot Boerwinkel zich aan bij de SDAP. Hij meende dat de sociaal-democratie

het mogelijk maakte ‘iets te verwezenlijken van Gods heilige wil’. In de rijen van de

SDAP wilde hij meestrijden voor ‘de eisen der gerechtigheid zoals die in de Bijbel zijn

geopenbaard’. Om meer mensen hiertoe te stimuleren richtte hij in 19 0 samen met

anderen het comité ‘Socialisme en Kerk’ op, waarvan hij secretaris werd.

De actualiteit van inclusief denken


In de crisisjaren was het moeilijk een baan te vinden. Na een jaar jeugdwerk in het

Zuider Volkshuis in Rotterdam kon Boerwinkel in 19 als leraar Nederlands tijdelijk

invallen aan het Baarns Lyceum. Een jaar later kon hij terecht op het piepjonge Stichtse

Montessori Lyceum in Amersfoort. Dit lyceum telde bij de start in 19 negen leerlingen

en een handjevol leerkrachten. Na twee jaar werd Boerwinkel al benoemd tot rector.

Boerwinkel huwde in 19 te Amersfoort met Hens van Es (1911-200 ), lerares M.O.

Duits. Zij was opgegroeid in een gezin dat lid was van de Apostolische Gemeenschap.

Het echtpaar kreeg vijf kinderen. Feitse en Hens waren aan elkaar gewaagd; zij waren

verwante zielen en hun huwelijk was voor beiden de uitvalsbasis voor grote activiteit.

Zij deelden een grote belangstelling voor cultuur, godsdienst, literatuur, muziek en het

onderwijs.

In de oorlogsjaren leefde het gezin Boerwinkel intens mee met de vervolgde joodse

landgenoten; zij gaven onderdak aan joodse onderduikers. Als rector kwam Boerwinkel,

samen met andere schoolleiders, op voor jongens boven 1 jaar die voor de Arbeidsdienst

werden opgeroepen. Door de lectuur van Edda en Thora door Miskotte

verdiepte hij zich in Godenschemering van de schrijver Emants. Het resultaat was zijn

dissertatie De levensbeschouwing van Marcellus Emants waarin hij het ontstaan van de

pessimistische levensbeschouwing van Emants onderzocht en de oorzaak van zijn

levenshaat. Als hoofdschuldige voor zijn falen wees Emants de Schepper aan die de

schepping zo in elkaar heeft gezet dat de mens wel móest falen.

In 19 vroeg Hendrik Kraemer Boerwinkel als lid van de directie van Kerk en Wereld.

Hij werd ook rector van het (gemengde) internaat van de academie van Kerk en

Wereld. Boerwinkel doceerde o.a. cultuurgeschiedenis, hedendaagse politieke en

geestelijke stromingen, moderne literatuur en poëzie. Na de verzelfstandiging van de

academie tot school voor maatschappelijk werk in 19 , werd Boerwinkel tevens

directeur. In 1971 nam hij afscheid.

Boerwinkel had zich al in zijn studententijd laten inspireren door personen die

vroomheid, aandacht voor liturgie en radicaal protest tegen maatschappelijk onrecht in

zich verenigden. Na 19 onderhield hij - samen met zijn vrouw - intensieve contacten

met verschillende spirituele gemeenschappen in Europa, onder andere met Taizé in

Frankrijk, Grandchamps in Zwitserland, Imshausen in Duitsland en Iona in Schotland.

Boerwinkel was gevoelig voor wat hij beschouwde als een gedeeltelijk gelijk van de

christelijk-sektarische bewegingen, die hij ‘de onbetaalde rekeningen van de kerk’

noemde. Tegelijkertijd was hij een voorstander van oecumene, ook tussen de kerken.

Hij nodigde in de loop der jaren vertegenwoordigers van verschillende bewegingen en

Centrum voor Social Work/ De Horst

1


1

kerkgenootschappen uit voor lezingen op De Horst, o.a. Jehova’s Getuigen, leden van

de Pinksterbeweging, joden en katholieken.

Door zijn werk in Driebergen heeft Boerwinkel invloed uitgeoefend via zijn talloze

leerlingen. Daarnaast heeft hij grote invloed uitgeoefend door zijn handzame en

heldere boeken zoals Inclusief denken (19 , 19e druk in 19 0), Einde of nieuw begin?

(197 , e druk 1979) en Meer dan het gewone (over de Bergrede, 1977, e druk

19 ). Deze boeken werden in vele gespreksgroepen en ook in scholen en opleidingen

besproken en bestudeerd.

Reeds in de jaren dertig onderhield Boerwinkel contacten met de joodse gemeenschap

in Amersfoort. Na de oorlog is het betere begrip tussen tussen jodendom en

christendom hem intens blijven bezighouden. Zijn vriendschap met joden, o.a. Henri

van Praag en Jacob Soetendorp, leidde tot gezamenlijke activiteiten. In dit klimaat

paste ook zijn medewerking aan de experimentele reeks Phoenix Bijbelpockets. Vanaf

het begin was Boerwinkel betrokken bij de joodse leerhuizen. Ook nam hij deel aan

initiatieven ter bevordering van de dialoog tussen jodendom, christendom en islam.

Henk Berkhof schreef dat Boerwinkel alles radicaler wilde: ‘Het ging hem om de

werkzame tegenwoordigheid van de Geest in de wereld. Dat hield zijn vele aandachtsvelden,

van de Pinkstergroepen tot de anti-atoomacties, in één blik bij elkaar.’

Ter gelegenheid van de studiedag 12 mei 200 verscheen:

Feitse Boerwinkel, inclusief denker. Horstcahier 2 . Hierin is een meer uitgebreide

biografische schets opgenomen: ‘Feitse Boerwinkel, bouwstenen voor een biografie’.

De actualiteit van inclusief denken


Hans acHterHuis

Is InclusIef denken mogelIjk?

Zo’n dikke jaar geleden, om precies te zijn op augustus 1970, heb ik in een

uitvoerig artikel in het al lang ter ziele gegane linkse weekblad De Nieuwe Linie het

boek Inclusief Denken van Feitse Boerwinkel fel bekritiseerd. Als ik nu terugga naar

die tijd en mijn artikel herlees, blijft de inhoud van mijn kritiek grotendeels overeind

staan, al schrik ik van het soort toontje dat ik toen aansloeg. Voor toon en inhoud

beide werd ik zowel door mijn voormalige rector van het Revius Lyceum in Doorn,

dr. H.C. de Ru als door Feitse Boerwinkel zelf, die ik via zijn kinderen met wie ik op

school zat, redelijk goed kende, op het matje geroepen. Bij beiden mocht ik een hele

middag in hun studeerkamer spitsroeden lopen. Dat mijn toon weinig pas gaf, erkende

ik graag in die gesprekken, waarin ik desondanks de inhoud van mijn kritiek overeind

probeerde te houden.

Voor mijn toonhoogte had en heb ik een aantal excuses. Omdat ze nog steeds van

belang zijn, som ik ze kort op:

1. In het algemeen ben ik mij bewust dat mijn geschreven teksten vaak een felheid en

scherpte vertonen, die in mijn gedrag dat eerder op verzoening en consensus

gericht is, ontbreekt. Misschien teveel ontbreekt, voeg ik toe.

2. In dit speciale geval was er bovendien sprake van een afrekening met mijn eigen

achtergrond en ideeën. Ik was als het ware in discussie met mijzelf en in zo’n

discussie kan het soms fel toegaan. Deze discussie voer ik nog steeds. In heel wat

van de boeken die ik heb gelezen, staat al dan niet met een uitroepteken ‘I.D.’ in

de marge bij passages die me uitdaagden en prikkelden. En in mijn grote studie

De erfenis van de utopie kan ik er niet omheen het inclusieve denken met de daarin

door mij bestreden utopische inspiratie te verbinden. Kortom, de discussie met

Boerwinkel en mijzelf duurt voort.

. Mijn discussie met mijzelf ging gepaard met een soort ‘ontdekkersvreugde’ over

nieuwe ideeën, die ik aan het eind van mijn studie in de theologie en aan het begin

van mijn werk bij het Werelddiakonaat van de Nederlandse Hervormde Kerk had

Centrum voor Social Work/ De Horst

1


1

opgedaan. Twee van die ideeën staan in mijn artikel centraal en ik zal ze in het

vervolg ook apart belichten.

Als laatste herinnering moet ik hieraan toevoegen dat Boerwinkel mijn centrale ideeën

zei te onderschijven. Ze vielen volgens hem zonder problemen onder zijn begrip van

‘inclusief denken’. Dat bracht mij in verwarring. Was hij in het gesprek te aardig en

meegaand? Stelde hij zich als ik het zo zeggen mag, te ‘inclusief’ op? Dat was

ongetwijfeld het geval, maar er zat meer achter; het ging dieper en was fundamenteler.

Want in één van de vele latere drukken van ‘Inclusief denken’ verwees Boerwinkel

onder de aanbevolen literatuur ook naar mijn boek De uitgestelde revolutie uit 197 ,

dat naar mijn eigen mening juist tegen het inclusieve denken gericht was. Berustte

mijn kritiek toch op een misverstand, begreep ik niet waar het hem om ging? Of lag

het toch aan het concept ‘Inclusief denken’ dat te breed en te vaag was? Ik laat het

antwoord op deze vragen aan de lezer van dit artikel over en begin met mijn ‘oude

munitie’, die ik wel deels naar mijn laatste inzichten uitwerk.

Individu en groep, moraal en politiek

Eerst een oud citaat om toon en inhoud van mijn Nieuwe Linie-verhaal te vatten.

“Nergens in zijn boek maakt Boerwinkel duidelijk of hij in de eerste plaats over groepen

of over individuen praat. Liever gezegd, hij maakt geen enkel onderscheid tussen het

inclusieve denken van een groep en dat van een enkeling. Als hij betoogt dat er tot aan

onze tijd alleen maar antagonistisch is gedacht, heeft hij het over groepsverhoudingen,

over de klassenstrijd en de voortdurende oorlog tussen nationale staten. Als hij echter

woorden van Jezus citeert, of als hij praat over “inclusief denken en tolerantie”, of

“inclusief denken en abnormaal gedrag” heeft hij het duidelijk over individuen.

De verhouding tussen individu en groep is voor de schrijver kennelijk geen probleem;

de wijze waarop wij als individu optreden werkt door op het veld van de gehele

samenleving. Als wij in het klein inclusief gaan denken, komt alles in het groot ook

vanzelf op zijn pootjes terecht.

Helaas ligt de relatie tussen groep en individu niet zo rechtlijnig. Vele inclusief denkende

eenlingen vormen nog steeds geen inclusief denkende samenleving. Door van groepen

hetzelfde gedrag te verwachten als van individuen, plaatst Boerwinkel zich van meet af

aan buiten de sociale en politieke realiteit, en veroordeelt hij zich tot een toeschouwer,

die niets anders overblijft dan vermanend de vinger op te heffen tegen staten en

groepen die niet inclusief wensen te denken.”

De actualiteit van inclusief denken


Reinhold Niebuhr

Dit onderscheid tussen het morele gedrag van enkelingen en groepen dankte ik aan

professor Hannes de Graaf, mijn leermeester in de ethiek. Er zijn vele redenen waarom

ik hem dankbaar ben. Eén van de belangrijkste is dat hij mij voor mijn doctoraalexamen

een boek liet bestuderen dat mij intens heeft beïnvloed: Moral man and Immoral

Society van Reinhold Niebuhr met als ondertitel A study in Ethics and Politics. Sinds

mijn afstuderen had ik het boek niet meer in handen gehad. Het was uitverkocht en ik

beschikte slechts over een eigen uittreksel plus een aantal aantekeningen. Wie schetst

mijn verrassing toen ik afgelopen jaar plotseling een heel stapeltje ervan in een boekwinkel

zag liggen. In de eerbiedwaardige reeks ‘Continuüm Impacts’ was het temidden

van andere klassiekers herdrukt. De verrassing, gecombineerd overigens met schrik,

werd bij herlezing alleen maar groter. Losse zinnen, maar zelfs hele gedachtegangen

eruit bleken her en der in mijn eigen werk te staan. Het leek soms bijna plagiaat omdat

ik zelden expliciet naar Niebuhr verwezen had. Kennelijk kan een goed gekozen boek

dat je in je jonge jaren intensief hebt bestudeerd, inderdaad zoals het kaftje van

Continuum Impacts suggereert, “de manier waarop wij denken [blijvend] veranderen”.

Niebuhrs grondstelling, die ook mijn uitgangspunt in mijn kritiek op Boerwinkel was,

luidt “dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen het morele en sociale gedrag

van individuen en van maatschappelijke groeperingen”. Dit onderscheid vormt de

noodzaak en rechtvaardiging van politieke praktijken die een op persoonlijke verhoudingen

en het individuele geweten gerichte ethiek altijd ongemakkelijk en aanstootgevend zal

vinden. Op individuen kan vaak een moreel beroep worden gedaan, bijvoorbeeld om

inclusief te denken. Zij houden dan rekening met andermans belangen en kunnen zich

zelfs voor anderen opofferen. Dankzij een morele opvoeding kan hun bestaande

sympathie ook rationeel uitgebouwd worden tot een idee van rechtvaardigheid waarin

de eigen belangen en die van anderen tamelijk objectief kunnen worden afgewogen.

Dit alles kan, aldus Niebuhr, veel moeilijker en soms zelfs helemaal niet voor groepsverhoudingen

worden bereikt. Zelfopoffering mag men hier nooit verwachten, maar

ook van andere morele handelingen en deugden zal veel minder sprake zijn.

Maatschappelijk-politieke strijd

Niebuhrs boek verscheen in 19 2. De polemische kanten ervan zijn gericht tegen veel

maatschappij-opvoeders, predikers en moralisten uit die tijd. In de lijn van Dewey

meenden deze dat de toen bestaande extreme klassen- en rassentegenstellingen door

morele educatie en beïnvloeding overwonnen konden worden. Hun grote campagnes

Centrum voor Social Work/ De Horst

17


1

hiervoor worden door Niebuhr aan de kaak gesteld. Alleen maatschappelijk-politieke

strijd waarin, zoals hij uitdrukkelijk stelt, ook de dreiging en het daadwerkelijk gebruik

van geweld een rol kunnen spelen, kan een beweging in de richting van grotere gelijkheid

in gang zetten. Deze laatste stelling wordt door hem zowel met veel historische

voorbeelden als met profetische vergezichten uitgewerkt. Theo Witvliet wijst met recht

op de grote invloed die Niebuhr had op het denken van Martin Luther King. Met meer

recht nog kan men stellen dat Niebuhrs strategische ideeën waarin de onontkoombaarheid

van geweldgebruik voor het openbreken van bevroren maatschappelijke

verhoudingen van uitbuiting, vernedering en onderdrukking beklemtoond wordt, passen

bij de Black Power beweging van Malcolm X, die Kings principiële geweldloosheid

afwees.

Juist op grond van Moral Man and Immoral Society wordt Niebuhr vaak gerekend tot

de aartsvaders van de Amerikaanse school van het politieke realisme. Dit gaat ervan

uit dat in internationale verhoudingen staten zich alleen moeten laten leiden door hun

belangen. Bij afwezigheid van een boven hen staand gezag dat rechtsregels zou kunnen

opleggen en garanderen, zijn zij aangewezen op macht. Idealistische argumenten en

morele waarden zijn hierbij uit den boze: staten hebben geen vrienden.

Morele waarden

Het zal in de lijn van mijn hierboven aangehaalde voorbeelden al duidelijk zijn dat

Niebuhr niet op ongekwalificeerde wijze het politiek-realistische paradigma omhelst.

Hij hanteert het hoogstens als descriptief gegeven, maar weigert het op normatieve

wijze voor te schrijven. Om interstatelijke relaties maar ook veel maatschappelijke

verhoudingen tussen collectieven te begrijpen kan het belangrijke diensten bewijzen.

Tegelijkertijd probeert Niebuhr op grond van dit politiek-realistische uitgangspunt

mogelijkheden te onderzoeken waarin morele waarden maatschappelijk een grotere

rol kunnen spelen. De moraal is voor hem enerzijds geen franje die zoals de politieke

realisten beweren, als het er op aankomt, beter afgeschaft en gedumpt kan worden.

Ze is anderzijds geen panacee dat door moralisten voor elke maatschappelijke kwaal

kan worden aangeroepen. Wie haar enigszins binnen maatschappelijk-politieke

constellaties wil inzetten, zal deels langs de politiek-realistische weg hard moeten

studeren en vechten om te kijken of en in hoeverre dit bereikbaar is. Het uiteindelijke

doel van zijn studie is, zo stelt Niebuhr aan het slot van de inleiding “om politieke

methoden te vinden die het meest beloftevol zijn om een ethisch maatschappelijk doel

voor de maatschappij te bereiken”.

De actualiteit van inclusief denken


Deugd baart monster

In het gesprek dat ik met Boerwinkel had, bleek hij vanzelfsprekend het werk van

Niebuhr goed te kennen. Het had volgens hem wel degelijk een rol gespeeld in zijn

boek, maar dan vooral bij zijn verwerping van wat hij als het oude, exclusieve denken

omschrijft. Hier had hij impliciet verwezen naar wat Niebuhr omschrijft als “de ethische

paradox van de vaderlandsliefde”, die ook in andere groepsverhoudingen tot uiting

komt. Het gaat er om dat een beroep op de hoogste morele waarden tot het meest

extreme geweld van de oorlog kan leiden. Patriottisme verandert individuele

opofferingsgezindheid in collectief egoïsme. De altruïstische gevoelens van de mens

hebben zich in de loop van de geschiedenis via familie, clan en stam tot de natie

uitgebreid. Juist op deze gevoelens berusten de saamhorigheid, de macht en de

veiligheid van de natie. In een oorlogssituatie zullen ze de patriot echter blind maken

voor het grootschalige geweld dat de nationale krijgsmacht tegen de vijand uitoefent.

Goed en kwaad blijken in deze ethische paradox onontwarbaar verstrengeld. De deugd

van de vaderlandsliefde kan de meest monsterlijke vormen van geweld baren.

Inclusiviteit en outgroup

Boerwinkel onderstreept deze analyse als hij in het begin van zijn tweede hoofdstuk

erop wijst dat menselijke inclusiviteit en samenwerking altijd in het verleden tot stand

kwamen in de strijd tegen een andere groep. “Sociologisch gesproken: tegen een

‘out-group’. De bedreiging die het bestaan van deze out-group vormde was over het

algemeen het hechtste bindmiddel om tot een zekere samenwerking te komen, zelfs

van mensen die het in allerlei opzicht absoluut niet met elkaar eens waren.”

Alle Europese nationale staten, om te beginnen natuurlijk ons eigen land in de

Tachtigjarige Oorlog tegen Spanje, zijn volgens Boerwinkel op deze wijze ontstaan.

“Maar niet alleen ons land, ook andere nationale staten zijn in de strijd tegen een

out-group ontstaan. Om dicht bij huis te beginnen: België tegen de out-group Noord-

Nederland, Frankrijk (in de 100-jarige oorlog) tegen de Engelsen, Zwitserland tegen

de Oostenrijkse Habsburgers, de Verenigde Staten in hun gezamenlijke verzet tegen

de Engelse overheersing (no taxation without representation). Steeds was er dus een

out-group, die de samenhang van de in-group bewerkstelligde en in stand hield zolang

de bedreiging duurde. Viel die weg dan laaide de onderlinge (latente) onenigheid

weer des te heviger op, soms tot vernietiging toe.”

Dat is een imposante opsomming van de kracht van wat Boerwinkel als het oude,

antagonistische of exclusieve denken omschrijft. Als hij er vervolgens op wijst dat de

Centrum voor Social Work/ De Horst

19


20

Europese eenheid ook vooral tot stand kwam via de aaneensluiting tegen de dreiging

van de Sovjet-Unie lijkt het argument ten gunste van het antagonistische denken

alleen maar sterker te worden. Toch gaat Boerwinkel dan zonder veel problemen over

naar de morele oproep om ‘inclusief te denken’. Hoe dit zou moeten, gezien alles wat

we uit de geschiedenis weten, zegt hij nergens. En hoe de waarschuwingen van

Niebuhr hierbij ontlopen kunnen worden, geeft hij evenmin aan.

Averechtse effecten

Een ander voorbeeld van het realisme à la Niebuhr zijn de uitspraken die Boerwinkel

doet over ontwikkelingshulp. Hij lijkt zich goed bewust te zijn van het gegeven dat

persoonlijke goede bedoelingen in de politiek-maatschappelijke werkelijkheid wel

eens averechts kunnen uitpakken. Hij komt tot de met het nodige cijfermateriaal

onderbouwde vaststelling “dat van het verlenen van hulp zoals het tot nu toe is

gebeurd, het resultaat dikwijls was: dat rijke mensen uit de ontwikkelingslanden nog

rijker en arme nog armer werden”.

Desondanks poneert hij één pagina verder, na eerst opgemerkt te hebben dat er

meer onderzoek nodig is om deze feitelijke mislukking van de ontwikkelingshulp te

begrijpen, in naam van het algemene principe van het inclusieve denken dat “we nog

meer geld” moeten fourneren om de problemen te boven te komen. En nog twee

pagina’s verder wordt “het prachtige werk van de grote hulpacties … van de

Wereldraad van Kerken” geprezen. Hoe dat te rijmen is met de eerdere constateringen

over de contraproductiviteit van ontwikkelingshulp wordt nergens uitgelegd.

Ik kan dit soort tegenspraken, waar je vaak snel overheen leest, alleen maar begrijpen

vanuit de morele gevoeligheid van het individu. Omdat de meeste mensen zich in hun

persoonlijke verhoudingen sterk door morele waarden laten leiden, is het vaak te pijnlijk

om te erkennen dat er hiervoor in het grote politieke spel weinig ruimte bestaat.

Daar sluit men de ogen dan ook graag voor. Op politieke handelingen worden dan

morele begrippen geplakt of de gewelddadige kanten ervan worden via eufemismen

afgezwakt en verborgen. Mijns inziens gebeurt dit ook in ‘Inclusief denken’. Het lijkt

mij dat Boerwinkel de lessen van Niebuhr onvoldoende ter harte heeft genomen.

Erkenning

Dankte ik mijn eerste ontdekking van een centraal idee aan Hannes de Graaf, voor de

tweede moet ik Hebe Kohlbrugge, mijn toenmalige baas bij het Werelddiakonaat van

de Nederlandse Hervormde Kerk, dankbaar zijn. Hebe wapende mij tegen elke

De actualiteit van inclusief denken


gemakkelijke vorm van christelijk missionair heilsdenken door mij met het werk van

Rosenstock-Huessy (die Boerwinkel overigens ook weer kent en zelfs citeert) kennis te

laten maken. In een analyse van mondiale conflicten waar wij via het werelddiakonaat

bij betrokken waren – Israël-Palestijnen, de afscheidingsoorlog van Biafra in Nigeria,

de apartheid in Zuid-Afrika, de oorlog in Vietnam, de strijd voor sociale gerechtigheid

in Latijns-Amerika – hield zij mij en mijn collega Bert Kisjes voor dat het steeds ten

diepste ging om Anerkennung, om erkenning door de ander. Als ik nu wat passages

hierover uit mijn Nieuwe-Linie artikel citeer, is het bijna of ik Hebe Kohlbrugge weer

direct hoor praten.

“Het oude, exclusieve denken wordt door Boerwinkel als een “struggle for life”

beschreven: “zelfbehoud is de eerste levenswet; of hij gaat eraan of ik”. In dit denken

wordt het heil slechts gezien in de negatie van de ander. Hier tegenover plaatst de

schrijver dan zijn nieuwe denken waarin het eigen heil gevonden wordt, als men het

welzijn van de ander zoekt. Mijn vraag bij deze twee soorten denken is of het neodarwiniaanse

uitgangspunt van Boerwinkel wel een adequate beschrijving geeft van de

intermenselijke relaties. Een mens strijdt namelijk niet in de eerste plaats om zijn

bestaan ten koste van zijn medemensen, maar hij vecht om erkenning door zijn

medemensen. We hoeven er echt de dialectiek van Hegel, volgens welke ik pas mijn

eigen zelf, mijn eigen identiteit vind door middel van erkenning van de ander, bij te

halen om uit eigen ervaring te weten dat wij niet in de eerste plaats om meer bezit,

om ons leven vechten, maar om erkenning door de mensen met wie wij te maken

hebben. Reeds Kaïn sloeg Abel dood omdat hij meende niet erkend te worden.

Boerwinkels darwiniaanse uitgangspunt geeft een inadequate beschrijving van de

tussenmenselijke relaties, maar de omkering ervan levert helaas een even onjuiste

beschrijving op. Hij wil namelijk dat ik inclusief ga denken, dat ik “het heil van de

Amerikanen, van de Russen en van de Chinezen”, om over dat van de ontwikkelingslanden

maar te zwijgen, voortdurend beoog en bevorder. Het lijkt mij nu dat de Russen,

Chinezen, etc. hier niet zo erg van gediend zijn. Het zal hen er eerder om gaan als

gelijkwaardig erkend te worden, dan van boven af geholpen te worden.

De landen uit de derde wereld vragen ons echt niet nog meer aan hun heil te denken

dan we vroeger gedaan hebben, maar ze willen hun heil zelf bepalen, ze willen zelf

hun identiteit door strijd en revolutie heen, ontdekken. In feite heeft het christelijke

Westen altijd inclusief gedacht, heeft het altijd “de opdracht gevoeld om de zegeningen

der beschaving aan de andere volken te brengen”, zoals reeds in 1 de in Berlijn

gehouden Congoconferentie zo treffend formuleerde. En het verwarrende voor ons is

Centrum voor Social Work/ De Horst

21


22

nu juist dat er een eind komt aan het tijdperk waarin wij het heil van de andere volken

als onze opdracht beschouwden. Maar daar willen we nog niet aan, daarom creëren

we de term ‘inclusief denken’, die voor ons in geseculariseerde vorm de oude missieopdracht

levend houdt.

Het denken om het heil van de ander wordt vaak een denken over en ten behoeve

van de ander, zelfs een denken in plaats van de ander. Nooit komt men langs deze

weg tot een volmondige erkenning van de ander als ander. … Wij zijn hier in het

Westen vergeten dat enkele dingen niet geschonken kunnen worden. Vrijheid, een

gevoel van eigenwaarde, erkenning door de ander, moeten veroverd worden. Terwille

hiervan vochten Biafranen en Nigerianen, terwille hiervan vechten Palestijnen en

Israëli. Als zelfbehoud inderdaad de eerste levenswet was, dan zou de vrede in Biafra

wel gemakkelijker bereikbaar zijn geweest, dan zou het Midden-Oosten nu niet al

meer dan twintig jaar in brand staan. De oplossing van het inclusieve denken die

Boerwinkel in dit laatste geval voorstelt, is geen oplossing. Het gaat er niet om dat de

Arabieren schadeloosstelling krijgen of terug mogen keren naar hun huis en grond.

Zij vechten om erkenning en die erkenning en eigen identiteit kunnen alleen veroverd

worden in een sterke organisatie van de eigen groep. Precies hetzelfde geldt voor de

Israëli. Hun eerste wens is niet vrede, maar behoud van eigen identiteit.

In het Israëlische tijdschrift New-Outlook stond onlangs een onthullende briefwisseling

tussen de Nationale Unie van Israëlische Studenten en de Al-Fatach, die het bovenstaande

scherp belicht. Zowel de Israëli’s als de Arabieren weigeren het object van het

inclusief denken van de ander te worden. Vooral in het antwoord van de Israëli’s komt

dit scherp uit. ‘Wij zullen voortgaan met de strijd totdat wij over onze eigen toekomst

kunnen beslissen”, schrijf je. Wees voorzichtig mijn neef, je begint te praten als een

zionist. Want geloof je nu heus dat wij genoegen nemen met iets minder … met de

status van een getolereerde minderheid. Wij wensen jullie verdraagzaamheid niet. Wij

vragen jullie aanvaarding. Wij keerden niet terug naar ons vaderland om te assimileren,

om Joodse Arabieren te worden zoals jij zou willen, maar om onszelf voor eens en voor

altijd te bevrijden van anderen die ons lot bepalen. Wij zullen onze toekomst bepalen,

en wij zullen de strijd voortzetten om deze zelfbeschikking veilig te stellen.’” Tot zover

mijn Nieuwe Linie-tekst.

Erkenning bij Hegel

Hoezeer ik mij ook in het werk van Rosenstock-Huessy heb verdiept, het viel mij altijd

moeilijk om als argumentatief ingesteld filosoof het mij geheel eigen te maken.

De actualiteit van inclusief denken


Daarvoor was het mij enerzijds te speculatief, anderzijds te verhalend. Als ik nu iets

meer in het algemeen zeg over de strijd om erkenning ga ik dan toch maar weer terug

naar de grote Duitse negentiende-eeuwse filosoof Hegel. Deze gaat uit van een soort

natuurstaat, waarin de menswording haar beslag kreeg. Hegels “eerste mens” deelt met

de dieren een aantal begeertes. Hij heeft behoefte aan voedsel, warmte, beschutting en

veiligheid. Deze behoeftes kan hij bevredigen door zich te richten op objecten buiten

hem. Als sociaal wezen – Hegel onderstreept met recht dat de mens dit van meet af

aan is – krijgt hij echter niet alleen met andere objecten maar ook met andere bewustzijnen

te maken. Het menselijke zelfbewustzijn kan zich alleen in de confrontatie met

een ander bewustzijn ontwikkelen. Mijn begeerte is niet gericht op het bezitten van de

ander als object maar op het erkend worden door de ander, juist in mijn begeerte.

Ik begeer de begeerte van de ander en omgekeerd. De menselijke seksuele relatie is

niet alleen gericht op het lichaam van de ander, maar ook op de begeerte van de

ander. Pas daarin vindt erkenning plaats.

Voor de volledige menswording is volgens Hegel nog een tweede stap vereist. De mens

wil niet zomaar door de ander erkend worden; hij wil erkend worden als mens. En het

meest fundamentele aspect van de menselijke identiteit waarin hij verschilt van dieren is

het vermogen om zijn eindigheid onder ogen te zien en zijn leven op het spel te zetten.

“Daarom leidt de ontmoeting van ‘de eerste mens’ met andere mensen tot een

gewelddadige strijd waarin elke betrokkene de ander hem wil doen ‘erkennen’ door zijn

leven te riskeren. De mens is een fundamenteel op anderen gericht sociaal dier, maar

zijn maatschappelijkheid leidt hem niet naar een vreedzame burgerlijke maatschappij,

maar stort hem in een gewelddadige strijd op leven en dood voor puur prestige”.

Aldus de samenvatting van Fukuyama van de oorsprong der geschiedenis volgens Hegel.

Hoe te ontsnappen aan deze strijd van allen tegen allen die slechts met de dood van

één van de twee bewustzijnen lijkt te kunnen eindigen? Bij Hegel onderwerpt de één

zich aan de ander; er ontstaan knechten en heren. De knecht heeft uit angst voor een

gewelddadige dood de meester erkend en zal hem voortaan dienen door voor hem te

werken. De geschiedenis van de ongelijkheid en volgens Marx van de uitbuiting kan

beginnen.

Wij zitten, dat geldt ook voor de tijd waarin Inclusief denken verscheen, nog midden in

deze geschiedenis van ongelijkheid, onderdrukking en geweld. De strijd om erkenning

speelt hierin een belangrijke rol. We kunnen hem niet met een beroep op ‘inclusief

denken’ terzijde schuiven.

Centrum voor Social Work/ De Horst

2


2

Voorbij het inclusieve denken

De Hegeliaanse ideeën over de strijd om erkenning hebben de filosofie uit het laatste

kwart van de vorige eeuw diepgaand beïnvloed. Ik wil tot slot heel kort een aantal

denkers noemen, die vaak al eerder publiceerden, maar die pas in de laatste decennia

van de eeuw gehoor vonden en invloed kregen.

Levinas

Kun je het welzijn van de ander beogen? Veel van mijn boeken draaien rondom deze

vraag. Hoe kun je bepalen wat dat welzijn is? Moet die ander dat niet zelf beslissen?

Boerwinkel heeft de verandering niet meegemaakt van het denken over de ander

naar zoals Levinas het stelt ‘de idee van een radicale exterioriteit’. Het gebod dat van

het gelaat van de ander uitgaat is voor Levinas juist een radicale doorbreking van een

houding die meent de ander te kunnen includeren. Voor Levinas gaat het hier om een

denken dat hij als totaliteit beschrijft en dat in tegenstelling tot wat Boerwinkel beweert,

altijd overheersend is geweest. De geschiedenis van het Westen is een totaliteitsgeschiedenis,

steeds meer mensen werden via verovering, missionering en kolonialisme

ingesloten. Tegenover deze totaliteit en universaliteit stelt Levinas de oneindigheid

van het gelaat van de Ander, die altijd buiten mijn ideeën en opvattingen blijft staan,

maar wel als weerloos gelaat de eis stelt ‘gij zult niet doden’. Deze eis is heel anders

dan de suggestie ‘gij zult mijn welzijn bevorderen’.

Foucault

Michel Foucault als tweede denker in deze reeks, heeft in dezelfde lijn betoogd dat de

recente westerse geschiedenis er één van insluiting en niet zoals Boerwinkel betoogt,

van uitsluiting is geweest. In de Middeleeuwen werden bijvoorbeeld gekken, zieken en

misdadigers vaak buitengesloten, als vreemden en anderen uit de samenleving

verbannen. Dat verandert volgens Foucault in de moderne tijd, die juist als een periode

van insluiting kan worden omschreven, waarin het welzijn van dit soort groepen werd

beoogd. Daar kunnen wij achteraf denigrerend over doen door te stellen dat het niet

echt om het welzijn van de uitgeslotenen ging. Dat lijkt me echter te gemakkelijk. Wie

durft staande te houden dat onze eigen ideeën over het welzijn van de ander ook niet

tijdsgebonden zijn, zoals die van onze voorouders? Zelfs als ik mijn eigen leven overzie,

is het duidelijk dat de ideeën over het welzijn van de ander de afgelopen 0 jaar flink

zijn veranderd. Bepaalde ideeën over ontwikkelingshulp uit begin jaren ’ 0 als een

typische uiting van westers inclusief denken zouden tegenwoordig voor de meesten van

De actualiteit van inclusief denken


ons onacceptabel zijn. Hoewel, ze bestaan nog steeds. In de woorden van Finkielkraut

lijkt het er vaker om te gaan hongerige monden met voedsel vol te stoppen zodat we

niet hoeven te luisteren naar wat deze zelfde monden te vertellen hebben.

Arendt

Alles wat ik nu gezegd heb, is in zekere zin unfair naar Boerwinkels geschrift. Ik citeer

steeds denkers die na hem hebben geschreven of waarvan in elk geval het werk na zijn

boek in de aandacht is gekomen. Dat laatste geldt bijvoorbeeld voor de denkster die

ikzelf als mijn intellectuele leidsvrouwe beschouw: Hannah Arendt. Haar kernbegrip is

in dit geval pluraliteit. Mensen zijn radicaal verschillend en onderscheiden, de afstand

tussen hen kan in de politieke en publieke werkelijkheid nooit worden uitgewist of

overbrugd. Net als Levinas stelt Arendt dat vooral het westerse politieke denken deze

radicale pluraliteit al snel via Plato heeft ingeruild voor een universaliteitsdenken met

utopische trekken. Arendts grote studie The human condition stamt uit 19 , dus lang

voor de verschijning van ‘Inclusief denken’. Maar haar boodschap werd nauwelijks

opgepikt en begrepen. De tijdgeest was er niet rijp voor, de radicale begrippen van

Arendt werden geneutraliseerd en in een universaliteitsdenken opgenomen. Het meest

typerende hiervoor vind ik wel de aanvankelijke Nederlandse vertaling van haar hoofdwerk:

‘De mens, bestaan en bestemming’. Welnu, als er iets is dat Arendt als hoofdlijn

in haar boek verkondigt dan is het dat dé mens niet bestaat. We kennen alleen een

pluraliteit van mensen met verschillen tussen hen. Het is onmogelijk ze in één inclusief

denken te vatten. Ik geef meteen toe, de titel van de vertaler klinkt veel beter en

imposanter. Zij suggereert een universaliteitsmetafysica die Arendt in het voetspoor

van haar partiële inspirator Martin Heidegger nu juist bestrijdt. Ik geef ook meteen toe

dat ik in die tijd nu juist voor deze titel viel. Het is dezelfde universaliteitspretentie die

uit Inclusief denken sprak. Een voormalig studente van De Horst die in 19 begon,

herhaalt het ook in haar terugblik over de boodschap die de studenten toen meekregen:

“Het ging om De Mens (met hoofdletters), om alle mensen”.

Arendts denken is wel omschreven als een antagonistisch pluralisme. Tussen mensen

bestaat er voor haar verschil en geschil, een term van de Franse filosoof Lyotard, wiens

denken ik hier verder niet bespreek, maar die wel in dit rijtje anti-inclusieve denkers

past. Via overreding en argumentatie proberen mensen deze verschillen te overbruggen

en deze geschillen op te lossen. Dat is echter nooit geheel mogelijk; de communicatie

tussen mensen biedt nooit volgens Arendt zoals dat voor Habermas het geval is, uitzicht

op een uiteindelijke overeenstemming waarin de waarheid – de ene waarheid –

Centrum voor Social Work/ De Horst

2


2

tenslotte gerealiseerd kan worden.

Schmitt

De ander blijft altijd met de centrale term van Carl Schmitt, de volgende denker die ik

kort wil noemen, de vijand, degene die mijn wijze van bestaan radicaal bevraagt en in

twijfel kan trekken. Voor Carl Schmitt, de voormalige kroonjurist van het Derde Rijk,

bestond in de progressieve jaren ‘ 0, waarin elke gevaarlijke denker al snel ‘fascist’

heette, geen belangstelling, ook al dateert zijn belangrijkste boek Het begrip politiek

uit begin jaren 0. Het denken van Schmitt, die waarschijnlijk van alle door mij

genoemden het felst anti-inclusief is, is vaak misverstaan.

De vijand is voor hem geen morele, maar een existentiële categorie. Hij is degene

die in de relatie tussen staten en groepen – want Schmitt heeft het net als Niebuhr over

politieke en niet over persoonlijke verhoudingen – mijn levenswijze en voortbestaan

zodanig uitdaagt dat ik om deze te behouden mijn leven in de strijd tegen hem op het

spel moet zetten. Het is van belang dat de vijand geen morele categorie is. Hij is de

ander, die ik kan respecteren, kan bestrijden, maar hij is geen misdadiger die ik kan

demoniseren, veroordelen. Dat zijn juist categorieën die bij het door Schmitt scherp

afgewezen universalistische denken horen. “Und willst du nicht mein Bruder sein, so

schlag ich dir dein Schädel ein”.

Het universalisme kent de vijand als misdadiger tegen de mensheid, als absolute

vijand, tegen wie vaak in een zogeheten nieuwe wereldorde, de laatste oorlog om alle

oorlogen voortaan op te heffen, gevoerd moet worden. De vijand-categorieën die wij

in navolging van Bush vaak voor het moslimterrorisme of überhaupt de politieke islam

hanteren zouden door Schmitt fel verworpen worden. Zeker, het gaat hier volgens hem

om de vijand, maar die kan niet in termen van wit en zwart, goed en kwaad van ons

onderscheiden worden. Hij moet niet zoals Bush zei in al zijn holen worden opgezocht

en uitgerookt, maar wel als vijand erkend en bestreden worden.

Hierin verschilt Schmitt scherp van het voor kort zo populaire multi-culturalisme.

Met Samuel Huntington gaat hij uit van een clash of civilizations, een botsing van

culturen, die door geen enkel universalisme of multiculturalisme overwonnen kan worden.

Ik noem Huntington hier met name omdat hij ook zo vaak misverstaan is. Hij voert

zeker niet, zoals hem vaak in de schoenen geschoven wordt, een pleidooi voor een

oorlog tussen beschavingen. Integendeel, zijn boek is één groot betoog dat de lezer

moet overtuigen om in wereldverband vreedzaam met geschillen en verschillen tussen

culturen om te gaan. Natuurlijk gebruikt Huntington het begrip niet, maar elk denken

De actualiteit van inclusief denken


dat naar inclusie neigt, is volgens hem gevaarlijk en eurocentrisch. Wij menen een

gemeenschappelijk heil voor ons en de ander te kunnen formuleren, maar in werkelijkheid

plakken wij snel onze westerse waarden die wij universalistisch noemen op de

ander. Het is realistischer om hen als menselijke vijand te erkennen en respecteren.

Derrida

Een laatste naam, grondlegger van het deconstructivisme, Jacques Derrida. Het is niet

overdreven te stellen dat Derrida de hele westerse filosofie als een grootse, maar

uiteindelijk mislukte poging ziet om inclusief te denken, om de ander en zijn welzijn in

mijn denken te includeren om, zoals Derrida stelt, de Ander (l’autre) tot het zelf (le même)

te herleiden, om ‘De mens’ te denken in plaats van het verschil tussen mensen te

articuleren. Zijn deconstructie laat in het ontrafelen van de klassieke teksten steeds zien

in hoeverre dat mislukt is, waar de ander in de marges van de tekst als onherleidbaar

en niet te includeren opduikt.

Die methode van de deconstructie heb ik in mijn verhaal ook deels gebruikt om het

boek Inclusief denken te ontrafelen. Net als Derrida die de filosofie niet afschreef, maar

juist de grootsheid ervan beklemtoonde, heb ik met mijn deconstructie en kritiek het

belang van het werk van Boerwinkel willen onderstrepen. Dat ik er nog steeds door

geobsedeerd ben, is het uiteindelijke bewijs voor mij dat we hier met een tekst en een

denker te maken hebben die weerbarstig blijft en niet eenvoudig geïncludeerd kan

worden.

Literatuur

Arendt, H., Vita Activa (voorheen ‘De Mens’), Amsterdam: Boom, 199 .

Derrida, J., Marges van de filosofie, Kampen: Kok Agora, 199 .

Foucault, M., Bewaken en straffen, Groningen: Historische Uitgeverij, 1992.

Fukuyama, F., Het einde van de geschiedenis en de laatste mens, Amsterdam: Olympus, 200

Hegel, G.W.F., Phänomenologie des Geistes, Hamburg: Felix Meiner Verlag, 19 2.

Huntington, S.P., Botsende beschavingen; Cultuur en conflict in de twintigste eeuw, Baarn:

Anthos, 1997.

Levinas, E., De totaliteit en het oneindige, Baarn: Ambo, 19 7.

Niebuhr, R., Moral man and immoral society, New York: Continuum, 200 .

Rosenstock-Huessy, De grote revoluties; autobiografie van de westerse mens, Vught: Skandalon,

200 .

Schmitt, C., Het begrip politiek, Amsterdam: Boom, 2001.

Centrum voor Social Work/ De Horst

27


2

Maarten van der Linde

uIt de dIscussIe

met hans achterhuIs

Jeanne van Engelen: ‘En toch!’ Ik kan het allemaal volgen en de bezwaren die je

aanvoert, kan ik begrijpen, ik begrijp dat je niet idealistisch en utopisch kunt werken,

maar dan denk ik: ‘En toch!’ Zonder de inspiratie die uitgaat van idealen en utopieën

kan ik niet leven.’

Hans Achterhuis: ‘Dat is ook mijn eigen vraag. Je moet niet je eigen idealen opgeven.

Boerwinkel kende Niebuhr wel degelijk. Niebuhr was christen-socialist. Hij was van

mening dat je je idealen alleen kunt verwezenlijken door hard studeren en te strijden in

maatschappelijke realiteiten. Ik erken wel het belang van idealen, maar een universeel

ideaal, dat vind ik een schrikbeeld. Er is niet één waarheid. Het gevaarlijke van idealen

is dat ze elk moment kunnen verstarren, en dan worden ze gevaarlijk. Het leerzame

van Hannah Arendt vind ik dat ze de nadruk heeft gelegd op de verschillen, er zijn

spannende verschillen. Levinas zegt dat we geen ideaal nodig hebben; het ‘gelaat van

de Ander’ is genoeg.’

Lambert van Elk: ‘Ik vind het jammer dat in de liberale tijdgeest sinds de jaren 19 0 de

solidariteitsgedachte op de achtergrond is geschoven. Ik zie inclusief denken in het

verlengde van de solidariteitsgedachte. Hoe kunnen we samen verschillend denken?

Is dat mogelijk?’

HA: ‘Boerwinkel laat in zijn boekje zien dat solidariteit wordt gevonden door je

onderling af te grenzen van een andere groep. Hoe houd je de Nederlandse

verzorgingsstaat in stand met de komst van vele immigranten in een tijd van steeds

verdergaande globalisering. Concreet ontkom je niet aan het je sterk maken als eigen

De actualiteit van inclusief denken


groep: Fort Europa. Daar zitten grote morele en ethische bezwaren aan, maar we

gooien ook niet zomaar alle grenzen open.

Over je vraag of samen verschillend denken mogelijk is. Strijd is niet erg. Als je degene

met een ander standpunt maar niet verkettert. Ik vind nog altijd erg interessant wat

Macchiavelli in zijn Discorsi schrijft over de geschiedenis van Rome. De clou is dat ze

groot zijn geworden door conflicten niet uit de weg te gaan, maar ze uit te vechten.

Carl Schmitt schrijft over het begrip ‘vijand’. Hij zegt: beschouw de vijand niet als

moreel slecht, maar als iemand die mij uitdaagt. Ik leer hieruit dat het van wezenlijk

belang is verschillen te erkennen. Ga confrontaties niet uit de weg.’

Biem Lap: ‘Als inclusief denken verkeert in zijn tegendeel en als je het morele appel

van inclusief denken verwerpt, wat blijft er dan over? Is er een ethisch veld waarop we

maatschappelijk kunnen opereren? Of is dat alleen mogelijk in de privé-sfeer?’

HA: ‘Ik ben een voorstander van gesprekken, die moreel gedragen worden. Waarin je

niet probeert te verzoenen wat niet verzoend kan worden, maar waarbij je elkaar wel

vasthoudt. Hannah Kohlbrugge was hoogleraar Iraanse Taal- en Letterkunde en een

groot kenner van de Islam. Zij had interessante ideeën over de onverenigbaarheid van

Christendom en Islam. Erken dat verschillen ook geschillen kunnen zijn. Ik verzet mij

tegen een te gemakkelijke overeenstemming. Ik ben zelf nogal positief over het boek van

Samuel Huntington, Clash of Civilisations. Hij zegt dat we met elkaar moeten samenleven,

maar ook dat de verschillen zeer groot zijn. Hij waarschuwt voor universalisme waardoor

de ander wordt ontkend. Je kunt het heil van het ander niet bepalen.’

Sigrid Teunis: ‘Ik proef in het hele idee van inclusief denken van Boerwinkel een

ongelooflijk paternalistische houding. Ik maak wel uit wat goed voor jou is. Ik ben daar

allergisch voor.’

Leen van Ginkel: ‘Ik ben van de eerste lichting studenten, van 19 dus. Ik heb Boerwinkel

heel goed gekend. Die tijd wás paternalistisch! Boerwinkel zette vlak na de oorlog een

student die in de oorlog zich bij de SS had aangemeld en aan het Oostfront had

gevochten en een andere student die in het verzet had gezeten, was gepakt en

gedeporteerd naar een Duits concentratiekamp, bewust bij elkaar, op één kamer.

Dat was paternalistisch, maar het gevolg was wel dat die twee met elkaar een gesprek

moesten gaan voeren. Dat ze zich moesten gaan verdiepen in elkaars achtergronden

Centrum voor Social Work/ De Horst

29


0

en motieven. Dat was niet makkelijk, dat was vreselijk moeilijk. Zulke dingen deed

Boerwinkel. Hij haalde in 19 al Duitse studenten naar De Horst zodat we elkaar

leerden kennen en over de oorlog konden praten. Dat was ongelooflijk, iedereen was

anti-Duits, en niemand zat op gesprekken met Duitsers te wachten. Boerwinkel was

paternalistisch, maar met zijn visie was hij zijn tijd ver vooruit.’

Hannie Nanlohy-Sniphout: ‘U verzet zich tegen een soort inclusief denken, dat erkenning

van de ander zou kunnen belemmeren. Hoe kijkt u aan tegen alle discussies over

Marokkaanse jongeren. Hebben zij erkenning nodig?’

HA: ‘Ik was erg geschokt door de artikelen in de pers na de moord op Theo van Gogh.

Bijvoorbeeld wat Joost Zwagerman schreef. Het ademde een en al wij/zij-denken. Met

zo’n vijandbeeld zullen wij altijd bang blijven voor Marokkanen.’

André de Leeuw: ‘Wethouder Aboutaleb bezoekt scholen in Amsterdam en spreekt de

(o.a.. Marokkaanse) jongeren toe: wat de samenleving van hen verwacht. Dat zijn

paternalistische toespraken.’

HA: ‘Ik wil nog iets zeggen over het begrip identiteit. Als we het hebben over

Marokkaanse jongeren pinnen we ze vast op een groepsidentiteit, maar in werkelijkheid

hebben deze jongeren allemaal een individuele identiteit.’

Josien Hofs: ‘Toch is het ingewikkeld. Er is een nieuw taboe ontstaan op doelgroepdenken,

onder het mom van inclusief denken. Toch zijn soms extra voorzieningen

nodig, als strategisch belang, niet als principe. Ik wil nog wat zeggen over verschillen.

Ik vind het interessant dat mensen verschillend zijn en uit verschillende culturen

afkomstig.’

Hannie Nanlohy-Sniphout: ‘Maar de vraag is wel hoe die verschillen benoemd worden.

Altijd gebeurt dat in termen van meer of minder waardevol. Stereotype beeldvorming

is erg hardnekkig.’

Leen van Ginkel: ‘Inclusief denken kost strijd, strijd en nog eens strijd. Bloed, zweet en

tranen. En het duurt jaren en nog eens jaren voor je iets bereikt. Ik was in 19 0 op

Kerk en Wereld / De Horst deelnemer bij de allereerste gesprekken tussen hervormden

De actualiteit van inclusief denken


en gereformeerden over Samen-op-weg. Het heeft v e e r t i g jaar geduurd voordat

deze twee kerkgenootschappen, die allebei toch dezelfde achtergrond hadden

- christelijk en protestant -, tot samengaan konden besluiten! Maar ik heb hieruit

geleerd: alle begin is klein en intensief, en reken niet op snelle successen. Het kan ook

niet snel. In Assen begeleid ik al vijf jaar een gespreksgroep tussen vertegenwoordigers

van de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) en imams. Vergeet niet dat religie

deep-down ingrijpt in het leven van mensen.’

Centrum voor Social Work/ De Horst

1


2

Jos van der Lans

BoerwInkels BeproeVIng

moet nog komen

Laat ik maar meteen beginnen met een bekentenis, dan ben ik daar vanaf. Tot ik

uitgenodigd werd voor deze studiedag had ik nog nooit van Feitse Boerwinkel

gehoord. Zijn naam had in mijn herinnering geen plek gekregen en mijn eerste reactie

was dan ook dat het natuurlijk wel heel vreemd zou zijn om te spreken op een studiedag

ter ere van iemand waar je nog nooit van gehoord hebt. Maar de organisatie wist

mij te overtuigen dat het niet zozeer om Boerwinkel ging als om de actualiteit van zijn

boodschap, namelijk de oproep tot inclusief denken, en dat ik daar gezien mijn

geschriften wel degelijk iets zinnigs over te berde zou weten te brengen.

Of dat zo is, zal moeten blijken, maar juist die conclusie dat er zoveel raakvlakken zijn

tussen wat Feitse Boerwinkel beweerde en wat ik belangrijk vind, maakt het natuurlijk

vreemd dat zijn naam en werk niet tot mijn geestelijke bagage zijn doorgedrongen.

Bedenk daarbij, dat de enorme verkoopcijfers van Boerwinkels bestseller, Inclusief

denken, in de eerste tien jaren na verschijning in 19 werden gehaald, precies de

jaren waren van mijn politiek-intellectuele vorming.

En toch is Boerwinkel mij geheel ontgaan.

Daar is maar één verklaring voor te geven. Ik ben van katholieke komaf en studeerde

begin jaren zeventig aan de Katholieke Universiteit Nijmegen, waar wij bezig waren

met een geheel eigen revolutie. Wij hadden af te rekenen met onze eigen paapse

regentenkliek en dat kostte al moeite genoeg. Bovendien was Boerwinkels boodschap

voor ons vermoedelijk veel te lief geweest. Wij waren in die roerige jaren meer van het

exclusief denken, want wie niet voor ons was, was dus tegen ons. Of je was voor de

bestaande orde (en met die mensen wilden we niks te maken hebben) of je was

progressief. Meer smaken waren er niet, en wat ons betreft moest iedereen in die

dagen van polarisatie en conflictmodel kleur bekennen.

De actualiteit van inclusief denken


Het gedachtegoed van Feitse Boerwinkel was dus aan ons niet besteed, net zomin als

aan de toenmalige studenten aan de Academie De Horst, die – zoals Maarten van de

Linde het in zijn biografische schets treffend beschrijft - meenden dat Boerwinkel

bezig was ‘de vorige oorlog te winnen, terwijl zij al met iets radicalers bezig waren,

waar ze niet uitkwamen door ‘inclusief te denken’.’

Elke zuil zijn eigen jaren zestig

Maar toch is dat niet de enige verklaring voor mijn onbekendheid met Boerwinkel.

Want ook in katholieke kring waren er in die dagen verlichte denkers, die bezig waren

met het winnen van de vorige oorlog, en die door grenzen heen gingen. Ik studeerde

cultuur- en godsdienstpsychologie, een vakgroep die groot gemaakt was door Han

Fortmann, een zeer erudiete, ruimdenkende jezuïet, die in zijn denken en interesse

duidelijk verwantschap toonde met Boerwinkel. Maar in zijn geschriften, kom je geen

verwijzing tegen naar het boek van Feitse Boerwinkel, ik heb het er speciaal nog eens

op nageslagen.

Dat is op zichzelf een interessante constatering. We denken tegenwoordig dat de

jaren zestig en zeventig de stoot gaven tot een algehele ontzuiling van Nederland,

maar in werkelijkheid ligt het veel genuanceerder. Elke zuil had zijn eigen jaren zestig

en zeventig. Het was in de eerste plaats een revolutie in eigen kring en die kostte al

zoveel denkwerk dat zelfs erudiete types als Fortman de oversteek naar ruimdenkers

uit andere zuilen niet konden maken. Met als gevolg dat wij ex-katholieken geen

herinnering hebben aan Feitse Boerwinkel en naar ik aanneem de meeste al dan niet

ex protestanten geen weet hebben van Han Fortmann. Misschien moeten we alsnog

aan een uitwisselingsprogramma beginnen.

Die eigen verzuilde dynamiek verklaart vermoedelijk ook de andere accenten die

vrijzinnige denkers als Fortman en Boerwinkel legden. Zo is het tegen de achtergrond

van de katholieke cultuur niet zo vreemd dat de katholiek Fortmann eerder de zelfverwerkelijking

en bezieling centraal stelt. Je zou kunnen zeggen dat hij voor de

katholieke kudde, waarin individualisme een schaars goed was, de weg verkende naar

zichzelf, naar een meer geïndividualiseerd bestaan.

Daar staat tegenover dat – voor zover ik dat kan nagaan – bij Boerwinkel niet zozeer

de ontdekking van jezelf, maar de ontdekking van de ander centraal staat. Je zou kunnen

zeggen dat hij het protestantse individualisme in zekere zin collectiveert. Inclusief

denken betekent immers dat je jezelf immers altijd in relatie tot de ander moet denken.

Centrum voor Social Work/ De Horst


Individueel geluk is, nee moet, een gedeeld goed zijn.

Twee voedingsbronnen

Zelfverwerkelijking en betrokkenheid op de ander, je zou dat ook als nieuwe solidariteit

kunnen aanduiden, de thema’s van respectievelijk Fortmann en Boerwinkel, vormen

twee belangrijke ideologische voedingsbronnen van de jaren zestig en zeventig. Zij

vormen in onze moderne culturele geschiedenis denksporen die met elkaar verweven

zijn, maar elkaar ook regelmatig hebben afgestoten. Zowel Fortmann als Boerwinkel

behoorden tot de eerste generatie intellectuele woordvoerders van deze nieuwe

mentale ontdekkingen die de samenleving zijn gaan veranderen. Zij vormden niet de

revolutionaire voorhoede, maar zij leverden wel de intellectuele munitie. Zij leverden

voor grote groepen de eye-openers.

Dat maakt nog een andere nuancering over die jaren mogelijk. De jaren zestig zijn

niet alleen gemaakt door de jeugdige generatie die toen is opgestaan, maar zijn in

kleine kring voorbereid door verlichte elites die nieuwe gedachten aan het verkennen

waren. De jaren zestig vormen in onze culturele geschiedenis ogenschijnlijk een bizarre

explosie, een razendsnelle verdichting van allerhande ontwikkelingen, maar wie deze

jaren echt wil begrijpen moet op zoek gaan naar de intellectuele gisting die daaraan

vooraf ging.

Precies dat maakt de biografie van Boerwinkel zo interessant, en het valt te hopen

dat de biografische schets zoals Maarten van de Linde die heeft gemaakt nog eens

uitgroeit tot een volwassen biografie, omdat we daarmee ook onze eigen moderne

geschiedenis beter kunnen begrijpen.

Culturele vloedgolf: de voorkant

Laat ik mij beperken tot het spoor dat vanuit het denken en het werk van Feitse

Boerwinkel naar de tegenwoordige tijd trekt. Dan denk ik dat zijn pleidooi voor inclusief

denken voorop ging in de culturele vloedgolf die de jaren zestig en zeventig op gang

brachten. Het surfde als het ware voor de golf uit. Daar is uiteraard niet alleen

Boerwinkel een intellectuele bron voor, maar ook andere boeken die niet toevallig in

dezelfde tijd bekendheid kregen. Denk aan het boek van Herman Milikowski, Lof der

onaangepastheid, dat in dezelfde jaren de ene druk na de andere beleefde. Of denk

aan – iets later – het boek van de psychiater Jan Foudraine: Wie is van hout. Die boeken

gingen met vele tienduizenden over toonbank, dat zijn oplagen waar je tegenwoordig

alleen nog maar van kunt dromen.

De actualiteit van inclusief denken


Het hoort allemaal bij elkaar. Waar het inclusief denken van Boerwinkel nog een

christelijk-sociaal filosofische toonzetting had, kwam Milikowski met een sociologisch

verhaal waarin de cultuur van de arbeiders niet langer werd afgedaan als onmaatschappelijk,

maar een eigen waardering kreeg. En de psychiater Foudraine ontdekte

het mooie van de gek. Het zijn allemaal fraaie staaltjes inclusief denken, die al snel

radicaliseerden tot een bijna revolutionaire omhelzing van het abnormale, het afwijkende

of de minder bedeelde. De gek als kunstenaar, de asociale als held, de arbeider als

revolutionair. Zelf heb ik al die jaren het prachtige zilverkleurige affiche van de stichting

Pandora op mijn kamer gehad: Ooit een normaal mens ontmoet? En beviel het…

De jaren zestig/zeventig werden zo de jaren van ongelijke gelijkheid: omdat iedereen

anders was, was iedereen gelijk, niemand kon apart gezet worden. Het waren de jaren

dat Rita Verdonk, ook student te Nijmegen en een goede bekende van me, zich

aansloot bij de Bond van Wetsovertreders, een organisatie die opkwam voor de

belangen van gevangenen en die zich openlijk afvroeg of het apart zetten van wetsovertreders

(gevangenen was een vies woord) in gevangenissen nu wel zo zinvol was.

Het inclusieve denken behoorde, met andere woorden, tot een van de voornaamste

leerstellingen van deze periode. Niet letterlijk zoals Boerwinkel het had opgeschreven,

maar wel als gedachtegoed en dan vaak in hele geradicaliseerde varianten. Het was

een manier om tegen de gevestigde instellingen aan te schoppen, om aan de kleinburgerlijkheid

(‘het klootjesvolk’) te ontsnappen, om openheid te creëren.

Het hoogtepunt, of te wel het dieptepunt, werd gevormd door het verdunningsexperiment

dat Carel Muller en de zijnen aan wilden gaan in Dennendal, een instelling

voor verstandelijk gehandicapten. Het idee was om zwakzinnigen uit hun medisch asiel

te halen en te laten wonen, leven en werken met gewone mensen. Vijf jaar hebben

Muller en de zijnen er aan mogen werken, vanaf 19 9 tot begin juli 197 toen de ME het

terrein heeft ontruimd en Mullers pupillen over andere inrichtingen werden verspreid.

Inmiddels is de verdunningsfilosofie de dominante beleidsfilosofie.

De invloed van dat inclusief denken tekent zich ook af aan het systematisch verbannen

van geringschattende aanduidingen van mensen. Zwakzinnigen heten sindsdien mensen

met een verstandelijke beperking, en nog steeds staan er mensen op die vinden dat dat

een te denigrerende aanduiding is. Je zou ze ook ‘anders begaafden’ kunnen noemen,

vertelde mij laatst iemand met een buitengewoon serieuze ondertoon. Wij noemen

mensen ook niet meer gestoord of gek of van de verkeerde kant of asociaal of

onmaatschappelijk of buitenlander, maar we zijn - soms bijna op een hilarische wijze -

op zoek gegaan naar neutrale aanduidingen van mensen die niet tot het gemiddelde

Centrum voor Social Work/ De Horst


horen. Tegenwoordig vatten we dat samen als politiek correct denken, maar in feite is

het een poging tot respectvol spreken en als zodanig bijna een letterlijke erfenis van

Boerwinkel.

Doorwerking van inclusief denken

De invloed van deze golf van inclusief denken is enorm geweest en tot op de dag

vandaag zichtbaar. In de beleidswereld is de boodschap van Boerwinkel en zijn

geradicaliseerde geestverwanten van de jaren zestig/zeventig neergedaald in termen

als de-institutionalisering, normalisering en vermaatschappelijking. Kort gezegd komt

het erop neer dat het bijzondere zoveel mogelijk als normaal moet worden behandeld.

Dus geen gekkenhuizen en zwakzinnigenoorden in de bossen en op de hei, maar

gewoon kleinschalige leefvoorzieningen tussen de mensen

Die operatie is in de jaren tachtig ingezet en gaat tot op de dag van vandaag voort.

In Brabant komen de komende jaren zo’n twintig locaties vrij waar in het verleden

grote voorzieningen waren voor psychiatrische patiënten, zwakzinnigen, moeilijk

opvoedbare kinderen, noem maar op. In totaal kan je er, ware het niet dat de gebieden

allemaal in de bossen en fraaie natuurgebieden liggen, wel twintigduizend woningen

op bouwen.

En dan hebben we het nog niet eens over de kloosters, de kostscholen, de internaten,

de woonoorden, de opvoedingskampen, al die plaatsen van apartheid, waar mensen om

tot de jaren zestig tal van uiteenlopende redenen geparkeerd werden. Het is allemaal

afgeschaft mede als gevolg van het inclusieve denken. Je zet je kinderen niet meer op

een kostschool, want je zorgt zelf voor de opvoeding. Je zet asocialen niet meer apart

in een woonschool op de Drentse hei, maar probeert ze te socialiseren in de samenleving.

Zelfs broeders en zusters die hun heil in god zochten, voelden er steeds minder

voor om in kloosters onder elkaar te zijn en kozen en masse voor het wereldse leven.

En in die stemming, dat maatschappelijk klimaat van normaliseren en van openheid,

keken wij in de jaren zeventig ook aan tegen het fenomeen van gastarbeiders die

steeds langer bleven. Hadden de werkgevers ze eerst nog op de meest vernederende

manieren naar ons land gelokt, in de jaren zeventig gingen we ze geheel in de geest van

de nieuwe tijd bejegenen onder het motto ‘integratie met behoud van eigen identiteit

en cultuur’, wat zo ongeveer het summum is van het inclusief denken.

Dat was dus de voorkant van de vloedgolf van de jaren zestig en zeventig, waarvan

het inclusieve denken in zijn meest brede betekenis de geestelijke brandstof vormde.

Die vloedgolf spoelde heel veel ordeningen, instellingen, hokjes en huisjes weg waar-

De actualiteit van inclusief denken


voor een open, geëmancipeerde, mondige samenleving en institutionele orde in de

plaats kwam.

Culturele vloedgolf: de achterkant

Maar – om het beeld van de golf maar even vast te houden – de vloedgolf kende niet

alleen een voorkant, zeg maar de kant waar het spectaculaire surfen op plaats vindt,

maar ook een achterzijde, die – zoals dat gaat met golven die het strand op rollen –

veel massiever en volumineuzer was.

Als je het denkspoor van Boerwinkel in die voorkant van de golf plaatst, zou je het

denkspoor van Han Fortmann in die massieve achtergolf kunnen plaatsen. Niet alleen

het inclusieve denken, de lof der onaangepastheid, rolde over de samenleving heen,

tegelijkertijd en in het kielzog ontdekten de Nederlanders ook zichzelf en hun eigen

nieuwe mogelijkheden en vrijheden. Waar Fortmann dat in bijna religieus-filosofische

termen zelfverwerkelijking, zelfontdekking, zelfontplooiing noemt, wordt dat in de

praktijk van het alledaagse leven een bevrijding uit oude verzuilde benauwenissen,

loskomen van hiërarchische sociale verbanden. De burger wordt van onderdaan zelfvoldaan,

hij emancipeert, komt los van god en zuil, maar tegelijkertijd wordt hij meegenomen

door welvaart en voorspoed, weet hij zich verzekerd door een snel groeiende

verzorgingsstaat en koestert hij zich in de weelde van het moderne consumentenbestaan.

Dat is het tweede spoor dat uit de jaren zestig en zeventig voorkomt: het

spoor van de individualisering, van het hedonisme, van het consumentisme. Het spoor

dat ons – om toch nog even de titel van mijn laatste boek te noemen – Koning Burger

heeft gebracht.

Als je het geheel overziet, kan je zeggen dat de vloedgolf van de jaren zestig en

zeventig als een ware tsunami over onze samenleving is gerold, waarbij de voorkant en

achterkant van de golf eerst gelijktijdig vaart maakten, maar waarbij met het verstrijken

van de jaren tachtig en negentig de voorkant op allerhande financiële, ideologische en

maatschappelijke tegenstromen begon te stuiten waardoor de massieve achterkant er

met toenemend geraas over heen stortte.

Daar zou een heel boek over te schrijven zijn. Maar in het kort kan je bijvoorbeeld

zeggen dat de economische crisis van begin jaren tachtig, en de bezuinigingen die deze

crisis tot gevolg had, de eerste tegenstroom vormde waar de voorkant van de golf op

stuitte. De weerstand werd verhevigd als gevolg van de opkomst van een neoliberale

ideologie en het daarbij horende zakelijke bedrijfseconomische (no nonsense) denken.

Centrum voor Social Work/ De Horst

7


Dat is van een heel andere orde dan het inclusieve denken van Boerwinkel.

De massieve achterkant van de vloedgolf leunde als gevolg van deze tegenstromen

steeds meer over de voorkant heen, om er uiteindelijk in het begin van de 21e eeuw

met veel geraas over heen te storten. Mijn stelling is dat we in het jaar 2002 met veel

aplomb definitief het razen van de jaren zestig en zeventig hebben afgesloten.

Sindsdien leven we in een nieuw en vooralsnog onduidelijk tijdperk. waarin de jaren

zeventig een herinnering geworden is. De metamorfose van Rita Verdonk, die deze

hele omslag persoonlijk geïncorporeerd heeft en uiteindelijk tegen de golf is gaan

zwemmen die haar ooit heeft opgetild, geeft aan dat het niet om andere of nieuwe

generaties gaat, maar om een veranderend klimaat dat in toenemende mate tot het

denken is doorgedrongen van de oude troepen die ooit in het front van de golf opereerden.

Het exclusieve denken rukt op

Daar valt veel meer over te zeggen en in mijn boek Koning Burger – Nederland als

zelfbedieningszaak heb ik daar ook al wat pogingen toe ondernomen, maar voor het

onderwerp dat ons vandaag bezighoudt is het van belang om de vraag te stellen wat

deze geschiedenis betekent voor de actualiteit van het inclusieve denken.

Ik denk dat we moeten constateren dat Boerwinkels gedachtegoed nu pas voor zijn

grootste beproeving is komen te staan. In zekere zin heeft zijn boodschap al die tijd

meegesurfd op de golf, maar nu ineens zie je dat het overspoeld dreigt te raken. Ik

vertel hier niets nieuws als ik constateer dat we op tal van terreinen het exclusieve

denken zien oprukken en het inclusieve denken zien wijken. Het inclusieve denken is

immers een vorm van denken die geënt is op een open mind, nieuwsgierigheid in de

ander, tolerantie, geduld, respect en mededogen en precies dat zijn mentaliteiten die

vandaag de dag niet verdwenen zijn, maar die niet langer meer de boventoon voeren

in het maatschappelijk denken en de opinievorming.

De voorbeelden daarvan liggen voor het oprapen. De grootste omslag hebben we

zien voltrekken op het terrein van de multiculturele samenleving, waarin – mede ook als

gevolg van internationale spanningen – de verhoudingen verstard zijn, het wantrouwen

groot is, de openheid verdwenen. Er is een klimaat van uitsluiting gegroeid, van nieuwe

apartheden. Kijk naar de werkloosheidscijfers, proef de stemming onder Marokkaanse

jongeren, loop door de grote steden en peil de meningen van Nederlanders en de

conclusie kan niet anders zijn dan dat een cultuur van relatieve overheid in ieder geval

in de ogen van de allochtone bevolking is omgezet in een cultuur van bijna ongrijpbare,

De actualiteit van inclusief denken


maar wel voelbare vernedering en achterstelling. Het inclusiviteitsparadigma heeft hier

in een korte periode veel terrein verloren. Buitenlanders proeven een ander Nederland

als ze hier komen, en dat is veelzeggend.

Maar dat is niet alleen in interculturele relaties aan de orde, je ziet het op veel meer

maatschappelijke terreinen. In de vormgeving van de sociale zekerheid, zie je het

wantrouwen in de mensen die ervan afhankelijk zijn toenemen. Je staat eerder onder

verdenking als je er gebruik van maakt, uit alles blijkt dat je er zo snel mogelijk met

harde hand moet worden uitgebonjourd. Kijk naar de razendsnelle opkomst van het

woord ‘echt’ in het politieke taalgebruik; je moet echt ziek zijn, echt arbeidsongeschikt,

echt hulpbehoevend; een taalgebruik dat op zijn minst de suggestie impliceert dat

heel veel mensen de kluit belazeren. Exclusiviteit is hier de toon gaan zetten.

En kijk naar het enthousiasme waarin wordt gepleit voor opvoedingskampen voor

jongeren, of over de heropening van psychiatrische woningen in de rust van Drenthe

wordt gesproken, of de roep om totale verbanning van TBS’ers uit het maatschappelijk

leven als er één ongeluk gebeurt, of de politieke en beleidsmatige aarzelingen over

verdere vermaatschappelijking van psychiatrische patiënten. Je kunt deze verschuivingen

simpelweg analyseren als een correctie op een te ver doorgeschoten optimisme van

het inclusiviteitsparadigma (en daar is zeker wat van waar), maar je kunt het ook zien als

een afscheid van het gevoel dat we elkaar bij de hand nemen, dat we de boel bij elkaar

moeten houden, dat we geen samenleving willen, waarbij de insiders ongestoord hun

leventje leiden en de outsiders uit het zicht gehouden worden.

Nieuw leven inblazen

Treur niet, het klinkt heel defaitistisch maar in werkelijkheid is het natuurlijk geen gelopen

koers. Er zijn nog genoeg gelovigen van het inclusiviteitsparadigma om het zo maar

even te zeggen, maar je ziet wel dat het tij veranderd is. De erfenis van Boerwinkel

vindt niet langer vanzelf zijn weg, maar de leer van het inclusief denken moet weer

verkondigd worden, nieuw leven ingeblazen. Je zou dus kunnen zeggen: juist nu komt

het erop aan, juist nu moet blijken dat die denkbeelden de moeite van het koesteren

waard zijn, dat ze nog steeds inspirerend kunnen werken.

Hoe zou dat moeten? Het heruitgeven van Boerwinkels boekje over Inclusief denken

lijkt mij een kansloze zaak. Ik vrees dat je het verplicht op de literatuurlijst van deze

academie moet zetten wil je nog wat exemplaren slijten. Je zult zijn boodschap dus

moeten herijken, je zult op zoek moeten gaan naar nieuwe ankerpunten. Nogmaals, ik

Centrum voor Social Work/ De Horst

9


0

ben geen Boerwinkel-kenner, en wat ik ervan weet is tot mij gekomen uit de samenvattingen

die ik van anderen heb gekregen. Maar wat ik daaruit begrepen heb is dat

Boerwinkel zijn inclusieve denken verankerde door zijn stelling dat zich een ‘mutatie

van de mensheid’ aan het voltrekken was, die om een andere wijze van denken vroeg.

Als oorzaak van die mutatie ontleedde hij verschillende ‘cascadische versnellingen’ die

sprongsgewijs tot grote maatschappelijke veranderingen zouden leiden.

Het gaat om de versnelling van de mobiliteit, versnelling in de het denken en ordenen

(computertechnologie), versnelling in de communicatie (televisie, telefonie). De lijst is

niet compleet, maar deze versnellingen vormden het decor waartegen Boerwinkel zijn

gedachten ordende. Simpel gezegd probeerde hij met zijn gedachtegoed een tegenwicht

te bieden tegen het oneindig accelereren van het maatschappelijke leven, want

waar de versnellingskrachten alles uit elkaar trekken, moet ons denken iets hebben dat

ons bijeen houdt, en dat is het inclusieve denken.

Versnellingen zijn doorgegaan...

Inmiddels zijn we veertig jaar verder. De door Boerwinkel voorziene versnelling heeft

op alle terreinen van het maatschappelijke leven inderdaad om zich heen gegrepen.

Niet alleen in de sfeer van bits and bytes, of in de snelheid van de mobiliteit, maar ook

in de vormgeving van het maatschappelijke en institutionele leven. De schaalvergrotingsoperaties

die de publieke sector in de greep hebben genomen sinds de jaren zeventig

zijn in mijn optiek evenzeer uitdrukkingen van de cascadische versnellingen die

Boerwinkel analyseerde. Daaronder moeten we dus niet alleen letterlijk fysieke versnelling

verstaan, maar ook de behoefte om omvattender en grootschalig te ordenen. Je zou

kunnen zeggen dat het trio: versnelling, vergroting en beheersing het mantra der

moderne tijd is geworden. Het is een drie-eenheid. Heel simpel uitgedrukt: de opkomst

van de managers, ook al een gevolg van de turbulentie die sinds de jaren zestig op

gang is gebracht, is ook een uitdrukking van de cascadische versnelling en de daarbij

horende technocratische behoefte tot beheersing.

... maar roepen ook tegenbeweging op

Ik denk dat Boerwinkel dat allemaal redelijk scherp heeft zien aankomen, maar wat hij

niet heeft kunnen voorzien is dat deze totaalbeweging van versnelling, vergroting en

beheersing tegelijkertijd zijn tegenbeweging zou gaan oproepen. Versnelling roept als

vanzelf vertraging op, schaalvergroting leidt tot de nieuwe behoefte aan overzichtelijkheid

en kleinschaligheid, en beheersing tot nieuwe ontsnappingen. Daar zijn talloze

De actualiteit van inclusief denken


voorbeelden van te vinden. Een jachtiger en drukker bestaan leidt tot een herverdeling

van zorg en arbeid en zorg, tot een groei aan deeltijdwerk, tot een opwaardering van

het privé leven. Grootschaliger organisaties, leiden tot bureaucratische beheersingsvormen

en hebben het gevolg dat er vanzelf behoefte staat aan nieuwe ordeningen,

kleinere werkverbanden, opdelingen in nieuwe kleine eenheden. Zoals je tegenwoordig

ook ziet dat de beheersing van professionele arbeid tot op de werkvloer leidt tot zichtbare

ongenoegens en pleidooien voor nieuwe vormen van professionele autonomie.

Zo kun je ook zeggen dat in de sociale sector de drie-eenheid van versnelling,

schaalvergroting en rationalisatie het werk in zijn greep heeft genomen. De versnelling

bestaat uit het optillen van dit werk uit de sfeer van liefdadigheid en het onderbrengen

in een resultaatsgericht en ongedurig overheidsbeleid, de schaalvergroting heeft in de

publieke sector nagenoeg alle kleine instellingen weggevaagd en de spanbreedte van

professionele organisaties in een periode van 20 jaar met een factor tien vermenigvuldigd

en de beheersing heeft geleid tot de cumulatieve reeks van registratie, toetsing

en verantwoordingsprocessen.

Maar je ziet ook – zeker de laatste jaren – de tegenbeweging ontstaan. Gevoed door

officiële denktanks van de regering, de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling, de

Wetenschappelijke raad voor het Regeringsbeleid, maar ook links en rechts in het land

zie je dat er een groeiend onbehagen ontstaat tegen de cultuur die de cascadische

versnelling heeft gebracht. Het gist, zoals dat ook aan de vooravond van de jaren zestig

het geval was. We hebben al geconcludeerd dat we in een ander tijdperk staan, daar

zou je aan de hand van deze tegenbewegingen aan toe kunnen voegen dat er opnieuw

een behoefte is aan een andere wijze van denken, van ordenen, van sturen.

Verzet tegen de verdinglijking

Ik denk dat het inclusieve denken van Boerwinkel zich met deze nieuwe tegenbewegingen

zou moeten zien te verbinden. Inclusief denken is in de eerste plaats relationeel denken,

denken over betrekkingen tussen mensen, en dus ook over betrekkingen tussen

professionals en burgers. Dat betekent dat je vanuit het inclusieve denken verzet moet

aantekenen tegen de verdinglijking van sociaal werk tot een product, tot een markt,

tot een consumentengoed. Daar ligt voor mij ook een belangrijk raakvlak tussen mijn

denken en dat van Boerwinkel. Ik pleit al jaren voor het feit dat een wezenlijk kenmerk

van het sociaal werk is dat het om een wederzijdse, inclusieve betrekking gaat. Zie mijn

pleidooien in het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken om de ordening en inrichting van

de publieke sector opnieuw te gaan denken vanuit de kleinst denkbare organisatorische

Centrum voor Social Work/ De Horst

1


2

eenheid: de relatie tussen professional(s) en burger(s).

En zo kan je meer ankerpunten maken voor een hedendaags inclusief denken.

Zo betekent inclusief denken in de praktijk van het sociaal werk dat niet de kantoorwerkelijkheid

of de instituutswerkelijkheid voorop staat in de professionele praktijk,

maar de leefwereld van burgers het werkterrein wordt. Inclusief denken betekent ook

nabijheid en aanwezigheid, en waar nodig sturend, modern paternalistisch optreden.

Inclusief denken betekent ruimte voor professioneel handelen, ruimte voor intuïtie,

harttocht en passie als brandstof voor professionele praktijken.

Inclusief denken nog steeds richtinggevend

Zo geformuleerd – en ik realiseer me dat het allemaal wat kortademig geformuleerd is

– bestaat de actualiteit van het inclusief denken uit het feit dat deze erfenis van

Boerwinkel ons met de intellectuele opgave opzadelt om de tekenen des tijds

opnieuw te verstaan, om vanuit dat begrip te bouwen aan nieuwe ordeningen en

nieuwe professionele praktijken in de sociale sector.

Die andere praktijken, dat nieuwe denken en ordenen is nodig omdat onze cultuur

meer en meer exclusief dreigt te worden, meer en meer een domein van insiders

dreigt te worden, waarin uitsluiting gewoon wordt. Openheid, nieuwsgierigheid,

dialoog, mededogen, interesse, respect, al die woorden die de brandstof vormen van

Boerwinkels denken zijn daarom niet meer vanzelf gegeven, maar de vitaliteit daarvan

zullen we dag in dag uit moeten gaan bewijzen in professionele praktijken. Dat vraagt

om andere manieren van denken, andere praktijken, andere organisaties. Dat vraagt

ook om het nodige eigentijdse denkwerk. De actualiteit van Boerwinkels inclusieve

denken bestaat eruit dat ze nog immer richtinggevend is. Alleen zullen we zelf de weg

moeten zien te vinden.

Een verkorte versie van deze voordracht is opgenomen in TSS Tijdschrift voor Sociale

Vraagstukken, oktober 2006, pp. 20-23, met als titel: ‘Recept tegen modern wantrouwen.

Feitse Boerwinkels inclusieve denken afgestoft.’

De actualiteit van inclusief denken


Mario nossin

Burgerschap en InclusIe:

oVer de BetekenIs Van het

clIëntenperspectIef

Mijn inleiding geef ik als titel: Burgerschap en inclusie. Ik wil onderzoeken tegen welke

belemmeringen mensen met een beperking aanlopen bij het realiseren van volwaardig

burgerschap en welke factoren volwaardig burgerschap kunnen bevorderen.

Maar laat ik allereerst bekennen dat ik van Boerwinkel nog nooit had gehoord, maar met

veel interesse heb ik nu zijn boekje Inclusief denken uit 19 gelezen. Behalve dat ik

zelf tegenwoordig in Amersfoort woon, zijn er toch wel interessantere overeenkomsten.

De actualiteit van ‘Inclusie’ en daarmee ook van Inclusief Denken heeft ook voor mij

een focus op ‘insluiten of uitsluiten’ en daarmee ook op ‘Samen-leving of Apart-leving’.

De persoon centraal

Wanneer wij kwaliteit evalueren vanuit het perspectief van de cliënt, dan kijken we

allereerst naar behoeftes en wensen van mensen. Daarbij gaan we uit van universele

behoeftes, dit zijn de behoeftes die voor iedereen gelden. Dan gaat het over respect en

waardering hebben voor elkaar, actief participeren, thuis kunnen zijn en jezelf kunnen

ontwikkelen, dat is dus INSLUITEN. Vanuit deze universele behoeftes richten we ons

vervolgens op de specifieke behoefte van een persoon, bijvoorbeeld leren koken of

vriendschappen onderhouden. Pas dan bekijken we welke ondersteuning daarbij past.

Uitgangspunt blijft de vraag van de persoon en wat is daarbij in zijn belang, zoals met

wie wil ik wonen en word ik met respect benaderd? Wie van u woont er in een ‘sociowoonvoorziening’,

wie van u heeft er ‘dagbesteding’? Deze programma’s/activiteiten

zijn uitvindingen van professionals en vallen voor mij onder de categorie UITSLUITEN.

Centrum voor Social Work/ De Horst


Een gewaardeerde sociale rol - een bijdrage leveren aan de samenleving

Een ‘inclusief’ leven betekent dat je waardevolle contacten hebt in de samenleving.

Contact met mensen die om je geven zoals familie, vrienden of mensen met dezelfde

interesses, met wie je woont, werkt of leert. Waardevol in de zin dat mensen zich in

“gewaardeerde sociale rollen” tot elkaar verhouden. INSLUITEN dus!!

De meeste mensen vervullen allerlei rollen tegelijkertijd in hun leven. Zij hebben een

aantal rollen die voortkomen uit de relaties die zij hebben op het gebied van werk, rollen

als burger etc. Ook gedurende de dag wisselt een persoon voortdurend van rol.

Mensen met een beperking blijven vaak hangen in hun rol als cliënt of bewoner omdat

ze vaak niet verder kunnen komen dan hun activiteiten op het dagcentrum of in de

(groeps)woning. Maar dat niet alleen, een rol is vaak beperkt omdat mensen met een

handicap meestal geen uitgebreid persoonlijk netwerk hebben (bijvoorbeeld alleen de

naaste familie). De meeste mensen die ze tegenkomen worden betaald om in hun

leven te zijn, UITSLUITEN dus! Om een gewaardeerde rol te hebben moeten ook zij

buurman, kind, zus, huurder, leerling, werknemer, student of vriend kunnen zijn. Dan

kun je vervolgens ook met vrienden naar een club gaan en niet als een cliënt met zijn

begeleider. Door dat te bewerkstelligen kan een belangrijk aspect van de traditionele

dienstverlening omgezet worden naar een passende ondersteuning in de samenleving.

Zeggenschap en regie

Een fundamentele behoefte van mensen, zo vertellen zij ons tijdens evaluaties, is om

zeggenschap over het eigen leven te hebben. Om volwaardig burgerschap te kunnen

realiseren is het van groot belang te voldoen aan de meest essentiële basisvoorwaarden

voor persoonlijke ontwikkeling namelijk: de bewustwording en de erkenning van

individuele behoeftes en wensen en daarmee de impliciete erkenning van het kunnen

hebben van regie over het eigen leven. Dat vraagt om een ondersteuning waarbij de

persoon wordt gevolgd, een ondersteuning die aansluit op de eigen kracht van mensen,

INSLUITEN. De ernst van de beperking kan daarbij nooit bepalend zijn voor het vraagstuk

waar en hoe mensen wonen, werken, onderwijs krijgen of hun vrije tijd besteden.

De persoon moet centraal staan en hij heeft regie over zijn eigen leven en staat in zijn

eigen kracht. Helaas zien we vaak dat echter de organisatie centraal staat en dus ook

het managen van de zorg, dit bevordert UITSLUITEN.

De actualiteit van inclusief denken


Perspectief is een toetsingsorganisatie: Onze bevindingen

Met een verhuizing vanuit de instelling zijn mensen midden in de samenleving komen

wonen, maar daarmee ben je er natuurlijk niet. Met een ‘verhuizing’ bedoel ik natuurlijk

alle mogelijke veranderingen in het leven van een persoon met een beperking.

Organisaties zetten hiermee een veranderingsproces in gang waardoor mensen in

principe deel hebben aan het gewone sociale leven zoals iedere burger. We concluderen

dat het van groot belang is door te gaan en nu de zoektocht met individuen aan te

gaan. Daarop moet geïnvesteerd worden, we willen immers de eenzaamheid van het

instituut niet vervangen door de eenzaamheid in de samenleving. Ik wil hier een aspect

nader toelichten, andere aspecten zal ik in de workshop verder bespreken.

Visie-ontwikkeling

Volwaardige burgers die participeren in de samenleving:

• kunnen zelf keuzes maken, de juiste opties zijn beschikbaar;

• worden met respect behandeld en hebben toegang tot ondersteuning om in de

samenleving te kunnen functioneren;

• kunnen relaties met anderen aangaan en onderhouden.

Opvallend is dat er in ‘de visie’ vaak niet vooraf, tijdens of na de verhuizing wordt

geïnvesteerd. Mensen, en ik bedoel zowel mensen met beperkingen, hun familie als

ook het personeel hebben overwegend weinig idee van de uitgangspunten van waaruit

wordt gewerkt. Beelden van datgene waar naar toe gewerkt wordt, ontbreken. Het

instituutsterrein mag dan wel weg zijn, maar wanneer het institutionele zorgdenken

niet wordt veranderd, blijven mensen cliënten. En blijf je instituten bouwen om hen

daarin een plaats te geven, ook al staan ze in woonwijken. Dat zien we terug in de

visie op mensen en in het taalgebruik: hoog niveau, laag niveau, deconcentratie,

groepsbegeleider. We zien het echter ook in het dagelijks handelen, in de structuur en

in het naar binnen gerichte werken. Vermaatschappelijking start met een heldere visie

op mensen en daarmee een visie op ondersteuning of support in de maatschappij.

Centrum voor Social Work/ De Horst


Wat horen we nog veel

- cliënten, afhankelijkheid

- problemen, doelgroepen

- hulpverleningsmethodieken

- woonvoorzieningen

- speciaal onderwijs

- Uitsluiten

De actualiteit van inclusief denken

Wat past bij burgerschap

- mensen als ieder ander, burgers

- universele/specifieke behoeftes

- ontwikkeling/leefplanning

- huis van iemand of werkplek in de buurt

- vriendschappen, sociale rollen, lokale

voorzieningen, onderwijs.

- Insluiten

Alle betrokkenen moeten daarom de uitgangspunten delen en zich daar

verantwoordelijk voor voelen, anders lukt het niet! Dat betekent onder meer dat alle

belanghebbende mensen (geen afvaardiging in de vorm van oudercommissie of iets

dergelijks!) een grote invloed moeten hebben op het proces en de verdere

ontwikkelingen.

Actie voor Inclusie

Kijken we vervolgens naar de ‘rollen’ die mensen in de samenleving hebben zoals

ouder of kind zijn, huurder, werknemer, leerling, geliefde, vriend, buurman, dan kunnen

we constateren dat in deze richting nog veel ontwikkelingen kunnen plaatsvinden zoals:

• Sociale netwerken versterken zodat vriendschappen een betere kans van slagen

hebben en de afhankelijkheid van professionals wordt verkleind;

• activiteiten in de samenleving ondernemen op basis van persoonlijke interesses;

• reguliere voorzieningen gebruiken op het gebied van werk, onderwijs, educatie en

welzijn.

Willen we deze rollen ontwikkelen dan moet zorg losgekoppeld zijn van alle andere

functies en rollen in het leven. Het aspect ‘wonen’ richt zich op de rol van huurder,

koper of buurman. ‘Dagbesteding’ richt zich op de rol van bakker, boer, leerling/student

of postbezorger. De medische zorg komt van de huisarts of misschien de verpleegkundige

thuiszorg.

Conclusie: Daadwerkelijke Inclusie is Insluiten in de Samen-leving.


Daarover gaat ook de workshop, ik zal dan dieper ingaan op de praktijk, het volgende

komt aan de orde:

1. Organisatie: support en ondersteuning

We zien nog steeds traditionele, hiërarchische organisaties met structuren waarin

professionals dominant zijn: doktoren, gedragsdeskundigen en multidisciplinaire teams.

Hier wordt veel over mensen gesproken en voor mensen gedacht. Vragen van mensen

worden vertaald naar een zorgaanbod, waarin de focus vooral de ‘beperkingen” zijn

van mensen. Er is deskundigheid voor handen, maar die heeft betrekking op het

omgaan met handicaps.

De visie waarbij de persoon centraal staat vraagt om een andere opbouw van de

ondersteuning, immers behoeftes van het individu en het ontwikkelen van een

persoonlijk netwerk staan daarbij centraal. Om hier aan tegemoet te kunnen komen zal

het nodig zijn een nieuwe opbouw en infrastructuur te ontwikkelen.

Bij de omslag naar ondersteuning gericht op kwaliteit en burgerschap ligt het

perspectief in de samenleving. Een samenleving die in verband gebracht kan worden met

tal van begrippen zoals vriendschappen, huisvesting, werk, relaties, winkelen, hobby’s

of uitgaan. Voorzieningen waar iedere burger gebruik van kan maken, verzorging

neemt dan een veel minder prominente plaats in. De ondersteuning is zodanig

georganiseerd dat de regie bij de mensen zelf ligt en ze biedt elk individu kansen zich

verder te ontwikkelen in gewaardeerde sociale rollen.

2. Van Interne Gerichtheid naar Samenleving en Samenwerking

We zien vaak een grote inzet en betrokkenheid van mensen en een aantal pogingen om

mensen te ondersteunen om optimaal gebruik te gaan maken van de mogelijkheden

die de nieuwe omgeving hen biedt. Het gaat bij inclusie om versterking en verbreding

van persoonlijke en sociale netwerken, waarin mensen zich verbonden voelen omdat

ze elkaar iets te bieden hebben en daar plezier aan beleven. Daarbij maken mensen

vanzelfsprekend gebruik van voorzieningen die voor iedereen bedoeld zijn.

Medewerkers zullen zich nieuwe vaardigheden eigen moeten kunnen maken en de

organisatie zal daarvoor de voorwaarden moeten scheppen. Om de ondersteuning te

kunnen afstemmen op wat de persoon wenselijk vindt zal hij de belangrijkste stem

moeten hebben in wie de ondersteuning gaat leveren en op welke momenten: de

organisatie levert haar dienstverlening op basis van die vraag. Daarnaast zullen medewerkers

nauwer moeten gaan samenwerken met mensen in de maatschappij. Dat zijn

Centrum voor Social Work/ De Horst

7


naast de mensen uit het natuurlijke netwerk ook vrijwilligers, reguliere instellingen zoals

gemeenten, thuiszorg en bedrijven. Dit is een omslag van het traditionele ‘zorgen voor’

naar ‘ondersteunen van’.

Hier heeft de organisatie een belangrijke rol. De stijl van leidinggeven zal faciliterend

zijn en het leerklimaat heeft daarbij een sterke relatie met het dagelijks handelen in de

praktijk. Een persoonlijk ontwikkelplan voor de medewerkers kan daarbij behulpzaam

zijn met het daarbij behorende persoonlijke budget.

3. Maatschappelijke ontwikkelingen

• De ‘markt’ wordt steeds verder vrijgegeven, maar zijn er ook daadwerkelijk opties

om een keuze uit te kunnen maken; is er ook een breder aanbod?

• Het PGB geeft meer koopkrachtmogelijkheden, kun je dat betalen?

• De WMO legt verantwoordelijkheden bij gemeenten; horen burgers met een handicap

er voor hen ook bij?

• Zorgkantoren bestuderen wat er ‘verzekerd’ moet worden, welke indicaties?

Hoe de persoon het best tot zijn recht kan komen, in plaats van hoe de organisatie het

beste gestructureerd kan worden blijft hierbij een belangrijke vraag die nauwelijks

gesteld wordt! Er zijn belemmeringen, maar ook mogelijkheden. Samenvattend zou ik

willen zeggen dat een maatschappij die wil bevorderen dat mensen deel hebben en

kunnen bijdragen aan een inclusieve samenleving, de volgende kenmerken heeft:

• Vermaatschappelijking start met een heldere visie op mensen en support.

• De persoon staat centraal, wat is voor hem belangrijk.

• Kijk vanuit een breed perspectief naar het gehele leven van een persoon met zijn

algemene en specifieke behoeftes. Zorg is losgekoppeld van andere aspecten van

het leven.

• Mensen hebben gewaardeerde sociale rollen, zij willen niet blijven hangen in de rol

van cliënt maar willen buurman, bakker of student zijn!

• De regie ligt bij mensen zelf en hun netwerk. Zij nodigen mensen uit die van

betekenis zijn in hun leven en zij hebben de vrijheid om een leef/werkwijze te kiezen

die bij hen past.

• De organisatie investeert en ontwikkelt verschillende rollen en functies die nodig

zijn zoals coach, facilitator en belangenbehartiger zonder daar op voorhand rigide

taken aan te verbinden.

De actualiteit van inclusief denken


• Strategieën zijn gericht op verbondenheid. Nieuwe vaardigheden worden eigen

gemaakt op het gebied van intensief samenwerken met alle betrokkenen rond een

persoon. vooral ook uit reguliere voorzieningen

• Een nieuwe opbouw en infrastructuur wordt ontwikkeld van waaruit genoemde

processen gefaciliteerd kunnen worden los van de dagelijkse dienstverlening aan

mensen en met een onderscheid tussen dagelijkse diensten als (ver)zorg(ing) en

diensten als belangenbehartiging, ondersteuning en dergelijke.

Centrum voor Social Work/ De Horst

9


0

Jan van der MeuLen

de kamers, een plek Voor

cultuur en ontmoetIng In

amersfoort-noord

Ter voorbereiding voor deze studiedag kreeg ik het boekje van Feitse Boerwinkel

opgestuurd. Ik heb het in één adem uitgelezen; ik werd geraakt door de actuele

inhoud en ik besefte toen dat waar wij mee bezig zijn een naam heeft: Inclusief denken.

Eindelijk hoorden wij ergens bij!

Als beeldend kunstenaar ben ik geschoold in vrij en creatief denken en het onderzoeken

en bewandelen van nieuwe paden. Ik heb twintig jaar als beeldend kunstenaar en Art

Director vanuit mijn eigen vormgevingsbureau gewerkt. In 1999 heb ik mijn bedrijf

verkocht omdat ik meer maatschappelijke uitdagingen aan wilde gaan.

Werkend en wonend in Amersfoort –Noord, een vinex locatie, ontstond het idee en

het verlangen om een plek te realiseren waar cultuur en ontmoeting mogelijk was. Die

droom deel ik met Jos van Oord. Hij is al jaren werkzaam als dominee in diverse vinex

locaties.

Samen zijn we gestart met De Kamers.

We zijn nu drie jaar verder en bouwen dit jaar in Vathorst/ Amersfoort-noord een eigen

huis. Een gek en mooi gebouw met o.a. een woonkamer met een open haard, hier hoef

je even niks: een hangplek voor volwassenen, een eetkamer als restaurant, een theater/

filmkamer met plaats voor honderd bezoekers als plek voor kwaliteit en try-outs.

En dat doen we niet alleen: inmiddels zijn in de diverse Kamers al zo’n veertig vrijwilligers

actief.

De actualiteit van inclusief denken


Zolang ons eigen huis nog niet klaar is hebben we onderdak in wat wij noemen logeerkamers.

Wijkcentra, kerken, scholen, sporthallen, in de buitenlucht en bestaande woningen.

Ons eigen gebouw is geen doel maar een middel om straks verder te kunnen groeien.

De Kamers is als gebouw ook een soort casco waar ruimtes bewust onbestemd zijn,

een open en verleidelijke plek voor ontmoeting en nieuwe initiatieven.

In ons werk laten wij ons leiden door een aantal basisprincipes.

Als eerste geldt: De Kamers is er voor iedereen.

Een voorbeeld: Stadsgenoten/Disgenoten.

Maandelijks organiseren wij een maaltijd bereid door vrijwilligers/kamerleden voor

nieuwe inwoners van Vathorst en gasten uit de rest van Amersfoort.

Elke maaltijd heeft een thema, meestal gelinkt aan het werk van een kunstenaar.

Nieuwe bewoners uit Vathorst wordt de kans geboden om anderen te ontmoeten en

bewoners buiten Vathorst komen nieuwsgierig kijken wat er in zo’n nieuwe wijk nu

eigenlijk te beleven is. Het publiek is divers, oud jong, alleen of samen.

Ook bewoners met een verstandelijke beperking schuiven regelmatig aan.

De inbreng van de kunstenaar zorgt meestal voor een verrassende en uitnodigende

sfeer.

De Kamers zorgt voor de randvoorwaarde, het casco en de gasten doen de rest.

In een dergelijke activiteit wordt een tweede principe duidelijk: CULTUUR IS HET

MIDDEL.

Bijvoorbeeld ook in onze leeskamer.

Een aantal vrijwilligers wilden iets met literatuur en ontmoeting doen, de leeskamer

was geboren. Als resultaat een prachtige middag met een kinderboekenschrijfster en

met basisscholieren een aantal workshops.

Na het leggen van contact met de Bibliotheek van Amersfoort is gezamenlijk een plan

ingediend voor een aanvraag voor een landelijk fonds bibliotheek vernieuwing

Literatuur als aanjager tot sociale cohesie.

Doelgroep kinderen, jongeren, volwassenen.

De toegekende projectsubsidie maakt het ons mogelijk om de komende drie jaar hierin

een flinke stap te maken.

Centrum voor Social Work/ De Horst

1


2

Book crossing, bewoners bieden zelf hun favoriete boek aan via een digitaal netwerk

voor een openbare wijk bibliotheek.

Projecten waar verbindingen worden gelegd tussen literatuur, film, muziek theater,

maaltijden en educatie.

Basisscholieren en jongeren maken en beleven hun eigen boek.

Het allerbelangrijkste principe voor de Kamers is:

TEKORT EN OVERVLOED VINDEN ELKAAR.

De Kamers legt verbindingen die voor alle partijen wat opleveren.

De Kamers fungeert als spin in het web: zorgt voor verbindingen tussen allerlei

verschillende partijen en mensen. Maakt mensen en organisaties bewust dat zij wat te

bieden hebben. Vaak méér dan ooit gedacht. Tekort en overvloed vinden elkaar.

Bijvoorbeeld: voor de opzet van de organisatie en het gebouw: bouwers, accountants,

bank, ROC, adviesbureau, bibliotheek, maatschappelijke organisaties (allemaal vanuit

betrokken ondernemen)

Maar vooral ook bij de uitvoering van onze activiteiten. Een prachtig voorbeeld

daarvan is een spectaculaire dag die wij in januari hebben georganiseerd

Aan het hof van Mozart. (In het kader van het Mozart jaar)

In Vathorst staat een prachtig nieuw gebouw, het Brink Cluster en dat gebouw geeft

onderdak aan vier basisscholen en kinderdagverblijven.

Het is een gebouw volgens het brede-school-concept, een proces dat door de

diversiteit van de scholen nog een lange weg te gaan heeft.

Een prima plek voor een brede culturele ontmoeting!

Directies van de scholen en collega’s, kinderen en ouders werd gevraagd om actief

mee te doen, waar enthousiast op werd gereageerd.

Met behulp van stagiaires, jongeren, kamerleden, mensen van Amerpoort (verstandelijke

beperking), ingehuurde krachten en de nodige attributen hebben we het moderne

gebouw omgetoverd in een achttiende-eeuws Paleis.

De behoefte om samen iets te doen is er!

Even geen vergadering maar samen verkleed hoofse dansen instuderen en elkaar op

De actualiteit van inclusief denken


een andere manier ontmoeten. Een dag waar kinderen en hun ouders samen dansles

krijgen, muziek maken, Wiener schnitzel eten en met andere ogen naar elkaar en naar

de juffen en meesters kijken.

Het geheel werd door bedrijven en de gemeente Amersfoort financieel mogelijk gemaakt.

Een flink project dat door een kwalitatieve voorbereiding (voor een groot deel door

een stagiaire) door meerdere partijen werd uitgevoerd.

Gemeente Amersfoort

De activiteiten van De Kamers zijn voor de Gemeente Amersfoort niet onopgemerkt

gebleven.

Een particulier initiatief dat door vrijwilligers en met financiële steun van bedrijven en

fondsen, met een hypotheek van de Rabobank, een rol van betekenis begint te spelen

in wijkopbouw en sociale cohesie?

Hoe verhoudt zich dat met bestaande beleidsnotities en langlopende contracten met

bestaande partijen?

Bij gesprekken met de afdeling cultuur van de gemeente werden we doorgestuurd

naar de Afdeling Welzijn en van Welzijn weer naar Cultuur.

Waar horen wij thuis, welk etiket past ons?

De Kamers wil zich met haar activiteiten richten op alle bewoners, kinderen, jongeren,

de dertiger, veertiger en +, de vitale senior, allochtoon/ autochtoon, man en vrouw.

Beleidsmatig verdeeld in doelgroepen, budgetten en bijbehorende afdelingen en niet

met elkaar verbonden.

Prachtige voorbeelden van exclusief en inclusief denken hebben we aan den lijve

ondervonden, bij anderen, maar ook bij onszelf.

Maar geïnspireerd door de voelbare behoefte en noodzaak van deze tijd om breder te

denken en te handelen, dwars door muren van bestaande denkpatronen en heilige

huisjes heen, hebben wij ons pad vervolgd.

Eind vorig jaar heeft de gemeente De Kamers gevraagd om op een eigentijdse wijze

invulling te geven aan het welzijnsbudget voor Vathorst en een regierol te vervullen

voor de brede scholen.

Enthousiast door het lef van een wethouder en de politiek om deze keuze te maken en

voor onszelf de kans om professioneel verder te groeien, hebben wij hier ja opgezegd.

Niet De Kamers als welzijnsorganisatie maar als maatschappelijke projectontwikkelaars.

Centrum voor Social Work/ De Horst


Een regisseursrol in een nieuwe wijk van 12.000 woningen, met bewoners van alle leeftijden,

kleuren en standen.

Wij willen graag een creatieve en doelgerichte speler zijn die verbindingen legt tussen

mensen, maatschappelijke organisaties, scholen en bedrijven.

Een casco zijn als leerplek voor jongeren en volwassenen.

Een partij die bruggen slaat tussen cultuur en welzijn, tussen tekort en overvloed, tussen

vraag en talent en tussen exclusief en inclusief denken.

Het is net als in de liefde, het mag van beide kanten komen.

Ik dank u wel.

www.dekamers.nl

De actualiteit van inclusief denken


HerMa tiGcHeLaar

feItse BoerwInkel als

InspIrator Voor dIVersIteIt

en multIculturalIteIt

Inleiding

In het huidige multiculturele debat spelen denkbeelden van Feitse Boerwinkel, soms

verborgen, soms openlijk en met naamsvermelding, een rol. Boerwinkel inspireert mij

in het denken van diversiteit. In dit artikel presenteer ik vier perspectieven, die voortborduren

op de thematiek van inclusie en exclusie. Deze worden gepresenteerd in

relatie tot een aantal passages en kerngedachten uit Boerwinkels meest bekende

boek: Inclusief denken.

Bij het eerste perspectief gaat het om het centrale motto van Boerwinkel. Zijn

programma voor inclusief-denkers luidt: Beseffen dat ons heil samenhangt met hun

heil. In de Epiloog van zijn boek behandelt Boerwinkel de verhouding tussen “Israël en

de Arabieren”. Zoals bij elk wereldwijd thema dat Boerwinkel aansnijdt, is ook dit nog

‘akelig’ actueel. Voor conflicterende partijen (in dit geval Israël en de Arabieren) is zelfoverwinning

en zelfbeheersing het adagium. Voor de derde partij, de buitenstaanders is

het adagium: “Wij kunnen daarbij als niet-joden en niet-Arabieren onmogelijk als

toeschouwers met de armen over elkaar afwachtend blijven kijken of zij tot een nieuwe

verhouding komen. Inclusief denken betekent in dit geval voor ons: hun zaak als de

onze beschouwen. Beseffen dat ons heil samenhangt met hun heil – a matter of life

and death” 1 . Dit brengt me bij de eerste invalshoek: de mensheid is een familie.

Hierbij laat ik me al verder denkend inspireren door Ron Evans, een indiaanse

Chippewa-Cree medicijnman, afkomstig uit Canada.

De tweede invalshoek begint bij de opvatting van Boerwinkel dat inclusief denken

Centrum voor Social Work/ De Horst


gecombineerd wordt met inclusief handelen. Boerwinkel betoogt zeer genuanceerd:

“Dit omzetten van ons denken, dit om-denken, gaat aan een nieuw handelen vooraf.

Dit betekent niet, dat men eerst met een nieuw denken klaar moet zijn, voor men tot

een nieuw handelen kan komen. Er is hier een voortdurende wisselwerking: elk begin

van nieuw handelen versterkt ook weer een nieuw denken”.(p.27). Hier leg ik verbanden

naar de thematiek van diversiteitsbeleid in organisaties en interculturele communicatie.

Edwin Hoffman is een van de bekendste theoretici in Nederland op dit gebied. Hij maakt

gebruik van de theorie van Boerwinkel.

De derde invalshoek is het perspectief van zwarte migranten en vluchtelingenvrouwen.

Gloria Wekker is inspirator van het “Kruispuntdenken” dat in vrouwenstudies en

etnische studies eind jaren ‘90 en begin 2000 wordt ontwikkeld. Haar denkbeelden

presenteer ik in enkele verhalen.

De vierde invalshoek sluit aan bij Hoofdstuk van het boek van Boerwinkel. Dit gaat

over inclusief denken in de praktijk. Boerwinkel benadrukt dat het van belang is te

beginnen bij het macro-inclusieve denken, het denken in afmetingen van grote wereldproblemen.

Dit macro-denken kan echter pas plaatsvinden als het gesteund wordt

door een inclusief denken in de kleine dagelijkse verhoudingen waarin wij leven.

Scholen, vormingsinstituten, kerken en levensbeschouwelijke organisaties, maar ook

massamedia hebben hierin een taak. Wat betreft levensbeschouwing benadrukt

Boerwinkel het vinden van nieuwe mogelijkheden in het contact met andere godsdiensten

en met degenen die niet tot een bepaalde godsdienst behoren. Hier

presenteer ik enkele resultaten uit een recent eigen onderzoek in een social work

instelling. Enkele social workers van moslimhuize presenteren hun – wat ik nu zou

noemen- inclusieve visie op de plek van religie in de praktijk van jeugdzorg.

1. ‘The family of man’ en ‘We are a People’: Ron Evans

Een inclusief denken betekent dat mijn heil (geluk, leven, welvaart) alleen verkregen

kan worden als ik tegelijk het heil van de ander beoog en bevorder. (27) Mijn geluk

hangt samen met het geluk van anderen. Boerwinkel concretiseert dit met: “Het kan in

een gezin niet goed gaan als 1 lid wordt verwaarloosd of uitgesloten. (Dat zal ons vroeg

af laat opbreken)”.(2 ) Zo is het ook in het groot: met de family of man: wij kunnen

alleen overleven door samen te leven. (2 )

Elke moderne social worker kent het verschil tussen ik-culturen en wij-culturen. (welke

theorie je ook aanspreekt; of het Pinto is, Hofstede en Hofstede of Trompenaars 2 .)

De actualiteit van inclusief denken


Boerwinkel kiest het principe van de wij-cultuur als hij het heeft over de family of man.

Hij zegt: dit besef is al heel oud en in allerlei godsdiensten en culturen aanwezig. Hij

citeert onder andere de Chinese wijsgeer Confucius. Deze zegt: ‘Alle mensen tussen

de vier zeeën zijn broeders’.(29) Ook de joodse profeet Amos waarschuwde zijn volksgenoten

al om toch vooral niet te denken dat God hen superieur acht boven andere

volken.

Ik voeg daaraan toe het perspectief van een indiaans medicijnman. Ron Evans.

Hij geeft teachings, uitgenodigd door Toinette Loeffen , docent Hogeschool Utrecht.

Een van de lessen die ik leerde van Ron Evans, treffend voor mij als docent, gaat over

leren. Het concept teaching kennen wij niet als indianen. Bij ons is het ‘be aware’:

neem waar, wees aanwezig, wees erbij. Het gaat zo van: Grandma: Ik wil leren naaien.

Grandson: watch me. Hoe krijg je de draad door de naald? Grandson: watch me… Dat

is leren en dat is lesgeven.

Boerwinkels idee van ‘the family of man’ noemt Ron Evans: ‘We are a people’.

Indianen kennen geen rassen of etniciteit: mensen zijn ‘a people. In zijn verhalen trof

me het gebruik van de woorden son, brother, sister, grandson. Elke oude man kan

grootvader genoemd worden en hij kan elke jongere man kleinzoon noemen, kan hem

grandson noemen als dat gevoel er is. Net als ik mijn beste vriendin voel als mijn zus.

Een verhaal van Ron Evans illustreert dit: “Op een avond ging ik op bezoek bij een

oude man van mijn volk. Hij is echt oud. Hij zit bij het vuur in de avond. Ik kom op

bezoek. “Oh grandson, there you are”… We zitten samen bij het vuur. We spreken

lange tijd niet. Wij hoeven niet te spreken als we samen zijn. Na een lang stil samen

zijn zegt hij: “Grandson, het is zo fijn dat we hier samen zitten. We weten niet of er

een volgende keer is. Misschien ga jij dood voor de volgende keer en misschien ik.”

Het concept ‘we are a people’ strekt zich uit voorbij de levende mensen. Het gaat

ook over voorouders en geesten. Net als bij de Afrikaanse Ashanti: zij spreken over ‘de

levende doden’. Dat zijn de doden die nog levend zijn in de herinneringen en de

verhalen van de levenden. Het geloof in het (voort)bestaan van voorouders gaat

eigenlijk meer over de continuïteit van de familie over de grenzen van de dood dan

over het voortbestaan van het individu. Het geeft aan dat het bestaan van een mens

sterk wordt bepaald door zijn of haar lidmaatschap van een familie. Een familie kan

worden beschouwd als bestaand uit een gemeenschap van de levenden en de doden.

In deze Ashanti-gedachte is Boerwinkel een levende dode.

Centrum voor Social Work/ De Horst

7


2. Inclusief handelen vormt de kern van een multiculturele organisatie: Edwin Hoffman

Je hoeft niet eerst met een nieuw denken klaar te zijn voor je tot een nieuw handelen

kunt komen (27). Denken en doen gaan samen, zegt Boerwinkel. Elk begin van nieuw

handelen, versterkt ook weer nieuw denken. Op deze lijn gaat Edwin Hoffman verder.

Hij is bekend om zijn boek over Interculturele gespreksvoering.

Hij wijdt in zijn boek een hoofdstuk aan organisatiebeleid en machtsprocessen binnen

organisaties. In dit hoofdstuk bespreekt hij Boerwinkels concept van inclusief denken.

Inclusief denken en handelen is, zo stelt Hoffman, uitgangspunt van het managen van

diversiteit binnen organisaties. Hij vertaalt het als íntegraal rekening houden van

organisaties met (in dit verband) autochtonen en allochtonen. “Het gaat hierbij om

een inclusief organisatiemodel dat pluriform van karakter is. Binnen de organisatie is

ruimte voor en erkenning van verschillen. Vanuit zo’n model wordt niet exclusief

(uit-sluitend) gedacht en gehandeld in termen van wij en zij: van wij autochtone

Nederlanders en zij allochtonen, of andersom, maar vanuit een wij-gevoel: wij

medewerkers en onze cliënten.”

Exclusief denken is een denken in tegenstellingen: Boerwinkel: “Of mijn groep wint

of de zijne”. Daarbij is men er steeds op uit geweest om zich met mensen te verbinden

TEGEN andere mensen – groepen. Exclusief denken leidt tot uitsluiting van personen

en groepen. Edwin Hoffman: betrekt bij interculturele communicatieproblemen op de

werkvloer altijd ook de organisatorische context, dat wil zeggen de functionele context.

In trainingen,cursussen en workshops geeft Edwin Hoffman inclusief handelen ‘handen

en voeten.’ Ik geef een aantal voorbeelden uit een Post-hbo opleiding “De kracht van

Diversiteit’. 7 Het zijn voorbeelden die cursisten naar voren brachten.

Een voetbalclub wil geen allochtone kinderen meer aannemen, omdat deze ouders

niet langs de lijn staan en niet meerijden, halen en brengen. Een inclusief perspectief

leidt tot een andere benadering. We zijn een goede voetbalclub voor alle kinderen.

Ze hadden kunnen zeggen: we nemen geen kinderen aan van wie de ouders niet mee

gaan. Bekijk het functioneel en inclusief. Een ander voorbeeld betreft taalcursussen voor

allochtonen of voor iedereen die zijn rapportages wil verbeteren. Dat laatste is waar

Hoffman vanuit het principe van erkende gelijkheid voor pleit. Zorg dat je organisatie

iedereen insluit. Biedt de cursussen aan iedereen aan. Maar wees ook niet bang voor het

nemen van bepaalde aparte maatregelen voor bepaalde groepen vanuit het principe

van erkende diversiteit.

Of nog een voorbeeld: Een maatschappelijk werker kan bij sommige gelegenheden

De actualiteit van inclusief denken


eter bij crisissituaties interveniëren wanneer hij het in het Arabisch doet. Waarom zou

dat niet mogen als het effect van de communicatie dan groter is? Erken het effect van

gebruik van eigen taal. Maar doe het dan wel zo dat je je collega niet uitsluit. Zeg er

even iets van tegen je collega wanneer je in het Arabisch spreekt. Zorg dat er niemand

is uitgesloten.

Een laatste voorbeeld: Een politieman solliciteert. Tijdens het sollicitatiegesprek blijkt

dat hij vrouwen geen hand wil geven, geïnspireerd door zijn geloof. De juiste vraag is

dan: wat betekent dat voor de uitoefening van zijn functie? Stel dat hij bijvoorbeeld in

situaties van gevaar vrouwen niet wil aanraken. Kijk met de ogen van de ander en stel

dan vragen in het sollicitatiegesprek: maak het functioneel en professioneel. Wat

betekent dat voor je werk als politieagent.

Ik vind het een prachtig refrein: bekijk het functioneel.

3. Inclusief handelen en wisselen van perspectief: Gloria Wekker

Gloria Wekker publiceerde samen met andere Nederlandse zwarte, migranten- en

vluchtelingenvrouwen in 2001 het boek “Caleidoscopische Visies”. In het hoofdstuk:

“De ontwikkeling van het gender- en etniciteitsdenken, en identiteiten” geven Gloria

Wekker en Helma Lutz inzicht in de theorie van het gender- en etniciteitsdenken en

illustreren aan de hand van een case de toepassing van deze inzichten. In dit hoofdstuk

wordt het concept ‘inclusief denken’ besproken, (overigens zonder verwijzing naar

Boerwinkel). Zij plaatsen het tegen-de-ander-denken tegenover ‘en-en’ denken: “Het

kost moeite deze andere, inclusievere manier van denken aan te leren en in de praktijk

te brengen. Het betekent immers dat we willen breken met de gewoonte in binaire,

hiërarchische categorieën te denken die steeds opnieuw uitsluiting produceren.”( 1)

Het Kruispuntdenken daarentegen propageert het EN-EN perspectief: combineert

verschillende perspectieven: het bekijkt gender, etniciteit en alle andere ordenende

mechanismen niet apart, maar gaat ervan uit dat ze allemaal tegelijkertijd werkzaam

zijn en samen tot stand komen, elkaar co-construeren. Inclusief en dynamisch denken.

In deze theorie wordt ervan uitgegaan dat onze identiteiten meervoudig zijn.

Uitsluiting en insluiting is meervoudig en wisselt van perspectief. Om dit te verduidelijken

geef ik een aantal voorbeelden.

Verhaal 1: Vrouwensynode, Kerk en Wereld 1992.

In het jaar 1992 vindt op vormingscentrum Kerk en Wereld in Driebergen een Vrouwensynode

plaats. Feministische christelijke vrouwen uit heel Nederland verzamelen zich

Centrum voor Social Work/ De Horst

9


0

op Kerk en Wereld op het terrein naast Hogeschool De Horst. Zij houden een kerkvergadering

om de regels en de dogma’s van de Nederlandse kerken te veranderen,

vrouwvriendelijker te maken. Op de conferentie breekt echter de pleuris uit. De

veronderstelde gedeelde identiteit ‘vrouwen’ is op eerdere vrouwensynodes meermalen

ter discussie gesteld door zwarte vrouwen. De witte meerderheid houdt zich doof. Tot op

die ochtend voor het ontbijt een groep zwarte vrouwen een actie voert. Zij verschijnen

met boeien en kettingen geketend op de groene grasvlakten, naast Hogeschool

De Horst. Het is een verwijzing naar de slavernij. En naar de verschillen tussen zwarte

en witte vrouwen.

Verhaal 2: Sojourner Truth

Hun actie was een echo van een actie die in Amerika plaatsvond in 1 . Sojourner

Truth (1797-1 ), een voormalige slavin, die geboren werd als eigendom van een rijke

Nederlandse slavenmeester in de Staat New York. Deze vrouw was actief, zowel in de

beweging voor de afschaffing van de slavernij als in de vrouwenbeweging. Tijdens een

campagne voor stemrecht van Amerikaanse vrouwen (1 ), voerde zij het woord. Ze

vertelde over haar leven en vroeg telkens weer “Ain’t I a woman?” (Ben ik dan geen

vrouw?)

Verhaal 3: Het privilege van de homo pleegouder

In het tijdschrift The Psychologist (mei 200 ) schrijven twee onderzoekers uit Australië

over ‘the ignorance van mainstream psychology’; dat veel psychologen weigeren om

cultureel competent te werken met -isms: sexisme, homophobia, ageism, racism,

ethnocentrism and so forth. Naast dit artikel staat als illustratie een ervaringsverhaal

van een homo pleegouder. 9 Hij vertelt over zijn ervaringen tijdens een bijeenkomst met

pleegouders. Er waren daar zowel heteroseksuele pleegouders als lesbische en homoseksuele

pleegouders aanwezig. “Ik voelde me bemoedigd door de manier waarop de

social worker met me sprak over pleegouderschap in een relatie tussen twee mannen of

twee vrouwen”. De heteroseksuele pleegouders luisterden, knikten, en ondersteunden

wat ik naar voren bracht. It felt amazing. Er werd naar hem geluisterd zowel door deze

hetero-ouders als door de social worker.

Maar dan vraagt in de pauze, in de wandelgangen, één van deze Australische pleegouders

aan de social worker hoe het gaat met het probleem van de Aboriginals.

Het gebouw waar zij waren, was namelijk gebouwd op grond waar onrust over was.

Het land behoorde aan de Aboriginals. Traditioneel waren zij de eigenaars. De social

De actualiteit van inclusief denken


worker antwoordde:“Ik denk wel goed”. Er bleek een conflict te zijn over de grond

tussen het witte gemeentebestuur en de indigenous people die traditioneel het land

waarop de stad was gebouwd, bewoonden. De vrouw die de vraag stelde, zei dat ze

zich altijd ongemakkelijk voelde in dit gebouw, als ze naar buiten ging voor een sigaret

of lunch en dan zaten er Aboriginals buiten en vroegen haar om een sigaret of om

geld. ‘Ik heb er geen problemen mee’, zei de social worker.

De homoseksuele pleegouder beschrijft zijn gevoelens van ongemak. Ook omdat er

twee social workers bij stonden, die zelf ook indianen waren. Hij zei echter niks. Zijn

positieve ervaring van veiligheid in deze groep die vooral bestond uit witte heteroseksuele

Australiërs liet hij voorgaan boven het sociale onrecht dat ter sprake werd

gebracht. Het bracht hem tot stilzwijgende instemming. Hij nam niet het risico om te

confronteren.

Zijn eigen reflectie was: Dit kon ik doen door mijn gesitueerdheid als wit persoon.

Alle witte mensen zijn medeplichtig aan racisme. Het was niet simpel zo eenvoudig dat

deze mensen racistisch waren en ik niet. “I stand to benefit from the same privileges

as they do, and I too live on land stolen from indigenous people.” Dit verhaal laat zien

hoe privileges en uitsluiting nauw verbonden zijn. Ik als homo man heb vaak oppression

ervaren, maar ik heb geen racisme ervaren. Ik kan me permitteren om te zwijgen. Ik heb

mijn ervaring van ingesloten worden laten voorgaan boven mijn medeplichtigheid aan

uitsluiting. Dit noem ik zelf: racisme door nalatigheid, medeplichtigheid, zwijgen.

In de lijn van Gloria Wekker kunnen we dit ervaringsverhaal analyseren als: uitsluiting

en insluiting is meervoudig en wisselt van perspectief.

Boerwinkel: ‘Der Mensch ist ein Abgrund, es schwindelt einem, wenn man hinunterschaut’.

(2 )

4. Inclusief Religie: Islam op de agenda van social work

Graag geef ik tenslotte enkele voorbeelden uit het onderzoek dat Said Satyane en ik

deden, vanuit het lectoraat Diversiteit en de multiculturele competentie (Hogeschool

Utrecht/ Centrum De Horst.) We interviewden social workers, werkzaam bij Bureau

Jeugdzorg Utrecht. We spraken met hulpverleners die zelf van moslimhuize zijn en

vroegen hen naar hun ervaringen met families die ook van moslimafkomst zijn.

De vraagstelling betrof de inclusie van het religieuze perspectief in Social Work.

Gebruik je religieuze invalshoeken in je hulpverlening? vroegen wij hen. Ik laat tenslotte

enkele van deze social workers aan het woord.

Centrum voor Social Work/ De Horst

1


2

Basishouding

Ik beweeg mij binnen het religieuze zingevingssysteem van de cliënt. “Hoe kunt u

ervoor zorgen dat uw religie u kan helpen. U vindt dat van belang, Ik vind dat ook van

belang en ik heb er ook alle vertrouwen in. Je hoeft niet te discussiëren over religieuze

zaken. Je beschouwt het als waarheid. Je hebt een open houding. Prima dat dit zo is

voor u

Ik gebruik eventueel religie als onderdeel van mijn professioneel handelen. De cliënt

zal zich, als hij zich erkend voelt ook meer baat hebben van de hulpverlening. Mijn

uitgangspunt is: ‘Ik accepteer waar je vandaan komt en maak gebruik van datgene

waar je zo sterk in bent. En als u verwezen wilt worden en naast mij met iemand anders

wilt praten is dat prima. Als dat een imam is Prima. Als dat een alternatief genezer is,

prima. Als het een pandit is: ook prima! 10

Relativering

Ik stem af op de normen en gebruiken van het gezin waar ik kom. Men maakt een

inschatting of het gebruik van religie gewenst is of niet. Niets is vanzelfsprekend. Ik kom

in gezinnen waar tegen me wordt gezegd: “U bent Marokkaan, Maar ga het me niet

over de islam hebben’.

Laatste voorbeeld

Het laatste voorbeeld komt van een vrouw die een gezin begeleidt dat meer

praktiserend is dan zijzelf.

Hoewel ik er westers uitzie, ben ik wel op de hoogte van waarden en normen en de

verplichtingen in de islam. Ik heb daar een duidelijk standpunt over. Dan krijg je ook

respect. Ook van oudere mannen die aanzien genieten. Iemand heeft eens tegen mij

gezegd: ‘Ik heb uiteindelijk heel veel respect voor u gekregen. Ik merk dat je ons

begrijpt en aan onze kant staat. Ik wens jou een plaats in de hemel. Je bent een echte

moslima.’

Ik heb zijn dochter naar huis gehaald. Ze was weggelopen en ze voelde zich hopeloos

ongelukkig in de instelling waar ze was. Haar vader wilde haar niet meer in huis nemen.

Het is ons uiteindelijk gelukt haar weer terug naar huis te laten gaan, waarbij zowel

haar vader als zij een beetje water in de wijn moesten doen. (Laat hij niet horen dat ik

dit zeg) De vader was zo blij haar terug te hebben. Hij was degene die dat gezegd

heeft tegen mij. 11

De actualiteit van inclusief denken


De boodschap van deze hulpverleners is eigenlijk: doe normaal over religie. Ook als je

zelf niet religieus bent, of het wel bent geweest, maar niet meer bent (dan wordt het

al moeilijker), ook als je genoeg redenen hebt om je af te keren van religie of als je

een andere levensbeschouwing aanhangt…

Om met Boerwinkel te spreken: “Beteugel je gevoelens en maak ze dienstbaar aan

constructieve strevingen.” Ik zou zeggen: Doe normaal over religie; dat hoort bij je vak.

Ik besluit deze verhalen met een wens voor Feitse Boerwinkel: Ik wens jou een plaats

in de hemel…

Noten

1 Boerwinkel, Feitse, Inclusief denken (1966), 89.

2 Pinto, David (2005), ‘De wereld volgens Pinto - Gedragsgids voor het nieuwe Nederland’,

Uitgeverij Karakter Uitgevers B.V., ISBN: 90-6112-862-5; Hofstede, Geert & Hofstede, Gert-Jan,

(2005) Allemaal andersdenkenden. Amsterdam, Uitgeverij Contact; Trompenaars, Fons (1998),

Riding the waver of culture. Understandig cultural diversity in business, Nicolas Brealy.

3 www.storiesandstones.nl

4 Marleen De Witte (2001), Long live the dead, Changing funeral celebrations in Asante, Ghana,

Amsterdam, Aksan Academic Publishers, 26.

5 Edwin Hoffman (2002), Interculturele gespreksvoering. Theorie en praktijk van het TOPOI-model,

Houten, Bohn Stafleu van Loghum.

6 Edwin Hoffman (2002), 288.

7 Post-HBO Leergang ‘De kracht van diversiteit’: aangeboden door Hogeschool Utrecht/ Centrum

voor Social Work/ De Horst en Fontys Hogescholen, Eindhoven, april – juni 2006.

8 Gloria Wekker, Maayke Botman en Nancy Jouwe ed. (2001), Caleidoscopische Visies. Zwarte,

Migranten- en Vluchtelingen- Vrouwenbeweging in Nederland. (Amsterdam: Koninklijk Instituut

voor de Tropen.

9 The Psychologist (mei 2006), 11.

10 Said Satyane & Herma Tigchelaar (2005), Ik wens jou een plaats in de hemel. Hulpverleners

spelen in op de religieuze achtergrond van moslimcliënten. Horstcahier 25. Centrum voor

Social Work/ De Horst Amersfoort, 21, 22.

11 Ibid, 36, 37.

Centrum voor Social Work/ De Horst


Gerrit WoLfsWinKeL

workshop: een deltaplan

Voor de grIjze golf

Een grijze golf overspoelt Europa. Het is een angstaanjagend beeld waar slechts met

grote vrees over gesproken wordt: hoe moet het als over 20 jaar de gemiddelde leeftijd

in Europa ruim jaar is en er 9 niet-productieven staan tegenover iedere 100

productieven?

Wat betekent dit voor de economie, voor de inkomens, voor de zorg? Moeten we

weer gastarbeiders gaan werven of geboorte stimuleren, langer doorwerken of iets

van onze welvaart inleveren? Hoe solidair zijn de toekomstige jongere generaties?

Het zijn vooral politieke vragen, maar hoewel regeren vooruitzien heet, is politiek

bedrijven vooral gericht op korte termijn successen. In deze workshop werden de

dilemma’s geschetst en de alternatieven gewogen. Hoe bedreigend is de vergrijzing

en wie lopen de grootste risico’s en wat zijn eigenlijk de voordelen van een ouder

wordende bevolking?

Aan deze workshop namen 1 mensen van zeer uiteenlopende leeftijd deel, ook de

man-vrouw verhouding was aardig in evenwicht.

In mijn inleiding kwamen verschillende componenten aan de orde die met deze

problematiek samenhangen:

1. Het begrip oud

2. Demografische ontwikkelingen in Nederland en Europa

. De rol en betekenis van arbeid voor het individu

. De ontwikkeling van de verzorgingsstaat, gezien in het licht van Europese en mondiale

ontwikkelingen

. Economische en politieke keuzen

. Ten slotte werd een viertal stellingen besproken.

De actualiteit van inclusief denken


Het verloop van de workshop

De discussie vond al tijdens de inleiding plaats. De implicaties van het thema zijn zeer

divers en complex en dat bleek ook wel uit het verloop van het gesprek. Het werd een

zeer levendige gedachtewisseling, die weliswaar niet leidde tot afgeronde conclusies

(dat zou ook niet kunnen), maar waarbij wel duidelijk was dat de vergrijzing, in samenhang

met ontgroening, multi-culturalisering en mondialisering niet gezien hoeft te

worden als een boven ons hangende donkere wolk van onzekerheid en rampspoed,

maar als een ontwikkeling die heel goed in banen (in twee betekenissen) te leiden is,

mits de politiek daar de passende maatregelen toe neemt.

Ook werd onderschreven dat het om meer gaat dan een economisch vraagstuk, maar

dat het een kwestie is die de kwaliteit van de samenleving als geheel betreft. We kunnen

deze ontwikkeling niet overlaten aan een simpel marktdenken.

Een korte samenvatting van de inhoud van de workshop

1. Het begrip oud.

Dit begrip werd behandeld vanuit verschillende invalshoeken:

- in termen van wet- en regelgeving: arbeidswetten, ontwikkeling verzorgingsstaat,

pensioeneisen in een historisch kader;

- in termen van gezondheid: ontwikkelingen van de levensverwachting van

verschillende bevolkingsgroepen, lichamelijke en geestelijke veroudering;

- in termen van carrière: vergroting van de arbeidsparticipatie van oudere werknemers,

toename van het aantal buitenshuis werkende vrouwen, verschuiving verplichte

pensioenleeftijd van naar 7 jaar, uitzendbureaus voor -plussers, demotie.

2. Demografische ontwikkelingen in Nederland en Europa

Ter vergelijking tussen de landen van de Europese Unie werden cijfers gepresenteerd

over de gemiddelde leeftijd. Nederland hoort (na Ierland) tot de landen met de jongste

bevolking. In 2001 was de gemiddelde leeftijd van de Nederlander , jaar, de

Ieren zijn gemiddeld , jaar.

In Zweden, Duitsland en Frankrijk ligt de gemiddelde leeftijd momenteel het hoogste.

Over 20 jaar bestaat de EU uit gemiddeld uit veertigers (van 9,9 nu tot , in 202 )

In 2001 stonden nog 27 niet-productieven tegenover 100 potentieel productieven, in

202 zijn dat er 9.

Het aantal gepensioneerden stijgt het snelst in Finland, Italië, (beide op de 100),

Centrum voor Social Work/ De Horst


Duitsland en Frankrijk. Daarbij vergeleken blijft de Nederlandse situatie beheersbaar, al

is er onmiskenbaar sprake van een probleem dat om een structurele oplossing vraagt.

3. De rol en betekenis van arbeid voor het individu

Er kwamen een viertal aspecten van arbeid aan de orde: arbeid ter verwerving van

inkomen, arbeid als zingeving, arbeid als tijdsbesteding en arbeid als statusindicatie

Ook werd de belastbaarheid van ouderen in het arbeidsproces besproken en de

noodzaak van een leeftijdsbewust personeelsbeleid.

Verder kwam de beeldvorming over oudere werknemers aan de orde (productiviteit,

ziekteverzuim, kennisontwikkeling, motivatie, salariëring).

4. De ontwikkeling van de verzorgingsstaat, gezien in het licht van Europese en

mondiale ontwikkelingen

Mondialisering (in economisch opzicht) is een van de thema’s die momenteel het

sterkst het politieke klimaat bepalen. De ideologie van de vrije markt is oppermachtig

en daaraan zijn andere belangen als sociale rechtvaardigheid, een gezond milieu,

duurzaamheid en zelfs vrede en veiligheid ondergeschikt. Gevolgen: arbeidsmigratie,

productieverplaatsing naar ‘lage lonen landen’, milieubelasting door productie en

transport, groeiende verschillen tussen arm en rijk.

5. Economische en politieke keuzen

In de politiek worden verschillende oplossingen aangedragen, zoals een AOW-spaarfonds,

het fiscaliseren van de AOW, versneld aflossen van de staatsschuld, langer

doorwerken. Daarbij speelt ook de vraag naar de solidariteit tussen de generaties: tot

welke premiehoogte zijn de komende generaties bereid te gaan om de AOW te kunnen

betalen? Andere voorstellen betreffen het bevorderen van het krijgen van kinderen door

premies, het aantrekken van buitenlandse werknemers, meer vrouwen aan het werk,

het terugdringen van arbeidsongeschiktheid en werkloosheid.

Naast de vraag naar arbeidsproductiviteit speelt ook de vraag naar de kosten van de

gezondheid. Ouderen, zeker van boven de 7 jaar, hebben in verhouding veel gezondheidsproblemen.

Dit leidt tot stijging van de kosten van de gezondheidszorg. Daar valt

echter nog wel iets over te zeggen:

Gezondheidsproblemen treden vooral op tijdens de laatste jaren van het leven. Wordt

iedereen gemiddeld vijf jaar ouder, dan schuiven die dure jaren ook mee, blijkt uit een

onderzoek van de Wereldbank uit 1999 en komen er dus niet bij.

De actualiteit van inclusief denken


In verhouding tot het BBP zijn de kosten voor de gezondheidszorg de laatste jaren

niet gestegen. De Wet van Baumol, (William Baumol, USA,1922) die stelt dat de

productiviteitsstijging in de dienstverlenende beroepen – dus ook de zorg – eindig is,

stelt juist dat in een groeiende economie de uitgaven voor de gezondheidszorg wel

moeten stijgen om de salarissen in de pas te laten lopen met de marktsector.

6. Conclusies in de vorm van stellingen.

Stelling 1

Gezien de sterk verbeterde gezondheidssituatie en de langere levensverwachting is het

juist dat de pensioengerechtigde leeftijd – net als in Duitsland - geleidelijk verhoogd

wordt naar 7 jaar.

Ontslagregelingen op basis van leeftijd moeten verboden worden.

Stelling 2

Om de verzorgingsstaat in stand te houden en spanningen tussen generaties te voorkomen

moet de AOW gefiscaliseerd worden, dat wil zeggen dat de AOW-uitkeringen

niet langer uit premies worden betaald, maar uit belastingopbrengsten zodat de rijkere

ouderen meebetalen aan de stijgende AOW-lasten.

Stelling

Het is moreel verwerpelijk om kenniswerkers uit landen als India hierheen te halen,

terwijl ze voor de ontwikkeling van hun eigen land hard nodig zijn.

Stelling

Geld uit de levensloopregelingen mag niet gebruikt worden voor vroegpensioen.

Centrum voor Social Work/ De Horst

7


cHarLotte van BesouW

InclusIef denken

en huIselIjk geweld

“Mag ik een persoonlijke vraag stellen?”, vraag ik aan het begin van de workshopbijeenkomst.

“Mag ik vragen wie van jullie persoonlijk ervaring heeft met huiselijk geweld?”

Het mag en een tiental deelnemers (van de 2 ) steekt een hand op. Zo ongeveer

conform de landelijke onderzoeksgegevens dus.

“Ik denk dat wij allemaal met huiselijk geweld te maken hebben of hebben gehad”,

zeg ik daarop.

De knuppel in het hoenderhok: inclusief denken over huiselijk geweld.

Op deze vermetele stelling ontstaat commotie en er volgt een heftige discussie. Een

deel van de groep verzet zich tegen de stelling. Zij vinden het belangrijk om “huiselijk

geweld” af te bakenen en op maat passende hulp te bieden en passend beleid te

ontwikkelen. Het is onrechtvaardig voor slachtoffers van huiselijk geweld om hun

problemen te bagatelliseren door ze niet te onderscheiden net zo als het onrechtvaardig

is om iedereen te beschuldigen van dader- en/of slachtoffergedrag.

Opvallend is dat degenen, die hun vinger hadden opgestoken bij de vraag of ze met

huiselijk geweld te maken hadden (gehad) – en ik hoor daar zelf ook bij – zich prima in

de stelling kunnen vinden. Misschien hebben de persoonlijke zoektochten om huiselijk

geweld te begrijpen en te verwoorden het geweld menselijker proporties gegeven.

Het is nu eenmaal fijner om de mensen van wie je houdt niet als on-mensen/niet-mensen

te zien, maar als gewone mensen bij wie gewone zaken dramatisch uit de hand zijn

gelopen. Geweld normaal maken, maakt het hanteerbaarder en geeft hoop.

Een derde deel in de groep twijfelt. Hoe belangrijk is het om de eigen pijn te onderkennen

om die van de ander te kunnen verdragen? Hoeveel moet je vergeven van je

eigen ouders en van jezelf als ouder om begrip op te kunnen brengen voor ouders die

De actualiteit van inclusief denken


hun kinderen mishandelen?

Inclusief denken over huiselijk geweld. Slapende honden wakker maken. Zou dat de

bedoeling zijn? Jammer, dat we het Feitse Boerwinkel niet meer kunnen vragen...

Centrum voor Social Work/ De Horst

9


70

Bureau eMpoWerMent

InclusIef of exclusIef?

Vrijdag 12 mei 200 , een studiedag over het ‘inclusief denken’ van Feitse Boerwinkel

op de HU in Amersfoort. De ochtend begon om 11 uur in een overvolle collegezaal

– naar schatting 1 0 deelnemers – , gevuld met oud- en huidige studenten van

De Horst. De leeftijd varieerde van 19 tot jaar!!

De opening zou gedaan worden door directeur Anneke Menger, maar helaas moest zij

het af laten weten wegens ziekte. Zij werd goed vervangen door haar collega-directeur

Léon van de Griendt. Na wat opstartproblemen met de microfoon, kon de ochtend

beginnen.

De eerste spreker was Arriën Kruyt, wethouder van Amersfoort, die trots was dat

deze dag werd georganiseerd en nog wel in Amersfoort, de geboorteplaats van Feitse

Boerwinkel. Hij sprak over het antagonistische denken in de politiek en zette dit af

tegen het inclusieve denken van Boerwinkel, die de problemen in 19 al onderkende.

Hij besloot met het voorstel om het gebouw van HU Amersfoort de naam van

Boerwinkel te geven, bijvoorbeeld het Boerwinkel College.

Maarten van der Linde zou met hulp van lichtbeelden een biografische schets van

Boerwinkel presenteren, maar hij werd onderbroken door twee leden van het bureau

Empowerment, studenten die dit jaar afstuderen. Zij hadden ontdekt dat er heel veel

aanmeldingen waren voor de workshop van Hans Achterhuis en dat die niet allemaal

geplaatst konden worden. Er moest dus een selectie gaan plaats vinden. Om deze

selectie uit te voeren hadden zij drie vragen opgesteld, die beantwoord moesten worden

door de mensen die zich voor deze workshop hadden ingeschreven. Deze drie vragen

werden gepresenteerd met een PowerPoint presentatie. Er waren drie categorieën

met elk één vraag. De categorieën waren: Niveau, IQ en EQ. Wie de vraag ‘goed’ had

beantwoord, kreeg een formulier waarmee hij/zij aan de workshop mee kon doen.

De zaal deed helemaal mee en iedereen zag er de humor wel van in, ook vanwege de

soepele en humoristische manier waarop het geheel werd gebracht. Na elke vraag was

de animo voor een formulier erg groot.

De actualiteit van inclusief denken


Na de drie vragen werden de studenten onderbroken door een derde student die

boos was omdat dit een dag was over inclusief denken en deze selectie daar dus echt

haaks op stond. Zij eindigde met een citaat van Feitse Boerwinkel.

Na deze actie kon Maarten toch nog beginnen met de korte biografie van Feitse

Boerwinkel, deze werd aangekleed met verschillende foto’s van Feitse en de omgeving

waarin hij opgroeide.

De volgende spreker was Hans Achterhuis, hij had jaar geleden scherpe kritiek

geuit op het boek van Feitse Boerwinkel en was op het matje geroepen. Hij had in de

voorbereiding voor deze dag het artikel nog eens nagelezen en was geschrokken van

de felle toon die hij toen had gebruikt. Hij heeft toentertijd een persoonlijk gesprek

gehad met Feitse en was tevreden over hoe het gesprek was verlopen. Toch bleek uit

zijn betoog dat hij nog steeds dezelfde kritiek had op het inclusieve denken.

Hans Achterhuis werd afgelost door Jos van der Lans, die geheel onbekend was met

Feitse Boerwinkel. Dit verklaarde hij door de verzuiling die er in die tijd heerste. Jos

groeide op in de katholieke zuil en Boerwinkel opereerde toch vooral binnen het

protestantse volksdeel. Elke zuil beleefde zijn eigen jaren ‘ 0 en ’70; er was geen tijd

en aandacht voor een kijkje bij ‘een andere zuil’. Van der Lans was voorstander van een

vertaling van Boerwinkels inclusieve denken naar het nieuwe tijdperk waarin we nu leven.

Na al deze sprekers was het de hoogste tijd om te lunchen. Hier werd gretig gebruik

van gemaakt.

We werden bij de lunch als Bureau veel spontaan aangesproken door mensen die in de

zaal hadden gezeten en meegedaan hadden aan ‘de selectie’ voor de workshop van

Hans Achterhuis’. De reacties waren positief, het ging van ‘verfrissend’, ‘een leuke

afwisseling’ in een ochtend van alleen maar luisteren tot een mevrouw van 7 die mij

vertelde dat ze echt wel een beetje geschrokken was. Ze dacht altijd dat ze overal

over nadacht en een helder oordeel kon vellen maar dat ze in dit geval alleen maar

dacht dat ze zo’n formuliertje wilde hebben om toch maar mee te kunnen doen aan de

workshop. Toen ik zei dat we uiteindelijk allemaal toch een soort schapen waren,

moest ze lachen en gaf dat ruiterlijk toe.

De middag stond geheel in het teken van de workshops. Voor onze workshop hadden

Centrum voor Social Work/ De Horst

71


72

zich 10 mensen aangemeld. Er kwamen er uiteindelijk wat minder maar we hebben het

opgevuld met bureauleden.

We hadden drie stellingen genomen:

• Verplichte sterilisatie voor verstandelijk gehandicapten;

• Staatsopvoeding voor probleemjongeren en

• Verplicht ouderschapsexamen.

De bedoeling was om met elkaar in gesprek te komen hoe we met deze dilemma’s uit

de praktijk van het inclusief denken omgaan. Inclusief denken betekent namelijk ook

keuzes maken, kleur bekennen.

Joost was de discussieleider en legde uit wat wij vanmiddag gingen doen met het

thema ‘inclusief denken’.

De eerste stelling, staatsopvoeding voor probleemjongeren, werd ingeleid door Julio

en Ron waarbij de één voor en de ander tegen was. Hierna kwam de discussie op gang

door een casus die een opbouw had in de problematiek van een jongen van 1 jaar

die steeds verder van het rechte pad afraakte.

Joost voegde steeds meer toe zodat we ‘vanzelf’ op het thema ouderschapsexamen

en verplichte sterilisatie voor verstandelijk gehandicapten kwamen. We dachten dat de

twee uur die we hadden voor de workshop te lang zou zijn maar de discussie kwam

goed op gang en voor we het wisten was het tijd om te stoppen. De feedback van de

deelnemers was positief, ze hadden het een interessante middag gevonden met veel

zaken waar nog maar eens goed over nagedacht moest worden.

De middag werd afgesloten met een borrel in de lounge.

De actualiteit van inclusief denken


HerMan noordeGraaf

het InclusIeVe denken Van

feItse BoerwInkel

Op 12 mei jongstleden vond er een studiedag plaats ter gelegenheid van de honderdste

geboortedag van Feitse Boerwinkel. Daarbij stond centraal de actuele betekenis van

diens boekje over Inclusief denken, waarvan veertig jaar gelden – in 19 dus – de

eerste druk verscheen. 1

De naam Boerwinkel is onlosmakelijk verbonden met die van het instituut Kerk en

Wereld, dat van 19 tot 200 te Driebergen gevestigd was, en van Academie De

Horst (de latere hogeschool) die tot 200 in Driebergen was gevestigd. Als centrum

voor opleiding van ‘werkers in kerkelijke arbeid’ (de zogeheten wika’s), voor cursussen

en vormingswerk, studie, beraad en conferenties was Kerk en Wereld de uitdrukking

bij uitstek van het apostolaire streven en elan van de Nederlandse Hervormde Kerk.

Tezamen met het Haagse cluster rondom de Synode vormde Kerk en Wereld het

institutionele complex dat de vernieuwing van de hervormde kerk na de Tweede

Wereldoorlog vorm gaf en waaraan – voor de eerste fase tot in de jaren zestig - roemruchte

namen verbonden waren als die van F.J. Pop, H. Berkhof, W. Banning, J.P. Kruijt,

A.W. Kist, J.M. de Jong en dus ook die van Boerwinkel. 2

Boerwinkel (190 -19 7) was na werkzaam te zijn als docent Nederlands en geschiedenis

van 19 tot 19 directeur van Kerk en Wereld en van 19 tot 1971 ook directeur

van de School van Maatschappelijk Werk/Acdemie De Horst. Hij doceerde cultuurgeschiedenis,

hedendaagse politieke en geestelijke stromingen en moderne literatuur

en poëzie – een vakkenpakket waarin hij zijn brede culturele, sociale en politieke

belangstelling goed kwijt kon.

Biografie

Boerwinkels biografie moet nog geschreven worden, maar op de genoemde studiedag

Centrum voor Social Work/ De Horst

7


7

werd wel een boek gepresenteerd, dat hiervoor de bouwstenen bevat: Feitse

Boerwinkel, inclusief denker van de hand van de historicus Maarten van der Linde,

dè historicus van Kerk en Wereld/De Horst. Het bevat drie delen: allereerst een

biografische schets inclusief een overzicht van zijn geschriften, dan volgt een deel over

zijn boek Inclusief denken waarin de inhoud, de reacties en de invloed van dit geschrift

aan de orde komen. Tot slot zijn drie autobiografische schetsen uit de nalatenschap

afgedrukt. Ik beveel deze uitgave van harte aan voor diegenen die nader kennis willen

nemen van Boerwinkels leven en denken en concentreer me nu op zijn pleidooi voor

‘inclusief denken’, een gevleugelde uitdrukking die, zoals Van der Linde laat zien,

regelmatig opduikt, ook heeft men lang niet altijd weet waar die oorspronkelijk

vandaan komt.

Mens of dino

Inclusief denken verscheen zoals gezegd in 19 en werd een bestseller: het beleefde

19 drukken, er werden 000 exemplaren van verkocht en het werd in het Spaans en

het Engels vertaald. In dit boekje van nog geen honderd bladzijden stelde Boerwinkel

het oude exclusieve denken tegenover het inclusieve denken. Het eerste kenmerkt

zich door een of-of denken en is derhalve antagonistisch: of hij gaat eraan of ik.

Inclusief denken daarentegen is een denken dat er principieel vanuit gaat dat mijn heil

(geluk, leven, welvaart) niet verkregen wordt ten koste van of zonder de ander, maar

dat dit alleen verkregen kan worden als ik tegelijk het heil van de ander beoog en

bevorder. Dit is niet in de eerste plaats idealistisch, maar bovenal realistisch en

verstandig. Het is dwaas om het niet te doen. De mensheid vormt één groot gezin en

als één lid lijdt, lijden alle leden. Deze wijsheid is al oud en te vinden in allerlei religies,

maar heeft een een beklemmende actualiteit door veranderingen van kwalitatieve aard,

die ons een nieuw tijdperk doen ingaan. Boerwinkel noemt een zestal ‘cascadische

versnellingen’, namelijk in het voortbewegen, in het denken (wetenschap, computer

enzovoort), in de vernietigingskracht (waarbij vooral aan de atoombom valt te denken),

‘hoogterecords’ (de raket naar de maan), de bevolkingstoename en de communicatie.

Op een meer algemene noemer gebracht wijst (in mijn woorden samengevat)

Boerwinkel dus op de toenemende afhankelijkheid van mensen van elkaar, waarbij door

de groei van kennen en kunnen het menselijk handelen steeds ingrijpender gevolgen

heeft. Wil, aldus Boerwinkel, de mens niet het lot van de dinosaurussen ondergaan, dan

zal hij dit alles in zijn denken moeten verdisconteren. Dit nieuwe denken zal er, ondanks

de push-factoren die liggen in de zich voordoende ontwikkelingen, niet vanzelf komen.

De actualiteit van inclusief denken


Het vergt moed om de situatie waarin wij verkeren, recht in de ogen te zien en vindingrijkheid

en geloof om tot en adequaat handelen te komen. Ook worden mensen mede

door irrationele factoren bepaald: de rol van de ratio is beperkt. Met Teilhard de

Chardin wijst Boerwinkel er daarom op dat er ook en ‘pull’, een aantrekkende kracht

nodig is, die van de ware ‘supersoon’, die de ware superliefde is. Hoewel het woord

ethos Boerwinkels bedoeling wellicht beter had weergegeven, koos hij toch voor het

woord denken, omdat hij het accent wil leggen op de intellectuele inspanning die

nodig is om tot verheldering te komen en verder dan allerlei vage gevoelens.

In zijn strategische doordenking pleit Boerwinkel, geïllustreerd met praktijkvoorbeelden,

voor een combinatie van macro- en microstrategieën, waarbij hij bij het laatste grote

waarde toekent aan educatie en vorming. Daarbij hebben ook kerken en levensbeschouwelijke

organisaties en rol te vervullen.

Einde of nieuw begin?

Wat is nu nog de betekenis van dit pleidooi voor inclusief denken? Boerwinkels

verhandeling zijn uiteraard sterk gestempeld door de tijd waarin hij leefde, zoals toen

nog de Koude Oorlog. De hedendaagse vraagstukken van (om het kort aan te duiden)

de positie van de islam, de verhouding tussen allochtonen en autochtonen, de opkomt

van het populisme en nog andere te noemen ontwikkelingen komen begrijpelijkerwijs

niet of nauwelijks aan de orde. Hoewel hij sprak in termen van ‘mogelijkheid’, heeft hij

waarschijnlijk niet verwacht dat de tegenkrachten zo sterk zouden zijn. Ik geef daarvan

een voorbeeld uit een volgend boek van zijn hand.

Boerwinkel heeft zijn lievelingsthema van tijdperken en overgangsperioden, waar zijn

belangstelling voor denkers als Toynbee, Jaspers en Teilhard de Chardin bij aansluit,

verder uitgewerkt in zijn boek Einde of nieuw begin? Ook dit vond veel weerklank en

is vooral in kerkelijk toerustingswerk gebruikt. Hij ziet daarin een versneld ten einde

gaan van het agrarisch, het constantijns en het renaissancistisch tijdperk alsmede dat

van de blanke suprematie, de mannensuprematie en van de joodse ballingschap.

We staan op al deze fronten voor de mogelijkheid van een nieuw begin. Eén van de

punten die hij daarbij noemt is het ten einde lopen van het liberaal economisch stelsel.

Dat roept dringend de vraag op van communale vormen van productie en distributie

en een andere verdeling van macht en bezit. Welnu, die mogelijkheid is niet benut.

Vanaf de tweede helft van de jaren zeventig zien we juist de opkomst van neoconservatieve

en neoliberale ideologieën en een daardoor geïnspireerd beleid, die

tendensen van uitsluiting en van grotere wordende sociaal-economische verschillen en

Centrum voor Social Work/ De Horst

7


7

de door Boerwinkel genoemde versnellingen alleen maar hebben versterkt.

Daarmee is echter niet gezegd dat de principiële kern van Boerwinkels pleidooi achterhaald

is. Deze heeft juist aan actualiteit gewonnen: bij vraagstukken van integratie, de

positie van mensen met beperkingen, arm-rijkverhoudingen, toekomstige generaties

enzovoort is steeds de vraag in het geding of het denken, het handelen en het beleid

van dominante groepen zich kenmerkt door inclusief of door exclusief denken. In het

laatste geval worden de belangen van niet-dominante groepen niet of maar ten dele

meegewogen en vindt de normering éénzijdig vanuit de dominant plaats. Bij het in

acht nemen van een langer tijdsperspectief vallen eigenbelang en morele overwegingen

van rechtvaardigheid in hoge mate samen. De onevenwichtigheden in onze wereldsamenleving

roepen zoveel spanningen op, maken reeds zoveel slachtoffers, dat het

geen kwestie van doemdenken is, maar van realistisch inzicht om te zien dat dit niet

goed kan blijven gaan (en dat al in hoge mate niet doet). Maar het grote knelpunt

blijft het gebrek aan doorwerking daarvan in het denken en handelen op korte termijn.

Meer dan het gewone

In dat verband lijken mij inzichten uit Boerwinkels derde bestseller, Meer dan het

gewone , van belang. Van de boeken uit zijn trilogie komt daarin de betekenis van het

christelijke geloof voor het bewerken van het nieuwe begin het meest uitdrukkelijk aan

de orde. Belangrijk is daarbij de Bergrede. Deze proclameert niet, zoals Boerwinkel

laat zien, een of andere supermoraal, maar een kompas voor het dagelijkse leven

biedt. Eén van de sleutels voor het begrijpen van de Bergrede ligt voor Boerwinkel,

net als voor Bonhoeffer, in de woorden ‘meer dan het gewone’ (vgl. Matteüs : 7).

Met een ethiek, vul ik nu aan, die alleen op wederkerigheid is gebaseerd (ik doe iets,

omdat ik er iets voor terugkrijg), komen we niet uit. Deze heeft zijn betekenis en zal

ook vanwege haar grote stuwkracht benut moeten worden. In die zin blijft intellectuele

verheldering hard nodig om het ‘verlichte eigenbelang’ zichtbaar te maken. Maar om

dit te kunnen verdiepen is ook een ethiek van ‘meer dan het gewone’, als een ethos

van door liefde gevoede praktische wijsheid noodzakelijk en mensen en groepen die

zich in hun denken en inzet daardoor laten inspireren. Zo hebben we alle drie de boeken

van Boerwinkel nodig om het inclusieve denken, waarvan het belang alleen nog maar

aan kracht gewonnen heeft, te stimuleren tegen het exclusieve denken in.

De actualiteit van inclusief denken


Noten

1 F. Boerwinkel, Inclusief denken. Een andere tijd vraagt een ander denken, Werkgroep 2000/

Paul Brand, Hilversum/ Antwerpen 1966.

2 Zo treffend: H.E.S. Woldring, D.Th. Kuiper, Reformatorische maatschappijkritiek. Ontwikkelingen op

het gebied van sociale filosofie en sociologie in de kring van het Nederlandse protestantisme

van de 19e eeuw tot heden, J.H. Kok, Kampen 1980, p. 309/310. Op het terrein van Kerk en

Wereld is sinds 2003 gevestigd het Management Centrum VNO-NCW de Baak; op het terrein van

Hogeschool De Horst is sinds 2006 de particuliere school Maupertuus gevestigd.

3 Maarten van der Linde, Feitse Boerwinkel, inclusief denker, Horstcahier 26, Centrum voor Social

Work/De Horst, Amersfoort 2006 (tel. 033- 4212400; info.dehorst@hu.nl). Van der Linde publi-

ceerde onder meer ook: Werkelijk, ik kan alles. Werkers in kerkelijke arbeid in de Nederlandse

Hervormde Kerk 1945-1966, Boekencentrum Zoetermeer 1995; De Horst 1945-2005. Biografie

van een buitenbeentje, SWP Amsterdam 2005.

4 Einde of nieuw begin? Onze maatschappij op de breuklijn, Amboboeken Biltoven, 1974 (achtste

druk 1979).

5 Meer dan het gewone. Over Jezus en zijn bergrede, Amboboeken Baarn, 1977 (achtste druk 1984).

Dit artikel is overgenomen uit Theologisch Debat, september 2006.

Centrum voor Social Work/ De Horst

77


7

MedeWerKers aan deze puBLicatie

Hans Achterhuis (19 2) is hoogleraar algemene wijsbegeerte aan de Universiteit

Twente. Van hem verscheen eerder o.a. De markt van welzijn en geluk (1979), Arbeid,

een eigenaardige medicijn (19 ), Het rijk van de schaarste (19 ), De erfenis van de

utopie (199 ) en Politiek van goede bedoelingen (2000).

Charlotte van Besouw is docente op De Horst. Zij houdt zich sinds de jaren ’70

professioneel bezig met de bestrijding van huiselijk geweld, o.a. als medewerker van

‘Blijf van m’n lijf” Utrecht 1977 – 19 2 en als coördinator Steunpunt Huiselijk en

Seksueel Geweld Rotterdam 199 – 2001. In het schooljaar 200 -2007 biedt zij een

minor “Agressie en huiselijk geweld” aan.

Bureau Empowerment functioneerde in het hogeschooljaar 200 -2007 als een groep

enthousiaste vierdejaars deeltijdstudenten SPH met een ruime ervaring in het sociaalpedagogisch

werkveld. Leden van het bureau waren: Anja Bout, Elly Hagenaars,

Nathalie Huguenin, Ron Kleefsman, Joost Kroon, Julio Pacheco, José Ruig, Ellen

Slingerland, Anuschka Smallenburg, Martijn Visser en Ilse Wiegmann.

Jos van der Lans (19 ) is cultuurpsycholoog en journalist. Hij werkte voor verschillende

tijdschriften op het terrein van zorg en welzijn en was begin jaren negentig als redacteur

verbonden aan de Volkskrant. Momenteel is hij medewerker van TSS - Ttijdschrift voor

sociale vraagstukken, Aedes Magazine en DANS waarin hij commentaren, columns en

essays publiceert. Alleen en/of samen met anderen schreef hij verschillende boeken,

ondermeer over de moderne sociaal-culturele geschiedenis van Nederland. Zijn laatste

boek, dat eind 200 verscheen bij uitgeverij AUGUSTUS, heeft als titel Koning Burger

– Nederland als zelfbedieningszaak. Sinds juni 1999 is hij – ten slotte - lid van de

Eerste Kamer voor GroenLinks. Zie voor meer informatie en een publiek archief van

zijn recente publicaties: www.josvdlans.nl

Maarten van der Linde (19 ) is historicus en werkt als docent op Centrum voor

Social Work/ De Horst, HU Amersfoort. Hij publiceerde o.a. Werkelijk ik kan alles.

Werkers in kerkelijke arbeid in de Nederlandse Hervormde Kerk 1945-1966 (1995),

Het visioen van Eijkman (2003), De Horst 1945-2005. Biografie van een buitenbeentje

(2005) en Feitse Boerwinkel, inclusief denker (200 ). In 200 -200 werkt hij samen met

De actualiteit van inclusief denken


Johan Frieswijk (Fryske Akademie) aan een onderzoek naar de geschiedenis van de

Volkshogeschoolbeweging in Nederland.

Jan van der Meulen (19 ) is kunstenaar en maatschappelijk ondernemer. Hij heeft

lange ervaring in VINEX-wijken op het gebied van cultuur, vrijwilligerswerk en sociale

cohesie. Hij is mede-initiatiefnemer van De Kamers in de wijk Vathorst, Amersfoort.

jvandermeulen@dekamers.nl, www.dekamers.nl

Herman Noordegraaf (19 1) is opgeleid als socioloog en theoloog en werkt op het

terrein van kerk en samenleving; sinds enkele jaren als docent diaconaat aan het

Theologisch Wetenschappelijk Instituut van de Universiteit Leiden. Hij is voorzitter van

de Vereniging Zingeving.net en ook van het Trefpunt van Socialisme en Levensovertuiging

van de PvdA. Hij publiceerde Niet met de wapenen der barbaren. Het christen-

socialisme van Bart de Ligt (199 ) en vele actuele en historische studies op het gebied

van christelijk geloof, politiek, sociaal werk en samenleving.

Mario Nossin is directeur van Stichting Perspectief sinds de oprichting in 1999.

Perspectief evalueert de dienstverlening aan mensen met een beperking vanuit het

perspectief van de persoon. Centrale vraag daarbij is altijd de verbetering van de

kwaliteit van bestaan van de mensen die ondersteuning ontvangen en hun familie en

persoonlijke netwerk. Uitgangspunt is dat de handicap niet in de persoon zit maar in

de samenleving! Meer informatie is te vinden op de website www.perspectief.org en

www.inclusie.nl

Herma Tigchelaar is docente aan het Instituut voor Social Work/ De Horst HU en werkzaam

als onderzoeker in het lectoraat “Diversiteit en de multiculturele competentie”.

In 200 publiceerde zij samen met Said Satyane het onderzoek Ik wens jou een plaats

in de hemel. Hulpverleners van moslimhuize, werkzaam bij Bureau Jeugdzorg Utrecht,

spelen in op de religieuze achtergrond van moslimcliënten. (Horstcahier 2 )

Gerrit Wolfswinkel (19 ) werkt sinds 1990 op het Centrum voor Social Work/ De Horst

met als opdracht o.a. het verzorgen van onderwijs en studiedagen op het gebied van

ouder worden en ouderenwerk. Ook werkte hij mee aan het Tsjechisch-Nederlands

Ouderenwerkproject. In 199 publiceerde hij samen met Dirk Oostelaar een studieboek

voor het HBO onder de titel: Ouderen in de samenleving (2e uitgebreide druk,

200 ).

Centrum voor Social Work/ De Horst

79


0

HorstcaHiers

Actuele publicaties met blijvende waarde

Reeds verschenen

1 Naar een gedeelde werkelijkheid. `Werken vanuit verschillen’.

Verslag conferentie CMV. m.m.v. Chan Choenni, Alex Leenders, Albert van

Wingerden en Leila Jaffar, november 1994. 68 blz. Prijs: t 5,-

2. Het verband tussen godsdienst en welzijnswerk. ‘God sta me bij’.

Verslag conferentie Theologie & Maatschappij. M.m.v. Elisabeth Posthumus Meyjes,

Maarten van der Linde, Harm Dane en Sylvia Seker-Ullu, december 1994. 36 blz.

Prijs: t 3,-

. Wat is Sociaal Pedagogische Hulpverlening?

Kennismaking en eerste oriëntatie inzake SPH.

Auteur: Piet Winkelaar, 2e, herziene druk, oktober 1997. 32 blz. Uitverkocht.

. Profiel van CMV. Uitverkocht. Vervangen door Horstcahier 1 .

Meerwaarde uit verschil. Interculturalisatie op De Horst:

concretisering van de uitgangspunten. Auteur: Francien Wieringa, februari 1997.

24 blz. Prijs: t 2,05

Hoezo illegaal? Als de wereld van iedereen is, kan niemand illegaal zijn.

Conferentie in het kader van de 52ste Dies Natalis van Hogeschool De Horst.

M.m.v. Joke den Dulk, Rian Ederveen, Merijn Goeman, Hamid, Eric Krebbers,

Leida Schuringa en Gabbi Wierenga, januari 1998. 40 blz. Prijs: t 2,95

7 Op weg naar inburgering.

Werkconferentie in Utrecht. M.m.v. Mulugeta Asmellash, Larbi Edriouch, Homayoun

Mehrani, Jacqueline van Poeteren en Leida Schuringa, februari 1998. 24 blz. Prijs: t 2,05

De actualiteit van inclusief denken


Confrontatie met cultuurverschillen.

De multiculturele samenleving als stimulans tot creativiteit.

Auteur: Han Schoorl, juni 1998. 36 blz. Prijs: t 2,70

9 Springen over je eigen schaduw. Opstellen over autonomie, gezondheid en ziekte.

Auteur: Jacqueline Kool, januari 1999. 50 blz. Prijs: t 3,65

10 FIE SOGH: Tot ziens in de wijk!

Conferentie over sociaal inburgeren en maatschappelijke begeleiding van vluchtelingen

en andere nieuwkomers. M.m.v. Mulugeta Asmellash, Bernadette Clemens, Jeichien

Martens, Shervin Nekuee e.a. Leida Schuringa (red.), maart 1999. 68 blz. Prijs: t 5,-

11 Werken met het persoonsgebonden budget.

Ervaringen van cliënten, ouders, hulpverleners en zorginstellingen. M.m.v. Fransje

Baarveld, Monique Borgonje, José Bouts, Egbert Slot en Rudolf van Tilborg, maart

1999. 45 blz. Uitverkocht.

12 Van ouderen leren.

Studiemiddag over de relatie tussen onderwijs en ouder worden. M.m.v. Jan

Willem Gouverneur, Trix van Loosbroek, Dirk Oostelaar, Theo Wehkamp en Gerrit

Wolfswinkel, december 1999. 40 blz. Prijs: t 2,95

1 Verbinden - Motiveren – Ondernemen.

Profiel van de opleiding Culturele en Maatschappelijke Vorming van De Horst.

Auteur: Leida Schuringa, januari 2000. 48 blz. Prijs: t 3,60

1 De legendarische Jopie Eijkman. Leven en werk van dr. J. Eijkman (1892-1945).

Auteur: Maarten van der Linde, mei 2000. 34 blz. Uitverkocht.

1 Is De Horst wel goed bij haar hoofd? Over leren in hersentermen.

Afscheidscollege Han Schoorl. Reacties van Silvia van Kammen, Hans Sopar en Piet

Winkelaar, september 2000. 34 blz. Prijs: t 3,40

Centrum voor Social Work/ De Horst

1


2

1 De stad der blinden door José Saramago.

Een voordracht door Annette van der Ree. M.m.v. Camiel Verhamme, Els Geurten

en Ineke de Weerdt, september 2000. 35 blz. Prijs: t 3,60

17 Symposium Mantelzorg.

In samenwerking met het Regionaal Steunpunt Mantelzorg Zeist. Bijdragen van

Wilma Boelman-Fiesler, Huub Buijssen, Zwanny van Klinken en Gerrit Wolfswinkel,

maart 2001. 41 blz. Prijs: t 2,95

1 Van stoplap tot veelkleurige bril. Methodische verkenningen rond maatschappelijk

werk. Redactie: Maarten van der Linde, mei 2001. 100 blz. Prijs: t 3,65

19 Driehoek in beeld. De kunst van adoptie.

Uitgave van Hogeschool De Horst en Stade-Fiom, Utrecht. Met bijdragen van Ineke

Bannink, Toinette Loeffen, Klaaske de Vos en Liliane Waanders, maart 2004. 48 blz.

Prijs: t 12,50

20 Tien jaar Hoger Onderwijs voor Ouderen op De Horst.

Met bijdragen van Camiel Verhamme, Klaaske de Vos en Maarten van der Linde,

april 2004. Prijs: t 5,-

21 Multicultureel competent samen(-)leven.

Inaugurele rede uitgesproken op 19 november 2004 in Hogeschool De Horst te

Driebergen bij de aanvaarding van het ambt van lector ’Diversiteit en de multiculturele

competentie’ door dr. Lucy Kortram. Prijs: t 7,50

22 Multicultureel competent handelen. Van potentie naar competentie.

Maarten van der Linde (red.) m.m.v. studenten deeltijd CMV/MWD/SPH en Lucy

Kortram, Joyce Cordus, Ed de Jonge, Hannie Nanlohy-Sniphout en Herma

Tigchelaar, april 2005. 60 blz. Prijs t 5,-.

2 Over het wonen van ouderen gesproken.

Met bijdragen van Liesbeth & Liesbet, Piet Driest en Gerrit Wolfswinkel, oktober

2005. 48 blz. Prijs: t 2,-.

De actualiteit van inclusief denken


2 Debattle, rappen en redeneren over jeugd.

Startconferentie in Amersfoort, 15 september 2005. Met bijdragen van Anneke Menger,

Hans van Ewijk, Peter Kwakkelstein en Adri van Montfoort, november 2005. Prijs: t 2,-

2 Ik wens jou een plaats in de hemel.

Hulpverleners van moslimhuize, werkzaam bij Bureau Jeugdzorg Utrecht, spelen in

op de religieuze achtergrond van moslimcliënten. Auteurs: Said Satyane en Herma

Tigchelaar. December 2005. 48 blz. Prijs: t 2,-

2 Feitse Boerwinkel, inclusief denker.

Auteur: Maarten van der Linde. Met drie autobiografische schetsen van

F. Boerwinkel. Mei 2006. 108 blz. Prijs: t 10,-

Centrum voor Social Work/ De Horst


Colofon

tekst

Hans Achterhuis, Charlotte van Besouw, Bureau Empowerment, Léon van de Griendt,

Arriën Kruyt, Jos van der Lans, Mario Nossin, Jan van der Meulen, Herman

Noordegraaf, Herma Tigchelaar, Gerrit Wolfswinkel

redactie

Maarten van der Linde

ontwerp en lay-out

van arendonk ontwerpers

drukwerk

SWZ Zeist

oplage

00

oktober 200

De actualiteit van inclusief denken


86

Horstcahiers

Actuele publicaties met blijvende waarde

Horstcahiers zijn bedoeld om discussie en meningsvorming te stimuleren.

Van het Instituut voor Social Work/ De Horst en het Centrum voor Social Work/

De Horst verschijnen regelmatig teksten - bij studiedagen en conferenties, cursussen

en onderwijsontwikkeling - die een groter publiek verdienen dan alleen de studentengroep,

de cursusdeelnemers, het docententeam, de conferentiegangers.

Het lezerspubliek van de Horstcahiers bestaat uit studenten en medewerkers van

Instituut en Centrum voor Social Work/ De Horst, maar telt ook docenten en

wetenschappers uit het middelbaar en hoger onderwijs, werkgevers en werknemers in

het werkveld, bestuurders van maatschappelijke organisaties, overheidsfunctionarissen

en politici.

Centrum voor Social Work/ De Horst

Berkenweg 11

Postbus 512

3800 AM Amersfoort

T 033 – 421 2400

E info.dehorst@hu.nl

www.csw.hu.nl fmr_eb2_va

De actualiteit van inclusief denken

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!