Stelling De vinexwijken zijn de getto's van de toekomst - Rooilijn

rooilijn.nl

Stelling De vinexwijken zijn de getto's van de toekomst - Rooilijn

Rooilijn Jg. 44 / Nr. 4 / 2011

Stelling

Stelling

De vinexwijken zijn de getto’s van de toekomst

Gelukkig zijn er veel mensen die plezier en geluk ervaren in

hun vinexwoning met tuin. Maar op basis van vele intensieve

gesprekken en observaties, in opdracht van overheden en

private opdrachtgevers, komt telkens weer een pregnant

gegeven naar voren over de ideale woonomgeving. De

meerderheid van de mensen wil een organisch gevormde

woonomgeving, waar wonen, werken en spelen zich in

een overzichtelijk geheel afspelen. Dat kan van de meeste

vinexwijken niet bepaald worden gezegd. De ontwikkelende

partijen hebben als hoofddoel meestal hun winst. De

architecten en ontwerpers hanteren bij voorkeur de liniaal

en zijn principieel tegen ornamenten of speelsheid, en wat

de gebruiker denkt en wil is volgens hen niet relevant. Het

ego van de ontwerpers staat niet toe dat er met het verfoeide

retroconcept gewerkt mag worden. Zij willen niet leren

van de wereldberoemde en reeds eeuwenlang geliefde

woonkernen in oudere steden. Nee, er moet iets nieuws

worden gecreëerd, om bij de internationale professionele

gemeenschap voor prijzen in aanmerking te kunnen komen.

In de schaarse markt worden de woningen toch wel verkocht

of verhuurd. Dan de stedenbouwkundige planning: aanen

afvoerwegen voldoen niet , met dagelijkse files in de

ochtendspits als gevolg, parkeervoorzieningen zijn zelden

berekend op tweeverdienergezinnen, openbaar vervoervoorzieningen

zijn meestal beperkt tot één lijntje, bijna alle

bewoners moeten meermalen overstappen. In verband met

hoge grondprijzen is bezuinigd op groen, speelplaatsen,

winkel- en horecavoorzieningen. Een vreemdsoortige, niet

doordachte mix van koopwoningen en sociale huurwoningen

maakt de wijk er voor investeerders niet aantrekkelijker op.

Huursubsidiewijkjes gaan nu eenmaal gepaard met meer

zwerfafval, lawaai en onrust, maar dat mag van de politici en

beleidsmakers niet hardop worden gezegd.

Ondanks deze nadelen zien wij steeds vaker prachtige

woningen in een fraai ontwikkelde omgeving. Hoe zit het dan

P. 238

Frits Spangenberg verdedigt

met die gettodreiging? Bewoners die zich iets beters kunnen

permitteren willen niet meer voor ieder etentje of om te sporten

de wijk uit en verlaten de vinexwijk. Er voltrekt zich een

welhaast natuurlijke selectie, waarbij stelselmatig mensen

die het zich niet kunnen permitteren wel moeten blijven. De

koopwoningen staan langer leeg, de prijzen dalen, waardoor

er weer meer mensen die zich dat kunnen permitteren

vertrekken. Groeiende persoonlijke welvaart wordt dus niet

geïnvesteerd in de wijk, door uitbouw, verbouw of samenvoeging.

De lege plekken moeten worden opgevuld en de

gemeentes, die uit wanbeleid hun armoedeprobleem hebben

laten voortwoekeren, belonen de meest kwetsbare groepen

met een plaatsje in de vinexwijk. De kinderen van huursubsidiegezinnen

hebben statistisch meer vrije tijd, omdat zij

helaas minder aspiraties en ambities kregen bijgebracht.

Aan de pubers is door de ontwikkelaars en ontwerpers nooit

gedacht. Bijna iedere zich vervelende puber gaat klieren en

verkennen waar de grenzen kunnen worden overschreden.

Met ons verouderde rechtssysteem en selectieve ordehandhaving

moest het hele land met lede ogen toezien hoe een

homostel, ondanks hun veelvuldige aangiftes en de daarop

procedureel uitgevoerd aanhoudingen met de onvermijdelijke

seponeringen, uit hun geliefde vinexwijk werd weggepest.

Incident of structureel, voor de algehele beeldvorming is het

in ieder geval zeer negatief omdat er geen positief tegenbericht

is om de beeldvorming in balans te brengen. Als je niet

in een vinexwijk moet zijn heb je er ook niets te zoeken.

Frits Spangenberg (f.spangenberg@motivaction.nl) is socioloog en oprichter

van het onderzoeksbureau Motivaction.


Rooilijn Jg. 44 / Nr. 4 / 2011

Stelling

Stelling

Nieuwe buitenwijken zijn sinds hun ontstaan onderwerp

van kritiek. Die kritiek kent twee fasen. In het begin, als

de contouren van de wijk zichtbaar worden, luidt het commentaar

steevast: saai, monotoon, teveel van hetzelfde,

gebrek aan leven. De kritiek lijkt slechts betrekking te

hebben op de fysieke omgeving, maar blijkt zich uit te

strekken tot de nieuwe bewoners; saaie mensen in saaie

huizen. Die kritiek zegt eigenlijk het meest over de criticus

zelf: niet saai want woont in niet saaie, stedelijke omgeving.

Tientallen jaren gaat het goed. Saaie mensen houden

van hun saaie buitenwijken, ze raken er aan gehecht,

hun kinderen groeien er op, ze hebben goed contact met

de buren, maar ‘overlopen elkaar niet’. Dan, na een jaar

of dertig, treden de eerste veranderingen op. Eerst nog

bijna onmerkbaar, maar allengs zichtbaarder en sneller.

Vertrouwde buren vertrekken en er komen andere,

jongere, buren voor terug, met een andere achtergrond

en soms een andere kleur, die (ander) leven in de wijk

brengen. Er komt onrust in die jarenlang zo rustige wijk.

Onrust en ongerustheid. De reputatie van de wijk slaat om

van saai naar achterstandswijk. Wie niet weg is, is gezien.

Deze bijna wetmatige ontwikkeling voltrok zich in de jaren

zestig en zeventig in de oudere stadswijken, in de jaren

tachtig en negentig in de naoorlogse wijken en sinds kort

in de woonervenwijken. Zeer recent worden ook de vinexwijken

aan dit rijtje toegevoegd. Net zoals bouwwerken

en stedenbouwkundige ensembles in steeds kortere tijd

de monumentenstatus verdienen, kan een nieuwe wijk al

voor ze af is de status van probleemwijk bereiken.

Het is vreemd dat die vinexwijken maar heel even een saai

imago hebben gehad. Sommige politici en critici poogden

nog even de gebruikelijke clichés over de buitenwijken op

de vinexwijken los te laten, maar al snel bleek dat je je als

hoogopgeleide, wereldwijze en urbane bewoner helemaal

P. 239

Arnold Reijndorp reageert

niet hoefde te verontschuldigen op verjaardagsfeestjes

of bij collega’s. Natuurlijk woonde je in een vinexwijk,

iedereen deed dat. Voor de kinderen, de ruime tweekapper

met tuin, de parkeerruimte, de ontsluiting via de snelweg

en de praktische ligging. Ons soort mensen woont in een

vinexwijk. Dat wordt onderstreept door de incidenten die

de pers haalden: homo’s weggepest in Leidsche Rijn, een

kinderlokker in Ypenburg. Incidenten die steevast worden

verbonden met de sociale-woningbouwbewoner. Hun

soort mensen. Ik heb derdejaars studenten planologie

gevraagd expliciet te kijken naar de relatie tussen menging

van sociale en duurdere woningen in verschillende

wijken en eventuele conflicten. De oogst was zeer gering.

Wat we wel zien, is dat bij het ontwerp van vinexwijken

heel verschillend is omgegaan met die menging, van

menging op blokniveau tot het creëren van aparte buurtjes

voor sociale huur en goedkope koop. Dat eerste leidt hier

en daar tot ergernissen, maar het tweede leidt tot ongewenste

stigmatisering. Klein Istanboel in Carnisselande

is daar een voorbeeld van. Maar het gemeut over die

sociale-woningbouwbewoners in bijvoorbeeld IJburg

onderstreept hoezeer de vinexwijk is omarmd als een

ons-soort-mensenwijk, juist door groepen met een hoger

inkomen of opleiding. Wie de beschikbare leefstijlkaarten

van vinexwijken bekijkt, ziet opmerkelijk veel rood en

blauw: de stedelijke types. Willen die uiteindelijk toch

niet liever in de stad wonen? Nee, die gaan graag naar

de stad, maar er wónen? Liever niet. De apocalyptische

voorspellingen die op basis van een paar incidenten voor

alle vinexwijken worden uitgesproken komen eerder voort

uit de behoefte aan drama dan uit een onderzoek van de

werkelijkheid.

Arnold Reijndorp (A.Reijndorp@uva.nl) is bijzonder hoogleraar Sociaaleconomische

en ruimtelijke ontwikkelingen van nieuwe stedelijke gebieden

verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.

More magazines by this user
Similar magazines