Boek: "Herinneringen van Zuster Lucia" - Secretariado dos ...
Boek: "Herinneringen van Zuster Lucia" - Secretariado dos ...
Boek: "Herinneringen van Zuster Lucia" - Secretariado dos ...
Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!
Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.
HERINNERINGEN<br />
<strong>van</strong><br />
<strong>Zuster</strong><br />
Lucia
2. uitgave, juni 2006<br />
Foto op de omslag <strong>van</strong> de voorpagina:<br />
<strong>Zuster</strong> Maria Lucia <strong>van</strong> Jezus en <strong>van</strong> het Onbevlekt Hart<br />
bij haar bezoek aan de Loca do Cabeço (16 mei 2000)<br />
Foto op de omslag <strong>van</strong> de achterpagina:<br />
De basiliek <strong>van</strong> Fatima met de portretten <strong>van</strong> de twee herdertjes<br />
na hun zaligverklaring op 13 mei 2000<br />
ISBN: 972-8524-66-8<br />
Depósito Legal: 246934/06
HERINNERINGEN<br />
<strong>van</strong><br />
<strong>Zuster</strong> Lucia<br />
DEEL I<br />
Samenstelling:<br />
Pater Luís Kondor, SVD<br />
Inleiding en aantekeningen:<br />
Pater Dr.Joaquín M. Alonso, CMF (†1981)<br />
Volledige herziening <strong>van</strong> de eerste Nederlandse uitgave<br />
en<br />
Vertaling <strong>van</strong> toegevoegde teksten uit het Portugees:<br />
Sonja Hissink<br />
<strong>Secretariado</strong> <strong>dos</strong> Pastorinhos<br />
FATIMA – PORTUGAL
Imprimatur,<br />
Fatima, 13 Augusti 2006<br />
António Marto, bisschop <strong>van</strong> Leiria-Fatima<br />
4
VOORWOORD VAN DE UITGEVER<br />
Zevenentwintig jaar na de eerste en enige Nederlandse<br />
vertaling <strong>van</strong> de <strong>Herinneringen</strong> <strong>van</strong> zuster Lucia, het oudste <strong>van</strong><br />
de drie ‘zienertjes’ <strong>van</strong> Fatima, is dan nu de tweede, geactualiseerde<br />
en herschreven vertaling verschenen. Geactualiseerd,<br />
omdat in de ertussen liggende tijd heel wat is gebeurd: de beide<br />
jongste zienertjes zijn zalig verklaard (13 mei 2000), het z.g. Derde<br />
Geheim is op diezelfde dag bekend gemaakt en Lucia, als<br />
religieuze genaamd zuster Lucia <strong>van</strong> Jezus en <strong>van</strong> het Heilig Hart,<br />
de oudste zieneres, is overleden (13 februari 2005). Herschreven,<br />
omdat in een periode <strong>van</strong> bijna twee generaties een taal veroudert,<br />
niet meer prettig leest.<br />
Aan de eerste vier <strong>Herinneringen</strong>, die Lucia schreef op<br />
verzoek <strong>van</strong> de bisschop <strong>van</strong> Leiria, mgr José Alves Correira da<br />
Silva, zijn bijvoegsel I, II en III toegevoegd.<br />
Bijvoegsel I en II verhalen de verschijningen in Pontevedra<br />
en Tuy, als vervulling <strong>van</strong> de belofte die de heilige maagd Maria<br />
deed op 13 juli 1917: “ … Ik zal de opdracht <strong>van</strong> Rusland aan mijn<br />
Onbevlekt Hart en de communie op de eerste zaterdagen als<br />
eerherstel komen vragen”. Bijvoegsel III bevat het belangrijke<br />
document, getiteld ‘De Boodschap <strong>van</strong> Fatima’, met het derde<br />
deel <strong>van</strong> het ‘Geheim’, dat paus Johannes Paulus II had<br />
toevertrouwd aan de Congregatie voor de Geloofsleer met de<br />
opdracht het te publiceren, voorzien <strong>van</strong> een passend commentaar.<br />
Met de publicatie <strong>van</strong> het derde deel <strong>van</strong> het ‘geheim’, dat<br />
de drie herdertjes op 13 juli 1917 <strong>van</strong> Maria ontvingen (zie<br />
bijvoegsel III), bevat dit boek, <strong>Herinneringen</strong> I, dus de complete<br />
Boodschap <strong>van</strong> Fatima.<br />
In deze vier eerste <strong>Herinneringen</strong> wordt, behalve de<br />
verschijningen <strong>van</strong> de Engel en <strong>van</strong> de Maagd Maria, ook<br />
beschreven hoe de kleine herderskinderen heldhaftig beantwoordden<br />
aan wat Onze Lieve Vrouw hun vroeg. Zo wijzen zij<br />
iedereen, en heel in het bijzonder de kinderen, de zekere weg<br />
naar de heiligheid.<br />
De z.g. Vijfde Herinnering (over haar vader) en de Zesde<br />
Herinnering (over haar moeder), die zuster Lucia schreef in het<br />
Karmelietessenklooster in Coïmbra, zijn apart uitgegeven en in<br />
5
het Nederlands vertaald, onder de titel <strong>Herinneringen</strong> <strong>van</strong> <strong>Zuster</strong><br />
Lucia II.<br />
De zaligverklaring <strong>van</strong> Francisco en Jacinta Marto (13 mei<br />
2000) zou voor de Kerk een nieuw tijdperk inluiden.<br />
“Ik prijs u, Vader, omdat Gij deze dingen hebt geopenbaard<br />
aan kinderen”. Vandaag krijgt de lofprijzing <strong>van</strong> Jezus plechtig<br />
vorm in de zaligverklaring <strong>van</strong> de herdertjes Francisco en Jacinta.<br />
Met dit ritueel wil de Kerk deze twee kaarsen op de kandelaar<br />
plaatsen om de mensen in hun sombere en angstige dagen licht<br />
te brengen… Moge de boodschap <strong>van</strong> hun leven altijd levend<br />
blijven om de weg <strong>van</strong> de mensheid te verlichten” (Preek <strong>van</strong><br />
paus Johannes Paulus II, in Fatima, tijdens de H.Mis <strong>van</strong> de<br />
zaligverklaring).<br />
De inhoud <strong>van</strong> deze <strong>Herinneringen</strong> rechtvaardigt zeker het<br />
vele werk dat de uitgave <strong>van</strong> deze editie gekost heeft.<br />
De bisschop <strong>van</strong> Leiria-Fatima stelde ons welwillend de<br />
originele manuscripten <strong>van</strong> de vier eerste <strong>Herinneringen</strong> ter<br />
beschikking.<br />
Ook hebben wij gebruik gemaakt <strong>van</strong> de werken <strong>van</strong> pater<br />
Dr.J.M.Alonso, Claretijn (overleden in 1981) en hebben wij mogen<br />
rekenen op de hulp <strong>van</strong> pater Dr.Luciano Cristino, directeur <strong>van</strong><br />
de afdeling studies en verspreiding <strong>van</strong> het Heiligdom <strong>van</strong> Fatima.<br />
In eigen naam en ook in naam <strong>van</strong> alle lezers <strong>van</strong> dit boek<br />
spreken wij onze erkentelijkheid uit voor hun waardevolle steun.<br />
Zo is u, beste lezer, in deze uitgave de beste garantie gegeven<br />
voor de authenticiteit <strong>van</strong> wat zuster Lucia heeft geschreven,<br />
zij het dat hier en daar schrijffoutjes of stroef lopende dialogen<br />
zijn verbeterd en wij hopen dat haar woorden u tot in het diepst<br />
<strong>van</strong> uw ziel mogen raken en zich daar vast zetten in werkzame<br />
gehoorzaamheid aan de Geest.<br />
Wij danken de Heer voor de bijzondere gunst dat wij nu<br />
kunnen beschikken over het volledige werk over de Boodschap<br />
<strong>van</strong> Fatima, dat zo velen zal helpen de heilige Moeder <strong>van</strong> God<br />
en onze Moeder steeds meer te kennen en te beminnen.<br />
6<br />
P. Luís Kondor, SVD.<br />
Vice-postulator voor het proces<br />
<strong>van</strong> de heiligverklaring<br />
<strong>van</strong> de zalige Francisco en Jacinta
INLEIDING OP DE HERINNERINGEN<br />
VAN<br />
ZUSTER LUCIA<br />
Alvorens over te gaan op de eigenlijke bespreking <strong>van</strong> deze<br />
eerste vier <strong>Herinneringen</strong>, leek het ons wenselijk om, zij het in het<br />
kort, onze bedoelingen mee te delen, de beperkingen aan te geven<br />
die wij ons hebben opgelegd en welke werkwijze wij gevolgd<br />
hebben.<br />
Deze uitgave <strong>van</strong> de <strong>Herinneringen</strong> <strong>van</strong> zuster Lucia geeft<br />
de vertaling <strong>van</strong> de Portugese tekst, naar het handschrift dat<br />
bewaard wordt in het bisschoppelijk archief <strong>van</strong> Leiria,<br />
voorafgegaan door een korte inleiding. Wij zijn de huidige bisschop<br />
<strong>van</strong> Leiria-Fatima dankbaar voor zijn toestemming tot de publicatie<br />
hier<strong>van</strong>. Dit boek is natuurlijk niet een kritische uitgave, in de<br />
technische zin <strong>van</strong> het woord. Dat wordt gedaan door de Afdeling<br />
voor Studie en Verspreiding <strong>van</strong> het heiligdom <strong>van</strong> Fatima, onder<br />
de titel Kritische Documentatie <strong>van</strong> Fatima.<br />
Dit is dus een populaire uitgave, een eenvoudige weergave<br />
<strong>van</strong> een tekst die zo bijzonder is, dat zij de hele mensheid<br />
aanspreekt. Als wij spreken over een eenvoudige weergave<br />
bedoelen wij daarmee niet dat wij onszelf geen kritische eisen<br />
hebben opgelegd. Wij vonden het bijvoorbeeld niet nodig om bij<br />
alles wat in dit boek geschreven wordt de bronnen te vermelden.<br />
Maar de lezer mag rustig aannemen dat wij <strong>van</strong> alles wat hier<br />
wordt beweerd, in de inleiding of voetnoten, de herkomst kunnen<br />
aantonen.<br />
Een populaire uitgave als deze moet beperkt blijven. Zo<br />
mogen er niet te veel citaten en opmerkingen in voor komen, maar<br />
genoeg om de tekst vlot leesbaar te maken. Dus alleen wanneer<br />
wij het echt nodig vonden om enige uitleg toe te voegen, hebben<br />
wij dat gedaan.<br />
Anderzijds leek het ons gerechtvaardigd om aan het geschrift<br />
<strong>van</strong> zuster Lucia, hoe eenvoudig en ongekunsteld het ook is, de<br />
normale indeling <strong>van</strong> een boek te geven. Wij hebben dat gedaan<br />
7
in de vorm <strong>van</strong> delen, hoofdstukken en paragrafen met titels<br />
overeenkomstig de inhoud. Om aan te geven dat indelingen, titels<br />
en opmerkingen <strong>van</strong> onze hand komen en niet <strong>van</strong> Lucia zijn,<br />
hebben wij deze cursief gedrukt.<br />
Enerzijds vormen dit voor de lezer rustpunten bij een wat<br />
lange tekst en aan de andere kant geven de titels aan waar het<br />
volgende gedeelte over zal gaan. Zo hopen wij, met behoud <strong>van</strong><br />
de authenticiteit <strong>van</strong> de oorspronkelijke tekst, de leesbaarheid<br />
vergroot te hebben.<br />
De opmerkingen en verwijzingen onderaan de bladzijden<br />
geven extra informatie die ons nodig leek voor het goed begrijpen<br />
<strong>van</strong> een bepaalde tekst.<br />
Wij bieden in de eerste plaats een, noodzakelijkerwijs korte,<br />
biografie <strong>van</strong> zuster Lucia; vervolgens een beknopte uiteenzetting<br />
<strong>van</strong> de litteraire kwaliteiten <strong>van</strong> de schrijfster en tenslotte een<br />
algemene inleiding tot haar <strong>Herinneringen</strong>.<br />
Aan elk <strong>van</strong> de vier <strong>Herinneringen</strong> gaat een korte inleiding<br />
vooraf.<br />
8<br />
BIOGRAFIE VAN LUCIA<br />
“Op 30 maart 1907 heb ik een kind <strong>van</strong> het vrouwelijk<br />
geslacht, geboren in Aljustrel om negentien uur op 22 maart j.l.,<br />
gedoopt in de parochiekerk <strong>van</strong> Fatima… etc. en het de naam<br />
Lucia gegeven” aldus de doopakte. De ouders waren António <strong>dos</strong><br />
Santos en Maria Rosa, wonende te Aljustrel, een dorpje dat bij de<br />
parochie <strong>van</strong> Fatima hoorde.<br />
Als jongste <strong>van</strong> zeven kinderen, vijf meisjes en een jongen,<br />
was Lucia het lievelingetje <strong>van</strong> allemaal. Lucia’s moeder was een<br />
voorbeeldige vrouw en tegenslagen, die het gezin niet bespaard<br />
bleven, werden door haar moedig gedragen. Toen Lucia zes jaar<br />
oud was deed zij haar Eerste Communie, waar<strong>van</strong> de lezer in dit<br />
boe de beschrijving met een glimlach en bewondering zal<br />
tegenkomen. Om het hare bij te dragen aan het gezinsbudget,<br />
begon op die leeftijd ook haar leven als herderinnetje. In het begin,<br />
in 1915, werd zij daarbij vergezeld door alle jongetjes en meisjes<br />
uit Aljustrel en omgeving. Vanaf 1917 gaan meestal alleen nog<br />
Francisco en Jacinta met haar mee. Dat is het jaar <strong>van</strong> de
verschijningen <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw. Bij de verschijningen neemt<br />
Lucia een bijzondere plaats in. Zij is de enige die met de verschijning<br />
spreekt en <strong>van</strong> haar ont<strong>van</strong>gt zij een speciale boodschap,<br />
die zij later moet doorgeven. Samen met haar neefje en nichtje<br />
verduurt zij het leed dat de verschijningen voor hen met zich<br />
meebrachten. Maar zij is de enige die nog lang op deze wereld<br />
zou moeten blijven om haar opdracht te volbrengen. Zo krijgt ze<br />
<strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw de opdracht om te leren lezen en inderdaad<br />
gaat zij na de verschijningen naar school. Met haar intelligentie<br />
en goede geheugen komen de eerste woordjes er al snel in.<br />
Na de verschijningen was Lucia natuurlijk de ‘zieneres’, met<br />
alle risico’s <strong>van</strong> dien, waartegen zij in bescherming genomen moest<br />
worden. Leiria werd opnieuw opgericht als bisdom en de pas<br />
benoemde bisschop zag het als zijn eerste taak te zorgen voor de<br />
opvoeding <strong>van</strong> Lucia en haar te onttrekken aan de gevaren die zij<br />
als ‘wonderdoenster’ zou lopen. Op 17 juni 1951 deed zij haar<br />
intrede als interne leerlinge <strong>van</strong> het college <strong>van</strong> de zusters<br />
Dorothea’s in Vilar, dat tegenwoordig bij Porto hoort.<br />
Wij schetsen haar zoals zij er, net als op de, zo langzaamaan<br />
óverbekende foto’s <strong>van</strong> haar, in die tijd moet hebben uit gezien.<br />
“Hoog, breed voorhoofd; grote, bruine, levendige ogen; dunne<br />
wenkbrauwen; geprononceerde neus, brede mond en dikke lippen,<br />
ronde kin. Kortom, een gezicht met sterk getekende trekken, maar<br />
sympathiek. Zacht, rossig haar. Klein <strong>van</strong> stuk maar, tamelijk groot<br />
voor haar leeftijd (zij was toen ruim dertien jaar). Zij maakt een<br />
ernstige maar onschuldige indruk. Hoewel zij beschikt over een<br />
levendige intelligentie, is zij bescheiden en heeft ze geen<br />
pretenties. Aan haar forse handen is te zien dat zij gewend is<br />
ermee te werken”.<br />
Als veertienjarige neemt zij haar intrek in een internaat <strong>van</strong><br />
Porto, waar zij een uitstekende morele en godsdienstige opvoeding<br />
krijgt. Helaas komt het culturele niveau niet uit boven dat <strong>van</strong> de<br />
basisschool. Wel leert zij heel goed allerlei vrouwelijk handwerk.<br />
Toch zal Lucia met haar begaafdheden, goede geheugen,<br />
leergierigheid en ernst uit dat alles een redelijk volledige vorming<br />
halen.<br />
Voordat Lucia op het internaat kwam, was bij haar al wel<br />
eens de gedachte opgekomen in het religieuze leven te gaan. Het<br />
intens godvruchtig leven op het internaat zette haar verder aan<br />
9
het denken en haar eerste gedachten gingen uit naar de Karmelietessen…<br />
Maar het voorbeeld <strong>van</strong> en dankbaarheid jegens<br />
haar opvoeders deden haar keuze vallen op het Instituut <strong>van</strong> de<br />
heilige Dorothea.<br />
In die tijd hadden de zusters <strong>van</strong> de H.Dorothea hun noviciaat<br />
in Tuy, Spanje. Daar ging Lucia dan ook heen, op 24 oktober 1925,<br />
achttien jaar oud. Eerst deed ze haar postulaat in het huis dat de<br />
Dorothea’s hadden in Pontevedra, in de Isabel II straat. Daar<br />
verbleef ze <strong>van</strong> 25 oktober 1925 tot 20 juli 1926, de dag waarop<br />
zij aankwam in het huis in Tuy om daar haar postulaat af te maken.<br />
Met haar inkleding (het dragen <strong>van</strong> het habijt) begon op 2<br />
oktober 1926 haar noviciaat. Na twee jaar doet zij daar op 3 oktober<br />
1928 haar professie. Zes jaar later wordt zij overgeplaatst naar<br />
het huis in Pontevedra, om in Mei 1937 weer terug te gaan naar<br />
Tuy. Negen jaar later, in mei 1946, krijgt ze opdracht terug te gaan<br />
naar Portugal. Zij krijgt een paar dagen de tijd om de Cova da Iria<br />
en Aljustrel te bezoeken en de preciese locaties <strong>van</strong> de<br />
verschijningen aan te wijzen. Haar verblijfplaats wordt dan het<br />
Huis <strong>van</strong> Sardão in Vila Nova da Gaia, bij Porto. Toch was haar<br />
wens om een leven <strong>van</strong> meer afzondering te leiden nooit bij haar<br />
weggegaan en <strong>van</strong> Paus Pius XII kreeg zij toestemming om in te<br />
treden bij de Karmelietessen. Dat gebeurde op 25 maart 1948,<br />
toe zij intrad in het huis <strong>van</strong> de H.Theresia in Coïmbra. Daar leidde<br />
zij een leven <strong>van</strong> gebed en boete tot haar dood, op 13 februari<br />
2005.<br />
10<br />
LITTERAIRE EIGENSCHAPPEN VAN LUCIA<br />
Na alles wat er over Fatima geschreven is, mogen we ons<br />
aansluiten bij de woorden <strong>van</strong> de schrijver Antero de Figueiredo,<br />
aangespoord door zijn boek: “Het licht, het felle, heldere licht <strong>van</strong><br />
dit boek komt rechtstreeks uit de zuivere, diepe en toch wonderlijk<br />
eenvoudige ziel <strong>van</strong> de zieneres Lucia <strong>van</strong> Jezus”.<br />
Laten wij vooropstellen dat in de geschriften <strong>van</strong> Lucia altijd<br />
het gemis aan culturele vorming merkbaar blijft. Maar wat bij<br />
anderen een niet te accepteren gebrek zou zijn, wordt bij Lucia<br />
aangevuld door haar grote natuurlijke gaven. Meer dan eens erkent<br />
Lucia onbe<strong>van</strong>gen haar “onbekwaamheid en haar tekortkomingen”
en zegt ze zelfs letterlijk: “Ik kan niet eens echt goed schrijven”.<br />
Toch vormen haar spelfouten nooit een belemmering om de dingen<br />
helder en duidelijk uiteen te zetten en soms is haar stijl hierdoor<br />
aantrekkelijk en krachtig.<br />
Haar litteraire kwaliteiten zijn als volgt samen te vatten:<br />
heldere en duidelijke weergave <strong>van</strong> haar gedachten; diep en fijn<br />
ontwikkeld gevoelsleven; een rijke fantasie; goed gevoel voor<br />
humor, wat fleur geeft aan haar verhaal; een fijngevoelige, nooit<br />
kwetsende ironie en een buitengewoon scherp geheugen voor<br />
détails en omstandigheden. De gesprekken komen <strong>van</strong> binnenuit,<br />
alsof de personen bij haar aanwezig waren toen ze schreef. Het<br />
landschap beschrijft ze alsof ze er middenin stond. De karakterbeschrijving<br />
<strong>van</strong> haar neefje en nichtje, de biechtvaders en andere<br />
personen die in het boek voorkomen getuigt <strong>van</strong> buitengewoon<br />
scherp psychologisch inzicht. Wanneer ze te ver <strong>van</strong> haar onderwerp<br />
afdwaalt, erkent ze dat ruiterlijk en weet ze met flair naar het<br />
betreffende onderwerp terug te keren.<br />
Weliswaar klinkt haar veelvuldig lezen <strong>van</strong> vrome geschriften<br />
soms al te zeer door, maar haar natuurlijkheid, levendigheid en<br />
opgewektheid voeren uiteindelijk altijd de boventoon. Hoe gevoelig<br />
heeft ze niet haar nachtelijk afscheid <strong>van</strong> de geliefde plaatsen<br />
<strong>van</strong> de verschijningen, op de vooravond <strong>van</strong> haar vertrek naar<br />
Porto, beschreven! En hoe leuk vestigt ze de aandacht op de<br />
zilveren gespen <strong>van</strong> de schoenen <strong>van</strong> die kanunnik! En dan de<br />
landelijke sfeer die zij oproept met die herdersliedjes!<br />
Lucia weet wat ze wil en zo doet ze het ook. Haar innerlijke<br />
rust is zo groot, dat zij haar dagtaak als dienstdoende non en het<br />
werk dat het schrijven <strong>van</strong> dit boek met zich meebrengt, weet te<br />
combineren zonder de draad <strong>van</strong> het verhaal te verliezen of de<br />
logica <strong>van</strong> een gedachtengang af te breken. Alleen een evenwichtige<br />
persoonlijkheid speelt dat klaar.<br />
Bij verschillende gelegenheden zegt Lucia “dat ze zich<br />
geïnspireerd voelt” om te schrijven. Natuurlijk moeten wij deze<br />
uitdrukking niet al te letterlijk opvatten, zoals een of andere<br />
vervelende criticus meende te moeten doen. Dat neemt niet weg<br />
dat zij overtuigd was <strong>van</strong> een speciale bijstand <strong>van</strong> God bij het<br />
schrijven. Als wij goed lezen wat zij daarmee bedoelt blijkt dat zij<br />
bij het schrijven duidelijk Gods aanwezigheid voelt en zich voelt<br />
“bijgestaan”, meer niet. Toen haar hiernaar gevraagd werd, zei<br />
11
zij: ‘“Geïnspireerd” wil zeggen dat men zich inwendig aangespoord<br />
voelt om iets te doen’.<br />
Dit heeft dus niets te maken met de ‘waarheidsgetrouwheid’<br />
<strong>van</strong> de H.Schrift. Lucia kan zich vergissen in de mystieke ‘vertaling’<br />
<strong>van</strong> haar ervaringen, omdat ‘interpretatie’ op zichzelf moeilijk is.<br />
Soms twijfelt ze zelf of het wel de Heer is die tegen haar spreekt;<br />
soms ook geeft ze toe dat het onmogelijk is, de inhoud <strong>van</strong> de<br />
mystieke genade mee te delen. Het mag ons dus niet verbazen<br />
dat bij nadere bestudering hier en daar wat foutjes in data, feiten<br />
en omstandigheden gevonden zijn, die niet essentieel zijn. Zelfs<br />
wanneer ze ons verzekert dat zij de woorden <strong>van</strong> Onze Lieve<br />
Vrouw ‘letterlijk’ citeert, mogen wij hier niet meer <strong>van</strong> maken dan<br />
dat zij dit eerlijk meent te doen. Waar<strong>van</strong> Lucia altijd zeker zegt te<br />
zijn, is <strong>van</strong> de betekenis, de zin <strong>van</strong> wat ze meedeelt.<br />
Wat betreft data, weten wij dat Lucia onzeker is. Deels<br />
doordat zij, net als haar neefje en nichtje, te klein waren om dagen,<br />
en natuurlijk nog minder maanden en jaren, te tellen. De data <strong>van</strong><br />
de verschijningen <strong>van</strong> de Engel herinnert Lucia zich bijvoorbeeld<br />
niet en hiervoor moet zij haar toevlucht neem tot de herinneringen<br />
<strong>van</strong> de jaargetijden, waarmee de plattelandskinderen natuurlijk<br />
meer vertrouwd waren. Maar de belangrijkste oorzaak <strong>van</strong> dat<br />
gebrek aan geheugen <strong>van</strong> tijden, ligt in het realistisch karakter<br />
<strong>van</strong> de herinneringen <strong>van</strong> Lucia, dat steeds het wezenlijke<br />
vasthoudt.<br />
Overigens mogen wij de lezer een algemene regel voorhouden<br />
die geldt bij de interpretatie <strong>van</strong> mededelingen <strong>van</strong> mystici<br />
over hun bovennatuurlijke ervaringen: het is altijd een ‘vertaling’,<br />
niet noodzakelijk een letterlijke weergave <strong>van</strong> de bovennatuurlijke<br />
openbaringen. Toch is het alleen de mysticus zelf die hierover<br />
betrouwbare mededelingen kan doen.<br />
Nog een laatste opmerking om de lezer voor te bereiden op<br />
het lezen <strong>van</strong> deze wonderbare bladzijden. Men moet onderscheid<br />
maken tussen wat Lucia ons meedeelt als de Boodschap <strong>van</strong>uit<br />
de hemel en haar persoonlijke interpretatie of gedachtegang.<br />
Afgezien <strong>van</strong> de moeilijkheden die, zoals gezegd, bij iedere<br />
‘vertaling’ <strong>van</strong> een mystieke ervaring aanwezig zijn, bieden de<br />
mededelingen over de Boodschap <strong>van</strong>uit de hemel meer garantie<br />
<strong>van</strong> waarheid dan haar eigen interpretatie. Maar we mogen<br />
12
veronderstellen dat, als God bij de gebeurtenissen in Fatima zulke<br />
duidelijke tekenen <strong>van</strong> zijn aanwezigheid gaf, Hij ook speciale<br />
bijstand verleend zal hebben om te zorgen dat de zienertjes, die<br />
daarvoor waren uitgekozen, de Boodschap, door de Maagd Maria<br />
overgebracht, duidelijk zouden overbrengen. We kunnen een<br />
vergelijking trekken met de Kerk. Als God zijn Kerk een Boodschap<br />
<strong>van</strong> Verlossing wilde meedelen, mogen wij aannemen dat Hij haar<br />
ook de nodige eigenschappen heeft gegeven om die Boodschap<br />
betrouwbaar over te brengen.<br />
Lucia ‘mediteert’ vaak over de woorden en gebeurtenissen.<br />
Het is duidelijk dat zij een bevoorrechte tolk is, maar toch … zij<br />
blijft slechts een tolk. Daarom mag aan die persoonlijke overpeinzingen<br />
niet het gewicht worden toegekend dat gegeven wordt<br />
aan de Boodschap die haar rechtstreeks werd overgebracht.<br />
LITTERAIR GENRE VAN DE ‘HERINNERINGEN’<br />
De titel <strong>Herinneringen</strong> leek ons het best passen bij de vier<br />
geschriften <strong>van</strong> Lucia die de lezer straks onder ogen zal krijgen,<br />
hoewel ze soms meer lijken op brieven en op andere plaatsen<br />
meer weg hebben <strong>van</strong> autobiografieën.<br />
Het is duidelijk dat Lucia bij het schrijven <strong>van</strong> deze bewonderenswaardige<br />
documenten geen litteraire pretenties heeft gehad.<br />
Zij schreef omdat het haar werd opgedragen. Ja, men kan stellen,<br />
dat zij nooit iets schreef uit eigen beweging. Dat wil niet zeggen<br />
dat zij zich niet vaak, al schrijvend, liet meeslepen door het<br />
onderwerp en dat wij op zulke plaatsen inderdaad wel <strong>van</strong> litteratuur<br />
zouden kunnen spreken, die echter steeds spontaan en duidelijk<br />
is, meer bijkomstig dan opzettelijk.<br />
Lucia maakte zich dus geen enkele zorg om enig litterair<br />
genre en het woord <strong>Herinneringen</strong> zou voor haar niet méér zijn<br />
dan het eerlijk zeggen wat zij nog uit haar verleden weet. Omdat<br />
zij aan<strong>van</strong>kelijk niet wist hoe zij de opdracht om iets over het<br />
leven <strong>van</strong> Francisco en Jacinta te vertellen moest uitvoeren, kwam<br />
zij zelf op het idee om dat onbe<strong>van</strong>gen in de vorm <strong>van</strong> brieven<br />
aan de bisschop te doen. Wij moeten deze geschriften dus niet<br />
als ‘brieven’ zien in de gewone zin <strong>van</strong> het woord, wat men dan<br />
terecht een litteraire fictie zou kunnen noemen. Maar Lucia wil<br />
13
overbrengen wat zij nog weet over belevenissen uit het verleden<br />
m.b.t zichzelf of anderen en dan gaat het echt om <strong>Herinneringen</strong>.<br />
Ook hebben we niet te doen met een biografie of autobiografie,<br />
noch <strong>van</strong> haarzelf en nog minder <strong>van</strong> Francisco of<br />
Jacinta.<br />
Wat Francisco en Jacinta betreft, hebben wij te doen met<br />
een op een rij zetten <strong>van</strong> herinneringen rond de voornaamste feiten<br />
uit hun leven.<br />
In een biografie of autobiografie wordt méér gezegd dan in<br />
alleen maar herinneringen. In het eerste geval is sprake <strong>van</strong> een<br />
systematisch geheel, eventueel gebruik makend <strong>van</strong> documenten<br />
en onderzoeken.<br />
Maar Lucia heeft het verleden nog helder voor ogen. En wat<br />
een verleden! Dacht ze terug aan haar neefje en nichtje, dan was<br />
het een deel <strong>van</strong> haar eigen leven; dacht ze terug aan de<br />
verschijningen <strong>van</strong> de ‘Dame’, dan was die herinnering als met<br />
vuur in haar ziel en geheugen gebrand. Zelf verklaart zij dat ‘die<br />
dingen zich zo helder in onze ziel zijn gaan prenten, dat vergeten<br />
bijna onmogelijk is’. Daarom kan men stellen dat deze <strong>Herinneringen</strong><br />
een herlezen zijn <strong>van</strong> alles wat, eens en voor altijd, in het<br />
diepst <strong>van</strong> haar hart staat gegrift. Meer dan dat zij zich het verleden<br />
herinnert, lijkt het of zij het herleeft. Dat verklaart ook het grote<br />
gemak waarmee zij alles opschrijft: zij leest wat in haar omgaat.<br />
14<br />
THEMA VAN DE HERINNERINGEN<br />
In de inleiding bij iedere Herinnering geven wij het centrale<br />
thema aan <strong>van</strong> wat volgt.<br />
Toch leek het ons <strong>van</strong> belang om hier het voornaamste doel<br />
<strong>van</strong> <strong>Herinneringen</strong> I aan te geven, namelijk het heldhaftige leven<br />
<strong>van</strong> de reeds overleden en nu zalige Francisco en Jacinta grotere<br />
bekendheid te geven. Het is een feit dat het broertje en zusje bij<br />
het eerste contact al voor zich innamen door hun natuurlijke<br />
onbe<strong>van</strong>genheid en vriendelijkheid. En dat nog zonder hun mooi<br />
en rijk zielenleven te kennen! Omdat wij menen dat dit de eerste<br />
stap kan zijn naar grotere genegenheid en naar het verlangen om<br />
ook hun innerlijke rijkdom beter te kennen en te willen navolgen,<br />
geven wij hier de oudste ons bekende beschrijving <strong>van</strong> hen.
Wij citeren hier de bekende brief <strong>van</strong> Dr.Carlos de Azevedo<br />
Mendes aan zijn verloofde, waarin hij zijn indrukken beschrijft <strong>van</strong><br />
een bezoek aan Aljustrel en de Cova da Iria op 7 september 1917.<br />
Over Francisco zegt hij niet veel, maar wat hij over hem zegt is<br />
volledig en duidelijk: “… Francisco kwam binnen. Puntmuts stevig<br />
over zijn hoofd gedrukt, heel kort vestje, bloes net onder het jasje<br />
<strong>van</strong>daan komend, strakke pantalon, echt een heertje. Een knap<br />
joch! Heldere blik en kinderlijk gezicht. Openhartig beantwoordde<br />
hij mijn vragen”.<br />
Twintig dagen later, op 27 september, kwam ook kanunnik<br />
Formigão de kinderen in Aljustrel ondervragen. Francisco was het<br />
eerst aan de beurt. De inhoud <strong>van</strong> de antwoorden zijn nu even<br />
niet rele<strong>van</strong>t, maar wel de indrukken die de geleerde, vrome<br />
priester <strong>van</strong> hem kreeg: “Een negenjarige jongen kwam op zijn<br />
dooie gemak binnen; zijn pet hield hij op, ongetwijfeld omdat hij<br />
vergat dat hij die af moest zetten. Ik vroeg of hij op een stoel<br />
naast mij kwam zitten. Dat deed hij meteen, zonder enige<br />
tegenzin”.<br />
Deze twee citaten uit authentieke, originele documenten laten<br />
ons zien dat Francisco voor en tijdens de verschijningen <strong>van</strong> Onze<br />
Lieve Vrouw een vrolijke, levendige en ongecompliceerde herdersjongen<br />
was, zonder problemen of complexen <strong>van</strong> welke aard<br />
ook.<br />
Van Jacinta gaf Dr.Carlos Mendes een iets uitgebreidere<br />
beschrijving:<br />
“Jacinta, een klein, schuchter ding, kwam langzaam naar<br />
mij toe. Ik zette haar op een kist en ging er zelf dichtbij zitten. Ze<br />
is echt een engeltje… Ze had een oude, versleten doek met rode<br />
blaadjes om haar hoofd; de punten waren aan de achterkant aan<br />
elkaar geknoopt. Ze droeg een jasje, dat ook niet bepaald schoon<br />
was, en een wijde, roodachtige rok, zoals in die streek gedragen<br />
wordt. Zo zag ons engeltje er uit.<br />
Ik zou graag haar gezicht beschrijven, maar ik ben bang dat<br />
ik niet verder kom dan een vage schets. De manier waarop zij<br />
haar hoofddoek droeg, accentueerde haar gelaatstrekken. Ze heeft<br />
levendige, donkere ogen, een engelachtige blik en innemende<br />
vriendelijkheid. Wat het precies is weet ik niet, maar je voelt je<br />
meteen tot haar aangetrokken. Ze was heel verlegen en met moeite<br />
kreeg ik op mijn vragen een paar antwoorden los. Na een poosje<br />
15
met haar te hebben gepraat en (lach niet!) gespeeld kwam<br />
Francisco. Jacinta begon zich meer op haar gemak te voelen.<br />
Even later kwam Lucia. Je kan je niet voorstellen hoe blij Jacinta<br />
was toen ze haar zag! Ze was een en al lach en rende naar haar<br />
toe, om niet meer uit haar buurt weg te gaan. Een schitterend<br />
tafereel…”.<br />
De beschrijving <strong>van</strong> kanunnik Formigão was iets korter, maar<br />
verschilt niet <strong>van</strong> wat wij hierboven gelezen hebben: “Ze heet<br />
Jacinta de Jesus en is zeven jaar… tamelijk lang voor haar leeftijd,<br />
smal maar niet echt mager, een goed gevormd gezicht, bruin getint,<br />
eenvoudig gekleed, een rok tot aan haar enkels; ze ziet eruit als<br />
een gezond kind, volkomen normaal, lichamelijk en geestelijk. In<br />
het begin was zij verlegen <strong>van</strong>wege de mensen die bij mij waren<br />
en die zij kennelijk niet had verwacht. Kort en bijna onhoorbaar<br />
gaf zij antwoord op mijn vragen”.<br />
16
Het dagblad O Século was de eerste die, op 15 oktober 1917, een foto<br />
<strong>van</strong> de herdertjes publiceerde en in het hele land het zonnewonder bekend<br />
maakte<br />
17
De drie zienertjes Francisco (9), Lucia (10) en Jacinta (7) bij de kleine<br />
steeneik waarboven Onze Lieve Vrouw verscheen op iedere dertiende<br />
<strong>van</strong> de maand, <strong>van</strong> mei tot oktober 1917<br />
Het kapelletje dat in 1918 werd gebouwd op de plek waar de verschijningen<br />
hadden plaats gevonden<br />
18
Het beeld dat sinds 13 juni 1920 wordt vereerd in de kapel <strong>van</strong> de verschijningen.<br />
Op 13 mei 1946 werd het plechtig gekroond door kardinaal<br />
Masella en in de kroon is de kogel gemetseld die na de aanslag <strong>van</strong> 13<br />
mei 1918 in de jeep <strong>van</strong> paus Johannes Paulus II werd aangetroffen<br />
19
De drie herdertjes bij de ereboog die<br />
op de plaats <strong>van</strong> de verschijningen<br />
werd opgericht vóór 13 oktober 1917<br />
De kapel die gebouwd werd op de<br />
plaats <strong>van</strong> de verschijning in Valinhos<br />
20<br />
Raam <strong>van</strong> de ge<strong>van</strong>genis <strong>van</strong> Vila<br />
Nova de Ourém waar de herdertjes<br />
op 13 augustus 1917 waren heen<br />
gebracht<br />
De hongaarse kruisweg aan de “weg<br />
<strong>van</strong> de herdertjes” verbindt de Cova<br />
da Iria met de andere plaatsen <strong>van</strong><br />
de verschijningen en Aljustrel, de<br />
geboorteplaats <strong>van</strong> de drie zienertjes
Het huis <strong>van</strong> de ouders <strong>van</strong> Lucia<br />
Maria Rosa, de moeder <strong>van</strong> Lucia,<br />
met enkele gezinsleden en kennissen<br />
Het huis waar Francisco en Jacinta<br />
werden geboren en waar Francisco<br />
overleed<br />
Het gezin <strong>van</strong> Francisco en Jacinta :<br />
moeder Olímpia de Jesus (overleden<br />
in 1956), vader Manuel Pedro<br />
Marto (overleden in 1957) en de<br />
broers en zus<br />
21
De parochiekerk <strong>van</strong> Fatima in de tijd<br />
<strong>van</strong> de verschijningen<br />
Beeld <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw <strong>van</strong> de<br />
Rozenkrans in de parochiekerk<br />
22<br />
De doopfont waar Lucia, Francisco<br />
en Jacinta gedoopt werden<br />
De drie herdertjes bij het kruis op het<br />
terrein <strong>van</strong> de parochiekerk
Manuel Marques Ferreira, pastoor<br />
<strong>van</strong> Fatima ten tijde <strong>van</strong> de verschijningen<br />
Kanunnik Manuel Nunes Formigão<br />
die, in 1917, de herdertjes talloze<br />
malen heeft ondervraagd<br />
Faustino José Jacinto Ferreira,<br />
kapelaan <strong>van</strong> Olival<br />
Pater Cruz, die de eerste biecht <strong>van</strong><br />
Lucia heeft gehoord<br />
23
24<br />
De drie herdertjes in de tuin <strong>van</strong> Francisco en Jacinta<br />
Lucia en Jacinta in Rexida<br />
(september 1917)<br />
Francisco
Loca do Cabeço<br />
De put bij het ouderlijk huis <strong>van</strong><br />
Lucia, waar de tweede verschijning<br />
<strong>van</strong> de engel plaats vond<br />
Monument <strong>van</strong> de derde verschijning<br />
<strong>van</strong> de engel op de Loca<br />
do Cabeço<br />
Monument op de put <strong>van</strong> het<br />
ouderlijk huis <strong>van</strong> Lucia, <strong>van</strong> de<br />
tweede verschijning <strong>van</strong> de engel<br />
25
De kamer <strong>van</strong> Lucia, waar op 10<br />
dec. 1920 Onze Lieve Vrouw de<br />
communies tot eerherstel op de<br />
eerste zaterdagen vroeg<br />
Het klooster <strong>van</strong> de zusters<br />
Dorothea’s in Tuy, waar op 13 juni<br />
1929 Onze Lieve Vrouw de<br />
toewijding <strong>van</strong> Rusland vroeg<br />
26<br />
De kamer <strong>van</strong> Lucia in Pontevedra,<br />
nu tot kapel omgebouwd<br />
Schilderij <strong>van</strong> het visioen <strong>van</strong> de<br />
H.Drieëenheid en de H.Maagd
Om aan het verzoek <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw te voldoen, droeg paus Pius<br />
XII op 31 oktober 1942 de hele mensheid op aan het Onbevlekt Hart<br />
<strong>van</strong> Maria<br />
In Rome hernieuwde paus Johannes Paulus II, voor het beeld <strong>van</strong> Onze<br />
Lieve Vrouw <strong>van</strong> Fatima, de toewijding <strong>van</strong> de wereld en Rusland, op<br />
25 maart 1984<br />
27
Dom José Alves Correia da Silva (links) met het derde deel <strong>van</strong> het<br />
geheim, in 1944. In 1957 zou het naar de H.Stoel, in Rome, gestuurd<br />
worden. Kardinaal Sodano (rechts) maakt op 13 mei 2000 in Fatima het<br />
derde deel <strong>van</strong> het geheim bekend<br />
Tekening <strong>van</strong> het derde deel <strong>van</strong> het geheim <strong>van</strong> Fatima, vervaardigd<br />
op aanwijzingen <strong>van</strong> Lucia (Júlio Gil)<br />
28
Schilderij <strong>van</strong> de verschijning <strong>van</strong> 13 juni 1917 (Zr M. da Conceição)<br />
29
Het niet vergane lichaam <strong>van</strong><br />
Jacinta bij het openen <strong>van</strong> haar<br />
kist op 12 nov. 1935<br />
30<br />
Canonieke identificatie <strong>van</strong> de<br />
stoffelijke resten <strong>van</strong> Francisco, 17<br />
febr.1952<br />
Na Francisco en Jacinta zalig te hebben verklaard, bezoekt paus<br />
Johannes Paulus II de graven <strong>van</strong> de nieuwe zaligen
Het plechtige moment <strong>van</strong> de zaligverklaring <strong>van</strong> Francisco en Jacinta<br />
op 13 mei 2000<br />
Paus Johannes Paulus II en Lucia op 13 mei 2000<br />
Op het ogenblik <strong>van</strong> de zaligverklaring gaf de immense menigte een<br />
warm applaus aan de nieuwe zaligen<br />
31
De Karmel <strong>van</strong> Coïmbra, waar<br />
Lucia <strong>van</strong>af 25 maart 1948 heeft<br />
gewoond<br />
32<br />
Beeld <strong>van</strong> het Onbevlekt Hart <strong>van</strong><br />
Maria in het klooster <strong>van</strong> de<br />
Karmel in Coïmbra<br />
Lucia brengt een bezoek aan haar ouderlijk huis<br />
en de plaatsen <strong>van</strong> de verschijningen, op 16 mei 2000
EERSTE HERINNERING<br />
Inleiding<br />
Wat wij hier voor ons hebben is zeker niet het eerste wat Lucia<br />
geschreven heeft, maar wel het eerste uitgebreide geschrift <strong>van</strong> haar<br />
hand. Hiervóór hadden wij brieven, heel veel brieven, interviews,<br />
verslagen enz. Maar dit is het eerste uitgebreide, belangrijke document.<br />
Men zou zich kunnen afvragen: als Lucia nooit uit eigen beweging<br />
schreef, hoe heeft dit werk dan tot stand kunnen komen? Dat gebeurde<br />
als volgt.<br />
Op 12 september 1935 werden de stoffelijke resten <strong>van</strong> Jacinta<br />
<strong>van</strong> het kerkhof <strong>van</strong> Vila Nova de Ourém overgebracht naar Fatima.<br />
Bij die gelegenheid werden verschillende foto’s <strong>van</strong> het lijkje gemaakt.<br />
De bisschop <strong>van</strong> Leiria stuurde er enkele naar zuster Lucia, die zich<br />
toentertijd in Pontevedra bevond. In een dankbrief, gedateerd 17<br />
november 1935, schrijft Lucia o.a.: “Heel hartelijk bedankt voor de<br />
foto’s. Ik kan u niet zeggen hoe blij ik ermee ben, vooral met die <strong>van</strong><br />
Jacinta. Ik had de doeken wel <strong>van</strong> haar weg willen trekken om haar<br />
weer helemaal te kunnen zien. Ik vergat bijna dat het alleen maar een<br />
foto was die ik voor me had. O, wat was ik blij om de intiemste vriendin<br />
uit mijn jeugd weer te zien! Zij was een kind, maar alleen in jaren.<br />
Voor de rest, wist zij al de deugd te beoefenen en haar liefde tot God<br />
en de allerheiligste Maagd te tonen door het brengen <strong>van</strong> offers…”.<br />
Deze levendige herinneringen <strong>van</strong> Lucia over haar nichtje<br />
brachten de bisschop op het idee haar te vragen alles op te schrijven<br />
wat zij zich nog <strong>van</strong> haar kon herinneren. In de tweede week <strong>van</strong><br />
december 1935 begon Lucia hieraan te schrijven en op eerste kerstdag<br />
daarna was het klaar. Daar heeft zij dus amper twee weken over<br />
gedaan! Wat Lucia schreef over Jacinta vormt een perfect geheel;<br />
het geeft een beeld <strong>van</strong> Jacinta waarin haar ziel wordt verlicht door<br />
dat licht <strong>van</strong> Fatima, het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria.<br />
Dit werk wil dus vooral een beeld <strong>van</strong> Jacinta geven aan de<br />
hand <strong>van</strong> de herinneringen <strong>van</strong> Lucia en is dus niet bedoeld als<br />
geschiedenis <strong>van</strong> de verschijningen. Die komen alleen ter sprake voor<br />
zover ze <strong>van</strong> belang zijn voor de beschrijving <strong>van</strong> Jacinta.<br />
De schrijfstijl is eenvoudig, heeft soms zelfs iets kinderlijks, naar<br />
gelang het onderwerp. Lucia leeft zich immers steeds sterk de situatie<br />
in, waarover ze aan het schrijven is.<br />
33
1.Gebed en gehoorzaamheid<br />
34<br />
VOORWOORD<br />
J.M.J.<br />
Hoogwaardige Excellentie, 1<br />
Na voor het tabernakel de bescherming <strong>van</strong> de heilige harten<br />
<strong>van</strong> Jezus en Maria, onze tedere Moeder, het licht en de genade<br />
gevraagd te hebben om enkel en alleen datgene te schrijven dat<br />
strekt tot de eer <strong>van</strong> Jezus en de Allerheiligste Maagd, wil ik dan<br />
aan uw wens voldoen, zij het met tegenzin, omdat ik nu eenmaal<br />
bijna niet over Jacinta kan spreken zonder dat ik, arm schepsel,<br />
er ook direct of indirect bij betrokken ben. Toch gehoorzaam ik<br />
aan uw wens, die voor mij de uitdrukking is <strong>van</strong> Gods wil. Ik begin<br />
deze taak daarom met een gebed tot de heilige harten <strong>van</strong> Jezus<br />
en Maria opdat zij dit werk mogen zegenen en opdat deze daad<br />
<strong>van</strong> gehoorzaamheid moge strekken tot de bekering <strong>van</strong> de arme<br />
zondaars, voor wie Jacinta zo veel offers heeft gebracht.<br />
Ik weet dat Uwe Excellentie <strong>van</strong> mij geen volmaakt boekwerk<br />
verwacht, want daartoe ben ik niet in staat en onbekwaam. Ik zal<br />
u vertellen wat ik me herinner <strong>van</strong> deze bevoorrechte ziel, want<br />
de goede God gaf mij het voorrecht haar meest intieme vertrouwelinge<br />
te zijn. Ik acht haar heiligheid zo hoog, dat ik de<br />
dierbaarste herinneringen aan haar koester en alleen met veel<br />
achting en eerbied aan haar kan terug denken.<br />
2. Geheimen bewaren<br />
Ondanks mijn goede wil om te gehoorzamen, zou ik Uwe<br />
Excellentie toch willen vragen mij toe te staan enkele onderwerpen<br />
voor mezelf te houden en te bewaren tot de drempel <strong>van</strong> de<br />
eeuwigheid, omdat zij op mijzelf betrekking hebben. U zult het<br />
toch niet vreemd vinden, dat ik sommige dingen wil bewaren tot<br />
de eeuwigheid? Heeft Onze Lieve Vrouw me daarin niet het<br />
voorbeeld gegeven? De H.Schrift zegt ons immers dat Maria “al<br />
1 Dom José Alves Correia da Silva (1872-1957), de eerste bisschop <strong>van</strong> het<br />
opnieuw opgerichte bisdom Leiria, waar Fatima toe hoort.
deze dingen bewaarde in haar hart”? 2 En wie had ons beter de<br />
geheimen <strong>van</strong> de goddelijke barmhartigheid kunnen meedelen!<br />
Toch heeft zij ze met zich meegenomen als in een omheinde tuin,<br />
naar het paleis <strong>van</strong> de goddelijke koning. Ik herinner me een<br />
uitspraak <strong>van</strong> een vroom priester, toen ik nog pas elf jaar was. Als<br />
zovele anderen kwam hij me vragen stellen. Hij ondervroeg me<br />
onder andere over iets, waar ik niet over wilde praten. Toen hij de<br />
hele lijst met vragen had afgewerkt, zonder over dat ene onderwerp<br />
een echt antwoord te hebben gekregen, gaf de goede priester me<br />
een kruisje en zei, misschien omdat hij begreep dat dit een te<br />
delicaat onderwerp was:<br />
– Oké, meisje. Het geheim <strong>van</strong> de koningsdochter moet<br />
verborgen blijven in het diepst <strong>van</strong> haar hart.<br />
Ik begreep toen niet wat hij daarmee bedoelde, maar wel<br />
dat hij instemde met hoe ik dit deed. Ik vergat niet wat hij toen zei<br />
en nu begrijp ik dat beter. Die priester was toen pastoor in Torres<br />
Novas 3 . De eerwaarde priester heeft er geen idee <strong>van</strong>, hoe veel ik<br />
in mijn verdere leven aan die uitspraak gehad heb en daarom<br />
denk ik nog steeds met grote dankbaarheid aan hem terug.<br />
Toch heb ik op zekere dag een vroom priester over deze<br />
geheimhouding geraadpleegd, omdat ik niet wist wat ik moest<br />
antwoorden als ze me zouden vragen of Onze Lieve Vrouw verder<br />
nog iets gezegd had. Die mijnheer, die toen pastoor <strong>van</strong> Olival 4<br />
was, zei tegen ons:<br />
– Kinderen, jullie mogen gerust jullie intieme geheim bewaren<br />
voor God en voor jezelf. Als die vraag jullie gesteld wordt,<br />
geef dan als antwoord: Ja, Onze Lieve Vrouw heeft ons nog meer<br />
gezegd, maar dat is een geheim. En als ze jullie hierover blijven<br />
doorvragen, denk dan aan het geheim dat die Dame jullie heeft<br />
meegedeeld en zeg: Onze Lieve Vrouw heeft tegen ons gezegd<br />
dat we het aan niemand mochten vertellen en dat doen we dus<br />
ook niet. Zo brengen jullie het geheim bij Onze Lieve Vrouw in<br />
veiligheid.<br />
Wat begreep ik de uitleg en leiding <strong>van</strong> die eerbiedwaardige<br />
oude man goed!<br />
2 Lc 2, 19-51.<br />
3 Pastoor António de Oliveira Reis (overleden in 1962).<br />
4 Pastoor Faustino José Jacinto Ferreira (overleden in 1924).<br />
35
Ik besteed al te veel tijd aan deze inleidingen en U zal zeggen<br />
dat U niet weet wat dat voor nut heeft. Ik moet nu echt een begin<br />
proberen te maken aan mijn verhaal over het leven <strong>van</strong> Jacinta.<br />
Aangezien ik niet over vrije tijd beschik, zal ik in de stille uren <strong>van</strong><br />
het werk met een potlood en een blaadje papier, dat ik tussen<br />
mijn naaiwerk heb verstopt, me trachten te herinneren en opschrijven<br />
wat de heilige Harten <strong>van</strong> Jezus en Maria mij in<br />
herinnering willen laten brengen.<br />
3. Gebed tot Jacinta<br />
36<br />
Je korte vlucht<br />
Over deze aarde,<br />
Lieve Jacinta,<br />
Was vol pijn<br />
En vol liefde voor Jezus.<br />
Vergeet niet wat ik je vroeg:<br />
Wees mijn vriendin<br />
Voor de troon<br />
Van de Maagd Maria.<br />
Blanke lelie,<br />
Glinsterende parel,<br />
Daar hoog in de hemel<br />
Waar jij leeft,<br />
Serafijn <strong>van</strong> liefde,<br />
Met je broertje in glorie:<br />
Bid voor mij<br />
Aan de voeten <strong>van</strong> de Heer. 5<br />
5 Ondanks haar gebrekkige scholing had Lucia aanleg om te dichten. Zij<br />
heeft diverse gedichten geschreven.
1. Karakter<br />
I. PORTRET VAN JACINTA<br />
Hoogwaardige Excellentie,<br />
Vóór de gebeurtenissen <strong>van</strong> 1917 voelde ik, behalve de<br />
familieband, geen enkele bijzondere band met Jacinta en Francisco<br />
of speelde ik liever met een <strong>van</strong> hen dan met welk ander kind<br />
ook. Integendeel, ik vond Jacinta niet prettig om mee om te gaan,<br />
omdat ze zo overgevoelig was. Het kleinste ruzietje, zoals dat<br />
onder spelende kinderen nu eenmaal voorkomt, was voor haar<br />
reden om te pruilen en de koppige ezel uit te hangen, zoals wij dat<br />
noemden. De liefste woordjes, zoals kinderen die in zulke omstandigheden<br />
tegen elkaar kunnen zeggen, hielpen niet om haar<br />
weer bij het spel te betrekken. Zíj moest bepalen wat er gespeeld<br />
werd en zíj moest zeggen met wie ze samen deed. Toch had ze<br />
ook toen al een goed hart. De goede God had haar begiftigd met<br />
een zacht en aanhankelijk karakter, wat haar lief en aanhankelijk<br />
maakte.<br />
Waarom, weet ik niet, maar Jacinta en haar broertje<br />
Francisco hadden een speciale voorliefde voor mij en ze haalden<br />
me bijna altijd op om te spelen. Ze gingen niet graag met de andere<br />
kinderen om en vroegen altijd of ik met ze mee ging naar een put<br />
<strong>van</strong> mijn ouders, achter in de boomgaard. Eenmaal daar, dan was<br />
het Jacinta die uitkoos wat we gingen spelen. Het liefst deed ze<br />
het spel met de steentjes of met de knopen. Dat speelden we<br />
terwijl we op die put zaten, waarop grote stenen lagen, in de<br />
schaduw <strong>van</strong> een olijfboom en twee pruimenbomen. Het knopenspel<br />
bracht me niet zelden in een lastig parket, want als ik<br />
werd geroepen om te komen eten, zat ik zonder knopen aan mijn<br />
kleren. Meestal had zij gewonnen en dan kreeg ik <strong>van</strong> mijn moeder<br />
op m’n kop. Ik moest ze onmiddellijk aannaaien, maar hoe lukte<br />
het me om ze <strong>van</strong> haar terug te krijgen? Behalve dat pruilen had<br />
zij nog een gebrekje: ze was hebberig. Zij wilde de knopen bewaren<br />
voor het volgende spelletje, dan hoefde zij ze niet <strong>van</strong> haar eigen<br />
jurk af te halen. Alleen als ik dreigde met nooit meer met haar te<br />
zullen spelen, lukte het me ze terug te krijgen!<br />
Maar het gebeurde vaak dat ik niet aan de wensen <strong>van</strong> mijn<br />
vriendinnetje kon voldoen. Mijn oudste zussen, de een naaister<br />
37
en de ander weefster, waren de hele dag thuis en daarom vroegen<br />
veel buurvrouwen aan mijn moeder of zij hun kleine kinderen bij<br />
ons in de tuin met mij mochten laten spelen, zodat de grote zussen<br />
dan een oogje in het zeil konden houden terwijl de moeders op<br />
het land gingen werken. Mijn moeder vond het altijd goed, hoewel<br />
mijn zussen er veel tijd door verloren. Ik moest de kleintjes dan<br />
bezighouden en opletten dat ze niet in de put vielen.<br />
Drie grote vijgenbomen beschermden de kinderen tegen de<br />
hitte <strong>van</strong> de zon; de takken dienden als schommel en een oude<br />
dorsvloer deed dienst als eetkamer. Als op zulke dagen Jacinta<br />
en haar broertje kwamen om te vragen of ik mee ging naar onze<br />
geliefde plek, zei ik dat ik niet mee kon omdat ik <strong>van</strong> mijn moeder<br />
thuis moest blijven. De twee schikten zich daar met tegenzin in<br />
en deden dan maar mee aan de spelletjes. In het middaguur gaf<br />
mijn moeder haar kinderen catechismusles, vooral tegen de tijd<br />
<strong>van</strong> de vasten want, zei ze, ik wil me niet hoeven schamen als<br />
mijnheer pastoor jullie vragen gaat stellen in verband met het<br />
vervullen <strong>van</strong> de paasplicht. Al die kinderen bleven dan bij die<br />
les; ook Jacinta.<br />
2. Haar gevoeligheid <strong>van</strong> ziel<br />
Op een dag beschuldigde een <strong>van</strong> die kinderen een ander<br />
er<strong>van</strong> lelijke woorden te hebben gezegd. Mijn moeder was heel<br />
boos op dat kind. Ze zei dat je zulke lelijke dingen niet mag zeggen,<br />
dat zoiets zonde is en dat Jezus daar verdriet <strong>van</strong> heeft en dat<br />
zondaars naar de hel gaan, als ze niet biechten. Die les vergat de<br />
kleine Jacinta niet. De eerstvolgende keer dat ze diezelfde kinderen<br />
ontmoette, vroeg ze:<br />
– Mag je <strong>van</strong>daag niet met ons mee gaan?<br />
– Nee.<br />
– Dan ga ik met Francisco naar onze tuin.<br />
– Waarom blijf je niet hier?<br />
– Mama wil niet dat we hier spelen, als die kinderen hier<br />
zijn. Ze zei dat we dan maar in onze eigen tuin moesten spelen.<br />
Ze wil niet dat ik die lelijke dingen leer die zonde zijn en waar<br />
Jezus niet <strong>van</strong> houdt.<br />
Daarna fluisterde ze in mijn oor:<br />
– Als je <strong>van</strong> je moeder mag, kom je dan naar ons huis?<br />
38
– Ja.<br />
– Ga het haar dan vragen.<br />
Ze nam haar broertje bij de hand en ging naar haar eigen<br />
huis.<br />
Zoals ik al zei, was een <strong>van</strong> haar geliefde spelletjes het<br />
pandenspel. Zoals Uwe Excellentie wel zal weten, geeft degene<br />
die wint, aan degene die verliest een opdracht. Zij gaf graag de<br />
opdracht om een vlinder te <strong>van</strong>gen en die bij haar te brengen. Ze<br />
vroeg ook wel eens om een bloem te halen, die ze had uitgekozen,<br />
en die aan haar te geven. Op zekere dag deden we dat spel bij<br />
mijn ouders thuis en het viel zo uit, dat ik won en haar dus een<br />
opdracht moest geven. Mijn broer zat aan de tafel te schrijven en<br />
ik zei, dat ze hem moest omhelzen en een zoentje geven. Maar<br />
zij antwoordde:<br />
Nee, dat doe ik niet! Zeg maar iets anders. Waarom zeg je<br />
niet dat ik Onze Lieve Heer daar een kusje moet geven? (er hing<br />
een kruisbeeld aan de muur).<br />
– Oké, zei ik, klim op een stoel, breng het kruisbeeld hier en<br />
je moet op je knieën drie omhelzingen en drie kusjes geven: één<br />
voor Francisco, één voor mij en één voor jezelf.<br />
– Aan Onze Lieve Heer geef ik er zoveel als je maar wil.<br />
Ze ging het kruis halen, kuste en omhelsde het met zoveel<br />
eerbied dat ik nooit meer zal vergeten hoe ze dat deed. Toen keek<br />
ze aandachtig naar Onze Lieve Heer aan het kruis en vroeg:<br />
– Waarom is Onze Lieve Heer zo vastgespijkerd aan het<br />
kruis?<br />
– Hij stierf voor ons.<br />
– Vertel me hoe dat ging, zei ze.<br />
3. Liefde voor Christus aan het kruis<br />
’s Avonds vertelde mijn moeder altijd een verhaaltje. Mijn<br />
vader en mijn oudste zussen vertelden verhalen over toverfeeën,<br />
in goud geklede prinsessen, koningsduifjes enz. Maar mijn moeder<br />
vertelde over Johannes de Doper, het lijden <strong>van</strong> Christus enz.<br />
Omdat ik het lijdensverhaal kende als een ‘verhaaltje’ en ik<br />
verhalen maar één keer hoefde te horen om ze nauwkeurig te<br />
kunnen navertellen, ging ik ‘het verhaal <strong>van</strong> Onze Lieve Heer’,<br />
zoals ik het noemde, aan mijn speelmakkertjes vertellen. Toen<br />
39
mijn zusje 6 langs kwam en merkte dat we het kruis in onze hand<br />
hadden 7 , pakte ze het <strong>van</strong> ons af, gaf ons een standje en zei dat<br />
ze niet wilde dat we met heilige voorwerpen speelden. Jacinta<br />
stond op, ging naar mijn zusje toe en zei:<br />
– Maria, niet boos zijn! Ik had het gepakt maar ik zal het<br />
nooit meer doen!<br />
Mijn zusje aaide haar over haar bol en zei dat we maar buiten<br />
moesten gaan spelen omdat we binnen overal aan zaten.<br />
Daar vervolgden wij ons verhaal, op de put waar ik het al<br />
over heb gehad. Omdat die verborgen lag achter een paar<br />
kastanjebomen, een berg stenen en een braamstruik, zouden we<br />
die plek een paar jaar later uitkiezen voor onze intieme gesprekken,<br />
vurige gebeden en, om u eerlijk alles te vertellen, soms ook bittere<br />
tranen. Wij mengden onze tranen met het water <strong>van</strong> dezelfde<br />
bron waaruit wij dronken. Was die put niet het beeld <strong>van</strong> de heilige<br />
Maagd, in wier hart wij onze tranen droogden en waaruit wij de<br />
zuiverste troost dronken?<br />
Maar om terug te komen op ons verhaal: toen Jacinta de<br />
geschiedenis <strong>van</strong> het lijden <strong>van</strong> Onze Lieve Heer hoorde, was zij<br />
er zo <strong>van</strong> onder de indruk dat ze begon te huilen.<br />
– Arme Jezus! zei ze, ik zal nooit een enkele zonde doen. Ik<br />
wil niet dat hij nog meer lijdt.<br />
4. Haar gevoelige karakter<br />
De kleine Jacinta ging ook altijd graag, bij het vallen <strong>van</strong> de<br />
avond, naar het erf voor ons huis om te kijken naar de prachtige<br />
zonsondergang en de sterrenhemel erna. Ze genoot <strong>van</strong> die<br />
avonden bij maneschijn. We deden weddenschappen over wie de<br />
sterren, die wij de lampjes <strong>van</strong> engelen noemden, kon tellen. De<br />
maan was Onze Lieve Vrouw en de zon was Onze Lieve Heer,<br />
waarop Jacinta soms zei:<br />
– Ik houd het meest <strong>van</strong> de lamp <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw<br />
want die brandt niet zo in je en verblindt je niet, zoals die <strong>van</strong><br />
Onze Lieve Heer doet.<br />
6 Maria <strong>dos</strong> Anjos, het oudste zusje <strong>van</strong> Lucia (overleden in 1986).<br />
7 Bezoekers kunnen dit kruis nog steeds zien in het huis <strong>van</strong> Lucia.<br />
40
Het is inderdaad zo, dat daar op sommige dagen in de zomer<br />
de zon heel fel schijnt en Jacinta, een teer poppetje, had altijd<br />
veel last <strong>van</strong> de warmte.<br />
5. Kindercatechese<br />
Omdat mijn zus lid was <strong>van</strong> de broederschap <strong>van</strong> het H.Hart<br />
<strong>van</strong> Jezus, zorgde zij ervoor dat, als er kinderen hun plechtige<br />
communie deden, ik ook mijn eerste communie hernieuwde. Bij<br />
een zo’n plechtigheid nam mijn tante haar dochtertje mee. Jacinta<br />
keek haar ogen uit naar de bruidjes, ‘engeltjes’ werden ze genoemd,<br />
die bloemen strooiden. Sinds die dag ging ze soms, als we aan<br />
het spelen waren, even weg, plukte een handvol bloemen en<br />
strooide die over me heen.<br />
– Waarom doe je dat, Jacinta?<br />
– Ik strooi bloemen over je heen, net als de engeltjes.<br />
Ook hielp mijn zus vaak om op een of andere feestdag,<br />
Sacramentsdag geloof ik, een paar <strong>van</strong> de kinderen die uitgekozen<br />
waren om als ‘engeltjes’ in de processie mee te lopen en bloemen<br />
voor het Allerheiligste te strooien, aan te kleden. Omdat ik altijd<br />
een <strong>van</strong> de uitverkorenen was, vertelde ik aan Jacinta, terwijl mijn<br />
zusje de jurk aan paste, over het aanstaande feest en dat ik<br />
bloemen zou strooien voor Jezus. Jacinta vroeg of ik aan mijn<br />
zus wilde vragen of zij ook mee mocht doen. Ik vroeg het en mijn<br />
zus vond het goed. Ze paste haar ook een jurkje aan en bij de<br />
repetities deed ze voor, hoe wij bloemen voor Jezus moesten<br />
strooien.<br />
– Kunnen we hem ook zien? wilde Jacinta weten.<br />
– Ja, zei mijn zus, mijnheer pastoor draagt hem.<br />
Jacinta danste <strong>van</strong> blijdschap en vroeg alsmaar of het nog<br />
lang duurde voor het feest er was. Eindelijk kwam de grote dag en<br />
de kleine Jacinta was uitgelaten. We gingen zitten naast het altaar<br />
en in de processie liepen we ieder aan een kant <strong>van</strong> het baldakijn<br />
met het Allerheiligste erop, het mandje met bloemen in onze hand.<br />
Op de plaatsen die mijn zusje had aangegeven strooide ik de<br />
bloemen. Maar wat voor gebaren ik ook naar Jacinta maakte, het<br />
lukte me niet haar ook maar één bloemetje te laten strooien. Ze<br />
bleef strak kijken naar mijnheer pastoor en verder niets. Na de<br />
41
plechtigheid nam mijn zus ons mee de kerk uit en vroeg aan<br />
Jacinta:<br />
– Waarom heb je geen bloemen voor Jezus gestrooid?<br />
– Omdat ik hem niet zag.<br />
Toen vroeg ze aan mij:<br />
– Heb jij hem dan wel gezien?<br />
– Nee, maar weet je dan niet dat het Kindje Jezus in de<br />
hostie onzichtbaar is, dat hij verborgen blijft? In de communie<br />
ont<strong>van</strong>gen we hem<br />
– En als jij hem in de communie ont<strong>van</strong>gt, praat je dan met<br />
hem?<br />
– Ja.<br />
– En waarom zie je hem dan niet?<br />
– Omdat hij verborgen is.<br />
– Ik ga aan mama vragen of ik ook ter communie mag gaan.<br />
– Nee, dat kan niet. Mijnheer pastoor zegt dat je daarvoor<br />
minstens tien jaar moet zijn.<br />
– Maar jij hebt toch ook al je eerste communie gedaan en je<br />
bent nog niet eens tien.<br />
– Ja, omdat ik de hele catechismus al kende en jij weet nog<br />
niets.<br />
Toen vroeg ze of ik hun les wilde geven. Ik benoemde mezelf<br />
tot catechete <strong>van</strong> mijn nichtje en neefje en ik moet zeggen: ze<br />
waren voorbeeldige leerlingen, ijverig tot en met. Hoewel ik meestal<br />
op alles een antwoord wist, schoot me, nu het ernst werd met de<br />
lessen, niet veel te binnen. Op zekere dag zei Jacinta dan ook:<br />
– Leer ons eens wat nieuws. Die dingen weten we allang.<br />
Ik moest toegeven dat ik alleen dingen wist wanneer iemand<br />
me er speciaal naar vroeg.<br />
– Vraag aan je moeder of je naar de kerk mag om les te<br />
krijgen.<br />
De twee kleuters, die vurig verlangden om de ‘verborgen<br />
Jezus’, zoals ze hem noemden, te ont<strong>van</strong>gen gingen het aan hun<br />
moeder vragen. Mijn tante zei wel ‘ja’ maar ze liet hen toch maar<br />
een paar keer gaan. Want, zei ze, de kerk is tamelijk ver weg en<br />
mijnheer pastoor geeft jullie de communie toch niet voordat jullie<br />
tien zijn 8 .<br />
8 Jacinta was geboren op 11 maart 1910.<br />
42
Jacinta stelde me steeds weer vragen over de verborgen<br />
Jezus en ik herinner me dat ze op een dag vroeg:<br />
– Hoe kan het, dat zoveel mensen tegelijk het Kindje Jezus<br />
ont<strong>van</strong>gen? Krijgt iedereen een stukje?<br />
– Nee, zie je niet dat er heel veel hosties zijn en dat in iedere<br />
hostie een Kindje zit?<br />
Wat een onzinnige dingen moet ik haar wel niet hebben<br />
verteld!<br />
6. Jacinta, het herderinnetje<br />
Intussen had ik de leeftijd bereikt waarop mijn moeder haar<br />
kinderen er met de schapen opuit stuurde. Mijn zusje Carolina<br />
was dertien jaar geworden 9 en moest dus gaan werken. Daarom<br />
droeg mijn moeder mij de zorg op <strong>van</strong> onze kudde schapen. Ik<br />
deelde het nieuws mee aan mijn speelmakkertjes en zei dat ik<br />
niet meer met hen kon spelen. Mijn kleine vriendjes konden zich<br />
echter niet bij de scheiding neerleggen. Ze vroegen hun moeder<br />
of ze met me mee mochten maar dat feest ging niet door. Er zat<br />
niets anders op dan ons bij de scheiding neer te leggen. Toen<br />
kwamen ze me bijna iedere avond tegemoet en daarna renden<br />
we naar onze boomgaard, op het erf, in afwachting tot Onze Lieve<br />
Vrouw en de engelen hun lampjes aanstaken en ze bij het raam<br />
zetten om ons licht te geven. Was er geen maanlicht, dan zeiden<br />
we dat Onze Lieve Vrouw geen olie meer had om de lampen aan<br />
te steken.<br />
De twee hadden moeite zich neer te leggen bij de afwezigheid<br />
<strong>van</strong> hun vroegere speelmakkertje. Daarom bleven ze bij hun<br />
moeder zeuren dat zij óók hun eigen kudde mochten weiden.<br />
Waarschijnlijk om <strong>van</strong> het gezeur af te zijn, liet mijn tante hen<br />
toen ook maar voor hun schapen zorgen, hoewel ze er eigenlijk<br />
nog te klein voor waren. Uitgelaten <strong>van</strong> blijdschap kwamen ze mij<br />
het goede nieuws vertellen en we spraken af dat we iedere dag de<br />
kudden samen zouden brengen. Ieder zou zijn schapen uit de<br />
schaapskooi halen op het tijdstip dat z’n moeder aangaf en wie<br />
het eerst was, zou op de anderen wachten bij de Barreiro (zo<br />
9 Carolina overleed op 31 maart 1992.<br />
43
noemden we een vijvertje aan de voet <strong>van</strong> de berg). Als iedereen<br />
er was, bespraken we waar we de schapen die dag zouden laten<br />
grazen en dan gingen we er op uit, blij en tevreden, alsof we naar<br />
een feest gingen!<br />
En hier, Excellentie, zien we Jacinta in haar nieuwe leven<br />
als herderinnetje. We hielden de schapen in toom door ze <strong>van</strong><br />
onze boterhammen te laten mee eten. Als we dan op de uitgekozen<br />
plek aankwamen, konden we rustig spelen, want de schapen liepen<br />
niet <strong>van</strong> ons weg. Jacinta vond het leuk om in het dal de echo <strong>van</strong><br />
haar stem te horen. Een geliefd spel <strong>van</strong> ons was dan ook om op<br />
de hoogste rots in de bergen te gaan zitten en heel hard namen te<br />
roepen. De naam die de beste echo gaf, was ‘Maria’. Jacinta zegde<br />
soms het hele Weesgegroet, waarbij ze wachtte met het volgende<br />
woord tot het vorige niet meer echode.<br />
We zongen ook graag. Buiten de populaire liedjes, waar<strong>van</strong><br />
we er maar al te veel kenden, zong Jacinta het liefst ‘Salve Nobre<br />
Padroeira’ (Gegroet, edele Patrones), ‘Virgem Pura’ (Zuivere<br />
Maagd) en ‘Anjos, cantai comigo’ (Engelen zingt met mij). Ook<br />
hielden we veel <strong>van</strong> dansen en welk instrument we de andere<br />
herders ook hoorden spelen, het zette ons meteen aan het dansen.<br />
Jacinta, klein als ze was, danste echt heel leuk.<br />
Er was ons gezegd dat we na de lunch het rozenhoedje<br />
moesten bidden. Maar omdat we de hele dag eigenlijk nog te kort<br />
vonden om te spelen, hadden we iets bedacht om ons daar snel<br />
<strong>van</strong>af te maken: we lieten de kralen vlug door onze vingers glijden<br />
en zeiden alleen maar: ‘Weesgegroet, weesgegroet, weesgegroet’<br />
en zo nog een paar keer. Aan het eind <strong>van</strong> ieder tientje zeiden we<br />
na een korte pauze alleen maar het woord: ‘Onze Vader’. Zo waren<br />
we snel door ons rozenhoedje heen!<br />
Jacinta deed ook graag het volgende: ze nam de witte<br />
lammetjes in haar armen, zette ze op haar schoot en aaide en<br />
kuste ze en ’s avonds droeg zij ze over haar schouders, zodat ze<br />
niet zo moe werden. Ze ging een keer midden tussen de schapen<br />
lopen.<br />
– Waarom loop je midden tussen de schapen, Jacinta? Vroeg<br />
ik haar.<br />
– Ik doe net als Onze Lieve Heer op dat plaatje dat ik<br />
gekregen heb, waar hij ook tussen een heleboel schapen loopt,<br />
met één over z’n schouders.<br />
44
7. De eerste verschijning<br />
Hier heeft u dus, Excellentie, min of meer een idee <strong>van</strong> de<br />
eerste zeven levensjaren <strong>van</strong> Jacinta, tot aan die dertiende mei,<br />
een mooie, heerlijke dag zoals zovele andere ervóór. Die dag<br />
kozen we bij toeval –tenminste, als we in de plannen <strong>van</strong> de<br />
Voorzienigheid <strong>van</strong> toeval kunnen spreken– als weidegrond voor<br />
onze kudde een stuk grond dat <strong>van</strong> mijn ouders was. Het heette<br />
Cova da Iria. Zoals altijd bespraken we bij Barreiro –waar ik het al<br />
over heb gehad- de weidegrond <strong>van</strong> de dag en zo kwam het, dat<br />
we een heideveld moesten oversteken, wat de rit dubbel zo lang<br />
maakte. Daarom moesten we langzaam lopen, zodat de schapen<br />
onderweg konden grazen. Pas tegen de middag kwamen we op<br />
de plaats <strong>van</strong> bestemming aan.<br />
Ik blijf nu niet stilstaan bij alles wat er op die dag gebeurde,<br />
want dat weet u allemaal al en het zou maar tijdverlies zijn.<br />
Trouwens, wat mij betreft vind ik, behalve de verdienste <strong>van</strong> de<br />
gehoorzaamheid, alles wat ik ga schrijven tijdverlies. Ja, ik zie<br />
niet wat dat allemaal voor nut voor u heeft, of het zou moeten zijn<br />
om de onschuld <strong>van</strong> dat kind te leren kennen.<br />
Voordat ik u begin te vertellen wat ik me herinner over deze<br />
nieuwe periode in het leven <strong>van</strong> Jacinta, moet ik u zeggen dat er<br />
in de verschijningen <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw een paar dingen waren<br />
waar<strong>van</strong> wij hadden afgesproken ze aan niemand te vertellen.<br />
Maar misschien ben ik nu toch wel verplicht om daar iets <strong>van</strong> te<br />
zeggen, om namelijk uit te leggen waar Jacinta zo’n grote liefde<br />
tot Jezus, tot het lijden en tot de zondaars voor de redding <strong>van</strong><br />
wie zij zoveel offers heeft gebracht, <strong>van</strong>daan haalde. U weet vast<br />
wel dat het Jacinta was die, stralend <strong>van</strong> blijdschap, zoveel geluk<br />
niet voor zich kon houden en onze afspraak om het aan niemand<br />
te vertellen, brak. Toen we op die bewuste middag als versuft<br />
door wat ons overkomen was, stil voor ons uit zaten te kijken, riep<br />
Jacinta <strong>van</strong> tijd tot tijd geestdriftig uit:<br />
– O, wat een mooie Dame!<br />
– Ik zie het al, zei ik, jij gaat het nog eens tegen iemand<br />
zeggen!<br />
– Nee, nee, ik zeg het echt niet.<br />
Toen haar broertje de volgende dag naar me toe kwam om<br />
me te zeggen dat ze het de vorige avond thuis verteld had, hoorde<br />
Jacinta de beschuldiging zwijgend aan.<br />
45
– Zie je wel, ik had het al gedacht, zei ik.<br />
– Ik kon het echt niet vóór me houden, zei ze huilend.<br />
– Nou, huil maar niet en zeg verder tegen niemand iets <strong>van</strong><br />
wat de Dame heeft gezegd.<br />
– Ja, maar ik heb het al gezegd<br />
– Wat heb je gezegd?<br />
– Dat die Dame beloofd heeft ons naar de hemel te halen.<br />
– O jee, dat moest er dus meteen al uit!<br />
– Het spijt me. Ik zal voortaan nooit meer iets zeggen!<br />
8. Nadenken over de hel<br />
Toen we die dag op de plek kwamen waar we onze schapen<br />
zouden grazen, ging Jacinta mijmerend op een steen zitten.<br />
– Kom mee, spelen, Jacinta!<br />
– Nee, <strong>van</strong>daag even niet.<br />
– Waarom niet?<br />
– Ik zit na te denken. Die dame zei dat we het rozenhoedje<br />
moesten bidden en veel offertjes brengen voor de zondaars. Nou,<br />
als we het rozenhoedje bidden, moeten we het Onzevader en het<br />
Weesgegroet voortaan voluit zeggen. En hoe doen we dat met<br />
die offertjes?<br />
Francisco kwam al vlug met een goed voorstel.<br />
– We geven ons brood aan de schapen. Dat is dan een offer.<br />
Binnen een paar minuten was ons hele lunchpakket onder<br />
de schapen verdeeld. En zo vastten we strenger dan de strengste<br />
Kartuizer! Jacinta bleef maar op haar steen zitten nadenken en<br />
vroeg op een gegeven moment:<br />
– Die Dame zei ook dat er veel zielen naar de hel gaan. Wat<br />
is de hel eigenlijk?<br />
– Dat is een kuil met dieren en een grote brandstapel (dat<br />
zei mijn moeder altijd) en daar komen de zondaars in die niet<br />
biechten en daar blijven ze altijd branden.<br />
– Kom je daar nooit meer uit?<br />
– Nee.<br />
– Ook niet na heel veel jaar?<br />
– Nee. Aan de hel komt nooit een eind. En aan de hemel<br />
ook niet. Wie naar de hemel gaat, gaat er ook nooit meer uit. En<br />
wie naar de hel gaat, ook niet. Begrijp je niet dat ze eeuwig zijn?<br />
Ze hebben geen einde.<br />
46
Dat was onze eerste meditatie over de hel en over de<br />
eeuwigheid. Wat de meeste indruk maakte op Jacinta, was de<br />
eeuwigheid. Zelfs als we aan het spelen waren vroeg ze soms<br />
opeens:<br />
– Zeg, na heel, héél veel jaren, houdt de hel dan nog niet<br />
op?<br />
Een andere keer vroeg ze:<br />
– En die mensen die daar branden, gaan die niet dood?<br />
Worden die geen as? Als we veel voor de zondaars bidden, laat<br />
Onze Lieve Heer ze er dan uit? Ook niet als we offertjes brengen?<br />
Arme mensen! We moeten maar veel voor ze bidden en offertjes<br />
brengen!<br />
Soms zei ze erbij:<br />
– Wat is die Dame toch lief! Ze heeft ons al beloofd dat we<br />
naar de hemel gaan!<br />
9. Liefde voor de zondaars<br />
Jacinta nam het offeren voor de zondaars zo ernstig op dat<br />
ze geeen enkele gelegenheid voorbij liet gaan. Zo waren er een<br />
paar kinderen uit twee gezinnen <strong>van</strong> de Moita 10 die langs de deuren<br />
liepen te bedelen. We kwamen ze een keer tegen toe wij onze<br />
kudde aan het weiden waren. Toen Jacinta hen zag zei ze:<br />
– Zullen we onze boterhammen aan die arme kinderen geven<br />
voor de bekering <strong>van</strong> de zondaars?<br />
En zij bracht ze. Die middag zei ze dat ze honger had. Nu<br />
stonden daar een paaar dwergeiken en steeneiken. De eikels waren<br />
nog tamelijk groen. Toch zei ik dat we ze wel konden eten. Francisco<br />
klom in een steeneik om zijn zakken te vullen, maar Jacinta<br />
herinnerde zich dat we beter de eikels <strong>van</strong> de dwergeik konden<br />
eten, omdat die bitterder zijn. En zo genoten we die middag <strong>van</strong><br />
dat verrukkelijke eten! Jacinta maakte daar een <strong>van</strong> haar gebruikelijke<br />
offers <strong>van</strong>. Ze at ofwel eikels <strong>van</strong> de dwergeiken ofwel<br />
olijven <strong>van</strong> de olijfbomen.<br />
Ik zei een keer tegen haar:<br />
– Die moet je niet eten Jacinta, die zijn echt te bitter.<br />
10 In die tijd een gehucht ten noorden <strong>van</strong> de Cova da Iria, ongeveer 1 km <strong>van</strong><br />
de plaats <strong>van</strong> de verschijningen.<br />
47
– Daarom eet ik ze juist, om de zondaars te bekeren.<br />
Dit was niet onze enige manier <strong>van</strong> vasten. We spraken af<br />
om, telkens als we die arme kinderen tegen kwamen, hun ons<br />
brood te geven. Die arme kinderen waren blij met onze gift en<br />
deden hun best om ons te ontmoeten en wachtten ons op. Zo<br />
gauw we ze zagen, ging Jacinta hun al het eten <strong>van</strong> die dag<br />
brengen, met zo’n <strong>van</strong>zelfsprekendheid dat het leek of ze het zelf<br />
niet nodig had. Op zulke dagen bestond ons eten uit dennenappels,<br />
wortels <strong>van</strong> een klokbloemetje (een geel bloemetje dat aan de<br />
wortel een bolletje heeft ter grootte <strong>van</strong> een olijf), moerbeien,<br />
paddestoelen en enkele dingen die we vonden aan de wortel <strong>van</strong><br />
dennenbomen maar waar<strong>van</strong> me op dit moment de naam niet te<br />
binnen schiet. Ook aten we vruchten, als die er waren, op een<br />
terrein dat <strong>van</strong> mijn vader was.<br />
Jacinta kon maar niet genoeg offertjes brengen. Op zekere<br />
dag bood een buurman mijn moeder een goede weide aan voor<br />
onze kudde, maar die was tamelijk ver weg en het was hartje<br />
zomer. Mijn moeder nam het gulle aanbod aan en stuurde me<br />
daar heen. Omdat daar in de buurt een vijver was, waar de kudde<br />
kon drinken, zei ze dat we het beste daar onze middagrust konden<br />
nemen, in de schaduw <strong>van</strong> de bomen. Onderweg kwamen we<br />
onze arme vriendjes tegen en Jacinta gaf hun al onze boterhammen.<br />
Het was een mooie dag, maar snikheet. Op die harde,<br />
droge rotsgrond 11 leek de zon alles te willen verschroeien. We<br />
kregen dorst en er was geen druppel water om te drinken. Eerst<br />
brachten we het offer edelmoedig voor de bekering <strong>van</strong> zondaars,<br />
maar in de loop <strong>van</strong> de middag werd het niet meer uit te houden.<br />
Ik stelde mijn kameraadjes voor om ergens in de buurt wat<br />
water te gaan vragen. Daar waren ze het mee eens en ik klopte<br />
aan bij een oud vrouwtje dat me niet alleen een kannetje water<br />
gaf, maar ook een stuk brood dat ik dankbaar aannam en gauw<br />
met de anderen wilde verdelen. Eerst gaf ik het kannetje aan<br />
Francisco om te drinken.<br />
– Ik hoef niet, zei hij.<br />
– Waarom niet?<br />
– Ik wil iets lijden voor de bekering <strong>van</strong> de zondaars.<br />
11 ‘Pregueira’, plaatselijk woord voor rotsachtig, onvruchtbaar terrein.<br />
48
– Drink jij dan, Jacinta!<br />
– Ik wil ook lijden voor de bekering <strong>van</strong> de zondaars.<br />
Ik goot het water toen maar in de holte <strong>van</strong> een steen voor<br />
de schapen en bracht het kannetje terug naar de eigenares. Maar<br />
de hitte werd steeds erger. De boomkevers en de krekels sloten<br />
zich met hun geluid aan bij het kwaken <strong>van</strong> de kikkers in de nabije<br />
poel en het was een gekwaak en getsjirp om niet meer uit te<br />
houden. Jacinta die toch al zo zwak was en nu zo’n dorst had, zei<br />
met haar natuurlijke eenvoud:<br />
– Ga aan de sprinkhanen en de kikkers zeggen dat ze moeten<br />
ophouden. Ik verga <strong>van</strong> de hoofdpijn!<br />
Toen zei Francisco:<br />
– Heb je dat dan niet over voor de zondaars?<br />
Het arme kind nam haar hoofd tussen haar handjes en zei:<br />
– Ja, wel, laten ze hun gang maar gaan.<br />
10. Tegenstand <strong>van</strong> de familie<br />
Intussen had het verhaal <strong>van</strong> wat gebeurd was zich snel<br />
verspreid. Mijn moeder begon zich eraan te ergeren en stond erop<br />
dat ik alles wat ik gezegd had terug nam. Op een dag wilde ze me,<br />
voordat ik met de kudde weg ging, dwingen toe te geven dat ik<br />
gelogen had. Om dat te bereiken deinsde ze er niet voor terug om<br />
mooie woorden, bedreigingen en zelfs de bezemsteel te gebruiken.<br />
Toen ze geen ander antwoord kreeg dan een stom stilzwijgen of<br />
de bevestiging <strong>van</strong> wat ik al gezegd had, liet ze me met de kudde<br />
schapen gaan, met de boodschap dat ik er in de loop <strong>van</strong> de dag<br />
maar eens goed over na moest denken; dat, als ze ooit leugens<br />
<strong>van</strong> haar kinderen geduld had, deze zeker nooit zou hebben<br />
toegestaan en ze zou me die avond als ik terug kwam verplichten<br />
naar de mensen toe te gaan die ik voor de gek had gehouden, om<br />
te bekennen dat ik gelogen had en te zeggen dat het me speet.<br />
Zo vertrok ik die dag met mijn schaapjes. Mijn makkertjes<br />
stonden me al op te wachten. Toen ze zagen dat ik huilde gingen<br />
ze naar me toe en vroegen wat er aan de hand was. Ik vertelde<br />
wat er was gebeurd en vroeg:<br />
– Oh, wat moet ik doen? Mama wil koste wat kost dat ik zeg<br />
dat ik gejokt heb, maar dat kan ik toch niet zeggen?<br />
Daarop zei Francisco tegen Jacinta:<br />
49
– Zie je wel? Dat is jouw schuld. Waarom moest jij het nou<br />
verklappen?<br />
Het arme kind begon te huilen en op haar knieën, met<br />
gevouwen handen, vroeg ze me om vergiffenis.<br />
– Het was verkeerd <strong>van</strong> me, zei ze huilend, maar ik zeg<br />
nooit meer iets tegen iemand!<br />
U zou kunnen vragen, Excellentie, wie haar zo’n daad <strong>van</strong><br />
nederigheid geleerd heeft. Ik weet het niet. Misschien heeft ze<br />
haar broertjes vergiffenis zien vragen aan haar ouders op de avond<br />
voor hun Eerste Communie. Het kan ook zijn dat de H.Maagd aan<br />
Jacinta meer genaden, kennis <strong>van</strong> God en <strong>van</strong> deugden had<br />
gegeven.<br />
Toen mijnheer pastoor 12 ons enige tijd later liet roepen om<br />
ons te ondervragen, boog Jacinta haar hoofd en met moeite kon<br />
de eerwaarde twee of drie woorden uit haar krijgen. Buiten vroeg<br />
ik haar:<br />
– Waarom wou je geen antwoord geven aan mijnheer<br />
pastoor?<br />
– Omdat ik jou beloofd had tegen niemand meer iets te<br />
zeggen.<br />
Op zekere dag vroeg ze mij:<br />
– Waarom mogen we niet zeggen dat die Dame ons heeft<br />
gevraagd offertjes te brengen voor de zondaars?<br />
– Anders gaan ze ons vragen wélke offertjes we brengen.<br />
Mijn moeder werd steeds bozer over het verloop <strong>van</strong> de<br />
gebeurtenissen. Daarom ondernam ze weer een poging om mij<br />
zover te krijgen dat ik bekende dat ik gelogen had. Op een morgen<br />
riep ze me bij zich en zei dat ze me naar de pastorie zou brengen.<br />
Als je daar bent, val je op je knieën, je zegt dat je gelogen hebt en<br />
je vraagt vergiffenis, zei ze. Toen we voorbij het huis <strong>van</strong> mijn tante<br />
kwamen, ging mijn moeder even naar binnen. Ik maakte <strong>van</strong> de<br />
gelegenheid gebruik om aan Jacinta te vertellen wat er gaande<br />
was. Toen zij mijn bedrukte gezicht zag, kreeg ze tranen in haar<br />
ogen en ze zei:<br />
– Ik kom direct uit bed, roep Francisco en we gaan bidden<br />
bij jullie put. Als je terug bent, kom daar dan ook heen.<br />
12 De eerste ondervraging door de pastoor, Manuel M.Ferreira, vond plaats<br />
eind mei 1917.<br />
50
Toen ik terug was, liep ik meteen naar de put en daar zaten<br />
de twee op hun knietjes te bidden. Zo gauw ze me zagen liep<br />
Jacinta naar me toe, omhelsde me en vroeg hoe het afgelopen<br />
was. Ik vertelde het en zei:<br />
– Zie je wel? We hoeven niet bang te zijn voor niets. Die<br />
dame helpt ons altijd. Ze houdt heel veel <strong>van</strong> ons!<br />
Sinds de dag dat Onze Lieve Vrouw ons geleerd had onze<br />
offertjes op te dragen aan Jezus, vroeg Jacinta telkens als we<br />
hadden afgesproken er een te brengen of ook als we een of andere<br />
beproeving te doorstaan hadden:<br />
– Heb je al tegen Jezus gezegd dat het uit liefde tot hem is?<br />
Als ik dan ‘nee’ zei…<br />
– Zeg ik het hem dan nu.<br />
Ze vouwde haar handjes, hief haar ogen naar de hemel en zei:<br />
– Jezus, het is uit liefde tot u en voor de bekering <strong>van</strong> de<br />
zondaars.<br />
11. Liefde tot de H.Vader<br />
Twee priesters die ons kwamen ondervragen, raadden ons<br />
aan voor de H.Vader te bidden. Jacinta vroeg wie de H.Vader was<br />
en de goede priesters legden ons uit wie de H.Vader was en dat<br />
wij veel voor hem moesten bidden. Vanaf dat ogenblik had Jacinta<br />
zo’n grote liefde voor de paus dat ze, telkens wanneer ze een<br />
offertje aan Jezus opdroeg, er aan toe voegde: ‘en voor de H.Vader’.<br />
Aan het eind <strong>van</strong> het rozenhoedje bad ze altijd drie Weesgegroeten<br />
voor de paus en soms zei ze:<br />
– Wat zou ik de H.Vader toch graag eens zien! Hier komen<br />
zoveel mensen en de H.Vader komt nooit 13 .<br />
In haar kinderlijke onnozelheid dacht ze dat de paus die reis<br />
kon maken net als de andere mensen.<br />
Eens op een dag kregen mijn vader en mijn oom 14 bevel om<br />
de volgende dag met ons voor de burgemeester te verschijnen 15 .<br />
13 Op 13 mei 1967 was Paulus VI, en op 13 mei 1982 was Johannes Paulus II<br />
in Fatima.<br />
14 Lucia’s vader heette António <strong>dos</strong> Santos (overleden in 1919). Haar oom<br />
was Manuel Pedro Marto, de vader <strong>van</strong> Francisco en Jacinta (hij overleed<br />
in 1955).<br />
15 De burgemeester was Artur de Oliveira Santos (overleden in 1955).<br />
51
Mijn oom zei dat hij zijn kinderen niet meenam want, zei hij, ik zie<br />
geen reden om twee kinderen voor een rechtbank te brengen op<br />
een leeftijd waarop ze nog niet verantwoordelijk zijn voor hun<br />
daden. Bovendien zijn ze niet in staat lopend naar Vila Nova de<br />
Ourém te gaan. Ik zie nog wel wat ze willen. Mijn vader dacht er<br />
anders over.<br />
– Ik neem mijn dochter wel mee. Ze redt zich er maar uit. Ik<br />
heb geen verstand <strong>van</strong> die dingen.<br />
Dat bevel was voor iedereen aanleiding om ons de stuipen<br />
op het lijf te jagen. De volgende dag moest mijn vader bij het huis<br />
<strong>van</strong> mijn oom een paar minuten op hem wachten. Ik liep vlug naar<br />
het bed <strong>van</strong> Jacinta om haar gedag te zeggen. Omdat ik niet wist<br />
of we elkaar ooit nog terug zouden zien, omhelsde ik haar. Huilend<br />
zei het arme kind tegen me:<br />
– Als ze je dood maken, zeg dan dat Francisco en wij net zo<br />
zijn als jij en dat wij ook willen sterven. Ik ga direct met Francisco<br />
naar de put om voor je te bidden.<br />
Toen ik ’s avonds thuis kwam, liep ik direct naar de put en<br />
daar zaten de twee op hun knietjes te huilen, gebogen over de<br />
rand <strong>van</strong> de put, met hun hoofd in hun handen. Toen ze me zagen<br />
waren ze verbaasd:<br />
– Ben je daar? Je zusje kwam hier water halen en ze zei<br />
tegen ons dat ze je al gedood hadden! Je kan niet geloven hoeveel<br />
we gehuild en gebeden hebben om je…<br />
12. In de ge<strong>van</strong>genis <strong>van</strong> Vila Nova de Ourém<br />
Toen we een tijdje later werden vastgehouden, was wat<br />
Jacinta het ergst vond het feit dat onze ouders niets <strong>van</strong> zich<br />
lieten horen. Met tranen in haar ogen zei ze:<br />
– Zowel jouw ouders als die <strong>van</strong> mij komen ons niet<br />
opzoeken. Ze geven niets meer om ons!<br />
– Huil maar niet, zei Francisco. Laten we het aan Jezus<br />
opofferen voor de bekering <strong>van</strong> de zondaars.<br />
En met z’n ogen en handen naar de hemel gericht bood hij<br />
zijn offer aan:<br />
– Jezus, het is uit liefde tot u en voor de bekering <strong>van</strong> de<br />
zondaars.<br />
En Jacinta voegde er nog aan toe:<br />
52
– En ook voor de H.Vader en als eerherstel voor de zonden<br />
die gedaan worden tegen het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria.<br />
Toen wij, nadat we eerst <strong>van</strong> elkaar gescheiden waren, weer<br />
in een vertrek in de ge<strong>van</strong>genis bij elkaar gebracht werden en ons<br />
gezegd werd dat we even later gehaald zouden worden om op het<br />
vuur te worden geroosterd, ging Jacinta bij een raam staan dat<br />
uitkeek op de veemarkt. Eerst dacht ik dat ze afleiding zocht door<br />
naar buiten te kijken, maar al vlug merkte ik dat ze stond te huilen.<br />
Ik ging naar haar toe en vroeg waarom ze huilde:<br />
– Omdat we dood gaan, zei ze, zonder dat we nog één keer<br />
onze vader of moeder gezien hebben.<br />
In tranen zei ze:<br />
– Als ik tenminste nog maar mijn moeder kon zien!<br />
– Wil je dan ook dat offer niet brengen voor de bekering <strong>van</strong><br />
de zondaars?<br />
– Ja, ja.<br />
En met een gezicht vol tranen, haar handen opgeheven,<br />
bood ze het offer aan:<br />
– Lieve Jezus, het is uit liefde voor u, voor de bekering <strong>van</strong><br />
de zondaars, voor de H.Vader en tot eerherstel <strong>van</strong> de zonden die<br />
bedreven zijn tegen het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria.<br />
De ge<strong>van</strong>genen die bij dit tafereel aanwezig waren, wilden<br />
ons troosten:<br />
– Waarom zeggen jullie dat geheim niet aan de burgemeester?<br />
vroegen ze. Wat kan het jullie nou schelen dat die Dame<br />
het niet wil?<br />
– Nee, dat niet! antwoordde Jacinta met klem. Dan ga ik<br />
liever dood.<br />
13. Rozenhoedje in de ge<strong>van</strong>genis<br />
We besloten toen het rozenhoedje te gaan bidden. Jacinta<br />
nam de medaille die ze aan een kettinkje om haar hals droeg en<br />
vroeg aan een <strong>van</strong> de ge<strong>van</strong>genen om die op te hangen aan een<br />
spijker aan de muur en op onze knieën begonnen we te bidden.<br />
Voor zover ze bidden konden, baden de ge<strong>van</strong>genen mee. In ieder<br />
geval zaten ze op hun knieën. Na het rozenhoedje ging Jacinta<br />
weer bij het raam staan huilen.<br />
53
– Jacinta, ik dacht dat je dat offer aan Onze Lieve Heer<br />
wilde opdragen? vroeg ik.<br />
– Ja, dat wil ik ook, maar als ik aan mama denk, moet ik<br />
<strong>van</strong>zelf huilen.<br />
Daarna wilden we bidden met ieder z’n eigen intentie. De<br />
H.Maagd had ons immers gezegd dat wij onze gebeden en offertjes<br />
ook moesten opdragen tot eerherstel <strong>van</strong> de zonden, bedreven<br />
tegen het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria. Eén zou offeren voor de<br />
zondaars, één voor de H.Vader en de derde voor eerherstel <strong>van</strong><br />
de zonden tegen het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria. Ik zei dat Jacinta<br />
het eerst haar intentie mocht kiezen.<br />
– Ik offer voor alle drie, zei ze, want ik vind ze alle drie mooi.<br />
14. Gehechtheid aan het dansen<br />
Een <strong>van</strong> de ge<strong>van</strong>genen speelde mondharmonica. Om ons<br />
wat af te leiden gingen ze dus maar muziek maken en zingen. Ze<br />
vroegen of we een dansje kenden. We zeiden dat we de ‘fandango’<br />
en de ‘vira’ kenden. Jacinta danste met een arme boef die, toen<br />
hij zag hoe klein ze was, maar ging dansen met haar op zijn arm!<br />
Moge Onze Lieve Vrouw medelijden met hem hebben gehad en<br />
hem hebben bekeerd.<br />
Nu zal u wel denken, Excellentie, dat is ook een mooie<br />
voorbereiding op de marteldood!... Dat is waar, ja. Maar we waren<br />
nog maar kinderen, we dachten niet verder. Jacinta hield heel<br />
veel <strong>van</strong> dansen en ze had er aanleg voor. Ik herinner me dat ze<br />
op zekere dag zat te huilen om haar broer, die in de oorlog was en<br />
<strong>van</strong> wie gedacht werd dat hij gesneuveld was. Om haar wat af te<br />
leiden organiseerde ik met twee <strong>van</strong> haar broertjes een dansje.<br />
Terwijl ze liep te dansen, veegde ze alsmaar haar tranen <strong>van</strong> haar<br />
gezicht. Ondanks dat ze zo graag danste – soms hoefde ze maar<br />
ergens een herder te horen spelen, of ze begon te dansen - zei ze<br />
op zekere dag, toen de feesten <strong>van</strong> Sint Jan en Carnaval naderden:<br />
– Ik dans nu niet meer.<br />
– Waarom niet?<br />
– Daar wil ik een offer <strong>van</strong> maken voor Onze Lieve Heer.<br />
En aangezien wij altijd degenen waren die uitmaakten wat<br />
de kinderen speelden, was het afgelopen met de dansjes die bij<br />
zulke gelegenheden werden gedaan.<br />
54
II. NA DE VERSCHIJNINGEN<br />
1. Gebeden en offers op de Cabeço<br />
Mijn tante kreeg er genoeg <strong>van</strong> om er steeds maar weer<br />
iemand op uit te sturen om haar kinderen naar huis te halen omdat<br />
iemand met hen wilde spreken. Daarom vertrouwde ze de kudde<br />
toe aan haar zoontje Jan (João) 16 . Deze verandering viel Jacinta<br />
zwaar en wel om twee redenen: omdat ze nu met iedereen moest<br />
spreken die haar opzocht en verder, zoals ze zei, omdat ze niet<br />
meer de hele dag bij mij kon zijn. Maar ze moest zich er wel bij<br />
neer leggen. Om zich te verstoppen voor de mensen die haar<br />
zochten, verborg ze zich met haar broertje in de holte <strong>van</strong> een<br />
rots 17 , op de helling <strong>van</strong> een berg vóór ons dorp, met bovenop een<br />
windmolen. De grot zit in de oostelijke helling. De uitholling is zo<br />
groot, dat de kinderen volkomen beschut waren tegen regen en<br />
zon. Bovendien zijn er veel olijfbomen en eiken in de buurt.<br />
Hoeveel heeft Jacinta daar niet gebeden en offers opgedragen<br />
aan Onze Lieve Heer!<br />
Die berghelling was ook bezaaid met veel bloemen <strong>van</strong><br />
allerlei soorten. Er waren bijvoorbeeld veel lelies, waar Jacinta<br />
erg <strong>van</strong> hield. Als ze me tegemoet kwam, gaf ze mij er meestal<br />
een; soms ook een andere bloem. Ze vond het prachtig naar mij<br />
toe te gaan, de blaadjes <strong>van</strong> een bloem af te trekken en over mij<br />
uit te strooien.<br />
Wat mij betreft, deed mijn moeder voorlopig nog niets anders<br />
dan mij de weiden aan te geven waar ik heen moest, zodat ze wist<br />
waar ik was, als het nodig was mij te laten roepen. Als het dichtbij<br />
was, waarschuwde ze mijn kameraadjes, die me dan meteen<br />
gingen zoeken. Jacinta liep snel naar waar ik in de buurt moest<br />
zijn. Als ze moe werd ging ze zitten en riep me, net zo lang tot ik<br />
haar antwoord gaf en naar haar toe rende.<br />
16 João Marto, broer <strong>van</strong> Jacinta en Francisco (overleden op 28 april 2000).<br />
17 De grot in de rots heet ‘Loca do Cabeço’ en de heuvel zelf ‘Cabeço’.<br />
55
2. Hinderlijke ondervragingen<br />
Mijn moeder vond na een tijdje dat mijn zus te veel tijd verloor<br />
door mij steeds maar weer te roepen en dan voor mij in de plaats<br />
bij de kudde bleef. Zij besloot de kudde te verkopen en ons, in<br />
overleg met mijn tante, naar school te sturen. In de pauze bracht<br />
Jacinta graag even een bezoekje aan het Allerheiligste maar, zei<br />
ze:<br />
– Het lijkt wel of ze het raden. We zijn de kerk nog niet in, of<br />
er staan een heleboel mensen om ons vragen te stellen! Ik zou<br />
liever heel lang alleen zijn om te praten met de verborgen Jezus.<br />
Maar we worden nooit met rust gelaten.<br />
En zo was het ook. Die eenvoudige dorpsmensen lieten ons<br />
niet met rust. Ze vertelden eenvoudigweg al hun noden en verdriet.<br />
Jacinta had veel met ze te doen, vooral wanneer het een zondaar<br />
betrof. Dan zei ze:<br />
– We moeten bidden en offertjes brengen aan Onze Lieve<br />
Heer en hem vragen of hij hem bekeert zodat hij niet in de hel<br />
komt. Arme kerel!<br />
Hier kan ik wel een stukje inlassen om iets te vertellen over<br />
hoe Jacinta haar best deed om de mensen die haar zochten, te<br />
ontlopen. Op een dag 18 waren we op weg naar Fatima toen we, al<br />
dicht bij de grote weg, een groepje dames en heren uit een auto<br />
zagen stappen. We twijfelden er niet aan, of ze zochten ons.<br />
Vluchten zonder op te vallen ging niet meer. We liepen dus maar<br />
door, in de hoop dat ze niet wisten wie wij waren. Toen ze bij ons<br />
gekomen waren, vroegen de dames of wij de herdertjes kenden<br />
aan wie Onze Lieve Vrouw verschenen was. Ja, zeiden we. Of we<br />
ook wisten waar ze woonden. We gaven ze alle aanwijzingen die<br />
ze moesten hebben om daar te komen en toen zetten we het op<br />
een lopen, het bos in! Jacinta was dik tevreden met deze gang<br />
<strong>van</strong> zaken en zei:<br />
– Dat moeten we maar iedere keer doen als ze ons niet<br />
kennen.<br />
18 Dit vond plaats ongeveer een jaar na de verschijningen, dus in 1918 of<br />
1919.<br />
56
3. De vrome pater Cruz<br />
Op zekere dag kwam op zijn beurt ook de eerwaarde heer<br />
Cruz 19 uit Lissabon ons ondervragen. Na de ondervraging vroeg<br />
hij of we hem de plaats wilden wijzen waar Onze Lieve Vrouw<br />
verschenen was. Onderweg liepen wij ieder aan een zijde <strong>van</strong> de<br />
eerwaarde, die op zo’n klein ezeltje zat dat zijn voeten bijna over<br />
de grond sleepten. Hij leerde ons een hele litanie <strong>van</strong> schietgebedjes.<br />
Twee daar<strong>van</strong> zou Jacinta later nog vaak zeggen: ‘Mijn<br />
Jezus, ik houd <strong>van</strong> u’ en ‘Zachtmoedig Hart <strong>van</strong> Maria, wees mijn<br />
redding’.<br />
Op een dag, tijdens haar ziekte, zei ze tegen mij:<br />
– Ik vind het toch zo fijn om tegen Jezus te zegen dat ik <strong>van</strong><br />
hem houd! Dikwijls als ik het hem zeg, is het of ik in brand sta,<br />
maar ik verbrand niet.<br />
Een andere keer zei ze:<br />
– Ik houd zoveel <strong>van</strong> Onze Lieve Heer en Onze Lieve Vrouw<br />
dat ik er nooit genoeg <strong>van</strong> krijg hun te zeggen dat ik <strong>van</strong> ze houd.<br />
4. Gebedsverhoringen op voorspraak <strong>van</strong> Jacinta<br />
In ons dorp woonde een vrouw die ons, iedere keer als ze<br />
ons tegenkwam, uitschold. Op een keer kwamen we haar tegen<br />
toen ze net een kroeg uit kwam. Omdat het arme mens niet meer<br />
nuchter was, liet ze het deze keer niet bij schelden alleen. Toen<br />
ze ophield zei Jacinta tegen me:<br />
– We moeten bidden tot Onze Lieve Vrouw en haar veel<br />
offertjes brengen voor de bekering <strong>van</strong> die vrouw. Ze zegt zoveel<br />
zonden, dat ze zeker naar de hel gaat, als ze niet biecht.<br />
Een paar dagen later holden we langs het huis <strong>van</strong> die vrouw.<br />
Plotseling bleef Jacinta staan, keek achterom en vroeg:<br />
– Zeg, gaan we morgen niet die Dame zien?<br />
– Ja, zeker.<br />
– Laten we dan stoppen met spelen en dit offertje brengen<br />
voor de bekering <strong>van</strong> die vrouw.<br />
19 Pater Dr.Francisco Cruz, SJ (1858-1948), dienaar <strong>van</strong> God, <strong>van</strong> wie het<br />
zaligverklaringsproces loopt.<br />
57
En zonder dat ze in de gaten had dat iemand haar zien kon,<br />
richtte ze haar handjes en ogen naar omhoog en deed de opdracht<br />
<strong>van</strong> haar offertje. Het vrouwtje stond te gluren door een kijkluikje<br />
<strong>van</strong> haar huis en later vertelde ze aan mijn moeder dat dit gebaar<br />
<strong>van</strong> Jacinta zo’n diepe indruk op haar had gemaakt, dat ze geen<br />
verder bewijs meer nodig had om in de echtheid <strong>van</strong> de verschijningen<br />
te geloven. Van toen af hield ze niet alleen op met<br />
ons uit te schelden, maar ze smeekte ons voortdurend Onze Lieve<br />
Vrouw te vragen haar zonden te vergeven.<br />
Een andere keer was het een soldaat die huilde als een kind.<br />
Hij had bericht gekregen dat hij de oorlog in moest en zijn vrouw<br />
lag ziek in bed, met drie kinderen thuis. Hij vroeg om genezing<br />
voor zijn vrouw, of dat zijn dienstbevel werd ingetrokken. Jacinta<br />
vroeg hem samen met haar het rozenhoedje te gaan bidden.<br />
Daarna zei ze tegen hem:<br />
– Huil maar niet. Onze Lieve Vrouw is zo goed! Ze zal je<br />
vast wel de gunst schenken waarom je vraagt.<br />
En ze bleef de soldaat indachtig: aan het eind <strong>van</strong> haar<br />
rozenkrans bad ze altijd een Weesgegroet voor de soldaat. Een<br />
paar maanden later kwam hij met zijn vrouw en de drie kinderen<br />
om Onze Lieve Vrouw te bedanken voor het verkrijgen <strong>van</strong> de<br />
twee gunsten. Op de avond vóór zijn vertrek had hij hoge koorts<br />
gekregen en hoefde niet in dienst op te komen en zijn vrouw, zei<br />
hij, was wonderbaar genezen door Maria.<br />
5. Nieuwe offers<br />
Op zekere dag werd er verteld dat een heel heilige priester<br />
ons zou komen ondervragen en dat die priester gedachten kon<br />
lezen zodat hij te weten zou kunnen komen of we wel of niet de<br />
waarheid spraken. Jacinta zei toen heel blij:<br />
– Wanneer komt die priester die gedachten leest ook weer?<br />
Als hij dat kan, moet hij ook heel goed weten dat wij de waarheid<br />
spreken.<br />
Iedere dag speelden wij op de reeds genoemde put. Vlak<br />
daarbij had de moeder <strong>van</strong> Jacinta een wijngaard. Ze sneed een<br />
paar trossen druiven af en kwam die ons brengen om op te eten.<br />
Maar Jacinta vergat haar zondaars nooit.<br />
58
– Weet je wat, zei ze, we eten ze niet en we dragen dit<br />
offertje op voor de zondaars.<br />
Daarna bracht ze de druiven naar de kinderen die op straat<br />
aan het spelen waren. Stralend <strong>van</strong> blijdschap kwam ze terug; ze<br />
was onze vroegere arme vriendjes tegen gekomen en had hun de<br />
druiven gegeven.<br />
Een andere keer kwam tante ons roepen om wat vijgen te<br />
eten die ze had meegebracht en die ons echt deden watertanden.<br />
Jacinta ging tevreden naast de mand zitten en pakte er een om te<br />
eten, maar opeens dacht ze aan iets en zei:<br />
– Oh jee! We hebben <strong>van</strong>daag nog geen offertje gebracht<br />
voor de zondaars. Laten we dit opdragen.<br />
Ze legde de vijg in de mand, deed de opdracht, en onze<br />
vijgen bleven onaangeroerd, om de zondaars te bekeren. Jacinta<br />
bracht veel <strong>van</strong> zulke offertjes maar meer ga ik er niet vertellen,<br />
anders komt er geen eind aan mijn verhaal.<br />
III ZIEKTE EN DOOD VAN JACINTA<br />
1. Jacinta getroffen door longontsteking<br />
Zo verliepen de dagen toen Onze Lieve Heer Jacinta<br />
longontsteking liet krijgen, die haar en ook haar broertje 20 aan bed<br />
kluisterde. Op de avond voordat ze ziek werd zei ze:<br />
– Ik heb zo’n hoofdpijn en ik heb toch zo’n dorst! Maar ik wil<br />
niet drinken, om te lijden voor de zondaars.<br />
Als ik vrij <strong>van</strong> school had en ook niet een of ander karweitje<br />
hoefde te doen, was ik de hele tijd bij mijn speelkameraadjes.<br />
Toen ik een keer langs kwam op weg naar school, zei Jacinta<br />
tegen me:<br />
– Oh, zeg tegen de ‘verborgen Jezus’ dat ik hem heel erg<br />
lief vind en dat ik veel <strong>van</strong> hem houd.<br />
Andere keren zei ze:<br />
– Doe Jezus <strong>van</strong> mij de hartelijke groeten.<br />
Als ik eerst naar háár kamer ging, zei ze:<br />
20 Jacinta werd in oktober 1918 ziek; Francisco korte tijd later.<br />
59
– Ga maar eerst bij Francisco op bezoek; ik blijf zolang wel<br />
alleen.<br />
Op een dag bracht haar moeder haar een kopje melk en zei<br />
dat ze dat moest opdrinken.<br />
– Ik heb geen trek, mam, zei ze en duwde met haar hand<br />
het kopje weg.<br />
Mijn tante drong nog een beetje aan en ging toen maar weg.<br />
Ze zei:<br />
– Ik weet niet hoe ik er bij haar nog iets in krijg. Alles staat<br />
haar tegen!<br />
Zodra we alleen waren, zei ik tegen haar:<br />
– Hoe kan je zo ongehoorzaam zijn tegen je moeder. Waarom<br />
offer je dat niet op aan Onze Lieve Heer?<br />
Toen ze dat hoorde sprongen de tranen, die ik het geluk had<br />
af te wissen, haar in de ogen. Ze zei:<br />
– Daar had ik nu niet aan gedacht!<br />
En ze riep haar moeder, zei dat het haar speet en dat ze<br />
alles zou drinken wat ze maar wilde. Haar moeder haalde het<br />
kopje melk en zonder iets <strong>van</strong> tegenzin te laten merken, dronk<br />
Jacinta het op. Daarna zei ze tegen me:<br />
– Als je eens wist, wat een moeite het me kost om dat te<br />
drinken!<br />
Bij een andere gelegenheid zei ze:<br />
– Het valt me steeds zwaarder om de melk en de bouillon te<br />
drinken, maar ik zeg het niet. Ik drink het toch, uit liefde voor<br />
Onze Lieve Heer en het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria, onze lieve<br />
moeder in de hemel.<br />
Op zekere dag vroeg ik haar:<br />
– Gaat het beter met je?<br />
– Je weet toch dat ik niet beter word.<br />
En ze voegde er aan toe:<br />
– Wat heb ik een pijn in mijn borst! Maar ik zeg er niets <strong>van</strong>;<br />
ik draag het op voor de bekering <strong>van</strong> de zondaars.<br />
Eens, toen ik bij haar kwam vroeg ze me:<br />
– Heb jij <strong>van</strong>daag al veel offertjes gebracht? Weet je, mama<br />
was weg en ik wilde heel vaak naar Francisco gaan, maar ik ben<br />
niet gegaan.<br />
60
2. Bezoek <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw<br />
Toch werd Jacinta een beetje beter. Ze kon opstaan en bracht<br />
de dag door, zittend op het bed <strong>van</strong> haar broertje. Op zekere dag<br />
liet ze mij roepen. Ik moest gauw bij haar komen.<br />
– Onze Lieve Vrouw is bij ons geweest en ze zei dat ze<br />
Francisco binnenkort naar de hemel komt halen. Aan mij vroeg ze<br />
of ik nog meer zondaars wilde bekeren. Ik zei: ja. Ze zei tegen me<br />
dat ik naar een ziekenhuis zou gaan en dat ik daar veel zou lijden;<br />
dat ik zou lijden voor de bekering <strong>van</strong> de zondaars, tot eerherstel<br />
voor de zonden tegen het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria en uit liefde<br />
tot Jezus. Ik vroeg haar of jij met me mee zou gaan. Ze zei: nee.<br />
Dat vind ik het moeilijkste. Ze zei dat mijn moeder mij naar het<br />
ziekenhuis zal brengen en dat ik daar alleen achter blijf!<br />
Hierna dacht ze een poosje na en zei nog:<br />
– Misschien is het ziekenhuis wel een heel donker huis, waar<br />
je niks kan zien. En daar moet ik helemaal alleen lijden! Maar dat<br />
is niet erg. Ik lijd uit liefde tot Onze Lieve Heer en tot eerherstel<br />
voor het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria, voor de bekering <strong>van</strong> de<br />
zondaars en voor de H.Vader.<br />
Toen het moment was aangebroken dat haar broertje naar<br />
de hemel ging 21 , gaf ze een paar boodschappen mee:<br />
– Doe de hartelijke groeten aan Onze Lieve Heer en aan<br />
Onze Lieve Vrouw en zeg hun dat ik alles wil doorstaan wat zij<br />
maar willen, om de zondaars te bekeren en eerherstel te brengen<br />
aan het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria.<br />
De dood <strong>van</strong> haar broertje deed haar veel. Ze zat vaak lange<br />
tijd te peinzen en als ik haar dan vroeg waar ze aan dacht, was<br />
het altijd:<br />
– Aan Francisco. Oh, wat zou ik hem graag zien!<br />
En dan huilde ze.<br />
Op zekere dag zei ik tegen haar:<br />
– Jij hoeft al niet meer zo lang te wachten tot je naar de<br />
hemel gaat, maar ik!...<br />
– Arme ziel! Huil maar niet. Daarginds zal ik heel, heel veel<br />
voor je bidden. Voor jou wil Onze Lieve Vrouw dat nu eenmaal zo.<br />
Als ze dat <strong>van</strong> mij vroeg, zou ik blij zijn, om veel te kunnen lijden<br />
voor de zondaars.<br />
21 Francisco overleed op 4 april 1919.<br />
61
3. In het ziekenhuis <strong>van</strong> Ourém<br />
Nu kwam dan de dag dat ze in het ziekenhuis 22 werd<br />
opgenomen, waar ze inderdaad veel heeft geleden. Toen haar<br />
moeder bij haar op bezoek kwam, vroeg ze of Jacinta iets wilde.<br />
Haar antwoord was, dat ze mij zo graag zou zien. Hoewel het veel<br />
moeite kostte, bracht mijn tante mij erheen, zodra zij er weer naar<br />
toe kon gaan. Zo gauw ze me zag, omhelsde ze me heel blij en<br />
vroeg of ik bij haar mocht blijven terwijl haar moeder boodschappen<br />
deed. Toen vroeg ik haar of ze veel leed.<br />
– Nou, en of! Maar ik draag alles op voor de zondaars en tot<br />
eerherstel <strong>van</strong> het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria.<br />
Daarna praatte ze enthousiast over Onze Lieve Heer en Onze<br />
Lieve Vrouw en zei:<br />
– Ik lijd zo graag uit liefde voor hem! Omdat hij dat zo graag<br />
wil! Zij zien graag dat iemand lijdt om de zondaars te bekeren.<br />
Het bezoekuur was vlug voorbij en daar was tante alweer<br />
om me te halen. Ze vroeg haar dochtertje of ze nog wensen had.<br />
Ze vroeg haar toen, of ik weer mee mocht komen, als ze mij de<br />
volgende keer ging bezoeken. En mijn lieve tante, die alles wilde<br />
doen om haar kind blij te maken, nam me nog een keer mee.<br />
Weer trof ik haar aan met diezelfde blijdschap om te lijden uit<br />
liefde tot de goede God, het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria, voor de<br />
zondaars en voor de H.Vader. Dat was haar ideaal, dat haar ook<br />
steeds op de lippen lag.<br />
4. Terug naar Aljustrel<br />
Ze kwam nog voor een korte tijd naar huis, maar met een<br />
grote open wond in haar borst. Zonder de minste klacht, zonder<br />
het kleinste teken <strong>van</strong> tegenzin, verdroeg ze de dagelijkse<br />
verzorging. Wat ze het ergst vond, waren de vele bezoeken en<br />
ondervragingen <strong>van</strong> mensen die bij haar kwamen en voor wie ze<br />
zich nu niet meer kon verstoppen.<br />
22 Dit was het eerste ziekenhuis waar zij verbleef, het ziekenhuis <strong>van</strong> Santo<br />
Agostinho de Vila Nova de Ourém. Zij verbleef daar <strong>van</strong> 1 juli tot 31 augustus<br />
1919.<br />
62
– Ook dat offer breng ik voor de zondaars, zei ze gelaten.<br />
Wat zou ik nog graag eens naar de Cabeço gaan om daar in de<br />
grot een rozenhoedje te bidden! Maar ik ben al te zwak. Als jij<br />
naar de Cova da Iria gaat, bid dan voor mij. Ik kom er zeker nooit<br />
meer, zei ze met tranen in haar ogen.<br />
Op zekere dag zei mijn tante tegen me:<br />
– Vraag eens aan Jacinta waar ze toch aan zit te denken als<br />
ze zo lang, heel stil, haar handen voor haar gezicht houdt.<br />
Ik vroeg het dus.<br />
– Ik denk, antwoordde ze, aan Onze Lieve Heer, aan Onze<br />
Lieve Vrouw, aan de zondaars en aan … (ze noemde een paar<br />
dingen die verband hielden met het geheim). Ik doe dat graag, zo<br />
nadenken.<br />
Tante vroeg me daarna, wat haar dochtertje gezegd had.<br />
Mijn antwoord was een glimlach. Daarop zei tante tegen mijn<br />
moeder, toen ze dat vertelde:<br />
– Vreemd. Het leven <strong>van</strong> die kinderen is een raadsel!<br />
Mijn moeder deed er nog een schepje bovenop:<br />
– Als ze alleen zijn, kleppen ze als eksters, maar wat je ook<br />
doet, je <strong>van</strong>gt er geen woord <strong>van</strong> op. Maar komt er iemand in de<br />
buurt, dan gaan de bekjes dicht en je hoort niets meer! Hier begrijp<br />
ik niets <strong>van</strong>!<br />
5. Nieuwe bezoeken <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw<br />
De H.Maagd was zo goed Jacinta nog een keer te bezoeken,<br />
om haar nieuwe kruisjes en nieuwe offertjes aan te kondigen. Ze<br />
sprak er met me over en zei:<br />
– Onze Lieve Vrouw heeft tegen me gezegd dat ik naar<br />
Lissabon ga, naar een ander ziekenhuis; dat ik jou en ook mijn<br />
ouders niet meer zal zien. Ik zal er veel lijden en ik sterf alleen,<br />
maar ik hoef niet bang te zijn want zijzelf komt me naar de hemel<br />
halen.<br />
Ze begon te huilen, gaf me een knuffel en zei:<br />
– Ik zal je nooit meer zien. Zo ver weg kan je niet bij me op<br />
bezoek komen. Denk erom, bid veel voor me omdat ik alleen<br />
sterf.<br />
Tot de dag <strong>van</strong> haar vertrek naar Lissabon leed ze vreselijk.<br />
Vaak omhelsde ze me en zei in tranen:<br />
63
– Zal ik je echt nooit meer zien? En ook mama niet, en papa<br />
en de broers? Zal ik dan nooit meer iemand zien? En daarna ga ik<br />
in mijn eentje dood!<br />
– Denk daar maar niet aan, zei ik op zekere dag tegen haar.<br />
– Laat me maar denken, hoor. Hoe meer ik er aan denk, hoe<br />
meer ik lijd. En ik wil lijden voor Onze Lieve Heer en voor de<br />
zondaars. Het kan me ook niets schelen, want Onze Lieve Vrouw<br />
komt me naar de hemel halen.<br />
Soms kuste ze een kruisbeeld en met een omhelzing zei ze<br />
dan:<br />
– Mijn Jezus, ik houd <strong>van</strong> u en ik wil veel lijden uit liefde tot u.<br />
Andere keren zei ze:<br />
– Jezus, nu kunt u veel zondaars bekeren, want dat was een<br />
heel groot offer!<br />
Soms vroeg ze me:<br />
– En zal ik dan doodgaan zonder dat ik Jezus in de hostie<br />
heb ont<strong>van</strong>gen? Wie weet, of Onze Lieve Vrouw hem meebrengt<br />
als ze me komt halen…<br />
Ik vroeg haar eens:<br />
– Wat ga je in de hemel eigenlijk doen?<br />
– Ik ga daar heel veel Jezus beminnen en het Onbevlekt<br />
Hart <strong>van</strong> Maria en ik ga er heel veel bidden voor jou, voor de<br />
zondaars, voor de H.Vader, voor mijn ouders, broers en voor alle<br />
mensen die om mijn gebed hebben gevraagd.<br />
Als haar moeder er verdrietig uitzag, omdat ze haar zo ziek<br />
zag, zei Jacinta:<br />
– Wees maar niet bedroefd, mama, ik ga naar de hemel.<br />
Daar zal ik veel voor je bidden.<br />
Andere keren zei ze:<br />
– Huil maar niet, met mij gaat het goed.<br />
Als iemand haar vroeg of ze iets nodig had, zei ze:<br />
– Dankjewel, ik hoef niets.<br />
Wanneer ze weg waren zei ze:<br />
– Ik heb erge dorst, maar ik wil niet drinken; ik offer het aan<br />
Jezus voor de zondaars.<br />
Toen mijn tante me eens een paar dingen vroeg, riep ze me<br />
bij zich en zei:<br />
– Ik wil niet dat je tegen iemand zegt dat ik lijd; ook niet aan<br />
mijn moeder, want ik wil niet dat ze verdrietig is.<br />
64
Op een dag trof ik haar aan terwijl ze een plaatje <strong>van</strong> de<br />
H.Maagd kuste en zei:<br />
– Oh, moedertje in de hemel, moet ik dan in mijn eentje<br />
doodgaan?<br />
Het arme kind leek te beven bij de gedachte dat ze alleen<br />
zou sterven. Om haar op te vrolijken zei ik:<br />
– Wat kan het je schelen om alleen dood te gaan? Onze<br />
Lieve Vrouw komt je toch halen?<br />
– Ja, dat is waar! Het kan me niets schelen. Maar ik weet<br />
het niet, soms denk er niet meer aan dat zij me komt halen en dan<br />
denk ik er alleen maar aan, dat ik dood ga zonder dat jij bij me<br />
bent.<br />
6. Vertrek naar Lissabon<br />
Eindelijk brak de dag aan <strong>van</strong> haar vertrek naar Lissabon 23 .<br />
Het afscheid was hartverscheurend. Lange tijd hield ze mij in haar<br />
omhelzing en zei huilend:<br />
– We zullen elkaar nooit meer terugzien! Bid veel voor mij,<br />
tot ik naar de hemel ga. Daarna zal ik dáár veel bidden voor jou.<br />
Vertel nooit iemand het geheim, al maken ze je dood. Houd veel<br />
<strong>van</strong> Jezus en <strong>van</strong> het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria en breng veel<br />
offertjes voor de zondaars.<br />
Vanuit Lissabon liet ze me nog zeggen dat Onze Lieve Vrouw<br />
haar was komen bezoeken; dat zij de dag en het uur <strong>van</strong> haar<br />
dood had meegedeeld. Ook drukte ze me nog op het hart heel<br />
goed te zijn.<br />
23 Jacinta ging op 21 januari 1920 naar Lissabon en werd opgenomen in het<br />
weeshuis <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw <strong>van</strong> de Wonderen, gesticht en bestuurd<br />
door Moeder Godinho. Het lag in de Rua da Estrela 17. Op 2 februari 1920<br />
werd Jacinta overgebracht naar het ziekenhuis D.Estefânia en daar stierf<br />
ze, op 20 februari 1920 om 22.30 uur.<br />
65
66<br />
NASCHRIFT<br />
Excellentie, hier heeft u dan mijn herinneringen aan Jacinta.<br />
Moge de goede God deze daad <strong>van</strong> gehoorzaamheid<br />
aannemen, om in de harten <strong>van</strong> de mensen het vuur <strong>van</strong> de liefde<br />
tot de Harten <strong>van</strong> Jezus en Maria te ontsteken.<br />
Ik vraag u nog een gunst: mocht u iets <strong>van</strong> wat ik geschreven<br />
heb willen publiceren 24 , weest u dan zo goed om niet over mij,<br />
arm miserabel schepsel, te schrijven. Ik kan u verzekeren dat ik<br />
blij zou zijn als ik hoorde dat u dit schrijven verbrand heeft zonder<br />
er iets <strong>van</strong> gelezen te hebben. Ik heb immers alleen maar<br />
geschreven om de wil <strong>van</strong> de goede God te doen, die ik uitgedrukt<br />
vind in wat u <strong>van</strong> mij wilt.<br />
24 Deze <strong>Herinneringen</strong> <strong>van</strong> Lucia werden voor het eerst overgenomen door<br />
kanunnik Dr.José Galamba de Oliveira, in zijn boek ‘Jacinta’ (mei 1938).
TWEEDE HERINNERING<br />
Inleiding<br />
De Eerste Herinnering had de oversten <strong>van</strong> Lucia de overtuiging<br />
gegeven dat zij nog veel dingen angstvallig voor zich hield en dat zij die<br />
slechts onder gehoorzaamheid zou meedelen. In april 1937 schreef de<br />
priester Fonseca in een brief aan de bisschop: ‘De brief <strong>van</strong> zuster Dores<br />
(Lucia) over Jacinta doet vermoeden dat er in verband met de<br />
geschiedenis <strong>van</strong> de verschijningen (woorden of mededelingen <strong>van</strong> Onze<br />
Lieve Vrouw, deugdbeoefening <strong>van</strong> de kinderen in gehoorzaamheid aan<br />
de aanwijzingen <strong>van</strong> de Onze Lieve Vrouw, enz.) nog interessante bijzonderheden<br />
onvermeld blijven. Zou het niet mogelijk zijn, of bestaat er<br />
een bezwaar tegen, dat zuster Lucia met religieuze en e<strong>van</strong>gelische<br />
eenvoud ter ere <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw in details opschrijft wat zij zich<br />
herinnert?’<br />
Zo kwam het dat de bisschop, in overleg met de Provinciale overste<br />
<strong>van</strong> de Dorothea’s, Moeder Maria do Carmo Corte Real, dat <strong>van</strong> Lucia<br />
vroegen. Zij <strong>van</strong> haar kant antwoordde op 7 november 1937 aan Dom<br />
José: ‘Hier ben ik, mijn pen in de hand, om Gods wil te volbrengen’. Zij<br />
begon dat geschrift op 7 november en beëindigde het op 21 november,<br />
d.w.z. na veertien dagen: een uitgebreid schrijven, neergepend tussen<br />
de huiselijke bezigheden in, die zonder onderbreking doorgaan. Het werk<br />
telt 38 bladzijden, aan beide kanten beschreven in klein, vlot handschrift,<br />
zonder correcties. Dit getuigt weer eens <strong>van</strong> de helderheid <strong>van</strong> geest<br />
<strong>van</strong> Lucia, <strong>van</strong> een rustig gemoed en <strong>van</strong> haar evenwichtigheid.<br />
De onderwerpen in deze Herinnering zijn buitengewoon interessant:<br />
de verschijningen <strong>van</strong> de engel, de buitengewone genaden bij haar Eerste<br />
Communie, verschijningen <strong>van</strong> het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria in juni 1917<br />
en verder nog veel tot dan toe onbekende bijzonderheden.<br />
Men kan de bedoeling <strong>van</strong> zuster Lucia in dit geschrift als volgt<br />
weergeven: ‘… de geschiedenis <strong>van</strong> Fatima weergeven zoals ze is’. Hier<br />
gaat het dus niet, zoals in de eerste Herinnering, om enkele biografische<br />
herinneringen, waarbij de verschijningen in de schaduw blijven, maar<br />
juist om de verschijningen zelf.<br />
De ‘stemming’ waarin Lucia schrijft zijn af te lezen uit de volgende<br />
woorden: ‘Ik zal niet meer het genoegen hebben om alleen met u <strong>van</strong> de<br />
geheimen <strong>van</strong> uw liefde te genieten; maar in de toekomst zullen anderen<br />
met mij de overvloed <strong>van</strong> uw barmhartigheid bezingen!... Ziehier de<br />
dienstmaagd <strong>van</strong> de Heer! Laat hij zich <strong>van</strong> haar bedienen zoals het<br />
hem behaagt’.<br />
67
68<br />
VOORWOORD<br />
J.M.J.<br />
Wil <strong>van</strong> God, jij bent mijn paradijs! 1<br />
Excellentie,<br />
Hier ben ik dan, mijn pen in de hand, om de wil <strong>van</strong> God te<br />
volbrengen. En omdat dit mijn enige doelstelling is, wil ik beginnen<br />
met de stelregel die mijn heilige stichteres mij als erfenis heeft<br />
nagelaten en die ik, in navolging <strong>van</strong> haar, tijdens dit schrijven<br />
dikwijls zal herhalen: Wil <strong>van</strong> God, jij bent mijn paradijs! Moge,<br />
Excellentie, de volle betekenis <strong>van</strong> deze stelregel mij diep<br />
doordringen, opdat zij mijn norm en gids zal zijn in ogenblikken<br />
dat ik, door tegenzin en gehechtheid aan mijn geheim, in de<br />
verleiding kom er nog iets <strong>van</strong> te verbergen.<br />
Ik had graag willen vragen waar dit schrijven <strong>van</strong> mij toe<br />
dient, omdat ik niet eens foutloos kan schrijven 2 . Maar ik vraag<br />
niets. Ik weet dat de volmaakte gehoorzaamheid niet naar redenen<br />
vraagt. Voor mij is het genoeg dat u mij zegt dat het is tot glorie<br />
<strong>van</strong> onze Moeder in de hemel. Daarom, met de zekerheid dat dit<br />
de bedoeling is, vraag ik de zegen en bescherming <strong>van</strong> haar<br />
Onbevlekt Hart; en nederig aan haar voeten bedien ik me <strong>van</strong><br />
haar allerheiligste woorden om te spreken tot mijn God:<br />
– O mijn God, zie hier de laatste <strong>van</strong> uw dienstmaagden<br />
die, in volledige onderwerping aan uw heilige wil, de sluier <strong>van</strong><br />
haar geheim komt verscheuren en de geschiedenis <strong>van</strong> Fatima<br />
laat zien precies zoals ze is. Ik zal niet langer het genot hebben<br />
om alleen met u te genieten <strong>van</strong> de geheimen <strong>van</strong> uw heilige<br />
liefde; maar in de toekomst zullen anderen met mij de overvloed<br />
<strong>van</strong> uw barmhartigheid bezingen!<br />
1 Uitspraak <strong>van</strong> de stichteres <strong>van</strong> de Congregatie <strong>van</strong> de H.Dorothea, de<br />
heilige Paula Frassinetti.<br />
2 Er staan soms schrijffouten, maar dat heeft geen invloed op de duidelijkheid,<br />
noch op het stijlniveau <strong>van</strong> wat ze schrijft.
1. Jeugd <strong>van</strong> Lucia<br />
I. VÓÓR DE VERSCHIJNINGEN<br />
Excellentie,<br />
‘De Heer vestigde zijn ogen op de geringheid <strong>van</strong> zijn dienstmaagd’<br />
3 , het is daarom dat de volken zijn grote barmhartigheid<br />
zullen bezingen.<br />
Ik heb de indruk, Excellentie, dat de goede God mij de gunst<br />
heeft verleend <strong>van</strong> het gebruik <strong>van</strong> het verstand toen ik nog heel<br />
jong was. Ik herinner me dat ik mijn daden bewust was sinds mijn<br />
moeder me aan haar borst droeg. Ik herinner mij dat ik op de<br />
geluiden <strong>van</strong> allerlei liedjes in slaap gewiegd werd. En omdat ik<br />
de jongste was <strong>van</strong> vijf meisjes en een jongen 4 , die Onze Lieve<br />
Heer aan mijn ouders schonk, herinner ik me dat ze vaak ruzie<br />
hadden omdat ze me allemaal in hun armen wilden nemen en<br />
zich met mij wilden bezig houden. Om aan het gekibbel een eind<br />
te maken, trok mijn moeder me dan uit hun armen. Als zij toevallig<br />
ergens mee bezig was, gaf ze mij aan mijn vader die mij op zijn<br />
beurt vertroetelde.<br />
Het eerste wat ik leerde was het Weesgegroet, want mijn<br />
moeder had me meestal in haar armen als ze mijn vijf jaar oudere<br />
zus Carolina, die boven mij kwam, les gaf. Mijn beide oudste<br />
zussen waren al groot; en omdat ik een papegaai was die alles<br />
nadeed, had mijn moeder graag dat ze mij overal waar ze heen<br />
gingen, meenamen. Zij waren, zoals dat bij ons werd gezegd, de<br />
haantje-de-voorsten <strong>van</strong> de jeugd. Er was geen feest of danspartij<br />
of zij waren er bij: karnaval, St.Jan, kerstmis; het was nu eenmaal<br />
regel: een bal hoorde er bij. Dan was er ook nog het feest <strong>van</strong> de<br />
wijnoogst en in de tijd <strong>van</strong> de olijvenpluk was er bijna iedere dag<br />
dansen. Op de voornaamste parochiefeesten, zoals het feest <strong>van</strong><br />
het Heilig Hart <strong>van</strong> Jezus, <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw <strong>van</strong> de Rozenkrans<br />
en <strong>van</strong> de H.Antonius, enz. was er ’s avonds altijd verloting<br />
<strong>van</strong> koeken en ook het dansen ontbrak niet. Ook werden we voor<br />
bijna alle bruiloften in de omgeving uitgenodigd want moeder werd,<br />
3 Lc 1, 48.<br />
4 Zij heten: Maria <strong>dos</strong> Anjos, Teresa, Manuel, Glória en Carolina, allen reeds<br />
overleden.<br />
69
als ze niet werd uitgenodigd als getuige, gevraagd als kok. Op die<br />
bruiloften duurde het bal <strong>van</strong>af het einde <strong>van</strong> het bruiloftsmaal tot<br />
de volgende ochtend. Omdat mijn zussen mij altijd met zich<br />
moesten meenemen, dirkten ze mij net zo op als zichzelf. Omdat<br />
een zus ook nog eens naaister was, kreeg ik ook de mooiste<br />
klederdracht die de boerenmeisjes <strong>van</strong> ons dorp in die tijd droegen:<br />
de geplooide rok, de lakceintuur, de chintz halsdoek met de<br />
uiteinden op de rug hangend en de hoed met de gouden kralen en<br />
bonte veren. Soms leek het meer of ze een pop aan het aankleden<br />
waren, dan een kind.<br />
2. Volksvermaken<br />
Bij het dansen zetten ze mij op een soort kleerkast of een<br />
ander hoog meubelstuk om niet onder de voet gelopen te worden<br />
en daar moest ik, onder begeleiding <strong>van</strong> gitaar of harmonica,<br />
diverse liedjes aanheffen. Mijn zussen leerden me dat en ook een<br />
paar walsen, om te kunnen dansen voor het geval er een partner<br />
ontbrak. Ik wist mijn rol dan goed te vervullen onder het applaus<br />
en de belangstelling <strong>van</strong> de deelnemers. Ik kreeg zelfs prijzen en<br />
cadeautjes, als complimentje voor mijn zussen.<br />
’s Zondags in de namiddag verzamelde zich heel die jeugd<br />
op ons erf; ’s zomers was dat in de schaduw <strong>van</strong> drie grote<br />
vijgenbomen en in de winter onder een afdak, op de plek waar nu<br />
het huis <strong>van</strong> mijn zuster Maria staat. De tijd werd doorgebracht<br />
met spelen of babbelen met mijn zussen. Met Pasen was daar<br />
ook de verloting <strong>van</strong> de amandelen, waar<strong>van</strong> ik een flinke portie<br />
kreeg toegewezen, omdat sommigen dat expres deden, uit<br />
vriendelijkheid.<br />
Op zulke middagen bleef moeder bij de keukendeur zitten,<br />
die uitzag op het erf en <strong>van</strong>waar ze kon zien wat er gebeurde.<br />
Soms ook zat ze te lezen en andere keren praatte ze wat met mijn<br />
tantes of met buurvrouwen die op bezoek waren. Ze bleef altijd<br />
even ernstig en iedereen wist: wat zij zei, was wet. Ik heb nooit<br />
meegemaakt dat in haar bijzijn iemand iets onbehoorlijks heeft<br />
durven zeggen. De mensen zeiden vaak dat mijn moeder meer<br />
waard was dan al haar dochters samen. Ik herinner me dat ik mijn<br />
moeder verschillende malen heb horen zeggen: ik zie het nut niet<br />
om bij anderen langs te gaan en te kletsen; voor mij gaat niets<br />
70
oven rustig iets lezen in mijn eigen huis. Er staan zulke mooie<br />
dingen in de boeken! En wat zijn er mooie heiligenlevens!<br />
Ik geloof dat ik u al verteld heb hoe ik de weekdagen doorbracht,<br />
omringd door kinderen die hun moeders, met toestemming<br />
<strong>van</strong> mijn moeder, bij mij hadden achtergelaten zodat zijzelf het<br />
land op konden gaan. Ik geloof ook dat ik bij wat ik over mijn<br />
nichtje schreef, al verteld heb wat we speelden en hoe we de dag<br />
doorbrachten. Daar schrijf ik dus nu niets over. Zo bereikte ik dan,<br />
vertroeteld en geliefkoosd, mijn zesde jaar. En, om de waarheid<br />
te zeggen, de wereld lachte me toe en vooral het dansen kreeg<br />
mij hartstochtelijk in haar greep. Ik moet bekennen dat, als de<br />
goede God mij niet met speciale barmhartigheid behandeld had,<br />
de duivel me daardoor ten val had gebracht.<br />
Als ik me niet vergis heb ik ook, in datzelfde geschrift, al<br />
gezegd dat mijn moeder de gewoonte had om ’s zomers tijdens<br />
de middagrust de catechismus te onderrichten. In de winter deed<br />
ze dat ’s avonds, na het avondeten, bij de haard terwijl wij tamme<br />
kastanjes en zoete eikels roosterden.<br />
3. Eerste Communie<br />
Zo kwam de dag waarop de pastoor had bepaald dat de<br />
kinderen <strong>van</strong> de parochie hun Eerste Communie mochten doen.<br />
Mijn moeder dacht dat ik, omdat ik de catechismus al kende en ik<br />
al zes jaar was, misschien ook al kon worden toegelaten. Met die<br />
gedachte stuurde zij mij met mijn zusje Carolina mee naar de<br />
voorbereidingslessen die de pastoor gaf. Stralend <strong>van</strong> vreugde<br />
ging ik dus steeds mee, in de hoop dat ik binnenkort voor het<br />
eerst mijn God mocht ont<strong>van</strong>gen. De pastoor gaf de uitleg, <strong>van</strong>af<br />
een stoel die op een podium stond. Soms riep hij mij bij zich,<br />
wanneer een kind het antwoord niet wist en dan liet hij het mij<br />
zeggen zodat het kind zich doodschaamde.<br />
Eindelijk brak de laatste dag aan vóór het grote feest.<br />
Mijnheer pastoor liet alle kinderen ’s ochtends naar de kerk komen<br />
om de definitieve beslissing te vernemen, welke kinderen tot de<br />
Communie werden toegelaten. Hoe groot was mijn teleurstelling<br />
toen de priester me bij zich riep en me, vriendelijk, dat wel, zei<br />
dat ik nog moest wachten tot ik zeven jaar was! Ik barstte in huilen<br />
uit en, alsof ik bij mijn moeder was, leunde ik snikkend met mijn<br />
71
hoofdje op zijn knieën. Op dat moment kwam juist een priester,<br />
die door de pastoor <strong>van</strong> elders gehaald was om te assisteren bij<br />
het biechthoren, de kerk binnen 5 . Die priester vroeg waarom ik<br />
huilde en toen hij de reden had vernomen, nam hij me mee naar<br />
de sacristie, stelde mij vragen over de godsdienstleer, vooral over<br />
de Eucharistie, en bracht me aan zijn hand terug naar de pastoor.<br />
Hij zei:<br />
– Mijnheer Pena, u kunt dit meisje rustig de communie laten<br />
doen. Zij kent de leer beter dan een heleboel anderen.<br />
– Maar ze is pas zes jaar, verdedigde de pastoor zijn<br />
standpunt.<br />
– Dat geeft niets. Anders neem ik de verantwoordelijkheid<br />
daar wel voor.<br />
– Goed dan, zei de goede pastoor, ga maar tegen je moeder<br />
zeggen dat je morgen je Eerste Communie mag doen.<br />
Ik was onbeschrijfelijk blij. Ik klapte in mijn handjes <strong>van</strong><br />
blijdschap en rende de hele weg door, om thuis zo vlug mogelijk<br />
het goede nieuws aan mijn moeder te vertellen. Die begon mij<br />
dadelijk voor te bereiden om ’s middags te gaan biechten. Toen ik<br />
met mijn moeder bij de kerk kwam zei ik, dat ik bij die vreemde<br />
priester wilde gaan biechten. Die priester hoorde biecht in de<br />
sacristie, op een stoel. Moeder knielde daarom bij de deur, in de<br />
buurt <strong>van</strong> het hoofdaltaar, naast de andere vrouwen die wachtten<br />
tot hun kinderen aan de beurt waren. Daar, voor het Allerheiligste,<br />
gaf mijn moeder de laatste instructies.<br />
4. Glimlach <strong>van</strong> de Moeder <strong>van</strong> God<br />
Toen dan mijn beurt kwam, knielde ik neer voor onze goede<br />
God, daar vertegenwoordigd door zijn gezant om vergiffenis voor<br />
mijn zonden te vragen. Toen ik klaar was, zag ik dat iedereen<br />
lachte. Mijn moeder riep me bij zich en zei:<br />
– Lieve kind, wist je niet dat je bij de biecht zachtjes moet<br />
praten, dat het een geheim is? Iedereen heeft het gehoord! Alleen<br />
op het eind heb je iets gezegd dat niet te verstaan was.<br />
5 Later bleek dit de ‘heilige’ priester Cruz te zijn geweest (overleden in 1948).<br />
72
Onderweg naar huis deed mijn moeder verschillende<br />
pogingen om te ontdekken, wat zij noemde het geheim <strong>van</strong> mijn<br />
biecht. Ik antwoordde met volledig zwijgen. Maar nu wil ik dat<br />
geheim <strong>van</strong> mijn eerste biecht best bekend maken. Nadat die<br />
goede priester mijn biecht gehoord had, zei hij:<br />
– Mijn kind, je ziel is de tempel <strong>van</strong> de H.Geest. Houd hem<br />
altijd zuiver, zodat de H.Geest er zijn goddelijk werk in kan<br />
voortzetten.<br />
Bij het horen <strong>van</strong> die woorden werd ik vervuld <strong>van</strong> eerbied<br />
voor mijn ziel en vroeg aan die goede biechtvader hoe ik dat doen<br />
moest.<br />
– Ga knielen aan de voeten <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw en vraag<br />
haar met groot vertrouwen of zij de zorg over je hart op zich wil<br />
nemen en dat zij het klaar maakt voor Hem alleen.<br />
Nu was er in de kerk meer dan één beeld <strong>van</strong> Maria. Maar<br />
omdat mijn zussen altijd het altaar <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw <strong>van</strong> de<br />
Rozenkrans 6 versierden, bad ik meestal voor dát beeld en daar<br />
ging ik dus nu ook heen. Met alle vurigheid waartoe ik in staat<br />
was, vroeg ik haar mijn arme hart te bewaren voor God alleen. Ik<br />
herhaalde deze smeekbede verschillende malen en het leek me<br />
toe, alsof zij glimlachte en met een blik en gebaar <strong>van</strong> goedheid<br />
haar instemming betuigde. Ik was zo overstroomd <strong>van</strong> blijdschap<br />
dat ik met moeite een woord kon uitbrengen.<br />
5. Vigilie <strong>van</strong> verwachting<br />
Mijn zussen bleven tot diep in de nacht doorwerken om mijn<br />
witte jurk en het bloemenkroontje te maken. Ik kon <strong>van</strong> blijdschap<br />
niet slapen; er kwam maar geen eind aan de uren. Daarom stond<br />
ik telkens weer op om aan mijn zussen te vragen of het nog niet<br />
dag was, of ze me de jurk en het bloemenkroontje wilden passen<br />
enz.<br />
Eindelijk brak de gelukkige dag aan, maar wat duurde het<br />
nog lang voordat het negen uur was! Eerst kreeg ik de witte jurk<br />
aan en daarna bracht mijn zusje Maria mij naar mijn ouders in de<br />
keuken om hun vergiffenis te vragen, hun hand te kussen en hun<br />
6 Dit mooie beeld bevindt zich nu nog in de parochiekerk.<br />
73
zegen te vragen. Na deze ceremonie gaf mijn moeder mij nog de<br />
laatste aanbevelingen. Zij zei me wat ik aan Onze Lieve Heer<br />
moest vragen wanneer ik hem in mijn hart ont<strong>van</strong>gen had en haar<br />
laatste woorden waren: Vraag vooral aan Onze Lieve Heer dat hij<br />
je heilig maakt, woorden die zich zo diep in mijn hart griften dat<br />
het deze woorden waren die ik het eerst zei toen ik de Heer<br />
ont<strong>van</strong>gen had. Tot op de dag <strong>van</strong> <strong>van</strong>daag is het alsof ik de stem<br />
<strong>van</strong> mijn moeder telkens weer die dingen hoor zeggen.<br />
Nu ging het dan richting kerk, met mijn zusters. Om te zorgen<br />
dat ik onderweg niet vuil werd, droeg mijn broer me in zijn armen.<br />
Eenmaal in de kerk, liep ik rechtstreeks naar het altaar <strong>van</strong> Maria<br />
om mijn gebed nog eens te zeggen. Daaar bleef ik, in zoete<br />
herinnering aan de glimlach <strong>van</strong> gisteren, totdat mijn zussen me<br />
kwamen halen om mij naar mijn plaats te brengen. We waren met<br />
veel kinderen. Er waren vier rijen, <strong>van</strong>af achter in de kerk tot aan<br />
de communiebank, twee rijen jongens en twee rijen meisjes. Omdat<br />
ik de kleinste was, zat ik vlak bij de ‘engeltjes’, op de trede <strong>van</strong> de<br />
communiebank.<br />
6. De grote dag<br />
De gezongen H.Mis begon en naarmate het ogenblik<br />
dichterbij kwam, begon mijn hart sneller te kloppen in afwachting<br />
<strong>van</strong> het bezoek <strong>van</strong> een grote God die <strong>van</strong>uit de hemel zou<br />
neerdalen om zich met mijn armzalige ziel te verenigen. Mijnheer<br />
pastoor kwam <strong>van</strong>af het altaar naar beneden om het Brood der<br />
Engelen uit te delen. Ik had het geluk de eerste te zijn. Toen de<br />
priester de treden afdaalde, was het alsof mijn hart uit mijn borst<br />
ging springen. Maar nauwelijks was de goddelijke hostie op mijn<br />
lippen of ik voelde een rust en een blijvende vrede; ik werd vervuld<br />
<strong>van</strong> zo’n bovennatuurlijke sfeer, dat de tegenwoordigheid <strong>van</strong> onze<br />
goede God zo duidelijk waarneembaar werd, alsof ik hem zag en<br />
hoorde met mijn zintuigen. Op dat ogenblik richtte ik mijn gebeden<br />
tot hem:<br />
– Heer, maak me heilig, bewaar mijn hart altijd zuiver, voor<br />
u alleen.<br />
Het leek me of onze goede God mij op dat ogenblik duidelijk<br />
in het diepst <strong>van</strong> mijn hart deze woorden toesprak:<br />
74
– De genade die je <strong>van</strong>daag gekregen hebt zal in je blijven<br />
leven en vruchten voorbrengen <strong>van</strong> eeuwig leven.<br />
Zozeer voelde ik me omgevormd in God!<br />
Toen de plechtigheid voorbij was, was het bijna één uur in<br />
de middag, als gevolg <strong>van</strong> de late aankomst <strong>van</strong> de priesters uit<br />
andere parochies, door de preek en de hernieuwing <strong>van</strong> de<br />
doopbeloften. Moeder kwam me daarom bezorgd halen, want ze<br />
dacht dat ik het niet langer vol zou houden. Maar ik voelde me zo<br />
verzadigd met het Brood der Engelen, dat ik op dat ogenblik niet<br />
in staat was ook maar iets te eten. Sindsdien verloor ik het plezier<br />
en de zin in de wereldse dingen, die ik was begonnen te voelen,<br />
en voelde ik me voortaan alleen maar prettig op een eenzame<br />
plek, waar ik, in mijn eentje, de heerlijkheid <strong>van</strong> mijn Eerste<br />
Communie kon naproeven.<br />
7. Bij Lucia thuis<br />
Die afzondering vond ik maar zelden want, behalve dat ik<br />
op de kinderen moest letten die de buurvrouwen ons toevertrouwden,<br />
zoals ik u, Excellentie, al verteld heb, kwam daar<br />
nog bij dat mijn moeder de functie <strong>van</strong>, om zo te zeggen,<br />
verpleegster uitoefende.<br />
Wanneer er iets aan de hand was wat niet zo ernstig was,<br />
kwamen de mensen haar om raad vragen en, als de zieke niet<br />
kon lopen, vroegen ze of zij naar hun huis kwam. Ze bleef dan<br />
overdag en soms ook ’s nachts bij de zieke. Als de ziekte aanhield<br />
en de toestand <strong>van</strong> de patiënt dat wenselijk maakte, vroeg mijn<br />
moeder of ook mijn zussen’s nachts wilden waken. Op die manier<br />
konden de gezinsleden <strong>van</strong> de zieke rusten. En als de zieke een<br />
huismoeder was met kinderen, die met hun lawaai de zieke<br />
hinderden, dan nam ze de kinderen mee naar ons huis. Ik kreeg<br />
dan de taak ze bezig te houden. Ik leerde ze dan wel eens het<br />
spinnewiel te gebruiken, het vormen <strong>van</strong> strengen met de haspel,<br />
het opwinden <strong>van</strong> spoelen en die te gebruiken voor het maken<br />
<strong>van</strong> het weefsel in de vereiste binding. Zo was er altijd veel werk,<br />
want er waren altijd verschillende meisjes <strong>van</strong> buiten in ons huis,<br />
die voor weefster of naaister kwamen leren. Deze meisjes bleven<br />
altijd grote sympathie voor ons gezin houden en ze zeiden dat ze<br />
de beste dagen <strong>van</strong> hun leven in ons huis hadden doorgebracht.<br />
75
Omdat mijn zussen op sommige dagen <strong>van</strong> het jaar overdag<br />
op het land moesten werken, weefden en naaiden ze dan ’s avonds.<br />
Na het avondeten werd gebeden, waarbij mijn vader voorbad, en<br />
daarna begon het werk. Iedereen had wat te doen: mijn zus Maria<br />
ging weven; mijn vader wond de spoelen vol; Theresa en Glória<br />
naaiden; mijn moeder spon; Carolina en ik ruimden eerst de keuken<br />
op en trokken vervolgens de rijgdraden uit, naaiden de knopen<br />
aan, enz. Mijn broer speelde harmonica om ons wakker te houden.<br />
Wij zongen bij die muziek allerlei liederen. Vaak kwamen buren<br />
ons gezelschap houden en zeiden dat ze het leuk vonden, hoewel<br />
ze niet bij ons mochten blijven slapen, maar dat ons vrolijke gedoe<br />
hun even de zorgen deed vergeten. Een paar keer hoorde ik<br />
vrouwen tegen mijn moeder zeggen:<br />
– Wat bof jij! Wat een heerlijke kinderen heeft God jou<br />
geschonken.<br />
Dan was er ook nog op gezette tijden het maïspellen bij<br />
maneschijn. Ik werd dan bovenop de maïsberg gezet en moest<br />
iedereen een omhelzing geven wanneer een zwarte kolf werd<br />
gevonden.<br />
8. Nabeschouwing <strong>van</strong> Lucia<br />
Ik weet niet of wat ik zojuist verteld heb in verband met mijn<br />
Eerste Communie, werkelijkheid of een kinderillusie was. Maar<br />
wat ik wel weet, is dat ik er altijd en tot op heden grote invloed <strong>van</strong><br />
heb ondervonden op de vereniging <strong>van</strong> mijn ziel met God. Ook<br />
weet ik niet, Excellentie, waarom ik al die bijzonderheden over<br />
ons gezinsleven aan u vertel, maar God geeft het me zo in. Hij<br />
kent het waarom. Misschien is het wel opdat u kan zien hoe zwaar<br />
het lijden me viel dat de goede God <strong>van</strong> me zou vragen, nadat ik<br />
zo in de watten gelegd was. En daar u me vroeg al het lijden dat<br />
de Heer me overzond en alle gunsten die hij mij in zijn barhartigheid<br />
schonk mee te delen, wil ik ze maar het liefst vertellen precies<br />
zoals ze zich voordeden 7 . Overigens voel ik me gerust, omdat ik<br />
weet dat u alles wat geen nut heeft voor de glorie <strong>van</strong> God in de<br />
kachel gooit.<br />
7 De eenvoud en bescheidenheid <strong>van</strong> Lucia toont nog duidelijker haar<br />
oprechtheid bij alles wat ze schrijft.<br />
76
1. Wat Lucia zag in 1915<br />
II. DE VERSCHIJNINGEN<br />
Zo werd ik dan zeven jaar. Mijn moeder besloot toen dat ik<br />
de schapen moest gaan weiden. Mijn vader en zussen waren het<br />
daar niet mee eens. Ze waren zo dol op mij, dat ze voor mij een<br />
uitzondering wilden maken. Maar mijn moeder gaf niet toe.<br />
– Voor iedereen geldt hetzelfde, zei ze. Carolina is al twaalf;<br />
zij kan dus op het land werken ofwel leren weven of naaien, wat<br />
ze wil.<br />
Mij werd dus het hoeden <strong>van</strong> de schaapskudde toevertrouwd<br />
8 . Het nieuws, dat ik het herdersleven begon, verspreidde<br />
zich al gauw onder de herders en haast allemaal boden ze aan<br />
me gezelschap te houden. Ik zei tegen allen ja en met allen sprak<br />
ik af de volgende dag de bergen in te gaan. De volgende dag was<br />
het gebergte vol met herders en kudden. Het leek wel of het bedekt<br />
was onder een wolk, maar ik voelde me niet erg op mijn gemak;<br />
er was ook zoveel lawaai. Voor de volgende keer koos ik dus<br />
maar drie personen uit die met mij mee gingen. Dat waren: Teresa<br />
Matias, haar zusje Maria Rosa en Maria Justino 9 . De volgende<br />
dag gingen we met onze kudden naar een heuvel, Cabeço geheten.<br />
We gingen de richting op <strong>van</strong> de noordzijde <strong>van</strong> de heuvel. Op de<br />
zuidhelling <strong>van</strong> die heuvel heeft men de Valinhos die u, tenminste<br />
<strong>van</strong> naam, al moet kennen. En op de helling aan de oostkant<br />
bevindt zich de rots waar ik al met u over gesproken heb in het<br />
schrijven over Jacinta. We klommen met onze kudden tot bijna<br />
aan de top <strong>van</strong> de heuvel. Aan onze voeten spreidde zich een<br />
woud <strong>van</strong> bomen uit over de helling en het dal: olijfbomen,<br />
steeneiken, pijnbomen, dwergeiken, enz.<br />
Ongeveer rond het middaguur aten we ons lunchpakket en<br />
daarna vroeg ik mijn mede-herderinnetjes samen met mij het<br />
rozenhoedje te gaan bidden, wat ze graag deden. We waren nog<br />
amper begonnen of we zagen voor onze ogen boven de bomen,<br />
8 Dit was in 1915.<br />
9 Pater Kondor heeft hen alle drie ondervraagd en alle drie bevestigden zij<br />
wat Lucia hier vertelt.<br />
77
als in de lucht hangend, een figuur als een beeld <strong>van</strong> sneeuw,<br />
door de zonnestralen enigszins doorzichtig gemaakt.<br />
– Wat is dat? Vroegen mijn gezellinnen, een beetje geschrokken.<br />
– Ik weet het niet!<br />
We gingen door met bidden, voortdurend kijkend naar die<br />
gedaante, die verdween zo gauw we klaar waren met bidden. Zoals<br />
mijn gewoonte was, hield ik er liever mijn mond over, maar de<br />
andere meisjes vertelden zodra ze thuis waren aan iedereen daar<br />
wat er gebeurd was. Het nieuws ging rond en op zekere dag vroeg<br />
mijn moeder me, toen ik thuis kwam:<br />
– Zeg, ze zeggen dat je daarginds iets hebt gezien; wat was<br />
dat?<br />
– Ik weet het niet.<br />
En omdat ik niet wist hoe ik het moest uitleggen, zei ik maar:<br />
– Het leek een mens, in een laken gerold.<br />
En om aan te geven dat ik zijn lichaamsvormen niet <strong>van</strong><br />
had kunnen onderscheiden zei ik:<br />
– Ik zag geen ogen en geen handen.<br />
Met een minachtend gebaar zei mijn moeder:<br />
– Kinderpraat! 10 .<br />
2. Verschijningen <strong>van</strong> de Engel in 1916<br />
Na enige tijd keerden we met onze kudden naar diezelfde<br />
plaats terug en er herhaalde zich hetzelfde en ook op dezelfde<br />
manier. De meisjes die met me mee geweest waren, vertelden<br />
opnieuw alles wat er gebeurd was. En een tijdje later gebeurde<br />
weer hetzelfde. Het was die derde keer, dat mijn moeder er door<br />
buren <strong>van</strong> hoorde, zonder dat ik er met een woord over gerept<br />
had.<br />
Toen riep ze me bij zich en, al wat wrevelig, vroeg ze:<br />
– Kom op, wat beweren jullie daarginds te zien?<br />
– Ik weet het niet, moeder, echt, ik weet het niet.<br />
Verschillende mensen begonnen ons te bespotten. En omdat<br />
ik mij sinds ik mijn Eerste Communie een tijdje wat dromerig had<br />
10 Deze wat onduidelijke verschijningen <strong>van</strong> de Engel hadden waarschijnlijk<br />
als doel Lucia voor te bereiden op de toekomst.<br />
78
gedragen, in herinnering aan wat er gebeurd was, vroegen mijn<br />
zussen mij met een beetje minachting:<br />
– Zie je weer iemand in een laken gepakt?<br />
Die minachtende woorden en gebaren kwamen bij mij hard<br />
aan want ik was niets dan vriendelijkheden gewend! Ik wist immers<br />
nog niet wat de goede God in de toekomst met me vóór had.<br />
In die dagen vroegen en kregen Francisco en Jacinta <strong>van</strong><br />
hun ouders toestemming om samen met mij hun kudde te weiden.<br />
Zo kwamen mijn neefje en nichtje in de plaats <strong>van</strong> die andere<br />
meisjes. We spraken af dat we onze kudden zouden laten grazen<br />
op de terreinen <strong>van</strong> mijn ooms en mijn ouders om niet bij de overige<br />
herders in het gebergte te hoeven zijn.<br />
Op zekere dag gingen we met onze schaapjes naar een stuk<br />
land <strong>van</strong> mijn ouders, dat lag aan de voet <strong>van</strong> de berg, waar ik het<br />
al eerder over had, aan de oostkant. Dat terrein heet Chousa Velha.<br />
Tegen de helft <strong>van</strong> de ochtend begon het daar te motregenen, iets<br />
meer dan dauw. We klommen de helling op, de schaapjes achter<br />
ons aan, op zoek naar een rots die als schuilplaats kon dienen.<br />
Dat was de eerste keer dat wij in die gezegende grot kwamen. Hij<br />
ligt midden in een olijfboomplantage en is eigendom <strong>van</strong> mijn<br />
peetoom Anastácio. Van daar uit heeft men uitzicht op het dorpje<br />
waar ik geboren ben, op het huis <strong>van</strong> mijn ouders en op de<br />
gehuchten Casa Velha en Eira da Pedra. Die olijfplantage loopt<br />
door en hoort aan verschillende eigenaars, en grenst aan die kleine<br />
dorpjes. Daar brachten we de dag door, hoewel het niet meer<br />
regende en de zon aan een mooie heldere hemel straalde. We<br />
aten onze boterhammen en baden ons rozenhoedje. Misschien<br />
was het wel een <strong>van</strong> die rozenhoedjes, zoals ik u al verteld heb,<br />
Excellentie, die we vaak baden als we graag wilden spelen en<br />
waarbij we de kralen door onze vingers lieten glijden terwijl we<br />
alleen maar de woorden Weesgegroet en Onzevader zeiden! Na<br />
dat gebed begonnen we met het steentjesspel.<br />
We hadden een tijdje gespeeld, toen een sterke windvlaag<br />
door de bomen joeg. We keken op, wat er gebeurde, want het was<br />
een heldere dag. Op dat ogenblik zagen we dat over de olijfaanplant<br />
11 die gedaante, waarover ik al gesproken heb, naar ons<br />
11 Dit was de eerste verschijning <strong>van</strong> de Engel.<br />
79
toe liep. Jacinta en Francisco hadden hem nog nooit gezien en ik<br />
had er met hun ook nooit over gesproken. Naarmate hij dichterbij<br />
kwam konden we ook de vormen beter onderscheiden: een<br />
jongeman <strong>van</strong> een jaar of veertien, vijftien, blanker dan sneeuw,<br />
doorstraald door de zon alsof hij <strong>van</strong> kristal was en bijzonder mooi.<br />
Toen hij bij ons gekomen was, zei hij:<br />
– Wees maar niet bang, ik ben de Engel <strong>van</strong> de Vrede. Bid<br />
met mij.<br />
En terwijl hij op de grond neerknielde, boog hij zijn voorhoofd<br />
tot op de grond en liet ons drie keer de volgende woorden herhalen:<br />
– Mijn God! Ik geloof u, ik aanbid u, ik hoop op u en bemin<br />
u. Ik vraag u vergiffenis voor hen die niet geloven, u niet aanbidden,<br />
niet op u hopen en u niet beminnen.<br />
Daarna stond hij op en zei:<br />
– Zo moeten jullie bidden. De harten <strong>van</strong> Jezus en Maria<br />
luisteren naar de stem <strong>van</strong> jullie smeekbeden.<br />
Zijn woorden drongen zo diep door in onze geest, dat we ze<br />
nooit meer vergeten hebben. Vanaf dat moment herhaalden we<br />
een hele tijd, zo neergebogen, diezelfde woorden, zodat we soms<br />
<strong>van</strong> moeheid bijna in slaap vielen. Ik zei meteen dat we die dingen<br />
echt geheim moesten houden en deze keer deden ze me dat<br />
plezier.<br />
Een hele tijd later 12 , op een zomerse dag waarop we thuis<br />
de middagrust hadden doorgebracht, speelde we bovenop een<br />
afgedekte put op het erf <strong>van</strong> mijn ouders en die wij Arneiro<br />
noemden (in wat ik schreef over Jacinta heb ik die put ook al<br />
genoemd, Excellentie). Plotseling zagen wij vlak bij ons diezelfde<br />
persoon of engel, die ik dacht dat hij was, en hij zei:<br />
– Wat zijn jullie aan het doen? Jullie moeten bidden, veel<br />
bidden. De heilige Harten <strong>van</strong> Jezus en Maria hebben plannen<br />
<strong>van</strong> barmhartigheid met jullie. Draag voortdurend offers en<br />
gebeden op aan de Allerhoogste.<br />
– Hoe moeten we offers brengen? vroeg ik.<br />
– Maak <strong>van</strong> alles wat jullie kunnen een offer en biedt het<br />
God aan als eerherstel voor de zonden waarmee hij wordt beledigd<br />
en smeek hem om de bekering <strong>van</strong> de zondaars. Verkrijg zo de<br />
12 Dat was de tweede verschijning <strong>van</strong> de Engel.<br />
80
vrede voor jullie vaderland. Ik ben daar de engelbewaarder <strong>van</strong>,<br />
de Engel <strong>van</strong> Portugal. Aanvaard en verdraag vooral nederig het<br />
lijden dat hij jullie zal zenden.<br />
Weer ging geruime tijd voorbij en we gingen onze kudden<br />
weiden op een terrein <strong>van</strong> mijn ouders, op de helling <strong>van</strong> de eerder<br />
genoemde heuvel, een stukje boven de Valinhos. Het is een terrein<br />
met olijfbomen, dat we Prégueira noemden. Na ons eten besloten<br />
we te gaan bidden in de grot, aan de andere kant <strong>van</strong> de berg.<br />
Daarom maakten we een draai om de zijkant <strong>van</strong> de heuvel en zo<br />
moesten we enkele rotsen beklimmen die boven de Prégueira<br />
liggen. De schapen hadden veel moeite met deze route.<br />
Onmiddellijk na aankomst begonnen we op onze knieën,<br />
ons voorhoofd op de grond, het gebed <strong>van</strong> de engel te herhalen:<br />
Mijn God! Ik geloof u, ik aanbid u, ik hoop op u en ik bemin u, enz.<br />
Ik weet niet hoe vaak we dit gebed herhaald hadden, toen we<br />
plotseling zagen dat een ongewoon licht boven ons straalde. We<br />
richtten ons op om te zien wat het was en zagen de engel 13 , met in<br />
zijn linkerhand een kelk, waarboven een hostie zweefde, waaruit<br />
enkele druppels bloed in de kelk vielen. De engel liet de kelk in de<br />
lucht zweven, knielde bij ons neer en liet ons driemaal herhalen:<br />
– Allerheiligste drievuldigheid, Vader, Zoon en Heilige Geest,<br />
ik offer u op het allerkostbaarst Lichaam, het Bloed, de Ziel en de<br />
Godheid <strong>van</strong> Jezus Christus, tegenwoordig in alle tabernakels op<br />
aarde, tot eerherstel <strong>van</strong> de beledigingen, heiligschennissen en<br />
onverschilligheid waardoor hij wordt beledigd. En om de oneindige<br />
verdiensten <strong>van</strong> zijn Allerheiligst Hart en <strong>van</strong> het Onbevlekt Hart<br />
<strong>van</strong> Maria, vraag ik u de bekering <strong>van</strong> de arme zondaars.<br />
Daarna stond hij op en nam de kelk en de hostie in zijn<br />
handen. Aan mij gaf hij de heilige hostie en het Bloed <strong>van</strong> de kelk<br />
verdeelde hij onder Francisco en Jacinta 14 met de woorden:<br />
– Neemt en drinkt het Lichaam en Bloed <strong>van</strong> Jezus Christus,<br />
vreselijk beledigd door de ondankbare mensen. Breng eerherstel<br />
voor hun misdaden en troost jullie God.<br />
Hij maakte weer een buiging tot op de grond en zegde weer<br />
drie keer hetzelfde gebed: Allerheiligste drievuldigheid, enz. en<br />
13 Derde en laatste verschijning <strong>van</strong> de engel.<br />
14 Francisco en Jacinta hadden hun Eerste Communie nog niet gedaan. Toch<br />
beschouwden zij deze communie als sacramenteel.<br />
81
daarna verdween hij. We bleven in diezelfde houding, terwijl we<br />
telkens dezelfde woorden herhaalden. Toen we ons eindelijk<br />
oprichtten, zagen we dat het avond was en dus tijd om naar huis<br />
te gaan.<br />
3. Problemen thuis<br />
Zo ben ik dan, Excellentie, aan het eind <strong>van</strong> mijn drie jaar<br />
herdersleven gekomen, <strong>van</strong> zeven tot tien jaar oud. In deze drie<br />
jaar had er in ons huis, en ik zou haast durven zeggen in onze<br />
parochie, een bijna complete verandering plaats gevonden. De<br />
eerwaarde heer Pena was niet meer onze pastoor en was ver<strong>van</strong>gen<br />
door de eerwaarde heer Boicinha 15 . Deze zeer ijverige<br />
pastoor begon, zodra hij gehoord had welke wereldse gewoonten<br />
in onze parochie bestonden, deze onmiddellijk <strong>van</strong>af de preekstoel<br />
op zondag af te raden. Alle gelegenheden, in het openbaar en in<br />
persoonlijke gesprekken, benutte hij om die slechte gewoonte te<br />
bestrijden. Zodra mijn moeder de goede pastoor zo hoorde praten,<br />
verbood ze mijn zussen aan die vermaken deel te nemen. En<br />
doordat mijn zussen anderen aanstaken om er niet heen te gaan,<br />
verdween die gewoonte langzaamaan. Hetzelfde gebeurde met<br />
de kinderen die, zoals ik u in mijn schrijven over mijn nichtje al<br />
gezegd heb, hun eigen dansen hadden. Tot iemand op zekere<br />
dag tegen mijn moeder zei:<br />
– Hoe zit dat nou? Tot nu toe was dansen geen zonde. Nu<br />
komt er een andere pastoor en nu is het opeens wel zonde. Hoe<br />
kan dat?<br />
– Dat weet ik niet, was het antwoord <strong>van</strong> mijn moeder. Wat<br />
ik weet is, dat mijnheer pastoor niets <strong>van</strong> dansen moet hebben en<br />
daarom gaan mijn dochters er niet meer heen. Ik laat ze hoogstens<br />
een beetje dansen in gezinsverband, want daar ziet de pastoor<br />
geen kwaad in.<br />
Intussen hadden mijn twee oudste zussen het ouderlijk huis<br />
verlaten wegens het sacrament <strong>van</strong> het huwelijk. Mijn vader was<br />
in slecht gezelschap terecht gekomen en was slachtoffer geworden<br />
15 Zijn werkelijke naam was Manuel Marques Ferreira, ook bekend onder de<br />
naam Pater Boicinha. Boicinha (hij overleed in in januari 1945).<br />
82
<strong>van</strong> een droevige hartstocht, die ons al het verlies <strong>van</strong> enige<br />
terreinen gekost had 16 .<br />
Toen mijn moeder zag dat we nog maar met moeite rond<br />
konden komen, besloot ze dat mijn zussen Glória en Carolina in<br />
de huishouding zouden gaan werken. Thuis bleven dan nog: mijn<br />
broer, om het land dat we nog over hadden te bewerken, moeder<br />
voor het huishoudelijk werk en ik, om onze kudde te weiden. Mijn<br />
arme moeder was diep verbitterd. Op een avond, toen we met z’n<br />
drieën bij de kachel op mijn vader zaten te wachten, tot hij thuis<br />
kwam om te eten, zei mijn moeder bij het zien <strong>van</strong> de twee lege<br />
stoelen <strong>van</strong> haar twee andere dochters droevig:<br />
– Mijn God! Waar is de blijdschap <strong>van</strong> ons gezin gebleven!<br />
Ze legde haar hoofd op een tafeltje dat naast haar stond en<br />
barstte in bittere tranen uit. Mijn broer en ik voegden onze tranen<br />
bij die <strong>van</strong> haar. Het was een <strong>van</strong> de treurigste taferelen <strong>van</strong> mijn<br />
leven! Mijn hart leek te breken <strong>van</strong> verdriet om mijn moeder en<br />
heimwee naar mijn zussen.<br />
Hoewel ik nog een kind was, bevatte ik onze situatie volledig.<br />
Ik herinnerde me toen de woorden <strong>van</strong> de engel: Aanvaardt vooral<br />
nederig de offers die Onze Lieve Vrouw jullie zendt. Ik trok me<br />
dan terug op een eenzame plek om het verdriet <strong>van</strong> mijn moeder<br />
niet te vergroten met dat <strong>van</strong> mij. Die plek was meestal onze put.<br />
Daar knielde ik neer, boog mijn hoofd boven de steenplaten die<br />
de put afdekten, mengde mijn tranen met zijn water en offerde<br />
God mijn lijden op. Soms troffen Jacinta en Francisco mij daar<br />
aan, kapot <strong>van</strong> verdriet. Omdat ik door het snikken geen woord<br />
kon uitbrengen, sprak Jacinta dan, hoewel zij beiden zo met mij<br />
meeleefden dat ook zij erg huilden, met luide stem de opdracht:<br />
Mijn God, het is tot eerherstel en voor de bekering <strong>van</strong> de zondaars<br />
dat we u al dit lijden en deze offers opdragen. De formulering <strong>van</strong><br />
de opdracht was niet altijd hetzelfde, maar de betekenis wel.<br />
Zoveel lijden schaadde de gezondheid <strong>van</strong> mijn moeder.<br />
Toen ze niet meer in staat was om te werken liet ze, om haar te<br />
verzorgen en om voor het huishouden te zorgen, Glória naar huis<br />
16 De z.g. ‘passie voor de wijn’ waar<strong>van</strong> hier sprake is hoeft niet overdreven<br />
te worden. Lucia’s vader was geen alcoholist. Wat betreft zijn godsdienstige<br />
verplichtingen is het zeker, dat hij ze een paar jaar niet vervulde in de<br />
parochie <strong>van</strong> Fatima, maar in Vila Nova de Ourém.<br />
83
komen. Alle mogelijke chirurgen en dokters werden afgelopen.<br />
Een kast vol geneesmiddelen werd geprobeerd, zonder enige<br />
verbetering. De goede pastoor bood aan, mijn moeder in zijn koets<br />
met muilezels naar Leiria te brengen om daar de artsen te<br />
raadplegen. Ze ging er heen, vergezeld <strong>van</strong> mijn zus Teresa, maar<br />
kwam, halfdood <strong>van</strong> vermoeidheid en doorgedraaid <strong>van</strong> de<br />
consulten, zonder enig resultaat thuis. Tenslotte werd een chirurg<br />
in Mamede geconsulteerd. Die verklaarde dat mijn moeder een<br />
hartgebrek had, een verplaatsing <strong>van</strong> een rugwervel en nierverzakking.<br />
Hij onderwierp haar aan een strenge behandeling <strong>van</strong><br />
cauterisatie en verschillende geneesmiddelen, waardoor er enige<br />
beterschap intrad.<br />
Zo was de situatie bij ons thuis op 13 mei 1917. Mijn broer<br />
bereikte in die tijd ook de leeftijd <strong>van</strong> de dienstplicht. Omdat hij<br />
een uitstekende gezondheid had, was te verwachten dat hij in<br />
dienst moest. Het was bovendien oorlog en dus moeilijk om hem<br />
vrij te krijgen. Uit angst dat er niemand meer was om het land te<br />
bewerken, liet mijn moeder ook Carolina naar huis komen. Intussen<br />
beloofde de peetoom <strong>van</strong> mijn broer, dat hij vrijstelling voor hem<br />
zou krijgen. Hij stelde zich in verbinding met de inspectiearts en<br />
die schonk mijn moeder die opluchting.<br />
4. Verschijningen <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw<br />
Ik wil niet blijven stilstaan bij de verschijning <strong>van</strong> 13 mei. U<br />
kent die heel goed en ik zou er dus maar tijd mee verspillen. U<br />
weet ook heel goed hoe mijn moeder zich op de hoogte stelde<br />
<strong>van</strong> wat er gebeurd was en hoe zij moeite deed om mij zover te<br />
krijgen, te zeggen dat ik gelogen had. De woorden, die de Allerheiligste<br />
Maagd op die dag zei en die we besloten nooit mee te<br />
delen, waren de volgende: Nadat ze os had gezegd dat we in de<br />
hemel zouden komen, vroeg ze:<br />
– Willen jullie je aanbieden aan God om al het lijden dat hij<br />
jullie laat ondergaan, te verdragen als eerherstel voor de zonden<br />
waarmee hij beledigd wordt en als smeekbede voor de bekering<br />
<strong>van</strong> de zondaars?<br />
– Ja, dat willen we, was ons antwoord.<br />
– Dan zullen jullie veel te verduren krijgen, maar de genade<br />
<strong>van</strong> God zal jullie steun zijn.<br />
84
Op 13 juni werd in onze parochie het feest <strong>van</strong> de H.Antonius<br />
gevierd. Het was de gewoonte om op die dag de schapen ’s<br />
morgens vroeg uit te laten en om ze om negen uur terug te brengen<br />
naar de schaapskooi, om dan naar het feest te gaan. Mijn moeder<br />
en mijn zussen, die wisten hoeveel ik <strong>van</strong> feestvieren hield, zeiden:<br />
– Ik moet nog zien of jij het feest opoffert om naar de Cova<br />
da Iria te gaan om met die Dame te praten!<br />
Die dag zei niemand iets tegen me, alsof ze zeggen wilden:<br />
laat haar maar, we zullen wel zien wat ze doet! Zo liet ik dan zeer<br />
vroeg in de morgen de schapen uit, met de bedoeling ze om negen<br />
uur in de kooi te sluiten, om tien uur naar de Mis te gaan daarna<br />
naar de Cova da Iria. Maar kort na het opgaan <strong>van</strong> de zon kwam<br />
mijn broer me halen: ik moest thuis komen want er waren verschillende<br />
mensen die me wilden spreken. Hij bleef toen bij de<br />
kudden en ik ging kijken wat ze <strong>van</strong> me wilden. Het waren enige<br />
mannen en vrouwen <strong>van</strong> de landgoederen in Minde, uit de richting<br />
Tomar, Carrascos, Boleiros enz. 17 . Ze wilden met me mee gaan<br />
naar de Cova da Iria. Ik zei dat het nog vroeg was en nodigde ze<br />
uit om met mij naar de Mis <strong>van</strong> acht uur te gaan. Daarna kwam ik<br />
naar huis terug. Die goede mensen bleven wachten op ons erf, in<br />
de schaduw <strong>van</strong> onze vijgenbomen.<br />
Mijn moeder en mijn zussen volhardden in hun minachtende<br />
houding tegenover mij, waarvoor ik heel gevoelig was en die ik<br />
aanvoelde als beledigingen. Rond elf uur ging ik tenslotte <strong>van</strong> ons<br />
huis weg, ging naar het huis <strong>van</strong> mijn oom, waar Jacinta en Francisco<br />
al op me stonden te wachten en daar vertrokken we dan<br />
naar de Cova da Iria, in afwachting <strong>van</strong> het ogenblik waarnaar we<br />
uitzagen. Al het volk ging met ons mee, terwijl ze ons duizenden<br />
vragen stelden. Die dag voelde ik me heel ellendig. Ik zag het<br />
verdriet <strong>van</strong> mijn moeder die mij met alle geweld mijn leugen<br />
wilde laten bekennen. Ik wilde haar graag ter wille zijn, maar zag<br />
geen andere manier dan door juist in dit geval te liegen. Vanaf de<br />
wieg had ze ons een grote afkeer voor leugens ingeprent en ze<br />
strafte streng wanneer ze een <strong>van</strong> ons op een leugen betrapte.<br />
– Het is me altijd gelukt, zei ze, dat mijn kinderen de waarheid<br />
spreken en nu zou ik zó iets laten doorglippen bij mijn jongste<br />
17 Deze plaatsjes liggen in een straal <strong>van</strong> 25 km <strong>van</strong> Fatima.<br />
85
dochter! Ging het nou om iets onbelangrijks..; maar zo’n leugen<br />
waar al zoveel mensen ingetrapt zijn!...<br />
Na deze jammerklachten richtte ze zich tot mij en zei:<br />
– Ik geef je de keus! Ofwel je haalt die mensen uit hun droom<br />
en je zegt dat je gelogen hebt, of ik sluit je op in een kamer waar<br />
je geen hand voor ogen ziet. Bij al mijn zorgen moest dat er nou<br />
nog bij komen!<br />
Mijn zussen trokken partij voor mijn moeder en de sfeer was<br />
echte minachting en afkeuring. Ik dacht toen aan het verleden en<br />
vroeg me af: waar is nu die vriendelijkheid, waarmee ik tot nog<br />
voor kort in ons gezin behandeld werd? Mijn enige verlichting waren<br />
de tranen die ik voor God vergoot, terwijl ik hem mijn offer aanbood.<br />
Ook zei Onze Lieve Vrouw op die dag, alsof ze raadde wat er zich<br />
afspeelde, behalve de woorden die ik al vermeld heb:<br />
– Mijn kind, lijd je veel? Verlies de moed maar niet. Ik zal je<br />
nooit alleen laten. Mijn Onbevlekt Hart zal je toevlucht zijn en de<br />
weg die naar God zal voeren.<br />
Als Jacinta me zag huilen, troostte ze me en zei:<br />
– Huil maar niet. Dit zijn zeker de offers waar<strong>van</strong> de engel<br />
zei dat God ze ons zou sturen. Het is dus tot eerherstel aan hem<br />
en om de zondaars te bekeren, dat je lijdt.<br />
5. Twijfels <strong>van</strong> Lucia 18<br />
Rond deze tijd kwam de pastoor <strong>van</strong> mijn parochie te weten<br />
wat er zich afspeelde en hij liet mijn moeder mij naar zijn huis<br />
brengen. Mijn moeder voelde zich opgelucht, in de mening dat de<br />
pastoor de verantwoordelijkheid <strong>van</strong> de gebeurtenissen op zich<br />
zou nemen.<br />
– Morgen gaan we heel vroeg naar de kerk. Daarna ga jij<br />
naar de pastorie. Ik hoop dat de pastoor je dan, hoe dan ook, zal<br />
verplichten de waarheid te bekennen; dat hij je straft; dat hij met<br />
18 Hier dient opgemerkt te worden dat het alleen een toestand <strong>van</strong> verwarring<br />
en verbazing betreft, als gevolg <strong>van</strong> de omstandigheden in het gezin en<br />
door de voorzichtige houding <strong>van</strong> de pastoor. Het mag beslist niet gezien<br />
worden als echte twijfel <strong>van</strong> Lucia.<br />
86
je doet wat hij wil. Als hij je maar verplicht te bekennen dat je<br />
gelogen hebt, ben ik tevreden.<br />
Mijn zussen trokken partij voor moeder en verzonnen de<br />
gekste bedreigingen om mij maar bang te maken voor het<br />
onderhoud met de pastoor. Ik vertelde aan Jacinta en Francisco<br />
wat er gaande was en zij zeiden:<br />
– Wij gaan ook. Mijnheer pastoor heeft ook onze moeder<br />
gevraagd ons te brengen, maar mama heeft ons niets <strong>van</strong> die<br />
dingen gezegd. Nou ja! Als we geslagen worden, is het uit liefde<br />
tot Onze Lieve Heer en voor de bekering <strong>van</strong> de zondaars.<br />
De volgende dag liep ik dan achter mijn moeder aan, die<br />
onderweg geen woord tegen me zei. Ik moest toegeven, dat ik<br />
beefde bij de gedachte wat er ging gebeuren. Ik liep het kerkplein<br />
over achter mijn moeder aan en besteeg de trappen <strong>van</strong> de<br />
veranda <strong>van</strong> de pastorie. Bij het opstappen <strong>van</strong> de eerste tree<br />
draaide mijn moeder zich om en zei:<br />
– En nou is het afgelopen! Je gaat nu zeggen tegen de<br />
pastoor dat je gelogen hebt, zodat hij zondag kan meedelen dat<br />
het een leugen was en dat zo de geschiedenis de wereld uit komt.<br />
Het is me wat moois! Dat jan en alleman naar de Cova da Iria<br />
loopt om te bidden voor een steeneik!<br />
Ze klopt gedecideerd op de deur. De zuster <strong>van</strong> de pastoor<br />
komt naar buiten, nodigt ons uit plaats te nemen op een bank en<br />
een ogenblikje te wachten. Tenslotte verschijnt mijnheer pastoor.<br />
Hij laat ons binnen in zijn werkkamer, geeft mijn moeder een teken<br />
dat zij kan plaats nemen en roept mij naar zijn schrijftafel. Toen ik<br />
zag dat de eerwaarde me heel rustig en zelfs vriendelijk ondervoeg,<br />
stond ik verbaasd. Maar toch bleef ik in spanning <strong>van</strong> wat er zou<br />
gebeuren. De ondervraging was minutieus, ik zou bijna zeggen<br />
langdradig. De eerwaarde gaf me een kleine berisping. Hij zei:<br />
– Het lijkt me geen openbaring <strong>van</strong> de hemel. Bij zulke dingen<br />
draagt Onze Lieve Heer meestal op aan de personen aan wie hij<br />
zich openbaart, om aan hun biechtvaders of pastoors mee te delen<br />
wat er is gebeurd. Maar dit meisje is heel terughoudend, zoveel<br />
ze kan. Die geschiedenis kan ook bedrog <strong>van</strong> de duivel zijn. We<br />
zullen zien. De toekomst zal het leren.<br />
87
6 Jacinta en Francisco spreken Lucia moed in<br />
Wat deze opmerking mij heeft doen lijden, weet alleen God,<br />
want hij kan doordringen tot in ons binnenste. Ik begon toen te<br />
twijfelen of de verschijningen misschien <strong>van</strong> de duivel kwamen,<br />
die me op die manier in het verderf wilde storten. En omdat ik<br />
vaak had horen zeggen dat de duivel altijd ruzie en wanorde teweeg<br />
brengt, overdacht ik dat ik, sinds ik die dingen gezien had, geen<br />
vreugde of geluk meer bij ons thuis beleefd had. Wat een angsten<br />
ik doorstond! Ik vertrouwde mijn twijfels toe aan mijn neefje en<br />
nichtje. Jacinta reageerde:<br />
– Welnee, het is de duivel niet! De mensen zeggen dat de<br />
duivel heel lelijk is en dat hij onder de grond zit in de hel. En die<br />
Dame is zo mooi! En we hebben haar toch naar de hemel zien<br />
opstijgen?<br />
Onze Lieve Heer bediende zich <strong>van</strong> deze woorden om mijn<br />
twijfels een beetje te verminderen. Maar in de loop <strong>van</strong> die maand<br />
verloor ik mijn enthousiasme voor offers en verstervingen en ik<br />
vroeg me aarzelend af, of ik toch maar niet zou zeggen dat ik<br />
gelogen had, om zo aan alles een einde te maken. Maar Jacinta<br />
en Francisco zeiden tegen me:<br />
– Dat moet je nooit doen! Zie je dan niet dat je dan juist gaat<br />
liegen en je weet toch dat liegen zonde is?<br />
In die gemoedsstemming had ik een droom, die alles nog<br />
even kwam aandikken: ik zag de duivel die, schaterend omdat hij<br />
mij om de tuin had geleid, nu pogingen deed om me naar de hel<br />
te sleuren. Toen ik zag dat hij mij in zijn klauwen had, begon ik zo<br />
hard te schreeuwen en Onze Lieve Vrouw aan te roepen, dat mijn<br />
moeder er wakker door werd. Bezorgd kwam ze bij me en vroeg<br />
wat er aan de hand was. Ik herinner me niet wat ik haar heb gezegd;<br />
wel, dat ik die nacht geen oog meer dicht deed; ik was echt verlamd<br />
<strong>van</strong> schrik. Die droom liet een wolk <strong>van</strong> angst en verdriet bij me<br />
achter. Mijn enige opluchting was alleen te zijn en vrijuit te huilen.<br />
Ik kreeg zelfs een afkeer <strong>van</strong> mijn neefje en nichtje en ik ging me<br />
voor hen verstoppen. Arme kinderen! Soms liepen ze me te zoeken<br />
terwijl ze mijn naam riepen en ik zat dan zonder te antwoorden<br />
vlak bij hen, ergens verstopt waar ze me niet konden vinden.<br />
Nu naderde de dertiende juni en ik stond in twijfel of ik zou<br />
gaan. Ik dacht: als het de duivel is, waarom moet ik hem dan<br />
88
gaan zien? Als ze me vragen waarom ik niet ga, dan zeg ik dat ik<br />
bang ben dat het de duivel is die aan ons verschijnt en dat ik<br />
daarom niet ga. Laten Francisco en Jacinta maar doen wat ze<br />
willen, ik ga niet meer naar de Cova da Iria terug. Mijn besluit was<br />
genomen en ik was vast besloten het uit te voeren.<br />
Op de twaalfde, tegen de avond, begonnen de mensen die<br />
bij de gebeurtenissen aanwezig wilden zijn, samen te stromen. Ik<br />
riep dus Jacinta en Francisco en bracht ze op de hoogte <strong>van</strong> mijn<br />
besluit. Ze zeiden:<br />
– Wij gaan wèl. Die Dame heeft gezegd dat we moesten<br />
komen.<br />
Jacinta verklaarde zich bereid om dan maar zelf met de<br />
Dame te gaan praten, maar het viel haar zwaar dat ik niet meeging<br />
en ze begon te huilen. Ik vroeg haar waarom ze huilde. Ze zei:<br />
– Omdat jij niet wil gaan.<br />
– Nee, ik ga niet. Luister: als die Dame naar mij vraagt, zeg<br />
dan dat ik niet kom uit angst dat het de duivel is.<br />
Ik liet hen staan om me te gaan verstoppen; dan hoefde ik<br />
niet met de mensen te praten die me zochten om me te ondervragen.<br />
Mijn moeder dacht dat ik al die tijd aan het spelen was<br />
met de kinderen uit de buurt, terwijl ik verstopt zat achter een<br />
bosje op het erf <strong>van</strong> een buurman, dat grensde aan onze Arneiro,<br />
dat een beetje ten oosten <strong>van</strong> de put lag. Toen ik ’s avonds thuis<br />
kwam, gaf ze me een standje en zei:<br />
– Je bent me een mooie heilige, maar <strong>van</strong> wormstekig hout!<br />
De hele tijd dat ze niet op de schapen hoeft te passen is ze aan<br />
het spelen en nog wel ergens waar niemand haar kan vinden!<br />
De volgende dag, toen het uur naderde waarop ik zou moeten<br />
vertrekken, voelde ik me plotseling door een vreemde kracht,<br />
waaraan ik moeilijk weerstand kon bieden, gedrongen te gaan. Ik<br />
ging dus weg, liep bij mijn oom en tante aan om te zien of Jacinta<br />
er nog was. Ik trof haar aan in de kamer samen met haar broertje<br />
Francisco, huilend, geknield voor haar bed.<br />
– Wat, gaan jullie niet? vroeg ik.<br />
– Zonder jou durven we niet te gaan. Kom toch mee!<br />
– Ik ga al mee.<br />
Ze keken heel blij en daarop vertrokken we. Veel mensen<br />
stonden links en rechts al op ons te wachten en met moeite<br />
bereikten we de plek. Dit was de dag waarop de H.Maagd zo goed<br />
89
was ons het geheim te openbaren. Daarna zei ze, om mijn verflauwde<br />
ijver nieuw leven in te blazen:<br />
– Breng offers voor de zondaars en zeg tegen Jezus, vooral<br />
wanneer jullie een offer brengen: Jezus, het is uit liefde tot u, voor<br />
de bekering <strong>van</strong> de zondaars en tot eerherstel voor de zonden die<br />
bedreven zijn tegen het allerheiligst Hart <strong>van</strong> Maria.<br />
7. Ongeloof <strong>van</strong> de moeder <strong>van</strong> Lucia<br />
Dankzij de goede God verdwenen bij die verschijning de<br />
twijfels uit mijn hart en hervond ik de vrede. Maar mijn arme<br />
moeder werd steeds ongeruster bij het zien <strong>van</strong> zoveel volk dat<br />
<strong>van</strong> alle kanten toestroomde. Die arme mensen, zei ze, zijn vast<br />
en zeker misleid door jullie bedrog; ik weet echt niet wat ik moet<br />
doen om hun dat aan hun verstand te brengen.<br />
Een zielige man, die er prat op ging met ons de spot te<br />
drijven, ons te beledigen en ons soms zelfs te slaan, vroeg op<br />
zekere dag aan mijn moeder:<br />
– Wel, Rosa, wat zeg je me <strong>van</strong> de visioenen <strong>van</strong> je dochter?<br />
– Ik weet het niet, antwoordde ze. Ik heb de indruk dat het<br />
alleen maar een zinsbegoocheling is die de halve wereld voor de<br />
gek houdt.<br />
– Zeg dat maar niet te hard, straks doodt iemand haar nog.<br />
– Oh, het kan me niets schelen! In ieder geval moet iemand<br />
haar verplichten de waarheid te zeggen. Ik zal altijd de waarheid<br />
spreken, ook al is het in het in het nadeel <strong>van</strong> mijn kinderen of <strong>van</strong><br />
wie dan ook, of <strong>van</strong> mijzelf.<br />
En dat was zo! Mijn moeder sprak altijd de waarheid, ook<br />
ten nadele <strong>van</strong> haarzelf. Dat goede voorbeeld hebben wij, de<br />
kinderen, aan haar te danken.<br />
Op zekere dag besloot ze opnieuw mij te verplichten me te<br />
ontmaskeren, zoals ze het uitdrukte. Daarom besloot ze me de<br />
volgende dag weer naar de pastorie te brengen, waar ik moest<br />
toegeven dat ik gelogen had, vergiffenis moest vragen en de boete<br />
volbrengen die hij mij meende te moeten opleggen. Deze keer<br />
was de aanval werkelijk fors te noemen en ik wist me geen raad.<br />
Onderweg passeerden we het huis <strong>van</strong> mijn oom. Ik vertelde aan<br />
Jacinta, die nog in bed lag, wat er aan de hand was en liep toen<br />
weer achter mijn moeder aan. In het geschrift over Jacinta heb ik<br />
90
u, Excellentie, al verteld hoe zij en haar broertje meeleefden in<br />
deze beproeving en hoe ze me biddend opwachtten bij de put.<br />
Onderweg stak moeder haar preek tegen mij af. Na de lange<br />
tekst zei ik bevend:<br />
– Mama toch! Hoe kan ik nou zeggen dat ik iets niet heb<br />
gezien als ik het wel heb gezien?<br />
Mijn moeder zei niets en, aangekomen bij het huis <strong>van</strong> de<br />
pastoor zei ze:<br />
– Nou niet meer er omheen draaien: ik wil dat je de waarheid<br />
spreekt. Als je het gezien hebt, zeg je dat je het gezien hebt; maar<br />
als je niets gezien hebt, beken je dat je gelogen hebt.<br />
We liepen meteen de trappen op en mijnheer pastoor ontving<br />
ons in zijn werkkamer, allervriendelijkst, ja, echt heel vriendelijk.<br />
Hij ondervroeg me met de grootste ernst en voorzichtigheid en<br />
gebruikte enkele trucjes om te zien of ik mezelf tegensprak of dat<br />
ik zaken verwarde. Eindelijk liet hij ons gaan, haalde zijn schouders<br />
op alsof hij zeggen wilde: ik weet niet wat ik met dat alles aan<br />
moet!<br />
8. Bedreigingen <strong>van</strong> de burgemeester<br />
Een paar dagen later ontvingen mijn ouders en mijn oom en<br />
tante bevel <strong>van</strong> de autoriteiten om de volgende dag op een bepaald<br />
tijdstip te verschijnen op het gemeentehuis: mijn oom met Jacinta<br />
en Francisco en mijn vader met mij. Het gemeentehuis is in Vila<br />
Nova de Ourém. Dat was drie uur lopen, een hele afstand voor<br />
kinderen <strong>van</strong> onze leeftijd en de enige vervoermiddelen in die tijd<br />
waren ieders voeten of een ezeltje. Mijn oom reageerde onmiddellijk<br />
met te zeggen dat hij zelf wel wilde gaan, maar zonder zijn<br />
kinderen.<br />
– Lopend, zei hij, houden ze het niet vol en <strong>van</strong> een ezel<br />
vallen ze af omdat ze dat niet gewend zijn. Ik ben trouwens niet<br />
verplicht om twee kinderen <strong>van</strong> zo’n leeftijd voor het gerecht te<br />
brengen.<br />
Mijn ouders dachten er anders over:<br />
– Mijn dochter gaat mee. Ze moet zich maar verantwoorden.<br />
Van zulke dingen heb ik geen verstand. En als ze liegt, dan moet<br />
ze er maar voor boeten.<br />
91
De volgende morgen heel vroeg, zetten ze me op een ezeltje<br />
waar ik onderweg drie keer <strong>van</strong>af ben gevallen. Ik vertrok dus<br />
vergezeld <strong>van</strong> mijn vader en mijn oom. Ik geloof dat ik aan Excellentie<br />
al verteld heb hoe Jacinta en Francisco op die dag geleden<br />
hebben, omdat ze dachten dat ik gedood zou worden. Wat mij<br />
aangaat, het ergste vond ik de onverschilligheid die mijn ouders<br />
mij toonden en die voor mij des te harder aankwam als ik de<br />
tederheid zag waarmee mijn oom en tante hun kinderen behandelden.<br />
Ik herinner me dat ik op die reis aan het volgende zat<br />
te denken: wat verschillen mijn ouders toch <strong>van</strong> mijn oom en tante!<br />
Om hun kinderen te verdedigen springen die mensen zelf in de<br />
bres, maar mijn ouders leveren mij over met de grootste onverschilligheid<br />
en laten met me doen wat ze maar willen! Maar<br />
komaan! zei ik in het diepst <strong>van</strong> mijn hart; zo heb ik de kans, God,<br />
om meer te lijden voor uw liefde en voor de bekering <strong>van</strong> de<br />
zondaars. Die overdenking gaf me altijd troost.<br />
Op het gemeentehuis werd ik ondervraagd door de burgemeester,<br />
in tegenwoordigheid <strong>van</strong> mijn vader, mijn oom en nog<br />
enige andere heren <strong>van</strong> wie ik niet weet wie het waren. De<br />
burgemeester wilde met alle geweld dat ik hem het geheim<br />
meedeelde en dat ik beloofde niet meer naar de Cova da Iria<br />
terug te gaan. Om dat gedaan te krijgen spaarde hij beloften noch<br />
bedreigingen. Toen hij zag dat hij niets bereikte, liet hij me gaan<br />
met de verzekering dat hij zijn doel zou bereiken, al kostte het mij<br />
mijn leven. Mijn oom kreeg een strenge vermaning dat hij zijn<br />
bevel niet had opgevolgd en daarna mochten we naar huis.<br />
9. Problemen voor het gezin<br />
Binnen ons gezin was er nog een ander probleem waar<strong>van</strong>,<br />
zoals gezegd werd, ik de schuld had. De Cova da Iria was eigendom<br />
<strong>van</strong> mijn ouders. In het laagst gelegen stuk lag een klein, maar<br />
wel vruchtbaar terrein waar we maïs, groente, kool enz. verbouwden.<br />
Tegen de helling stonden een paar olijfbomen, steeneiken en<br />
andere eiken. Welnu, <strong>van</strong>af de tijd dat de menigte daar samenstroomde<br />
konden we er niets meer verbouwen. Alles werd<br />
platgetrapt. Veel mensen kwamen op hun paard en de dieren aten<br />
alles op of ze vertrapten de planten. Jammerend over al die dingen<br />
zei mijn moeder tegen me:<br />
92
– Luister eens, als jij wil eten, dan vraag je het maar aan die<br />
dame!<br />
Mijn zussen deden er nog een schepje bovenop:<br />
– Jij zou eigenlijk alleen nog maar moeten eten wat er in de<br />
Cova da Iria groeit!<br />
Die opmerkingen kwamen zo hard bij me aan, dat ik geen<br />
stukje brood meer durfde aan te raken om het op te eten. Intussen<br />
liet mijn moeder mij om, zoals ze zei, mij de waarheid te laten<br />
bekennen, herhaaldelijk kennis maken met een of ander stuk<br />
brandhout of ook met de bezemsteel. Maar omdat ze tegelijkertijd<br />
moeder was, probeerde ze me daarna weer op krachten te brengen<br />
en was ze bezorgd omdat ik zo mager werd en een gele kleur<br />
kreeg. Ze was bang dat ik ziek werd. Arme moeder! Ja, nu begrijp<br />
ik volkomen haar situatie en ik heb diep medelijden met haar!<br />
Echt, ze had gelijk om te denken dat ik zo’n gunst onwaardig was<br />
en me daarom als leugenaarster te beschouwen.<br />
Door een bijzondere genade <strong>van</strong> Onze Lieve Heer heb ik<br />
nooit de minste afkeer of reactie tegen haar handelwijze ten<br />
opzichte <strong>van</strong> mij gehad. Omdat de engel had aangekondigd dat<br />
God me zou laten lijden, zag ik in dat alles altijd Gods wil. De<br />
liefde, achting en eerbied die ik haar verschuldigd was groeide<br />
zelfs gestadig, alsof ze heel lief tegen me was. En op dit ogenblik<br />
<strong>van</strong> mijn leven ben ik haar meer dan dankbaar dat ze me zo<br />
behandeld heeft, in plaats <strong>van</strong> dat ze doorgegaan was mij groot te<br />
brengen met liefkozingen en tederheid.<br />
10. Lucia’s eerste geestelijk leidsman<br />
Ik denk dat het in de loop <strong>van</strong> die maand was 19 , dat de heer<br />
Formigão, priester, voor de eerste keer bij ons kwam om mij te<br />
ondervragen. Hij ondervroeg me ernstig en tot in details. Ik mocht<br />
hem graag, omdat hij uitvoerig met mij praatte over de beoefening<br />
<strong>van</strong> de deugd en me enkele manieren aangaf om ze te beoefenen.<br />
Hij liet me een plaatje <strong>van</strong> de H.Agnes zien. Hij vertelde over haar<br />
marteldood en spoorde me aan haar na te volgen. Daarna kwam<br />
19 Dr.Manuel Nunes Formigão Junior, de grote apostel <strong>van</strong> Fatima, kwam<br />
niet in augustus maar op 13 september voor de eerste keer op de Cova da<br />
Iria.<br />
93
de eerwaarde iedere maand om zijn ondervraging te doen en aan<br />
het eind gaf hij mij steeds een goede raad, waaruit ik een zeker<br />
geestelijk voordeel trok. Op zekere dag zei hij tegen mij:<br />
– Meisje, jij hebt wel de plicht om heel veel <strong>van</strong> Onze Lieve<br />
Heer te houden <strong>van</strong>wege de grote genaden en gunsten die hij je<br />
geeft.<br />
Die zin drong zo diep in mijn hart dat ik sindsdien de<br />
gewoonte aannam om voortdurend te zeggen:<br />
– Mijn God, ik bemin u uit dankbaarheid voor de genaden<br />
die u mij geschonken hebt.<br />
Ik deelde aan Jacinta en Francisco dat schietgebed, waar ik<br />
zo <strong>van</strong> hield mee en Jacinta nam het zozeer in zich op, dat ze<br />
onder het spannendste spel opeens kon vragen:<br />
– Jullie hebben toch niet vergeten om tegen Onze Lieve<br />
Heer te zeggen dat je <strong>van</strong> hem houdt om de genaden die hij ons<br />
geschonken heeft?<br />
11. In de ge<strong>van</strong>genis <strong>van</strong> Ourém<br />
Intussen brak de ochtend <strong>van</strong> 13 augustus aan. De menigte<br />
mensen stroomde sinds de vooravond <strong>van</strong> alle kanten toe.<br />
Iedereen wilde ons zien, ons ondervragen en ons zijn intenties<br />
aanbevelen, die wij dan moesten doorgeven aan de Allerheiligste<br />
Maagd. In de handen <strong>van</strong> al die mensen waren wij als een bal in<br />
de handen <strong>van</strong> kinderen. Iedereen trok ons naar zich toe en stelde<br />
de vragen die hem op het hart lagen, zonder ons de tijd te gunnen<br />
om ook maar iemand te antwoorden.<br />
Temidden <strong>van</strong> die drukte kwam <strong>van</strong> de burgemeester de<br />
order om naar het huis <strong>van</strong> mijn tante te gaan omdat hij daar op<br />
mij wachtte. De order was gericht aan mijn vader en hij bracht me<br />
er heen. Toe ik aankwam stond hij daar in een kamer, met mijn<br />
neefje en nichtje. Daar nam hij ons een verhoor af en probeerde<br />
opnieuw ons te verplichten het geheim bekend te maken en te<br />
beloven dat we niet meer naar de Cova da Iria terug zouden gaan.<br />
Toen hij niets bereikte, gebood hij mijn vader en mijn oom ons<br />
naar de pastorie te brengen.<br />
Ik wil hier niet stilstaan bij alles wat er in de ge<strong>van</strong>genis<br />
gebeurde, omdat u dat allemaal al weet. Wat ik u al zei, wat ons<br />
op dat moment het meest dwars zat en wat me het meest pijn<br />
94
deed, ook mijn neefje en nichtje, was het volledig in de steek<br />
gelaten worden door onze familie.<br />
Terug <strong>van</strong> die reis, of ge<strong>van</strong>genis, ik weet niet hoe ik het<br />
noemen moet, die volgens mij op 15 augustus 20 was, mocht ik<br />
meteen, als blij weerzien, de schapen uit de kooi halen en ze<br />
wegleiden om te grazen. Mijn oom en tante hielden hun kinderen<br />
liever bij zich thuis en ze stuurden daarom in hun plaats hun broer<br />
João met de kudde uit. Omdat het al laat was, bleven we in de<br />
buurt <strong>van</strong> ons dorpje, in de Valinhos.<br />
Wat er toen gebeurde weet u ook al en daarom zal ik het<br />
hier niet beschrijven. De Allerheiligste Maagd drukte ons opnieuw<br />
de beoefening <strong>van</strong> de versterving op het hart en zei aan het eind:<br />
– Jullie moeten bidden, veel bidden en offers brengen voor<br />
de zondaars want velen gaan naar de hel omdat niemand voor<br />
hen bidt en offers brengt.<br />
12. Verstervingen en lijden<br />
Een paar dagen later trokken we met onze schaapjes over<br />
een weg waarop ik een touw vond <strong>van</strong> een kar. Ik raapte het op en<br />
al spelend wond ik het om mijn arm. Al vlug merkte ik dat het touw<br />
pijn deed. Toen zei ik tegen mijn neefje en nichtje:<br />
– Kijk eens, dat doet pijn. We zouden dat touw wel om ons<br />
middel kunnen binden en dat offer aan God opdragen.<br />
De arme kinderen namen mijn voorstel onmiddellijk aan en<br />
het volgende hoofdstuk was, het touw onder ons drieën te verdelen.<br />
De scherpe kant <strong>van</strong> een steen, die op een onderliggende steen<br />
getimmerd werd, was ons mes. Of het nu kwam door de grofheid<br />
en ruwheid <strong>van</strong> het touw, of dat we het soms te strak aantrokken,<br />
dat touw deed ons soms verschrikkelijk pijn. Jacinta kreeg soms<br />
tranen in haar ogen door de last die het touw haar bezorgde en<br />
wanneer ik haar wel eens zei dat ze hem af moest doen zei ze:<br />
20 Lucia beweert hier en ook op een andere plaats, dat de verschijning in<br />
Valinhos op 15 augustus had plaats gevonden, d.w.z. op de dag dat zij uit<br />
Vila Nova de Ourém terug kwamen. Dit is een vergissing: de dag <strong>van</strong><br />
terugkomst was met zekerheid 15 augustus, maar de verschijning in Valinhos<br />
moet op de zondag daarop volgend hebben plaats gevonden, op 19<br />
augustus.<br />
95
– Nee, ik wil dit offer aan de Heer aanbieden tot eerherstel<br />
en voor de bekering <strong>van</strong> de zondaars.<br />
Een andere keer plukten we bij ons spel wat kruiden die, als<br />
je ze in je hand kneep een lichte knal gaven. Bij het plukken <strong>van</strong><br />
die kruiden greep Jacinta per ongeluk tegelijk een paar brandnetels<br />
waaraan ze zich pijn deed. Bij het voelen <strong>van</strong> die pijn greep zij ze<br />
nog steviger in haar hand en zei:<br />
– Kijk, kijk, weer iets waarmee we een offertje kunnen<br />
brengen!<br />
Sindsdien hadden we de gewoonte om ons <strong>van</strong> tijd tot tijd<br />
een paar keer met de brandnetels om onze benen te slaan om<br />
God ook dat offer aan te bieden.<br />
Als ik me niet vergis, was het ook in de loop <strong>van</strong> die maand<br />
dat we ons er aan wenden om ons lunchpakket aan onze arme<br />
vriendjes te geven, zoals ik u al verteld heb in het schrijven over<br />
Jacinta. Mijn moeder kwam in de loop <strong>van</strong> die maand een beetje<br />
tot rust. Ze zei vaak:<br />
– Was er nog maar één ander die iets zag, dan kon ik<br />
misschien geloven; maar dat onder al die mensen alleen zij wat<br />
zien! Welnu, in die laatste maand zeiden verschillende mensen<br />
dat ze iets gezien hadden: sommigen zeiden dat ze Onze Lieve<br />
Vrouw gezien hadden, anderen weer dat ze tekenen hadden gezien<br />
in de zon, enz. enz. Nu zei moeder:<br />
– Vroeger dacht ik dat, als er maar nog één ander persoon<br />
iets zag, ik zou geloven. Nu zeggen zoveel mensen dat ze iets<br />
gezien hebben en ik geloof nog niet!<br />
Vanaf dat ogenblik begon ook mijn vader mij te verdedigen<br />
en zei dat iedereen stil moest zijn wanneer er de spot met mij<br />
gedreven werd. Hij zei meestal:<br />
– We weten niet of het waar is, maar we weten ook niet of<br />
het een leugen is.<br />
Omstreeks die tijd besloten mijn oom en tante – ze waren<br />
het zat dat zoveel mensen steeds naar hun kinderen vroegen en<br />
met hen wilden praten – hun zoon João met de kudde uit te sturen,<br />
terwijl ze Jacinta en Francisco bij zich in huis hielden. Kort daarna<br />
verkochten ze hun kudde. Daar ik niet graag ander gezelschap<br />
had, ging ik <strong>van</strong> toen af alleen met mijn kudde op pad. Zoals ik u<br />
al verteld heb, gingen Jacinta en Francisco als het in de buurt<br />
was, met me mee. En wanneer de weide ver weg was, wachtten<br />
96
ze me onderweg op. Ik moet zeggen dat die dagen, waarop ik<br />
alleen, temidden <strong>van</strong> mijn schaapjes, <strong>van</strong>af de top <strong>van</strong> een berg<br />
of <strong>van</strong>uit de diepte <strong>van</strong> een dal, de pracht <strong>van</strong> de hemel<br />
aanschouwde en de goede God bedankte voor de genaden die hij<br />
me <strong>van</strong>daar gezonden had, echt gelukkig waren. Wanneer de stem<br />
<strong>van</strong> een <strong>van</strong> mijn zussen mijn eenzaamheid onderbrak en me<br />
naar huis riep om met deze of gene, die me geroepen had, te<br />
komen praten, voelde ik een grote tegenzin in me opkomen en ik<br />
vond alleen hierin troost, dat ik ook dit offer de goede God kon<br />
aanbieden.<br />
Op zekere dag kwamen drie heren met ons spreken. Na de<br />
ondervraging, die niet bijster vriendelijk geweest was, vertrokken<br />
ze met de dreiging:<br />
– Denk er maar over na of jullie zullen besluiten het geheim<br />
bekend te maken, zo niet, dan is de burgemeester <strong>van</strong> plan jullie<br />
het leven te benemen.<br />
Jacinta reageerde met blijdschap op haar gezicht:<br />
– Prima toch? Ik houd zoveel <strong>van</strong> Onze Lieve Heer en <strong>van</strong><br />
Onze Lieve Vrouw en op die manier zullen we ze binnenkort zien!<br />
Toen het gerucht de ronde deed dat de burgemeester ons<br />
inderdaad wilde doden, kwam een tante <strong>van</strong> ons, die in Casais<br />
woonde, ons bezoeken met de bedoeling ons mee te nemen want,<br />
zo zei ze:<br />
– Ik woon in een andere gemeente en daar kan de burgemeester<br />
jullie niet weghalen.<br />
Maar het plan ging niet door, want wij wilden niet weggaan<br />
en we zeiden:<br />
– Het kan ons niets schelen als we gedood worden. Dan<br />
gaan we naar de hemel.<br />
13. De dertiende september<br />
Zo naderde de dertiende september. Op die dag zei de Allerheiligste<br />
Maagd, na wat ik al gezegd heb:<br />
– God is tevreden met jullie offertjes, maar hij wil niet dat<br />
jullie met het touw om slapen. Draag het alleen maar overdag.<br />
Onnodig te zeggen dat we haar bevelen stipt gehoorzaamden.<br />
Daar in de voorbije maand naar het schijnt, Onze Lieve<br />
Heer iets buitengewoons had willen laten zien, koesterde mijn<br />
97
moeder de hoop dat nu, op deze dag, de dingen helderder en<br />
duidelijker zouden worden. Maar de goede God beschikte –<br />
misschien wel om ons de gelegenheid te geven weer een offer te<br />
brengen – dat er op die dag geen straal <strong>van</strong> zijn glorie doorbrak.<br />
Mijn moeder verloor daarom weer de moed en de vervolging thuis<br />
begon opnieuw. Moeder was verdrietig om vele redenen. Eerst<br />
het algehele verlies <strong>van</strong> de Cova da Iria, die mooie weidegrond<br />
bezat voor onze kudde, en <strong>van</strong> de tuinproducten die we daar<br />
kweekten. Daar kwam bij de overtuiging, die bijna groeide tot<br />
zekerheid, zoals zij het uitdrukte, dat de gebeurtenissen niets dan<br />
hersenschimmen en fantasie <strong>van</strong> kinderlijke inbeelding waren. Een<br />
<strong>van</strong> mijn zussen deed haast niets anders meer dan mij halen en in<br />
mijn plaats bij de kudde blijven zodat ik kon praten met de mensen<br />
die me wilden zien en spreken. Voor ons, die <strong>van</strong> het werk <strong>van</strong><br />
onze handen moesten leven, betekende dit verlies. Daarom zag<br />
mijn moeder zich na enige tijd genoodzaakt onze kudde te<br />
verkopen, die we echter hard nodig hadden voor het onderhoud<br />
<strong>van</strong> het gezin. Van dit alles was ik de schuld en op moeilijke ogenblikken<br />
gooiden ze me dat naar het hoofd. Ik hoop dat de goede<br />
God dit alles heeft aangenomen, want ik offerde het hem op. Ik<br />
had er altijd vrede mee, als ik het hem als offer kon aanbieden<br />
voor de bekering <strong>van</strong> de zondaars. Mijn moeder <strong>van</strong> haar kant<br />
leed dat alles met een heldhaftig geduld en gelatenheid. Als ze<br />
me berispte en strafte was het alleen omdat ze dacht dat ik loog.<br />
In overgave aan het verdriet dat Onze Lieve Heer haar zond, zei<br />
ze soms:<br />
– Zouden al deze dingen een straf zijn, die God me oplegt<br />
voor mijn zonden? Als dat het geval is, dan zij Gods wil gezegend!<br />
14. Offergeest <strong>van</strong> Lucia<br />
Op een gegeven moment kwam een buurvrouw met het<br />
praatje aanzetten – ik weet niet hoe ze eraan kwam – dat enige<br />
heren mij geld gegeven hadden, ik weet niet meer hoeveel. Mijn<br />
moeder riep me aanstonds bij zich en vroeg me hoe dat zat. Toen<br />
ik zei dat ik niets gekregen had, wilde ze me toch dwingen het<br />
geld te geven en als dwangmiddel fungeerde de bezemstok. Toen<br />
moeder het stof al flink <strong>van</strong> mijn kleren had geklopt, kwam een<br />
<strong>van</strong> mijn zussen, Carolina, met een buurmeisje, Virgínia, tussen-<br />
98
eide. Ze zeiden dat ze bij de ondervraging <strong>van</strong> die heren aanwezig<br />
waren geweest en dat ze gezien hadden dat ze me niets gegeven<br />
hadden. Na die verdediging mocht ik me terugtrekken op mijn<br />
geliefde plekje, de put, en daar ook dit offer aan God aanbieden.<br />
15. Een merkwaardige bezoeker<br />
Als ik me niet vergis, was het ook in die maand, dat een<br />
jongeman 21 die mij door zijn reuzengestalte de schrik op het lijf<br />
joeg, ons bezocht. Toen ik een heer zag binnen komen die zich op<br />
zoek naar mij moest bukken om door de deuropening te komen,<br />
dacht ik dat ik voor een Duitser stond. En omdat we in die tijd in<br />
oorlog waren en kinderen wel bang gemaakt werden door te<br />
zeggen: straks komt een Duitser je doodmaken, dacht ik dat mijn<br />
laatste uur geslagen had. De genoemde jongeman had mijn schrik<br />
opgemerkt en probeerde mij op mijn gemak te stellen door mij op<br />
zijn schoot te zetten en mij met de grootste vriendelijkheid te<br />
ondervragen. Na afloop <strong>van</strong> de ondervraging vroeg hij aan mijn<br />
moeder of ik hem de plaats <strong>van</strong> de verschijningen mocht wijzen<br />
en of ik daar met hem mocht bidden. Dat vond zij goed en we<br />
vertrokken. Maar ik trilde <strong>van</strong> angst over mijn hele lichaam op die<br />
tocht: helemaal alleen met zo’n onbekende meneer. Maar de<br />
gedachte dat ik, als hij me zou doden, Onze Lieve Heer en Onze<br />
Lieve Vrouw zou zien, stelde me gerust. Op de plek aangekomen,<br />
knielde hij neer en vroeg of ik met hem de rozenkrans wilde bidden<br />
voor een gunst, waarop hij vurig hoopte, namelijk dat een zeker<br />
meisje zou toestemmen met hem het sacrament <strong>van</strong> het huwelijk<br />
te sluiten. Ik was verbaasd over die intentie en dacht: als dat meisje<br />
net zo bang is als ik, zal ze nooit haar ja-woord geven! Na het<br />
bidden <strong>van</strong> de rozenkrans ging de goede jongeman tot vlak bij het<br />
dorp met me mee, waar hij heel vriendelijk afscheid nam, terwijl<br />
hij mij zijn intentie nogmaals aanbeval. Verlost rende ik aan één<br />
stuk door regelrecht naar het huis <strong>van</strong> mijn oom en tante, bang<br />
dat hij misschien nog terug zou komen. Hoe groot was mijn verbazing<br />
toen ik me, na de verschijningen <strong>van</strong> 13 oktober, plotseling<br />
in de armen <strong>van</strong> die bewuste meneer man bevond, zwevend boven<br />
21 Het gaat hier om het bezoek <strong>van</strong> Dr.Carlos de Azevedo Mendes, op 8<br />
september 1917.<br />
99
de hoofden <strong>van</strong> de menigte. Als het er om te doen was dat iedereen<br />
mij goed kon zien, dan bevond ik me op de juiste plaats. Maar<br />
even later, omdat de beste man niet kon zien waar hij zijn voeten<br />
moest neerzetten, struikelde hij over een paar stenen en viel! Ik<br />
viel niet, want ik bleef hangen op de massa mensen die zich om<br />
me heen verdrong. Anderen grepen me vast en ik zag die man<br />
niet meer terug, totdat hij op zekere dag weer opdook, nu in<br />
gezelschap <strong>van</strong> dat meisje, inmiddels zijn vrouw. Hij kwam de<br />
Allerheiligste Maagd bedanken voor de ont<strong>van</strong>gen gunst en haar<br />
zegen vragen. Die jongeman is nu de heer Dr.Carlos Mendes <strong>van</strong><br />
Torres Novas.<br />
16. Dertien oktober<br />
Zo zijn we dan, Excellentie, aangekomen bij de dertiende<br />
oktober. U weet al wat er die dag gebeurd is. De woorden die zich<br />
bij die verschijningen het diepst in mijn hart geprent hebben, zijn<br />
de bede <strong>van</strong> onze heilige Moeder in de hemel:<br />
– Beledig God, onze Heer, niet langer want hij is al zo veel<br />
beledigd.<br />
Wat een liefdevolle klacht en wat een teder verzoek! Ik wou<br />
dat dit over de hele wereld weerklonk en dat alle kinderen <strong>van</strong> de<br />
Moeder uit de hemel de klank <strong>van</strong> haar stem hoorden!<br />
Het gerucht deed de ronde dat de autoriteiten besloten<br />
hadden naast ons een bom te laten ontploffen op het ogenblik<br />
<strong>van</strong> de verschijning. Dat boezemde me geen moment angst in. Ik<br />
praatte er met mijn neefje en nichtje over en we zeiden tegen<br />
elkaar:<br />
– Prachtig! Als we de gunst krijgen om <strong>van</strong> daar met Onze<br />
Lieve Vrouw naar de hemel op te stijgen!<br />
Intussen waren mijn ouders wel ongerust geworden en voor<br />
de eerste keer besloten zij met ons mee te gaan. Ze zeiden:<br />
– Als mijn dochter moet sterven wil ik aan haar zijde sterven.<br />
Mijn vader bracht mij toen aan zijn hand tot de plaats <strong>van</strong> de<br />
verschijningen. Maar <strong>van</strong>af het ogenblik <strong>van</strong> de verschijningen<br />
heb ik hem niet meer gezien totdat ik ’s avonds thuis zat. Die<br />
middag was ik bij mijn neefje en nichtje, alsof we merkwaardige<br />
diertjes waren, die iedereen wilde zien en bekijken! Die avond<br />
was ik doodmoe <strong>van</strong> al die vragen en verhoren. Maar ook toen<br />
100
kwam er nog geen eind aan. Sommige mensen die nog niet aan<br />
de beurt geweest waren om te ondervragen, bleven tot de volgende<br />
dag hun beurt afwachten. Sommigen wilden nog na het avondeten<br />
met mij praten maar ik werd overmand door moeheid en viel op<br />
de grond in slaap. Gelukkig kende ik in die tijd nog geen menselijk<br />
opzicht en eigenliefde. Daardoor voelde ik me bij iedereen op<br />
mijn gemak, alsof ik bij mijn ouders stond. De volgende dag gingen<br />
de ondervragingen verder, of liever gezegd, de volgende dagen,<br />
want haast dagelijks kwamen diverse mensen de bescherming<br />
<strong>van</strong> onze hemelse Moeder afsmeken in de Cova da Iria. En<br />
iedereen wilde de zienertjes zien, hun vragen stellen en met hen<br />
de rozenkrans bidden. Soms was ik zo moe, door het steeds maar<br />
herhalen <strong>van</strong> hetzelfde en door het bidden, dat ik een smoesje<br />
zocht om me te excuseren en er onderuit te komen. Maar die<br />
arme mensen drongen zo aan, dat het me soms heel wat moeite<br />
kostte om ze tevreden te stellen. Dan zegde ik maar weer, uit het<br />
diepst <strong>van</strong> mijn hart, mijn gebruikelijke gebed: het is uit liefde<br />
voor U, mijn God, tot eerherstel <strong>van</strong> de zonden bedreven tegen<br />
het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria, voor de bekering <strong>van</strong> de zondaars<br />
en voor de H.Vader.<br />
17. Ondervragingen door priesters<br />
Ik heb u al verteld, Excellentie, in mijn schrijven over mijn<br />
nichtje, dat er twee priesters waren die met ons spraken over de<br />
H.Vader en dat het nodig was voor hem te bidden. Sindsdien<br />
droegen we geen gebed of offer aan God op zonder er een gebed<br />
voor de H.Vader aan toe te voegen. En we kregen zo’n grote liefde<br />
voor de H.Vader dat, toen op zekere dag mijnheer pastoor tegen<br />
mijn moeder zei dat ik waarschijnlijk naar Rome moest om door<br />
zijne heiligheid te worden ondervraagd, ik <strong>van</strong> blijdschap in mijn<br />
handen klapte en tegen mijn neefje en nichtje zei:<br />
– Fantastisch, om de H.Vader te zien!<br />
Met tranen in hun ogen zeiden ze:<br />
– Wij gaan niet, maar dat offer brengen wij voor hem.<br />
Ook mijnheer pastoor nam mij zijn laatste verhoor af. De<br />
vastgestelde tijd voor de gebeurtenissen was voorbij en de<br />
eerwaarde wist niet wat hij er<strong>van</strong> denken moest. Hij begon ook<br />
zijn onvrede te uiten:<br />
101
– Waarom gaan zoveel mensen knielen en bidden in het<br />
open veld, terwijl de levende God, de God <strong>van</strong> onze altaren in het<br />
Heilig Sacrament, eenzaam en verlaten in het tabernakel aanwezig<br />
is? Waarvoor dient dat geld, dat zonder bestemming onder die<br />
eik achtergelaten wordt, terwijl de het werk aan de kerk niet kan<br />
worden afgemaakt door geldgebrek 22 ?<br />
Ik begreep de redelijkheid <strong>van</strong> zijn bezwaren heel goed, maar<br />
wat kon ik eraan doen? Was ik baas geweest over het hart <strong>van</strong> die<br />
mensen dan had ik het zeker op de kerk gericht. Omdat ik dat niet<br />
was, droeg ik ook dit offer aan God op.<br />
Jacinta had de gewoonte bij de ondervragingen haar hoofd<br />
te buigen en zonder een woord te zeggen naar de grond te blijven<br />
staren en daarom werd ik meestal geroepen om de nieuwsgierigheid<br />
<strong>van</strong> de pelgrims te bevredigen. Ik werd voortdurend<br />
naar de pastorie gehaald voor een ondervraging door deze of gene<br />
persoon, door deze of gene priester. Bij een <strong>van</strong> die keren kwam<br />
een priester uit Torres Novas me ondervragen 23 . Hij hield zo’n<br />
minutieus verhoor, zo vol strikvragen, dat ik me op het laatst<br />
schuldig voelde omdat ik een paar dingen had achtergehouden.<br />
Ik raadpleegde mijn neefje en nichtje over het geval:<br />
– Ik weet niet, zei ik, of we er misschien fout aan doen als<br />
we niet alles zeggen. Ik weet niet of we niet jokken als ze ons<br />
vragen of Onze Lieve Vrouw nog meer gezegd heeft en wij dan<br />
zeggen dat ze ons het geheim heeft verteld en de rest verzwijgen.<br />
– Ik weet het niet, zei Jacinta, jij bent degene die wil dat we<br />
het niet zeggen.<br />
– Nogal duidelijk dat ik dat niet wil, was mijn antwoord. Wil<br />
je soms dat ze ons gaan vragen welke verstervingen we doen?<br />
Dat moest er nog bij komen! Hoor eens, als jij je mond gehouden<br />
had en niks gezegd had, dan wist nu niemand dat we Onze Lieve<br />
Vrouw hebben gezien en met haar hebben gepraat en ook met de<br />
engel. Niemand hoefde het te weten.<br />
22 Uit de documenten <strong>van</strong> die periode kan worden opgemaakt dat een <strong>van</strong> de<br />
redenen <strong>van</strong> het vertrek <strong>van</strong> de pastoor was, de problemen die hij ondervond<br />
bij de bouw <strong>van</strong> de nieuwe kerk.<br />
23 Kanunnik Ferreira, in die tijd vicaris <strong>van</strong> Torres Novas, bekende eens dat<br />
hij zelf een <strong>van</strong> die ondervragers geweest was.<br />
102
Toen het arme kind mijn redenering hoorde, begon ze te<br />
huilen en vroeg vergiffenis, net als in mei, wat ik al vermeld heb<br />
in haar geschiedenis. Ik bleef dus met mijn schuldgevoel zitten en<br />
wist niet hoe ik die twijfel moest oplossen. Kort daarna kwam een<br />
andere priester uit Santarém. Het leek een broer <strong>van</strong> de eerste of<br />
tenminste dat ze samen hun strategie hadden opgesteld: dezelfde<br />
vragen en strikvragen, dezelfde manier <strong>van</strong> lachen en spotten.<br />
Zelfs hun gestalte en uiterlijk leek hetzelfde. Na dit verhoor groeide<br />
mijn twijfel nog aan en ik wist echt niet wat ik moest doen. Voortdurend<br />
smeekte ik Onze Lieve Heer en Onze Lieve Vrouw om me<br />
te zeggen wat ik moest doen:<br />
– Mijn God en mijn lieve Moeder in de hemel, u weet dat ik<br />
u niet wil beledigen door leugens, maar u ziet toch ook wel dat het<br />
niet goed is, de rest te vertellen die u gezegd heeft!<br />
Temidden <strong>van</strong> die radeloosheid had ik het geluk te spreken<br />
met de pastoor <strong>van</strong> Olival 24 . Waarom, weet ik niet maar een feit is<br />
dat de eerwaarde mij vertrouwen in boezemde en ik legde hem<br />
mijn twijfel voor. In het geschrift over Jacinta heb ik al weergegeven<br />
hoe de eerwaarde ons leerde ons geheim te bewaren. Hij gaf ons<br />
bovendien nog enkele aanwijzingen over het geestelijk leven. Hij<br />
leerde ons vooral hoe wij God konden behagen door het aanbieden<br />
<strong>van</strong> ontelbare offertjes:<br />
– Kinderen, als jullie iets bepaalds graag zouden eten, eet<br />
dan iets anders en dat draag je dan aan God op als offertje. Als je<br />
wil spelen, doe dat dan niet en je bied God weer een offer aan. Als<br />
de mensen jullie willen ondervragen en jullie vinden geen reden<br />
om je daaraan te onttrekken, dan is dat Gods wil en breng je hem<br />
ook dat offer.<br />
Ik begreep de manier <strong>van</strong> spreken <strong>van</strong> de eerwaarde priester<br />
zeer goed en ik begon hem heel aardig te vinden! De eerwaarde<br />
bleef interesse tonen voor mijn zielenheil en <strong>van</strong> tijd tot tijd was<br />
hij zo vriendelijk even langs te komen of hij schakelde een vrome<br />
weduwe in, die in een dorpje dichtbij Olival woonde 25 . Zij heette<br />
Dona Emília. Die vrome dame ging vaak bidden in de Cova da<br />
Iria. Daarna kwam ze bij ons aan en vroeg of ik een paar dagen bij<br />
haar mocht logeren en daarna bracht ze me naar de pastorie. De<br />
24 Dit was de priester Faustino.<br />
25 Die plaats heet Soutaria. Het huis <strong>van</strong> mevr. Emília is nu kapel.<br />
103
pastoor was zo goed mij twee of drie dagen op te nemen om,<br />
zoals hij het uitdrukte, een <strong>van</strong> zijn zusters 26 gezelschap te houden.<br />
Hij had het geduld om uren met mij door te brengen en mij te<br />
onderrichten in de beoefening <strong>van</strong> de deugden en mij leiding te<br />
geven met zijn wijze raadgevingen. Hoewel ik toen nog niets<br />
begreep <strong>van</strong> geestelijke leiding, kan ik zeggen dat hij mijn eerste<br />
geestelijk leidsman is geweest. Daarom koester ik aan die preister<br />
dankbare en vrome herinneringen.<br />
1. Lucia gaat naar school<br />
104<br />
III. NA DE VERSCHIJNINGEN<br />
Maar wat ben ik hier aan het neerpennen, in het blinde weg,<br />
zo gezegd, en ik heb al diverse dingen overgeslagen. Maar ik doe<br />
eenvoudig zoals u mij heeft opgedragen: dat ik gewoon de dingen<br />
zou opschrijven zoals ik me ze herinner, zonder poespas. Goed,<br />
zo doe ik het dan ook, zonder me druk te maken over rangschikking<br />
of stijl. Op die manier lijkt mij mijn gehoorzaamheid volmaakter<br />
en dus aangenamer aan Onze Lieve Heer en het Onbevlekt Hart<br />
<strong>van</strong> Maria.<br />
Ik kom dus terug op ons ouderlijk huis. Ik heb u al verteld,<br />
Excellentie, dat mijn moeder onze schaapskudde moest verkopen.<br />
drie schapen hielden we over, die we meenamen als we naar het<br />
land gingen. Gingen we niet het land op, dan gaven we ze wat te<br />
eten in de schaapsstal. Toen stuurde mijn moeder mij naar school.<br />
In mijn vrije tijd moest ik leren weven en naaien. Zo was ik<br />
voortdurend in huis en hoefde niemand tijd te verliezen om me te<br />
zoeken.<br />
Op zekere dag praatten mijn zusjes er met elkaar over om<br />
mee te doen aan de druivenpluk <strong>van</strong> een rijke heer <strong>van</strong> Pé de<br />
Cão 27 . Mijn moeder vond het goed, maar ik moest ook mee. Ik<br />
heb al eerder gezegd dat mijn moeder ze nergens heen liet gaan<br />
zonder mij mee te nemen.<br />
26 De hr. Dr.Galamba deed voor zijn nicht de correcties in haar boek “Jacinta”.<br />
27 Dat terrein, in de buurt <strong>van</strong> Torres Novas, was eigendom <strong>van</strong> Mário Godinho.<br />
Hij was degene die, op 13 juli 1917, foto’s <strong>van</strong> de kinderen maakte, de<br />
eerste die wij <strong>van</strong> hen hebben.
2. De houding <strong>van</strong> pastoor<br />
Bij die gelegenheid begon mijnheer pastoor ook met de<br />
voorbereiding <strong>van</strong> de kinderen op een plechtige Communie. Omdat<br />
ik al <strong>van</strong>af mijn zesde jaar de plechtige Communie jaarlijks<br />
herhaalde, vond mijn moeder dat ik dit dat jaar niet mee hoefde te<br />
doen. Ik deed dus ook niet mee aan de godsdienstlessen. Na<br />
schooltijd ging ik dus, terwijl de andere kinderen naar de pastorie<br />
gingen, naar huis om te weven en te naaien. De pastoor nam het<br />
mij kwalijk dat ik niet naar de lessen kwam en op zekere dag liet<br />
zijn zus me, terwijl ik de school uit ging, door een ander kind roepen.<br />
Dat kind vond mij, toen ik al op weg was naar Aljustrel, bij het<br />
huisje <strong>van</strong> een arme man, Caracol geheten. Ze zei me dat de zus<br />
<strong>van</strong> mijnheer pastoor me liet roepen en dat ik er dus heen moest.<br />
In de mening dat het voor een verhoor was, verontschuldigde ik<br />
me en zei dat mijn moeder tegen me had gezegd dat ik na school<br />
meteen naar huis moest komen. Ik zette het onmiddellijk op een<br />
lopen, als een bezetene, trok de velden in, op zoek naar een<br />
verborgen plek waar niemand mij zou kunnen vinden. Maar deze<br />
keer kwam het verstoppertje spelen mij duur te staan.<br />
Een paar dagen later was er een feest in de parochie waarbij<br />
verschillende vreemde priesters de H.Mis kwamen celebreren.<br />
Aan het eind <strong>van</strong> het feest liet mijnheer pastoor mij bij zich roepen<br />
en in het bijzijn <strong>van</strong> al die priesters las hij me stevig de les: dat ik<br />
niet op de lessen was gekomen; dat ik niet geluisterd had toen<br />
zijn zus mij liet roepen; kortom, al mijn ondeugden kwamen aan<br />
het licht. Het werd een lange preek. Tenslotte, ik weet niet hoe het<br />
ging, verscheen een eerwaarde heer ten tonele, die voor mijn<br />
zaak probeerde te pleiten. Hij probeerde me te verontschuldigen<br />
door te zeggen dat ik misschien niet <strong>van</strong> mijn moeder mocht.<br />
Maar de beste pastoor antwoordde:<br />
– De moeder? De moeder is een heilige! Maar dit schepsel?<br />
Ik moet nog zien wat daaruit groeit!<br />
De goede priester die later pastoor <strong>van</strong> Torres Novas zou<br />
worden, vroeg me toen heel vriendelijk waarom ik niet naar de<br />
lessen was gegaan. Ik vertelde toen wat mijn moeder besloten<br />
had. Mijnheer pastoor scheen het niet te geloven en liet mijn zusje<br />
Glória, die op het kerkplein was, halen om te kijken of ik de waarheid<br />
sprak. Toen hij hoorde dat wat ik zei, waar was, besloot hij:<br />
105
– Nou goed, ofwel de jongedame komt de resterende tijd<br />
naar het onderricht, gaat daarna bij mij biechten en de plechtige<br />
Communie ont<strong>van</strong>gen samen met de andere kinderen, ofwel ze<br />
krijgt in deze parochie geen communie meer.<br />
Toen mijn zus dat voorstel hoorde, zei ze dat ik vijf dagen<br />
daarvóór met hen ergens heen moest en dat het besluit dus heel<br />
ongelegen kwam. Als de eerwaarde het wilde, kon ik op een andere<br />
dag biechten en ter communie gaan, maar de pastoor ging daar<br />
niet op in en bleef bij zijn eis.<br />
Eenmaal thuis, vertelden wij het aan onze moeder en ook<br />
zij ging aan de eerwaarde vragen of hij me niet op een andere dag<br />
wilde biecht horen en de heilige communie geven. Maar het was<br />
allemaal vergeefs. Toen besloot mijn moeder dat mijn broer mij,<br />
de dag na de Plechtige Communie, erheen zou brengen, ondanks<br />
de afstand en de moeilijkheden <strong>van</strong> de reis: het was niet alleen<br />
heel ver, maar de wegen waren slecht en er moesten heuvels en<br />
bergen beklommen worden. Biechten bij mijnheer pastoor! Ik<br />
geloof dat ik water en bloed zweette, alleen al bij de gedachte.<br />
Wat was ik bang voor hem! Op de laatste avond zei de pastoor<br />
dat alle kinderen de volgende middag in de kerk moesten komen<br />
om te biechten. Daar ging ik dan, het hart bedrukter dan wanneer<br />
ik onder een pers had gelegen.<br />
Eenmaal in de kerk, zag ik dat er meerdere priesters biecht<br />
hoorden. In een biechtstoel achter in de kerk zat pater Cruz uit<br />
Lissabon. Ik had al eens met deze eerwaarde gesproken en dat<br />
was me heel goed bevallen. Zonder te merken dat in het midden<br />
<strong>van</strong> de kerk, in een open biechtstoel, mijnheer pastoor zat en<br />
zodoende alles zag wat er gebeurde, dacht ik: eerst ga ik biechten<br />
bij Pater Cruz en ga hem vragen wat ik doen moet en daarna ga ik<br />
dan naar mijnheer pastoor.<br />
Pater Cruz ontving mij allerhartelijkst en nadat hij mij<br />
aanhoord had, gaf hij me zijn raadgevingen en zei dat, als ik niet<br />
graag naar mijnheer pastoor wilde gaan, ik het dan niet hoefde en<br />
dat de eerwaarde mij daarom niet de communie kon weigeren.<br />
Dolgelukkig met die raadgeving bad ik de penitentie en vluchtte<br />
de kerk uit, bang dat iemand mij nog zou roepen. De volgende<br />
dag verscheen ik dan in mijn witte jurk, maar nog steeds met de<br />
angst dat de communie mij geweigerd zou worden. Maar ditmaal<br />
nam de pastoor er genoegen mee me aan het eind <strong>van</strong> het feest<br />
106
te laten weten, dat mijn gebrek aan gehoorzaamheid hem niet<br />
ontgaan was, dat ik bij een andere priester gebiecht had.<br />
De goede pastoor werd steeds ontevredener over wat er<br />
allemaal gebeurde en op zekere dag ging hij uit de parochie weg.<br />
Het gerucht deed toen de ronde dat hij <strong>van</strong>wege mij was vertrokken<br />
28 , omdat hij de verantwoordelijkheid <strong>van</strong> de gebeurtenissen<br />
niet op zich wilde nemen. Omdat hij een enthousiast en alom<br />
geliefd priester was, ondervond ik hier<strong>van</strong> de terugslag. Sommige<br />
vrome dames luchtten hun ongenoegen op mij, iedere keer als ze<br />
me tegenkwamen, met beledigingen, schoppen of slaan.<br />
3. Eén in lief en leed.<br />
Jacinta en Francisco ondergingen maar zelden die “liefkozingen”<br />
die de hemel mij toezond, want hun ouders duldden<br />
niet dat ook maar iemand hen aanraakte. Maar ze stonden vaak<br />
huilend toe te kijken als ik verdrietig was of gekrenkt werd.<br />
Jacinta zei me op zekere dag:<br />
– Waren mijn vader en moeder maar zoals die <strong>van</strong> jou, dan<br />
konden de mensen mij ook slaan en dan zou ik Onze Lieve Heer<br />
meer offertjes kunnen brengen.<br />
Toch wist ze de gelegenheden tot versterving goed te<br />
benutten. We hadden ook de gewoonte negen dagen of een maand<br />
niet te drinken. Eens brachten we dat offer midden in de zomer, in<br />
augustus, terwijl er een verzengende hitte was. Op een dag<br />
kwamen we op de terugweg nadat we in de Cova da Iria ons rozenhoedje<br />
gebeden hadden, langs een poel dichtbij de weg. Jacinta<br />
zei tegen mij:<br />
– Hoor eens, ik heb zo’n dorst en ik heb zo’n hoofdpijn! Ik ga<br />
wat water uit de poel drinken.<br />
– Van dat water niet, zei ik. Mama wil niet dat we daaruit<br />
drinken want daar word je ziek <strong>van</strong>. Laten we een beetje water<br />
aan Maria <strong>dos</strong> Anjos gaan vragen. Zij was een buurvrouw <strong>van</strong><br />
ons, die pas getrouwd was en daar een huisje had.<br />
– Nee, dat goede water wil ik niet.<br />
28 Dat was zeker niet de reden <strong>van</strong> zijn vertrek. De problemen die de pastoor<br />
met zijn parochianen had rond de bouw <strong>van</strong> de kerk moeten de echte<br />
oorzaak geweest zijn.<br />
107
Dus dronk ze het vervuilde water en in plaats <strong>van</strong> dorst op<br />
te offeren bood ze de Heer het offer aan <strong>van</strong> het drinken <strong>van</strong> het<br />
vuile water. Dat water was inderdaad smerig. Veel mensen wasten<br />
er hun kleren in en ook dieren gingen er in drinken en baden.<br />
Vandaar dat mijn moeder zo verstandig was haar kinderen af te<br />
raden daar<strong>van</strong> te drinken.<br />
Andere keren zei Jacinta:<br />
– Onze Lieve Heer is vast wel tevreden met onze offers<br />
want ik heb toch zo’n dorst! Maar ik drink niet. Ik wil lijden uit<br />
liefde voor hem.<br />
Op een dag zaten we in de deuropening <strong>van</strong> het huis <strong>van</strong><br />
mijn oom, toen we merkten dat verschillende mensen onze kant<br />
op kwamen. Zonder tijd te verliezen liepen Francisco en ik naar<br />
zijn kamer om ons onder zijn bed te verstoppen. Maar Jacinta zei:<br />
– Ik verstop me niet. Ik wil Onze Lieve Heer dit offertje<br />
brengen.<br />
Die mensen kwamen, spraken met haar en zochten intussen<br />
naar mij. Op het laatst gingen ze maar weg. Ik kwam uit mijn<br />
schuilplaats en vroeg haar:<br />
– Wat zei je toen ze naar ons vroegen?<br />
– Ik heb geen antwoord gegeven. Ik heb mijn hoofd gebogen,<br />
naar de grond gekeken en niets gezegd. Zo doe ik altijd, als ik de<br />
waarheid niet wil zeggen. Liegen wil ik ook niet, want liegen is<br />
zonde.<br />
Inderdaad deed ze vaak zo en niemand hoefde nog iets te<br />
proberen, want er was op zo’n moment niets uit haar los te krijgen.<br />
In de regel waren we niet bereid dat soort offers te brengen, als<br />
we er aan konden ontsnappen.<br />
Een andere dag zaten we een paar stappen <strong>van</strong> hun huis af,<br />
in de schaduw <strong>van</strong> twee vijgenbomen die over de weg hingen.<br />
Francisco was een eindje verderop aan het spelen. Toen hij een<br />
paar dames op ons af zag komen, kwam hij ons daar snel <strong>van</strong> op<br />
de hoogte brengen. Omdat het in die tijd mode was om hoeden te<br />
dragen met een rand zo groot als een zeef, dachten wij dat ze ons<br />
<strong>van</strong>achter die camouflage wel niet zouden zien. We klommen<br />
dus zonder meer in de vijgenbomen. Zo gauw de dames voorbij<br />
waren, daalden we omlaag en verstopten we ons haastig in een<br />
maïsveld.<br />
108
Die manier <strong>van</strong> doen, dat we ons zoveel mogelijk verborgen<br />
hielden, was ook een <strong>van</strong> de ergernissen <strong>van</strong> de pastoor. Hij<br />
klaagde er vooral over, dat we ons juist voor priesters verstopten.<br />
Dat was waar. De eerwaarde had gelijk. Maar <strong>van</strong> de andere kant,<br />
de priesters ondervroegen ons, bleven ons ondervragen en aan<br />
hun ondervragingen kwam geen eind. Wanneer we zagen dat we<br />
bij een priester waren, bereidden we er ons al op voor, een <strong>van</strong><br />
onze grootste offers te brengen.<br />
4. Tegenwerking <strong>van</strong> de regering<br />
Intussen nam de regering geen genoegen met het verloop<br />
<strong>van</strong> de gebeurtenissen. Op de plaats <strong>van</strong> de verschijningen waren<br />
een paar palen in de grond geslagen, in de vorm <strong>van</strong> een boog,<br />
met een paar lantaarns die door enkele mensen voortdurend<br />
brandend gehouden werden. Nu werden daar een paar mannen<br />
met een auto heen gestuurd met de opdracht de palen op te ruimen<br />
en de steeneik, waar de verschijningen zich hadden voorgedaan,<br />
om te hakken en achter de wagen aan weg te slepen. ’s Morgens<br />
deed het nieuws al snel de ronde. Maar hoe groot was mijn<br />
blijdschap toen ik zag dat de armzalige lieden in plaats <strong>van</strong> ‘onze’<br />
steeneik een <strong>van</strong> de eiken in de nabije omgeving hadden<br />
meegenomen! Ik vroeg Onze Lieve Vrouw om vergeving voor die<br />
arme mensen en bad voor hun bekering.<br />
Na een tijdje, op een dertiende mei –ik weet niet meer of het<br />
in 1918 of in 1919 was 29 – deed in de ochtend het nieuwtje de<br />
ronde dat in Fatima een afdeling <strong>van</strong> de ruiterij stond om de mensen<br />
te verhinderen naar de Cova da Iria te gaan. Iedereen kwam mij<br />
onthutst dat nieuws brengen en ze zeiden dat dit de laatste dag<br />
<strong>van</strong> mijn leven kon zijn. Zonder mij iets aan te trekken <strong>van</strong> wat er<br />
gezegd werd, ging ik op weg naar de kerk. Eenmaal in Fatima,<br />
liep ik tussen de paarden door die over het hele kerkplein verspreid<br />
stonden, ging de kerk binnen, woonde de Mis bij, opgedragen door<br />
een onbekende priester, en communiceerde. Na de dankzegging<br />
keerde ik in alle rust naar huis terug zonder dat iemand een woord<br />
tegen me gezegd had. Of ze mij niet gezien hadden of dat mijn<br />
persoontje hun niets interesseerde, ik weet het niet.<br />
29 Het was 13 mei 1920. Sommige data kan Lucia niet precies aangeven.<br />
109
Die middag ging ik, ondanks de aanhoudende berichten dat<br />
het leger moeite deed om iedereen weg te sturen, maar zonder<br />
resultaat, er ook heen om mijn rozenkrans te bidden. Onderweg<br />
sloot een groep vrouwen die uit andere plaatsen gekomen waren<br />
zich bij mij aan. Toen ik al dicht bij de plek was gekomen, reden<br />
twee militairen op onze groep af, duchtig de zweep over hun<br />
paarden slaand om ons in te halen. Bij ons gearriveerd, vroegen<br />
ze waar we heen gingen. Bij het horen <strong>van</strong> het dappere antwoord<br />
<strong>van</strong> de vrouwen, die geen angst toonden, sloegen ze op hun<br />
paarden alsof ze ons wilden vertrappen. De vrouwen zochten naar<br />
alle kanten een goed heenkomen en op zeker moment stond ik<br />
alleen tussen die twee ruiters. Ze vroegen hoe ik heette en zonder<br />
aarzelen zei ik het. Toen vroegen ze of ik dan die zieneres was. Ik<br />
antwoordde: ja. Ze bevalen mij toen in het midden <strong>van</strong> de straat<br />
te lopen, tussen de twee paarden in, en hun de weg naar Fatima<br />
te wijzen.<br />
In de buurt <strong>van</strong> de poel, die ik al eerder genoemd heb,<br />
ontmoette ik een arme vrouw die daar woonde, zoals ik ook al<br />
eerder vermeld heb. Zodra ze mij <strong>van</strong>af een zekere afstand zo<br />
tussen die paarden zag, liep ze naar het midden <strong>van</strong> de straat en,<br />
als een nieuwe Veronica, probeerde ze mij moed in te spreken.<br />
De soldaten dwongen haar onmiddellijk terug te gaan en de arme<br />
vrouw bleef luid jammerend, begaan met mijn lot, achter. Een<br />
beetje verderop vroegen ze me te blijven staan en ze vroegen of<br />
die vrouw mijn moeder was. Ik antwoordde: nee. Dat geloofden<br />
ze niet en ze vroegen of dat dan niet ons huis was. Weer zei ik<br />
<strong>van</strong> niet. Ik had de indruk dat ze het niet geloofden. Ze bevalen<br />
mij toen nog wat verder te gaan, tot aan het huis <strong>van</strong> mijn ouders.<br />
In de buurt <strong>van</strong> een kleine bron, een eindje <strong>van</strong> Aljustrel af, kreeg<br />
ik, toen ze daar een paar kuilen bij zagen, het bevel om te blijven<br />
staan. Misschien om me bang te maken, zeiden ze tegen elkaar:<br />
– Hier liggen een paar kuilen open. We hakken haar hoofd<br />
eraf en laten haar hier begraven achter. Zo is het voor eens en<br />
altijd afgelopen met dat hele gedoe.<br />
Bij het horen <strong>van</strong> dat gesprek dacht ik werkelijk dat mijn<br />
laatste uur geslagen had, maar ik bleef rustig, alsof het mij niet<br />
aan ging. Na een tijdje, waarin ze overleg schenen te plegen, zei<br />
de ander:<br />
– Nee, daar hebben we geen opdracht voor gekregen.<br />
110
En ze bevalen me verder te lopen. Zo ging het verder door<br />
ons kleine dorpje, tot we bij ons huis kwamen. Iedereen kwam<br />
naar de ramen en deuren om te zien wat er gebeurde. Sommigen<br />
lachten en spotten, anderen jammerden om mijn lot. Toen we bij<br />
ons huis waren gekomen, moest ik mijn vader en moeder roepen.<br />
Ze waren er niet. Een steeg af om te zien of ze zich verborgen<br />
hadden. Hij doorzocht het huis en verbood me die dag nog weg te<br />
gaan. Toen klom hij op zijn paard en ze verdwenen.<br />
In de namiddag ging het bericht dat de cavalerie zich had<br />
teruggetrokken, verdrongen door het volk. Tegen zonsondergang<br />
bad ik mijn rozenkrans in de Cova da Iria, vergezeld <strong>van</strong> honderden<br />
mensen. Later hoorde ik zeggen dat, toen ik zo als ge<strong>van</strong>gene<br />
door de straten liep, een paar mensen het aan mijn moeder waren<br />
gaan vertellen. Haar antwoord was:<br />
– Als Onze Lieve Vrouw haar echt verschenen is, zal zij<br />
haar wel bijstaan. Maar als ze liegt, dan is het goed dat ze gestraft<br />
wordt.<br />
En ze bleef rustig, als tevoren. Nu zou iemand mij misschien<br />
vragen:<br />
– En wat gebeurde er met Jacinta en Francisco in die tussen<br />
tijd?<br />
– Ik weet het niet. Ik herinner mij niets over hen op dat tijdstip.<br />
Het kan zijn dat hun ouders hen, in verband met wat zich afspeelde,<br />
die dag niet het huis uit hadden laten gaan.<br />
5. De moeder <strong>van</strong> Lucia wordt ernstig ziek<br />
De Heer moet wel tevreden zijn geweest over hoe ik mijn<br />
lijden doorstond, want nu bereidde hij mij een veel bitterder kelk<br />
voor, die hij mij weldra te drinken zou geven. Mijn moeder werd<br />
ernstig ziek, zo erg dat wij op zekere dag dachten dat zij dood zou<br />
gaan. Alle kinderen kwamen bij haar bed staan om haar laatste<br />
zegen te vragen en haar stervende hand te kussen. Omdat ik de<br />
jongste was, was ik als laatste aan de beurt. Toen moeder mij zag,<br />
leefde ze weer wat op. Ze sloeg haar armen om me heen en met<br />
een zucht riep ze uit:<br />
– Arm kind! Wat moet er <strong>van</strong> je terecht komen zonder<br />
moeder? Ik sterf met een hart vol pijn om jou.<br />
111
En terwijl ze in droevig snikken uitbarstte klemde ze me<br />
steeds vaster tegen zich aan. Mijn oudste zus trok me bruusk <strong>van</strong><br />
haar weg en bracht me naar de keuken. Ik mocht niet meer <strong>van</strong><br />
haar in de kamer terug komen en ze zei:<br />
– Onze moeder sterft in droefheid door het verdriet dat jij<br />
haar hebt aangedaan.<br />
Ik knielde op de grond, leunde mijn hoofd op een bank en<br />
met een droefheid, zo diep als ik nog nooit had ondervonden,<br />
droeg ik mijn offer aan de goede God op. Enkele ogenblikken<br />
later kwamen mijn beide oudste zussen, die geen enkele hoop<br />
meer hadden, bij mij terug en zeiden:<br />
– Lucia, als jij echt Onze Lieve Vrouw gezien hebt, ga dan<br />
onmiddellijk naar de Cova da Iria en bid haar dat ze moeder<br />
geneest. Je mag haar beloven wat je maar wil en wij zullen het<br />
doen. Ook zullen we dan geloven.<br />
Zonder me een ogenblik te bedenken ging ik op weg. Om<br />
niet gezien te worden, volgde ik een paar paadjes door de<br />
weilanden, terwijl ik onderweg een rozenhoedje bad. Ik deed mijn<br />
verzoek aan de Allerheiligste Maagd. Daar luchtte ik in tranen<br />
mijn verdriet en ging naar huis terug, gesterkt door de hoop dat<br />
mijn lieve Moeder in de hemel mij de gezondheid <strong>van</strong> mijn moeder<br />
op aarde zou geven. Toen ik thuis kwam, voelde moeder zich al<br />
wat beter en na drie dagen kon ze al het werk in huis weer doen.<br />
Ik had aan de Allerheiligste Maagd beloofd dat ik, als zij me<br />
gaf wat ik vroeg, daar negen achtereenvolgende dagen met mijn<br />
zussen het rozenhoedje zou komen bidden en dat ik op mijn knieën<br />
<strong>van</strong>af de straat tot aan de voet <strong>van</strong> haar steeneik zou kruipen, en<br />
dat ik op de laatste dag negen arme kinderen zou meenemen en<br />
hun daarna een avondmaal zou geven. We gingen mijn belofte<br />
vervullen, met mijn moeder erbij, die zei:<br />
– Wat raar! Onze Lieve Vrouw heeft mij genezen, maar het<br />
is net of ik nog ongelovig ben. Ik begrijp er niets <strong>van</strong>!<br />
6. De dood <strong>van</strong> haar vader<br />
De goede God schonk me deze vertroosting, maar hij klopte<br />
weer aan mijn deur met een ander offer, niet minder groot. Mijn<br />
vader was een gezond en sterk man, die niet wist wat hoofdpijn<br />
was. En in nog geen 24 uur rukte een dubbele longontsteking hem<br />
112
<strong>van</strong> ons weg naar de eeuwigheid 30 . Ik was zo verdrietig, dat ik<br />
dacht dat ik ook zou sterven. Hij was de enige die zich steeds mijn<br />
vriend had getoond en de enige die mij bij discussies tegen mij, in<br />
het gezin, altijd verdedigde.<br />
– O God! O God!, kreunde ik in de stilte <strong>van</strong> mijn kamer, ik<br />
had nooit gedacht dat u mij zoveel leed zou laten meemaken!<br />
Maar ik doorsta het uit liefde tot u, tot eerherstel voor de zonden<br />
tegen het Allerheiligst Hart <strong>van</strong> Maria, voor de H.Vader en voor de<br />
bekering <strong>van</strong> de zondaars.<br />
7. Ziekte <strong>van</strong> Jacinta en Francisco<br />
In die tijd werden ook Francisco en Jacinta erger ziek 31 . Soms<br />
zei Jacinta tegen mij:<br />
– Wat heb ik een pijn in mijn borst! Maar ik zeg er niets <strong>van</strong><br />
tegen mama. Ik wil het verdragen voor Onze Lieve Heer, voor de<br />
uitboeting <strong>van</strong> de zonden tegen het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria,<br />
voor de H.Vader en voor de bekering <strong>van</strong> de zondaars.<br />
Toen ik op een ochtend bij haar kwam vroeg ze:<br />
– Hoeveel offers heb jij <strong>van</strong>nacht aan Onze Lieve Heer<br />
gebracht?<br />
– Drie. Ik ben drie keer uit bed gegaan om het gebed <strong>van</strong> de<br />
engel te bidden.<br />
– O, ik heb er heel veel gebracht. Hoeveel, weet ik niet want<br />
ik had veel pijn, maar ik heb niet geklaagd.<br />
Francisco was zwijgzamer. Meestal deed hij alles wat hij<br />
ons zag doen, maar zelden kwam hij met een eigen voorstel. Op<br />
zijn ziekbed leed hij met heldhaftig geduld, zonder ooit een zucht<br />
of ook maar de minste klacht te uiten. Op zekere dag, kort voor<br />
zijn dood, vroeg ik hem:<br />
– Francisco, heb je veel pijn?<br />
– Ja, maar ik draag het uit liefde tot Onze Lieve Heer en<br />
Onze Lieve Vrouw .<br />
Op een dag gaf hij mij het touw, waar ik al over gesproken<br />
heb, en hij zei:<br />
30 De vader <strong>van</strong> Lucia stierf op 31 juli 1919.<br />
31 Francisco en Jacinta werden ongeveer tegelijkertijd ziek, eind oktober 1918.<br />
113
– Hier, neem het mee voordat mama het ziet. Ik ben nu niet<br />
meer in staat om het om mijn middel te dragen.<br />
Alles wat zijn moeder hem bracht, nam hij in en ik kwam<br />
niet te weten of hem iets tegenstond.<br />
Zo bereikte hij de gelukkige dag om naar de hemel te gaan 32 .<br />
Op de laatste avond voor zijn dood zei hij tegen mij en zijn zusje:<br />
– Ik ga naar de hemel, maar daar zal ik zeker aan Onze<br />
Lieve Vrouw en Onze Lieve Heer vragen of zij jullie ook vlug komen<br />
halen.<br />
Ik dacht dat ik in het geschrift over Jacinta al geschreven<br />
heb hoe zwaar die scheiding ons viel. Daarom zal ik dat hier niet<br />
nog eens schrijven.<br />
Jacinta bleef dus nog, maar was al ziek, wat steeds erger<br />
werd. Ik zal daar verder niet over schrijven want dat heb ik al<br />
eerder gedaan. Ik wil alleen nog een of andere daad <strong>van</strong> deugd<br />
vermelden, die ik haar heb zien doen en waar<strong>van</strong> ik denk dat ik<br />
hem nog niet beschreven heb.<br />
Haar moeder wist hoe melk haar tegenstond. Op een dag<br />
bracht ze haar, bij de melk, een mooie tros druiven.<br />
– Jacinta, zei ze, kijk eens, hier. Als je de melk niet lust, eet<br />
dan de druiven maar.<br />
– Nee, mama, ik wil de druiven niet, neem die maar mee<br />
terug. Geef me liever de melk. Die drink ik op.<br />
En zonder de minste tegenzin dronk zij het op. Tevreden<br />
ging mijn tante weg, in de veronderstelling dat de afkeer <strong>van</strong> melk<br />
aan het verdwijnen was. Daarna keek Jacinta naar mij en zei:<br />
– Ik had toch zo’n trek in die druiven! En die melk stond me<br />
zó tegen. Maar ik wilde dat offertje brengen aan Onze Lieve Heer.<br />
Op een ochtend trof ik haar afgemat aan. Ik vroeg haar of<br />
ze zich slechter voelde.<br />
– Vannacht had ik heel veel pijn, zei ze, en ik wilde Onze<br />
Lieve Heer het offertje brengen om me in bed niet om te draaien.<br />
Daardoor heb ik geen oog dicht gedaan.<br />
Een andere keer zei ze me:<br />
32 Francisco stierf in het huis <strong>van</strong> zijn ouders, in Aljustrel, op 4 april 1919.<br />
114
– Als ik alleen ben, kom ik uit bed om de gebeden <strong>van</strong> de<br />
engel te bidden. Maar ik ben nu niet meer in staat om met mijn<br />
hoofd bij de grond te komen. Dan val ik om. Daarom bid ik alleen<br />
op mijn knieën.<br />
Ik had op zekere dag gelegenheid om even met mijnheer<br />
pastoor te praten en hij vroeg mij hoe het met Jacinta ging. Ik zei<br />
wat ik <strong>van</strong> haar toestand vond en ik vertelde hem ook, dat ze niet<br />
meer in staat was om met haar hoofd naar de grond te komen om<br />
te bidden. De eerwaarde vroeg me of ik tegen haar wilde zeggen,<br />
dat hij niet meer wilde dat zij nog haar bed uit ging om te bidden.<br />
Ze mocht alleen nog maar liggend bidden, voor zover ze dat kon,<br />
zonder zich te vermoeien. Bij de eerste gelegenheid bracht ik haar<br />
de boodschap over en ze vroeg:<br />
– Zal Onze Lieve Heer daarmee tevreden zijn?<br />
– Ja, zei ik, Onze Lieve Heer wil dat we doen wat mijnheer<br />
pastoor zegt.<br />
– Dan is het goed. Ik zal nooit meer opstaan.<br />
Als ik even tijd had ging ik altijd graag naar de Loca de<br />
Cabeço om in onze geliefde grot te bidden. Omdat Jacinta veel<br />
<strong>van</strong> bloemen hield, plukte ik op de terugweg lelies en pioenrozen,<br />
als die er waren. Ik gaf ze haar en zei:<br />
– Hier, ze komen <strong>van</strong> de Cabeço.<br />
Ze pakte ze aan en zei soms met tranen:<br />
– Ik zal daar nooit meer komen! En ook niet in de Valinhos<br />
en niet in de Cova da Iria! Ik heb daar zo’n heimwee naar!<br />
– Och, wat geeft dat, als je toch naar de hemel gaat en<br />
Onze Lieve Heer en Onze Lieve Vrouw gaat zien!<br />
– Ja, je hebt gelijk, zei ze.<br />
En dan was ze weer tevreden, pakte het boeket uit en telde<br />
<strong>van</strong> iedere bloem de blaadjes.<br />
Een paar dagen nadat ze ziek geworden was, gaf ze me het<br />
touw dat ze droeg en zei:<br />
– Bewaar jij het voor me. Ik ben bang dat mama het ziet. Als<br />
ik beter word, heb ik het graag weer terug.<br />
Dat touw had drie knopen en er zat wat bloed aan. Ik<br />
bewaarde het in het geheim totdat ik definitief uit het huis <strong>van</strong><br />
mijn moeder wegging. Omdat ik niet wist wat ik er mee moest<br />
doen, heb ik het toen samen met dat <strong>van</strong> haar broertje verbrand.<br />
115
8. Ook Lucia wordt ziek<br />
Verschillende mensen die <strong>van</strong> verderaf kwamen en zagen<br />
hoe bleek en geel ik er uit zag, vroegen aan mijn moeder of ze mij<br />
een paar dagen mee zouden kunnen nemen, in de mening dat de<br />
verandering <strong>van</strong> lucht mij goed zou doen. Met die bedoeling gaf<br />
mijn moeder toestemming en zo gebeurde het dat ik nu eens hier,<br />
dan weer daar een paar dagen logeerde.<br />
Op die reizen was het niet alleen achting en sympathie wat<br />
ik ondervond. Naast mensen die mij bewonderden en me als een<br />
heilige beschouwden, waren er altijd die mij beschimpten, mij<br />
huichelaarster, waarzegster en tovenares noemden. Het was de<br />
goede God, die zout in het eten deed opdat het niet zou bederven.<br />
En zo ging ik, dankzij de hulp <strong>van</strong> de goddelijke Voorzienigheid,<br />
door het vuur zonder me te verbranden en zonder kennis te maken<br />
met die worm <strong>van</strong> ijdelheid die meestal alles bederft. Bij die<br />
gelegenheid dacht ik: ze vergissen zich allemaal; ik ben niet heilig,<br />
zoals sommigen zeggen, en ook geen leugenaarster zoals anderen<br />
beweren. Alleen God weet wat ik ben.<br />
Wanneer ik dan terugkwam ging ik meteen naar Jacinta, die<br />
tegen me zei:<br />
– Lucia, ga toch niet meer weg, ik had je zo gemist! Sinds jij<br />
weg bent heb ik met niemand meer gepraat. Met de andere mensen<br />
kan ik niet praten.<br />
Tenslotte brak dan het moment aan dat zij naar Lissabon<br />
vertrok. Ons afscheid heb ik al beschreven, daarom doe ik dat<br />
hier niet nog eens. Wat was ik verdrietig, nu ik overal alleen voor<br />
stond. In zo korte tijd haalde God mijn lieve vader, daarna Francisco<br />
en nu Jacinta, die ik in deze wereld niet meer terug zou<br />
zien, bij me weg. Zo gauw ik er gelegenheid voor had, trok ik me<br />
terug in de Cabeço. Ik installeerde me in de grot <strong>van</strong> de rots om<br />
daar, alleen met God, mijn verdriet te luchten en al mijn tranen<br />
<strong>van</strong> droefheid te storten. Bij het afdalen <strong>van</strong> de helling herinnerde<br />
alles mij aan mijn geliefde makkertjes: stenen waarop we zo vaak<br />
hadden gezeten; bloemen die ik nu niet meer plukte omdat ik<br />
niemand had om ze aan te geven; de Valinhos waar we samen de<br />
vreugden <strong>van</strong> het paradijs hadden gesmaakt! Alsof ik de werkelijkheid<br />
niet kon geloven, liep ik op zekere dag, half verstrooid,<br />
het huis <strong>van</strong> mijn tante binnen. Ik ging naar de kamer <strong>van</strong> mijn<br />
116
nichtje en riep haar. Haar zusje Teresa hield me tegen en zei dat<br />
Jacinta er niet meer was.<br />
Kort daarop kwam het nieuws dat ze naar de hemel gevlogen<br />
was 33 . Haar lichaam werd daarna naar Vila Nova de Ourém<br />
gebracht. Mijn tante bracht me een keer mee daarheen, naar de<br />
stoffelijke resten <strong>van</strong> haar dochtertje, in de hoop dat het mij zou<br />
afleiden. Maar lange tijd leek ik alleen maar steeds verdrietiger te<br />
worden. Als het kerkhof open was, ging ik bij het graf <strong>van</strong> Francisco<br />
zitten, of bij dat <strong>van</strong> mijn vader en daar bleef ik uren zitten.<br />
Een tijdje later besloot mijn moeder naar Lissabon te gaan<br />
en mij mee te nemen. Door bemiddeling <strong>van</strong> Dr.Formigão nam<br />
een vrome vrouw ons bij haar in huis en bood aan mijn studie in<br />
een internaat te betalen, als ik blijven wilde. Mijn moeder en ik<br />
namen dankbaar het edelmoedige aanbod <strong>van</strong> die goedgeefse<br />
dame, Dona Assunção geheten, aan. Nadat mijn moeder de artsen<br />
had geraadpleegd en vernomen had dat ze moest worden geopereerd<br />
aan haar nieren, maar dat men niet voor haar leven kon<br />
instaan daar ze ook een hartkwaal had, ging ze naar huis terug.<br />
Mij liet zij onder de hoede <strong>van</strong> die dame achter. Toen alles al<br />
geregeld was en de dag was vastgesteld waarop ik naar het<br />
internaat zou gaan, werd ons gezegd dat de regering te weten<br />
was gekomen dat ik in Lissabon was en dat ik werd gezocht. Ik<br />
werd toen naar het huis <strong>van</strong> Dr.Formigão, in Santarém, gebracht.<br />
Daar bleef ik een paar dagen verborgen. Ik mocht zelfs niet naar<br />
de H.Mis. Tenslotte bracht de zus <strong>van</strong> de eerwaarde mij naar het<br />
huis <strong>van</strong> mijn moeder. Zij beloofde dat zij zou regelen dat ik naar<br />
een internaat <strong>van</strong> de zusters Dorothea’s, in Spanje, kon gaan. Zo<br />
gauw alles voor elkaar was, zou ik gehaald worden. Al die wederwaardigheden<br />
gaven me een beetje afleiding en dat drukkende<br />
verdriet ging over.<br />
9. Eerste onderhoud met de bisschop<br />
Omstreeks die tijd kwam u, Excellentie, naar Leiria 34 en de<br />
goede God vertrouwde een arme kudde, die al vele jaren zonder<br />
33 Jacinta stierf in Lissabon, in het ziekenhuis Dona Estefânia, op 20 februari<br />
1920 om ongeveer 22.30 uur.<br />
34 De nieuwe bisschop, D. José Alves Correia da Silva kwam op 5 augustus<br />
1920 in het bisdom.<br />
117
herder zat, aan uw zorgen toe. Net als al eens eerder gebeurd<br />
was met een eerwaarde, waren er ook nu heel wat mensen die mij<br />
bang probeerden te maken met de komst <strong>van</strong> de nieuwe bisschop.<br />
Ze zeiden namelijk dat u alles al wist en dat u tot in het diepst <strong>van</strong><br />
iemands ziel kon doordringen en raden wat er in iemands geweten<br />
omging en dat u nu al mijn oplichterij zou ontdekken. Verre <strong>van</strong><br />
bang te worden, verlangde ik vurig met u te kunnen spreken en ik<br />
dacht: als hij echt alles weet, dan weet hij ook dat ik de waarheid<br />
spreek.<br />
Zo gauw een vriendelijke dame uit Leiria aanbood mij naar<br />
u toe te brengen, nam ik dat aanbod dus aan en wachtte het<br />
gelukkige moment af. Eindelijk kwam de dag. Eenmaal bij het<br />
paleis, werd ik samen met die dame een zaal binnen gebracht en<br />
gevraagd een ogenblikje te wachten. Even later kwam uw<br />
secretaris 35 binnen. Heel vriendelijk praatte hij even met Dona<br />
Gilda, de dame die bij mij was, en <strong>van</strong> tijd tot tijd stelde hij een<br />
paar vragen aan mij. Omdat ik al twee keer bij die eerwaarde had<br />
gebiecht, kende ik hem al en vond ik het een plezierig gesprek.<br />
Even later kwam Dr.Marques <strong>dos</strong> Santos 36 . Hij droeg schoenen<br />
met gespen en had een ruime cape om. Het was de eerste keer<br />
dat ik een priester zo gekleed zag en daarom viel het me meer<br />
op. Toen begon hij met zijn repertoire <strong>van</strong> vragen, waar geen eind<br />
aan leek te komen. Af en toe lachte hij, wat iets weg had <strong>van</strong> spot<br />
over mijn antwoorden. Het moment <strong>van</strong> spreken met de bisschop<br />
leek maar niet te komen. Eindelijk kwam uw secretaris weer en<br />
zei tegen de dame die bij mij was dat zij, als de bisschop kwam,<br />
zich moest verontschuldigen en zeggen dat zij een paar boodschappen<br />
moest doen en zich terugtrekken. Want het zou kunnen,<br />
dat de bisschop het een en ander met mij alleen wilde bespreken.<br />
Bij het horen <strong>van</strong> dat bericht, was ik dolblij, want ik dacht: de<br />
bisschop weet toch al alles en zal dus wel niet veel vragen stellen,<br />
omdat hij alleen met mij is. Prima toch!<br />
De goede dame wist heel goed hoe zij het spelen moest,<br />
toen u binnenkwam. Ik had dus het geluk met u alleen te praten.<br />
Wat er in dat onderhoud besproken werd hoef ik u niet te vertellen,<br />
35 Pater Augusto de Sousa Maia (overleden in 1959).<br />
36 Mgr Manuel Marques <strong>dos</strong> Santos (1892-1971).<br />
118
want u zult het zich beter herinneren dan ik. Inderdaad, toen ik<br />
zag dat u mij zo vriendelijk ontving, met als enige interesse het<br />
heil <strong>van</strong> mijn ziel en bereid te zorgen voor het arme schaapje dat<br />
de Heer u had toevertrouwd, was ik er meer dan ooit <strong>van</strong> overtuigd<br />
dat u alles wist. Ik aarzelde dan ook geen moment om mij aan uw<br />
zorgen toe te vertrouwen. De voorwaarden die u daartoe had opgelegd<br />
waren niet moeilijk voor mij: ik mocht aan niemand zeggen<br />
wat u met mij besproken had en ik moest een lief kind zijn. Zo<br />
hield ik mijn geheim voor me tot op de dag dat u mij liet weten de<br />
toestemming <strong>van</strong> mijn moeder te vragen.<br />
10. Afscheid <strong>van</strong> Fatima<br />
Eindelijk werd de dag <strong>van</strong> mijn vertrek vastgesteld. Op de<br />
laatste avond ervóór nam ik, terneergeslagen <strong>van</strong> heimwee,<br />
afscheid <strong>van</strong> al die dierbare plaatsen, met de zekerheid dat ik er<br />
nooit meer zou komen: de Cabeço, de Rocha, de Valinhos, de<br />
parochiekerk waar de goede God het werk <strong>van</strong> zijn barmhartigheid<br />
begonnen was, en het kerkhof waar ik de dierbare resten achter<br />
liet <strong>van</strong> mijn lieve vader en Francisco, die ik nog niet had kunnen<br />
vergeten. Van onze put nam ik afscheid toen hij al door de vale<br />
schijn <strong>van</strong> de maan werd verlicht. Ook <strong>van</strong> het oude erf, waar ik<br />
zo vaak lange uren had doorgebracht met te staren naar de mooie<br />
sterrenhemel en <strong>van</strong> de pracht <strong>van</strong> de zons op- en ondergang, die<br />
ik op z’n mooist vond wanneer de dauwdruppels de bergen<br />
bedekten als parels. Ook bewonderde ik er soms de sneeuwvlokken<br />
als ze overdag neervielen of <strong>van</strong> de pijnbomen afhingen. Al die<br />
dingen deden mij denken aan de schoonheid <strong>van</strong> het paradijs.<br />
De volgende dag, ’t was nog pas twee uur in de nacht, vertrok<br />
ik zonder <strong>van</strong> iemand afscheid te hebben genomen 37 , in gezelschap<br />
<strong>van</strong> mijn moeder en een eenvoudige werkman, Manuel Correia,<br />
die naar Leiria moest reizen. Mijn geheim had ik niet verbroken.<br />
We begaven ons naar de Cova da Iria om daar mijn laatste afscheid<br />
te nemen. Ik bad er voor de laatste keer mijn rozenhoedje. Nog<br />
één keer keek ik achterom, als een laatste vaarwel.<br />
37 Lucia vetrok uit Aljustrel in de vroege ochtend <strong>van</strong> 16 juni 1921 en kwam<br />
enkele uren later in Leiria aan. Vandaar reisde zij verder naar het college<br />
<strong>van</strong> Porto, waar zij de volgende morgen aankwam.<br />
119
Om negen uur in de ochtend kwamen we in Leiria aan. Daar<br />
ontmoette ik Dona Filomena Miranda, later mijn peettante bij het<br />
vormsel, die u had aangewezen om met mij mee te gaan. Om<br />
twee uur in de middag vertrok de trein. Het moment om, op het<br />
station, afscheid <strong>van</strong> mijn moeder te nemen was aangebroken.<br />
Ze bleef achter in een vloed <strong>van</strong> tranen, overmand door het verdriet<br />
<strong>van</strong> de scheiding. De trein vertrok en daarmee mijn arme hart,<br />
gedompeld in een zee <strong>van</strong> heimwee en herinneringen die ik<br />
onmogelijk kon loslaten.<br />
120<br />
NAWOORD<br />
Excellentie, ik denk dat ik de mooiste bloem <strong>van</strong> mijn kleine<br />
tuin heb geplukt, om haar neer te leggen in de barmhartige handen<br />
<strong>van</strong> de goede God, door u vertegenwoordigd, en ik vraag hem er<br />
vrucht uit te mogen trekken voor een overvloedige oogst <strong>van</strong> zielen<br />
voor het eeuwige leven. En omdat de goede God houdt <strong>van</strong> nederige<br />
gehoorzaamheid <strong>van</strong> de laagste <strong>van</strong> zijn schepselen, eindig<br />
ik met de woorden <strong>van</strong> haar, die hij mij in zijn oneindige goedheid<br />
heeft geschonken als Moeder, Beschermster en Model, woorden<br />
waarmee ik begonnen ben: “Ziehier, de dienstmaagd <strong>van</strong> de Heer”.<br />
Moge hij zich <strong>van</strong> haar blijven bedienen, zoals het hem behaagt!<br />
1. Nog een paar bijzonderheden over Jacinta<br />
P.S. ik heb vergeten te zeggen dat Jacinta, toen ze naar het<br />
ziekenhuis <strong>van</strong> Vila Nova de Ourém ging, wist dat ze er niet zou<br />
genezen, maar alleen zou lijden. Lang voordat er sprake was <strong>van</strong><br />
het feit dat ze naar Vila Nova de Ourém zou gaan, zei ze op een<br />
dag:<br />
– Onze Lieve Vrouw wil dat ik naar twee ziekenhuizen ga,<br />
maar niet om te genezen, maar om meer te lijden uit liefde voor<br />
Onze Lieve Heer en voor de zondaars.<br />
De letterlijke woorden <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw bij die<br />
verschijningen aan haar alleen ken ik niet omdat ik ze haar nooit<br />
heb gevraagd. Ik vond het genoeg, om alleen die losse zinnen te<br />
noteren die ze tegen me zei.<br />
In dit schrijven heb ik geprobeerd niet te herhalen wat ik al<br />
in het vorige had verteld, om het niet te lang te maken.
2. Aantrekkingskracht <strong>van</strong> Lucia<br />
Dit geschrift kan misschien de indruk wekken dat ik in mijn<br />
dorp weinig vriendschap of genegenheid ondervond. Dat zou niet<br />
juist zijn. Er was een uitverkoren groepje <strong>van</strong> de kudde <strong>van</strong> de<br />
Heer, dat voor mij een uitzonderlijke sympathie toonde: dat waren<br />
de kinderen. In dolle blijdschap liepen ze achter mij aan. En als ze<br />
wisten dat ik mijn kudde aan het hoeden was in de buurt <strong>van</strong> ons<br />
dorpje, kwamen ze in groepen naar me toe om die dag bij mij te<br />
zijn. Mijn moeder zei vaak:<br />
– Ik weet niet wat in jou zo aantrekt, de kinderen lopen achter<br />
je aan alsof ze naar een feest gaan!<br />
Soms voelde ik me niet op mijn gemak, tussen zoveel lawaai<br />
en daarom probeerde ik me dan te verstoppen.<br />
Datzelfde overkwam mij in Vilar en ik zou bijna zeggen, dat<br />
overkomt me nog met mijn zusters in het klooster. Een paar jaar<br />
geleden zei de eerwaarde Moeder, nu Provinciaal Overste 38 nog<br />
tegen mij:<br />
– <strong>Zuster</strong>, u hebt zo’n goede invloed op de zusters, dat u hun<br />
als u wilt, veel goed kan doen.<br />
En kortgeleden zei de eerw. Moeder <strong>van</strong> Ponte Vedra 39 tegen<br />
me:<br />
– <strong>Zuster</strong>, voor een deel bent u bij de Heer verantwoordelijk<br />
voor de ijver of nalatigheid <strong>van</strong> de zusters in de naleving <strong>van</strong> de<br />
regel. Want in de ontspanningstijd groeit of verslapt de ijver en in<br />
die tijd doen zij na wat u doet. Door het een of andere onderwerp<br />
dat u tijdens de recreatie aansneed, hebben verschillende zusters<br />
nu een duidelijker begrip <strong>van</strong> de regel en besloten ze hem nauwkeuriger<br />
te onderhouden.<br />
Wat heeft dat te betekenen? Ik weet het niet. Misschien nog<br />
een geldstuk dat God mij wilde toevertrouwen en waarover hij<br />
later rekenschap zal vragen. Moge ik hem dan, na ermee gewerkt<br />
te hebben, het duizendvoudige kunnen teruggeven!<br />
38 M.Maria do Carmo Corte Real.<br />
39 M. Carmen Refojo, overste in Ponte Vedra.<br />
121
3. Goed geheugen <strong>van</strong> de zieneres<br />
Misschien vraagt iemand zich af: hoe kan die zuster zich<br />
dat allemaal herinneren? Wel, dat weet ik niet. De goede God<br />
heeft mij dat vermogen om zich de dingen goed te herinneren<br />
gegeven zoals hij dat wil. Alleen hij weet de reden. Overigens lijkt<br />
het me, dat wij het verschil tussen de bovennatuurlijke en de<br />
natuurlijke gaven niet uit het oog moeten verliezen. Wanneer we<br />
over natuurlijke zaken praten vervaagt en vergeten we wat we<br />
zeggen. Maar die andere zaken prenten zich, in de mate waarin<br />
we ze zien of horen, zo diep in onze ziel dat wij ze niet gemakkelijk<br />
vergeten.<br />
122
DERDE HERINNERING<br />
Inleiding<br />
Zoals we gezien hebben, waren de twee eerste <strong>Herinneringen</strong><br />
tot stand gekomen naar suggesties <strong>van</strong> de bisschop <strong>van</strong> Leiria en <strong>van</strong><br />
pater Fonseca. Ook deze keer ging het initiatief niet uit <strong>van</strong> Lucia. De<br />
aanleiding was het volgende: Het boek Jacinta had tussen mei en<br />
oktober 1938 twee edities. Bij het naderen <strong>van</strong> het jubileumjaar 1942<br />
werd over een nieuwe uitgave gedacht. Ook nu weer dacht men dat<br />
Lucia een substantiële bijdrage kon leveren.<br />
De bisschop, Dom José, kondigde Lucia het bezoek aan <strong>van</strong><br />
Dr.Galamba. Die wilde haar nog enkele vragen stellen over het leven<br />
<strong>van</strong> Jacinta. Lucia was er<strong>van</strong> doordrongen dat het, om inzicht te geven<br />
in het geestelijk leven <strong>van</strong> Jacinta, nodig was nu de eerste twee delen<br />
<strong>van</strong> het geheim <strong>van</strong> juni 1917 mee te delen. Zij besefte dat zij, alvorens<br />
verder te gaan met schrijven over het leven <strong>van</strong> Jacinta, eerst over die<br />
twee eerste delen moest schrijven.<br />
De ontmoeting <strong>van</strong> Dr.Galamba met zuster Lucia had bij die<br />
gelegenheid niet plaats gevonden, maar toch werkte Lucia al <strong>van</strong>af<br />
eind juli, de datum waarop zij de aankondiging <strong>van</strong> de bisschop had<br />
ont<strong>van</strong>gen, aan haar geschrift. Op 31 augustus is zij daarmee klaar<br />
en zij stuurt het onmiddellijk naar de bisschop <strong>van</strong> Leiria. Behalve naast<br />
wat zuster Lucia in het voorwoord <strong>van</strong> dat geschrift zegt, is vermeldenswaard<br />
wat zij schrijft in een brief aan Pater Gonçalves: “Excellentie<br />
kondigde in een brief de ondervraging aan door Dr.Galamba en vroeg<br />
me om nog resterende herinneringen met betrekking tot Jacinta, met<br />
het oog op een nieuwe utgave <strong>van</strong> het boek “Jacinta”. Dat verzoek is<br />
me uit het hart gegrepen en is voor mij een lichtstraal die me zegt, dat<br />
het ogenblik is aangebroken om de twee eerste delen <strong>van</strong> het geheim<br />
mee te delen en zo aan de nieuwe editie twee hoofdstukken toe te<br />
voegen: één over de hel en een tweede over het Onbevlekt Hart <strong>van</strong><br />
Maria. Maar het staat me tegen om het geheim openbaar te maken<br />
en daardoor twijfel ik toch nog. Ik heb wel al aantekeningen gemaakt,<br />
maar zal ik ze afstaan of in de kachel gooien? Ik weet niet wat ik zal<br />
doen”.<br />
We zien dat Lucia ook deze Herinnering schrijft in dezelfde<br />
gesteltenis als de vorige: enerzijds met grote tegenzin, anderzijds in<br />
volledige gehoorzaamheid, in het vertrouwen dat “zijn glorie en het<br />
heil <strong>van</strong> de zielen ermee gemoeid zijn”.<br />
123
124<br />
VOORWOORD<br />
J.M.J.,<br />
Excellentie,<br />
In gehoorzaamheid aan de opdracht die u mij in uw brief<br />
<strong>van</strong> 26 juli 1941 heeft gegeven, namelijk om na te denken over<br />
en op te schrijven wat ik mij nog meer <strong>van</strong> Jacinta kan herinneren,<br />
meen ik dat in deze opdracht God tot mij gesproken heeft en dat<br />
het ogenblik is aangebroken antwoord te geven op twee vragen<br />
die me dikwijls gesteld zijn en waarop ik het antwoord alsmaar<br />
heb uitgesteld.<br />
Ik denk dat God en het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria graag<br />
hebben dat in het boek ‘Jacinta’ een hoofdstuk over de hel en een<br />
paar dingen over het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria worden in gelast1 .<br />
U vindt deze gedachte <strong>van</strong> mij vast een beetje raar maar hij komt<br />
niet <strong>van</strong> mij. En God zal u laten zien dat zijn glorie en het heil <strong>van</strong><br />
de zielen ermee gebaat zijn.<br />
Ik zal daarom iets moeten zeggen over het geheim en<br />
antwoord moeten geven op het eerste punt <strong>van</strong> de vragenlijst.<br />
1. Wat is het geheim?<br />
Wat is het geheim?<br />
Het lijkt mij dat ik het nu mag zeggen omdat de hemel mij<br />
daar toestemming voor heeft gegeven. De vertegenwoordigers<br />
<strong>van</strong> God op aarde hebben mij daartoe verschillende malen en in<br />
verschillende brieven toestemming gegeven. Een <strong>van</strong> die brieven<br />
is volgens mij in uw bezit, namelijk die <strong>van</strong> de heer pater José<br />
Bernardo Gonçalves 2 en hij vraagt mij daarin aan de H.Vader te<br />
schrijven 3 . Een <strong>van</strong> de punten die hij mij vroeg was het bekend<br />
maken <strong>van</strong> het geheim. Ik heb er iets <strong>van</strong> gezegd, maar om een<br />
schrijven dat kort moest zijn niet al te lang te maken, beperkte ik<br />
1 In feite werden deze hoofdstukken niet opgenomen in de tweede druk<br />
(oktober 1938), maar in de derde (1942).<br />
2 P. José Bernardo Gonçalves was een <strong>van</strong> de geestelijk leidsmannen <strong>van</strong><br />
Lucia (hij overleed in 1966).<br />
3 De brief naar paus Pius XII werd verstuurd op 2 december 1940.
me tot het allerbelangrijkste en liet een geschikter tijdstip over<br />
aan God.<br />
In mijn tweede geschrift heb al gesproken over de twijfel,<br />
die mij kwelde tussen dertien juni en dertien juli en die bij die<br />
laatste verschijning volledig <strong>van</strong> mij afviel.<br />
2. Het visioen <strong>van</strong> de hel<br />
Wel, het geheim bestaat uit drie aparte delen, waar<strong>van</strong> ik er<br />
nu twee ga meedelen 4 .<br />
Het eerste geheim dan was de aanblik <strong>van</strong> de hel 5 !<br />
Onze Lieve Vrouw liet ons een grote vuurzee zien, die onder<br />
de aarde leek te zijn. En in dat vuur ondergedompeld: de duivels<br />
en de zielen, alsof het doorschijnende zwarte en donkerbruine<br />
gloeiende sintels waren met menselijke vormen die dreven in de<br />
vuurgloed en nu eens werden opgetild door de vlammen die uit<br />
henzelf met rookwolken opstegen, dan weer naar alle kanten<br />
neervielen, als vonken bij een grote brand, zonder gewicht of<br />
houvast. Dat alles ging gepaard met kreten en kreunen <strong>van</strong> pijn<br />
en wanhoop, wat ons deed huiveren en rillen <strong>van</strong> ontzetting. De<br />
duivels onderscheidden zich <strong>van</strong> de zielen door hun afschuwelijke,<br />
weerzinwekkende vormen <strong>van</strong> vreemde angstaanjagende dieren.<br />
Zij waren doorzichtig en zwart. Deze aanblik duurde maar een<br />
moment en we waren blij dat onze goede Moeder in de hemel ons<br />
<strong>van</strong> tevoren al had gerustgesteld met de belofte ons naar de hemel<br />
te halen ( bij de eerste verschijning)! Was dat niet zo, dan waren<br />
we geloof ik <strong>van</strong> angst en ontzetting gestorven.<br />
Daarna richtten wij onze ogen naar Onze Lieve Vrouw, die<br />
met goedheid en droefheid tegen ons zei:<br />
– Jullie hebben de hel gezien, waar de zielen <strong>van</strong> de arme<br />
zondaars heen gaan. Om ze te redden wil God de devotie tot mijn<br />
Onbevlekt Hart in de wereld verbreiden 6 . Als gedaan wordt wat ik<br />
4 Het gaat dus om één geheim, in drie delen. Hier beschrijft Lucia de eerste<br />
twee gedeeltes. Het derde deel, geschreven op 3 januari 1944, werd op 26<br />
juni 2000 gepubliceerd.<br />
5 Lucia beschrijft tot in details het visioen dat zij had <strong>van</strong> de hel.<br />
6 De grote belofte <strong>van</strong> de redding in de Boodschap <strong>van</strong> Fatima wordt vaak<br />
verbonden met de tussenkomst <strong>van</strong> het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria.<br />
125
jullie zeg, zullen veel zielen gered worden en zal er vrede komen.<br />
De oorlog zal ophouden 7 . Maar als de mensen niet ophouden God<br />
te beledigen, zal er tijdens het pontificaat <strong>van</strong> Pius XI 8 een tweede,<br />
nog ergere, beginnen. Wanneer jullie een nacht zien, verlicht door<br />
een onbekend licht, weet dan dat dit het grote teken 9 is dat God<br />
geeft, dat hij de wereld zal straffen om zijn misdaden, door middel<br />
<strong>van</strong> oorlog, honger en vervolgingen <strong>van</strong> de Kerk en de H.Vader.<br />
Om dat te verhinderen zal ik de toewijding <strong>van</strong> Rusland aan mijn<br />
Onbevlekt Hart en de communie tot eerherstel op de eerste<br />
zaterdagen komen vragen 10 . Als zal worden gedaan wat ik vraag,<br />
zal Rusland zich bekeren en zal er vrede zijn. Zo niet, dan zal het<br />
zijn dwalingen over de wereld verspreiden en oorlogen en<br />
vervolgingen veroorzaken. De goede mensen zullen gemarteld<br />
worden. De H.Vader zal veel te lijden hebben. Verschillende naties<br />
zullen vernietigd worden. Tenslotte zal mijn Onbevlekt Hart<br />
zegevieren. De H.Vader zal Rusland aan mij toewijden 11 , dat zich<br />
zal bekeren en de wereld zal een zekere tijd <strong>van</strong> vrede krijgen 12 .<br />
7 Het betreft de Eerste Wereldoorlog (1914-1918).<br />
8 Later bevestigde Lucia nog eens dat het Pius XI was. Op de tegenwerping<br />
dat het begin <strong>van</strong> de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) viel onder het<br />
pontificaat <strong>van</strong> paus Pius XII, antwoordde zij dat de bezetting <strong>van</strong> Oostenrijk<br />
het werkelijke begin <strong>van</strong> de oorlog was, nl. in 1938.<br />
9 Lucia meende dat het ‘buitengewone’ noorderlicht in de nacht <strong>van</strong> 25 op 26<br />
januari 1938, het teken <strong>van</strong> God was voor het begin <strong>van</strong> de oorlog.<br />
10 Deze ‘belofte’ ging in vervulling op 10 december 1925, toen Onze Lieve<br />
Vrouw aan Lucia verscheen in Pontevedra (zie bijvoegsel). Op 13 juni 1929<br />
vroeg zij, in een visioen in Tuy, aan Lucia de toewijding <strong>van</strong> Rusland aan<br />
haar Onbevlekt Hart.<br />
11 <strong>Zuster</strong> Lucia heeft persoonlijk verklaard dat de plechtige en universele<br />
toewijding die op 25 maart 1984 plaats vond, overeen kwam met wat Onze<br />
Lieve Vrouw wilde: “Ja, zoals Onze Lieve Vrouw het heeft gevraagd, is<br />
gebeurd, op de dag <strong>van</strong> 25 maart 1984” (brief <strong>van</strong> 8 november 1989 aan de<br />
H.Vader. Daarom heeft geen enkele discussie of later verzoek enige grond<br />
(zie bijvoegsel III, blz. 210).<br />
12 Aan deze belofte is geen voorwaarde verbonden; zij zal zeker in vervulling<br />
gaan. Maar de dag waarop dat zal gebeuren is ons niet bekend.<br />
126
3. Diepe indruk op Jacinta<br />
Excellentie, in de aantekeningen die ik u toestuurde na het<br />
lezen <strong>van</strong> het boek ‘Jacinta’ , heb ik u al gezegd dat zij diep onder<br />
de indruk was <strong>van</strong> enkele zaken die verband hielden met het<br />
geheim. Zo was het ook echt. De aanblik <strong>van</strong> de hel had zo’n diepe<br />
indruk op haar gemaakt, dat alle boetedoening en versterving haar<br />
niets leken als zij daarmee maar een paar zielen er<strong>van</strong> kon vrijwaren.<br />
Zo, nu kan ik antwoord geven op de tweede vraag die mij<br />
<strong>van</strong> verschillende kanten is gesteld:<br />
Hoe kon het dat Jacinta, zo klein nog, be<strong>van</strong>gen kon worden,<br />
en het ook begreep, door zo’n geest <strong>van</strong> versterving en boete?<br />
Het lijkt me dat dit in de eerste plaats kwam door een speciale<br />
genade die God haar door middel <strong>van</strong> het Onbevlekt Hart <strong>van</strong><br />
Maria toebedeelde. Ten tweede was het de aanblik <strong>van</strong> de hel en<br />
de verschrikkelijke toestand <strong>van</strong> de zielen die daarin terecht<br />
komen.<br />
Sommige mensen, zelfs vrome, willen niet met hun kinderen<br />
over de hel praten om ze niet bang te maken. Maar God heeft niet<br />
geaarzeld om hem aan drie kinderen te laten zien, <strong>van</strong> wie één<br />
nog pas zes jaar was en <strong>van</strong> wie hij wist dat ze zó versteld zou<br />
staan dat ze, ik zou haast zeggen, bijna <strong>van</strong> schrik stierf.<br />
Ze ging vaak peinzend op een steen of op de grond zitten<br />
en zei dan:<br />
– O, die hel, die hel! Wat heb ik te doen met die zielen die<br />
naar de hel gaan! En die mensen daarin, die als stukken hout<br />
levend in het vuur branden!<br />
En met bevende stem bad ze, geknield en met gevouwen<br />
handen, het gebed dat Onze Lieve Vrouw ons geleerd had:<br />
– O mijn Jezus, vergeef ons, bevrijd ons <strong>van</strong> het vuur <strong>van</strong><br />
de hel, breng alle zielen naar de hemel, vooral degenen die uw<br />
hulp het meest nodig hebben.<br />
Nu zal u, Excellentie, wel begrijpen dat de laatste woorden<br />
<strong>van</strong> dat gebed betrekking hebben, want die indruk kreeg ik, op de<br />
mensen die zich in groter gevaar bevinden of dichter bij hun<br />
verdoemenis.<br />
En lange tijd bleef Jacinta zo zitten, op haar knieën, en bad<br />
steeds maar weer hetzelfde gebed. Van tijd tot tijd riep ze mij of<br />
haar broertje alsof ze ontwaakte uit een droom:<br />
127
– Francisco, Francisco, zijn jullie ook mee aan het bidden?<br />
We moeten veel bidden om de zielen uit de hel te houden. Er<br />
gaan daar toch zóveel heen! Zoveel!<br />
Andere keren vroeg ze:<br />
– Waarom laat Onze Lieve Vrouw de hel niet zien aan de<br />
zondaars? Als ze die zouden zien, zouden ze geen zonden meer<br />
doen om er niet in te komen! Je moet tegen die Dame zeggen dat<br />
ze aan die mensen de hel moet laten zien (zij doelde op de mensen<br />
in de Cova da Iria tijdens de verschijning). Je zal zien, hoe ze zich<br />
dan bekeren.<br />
Daarna vroeg ze, een beetje ontevreden:<br />
– Waarom heb je niet aan Onze Lieve Vrouw gevraagd of<br />
ze de hel wilde laten zien aan die mensen?<br />
– Dat heb ik vergeten, antwoordde ik.<br />
– Ja, ik heb er zelf ook niet aan gedacht, zei ze met een<br />
bedroefde uitdrukking op haar gezicht.<br />
Soms ook vroeg ze:<br />
– Wat voor zonden doen die mensen, dat ze in de hel komen?<br />
– Ik weet het niet. Misschien de zonde om op zondag niet de<br />
H.Mis bij te wonen, of te stelen, vieze woorden zeggen, vloeken,<br />
zweren.<br />
– En gaan ze dan om één enkel woord naar de hel?<br />
– Ja, het is zonde…<br />
– Waarom houden ze hun mond niet en waarom gaan ze<br />
niet naar de H.Mis? Wat doen de zondaars me toch een verdriet!<br />
Kon ik ze de hel maar laten zien!<br />
Soms klemde ze zich plotseling aan mij vast en zei:<br />
– Ik ga naar de hemel. Maar jij blijft hier en je moet tegen<br />
alle mensen zeggen hoe de hel eruit ziet, zodat ze geen zonden<br />
meer doen en er niet in komen!<br />
Andere keren weer zei ze, na een poosje te hebben nagedacht:<br />
– Dat er toch zoveel mensen naar de hel gaan! Dat er zoveel<br />
in zijn!<br />
Om haar gerust te stellen zei ik:<br />
– Jij hoeft niet bang te zijn. Jij gaat naar de hemel.<br />
– Ja, ik kom er, zei ze rustig. Maar ik wou dat ook al die<br />
mensen erin kwamen. Wanneer zij uit versterving niet wilde eten,<br />
zei ik:<br />
128
– Jacinta, kom, eet nou toch!<br />
– Nee, ik breng dit offer voor de zondaars, die teveel eten.<br />
Toen zij op zekere dag, ze was al ziek, naar de Mis wilde<br />
gaan zei ik:<br />
– Jacinta, ga toch niet, dat kan je niet. Vandaag is het geen<br />
zondag!<br />
– Dat maakt niets uit. Ik ga in plaats <strong>van</strong> de zondaars, die<br />
niet eens op zondag gaan.<br />
Als ze toevallig <strong>van</strong> die woorden hoorde, die sommige<br />
mensen uit opschepperij schijnen te zeggen, bedekte ze haar<br />
gezicht met haar handen en zei:<br />
– Mijn God! Zouden die mensen niet weten dat ze voor zulke<br />
woorden naar de hel kunnen gaan? Mijn Jezus, vergeef het hun<br />
en bekeer ze. Ze weten echt niet dat ze hiermee God beledigen.<br />
Wat erg, Jezus! Ik bid voor hen.<br />
En dan zegde ze weer het gebed dat Onze Lieve Vrouw ons<br />
geleerd had:<br />
– O mijn Jezus, vergeef ons, enz…<br />
4. Nog een punt<br />
Nu schiet mij nog iets te binnen, Excellentie. Er werd mij<br />
soms gevraagd of Onze Lieve Vrouw niet bij een <strong>van</strong> haar<br />
verschijningen heeft uitgelegd welk soort zonden God het meest<br />
beledigen, want het schijnt dat Jacinta in Lissabon die <strong>van</strong> het<br />
vlees noemde 13 . Het is mogelijk, dat denk ik nu, dat zij, omdat het<br />
een <strong>van</strong> de vragen was die zij mij soms stelde, op het idee kwam<br />
om dat in Lissabon aan Onze Lieve Vrouw te vragen en dat dit<br />
toen het antwoord was dat zij kreeg.<br />
5. Het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria<br />
Wel, Excellentie, ik geloof dat ik hiermee voldoende het<br />
eerste deel <strong>van</strong> het geheim uit de doeken heb gedaan.<br />
13 Natuurlijk begreep Jacinta op haar leeftijd de betekenis <strong>van</strong> die zonde niet<br />
volledig. Maar dat sluit niet uit dat zij intuïtief het belang er<strong>van</strong> begrepen<br />
heeft.<br />
129
Het tweede gedeelte heeft betrekking op de devotie tot het<br />
Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria.<br />
In mijn tweede geschrift heb ik al gezegd, dat Onze Lieve<br />
Vrouw mij op 13 juni 1917 gezegd had dat ze mij nooit in de steek<br />
zou laten en dat haar Onbevlekt Hart mijn toevlucht zou zijn en<br />
de weg die me naar God zou leiden; en dat ze bij het uitspreken<br />
<strong>van</strong> die woorden haar handen opende, terwijl ze in ons binnenste<br />
de straling die <strong>van</strong> haar handen uitging, liet doordringen. Het lijkt<br />
mij dat die straling op die dag voornamelijk bedoeld was om in<br />
ons een bijzondere kennis en liefde voor het Onbevlekt Hart te<br />
storten 14 . Het lijkt mij dat zo ook de twee andere keren, God zelf<br />
en het mysterie <strong>van</strong> de Allerheiligste Drieëenheid, bedoeld waren.<br />
Sinds die dag voelden wij in ons hart een vuriger liefde tot het<br />
Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria. Van tijd tot tijd zei Jacinta tegen mij:<br />
– Die dame heeft gezegd dat haar Onbevlekt Hart je toevlucht<br />
en de weg die je naar God zal leiden, zal zijn. Vind je dat niet<br />
fantastisch? Ik houd verschrikkelijk veel <strong>van</strong> haar Hart! Het is zo<br />
goed!<br />
Toen Maria ons in juli, zoals ik al zei, bij het geheim meegedeeld<br />
had dat zij de devotie tot haar Onbevlekt Hart in de wereld<br />
wilde verbreiden en dat zij, om een toekomstige oorlog te<br />
vermijden, de toewijding <strong>van</strong> Rusland aan haar Onbevlekt Hart<br />
en de communies tot eerherstel op de eerste zaterdag kwam<br />
vragen, zei Jacinta, wanneer we daarover met elkaar praatten:<br />
– Wat jammer, dat ik niet mag communiceren tot eerherstel<br />
<strong>van</strong> de zonden, die bedreven zijn tegen het Onbevlekt Hart <strong>van</strong><br />
Maria!<br />
Ook heb ik al verteld dat Jacinta, uit de rij schietgebeden<br />
die wij <strong>van</strong> pater Cruz geleerd hadden, koos: ‘zoet Hart <strong>van</strong> Maria,<br />
wees mijn redding!’. En soms voegde ze er, als ze dit gezegd had,<br />
met die eenvoud die haar zo typeerde, aan toe:<br />
– Ik houd ontzettend veel <strong>van</strong> het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria!<br />
Het is het Hart <strong>van</strong> onze Moeder in de hemel! Vind jij het niet<br />
verschrikkelijk fijn om vaak te zeggen: zoet Hart <strong>van</strong> Maria, Onbevlekt<br />
Hart <strong>van</strong> Maria!? Ik doe het graag, heel graag!<br />
14 De liefde tot het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria was volgens Lucia als het ware<br />
een ‘ingestorte deugd’. Dit is alleen te verklaren als een buitengewone<br />
mystieke genade die zij kreeg.<br />
130
Soms zong ze, terwijl ze wilde bloemen plukte, op een wijsje<br />
dat ze op dat moment had bedacht:<br />
– Zoet Hart <strong>van</strong> Maria, wees mijn heil! Onbevlekt Hart <strong>van</strong><br />
Maria, bekeer de zondaars, bevrijd de zielen <strong>van</strong> de hel!<br />
6. Jacinta ziet de H.Vader<br />
Op een dag brachten we de rustpauze door bij de put <strong>van</strong><br />
mijn ouders. Jacinta ging op de stenen over de put zitten. Francisco<br />
en ik gingen wilde honing zoeken in de struiken die tegen een<br />
overhangende rots groeiden bij een riviertje. Na een poosje riep<br />
Jacinta mij:<br />
– Heb jij ook de H.Vader gezien?<br />
– Nee!<br />
– Ik weet niet hoe dat ging, maar ik zag de H.Vader in een<br />
heel groot huis. Huilend knielde hij voor een tafel, met zijn handen<br />
voor zijn gezicht. Buiten het huis stonden veel mensen en<br />
sommigen gooiden stenen naar hem; anderen vloekten en scholden<br />
hem uit 15 . Arme H.Vader! We moeten veel voor hem bidden.<br />
Ik heb al verteld dat op zekere dag twee priesters ons vroegen<br />
voor de paus te bidden en dat zij ons uitlegden wie de paus was.<br />
Later vroeg Jacinta mij:<br />
– Is dat dezelfde die ik heb zien huilen en die over wie de<br />
Dame met ons gesproken heeft in het geheim?<br />
– Ja, antwoordde ik.<br />
– Dan heeft die Dame hem zeker ook aan die priesters laten<br />
zien. Zie je wel? Ik heb me niet vergist. We moeten veel voor<br />
hem bidden.<br />
Een andere keer gingen we naar de Cabeço, de grot. Daar<br />
knielden we voorover om de gebeden <strong>van</strong> de engel te bidden. Na<br />
een poosje richtte Jacinta zich op en zei:<br />
15 Nu het derde deel <strong>van</strong> het geheim bekend is, is beter te begrijpen waarom<br />
Jacinta in haar visioenen de H.Vader herkende. Op 27 april 2000 vroeg<br />
Mgr Bertone aan Lucia of de voornaamste persoon <strong>van</strong> het visioen de<br />
paus was en zij antwoordde: “Wij wisten de naam <strong>van</strong> de paus niet. Onze<br />
Lieve Vrouw heeft ons niet de naam <strong>van</strong> de paus gezegd. Wij wisten niet of<br />
het Benedictus XV, Pius XII, Paulus VI of Johannes Paulus II was, maar<br />
het was de paus die leed en daardoor leden wij ook”. (Bijvoegsel III blz.224)<br />
131
– Zie jij ook al die straten, al die wegen en dat veld vol<br />
mensen, huilend <strong>van</strong> de honger omdat ze niets te eten hebben?<br />
En de H.Vader die in een kerk zit te bidden vóór het Onbevlekt<br />
Hart <strong>van</strong> Maria? En al die mensen die met hem mee bidden?<br />
Een paar dagen later vroeg ze:<br />
– Mag ik vertellen dat ik de H.Vader heb gezien en al die<br />
mensen?<br />
– Nee. Begrijp je niet dat dat een deel <strong>van</strong> het geheim is?<br />
Dat het op die manier meteen ontdekt wordt?<br />
– Goed, dan zeg ik niets.<br />
7. Visioenen <strong>van</strong> de oorlog<br />
Op zekere dag ging ik naar huis, om Jacinta een beetje<br />
gezelschap te houden. Ze zat rechtop in haar bed, ergens aan te<br />
denken.<br />
– Jacinta, waar denk je aan?<br />
– Aan de oorlog die komen gaat 16 . Zoveel mensen gaan dan<br />
dood! En ze gaan haast allemaal naar de hel! Veel huizen worden<br />
verwoest en veel priesters gedood. Ja, ik ga naar de hemel. En jij,<br />
wanneer jij dat licht ziet waar<strong>van</strong> de Dame zei dat het <strong>van</strong> tevoren<br />
komt, vlucht dan ook daarheen 17 !<br />
– Weet je niet dat je daar niet heen kan vluchten?<br />
– O ja, dat kan niet. Maar je hoeft niet bang te zijn want ik<br />
zal in de hemel veel voor je bidden, ook voor de H.Vader, voor<br />
Portugal, dat hier geen oorlog komt 18 , en voor alle priesters.<br />
U weet, Excellentie, hoe God een paar jaar geleden dit teken<br />
liet zien, dat de astronomen het noorderlicht noemden 19 . Ik weet<br />
het niet. Mij lijkt dat ze, als ze het precies nagaan, zullen zien dat<br />
het op de wijze waarop het gebeurde niet het noorderlicht was en<br />
het ook niet kon zijn. Maar hoe dan ook, God bediende zich er<strong>van</strong><br />
om mij te laten begrijpen dat zijn gerechtigheid klaar stond om de<br />
16 Namelijk de Tweede Wereldoorlog. Op mystieke wijze beleefde Jacinta<br />
dus dit deel <strong>van</strong> het geheim.<br />
17 Lucia wil hiermee aangeven hoe diep de kleine Jacinta onder de indruk<br />
was <strong>van</strong> deze visioenen.<br />
18 Ondanks grote gevaren bleef Portugal in de Tweede Wereldoorlog gespaard.<br />
19 Vgl. voetnoot nr. 9, blz.126.<br />
132
straf over de schuldige natie uit te storten. Daarom begon ik met<br />
aandrang te vragen om de communies tot eerherstel op de eerste<br />
zaterdagen en de toewijding <strong>van</strong> Rusland. Het was mijn bedoeling<br />
om niet alleen barmhartigheid en vergiffenis voor de hele wereld<br />
te verkrijgen, maar vooral voor Europa. God liet mij in zijn oneindige<br />
barmhartigheid voelen dat dit vreselijke ogenblik naderde en<br />
u weet, dat ik daar telkens als het uitkwam, over sprak. En ik blijf<br />
zeggen dat het gebed en de boete die in Portugal gedaan zijn, de<br />
Goddelijke gerechtigheid nog niet verzoend hebben, omdat het<br />
niet gepaard ging aan berouw en een beter leven. Ik hoop dat<br />
Jacinta voor ons ten beste spreekt.<br />
Ik heb al in mijn aantekeningen over het boek Jacinta gezegd<br />
dat zij erg onder de indruk was <strong>van</strong> een paar dingen die verband<br />
hielden met het geheim, bijvoorbeeld de aanblik <strong>van</strong> de hel, de<br />
ellende <strong>van</strong> zoveel mensen die daarin terecht komen en de<br />
toekomstige oorlog waar<strong>van</strong> zij de gruwelen als het ware voor<br />
zich zag. Ze deden haar huiveren <strong>van</strong> ontzetting. Soms vroeg ik<br />
haar, als ik haar zag peinzen:<br />
– Jacinta, waar zit je aan te denken?<br />
Vaak antwoordde ze:<br />
– Aan de oorlog die komt, waarin zoveel mensen zullen<br />
sterven en naar de hel gaan. Wat erg toch! Als ze ophielden God<br />
te beledigen, kwam er geen oorlog en dan gingen ze ook niet naar<br />
de hel.<br />
Soms zei ze me ook:<br />
– Ik vind het erg voor jou. Francisco en ik gaan naar de<br />
hemel en dan blijf jij alleen achter! Ik heb aan Onze Lieve Vrouw<br />
gevraagd of jij ook naar de hemel mocht gaan, maar ze wil dat jij<br />
nog een tijdje blijft. Als de oorlog komt, hoef je niet bang te zijn. In<br />
de hemel zal ik voor je bidden.<br />
Kort voordat ze naar Lissabon ging zei ik tegen haar, op een<br />
<strong>van</strong> die momenten dat ze wat in de put leek door haar gezondheidstoestand:<br />
– Wees maar niet verdrietig omdat ik niet met je mee ga.<br />
Het is maar voor even. Je kan deze tijd doorbrengen met denken<br />
aan Onze Lieve Vrouw en Onze Lieve Heer en met vaak die<br />
woorden te zeggen waar je zo <strong>van</strong> houdt: Mijn God, ik houd <strong>van</strong> u!<br />
Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria! Lief hart <strong>van</strong> Maria, enz.<br />
133
– Ja, dat ga ik doen, zei ze opgewekt. Tot ik dood ga zal ik er<br />
nooit genoeg <strong>van</strong> krijgen ze op te zeggen! En daarna zal ik ze<br />
zingen in de hemel!<br />
8. Waarom Lucia zo lang zweeg<br />
Excellentie, deze of gene zou kunnen vinden dat ik al die<br />
dingen veel eerder bekend had moeten maken, omdat ze in hun<br />
ogen dan een dubbele waarde gehad zouden hebben 20 . Dat zou<br />
juist geweest zijn, als God mij aan de wereld als profetes had<br />
willen voorstellen. Maar ik geloof dat, toen God mij al die dingen<br />
openbaarde, hij zo iets niet <strong>van</strong> plan was. Als dat zo was, zou hij<br />
mij hebben opgedragen het bekend te maken, denk ik 21 . Maar<br />
integendeel, hij beval mij in 1917 te zwijgen, wat nog werd<br />
bevestigd door zijn vertegenwoordigers. Ik denk dus, Excellentie,<br />
dat God zich alleen <strong>van</strong> mij heeft willen bedienen om de wereld<br />
erop te wijzen dat zij de zonde moeten vermijden en de beledigingen<br />
tegen God moeten goed maken door gebed en boete.<br />
Waar zou ik mij hebben moeten verstoppen om niet te<br />
hoeven antwoorden op de ontelbare vragen die me daarover<br />
gesteld zouden worden?! Nu nog slaat de schrik me om het hart,<br />
alleen al bij de gedachte aan wat had kunnen gebeuren! En ik<br />
geef toe, dat ik zo’n tegenzin heb om het bekend te maken dat ik,<br />
hoewel ik de brief waarin u mij opdraagt alles op te schrijven wat<br />
ik me herinner en ik <strong>van</strong> binnen voel dat dit het moment is waarop<br />
God wil dat ik het doe, toch nog aarzel het te doen. Ik lever een<br />
innerlijke strijd of ik het geschrift zal inleveren of dat ik het zal<br />
verbranden. Ik weet nog niet wat zal overwinnen. Laat maar<br />
gebeuren wat God wil. Het zwijgen is voor mij een grote genade<br />
geweest.<br />
20 Men kan niet zeggen dat deze ‘voorspellingen’ <strong>van</strong> Lucia ‘post eventum’<br />
zijn. Zij kreeg <strong>van</strong> haar superieuren pas na de gebeurtenissen toestemming<br />
tot bekendmaking. De geschriften bestonden echter al vóór de gebeurtenissen.<br />
21 Rond de uitgaven <strong>van</strong> de documenten <strong>van</strong> Fatima bestaat zo iets als een<br />
‘economia silentii’, d.w.z. een zekere voorzichtigheid, waaruit men mag<br />
opmaken dat de Goddelijke Voorzienigheid de gebeurtenissen leidt.<br />
134
Hoe zou dat geweest zijn met de verklaring over de hel? Ik<br />
zou niet de juiste woorden hebben kunnen vinden om de<br />
werkelijkheid weer te geven – wat ik zeg is niets, niet meer dan<br />
een zwakke weergave er<strong>van</strong> – en daardoor zou ik nu eens dit,<br />
dan weer dat gezegd hebben, in een poging om mij uit te drukken<br />
zonder dat dit me lukte. Het resultaat zou zo’n wirwar <strong>van</strong><br />
gedachten geweest zijn dat ik misschien – wie weet – het werk<br />
<strong>van</strong> God zou hebben verknoeid. Daarom dank ik God en ik denk<br />
dat alles wat hij doet, goed is.<br />
Meestal laat God zijn openbaringen vergezeld gaan <strong>van</strong><br />
innerlijke en nauwkeurige kennis <strong>van</strong> de betekenis er<strong>van</strong>. Maar<br />
daarover durf ik niets te zeggen want ik ben bang dat ik me daarbij<br />
door mijn eigen fantasie laat bedriegen. Jacinta leek die kennis in<br />
tamelijk hoge mate te bezitten.<br />
9. Jacinta’s liefde tot het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria<br />
Kort voordat Jacinta naar het ziekenhuis ging, zei ze tegen<br />
mij:<br />
– Nog maar een korte tijd en dan ga ik naar de hemel. Jij<br />
blijft hier om te zeggen dat God de devotie tot het Onbevlekt Hart<br />
<strong>van</strong> Maria in de wereld wil verbreiden. Wanneer het zover is,<br />
verstop je dan niet. Zeg tegen iedereen dat God ons genaden<br />
schenkt door het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria; dat het Hart <strong>van</strong> Jezus<br />
wil dat men naast hem het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria vereert; dat<br />
de mensen om vrede moeten bidden tot het Onbevlekt Hart <strong>van</strong><br />
Maria; dat God haar daarover laat beschikken. Kon ik in het hart<br />
<strong>van</strong> de mensen toch het vuur leggen, dat ik <strong>van</strong> binnen heb, dat in<br />
mij brandt en waardoor ik zoveel houd <strong>van</strong> het Hart <strong>van</strong> Jezus en<br />
<strong>van</strong> het Hart <strong>van</strong> Maria22 !<br />
Ik kreeg eens een plaatje <strong>van</strong> het Heilig Hart <strong>van</strong> Jezus,<br />
tamelijk mooi, naar menselijke maatstaven. Ik gaf het aan Jacinta:<br />
– Wil jij dit plaatje hebben?<br />
22 Deze aanbeveling <strong>van</strong> Jacinta om de devotie tot het Onbevlekt Hart <strong>van</strong><br />
Maria te verbreiden, is zeer bijzonder. Voor Lucia was dit een sterke<br />
stimulans.<br />
135
Ze nam het aan, bekeek het aandachtig en zei:<br />
– Wat lelijk! Het lijkt helemaal niet op Onze Lieve Heer, die<br />
zo mooi is! Maar geef toch maar, het is in ieder geval iets <strong>van</strong><br />
hem.<br />
En ze droeg het steeds bij zich. ’s Nachts, en ook toen ze<br />
ziek was, lag het altijd onder haar hoofdkussen, totdat het stuk<br />
ging. Ze gaf het vaak een kusje en zei dan:<br />
– Ik kus op zijn Hart; daar<strong>van</strong> houd ik het meeste. Had ik<br />
ook maar een Hart <strong>van</strong> Maria! Heb je dat niet? Ik zou die twee bij<br />
elkaar willen hebben.<br />
Ik bracht haar eens een plaatje met de Kelk en de heilige<br />
Hostie. Ze nam het aan en kuste het. Stralend <strong>van</strong> blijdschap zei ze:<br />
– Dat is de verborgen Jezus! Ik hou zoveel <strong>van</strong> hem! Mocht<br />
ik hem maar eens in de kerk ont<strong>van</strong>gen! Is er in de hemel geen<br />
communie? Als we daar ter communie gaan, dan ga ik iedere<br />
dag. Kwam de engel maar naar het ziekenhuis om me de communie<br />
te brengen! Wat zou ik blij zijn!<br />
Soms, als ik uit de kerk <strong>van</strong>daan bij haar langs ging, vroeg<br />
ze me:<br />
– Ben je ter communie gegaan?<br />
Als ik dan ‘ja’ zei:<br />
– Kom hier, vlakbij me staan, want je hebt de verborgen<br />
Jezus in je hart. Een andere keer zei ze:<br />
– Ik weet niet wat het is, ik voel Onze Lieve Heer in me! Ik<br />
begrijp wat hij zegt en toch zie ik hem niet en hoor ik hem niet,<br />
maar het is zo fijn om bij hem te zijn!<br />
Weer een andere keer:<br />
– Lucia, Onze Lieve Heer is verdrietig omdat Onze Lieve<br />
Vrouw heeft gezegd dat we hem niet meer mogen beledigen omdat<br />
hij al zo erg beledigd was, maar niemand stoort zich daaraan en<br />
ze blijven dezelfde zonden doen.<br />
136
NAWOORD<br />
Dit is dus, Excellentie, wat ik me nog <strong>van</strong> Jacinta kan<br />
herinneren en wat ik, denk ik, nog niet gezegd had. Van alles wat<br />
ik heb gezegd is de betekenis juist 23 . Maar ik ben er niet zeker <strong>van</strong><br />
of ik in de manier <strong>van</strong> zeggen niet een of ander woord verwisseld<br />
heb. Wanneer wij bijvoorbeeld over Maria spraken, hadden we<br />
het de ene keer over Onze Lieve Vrouw en de andere keer over<br />
de Dame. Ik herinner mij nu niet meer wanneer we het ene of<br />
wanneer we het ander woord gebruikten. En zo zijn er nog een<br />
paar kleinigheden die me niet belangrijk lijken.<br />
Dit kleine geschrift, vrucht <strong>van</strong> mijn armzalige en nederige<br />
onderwerping aan hen die God vertegenwoordigen, draag ik op<br />
aan de goede God en aan het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria en ik<br />
vraag hun of ze het vrucht laten dragen tot zijn glorie en het heil<br />
<strong>van</strong> de zielen.<br />
Tuy, 31-8-1941.<br />
23 Om de geschriften <strong>van</strong> Lucia te begrijpen is het belangrijk onderscheid te<br />
maken tussen ‘betekenis’ en ‘vorm’.<br />
137
138<br />
VIERDE HERINNERING<br />
Inleiding<br />
Ook deze Herinnering, de langste <strong>van</strong> allemaal, werd weer<br />
geschreven op verzoek <strong>van</strong> Lucia’s oversten. Op 7 oktober 1941<br />
kwamen de bisschop <strong>van</strong> Leiria en Dr.Galamba in Valença do Minho<br />
met een nieuwe verlanglijst. Ook Lucia kwam daar. Zij namen het<br />
manuscript <strong>van</strong> de Derde herinnering in ont<strong>van</strong>gst en legden de wensen<br />
<strong>van</strong> Dr.Galamba en de opdracht <strong>van</strong> de bisschop, Dom José, voor. Zij<br />
wilden alles zó snel hebben dat Lucia, toen ze het eerste lange geschrift<br />
op 15 november klaar had, dit onmiddellijk naar de bisschop stuurde.<br />
Het tweede en laatste was klaar op 8 december.<br />
Wat werd er deze keer aan Lucia gevraagd? Iemand had wel<br />
meteen alles willen weten, maar de bisschop had wat bescheidener<br />
gezegd: “Die opdracht geef ik niet!...” Toch was het niet weinig, wat<br />
haar nu werd gevraagd. Ze moest:<br />
1. Dr.Galamba stelde een heleboel vragen, waarop zij wegens<br />
tijdgebrek in die tijd, schriftelijk moest antwoorden;<br />
2. Alles opschrijven wat zij zich nog herinnerde over Francisco,<br />
zoals ze dat over Jacinta had gedaan;<br />
3. De verschijningen <strong>van</strong> de engel nauwkeuriger beschrijven;<br />
4. Opnieuw de geschiedenis <strong>van</strong> de verschijningen beschrijven;<br />
5. Alles opschrijven wat zij zich eventueel nog over Jacinta kon<br />
herinneren;<br />
6. Ook wereldse liedjes die ze zongen, opschrijven;<br />
7. Het boek <strong>van</strong> Pater Fonseca lezen en alles noteren wat haar<br />
niet zo exact leek.<br />
Met buitengewone inspanning en bewonderenswaardige<br />
helderheid <strong>van</strong> geest behandelt Lucia al deze kwesties en geeft er<br />
uitgebreid antwoord op. Ze kon dan ook terecht aan de bisschop<br />
schrijven: “Het lijkt me, Excellentie, dat ik alles heb geschreven wat u<br />
mij op dit moment heeft gevraagd”.<br />
Het derde gedeelte <strong>van</strong> het geheim laat ze dus opzettelijk weg.<br />
Zij schrijft in de zelfde geest als bij de vorige <strong>Herinneringen</strong>:<br />
“…gehoorzaamheid en overgave aan God zijn mijn enige drijfveren.<br />
Ik ben inderdaad slechts het onhandige instrument waar<strong>van</strong> hij zich<br />
wil bedienen. De Goddelijke Schilder zal dat instrument weggooien<br />
en tot de as <strong>van</strong> het graf laten vergaan, tot op de dag <strong>van</strong> de eeuwige<br />
alleluja’s”.
1. Vertrouwen en overgave<br />
J.M.J.<br />
Excellentie,<br />
VOORWOORD<br />
Na een nederig gebed aan de voet <strong>van</strong> het altaar en voor<br />
het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria, onze lieve Moeder in de hemel,<br />
waarbij ik de genade vroeg om niet toe te laten dat ik ook maar<br />
één enkele letter schrijf die niet tot hun glorie zou strekken, voel<br />
ik mij rustig en in vrede met mijn geweten omdat ik zo in alles de<br />
wil <strong>van</strong> God doe.<br />
Ik heb mij dus helemaal overgegeven in de armen <strong>van</strong> onze<br />
hemelse Vader en mij onder de bescherming <strong>van</strong> het Onbevlekt<br />
Hart <strong>van</strong> Maria gesteld, waarna ik ook deze keer de vruchten <strong>van</strong><br />
mijn enige fruitboom, de gehoorzaamheid, in uw handen kom<br />
leggen.<br />
2. Algehele onthechting<br />
Alvorens te beginnen heb ik het Nieuwe Testament geopend.<br />
Dat is het enige boek dat ik hier voor me wil hebben, in een<br />
afgelegen hoekje <strong>van</strong> de zolder, bij het spaarzame licht <strong>van</strong> een<br />
glazen dakpan, een plekje waar ik me terugtrek om zoveel mogelijk<br />
aan menselijke blikken te ontsnappen. Mijn schoot dient als tafel.<br />
Een oude koffer is mijn stoel.<br />
– Waarom, zal iemand zeggen, schrijft u niet in uw cel?<br />
De goede God heeft goed gevonden dat ik zelfs geen cel<br />
bezit, hoewel er in huis 1 genoeg zijn en er leeg staan. Want om<br />
zijn plan te verwezenlijken zijn een werkplek en een recreatiezaal<br />
genoeg, ofschoon niet zo geschikt, om overdag iets te schrijven<br />
en ’s nachts te rusten. Maar ik ben tevreden en ik dank God dat ik<br />
arm geboren ben en nog armer leef.<br />
– Oh, mijn God! Ik was eigenlijk helemaal niet <strong>van</strong> plan al<br />
deze dingen op te schrijven!<br />
1 Zij schrijft in het noviciaat in Tuy, op de zolder.<br />
139
Ik keer terug naar datgene waar God mij op liet stuiten bij<br />
het openen <strong>van</strong> het Nieuwe Testament, de brief <strong>van</strong> de H.Paulus<br />
aan de Filomenen (2, 5-8). Ik lees dit: “Tracht dezelfde gevoelens<br />
in u te bezitten, die Jezus Christus bezat; ofschoon Hij God was,<br />
nam Hij de gedaante aan <strong>van</strong> een slaaf… Hij vernederde zich,<br />
gehoorzaam geworden tot de dood”. Na even nadenken lees ik in<br />
hetzelfde hoofdstuk (v. 12 en 13): “Werkt aan uw heil met angst<br />
en beven. Immers, het is God die in u het willen en het volbrengen<br />
bewerkt, volgens zijn welgevallen”.<br />
Goed. Meer heb ik niet nodig: gehoorzaamheid en overgave<br />
aan God. Hij is het die in mij werkt. Inderdaad, ik ben slechts het<br />
arme onhandige instrument waar<strong>van</strong> hij zich wil bedienen. Zoals<br />
de schilder, die het onbruikbare penseel in het vuur gooit om het<br />
tot as te verpulveren, zo ook zal de goddelijk Schilder zijn onbruikbaar<br />
geworden instrument laten vergaan tot de as <strong>van</strong> het graf,<br />
tot de grote dag <strong>van</strong> de eeuwige alleluja’s. Naar die dag verlang ik<br />
vurig want het graf vernietigt niet alles en het geluk <strong>van</strong> de eeuwige<br />
en oneindige liefde begint nu al! 2<br />
3. Bijstand <strong>van</strong> de H.Geest<br />
140<br />
Excellentie,<br />
Op 7 oktober 1941 vroeg, in Valença, Dr.Galamba mij:<br />
– <strong>Zuster</strong>, toen u zei dat de boete slechts gedeeltelijk verricht<br />
was, zei u dat toen uit uzelf of was het u geopenbaard?<br />
Volgens mij, Excellentie, zeg of schrijf ik in zulke gevallen<br />
niets louter en alleen uit mijzelf. Ik dank God voor de bijstand <strong>van</strong><br />
de H.Geest. Ik voel dat hij me ingeeft wat ik moet zeggen of<br />
schrijven. Als mijn eigen fantasie of mening mij iets ingeven, voel<br />
ik meteen dat daar de goddelijke zalving aan ontbreekt. Ik stop,<br />
totdat ik in het diepst <strong>van</strong> mijn ziel weet wat God daarvoor in de<br />
plaats wil zeggen 3 . Maar waarom zeg ik al die dingen? Ik weet het<br />
niet. God, die u inspireerde mij op te dragen alles te zeggen en<br />
niets opzettelijk te verbergen, weet het.<br />
2 Uit deze inleiding blijkt haar litteraire affiniteit en haar culturele vorming.<br />
3 Lucia bedoelt hiermee absoluut niet dat zij zich ‘geïnspireerd’ voelt op de<br />
wijze waarop de schrijvers <strong>van</strong> het e<strong>van</strong>gelie geïnspireerd werden.
1. Spiritualiteit<br />
I. PORTRET VAN FRANCISCO<br />
Excellentie, ik begin nu dus op te schrijven wat de goede<br />
God mij wil laten herinneren over Francisco. Ik hoop dat Onze<br />
Lieve Heer hem in de hemel laat weten wat ik op aarde over hem<br />
opschrijf, in de hoop dat hij in deze dagen een bijzondere<br />
voorspreker is bij Jezus en Maria.<br />
De vriendschap die ik met Francisco had was er alleen een<br />
<strong>van</strong> verwantschap 4 en een die steunde op de hemelse genaden.<br />
Je zou niet zeggen dat Francisco een broertje <strong>van</strong> Jacinta<br />
was: zij leken alleen <strong>van</strong> gezicht op elkaar en in de beoefening<br />
<strong>van</strong> de deugden. Hij was niet zo wispelturig en druk als zij;<br />
integendeel, hij was <strong>van</strong> nature vredelievend en toegeeflijk.<br />
Wanneer iemand bij ons spel betwijfelde of hij wel echt<br />
gewonnen had, gaf hij dat zonder probleem toe en zei alleen maar:<br />
– Denk je dat jij hebt gewonnen? Goed hoor, het kan mij<br />
niets schelen.<br />
In tegenstelling tot Jacinta hield hij niet speciaal <strong>van</strong> dansen.<br />
Hij speelde liever op zijn dwarsfluit terwijl de anderen dansten.<br />
Hij speelde altijd leuk mee, maar de meeste kinderen<br />
speelden niet zo graag met hem omdat hij haast altijd verloor. Ik<br />
moet toegeven dat ik ook niet veel met hem op had, want zijn<br />
vreedzame aard werkte soms op mijn zenuwen, omdat ik wat al te<br />
levendig was. Soms nam ik hem bij een arm en zei dat hij stil op<br />
de grond of op een steen moest gaan zitten. Hij gehoorzaamde<br />
alsof ik groot gezag had. Later speet me dat en ging ik hem weer<br />
halen. Even rustig kwam hij er aan mijn hand weer bij, alsof er<br />
niets gebeurd was. Als een <strong>van</strong> de andere kinderen hem met alle<br />
geweld iets wilde afpakken dat <strong>van</strong> hem was, zei hij:<br />
– Laat maar! Wat kan mij het schelen?<br />
Ik herinner me dat hij op een dag bij ons thuis kwam met<br />
een zakdoek met een voorstelling <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw <strong>van</strong><br />
Nazaré erop, die hij pas <strong>van</strong> iemand had gekregen die daar aan<br />
het strand geweest was. Blij liet hij hem aan de anderen zien en<br />
4 De moeder <strong>van</strong> Francisco en de vader <strong>van</strong> Lucia waren zus en broer <strong>van</strong><br />
elkaar. Hij was dus een neef <strong>van</strong> Lucia.<br />
141
alle kinderen kwamen hem bekijken. De zakdoek ging <strong>van</strong> hand<br />
tot hand maar na een paar minuten was hij weg. Ze zochten, maar<br />
vonden hem niet. Even later ontdekte ik hem in de zak <strong>van</strong> een<br />
ander kindje. Ik wilde hem afpakken maar de kleuter beweerde<br />
dat hij <strong>van</strong> hem was en dat hij die ook <strong>van</strong> datzelfde strand had<br />
gekregen. Om een eind aan die ruzie te maken, kwam Francisco<br />
er bij staan en zei:<br />
– Laat hem het maar houden, wat kan mij die zakdoek<br />
schelen!<br />
Volgens mij zou, als hij volwassen geworden zou zijn, die<br />
onverschilligheid zijn grootste fout zijn.<br />
Toen ik op mijn zevende jaar mijn kudde begon te weiden,<br />
leek hem dat onverschillig te laten. ’s Avonds kwam hij mij<br />
opwachten met zijn zusje maar het leek hem niet veel te kunnen<br />
schelen; hij scheen het eerder te doen om haar een plezier te<br />
doen dan uit vriendschap voor mij. In de tuin <strong>van</strong> mijn vader en<br />
moeder stonden zij op mij te wachten. En terwijl Jacinta op me af<br />
rende zodra ze de bellen <strong>van</strong> de kudde hoorde, zat hij op mij te<br />
wachten op het stenen trappetje voor het huis. Daarna ging hij<br />
met ons mee op de oude dorsvloer spelen, terwijl wij erop wachtten<br />
dat Onze Lieve Vrouw en de engelen hun lampen aanstaken. Hij<br />
vond het ook leuk om ze te tellen maar het mooiste <strong>van</strong> alles<br />
vond hij het opkomen en ondergaan <strong>van</strong> de zon. Zolang er zich<br />
nog een zonnestraal liet zien, keek hij niet of er al een lamp<br />
aangestoken was.<br />
– Er is geen lamp die zo mooi is als die <strong>van</strong> Onze Lieve<br />
Heer.<br />
Dat zei hij tegen Jacinta, maar zij hield meer <strong>van</strong> de lamp<br />
<strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw, omdat die geen pijn doet aan je ogen,<br />
vond ze.<br />
Opgewonden volgden zijn ogen de stralen, die op de ramen<br />
<strong>van</strong> de huizen in de naburige dorpen of in de waterdruppels een<br />
schittering teweeg brachten alsof het sterren waren, maar in zijn<br />
ogen duizendmaal mooier dan die <strong>van</strong> de engelen.<br />
Wanneer hij met aandrang aan zijn moeder vroeg of hij met<br />
zijn kudde met mij mee mocht, was dat meer om Jacinta een<br />
plezier te doen, die meer om hem gaf dan om haar broer João.<br />
Toen zijn moeder op zekere dag, een beetje geërgerd, zei dat hij<br />
dat niet mocht, zei hij onverstoorbaar als altijd:<br />
142
– Mij maakt het niet veel uit, mama. Het is voor Jacinta. Zij<br />
wil dat ik mee ga.<br />
Een andere keer zei hij datzelfde. Een <strong>van</strong> mijn vroegere<br />
vriendinnetjes vroeg of ik bij haar kwam, want ze had voor die<br />
dag een goede weide. Omdat het een bewolkte dag was, ging ik<br />
naar het huis <strong>van</strong> mijn tante om te vragen of die dag Francisco of<br />
João met Jacinta mee mochten gaan, want ik bleef die dag liever<br />
bij mijn vroegere vriendinnetje. Mijn tante had al beslist dat João<br />
die dag zou gaan omdat er regen op komst was. Maar Francisco<br />
deed nog één poging. Toen hij een kort en krachtig ‘nee’ te horen<br />
kreeg, zei hij:<br />
– Mij is het om het even. Jacinta wou het zo graag.<br />
2. Waar Francisco het meest <strong>van</strong> hield<br />
Wat hij het liefst deed, was, als we in de bergen waren, op<br />
een steen zitten en spelen op zijn dwarsfluit of zingen. Als zijn<br />
zusje met mij heen en weer rende, bleef hij rustig zitten en genoot<br />
<strong>van</strong> zijn muziek of zijn liedjes. Meestal zong hij dit:<br />
KOOR<br />
Ik houd <strong>van</strong> God in de hemel.<br />
Ik houd ook <strong>van</strong> hem op aarde.<br />
Ik houd <strong>van</strong> het land, <strong>van</strong> de bloemen.<br />
Ik houd <strong>van</strong> de schapen op de bergen.<br />
Ik ben een arm herderinnetje,<br />
Ik bid altijd tot Maria.<br />
Temidden <strong>van</strong> mijn kudde<br />
Ben ik de middagzon.<br />
Met mijn lammetjes<br />
Heb ik leren springen.<br />
Ik ben de vreugde <strong>van</strong> de bergen,<br />
Ik ben het lelietje <strong>van</strong> de dalen.<br />
Als we het hem vroegen, deed hij altijd mee aan de spelletjes,<br />
maar het ging niet altijd <strong>van</strong> harte en dan zei hij:<br />
– Oké, maar ik weet toch al dat ik verlies.<br />
143
De spelen die wij kenden en waar we ons mee vermaakten<br />
waren: het steentjesspel, pand geven, ring doorgeven, het knopenspel,<br />
pion- en schijfwerpen en kaartspelen, zoals ‘bisca’ (kaart<br />
afpakken), koningen, dames, boeren zoeken enz. We hadden twee<br />
kaartspelen, één <strong>van</strong> mij en één <strong>van</strong> hen. Francisco vond ‘bisca’<br />
het leukst.<br />
3. Hoe Francisco deelnam aan de verschijningen<br />
Aangespoord door een bovennatuurlijke kracht, knielde hij<br />
bij de verschijningen neer met mij en zijn zusje.<br />
Maar het gebed leerde hij alleen doordat hij het ons hoorde<br />
opzeggen want, zei hij, <strong>van</strong> de engel had hij niets gehoord.<br />
Toen wij daarna neerknielden om dat gebed te bidden, was<br />
hij de eerste die moe werd <strong>van</strong> die houding, maar hij bleef toch op<br />
zijn knieën, of ook wel bad hij zittend totdat wij ophielden. Daarna<br />
zei hij:<br />
– Ik kan niet zo lang als jullie in die houding blijven. Ik krijg<br />
daar zo’n pijn in mijn rug <strong>van</strong> dat ik het niet meer uithoud.<br />
Na de tweede verschijning <strong>van</strong> de engel bij de put vroeg hij<br />
erna:<br />
– Jij hebt met de engel gesproken. Wat heeft hij gezegd?<br />
– Heb jij het dan niet gehoord?<br />
– Nee, ik zag hem met jou praten en ik heb wel gehoord wat<br />
jij tegen hem hebt gezegd, maar niet wat hij tegen jou zei.<br />
Omdat de sfeer <strong>van</strong> het bovennatuurlijke waarin de engel<br />
ons had achtergelaten, nog niet helemaal voorbij was, zei ik tegen<br />
Francisco dat hij het de volgende dag aan mij of Jacinta moest<br />
vragen.<br />
– Jacinta, zeg jij me dan wat de engel heeft gezegd.<br />
– Morgen zeg ik het je. Vandaag kan ik niet praten.<br />
De volgende dag vroeg hij zo gauw hij bij me kwam:<br />
– Heb jij <strong>van</strong>nacht geslapen? Ik heb de hele nacht aan de<br />
engel gedacht en aan wat hij gezegd zou kunnen hebben.<br />
Ik vertelde hem toen alles wat de engel bij de eerste en de<br />
tweede verschijning had gezegd, maar hij leek de betekenis <strong>van</strong><br />
de woorden niet begrepen te hebben. Hij vroeg:<br />
144
– Wie is de Allerhoogste? Wat bedoelen ze met: de Harten<br />
<strong>van</strong> Jezus en Maria luisteren naar de stem <strong>van</strong> jullie gebeden, enz.<br />
En na het antwoord bleef hij staan nadenken en vroeg weer<br />
iets. Maar ik was nog te veel onder de indruk en vroeg of hij wilde<br />
wachten tot de volgende dag en dat ik op die dag nog niet kon<br />
praten.<br />
Tevreden wachtte hij, maar hij liet de eerstvolgende gelegenheid<br />
om iets te vragen niet voorbij gaan, zodat Jacinta zei:<br />
– Hoor ‘ns, over die dingen moet je niet zoveel praten.<br />
Als we over de engel praatten, was het ons vreemd te moede.<br />
Jacinta zei:<br />
– Ik weet niet wat er met me aan de hand is. Ik kan niet<br />
meer praten, niet meer zingen, niet meer spelen, ik kan niets meer.<br />
– Met mij is het ook zo, zei Francisco. Maar wat geeft dat?<br />
De engel is mooier dan al die andere dingen. Laten we aan hem<br />
denken.<br />
Bij de derde verschijning was de aanwezigheid <strong>van</strong> het<br />
bovennatuurlijke nog veel intenser. Een paar dagen durfde zelfs<br />
Francisco niet te praten. Daarna zei hij:<br />
– Ik zie de engel graag, maar het ergste is dat we daarna<br />
niets meer kunnen. Ik kon niet eens meer lopen, ik weet niet wat<br />
ik had!<br />
Ondanks alles was hij degene die zich bij de derde verschijning<br />
realiseerde dat het al avond was en dat we de kudde<br />
naar huis moesten brengen.<br />
Toen die eerste dagen voorbij waren en we weer in onze<br />
normale toestand verkeerden, vroeg Francisco:<br />
– De engel heeft jou de H.Communie gegeven, maar wat<br />
heeft hij aan mij en Jacinta gegeven?<br />
– Dat was ook de H.Communie. Zag je niet dat er Bloed uit<br />
de hostie druppelde?<br />
– Ik voelde dat God in me was, maar ik kon het niet verklaren.<br />
Voorover gebogen op de grond bleef hij lange tijd met zijn<br />
zusje het gebed <strong>van</strong> de engel opzeggen: Allerheiligste Drieëenheid<br />
…, enz.<br />
Die sfeer ging langzamerhand voorbij en op 13 mei speelden<br />
we al weer, met bijna evenveel plezier en dezelfde onbezorgdheid<br />
als voorheen.<br />
145
4. Invloed <strong>van</strong> de eerste verschijning <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw<br />
De verschijning <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw zou ons opnieuw op<br />
het bovennatuurlijke laten concentreren, maar nu op een rustigere<br />
manier: in plaats <strong>van</strong> die verlamming bij de Goddelijke tegenwoordigheid,<br />
die ons zelfs fysiek onze krachten benam, bracht<br />
deze verschijning ons in een toestand <strong>van</strong> vrede en vreugde, die<br />
ons niet belette na afloop te praten over alles wat er gebeurd was.<br />
Maar toch, wat betreft de lichtstraal die uitging <strong>van</strong> de handen <strong>van</strong><br />
Onze Lieve Vrouw en die ons omhulde en alles wat daarmee<br />
verband hield, voelden we <strong>van</strong> binnen iets, ik weet niet wat, dat<br />
zei dat we hierover beter konden zwijgen.<br />
Daarna vertelden we aan Francisco alles wat Onze Lieve<br />
Vrouw had gezegd. Hij liet merken dat hij blij was met de belofte<br />
dat hij naar de hemel zou gaan en zei:<br />
– Oh, mijn Onze Lieve Vrouw! Ik zal zoveel rozenhoedjes<br />
bidden als u maar wilt!<br />
Van toen af zonderde hij zich af en toe <strong>van</strong> ons af en deed<br />
of hij een eindje ging wandelen. Als ik hem riep en vroeg wat hij<br />
aan het doen was, stak hij zijn arm op en liet zijn rozenkrans zien.<br />
Als ik tegen hem zei dat hij met ons moest komen spelen en daarna<br />
kon bidden, zei hij:<br />
– Daarna bid ik óók nog. Ben je dan vergeten dat Onze<br />
Lieve Vrouw heeft gezegd dat ik heel veel rozenhoedjes moet<br />
bidden?<br />
Op zekere dag zei hij tegen mij:<br />
– Ik vond de engel heel mooi, maar Onze Lieve Vrouw vond<br />
ik toch nog mooier. Het allerfijnste vond ik toen we Onze Lieve<br />
Heer zagen in dat licht dat Onze Lieve Vrouw in ons binnenste liet<br />
stralen. Ik houd heel veel <strong>van</strong> God! Maar hij is zo verdrietig om al<br />
die zonden. Wij moeten er nooit een doen!<br />
In mijn tweede geschrift over Jacinta heb ik al verteld dat hij<br />
me een keer zei dat hij zich niet had gehouden aan onze afspraak<br />
om niets te zeggen. En omdat hij ook vond dat je niets moest<br />
zeggen, zei hij er met een verdrietig gezicht bij:<br />
– Omdat mijn moeder vroeg of het waar was, moest ik wel<br />
‘ja’ zeggen om niet te liegen.<br />
Soms zei hij:<br />
– Onze Lieve Vrouw zei dat we veel moesten lijden. Dat<br />
146
vind ik niet erg! Ik zal alles lijden wat zij maar wil. Ik wil gewoon in<br />
de hemel komen!<br />
Toen ik me een keer ergerde over de vervolging die zich<br />
binnen en buiten het gezin begon te manifesteren, probeerde hij<br />
me op te beuren en zei:<br />
– Wat geeft het. Onze Lieve Vrouw heeft toch gezegd dat<br />
we veel moesten lijden om eerherstel te brengen aan Onze Lieve<br />
Heer en aan het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria voor al die zonden<br />
waardoor zij beledigd worden? Ze zijn zo bedroefd! Laten we blij<br />
zijn, als wij ze door dit lijden kunnen troosten.<br />
Een paar dagen na de eerste verschijning <strong>van</strong> Onze Lieve<br />
Vrouw klom hij, toen we bij een weide waren aangekomen, op een<br />
hoge rots en zei:<br />
– Jullie mogen niet hier komen. Laat mij alleen.<br />
– Goed.<br />
En ik holde met Jacinta achter de vlinders aan en wanneer<br />
we er een hadden ge<strong>van</strong>gen, lieten we hem meteen weer los, als<br />
offertje. Aan Francisco dachten we niet eens meer. Tegen etenstijd<br />
realiseerden we ons dat hij er niet was en ik ging hem roepen:<br />
– Francisco, wil je niet komen eten?<br />
– Nee, eten jullie maar.<br />
– Wil je dan niet de rozenkrans mee bidden?<br />
– Ja, later. Roep me straks nog maar een keer.<br />
Toen ik hem weer riep zei hij tegen me:<br />
– Komen jullie maar hier bij mij bidden.<br />
We klommen op het rotsblok waar voor drie nauwelijks plaats<br />
was en ik vroeg hem:<br />
– Wat ben je hier toch al die tijd aan het doen?<br />
– Ik zit te denken aan God, die zo verdrietig is om al die<br />
zonden! Kon ik hem maar blij maken 5 !<br />
Op een andere keer zongen we samen over al het moois<br />
<strong>van</strong> de bergen:<br />
KOOR<br />
Ai, trai lari, lai, lai,<br />
Trai lari, lai, lai,<br />
Lai, lai, lai!<br />
5 We kunnen zeggen dat Francisco de gave <strong>van</strong> de contemplatie ont<strong>van</strong>gen<br />
had.<br />
147
148<br />
1<br />
Alles in dit leven zingt<br />
Met mij, om beurten:<br />
Zingt het herderinnetje in de bergen,<br />
Zingt de wasvrouw aan de beek.<br />
2<br />
De stem <strong>van</strong> de vink<br />
Komt me wekken<br />
Bij het opgaan <strong>van</strong> de zon<br />
In het bos met haar gezang!<br />
3<br />
’s Nachts krijst de uil<br />
Die me wil laten schrikken!<br />
Bij het pellen <strong>van</strong> de maïs<br />
Zingt het meisje in de maneschijn.<br />
4<br />
In de vlakte zingt de nachtegaal<br />
Onvermoeibaar haar lied;<br />
Zingt de duif in de struiken,<br />
Zingt de kar zijn geknars!<br />
5<br />
Het gebergte is een tuin<br />
Met een glimlach, heel de dag,<br />
Zijn de druppels <strong>van</strong> de dauw<br />
Op de bergen aan het blinken!<br />
Na de eerste keer wilden we het nog eens zingen maar<br />
Francisco onderbrak ons en hij zei:<br />
– Laten we maar niet meer zingen. Sinds we de engel en<br />
Onze Lieve Vrouw gezien hebben, geef ik niets meer om zingen.
5. Invloed <strong>van</strong> de tweede verschijning<br />
Bij de tweede verschijning, op 13 juni 1917, ontroerde<br />
Francisco me erg met zijn opmerking over de lichtstraal, waarover<br />
ik al vertelde in het tweede geschrift, en die zich voordeed op het<br />
ogenblik dat Onze Lieve Vrouw zei:<br />
– Mijn Onbevlekt Hart zal je toevlucht zijn en de weg die je<br />
naar God zal voeren.<br />
Op dat moment leek hij de betekenis <strong>van</strong> die feiten niet te<br />
begrijpen, misschien omdat hij zelf de woorden niet had kunnen<br />
horen. Daarom vroeg hij mij later:<br />
– Waarom stond Onze Lieve Vrouw met een Hart in haar<br />
handen, terwijl ze dat grote licht dat God is over de aarde<br />
verspreidde? Jij stond met Onze Lieve Vrouw in dat licht dat<br />
neerdaalde op de aarde; Jacinta en ik stonden in het licht dat<br />
opsteeg naar de hemel.<br />
– Dat was, antwoordde ik, omdat jij en Jacinta binnenkort<br />
naar de hemel gaan, terwijl ik samen met het Onbevlekt Hart <strong>van</strong><br />
Maria nog enige tijd op aarde zal blijven.<br />
– Hoelang blijf jij hier nog? vroeg hij.<br />
– Dat weet ik niet. Een hele tijd.<br />
– Zei Onze Lieve Vrouw dat?<br />
– Ja. En dat zag ik in dat licht dat ze in ons binnenste straalde.<br />
En Jacinta bevestigde het en ze riep uit:<br />
– Zo is het. Ik heb dat ook zo gezien!<br />
Soms zei hij:<br />
– De mensen zijn zo blij, alleen maar omdat wij zeggen dat<br />
Onze Lieve Vrouw heeft gevraagd de rozenkrans te bidden en dat<br />
jij moest leren lezen! Hoe zou het zijn als ze wisten wat ze ons<br />
heeft laten zien in God, in haar Onbevlekt Hart en in dat grote<br />
licht! Maar het is geheim, we zeggen het niet. Het is beter dat<br />
niemand het weet.<br />
Na die verschijning begonnen we te zeggen, als de mensen<br />
ons vroegen of Onze Lieve Vrouw nog meer had gezegd:<br />
– Ja, maar dat is geheim.<br />
Als iemand ons vroeg waarom het geheim was, haalden we<br />
onze schouders op, bogen ons hoofd en zwegen. Maar na 13 juli<br />
zeiden we:<br />
149
– Onze Lieve Vrouw heeft tegen ons gezegd dat we het tegen<br />
niemand mochten zeggen.<br />
Hiermee doelden wij op de geheimhouding die Onze Lieve<br />
Vrouw ons had opgelegd.<br />
6. Francisco spreekt Lucia moed in<br />
In de loop <strong>van</strong> die maand nam de toeloop <strong>van</strong> mensen<br />
aanmerkelijk toe en daarmee ook de onophoudelijke ondervragingen<br />
en kritiek. Francisco leed hier behoorlijk onder en zei<br />
tegen zijn zusje:<br />
– Wat jammer! Als jij je mond had gehouden, had niemand<br />
het geweten. Als het geen leugen was, zouden we tegen al die<br />
mensen zeggen dat we niets gezien hadden en hield alles op.<br />
Maar dat kan niet!<br />
Wanneer hij zag dat ik me <strong>van</strong> twijfel geen raad wist, huilde<br />
hij en zei:<br />
– Maar hoe kan je toch denken dat het de duivel was? Je<br />
hebt Onze Lieve Vrouw toch gezien en God zelf in dat hele grote<br />
licht? Hoe kunnen wij gaan zonder jou, want jij moet toch het<br />
woord voeren?<br />
Na het avondeten, het was al donker, ging hij terug naar ons<br />
huis, haalde me naar de oude dorsvloer en zei tegen me:<br />
– Vertel op, ga je morgen?<br />
– Nee, ik heb je toch al gezegd dat ik niet meer mee ga.<br />
– Wat erg! Waarom denk je nou zo? Zie je niet in dat het de<br />
duivel niet kán zijn? God is al zo bedroefd om zoveel zonden en<br />
als jij nu niet mee gaat, is hij nog bedroefder! Kom, ga toch mee!<br />
– Ik heb je al gezegd dat ik niet ga. Dat hoef je me niet meer<br />
te vragen.<br />
En ik ging zonder meer naar binnen, het huis in.<br />
Een paar dagen later zei hij tegen mij:<br />
– Geloof me! Ik heb die nacht geen oog dicht gedaan. Ik<br />
heb de hele tijd liggen huilen en ik heb gebeden of Onze Lieve<br />
Vrouw zou zorgen dat je toch ging.<br />
150
7. Invloed <strong>van</strong> de derde verschijning.<br />
Bij de derde verschijning was Francisco <strong>van</strong> ons drieën het<br />
minst onder de indruk <strong>van</strong> de aanblik <strong>van</strong> de hel, hoewel het hem<br />
ook diep trof.<br />
Wat op hem de diepste indruk maakte of hem het meest<br />
bezig hield waren: God, de Allerheiligste Drieëenheid, in dat<br />
immense licht, dat doordrong tot het diepst <strong>van</strong> onze ziel. Daarna<br />
zei hij:<br />
– Wij stonden te gloeien in dat licht, dat God is en toch<br />
verbrandden we niet. Hoe is God? Dat kan je niet zeggen. Ja, dat<br />
is iets wat je nooit kan zeggen. Maar wel erg, dat hij zo bedroefd<br />
is! Kon ik hem maar troosten !…<br />
Op een dag vroeg iemand aan mij of Onze Lieve Vrouw had<br />
gevraagd om te bidden voor de zondaars. Ik zei, nee. Bij de<br />
eerstvolgende gelegenheid, terwijl Jacinta werd ondervraagd, riep<br />
hij me en zei:<br />
– Nou heb je gelogen! Hoe kon je zeggen dat Onze Lieve<br />
Vrouw ons niet heeft gevraagd te bidden voor de zondaars? Heeft<br />
ze dat soms niet gedaan?<br />
– Nee! Ze heeft gevraagd of we wilden bidden voor de vrede<br />
en voor het eindigen <strong>van</strong> de oorlog. Voor de zondaars vroeg ze of<br />
we offers wilden brengen.<br />
– Ach, dat is waar! Ik dacht al dat je gelogen had.<br />
8. In de ge<strong>van</strong>genis<br />
Ik heb al verteld dat Francisco, toen mijn vader het bevel<br />
kreeg mij naar Vila Nova de Ourém 6 te brengen, de hele dag<br />
huilde en bad en misschien nog treuriger was dan ik.<br />
In de ge<strong>van</strong>genis toonde hij zich flink en probeerde Jacinta<br />
moed in te spreken op momenten dat ze veel heimwee had.<br />
Toen we in de ge<strong>van</strong>genis de rozenkrans baden, zag hij dat<br />
een <strong>van</strong> de ge<strong>van</strong>genen op zijn knieën zat, met zijn pet op.<br />
Francisco ging naar hem toe en zei:<br />
– Als u wilt bidden, moet u uw pet af zetten.<br />
6 Op 11 augustus bracht de vader <strong>van</strong> Lucia haar naar de burgemeester,<br />
maar Ti (oom) Marto ging alleen.<br />
151
En de arme man gaf hem meteen aan Francisco, die hem<br />
op zijn eigen muts legde op een bank.<br />
Terwijl Jacinta werd ondervraagd, zei hij vrolijk en met een<br />
onuitsprekelijke vrede tegen mij:<br />
– Als ze ons doden, zoals ze zeggen, dan zijn we straks in<br />
de hemel!<br />
En na een korte stilte:<br />
– Ik hoop in godsnaam dat Jacinta niet bang is. Ik ga een<br />
Weesgegroetje voor haar bidden.<br />
Hij zette zijn muts af en ging bidden. De ge<strong>van</strong>genenbewaker,<br />
die hem in die gebedshouding zag, vroeg:<br />
– Wat zeg je daar?<br />
– Ik bid een Weesgegroet, dat Jacinta niet bang is.<br />
De bewaker maakte een minachtend gebaar en liet hem<br />
begaan.<br />
Toen we na de terugkeer uit Vila Nova de Ourém een<br />
bovennatuurlijke invloed voelden en merkten dat er een contact<br />
met de hemel zou plaats vinden, was Francisco bezorgd omdat<br />
Jacinta er niet was.<br />
– Wat jammer, zei hij, als Jacinta niet op tijd is!<br />
En hij vroeg of zijn broer haar wilde halen.<br />
– Zeg tegen haar dat ze hierheen moet komen en dat ze<br />
moet rennen!<br />
Toen zijn broer weg was, zei hij tegen mij:<br />
– Als Jacinta niet op tijd is, zal ze dat wel heel erg vinden.<br />
Toen zijn zusje na de verschijning daar de hele middag wilde<br />
blijven, zei hij:<br />
– Nee, je moet terug, want je mocht <strong>van</strong>daag <strong>van</strong> mama<br />
niet met de schapen weg.<br />
En om te zorgen dat ze dat deed, ging hij samen met haar<br />
naar huis.<br />
Toen we, nog in de ge<strong>van</strong>genis, zagen dat het middaguur<br />
voorbij ging en dat ze ons niet naar de Cova da Iria lieten gaan,<br />
zei Francisco:<br />
– Misschien komt Onze Lieve Vrouw ons hier verschijnen.<br />
Maar de volgende dag was hij heel verdrietig en zei bijna<br />
huilend:<br />
– Misschien was Onze Lieve Vrouw wel heel bedroefd, omdat<br />
wij niet naar de Cova da Iria zijn gegaan. Misschien verschijnt ze<br />
152
nu niet meer. En ik zou haar toch zo graag zien! Toen Jacinta in<br />
de ge<strong>van</strong>genis huilde <strong>van</strong> heimwee naar haar moeder en de rest<br />
<strong>van</strong> haar gezin, probeerde hij haar te bemoedigen en zei:<br />
– Als we onze moeder niet meer terug zien, het zij zo! Dat<br />
offeren we op voor de bekering <strong>van</strong> de zondaars. Het ergste is,<br />
als Onze Lieve Vrouw niet meer terug komt! Daar heb ik de meeste<br />
moeite mee. Maar ook dat wil ik offeren voor de zondaars. Daarna<br />
zei hij:<br />
– Wat denk je, zal Onze Lieve Vrouw niet meer verschijnen?<br />
– Ik weet het niet. Ik denk <strong>van</strong> wel.<br />
– Ik verlang zo naar haar!<br />
Daarom genoot hij extra <strong>van</strong> de verschijning in Valinhos. Hij<br />
werd gekweld door de angst dat ze niet meer terug zou komen.<br />
Later, zei hij:<br />
– Ze is ons niet verschenen op de dertiende om niet naar<br />
het huis <strong>van</strong> de burgemeester te hoeven komen, want die man is<br />
zo slecht.<br />
9. Invloed <strong>van</strong> de laatste verschijningen<br />
Toen ik hem zei dat in oktober ook Onze Lieve Heer zou<br />
komen, was hij heel blij:<br />
– Wat fijn! We hebben hem nog pas twee keer 7 gezien en ik<br />
houd zo veel <strong>van</strong> hem!<br />
Van tijd tot tijd vroeg hij:<br />
– Duurt het nog lang, voordat het de dertiende is? Ik wil<br />
Onze Lieve Heer zo graag nog een keer zien!<br />
Daarna dacht hij even na en zei:<br />
– Wat denk je? Zou hij nog zo verdrietig zijn? Ik vind het zo<br />
erg dat hij zo verdrietig is. Ik wil hem alle offers brengen die ik<br />
maar kan. Soms verberg ik me ook niet meer voor de mensen,<br />
om maar offers te brengen.<br />
Na de dertiende zei hij:<br />
– Ik vond het heel fijn om Onze Lieve Heer te zien. Maar ik<br />
vond het nog fijner toen ik hem zag in dat licht, waar wij ook in<br />
7 Dit heeft betrekking op de verschijningen <strong>van</strong> juni en juli. Zij zagen God in<br />
het mysterieuze licht <strong>van</strong> de moeder <strong>van</strong> God.<br />
153
stonden. Het duurt niet zo lang meer en dan haalt Onze Lieve<br />
Heer me bij zich en dan zie ik hem altijd!<br />
Op een dag vroeg ik hem:<br />
– Waarom buig je je hoofd als je iets gevraagd wordt? En<br />
waarom geef je geen antwoord?<br />
– Omdat ik liever heb dat jij en Jacinta iets zeggen. Ik heb<br />
niets gehoord. Ik kan alleen maar zeggen dat ik heb gezien. En<br />
dan ook nog: stel je voor, dat ik eens een keer iets zou zeggen wat<br />
jij niet wil!<br />
Soms ging hij stiekem <strong>van</strong> ons weg. Als we dat merkten,<br />
gingen we hem roepen. Dan gaf hij antwoord <strong>van</strong>achter een struik<br />
of een muurtje waar hij op z’n knieën zat te bidden.<br />
– Waarom zei je dat niet tegen ons, dan konden wij mee<br />
bidden? Vroeg ik hem wel eens.<br />
– Ik bid liever alleen.<br />
Ik heb al verteld in het boek over ‘Jacinta’ wat er gebeurde<br />
op een terrein ‘Várzea’ geheten. Ik denk dat ik het hier niet nog<br />
eens hoef te vertellen.<br />
Op een dag kwamen we, op weg naar ons huis, langs het<br />
huis <strong>van</strong> mijn peettante. Ze had net honingwater gemaakt en riep<br />
ons omdat ze ons daar<strong>van</strong> een glas wilde geven. We gingen naar<br />
binnen en Francisco kreeg het eerst het glas in zijn handen, om te<br />
drinken. Hij nam het aan en gaf het zonder te drinken aan Jacinta<br />
door, om eerst haar en mij te laten drinken en in een wip was hij<br />
verdwenen.<br />
– Waar is Francisco? Vroeg mijn peettante.<br />
– Ik weet het niet. Net stond hij hier nog!<br />
Hij kwam niet meer opdagen. Na bedankt te hebben gingen<br />
we hem zoeken waar we zeker wisten dat hij was, namelijk bij de<br />
put, waarover ik het al zo vaak heb gehad.<br />
– Francisco, je hebt het honigwater niet gedronken! Tante<br />
heeft je de hele tijd geroepen maar je kwam niet opdagen!<br />
– Toen ik dat glas aannam kwam opeens de gedachte in me<br />
op, dat offer te brengen om Onze Lieve Heer te troosten. Toen<br />
ben ik terwijl jullie stonden te drinken, er tussenuit geglipt.<br />
154
10. Enkele anekdotes en liedjes<br />
Tussen ons huis en dat <strong>van</strong> Francisco woonde mijn peetoom<br />
Anastácio, die getrouwd was met een tamelijk oude dame. Ze<br />
hadden geen kinderen. Het waren nogal rijke boeren en ze hoefden<br />
niet te werken. Mijn vader deed het werk voor hen en hij zorgde<br />
ook voor de dagloners. Daar waren ze dankbaar voor en ze hadden<br />
zodoende een voorliefde voor mij, vooral de vrouw, die ik tante<br />
Teresa noemde. Als ik er overdag niet geweest was, moest ik er ’s<br />
avonds blijven slapen want ze kon niet buiten haar ‘dikkerdje’,<br />
zoals ze mij noemde.<br />
Ze vond het leuk om mij op feestdagen op te tutten: met<br />
haar gouden halsketting, de grote oorbellen die tot op mijn<br />
schouders hingen en op mijn hoofd een mooi hoedje met gouden<br />
kralen waar een heleboel veertjes <strong>van</strong> allerlei kleuren in zaten.<br />
Op de kermis was ik dan ook het mooist opgedirkte meisje, waar<br />
mijn zussen en ook mijn peettante Teresa <strong>van</strong> genoten. In groepjes<br />
kwamen de andere kinderen om me heen staan, vol bewondering<br />
voor de schittering <strong>van</strong> zoveel versierselen. Om de waarheid te<br />
zeggen, ik genoot ook met volle teugen <strong>van</strong> dat feestgedoe, maar<br />
de ijdelheid was mijn lelijkste versiersel. Iedereen bewonderde<br />
me en vond me leuk, behalve een weesmeisje dat tante Teresa<br />
had aangenomen toen haar moeder overleden was. Ze scheen te<br />
denken dat ik een deel <strong>van</strong> haar erfenis zou bemachtigen en ze<br />
zou zich daarin zeker niet hebben vergist, als de goede God mij<br />
niet een andere, veel kostbaardere erfenis had toebedacht.<br />
Zodra het nieuws <strong>van</strong> de verschijningen rondging, nam mijn<br />
peetoom een houding <strong>van</strong> onverschilligheid aan, maar mijn<br />
peettante was helemaal tegen. Ze was boos over die verzinsels,<br />
zoals zij het noemde. Ik begon daarom haar huis zoveel mogelijk<br />
te mijden en met mij bleef ook het groepje kinderen weg, dat daar<br />
zo vaak samenkwam en dat mijn peettante zo graag zag dansen,<br />
waarbij ze ons gedroogde vijgen, noten, pinda’s, tamme kastanjes,<br />
vruchten enz. gaf.<br />
Welnu, toen ik op een zondagmiddag met Francisco en<br />
Jacinta langs haar huis liep, riep ze ons:<br />
– Zeg boefjes, kom hier! Jullie komen hier al zo lang niet<br />
meer!<br />
En weer verwende ze ons.<br />
155
Alsof de andere kinderen roken dat we daar waren, kwam<br />
het hele gezelschap weer bij elkaar. De goede tante was blij het<br />
hele troepje, dat zo lang niet meer bij haar was geweest, weer bij<br />
haar thuis te zien en ze trakteerde ons eerst op allerlei lekkernijen.<br />
Daarna vroeg ze of we wilden dansen en zingen.<br />
– Nou, wat zal ’t zijn? Dit, dat?<br />
Zij koos iets uit:<br />
156<br />
KOOR<br />
Jij, zon <strong>van</strong> deze aarde,<br />
Zend haar ook je stralen toe;<br />
Oh, glimlach <strong>van</strong> de lente,<br />
Schenk haar nieuwe energie!<br />
1<br />
Het morgenrood geeft aan de aarde glans<br />
En aan het meisje en alle goeds;<br />
Met blijde lach verwacht ze al<br />
Het kozen <strong>van</strong> de avondgloed.<br />
2<br />
Het jaar is met bloemen bezaaid;<br />
De vruchten zijn rijp en mooi;<br />
En het nieuwe zoals je vermoedt<br />
Brengt toekomst met overvloed.<br />
3<br />
Ze zijn je mooiste cadeau;<br />
Je beste wensen waard!<br />
Sier ermee je voorhoofd;<br />
De mooiste kroon die je hebt!<br />
4<br />
Was het verleden je welgezind;<br />
De toekomst lacht je toe!<br />
Gelukkig met wat voorbij is;<br />
Gelukkig met wat nog komt!
5<br />
In dit leven, bloem <strong>van</strong> de oceaan;<br />
Op dit vriendenfeest<br />
Bezingen we met vrolijk lied<br />
Wat tuin en tuinder ziet!<br />
6<br />
De bloemen <strong>van</strong> je ouders’ grond<br />
Verlangen jou te zien;<br />
Verlangen naar je zuivere liefde,<br />
Naar de banden <strong>van</strong> je hart.<br />
KOOR<br />
Stoere visser vind je ’t goed<br />
Dat Berlenga en Carvoeiro 8<br />
Het wachtlicht <strong>van</strong> hun toren doven<br />
Zodra je schip in aantocht is?<br />
1<br />
Maar de zee barst los in kolken<br />
Door wind en eb en vloed!<br />
De noordvaart is steeds storm<br />
En storm is wéér een graf.<br />
2<br />
Klippen <strong>van</strong> Papoa, Estelas en Farilhões9 !<br />
Het leed dat jullie brachten,<br />
Het drama dat te horen is<br />
Bij iedere golfslag op de rots!<br />
8 Berlenga is een eilandje in de Atlantische oceaan, bij Kaap Carvoeiro, in<br />
Peniche.<br />
9 Estelas en Farilhões zijn eilanden vlakbij Berlenga.<br />
157
158<br />
3<br />
Er is geen rotspunt in die wateren<br />
Die niet een teken <strong>van</strong> de dood is!<br />
Iedere golf deinst in verdriet,<br />
In ieder kruis je een schipbreuk ziet.<br />
4<br />
Jij wilt toch niet ten onder gaan,<br />
Jij ster die richting geeft op zee<br />
En door de donkere wateren,<br />
Zoveel scheepjes door het leven leidt!<br />
KOOR<br />
Achter blijf ik met mijn ogen droog,<br />
Sprekend uit mijn afscheidsgroet.<br />
Aarzelend sta ik daar minutenlang,<br />
Maar het offer is zolang het leven duurt!<br />
1<br />
Ga, maar zeg de hemel dat hij sluit<br />
Zijn stroom <strong>van</strong> rijke gunsten<br />
En dat hij ook de bloemen doodt,<br />
Omdat jij zijn baan niet kruiste!<br />
2<br />
Ga, want ik blijf troosteloos achter,<br />
Diepe rouw ook in het heiligdom!<br />
De bronzen klokken uit de toren<br />
dragen luidt de dood over het land.<br />
3<br />
Maar zodra ik alleen achterblijf<br />
Op het kerkplein vol verdriet<br />
Laat ik eeuwige klachten achter<br />
En schrijf ze neer op rouwpapier!
4<br />
Eens was jouw tuin zo zonnig mooi,<br />
Maar nu geen bloem meer in de grond!<br />
Mooi aangelegd en mooi verzorgd!<br />
En nu: de tuinman huilt erom!<br />
5<br />
Van de Voorzienigheid verwacht ik<br />
Blijken <strong>van</strong> toekomstige tederheid<br />
Vooral <strong>van</strong> wie in ’t vaderland<br />
Haar kinderen achterliet!<br />
11. Francisco, de kleine moralist<br />
Op het geluid <strong>van</strong> het vrolijke gezang kwamen de buurmeisjes<br />
toegelopen. Aan het eind vroegen ze of we nog eens<br />
zongen. Maar Francisco kwam naar me toe en zei:<br />
– Laten we dat niet meer zingen. Onze Lieve Heer vind het<br />
vast niet leuk dat we nu zulke liedjes zingen.<br />
En zo goed en zo kwaad als het ging, trokken we ons terug<br />
en gingen naar onze geliefde put.<br />
Inderdaad maakt wat ik uit gehoorzaamheid heb opgeschreven,<br />
mij nu verlegen. Maar u keurde het goed, op verzoek <strong>van</strong><br />
Dr.Galamba, mij de opdracht te geven profane liedjes die we<br />
kenden op te schrijven. Dus vooruit dan maar, hoewel ik niet weet,<br />
waarom. Maar het is genoeg te weten dat ik doe wat God wil.<br />
Intussen naderde carnaval <strong>van</strong> 1918. Ook dat jaar nog<br />
kwamen de jongens en meisjes bij elkaar voor het traditionele<br />
kookfestijn en de spelen <strong>van</strong> die dagen. Iedereen bracht iets mee<br />
<strong>van</strong> thuis: de een bakolie, de ander meel, weer anderen vlees,<br />
enz. Alles werd in een daartoe aangewezen huis samengebracht<br />
en de meisjes maakten daar een vorstelijk maal <strong>van</strong>. Op die dagen<br />
was het eten en dansen, tot diep in de nacht, vooral de laatste<br />
dag.<br />
De kinderen onder de vijftien jaar hadden hun eigen feest in<br />
een ander huis. Zo kwam het dat ik door verschillende kinderen<br />
werd gevraagd met hen het feest te organiseren. Eerst wilde ik<br />
het niet, maar door laffe toegeeflijkheid zwichtte ik voor het<br />
159
aandringen <strong>van</strong> een paar meisjes, vooral <strong>van</strong> een dochter en twee<br />
zonen <strong>van</strong> een heer uit Casa Velha, José Carreira, die ons zijn<br />
huis ter beschikking had gesteld. Ook hijzelf en zijn vrouw drongen<br />
er op aan dat ik zou komen. Ik gaf dus toe en met een grote groep<br />
gingen we de plek bekijken. Het was een flinke kamer, haast een<br />
zaal, voor de spelen en een grote tuin voor het avondeten. Alles<br />
werd besproken en daar ging ik, uitwendig een en al feeststemming,<br />
maar in mijn binnenste met een geweten dat me luidkeels<br />
aanklaagde. Toen ik bij Jacinta en Francisco kwam, vertelde ik<br />
wat er gebeurd was.<br />
– Zo, en jij gaat nog steeds naar die picknicks en lolmakerij?<br />
vroeg Francisco ernstig. Ben je nu al vergeten dat we beloofd<br />
hebben dat we daar nooit meer naar toe zouden gaan?<br />
– Ik was niet <strong>van</strong> plan te gaan, maar je ziet het: ze blijven<br />
maar vragen of ik ga. Ik weet niet wat ik doen moet.<br />
Inderdaad, een grote groep vriendinnen drong aan. Ze<br />
kwamen zelfs uit verderaf gelegen dorpen in de streek: een zekere<br />
Rosa, Anna Caetano en Anna Brogueira uit Moita; uit Fatima twee<br />
dochters <strong>van</strong> Manuel Caracol; uit Boleiros 10 twee dochters <strong>van</strong><br />
Manuel da Ramira en twee <strong>van</strong> Joaquim Chapeleta; uit Amoreira<br />
twee <strong>van</strong> Silva; uit Currais een zekere Laura Gato; Josefa Valinho<br />
en verschillende anderen <strong>van</strong> wie ik de namen vergeten ben, uit<br />
Boleiros, Lomba, Pederneira, enz. Dan waren er ook nog uit Eira<br />
da Pedra, Casa Velha en Aljustrel. Hoe kon ik nu opeens die hele<br />
groep teleurstellen, die zich zonder mij niet scheen te kunnen<br />
vermaken en hoe kon ik ze duidelijk maken dat we zulke bijeenkomsten<br />
nooit meer moesten houden? God gaf Francisco een<br />
inval:<br />
– Weet je wat je doet? Iedereen weet dat Onze Lieve Vrouw<br />
aan je verschenen is. Je zegt dat haar hebt beloofd niet meer te<br />
dansen en dat je daarom niet komt. Dan trekken we ons in die<br />
dagen terug in de Lapa do Cabeço. Daar zal niemand ons vinden.<br />
Ik nam het voorstel aan. En na mijn besluit dacht niemand<br />
meer aan het organiseren <strong>van</strong> zulke bijeenkomsten. Zo hielp God<br />
10 Zij kwamen uit Montelo en niet uit Boleiros. Verderop (blz. 164) bevestigt<br />
Lucia dit zelf: “Op een dag wilden ze ons naar Montelo brengen, naar het<br />
huis <strong>van</strong> een man, Joaquim Chapeleta genaamd…”.<br />
160
ons. En die vriendinnen, die anders bij me waren gekomen om<br />
zich te vermaken, kwamen mij nu op zondagmiddag thuis<br />
opzoeken en gingen met me mee het rozenhoedje bidden in de<br />
Cova da Iria.<br />
12. Afzondering om te bidden<br />
Francisco was een jongen <strong>van</strong> weinig woorden en voor zijn<br />
gebed zonderde hij zich het liefst af, zelfs voor Jacinta en mij.<br />
Vaak lieten we hem schrikken als hij achter een muur of struiken<br />
verborgen, op z’n knieën zat te bidden of te denken, zoals hij zei,<br />
aan Onze Lieve Heer die bedroefd was om onze zonden. Ik vroeg<br />
hem:<br />
– Francisco, waarom zeg je dat niet tegen ons? Dan kunnen<br />
we mee bidden.<br />
– Ik bid liever alleen, zei hij, om te denken en Onze Lieve<br />
Heer die zo bedroefd is, te troosten.<br />
Op een dag vroeg ik hem:<br />
– Francisco, wat doe je liever: Onze Lieve Heer troosten of<br />
zondaars bekeren, zodat er niet nog meer zondaars naar de hel<br />
gaan?<br />
– Het liefst troost ik Onze Lieve Heer. Heb je niet gezien<br />
hoe verdrietig Onze Lieve Vrouw keek, nog in de laatste maand,<br />
toen ze zei dat we God niet meer mochten beledigen omdat hij<br />
toch al zo versmaad wordt? Ik zou eerst Onze Lieve Heer willen<br />
troosten en dan de zondaars bekeren opdat ze hem niet meer<br />
beledigen.<br />
Toen Francisco naar school ging zei hij soms tegen mij, als<br />
we in Fatima aankwamen:<br />
– Hoor eens, ga jij naar school, dan blijf ik hier in de kerk bij<br />
de verborgen Jezus. Het is niet meer de moeite waard dat ik nog<br />
naar school ga, want binnenkort ga ik toch naar de hemel. Als je<br />
terug komt, kom me dan hier ophalen.<br />
Het Allerheiligste stond toen links bij de ingang <strong>van</strong> de kerk.<br />
Hij ging zitten tussen de doopvont en het altaar en daar vond ik<br />
hem altijd als ik terug kwam. (Het Allerheiligste stond daar i.v.m.<br />
werkzaamheden in de kerk).<br />
Nadat hij ziek geworden was zei hij me soms, als ik op weg<br />
naar school even bij hem langs kwam:<br />
161
– Hoor eens, ga naar de kerk en doe veel groeten aan de<br />
verborgen Jezus. Wat ik het ergste vind is dat ik niet meer in staat<br />
ben om een paar minuutjes bij de verborgen Jezus te zijn.<br />
Ik kwam eens met een groepje schoolkinderen langs zijn<br />
huis en nam afscheid <strong>van</strong> ze om even een bezoekje te brengen<br />
aan Francisco en zijn zusje. Francisco had het rumoer gehoord<br />
en vroeg me daarom:<br />
– Kwam jij samen met al die kinderen?<br />
– Ja.<br />
– Dat moet je niet doen; ze kunnen je zonden aanleren. Als<br />
je uit school komt, ga dan een ogenblikje naar de verborgen Jezus<br />
en kom daarna alleen.<br />
Ik vroeg hem een keer:<br />
– Gaat het slecht met je, Francisco?<br />
– Ja, maar ik wil lijden om Onze Lieve Heer te troosten.<br />
Toen ik op zekere dag met Jacinta zijn kamer binnen kwam,<br />
zei hij:<br />
– Praat <strong>van</strong>daag niet veel, ik heb zo’n hoofdpijn.<br />
– Vergeet niet, het op te offeren voor de zondaars, zei Jacinta.<br />
– Ja, maar eerst offer ik het op om Onze Lieve Heer en<br />
Onze Lieve Vrouw te troosten en daarna doe ik een offer voor de<br />
zondaars en voor de H.Vader.<br />
Een andere keer trof ik hem, toen ik kwam, heel blij aan.<br />
– Gaat het beter met je?<br />
– Nee, veel slechter. Ik ga al gauw naar de hemel. Daar ga<br />
ik Onze Lieve Heer en Onze Lieve Vrouw heel veel troosten.<br />
Jacinta zal veel bidden voor de zondaars, voor de H.Vader en<br />
voor jou. En jij blijft hier, omdat Onze Lieve Vrouw het wil. Denk<br />
erom: doe alles wat ze je zegt.<br />
Terwijl Jacinta alleen maar bezorgd leek om zondaars te<br />
bekeren, scheen hij er alleen maar aan te denken Onze Lieve<br />
Heer en Onze Lieve Vrouw te troosten, die hem zo bedroefd<br />
hadden geleken.<br />
13. Francisco ziet ziet de de duivel<br />
duivel<br />
Nu schiet me iets heel anders te binnen. Wij bevonden ons<br />
op zekere dag op een plek, Pedreira geheten, en terwijl onze<br />
schapen liepen te grazen, sprongen wij <strong>van</strong> de ene rots op de<br />
162
andere en maakten echo’s <strong>van</strong>uit de diepte <strong>van</strong> die grote<br />
rotspartijen. Zoals gebruikelijk had Francisco zich teruggetrokken<br />
in de holte <strong>van</strong> een rots. Na een hele tijd hoorden we hem opeens<br />
schreeuwen en ons en Onze Lieve Vrouw roepen. Bezorgd om<br />
wat er gebeurd kon zijn, gingen we hem zoeken en roepen intussen<br />
alsmaar:<br />
– Waar zit je?<br />
– Hier! Hier!<br />
Maar het duurde nog even voor we hem vonden. Eindelijk<br />
hadden we hem gevonden, bevend <strong>van</strong> angst en nog op z’n knieën,<br />
want hij was zo ontdaan dat hij niet eens was gaan staan.<br />
– Wat heb je? Wat is er?<br />
Half fluisterend nog <strong>van</strong> de schrik, zei hij<br />
– Een <strong>van</strong> die grote dieren uit de hel stond hier vuur te<br />
spugen.<br />
Ik zag niets en Jacinta ook niet. Daarom lachte ik en zei:<br />
– Jij wil nooit aan de hel denken, om niet bang te worden en<br />
nou ben jij de eerste die bang wordt?<br />
Meestal zei hij, als Jacinta met ontzetting terugdacht aan<br />
het visioen <strong>van</strong> de hel:<br />
– Denk niet zoveel aan de hel! Denk liever aan Onze Lieve<br />
Heer en Onze Lieve Vrouw. Ik denk er niet aan, dan ben ik ook<br />
niet bang.<br />
Toch was hij helemaal niet bang <strong>van</strong> aard. Zonder bezwaar<br />
ging hij ’s nachts in z’n eentje naar alle mogelijke donkere plekken.<br />
Hij speelde met hagedissen en slangen die hij vond. Hij draaide<br />
ze om zijn stok en gaf ze melk te drinken in de holte <strong>van</strong> stenen.<br />
Hij kroop in pijpen op zoek naar vossen, konijnen, wilde katten,<br />
enz.<br />
14. Zijn gevederde vriendjes<br />
Francisco hield veel <strong>van</strong> vogels. Hij kon het niet hebben als<br />
iemand hun nestje uithaalde. Een deel <strong>van</strong> zijn brood voor<br />
onderweg, verkruimelde hij altijd om er de vogels mee te voeren.<br />
Dan ging hij opzij staan en riep ze, alsof ze hem verstonden.<br />
Niemand mocht dichterbij komen, om ze niet bang te maken.<br />
– Arme diertjes! Ze hebben zo’n honger, zei hij terwijl hij<br />
met ze praatte. Kom maar, kom maar eten!<br />
163
En zij, met het scherpe oog dat ze hiervoor hebben, lieten<br />
zich dat niet nog eens zeggen en kwamen in grote getale<br />
neerstrijken. Hij had er veel schik in om ze daarna met de kropjes<br />
vol de bomen in te zien vliegen. Daar zongen ze hun deuntjes of<br />
kwetterden genoeglijk, wat hij handig nabootste, zo het koor<br />
versterkend.<br />
Op zekere dag kwamen we een kind tegen dat een vogeltje<br />
in zijn hand hield, wat hij had ge<strong>van</strong>gen. Francisco kreeg direct<br />
medelijden met het diertje en beloofde het kind tien cent als hij het<br />
liet vliegen. Het jochie nam het contract aan maar wilde boter bij<br />
de vis! Francisco ging toen naar huis <strong>van</strong>af de Lagoa da Carreira,<br />
dat een stukje onder de Cova da Iria ligt, om het geld te halen: het<br />
losgeld voor de vrijheid <strong>van</strong> de ge<strong>van</strong>gene. Toen hij het dan eindelijk<br />
zag vliegen klapte hij in zijn handen <strong>van</strong> pret en riep:<br />
– Wees voorzichtig! Laat je niet weer pakken!<br />
Daar woonde ook een oud vrouwtje, dat we Ti Mari’Carreira<br />
noemden, aan wie haar zoons soms hun kudden schapen en geiten<br />
toevertrouwden. Deze dieren hadden weinig discipline geleerd en<br />
verdwenen soms naar alle kanten. Als we haar dan wel eens zo in<br />
de problemen zagen, was Francisco altijd de eerste die haar te<br />
hulp schoot. Hij hielp haar dan de kudde weer op de wei te krijgen<br />
en bracht de afgedwaalde schapen terug. Het vrouwtje zegde<br />
duizendmaal dank en noemde hem haar kleine engelbewaarder.<br />
Met zieken had hij altijd veel medelijden. En zei:<br />
– Ik kan die arme mensen niet gaan bezoeken. Ik heb zo’n<br />
medelijden met ze.<br />
Wanneer we geroepen werden omdat een paar mensen met<br />
ons wilden praten, vroeg hij of ze ziek waren en zei:<br />
– Als het zieken zijn ga ik niet. Ik kan het niet aanzien! Ik heb<br />
zo’n medelijden met ze! Maar zeg tegen ze dat ik voor ze bid.<br />
Op een dag wilden een paar mensen ons naar een man,<br />
Joachim Chapeleta, brengen. Francisco wilde er niet heen.<br />
– Ik ga niet. Ik kan dat niet zien: iemand die wil praten en het<br />
niet kan (die man had een moeder die stom was).<br />
Toen Jacinta en ik tegen de avond terug kwamen vroeg ik<br />
aan mijn tante waar Francisco was.<br />
– Geen idee! Ik heb me de hele middag een ongeluk naar<br />
hem gezocht. Een paar dames wilden jullie spreken, maar jullie<br />
164
waren er niet en hij was er tussenuit geknepen. Het lukte me niet<br />
hem tevoorschijn te krijgen. Zoeken jullie hem nu maar.<br />
We gingen even op een bank in de keuken zitten en dachten<br />
erover naar de Loca do Cabeço te gaan, in de stellige overtuiging<br />
dat hij daar zou zitten. Maar nauwelijks was tante het huis uit of<br />
we hoorden zijn stem door een gaatje in de vloer <strong>van</strong> de zoldering.<br />
Toen hij mensen hoorde aankomen, was hij daarin geklommen.<br />
Vandaar uit had hij alles kunnen zien en horen. Hij zei:<br />
– Er kwamen zoveel mensen! Lieve help! Als ze me hier te<br />
pakken hadden gekregen, in m’n eentje! Wat had ik ze moeten<br />
vertellen?<br />
(In de keuken was een luik waardoor je gemakkelijk <strong>van</strong>af<br />
een tafel en een stoel op de zolder kon komen).<br />
15. Nog een paar voorvallen<br />
Zoals ik al heb gezegd, verkocht mijn tante haar kudde eerder<br />
dan mijn moeder. Sindsdien zei ik ’s morgens tegen Francisco en<br />
Jacinta naar welk weiland ik die dag ging en zodra zij de kans<br />
kregen gingen ze naar mij toe.<br />
Op zekere dag stonden ze mij al op te wachten toen ik daar<br />
kwam.<br />
– Hé! Wat zijn jullie vroeg?<br />
– Ja, zei Francisco, ik weet niet hoe dat komt. Vroeger gaf ik<br />
niet veel om jou, maar nu word ik ’s morgens heel vroeg wakker<br />
omdat ik snel bij jou wil zijn.<br />
Na alle verschijningen op de dertiende zei hij ons, tot op de<br />
vooravond <strong>van</strong> iedere volgende dertiende:<br />
– Hoor eens, morgen heel vroeg maak ik dat ik weg kom en<br />
loop ik door de boomgaard naar de Lapa do Cabeço. Komen jullie<br />
daar ook, zo gauw je kan.<br />
Oh, mijn God! Ik was al zijn ziekte aan het beschrijven, kort<br />
voor zijn dood, en nu zie ik dat ik ben afgedwaald naar de heerlijke<br />
tijd <strong>van</strong> de bergen, naar het lieflijk kwetteren <strong>van</strong> de vogeltjes.<br />
Mijn excuus daarvoor. Ik ben alles aan het opschrijven zoals het<br />
me te binnen schiet, als de kreeft die voor- en achteruit loopt<br />
zonder zich druk te maken over waar hij aan het eind <strong>van</strong> de dag<br />
is beland. Het werk laat ik over aan Dr.Galamba, als er tenminste<br />
iets bij is wat hij gebruiken kan. Veel zal het niet zijn.<br />
165
Terug dus naar de ziekte <strong>van</strong> Francisco. Maar toch eerst<br />
nog iets uit zijn korte schooltijd.<br />
Op een dag ging ik naar buiten en kwam ik mijn zus Teresa<br />
tegen die pas getrouwd was in Lomba. Ze was gekomen op verzoek<br />
<strong>van</strong> een andere vrouw uit een naburig gehucht. Haar zoon was<br />
opgepakt onder beschuldiging <strong>van</strong> welk misdrijf, weet ik niet meer.<br />
Als hij zijn onschuld niet kon bewijzen zou hij veroordeeld worden<br />
tot verbanning of in ieder geval tot heel wat jaren ge<strong>van</strong>genisstraf.<br />
Zij vroeg me dus met klem of ik, in naam <strong>van</strong> die arme vrouw,<br />
met wie ze zeer begaan was, voor haar die gunst wilde verkrijgen.<br />
Na dit verzoek ging ik naar school en onderweg vertelde ik aan<br />
mijn neefje en nichtje wat er gevraagd was. In Fatima aangekomen<br />
zei Francisco tegen mij:<br />
– Weet je wat? Terwijl jij naar school gaat, blijf ik bij de<br />
verborgen Jezus en vraag ik hem die gunst.<br />
Na schooltijd ging ik hem halen en vroeg:<br />
– Heb je die gunst aan Onze Lieve Heer gevraagd?<br />
– Ja, zeg maar tegen je zus Teresa dat hij binnen een paar<br />
dagen thuis komt.<br />
En inderdaad, enkele dagen later was de ongelukkige<br />
jongeman weer thuis en op de dertiende kwam hij met het hele<br />
gezin Onze Lieve Heer bedanken voor de ont<strong>van</strong>gen genade.<br />
Een andere keer merkte ik op, toen ik naar buiten liep, dat<br />
Francisco heel langzaam liep.<br />
– Wat heb je? vroeg ik, het is net of je niet kan lopen!<br />
– Ik heb verschrikkelijke hoofdpijn. Ik heb het gevoel alsof<br />
ik ga vallen.<br />
– Ga dan niet weg, blijf thuis.<br />
– Nee, ik blijf liever in de kerk bij de verborgen Jezus, terwijl<br />
jij naar school gaat.<br />
Op een <strong>van</strong> die dagen toen Francisco zijn wandelingetje<br />
nog kon maken, hoewel hij ziek was, ging ik met hem naar Lapa<br />
do Cabeço en de Valinhos. Thuis troffen we een heleboel mensen<br />
aan en een arme vrouw was bezig allerlei devotie-artikelen, zoals<br />
rozenkransen, medailles, kruisen enz. te zegenen. Een kring mensen<br />
ging onmiddellijk om Jacinta en mij staan om allerlei dingen<br />
te vragen. Die arme vrouw klampte Francisco aan en vroeg hem<br />
haar te assisteren.<br />
166
– Ik kan niet zegenen mevrouw, antwoordde hij ernstig, en u<br />
ook niet! Dat is werk voor priesters!<br />
Die zin <strong>van</strong> het kleine joch ging onmiddellijk <strong>van</strong> de een op<br />
de ander, alsof hij door een luidspreker had gesproken en de arme<br />
vrouw zag zich genoodzaakt meteen op te houden, tot ontevredenheid<br />
<strong>van</strong> degenen die haar zojuist voorwerpen hadden<br />
gegeven om gezegend te worden.<br />
In het geschrift over Jacinta heb ik al gezegd dat hij er nog<br />
één keer in slaagde naar de Cova da Iria te gaan; dat hij het touw<br />
gebruikte en het later aan mij gaf; dat hij op een snikhete dag de<br />
eerste was die het offer bracht om niet te drinken en dat hij, af en<br />
toe, zijn zusje op de gedachte bracht te lijden voor de zondaars,<br />
enz. Ik geloof dat ik het daarom hier niet nog eens hoef te zeggen.<br />
Ik hield hem eens een beetje gezelschap bij zijn bed, samen<br />
met zijn zusje, die even was opgestaan. Plotseling komt zijn zus<br />
Teresa waarschuwen dat er een heleboel mensen in aantocht<br />
waren, ongetwijfeld op zoek naar ons. Zo gauw ze weg was zei ik<br />
tegen hun:<br />
– Oké, jullie wachten hier, ik ga me verstoppen.<br />
Jacinta kon nog net achter me aanrennen en daar kropen<br />
we in een groot vat dat was omgevallen vlakbij de toegang naar<br />
de boomgaard. Even later hoorden wij het geroezemoes <strong>van</strong><br />
mensen die in het huis hadden gekeken en toen naar buiten<br />
kwamen aan de kant <strong>van</strong> de boomgaard. Ze stonden zelfs met<br />
hun neus op dat vat, dat onze redding was want de opening was<br />
precies aan de andere kant.<br />
Zodra we in de gaten hadden dat ze weg waren, kwamen we<br />
uit onze schuilplaats tevoorschijn en gingen naar Francisco toe,<br />
die ons vertelde wat er gebeurd was.<br />
– Het waren veel mensen en ze wilden dat ik hun vertelde<br />
waar jullie zaten, maar ik wist het ook niet. Ze wilden ons zien en<br />
ons veel vragen stellen. Er was ook een vrouw uit Alqueidão, die<br />
vroeg om de genezing <strong>van</strong> een zieke en de bekering <strong>van</strong> een<br />
zondaar. Nou, ik bid voor die vrouw en jullie voor de anderen. Dat<br />
zijn er heel veel hoor.<br />
Kort na de dood <strong>van</strong> Francisco kwam die vrouw terug. Ze<br />
vroeg ons het graf <strong>van</strong> Francisco te wijzen. Ze wilde er heen om<br />
hem te bedanken voor de beide gunsten die zij hem had<br />
aanbevolen.<br />
167
Op een dag waren we op weg naar de Cova da Iria, toen we<br />
even buiten Aljustrel, in een bocht <strong>van</strong> de weg, werden verast<br />
door een groep mensen die ons, om ons beter te kunnen zien en<br />
horen, op een muurtje zetten. Francisco liet zich daar niet op zetten,<br />
misschien omdat hij bang was eraf te vallen. Daarna sloop hij,<br />
voetje voor voetje, weg en ging tegen een oude muur aan de<br />
overkant staan. Toen nu een arme vrouw met een jongen zag dat<br />
ze ons niet afzonderlijk konden spreken, knielden ze met z’n<br />
tweeën neer voor Francisco om hem te vragen of hij tot Onze<br />
Lieve Vrouw wilde bidden om de genezing <strong>van</strong> de vader en dat de<br />
zoon niet naar het front hoefde (het waren moeder en zoon).<br />
Francisco knielde ook, trok zijn must af en vroeg of ze het<br />
rozenhoedje met hem wilden bidden. Dat wilden ze en ze begonnen<br />
te bidden. Binnen een paar minuten hielden al die mensen op met<br />
hun nieuwsgierige vragen, knielden neer en baden mee. Daarna<br />
gingen ze met ons mee naar de Cova da Iria. Onderweg baden ze<br />
nog een rozenhoedje en ter plekke nog een. Tevreden namen ze<br />
afscheid <strong>van</strong> ons. Die arme vrouw beloofde dat ze zou terugkomen<br />
als ze de gevraagde gunsten had gekregen. Ze kwam nog<br />
verschillende keren terug, niet alleen met haar zoon maar ook<br />
met haar man, die genezen was. (Ze waren <strong>van</strong> de parochie St.<br />
Mamede en we noemden ze de Casaleiros).<br />
16. Francisco wordt ziek<br />
Tijdens zijn ziekte deed Francisco altijd opgeruimd en<br />
tevreden. Soms vroeg ik hem:<br />
– Heb je veel pijn?<br />
– Tamelijk veel, ja. Maar ik vind het niet erg. Ik lijd om Onze<br />
Lieve Heer te troosten. Bovendien ga ik binnenkort naar de hemel!<br />
– Vergeet niet, als je daar bent, te vragen of Onze Lieve<br />
Vrouw mij ook haalt.<br />
– Nee, dat vraag ik niet. Je weet heel goede dat zij nog niet<br />
wil dat je daar komt.<br />
Op de avond vóór zijn dood zei hij tegen mij:<br />
– Luister, ik voel me heel slecht. Nog maar even, en dan ga<br />
ik naar de hemel.<br />
– Denk er dan om: vergeet niet daar veel voor de zondaars<br />
te bidden, voor de H.Vader, voor mij en voor Jacinta.<br />
168
– Ja, dat zal ik doen. Maar weet je, vraag die dingen liever<br />
aan Jacinta want ik ben bang dat ik het vergeet als Onze Lieve<br />
Heer komt! Want ik wil hem vooral troosten.<br />
Op een dag, vroeg in de ochtend, komt zijn zus Teresa mij<br />
roepen:<br />
– Kom vlug, het gaat heel slecht met Francisco en hij zegt<br />
dat hij nog iets tegen je wil zeggen.<br />
Ik kleedde me snel aan en ging naar hem toe. Hij vroeg aan<br />
zijn moeder en broers of ze ons alleen wilden laten omdat wat hij<br />
wilde zeggen geheim was. Ze gingen de deur uit en hij zei:<br />
– Ik wil namelijk biechten om de H.Communie te ont<strong>van</strong>gen<br />
en daarna te sterven. Ik zou willen dat je me zegt of je mij een<br />
zonde hebt zien doen en dat je dat ook aan Jacinta vraagt.<br />
– Je bent wel eens ongehoorzaam geweest aan je moeder,<br />
antwoordde ik, als ze zei dat je thuis moest blijven en dan ging je<br />
mij opzoeken en je verstoppen.<br />
– Dat is zo! Dat heb ik gedaan. Ga nu aan Jacinta vragen of<br />
zij zich er een herinnert.<br />
Ik ging en na een beetje te hebben nagedacht zei ze me:<br />
– Ja, zeg hem dat hij nog vóór de verschijningen <strong>van</strong> Onze<br />
Lieve Vrouw een paar centen <strong>van</strong> vader gestolen had om de<br />
mondharmonica <strong>van</strong> José Marto <strong>van</strong> Casa Velha te kopen; en<br />
ook dat, toen de jongens <strong>van</strong> Aljustrel stenen gooiden naar die<br />
<strong>van</strong> Boleiros, hij er ook een paar gegooid heeft.<br />
Toen ik hem deze inlichting <strong>van</strong> zijn zusje gaf, zei hij:<br />
– Die zonden heb ik al gebiecht maar ik zal ze nog eens<br />
zeggen. Misschien was Onze Lieve Heer zo bedroefd om die<br />
zonden! Maar ook al zou ik niet dood gaan, dan zou ik die dingen<br />
toch niet meer doen. Ik heb er nu spijt <strong>van</strong>.<br />
Hij vouwde zijn handen en bad:<br />
– O mijn Jezus, schenk ons vergiffenis, bevrijd ons <strong>van</strong> het<br />
vuur <strong>van</strong> de hel, breng alle zielen naar de hemel, vooral degenen<br />
die dit het meeste nodig hebben.<br />
– Luister eens, bid jij ook tot Onze Lieve Heer, dat hij me<br />
mijn zonden vergeeft.<br />
– Dat doe ik, wees maar gerust. Als Onze Lieve Heer ze je<br />
niet al had vergeven, dan zou Onze Lieve Vrouw niet pas gezegd<br />
hebben dat ze je komt halen. Nu ga ik naar de H.Mis en ik zal tot<br />
de verborgen Jezus voor je bidden.<br />
169
– En luister: vraag hem dat mijnheer pastoor mij de H.Communie<br />
wil geven.<br />
– Ja, goed.<br />
Toen ik terug kwam uit de kerk, was Jacinta al opgestaan en<br />
zat op zijn bed. Zodra hij me zag vroeg hij me:<br />
– Heb je aan de verborgen Jezus gevraagd of mijnheer<br />
pastoor mij de H.Communie gaat brengen?<br />
– Ja.<br />
– Later in de hemel zal ik voor jou bidden.<br />
– O ja? Nog kort geleden zei je dat je niet voor mij zou bidden!<br />
– Dat was om je vlug naar de hemel te krijgen. Maar als je<br />
wil, dan vraag ik het en daarna doet Onze Lieve Vrouw wat zíj wil.<br />
– Ja, dat wil ik, vraag het maar!<br />
– Goed dan, reken er maar op, ik vraag het.<br />
Ik liet ze alleen en ging naar mijn dagelijkse bezigheden,<br />
het werk en de school. Toen ik hem die avond weer opzocht,<br />
straalde hij <strong>van</strong> blijdschap. Hij had gebiecht en mijnheer pastoor<br />
had beloofd hem de volgende dag de H.Communie te brengen.<br />
De volgende dag na de H.Communie zei hij tegen zijn zusje:<br />
– Vandaag ben ik gelukkiger dan jij, want ik heb de verborgen<br />
Jezus in mijn hart. Ik ga naar de hemel, maar daar zal ik vurig aan<br />
Onze Lieve Heer en Onze Lieve Vrouw vragen of ze jullie ook<br />
binnenkort ophalen.<br />
Die dag bracht ik bijna helemaal door met Jacinta bij zijn<br />
bed. Omdat hij al niet meer in staat was te bidden, vroeg hij of wij<br />
in zijn plaats het rozenhoedje wilden bidden. Daarna zei hij tegen<br />
mij:<br />
– In de hemel zal ik vast veel heimwee naar jou hebben. O,<br />
bracht Onze Lieve Vrouw jou toch ook maar naar de hemel!<br />
– Heimwee? Nee! Stel je voor, dichtbij Onze Lieve Heer en<br />
Onze Lieve Vrouw, die zo goed zijn!<br />
– Dat is waar. Wie weet, misschien herinner ik me jou dan<br />
niet eens meer.<br />
En nu voeg ik daar aan toe:<br />
– Misschien heeft hij inderdaad nooit meer aan mij gedacht!!!<br />
Mij best!<br />
170
17. Heilige dood<br />
Het was al laat in de avond toen ik afscheid <strong>van</strong> hem nam.<br />
– Dag Francisco! Als je <strong>van</strong>nacht naar de hemel gaat, vergeet<br />
je mij daar toch niet hè?<br />
En hij pakte mijn rechterhand, drukte die een tijd krachtig,<br />
terwijl hij me aankeek met tranen in zijn ogen.<br />
– Wil je nog iets? vroeg ik hem, terwijl ook mij de tranen<br />
over mijn wangen liepen.<br />
– Nee, antwoordde hij met verstikte stem.<br />
Omdat de ontroering te groot werd, leidde mijn tante mij de<br />
kamer uit.<br />
– Dag Francisco, vaarwel! Tot in de hemel!...<br />
En de hemel ging open. De volgende dag 11 vloog hij er heen,<br />
in de armen <strong>van</strong> zijn hemelse moeder.<br />
Het heimwee is onbeschrijfelijk. Het is een trieste doorn, die<br />
het hart doorpriemt, nog jaren lang! Het is de herinnering aan het<br />
verleden, met haar echo in de eeuwigheid.<br />
Het was nacht.. en ik droomde rustig<br />
Dat op zo’n feestelijke, begeerde dag<br />
Een hemelse verstrengeling, met kracht<br />
Tussen ons en de engelen werd bezegeld!<br />
Een onvoorstelbaar gouden kroon<br />
Van bloemen schoot op uit de grond!<br />
Die leek op wat de hemel biedt<br />
In de hemelse volmaaktheid <strong>van</strong> mijn heimwee!<br />
De moederlijke mond… de vreugde, de glimlach!<br />
In het hemels paradijs… leef in God!<br />
Met wonderbaarlijke liefde, met verheven vreugden,<br />
Vlogen deze jaren voorbij… zo kort… vaarwel!<br />
11 Die ‘volgende’ dag was 4 april 1919.<br />
171
18. Nog enige liedjes<br />
Aangezien Dr.Galamba gevraagd heeft of ik profane liedjes<br />
wilde opschrijven en ik er al een paar heb opgeschreven in het<br />
verloop <strong>van</strong> de geschiedenis over Francisco, schrijf ik er hier nog<br />
een paar op, voordat ik met een ander onderwerp verder ga. Zo<br />
kan u, als er toevallig een voor een of ander doel gebruikt kan<br />
worden, iets uitkiezen.<br />
172<br />
Het meisje <strong>van</strong> de bergen<br />
Meisje <strong>van</strong> de bergen, meisje <strong>van</strong> de bergen,<br />
Met ogen zo bruin!<br />
Wie gaf jou, meisje <strong>van</strong> de bergen,<br />
Bekoorlijkheid zo groot?...<br />
Bekoorlijkheid zo groot?...<br />
Nooit zag ik zo een!!!<br />
Meisje <strong>van</strong> de bergen, meisje <strong>van</strong> de bergen,<br />
Heb medelij met mij.<br />
Heb medelij met mij.<br />
Meisje <strong>van</strong> de bergen, meisje <strong>van</strong> de bergen,<br />
Heb medelij met mij!!!<br />
Meisje <strong>van</strong> de bergen, meisje <strong>van</strong> de bergen,<br />
Met wapperende rok,<br />
Wie gaf jou, meisje <strong>van</strong> de bergen,<br />
Die sierlijke houding?<br />
Die sierlijke houding!<br />
Nooit zag ik zo een!!! Enz.<br />
Meisje <strong>van</strong> de bergen, meisje <strong>van</strong> de bergen,<br />
Met rozerood jakje!<br />
Wie gaf jou, meisje <strong>van</strong> de bergen,<br />
Een kleur, zo bekoorlijk?<br />
Een kleur, zo bekoorlijk!<br />
Nooit zag ik zo een!!! Enz.<br />
Meisje <strong>van</strong> de bergen, meisje <strong>van</strong> de bergen,<br />
Met goud gesmukt!<br />
Wie gaf jou, meisje <strong>van</strong> de bergen,
Een rok, zo wijd?<br />
Een rok, zo wijd!<br />
Nooit zag ik zo een!!! Enz.<br />
Wees voorzichtig<br />
Beklim je de bergen,<br />
Doe het langzaam.<br />
Kijk uit dat je niet valt<br />
In een kuil!<br />
In een kuil<br />
Zal ik niet vallen,<br />
Want de meisjes <strong>van</strong> de bergen<br />
Gaan me helpen.<br />
Gaan me helpen,<br />
Of ze ’t willen of niet.<br />
Meisjes <strong>van</strong> de bergen, meisjes naar mijn hart!!!<br />
Zij gaan me helpen.<br />
Ze gaan me verzorgen.<br />
Het zijn de meisjes <strong>van</strong> de bergen<br />
Ze zijn goed om <strong>van</strong> te houden!<br />
Goed om <strong>van</strong> te houden,<br />
Of ze ’t willen of niet.<br />
Meisjes <strong>van</strong> de bergen, meisjes naar mijn hart!!!<br />
II. DE GESCHIEDENIS VAN DE VERSCHIJNINGEN<br />
Voorwoord<br />
Excellentie, nu komt de lastigste bladzijde <strong>van</strong> alle die u me<br />
heeft opgedragen te schrijven. Nadat u me de opdracht had<br />
gegeven om in ’t bijzonder de verschijningen <strong>van</strong> de engel te<br />
beschrijven, met alle details en bijzonderheden en, voor zover<br />
mogelijk, zelfs met de inwendige uitwerkingen, komt Dr.Galamba<br />
ook nog vragen of ik de verschijningen <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw wil<br />
beschrijven.<br />
173
– Zeg haar, zei hij kortgeleden in Valença, dat ze alles moet<br />
opschrijven, maar dan ook alles.<br />
Wat zal ik nog lang in het vagevuur moeten branden <strong>van</strong>wege<br />
zoveel dingen die ik niet gezegd heb!<br />
Maar in dat verband ben ik niet bang voor het vagevuur. Ik<br />
heb altijd gehoorzaamd. En gehoorzaamheid verdient geen blaam<br />
of straf. Ten eerste heb ik gehoorzaamd aan de innerlijke inspraken<br />
<strong>van</strong> de H.Geest. Vervolgens aan de opdrachten <strong>van</strong> hen die<br />
spraken in zijn naam. Dat was ook precies de eerste opdracht en<br />
raad die de goede God zich verwaardigde door middel <strong>van</strong> u aan<br />
mij te geven.<br />
Tevreden en gelukkig herinner ik me wat de pastoor <strong>van</strong><br />
Torres Novas mij destijds zei:<br />
– Het geheim <strong>van</strong> de dochter <strong>van</strong> de koning bevindt zich<br />
geheel in haar binnenste.<br />
En terwijl ik daar langzaam de betekenis <strong>van</strong> begon te<br />
doorgronden, zei ik:<br />
– Mijn geheim is voor mij.<br />
Maar nu zeg ik dat niet meer! Geslachtofferd op het altaar<br />
<strong>van</strong> de gehoorzaamheid zeg ik:<br />
– Mijn geheim behoort God toe. Ik heb het in zijn handen<br />
gelegd. Laat hij ermee doen wat hem goeddunkt.<br />
Dr Galamba zei dus:<br />
– Excellentie, zeg haar dat zij alles, maar dan ook alles vertelt<br />
en dat ze niets verbergt. En u, beslist bijgestaan door de H.Geest,<br />
zei het volgende:<br />
– Dat ga ik niet opdragen. Ik wil me niet mengen in geheimen<br />
12 .<br />
Gelukkig! Iedere andere opdracht zou voor mij een bron<br />
<strong>van</strong> radeloosheid en scrupules geweest zijn. Bij de tegenovergestelde<br />
opdracht zou ik me wel duizendmaal hebben afgevraagd<br />
wie ik moest gehoorzamen: God of zijn plaatsver<strong>van</strong>ger. En als ik<br />
geen oplossing gevonden had, zou ik er misschien een blijvende<br />
innerlijke marteling aan over gehouden hebben.<br />
Daarna zei u, sprekend in naam <strong>van</strong> God:<br />
12 Dit is de reden dat Lucia, hier, het derde deel <strong>van</strong> het geheim niet beschrijft.<br />
174
– <strong>Zuster</strong>, schrijf de geschiedenis <strong>van</strong> de engel en <strong>van</strong> Onze<br />
Lieve Vrouw want, mijn beste zuster, het is voor de glorie <strong>van</strong><br />
God en Onze Lieve Vrouw.<br />
Wat is God goed! Hij is de God <strong>van</strong> de vrede en voert hen<br />
die op hem vertrouwen langs deze weg.<br />
Ik begin dus aan mijn nieuwe taak en zal de opdracht <strong>van</strong> u<br />
en de wensen <strong>van</strong> Dr.Galamba vervullen. Met uitzondering <strong>van</strong><br />
het deel <strong>van</strong> het geheim dat mij op het ogenblik niet toegestaan is<br />
te openbaren, zal ik alles zeggen. Niets zal ik opzettelijk weglaten.<br />
Ik denk wel dat ik enkele kleinigheden die niet zo belangrijk zijn,<br />
zal vergeten.<br />
1. De verschijningen <strong>van</strong> de engel<br />
Voor zover ik het ongeveer kan schatten, lijkt me dat het in<br />
1915 was dat de eerste verschijning plaats vond <strong>van</strong> wat ik houd<br />
voor de engel, die zich toentertijd nog niet volledig bekend wilde<br />
maken. Afgaande op het seizoen, denk ik dat ze plaats vonden in<br />
de maanden april tot augustus.<br />
Op de helling <strong>van</strong> de heuvel, aan de zuidkant, zag ik met<br />
mijn vriendinnetjes Teresa Matias, haar zusje Maria Rosa Matias<br />
en Maria Justino uit het gehucht Casa Velha, tijdens het bidden<br />
<strong>van</strong> de rozenkrans dat er boven de bomen <strong>van</strong> het dal dat zich<br />
aan onze voeten uitstrekte, iets als een wolk zweefde, witter dan<br />
sneeuw, enigszins doorzichtig, met de vorm <strong>van</strong> een mens. Mijn<br />
vriendinnetjes vroegen wat dat was. Ik zei dat ik het niet wist. Op<br />
verschillende dagen gebeurde dat nog twee keer.<br />
Die verschijning liet in mijn geest een indruk achter die ik<br />
niet nader kan omschrijven. Langzamerhand vervaagde die indruk<br />
en ik geloof dat die, zonder de feiten die daarop volgden, mettertijd<br />
helemaal zou zijn uitgewist.<br />
De data kan ik niet precies aangeven, want in die tijd kon ik<br />
de jaren, maanden en zelfs niet de dagen <strong>van</strong> de week opzeggen.<br />
Het lijkt me, intussen, dat het in de lente <strong>van</strong> 1916 was, dat de<br />
engel ons voor de eerste keer in Lapa do Cabeço verscheen.<br />
In het geschrift over Jacinta heb ik al gezegd dat we de<br />
helling opliepen, op zoek naar een schuilplaats en dat wij, nadat<br />
we onze boterhammen hadden opgegeten en gebeden hadden,<br />
op zekere afstand boven de bomen in oostelijk richting een licht<br />
175
egonnen waar te nemen, dat blanker was dan sneeuw en de<br />
vorm had <strong>van</strong> een jongeman, doorzichtig, schitterender dan een<br />
kristal waar de stralen <strong>van</strong> de zon doorheen fonkelen. Naarmate<br />
hij dichterbij kwam, konden wij de vormen <strong>van</strong> zijn lichaam<br />
onderscheiden. We stonden versteld en min of meer perplex. We<br />
zeiden geen woord. Toen hij bij ons kwam zei hij:<br />
– Wees maar niet bang. Ik ben de Engel <strong>van</strong> de Vrede. Bidt<br />
met mij.<br />
Hij knielde diep neer en boog daarbij zijn hoofd tot op de<br />
grond. Gedreven door een bovennatuurlijke kracht, deden we hem<br />
na en zeiden de woorden na die we hem hoorden spreken:<br />
– Mijn God, ik geloof in u, ik aanbid u, ik hoop op u, ik houd<br />
<strong>van</strong> u. Ik vraag vergiffenis voor hen die niet geloven, u niet<br />
aanbidden, niet op u hopen en niet <strong>van</strong> u houden.<br />
Nadat hij dat drie keer herhaald had, kwam hij overeind en<br />
zei:<br />
– Zo moeten jullie bidden. De Harten <strong>van</strong> Jezus en Maria<br />
luisteren naar de stem <strong>van</strong> jullie smeekbeden.<br />
Toen verdween hij.<br />
De sfeer <strong>van</strong> het bovennatuurlijke die om ons zweefde was<br />
zo intens, dat we ons er een hele tijd niet <strong>van</strong> bewust waren dat<br />
we nog leefden, terwijl we in de houding bleven waarin hij ons had<br />
achtergelaten en telkens hetzelfde gebed opzegden. De tegenwoordigheid<br />
<strong>van</strong> God was zo intens en inwendig tussen ons, dat<br />
we zelfs niet met elkaar durfden te praten. De volgende dag<br />
voelden we onze geest nog steeds gehuld in die sfeer, die slechts<br />
langzaam verdween.<br />
Met betrekking tot die verschijning dacht niemand eraan<br />
erover te praten of ook maar af te spreken dat het geheim zou<br />
blijven. Dit drong zich <strong>van</strong>zelf op. Het was zo intiem, dat het niet<br />
makkelijk was er een enkel woord over te uiten. Misschien maakte<br />
de verschijning ook zo’n diepe indruk omdat het de eerste was die<br />
zo duidelijk was.<br />
De tweede moet in hartje zomer zijn geweest, in die dagen<br />
waarin het zó heet was dat we halverwege de ochtend naar huis<br />
gingen en pas in de namiddag weer terug kwamen. We brachten<br />
de middaguren dus door in de schaduw <strong>van</strong> de bomen rondom de<br />
put, waarover ik het al verschillende keren heb gehad. Plotseling<br />
zagen we dezelfde engel bij ons:<br />
176
– Wat doen jullie? Jullie moeten bidden, veel bidden. De<br />
Harten <strong>van</strong> Jezus en Maria hebben plannen <strong>van</strong> barmhartigheid<br />
met jullie. Biedt voortdurend gebeden een offers aan ter ere <strong>van</strong><br />
de Allerhoogste.<br />
– Hoe moeten we offers brengen? vroeg ik.<br />
– Maak <strong>van</strong> alles wat je kan een offer als akte <strong>van</strong> eerherstel<br />
voor de zonden waardoor hij beledigd wordt en voor de bekering<br />
<strong>van</strong> de zondaars. Verkrijg zo de vrede over jullie vaderland. Ik<br />
ben zijn engelbewaarder, de Engel <strong>van</strong> Portugal. Aanvaard en<br />
verdraag vooral nederig het lijden dat de Heer jullie sturen zal.<br />
Deze woorden prentten zich in onze geest als een licht<br />
waardoor we begrepen wie God is, hoeveel hij <strong>van</strong> ons houdt en<br />
bemind wil worden, de waarde <strong>van</strong> het offer en hoe hem dat<br />
behaagt en dat hij omwille daar<strong>van</strong> de zondaars bekeert. Daarom<br />
begonnen we <strong>van</strong>af dat moment alles wat een offer voor ons was,<br />
God aan te bieden. Maar we deden geen moeite andere verstervingen<br />
of boete te zoeken dan uren achtereen op de grond<br />
gebogen te blijven, terwijl we telkens het gebed opzegden dat de<br />
engel ons geleerd had.<br />
Het lijkt me dat de derde verschijning ergens in oktober of<br />
eind september moet hebben plaats gevonden, want we gingen al<br />
niet meer voor de middagrust naar huis. Zoals al gezegd in het<br />
geschrift over Jacinta, liepen we <strong>van</strong> de Prégueira, een kleine<br />
olijfplantage <strong>van</strong> mijn vader, naar de Lapa, terwijl we om de helling<br />
<strong>van</strong> de berg draaiden aan de kant <strong>van</strong> Aljustrel en Casa Velha.<br />
Daar baden we ons rozenhoedje en het gebed dat de engel ons bij<br />
de eerste verschijning had geleerd. Op die plek dus vond zijn<br />
derde verschijning plaats. Hij droeg daarbij een kelk in zijn hand<br />
en daarboven een hostie, waaruit een paar druppels bloed in de<br />
kelk drupten. De kelk en de hostie liet hij toen in de lucht zweven,<br />
boog zich tot op de grond en herhaalde driemaal het gebed:<br />
– Allerheiligste Drieëenheid, Vader, Zoon, en H.Geest, ik<br />
aanbid u met de grootste eerbied en ik offer u op het allerkostbaarst<br />
Lichaam en Bloed, de Ziel en de Godheid <strong>van</strong> Jezus Christus,<br />
aanwezig in alle tabernakels op aarde, tot eerherstel <strong>van</strong> de<br />
beledigingen, heiligschennissen en onverschilligheid waarmee hij<br />
wordt beledigd. En door de oneindige verdiensten <strong>van</strong> zijn<br />
allerheiligst Hart en <strong>van</strong> het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria bid ik u om<br />
de bekering <strong>van</strong> de arme zondaars.<br />
177
Daarna stond hij weer op, pakte de kelk en de hostie weer in<br />
zijn hand en wat in de kelk was gaf hij aan Jacinta en Francisco,<br />
tegelijkertijd zeggend:<br />
– Neemt en drinkt het Lichaam en Bloed <strong>van</strong> Jezus Christus,<br />
vreselijk beledigd door de ondankbare mensen. Brengt eerherstel<br />
voor hun misdaden en troost jullie God.<br />
Weer boog hij zich ter aarde en zegde driemaal hetzelfde<br />
gebed:<br />
– Allerheiligste Drieëenheid, enz…<br />
Daarna verdween hij.<br />
Onder invloed <strong>van</strong> de bovennatuurlijke kracht die ons<br />
omhulde, deden we alles <strong>van</strong> de engel na, dat wil zeggen, we<br />
bogen met hem naar de grond en herhaalden de gebeden die hij<br />
zei. De kracht <strong>van</strong> de aanwezigheid <strong>van</strong> God was zo intens dat ze<br />
ons bijna helemaal in zich opnam en vernietigde. Ze leek ons<br />
zelfs een hele tijd <strong>van</strong> onze zintuigen te beroven. In die dagen<br />
verrichtten we de materiële handelingen alsof we door hetzelfde<br />
bovennatuurlijk wezen daartoe gebracht werden, dat ons daartoe<br />
aanzette. De vrede en het geluk dat we voelden was groot, maar<br />
alleen inwendig, met onze ziel volledig gericht op God. Ook de<br />
lichamelijke afmatting was groot.<br />
2. Het zwijgen <strong>van</strong> Lucia<br />
Ik weet niet waarom, maar een feit is dat de verschijningen<br />
<strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw een andere uitwerking op ons hadden. Het<br />
was dezelfde innerlijke vreugde, maar in plaats <strong>van</strong> die lichamelijke<br />
afmatting was er een zekere dynamische beweeglijkheid. In plaats<br />
<strong>van</strong> die vernietiging in de goddelijke tegenwoordigheid: een zeker<br />
mededeelzaam enthousiasme. Toch voelde ik, ondanks deze gevoelens,<br />
de ingeving om te zwijgen, tenminste over bepaalde<br />
dingen. Bij de ondervragingen voelde ik de innerlijke ingeving,<br />
die me de antwoorden aanreikte zonder de waarheid te kort te<br />
doen en niet bekend maakten wat ik voorlopig moest verbergen.<br />
Op dat gebied heb ik alleen één twijfel, namelijk of ik in het<br />
canoniek onderzoek niet álles had moeten zeggen. Toch heb ik<br />
geen gewetensbezwaar over dat ik gezwegen heb, want in die tijd<br />
kende ik nog niet het belang <strong>van</strong> dat onderzoek. Ik vatte het dus<br />
op als een <strong>van</strong> de gebruikelijke ondervragingen. Ik was alleen wel<br />
178
verbaasd over het feit dat ik de eed moest afleggen. Maar omdat<br />
het mijn biechtvader was die me dat opdroeg en ik zwoer dat ik de<br />
waarheid sprak, deed ik het zonder probleem. Ik had er nauwelijks<br />
enig idee <strong>van</strong>, welk voordeel de duivel hier later uit zou trekken<br />
om mij later met eindeloze scrupules te kwellen. Maar gelukkig is<br />
dat allemaal achter de rug.<br />
Er is nog een andere reden die me verzekert dat ik er goed<br />
aan deed te zwijgen. In het verloop <strong>van</strong> het canoniek onderzoek<br />
vond een <strong>van</strong> de ondervragers, de heer Dr.Marques <strong>dos</strong> Santos,<br />
dat hij de vragenlijst wel kon verlengen. Voordat ik antwoord gaf,<br />
vroeg ik met mijn blik raad aan mijn biechtvader. Deze hielp me<br />
uit mijn verlegenheid en antwoordde in mijn plaats. Hij maakte de<br />
ondervrager er op attent dat hij de hem toegestane rechten<br />
overschreed.<br />
Bijna hetzelfde overkwam me bij de ondervraging door de<br />
heer Dr.Fischer. Met toestemming <strong>van</strong> u en <strong>van</strong> de eerwaarde<br />
Moeder Provinciaal leek hij het recht te hebben mij alles te vragen.<br />
Maar gelukkig was mijn biechtvader er ook. Op zeker moment<br />
kwam er een spitsvondige vraag over het geheim. Ik was radeloos<br />
en wist niet wat ik moest zeggen. Eén blik en mijn biechtvader<br />
begreep het ook en gaf antwoord in mijn plaats. De ondervrager<br />
begreep het ook en beperkte zich er toe wat tijdschriften in te zien<br />
die voor hem lagen.<br />
Zo liet God zien dat het door hem gewilde ogenblik nog niet<br />
was aangebroken.<br />
Nu ga ik dan over tot de beschrijving <strong>van</strong> de verschijningen<br />
<strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw. Ik zal niet blijven stilstaan bij de omstandigheden<br />
die eraan vooraf gingen, omdat Dr.Galamba zo<br />
vriendelijk is geweest mij daar<strong>van</strong> te ontslaan.<br />
3. Dertien mei<br />
13 mei 1917. Ik was met Jacinta en Francisco op de helling<br />
<strong>van</strong> de Cova da Iria aan het spelen en we bouwden een muurtje<br />
om een paar struiken heen, toen we plotseling iets zagen dat leek<br />
op een bliksemschicht.<br />
– We kunnen beter naar huis gaan, zei ik tegen mijn neefje<br />
en nichtje, want het bliksemt. Het kan gaan onweren.<br />
– Ja, dat lijkt ons ook.<br />
179
– En we begonnen de helling af te dalen en dreven intussen<br />
de schapen in de richting <strong>van</strong> de weg. Toen we ongeveer halverwege<br />
de helling waren, dicht bij een grote steeneik, zagen we<br />
weer een bliksem en een paar passen verder zagen we boven<br />
een eik een Dame, helemaal in het wit gekleed, schitterender dan<br />
de zon, helderder en intenser dan een kristallen glas dat met helder<br />
water is gevuld en waar de stralen <strong>van</strong> de felste zon doorheen<br />
schieten. Stomverbaasd door de verschijning bleven we staan.<br />
We waren zo dichtbij, dat wij in het licht stonden dat haar omgaf<br />
of dat zij uitstraalde, misschien op anderhalve meter afstand.<br />
Toen zei Onze Lieve Vrouw tegen ons:<br />
– Wees niet bang, ik doe jullie geen kwaad.<br />
– Waar komt u <strong>van</strong>daan? vroeg ik.<br />
– Ik kom uit de hemel.<br />
– En wat wilt u <strong>van</strong> me? – Ik ben gekomen om aan jullie te<br />
vragen op zes achtereenvolgende maanden hier te komen, op de<br />
dertiende, op dezelfde tijd. Daarna zal ik jullie zeggen wie ik ben<br />
en wat ik wil. Daarna zal ik hier nog een zevende keer 13 terugkomen.<br />
– En kom ik ook in de hemel?<br />
– Ja, jij komt er ook.<br />
– En Jacinta?<br />
– Ook.<br />
– En Francisco?<br />
– Ook, maar hij zal veel rozenhoedjes moeten bidden.<br />
Toen kwam de gedachte bij me op, iets te vragen over twee<br />
meisjes die kortgeleden gestorven waren. Ze waren vriendinnen<br />
<strong>van</strong> mij en leerden bij ons thuis weven <strong>van</strong> mijn oudste zusje.<br />
– Is Maria das Neves al in de hemel?<br />
– Ja, ze is in de hemel.<br />
Het lijkt me dat ze zo ongeveer zestien jaar geweest moest<br />
zijn.<br />
– En Amélia?<br />
– Ze zal in het vagevuur blijven tot het eind <strong>van</strong> de wereld.<br />
13 Die ‘zevende keer’ vond plaats op 15 juni 1921, op de avond vóór haar<br />
vertrek naar het internaat <strong>van</strong> Vilar in O Porto. Het was een verschijning<br />
met een persoonlijke boodschap voor Lucia, die zij daarom niet openbaar<br />
maakte.<br />
180
Het lijkt mij dat ze tussen de achttien en twintig jaar oud<br />
geweest moest zijn.<br />
– Willen jullie je aan God opofferen om al het lijden te<br />
verdragen dat hij jullie sturen zal, tot eerherstel <strong>van</strong> de zonden<br />
waarmee hij beledigd wordt en als smeekbede voor de bekering<br />
<strong>van</strong> de zondaars?<br />
– Ja, dat willen we.<br />
– Jullie zullen dan veel moeten lijden. Maar de genade <strong>van</strong><br />
God zal jullie steun zijn.<br />
Bij het uitspreken <strong>van</strong> die woorden (de genade enz.) opende<br />
zij voor de eerste keer haar handen, terwijl ze ons een intens licht<br />
instraalde, als weerkaatsing <strong>van</strong>uit haar handen. Het drong door<br />
in het diepst <strong>van</strong> onze ziel en liet onszelf zien in God, die dat licht<br />
was op een wijze die helderder was dan wij onszelf zien in een<br />
spiegel. Toen vielen we, door een innerlijke aandrang die ons ook<br />
was meegedeeld, op onze knieën en baden innerlijk:<br />
– O Allerheiligste Drieëenheid, ik aanbid u mijn God, mijn<br />
God, ik bemin u in het Allerheiligst Sacrament.<br />
Na die eerste ogenblikken voegde Onze Lieve Vrouw er nog<br />
aan toe;<br />
– Bidt iedere dag het rozenhoedje om de vrede voor de<br />
wereld te verkrijgen en het einde <strong>van</strong> de oorlog.<br />
Daarna steeg ze langzaam op, in oostelijke richting, totdat<br />
ze in de onmetelijkheid <strong>van</strong> de afstand verdween. Het licht dat<br />
haar omgaf opende als het ware een weg in het hemelgewelf,<br />
reden waarom we soms zeiden dat we de hemel zagen opengaan.<br />
Het lijkt me dat ik in het geschrift over Jacinta of in een brief<br />
al heb uitgelegd dat de angst die we voelden eigenlijk niet Onze<br />
Lieve Vrouw betrof, maar wel dat er onweer op komst was. De<br />
verschijningen <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw veroorzaken geen angst of<br />
vrees, wel verwondering. Als iemand mij vroeg of ik bang geweest<br />
was en ik zei dat dat zo was, dan betrof dat de angst die ik had<br />
voor de bliksems en voor het onweer waar<strong>van</strong> ik dacht dat het op<br />
komst was. En daarom wilden we juist vluchten, want we waren<br />
gewend bij bliksems onweer te krijgen.<br />
De bliksemschichten waren trouwens ook niet bliksem in de<br />
eigenlijke zin <strong>van</strong> het woord, maar de weerkaatsing <strong>van</strong> een<br />
naderend licht. Omdat we dat licht al zagen, zeiden we soms dat<br />
we Onze Lieve Vrouw zagen aankomen, maar eigenlijk onder-<br />
181
scheidden we Onze Lieve Vrouw in dat licht alleen op het ogenblik<br />
dat ze boven de steeneik stond. Het feit dat we niet wisten hoe we<br />
dat moesten uitleggen en omdat we verdere vragen wilden<br />
vermijden, was de reden dat we nu eens zeiden dat we haar zagen<br />
komen en dan weer <strong>van</strong> niet. Als we zeiden dat we haar wèl zagen<br />
komen, dan bedoelden we dat we dat licht zagen komen dat zij,<br />
uiteindelijk, was. En als we zeiden dat we haar niet zagen komen,<br />
dan bedoelden we dat we Onze Lieve Vrouw zelf eigenlijk pas<br />
zagen wanneer ze al boven de steeneik stond.<br />
4. Dertien juni<br />
13 juni 1917. Nadat ik het rozenhoedje had gebeden met<br />
Jacinta en Francisco en nog andere aanwezigen, zagen we weer<br />
de afglans <strong>van</strong> het naderend licht dat wij bliksem noemden en<br />
daarna Onze Lieve Vrouw boven de eik, precies hetzelfde als in<br />
mei.<br />
– Wat wilt u <strong>van</strong> me? vroeg ik.<br />
– Ik wil dat jullie de dertiende <strong>van</strong> de volgende maand hier<br />
komen, dat jullie regelmatig het rozenhoedje bidden en dat jullie<br />
leren lezen. Daarna zal ik zeggen wat ik wil.<br />
Ik vroeg om de genezing <strong>van</strong> een zieke.<br />
– Als hij zich bekeert, zal hij in de loop <strong>van</strong> het jaar beter<br />
worden.<br />
– Ik zou u willen vragen ons mee naar de hemel te nemen.<br />
– Ja, Jacinta en Francisco haal ik binnenkort. Maar jij blijft<br />
hier nog een tijdje. Jezus wil zich <strong>van</strong> jou bedienen om mij te<br />
laten kennen en beminnen. Hij wil in de wereld de devotie tot mijn<br />
Onbevlekt Hart vestigen 14 .<br />
– Blijf ik dan alleen achter? vroeg ik teleurgesteld.<br />
– Nee kindje. Lijd je veel? Verlies de moed niet. Ik zal je<br />
nooit in de steek laten. Mijn Onbevlekt Hart zal je schuilplaats zijn<br />
en de weg die je naar God zal voeren.<br />
14 Hier laat Lucia , misschien door de haast, het eind <strong>van</strong> de paragraaf weg,<br />
dat in andere documenten als volgt luidt: “Wie haar (de godsvrucht tot het<br />
Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria) ten uitvoer brengt, beloof ik de zaligheid en die<br />
zielen zullen door God bemind worden als bloemen, die ik heb geplaatst<br />
ter versiering <strong>van</strong> zijn troon”.<br />
182
Op het moment dat ze die laatste woorden sprak, opende<br />
ze haar handen en deelde ze voor de tweede keer de reflex <strong>van</strong><br />
dat onmetelijke licht mee. Jacinta en Francisco leken te staan in<br />
dat gedeelte <strong>van</strong> het licht dat opwaarts naar de hemel ging, en ik<br />
in het gedeelte dat zich over de aarde verspreidde. Vóór de rechter<br />
handpalm <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw bevond zich een Hart omgeven<br />
met doornen die erin gestoken leken te zijn. Wij begrepen dat dit<br />
het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria was dat, versmaad door de zonden<br />
<strong>van</strong> de mensheid, om eerherstel vroeg.<br />
Excellentie, hierop doelden wij wanneer we zeiden dat Onze<br />
Lieve Vrouw ons in juni een geheim had meegedeeld. Deze keer<br />
vroeg Onze Lieve Vrouw ons nog niet om het geheim te houden,<br />
maar we voelden dat God ons hiertoe aanzette.<br />
5. Dertien juli<br />
13 juli 1917. Enige ogenblikken nadat we in de Cova da Iria<br />
bij de steeneik waren aangekomen zagen we, temidden <strong>van</strong> een<br />
grote volksmenigte tijdens het bidden <strong>van</strong> het rozenhoedje, de<br />
reflex <strong>van</strong> het bekende licht en vervolgens Onze Lieve Vrouw<br />
boven de eik.<br />
– Wat wilt u <strong>van</strong> me? vroeg ik.<br />
– Ik wil dat jullie de dertiende <strong>van</strong> de volgende maand hier<br />
komen, dat jullie doorgaan iedere dag het rozenhoedje te bidden<br />
ter ere <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw <strong>van</strong> de Rozenkrans om de vrede<br />
<strong>van</strong> de wereld te verkrijgen, alsook het einde <strong>van</strong> de oorlog, want<br />
alleen zij kan dat verkrijgen.<br />
– Ik zou u willen vragen ons te zeggen wie u bent en een<br />
wonder te doen, zodat alle mensen geloven dat u ons verschijnt.<br />
– Jullie moeten iedere maand hier komen. In oktober zal ik<br />
zeggen wie ik ben en wat ik wil en zal ik een wonder doen dat<br />
iedereen zal zien, opdat ze geloven.<br />
Op dat ogenblik stelde ik een paar vragen, die ik me niet<br />
goed meer herinner. Wel herinner ik me nog dat Onze Lieve Vrouw<br />
zei dat de mensen de rozenkrans moesten bidden om in dat jaar<br />
de gevraagde gunsten te verkrijgen. En ze vervolgde:<br />
– Jullie moeten je opofferen voor de zondaars en vaak<br />
zeggen, vooral voordat jullie een offer brengen: Jezus, het is uit<br />
liefde tot u, voor de bekering <strong>van</strong> de zondaars en tot eerherstel<br />
183
<strong>van</strong> de zonden, die bedreven zijn tegen het Onbevlekt Hart <strong>van</strong><br />
Maria.<br />
Bij het uitspreken <strong>van</strong> die laatste woorden opende ze weer<br />
haar handen, zoals in de twee vorige maanden.<br />
De weerkaatsing leek in de aarde te dringen en we zagen<br />
een schouwspel als een zee <strong>van</strong> vuur. In dat vuur waren de duivels<br />
en de zielen ondergedompeld. Ze leken doorzichtige, zwarte en<br />
donkerbruine gloeiende kolen met menselijke vormen die in die<br />
vuurgloed dreven, nu eens opgeheven door de vlammen die uit<br />
henzelf opstegen samen met de wolken <strong>van</strong> rook, dan weer naar<br />
alle kanten neervielen zoals vonken bij grote branden, zonder<br />
gewicht of evenwicht. Dat alles onder kreten en zuchten <strong>van</strong> pijn<br />
en wanhoop, wat ons deed huiveren en rillen <strong>van</strong> ontzetting. Bij<br />
deze aanblik moet ik wel de kreet ‘ai!’ geslaakt hebben die de<br />
mensen, naar men zegt, gehoord hebben. De duivels onderscheidden<br />
zich <strong>van</strong> de zielen door hun afschuwelijke en weerzinwekkende<br />
vormen <strong>van</strong> onbekende, schrikaanjagende dieren, maar<br />
ze waren doorzichtig en zwart. Ontzet en als om hulp te vragen,<br />
sloegen we onze ogen op naar Onze Lieve Vrouw, die ons goedig<br />
en bedroefd zei:<br />
– Jullie hebben de hel gezien, waarheen de zielen <strong>van</strong> de<br />
arme zondaars gaan. Om hen te redden, wil God de devotie tot<br />
mijn Onbevlekt Hart in de wereld verbreiden. Als de mensen doen<br />
wat ik jullie zeg, zullen veel zielen worden gered en zal er vrede<br />
zijn. Maar als de mensen niet ophouden God te beledigen, zal er<br />
onder het bestuur <strong>van</strong> Pius XI een nieuwe, nog ergere oorlog<br />
uitbreken. Wanneer jullie een nacht zien, die wordt verlicht door<br />
een onbekend licht 15 , weet dan dat dit het grote teken is, dat God<br />
jullie geeft, dat hij de wereld gaat straffen voor zijn misdaden,<br />
door middel <strong>van</strong> oorlog, honger en vervolgingen <strong>van</strong> de Kerk en<br />
<strong>van</strong> de H.Vader.<br />
Om dit te verhinderen zal ik de toewijding aan mijn Onbevlekt<br />
Hart en de eerherstellende communie op de eerste zaterdagen<br />
komen vragen 16 . Als wordt gedaan wat ik vraag, zal Rusland zich<br />
15 Het gaat hier om het noorderlicht in de nacht <strong>van</strong> 25 januari 1938, een<br />
buitengewoon verschijnsel dat Lucia altijd heeft beschouwd als het teken<br />
dat haar door de hemel beloofd was.<br />
16 Vgl. bijvoegsel I.<br />
184
ekeren en zal er vrede zijn. Zo niet, dan zal het zijn dwalingen<br />
over de hele wereld verspreiden en oorlogen en vervolgingen tegen<br />
de Kerk veroorzaken. De goede mensen zullen gemarteld worden,<br />
de H.Vader zal veel te lijden krijgen en verscheidene naties zullen<br />
vernietigd worden. Mijn Onbevlekt Hart zal uiteindelijk zegevieren.<br />
De H.Vader zal Rusland aan mij toewijden en er zal aan de wereld<br />
enige tijd <strong>van</strong> vrede geschonken worden 17 . In Portugal zal men<br />
altijd het ware geloof bewaren, enz. Dit alles mogen jullie tegen<br />
niemand zeggen.<br />
Wanneer jullie de rozenkrans bidden, zeg dan na ieder<br />
mysterie: o mijn Jezus, vergeef ons; bevrijd ons <strong>van</strong> het vuur <strong>van</strong><br />
de hel; breng alle zielen naar de hemel, vooral degenen die dit<br />
het meest nodig hebben.<br />
Er volgde een ogenblik <strong>van</strong> stilte en ik vroeg:<br />
Wilt u verder nog iets <strong>van</strong> me?<br />
– Nee, <strong>van</strong>daag verder niets.<br />
En zoals gewoonlijk steeg ze omhoog in oostelijke richting<br />
totdat ze verdween in de onmetelijke afstand <strong>van</strong> het uitspansel.<br />
6. Dertien augustus<br />
13 augustus 1917. Omdat ik al heb verteld wat er die dag<br />
was gebeurd, blijf ik daar nu niet bij stilstaan en ga ik over tot de<br />
verschijning, naar mijn mening op de vijftiende, laat in de middag 18 .<br />
Het kan zijn dat ik me vergis, omdat ik in die tijd de dagen nog<br />
niet wist, maar ik denk dat het op dezelfde dag was als die waarop<br />
we <strong>van</strong> Vila Nova de Ourém terugkwamen.<br />
Toen we samen met Francisco en zijn broer João, op een<br />
plek die Valinhos heet, onze schapen aan het weiden waren en we<br />
bemerkten dat er iets bovennatuurlijks naderde, vroegen we aan<br />
João of hij Jacinta wilde roepen, omdat we vermoedden dat Onze<br />
Lieve Vrouw ons zou verschijnen en we het jammer vonden als zij<br />
haar niet zou zien. Eerst wilde hij niet gaan, maar toen ik hem vier<br />
centavos aanbood, ging hij wel.<br />
17 Vgl. bijvoegsel II.<br />
18 Lucia vergist zich als ze zegt dat de verschijning plaats vond op dezelfde<br />
dag waarop de kinderen terug kwamen uit Vila Nova de Ourém. De<br />
verschijning vond plaats op de zondag erna, 19 augustus.<br />
185
Intussen zagen Francisco en ik de reflex <strong>van</strong> het licht dat wij<br />
bliksem noemden en, Jacinta was nauwelijks gearriveerd, of we<br />
zagen Onze Lieve Vrouw boven een eik.<br />
– Wat wilt u <strong>van</strong> me?<br />
– Ik wil dat jullie op de dertiende naar de Cova da Iria blijven<br />
komen en dat jullie iedere dag het rozenhoedje blijven bidden. Op<br />
de laatste dag zal ik het wonder doen, opdat allen geloven.<br />
– Wat wilt u dat gedaan wordt met het geld dat de mensen<br />
achterlaten in de Cova da Iria?<br />
– Er moeten twee berries worden gemaakt. Jij, Jacinta en<br />
nog twee andere meisjes, in het wit gekleed, moeten de ene dragen<br />
en Francisco met drie andere jongens de andere. Het geld <strong>van</strong> de<br />
berries is voor het feest <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw en wat over is, als<br />
bijdrage voor een kapel die gebouwd moet worden.<br />
– Ik zou u willen vragen om de genezing <strong>van</strong> een paar zieken.<br />
– Ja, sommige zal ik in de loop <strong>van</strong> het jaar genezen.<br />
En terwijl haar gezicht een droeviger uitdrukking aannam,<br />
zei ze:<br />
Jullie moeten veel, heel veel bidden en offers brengen voor<br />
de zondaars, want er gaan veel zielen naar de hel omdat er<br />
niemand is die offers voor hen brengt en voor ze bidt.<br />
En zoals gewoonlijk steeg ze langzaam op in oostelijke<br />
richting.<br />
7. 13 september<br />
13 september 1917. Toen de tijd aanbrak, ging ik met Jacinta<br />
op weg temidden <strong>van</strong> een grote menigte mensen die ons ternauwernood<br />
vooruit lieten komen. De straten waren vol volk.<br />
Iedereen wilde ons zien en spreken. Menselijk opzicht was er niet.<br />
Veel mensen, ook deftige dames en heren, die erin slaagden door<br />
de ons omringende menigte heen te dringen, wierpen zich op de<br />
grond en voor ons neergeknield vroegen ze of wij hun noden bij<br />
Onze Lieve Vrouw wilden aanbevelen. Anderen, die niet bij ons<br />
konden komen, riepen uit de verte:<br />
– Bidt alsjeblieft tot Onze Lieve Vrouw dat zij mijn kreupele<br />
zoon geneest!<br />
Een ander:<br />
– En de mijne, die blind is!<br />
186
Weer een ander:<br />
– De mijne, die doof is!<br />
– Dat mijn man terug komt…<br />
– Voor mijn zoon in de oorlog!<br />
– Voor de bekering <strong>van</strong> een zondaar!<br />
– Dat ze me geneest; ik heb TBC!<br />
Enz, enz.<br />
Alle ellende <strong>van</strong> de mensheid kwam daar ter sprake.<br />
Sommigen riepen zelfs <strong>van</strong>uit bomen en <strong>van</strong>af muren waarop ze<br />
geklauterd waren om ons te zien langs komen. Terwijl we aan de<br />
een ‘n toezegging deden, aan anderen een hand gaven om ze te<br />
helpen <strong>van</strong> de stoffige grond op te staan, gingen we zo vooruit,<br />
geholpen door enige heren die ons een weg baanden door de<br />
menigte.<br />
Als ik nu in het Nieuwe Testament die aantrekkelijke taferelen<br />
lees <strong>van</strong> de reizen <strong>van</strong> Onze Lieve Heer door Palestina, dan denk<br />
ik aan wat Onze Lieve Heer me, toen ik nog kind was, liet<br />
meemaken op die armelijke wegen en straten <strong>van</strong> Aljustrel naar<br />
Fatima en naar de Cova da Iria en ik dank God en bied hem het<br />
geloof <strong>van</strong> ons goede Portugese volk aan. En ik denk: als dit volk<br />
zich zo verdringt om drie arme kinderen, alleen maar omdat hun<br />
barmhartig de gunst is toegestaan te spreken met de moeder <strong>van</strong><br />
God, wat zouden ze dan wel niet doen als ze Jezus zelf voor zich<br />
zouden zien?<br />
Oké, maar dit heeft niets met mijn opdracht te maken. Het<br />
was weer zo’n verstrooiing <strong>van</strong> mijn pen, die me ergens heenbracht<br />
waarheen ik niet wilde. Nou ja! Weer zo’n nutteloos iets, maar ik<br />
laat het staan om het schrift niet te verknoeien.<br />
Eindelijk kwamen we dan aan bij de Cova da Iria, bij de eik<br />
en we beginnen met de mensen de rozenkrans te bidden en even<br />
later zien we de lichtstraal en daarna Onze Lieve Vrouw boven de<br />
steeneik.<br />
– Blijven jullie het rozenhoedje bidden om het eind <strong>van</strong> de<br />
oorlog te verkrijgen. In oktober zal Onze Lieve Heer ook komen;<br />
en Onze Lieve Vrouw <strong>van</strong> de Smarten en <strong>van</strong> de Karmel; en de<br />
H.Jozef met het Kind Jezus om de wereld te zegenen. God is<br />
tevreden over jullie offers, maar hij wil niet dat jullie met het touw<br />
om slapen, jullie moeten het alleen overdag dragen.<br />
187
– Er is me verzocht u een heleboel intenties te vragen: de<br />
genezing <strong>van</strong> enige zieken en <strong>van</strong> een doofstomme.<br />
– Ja, enkele zal ik zeker genezen, anderen niet. In oktober<br />
zal ik het wonder doen, opdat iedereen gelooft. En terwijl ze zich<br />
langzaam verhief, verdween ze zoals gewoonlijk.<br />
8. Dertien oktober<br />
13 oktober 1917. We gingen al tamelijk vroeg <strong>van</strong> huis, al<br />
rekening houdend met oponthoud onderweg. Mijn moeder, die bang<br />
was dat dit de laatste dag <strong>van</strong> mijn leven zou zijn, met haar hart<br />
verscheurd door de onzekerheid over wat er ging gebeuren, besloot<br />
met mij mee te gaan. Onderweg: de taferelen <strong>van</strong> de vorige maand,<br />
nu nog veelvuldiger en nog ontroerender. Zelfs de modder <strong>van</strong> de<br />
wegen was voor die mensen geen bezwaar om in de meest nederige<br />
en smekende houding neer te knielen. Aangekomen in de<br />
Cova da Iria bij de steeneik, vroeg ik, door een inwendige impuls<br />
gedreven, aan de mensen of zij hun paraplu’s wilden sluiten en de<br />
rozenkrans gaan bidden. Kort daarop zagen we de lichtstraal en<br />
vervolgens boven de steeneik Onze Lieve Vrouw.<br />
– Wat wilt u <strong>van</strong> me?<br />
– Ik wil je zeggen dat hier een kapel ter ere <strong>van</strong> mij gebouwd<br />
moet worden, dat ik Onze Lieve Vrouw <strong>van</strong> de Rozenkrans ben<br />
en dat jullie door moeten gaan altijd het rozenhoedje te bidden.<br />
De oorlog zal eindigen en de soldaten zullen binnenkort naar huis<br />
terugkeren.<br />
– Ik had heel veel dingen om u te vragen: of u een paar<br />
zieken wilt genezen en of u een paar zondaars wilt bekeren, enz.<br />
– Sommigen wel, anderen niet. Het is nodig dat ze zich<br />
bekeren, dat ze vergiffenis vragen voor hun zonden.<br />
En met een droevigere uitdrukking op haar gezicht:<br />
– Laten de mensen Onze Lieve Heer toch niet nog meer<br />
beledigen; hij is al zo versmaad.<br />
Toen opende zij haar handen en liet ze weerkaatsen op de<br />
zon. En terwijl zij opsteeg, bleef de afglans <strong>van</strong> haar eigen licht<br />
zich projecteren op de zon.<br />
Excellentie, dat was de reden dat ik uitriep dat de mensen<br />
naar de zon moesten kijken. Het was niet mijn bedoeling de<br />
aandacht <strong>van</strong> de mensen daarop te vestigen: ik gaf me trouwens<br />
188
helemaal geen rekenschap <strong>van</strong> hun aanwezigheid. Ik deed dat op<br />
een inwendige impuls.<br />
Nadat Onze Lieve Vrouw in het onmetelijke uitspansel<br />
verdwenen was, zagen we naast de zon de H.Jozef met het Kind<br />
en Onze Lieve Vrouw, in het wit gekleed met een blauwe mantel.<br />
De H.Jozef en het Kind leken de wereld te zegenen met gebaren<br />
<strong>van</strong> hun hand, in de vorm <strong>van</strong> een kruis. Kort daarna, toen deze<br />
verschijning weg was, zag ik Onze Lieve Heer en Onze Lieve<br />
Vrouw, die mij Onze Lieve Vrouw <strong>van</strong> de Smarten leek, Onze<br />
Lieve Heer leek de wereld te zegenen op dezelfde manier als de<br />
H.Jozef. Ook deze verschijning verdween weer en ik denk, dat ik<br />
Onze Lieve Vrouw nog zag, gekleed als Onze Lieve Vrouw <strong>van</strong><br />
de Karmel.<br />
NAWOORD<br />
Ziedaar, Excellentie, de geschiedenis <strong>van</strong> de verschijningen<br />
<strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw in de Cova da Iria, in 1917. Altijd wanneer<br />
ik er om een of andere reden over moest praten, probeerde ik het<br />
zo kort mogelijk te doen, om de intiemste gedeelten, waar<strong>van</strong> de<br />
onthulling me zoveel moeite kostte, alleen voor mijzelf te houden.<br />
Maar omdat ook die gedeelten God toebehoren en niet mij en hij<br />
ze nu in de persoon <strong>van</strong> u opeist, geef ik ze prijs. Ik geef terug wat<br />
niet <strong>van</strong> mij is. Er is niets dat ik met opzet achterhoud. Ik geloof<br />
dat alleen een paar kleinigheden ontbreken aan de smeekbeden<br />
die ik gedaan heb. Omdat het louter materiële zaken betrof, heb<br />
ik daar niet zoveel belang aan gehecht en misschien hebben ze<br />
zich daarom niet zo levendig in mijn geheugen geprent. En ja, het<br />
waren er zoveel, zo heel veel! Misschien kwam het doordat ik<br />
zoveel moeite deed om me de ontelbare vragen te herinneren,<br />
dat men bij vergissing dacht dat de oorlog diezelfde dag nog, de<br />
dertiende, zou ophouden 19 .<br />
Veel mensen waren verbaasd over het geheugen dat God<br />
me heeft willen geven. Door zijn oneindige goedheid ben ik hierin<br />
zeer bevoorrecht, in alle opzichten. Maar bij bovennatuurlijke zaken<br />
19 Lucia deed die uitspraak niet categorisch. Zij zei dit onder de druk <strong>van</strong> de<br />
vele, aanhoudende vragen die haar gesteld werden.<br />
189
is dat niet te verwonderen, want ze prenten zich zo diep in je<br />
geest dat je ze haast niet kán vergeten. Dat wil zeggen, men<br />
vergeet de betekenis, waar het eigenlijk om gaat niet, tenzij God<br />
wil dat ook dat vergeten wordt.<br />
190<br />
NOG ENIGE AANTEKENINGEN OVER JACINTA<br />
Dr. Galamba vraagt me ook of ik nog een gunst kan opschrijven,<br />
die op voorspraak <strong>van</strong> Jacinta is verkregen. Ik heb even<br />
nagedacht en herinner me er maar twee.<br />
1. Een wonderbare genezing<br />
De eerste keer dat de goede mevrouw Emília, over wie ik in<br />
het tweede geschrift over Jacinta schreef, mij kwam halen om me<br />
mee te nemen naar Olival, naar het huis <strong>van</strong> mijnheer pastoor,<br />
ging Jacinta met me mee. Toen we in het dorp waar die goede<br />
weduwe woonde, aankwamen, was het avond. Niettemin verspreidde<br />
het nieuws dat wij daar waren zich als snel en in een<br />
mum <strong>van</strong> tijd was het huis <strong>van</strong> mevr. Emília omsingeld door een<br />
zwerm mensen. Ze wilden ons zien, vragen stellen, gunsten<br />
vragen, enz. Er was ook een vrome vrouw die de gewoonte had<br />
bij haar thuis de rozenkrans te bidden met de mensen uit het dorp<br />
die dat ook wilden. Die mensen nu kwamen vragen of wij naar dat<br />
huis wilden komen om het rozenhoedje mee te bidden. Wij wilden<br />
ons verontschuldigen en zeiden dat wij het al met mevr, Emília<br />
gebeden hadden, maar ze drongen zó aan dat er niets anders op<br />
zat dan maar mee te gaan. Op het nieuws dat wij kwamen ijlde<br />
het volk en masse naar die dame, in de hoop een mooi plaatsje te<br />
bemachtigen. Des te beter, zo hadden wij de weg vrij. Onderweg<br />
kwam een meisje <strong>van</strong> rond de twintig ons huilend tegemoet. Zij<br />
wierp zich op haar knieën en vroeg of wij tenminste een Weesgegroetje<br />
bij haar thuis kwamen bidden voor de genezing <strong>van</strong><br />
haar vader, die al meer dan drie jaar geen rust had door een<br />
aanhoudende hik.<br />
Tegen een toestand als die kon je geen ‘nee’ zeggen. Ik<br />
hielp het arme meisje opstaan. Omdat het al laat in de avond was<br />
(wij liepen bij het licht <strong>van</strong> een paar lantaarns), zei ik tegen Jacinta<br />
dat zij in het huis <strong>van</strong> dat meisje moest blijven terwijl ik met al die
mensen het rozenhoedje ging bidden. Op de terugweg zou ik haar<br />
dan ophalen. Dat wilde zij wel. Toen ik terug kwam, liep ik het huis<br />
in. Daar zat Jacinta, in een stoel en tegenover haar een man, niet<br />
erg oud maar sprietmager en huilend <strong>van</strong> ontroering. Er stonden<br />
enkele mensen, ik denk gezinsleden, om hem heen. Toen Jacinta<br />
mij zag, stond ze op en beloofde hem in haar gebed niet te zullen<br />
vergeten. Daarna gingen we weer naar het huis <strong>van</strong> mevr. Emília.<br />
De volgende dag gingen we al vroeg in de ochtend naar<br />
Olival en pas na drie dagen kwamen we terug. Bij het huis <strong>van</strong><br />
mevr. Emília kwam het bewuste meisje ons opzoeken, nu in<br />
gezelschap <strong>van</strong> haar vader, die er al veel beter uitzag, zonder dat<br />
nerveuze uiterlijk en die hinderlijke hik. Iedere keer als ik daar<br />
even kwam, kwam dat goede gezin mij zeggen hoe dankbaar ze<br />
waren en dat de zieke helemaal genezen was en die hik nooit<br />
meer was teruggekomen.<br />
2. De terugkeer <strong>van</strong> een ‘verloren zoon’<br />
De andere gunst betreft een tante <strong>van</strong> me, Vitória genaamd,<br />
die in Fatima woonde. Deze had een zoon die terecht de ‘verloren<br />
zoon’ genoemd zou kunnen worden. Waarom, weet ik niet maar<br />
geruime tijd geleden had hij het ouderlijk huis verlaten en niemand<br />
wist wat er <strong>van</strong> hem geworden was. Verdrietig kwam mijn tante op<br />
zekere dag naar Aljustrel om te vragen voor die zoon te bidden.<br />
Toen ze mij niet vond, vroeg ze het aan Jacinta. Deze beloofde<br />
voor hem te zullen bidden. Na een paar dagen kwam de zoon<br />
thuis, vroeg vergiffenis aan zijn ouders en ging vervolgens naar<br />
Aljustrel om zijn miserabele lotgevallen te vertellen.<br />
Hij vertelde dat hij eerst alles wat hij bij zijn ouders had<br />
gestolen, had opgemaakt en daarna een tijd rondzwierf totdat hij,<br />
waarom weet ik niet meer, in de ge<strong>van</strong>genis <strong>van</strong> Torres Novas<br />
terecht kwam. Hij had al geruime tijd ‘gezeten’, toen het hem in<br />
een nacht lukte te ontsnappen. Voortvluchtig, dwaalde hij in de<br />
nacht over bergen en door onbekende dennenbossen.<br />
Hij voelde zich volledig verloren en, bang als hij was gepakt<br />
te worden en beangstigd door de stikdonkere, stormachtige nacht,<br />
zocht hij als laatste redmiddel zijn toevlucht in het gebed. Hij viel<br />
op z’n knieën en bad. Na een paar minuten, beweerde hij, verscheen<br />
Jacinta hem. Ze nam hem bij de hand en bracht hem naar<br />
191
de asfaltweg die leidt <strong>van</strong> Alqueidão naar Reguengo en maakte<br />
hem duidelijk dat hij langs die weg verder moest gaan. Tegen de<br />
ochtend bevond hij zich op de weg naar Boleiros, herkende het<br />
punt waar hij was en ging ontroerd naar het huis <strong>van</strong> zijn ouders.<br />
Hij beweerde dus dat Jacinta hem was verschenen en dat<br />
hij haar zeer goed had herkend. Ik vroeg aan Jacinta of het waar<br />
was dat zij daar met hem was geweest. Zij antwoordde: welnee en<br />
die dennenbossen waar hij in gezworven had, kende ik niet eens.<br />
– Ik heb alleen maar vurig tot Onze Lieve Vrouw voor hem<br />
gebeden uit medelijden met tante Vitória.<br />
– Hoe kon dat dan?<br />
– Dat weet ik niet. God weet het.<br />
1. Nog één vraag<br />
192<br />
IV. JACINTA’S FAAM VAN HEILIGHEID<br />
Nu hoef ik nog maar één vraag <strong>van</strong> Dr. Galamba te beantwoorden,<br />
namelijk:<br />
– Wat voelden de mensen als ze bij Jacinta waren?<br />
Daar kan ik maar beperkt op antwoorden, omdat ik meestal<br />
niet weet wat er in het binnenste <strong>van</strong> anderen omgaat. Zodoende<br />
ken ik hun gevoelens niet. Daarom kan ik alleen maar iets zeggen<br />
over wat ik zelf voelde en een of andere gevoelsuiting <strong>van</strong> andere<br />
personen beschrijven.<br />
2. Jacinta, spiegel <strong>van</strong> God<br />
Wat ikzelf voelde was wat men gewoonlijk voelt in de<br />
nabijheid <strong>van</strong> iemand die volledig in gemeenschap lijkt te staan<br />
met God.<br />
Jacinta gedroeg zich altijd ernstig en bescheiden, maar<br />
vriendelijk. Uit alles wat zij deed bleek de aanwezigheid <strong>van</strong> God,<br />
zoals dat voorkomt bij zeer deugdzame, oudere personen. Ik heb<br />
bij haar nooit iets gezien <strong>van</strong> dat overdreven verzot zijn op tierelantijnen<br />
en spelletjes (dat wil zeggen, ná de verschijningen, want<br />
daarvóór was zij nummer één in grillen en grollen).<br />
Ik kan niet zeggen dat de kinderen even snel op háár af<br />
kwamen als op mij. Dat was misschien omdat zij niet zo veel liedjes
en verhaaltjes kende om aan ze te leren en hen ermee bezig te<br />
houden. Het kan ook zijn omdat haar gedrag te ver boven haar<br />
leeftijd uitstak. Wanneer een kind of zelfs een volwassene, in haar<br />
bijzijn iets onbetamelijks zei of deed, dan gaf zij hun een berisping<br />
en zei:<br />
– Dat mag u niet doen, u beledigt God en hij is al zo erg<br />
beledigd!<br />
Als zo iemand dan terugbeet, kind of volwassene, en haar<br />
‘kwezeltje’, ‘heilig boontje’ of iets dergelijks noemde, wat herhaaldelijk<br />
voorkwam, dan keek zij hen met een zekere strengheid aan<br />
en ging weg zonder verder nog een woord te zeggen. Misschien<br />
was dat een <strong>van</strong> de redenen waarom zij minder aardig gevonden<br />
werd dan ik. Was ik bij haar, dan stonden er al vlug een stuk of<br />
tien kinderen om ons heen, maar ik was nog niet weg of ze stond<br />
weer alleen. Maar als ze eenmaal bij haar waren, schenen ze toch<br />
graag bij haar te zijn. Ze omhelsden haar met die onschuldige<br />
tederheid. Ook zongen en speelden ze graag met haar. Als ze er<br />
niet was, vroegen ze me wel eens of ik haar wilde gaan halen. En<br />
als ik dan zei dat ze niet komen wilde omdat ze stout waren,<br />
beloofden ze dat ze lief zouden zijn als zij kwam:<br />
– Ga haar halen en zeg dat we lief zullen zijn, als ze komt.<br />
Wanneer ik haar tijdens haar ziekte een bezoekje bracht,<br />
trof ik soms bij de deur een groepje kinderen aan, die op mij stonden<br />
te wachten om naar binnen te gaan en haar te bezoeken. Het lijkt<br />
wel of een zekere eerbied hen tegenhield. Ik vroeg Jacinta soms<br />
voordat ik wegging:<br />
– Wil je misschien dat ik aan een paar kinderen vraag om<br />
bij je te blijven zodat je niet alleen bent?<br />
– Ja graag! Maar alleen kinderen die kleiner zijn dan ik.<br />
En dan riepen ze allemaal om het hardst:<br />
– Mag ik blijven? Ik? Ik?<br />
Daarna hield zij zich met hen bezig door ze het Onzevader,<br />
het Weesgegroet en het kruisteken te leren en ook liedjes<br />
ontbraken niet. Ze deed ook spelletjes met ze, op haar bed of als<br />
ze wat beter was ergens in huis op de grond. Dan deden ze het<br />
steentjesspel met behulp <strong>van</strong> appeltjes, kastanjes, eikels of droge<br />
vijgen, enz. Mijn tante vulde de voorraad hier<strong>van</strong> steeds aan, zodat<br />
ze Jacinta gezelschap konden blijven houden.<br />
193
Jacinta bad ook wel de rozenkrans met hen en gaf hen de<br />
raad geen zonden te doen om Onze Lieve Heer niet te beledigen<br />
en niet in de hel te komen. Er waren kinderen die daar bijna de<br />
hele morgen en middag doorbrachten. Ze schenen zich prettig bij<br />
haar te voelen. Maar als ze eenmaal weg waren, durfden ze niet<br />
zo gauw bij haar terug te komen met die vrijheid, die kinderen<br />
meestal hebben. Soms kwamen ze mij halen en vroegen ze of ik<br />
met ze mee naar binnen wilde gaan. Ze stonden ook wel eens bij<br />
de deur of ergens in de buurt <strong>van</strong> haar huis te wachten totdat mijn<br />
tante of Jacinta zelf ze riep en vroeg of ze binnen wilden komen<br />
om Jacinta te bezoeken. Het was alsof ze Jacinta wel erg mochten,<br />
maar dat een zeker respect of verlegenheid een afstand schiep.<br />
3. Jacinta, voorbeeld <strong>van</strong> deugdzaamheid<br />
Grote mensen bezochten haar ook en bewonderden haar<br />
gedrag, dat altijd gelijkmoedig, geduldig en pretentieloos was. Als<br />
iemand haar vroeg of ze zich een beetje beter voelde, zei ze:<br />
– Hetzelfde. Of:<br />
– Ik geloof dat ik iets achteruit ga, dank u.<br />
Was ze verdrietig, dan zei ze niets en de mensen bleven<br />
rustig bij haar bed zitten. Het zag er naar uit dat ze zich daar<br />
prettig voelden. Maar er vonden ook minutieuze en vermoeiende<br />
ondervragingen plaats waarbij Jacinta niet het minste ongeduld<br />
of tegenzin liet merken. Alleen zei ze achteraf tegen mij:<br />
– Wat een hoofdpijn kreeg ik <strong>van</strong> het luisteren naar die<br />
mensen! Nu ik me niet voor die mensen kan verstoppen breng ik<br />
meer <strong>van</strong> zulke offertjes aan Onze Lieve Heer.<br />
Buurvrouwen gingen soms met verstelgoed naast haar bed<br />
zitten en zeiden:<br />
– Ik ga een beetje zitten werken bij Jacinta. Ik weet niet wat<br />
dat kind heeft maar je voelt je prettig bij haar.<br />
Ze brachten hun kleine kinderen mee. Die speelden samen<br />
met Jacinta en zo hadden de moeders meer tijd om te naaien. Als<br />
iemand haar iets vroeg gaf ze vriendelijk maar kort antwoord. Als<br />
iemand iets zei wat zij niet netjes vond reageerde ze onmiddellijk:<br />
– Zoiets mag u niet zeggen. U beledigt God.<br />
Als iemand iets over haar gezin vertelde, wat niet in de haak<br />
was, dan antwoordde Jacinta hun:<br />
194
– Zeg hun dat ze dat niet mogen doen want anders komen<br />
ze in de hel!<br />
Ging het over grotere kinderen:<br />
– Zeg tegen ze dat ze niets mogen doen wat zonde is want<br />
zo beledigen ze God en dan kunnen ze veroordeeld worden.<br />
Mensen die <strong>van</strong> ver kwamen en haar uit nieuwsgierigheid of<br />
godsvrucht kwamen bezoeken leken iets bovennatuurlijks in haar<br />
nabijheid te voelen. Ze zeiden wel eens, als ze bij mij thuis kwamen<br />
om met mij te praten:<br />
– Wij komen zojuist <strong>van</strong> Jacinta en Francisco. Bij hen voel<br />
je een niet nader te omschrijven bovennatuurlijke sfeer.<br />
Soms vroegen ze mij of ik kon uitleggen waar dat gevoel<br />
<strong>van</strong>daan kwam. Omdat ik het niet wist, haalde ik mijn schouders<br />
op en zei niets. Deze reactie op hun bezoek heb ik herhaaldelijk<br />
gehoord.<br />
Op zekere dag kwamen twee priesters en een heer naar ons<br />
huis. Terwijl mijn moeder opendeed en hen verzocht plaats te<br />
nemen, kon ik naar de zolder om me te verstoppen. Na de<br />
ont<strong>van</strong>gst liet mijn moeder hen even alleen om mij uit de tuin te<br />
halen, waar ze me zo-even nog had gezien. Intussen bespraken<br />
die heren hun vorige bezoek:<br />
– Eens zien, wat dit meisje te vertellen heeft, zei de mijnheer.<br />
Op mij hebben de onschuld en oprechtheid <strong>van</strong> Jacinta en<br />
Francisco diepe indruk gemaakt. Als dit kind zich niet tegenspreekt,<br />
dan geloof ik er in.<br />
– Ik weet niet wat het voor gevoel was, dat ik bij die twee<br />
kinderen had! Het is alsof je iets bovennatuurlijks merkt, voegde<br />
een <strong>van</strong> de priesters er aan toe. Het deed me innerlijk goed met<br />
hen te praten.<br />
Mijn moeder vond me niet en de beste heren moesten het<br />
voor lief nemen dat ze mij niet te spreken kregen.<br />
Soms zei mijn moeder tegen de bezoekers:<br />
– Ze gaat wel eens met andere kinderen spelen en dan is ze<br />
opeens spoorloos verdwenen!<br />
– Wat jammer. We vonden het zo fijn om met die andere<br />
twee te praten, maar we komen nog wel eens terug.<br />
Op een zondag vroegen mijn vriendinnetjes uit de Moita,<br />
Maria, Rosa en Anna Caetano en Maria en Anna Brogueira na de<br />
Mis aan mijn moeder of ik die dag bij hen mocht spelen. Als ze dat<br />
195
goed vond, vroegen ze of ik Jacinta en Francisco mee wilde<br />
nemen. Ook mijn tante vond het goed en zo gingen wij dus naar<br />
de Moita. Na het middageten begon Jacinta te knikkebollen <strong>van</strong><br />
de slaap. Mijnheer José Alves vroeg toen aan een <strong>van</strong> zijn nichtjes<br />
of zij haar naar bed wilde brengen. Even later sliep ze als een<br />
roos. Er kwamen mensen uit het gehucht bij ons om de middag<br />
met ons door te brengen. Iedereen wilde Jacinta graag zien en ze<br />
gluurden door een kier <strong>van</strong> de deur of ze al wakker was. Ze stonden<br />
verbaasd dat ze zo diep lag te slapen, met een glimlach om haar<br />
mond, het gezichtje <strong>van</strong> een engel en haar handjes gevouwen en<br />
naar omhoog gericht. De kamer liep vol met nieuwsgierigen.<br />
Iedereen wilde haar zien en moest weer plaats maken voor<br />
anderen. De vrouw <strong>van</strong> mijnheer José Alves en haar nichtjes<br />
zeiden:<br />
– Ze moet een engeltje zijn.<br />
Met een zekere eerbied bleven de mensen geknield bij haar<br />
bed, totdat ik haar rond half vijf kwam roepen om het rozenhoedje<br />
te bidden in de Cova da Iria en daarna naar huis te gaan.<br />
De nichtjes <strong>van</strong> mijnheer José Alves zijn de zo-even genoemde<br />
Rosa en Ana Caetano.<br />
4. Francisco was anders<br />
Francisco was ook op dat punt een beetje anders. Altijd<br />
glimlachend, vriendelijk en toegeeflijk, speelde hij met iedereen,<br />
wie het ook was. Hij berispte niemand. Alleen trok hij zich soms<br />
terug, als iets niet door de beugel kon. Als iemand dan vroeg<br />
waarom hij weg ging, zei hij:<br />
– Omdat jullie niet goed zijn.<br />
Of:<br />
– Omdat ik niet meer wil spelen.<br />
Tijdens zijn ziekte kwamen de kinderen met de grootste<br />
vrijheid bij hem op bezoek. Ze stonden bij het raam met hem te<br />
praten en vroegen of het al beter ging enz. Maar als je aan hem<br />
vroeg of hij het leuk vond als een paar kinderen bij hem bleven<br />
spelen, dan zei hij: nee. Hij was liever alleen.<br />
– Ik heb alleen graag dat jij en Jacinta hier zijn.<br />
Tegenover volwassen was hij zwijgzaam en beantwoordde<br />
hij hun vragen met weinig woorden. De mensen die hem bezochten,<br />
196
zowel uit het dorp als <strong>van</strong> buiten, gingen naast zijn bed zitten,<br />
soms lange tijd en zeiden:<br />
– Ik weet niet wat dat is bij Francisco, maar je voelt je er<br />
goed.<br />
Enige buurvrouwen gaven op zekere dag, nadat ze een tijdje<br />
in de kamer <strong>van</strong> Francisco geweest waren, de volgende indruk<br />
weer:<br />
– Het is een mysterie wat je niet begrijpt. Het zijn kinderen<br />
als de andere. Ze zeggen niets en toch voel je bij hen iets dat<br />
anders is dan bij andere kinderen.<br />
– Als je bij Francisco de kamer ingaat, krijg je het gevoel of<br />
je de kerk binnengaat, zei een buurvrouw <strong>van</strong> mijn tante, Romana<br />
geheten, hoewel ze niet in de gebeurtenissen scheen te geloven.<br />
Bij die groep waren er nog drie: een was de vrouw <strong>van</strong> Manuel<br />
Faustino, een <strong>van</strong> José Marto en de derde <strong>van</strong> José Silva.<br />
Mij verbaast het niet dat die mensen die gevoelens kregen.<br />
Het waren immers personen die alleen maar opgingen in de<br />
materiële dingen <strong>van</strong> het aardse, vergankelijke leven. Hier verhief<br />
alleen al de aanblik <strong>van</strong> die kinderen hun gedachten naar de<br />
Moeder <strong>van</strong> de hemel, met wie ze in gemeenschap leken te zijn.<br />
En ook naar de eeuwigheid, waarheen zij de kinderen, blij en<br />
gelukkig, zien klaar staan om te vertrekken. Naar God, <strong>van</strong> wie ze<br />
meer houden dan <strong>van</strong> hun eigen ouders. En tenslotte verwijzen<br />
zij hen naar de hel, die de kinderen hun voorhouden als ze<br />
doorgaan zonden te bedrijven. Maar als die goede mensen, zo<br />
gewend alleen de materiële kant <strong>van</strong> het leven te zien, hun geest<br />
ook maar even wisten te verheffen, dan hadden ze zonder moeite<br />
gezien dat er in deze kinderen iets was dat hen onderscheidde.<br />
Hier schiet me een ander voorval te binnen in verband met<br />
Francisco, dat ik nog even wil vertellen.<br />
Op zekere dag bezocht een vrouw uit Casa Velha Francisco<br />
in zijn kamer en, bedroefd en bezorgd omdat haar man pas een<br />
zoon het huis had uitgezet, vroeg zij om de gunst <strong>van</strong> een<br />
verzoening tussen vader en zoon. Francisco antwoordde:<br />
– Maakt u zich niet ongerust. Binnenkort ga ik naar de hemel<br />
en daar zal ik die gunst aan Onze Lieve Vrouw vragen.<br />
Hoeveel dagen dat waren vóór zijn dood weet ik niet precies<br />
meer, maar ik weet nog wel dat die zoon op de middag <strong>van</strong> de<br />
sterfdag <strong>van</strong> Francisco voor de tweede keer vergiffenis aan zijn<br />
197
vader vroeg (deze had het hem al één keer geweigerd omdat hij<br />
zich niet aan zijn voorwaarden wilde houden). Nu onderwierp hij<br />
zich aan alles wat de vader <strong>van</strong> hem vroeg en de vrede in dat huis<br />
was hersteld. Een zus <strong>van</strong> die jongen, Leocádia geheten, trouwde<br />
later met een broer <strong>van</strong> Jacinta en Francisco en is nu moeder <strong>van</strong><br />
dat nichtje <strong>van</strong> Francisco en Jacinta dat u, Excellentie, een tijdje<br />
geleden in de Cova da Iria heeft zien intreden als zuster <strong>van</strong> de<br />
Dorothea’s.<br />
198<br />
NAWOORD<br />
Excellentie, ik geloof dat ik alles heb opgeschreven wat u<br />
aan mij heeft gevraagd. Tot nu toe had ik altijd geprobeerd de<br />
meest persoonlijke gedeelten <strong>van</strong> de verschijningen <strong>van</strong> Onze<br />
Lieve Vrouw te verbergen. Telkens al ik er over moest praten,<br />
probeerde ik er luchtig overheen te stappen om maar niet te hoeven<br />
uiten wat ik liever voor mezelf hield. Maar nu, gedwongen door de<br />
gehoorzaamheid, zeg ik: vaarwel hartsgeheimen! En ik blijf achter<br />
als een skelet, ontdaan <strong>van</strong> alles, ja zelfs <strong>van</strong> het leven, geplaatst<br />
in het nationaal Museum, om de bezoekers te herinneren aan de<br />
ellende en nietigheid <strong>van</strong> alles wat voorbij gaat. Anderzijds zal ik<br />
zo beroofd in het Wereldmuseum staan, niet om de voorbijgangers<br />
aan de misère en nietigheid te herinneren maar aan de grootsheid<br />
<strong>van</strong> de goddelijke barmhartigheid.<br />
Moge de goede God en het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria zich<br />
verwaardigen de armelijke offers te aanvaarden die zij mij in hun<br />
goedheid hebben gevraagd, om in de zielen de geest <strong>van</strong> geloof,<br />
<strong>van</strong> vertrouwen en <strong>van</strong> liefde te verlevendigen!<br />
Tuy, 8 december 1941.
BIJVOEGSEL I<br />
INLEIDNG<br />
De tekst die nu volgt is een document dat Lucia eind 1927 schreef<br />
in opdracht <strong>van</strong> haar geestelijk leidsman, de eerwaarde pater Aparício<br />
s.j. Kort na deze verschijning, op 10 december 1925, stelde zij in haar<br />
cel een eerste geschrift op, dat zij daarna zelf heeft vernietigd. Het hier<br />
volgende document is dus de tweede versie, overigens helemaal gelijk<br />
aan de eerste. <strong>Zuster</strong> Lucia heeft er alleen de inleiding aan toegevoegd,<br />
gedateerd op 17 december. In die inleiding legt de zieneres uit hoe zij de<br />
toestemming verkreeg <strong>van</strong>uit de hemel, om een gedeelte <strong>van</strong> het geheim<br />
bekend te maken.<br />
Dit document noemen wij: ‘Tekst <strong>van</strong> de grote belofte <strong>van</strong> het<br />
Hart <strong>van</strong> Maria’. Inderdaad, het is de uitdrukking <strong>van</strong> de barmhartige,<br />
zomaar gekregen Wil <strong>van</strong> God, die ons een gemakkelijk en veilig middel<br />
tot redding geeft, omdat het steunt op de gezondste katholieke traditie<br />
over de verlossingskracht <strong>van</strong> de voorspraak <strong>van</strong> Maria.<br />
In deze tekst kunnen wij lezen aan welke voorwaarden voldaan<br />
moet worden om te beantwoorden aan de oproep tot het houden <strong>van</strong> de<br />
Vijf Eerste Zaterdagen <strong>van</strong> de maand tot eerherstel voor de beledigingen<br />
<strong>van</strong> het Hart <strong>van</strong> Maria. En nooit zal deze diepere intentie tot eerherstel<br />
<strong>van</strong> het Hart <strong>van</strong> Maria vergeten mogen worden.<br />
TEKST VAN DE GROTE BELOFTE<br />
VAN HET HART VAN MARIA,<br />
BIJ DE VERSCHIJNING IN PONTEVEDRA, SPANJE:<br />
J.M.J.<br />
Op 17 december vroeg zij voor het tabernakel aan Jezus,<br />
hoe zij kon voldoen aan wat aan haar werd gevraagd en of de<br />
oorsprong <strong>van</strong> de devotie tot het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria was<br />
ingesloten in het geheim dat de H.Maagd haar had toevertrouwd.<br />
Jezus liet haar zeer duidelijk het volgende horen:<br />
– Dochter <strong>van</strong> me, schrijf wat aan u wordt gevraagd. Schrijf<br />
ook alles wat de H.Maagd u gevraagd heeft bij de verschijning<br />
waarin ze over deze devotie sprak. Blijf zwijgen over de rest <strong>van</strong><br />
het geheim.<br />
Wat in 1917 hierover werd meegedeeld was het volgende:<br />
zij vroeg om hen naar de hemel te halen. De H.Maagd antwoordde:<br />
199
– Ja, Jacinta en Francisco haal ik binnenkort naar de hemel,<br />
maar jij 1 blijft nog een tijdje hier. Jezus wil zich <strong>van</strong> jou bedienen<br />
om mij te laten kennen en beminnen. Hij wil in de wereld de<br />
godsvrucht tot mijn Onbevlekt Hart verspreiden. Aan wie haar ten<br />
uitvoer brengt, beloof ik de zaligheid en die zielen zullen door<br />
God bemind worden als bloemen, door mij geplaatst om zijn troon<br />
te versieren.<br />
– Blijf ik hier dan helemaal alleen? vroeg ik beteuterd.<br />
– Nee, kindje. Ik zal je nooit in de steek laten. Mijn Onbevlekt<br />
Hart zal je toevlucht zijn en de weg die je naar God zal voeren.<br />
Op 10 december 1925 verscheen haar de H.Maagd met,<br />
zwevend in een lichtende wolk, een jongen naast haar. De H.Maagd<br />
legde een hand op haar schouder en liet tegelijkertijd een Hart<br />
zien dat ze in haar andere hand hield, omgeven met doornen.<br />
Op hetzelfde ogenblik zei de jongen:<br />
– Heb medelijden met het Allerheiligste Hart <strong>van</strong> je Moeder,<br />
dat bedekt is met doornen waarmee de ondankbare mensen het<br />
ieder ogenblik doorboren, zonder dat iemand een akte tot eerherstel<br />
doet om haar er<strong>van</strong> te ontdoen.<br />
Daarna zei de Allerheiligste Maagd:<br />
– Mijn kind, kijk naar mijn Hart, dat bedekt is met doornen<br />
waarmee de ondankbare mensen het ieder ogenblik doorboren,<br />
door godslasteringen en ondankbaarheid. Probeer jij tenminste<br />
mij te troosten en vertel dat ik ieder die gedurende vijf maanden<br />
op de eerste zaterdag biechten, de H.Communie ont<strong>van</strong>gen, het<br />
rozenhoedje bidden, mij vijftien minuten gezelschap houden en<br />
mediteren over de vijftien mysteries <strong>van</strong> de rozenkrans met de<br />
bedoeling mij te troosten, in het uur <strong>van</strong> hun dood zal bijstaan met<br />
de nodige genaden voor hun ziel.<br />
Op 15 februari 1926 verscheen haar het kindje Jezus weer.<br />
Hij vroeg of zij de devotie tot zijn Allerheiligste Moeder al had<br />
verspreid. Zij legde uit welke moeilijkheden haar biechtvader<br />
ondervond en dat Moeder Overste bereid was haar te verspreiden<br />
maar dat de biechtvader gezegd had dat het haar alleen niet zou<br />
lukken. Jezus antwoordde:<br />
1 Wij respecteren hier de wens <strong>van</strong> zuster Lucia. Eerst had zij haar naam<br />
geschreven en daarna kraste zij hem door, maar niet zo, dat hij onleesbaar<br />
werd.<br />
200
– Het is waar dat uw Overste alleen niets vermag, maar met<br />
mijn genade kan ze alles.<br />
Ze wees op de moeilijkheid die sommige mensen ondervonden<br />
om op de zaterdag te biechten en ze vroeg of de wekelijkse<br />
biecht mocht gelden.<br />
– Ja, de biecht kan zelfs veel langer geleden zijn, op<br />
voorwaarde dat de mensen op het moment dat zij mij ont<strong>van</strong>gen<br />
in staat <strong>van</strong> genade zijn en dat zij de bedoeling hebben het Hart<br />
<strong>van</strong> Maria te troosten.<br />
Zij vroeg:<br />
– Jezus, hoe gaat dat met degene die vergeet die intentie te<br />
maken?<br />
Jezus antwoordde:<br />
– Zij kunnen dat doen bij de eerstvolgende biecht.<br />
Een paar dagen daarna schreef zuster Lucia haar verslag en dat<br />
werd opgestuurd naar Mgr. Manuel Pereira Lopes, de latere Vicaris<br />
Generaal <strong>van</strong> het bisdom O Porto, die de biechtvader <strong>van</strong> Lucia was<br />
tijdens haar verblijf in het internaat <strong>van</strong> Vilar, in de stad O Porto. Dit<br />
onuitgegeven document is gepubliceerd door Mgr. Dr. Sebastião Martins<br />
<strong>dos</strong> Reis in zijn boek: ‘Uma vida ao serviço de Fátima’ (Een leven in<br />
dienst <strong>van</strong> Fatima), blz. 336-357.<br />
Op de vijftiende (<strong>van</strong> februari 1926) had ik het erg druk met<br />
mijn werk en zelfs dat herinner ik me haast niet meer. Ik ging een<br />
afvalbak buiten de tuin zetten, waar ik een paar maanden terug<br />
een kind had gesproken. Ik had gevraagd of het ‘t Weesgegroet<br />
kende. Toen het kind zie dat hij het kende, had ik gevraagd om<br />
het dan eens op te zeggen, zodat ik het zou kunnen horen. Het<br />
kind wilde het niet alleen doen en daarom zegde ik het samen<br />
met hem drie keer op. Daarna vroeg ik hem om het nu eens alleen<br />
op te zeggen. Het kind bleef zijn mond houden en kon het niet<br />
alleen opzeggen. Toen vroeg ik hem of hij de kerk Santa Maria<br />
wist. Die kende hij. Ik zei toen tegen hem dat hij daar iedere dag<br />
naartoe moest gaan en zeggen: ‘Hemelse Moeder, geef mij uw<br />
kind Jezus’. Dat leerde ik dus aan het kind en toen ging ik weg.<br />
Op 15 februari 1926, toen ik weer zoals gewoonlijk, op die<br />
plek terug kwam, zag ik daar een kind en het leek mij hetzelfde. Ik<br />
vroeg het toen:<br />
– Heb je het Kindje Jezus aan de Hemelse Moeder gevraagd?<br />
201
Het kind keek me aan en zei:<br />
– En heb jij datgene over de wereld verspreid wat de Hemelse<br />
Moeder je heeft gevraagd?<br />
Op dat ogenblik veranderde het kind in een schitterende<br />
jongeman. Toen ik merkte dat het Jezus was, zei ik:<br />
– Mijn Jezus! U weet heel goed wat mijn biechtvader mij<br />
heeft gezegd in de brief die ik u heb voorgelezen. Hij zei dat die<br />
verschijning zich zou moeten herhalen; dat er feiten zouden<br />
moeten zijn die de verschijningen geloofwaardig zouden kunnen<br />
maken; en Moeder Overste alleen kon niets doen ter verbreiding<br />
<strong>van</strong> dit feit.<br />
– Inderdaad, Moeder Overste alleen kan niets doen, maar<br />
met mijn genade kan ze alles. En het is voldoende dat je<br />
biechtvader je toestemming geeft en dat moet je Overste zeggen,<br />
zodat men er in kan geloven, zelfs zonder te weten aan wie het is<br />
geopenbaard.<br />
– Maar mijn biechtvader zei in zijn brief dat die devotie<br />
helemaal niet nodig was voor de wereld, omdat er al veel zielen<br />
waren die u ontvingen op de eerste zaterdagen, ter ere <strong>van</strong> de<br />
H.Maagd en de geheimen <strong>van</strong> de rozenkrans.<br />
– Mijn dochter, het is waar dat veel zielen ermee beginnen,<br />
maar weinig blijven het tot het einde doen. En de zielen die het tot<br />
het eind volhouden, doen dat om de genaden te kunnen ont<strong>van</strong>gen<br />
die daarin beloofd worden. En degenen die de vijf eerste<br />
zaterdagen met eerbied en met de bedoeling eerherstel te brengen<br />
aan het Hart <strong>van</strong> je Hemelse Moeder, zijn mij aangenamer dan<br />
degenen die lauw en onverschillig de vijftien eerste zaterdagen<br />
houden…<br />
202<br />
BIJVOEGSEL II<br />
INLEIDING<br />
De tekst <strong>van</strong> dit bijvoegsel is geen eigenhandig geschreven<br />
document <strong>van</strong> zuster Lucia, maar bezit alle waarborgen voor de echtheid<br />
er<strong>van</strong>, gezien het feit dat haar eigen geestelijk leidsman, toentertijd de<br />
eerw. pater José Bernardo Gonçalves s.j. hem letterlijk heeft overgeschreven<br />
<strong>van</strong> de aantekeningen <strong>van</strong> de zieneres.<br />
De verschijning waar de tekst over spreekt, had zuster Lucia op<br />
13 juni 1929 in de kapel in Tuy, Spanje.
Zij begint met te spreken over het visioen <strong>van</strong> de Allerheiligste<br />
Drieëenheid, die de verschijning <strong>van</strong> de Maagd Maria begeleidt, waarin<br />
deze haar Hart toont zoals bij de verschijningen <strong>van</strong> juni en juli 1917. De<br />
belofte die zij bij die gelegenheid deed, wordt nu werkelijkheid. En zuster<br />
Lucia hoort de Maagd Maria vragen om de toewijding <strong>van</strong> Rusland aan<br />
het Onbevlekt Hart, in duidelijk omschreven omstandig-heden.<br />
TEKST VAN HET VERZOEK<br />
OM DE TOEWIJDING VAN RUSLAND<br />
Pater Gonçalves kwam een paar keer biechthoren in onze<br />
kapel. Ik biechtte ook bij de eerwaarde en omdat we elkaar goed<br />
begrepen ging hij daarmee door gedurende de drie jaar dat hij<br />
daar assistent was.<br />
Het was in die periode dat Onze Lieve Vrouw mij meedeelde<br />
dat de tijd gekomen was waarop ze wilde dat ik aan de Kerk<br />
kenbaar maakte dat zij wenste dat Rusland aan haar werd toegewijd<br />
evenals haar belofte het te zullen bekeren…De mededeling ging<br />
als volgt:<br />
13 juni 1929. Ik had aan mijn superieuren en biechtvader<br />
toestemming gevraagd en gekregen om mijn ‘heilig uur’ te houden<br />
<strong>van</strong> elf tot twaalf uur ’s avonds, <strong>van</strong> donderdag op vrijdag. Toen ik<br />
op zekere avond rond middernacht alleen was, knielde ik in het<br />
midden <strong>van</strong> de kapel tussen de communiebanken om er voorovergebogen<br />
de gebeden <strong>van</strong> de engel te bidden. Toen mij dat te<br />
vermoeiend werd, ging ik staan en vervolgde ik mijn gebed met<br />
uitgestrekte armen. Het enige licht dat er was kwam <strong>van</strong> de<br />
godslamp. Opeens was de hele kapel verlicht met een bovennatuurlijk<br />
licht en op het altaar verscheen een lichtend kruis dat<br />
reikte tot aan het plafond. In het helderste licht, aan het boveneind<br />
<strong>van</strong> het kruis, zag ik het gelaat <strong>van</strong> een man met zijn lichaam tot<br />
aan het middel en een duif op de borst, eveneens <strong>van</strong> licht; en<br />
aan het kruis genageld, het lichaam <strong>van</strong> een andere man. Een<br />
stukje onder de taille zag ik, in de lucht zwevend, een kelk en een<br />
grote hostie waar enkele druppels bloed op vielen, die dropen <strong>van</strong><br />
het gelaat <strong>van</strong> de gekruisigde en uit een wond in de borst. Die<br />
druppels gleden over de hostie heen en vielen in de kelk. Onder<br />
de rechterarm <strong>van</strong> het kruis stond Onze Lieve Vrouw (het was<br />
Onze Lieve Vrouw <strong>van</strong> Fatima met haar Onbevlekt Hart… in haar<br />
203
linkerhand, … zonder zwaard of rozen, maar met een doornenkroon<br />
en vlammen…) met haar Onbevlekt Hart in haar hand… Onder de<br />
linkerarm vormden grote letters, als <strong>van</strong> kristalhelder water dat op<br />
het altaar stroomde, deze woorden: “Genade en Barmhartigheid”.<br />
Ik begreep dat mij het geheim <strong>van</strong> de Allerheiligste<br />
Drieëenheid was getoond en over dit mysterie ontving ik licht dat<br />
ik niet bekend mag maken.<br />
Daarna zei Onze Lieve Vrouw tegen mij:<br />
– Het uur is aangebroken waarop God aan de H.Vader vraagt<br />
om, in vereniging met alle bisschoppen <strong>van</strong> de wereld, de<br />
toewijding <strong>van</strong> Rusland aan mijn Onbevlekt Hart te doen en ik<br />
beloof het door dit middel te redden. De zielen die door de<br />
goddelijke Gerechtigheid worden veroordeeld wegens zonden die<br />
zij tegen mij hebben bedreven zijn zo talrijk, dat ik eerherstel kom<br />
vragen: offer je op voor deze intentie en bid.<br />
Ik deed hierover verslag aan mijn biechtvader, die mij vroeg<br />
op te schrijven wat Onze Lieve Vrouw wilde dat er gedaan werd.<br />
Later zei Onze Lieve Vrouw tegen me, als klacht in een<br />
persoonlijke mededeling:<br />
– Er is niet aan mijn verzoek voldaan!...<br />
Zoals de koning <strong>van</strong> Frankrijk 1 , zullen ze er later spijt <strong>van</strong><br />
krijgen en het alsnog doen, maar dan is het te laat. Rusland zal<br />
zijn dwalingen al over de wereld hebben verspreid, wat oorlogen<br />
en vervolgingen voor de Kerk tot gevolg heeft. De H.Vader zal<br />
veel te lijden hebben.<br />
1 In 1689, een jaar voor haar dood, probeerde de heilige Margaretha Maria op<br />
diverse manieren en langs verschillende wegen de ‘Zonnekoning”, Lodewijk XIV<br />
<strong>van</strong> Frankrijk, een bericht te doen toekomen met een boodschap <strong>van</strong> het H.Hart<br />
<strong>van</strong> Jezus waarin vier verzoeken gedaan worden: Het Heilig Hart <strong>van</strong> Jezus op<br />
de koninklijke vlaggen afdrukken; een tempel bouwen te zijner ere, waar hij het<br />
eerbetoon <strong>van</strong> het hof zou ont<strong>van</strong>gen; de koning moest hem aan zijn Heilig Hart<br />
toewijden; en de koning moest zijn autoriteit inzetten bij de H.Stoel om een H.Mis<br />
te laten opdragen ter ere <strong>van</strong> het Heilig Hart <strong>van</strong> Jezus.<br />
Maar er werd niets bereikt. Het schijnt zelfs dat de boodschap nooit bij de koning<br />
is aangekomen.<br />
Pas een eeuw later zou de koninklijke familie die boodschap beantwoorden,<br />
voor zover dat mogelijk was. In 1792 kwam Lodewijk XVI op het idee <strong>van</strong> zijn<br />
eed aan het Hart <strong>van</strong> Jezus, maar dat kon hij pas doen in de ge<strong>van</strong>genis <strong>van</strong> de<br />
tempel, waarbij hij beloofde dat hij, wanneer hij vrij zou zijn, alle verzoeken <strong>van</strong><br />
de H.Margaretha Maria zou inwilligen.<br />
Voor de Goddelijke Voorzienigheid was dat echter te laat: op 21 januari 1793<br />
werd Lodewijk XVI onder de guillotine gedood.<br />
204
BIJVOEGSEL III<br />
Het best bewaarde gedeelte <strong>van</strong> het ‘Geheim’ <strong>van</strong> Fatima, met<br />
een begeleidend commentaar <strong>van</strong> de Congregatie voor de Geloofsleer,<br />
werd gepubliceerd op 26 juni 2000. Door de verspreiding hier<strong>van</strong> verwierf<br />
de Boodschap <strong>van</strong> Fatima buitengewone actualiteit en waarde.<br />
Wij geven hier de volledige tekst <strong>van</strong> genoemd document weer.<br />
DE BOODSCHAP VAN FATIMA<br />
Inleiding<br />
Bij de overgang <strong>van</strong> het tweede naar het derde millennium<br />
besloot Paus Johannes Paulus II de tekst <strong>van</strong> het derde deel <strong>van</strong> het<br />
‘Geheim <strong>van</strong> Fatima’ te publiceren.<br />
De twintigste eeuw was een <strong>van</strong> de stormachtigste in de<br />
geschiedenis <strong>van</strong> de mensheid, met als tragisch hoogtepunt de wrede<br />
moordaanslag op de ‘Lieve Christus op aarde’. Nu wordt een reeks<br />
historische gebeurtenissen ontsluierd waardoor het mogelijk wordt<br />
gemaakt hen in een dieper, meer spiritueel perspectief te interpreteren,<br />
anders dan de huidige mentaliteit die zo vaak besmeurd is met<br />
rationalisme.<br />
Door de geschiedenis heen zijn er altijd bovennatuurlijke<br />
verschijningen en tekenen geweest die de gebeurtenissen <strong>van</strong> de<br />
mensheid beïnvloeden en de bewegingen in de wereld volgen, tot<br />
verbazing <strong>van</strong> gelovigen en niet gelovigen. Die uitingen kunnen nooit<br />
in strijd zijn met de inhoud <strong>van</strong> het geloof en moeten daarom<br />
samenvallen met het centrale punt <strong>van</strong> de Openbaring <strong>van</strong> Christus:<br />
de liefde <strong>van</strong> de Vader die de mensen aanspoort tot bekering en de<br />
genade geeft om zich met de toewijding <strong>van</strong> een kind op Hem te<br />
verlaten. Zo is ook de Boodschap <strong>van</strong> Fatima die ons, met haar<br />
dringende oproep tot bekering en boete, recht naar het hart <strong>van</strong> het<br />
e<strong>van</strong>gelie voert.<br />
Fatima is ongetwijfeld de meest profetische <strong>van</strong> de moderne<br />
verschijningen. Het eerste en tweede deel <strong>van</strong> het ‘geheim’ – die hierna<br />
afgedrukt worden, om de documentatie volledig te maken – hebben<br />
vooral betrekking op het afschrikwekkende visioen <strong>van</strong> de hel, de<br />
devotie tot het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria, de Tweede Wereldoorlog<br />
en tenslotte de voorspelling <strong>van</strong> het enorme kwaad dat Rusland de<br />
mensheid zal aandoen door <strong>van</strong> het christelijk geloof af te vallen en<br />
het communistische totalitaire systeem aan te hangen.<br />
205
In 1917 kon niemand zich dit alles hebben voorgesteld: de drie<br />
herdertjes <strong>van</strong> Fatima zien, horen en onthouden en Lucia, de overlevende<br />
getuige, schrijft alles op nadat de bisschop <strong>van</strong> Leiria haar<br />
dat had opgedragen en Onze Lieve Vrouw haar de toestemming ervoor<br />
had gegeven.<br />
Voor de weergave <strong>van</strong> de eerste twee delen <strong>van</strong> het ‘geheim’,<br />
die al gepubliceerd waren en dus bekend zijn, hebben wij de tekst<br />
gekozen die zuster Lucia schreef in haar derde <strong>Herinneringen</strong>, <strong>van</strong> 31<br />
augustus 1941. In haar vierde <strong>Herinneringen</strong>, <strong>van</strong> 8 december 1941,<br />
zou zij nog enkele aantekeningen toevoegen.<br />
Het derde deel <strong>van</strong> het ‘geheim’ werd geschreven ‘in opdracht<br />
<strong>van</strong> Z.Exc. de Bisschop <strong>van</strong> Leiria en de Allerheiligste Moeder…’ op 3<br />
januari 1944.<br />
Hier<strong>van</strong> bestaat slechts één manuscript, dat hier fotostatisch<br />
weergegeven is. Aan<strong>van</strong>kelijk was de verzegelde enveloppe in<br />
bewaring bij de bisschop <strong>van</strong> Leiria. Om het ‘geheim’ beter veilig te<br />
stellen, werd de enveloppe op 4 april 1957 in de Geheime Archieven<br />
<strong>van</strong> de H.Stoel geplaatst. De bisschop <strong>van</strong> Leiria stelde zuster Lucia<br />
hier<strong>van</strong> op de hoogte.<br />
Volgens aantekeningen <strong>van</strong> het Archief bracht de Commissaris<br />
<strong>van</strong> het Heilig Officie, Pater Paul Philippe o.p. met toestemming <strong>van</strong><br />
kardinaal Alfredo Ottaviani, op 17 augustus 1959 de enveloppe met<br />
het derde deel <strong>van</strong> het ‘Geheim <strong>van</strong> Fatima’ naar paus Johannes XIII.<br />
Na ‘enige aarzeling’ zei Zijne Heiligheid: ‘Wij wachten nog. Ik zal bidden.<br />
Ik zal jullie laten weten wat ik besloten heb’. 1<br />
1 In het dagboek <strong>van</strong> Johannes XIII, op 17 augustus 1959, staat: ‘Audiënties:<br />
P.Philippe, commissaris <strong>van</strong> het Heilig Officie, die mij de brief bracht met het<br />
derde deel <strong>van</strong> de geheimen <strong>van</strong> Fatima. Ik ga het lezen met mijn biechtvader’.<br />
206
Wat paus Johannes XIII besloot was, de verzegelde enveloppe<br />
terugsturen naar het H.Officie en het derde deel <strong>van</strong> het ‘geheim’<br />
niet te publiceren.<br />
Paulus VI las de inhoud samen met de Substituut Staatssecretaris,<br />
Z. Exc. Don Angelo Dell’Acqua, op 27 maart 1965 en<br />
bracht de enveloppe terug naar de Archieven <strong>van</strong> het H.Officie<br />
omdat hij besloten had de tekst niet te publiceren.<br />
Johannes Paulus II, <strong>van</strong> zijn kant, vroeg de enveloppe met<br />
het derde deel <strong>van</strong> het ‘geheim’ na de moordaanslag op 13 mei 1981.<br />
Op 18 juli 1981 gaf kardinaal Franjo Seper, prefect <strong>van</strong> de<br />
Congregatie, twee enveloppen aan aartsbisschop Eduardo Martínez<br />
Somalo, Substituut Staatssecretaris: een witte enveloppe met de<br />
originele Portugese tekst <strong>van</strong> Zr.Lucia en een oranje met de<br />
Italiaanse vertaling <strong>van</strong> het ‘geheim’. Op 11 augustus daarop volgend,<br />
bracht aartsbisschop Martínez de beide enveloppen terug<br />
naar het H.Officie. 2<br />
Zoals bekend, dacht paus Johannes Paulus II er onmiddellijk<br />
over om de wereld aan het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria toe te wijden.<br />
Zelf stelde hij een gebed samen voor wat hij noemde een ‘Acte <strong>van</strong><br />
Toewijding’. Deze zou op 7 juni 1981 plechtig uitgevoerd worden in<br />
de basiliek <strong>van</strong> Maria Maggiore, op het hoogfeest <strong>van</strong> Pinksteren,<br />
de dag die was uitgekozen om de zestienhonderdste verjaardag<br />
<strong>van</strong> het Eerste Concilie <strong>van</strong> Constantinopel en de vijftienhonderdste<br />
verjaardag <strong>van</strong> het Concilie <strong>van</strong> Ephese te vieren. Omdat de paus<br />
niet in staat was zelf aanwezig te zijn, zond hij zijn toespraak uit<br />
over de radio. Hier volgt het gedeelte met de Acte <strong>van</strong> Toewijding:<br />
“O, Moeder <strong>van</strong> alle mensen en volkeren, u kent al hun lijden<br />
en hoop. In uw moederhart voelt u alle strijd tussen goed en kwaad,<br />
tussen licht en duisternis, die de wereld teisteren: hoor onze<br />
smeekbede die wij in de H.Geest rechtstreeks tot uw Hart richten<br />
en omhels met uw liefde als Moeder en Dienstmaagd <strong>van</strong> de Heer<br />
hen die het meest naar deze omhelzing uitzien en, ook hen op<br />
wiens overgave u heel in ’t bijzonder wacht. Neem onder uw<br />
2 Het verdient aanbeveling het commentaar <strong>van</strong> de H.Vader te lezen bij de<br />
Generale Audiëntie <strong>van</strong> 14 oktober 1981 over ‘De gebeurtenis in mei: een<br />
grote goddelijke beproeving’ in: Insegnamenti di Gio<strong>van</strong>ni Paolo II, IV, 2<br />
(Vaticaanstad, 1981), 409-412.<br />
207
moederlijke bescherming de gehele menselijke familie, die wij u<br />
met heel ons hart toevertrouwen, o Moeder. Moge voor iedereen<br />
een tijd <strong>van</strong> vrede en vrijheid, een tijd <strong>van</strong> waarheid, rechtvaardigheid<br />
en hoop naderen”. 3<br />
Om vollediger aan de verzoeken <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw te<br />
voldoen, wilde de H.Vader, tijdens het heilig jaar <strong>van</strong> de Verlossing,<br />
de Acte <strong>van</strong> Toewijding <strong>van</strong> 7 juni 1981, die in Fatima op 13 mei<br />
1982 herhaald was, explicieter maken. En op 25 maart 1984, tijdens<br />
het gedenken <strong>van</strong> het uitspreken <strong>van</strong> het fiat <strong>van</strong> Maria bij de<br />
aankondiging, vertrouwde de H.Vader, in geestelijke vereniging met<br />
de tevoren ‘genodigde’ bisschoppen <strong>van</strong> de hele wereld alle mannen<br />
en vrouwen en de volkeren toe aan het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria,<br />
met woorden die doen denken aan de aandoenlijke woorden die<br />
hij gesproken had in 1981:<br />
“O Moeder <strong>van</strong> alle mannen en vrouwen en <strong>van</strong> alle volkeren,<br />
u die al hun lijden en hun hoop kent, u die als Moeder weet heeft<br />
<strong>van</strong> al hun strijd tussen goed en kwaad, tussen licht en duisternis,<br />
waardoor de moderne wereld wordt geteisterd, aanvaardt de roep<br />
die wij op ingeving <strong>van</strong> de H.Geest rechtsreeks tot uw Hart richten:<br />
Omhels met de liefde <strong>van</strong> de Moeder en de Dienstmaagd <strong>van</strong> de<br />
Heer, deze mensenwereld <strong>van</strong> ons, die wij u toevertrouwen en aan<br />
u opdragen, omdat wij vol zorg zijn voor de aardse en eeuwige<br />
bestemming <strong>van</strong> de mensen en de volkeren.<br />
Heel in het bijzonder vertrouwen wij u toe en dragen wij aan u<br />
op al die personen en naties die het vooral nodig hebben aan u<br />
toevertrouwd en opgedragen te worden.<br />
“Aan u bevelen wij ons, heilige Moeder <strong>van</strong> God! Versmaad<br />
onze gebeden die wij in onze ellende tot u richten, niet.”<br />
Daarna vervolgde de paus met meer nadruk en gebruikmakend<br />
<strong>van</strong> specifieke voorbeelden, bijna als commentaar op de<br />
Boodschap <strong>van</strong> Fatima waar<strong>van</strong> de voorspellingen zo tragisch in<br />
vervulling zijn gegaan:<br />
“Wij staan hier voor u, Moeder <strong>van</strong> Christus, voor uw Onbevlekt<br />
Hart en wij wensen onszelf, met heel de Kerk, te verenigen met de<br />
3 Radiobericht tijdens de ceremonie <strong>van</strong> Aanbidding, Dankzegging en Opdracht<br />
aan de Maagd Maria Theotokos in de Basiliek <strong>van</strong> de Santa Maria Maggiore,<br />
in: Insegnamenti di Gio<strong>van</strong>ni Paolo II, IV, 1 (Vaticaanstad, 1981), 1246.<br />
208
toewijding die uw Zoon deed, uit liefde tot ons, <strong>van</strong> zichzelf aan de<br />
Vader: “Omwille <strong>van</strong> hen, zei hij, wijd ik mij aan u, opdat ook zij in<br />
waarheid aan u toegewijd mogen zijn” (Jo 17:19). In deze toewijding<br />
<strong>van</strong> de wereld en de hele mensheid willen wij ons verenigen met<br />
onze Verlosser die, in zijn goddelijk Hart, de macht heeft vergiffenis<br />
en eerherstel te verkrijgen.<br />
De kracht <strong>van</strong> deze toewijding duurt tot in alle tijden en omvat<br />
alle mensen, volkeren en naties. Zij overkomt ieder kwaad dat de<br />
geest <strong>van</strong> de duisternis kan opwekken, en in onze tijd ook werkelijk<br />
heeft opgewekt, in het hart <strong>van</strong> de mens en de geschiedenis.<br />
Hoe diep voelen wij de noodzaak <strong>van</strong> de toewijding <strong>van</strong> de<br />
mensen en de wereld, de wereld <strong>van</strong> nu, in vereniging met Christus<br />
zelf! Want de wereld moet deelnemen aan het verlossingswerk<br />
<strong>van</strong> Christus door de Kerk.<br />
Dit komt tot uiting in het huidige Jaar <strong>van</strong> de Verlossing, het<br />
speciale jubileum <strong>van</strong> de hele Kerk.<br />
Moge in dit Heilige Jaar u gezegend zijn, boven alle schepselen,<br />
Dienstmaagd <strong>van</strong> de Heer, die op volmaakte wijze gehoor<br />
hebt gegeven aan de goddelijke roep!<br />
Geprezen zij u, die volledig verenigd bent met de verlossende<br />
toewijding <strong>van</strong> uw Zoon!<br />
Moeder <strong>van</strong> de Kerk! Verlicht het volk <strong>van</strong> God langs de wegen<br />
<strong>van</strong> geloof, hoop en liefde! Verlicht vooral de volkeren waar<strong>van</strong> u<br />
onze toewijding en overgave verwacht. Help ons te leven in de waarheid<br />
<strong>van</strong> de toewijding <strong>van</strong> Christus voor de hele menselijke familie<br />
<strong>van</strong> onze tijd.<br />
Moeder, wij vertrouwen u alle mensen en alle volkeren toe<br />
en ook deze toewijding <strong>van</strong> de wereld en leggen haar in uw<br />
moederlijk Hart.<br />
Onbevlekt Hart! Help ons de dreiging <strong>van</strong> het kwaad te<br />
overwinnen, dat zo gemakkelijk wortelt in het hart <strong>van</strong> de mensen<br />
<strong>van</strong> onze tijd en waar<strong>van</strong> de onmetelijke effecten al drukken op<br />
ons leven <strong>van</strong> nu en de wegen naar de toekomst lijken af te sluiten!<br />
Van honger en oorlog, bevrijd ons!<br />
Van een atoomoorlog, <strong>van</strong> onmetelijke zelfvernietiging en <strong>van</strong><br />
alle soorten oorlog, bevrijd ons!<br />
Van de zonden tegen het menselijk leven <strong>van</strong>af zijn eerste<br />
ogenblikken, bevrijd ons!<br />
Van haat en <strong>van</strong> de aantasting <strong>van</strong> de waardigheid <strong>van</strong> de<br />
kinderen <strong>van</strong> God, bevrijd ons!<br />
209
Van elke soort onrecht in het maatschappelijk leven, nationaal<br />
en internationaal, bevrijd ons!<br />
Van het gemak waarmee de Geboden <strong>van</strong> God met voeten<br />
getreden worden, bevrijd ons!<br />
Van de poging om in de harten <strong>van</strong> de mensen de waarheid<br />
<strong>van</strong> God te verdoezelen, bevrijd ons!<br />
Van het verlies <strong>van</strong> het bewustzijn <strong>van</strong> goed en kwaad, bevrijd<br />
ons!<br />
Van de zonden tegen de H.Geest, bevrijd ons!<br />
Moeder <strong>van</strong> Christus, aanvaard onze roep, die beladen is met<br />
het lijden <strong>van</strong> alle mensen! Beladen met het lijden <strong>van</strong> hele<br />
maatschappijen!<br />
Help ons om met de kracht <strong>van</strong> de H.Geest alle zonden te<br />
overwinnen: de zonden <strong>van</strong> de mensen afzonderlijk en die <strong>van</strong> de<br />
wereld, kortom, de zonden in al haar facetten.<br />
Moge in de geschiedenis <strong>van</strong> de wereld nog één keer de<br />
oneindige reddende kracht <strong>van</strong> de Verlossing geopenbaard worden:<br />
de kracht <strong>van</strong> barmhartige Liefde! Moge zij het kwaad stoppen!<br />
Moge zij de gewetens veranderen! Moge uw Onbevlekt Hart voor<br />
iedereen het licht <strong>van</strong> de hoop laten zien!”. 4<br />
<strong>Zuster</strong> Lucia bevestigde persoonlijk dat deze plechtige en<br />
universele acte <strong>van</strong> toewijding in overeenstemming was met wat<br />
Onze Lieve Vrouw wilde (‘Ja, op 25 maart 1984 is gedaan zoals<br />
Onze Lieve Vrouw het wilde’: brief <strong>van</strong> 8 november 1989). Daarom<br />
is iedere verdere discussie of nader verzoek zinloos.<br />
Naast de manuscripten <strong>van</strong> Lucia bieden wij hier nog vier<br />
andere teksten <strong>van</strong> haar: 1) De brief <strong>van</strong> de H.Vader aan zuster<br />
Lucia, <strong>van</strong> 19 april 2000; 2) Een verslag <strong>van</strong> het gesprek met zuster<br />
Lucia op 27 april 2000; 3) De mededelingen die kardinaal Angelo<br />
Sodano, staatssecretaris, in opdracht <strong>van</strong> de H.Vader voorlas op<br />
13 mei 2000; 4) Het theologisch commentaar <strong>van</strong> kardinaal Joseph<br />
Ratzinger, in die tijd prefect <strong>van</strong> de Congregatie voor de Geloofsleer.<br />
In een brief aan de paus, op 12 mei 1982, had zuster Lucia al<br />
een aanwijzing gegeven voor de interpretatie <strong>van</strong> het derde deel<br />
<strong>van</strong> het ‘geheim’. Zij zegt daarin:<br />
4 Op de jubileumdag voor de gezinnen droeg de paus mensen en naties op<br />
aan Onze Lieve Vrouw: Insegnamenti di Gio<strong>van</strong>ni Paolo II, VII, 1<br />
(Vaticaanstad, 1984), 775-777.<br />
210
“Het derde deel <strong>van</strong> het geheim heeft betrekking op de<br />
woorden <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw: ‘(Als Rusland zich niet bekeert)<br />
zal het zijn dwalingen over de hele wereld verspreiden en oorlogen<br />
en vervolgingen <strong>van</strong> de Kerk zullen het gevolg zijn. De goede<br />
mensen zullen gemarteld worden; de H.Vader zal veel moeten lijden;<br />
verschillende naties zullen vernietigd worden’ (13-VII-1917).<br />
Het derde deel <strong>van</strong> het geheim is een symbolische openbaring,<br />
die betrekking heeft op dit deel <strong>van</strong> de Boodschap en die<br />
afhankelijk is <strong>van</strong> of wij wel of niet doen wat in de Boodschap aan<br />
ons wordt gevraagd: ‘Als aan mijn verzoeken wordt voldaan, zal<br />
Rusland zich bekeren en zal er vrede zijn; zo niet, dan zal het zijn<br />
dwalingen over de wereld verspreiden, enz.’.<br />
Omdat wij niet aan die verzoeken <strong>van</strong> de Boodschap hebben<br />
voldaan, zien wij inderdaad dat het zo is gegaan: Rusland heeft de<br />
wereld met haar dwalingen overwoekerd. En al hebben wij de<br />
volledige uitvoering <strong>van</strong> deze voorspelling nog niet gezien, zien wij<br />
wel dat wij bezig zijn er met grote stappen op af te gaan. Als wij niet<br />
afwijken <strong>van</strong> de weg <strong>van</strong> zonde, haat, wraak, onrecht, aantastingen<br />
<strong>van</strong> de rechten <strong>van</strong> de mens, immoraliteit en wreedheden, enz.<br />
En wij moeten niet zeggen dat het God is die ons op deze<br />
manier straft; in tegendeel, de mensen zelf bereiden hun eigen<br />
bestraffing voor. In zijn goedheid waarschuwt God ons en roept hij<br />
ons naar de goede weg, met respect voor de persoonlijke vrijheid<br />
die hij ons gegeven heeft; daarom zijn de mensen verantwoordelijk”. 5<br />
5 portugese tekst<br />
211
Het besluit <strong>van</strong> de H.Vader Johannes Paulus II om het derde<br />
deel <strong>van</strong> het ‘geheim’ <strong>van</strong> Fatima bekend te maken sluit een stuk<br />
geschiedenis af, dat wordt gekenmerkt door tragische lust <strong>van</strong> de<br />
mens naar macht en vernieling, maar doorweven met de barmhartige<br />
liefde <strong>van</strong> God en de oplettende zorg <strong>van</strong> de Moeder <strong>van</strong><br />
Jezus en <strong>van</strong> de Kerk.<br />
Ingrijpen <strong>van</strong> God, de Heer <strong>van</strong> de geschiedenis, en de medeverantwoordelijkheid<br />
<strong>van</strong> de mens in de dramatische uitoefening<br />
<strong>van</strong> zijn scheppende vrijheid zijn de twee pilaren waarop de<br />
geschiedenis is gebouwd.<br />
Met haar verschijningen in Fatima roept Onze Lieve Vrouw<br />
deze vergeten waarden weer bij ons op. Zij herinnert ons eraan dat<br />
de toekomst <strong>van</strong> de mens in Gods handen ligt en dat wij daar actief<br />
aan deel hebben en verantwoordelijk voor zijn.<br />
212<br />
Tarcisio Bertone, SDB<br />
aartsbisschop emeritus <strong>van</strong> Vercelli<br />
secretaris <strong>van</strong> de Congregatie voor de Geloofsleer
HET ‘GEHEIM’ VAN FATIMA<br />
Eerste en tweede deel <strong>van</strong> het ‘geheim’ zoals Lucia deze<br />
weergaf in haar Derde <strong>Herinneringen</strong> op 31 augustus 1941 voor<br />
de bisschop <strong>van</strong> Leiria/Fatima.<br />
(originele tekst)<br />
213
214
(vertaling) 6<br />
Hiervoor zal ik iets over het geheim moeten vertellen en zo<br />
antwoord geven op de eerste vraag.<br />
Wat is het geheim?<br />
Het lijkt mij dat ik het nu mag zeggen, want ik heb al <strong>van</strong>uit<br />
de hemel toestemming gekregen. Gods vertegenwoordigers op<br />
aarde hebben mij hiervoor verschillende keren toestemming<br />
gegeven en dat in verschillende brieven waar<strong>van</strong> er een, geloof ik,<br />
in uw bezit is. Deze brief komt <strong>van</strong> pater José Bernardo Gonçalves<br />
en daarin raadt hij me onder andere aan naar de H.Vader te<br />
schrijven en voor te stellen het geheim bekend te maken. Ik vertelde<br />
er iets over maar, om mijn brief niet te lang te maken, want er was<br />
mij gevraagd het kort te houden, beperkte ik mij tot het hoognodige<br />
en liet aan God over een geschiktere gelegenheid te geven.<br />
In mijn tweede geschrift heb ik al in detail geschreven over<br />
de twijfel die mij tussen 13 juni en 13 juli kwelde en hoe die bij de<br />
verschijning <strong>van</strong> die dag volkomen verdween.<br />
Welnu, het geheim bestaat uit drie afzonderlijke delen,<br />
waar<strong>van</strong> ik er nu twee zal openbaren.<br />
Het eerste deel is het visioen <strong>van</strong> de hel!<br />
Onze Lieve Vrouw liet ons een grote vuurzee zien, die onder<br />
de aarde leek te zijn. In dat vuur waren de duivels en de zielen te<br />
zien met menselijke vormen, als doorzichtige sintels, allemaal<br />
6 In de Vierde Herinnering, <strong>van</strong> 8 december 1941, schrijft Lucia: “Nu ga ik<br />
aan mijn nieuwe taak beginnen en zal ik de opdrachten vervullen die u mij<br />
heeft gegeven evenals de wensen <strong>van</strong> Dr. Galamba. Met uitzondering <strong>van</strong><br />
dat deel <strong>van</strong> het geheim dat mij nog niet is toegestaan bekend te maken, zal<br />
ik alles vertellen. Ik zal niet opzettelijk iets verzwijgen, hoewel ik denk dat ik<br />
enkele kleinigheden die niet zo belangrijk zijn wel zal vergeten”.<br />
Originele tekst:<br />
215
zwart of bruin geblakerd, die ronddreven in het vuur, nu eens de<br />
lucht in getild door de vlammen die uit henzelf kwamen met<br />
rookpluimen, dan weer naar alle kanten terug vielen als vonken<br />
bij een grote brand, zonder richting of gewicht en onder kreten<br />
<strong>van</strong> pijn en wanhoop, dat deed huiveren <strong>van</strong> ontzetting. De duivels<br />
onderscheidden zich <strong>van</strong> de zielen door hun afschuwelijke,<br />
weerzinwekkende vormen <strong>van</strong> vreemde angstaanjagende dieren,<br />
maar doorzichtig en zwart. Deze aanblik duurde maar een moment<br />
en we waren blij dat onze goede Moeder in de hemel ons <strong>van</strong> te<br />
voren al had gerustgesteld met de belofte ons naar de hemel te<br />
halen! (bij de eerste verschijning). Was dat niet zo, dan waren we<br />
geloof ik <strong>van</strong> angst en ontzetting gestorven.<br />
Daarna richtten wij onze ogen naar Onze Lieve Vrouw, die<br />
met goedheid en droefheid tegen ons zei:<br />
– Jullie hebben de hel gezien, waar de zielen <strong>van</strong> de arme<br />
zondaars heen gaan. Om ze te redden wil God in de wereld de<br />
devotie tot mijn Onbevlekt Hart verbreiden. Als gedaan wordt wat<br />
ik jullie zeg, zullen veel zielen gered worden en zal er vrede komen.<br />
De oorlog zal ophouden. Maar als de mensen niet ophouden God<br />
te beledigen zal er tijdens het pontificaat <strong>van</strong> Pius XI een tweede,<br />
nog ergere beginnen. Wanneer jullie een nacht zien, verlicht door<br />
een onbekend licht, weet dan dat dit het grote teken is dat God<br />
geeft, dat hij de wereld zal straffen om zijn misdaden door middel<br />
<strong>van</strong> oorlog, honger en vervolgingen <strong>van</strong> de Kerk en <strong>van</strong> de H.Vader.<br />
Om dat te verhinderen zal ik de toewijding <strong>van</strong> Rusland aan mijn<br />
Onbevlekt Hart en de communie tot eerherstel op de eerste<br />
zaterdagen komen vragen. Als zal worden gedaan wat ik vraag,<br />
zal Rusland zich bekeren en zal er vrede zijn. Zo niet, dan zal het<br />
zijn dwalingen over de wereld verspreiden en oorlogen en vervolgingen<br />
veroorzaken. De goede mensen zullen gemarteld worden.<br />
De H.Vader zal veel te lijden hebben. Verschillende naties zullen<br />
vernietigd worden. Tenslotte zal mijn Onbevlekt Hart zegevieren.<br />
De H.Vader zal Rusland aan mij toewijden, dat zich zal bekeren<br />
en de wereld zal een zekere tijd <strong>van</strong> vrede krijgen. 7<br />
7 In de ‘vierde herinnering’ voegt zuster Lucia toe: ‘In Portugal zal het dogma<br />
<strong>van</strong> het geloof altijd bewaard blijven, enz.’.<br />
216
DERDE DEEL VAN HET ‘GEHEIM’<br />
(originele tekst)<br />
217
218
219
220
(vertaling) 8<br />
«J.M.J.<br />
Het derde deel <strong>van</strong> het geheim, zoals dat geopenbaard is op<br />
de Cova da Iria, Fatima, op 13 juli 1917.<br />
Ik schrijf uit gehoorzaamheid aan U, mijn God, die mij heeft<br />
opgedragen door tussenkomst <strong>van</strong> Z.Exc, de bisschop <strong>van</strong> Leiria<br />
en <strong>van</strong> Uw en mijn Allerheiligste Moeder.<br />
Na de twee delen die ik al heb meegedeeld, zagen wij links<br />
<strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw en iets hoger een engel met een vlammend<br />
zwaard in zijn linkerhand; zij schoten vonken uit en leken de wereld<br />
in brand te zullen steken; maar zij doofden uit toen zij in contact<br />
kwamen met de schittering die Onze Lieve Vrouw met haar<br />
rechterhand naar hen uitzond. De engel wees met zijn rechterhand<br />
naar de aarde en riep met luide stem: ‘Boete! Boete! Boete!’ en in<br />
een geweldig licht, dat God is, zagen wij (ongeveer zoals hoe men<br />
mensen ziet in een spiegel wanneer ze er langs lopen) een bisschop<br />
in het wit gekleed (we hadden de indruk dat het de H.Vader was).<br />
Verscheidene andere bisschoppen, priesters, mannelijke en vrouwelijke<br />
religieuzen liepen een hobbelige berg op en daar bovenop<br />
stond een groot kruis <strong>van</strong> ruwe boomstammen gemaakt, zo te zien<br />
<strong>van</strong> een ongeschilde kurkeik. De H.Vader liep, voordat hij daar<br />
kwam, door een grote stad die half in puin lag en wankelend en<br />
trillend op zijn benen, aangedaan door pijn en verdriet liep hij te<br />
bidden voor de zielen <strong>van</strong> de lijken die hij onderweg tegenkwam;<br />
toen hij bij de top <strong>van</strong> de berg was aangekomen en zich aan de<br />
voet <strong>van</strong> het kruis op zijn knieën had geworpen, werd hij door een<br />
groep soldaten, die verschillende kogels en pijlen op hem afvuurden,<br />
gedood, en precies zo stierven de een na de ander de bisschoppen,<br />
priesters, mannelijke en vrouwelijke religieuzen en diverse leken,<br />
heren en dames <strong>van</strong> allerlei standen en rangen. Onder de twee zijarmen<br />
<strong>van</strong> het kruis stonden twee engelen met elk een kristallen<br />
vat in hun hand, waarin zij het bloed <strong>van</strong> de martelaren opvingen<br />
en daarmee besprenkelden zij de zielen die op weg waren naar<br />
God.<br />
Tuy, 3-1-49».<br />
8 in de vertaling is de oorspronkelijke tekst gerespecteerd, zelfs wat betreft de<br />
onnauwkeurige interpunctie. Dit vormt echter geen belemmering voor een goed<br />
begrip <strong>van</strong> wat de zieneres wilde zeggen.<br />
221
222<br />
INTERPRETATIE VAN HET «GEHEIM»<br />
BRIEF VAN JOHANNES PAULUS<br />
AAN ZUSTER LUCIA<br />
(originele tekst)<br />
Geachte <strong>Zuster</strong> Maria Lúcia,<br />
Klooster <strong>van</strong> Coïmbra<br />
In de vreugde <strong>van</strong> het Paasfeest groet ik u met de woorden<br />
<strong>van</strong> de Verrezen Christus tot zijn leerlingen: ‘Vrede zij u’.<br />
Het verheugt mij u te kunnen ontmoeten op de lang verwachte<br />
dag <strong>van</strong> de zaligverklaring <strong>van</strong> Francisco en Jacinta, die<br />
ik, zo God het wil, zal zalig verklaren op 13 mei a.s.<br />
Omdat er op die dag geen gelegenheid zal zijn voor een<br />
gesprek maar alleen voor een korte begroeting, zal ik Mgr. Tarsisio<br />
Bertone, secretaris <strong>van</strong> de Congregatie voor de Geloofsleer,<br />
opdracht geven met u te komen praten. Deze Congregatie werkt<br />
het meest direct samen met de paus voor de verdediging <strong>van</strong> het<br />
ware katholieke geloof en die, zoals u zult weten, sinds 1957 uw<br />
handgeschreven brief bewaart met het derde deel <strong>van</strong> het geheim<br />
dat op 13 juli 1917 in de Cova da Iria, Fatima, is geopenbaard.
Mgr.Bertone zal u in gezelschap <strong>van</strong> Mgr. Serafim de Sousa<br />
Ferreira e Silva in mijn naam enkele vragen stellen over de<br />
interpretatie <strong>van</strong> het ‘derde deel <strong>van</strong> het geheim’.<br />
Eerwaarde zuster Maria Lucia, u kunt mgr.Bertone vrij en<br />
eerlijk antwoorden en hij zal uw antwoorden rechtsreeks naar mij<br />
overbrengen.<br />
Ik bid vurig tot de Moeder <strong>van</strong> de Verrezen Heer voor u,<br />
eerwaarde zuster, voor de Communiteit <strong>van</strong> Coïmbra en voor de<br />
hele Kerk.<br />
Moge Maria, de Moeder <strong>van</strong> de pelgrimerende Kerk, ons<br />
altijd verenigd houden met Jezus, haar geliefde Zoon en onze<br />
broer, de Heer <strong>van</strong> leven en glorie.<br />
Met mijn speciale Apostolische zegen,<br />
Vaticaan, 19 april 2000.<br />
IOANNES PAULUS PP. II<br />
223
224<br />
GESPREK MET ZUSTER MARIA LUCIA VAN JEZUS<br />
EN VAN HET ONBEVLEKT HART<br />
De ontmoeting <strong>van</strong> zuster Lucia, aartsbisschop Tarcisio Bertone,<br />
secretaris <strong>van</strong> de Congregatie voor de Geloofsleer, in opdracht<br />
<strong>van</strong> de H.Vader, en bisschop Serafim de Sousa Ferreira e Silva,<br />
bisschop <strong>van</strong> Leiria/Fatima, vond plaats op donderdag 27 april j.l.<br />
in de Karmel <strong>van</strong> de H.Theresia in Coïmbra.<br />
<strong>Zuster</strong> Lucia was helder en rustig. Ze zei dat ze erg blij was<br />
met de komst <strong>van</strong> de H.Vader naar Fatima voor de zaligverklaring<br />
<strong>van</strong> Francisco en Jacinta, waar zij al zo lang naar uit had gezien.<br />
De bisschop <strong>van</strong> Leiria/Fatima las de handgeschreven brief<br />
<strong>van</strong> de H.Vader voor, waarin hij de redenen voor het bezoek uitlegde.<br />
<strong>Zuster</strong> Lucia zei dat ze zich zeer vereerd voelde en las de brief zelf<br />
nog eens door; zij vond het mooi om hem in haar handen te houden.<br />
Ze zei dat zij bereid was openlijk alle vragen te beantwoorden.<br />
Vervolgens reikte aartsbisschop Bertone haar twee enveloppen<br />
aan: een buitenste enveloppe waarin een andere zat met<br />
de brief waar het derde deel <strong>van</strong> het ‘geheim’ <strong>van</strong> Fatima beschreven<br />
wordt. Zodra Lucia deze tweede enveloppe met haar vingers<br />
aanraakte, riep zij uit: “Dat is mijn brief!” en toen zij hem gelezen<br />
had zei ze nog: “Het is mijn handschrift”.<br />
Met de hulp <strong>van</strong> de bisschop <strong>van</strong> Leiria/Fatima werd de<br />
originele tekst, die in het Portugees is, gelezen en geïnterpreteerd.<br />
<strong>Zuster</strong> Lucia is het eens met de uitleg dat het derde deel <strong>van</strong> het<br />
‘geheim’ een profetisch visioen bevat, vergelijkbaar met visioenen<br />
uit de H.Schrift. Zij herhaalt haar overtuiging dat het visioen <strong>van</strong><br />
Fatima vooral betrekking heeft op de strijd <strong>van</strong> het atheïstische communisme<br />
tegen de Kerk en de christenen en zij beschrijft het vreselijke<br />
lijden <strong>van</strong> de slachtoffers <strong>van</strong> het geloof in de twintigste eeuw.<br />
Op de vraag of de belangrijkste persoon <strong>van</strong> het visioen de<br />
paus is, antwoordt Lucia onmiddellijk bevestigend en zij vertelt<br />
hoeveel medelijden de drie herdertjes hadden met de paus en dat<br />
Jacinta alsmaar riep: “Arme H.Vader! Ik heb zo’n medelijden met<br />
de zondaars!”. <strong>Zuster</strong> Lucia ging verder: “Wij wisten de naam <strong>van</strong><br />
de paus niet; Onze Lieve Vrouw heeft ons de naam <strong>van</strong> de paus<br />
niet gezegd. Wij wisten niet of het Benedictus XV, Pius XII, Paulus<br />
VI of Johannes Paulus II was, maar wel dat het de paus was die<br />
leed en daardoor leden wij ook”.
In het verloop <strong>van</strong> het visioen werd de ‘herdertjes’ duidelijk<br />
dat de in het wit geklede bisschop de paus was, die levensgevaarlijk<br />
gewond is en op de grond neervalt. <strong>Zuster</strong> Lucia is het roerend met<br />
de paus eens wanneer hij zegt: “Een moederhand leidde de loop<br />
<strong>van</strong> de kogel en de stervende paus zweefde op het randje <strong>van</strong> de<br />
dood” (Johannes Paulus II, Meditatie met de Italiaanse bisschoppen<br />
<strong>van</strong>uit de polikliniek <strong>van</strong> het Gemelli-ziekenhuis, 13 mei 1994).<br />
Voordat zuster Lucia de verzegelde enveloppe met het derde<br />
deel <strong>van</strong> het ‘geheim’ overhandigde aan de toenmalige bisschop<br />
<strong>van</strong> Leiria/Fatima, had zij op de buitenste enveloppe geschreven<br />
dat deze pas na 1960 door de aartsbisschop <strong>van</strong> Lissabon of door<br />
de bisschop <strong>van</strong> Leiria geopend mocht worden. Dom Bertone vroeg<br />
haar nu: “Waarom pas na 1960? Had Onze Lieve Vrouw die datum<br />
genoemd?” Lucia antwoordde: “Nee, niet Onze Lieve Vrouw. Ik had<br />
de datum 1960 erop geschreven, want intuïtief voelde ik aan dat<br />
het vóór 1960 niet begrepen zou worden, maar pas daarna. Nu<br />
kan het beter worden begrepen. Ik heb opgeschreven wat ik zag.<br />
Het is niet aan mij om te interpreteren, maar aan de paus”.<br />
Tenslotte wordt even gesproken over het nog niet gepubliceerde<br />
boek <strong>van</strong> Lucia, dat zij schreef om antwoord te geven<br />
op de talloze brieven die zij gekregen had <strong>van</strong> Maria-devoten en<br />
<strong>van</strong> bedevaartgangers. Het boek heet Os Apelos da Mensagem de<br />
Fátima (Oproepen uit de Boodschap <strong>van</strong> Fatima) en het omvat<br />
gedachten en overpeinzingen die, in de vorm <strong>van</strong> catechese en<br />
aansporingen, de gevoelens en heldere en ongekunstelde spiritualiteit<br />
<strong>van</strong> Lucia uitdrukken. Op de vraag of zij graag had dat het<br />
werd uitgegeven zei ze: “Als de H.Vader het daarmee eens is, ben<br />
ik er blij mee; zo niet, dan gehoorzaam ik aan wat de H.Vader<br />
besluit”. <strong>Zuster</strong> Lucia wil de tekst graag voorleggen om kerkelijke<br />
goedkeuring te krijgen en zij hoopt dat haar geschrift mannen en<br />
vrouwen <strong>van</strong> goede wil kan leiden langs de weg die naar God voert,<br />
het uiteindelijke doel <strong>van</strong> elk menselijk verlangen.<br />
Het gesprek eindigt met een uitwisseling <strong>van</strong> rozenkransen:<br />
zuster Lucia kreeg de rozenkrans die de H.Vader had aangeboden<br />
en zij op haar beurt gaf enkele rozenkransen die zij zelf gemaakt<br />
had.<br />
De ontmoeting werd afgesloten met de zegen in naam <strong>van</strong><br />
de paus.<br />
225
226<br />
TOESPRAAK VAN KARDINAAL SODANO,<br />
STAATSSECRETARIS<br />
Aan het eind <strong>van</strong> de H.Mis, geleid door paus Johannes Paulus in<br />
Fatima, sprak kardinaal Angelo Sodano in het Portugees als volgt:<br />
Broeders en zusters in de Heer!<br />
Aan het eind <strong>van</strong> deze plechtige viering voel ik mij verplicht<br />
namens alle aanwezigen onze geliefde H.Vader Johannes Paulus<br />
II de hartelijke gelukwensen met zijn aanstaande tachtigste<br />
verjaardag aan te bieden en hem te danken voor zijn enorme<br />
pastorale inzet ten behoeve <strong>van</strong> het welzijn <strong>van</strong> heel de Kerk <strong>van</strong><br />
God.<br />
Bij deze plechtige gelegenheid <strong>van</strong> zijn komst naar Fatima,<br />
heeft Zijne Heiligheid mij opgedragen u iets aan te kondigen. Zoals<br />
u weet, is het doel <strong>van</strong> de komst <strong>van</strong> de H.Vader naar Fatima de<br />
zaligverklaring <strong>van</strong> de herdertjes. Toch wil hij zijn bedevaart ook de<br />
waarde geven <strong>van</strong> een vernieuwde dankbetuiging aan Onze Lieve<br />
Vrouw voor de bescherming die zij hem schonk gedurende de jaren<br />
<strong>van</strong> zijn pontificaat. Deze bescherming lijkt ook in verband te staan<br />
met het zogenaamde derde deel <strong>van</strong> het ‘geheim’ <strong>van</strong> Fatima.<br />
Die tekst bevat een profetisch visioen, vergelijkbaar aan die<br />
welke wij aantreffen in de H.Schrift, die niet fotografisch details <strong>van</strong><br />
toekomstige gebeurtenissen beschrijven, maar die tegen één enkele<br />
achtergrond een compacte samenvatting geven <strong>van</strong> feiten die zich<br />
in een niet nader omschreven opvolging en duur over de tijd<br />
uitstrekken. Als gevolg hier<strong>van</strong> moet aan de tekst symbolische<br />
betekenis gegeven worden.<br />
Het visioen <strong>van</strong> Fatima betreft vooral de strijd <strong>van</strong> de<br />
atheïstische systemen tegen de Kerk en de christenen en zij<br />
beschrijft het vreselijke lijden <strong>van</strong> geloofsgetuigen in de laatste eeuw<br />
<strong>van</strong> het tweede millennium. Het is een eindeloze Kruisweg, geleid<br />
door de pausen <strong>van</strong> de twintigste eeuw.<br />
Volgens de interpretatie <strong>van</strong> de herdertjes, onlangs nog door<br />
zuster Lucia bevestigd, is de ‘in het wit geklede bisschop’ die voor<br />
alle gelovigen bidt, de paus. Deze liep moeizaam tussen de lijken<br />
<strong>van</strong> de martelaren (bisschoppen, priesters, mannelijke en<br />
vrouwelijke religieuzen en verscheidene leken) en ook hij valt onder<br />
geweerschoten als dood op de grond.
Na de moordaanslag op 13 mei 1981 leek het Zijne Heiligheid<br />
duidelijk dat het ‘een moederhand was die de loop <strong>van</strong> de kogel<br />
leidde’ waardoor de ‘stervende paus‘ op de rand <strong>van</strong> de dood’ bleef<br />
liggen (paus Johannes Paulus II, Meditatie met de Italiaanse<br />
bisschoppen <strong>van</strong>uit het Gemelliziekenhuis, in: Insignamenti, XVII-1<br />
(1994, 1061). Bij gelegenheid <strong>van</strong> een bezoek aan Rome <strong>van</strong> de<br />
toenmalige bisschop <strong>van</strong> Leiria/Fatima, besloot de paus de kogel<br />
die na de aanslag in de jeep was achtergebleven, aan hem te geven<br />
om hem in het heiligdom <strong>van</strong> Fatima te bewaren. De bisschop<br />
besloot later hem in de kroon <strong>van</strong> het beeld <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw<br />
<strong>van</strong> Fatima te laten zetten.<br />
De gebeurtenissen <strong>van</strong> 1989 brachten, zowel in Rusland als<br />
in een aantal andere Oost-europese landen de communistische<br />
regimes die het atheïsme verspreidden, ten val. Uit de grond <strong>van</strong><br />
zijn Hart bedankt Zijne Heiligheid de Allerheiligste Maagd ook<br />
hiervoor. Maar in andere delen <strong>van</strong> de wereld houden de aanvallen<br />
tegen de Kerk en de christenen, met al het lijden dat daaruit<br />
voortkomt, helaas niet op. Hoewel de gebeurtenissen waar het derde<br />
deel <strong>van</strong> het ‘geheim’ <strong>van</strong> Fatima op doelt, reeds tot het verleden<br />
lijken te horen, blijft de oproep tot bekering en boete, die Onze<br />
Lieve Vrouw aan het begin <strong>van</strong> de twintigste eeuw deed, nog steeds<br />
dringend en actueel. ‘De dame <strong>van</strong> de Boodschap lijkt de tekenen<br />
des tijds – <strong>van</strong> onze tijd – met een scherpe blik te zien. (…) De<br />
aanhoudende oproep <strong>van</strong> de Maagd Maria tot boete geeft blijk <strong>van</strong><br />
haar moederlijke bezorgdheid voor het lot <strong>van</strong> de mensen, die<br />
bekering en vergiffenis nodig heeft’ (Johannes Paulus II, Bericht<br />
voor de wereld ziekendag in 1997, Insegnamenti, XIX, 2 [1996],<br />
561).<br />
Opdat de gelovigen de Boodschap <strong>van</strong> Fatima beter zouden<br />
ont<strong>van</strong>gen, gaf de paus aan de Congregatie voor de Geloofsleer<br />
de opdracht het derde deel <strong>van</strong> het ‘geheim’ openbaar te maken,<br />
begeleid <strong>van</strong> een passend commentaar.<br />
Broeders en zusters, laten wij Onze Lieve Vrouw <strong>van</strong> Fatima<br />
danken voor haar bescherming. Laten wij de Kerk <strong>van</strong> het derde<br />
millennium aan haar moederlijke bescherming toevertrouwen.<br />
Sub tuum presidium confugimus, Sancta dei Genetrix!<br />
Intercede pro Ecclesia. Intercede pro Papa nostro Ioanne Paulo II.<br />
Amen.<br />
Fatima, 13 mei 2000.<br />
227
228<br />
THEOLOGISCH COMMENTAAR<br />
Eindelijk dan heeft de H.Vader opdracht gegeven de tekst<br />
<strong>van</strong> het zogenaamde derde ‘geheim’ <strong>van</strong> Fatima hier in zijn geheel<br />
te publiceren. Wie de tekst zorgvuldig leest zal vermoedelijk<br />
teleurgesteld of verbaasd zijn na alle speculaties die het had<br />
opgeroepen. Er is geen enkel groot mysterie uit de doeken gedaan;<br />
ook is de toekomst niet geopenbaard. Wij zien de Kerk <strong>van</strong> de<br />
martelaren <strong>van</strong> de eeuw die net voorbij is, weergegeven in beelden<br />
die beschreven worden in symbolische, lastig te ontcijferen taal.<br />
Is dat nu wat de Moeder <strong>van</strong> de Heer het christendom en de<br />
mensheid wilde meedelen, in een tijd <strong>van</strong> grote problemen en<br />
zorgen? Helpt dat ons aan het begin <strong>van</strong> het nieuwe millennium?<br />
Of zijn het maar uitingen <strong>van</strong> het innerlijk leven <strong>van</strong> kinderen die<br />
opgroeiden in een diep gelovige omgeving, maar tegelijkertijd<br />
geschokt waren door de stormen die hun eigen tijd bedreigden?<br />
Hoe moeten wij het visioen begrijpen? Wat moeten wij er<strong>van</strong><br />
denken?<br />
Publieke en privé-openbaringen – hun theologische<br />
status Publieke en privé-openbaringen – hun theologische status<br />
Alvorens een poging tot interpretatie te ondernemen, die in<br />
grote lijnen te vinden is in de toespraak <strong>van</strong> kardinaal Sodano op<br />
13 mei <strong>van</strong> dit jaar aan het eind <strong>van</strong> de H.Mis, gecelebreerd door<br />
de paus in Fatima, is het nodig enkele basispunten aan te geven<br />
volgens welke de Kerk verschijnselen zoals die zich in Fatima<br />
hebben voorgedaan, in het licht <strong>van</strong> het geloof moeten worden<br />
begrepen. De leer <strong>van</strong> de Kerk onderscheidt ‘publieke openbaringen’<br />
en ‘privé-openbaringen’. Die twee realiteiten verschillen<br />
niet alleen in graad maar ook wezenlijk. De term ‘publieke openbaring’<br />
verwijst naar openbare handelingen <strong>van</strong> God aan de totale<br />
mensheid en waar<strong>van</strong> de literaire uitdrukking is terug te vinden in<br />
de twee delen <strong>van</strong> de bijbel: het Oude en het Nieuwe Testament.<br />
Het wordt genoemd ‘openbaring’ omdat God zich hierin geleidelijk<br />
aan de mens bekend maakt, tot het punt waarop hijzelf mens wordt<br />
om zo de hele wereld naar zich toe te trekken en met zichzelf te<br />
verenigen door zijn vleesgeworden Zoon, Jezus Christus. Het is
dus niet een kwestie <strong>van</strong> intellectuele communicatie, maar een<br />
levend proces, waarin God de mens naderbij komt. Natuurlijk wordt<br />
bij dit proces ook een beroep gedaan op de intelligentie en het<br />
inzicht om het mysterie <strong>van</strong> God te begrijpen. Het is een proces<br />
waarbij de gehele mens betrokken wordt en dus ook de rede, maar<br />
niet de rede alleen. Omdat God één is, is ook de geschiedenis die<br />
hij maakt uniek. Deze geldt voor alle tijden en krijgt haar voltooiing<br />
in het leven, de dood en Verrijzenis <strong>van</strong> Jezus Christus. In Christus<br />
heeft God alles gezegd, dat wil zeggen, hij heeft zich totaal<br />
geopenbaard en daarom eindigde de Openbaring met de vervulling<br />
<strong>van</strong> het mysterie <strong>van</strong> Christus zoals verkondigd is in het Nieuwe<br />
Testament. Om dit definitieve en volledige karakter <strong>van</strong> de Openbaring<br />
te verklaren, citeert de Katechismus <strong>van</strong> de Katholieke Kerk<br />
een tekst <strong>van</strong> de H.Johannes <strong>van</strong> het Kruis: ‘Door ons zijn Zoon,<br />
zijn enige Woord – want hij heeft geen ander – te geven, zei hij<br />
ons alles op hetzelfde moment en meer heeft hij niet te zeggen<br />
(…) want, wat hij voorheen in gedeeltes tot de profeten zei, heeft<br />
hij nu in één keer gezegd door ons Alles te geven, die zijn Zoon is.<br />
Ieder die vragen stelt aan God of een visioen of een openbaring<br />
wenst, doet niet alleen iets dat dwaas is, maar beledigt hem ook<br />
door zijn ogen niet geheel op Christus te richten en buiten Hem<br />
een andere realiteit of nieuwigheid te zoeken’ (nr 65; St Johannes<br />
<strong>van</strong> het Kruis, De Bestijging <strong>van</strong> de Berg Karmel, II, 22).<br />
Omdat de enige Openbaring die God heeft gericht tot alle<br />
mensen haar voltooiing vindt in Christus en het getuigenis dat hij<br />
ons geeft in de boeken <strong>van</strong> het Nieuwe Testament, is de Kerk<br />
gebonden aan deze unieke gebeurtenis <strong>van</strong> de bijbelse geschiedenis<br />
en het woord <strong>van</strong> de Bijbel, dat haar garandeert en<br />
uitlegt. Dat betekent echter niet dat de Kerk alleen maar kan<br />
omkijken naar het verleden en dat zij is gedoemd tot steriele<br />
herhaling. In dit verband zegt de Katechismus <strong>van</strong> de Katholieke<br />
Kerk: ‘Toch is de Openbaring, ook al is zij voltooid, niet geheel<br />
ontvouwd; het zal de taak <strong>van</strong> het christelijk geloof zijn in de loop<br />
der eeuwen geleidelijk de gehele om<strong>van</strong>g er<strong>van</strong> te begrijpen’ (nr.<br />
66). Deze beide aspecten, de uniciteit <strong>van</strong> de gebeurtenis en het<br />
proces <strong>van</strong> begrijpen, zijn heel mooi te zien in de afscheidswoorden<br />
<strong>van</strong> de Heer tot zijn apostelen: ‘Nog veel heb Ik u te zeggen, maar<br />
gij kunt het nu niet verdragen. Wanneer hij echter komt, de Geest<br />
229
der waarheid, zal Hij u tot de volle waarheid brengen; Hij zal niet<br />
uit zichzelf spreken… Hij zal Mij verheerlijken, omdat Hij aan u<br />
zal verkondigen wat Hij <strong>van</strong> Mij ont<strong>van</strong>gen heeft’ (Jo, 16, 12-14).<br />
Enerzijds handelt de Geest als gids, die kennis ontvouwt welke<br />
tot nog toe onbereikbaar was omdat de voorwaarde ontbrak, ofwel<br />
de eindeloze breedte en diepte <strong>van</strong> het christelijk geloof. Anderzijds<br />
is geleid worden door de Geest ook een ‘putten uit’ de rijkdommen<br />
<strong>van</strong> Jezus Christus zelf, waar<strong>van</strong> de onuitputtelijke diepten tot<br />
uiting komen in de wijze waarop de Geest leidt. In dit verband<br />
citeert de Katechismus diepzinnige woorden <strong>van</strong> paus Gregorius<br />
de Grote: ‘De goddelijke woorden groeien samen met wie ze leest’<br />
(nr. 94. Gregorius de Grote in ‘Homilie over Ezechiël’). Het Tweede<br />
Vaticaanse Concilie noemt drie wezenlijke wijzen waarop de Geest<br />
de Kerk leidt en daarmee drie wijzen waarop het Woord groeit:<br />
‘door meditatie en studie <strong>van</strong> de gelovigen; door het diepe inzicht<br />
dat voortkomt uit geestelijke ervaringen; en door de prediking <strong>van</strong><br />
hen die, in de episcopale opvolging, het charisma <strong>van</strong> de waarheid<br />
hebben ont<strong>van</strong>gen’ (Dei Verbum, nr. 8).<br />
In deze context is het nu goed te begrijpen wat wordt verstaan<br />
onder ‘privé-openbaringen’. Zij verwijzen naar alle visioenen en<br />
openbaringen die plaats hebben gevonden na de voltooiing <strong>van</strong><br />
het Nieuwe Testament. Dit is de categorie waarin we de Boodschap<br />
<strong>van</strong> Fatima moeten plaatsen. Ook hierover zegt de Katechismus:<br />
“In de loop der eeuwen zijn er z.g. ‘bijzondere of privé’ openbaringen<br />
geweest, waar<strong>van</strong> er sommige door het gezag <strong>van</strong> de Kerk<br />
erkend zijn. (…) Hun rol is het niet de definitieve Openbaring <strong>van</strong><br />
Christus te ‘verbeteren’ of ‘aan te vullen’, maar te helpen deze<br />
voller te beleven in een bepaald tijdperk <strong>van</strong> de geschiedenis” (nr.<br />
67). Dit verklaart twee dingen:<br />
1. De autoriteit <strong>van</strong> privé-openbaringen is wezenlijk anders<br />
dan die <strong>van</strong> de enige, publieke Openbaring: het laatste vraagt<br />
geloof. Daarin spreekt God zelf tot ons door middel <strong>van</strong> menselijke<br />
woorden en de bemiddeling <strong>van</strong> de levende kerkgemeenschap.<br />
Het geloof in God verschilt <strong>van</strong> ieder ander menselijk geloof,<br />
vertrouwen of gezichtspunt. De zekerheid dat het God is die spreekt<br />
geeft mij de verzekering dat ik de waarheid-zelf vind. Het geeft<br />
mij een zekerheid die ik in geen enkele andere vorm <strong>van</strong> menselijke<br />
230
kennis kan aantreffen. Het is de zekerheid waarop ik mijn leven<br />
bouw en waaraan ik mij toevertrouw bij mijn dood.<br />
2. De privé-openbaring is een hulp tot dat geloof en maakt<br />
zich geloofwaardig juist omdat zij een beroep doet op de enige<br />
publieke Openbaring. Kardinaal Próspero Lambertini, de latere<br />
paus Benedictus XIV, zegt in dit verband in zijn klassieke<br />
verhandeling, die later normatief voor zalig- en heiligverklaringen<br />
zou worden: ‘Zulke openbaringen hoeven niet door het katholieke<br />
geloof te worden ondersteund; dat is ook niet mogelijk. Deze<br />
openbaringen vereisen eerder een steun <strong>van</strong> het menselijk geloof,<br />
geleid door de regels <strong>van</strong> wijsheid, die ze ons waarschijnlijk en<br />
godsdienstig geloofwaardig maken’. De Vlaamse theoloog<br />
E.Dhanis, expert in deze materie, vat de kerkelijke goedkeuring<br />
<strong>van</strong> een privé-openbaring samen in drie elementen: de boodschap<br />
bevat niets dat tegengesteld is aan het geloof of de moraal; het is<br />
geoorloofd het openlijk bekend te maken; en de gelovigen zijn<br />
gewettigd het met voorzichtigheid te accepteren’ (Dhanis, Sguardo<br />
su Fatima e bilancio di una discussione, in: La Civiltà Cattolica,<br />
104 (1953) II, 392-406, net name 397). Zo’n boodschap kan een<br />
waardevolle hulp zijn het E<strong>van</strong>gelie te begrijpen en beter te beleven<br />
op bijzondere momenten in het leven. Daarom moet het niet<br />
worden veronachtzaamd. Het is een hulp die aangeboden wordt,<br />
maar die men niet verplicht is aan te nemen.<br />
Het criterium voor de waarheid en waarde <strong>van</strong> een privéopenbaring<br />
is derhalve haar gerichtheid op Christus zelf. Wanner<br />
zij ons <strong>van</strong> hem <strong>van</strong>daan voert, wanneer zij onafhankelijk <strong>van</strong><br />
Hem wordt of zich zelfs presenteert als een andere en betere weg<br />
tot redding, beter of belangrijker dan het E<strong>van</strong>gelie, dan komt zij<br />
zeker niet <strong>van</strong> de H,Geest, die ons dieper in het E<strong>van</strong>gelie laat<br />
doordringen en niet er verder <strong>van</strong> weg. Dit sluit niet uit dat een<br />
privé-openbaring nieuwe accenten legt of nieuwe vormen <strong>van</strong><br />
devotie laat ontstaan, of oudere vormen verdiept en verspreid.<br />
Maar bij dit alles moet het er steeds om gaan het geloof, de hoop<br />
en de liefde te sterken, die voor ieder de onveranderlijke weg<br />
naar de redding is. Hier zouden wij aan toe kunnen voegen dat<br />
privé-openbaringen dikwijls voortkomen uit de volksvroomheid en<br />
daar hun stempel op drukken door ze nieuwe impulsen te geven<br />
231
en de weg te openen voor nieuwe vormen. Dat sluit niet uit dat zij<br />
ook de liturgie zelf kunnen beïnvloeden, zoals bijvoorbeeld het<br />
geval is met het feest <strong>van</strong> Corpus Christi en <strong>van</strong> het H.Hart <strong>van</strong><br />
Jezus. In zekere zin komt de relatie tussen liturgie en volksvroomheid<br />
terug in de relatie tussen publieke openbaring en privéopenbaringen:<br />
de liturgie is het criterium, de levende vorm <strong>van</strong><br />
de Kerk als geheel, rechtstreeks gevoed door het E<strong>van</strong>gelie. De<br />
volksvroomheid is een teken dat het geloof zodanig doorwortelt in<br />
de geest <strong>van</strong> een volk dat het deel gaat uitmaken <strong>van</strong> het dagelijks<br />
leven. De volksgodsdienstigheid is de eerste en fundamentele<br />
vorm <strong>van</strong> ‘inculturatie’ <strong>van</strong> het geloof, dat zich voortdurend moet<br />
laten sturen door de aanwijzingen <strong>van</strong> de liturgie maar dat, op<br />
haar beurt, deze voedt <strong>van</strong>uit haar hart.<br />
Zo zijn we dus langs nogal negatieve specificaties, die eerst<br />
nodig waren, gekomen tot de positieve definitie <strong>van</strong> privéopenbaringen.<br />
Hoe kunnen zij direct <strong>van</strong>uit de Schrift geclassificeerd<br />
worden? Tot welke theologische categorie behoren<br />
zij? De oudste brief <strong>van</strong> Paulus, tevens het oudste geschrift <strong>van</strong><br />
het Nieuwe Testament, de eerste brief aan de Tessaloniërs, lijkt<br />
mij de weg te wijzen. De Apostel zegt hierin: ‘Blust de Geest niet<br />
uit, kleineert de profetische gaven niet, keurt alles, behoudt het<br />
goede’ (5, 19-20). In alle tijden heeft de Kerk de gave <strong>van</strong> profetie<br />
gekregen die, naast te worden onderzocht, niet mag worden<br />
geminacht. Hier moet men bedenken dat profetie, in bijbelse zin,<br />
niet betekent het voorspellen <strong>van</strong> de toekomst, maar de Wil <strong>van</strong><br />
God toepassen op het heden en die dus de weg aangeeft die men<br />
moet gaan voor de toekomst. Wie de toekomst voorspelt gaat in<br />
op de nieuwsgierigheid <strong>van</strong> de geest, die de sluier over de toekomst<br />
wil afwerpen. De profeet spreekt tot de blindheid <strong>van</strong> de wil en het<br />
denken door de wil <strong>van</strong> God als teken en uitleg voor het heden<br />
aan te geven. In dit geval is de voorspelling <strong>van</strong> de toekomst<br />
bijkomstig. De profetie is waarschuwing of troost, of beide tegelijk.<br />
In die zin is er verband tussen het charisma <strong>van</strong> de profetie en de<br />
‘tekenen <strong>van</strong> de tijd’, die Vaticanum II opnieuw ontdekte: ‘Van het<br />
beeld <strong>van</strong> land en lucht weet ge de juiste betekenis te bepalen,<br />
maar waarom dan niet <strong>van</strong> deze tijd?’ (Lc 12, 56). Onder ‘tekenen<br />
<strong>van</strong> de tijd’ in deze woorden <strong>van</strong> Jezus, moeten worden verstaan<br />
de weg die Hij gaat, Hij zelf. De tekenen <strong>van</strong> de tijd uitleggen in<br />
232
het licht <strong>van</strong> het geloof betekent de aanwezigheid <strong>van</strong> Christus<br />
erkennen in elke tijd. In privé-openbaringen die door de Kerk zijn<br />
erkend – en dus die <strong>van</strong> Fatima – gaat het precies hierom: zij<br />
helpen ons de tekenen <strong>van</strong> de tijd te begrijpen en er in geloof juist<br />
op te antwoorden.<br />
De anthropologische structuur <strong>van</strong> de privé-openbaringen<br />
Bij deze overwegingen hebben wij geprobeerd de theologische<br />
status <strong>van</strong> privé-openbaringen te bepalen. Voordat wij<br />
overgaan tot de interpretatie <strong>van</strong> de Boodschap <strong>van</strong> Fatima,<br />
moeten wij een korte uitleg geven over de anthropologische, d.w.z.<br />
psychologische, status hier<strong>van</strong>. De theologische anthropologie<br />
onderscheidt op dit terrein drie wijzen <strong>van</strong> waarneming of ‘visioen’:<br />
het visioen met de zintuigen, d.w.z externe fysieke waarneming;<br />
inwendige waarneming; en het geestelijke visioen (visio sensibilis,<br />
imaginativa, intellectualis). Het is duidelijk dat bij de visioenen <strong>van</strong><br />
Lourdes, Fatima en andere plaatsen geen sprake is <strong>van</strong> normale<br />
externe waarneming <strong>van</strong> de zintuigen: de beelden en personen<br />
die gezien worden bevinden zich niet ruimtelijk in de omgeving,<br />
zoals bijvoorbeeld een boom of een huis. Dat is bijvoorbeeld heel<br />
duidelijk bij het visioen <strong>van</strong> de hel (beschreven in het eerste deel<br />
<strong>van</strong> het ‘geheim’ <strong>van</strong> Fatima) of ook bij het visioen dat wordt<br />
beschreven in het derde deel <strong>van</strong> het ‘geheim’. Maar hetzelfde<br />
kan ook <strong>van</strong> andere visioenen worden gezegd, vooral omdat niet<br />
ieder die daar aanwezig was het zag, maar alleen de ‘zieners’.<br />
Het is eveneens duidelijk dat het hier niet gaat om een intellectueel<br />
‘visoen’ zonder beelden, zoals plaats vindt bij hoge graden <strong>van</strong><br />
mystiek. Het betreft dus de middelste wijze <strong>van</strong> waarneming, de<br />
inwendige, die voor de ziener zo’n kracht <strong>van</strong> aanwezigheid heeft<br />
dat zij voor die persoon gelijk staat aan uitwendige zintuiglijke<br />
waarneming.<br />
Dit ‘inwendig zien’ betekent niet dat er sprake is <strong>van</strong> fantasie,<br />
<strong>van</strong> iets subjectiefs. Het betekent eerder dat de persoon wordt<br />
geraakt door iets dat echt is, hoewel <strong>van</strong> buiten de zintuigen, wat<br />
de ziel in staat stelt het niet zintuiglijk waarneembare, het niet<br />
zintuiglijk zichtbare te zien; te zien door middel <strong>van</strong> ‘inwendige<br />
zintuigen’. Het betreft echte ‘objecten’ die de ziel raken, hoewel<br />
233
ze niet behoren tot de voor ons gebruikelijke wereld <strong>van</strong> de<br />
zintuigen. Daar is een innerlijke waakzaamheid <strong>van</strong> het hart voor<br />
nodig die wij meestal niet bezitten door de sterke druk <strong>van</strong> de<br />
uitwendige realiteit en de beelden en gedachten die zich aan de<br />
ziel opdringen. De persoon wordt buiten het puur uitwendige<br />
geplaatst en door diepere dimensies <strong>van</strong> de werkelijkheid geraakt,<br />
die zichtbaar voor hem worden. Hierdoor is het misschien te<br />
begrijpen waarom het meestal juist kinderen zijn die deze soort<br />
visioenen krijgen: hun ziel is nog weinig ‘omgewoeld’ en hun<br />
innerlijk vermogen om waar te nemen praktisch nog intact. ‘Uit de<br />
mond <strong>van</strong> kleine kinderen en zuigelingen hebt ge u een lofzang<br />
bereid’ was het antwoord <strong>van</strong> Jezus (hij gebruikte een zin uit psalm<br />
8, vs 3) op de kritiek <strong>van</strong> de hogepriesters en ouderlingen die het<br />
ongepast vonden dat de kinderen ‘Hosanna!’ riepen (Mt 21, 16).<br />
Zoals gezegd, is ‘het inwendige visioen’ geen fantasie maar<br />
een reële, heel eigen wijze <strong>van</strong> waarnemen. Maar dat heeft ook<br />
zijn beperkingen. Ook bij uitwendige waarnemingen zien wij de<br />
objecten door het filter <strong>van</strong> onze zintuigen die hen voor ons<br />
omzetten. Bij het inwendig zien is dit proces nog sterker aanwezig,<br />
vooral wanneer het gaat om werkelijkheden die in zichzelf onze<br />
horizon niet overschrijden. Het subject, de ziener, oefent een nog<br />
sterkere invloed uit. Hij ziet met de capaciteiten die hij bezit, met<br />
zijn eigen manier <strong>van</strong> uitdrukken en de kennis waarover hij<br />
beschikt. In het geval <strong>van</strong> inwendige visie is het proces <strong>van</strong> het<br />
omzetten <strong>van</strong> de waarnemingen nog duidelijker, omdat de ziener<br />
een essentiële rol speelt bij de beeldvorming <strong>van</strong> wat verschijnt.<br />
Het beeld kan alleen gevat worden binnen de grenzen <strong>van</strong> zijn<br />
capaciteiten en mogelijkheden. Zulke visioenen zijn dus beslist<br />
geen ‘foto’s’ <strong>van</strong> de andere wereld, maar ze zijn onderworpen aan<br />
de mogelijkheden en beperkingen <strong>van</strong> degene die ze ont<strong>van</strong>gt.<br />
Dit geldt voor alle grote visioenen <strong>van</strong> de heiligen en<br />
natuurlijk ook voor de visioenen <strong>van</strong> de herdertjes <strong>van</strong> Fatima.<br />
De beelden die zij beschrijven zijn beslist niet zomaar gefantaseerd,<br />
maar zij zijn het resultaat <strong>van</strong> reële waarneming <strong>van</strong><br />
hogere inwendige oorsprong. Maar wij moeten ze ook niet<br />
voorstellen alsof voor een moment de sluier <strong>van</strong> de andere wereld<br />
wordt weggetrokken en de hemel in haar zuivere essentie<br />
234
verschijnt, zoals wij haar eens hopen te zien bij de definitieve<br />
vereniging met God. Je zou kunnen zeggen dat de beelden een<br />
synthese vormen tussen een impuls <strong>van</strong> Boven en de mogelijkheden<br />
<strong>van</strong> de ziener, de kinderen dus, om de impuls te<br />
ont<strong>van</strong>gen. Dat is de reden waarom de taal <strong>van</strong> visioenen<br />
symbolisch is. Hierover zegt kardinaal Sodano: ‘Zij beschrijven<br />
niet de details <strong>van</strong> toekomstige gebeurtenissen, maar zij vatten<br />
tegen één enkele achtergrond feiten samen die zich over een niet<br />
nader omschreven opeenvolging en duur uitstrekken’. Dit samenvoegen<br />
<strong>van</strong> tijd en ruimte in één enkel beeld is typerend voor<br />
zulke visioenen, die meestal pas ontcijferd kunnen worden a<br />
posteriori. En niet ieder onderdeel <strong>van</strong> het visioen hoeft per se<br />
een specifieke historische betekenis te hebben. Waar het om gaat,<br />
is het visioen als geheel en de details moeten begrepen worden<br />
<strong>van</strong>uit het geheel <strong>van</strong> de beelden. Het centrale element <strong>van</strong> de<br />
voorstelling wordt duidelijk wanneer dat samenvalt met wat het<br />
absolute centrum <strong>van</strong> de christelijk ‘profetie’ is: het centrum is het<br />
punt waar het visioen oproep en gids tot de wil <strong>van</strong> God wordt.<br />
Een poging om het ‘geheim’ <strong>van</strong> Fatima te interpreteren<br />
Het eerste en tweede deel <strong>van</strong> het ‘geheim’ <strong>van</strong> Fatima zijn<br />
al zo uitgebreid in allerlei publicaties besproken, dat het niet nodig<br />
is daarover nu te spreken. Ik wilde alleen kort het meest opvallende<br />
punt in herinnering brengen. De herdertjes kregen, in een afschuwelijk<br />
ogenblik, een visioen <strong>van</strong> de hel. Zij zagen de val <strong>van</strong><br />
de ‘zielen <strong>van</strong> de arme zondaars’. Daarna werd hun gezegd<br />
waarom zij dat vreselijke moment moesten doorstaan: “Om zielen<br />
te redden” – de weg naar de redding te wijzen. Dit doet ons denken<br />
aan een zin uit de eerste Brief <strong>van</strong> Petrus: “Gij zijt zeker het<br />
einddoel <strong>van</strong> uw geloof, de redding <strong>van</strong> uw ziel, te bereiken” (1 P,<br />
1,9). Als weg om zo’n doel te bereiken wordt, verbazend voor<br />
mensen uit de culturele Anglo-Saksische en Germaanse wereld,<br />
de weg gewezen <strong>van</strong> de devotie tot het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria.<br />
Om dit te begrijpen is een kleine uitleg nodig. De term ‘hart’,<br />
betekent in de bijbelse taal het centrum <strong>van</strong> het menselijk bestaan,<br />
waar verstand, wil, temperament en gevoeligheid samenvloeit,<br />
waar de persoon zijn eenheid en innerlijke oriëntatie ontmoet.<br />
235
Volgens het e<strong>van</strong>gelie <strong>van</strong> Matteus (5, 8), is het ‘Onbevlekt Hart’<br />
een hart dat met Gods genade tot een volmaakte innerlijke eenheid<br />
is gekomen en dus ‘God ziet’. Devotie tot het Onbevlekt Hart <strong>van</strong><br />
Maria betekent dus deze houding <strong>van</strong> het hart te willen benaderen,<br />
waarin het fiat – “Uw wil geschiede” – het bepalend centrum <strong>van</strong><br />
iemands hele leven wordt. Iemand zou kunnen opmerken dat men<br />
geen menselijk wezen tussen ons en Christus mag plaatsen. Maar<br />
denk er dan aan dat Paulus niet aarzelde tot zijn gemeentes te<br />
zeggen: “Doet gij ook zo” (vgl. 1 Cor 4, 16; Fil 3, 17; 1 Tes 1, 6; 2<br />
Tes 3, 7.9). In de Apostel kunnen zij concreet zien wat het betekent<br />
Christus te volgen. Maar <strong>van</strong> wie zouden wij door de eeuwen heen<br />
beter kunnen leren dan <strong>van</strong> de Moeder <strong>van</strong> God?<br />
Zo komen we tenslotte dan aan het derde deel <strong>van</strong> het<br />
‘geheim’ <strong>van</strong> Fatima, dat voor het eerst in zijn geheel wordt<br />
gepubliceerd. Uit de documentatie hierover blijkt dat de interpretatie<br />
die kardinaal Sodano in zijn toespraak op 13 mei, tevoren<br />
persoonlijk aan zuster Lucia was overhandigd. <strong>Zuster</strong> Lucia gaf<br />
hierop als commentaar, dat zij het visioen had gekregen maar<br />
niet de interpretatie er<strong>van</strong>. De interpretatie is niet aan de ziener,<br />
zei ze, maar behoort aan de Kerk. Na het lezen <strong>van</strong> de tekst echter,<br />
zei ze dat die interpretatie overeenkwam met wat zij had<br />
ondervonden en dat zij, wat haar betreft, de interpretatie juist vond.<br />
Daarom kunnen wij ons in wat volgt beperken tot trachten een<br />
diepere fundering voor deze interpretatie te geven, uitgaande <strong>van</strong><br />
de criteria die wij hiervoor hebben uiteengezet.<br />
Op dezelfde wijze als het sleutelwoord <strong>van</strong> het eerste en<br />
tweede deel <strong>van</strong> het ‘geheim’ ‘zielen redden’ is, is het sleutelwoord<br />
voor het derde deel de drievoudige roep: ‘Boete, Boete, Boete!’.<br />
Het begin <strong>van</strong> het e<strong>van</strong>gelie komt in onze gedachten: ‘Heb berouw<br />
en geloof in het Goede Nieuws’ (Mc 1, 15). Het begrijpen <strong>van</strong> de<br />
tekenen des tijds betekent: de noodzaak accepteren <strong>van</strong> boete,<br />
<strong>van</strong> bekering, <strong>van</strong> geloof. Dat is het juiste antwoord op dit moment<br />
<strong>van</strong> de geschiedenis, gekarakteriseerd door ernstige gevaren in<br />
de beeldden die volgen. Sta me toe hier een persoonlijke<br />
herinnering aan toe te voegen. In een gesprek zei zuster Lucia<br />
tegen mij dat het haar steeds duidelijker werd dat de bedoeling<br />
<strong>van</strong> alle verschijningen was om de mensen te helpen steeds meer<br />
236
te groeien in geloof, hoop en liefde; al het andere was bedoeld<br />
hiertoe te leiden.<br />
Laten wij dan nu de verschillende beelden nader bekijken.<br />
De engel met het vlammende zwaard aan de linkerzijde <strong>van</strong> de<br />
Moeder <strong>van</strong> God roept soortgelijke beelden op in het <strong>Boek</strong><br />
Openbaringen. Deze stelt het eindoordeel voor, dat de wereld te<br />
wachten staat. Tegenwoordig lijkt het vooruitzicht dat de wereld<br />
door een vuurzee in de as wordt gelegd niet meer louter fantasie;<br />
de mens zelf heeft, met zijn uitvindingen, het zwaard gevormd.<br />
Daarna laat het visioen de macht zien die tegenover de vernietigingskracht<br />
staat. De glans <strong>van</strong> de Moeder <strong>van</strong> God en de<br />
vermaning tot boete. Op deze wijze wordt het belang <strong>van</strong> de vrijheid<br />
<strong>van</strong> de mens onderstreept: de toekomst is geen onveranderlijk<br />
gegeven en het beeld dat de kinderen zagen is in geen geval een<br />
film over een toekomst waarin niets kan worden veranderd, maar<br />
precies het tegenovergestelde: de kern <strong>van</strong> het visioen is vrijheid<br />
in het schouwspel te brengen en de vrijheid een positieve weg op<br />
te leiden. Daarom moeten wij die fatalistische interpretaties <strong>van</strong><br />
het ‘geheim’ als absurd beschouwen die bijvoorbeeld zeggen dat<br />
de dader <strong>van</strong> de moordaanslag <strong>van</strong> 13 mei 1981 louter een<br />
instrument <strong>van</strong> een plan <strong>van</strong> de goddelijke Voorzienigheid was en<br />
dus niet vrij had kunnen handelen, en meer <strong>van</strong> dat soort ideeën<br />
die de ronde doen. Het visioen spreekt eerder <strong>van</strong> gevaren en<br />
hoe wij daarvoor gespaard kunnen blijven.<br />
De volgende zinnen <strong>van</strong> de tekst laten weer eens duidelijk<br />
het symbolische karakter <strong>van</strong> het visioen zien: God blijft de<br />
onmetelijke en is het licht dat zich buiten al onze visioenen bevindt.<br />
De menselijke personen worden gezien als in een spiegel. Wij<br />
moeten ons voortdurend bewust zijn <strong>van</strong> deze beperkingen <strong>van</strong><br />
het visioen, die hier visueel worden weergegeven. De toekomst<br />
wordt alleen maar gezien ‘als in een spiegel, zwak’ (vgl 1 Kor 13,<br />
12). Laten wij nu de verschillende beelden die in de tekst <strong>van</strong> het<br />
‘geheim’ voorkomen, beschouwen. De plaats <strong>van</strong> handeling wordt<br />
beschreven in drie symbolen: een steile berg, een grote vervallen<br />
stad en tenslotte een groot, ruw gekapt kruis. De berg en de stad<br />
symboliseren het strijdperk <strong>van</strong> de menselijke geschiedenis;<br />
geschiedenis als een zware beklimming naar de top; geschiedenis<br />
237
als het strijdperk <strong>van</strong> menselijke creativiteit en sociale harmonie,<br />
maar tegelijkertijd een plaats <strong>van</strong> vernietiging, waar men feitelijk<br />
de vruchten <strong>van</strong> eigen werk verwoest. De stad kan zijn de plaats<br />
<strong>van</strong> communicatie en vooruitgang, maar ook plaats <strong>van</strong> gevaar<br />
en de vreselijkste ramp. Bovenop de berg stat het kruis: doel en<br />
oriëntatiepunt <strong>van</strong> de geschiedenis. Het kruis verandert<br />
verwoesting in redding; het verheft zich als teken <strong>van</strong> de ellende<br />
<strong>van</strong> de geschiedenis en ook als belofte voor de geschiedenis.<br />
Op dit punt verschijnen menselijke personen: de in het wit<br />
geklede bisschop (‘Wij hadden de indruk dat het de H.Vader was’),<br />
andere bisschoppen, priesters, mannelijke en vrouwelijke<br />
religieuzen, en mannen en vrouwen <strong>van</strong> verschillende rangen en<br />
standen. De paus lijkt de anderen voor te gaan, huiverend en<br />
lijdend om alle verschrikkingen om hem heen. Niet alleen liggen<br />
de huizen <strong>van</strong> de stad half in puin, maar hij gaat zijn weg temidden<br />
<strong>van</strong> dode lichamen. Het pad <strong>van</strong> de Kerk wordt omschreven als<br />
een Via Crucis , als een reis door een tijd <strong>van</strong> geweld, verwoesting<br />
en vervolging. In dit beeld kan de geschiedenis <strong>van</strong> een hele eeuw<br />
worden gezien. Evenals de plaatsen op aarde symbolisch worden<br />
beschreven in de twee beelden <strong>van</strong> de berg en de stad en worden<br />
gericht op het kruis, zo wordt ook de tijd beeldend samengevat: in<br />
het visioen kunnen wij de laatste eeuw herkennen als een eeuw<br />
<strong>van</strong> martelaren, een eeuw <strong>van</strong> lijden en vervolging in de Kerk,<br />
een eeuw <strong>van</strong> wereldoorlogen en de vele plaatselijke oorlogen<br />
<strong>van</strong> de laatste vijftig jaar die ongehoorde vormen <strong>van</strong> wreedheid<br />
hebben toegebracht. In de ‘spiegel’ <strong>van</strong> het visioen zien we<br />
decennia na elkaar de getuigen <strong>van</strong> het geloof aan ons voorbij<br />
gaan. Hier sluit goed bij aan een zin uit de brief die zuster Lucia<br />
op 12 mei 1982 aan de paus schreef: “Het derde deel <strong>van</strong> het<br />
‘geheim’ heeft betrekking op de woorden <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw:<br />
‘Zo niet, dan zal (Rusland) zijn dwalingen over de wereld<br />
verspreiden en oorlogen en vervolgingen <strong>van</strong> de Kerk veroorzaken.<br />
De goeden zullen gemarteld worden, de H.Vader zal veel te lijden<br />
krijgen, verschillende staten zullen vernietigd worden’”.<br />
In de Via Crucis <strong>van</strong> deze eeuw heeft de figuur <strong>van</strong> de paus<br />
een speciale rol. In zijn moeizame beklimming <strong>van</strong> de berg kunnen<br />
wij zonder twijfel een samenkomen zien <strong>van</strong> verschillende pausen,<br />
238
te beginnen bij paus Pius X tot de huidige paus (Johannes Paulus<br />
II) deelden zij allen in het lijden <strong>van</strong> de eeuw en worstelden om<br />
door alle smart heen voort te gaan over de weg die naar het Kruis<br />
leidt. In het visioen wordt de paus ook gedood, op dezelfde weg<br />
als de martelaren. Was het niet te verwachten dat de paus, toen<br />
hij, na de moordaanslag <strong>van</strong> 13 mei 1981, de tekst <strong>van</strong> het derde<br />
deel <strong>van</strong> het ‘geheim’ bij zich liet brengen, hierin zijn eigen noodlot<br />
zou herkennen? Hij was dicht bij de dood geweest en zijn<br />
overleving verklaarde hij zelf met de woorden: “Het was een<br />
moederhand die het pad <strong>van</strong> de kogel leidde en de stervende<br />
paus stopte op de drempel <strong>van</strong> de dood” (13 mei 1994). Dat hier<br />
een moederhand de noodlottige kogel liet afwijken <strong>van</strong> zijn weg<br />
toont des te meer dat er niet zoiets als een onveranderlijke<br />
bestemming is, dat geloof en gebed krachten zijn die de<br />
geschiedenis kunnen beïnvloeden en dat het gebed tenslotte<br />
sterker is dan kogels en het geloof krachtiger is dan legers.<br />
In het slot <strong>van</strong> het ‘geheim’ worden beelden gebruikt die<br />
Lucia gezien kan hebben in devotieboeken, waar<strong>van</strong> de inhoud<br />
stamt <strong>van</strong> oude geloofsintuïties. Het is een troostend visioen, dat<br />
tracht een geschiedenis <strong>van</strong> bloed en tranen te openen voor de<br />
helende kracht <strong>van</strong> God. Onder de armen <strong>van</strong> het kruis verzamelen<br />
engelen het bloed <strong>van</strong> de martelaren en geven hiermee leven<br />
aan de zielen op de weg naar God. Hier wordt het Bloed <strong>van</strong><br />
Christus en het bloed <strong>van</strong> de martelaren als één beschouwd: het<br />
bloed <strong>van</strong> de martelaren stroomt <strong>van</strong> de armen <strong>van</strong> het Kruis. De<br />
martelaren sterven in gemeenschap met het lijden <strong>van</strong> Christus<br />
en hun dood wordt één met zijn dood. Zij vullen aan wat voor het<br />
lichaam <strong>van</strong> Christus nog aan zijn lijden ontbrak (vgl Kol 1, 24).<br />
Hun leven zelf werd eucharistie, deel <strong>van</strong> het mysterie <strong>van</strong> de<br />
graankorrel die sterft en overvloedig vrucht draagt. Het bloed <strong>van</strong><br />
de martelaren is het zaad <strong>van</strong> de christenen, zei Tertulianus. Zoals<br />
de Kerk geboren werd uit de dood <strong>van</strong> Christus, uit zijn geopende<br />
zijde, zo is ook de dood <strong>van</strong> de geloofsgetuigen vruchtbaar voor<br />
het toekomstig leven <strong>van</strong> de Kerk. Het visioen <strong>van</strong> het derde deel<br />
<strong>van</strong> het ‘geheim’, dat op het eerste gezicht zo benauwend is, eindigt<br />
met een beeld <strong>van</strong> hoop: geen lijden is vergeefs en het is een<br />
lijdende Kerk, een Kerk <strong>van</strong> martelaren, die een wegwijzer wordt<br />
voor de mens in zijn zoektocht naar God. Gods liefdevolle armen<br />
239
verwelkomen niet alleen hen die lijden als Lazarus, die daar grote<br />
troost vond en op mysterieuze wijze Christus vertegenwoordigt,<br />
die voor ons de arme Lazarus heeft willen worden. Maar er is<br />
meer: <strong>van</strong> het lijden <strong>van</strong> de geloofsgetuigen gaat een zuiverende<br />
en vernieuwende kracht uit omdat het de actualisatie <strong>van</strong> het lijden<br />
<strong>van</strong> Christus is en haar verlossende werking naar onze tijd<br />
overbrengt.<br />
Zo zijn we bij de laatste vraag gekomen: wat betekent het<br />
‘geheim’ <strong>van</strong> Fatima in zijn geheel (in de drie delen)? Wat zegt<br />
het ons? In de eerste plaats moeten wij veronderstellen, zoals<br />
kardinaal Sodano zegt, dat de gebeurtenissen waar het derde deel<br />
<strong>van</strong> het ‘geheim’ <strong>van</strong> Fatima over gaat, al tot het verleden lijken<br />
te behoren”. De specifieke verschillende gebeurtenissen die worden<br />
voorgesteld, behoren inderdaad tot het verleden. Wie indrukwekkende<br />
apocalyptische openbaringen over het einde <strong>van</strong> de<br />
wereld verwachtte, of over het toekomstig verloop <strong>van</strong> de<br />
geschiedenis, komt teleurgesteld uit. Fatima levert een dergelijke<br />
bevrediging <strong>van</strong> onze nieuwsgierigheid niet, zoals trouwens het<br />
christelijk geloof in het algemeen niet gereduceerd kan worden tot<br />
object <strong>van</strong> onze nieuwsgierigheid. Wat blijft was al meteen duidelijk<br />
toen wij begonnen met onze gedachten over de tekst <strong>van</strong> het<br />
‘geheim’: het is de aansporing tot gebed als de weg naar de ‘redding<br />
<strong>van</strong> de zielen’ en op dezelfde wijze de oproep tot boete en bekering.<br />
Als laatste zou ik een andere sleuteluitdrukking <strong>van</strong> het<br />
‘geheim’ willen noemen, wat even beroemd is geworden: ‘Mijn<br />
Onbevlekt Hart zal triomferen’. Wat betekent dat? Het hart geopend<br />
naar God, gelouterd door beschouwingen op God, is sterker dan<br />
welke geweren en wapens dan ook. Het ‘fiat’ <strong>van</strong> Maria, het woord<br />
uit haar hart, heeft de geschiedenis <strong>van</strong> de wereld veranderd omdat<br />
het de Verlosser in de wereld bracht; omdat God, dankzij haar ‘ja’<br />
mens kon worden in onze wereld en voor altijd blijft. De duivel<br />
heeft macht in deze wereld zoals wij voortdurend zien en<br />
ondervinden. Hij heeft macht omdat onze vrijheid zich voortdurend<br />
laat afleiden <strong>van</strong> God. Maar, sinds God zelf een menselijk hart<br />
aannam en zo de menselijke vrijheid heeft geleid naar wat goed<br />
is, heeft de vrijheid om het slechte te kiezen niet het laatste woord.<br />
Vanaf die tijd is het woord dat zegeviert dit: ‘In de wereld zal je<br />
240
tegenspoed ondervinden, maar houd moed; Ik heb de wereld<br />
overwonnen’ (Jo 16, 33). De Boodschap <strong>van</strong> Fatima nodigt ons<br />
uit op deze belofte te vertrouwen.<br />
Joseph Kard. Ratzinger<br />
Prefect <strong>van</strong> de Congregatie<br />
voor de Geloofsleer<br />
241
242
INHOUD<br />
Voorwoord <strong>van</strong> de uitgever ................................................ 5<br />
Inleiding op de <strong>Herinneringen</strong> <strong>van</strong> zuster Lucia ................ 7<br />
Biografie <strong>van</strong> Lucia ............................................................ 8<br />
Litteraire eigenschappen <strong>van</strong> Lucia ................................... 10<br />
Litterair genre <strong>van</strong> de <strong>Herinneringen</strong> ................................. 13<br />
Thema <strong>van</strong> de <strong>Herinneringen</strong> ............................................ 14<br />
EERSTE HERINNERING<br />
Inleiding ...................................................................... 33<br />
Voorwoord .................................................................. 34<br />
1. Gebed en gehoorzaamheid ....................................... 34<br />
2. Geheimen bewaren .................................................... 34<br />
3. Aan Jacinta ................................................................ 36<br />
I. PORTRET VAN JACINTA<br />
1. Karakter ..................................................................... 10<br />
2. Haar gevoeligheid ...................................................... 38<br />
3. Liefde voor Christus aan het kruis ............................. 39<br />
4. Gevoelig karakter ...................................................... 40<br />
5. Kindercatechese ........................................................ 41<br />
6. Jacinta, het herderinnetje .......................................... 43<br />
7. De eerste verschijning ............................................... 45<br />
8. Nadenken over de hel ................................................ 46<br />
9. Liefde voor de zondaars ............................................ 47<br />
10. Tegenstand <strong>van</strong> de familie ......................................... 49<br />
11. Liefde voor de H.Vader .............................................. 51<br />
12. In de ge<strong>van</strong>genis <strong>van</strong> Vila Nova de Ourém............... 52<br />
13. Rozenhoedje in de ge<strong>van</strong>genis ................................. 53<br />
14. Gehechtheid aan het dansen ..................................... 54<br />
II. NA DE VERSCHIJNINGEN<br />
1. Gebeden en offers op de Cabeço .............................. 55<br />
2. Hinderlijke ondervragingen ........................................ 56<br />
243
3. De vrome pater Cruz .................................................. 57<br />
4. Gebedsverhoringen op voorspraak <strong>van</strong> Jacinta ......... 57<br />
5. Nieuwe offers .............................................................. 58<br />
244<br />
III. ZIEKTE EN DOOD VAN JACINTA<br />
1. Jacinta krijgt longontsteking ....................................... 59<br />
2. Bezoek <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw................................... 61<br />
3. In het ziekenhuis <strong>van</strong> Ourém ...................................... 62<br />
4. Terug naar Aljustrel ..................................................... 62<br />
5. Nieuwe bezoeken <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw .................. 63<br />
6. Vertrek naar Lissabon ................................................. 65<br />
Naschrift ..................................................................... 66<br />
TWEEDE HERINNERING<br />
Inleiding...................................................................... 67<br />
Voorwoord .................................................................. 68<br />
I. VÓÓR DE VERSCHIJNINGEN<br />
1. Jeugd <strong>van</strong> Lucia ......................................................... 69<br />
2. Volksvermaken .......................................................... 70<br />
3. Eerste Communie ...................................................... 71<br />
4. Glimlach <strong>van</strong> de Moeder <strong>van</strong> God ............................. 72<br />
5. Vigilie <strong>van</strong> verwachting .............................................. 73<br />
6. De grote dag .............................................................. 74<br />
7. Bij Lucia thuis ............................................................. 75<br />
8. Nabeschouwing <strong>van</strong> Lucia ......................................... 76<br />
II. DE VERSCHIJNINGEN<br />
1. Wat Lucia zag in 1915 ............................................... 77<br />
2. Verschijningen <strong>van</strong> de Engel in 1916 ........................ 78<br />
3. Problemen thuis ......................................................... 82<br />
4. Verschijningen <strong>van</strong> Onze Lieve Vrouw ...................... 84<br />
5. Twijfels <strong>van</strong> Lucia ...................................................... 86<br />
6. Jacinta en Francisco spreken Lucia moed in ............ 88<br />
7. Ongeloof <strong>van</strong> de moeder <strong>van</strong> Lucia .......................... 90<br />
8. Bedreigingen <strong>van</strong> de burgemeester ........................... 91
9. Problemen voor het gezin........................................... 92<br />
10. Lucia’s eerste geestelijk leidsman .............................. 93<br />
11. In de ge<strong>van</strong>genis <strong>van</strong> Ourém ..................................... 94<br />
12. Verstervingen en lijden ............................................... 95<br />
13. De dertiende september ............................................. 97<br />
14. Offergeest <strong>van</strong> Lucia .................................................. 98<br />
15. Een merkwaardige bezoeker ...................................... 99<br />
16. Dertien oktober ........................................................... 100<br />
17. Ondervragingen door priesters .................................... 101<br />
III. NA DE VERSCHIJNINGEN<br />
1. Lucia gaat naar school ................................................ 104<br />
2. De houding <strong>van</strong> de pastoor ......................................... 105<br />
3. Eén in lief en leed ....................................................... 107<br />
4. Tegenwerking <strong>van</strong> de regering .................................... 109<br />
5. De moeder <strong>van</strong> Lucia wordt ernstig ziek .................... 111<br />
6. De dood <strong>van</strong> haar vader ............................................. 112<br />
7. Ziekte <strong>van</strong> Jacina en Francisco .................................. 113<br />
8. Ook Lucia wordt ziek .................................................. 116<br />
9. Eerste onderhoud met de bisschop ............................ 117<br />
10. Afscheid <strong>van</strong> Fatima ................................................... 119<br />
NAWOORD<br />
1. Nog een paar bijzonderheden over Jacinta ................ 120<br />
2. Aantrekkingskracht <strong>van</strong> Lucia ..................................... 121<br />
3. Goed geheugen <strong>van</strong> de zieneres ................................ 122<br />
DERDE HERINNERING<br />
Inleiding ...................................................................... 123<br />
Voorwoord ................................................................... 124<br />
1. Wat is het geheim? ..................................................... 124<br />
2. Het visioen <strong>van</strong> de hel ................................................ 125<br />
3. Diepe indruk op Jacinta .............................................. 127<br />
4. Nog een punt .............................................................. 129<br />
5. Het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria .................................... 129<br />
6. Jacinta ziet de H.Vader ............................................... 131<br />
245
7. Visioenen <strong>van</strong> de oorlog ............................................ 132<br />
8. Waarom Lucia zo lang zweeg.................................... 134<br />
9. Jacinta’s liefde tot het Onbevlekt Hart <strong>van</strong> Maria...... 135<br />
246<br />
Nawoord ..................................................................... 137<br />
VIERDE HERINNERING<br />
Inleiding ..................................................................... 138<br />
1. Vertrouwen en overgave ............................................ 139<br />
2. Algehele onthechting ................................................. 139<br />
3. Bijstand <strong>van</strong> de H.Geest ............................................ 140<br />
I. PORTRET VAN FRANCISCO<br />
1. Spiritualiteit ................................................................ 141<br />
2. Waar Francisco het meest <strong>van</strong> hield ......................... 143<br />
3. Hoe Francisco deelnam aan de verschijningen......... 144<br />
4. Invloed <strong>van</strong> de eerste verschijning <strong>van</strong> O.L. Vrouw .. 146<br />
5. Invloed <strong>van</strong> de tweede verschijning .......................... 149<br />
6. Francisco spreekt Lucia moed in ............................... 150<br />
7. Invloed <strong>van</strong> de derde verschijning ............................. 151<br />
8. In de ge<strong>van</strong>genis ....................................................... 151<br />
9. Invloed <strong>van</strong> de laatste verschijningen ....................... 153<br />
10. Enkele anekdotes ...................................................... 155<br />
11. Francisco, de kleine moralist ..................................... 159<br />
12. Afzondering om te bidden .......................................... 161<br />
13. Francisco ziet de duivel ............................................. 162<br />
14. Zijn gevederde vriendjes ........................................... 163<br />
15. Nog een paar voorvallen ........................................... 165<br />
16. Francisco wordt ziek .................................................. 168<br />
17. Heilige dood ............................................................... 171<br />
18. Nog enige liedjes ....................................................... 172<br />
II. DE GESCHIEDENIS VAN DE VERSCHIJNINGEN<br />
Voorwoord ................................................................. 173<br />
1. De verschijningen <strong>van</strong> de Engel ................................ 175<br />
2. Het zwijgen <strong>van</strong> Lucia ................................................ 178
3. Dertien mei ................................................................ 179<br />
4. Dertien juni ................................................................. 182<br />
5. Dertien juli ................................................................. 183<br />
6. Dertien augustus ........................................................ 185<br />
7. Dertien september ..................................................... 186<br />
8. Dertien oktober .......................................................... 188<br />
Nawoord ..................................................................... 189<br />
NOG ENIGE AANTEKENINGEN OVER JACINTA<br />
1. Een wonderbare genezing ......................................... 190<br />
2. De terugkeer <strong>van</strong> een ‘verloren zoon’........................ 191<br />
IV. JACINTA’S FAAM VAN HEILIGHEID<br />
1. Nog één vraag ........................................................... 192<br />
2. Jacinta, spiegel <strong>van</strong> God ........................................... 192<br />
3. Jacinta, voorbeeld <strong>van</strong> deugdzaamheid .................... 194<br />
4. Francisco was anders ................................................ 196<br />
Nawoord ..................................................................... 198<br />
BIJVOEGSEL I<br />
Tekst <strong>van</strong> de grote belofte <strong>van</strong> het Heilig Hart<br />
<strong>van</strong> Maria bij de verschijning in Pontevedra (Spanje) .. 199<br />
BIJVOEGSEL II<br />
Tekst <strong>van</strong> het verzoek om de toewijding <strong>van</strong> Rusland.. 203<br />
BIJVOEGSEL III<br />
De Boodschap <strong>van</strong> Fatima ........................................ 205<br />
Inleiding ..................................................................... 205<br />
Het ‘geheim’ <strong>van</strong> Fatima ............................................ 213<br />
Derde deel <strong>van</strong> het ‘geheim’ ...................................... 217<br />
Interpretatie <strong>van</strong> het ‘geheim’ .................................... 223<br />
Gesprek met zuster Lucia .......................................... 224<br />
Toespraak <strong>van</strong> kardinaal Sodano .............................. 226<br />
Theologisch commentaar <strong>van</strong> kardinaal Ratzinger ... 228<br />
247