DE OLIEKE PERS

webstore.iisg.nl

DE OLIEKE PERS

Nummer 104

15 December 1934

DE OLIEKE PERS

MAANDORGAAN VAN DE NEDERLANDSE ROOMS-KATHOLIEKE JOURNALISTENVERENIGING

Verschijnt elke 15e van de maand

ABONNEMENTSPRIJS

f 2.50 per jaar

PATER KRUITWAGEN GAAT HEEN.

Men had zich pater Kruitwagen en onze Journalisten-Vereniging

voorgoed één gedacht.

Hij was geestelijk adviseur; maar was hij niet óók collega en

wist hij niet van letters en al wat daarvan en daarmee gemaakt

wordt méér dan één onzer?

Dertien jaren heeft hij het adviseur schap meer vervuld dan

getorst, en wierp andere drukke bezigheid of gezondheidstoestand

tijdelijk een belemmering op — wij hebben die periodes

gekend — dan was het opmerkelijk hoe hij, weer in ons midden

verschijnend, volkomen op de hoogte was van hetgeen zich middelerwijl

had afgespeeld.

Juist pater Kruitwagen was voor ons, die zelf zoveel te beadviseren

hebben, een model-adviseur, óók gemoedelijk, óók inschikkelijk,

maar daarnaast als het noodig was stevig en onverzettelijk

en — ongemakkelijk.

Wij bewaren erkentelijk de herinnering aan een superieur man,

een man met maar één woord, tegenover wien wij toen we vernamen

dat hrj om overwegingen van gezondheid en werkzaamheden

zijn ontslag zou vragen, niet eens hebben geprobeerd

hem van z'n besluit af te brengen.

Pater Kruitwagen aanvaarde de oprechte dank van ons allen

Hij behoort tot hen, die niet vergeten kunnen worden.

V.

BIJ HET HEENGAAN VAN PATER KRUITWAGEN.

We zullen niet de afgezaagde gemeenplaats gebruiken van e*n

donderslag bij heldere hemel, maar het was toch voor alle be-

Verantwoordelijk Redacteur z

J. HULSMAN

Star Nuinanstraat 12 - Groningen - Telefoon 5136

ADVERTENTIEPRIJS:

f 4 — per V,2 pagina

Denkt aan het gireren van uw maandcontributie.

Vraagt een formulier aan voor het automatisch gireren.

Ge zijt dan van alle soesah en zorgen af.

Ge bespaart den penningmeester veel omslachtig werk.

En ge helpt mee te bezuinigen op onze uitgaven.

Het adres is: L. Stolwijk, Jacob Obrechtstr. 47, Amsterdam.

Gironummer 13-82-51.

stuursleden een pijnlijke verrassing, toen bij de aanvang van

onze bestuursvergadering op Zaterdag 1 December, de secretaris

mededeling deed van een door hem van Pater Kruitwagen ontvangen

telegram, waarbij deze meedeelde, opnieuw door een

ongesteldheid verhinderd te zijn, deze bestuursvergadering bij

te wonen en nu maar tevens besloten had, wegens voortdurende

ongesteld, bij het Hoogwaardig Episcopaat definitief zijn ontslag

te vragen als adviseur van de Ned. R. K. Journalisten Vereeniging.

Als Pater Kruitwagen eenmaal een besluit definitief genomen

heeft, dan is het ijdele moeite te trachten hem te bewegen

daarop terug te komen. Weloverwogen neemt hij zijn beslissing

en dan blijft er niet anders over, dan deze te eerbiedigen, hoezeer

men deze beslissing ook kan betreuren.

Zowel het een als het ander heeft ons bestuur in deze bestuursvergadering

gedaan. Het heeft dit besluit van Pater Kruitwagen

betreurd en zelfs ernstig betreurd, maar het heeft tenslotte

gemeend het te moeten eerbiedigen. Er ging nog wel eens een

stem op Pater Kruitwagen te verzoeken op zijn besluit terugte

komen, maar pater Kruitwagen kennende, was men het vrij

spoedig eens, dat men dit tegenover hem niet moest proberen

Wij zullen er in moeten berusten, dat we zijn markante kop

zijn scherpzinnige blik, zijn grote kennis, maar vooral zijn grote

liefde en werkkracht voor onze vereniging, voortaan zullen

missen.

Pater Kruitwagen was niet gemakkelijk en samenwerking met

hem eiste tact en een brede blik. Hij was een man van recht

door zee, die er niet tegen opzag om een hard woord te zeggen

en een tegenovergestelde mening scherp te bestrijden. Voor een

eerlijke overtuiging had hij altijd eerbied, maar wie niet recht

door zee ging, die had aan hem een geduchten vijand. Hij kon

soms heel scherp zijn, maar dat kwam alleen omdat hij de waarheid

hartstochtelijk lief had en dus ook hetgeen hij zelf naar

zijn innige overtuiging voor waar en goed hield.

Elke halfheid was hem een gruwel en in zijn ontstemming kon

hij soms bitter en hard zijn, maar het goede in zijn tegenstander,

wist hij toch altijd te waarderen.

Een natuur als hij, die er nooit doekjes om wond en zijn opvatting

zonder aanzien des persoons verdedigde, moest natuurlijk

wel eens met anderen in botsing komen. Een soort allemansgading

was hij allerminst, integendeel daar gruwde hij var

Maar er zal niemand nu bij zijn heengaan zijn, die twijfelt aan

zijn onrechtheid, aan zijn liefde voor de waarheid, aan zijn zuivere

intenties om de belangen, welke onze vereniging voorstond

met alle kracht te dienen. Hij beperkte zijn taak allerminst tot


100 DE KATHOLIEKE PERS No. 104 15 December 1934

het uitsluitend terrein van den geestelijken adviseur. Met zijn

veelomvattende kennis, zijn grote werkkracht en nooit falende

scherpzinnigheid stond hij ons altijd en overal ter zijde, waar

en waarvoor wij ook een beroep op hem deden. Door zijn grote

invloed in allerlei kringen was hij meermalen een succesvolle

bemiddelaar voor onze belangen. Als het er op aankwam een

voorzichtig en scherp omlijnd standpunt in te nemen, dan was

hij voor ons als het betrouwbare radiobaken, waarop we veilig

onze koers zouden kunnen uitzetten.

Zonder overdrijving mogen we dan ook constateren, dat niet

alleen ons bestuur, maar onze gehele vereniging veel in hem verliest

en hem grote dankbaarheid verschuldigd is.

Toen op Dinsdag 12 April 1921, voorzitter en secretaris op

audiëntie gingen bij den aartsbisschop en Monseigneur vroegen

pater Kruitwagen aan te wijzen als de eerste adviseur van de

Ned. R. K. Journalisten Vereniging en Monseigneur op dit verzoek

welwillend inging, was er in onze kringen grote vreugde,

waaraan voorzitter Vesters in het nummer van 15 Juli 1921 van

ons orgaan op de hem eigen pittige wijze uiting gaf. In de bestuursvergadering

van 2 Juli werd pater Kruitwagen als zodanig

geïnstalleerd en wij mogen thans gerust verklaren, dat de verwachtingen

door voorzitter Vesters bij die gelegenheid uitgesproken,

meer dan ten volle vervuld.

Bij het kort daarop gehouden kath. perscongres, bij gelegenheid

van de Ned. Katholiekendag te Nijmegen, trad hij als de

inleider op. *) In de actie om onze eigen vereniging zo sterk

mogelijk te maken, door alle kath. journalisten uitsluitend in

onze vereniging te organiseren, nam hij een krachtig aandeel De

wetenschappelijke opleiding van den kath. journalist, waarvan

hij altijd een krachtig voorstander is geweest, vond in hem

een onvermoeide stuwkracht. Maar ook de sociale positie van den

kath. journalist lag hem na aan het hart en o.m. de arbeid van

de commissie-Kropman, welke helaas een tot nu toe niet gelukte

poging in deze richting heeft gedaan, had zijn grote belangstelling

en medewerking. En ook de redacteur van het orgaan

vond in hem een trouw medewerker en waarderende steun.

Het laatste jaar moesten wij hem reeds herhaaldelijk missen.

Zijn wankele gezondheid, maar misschien nog meer het feit, dat

op zijn schouders door de hoogste kerkelijke autoriteiten in den

lande steeds meer belangrijk en verantwoordelijk werd werd

gelegd, was de oorzaak, dat wij hem telkens op onze vergaderingen'moesten

missen. Juist de laatste malen mochten wij hem

weer in ons midden begroeten, en direct zat hij er weer midden

in Op de laatste dagelijkse bestuursvergadering had een zeer onrechtvaardig

ontslag van een collega zijn volle belangstelling en

ontwaakte weer de oude strijdlust bij hem, om zulke dingen in de

kath. pers met kracht te keren. Terwijl hij alle stukken daaromtrent

in zijn bezit had en deze kwestie op de jongste bestuursvergadering

nader aan de orde zou komen, werd hij op het

laatste ogenblik door een ongesteldheid weer verhinderd, naar

Utrecht te komen en de teleurstelling daarover zal niet weinig

tot zijn besluit om heen te gaan, hebben bijgedragen.

Ruim 13 jaar heeft Pater Kruitwagen, zoals hij genoemd

wenste te blijven, ook na zijn ere-doctoraat, in ons midden vertoefd

en met de grote talenten waarover hij beschikte, met het

bestuur mee gearbeid aan de geestelijke en stoffelijke verheffing

van de kath. Ned. journalistiek en de kath. Ned. journalisten

Het is nu de tijd nog niet om deze arbeid naar volle ver­

*) Bij die gelegenheid hield pater Kruitwagen een rede, journalistiek

zo belangrijk, ofschoon hij toen pas enkele maanden

adviseur bij ons was, dat de „Zuid-Limburger" van 6 December

het 12'/2-jarig jubileum van deze rede, nog eens herdacht in een

ook voor ons journalisten zeer belangrijk artikel, waarop wij

in ons volgend nummer nader uitvoerig hopen terug te komen.

We waren voor ditmaal al vol.

diensten uit te meten. Maar wel is het ons een plicht en een

behoefte om bij dit heengaan als adviseur, onze diepgevoelde

dank uit te spreken voor alles wat Pater Kruitwagen niet alleen

voor ons heeft gedaan, maar ook geweest is.

In zijn blijvende belangstelling bevelen we ons bij voortduring

aan. Definitief afscheid nemen we dan ook nog niet.

We hopen vurig, dat hij spoedig van den goeden God weer

de volle kracht van zijn gezondheid terug krijgt en zich weer

geheel in dienst kan stellen van liet katholieke wetenschappelijke

culturele leven in Nederland.

We zijn er dan zeker van, dat ook de kath. journalisten daarvan

dan nog wel eens profiteren zullen.

ONZE EER EN FATSOEN.

Herhaaldelijk is er ernstig geklaagd over een zeer bedenkelijke

mentaliteit in kringen van sommige journalisten, waarbij

op een wijze, welke ons beroep naar buiten allerminst goed doet,

elkander primeurs werden afgesnoept, met verbreking van een

collegiaal gegeven belofte.

En het ergste is, dat dit meermalen gebeurd, niet alleen ten

opzichte van beloften welke wij tegenover elkander afleggen,

maar ook met beloften welke we plechtig doen ten overstaan van

autoriteiten, die, bij het constateren van de schending daarvan

later wel een weinig hoge dunk van de moraliteit der journalisten

moeten krijgen. En ook van de. Ned. pers.

We hebben een dergelijke onaangename en beschamende geschiedenis

opnieuw gehad bij het jongste persbezoek aan de

Limburgse industriedag.

Reeds des avonds direct brj de begroeting heeft de Commissaris

der Koningin in Limburg aan de pers het voorstel gedaan,

om gemeenschappelijk een datum vast te stellen voor de publicaties

en na enig overleg stelde Zijn Excellentie voor, dat

niemand voor Dinsdag 4 December tot enige publicatie zou

overgaan.

Niemand maakte daartegen enig bezwaar.

Des avonds in de sociëteit „Mariaweide" heeft collega Thomassen

deze zaak nog even aangesneden en verzocht aan de

„N. Venl. Crt." toe te staan, van de feestelijkheden op straat —

de journalisten en autoriteiten waren door een muziekcorps

begroet en door de stad van het stadhuis naar de „Mariaweide"

geleid — de volgende avond een kort verslag te mogen geven.

Collega Bechthold voegde hier nog aan toe, dat hij ook de

openingsspeech van den Commissaris der Koningin reeds geheel

gezet in de vorm had en om technische redenen — de „N. Venl.

Crt." verschijnt reeds 's morgens vroeg half tien — deze vorm

niet meer kon verwisselen. Hij vroeg hem toe te staan, dat hij

deze eerste rede afdrukte en met de volgende publicaties wachtte

tot 4 December.

De Commissaris der Koningin heeft dit voorstel toen nog even

ter sprake gebracht, er is even kort over gediscussieerd, maar

niemand had er bezwaar tegen, en met algemene stemmen kreeg

de „N. Venl. Crt." de gevraagde toestemming, terwijl tevens

voor de anderen, de termijn van publicatie werd gehandhaafd

op Dinsdagavond 4 December.

Niettegenstaande deze afspraak, welk aan duidelijkheid en

eenstemmigheid niets te wensen overliet, hebben toch enkele

bladen zich van deze afspraak niets aangetrokken en zijn eenvoudig

meer gaan publiceren, alsof er geen enkele afspraak

gemaakt was.

Zij hebben daarmee een primeur behaald op hun collega's,

maar de prijs daarvoor betaald was o.i. een zodanige,, dat niemand

deze collega's benijd zal hebben.

Tegen dit oncollegiale en voor de goede naam van de Ned.

journalistiek weinig verheffende gedoe, heeft de „Volkskrant"

in haar nummer van 3 December een scherp protest geuit.


15 December 1934 DE KATHOLIEKE PERS No. 104 101

Een der schuldigen, „De Telegraaf", heeft zich zelfs niet eens

de moeite getroot haar houding te rechtvaardigen. Men vindt

daar een dergelijke oncollegiale woordbreuk als vanzelfspreken.

Het zij zo, ook in dit opzicht valt over smaak moeilijk te

redetwisten.

De andere schuldige, „De Limburger Koerier", die ook, hoewel

slechts voor een deel, de gemaakte afspraak heeft geschonden,

heeft gemeend zich te moeten rechtvaardigen en in haar blad

van 4 dezer, heeft onze Maastrichtsche collega gemeend haar

houding op de volgende wijze te moeten verdedigen:

„In enkele bladen zijn mededelingen verschenen over een

afspraak, welke onder te Venlo aanwezige journalisten is gemaakt

omtrent de publicatie der indrukken van de Limburgsche

voorlichtingsdagen.

Er is o.i. geen bezwaar tegen, precies te vertellen wat er is

gebeurd.

Reeds Donderdagavond bij de ontvangst ten stadhuize, werd

voorgesteld, met de publicaties te wachten tot Dinsdagavond.

Dit voorstel vond aanvankelijk algemeen bijval. Het berustte op

de overweging, dat de journalisten, die uit het Noorden des lands

naar ons gewest waren gekomen,pas Vrijdagavond zeer laat in

hun standplaatsen zouden terugkeren en dat men hun de tijd

moest laten om de opgedane indrukken rustig te verwerken. Het

lag voor de hand, dat de redacteuren van de in Limburg verschijnende

dagbladen uit een oogpunt van collegialiteit verplicht

waren, deze regeling met beide handen te aanvaarden. Deze

bladen immers wonen alle niet op zeer grote afstand van de

plaats van samenkomst; zij beschikken, zo nodig, over een staf

van redacteuren en voor hen was het een klein kunstje om zeer

spoedig met vrij volledige verslagen uit te pakken. Er was nog

een reden om bescheiden te zijn: de voorlichtingsdagen werden

voornamelijk ten behoeve van de pers buiten Limburg georganiseerd,

al is de Raad van Bestuur van het E. T. I. L. zo vriendelijk

geweest alle bladen in dit gewest uit te nodigen, ook deze, die

niet elke werkdag verschijnen, zelfs een blad dat geen zelfstandige

redactie heeft.

Onmiddellijk nadat de afspraak was gemaakt kwam echter van

de zijde van de „Nieuwe Venlosche Courant" het verzoek om

voor dat blad — alléén voor het gebeurde op Donderdagavond —

een uitzondering te maken. Dat verzoek was eenerzij ds, wel begrijpelijk,

anderzijds een tikje onredelijk. Immers, de belangstelling

van het publiek rond het stadhuis in Venlo maakt het verstaanbaar,

dat de bladen, die in Venlo en omgeving veel lezers

tellen, de volgende dag niet geheel mochten verzwijgen, wat er

op het stadhuis was gebeurd. Anderzijds echter, was het onredelijk

te verlangen om voor één blad een uitzondering te maken.

Het „gelijke monniken, gelijke kappen" mocht niet uit het oog

worden verloren. Van de zijde van de „Limburger Koerier" werd

te bevoegder plaatse dan ook dadelijk meegedeeld, dat ons blad

voor zijn vele lezers in Venlo en omstreken precies hetzelfde

zou moeten doen, wat aan anderen werd toegestaan. Onze hoofdredacteur

was bereid, de mededeling over het gebeurde op Donderdagavond

tot een zeer beknopt verslagje te beperken en met

de rest, zoals was gevraagd, tot Dinsdag te wachten. Ook de

redacteuren van „De Telegraaf" en „De Maasbode" meenden

met een korte mededeling in de ochtendbladen van Vrijdag te

kunnen volstaan. Hiertegen werd geen bezwaar gemaakt.

Op de late avond deelde echter de vertegenwoordiger van de

„N. V. Ct". in de vergadering mede — wij waren door een intercommunaal

telefoongesprek even afwezig, — dat de pagina van

het blad voor Vrijdag met de Donderdagavond uitgesproken

redevoeringen van mr. Berger en van den Commissaris der

Koningin reeds was opgemaakt en dat daaraan niets meer viel

té veranderen.

Onze redactie zag zich derhalve óp dat late uur — omstreeks

elf uur Donderdagavond — gedwongen, maatregelen te nemen

om hare lezers in Noord-Limburg de volgende dag ook een vrij

uitvoerig verslag van het op Donderdagavond gebeurde voor te

zetten. Gelukkig is onze organisatie zó, dat wij tot zoiets wel

in staat zijn. De deelnemers aan de voorlichtingsdagen vonden

Vrijdag vóór de middag, om 11.30 uur, toen zij een kopje koffie

in de benedenzaal van Mariaweide gebruikten, op de tafel de

„Limburger Koerier" van die dag met een vrij uitvoerig verslag,

alsmede een overdruk van een foto van de leden aan de

bestuurstafel, welke te Venlo Donderdagavond omstreeks tien

uur was opgenomen. De afstand tussen Venlo—Maastricht en

omgekeerd speelde voor ons geen belangrijke rol. Ruim drie uur

later verscheen in Mariaweide de „N. V. Ct." met het grote verslag,

dat vooruit — vóór Donderdagavond — grotendeels was

klaargemaakt.

Terwijl anderen van de aanvankelijk gemaakte en later bevestigde

afspraak omtrent het verslag over het gebeurde op

Vrijdag zijn afgeweken — „De Telegraaf" verscheen Zaterdagochtend

met dat verslag en de „N. V. Ct." gaf het Zaterdagmiddag

— heeft de „Limb. Koerier" overeenkomstig de dezerzijds

gedane toezegging tot Dinsdag gewacht.

Dat zijn de feiten."

Of deze lezing nu wel helemaal juist is, laten we in het midden.

Het wil ons voorkomen, dat het vergif ook hier in de staart zit

en een niet altijd even verheffende concurrentie tussen de Limb,

kath. pers, waardoor sommigen er op uit zijn, elkander vliegen

af te vangen, hier de grootste drijfveer is geweest om een gemaakte

afspraak te schenden.

De „N. Venl. Crt." heeft in elk geval openlijk haar voornemen

kenbaar gemaakt en daarvoor de toestemming gevraagd en

verkregen.

De „Limb. Koerier" heeft niet kenbaar gemaakt, dat zij nu ook

dezelfde rechten opeiste, althans niet openbaar, en heeft nog

veel minder daarvoor de toestemming gevraagd noch verkregen.

Zij heeft ook de „N. Venl. Crt." noch de andere Limburgse

bladen, naar wij vernamen over haar voornemen ingelicht. Mede

ten gevolge daarvan kon zij inderdaad het succesje boeken, dat

zij met het verslag nog drie uur eerder de bezoekers van de

Limb. Industriedag kon gerieven, dan de „N. Venl. Crt., die

inderdaad nu net achter het net viste.

Hoe dit zij en welke motieven men nu achteraf geeft om deze

houding te rechtvaardigen, het kan niet anders en iedereen

heeft dit voldoende kunnen ervaren, op de bezoekers in Limburg,

heeft deze schending van een belofte een nare indruk gemaakt.

En het gezag van de pers zeker geen goed gedaan.

En dit vinden wij nog het treurigste van alles.

EEN WELWILLEND COLLEGA.

Hebben we hier boven iets minder vriendelijks moeten zeggen

over enkele collega's, met des te meer voldoening tappen wij

hier nu eens uit een ander vaatje en willen een collega hartelijk

dank brengen, zonder twijfel namens alle anderen, voor zijn

bijzonder welwillend optreden.

Collega Bechthold van de „N. Venl. Crt.", blijkbaar begaan met

het lot van de collega's, die op de Limburgse industriedagen niet

minder dan acht redevoeringen moesten aanhoren, heeft tevoren

alle redevoeringen in extenso opgevraagd en laten zetten en de

afdrukken daarvan in een keurig en handig boekje gebundeld,

dat namens de „N. Venl. Crt." aan alle journalisten werd aangeboden.

Wat natuurlijk op hoge prijs gesteld werd, omdat de

arbeid daardoor aanzienlijk werd verlicht.

We hebben wel eens congressen meegemaakt, waarbij ons

bleek, dat de collega die het dichtst bij het vuur zat, zich niet

alleen het best verwarmde, maar ook nog alles in het werk

stelde, om de door hem verzamelde warmte zoveel mogelijk alleen

te benutten.


102 DE KATHOLIEKE PERS No. 104 15 December 1934

Collega Bechtold heeft gelukkig van de collegialiteit een

andere, mildere opvatting gehad. En wij weten ons zeker de tolk

van alle aanwezige journalisten, wanneer wij hem daarvoor hier

op deze plaats nog eens onze hartelijke dank brengen.

EEN VERWIJT AAN DE KATH. PERS.

De HoogEerw. Heer Deken Buve van Groningen, een vriend

en grote vereerder van Dr. Schaepman, heeft dezer dagen een

rede gehouden over dezen groten katholieken staatsman en

emancipator. En volgens het verslag in de bladen, heeft de

Groningse Deken in verband met dit onderwerp een woord van

critiek geoefend op een deel van de Ned. kath. pers en met name

noemde hij de grote pers, die blijkbaar kinderlijk blij, uit de

liberale of socialistische pers artikelen overnam, wanneer daarin

door een of andere liberaal of socialist, eens iets goeds gezegd

werd van de katholieken. Het wekte soms de indruk, alsof wij

katholieken buitengewoon blij en ingenomen moesten zijn, als

een of andere liberaal zich gewaardigde eens wat goeds van ons

te zeggen. Dan moest dit over heel ons katholieke volk uitgedragen

worden als een soort liberale weldaad ons bewezen.

Deken Buve ontdekte in die kath. mentaliteit van een deel van

onze pers, nog iets, dat overgebleven was uit de dagen van vóór

Schaepman, toen ook ons kath. volk in het liberalisme gevangen

zat en blij was, als het bij de genade van dit liberalisme mocht

leven.

Daar moesten wij toen eigenlijk de liberalen dankbaar voor

zijn.

Het is tegen die kath. mentaliteit, waartegen Schaepman, zo

zeide de Deken, zo fel gestreden heeft en waartegen hij zich zo

geweldig boos kon maken als hij in de pers of in de politiek

dergelijke symptomen ontmoette.

Wij hebben Schaepman helaas niet gekend, zodat we hier van

enige ervaring niet kunnen spreken.

Voor ons is intussen in deze opmerkingen, dit het meest belangrijke,

dat een vooraanstaand geestelijke, al dan niet terecht

met een beroep op Dr. Schaepman, in dit opzicht een verwijt

richt tot de kath. pers, n.1. dat zij te veel waarde hecht aan het

oordeel van liberale zijde over ons katholieken en op die wijze

meewerkte, dat het kath. volk een niet juiste kijk krijgt in de

wederzijdse verhouding tussen de liberalen en ons. Want al

noemde de Deken ook even de sociaal-democraten, in hoofdzaak

ging zijn bezwaar tegen de wijze, waarop vooral liberale

persuitingen over ons katholieken, met instemming werden geciteerd.

Dat deze critiek helemaal ongegrond is zouden wij niet durven

beweren.

In nauw verband met deze klacht, staat bijv. die welke collega

Arts, reeds enkele malen in de „N. Tilb. Crt." heeft geuit, n.1. dat

een groot deel van de kath. pers dikwijls meer aandacht wijdt

aan hetgeen de lib. pers schrijft, dan hetgeen de kath. pers

schrijft. Als daar eens iets goeds gezegd wordt van een kath.

voorman of van een kath. inrichting, als daar een oordeel gegeven

wordt over een zaak, die ons aanbelangt, dan nemen we

dit onmiddellijk over.

Maar de bladen van eigen collega's lezen we veel te weinig.

Die klacht is niet nieuw.

Een van onze grote propagandisten voor de kath. pers, pater

van Hassel O.P., klaagde in Maart 1918 in „De Tijd" reeds over

deze weinige collegialiteit. Het betrof toen de strijd van „De

Gelderlander" ter verdediging van den Nijmeegsen burgemeester,

die de opvoering van een zedeloos prul als „Micheline"

verbood. In enkele liberale bladen werd deze moedige daad van

den kath. burgemeester op een felle en persoonlijke wijze bestreden.

„De Gelderlander" pareerde deze aanval, maar geen der

grote kath. bladen nam er notitie van. Pater van Hassel was

daarover toen zeer verontwaardigd en wees op de grote morele

betekenis, dat de provinciale pers in haar vaak te moeilijke strijd

de morele steun kreeg van de z.g. grote kath. pers.

Dit voorval was toen voor collega Bruysten aanleiding tot het

schrijven van een artikel in ons orgaan (nummer 13,12 April '18),

waarin hij er op wees, hoe in de rubriek „Uit de pers" in onze

bladen dagelijks blijkt, de weinige steun, welke de katholieke

bladen onderling elkander geven. Zo gaat veel verloren, klaagde

collega Bruysten toen reeds, wat bij meer onderlinge waardering,

ongetwijfeld veel nut zou kunnen stichten. Collega B. meende,

dat onderlinge concurrentiezucht hier een grote factor was,

maar was tevens overtuigd, dat dit in hoge mate kortzichtig was,

omdat men op die wijze de actualiteit van eigen blad verwaarloosde.

In hetzelfde nummer van dat orgaan werd ook geklaagd, en

nu komen we weer in het vaarwater van den Groningsen Deken,

dat de lib. pers zelden of nooit persstemmen citeert uit kath.

bladen en tijdschriften, zelfs niet uit voortreffelijke bladen als

„De Beiaard", „De Katholiek" en „Studiën", terwijl de kath.

pers wel geregeld lib. bladen en tijdschriften citeert.

Bij het gouden feest van „De Maasbode" erkende de redactie

met grote dankbaarheid, dat zovele kath. collega's in den lande,

aan dit jubileum zo waarderende woorden hadden gewijd en

vooral die waardering in eigen kring had het blad zo goed

gedaan.

De toenmalige redacteur van ons orgaan, vroeg toen, of deze

solidariteit onder de kath. collega's niet altijd zo behoorde te

zijn, en of er niet een ontstellend gebrek aan eenheid onder is,

waardoor zoveel goeds niet wordt bereikt.

Het was in het belang van de katholieke zaak, zo schreef hij,

dat niet alleen bij jubilea, maar elke dag de katholieke bladen

meer notitie van elkander namen en elkander steunden in hun

dagelijkse strijd.

Of er nadien zoveel veranderd is? Er zijn bladen die hier veel

lof verdienen, maar dit zijn er maar enkele.

We wezen boven op de klachten van collega Arts, die nog van

recente datum zijn.

Dit is zeker, dat wij zelf het prestige van de katholieke pers,

vooral op plaatsen waar deze het heel moeilijk heeft, zouden

kunnen versterken, door wat meer solidariteit.

En is dit eigenlijk niet op de allereerste plaats een taak van de

kath. journalisten?

Dit is in elk geval zeker, in zoverre had de Groningse Deken

volkomen gelijk, dat wij op die wijze de kath. zaak meer zouden

dienen, dan in het nauv/gezet publiceren, van al hetgeen liberale

bladen, in een welwillende bui, eens als een goede noot gelieven

te publiceren van kath. voormannen of kath. instellingen. Want

een dergelijke houding is ongetwijfeld toch wel een beetje beneden

onze stand. En wij vonden het de moeite van een nadere

vermelding wel waard, dat dit blijkbaar ook in geestelijke

kringen zo gevoeld wordt.

PENETRATION PACIFIQUE IN DE DAGBLADWERELD.

De anti-rev. „Standaard" is dezer dagen verschenen met een

ochtendblad. Het eerste protestants-christelijke ochtendblad,

aldus het anti-rev. hoofdorgaan.

Helemaal juist — al kan men natuurlijk in de reclame niet op

elk slakje zout leggen — is deze voorstelling van zaken nu juist

niet. Want het nieuwe protestants christelijk ochtendblad stamt

van katholieken huize en is ook in zijn nieuwe vorm een loot van

de kath. stam. Want het nieuwe ochtendblad is eigenlijk niet

anders, dan „De Nieuwe Dag", het ochtendblad van de N.V.

„De Spaarnestad" en wordt ook op het Kasteel van Aemstel gedrukt

en geredigeerd. Alleen komt er, naar wij vernamen, een

anti-rev. collega, 's avonds op het Kasteel, om er door wat uit

„De Nieuwe Dag" te schrappen en wat anti-rev. copie voor in de

plaats te zetten, aan het blad een beetje anti-rev. tintje te geven.


15 December 1934 DE KATHOLIEKE PERS No. 104

Overigens zal wederzijds zoveel mogelijk naar een neutrale

tint gestreefd worden.

Men ziet de concentratie in de dagbladpers maakt goede vorderingen.

We stoelen zelfs zelfs niet meer op een en dezelfde

wortel des geloofs. Voor de anti-coalitiemannen is intussen deze

nieuwe vorm van concentratie om er nachtmerries van te

krijgen. Er openen zich hier op het gebied der dagbladconcentratie

ook geweldige perspectieven, vooral op het gebied der efficiency.

Als de schone idylle echter maar niet door een ongelukje verstoord

wordt, want die kans is niet denkbeeldig.

We herinneren ons in dit opzicht een aardig voorbeeld uit de

geschiedenis van de anti-rev. „Nieuwe Haagsche Crt." Dit blad

gmg de eerste jaren niet al te best en om het in stand te houden,

gmg het ook een soort samenwerking aan met het vrijz Dagblad

van Zuid-Holland". Ook daar kwam een anti-rev. collega

om na te gaan, welke copie uit het dagblad zonder enig beginselbezwaar

voor de anti-rev. „Nieuwe Haagsche" kon worden overgenomen

en hoe meer dit mogelijk was, hoe groter de voordelen.

Nu had op zekere dag „Het Dagblad" een fel anti-Kuyper

artikel, waarvan de kop echter niet de smalende inhoud deed

vermoeden, eer het tegendeel.

De betrokken anti-rev. collega — ook voor hem geldt het

excuus, dat zelfs Homerus wel eens sliep — ging alleen op de

titel af en meende, dat dit zelfs een extra mooi stukje copie was

voor zijn anti-rev. lezers. Hij gaf dan ook order aan de zetterij

het betreffende artikel over te nemen in de anti-rev. „Nieuwe

Haagsche".

Wat daar de gevolgen van zijn geweest, zullen we maar niet

vertellen. Heel anti-rev. den Haag stond op zijn kop, maar ook

daar buiten trok het geval belangstelling.

De betrokken collega is er tenslotte nog goed afgekomen

maar aan de samenwerking met het vrijzinnig dagblad kwam'

spoedig een einde.

Later is de „N. Haagsche Crt." gaan samenwerken met de anti­

-rev. Rotterdammer, waardoor natuurlijk dergelijke vergissingen

uitgesloten waren.

Gezien de grote verering, vooral in de lib. pers, voor de antirev.

leider, zou een dergelijke vrijz. samenwerking met de antirev.

pers momenteel niet meer zo gevaarlijk zijn.

Maar als we zien, hoe in enkele kath. bladen tegenwoordig over

den heer Colijn geschreven wordt, dan zouden we haast zeggen,

dat de mogelijkheid van conflicten op het Kasteel niet minder

groot is, dan vroeger in het Westeinde in den Haag.

Stel eens voor, dat een der artikelen uit de „Limburger Koerier"

over Dr. Colijn via „De Nieuwe Dag" in het nieuwe antirev.

ochtendblad „Het Ochtendnieuws" kwam.

Men moet er niet aan denken.

We hopen in elk geval voor den betrokken collega, dat op het

Kasteel nooit gebeuren zal, wat jaren geleden in het Westeinde

plaats vond.

DIRECTEUREN CONTRA JOURNALISTEN.

De collega's herinneren zich, dat wij in de laatste tijd nogal

eens een enkele maal moesten wijzen op het verschijnsel dat

de organisaties van dagblad-directeuren zich niet beperken tot

de eigenlijke directietaak, maar nu en dan trachten op de stoel

van de redactie in casu van de hoofdredactie te gaan zitten.

Ook in het jongste nummer van „De Journalist" wordt thans

deze klacht vernomen.

We lezen daar n.1. het volgende:

„In het jongste nummer van het orgaan der Directeuren-

Vereniging „De Nederlandsche Dagbladpers" komt, in één en

•dezelfde kolom (bladz. 4747, 2e kolom), een merkwaardige tegenstrijdigheid

voor.

103

Bovenaan de kolom vinden wij, naar aanleiding van een

onlangs gehouden internationaal directeuren-congres, deze mededeling:

„Een deei der besprekingen stond in het teken van de verhouding

van de rechten en belangen der journalisten tot die

der directeuren, waarbij inmenging der journalisten op het

specifiek terrein der directeuren werd afgewezen.

In de tweede helft van dezelfde kolom vindt men echter een

typerende „inmenging" der directeuren „op het specifiek terrein"

der journalisten.

De Ned. Vereniging tot Bestrijding van het Tandbederf „Het

Ivoren Kruis", die spoedig een feest viert, had zich tot "het

bestuur der Directeuren-Vereniging gewend, met verzoek om

zijn „medewerking", teneinde te „bewerkstelligen" ,dat enkele

artikelen in de Ned. dagbladpers zullen mogen worden geplaatst".

Het Bestuur van de Dagbladpers — zo lezen we —

besloot „den leden te adviseren het verzoek om opname van

de artikelen in gunstige overweging te nemen". Dit besluit is

natuurlijk niet juist. Over het opnemen van artikelen in de

dagbladen dient te worden beslist door de hoofdredacteuren

en niet door de directeuren. De hoofdredacteuren zijn het, die

het verzoek van „Het Ivoren Kruis" „in overweging" dienen

te nemen.

Wanneer men (en terecht) verlangt, dat de journalisten zich

niet zullen begeven „op specifiek terrein der directeuren" moeten

de directeuren zélf ook „het specifiek terrein" der journalisten

ontzien. Er is meer dan één symptoon van de laatste tijd,

dat het wenselijk maakt, hierop eens te wijzen. Hebben we'

zelfs niet het ongelooflijke feit beleefd, dat één onzer eigen

leden, die tevens lid is van de Directeuren-Vereniging, een circulaire,

om de nieuwe spelling in te voeren, wèl zond aan de

directies, maar niet aan de hoofdredacties, die er toch in de

aller-eerste plaats mee te makken hadden? Werkelijk er is

enige reden voor waakzaamheid.

Tot zover „De Journalist".

Onze lezers herinneren zich dat wy ook reeds op het o.i onjuist

optreden der directeuren in het spellingsvraagstuk enkele

keren gewezen hebben. Waakzaamheid op dit terrein is zeker

voor ons journalisten geboden.

Door de economische machtspositie der directeuren hebben

zij toch reeds een aanmerkelijke invloed op de redactie van de

kranten.

Wanneer nu nog in zuiver redactionele zaken de directeuren

hun invloedsferen uitbreiden, dan raken de goede en zuivere

verhouding in de journalistiek geheel en al in 't gedrang.

Wij hopen daarom dat de directeuren, die voor dit journalistiek

belang toch ook oog moeten hebben, dit zelf ook zullen

inzien.

En daar naar handelen zullen.

CONGRES VAN DE NIEUWE VORMEN DER JOUNALISTTEK.

In het jongste nummer van „De Journalist" vertelt collega

Lievegoed een en ander over het congres van de nieuwe vormen

der journalistiek, dat onder de auspiciën der F. I. J. van 20 tot

22 October j.1. te Brussel is gehouden.

Wij ontlenen er het volgende aan:

In de ontwikkeling, die er op dit gebied gaande is, ziet collega

Lievegoed belangrijke consequenties voor de beoefening

van het vakontwikkeling, die ons weder de onverbiddellijke

logica voorhoudt dat de journalistieke functie zich in nieuwe

technische middelen en vormen heeft te hullen, om aan veranderde

en variërende tijdseisen te kunnen beantwoorden. Het

Brusselse initiatief verdient dan ook alle waardering als uiting

van een gezonde belangstelling voor heden en toekomst der

journalistiek; als uiting óók van een verheugend streven om te


104 DE KATHOLIEKE PERS No. 104 15 December 1934

doorzien wat de dagbladjournalist te verwachten heeft van de

nieuwe metamorfozen.

Ik wil dan nu, zo schrijft hij, zonder commentaar een overzicht

geven van de voornaamste moties en uitspraken, zoals

deze door de professionele, juridische en technische commissies

zijn opgesteld, door het congres der nieuwe journalistieke

vormen aanvaard en door het daarbij onmiddellijk aansluitende

congres der P. I. J. geamendeerd en bekrachtigd; waarbij

ik, 'ten einde te grote lengte te vermijden, van het technische

gedeelte, slechts enkele punten heb aangeroerd.

I.

De gesproken Journalistiek.

De Conferentie spreekt uit:

dat er feitelijk geen mededinging of tegenstelling van belangen

bestaat tussen de gesproken en de gedrukte journalistiek.

Deze beide vormen, die elkander op gelukkige wijze aanvullen,

moeten integendeel samenwerken en elkander zo nodig

door onderlinge afspraken op normale wijze behulpzaam zijn,

ten einde tegenover het publiek hun inlichtingstaak te vervullen.

Zij beveelt ondernemingen voor radio-omroep in alle landen

aan om:

Ie. haar personeel te kiezen uit vakjournalisten ten behoeve

van alle uitzendingen die een journalistiek karakter dragen; en

2e. het aantal inrichtingen voor vakopleiding van radio -

journalisten te vermeerderen, hetzij op initiatief van omroeporganisaties,

hetzij op initiatief van journalistieke vakorgani-

Zij spreekt de wens uit, dat de betaalde publiciteit, in welke

vorm ook, nimmer ingelast zal zijn in journalistieke uitzendingen.

Voorts spreekt zij de wens uit, dat de beginselen van moraal

recht, die de grondslag der journalistiek vormen, ook worden

uitgestrekt tot de gesproken journalistiek. Deze beginselen begrijpen

onder meer de uitzending van volledige inlichtingen

met betrekking tot objectiviteit en onpartijdigheid. Zij moeten

worden toegepast, rekening houdende met de technische voorwaarden

der radiophonie en wel:

Ie. de verplichte beperking van het aantal uitzendposten,

welke deze posten in een positie brengen, afwijkende van die

der gesproken krant, welker aantal onbeperkt is;

2e. de benodigde kortheid der inlichtingen, met uitzondering

van de radio-reportage, welker lengte evenredig dient te zijn

aan het maatschappelijk belang.

De Conferentie verklaart, zonder zich over het beginsel van

censuur uit te spreken, dat, indien er censuur bestaat met betrekking

tot de radio-omroepstations, deze uitgeoefend behoort

te worden met medewerking van vakjournalisten.

De Conferentie spreekt de wens uit, dat in collectieve contracten

en in wettelijke regelingen inzake de positie van vakjournalisten

bij de regelingen voor radio-journalisten steeds

rekening zal worden gehouden met de bijzondere omstandigheden

waarin zij hun vak uitoefenen, dat de wetten en andere

officiële regelingen, welke betrekking hebben op de radio, altnd

de nodige waarborgen behelzen voor zoveel betreft de arbeidsvoorwaarden,

salarissen en schadeloosstelling bij ontslag, ten

einde hun materiële veiligheid en morele onafhankelijkheid te

vöFzsksrcn"

dat de Federation Internationale des Journalistes en de landelijke

journalistenverenigingen zich belasten met de belangen

van de radio-journalisten en deze verdedigen ter beveiliging,

voor nu en in de toekomst, van de nodige eenheid in het

beroep.

De Conferentie, overwegende,

dat de uitoefening van de gesproken journalistiek door die­

genen, die zich hierop voorbereiden, een praktische oefening

vereist, voltooid door een vakkundige documentatie.

spreekt de wens uit.

Ie. dat bepaalde uitzendingsposten meer in het bijzonder voor

oefening worden gebezigd;

2e. dat in alle landen discotheken en filmotheken zullen worden

gevormd, ten einde in geregistreerde vorm de meest karakteristieke

verrichtingen van de gesproken journalistiek te kunnen

vastleggen.

II.

De Filmjournalistiek.

De Conferentie verklaart, dat de ware vakjournalist der filmjournalistiek

diegene is, die geregeld journalistieke bijdragen

levert tot de samenstelling van een actuele krant en die, tegen

maandelijkse betaling of tegen een permanente vergoeding, uit

de uitoefening van dit bedrijf zijn enige of voornaamste inkomsten

trekt.

..Onder hetgeen men in de wandeling noemt de reporters van

actualiteiten, moet men onderscheiden tussen journalisten en

technici. Journalisten zijn de redacteuren van filmkranten,

diegenen die er de schema's voor opmaken, interviews uitvoeren

en de leiding hebben van de verslaggeverrj. Technici zijn de

ingenieurs en de beeld- en klankoperateurs, hetzij deze al dan

niet de aanwijzingen van een werkelijk journalist volgen.

Er is een duidelijk vakbelang bij betrokken, dat de opmaak

en de keuze der reportage van de filmkrant toevertrouwd worden

aan bevoegde journalisten, die begrip hebben voor nieuws

en voor de waardebepaling van gebeurtenissen.

Daarom behoren redacteurs van filmkranten dezelfde rechten

te hebben als hun collega's van gedrukte kranten.

De Conferentie eist dus in het belang van het vak uitbreiding

van bestaande wetgeving, regelingen en collectieve overeenkomsten

evenals van in voorbereiding zijnde en toekomstige

concentles, tot de werkelijke journalisten van de filmjourrta-

De Conferentie definieert als filmjournalistiek:

de dagelijkse projectie, wekelijks en soms ook dagelijks hernieuwd,

van nieuwsbeelden, geput uit oorspronkelijke bron en

vergezeld van teksten, die speciaal wat het klankgedeelte betreft

geredigeerd worden door een vakjournalist.

Journalisten, die uit de geschreven krant voortkomen, kunnen

dus, na een aanpassingstijd, betrekkingen vinden bij de filmjournalistiek.

De Conferentie vraagt aan de overheden:

ie dat reporters, die geregeld werkzaam zijn bij een actuaiiteitskrant,

speciale coupe-films krijgen van de bevoegde autoriteiten;

2e dat nauwkeurige instructies aan de politie worden gegeven

niet alleen om het werk der reporters van actualiteiten

niet' te belemmeren, doch in tegendeel om dit te vergemakkelijken;

3e dat geen enkele algemene of locale regeling in enig land

in de weg sta aan de vrije uitoefening van de filmreportage,

welke op dezelfde voet behandeld behoort te worden als de reportage

van den journalist van de gedrukte of de gesproken

krant.

De Conferentie spreekt de wens uit:

a. dat in elk land de reporters van actualiteiten groepen

vormen en filmjournalistiek-verenigingen oprichten welke

zich dan allen aansluiten bij de „Federation Internationale de

la Presse cinématographique" en zijn landelijke afdelingen.

b. dat voor de landen waar de vorming van een organisatie

der filmjournalistiek op dit ogenblik onmogelijk zou zijn, de

reporters van actualiteiten zich individueel aansluiten in kwaliteit

van corresponderende leden bij de „Federation Internationale

de la Presse cinématographique".


15 December 1934 DE KATHOLIEKE PERS No. 104 105

De Conferentie verklaart:

dat het wenselijk ware dat de filmjournalist die lid is van de

„Federation Internationale des Journalistes", in overeenstemming

met de FIPRESCI, de film journalistiek vertegenwoordigt

bij het internationale bureau voor de nieuwe persvormen. (Office

Internationale des Nouvelles Formes de la Presse) te

Brussel.

In het voorlopig rapport, dat aan de Conferentie is voorgelegd,

wordt aanbevolen;

dat de Conferentie zich uitspreke, dat de filmkranten evenals

de gedrukte kranten in de verschillende landen vrij zullen

zijn hun publieke reportages weer te geven zonder onderworpen

te worden aan een voorafgaand onderzoek dan wel aan een

praktisch verbod, gegrond op de wens „om manifestaties, welke

de orde zouden kunnen verstoren te vermijden".

In algemene zin kan de Conferentie zich hiermede verenigen

doch zij ontveinst zich niet, dat zekere gebeurtenissen door

haar strekking tot ongeregeldheden in een bioscoopzaal kunnen

leiden. Vandaar dan ook, dat verschillende landen de wenselijkheid

van zekere preventieve of repressieve controle hebben

erkend.

De Conferentie spreekt echter de wens uit, dat in zulk een

geval een bevoegd vertegenwoordiger van de film journalistiek.

aan de uitoefening van die controle deelneemt.

De. Conferentie spreekt de noodzakelijkheid uit, dat alle trucage

in beeld en in klank, welke de zin van fitaireportage wijzigen,

verboden is.

De Conferentie laat hier enige aanwijzingen op volgen over

opneming en montage, welke van meer technische betekenis

zijn. Zij geeft als haar mening te kennen, dat commentaar bij

filmvertoningen in het algemeen vermeden moet worden, daar

de onderwerpen voor zichzelf moeten spreken. Maar wanneer

commentaar onvermijdelijk is, dient dit opvoedend en verheleerend

te zijn.

Geeft de filmreporter een gesprek weer, dan zal hij zich

moeten beperken tot de voornaamste gedeelten en houdingen

met gelijktijdige opneming van beelden van de toehoorders.

Met zijn hersens en zijn oog zal hij als het ware het levend

aanzien van een sprekend man en een luisterende vergadering

moeten weergeven.

Gewezen wordt ook op de wenselijkheid, dat de operateur

zich meer en meer ontwikkelt van iemand, die aan een toestel

draait tot iemand, die persoonlijkheid in zijn werk legt en een

jager van-nieuwsbeelden wordt in de goede zin des woords.

Omtrent verschillende technische aangelegenheden, zoals de

internationale verdeling van golven, de praktijk van de radio

reportage enz. worden nog enige wensen kenbaar gemaakt,

welk een natuurlijk uitvloeisel zijn van de erkenning van de

betekenis der radio voor de journalistiek. Vandaar dan ook,

dat aanbevolen wordt de techniek nog verder te verbeteren met

het oog op de speciale aanwending.

(Slot volgt.)

Uit de Vereniging.

BESTUURSVERGADERING.

Zaterdag 1 December kwam het bestuur bijeen in „Terminus"

te Utrecht. Alle leden waren aanwezig. De voorzitter deelde mee,

dat een telegram was binnen gekomen van den geestelijken

adviseur pater Kruitwagen, waarin deze mededeelde, dat hij

opnieuw door een plotselinge ongesteldheid verhinderd was deze

bestuursvergadering bij te wonen en daarom maar definitief

besloten had zijn ontslag aan te vragen.

De voorzitter memoreerde het grote verlies, dat de vereniging

door dit heengaan leed. Natuurlijk krijgen we wel weer een

anderen adviseur en ongetwijfeld ook wel een heel goeie, maar

pater Kruitwagen zal toch moeilijk te vervangen zijn. Hij leefde

zo geheel met de vereniging mee en was voor ons meer dan een

geestelijk adviseur. Men zou nog kunnen overwegen stappen bij

pater Kruitwagen te doen om hem op zijn besluit te doen terugkeren,

maar men weet vooruit, dat dit tegenover iemand als

pater Kruitwagen vergeefse moeite is. Besloten werd een telegram

aan pater Kruitwagen te zenden, waarin het bestuur zijn

besluit betreurt, maar zich bij het onverbiddelijke neerlegt en

waarin pater Kruitwagen spoedig een algeheel herstel wordt

toegewenst.

Enkele namen werden genoemd van personen, die als opvolger

van pater Kruitwagen door het bestuur bij de aanvrage voor een

nieuwen adviseur zouden worden opgegeven aan het Hoogwaardig

Episcopaat. Besloten werd echter deze zaak aan te houden

tot de volgende vergadering.

Inzake de verdere behandeling van de klacht door notaris

Libourel te Delft ingediend tegen de hoofdredactie van een der

kath. dagbladen deelde de voorzitter de verdere behandeling van

deze zaak mee, zoals deze door het dagelijks bestuur was

afgedaan. Het optreden van onze vereniging heeft geleid tot

een rectificatie waarmee ook notaris Libourel genoegen had

genomen.

Aan de orde kwam hierna een ontslag van een collega aan

de redactie van „Gooi en Sticht". Juist waar het hier gold een

vader van een groot gezin en men sterk de indruk had, dat dit

ontslag allerminst gemotiveerd was, heeft het bestuur alles in

het werk gesteld, om dit ongedaan te maken. Het is hierin

helaas niet geslaagd. Wel heeft het verkregen, dat het ontslag

eervol werd verleend en na de wettelijke drie maanden salaris

nog een enigszins langdurige uitkering werd verstrekt.

Over dit ontslag ontspon zich een langdurige discussie, waarbij

echter de algemene indruk was, dat aan dit ontslag niets meer

te doen was.

Wel werd algemeen erkend, dat uit dit geval opnieuw bleek

hoe dringend noodzakelijk een spoedige regeling van de rechtspositie

van de Ned. kath. journalisten is. Binnenkort zal hierover

een nieuw overleg met de Ver. van Kath. Dagbladdirecteuren

plaats hebben.

Na dit ontslag, kwam nog een tweede ontslagkwestie aan de

orde n.1. bij de N.V. „De Nieuwe Dag". Hier bleek het ontslag

het gevolg te zijn van een overeenkomst, waarbij dit ontslag

automatisch op 1 November zou ingaan, indien de partij ter

andere zijde voor die datum, niet aan bepaalde vrijwillige op

zich genomen voorwaarden had voldaan. Waar dit laatste niet

het geval was, had het ontslag plaats gehad.

Hoewel formeel dit ontslag onaantastbaar was, besloot het

bestuur alsnog zich tot de betrokken directie te wenden,

tenzij opnieuw indienstneming op andere voorwaarden niet

mogelijk was, den betrokken journalist, die met zijn gezin zonder

inkomsten kwam, een overgangsperiode te verlenen, waardoor

hij niet plotseling geheel zonder inkomsten zou zijn.

Het overleg met de directie, dat eerst schriftelijk plaats had

en nader mondeling zal worden voortgezet, is nog gaande.

Het was intussen hoog tijd geworden voor de avondtreinen,

zodat de vergadering vrij abrupt moest worden afgebroken,

niettegenstaande reeds om 2 uur begonnen was.

ADRES VOORZITTER VESTERS.

In het adres dat de voorzitter, collega J. B. Vesters, na

1 Januari a.s. in Utrecht betrekt, is een kleine verandering

gekomen. Het adres is n.1. Linaeuslaan 26, inplaats van Linaeusstraat

28. Men gelieve dit even in het gele boekje te wijzigen.


106 DE KATHOLIEKE PERS No. 104 15 December 1934

Journalistiek Nieuws.

WILLEM NIEUWENHUIS.

Tot ons leedwezen vernemen wij uit „De Maasbode" dat onze

collega, de bekende letterkundige, Willem Nieuwenhuis, wederom

ter verpleging in het Maria-Paviljoen te Amsterdam is opgenomen

en van de Heilige Sacramenten is voorzien. Direct stervensgevaar

wordt gelukkig nog niet aanwezig geacht.

CORRUPTIE BIJ DE FRANSE PERS.

Opzienbarend rapport.

Bij de enquête inzake de Stavisky-affaire zijn verscheidene

staaltjes van corruptie van de pers aan de dag gekomen en de

enquête-commissie heeft dan ook enige tijd geleden het lid

Boully opgedragen daar een onderzoek naar in te stellen en

verslag uit te brengen van zijn bevindingen. Dit rapport is gisteren

verschenen.

De rapporteur verklaart dat voornamelijk drie instanties verantwoordelijk

zijn voor het misbruik maken van invloed op de

pers: financiële milieus, advertentie-bureaux en de staat. Met

de eerstgenoemde worden bedoeld rijke zakenlieden of concerns,

die met steekpenningen de pers gebruiken om hun vaak louche

plannen te bevorderen.

Dan komen de advertentie-bureaux, die de pers omkopen met

beloften om te adverteren. Tenslotte worden uit bepaalde geheime

fondsen van de departementen van binnenlandse zaken

en buitenlandse zaken vaak zekere sommen uitbetaald aan de

redacties, soms voor redactionele hulp in artikelen ter aanbeveling

van loterijen en leningen, goedpraten van conversies of

dergelijke. Ook koopt de regering in het algemeen de morele

steun van de pers. Soms, zo zegt het rapport, ontvangt een krant

geld zowel van zwendelaars als van de regering.

Boully beveelt als remedie tegen dit euvel een corporatief

stelsel voor de pers aan. In het statuut voor de pers moeten

de rechten en plichten der journalisten scherp worden omschreven.

De kranten moeten op geregelde tijden publiceren wie de

leiding van zaken heeft en uit welke bron hun inkomsten voortkomen.

De regering mag geen subsidies meer verlenen aan

reclame-bureaux. Bij de begroting moet nauwkeurig worden

aangegeven hoeveel geld de regering heeft betaald voor diensten

welke de pers verleent, of dergelijke posten moeten totaal geschrapt

worden. De rapporteur eindigt met te zeggen: De regering

zal dan niets van haar autoriteit verliezen en de burger,

die het recht heeft precies op de hoogte te zijn van het gebruik

der staatsmiddelen, zal geen reden meer hebben hen te wantrouwen

wie hij dat gebruik toevertrouwt.

Het zijn dan blijkbaar wel verheffende toestanden bij de

Franse pers.

INVOERING VAN DE MIDDEN-EUROPESE TIJD.

Bezwaren van dagbladen.

De secretaris van de Ned. Dagbladpers heeft namens dagbladen

met ochtend-editie een telegram gezonden aan de Eerste

Kamer, waarin hij namens deze bladen zijn ernstig bezwaar

uitspreekt tegen invoering van de Midden-Europese tijd, daar

bij invoering daarvan de tijd tussen aankomst van de beurstelegrammen

uit New-York en het vertrek der posttreinen te kort

wordt, zodat deze telegrammen niet tijdig in de editie voor de

provincie opgenomen kunnen worden. Lezers in de provincie

zullen dan niet meer voor de beurs op de hoogte zijn van de

New-Yorkse beurs van de vorige dag. Adr. verzoekt daarom

dringend de wet in zake invoering van de Midden-Europese tijd

te verwerpen.

ALGEMEEN NEDERLANDS PERSBUREAU OPGERICHT.

Te 's-Gravenhage is Dinsdag 11 dezer, in een buitengewone

algemene, nagenoeg voltallige, ledenvergadering van de Vereniging

„De Nederlandse Dagbladpers" met algemene stemmen

besloten tot stichting van het „Algemeen Nederlands Persbureau"

met zetel te Amsterdam.

De acte van oprichting van deze stichting is in voornoemde

vergadering ten overstaan van notaris Dr. Ph. B. Libourel verleden.

DIRECTEUR VAN DE „AGENTIA FIDES" GAAT HEEN.

De bekende Directeur van het Katholieke Wereld Persbureau

„Agentia Fides", Dr. John. Considine, heeft zich te Napels ingescheept

aan boord van de „Vulcania" om zich naar New York te

begeven.

Door zijn oversten is Dr. Considine naar Maryknoll (New York)

ontboden om deel uit te maken van den Raad waarin hij als

Assistent Generaal zal optreden.

Dr. John Considine werd in 1924 bij gelegenheid van de Vaticaanse

Missie-tentoonstelling naar Rome gezonden, waar hij

onmiddellijk de aandacht trok van Mgr. Marchetti-Selvaggianï,

de tegenwoordige Vicaris-Generaal, destijds secretaris van dé

Congregatie de Propaganda Fide, die hem in 1927 opdracht gaf

om een Internationaal Katholiek Persbureau te stichten voor het

verspreiden van Missienieuws.

Sinds al die jaren was hij de grote bezielende kracht voor de

ontwikkeling der „Agentia Fides" Van November 1931 tot Januari

1933 maakte hij een wereldreis door Azië en Afrika, waarover

hij een belangwekkend rapport uitbracht.

Behalve Directeur van de „Agentia Fides" was Pater Dr. J.

Considine Procurator van de Vreemde Missiën van Maryknoll

en Directeur van het College van Maryknoll te Rome.

HOOFDREDACTEUR DER „GERMANIA" NEEMT ONTSLAG.

De Hoofdredacteur van de „Germania" Dr. Emil Ritter heeft

als zoodanig ontslag genomen. Ritter kwam in den zomer van

1932, dus tijdens het kanselierschap van Von Papen aan de

„Germania". Dit blad was eens het voornaamste katholieke

dagblad in Duitsland en de aandelen waren en zijn nog —

zoals algemeen bekend — grotendeels in handen van Von Papen.

Ritter heeft zijn ontslag gemotiveerd met de verklaring, dat hij

geen kans meer zag de Katholieke gedachte in de „Germania"

nog te vertegenwoordigen.

INHOUD.

Voorzitter Vesters over het heengaan van Pater Kruitwagen.

De betekenis van zijn heengaan voor onze Vereniging. Journalistieke

afspraken die waardeloos zijn. — Een welwillend collega.

— Een verwijt aan de Kath. Pers. — Penetration pacifique

in de dagbladwereld. — Directeuren contra journalisten. Wij

publiceren het eerste deel van een verslag van het Congres

inzake nieuwe vormen in de journalistiek.

Uit de Vereniging: Communiqué bestuursvergadering. —

Adres voorzitter Vesters.

Uit de journalistieke wereld: Willem Nieuwenhuis opnieuw

bediend. — Ernstige gevallen van omkoperij bij de Franse

pers. — Bezwaren van de Ned. Dagbladpers tegen de invoering

van de M. E. tijd. — Door de Ver. van Dagbladdirecteuren is

een nieuw eigen Ned. Persbureau opgericht. — De leider van het

Int. Kath. Wereldpersbureau „Agentia Fides". Pater Dr. J.

Considine gaat naar Amerika terug. — De hoofdredacteur van

de „Kath. Germania" heeft zijn ontslag genomen.

More magazines by this user
Similar magazines