DE JOURNALIST

webstore.iisg.nl

DE JOURNALIST

I Int. Instituut J

J Soc. Geschiedenis I

f Amsterdam I

m 337 2 Maart 1922

DE JOURNALIST

Orgaan vanden Nederlandschen Journalisten-Kring

Redacteur. D. HANS, Den Haag rn


26 DE JOU RN A L I S T

Kringbestuur.

Het Kringbestuur kwam op 25 Februari, 's middags half 3,

te Rotterdam bijeen.

Aanwezig waren de leden HANS, VOOGD, VAN DER HOUT,

POLAK DANIELS, CRAYÉ, POLAK, SCHOTTING en de gedelegeerden

KOÜWENAAR (Amsterdam), VAN OOSTEN (Haarlem)

en DE ROT (Rotterdam).

Verschillende nieuwe leden werden aangenomen. (Zie elders

in dit nr.)

Daarna deed de Voorzitter uitvoerige mededeelingen in

verband met de gebeurtenissen aan de Nieuwe Courant. Hij

legde een ingekomen schrijven van den heer J. J. BR UNA over.

Het Bestuur bleek het unaniem met den Voorzitter eens

te zijn, dat thans'in het openbaar geen nadere mededeelingen

moeten worden gedaan, teneinde de belangen der betrokkenen

niet te schaden.

Vervolgens werd zeer uitvoerig van gedachten gewisseld

over de kwestie Justitie, Politie en Pers, die 's avonds aan

de orde zou komen in de algemeene vergadering. Ondanks

meeningsverschil op sommige punten bleek het Kringbestuur

unaniem van gevoelen, dat bij een eventueele regeling de

onafhankelijkheid der Pers intact dient te blijven en dat dit

door de algemeene vergadering moet worden uitgesproken.

In dien geest werd een motie geredigeerd.

Om half 6 werd de vergadering gesloten.

P. A. Haaxman Jr.

Onze algemeene vergadering van 26 Februari heeft den

veteraan der Nederlandsche journalisten, collega P. A.

HAAXMAN Jr., tot eere-lid benoemd.

De Voorzitter herinnerde eraan, dat de heer HAAXMAN,

de nestor van den Kring, gedurende 52 jaar zijn arbeid als

journalist met groot talent en onverflauwde toewijding heeft

verricht. In heel die lange en eervolle loopbaan heeft zijn

werk altijd op hoog peil gestaan, hield hij het aanzien van

het beroep hoog, was hij een voorbeeld voor alle journalisten.

Ook de Kring, die hem van de oprichting af onder zijn

leden telt, is aan HAAXMAN veel verschuldigd. Het was spr.

dan ook een bijzondere vreugde, dat hij namens het bestuur

mocht voorstellen, den heer HAAXMAN te benoemen tot

eere-lid van den Nederlandschen Journalisten-Kring.

Met algemeene stemmen en onder hartelijke toejuiching

heeft de vergadering dit -voorstel aangenomen,

Den heer HAAXMAN is daarop telegrafisch van zijn benoeming

kennis gegeven.

De Kring telt thans 4 eere-leden, nl. de heeren CHARI.ES

BOISSEVAIN, mr. R. MACALESTER LOUP, mr. L. J. PLEMP VAN

DUIVELAND (eere-voorz.) en P. A. HAAXMAN Jr.

De salaris-enquête.

Waar blijven de lijsten der salaris-enquête? Zij

komen veel te traag binnen. Collega's, zoo kan het

niet. Het Kringbestuur MOET van de salaris-situatie

op de hoogte zijn, om den toestand zuiver te kunnen

beoordeelen. Bovendien: de lijsten zijn tevens contributie-formulier.

Wie zijn opgave dus niet inzendt,

wordt door den penningmeester eenvoudig in één

der hoogste contributie-klassen opgenomen.

Zendt de lijst in! De Kring-secretaris woont Van

Slingelandtstraat 70, den Haag.

Algemeene Vergadering.

Blijkens de in dit nummer voorkomende agenda heeft het

Dagelijksch Bestuur besloten, de voortzetting van het debat

over het onderwerp „Justitie, Politie en Pers" te doen plaats

hebben op Zondag 19 Maart a.s. Tegen dien datum is de

Algemeene Vergadering bijeengeroepen. 's-Gravenhage was

aan de beurt om deze vergadering te ontvangen: in December

j.1. vergaderden we in Amsterdam, nu onlangs in Rotterdam.

Het verslag van de algemeene vergadering van 25 en 26

Februari jl. zal in het volgend nummer komen, terwijl gezorgd

zal worden voor een zóo tijdige verschijning van dit nummer,

dat de leden van het debat hebben kunnen kennis nemen

vóór de vergadering van 19 Maart.

Redactie van het orgaan.

De nieuw-benoemde redacteur, de heer C. A. CRAYÉ Jr.

te Bussum, zal met het volgend nummer zijn taak aanvaarden.

Bestuursvergadering.

Op 18 Maart, daags vóór de algemeene vergadering, komt

het Kringbestuur ter behandeling van een uitvoerige agenda

bijeen.

Reorganisatie-commissie.

De Reorganisatie-commissie is zoo goed als gereed met

haar Rapport. Het zal in het orgaan worden gepubliceerd.

Representatie.

De Kring-voorzitter heeft de vereeniging vertegenwoordigd

op de gala-soirée, door het Haagsche gemeentebestuur gegeven

ter eere van het Permanente Hof van Internationale Justitie.

Nieuwe Courant.

Over de situatie aan de Nieuwe Courant kunnen op het

oogenblik, in het belang der betrokken collega's, in het

openbaar geen verdere mededeelingen worden gedaan. Het

Kringbestuur blijft diligent.

Ledenlijst.

Aangenomen als gewoon lid:

Fr. C. H. MEEUWSEN, Residentiebode, Tasmanstr. 156, den Haag.

H. SALOMONSON, Gazette de Hollands, den Haag.

j. C. VAN WAGENINGEN, Avondpost, Valkenboschkade 309,

den Haag.

Mevr. A, DRAAYER-DE HAAS, N. Rott. Crt., Obrechtstr. 504,

den Haag.

M. J. GIPHART, Alkm. Crt., Tulpstraat 5, Alkmaar.

B. HATTINK, Groeneweg 52, Zwolle.

W. OVERMEER, Opr. Haarl. Crt., Westergracht 45 r., Haarlem.

C. Fr. VAN DAM, Amsterdammer, N. Z. Voorburgwal 56, A'dam.

W. 1. M. D'ABLAING, Vaderland, Berkstraat 1, den Haag

(thans buitengewoon lid).

H. G. ALMA, N. Corr.bur., Weteringplein 2, den Haag

(thans buitengewoon lid).

W. M. BEKAAR, Haagsche Crt., Noordeinde 190, den Haag

(thans buitengewoon lid).

P. j. VAN MEGCHELEN, Manpad 10 Tuindorp Rotterdam

(thans buitengewoon lid).

JACQ. VRÉKE, Deli-Courant, Medan (thans buitengewoon lid).

Aangenomen als buitengewoon lid:

F. J. LOOMANS, Klei, St. Jorisstraat 28, Nijmegen.

Verhuisd:

|. HOLLANDER van Arnhem naar Maasstraat 289, den Haag.

G. H. KNAP naar 2= Helmersstraat 97, Amsterdam.

H. |. KOOPS naar Sneeuwbalstraat 78, den Haag.

|. C. E. SAND naar Willemsparkweg 155, Amsterdam.

— Wie weet het adres van:

Leon Delhez; Mevr. J. L. R. Baerveldt-Haver; A. P. L.

de Klerck; Mej. H. I.J.May; VV. Lubberink; R.W. Lammers;

A J. Boskamp; P. Muller; Th. vanWamel; A. C. P. Seyffert;

J. Polak; Mej. E. E. J. Blauw; G. W, Rebel; Mr. H. P. L.

Wiessing; Louis van Outhoorn.

Plaatselijke Vereeniglngen.

De Amsterdamsche Pers.

De vereeniging „De Amsterdamsche Pers" hield Dinsdag

21 Februari onder voorzitterschap van collega Koüwenaar

een ledenvergadering ter behandeling van de agenda voor de

Kring vergadering op 25 en 26 Februari.

Bij de behandeling der agenda voor de jaarvergadering

vestigde de secretaris er naar aanleiding van het jaarverslag

de aandacht op, dat de samenstelling der commissie voor

de statutenwijziging, gelijk deze in het verslag was vermeld,

niet in overeenstemming was met den oorspronkelijken opzet.

Een der plaatsvervangende leden van genoemde commissie

is n.1. zonder medeweten van de overige leden en plaaats-


vervangers, lid der commissie geworden, ter vervanging van

den afgevaardigde van Arnhem, die verhinderd was de commissie-vergaderingen

bij te wonen.

Collega Derjeu drong aan op mededeeling van de reëele

waarde van de bezittingen der Weerstandskas.

Voor het bestuurslidmaatschap van den Kring zal opnieuw

collega CRAYK worden aanbevolen; hetzelfde geldt voor de

aftredende leden der Commissie van Advies.

Ten aanzien van het voorstel van het Kringbestuur tot

wijziging van de bepalingen inzake de redactie van het orgaan

werd besloten voor te stellen, de Commissie van Advies te

doen blijven het college van beroep bij weigering van stukken.

In dit verband deed de secretaris opmerken, dat op deagenda

van de Kringvergadering wederom, evenals verleden

jaar, ontbrak het door het reglement voorgeschreven punt:

bespreking van het. beleid der redactie van het orgaan.

In de vacature voor redacteur van het orgaan werd candidaat

gesteld collega CRAYÉ; voor plaatsvervanger collega POLAK

DANIELS.

Den afgevaardigden der A. P. ter Kringvergadering werd

opgedragen bovenstaande onderwerpen daar ter sprake te

brengen.

Hierna was aan de orde de bespreking van het onderwerp

„justitie, Politie en Pers".

De voorzitter herinnerde aan de voorgeschiedenis dezer

zaak, de vragen van liet Kamerlid KLEEREKOPER, buitengewoon

lid der A. P., aan den Minister van justitie en het antwoord

daarop, in verband met den moord op mr. WIJSMAN. Ondank?

de fouten die door de pers gemaakt zijn, acht spr. toch een

bindende regeling ongewenscht. De pers moet als orgaan der

publieke opinie volkomen vrijheid hebben. Geleerd door de

ondervinding met den treinmoord moet de pers zichzelve een

breidel aanleggen: Spr. is intusschen niet tegen iedere samenspreking.

De secretaris brengt de onbevredigende regeling in herinnering,

in October 1920 door den hoofdcommissaris van politie

met het bestuur der A. P. getroffen en welke door sommige

politie-ambtenaren aldus bleek te worden opgevat, dat een

verslaggever, die zich met een „tip" tot hen wendde, tot

bescheid kreeg, dat alle bladen gelijdelijk via het bestuur der

A. P. daaromtrent zouden worden ingelicht. Het bestuur der

A. P. haastte zich tegen deze averechtsche opvatting te

protesteeren en de regeling werd even snel ongedaan gemaakt

als zij getroffen was. In verband hiermede deed de secretaris

voorlezing van een kort na deze regeling van den hoofdcommissaris

ontvangen schrijven, waarin aan het A. P.-bestuur

verzocht werd te bevorderen, dat bij berichten in de dagbladen

over misdrijven het daarin werkzaam zijnde personeel niet

met name werd aangeduid en dat nimmer in details tredende

bijzonderheden zouden worden opgenomen nopens de middelen

waardoor de politie er c.q. in geslaagd is een of ander feit

tot klaarheid te brengen (vingerafdrukken enz.). Spr. herinnert

aan die regeling van October 1920 als afschrikwekkend voorbeeld

voor een regeling als door den Minister van Justitie

blijkbaar gewenscht.

Collega Tersteeg vreest, dat de minister de zaak alleen

bekeken heeft van het standpunt der justitie. Wij moeten

onzerzijds onze voorwaarden op den voorgrond stellen. De

bezwaren der overheid zijn ontstaan uit de weigering van

politie en justitie om de pers volledig in te lichten, als een

betrouwbaar instrument. Onze voorwaarden zouden moeten

zijn, dat de pers het recht heeft op absoluut volledige inlichting,

een „tip" dient recht te geven op inlichting uitsluitend aan

dengene, die de „tip" heeft. Wij moeten onze inlichtingen

inwinnen waar wij willen i. c. bij den persoon, die de zaak

in handen heeft. De politie dient zich voor oogen te stellen,

dat „de pers er toch achter komt". De minister behoef^ niet

bang te zijn, dat wij ons niet aan een afspraak zullen houden,

maar eenigerlei voorwaarde mag niet worden gesteld. Het

voorbeeld van Amsterdam acht spr. een goed voorbeeld, om

het bezwaarlijke eener dergelijke regeling te doen uitkomen.

Collega Da Silva meent, dat den journalisten geen blaam

kan treffen inzake den treinmoord. De blaam treft de politie

te Haarlem, die den indruk wekte, dat de werkelijke dader

was aangehouden. De misgreep was niet aan de zijde van de

pers, maar van de politie.

Collega Schotting zegt, dat bij een misgreep van politie

en justitie de eerste zondebok de pers is. Spr. legt den nadruk

op het groote' belang eener vrije, onafhankelijke pers. Het

„vergif" van het antwoord des ministers zit volgens spr. in

de staart, waar de minister te kennen geeft, dat een bepaalde

regeling tusschen de parketten en de pers hem voorshands

niet noodig voorkomt. De politie beroept zich juist vaak op

de justitie bij haar weigering om inlichtingen te geven. De

politie, die een groote macht heeft om de vrijheden deiburgers

te beknotten, heeft een vrije, controleerende pers

noodig. Die vrijheid dient te worden hooggehouden.

DE JOURNALIST 27

Naar aanleiding van een opmerking van collega SANTCROOS,

die klaagt over de onbetrouwbare, immers onvolledige, voorlichting

der pers door middel van het zgn. krantenrapport

van het hoofdbureau, zet de secretaris zijn bezwaren uiteen

tegen een algemeene inlichting der pers door de politie dat

een misdrijf heeft plaats gehad; dit is dus een andere zaak,

dan in het antwoord van den minister bedoeld. Z. i. stelt

men dus op een lijn, den journalist, die zich door activiteit

relaties heeft verworven en den journalist, die deze moeite

niet heeft genomen. Spr. acht deze nivelleering uit journalistiek

oogpunt uit den booze.

lie voorzitter resumeert het gesprokene aldus, dat de

vergadering eenparig van oordeel is, dat de vrijheid der

pers moet worden gehandhaafd; dat wij bereid zijn mede

te werken tot overleg met behoud onzer bewegingsvrijheid

en dat het beste middel om verkeerdheden te voorkomen is,

de pers zoo volledig mogelijk in te lichten, ook van de zijde

der justitie. Een eventueele regeling dient te worden voorgelegd

aan de ledenvergadering van den Kring.

Collega Schotting zegt nog, dat wij ons als gelijkgerechtigden

tot overleg moeten bereid verklaren. Wij moeten geen

schriftelijke overeenkomst hebben, maar de politie meer

tegemoetkomend maken.

Collega Van Loon adviseert, dat de pers blijve staan op

haar onafhankelijk standpunt, doch den minister te verzoeken

den officieren van justitie op te dragen alle mogelijke inlichtingen

te geven. Dit zal een giooter verantwoordelijkheidsgevoel

der pers medebrengen.

Aan het bestuur werd de aanwijzing der afgevaardigden

naar de Kringvergadering overgelaten. Na rondvraag werd

hierna de vergadering gesloten.

SCHOTEL,

Secretaris.

Haagsche journalisten-Vereeniging

(jaarverslag over 1921).

De Haagsche Journalisten-Vereeniging eindigde het jaar 1921

met een gevoelig verlies, dat van haar secretaris, den heer

W. C. VAN MEURS, wiens verdiensten voor de vereeniging

naar waarde konden worden geëerd op het afscheidsdineetje

in Riche, waaraan door een groot aantal collega's met hun

dames werd deelgenomen en waar in niet minder dan 12

redevoeringen de lof van den scheidenden collega werd

gezongen. Gelukkig had de vereeniging in het afgeloopen jaar

geen verliezen van ernstigen aard te betreuren en al bracht

de post op 31 December een bedankje van een lid, die zijn

lidmaatschap van den Journalisten-Kring had opgezegd, in

den loop van het jaar meldden zich een paar nieuwe leden aan,

zoodat de vereeniging thans telt 1 eerelid, 79 gewone leden,

13 buitengewone leden en 5 begunstigers. Rijk aan schokkende

gebeurtenissen is het afgeloopen jaar niet geweest, maar wel

mochten wij drie zeer gewaardeerde leden hulde brengen, n.1.

den heer C. K. ELOUT bij diens 30-jarig jubileum als journalist,

bij welke gelegenheid de vereeniging aan den jubilaris een

telegram zond; den heer F. LAPIDOTH, op wiens 6o en verjaardag

de voorzitter der vereeniging deelnam aan de algemeene

huldiging en den feestvierende namens de vereeniging bloemen

bood en in hartelijke woorden toesprak; en den heer G. J. H.

VAN DE VIJVER, die eveneens op 15 September 60 jaar werd.

De heer VAN BOLHUIS kwam den jubilaris gelukwenschen op

diens bureau en deed zijn wenschen vergezeld gaan van een

bloemenhulde. Voorts mocht de heer H. J. STRATEMEIJER vele

blijken van sympathie van zijn collega's ontvangen op zijn

ggen verjaardag.

Van het optreden der vereeniging naar buiten dient te

worden vermeld een schrijven van het bestuur aan den

Minister van Waterstaat naar aanleiding van de ingezonden

ontwerpen voor de verbouwing en uitbreiding van het gebouw

van de Tweede Kamer der Staten Generaal, waarin tevens

werd te kennen gegeven, dat het bestuur het zeer op prijs

zou stellen, indien het te zijner tijd mocht worden geraadpleegd

over de vaststelling van het definitieve ontwerp, voor

zoover betreft inrichting enz. van perstribune en perslokaliteiten.

Bijzonder gelukkig is de heer VAN MEURS vooral geweest

met zijn journalistieke regelingen bij gelegenheid van de

ontvangst der leden van de Inter ?iational Law Association,

waarvoor het bestuur der Ned. Ver. voor het Recht in zeer

waardeerende bewoordingen haar dank heeft betuigd. Een

niet minder goeden indruk heeft de ontvangst der Japansche

journalisten gemaakt, die in de bladen van hun land nog eens

uiting gaven aan hun gevoelens van erkentelijkheid, welke

zij reeds hadden vertolkt aan den maaltijd op het Kurhaüs.

Bij verschillende gelegenheden werden verder inlichtingen

aan het bestuur gevraagd in pers-aangelegenheden. De vereeniging

zelf maakte in het begin van het jaar een korte

voorzitters-crisis door, welke gelukkig spoedig tot algemeene


28 DE J O U R N A L I S T

voldoening werd opgelost door het herkiezen van den heer

VAN BOLHUIS. Behalve de jaarvergadering op 29 April en de

vergadering waar de voorzitter werd herkozen op 18 Mei,

was er nog een vergadering op 29 September ter behandeling

van de agenda voor den Kringraad. Slechts 11 leden woonden

deze vergadering bij, terwijl ook de beide vorige vergaderingen

slechts matig bezocht waren. Het is te hopen, dat, hoewel

met de opheffing der sociteitscommissie de gezelligheidsavonden

een einde hebben genomen, de zin voor gezelligheid, die zich

opnieuw krachtig uitte bij het aan den heer VAN MEURS

aangeboden afscheidsdiner, voortdurend zal blijven toenemen

en dat daarmede de leden in gelijke mate blijk zullen geven

van belangstelling voor die aangelegenheden, welke het aanzien

en het belang der pers gelden.

E. J. BELINFANTE,

w.n.d. secretares.

Groningsche Journalisten-Vereeniging.

In een dezer dagen gehouden ledenvergadering der Groningsche

Journalisten-Vereeniging kwam o. m. ter sprake het

onderwerp: „Regeering, politie en pers", waaromtrent de

Kring, op verzoek van den Minister van Justitie, van zijn

gevoelens zal doen blijk geven.

De voorzitter, de heer JOH. BOERSMA, leidde het vraagstuk

in en uit de daarop gevolgde, vrij levendige discussie, bleek,

dat de Groningsche journalisten mede zeer ingenomen zijn

met het plan tot betere regeling der berichten-voorzienirig

van de zijde der politie. De Groningsche pers heeft behoorlijke

relaties met de gemeente-politie, maar zij mist een wel

gewenscht contact met de rijkspolitie, die over 't algemeen

zeer spaarzaam is met het geven van berichten en dikwijls

een buitengewoon gereserveerde houding aanneemt tegenover

de pers, ook in belangrijke gevallen, waarover het publiek

stellig wel mocht worden ingelicht. Dit gemis aan een goede

regeling, vooral met de justitie en de rijkspolitie, zal geen

plaatselijk euvel zijn, maar ongetwijfeld overal elders worden

gevoeld, vooral na de befaamde moordgeschiedenis-Wijsman.

Vele bladen zijn naar het oordeel der vergadering te ver

gegaan in hun ijver, om toch vooral de nieuwste snufjes van

deze affaire den volke te kunnen aanbieden. Daar was een

speurzin allerwegen te constateeren, een trop de zèlc, een

reportage, welke het eene pasje, dat ook de verdienstelijkheid

van het belachelijke scheidt, zoo nu en dan overschreed.

Een betere regeling dus! Maar dan naar de meening der

G. J. V. vooral een regeling, waarbij overleg der justitie- en

politie-autoriteiten met de plaatselijke persvereeniging mogelijk

is. Groningen toch ligt zeer geïsoleerd, vèr benoorden de lijn,

welke het terrein waaromtrent een Hollander, die zich zelf

respecteert, nog eenige geografische kennis bezit — scheidt

van het noordelijke terra incognita. Ons contact met den

Haag is er sinds de hooge spoorwegtarieven nog wat minder

op geworden. De G. J. V. zal niet anders dan in zeer dringende

omstandigheden een gedelegeerde kunnen zenden.

Meer dan ooit zullen wij het Kringbestuur schriftelijk ons

advies omtrent de een of andere kwestie moeten doen kennen.

En we zijn er niet gerust op, dat van dit advies altijd behoorlijk

notitie zal worden genomen. Wij hebben op verzoek van het

Kringbestuur wel 's een enkele maal vaker ons standpunt

uiteengezet, schriftelijk. Maar in het verslag der algemeene

vergadering vond geen onzer een aanwijzing, dat onze beschouwingen

ter kennis van de beraadslagende persbroeders waren

gebracht.

't Gedenkboek is ook ter sprake gebracht. Maar helaas,

men bleek over 't algemeen niet genegen de plannen voor de

uitgaven van dit boek te steunen. Met alle respect voor de

ideëele overwegingen, welke hiertoe geleid hebben, waren de

meeste leden der G. ]'. V. van meening, dat de kosten te

zwaar in deze tijden zullen drukken op het budget der journalisten.

Het is, meenen zij, nu nog geen tijd voor luxeuitgaven.

Verder de salaris-regeling. Hoe staat het hiermee in

Groningen? Bij enkele bladen is de toestand bevredigend,

van andere bladen weten wij het niet. Maar het volijverige

Kringbestuur zal het weten, hebben wij elkaar beloofd. De

lijsten voor de salaris-enquête zullen correct worden ingevuld.

De secretaris,

J. LEENINGA.

Haarlemsche Journalistenkring.

Een dezer dagen kwam de Haariemsche Journalistenkring

in nagenoeg voltallige vergadering bijeen. Als nieuwe leden

traden toe de heeren P. C. VAN DOBBEN, JOH. MEIJER en

W. OVERMEER, allen verbonden aan de Opr. Haarl. Crt.

In een vorige vergadering was als nieuw lid toegetreden de

heer H. N. SMITS van de Nieuwe Haarl. Crt.

De Haarlemsche Kring telt thans 12 leden, nl. de heeren

L. M. WETERINGS, J. H. VAN OOSTEN, J. P. HAMERS, H. N.

SMITS (N. Haarl. Crt.), C. J. VAN TILBURG, W. F. BEEREMANS,

J. C. EVERS (Haarlems Dagblad), P. C. VAN DOBBEN, JOH.

MEIJER, W. OVERMEER, J. G. THORBORG en P. C. AKKERMAN

{Opr. Haarl. Crt.)

't Spreekt van zelf, dat de secretaris in zijn jaarverslag

wijlen vriend MEIJERINK herdacht. Nog steeds wordt deze

beminnelijke collega in onzen kring zeer gemist en blijft

diens ontijdig verscheiden een open wonde.

Ook werd in het verslag melding gemaakt van het vertrek

naar Weesp van collega C. L. F. SARLET, die van het begin

af lid der Haarlemsche organisatie is geweest en ruim 27 jaar

aan de Oprechte verbonden was.

Met waardeering gewaagt het verslag van de benoeming

van collega VAN OOSTEN als gedelegeerde bij het Kringbestuur

en van collega VAN TILBURG als penningmeester.

Het jaarverslag, dat verder de gebruikelijke mededeelingen

van huishoudelijken aard bevatte, werd goedgekeurd, benevens

de rekening en verantwoording van den penningmsester en

het jaarverslag van den gedelegeerde.

Het bestuur, dat jaarlijks in zijn geheel aftreedt, werd met

op één na algemeene stemmen herkozen. Het bestaat uit de

heeren: L. M. WETERINGS, voorzitter, J. H. VAN OOSTB;N,

gedelegeerde, C. J. VAN TILBURG, penningmeester en P. C.

AKKERMAN, secretaris.

Plet agendapunt: Bespreking publicatie van personennamen

in rechtbankverslagen, politieberichten enz., werd wegens het

vergevorderde uur tot een volgende bijeenkomst aangehouden.

Na een ampele bespreking van salaris- en vacantie-acties

en nog eenige huishoudelijke aangelegenheden, waaronder ook

de wenschelijkheid werd besproken van het weder instellen

van gezellige avondjes, werd de vergadering gesloten.

De Secretaris,

P. C. AKKERMAN.

Rotterdamsche Journalisten-Vereeniging.

De Rotterdamsche Journalisten-Vereeniging heeft op 24 Febr.

onder voorzitterschap van den heer A. VOOGD, een vergadering

gehouden.

De voorzitter bracht, door de vergaderden staande aangehoord,

een woord van hulde aan de nagedachtenis van den

overleden vice-voorzitter, den heer J. STUFKENS L/.n. In diens

plaats werd in het bestuur benoemd dr. J. M. C. VAN OVERBEEK.

Tot vice-voor/.itter werd benoemd mr. P. C. SWART.

De heer H. SMITS hield daarna een inleiding over het

onderwerp: regeering, politie en pers, waarin hij tot de conclusie

kwam, dat over het algemeen de verhouding tusschen

politie en pers te Rotterdam niet tot klachten aanleidinggeeft,

en dat wijziging van den bestaanden toestand hier van

geen belang is. Met betrekking tot het door de regeering in

te nemen standpunt kwam hi-j tot de conclusie, dat de behoefte

aan een regeling dezerzijds niet gevoeld wordt, maar dat,

indien dat aan de andere zijde wel het geval is, het Kringbestuur

zich in die mate zal moeten laten gelden, dat de

bewegingsvrijheid van de journalisten zoo min mogelijk aan

banden wordt gelegd.

Bij de discussie werd algemeen opgekomen tegen alles

wat in deze „planmatig" is.

De vergadering sprak ten slotte als haar meening uit, dat

het op den weg van den Nederl. Journalisten-Kring ligt, den

minister van justitie te verzoeken, geen „planmatige" regelingen

in het leven te roepen.

Redactie en „uitgever".

Algemeene belangen.

In Haarlems Dagblad heeft de heer j. C. P(EEREBOOM)

een artikel geschreven over de verhouding tusschen politie

en pers, waarin op zeer opmerkelijke wijze de „uitgever"

van de krant naar voren wordt geschoven als beslissende

macht bij het bepalen van den redactioneelen inhoud. Zoo

heet het ergens:

„Maar een verstandige dagbladuitgever is er ook niet op gesteld,

dat alles rijp en groen, zoo maar, zonder schifting in de kolommen

van zijn blad verschijnt: hij wil zelf rekening houden met de

belangen van een goede justitie en zoo komt het voor, dat

berichten die h'em van andere zijde dan van de politie-autoriteiten

worden toegezonden, vóór de plaatsing worden onderworpen aan

het oordeel van den commissaris. Vindt deze er geen bezwaar in,

dan drukt men ze af, zoo niet, dan worden ze gewijzigd of in

het geheel niet geplaatst."

Wanneer- er over de mogelijkheid van een regeling wordt


gesproken, schrijft de heer PEEREBOOM: „De uitgevers van

de dagbladen geven hunnerzijds de toezegging, dat mededeelingen

uit andere bron niet zullen worden opgenomen,

zonder de goedkeuring van den chef van politie".

Men ziet, op hoe ostentatieve wijze hier de „uitgever"

wordt voorgesteld als de man die bepaalt wat er in de krant

zal komen, als de macht die de regelingen aangaat inzake

de redactie, Aan het slot van het artikel wordt dan ook

gevraagd, of men in de regeerings-bureaux niet weet, „dat

de Nederlandsche dagblad-uitgever wel degelijk een oogje

houdt op den redactioneden inhoud van zijn blad en dien

maar niet ongecontroleerd aan de redactie overlaat".

Ziedaar!

De „uitgever" voorgesteld als de controleerende macht van,

als het wakende oog op de redactie.

Wij zullen er niet veel van zeggen. Alleen dit: als men

dat „m de regeerings-bureaux" niet weet, — dan weet men

het terecht niet. Want wij, journalisten, weten het evenmin.

Zoodat de Regeering niets te kort schiet. Toevallig deed zich

eenige dagen nadat dit merkwaardige artikel verscheen een

klein incident voor, waarin een journalist een heel wat beter

licht op den feitelijken toestand wierp. In Amsterdam had

een bijeenkomst van sportjournalisten plaats, bijeengeroepen

door een comité van sport-leiders, in verband met de Olympische

Spelen die in 1928 in ons land worden gehouden.

En in de N. R. Crt. lezen wij daaromtrent o. a.:'

„De vergadering was vrij druk bezocht. De heer Hirschman

presideerde, de heeren Broekhuyzen, van Tuyll en van Kappen

hadden mede plaats genomen aan de bestuurstafel en verder

merkten we op ongeveer dertig sportredacteuren van groote en

kleinere dagbladen, hoofdredacteuren, directeur-hoofdredacteuren

en medewerkers van periodieken en zelfs -was er op deze bijeenkomst

van journalisten een directeur van een sport-periodiek

verdwaald.

De heer Zwart, directeur van De Nederlandsche Sport achtte

het oirbaar, in deze vergadering van journalisten, waar hij zich

wel als een kat in een vreemd pakhuis zal gevoeld hebben, te

komen vertellen, dat men beter gedaan had hier wat directeuren

te noodigen, want dat de heeren die hier waren toch de orders

van hun directie hadden af te wachten over wat al of niet in de

krant kon komen.

De heer Meerum Terwogt, Nieuwe Rotterdamsche Courant,

trachtte den heer Zwart aan 't verstand te brengen, dat deze dan

toch een slechten kijk heeft op de inrichting van een goed georganiseerd

persorgaan, waar de hoofdredacteur met zijn staf baas is

over den geestelijken inhoud van de krant en waar de directeur,

•eigener beweging, zich van redactioneele inmenging onthoudt."

Zóo is het.

7- -Ais men „op de regeerings-bureaux" dit woord

van den journalist MEERUM TERWOGT verstaat, zal men geen

gevaar loepen te dwalen. Want dit is de juiste theorie en de

gezonde, reëele toestand. Wat de heer PEEREBÖOM schreef is

fantasie. Evengoed als het fantasie zou zijn, wanneer wij

schreven, dat de journalisten „een wakend oog" houden op

de commercieele leiding van de krant „en die maar niet

ongecontroleerd overlaten" aan den „uitgever".

Van Drukpers-delicten.

Collega SCHOTTDJG heeft in zijn belangwekkend referaat, gehouden

Zaterdagavond 25 Februari j.L, herinnerd aan een vervolging ingesteld

tegen de Amhemsche Courant, wegens een pers-delict

Misschien kan ik enkele vakbroeders en -zusters een genoegen

doen. door 111 minieren kring meer bekendheid te geven, aan een

paar van zulke processen, welke, vooral uit historisch oogpunt, toch

wel belangstelling verdienen. Ze werpen een eigenaardig licht'op de

nog geen driekwart eeuw geleden heerschende toestanden.

Ik heb deze gevallen opgediept uit de „Verslagen en Mededeelingen

van de Vereemging tot Beoefening van Overijsselsen Reet en

Geschiedenis', twee en dertigste stuk, tweede reeks, achtste stuk

Het eerste is van de hand van wijlen den hoogst bekwamen

historicus Mr. J. Nanninga Uitterdijk. getiteld „een drukpers-delict

te Kampen in 1845", dat ik hieronder verkort weergeef

In 1845 verscheen bij den uitgever K. van Hulst, te Kampen, het

maandblad: Ve Staatkundige Tooverlantaren of Utopisch-PoUtischen

Snelmagen. Op 27 October van dat jaar maakte' de heer Van Hulst in

de Kamper Courant bekend, dat eerstdaags zou verschijnen- Kritiek

der Troonrede, Rijwagen van den Utopisch-PoUtischen Snelwanen

Dat de schrijver van die eritiek het er dik durfde op te leggen

blijkt wel uit deze zijne uiting: '

„Den Koning wijten wij het schaamteloos staatsstuk niet, waarmede

men heeft kunnen goedvinden Hem de tegenwoordige'zitting der

Staten Generaal te doen openen. Den Koning wijten wij noch de

stuitende aanmatiging, noch de officieele' logeutaal,'waarvan dat stuk

overvloeit. Wij stellen Hem niet, wiens mond ze uitsprak verantwoordelijk

voor de woorden, die. anderen Hem gaven; vooreerst

omdat het geheel in strijd is niet alle constitutioneele begrippen dal

eenige aansprakelijkheid op het Hoofd des Staats ruste, en dus al

van zelve net regtsvermoeden bestaan moet, dat elke daad en elk

woord door Hem, in zijne hoedanigheid van Koning, verrigt of

gesproken, afkomstig is van zijn bestuur, dat er de verantwoordelijkheid

van dragen moet, en ten andere omdat aan dit Staatsstuk onze

DE JO IFR N A L I S T 29

Koning zeer stellig, geheel vreemd is, en hier dus het regtsvermoeden

met de daadzaak overeenstemt. De Koning kan dat stuk niet gesteld

hebben; m de eerste plaats omdat hij Koning is, en ten tweede omdat

Zijne Majesteit de Hollandsche taal niet genoeg machtig- is om

zoo vele ronde volzinnen te kunnen zameustelleu. "Het is toch van

algemeene bekendheid hoeveel moeite het den Koning kost hoe

menigmaal Hij zich zoodanige rede laat voorlezen, hoe dikwerf Hij

dezelve, hardop, in het bijzijn van eenen teregtwiizer, leest en

herleest eer het Hem gelukt, zoovele volzinnen in het openbaar

verstaanbaar uit te spreken. Wij hebben hier dus. dubbelen grond

om Z.M. geheel vreemd te achten aan deze openingsrede en dus ook

dubbe e oorzaak om met vrijmoedigheid, ja met onverbiddelijke

strengheid dit stuk te beoordeelen." '

Deze eritiek werd door de autoriteiten niet opgevat als een Kamper ui

De rechtbank te Zwolle verleende tegen den uitgever rechtsinga gang

op grond: dat dit stuk niet alleen door deszelfs geheele strekking

111 het algemeen, maar ook bijzonder door verschillende daarin voorkomende

zinsneden o. a. op blz. 1, 2, 4, 7, 14 en 15, de waardigheid

en het gezag des Kouings boosaardig en openbaar zijn aangerand

en de persoon des Konings op gelijke wijze is gesmaad, gehoond of

gelasterd, tegen welke wanbedrijven is voorzien bij art 1 der wet

van 1 Juni 1830 Staatsblad No. 15.

Van Hulst kwam daartegen in verzet, omdat niet was aangewezen,

welke de geincrimmeerde zinsneden waren en hij dus niet wist

waarop hij zich verdedigen moest. Het verzet werd echter afgewezen

en 3 Januari 1840 werd zijn zaak behandeld. Zijn verdediger

was Mr. J. II. G. Bossevain, te Arnhem.

Was de eritiek niet malsch, de eisch evenmin : 5 jaren gevangenisstraf

met veroordeeling in de kosten van het geding. Van Hulst

ging in hooger beroep en 25 Februari 1846 werd zijn zaak voor

het Hof behandeld. Daar deed Mr. Boissevain, als verdediger een

verrassende mededeeling: hij zelf had het bewuste stuk aan Van

Hulst gezonden en dezen last gegeven, dat te doen drukken.

De beklaagde verzocht nu, dat hij buiten het geding zou worden

gesteld, of wel, dat de behandeling dei- zaak in hooger beroep zou

worden geschorst of gestateerd.

Het Hof verwierp de exeptie en bevestigde het vonnis der Rechtbank.

De veroordeelde kwam in cassatie en de Hooge Raad besliste

by arrest van 17 Juni 1846, dat de uitgever den schrijver te laat

had genoemd omdat op dat oogenblik de termijn van verjaring was

verlopen. Wat de straf betreft, werd het vonnis bevestigd, o a

op grond: „dat de troonrede niet door den minister in haar geheel

kan zijn opgesteld, en dat mede feitelijk is uitgemaakt, dat verschilende

zinsneden 111 de bedoelde brochure persoonlijk tegen den

Koning zijn gericht."

6

Ter completeering nog de volgende franje van de zaak. 23 Juni

1846 bezocht Willem II Kampen en bij die gelegenheid verzocht de

eentgenoote van den gedupeerden uitgever vergiffenis voor haar rnan

De Koning wees het verzoek af, wat door de pers zeer hard werd

gevonden Het Weekblad Overijssel motiveerde zijn oordeel-aldus-

„dat de heer Van Hulst alleen tengevolge van misleiding een offer

van de lang met algemeen gedeelde zienswijze der regterlijke magt

omtrent de beoordeeling eener troonrede geworden is "

Op 17 October ging de heer Van Hulst te Zwolle de gevangenis in

Den avond te voren was in de sociëteit „Vrede best" een betooging

te zijner eere gehouden.

ö

1 ï 0eri ,j hi J in , de g evan g eni s zat, verzocht hij zijn verdediger hem

het geld te zenden, waartoe deze zich tegenover hem had verplicht.

Mr Bossevain deed echter wat anders. Geheel buiten den heer Van

Hulst om plaatste hij een oproep in de pers, om geldelijken steun

voor zijn voormaligen cliënt, opdat deze, na het ondergaan van de

straf, weer zaken zou kunnen beginnen.

Namens den heer Van Hulst werd hiertegen in de pers gepro

teerd. De Kamper Courant van 4 Februari 1847, schreef o a

de oproep „is geteekend door den onschuldigen Mr. Boissevain die

Van Hulst met de beste intentie in de kast werkte.'' Een week later

entiseerde 111 hetzelfde blad Mevr. Van Hulst-Metelerkamp scherp

de houding van Mr. Bossevain.

v

tesdat

Bij Kon. Besluit van 29 October 1847 werd den heer Van Hulst

kwijtschelding verleend van zijn verderen straftijd. 4 November d a v

werd hem des avonds te Kampen bij fakk'ellieht een serenade

gebracht. De heeren W. J. Swart en C. A. Frowein vereerden hem

een zilveren beker, de heer Van Hulst schonk ieder van zijn beide

vrienden een gelijken beker van nikkel.

En nu het tweede geval. Dit is van geheel anderen aard heeft

misschien alleen anecdotische waarde, maar doet toch duidelijk

uitkomen, dat wie in dien tijd met de pen de bepalingen van de

wet overtrad, „ook nog niet gelukkig was"'.

Deze zaak is behandeld door den vooral in het oosten des lands

zeer bekenden ïwentschen geschiedkenner Mr. G. J. ter Kuile De

bijdrage, opgenomen in bovengenoemde Verslagen enz. draagt tot

opschrift „Een Zoon van het Singraven". Het Singraven is een

bekend landgoed van historische beteekenis, gelegen bij Denekamp (O )

Daar werd 13 Juni 1807 geboren George Anne Christiaan Willem

markies de Thouars, eenige zoon van Willem George Cornelis markies

de Ihouars en freule Wilhelmina Johanna Christina van Foreest

w- 1 ,, tten ' 0p J eu ë di 8' eu leeftijd werd hij aan het hof van Koning

Willem 1 geplaatst als page. Maar de jonge Twentsche edelman, in

vrijheid gedresseerd op Singraven, scheen het leven wat te los op te

vatten naar het oordeel der hofkringen en hij kreeg als page zijn

congé. Dan maar onder dienst en zoo werd hij in September 1831

aangesteld tot tweede luitenant bij de infanterie.

De Thouars voelde schrijversblóed in de aderen bruisen en trachtte

met alleen Mars, maar ook de muze der poëzie te dienen. Verschillende

gedichten, zelfs een „Groot heroïsch treurspel" verschenen van

hem. Zijn werk was niet slechter dan b.v. dat-van een Van Zego-elen

Zijn poëzie 111 Twentsch dialect heeft als zoodanig zeker verdienste.

Was hij maar de kalm dienenende garnizoens-officier gebleven

zich uitlevende in militaire- en „letteroefeningen", dan had hij het

misschien nog een heel eind gebracht op het pad, dat leidt naar

eer en glorie. Nu is het anders met hem geloopen en waarschijnlijk

heelt een drukpers-delict zijn levensbaan voor goed gebogen. '


30 DE JOURNALIST

In 1836 n.1. moest hij voor den Krijgsraad terecjht staan als verdacht

van het schrijven van een brochure. Hij werd echter onder handtastiug

op vrije voeten gelaten, omdat „niet tot genoegzaamheid is

gebleken, dat de 2e luitenalit de Th. de schrijver zoude zijn".

Mr. Ter Kuile meent, dat hij voor den militairen rechter niet

geheel zuiver is uitgegaan, want'. . . bij besluit van den Koning d.d.

7 December 183G werd hij ongevraagd uit den militairen dienst

ontslagen.

We ontmoeten De Thouars weer 10 jaren later. Op den Ie October

van dat jaar pakt hij in de Zierikzeesche Nieuwsbode uit tegen den

Kantonrechter te Ommen, wonende te Heemse, op deze wijze: „De

ondeugende Kantonregter Jan B. door de Burgers nog onlangs schrikkelijk

in de maliug genomen, begint nu valsche guldens te debiteeren;

nu heeft hij ook lang genoeg in 't geniep valsebe munt geslagen".

Genoemde courant was een der vele oppositieblaadjes uit dien tijd.

wier formaat zoo gekozen was, dat de Zegelwet van 1843 werd

ontdoken. In scherpen toon uitten ze zich over het persoonlijk gouvernement

des Konings en het conservatisme der regeering. Mr. Ter

Kuile somt er een serie van op, n.1.: de Tolk der Vrijheid (1840);

de Volksvriend (1843); de Kalfskop (1851); de Burger, de Ontwaakte

Leeuw, de Asmodee, de Star der Hoop. De Thouars nu was medewerker

aan de Zierikzeesche Nieuwsbode.

In de Burger van 5 Aug. en 9 Sept. 1846 had hij in een advertentie,

respectievelijk getiteld: ..Duizend gulden premie" en „Wanneer

vreedzame burgers byeen zijn" weer eenigelieflijkhedeu geventileerd

aan het adres van den Ommerschen Kantonrechter. Hij maakte hei

werkelijk bijzonder gortig, want hij wist niet beters van hem te.

zeggen, dan: „dat deze is een schelm, wiens gelijke in heltenstreken,

bovenstukken en kabaliteiten nog het schavot zal moeten beklimmen."

Een zoon van den Kantonrechter, candidaat-notaris te Rotterdam,

moest in het nummer van 16 Sept. en 28 Oct, een veer laten. Hij

betichtte dezen ervan, dat hij door het laten teekenen dooi- zijn

moeder van een acte van cessie deze „schandelijk afgezet en moedernaakt

uitgekleed had; dat hij zijn moeder schandelijk had belasterd

en dat hij zich op onrechtmatige wijze had verwijderd met gelden,

hein door naar Amerika jultwijkende afgescheidenen toevertrouwd.

Van deze pennevruchten heeft de markies weinig plezier beleeid.

Natuurlijk greep de justttie in, maar de manier, waarop ze dezen

blijkbaar querulanten sehotschrijver behandelde, stuit in hooge

mate tegen de borst.

De Thouars woonde, in uiet-rooskleurige maatschappelijke omstandigheden,

bij zijn moeder te Heemse, bij Hardenberg. Daar bereikte

hem het bevel om, wegens een epistel in de Zierikzeesche Nieuwsbode,

te verschijnen voor den rechtercommissaris bij de rechtbank te

Zierikzee. Daar hij te ziek was, om de reis er heen te ondernemen

— het was werkelijk geen uitvlucht, want de burgemeester van zijn

woonplaats en de huisdokter bevestigden zijn motief — verzocht

hij om die reden gehoord te worden door den meest nabij wonenden

rechter van instructie. Dit werd geweigerd en toen begon voor hem

een zware lijdensweg.

„Door den sterken arm" wei-d de zieke, in bar winterweer, gehaald

en'overgebracht naar Zierikzee. 't Was een ware via dolorosa voor

hem. Per kar en te voet ging de tocht, onder geleide van marechaussee,

eerst over Deventer, Eist, Nijmegen, Grave (waar hij vier

dagen in het gevangenishok van het stadhuis verbleef', zonder vuur,

licht tafel of stoelen) naar 's-Hertogenbosch. Daar werd hij iets

beter behandeld en mocht hij schrijven. Hij wilde zijn wedervaren

van dezen tocht te boek stellen en bij inteekening doen uitgeven!

(Slot volgt.)

Draadloos-Telefonische Persdienst.

A - HOEK.

Men schrijft ons: — De draadlooze telefonie is den 2i ste "

Februari officieel in werking gesteld voor het dagbladbedrijf.

Ons land is het eerste waar deze uitvinding practisch als

zoodanig wordt toegepast.

Het Persbureau Vaz Dias te Amsterdam heeft na langdurige

onderhandelingen met de regeering en na overeenstemming

te hebben Verkregen met de vereemgmg „De

Nederlandsche Dagbladpers dezen dienst in het leven kunnen

roepen. . .

Een groot aantal autoriteiten zoowel uit binnen- als buitenland

hebben hun gelukwenschen uitgesproken met dit

nieuwe middel van berichten-verspreiding en vakmenschen

gewaagden van een belangrijke phase in de ontwikkeling van

het dagbladbedrijf. Inderdaad is de opening van dezen dienst

een belangrijk moment in de Nederlandsche journalistiek.

Alle dagbladen, die zich aangesloten hebben bij dezen

nieuwen dienst, ontvangen op hetzelfde oogenbhk de berichten.

Hoeveel eerder dat is, dan wanneer dat op de „ouderwetsche"

manier per draad ging, behoeven we hier zeker niet uiteen

te zetten.

Naar wij vernemen heeft de „draadlooze" m het algemeen

in de eerste week van de praktijk uitstekend voldaan. Reeds

tal van tevredenheidsbetuigingen kwamen bij de ondernemers

in, die ook hier ter plaatse worden gelukgewenscht.

Het G.-G.-fonds.

Collega's/ De deelneming is ten eenenmale onvoldoende.

Niets anders dan lakschheid. Het is te veel moeite even het

formulier aan tien Kringsecretaris te zenden of hem een

berichtje te staren.

Moet het plan werkelijk mislukken ? Het kan en mag niet.

Doet uw plicht.

Geeft den Kringsecretaris of: of voor hoeveel gij bijdraagt

in het Garantie "fonds, of' dat gij op het Boek tegen den

kostenden j>rijs inieekent. Want anders komt er van het plan

niets.

Personalia en Berichten.

Charles Boissevain.

De heer CHARLES BOISSEVAIN is afgetreden als commissaris

van liet Handelsblad. In een op 25 Februari gehouden aandeelhouders-vergadering

heeft de president-commissaris, de

heer G. S. DE CLERQ, hem als volgt toegesproken:

„Ik heb gezocht naar het passend woord van afscheid, maar

het niet gevonden. Alleen door een symbolische daad is te

vertolken wat in ons aller hart op dit oogenblik omgaat. Charles

Boissevain, ik bied u den eerekrans der overwinning! „Der overwinning",

want gij treedt thans uit het strijdperk van het maatschappelijk

leven in uw landelijke rust terug als overwinnaar.

Hoe hebt gij steeds gestreden tegen alles wat laag was, slap en

leelijk en ons volk verdeelde; hoe opgewekt tot alles wat ons

kon sterken en veredelen. Hoe velen heeft uw heerlijk enthousiasme

tot daden gewekt, uw waarschuwend woord binnen de perken

gehouden, uw warm meevoelend hart getroost. Gij hebt gedurende

meer dan een halve eeuw den stempel van uw edele ziel gedrukt

op de Nederlandsche pers en daardoor in hooge mate meegewerkt

aan de opvoeding en de geestelijke ontwikkeling van het Nederlandsche

volk. In 1865, op drie-en-twintigjarigen leeftijd, is uw

pen voor het Handelsblad beginnen te schrijven en zij heeft dit

volgehouden tot in dit jaar, zeven-en-vijftig jaren lang! Alle

betrekkingen hebt gij in dien tijd aan ons blad vervuld: correspendent

— verslaggever — redacteur — hoofd-redacteur — directeur

— commissaris. Ik zal thans niet pogen bijzonderheden van den

journalistieken en administïatieven arbeid, op te halen; niet d>

lust, maar de tijd ontbreekt daarvoor. Wellicht komt gij er nog

toe uwe mémoires te dicteeren en anders zie ik t. z. t. iemand

opstaan, die roeping zal voelen de hoofdlijnen van uw leven vast

te leggen voor het nageslacht. Slaagt hij daarin, dan zal hij tevens

een beeld hebben gegeven van de beschavingsgeschiedenis van

Nederland in de jaren tusschen de twee groote Europeesche oorlogen

van 1870 en 1914. Wij hebben overlegd op welke wijze

wij U nog een herinnering aan dezen dag zouden kunnen geven,

welke tevens de opwekking kan zijn voor de jongeren om uw

voorbeeld te volgen. En ivij hebben dit meenen te vinden in ww

borstbeeld in marmer, dat ivij dan zouden ivillen aanbieden aan

het Stedelijk Museum, alhier. Het is een geschenk dat een offer

vraagt van uw rust, maar wij vleien ons dat gij ook dit offer

blijmoedig zult willen brengen.

Ook de hoofdredacteur, mr. J. KALFF Jr., heeft daarna

den heer BOISSEVAIN nog toegesproken.

Wij, journalisten, verheugen ons oprecht, dat het borstbeeld

van dezen begaafden journalist, onzen oud-voorzitter, in het

Stedelijk Museum zal worden geplaatst.

Naar de . . . 500.

Gedrukt bij A. de la Mar Azn., Amsterdam

De Kring heeft thans 487 gewone leden. Een prachtig cijfer.

Maar — wij weten dat onze ijverige secretaris geen rustig

oogenblik meer heeft, zoolang de 500 gewone leden niet

zijn bereikt.

Wat te doen !

Eenvoudig: ieder onzer moet eens in z'n omgeving speuren.

Misschien loopt er hier en daar nog zoo'n zonderling exemplaar

van „niet-lid" rond. Geef z'n naam op aan den secretaris.

En de man is geknipt. Secuur. En aan nr. 500 doen we

misschien nog wel iets cadeau!

Advertentiën.

Jong Journalist,

met H. B. S.-opleiding en goede ervaring bij de provinciale

pers; geroutineerd verslaggever, vlot vertaler en bekend

met alle redactiewerk, o. a. gewerkt hebbend als verantwoordelijk

redacteur, zou gaarne geplaatst worden bij een

blad in Nederland of Nederlandsch-lndië. Proefwerk etc.

op aanvraag ter beschikking.

Brieven lett. A Redacteur DE JOURNALIST.

More magazines by this user
Similar magazines