26.09.2013 Views

Het verhaal van twee steden - files.slau.nl

Het verhaal van twee steden - files.slau.nl

Het verhaal van twee steden - files.slau.nl

SHOW MORE
SHOW LESS

You also want an ePaper? Increase the reach of your titles

YUMPU automatically turns print PDFs into web optimized ePapers that Google loves.

<strong>Het</strong> <strong>verhaal</strong> <strong>van</strong><br />

<strong>twee</strong> <strong>steden</strong><br />

Lissabon en Berlijn<br />

Festivalbloemlezing 2013<br />

1


City2Cities 2013<br />

Festivalbloemlezing


<strong>Het</strong> <strong>verhaal</strong> <strong>van</strong> <strong>twee</strong> <strong>steden</strong>:<br />

Lissabon en Berlijn<br />

Festivalbloemlezing City2Cities 2013<br />

Utrecht<br />

<strong>Het</strong> Literatuurhuis<br />

Serie ‘City2Cities’


Uitgave ter gelegenheid <strong>van</strong> het festival City2Cities:<br />

Lissabon • Utrecht • Berlijn, 20 t/m 28 april 2013.<br />

<strong>Het</strong> festival en deze uitgave kwamen mede tot stand dankzij de<br />

bijdragen <strong>van</strong> de volgende fondsen, sponsors en uitgeverijen:<br />

Gemeente Utrecht, Provincie Utrecht, Nederlands Letterenfonds,<br />

VSB Fonds, Prins Bernhard Cultuurfonds Utrecht, SNS<br />

Reaalfonds, Lira Fonds, Fentener <strong>van</strong> Vlissingenfonds, K.F. Hein<br />

Fonds, Goethe Institut, Instituto Camões, De Vrede <strong>van</strong> Utrecht,<br />

Expertisecentrum Literair Vertalen, Centre for the Humanities,<br />

Faculteit Geesteswetenschappen Universiteit Utrecht, Bibliotheek<br />

Utrecht, Cultura24, Boekhandel Sa<strong>van</strong>nah Bay.<br />

Ambo|Anthos, De Arbeiderspers, Augustus, De Bezige Bij, De<br />

Harmonie, IJzer, Meulenhoff, Van Oorschot, Perdu, Podium,<br />

Prisma, Querido, Surhkamp Verlag Berlin, Verlag Urs Engeler,<br />

Wereldbibliotheek.<br />

Eerste druk, april 2013<br />

www.city2cities.<strong>nl</strong><br />

030-231 83 76<br />

Copyright © 2013 <strong>Het</strong> Literatuurhuis<br />

Copyright teksten © 2013 de diverse auteurs<br />

Copyright vertalingen © 2013 de diverse vertalers<br />

Omslagontwerp: Aliki <strong>van</strong> der Kruijs en Lena Steinborn<br />

Fotografie: Anneke Hymmen<br />

Typografie: Bart Hüsstege en Michaël Stoker<br />

Keuze en redactie: Doreen ter Beest, Sophie Kok, Anouk Prins,<br />

Mayra <strong>van</strong> der Waal, Michaël Stoker<br />

Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar<br />

gemaakt, door middel <strong>van</strong> druk, fotokopie, microfilm of op<br />

welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming<br />

<strong>van</strong> de rechthebbenden.<br />

978-90-814450-9-2


Inhoud<br />

Voorwoord<br />

Harrie Lemmens<br />

Young Poets Society<br />

Introductie<br />

Tatiana Faia – restart the heart<br />

Tatiana Faia & Max Czollek – restart the heart<br />

Tatiana Faia & Maarten <strong>van</strong> der Graaff – restart the heart<br />

Max Czollek – nachdenken über schultheiß<br />

Max Czollek & Tatiana Faia – meditar sobre schultheiß<br />

Max Czollek & Maarten <strong>van</strong> der Graaff – denkend aan schultheiß<br />

Maarten <strong>van</strong> der Graaff – <strong>Het</strong> zijn deze trends<br />

Maarten <strong>van</strong> der Graaff & Tatiana Faia – Estas são as tendências<br />

Maarten <strong>van</strong> der Graaff & Max Czollek – Es ist diese Tendenz<br />

Lissabon<br />

F. Starik – City2Cities Abroad: Lissabon<br />

Arjen Duinker – Waar dan ook<br />

J.J. Slauerhoff – Lisboa<br />

Fernando Pessoa – Lisbon revisited (1926)<br />

Charles Baudelaire – Waar dan ook buiten de wereld<br />

Ana Luísa Amaral – Gehalveerde wereld<br />

Pascal Mercier – Nachttrein naar Lissabon (fragment)<br />

António Lobo Antunes – Souvenir from Lisbon<br />

António Lobo Antunes – <strong>Het</strong> zou tranen moeten regenen als het<br />

hart het zwaar heeft<br />

Gonçalo M. Tavares – Senhor Brecht (een keuze)<br />

José Saramago – Drie uur ‘s nachts<br />

Ramalho Ortigão – Holland 1883 (fragment)<br />

Dulce Maria Cardoso – De terugkeer (fragment)<br />

José Eduardo Agualusa – De zwarte uit de Mouraria<br />

7<br />

11<br />

13<br />

15<br />

17<br />

19<br />

20<br />

21<br />

22<br />

23<br />

24<br />

27<br />

37<br />

38<br />

39<br />

42<br />

44<br />

45<br />

49<br />

52<br />

56<br />

59<br />

61<br />

65<br />

67


Berlijn<br />

Philip Huff – City2Cities Abroad: Berlijn<br />

Hendrik Marsman – Berlijn<br />

Erik Lindner – Tiergarten<br />

Tomas Lieske – Engel in Berlin<br />

Hans Tentije – Berlijn – Alexanderplatz<br />

Lucebert – gross-berlin 1956<br />

Günter Grass – Brandmuren<br />

Kurt Tucholsky – Aan de Berlijnse vrouw<br />

Ulf Stolterfoht –<br />

kunnen mieren ook<br />

babel<br />

word zwaard (of bezwijk aan het pogen). voor jeremy prynne<br />

gedicht met gegnosticeerde scratch<br />

Vaagspraak - Bij vier gedichten <strong>van</strong> Ulf Stolterfoht (door:<br />

Matthijs de Ridder)<br />

(4)<br />

(6)<br />

(7)<br />

(8)<br />

Monika Rinck – De timmermansplaat<br />

Armando – Duits<br />

Nelleke Noordervliet – Berlijns dagboek (fragment)<br />

Otto de Kat – Bericht uit Berlijn (fragment)<br />

Marjolijn Uitzinger – Citytrip Berlijn (fragment)<br />

Uwe Timm – De ontdekking <strong>van</strong> de curryworst (fragment)<br />

Daniel Kehlmann - <strong>Het</strong> meten <strong>van</strong> de wereld (fragment)<br />

Awater vertaald<br />

Martinus Nijhoff – Awater<br />

Awater (Portugees)<br />

Awater (Duits)<br />

Verantwoording<br />

Bronvermelding<br />

73<br />

77<br />

78<br />

79<br />

80<br />

82<br />

83<br />

84<br />

86<br />

87<br />

88<br />

89<br />

90<br />

97<br />

98<br />

99<br />

100<br />

101<br />

102<br />

106<br />

108<br />

111<br />

114<br />

118<br />

123<br />

131<br />

139<br />

147<br />

148


Voorwoord<br />

Van Berlijn naar Lisboa<br />

Op maandag 4 januari 1982 fietste ik, voorbijgeslipt door walmende<br />

Trabants, door een dikke laag sneeuw <strong>van</strong>uit Biesdorf, waar me<br />

een kamer was toebedeeld bij Herr Taubenheim (‘Könnten Sie mir<br />

vielleicht einen Farbfernseher besorgen?’), naar mijn eerste werkdag<br />

bij vertaalbureau Intertext in de Mauerstrasse, op een baksteenworp<br />

afstand <strong>van</strong> Checkpoint Charlie, toen ineens een zware<br />

basstem door de bruinkooldonkere en naar Abgasen stinkende<br />

lucht galmde: ‘Halt Kumpel! Sie fahren ohne Licht!’ Mijn verweer,<br />

‘Kommt vom Schnee’, mocht niet baten en ik kwam te laat.<br />

Daags daarna haalde ik samen met Andrea, de bedrijfschauffeur<br />

(‘Könnten Sie mir vielleicht eine Jeans besorgen?’), mijn Habseligkeiten<br />

op uit de duiventil en verhuisde naar versgemaakte vrienden<br />

uit de Schwedterstrasse in de Prenzlauerberg, nu kleurrijk trendy<br />

centrum <strong>van</strong> cultuursnobs, toentertijd grauwe dekmantel <strong>van</strong> ondergrondse<br />

cultuurvernieuwing.<br />

Omdat de Stasiman <strong>van</strong> mijn werkgever dat geen goed<br />

idee vond, kreeg ik een flat in Unter den Linden, pal tegenover de<br />

nimmer ondergaande zon <strong>van</strong> de Freie Deutsche Jugend. De opmaat<br />

voor een verblijf <strong>van</strong> bijna <strong>twee</strong> jaar, waarin ik schrijvers, fotografen,<br />

schilders, strebers en moderne Werthers leerde kennen,<br />

kortom, een doorsnede <strong>van</strong> Dantes Droom Republiek, de DDR.<br />

De muur die paradijs en hel scheidde − wie nu eige<strong>nl</strong>ijk<br />

opgesloten zat, was en is nog altijd onduidelijk − werd gesloopt<br />

en gewiekst verhandeld, maar door vele hoofden loopt nu nog een<br />

grens en oost en west zijn niet minder herkenbaar. Van Haupstadt<br />

der DDR is Berlijn weer de hoofdstad <strong>van</strong> Duitsland geworden,<br />

staatkundig maar vooral wat kunst en literatuur betreft. De stad<br />

bruist. Dichters spinnen webben, romanschrijvers leggen vast wat<br />

niet vergeten mag worden en kunstminnende burgers zwoegen<br />

tussen eeuwige Baustellen <strong>van</strong> oude glorie en nieuwe pracht door<br />

naar happenings, performances en Ausstellungen.<br />

9


Armando schildert en schrijft over de stad waar hij lange tijd rondzwierf,<br />

straatgesprekken voerde en notities maakte. Toen ik tevens<br />

Nederlands doceerde aan de Humboldt Universität kon ik hem<br />

overhalen een illegaal gastcollege te geven in mijn flat, met boven<br />

ons hoofd <strong>twee</strong> verdiepingen Volksarmee en Stasi. Feind hört mit<br />

bleef het parool.<br />

‘Berlijn maakt je beter’, zegt Wessi-dichter Ulf Stolterfoht.<br />

Zo is dat. Al was het maar <strong>van</strong>wege het nie wieder na de oorlog en<br />

de Muur. <strong>Het</strong> nieuwe Berlijn is de vrijste stad <strong>van</strong> de wereld. Bij<br />

uitstek!<br />

Twee jaar later was ik samen met mijn Portugese oudcollega<br />

Ana Carvalho − nu als fotografe op City2Cities aanwezig<br />

met een drieluik Berlijn-Utrecht-Lissabon − verhuisd naar Lissabon.<br />

Wat een licht! Wat een wit! Wat een kleuren! In het parkje<br />

tegenover onze etage in de kleine charmante wijk Alto de Santo<br />

Amaro, ingeklemd tussen het traditioneel communistische Alcântara<br />

en de eeuwigstromende Taag (door het raam zag ik Russische<br />

cruiseschepen en Amerikaanse oorlogsbodems traag door mistflarden<br />

onder de rode brug door schuiven), in dat parkje drentelden<br />

in afgedankte vliegeniersjasjes gestoken patiënten uit een<br />

nabijgelegen filiaal <strong>van</strong> het beroemde psychiatrische ziekenhuis<br />

Miguel Bombarda rond die mij, voor ik het zelf wist, de wereld<br />

<strong>van</strong> António Lobo Antunes in zogen. Lissabon is de rusteloze stad<br />

<strong>van</strong> Fernando Pessoa, maar niet minder decor en personage <strong>van</strong><br />

de grootmeester <strong>van</strong> de hedendaagse Portugese literatuur. In een<br />

duizelingwekkende stijl beschrijft Lobo Antunes, die zelf jare<strong>nl</strong>ang<br />

als psychiater in Miguel Bombarda werkte, de burleske onderrand<br />

en de blasé bovenklasse <strong>van</strong> Lissabon met alles wat daartussenin<br />

wriemelt. Niet altijd opgewekt, soms wrang, maar altijd vol humor<br />

en liefde voor een stad waar hij in zijn columns en romans, vooral<br />

het magistrale Fado alexandrino, voortdurend doorheen reist.<br />

Bedelend om sigaretten waren de patiënten ook een vooruitblik<br />

op Gonçalo M. Tavares, die in het begin <strong>van</strong> deze eeuw<br />

het letterenpodium op stormde en het ene boek na het andere de<br />

zaal in slingerde. Waaronder Jeruzalem, ook die roman speelterrein<br />

<strong>van</strong> waanzin en verkniptheid uit het krankzinnigengesticht.<br />

10


Met zijn geserreerde stijl en filosofische ondertoon sluit hij aan bij<br />

een Midden-Europese traditie, soms heel direct, zoals in de kleine<br />

parabels die hier zijn opgenomen, een ode aan Bertolt Brecht, de<br />

toneelgigant die eeuwig rust op de Dorotheenstädtischer Friedhof<br />

in de Berlijnse Chausseestrasse.<br />

Minder saillant dan bij Lobo Antunes en veel meer historisch<br />

is Lissabon aanwezig in het werk <strong>van</strong> Nobelprijswinnaar<br />

José Saramago: de barokke pracht uit Memoriaal <strong>van</strong> het klooster,<br />

de sombere dreiging <strong>van</strong> het fascisme uit <strong>Het</strong> jaar <strong>van</strong> de dood <strong>van</strong><br />

Ricardo Reis en het Moorse verleden uit <strong>Het</strong> beleg <strong>van</strong> Lissabon.<br />

Zijn eigen Lissabon is die oude, uit de middeleeuwen overgebleven<br />

Mouraria, de buurten rond het Castelo de São Jorge, met hun steile<br />

kronkelstegen en trapstraten, fado, zwerfkatten en drogend wasgoed.<br />

Daar komen we ook de merkwaardige zanger uit De zwarte<br />

uit de Mouraria <strong>van</strong> José Eduardo Agualusa tegen, de in Angola<br />

geboren schrijver die de hele Portugeestalige wereld in zijn boeken<br />

bijeenschrijft. Net als Dulce Maria Cardoso, die in 1975 samen<br />

met een half miljoen andere Portugese kolonisten halsoverkop<br />

naar Portugal vluchtte voor de chaos na de onafhankelijkheid en<br />

terechtkwam in de chaotische nasleep <strong>van</strong> de Anjerrevolutie, is hij<br />

meer dan thuis in Lissabon, want Lissabon is een smeltkroes. Al<br />

eeuwen. En ondanks, of dankzij de brand en tsunami <strong>van</strong> 1755 de<br />

mooiste stad <strong>van</strong> de wereld. Veruit!<br />

Harrie Lemmens<br />

* Harrie Lemmens (Weert 1953) studeerde Nederlands in Nijmegen. Hij woonde en werkte<br />

achtereenvolgens in Oost-Berlijn, Lissabon, Nijmegen, Brussel en Almere en vertaalde<br />

proza en poëzie uit het Duits, Engels, Spaans en vooral Portugees, o.a. <strong>van</strong> Fernando Pessoa,<br />

Eça de Queiroz, José Saramago, António Lobo Antunes en tientallen andere auteurs.<br />

In 2006 kreeg hij de vertaalprijs <strong>van</strong> het Nederlandse Fonds voor de Letteren. Momenteel<br />

werkt hij ook aan een eigen boek over Brazilië, Rua Erê, Leve Brazilië!, dat eind 2013 uitkomt<br />

bij Athenaeum-Polak & Van Gennep.<br />

11


Young Poets Society<br />

Een <strong>van</strong> de jaarlijks terugkerende onderdelen <strong>van</strong> City2Cities is<br />

de Young Poets Society. Drie jonge dichters uit de <strong>steden</strong> die tijdens<br />

City2Cities centraal staan, vertalen met behulp <strong>van</strong> werkvertalers<br />

elkaars gedichten. Ieder jaar ontmoeten de dichters elkaar<br />

voor aan<strong>van</strong>g <strong>van</strong> het festival in Utrecht, waar zij deelnemen aan<br />

een workshop poëzie vertalen en waar het vertaalproces <strong>van</strong> start<br />

gaat. Met elkaars hulp en die <strong>van</strong> de werkvertalers proberen de<br />

jonge dichters hun vertalingen naar een hoger niveau te brengen.<br />

Tijdens het festival zelf treden de Young Poets met hun vertaalde<br />

gedichten op en werken zij mee aan een door het Expertisecentrum<br />

Literair Vertalen georganiseerd programma. City2Cities<br />

beoogt om banden te creëren tussen veelbelovende (beginnende)<br />

dichters uit diverse Europese <strong>steden</strong>, en bouwt zo jaarlijks verder<br />

aan een brede Europese gemeenschap <strong>van</strong> jong poëtisch talent.<br />

Aan de editie <strong>van</strong> 2013 werkten de Duitse dichter Max Czollek<br />

(1987), de Portugese dichter Tatiana Faia (1986) en de Nederlandse<br />

dichter Maarten <strong>van</strong> der Graaff (1987) mee.


estart the heart<br />

Tatiana Faia<br />

homens bêbados<br />

cantavam nas ruas<br />

a primavera um deus<br />

mais jovem teve o seu começo<br />

no entrançado dos cabelos negros<br />

no empedrado dessa ruela<br />

agarrou-te pelos pulsos<br />

magnético vingativo<br />

tu giraste sobre o centro<br />

o braço primeiro hesitante<br />

a mão contra as costas<br />

depois puxando-te<br />

subindo pelas coxas<br />

acrescenta agora<br />

nunca saberei de quantas<br />

formas te destruí te recomecei<br />

para a flor que alastra<br />

nos cabelos mais tarde<br />

esquecida nas mãos<br />

o seu maior medo<br />

era o silêncio e foi<br />

a arma que escolheu<br />

no fim daquela<br />

tarde regressou<br />

ao quarto pobre velho<br />

e sujo com o senhorio<br />

maldoso e indiscreto<br />

15


o gato escapuliu-se<br />

rasteiro pela porta<br />

e correste atrás dele<br />

pousando o cinzeiro<br />

na estante da entrada<br />

lembro-me sempre disto<br />

e recomeço<br />

e é só por isto que recomeço<br />

* Tatiana Faia (1986) is een classicus en promoveert op literatuur uit de Klassieke Oudheid.<br />

Ook redigeerde ze, samen met anderen, het literaire magazine Ítaca en is ze mede redactioneel<br />

verantwoordelijk voor Ágio. Daarnaast werkte ze mee aan een serie vertaalde boeken.<br />

In 2011 verscheen haar debuutbundel Lugano. Tatiana Faia woonde het grootste deel <strong>van</strong><br />

haar leven in Lissabon, maar woont nu in Oxford, waar ze aan haar proefschrift werkt.<br />

16


estart the heart<br />

Tatiana Faia<br />

vertaling Max Czollek<br />

in den straßen sangen<br />

betrunkene menschen<br />

frühling ein jüngerer<br />

gott hob an im geflecht<br />

schwarzer haare dem<br />

kopfstein der gassen<br />

packte dich am gelenk<br />

rachsüchtig magnetisch<br />

drehtest du dich um<br />

erst zögernd den arm<br />

zum rücken die hand<br />

fuhr er dir drückend<br />

den schenkel hinauf<br />

jetzt solltest du wissen<br />

nie werde ich ermessen auf wie<br />

viele weisen ich dich vernichtet<br />

wieder belebte momente die aus<br />

deinen haaren blühten schließlich<br />

vergessen in deiner hand<br />

seine größte angst<br />

war stille und das war<br />

die waffe die er wählte<br />

am ende dieses nachmittags<br />

kehrte er zurück<br />

zum zimmer billig alt<br />

und dreckig mit dem vermieter<br />

böswillig und indiskret<br />

17


der katze gelang die flucht<br />

durch die tür aber du<br />

wolltest sie wieder haben<br />

ließest den aschenbecher<br />

auf den büchern im flur<br />

immer erinnere ich mich daran<br />

und beginne erneut<br />

nur deswegen beginne ich erneut<br />

18


estart the heart<br />

Tatiana Faia<br />

vertaling Maarten <strong>van</strong> der Graaff<br />

dronken stemmen in de straten<br />

uit het zwarte weefsel <strong>van</strong> deze steeg<br />

rees de lente een jongere god<br />

hij greep je bij de polsen magnetisch<br />

wraaklustig<br />

jij tolde boven het centrum<br />

hand op de rug<br />

hij klauwde zich naar je toe<br />

klom op langs je dijen<br />

weet dit:<br />

nooit zal ik alle manieren kennen<br />

waarop ik je opbouwde en weer brak<br />

in het opschieten <strong>van</strong> het moment<br />

dat zich vertakt door jouw haar<br />

en in een hand wordt vergeten<br />

zijn grootste angst<br />

was de stilte<br />

die koos hij als wapen<br />

aan het eind <strong>van</strong> die<br />

middag keerde hij terug<br />

naar het smerige kot de<br />

valse indiscrete huisbaas<br />

19


ineengedoken glipte de kat<br />

door een kier<br />

jij ging hem achterna<br />

plantte de asbak naast de deur<br />

terug bij af is dit altijd<br />

waar ik aan denk en alleen<br />

hierom begin ik opnieuw<br />

20


nachdenken über schultheiß<br />

Max Czollek<br />

auf den schildern männer die<br />

halten ihre krüge in der faust<br />

dein sohn in der kneipe trinkt<br />

ihnen zu / die eingangstür eine<br />

nadelgrüne wand die grenze zur<br />

schonung draußen wachsen hörbar<br />

bäume / der sohn sitzt hinter<br />

dem tresen und ist allein mit den<br />

männern ruft zur runde vor der<br />

nächsten / gib ihm einen namen<br />

nenn ihn ruben oder maximilian<br />

/ die tür<br />

eine senkrechte grasnarbe<br />

du willst das kind zerteilen auf<br />

wen geht die nächste / dein sohn<br />

trägt ein geweih hinter dem kopf<br />

redet von grenzen für die du<br />

keine namen hast / es liegen<br />

nadeln in der luft und vielleicht<br />

ist es woanders gut oder hier /<br />

denkst es müsste abfallen<br />

trätest aus dem wald heraus<br />

21


meditar sobre schultheiß<br />

Max Czollek<br />

vertaling Tatiana Faia<br />

nos letreiros homens que<br />

seguram canecas com as mãos cerradas<br />

o teu filho na taberna brinda<br />

a eles/ a porta de entrada uma<br />

parede verde pinheiro a fronteira para<br />

o repouso fora crescem árvores<br />

audivelmente/ o filho está sentado atrás<br />

do balcão e está sozinho com os<br />

homens pede a próxima<br />

rodada/ dá-lhe um nome<br />

chama-lhe ruben ou maximilian<br />

/a porta<br />

um trilho rasgado na relva<br />

tu queres cortar a criança ao meio quando<br />

é que vem a próxima/ o teu filho<br />

usa cornadura na parte de trás da cabeça<br />

fala de fronteiras para as quais tu<br />

não tens nomes/rodopiam<br />

22


denkend aan schultheiß<br />

Max Czollek<br />

vertaling Maarten <strong>van</strong> der Graaff<br />

op de uithangborden mannen<br />

met kroezen in hun vuist<br />

je zoon die in de kroeg<br />

op ze drinkt / de doorgang in een<br />

dennengroene muur vormt de grens met<br />

de aanplant buiten groeien hoorbaar<br />

bomen / de zoon zit aan<br />

de bar en is alleen met de<br />

mannen lapt het volgende<br />

rondje / geef hem een naam<br />

noem hem ruben of maximiliaan<br />

/ de deur<br />

loodrecht grasscharnier<br />

je wil het kind verdelen in<br />

wie lapt de volgende / je zoon<br />

draagt een gewei achter zijn hoofd<br />

praat over grenzen waarvoor jij<br />

geen namen hebt / er hangen<br />

naalden in de lucht en misschien<br />

is het elders goed of hier<br />

je denkt je zou het moeten laten gaan<br />

wanneer je het woud zou verlaten<br />

* Max Czollek (1987) is een <strong>van</strong> de oprichters <strong>van</strong> G13, een groep <strong>van</strong> jonge dichters uit Berlijn.<br />

Zijn werk is gepubliceerd in diverse tijdschriften en in anthologieën als Georg Heym,<br />

Ich bin von dem grauen Elend zerfressen. Gedichte und Erwiderungen (2012) en 40% Paradies.<br />

Gedichte des Lyrikkollektivs G13 (2012). In 2012 verscheen zijn debuutbundel Druckkammern.<br />

23


<strong>Het</strong> zijn deze trends<br />

Maarten <strong>van</strong> der Graaff<br />

om zich te ontdoen <strong>van</strong><br />

geloof in vergadering<br />

<strong>van</strong> diepe aarde<br />

om zich te ontdooien naar<br />

het lot <strong>van</strong> de dobbelsteen<br />

zal worden gecodeerd<br />

staat u mij toe een laatste keer<br />

te denken aan het nageslacht opdat het niet significant verpietert<br />

met startersnonchalance<br />

Wij schrijven Apocalyps. Ze zeggen dat binnenkort de regering valt<br />

of in ieder geval ontspant.<br />

Nooit vertrouwd raken met iemand. Nooit een hand geven.<br />

Honderdduizenden metaforen voor het leven als toekomstige pausen<br />

beijveren zich.<br />

<strong>Het</strong> zijn deze trends: huiduitslag<br />

onverteerbare dagen.<br />

* Maarten <strong>van</strong> der Graaff (1987) is sinds 2009 actief als dichter. Zijn gedichten werden onder<br />

andere gepubliceerd in De Revisor, nY, DWB en <strong>Het</strong> Liegend Konijn. Samen met Frank Keizer<br />

en Daniël Labruyère richtte hij het o<strong>nl</strong>ine literair tijdschrift Samplekanon op. In mei 2013<br />

verschijnt bij Uitgeverij Atlas Contact zijn debuutbundel Vluchtautogedichten.<br />

24


Estas são as tendências<br />

Maarten <strong>van</strong> der Graaff<br />

vertaling Tatiana Faia<br />

livrares-te da<br />

crença na assembleia<br />

da terra profunda<br />

descongelar-se a si mesmo para<br />

a fortuna do dado<br />

será cifrada em código<br />

permitam-me uma última vez<br />

pensar nos meus descendentes para que eles não mirrem de modo<br />

significativo<br />

com uma despreocupação própria de principiantes<br />

Escrevemos o apocalipse. Dizem que o governo vai cair em breve<br />

ou pelo menos relaxar um pouco.<br />

Nunca estabelecer um laço com alguém. Nunca dar um aperto de mão.<br />

Centenas de milhares de metáforas para a vida ambiciosas como<br />

candidatos<br />

a papa.<br />

Estas são as tendências: dermatose<br />

dias indigeríveis.<br />

25


Es ist diese Tendenz<br />

Maarten <strong>van</strong> der Graaff<br />

vertaling Max Czollek<br />

um sich freizumachen vom<br />

glauben an versammlungen<br />

ernsthafter erde<br />

um sich aufzutauen<br />

der zufall im würfel<br />

wird operationalisiert<br />

erlaube mir ein letztes mal<br />

meine nachkommen zu bedenken, ihr signifikantes abebben<br />

naive gleichgültigkeit<br />

Wir schreiben Apokalypse. Sie sagen, die Regierung wird stürzen<br />

oder entkrampft ihre fäuste.<br />

Gewöhnt euch niemals an die Menschen. Gebt niemals die Hand.<br />

Hunderttausend Metaphern für das Leben ehrgeizig<br />

wie kommende Päpste.<br />

Es ist diese Tendenz: Hautausschlag<br />

unverträgliche Tage.<br />

26


Lissabon in de letteren


City2Cities Abroad: Lisboa<br />

F. Starik<br />

Lissabon<br />

Ik moet naar Lissabon. Ik zal een oude vriendin ontmoeten, iemand<br />

<strong>van</strong> vroeger, ze is tien jaar geleden terug naar Lissabon gegaan,<br />

daar kwam ze ook <strong>van</strong>daan. O wat was ze mooi. We hebben<br />

het nooit gedaan. En nu is het te laat, ze is getrouwd met iemand<br />

anders, ze heeft een kind <strong>van</strong> hem gekregen, <strong>van</strong> hem wel. Ze zegt<br />

dat het crisis is, echt crisis, daar. Ze houdt zich in leven door haar<br />

eigen huisraad te verkopen, stuk voor stuk. Ze schrijft dat ze er<br />

dikwijls over heeft gedacht om terug te komen. Ik schrijf haar terug<br />

dat we één avond zullen hebben, de dinsdagavond dat we aankomen,<br />

alle andere dagen zal ik een programma moeten afwerken.<br />

Maar ze wil niet gefilmd worden, ze wil niet in het openbaar vertellen<br />

hoe moeilijk het allemaal is. Op onze afspraak komt ze niet<br />

opdagen. Ze is vast enorm dik en lelijk geworden, geslagen door<br />

het leven, je weet het niet. Later vertelt de organisatie dat we langer<br />

zullen moeten blijven, omdat er gestaakt wordt, ze willen ons niet<br />

laten gaan. Zij niet.<br />

Pessoa<br />

Op het pleintje vinden we de grote dichter, in brons vereeuwigd,<br />

aan een klein cafétafeltje, een leeg stoeltje ernaast zodat je even bij<br />

hem kunt gaan zitten. Van die mogelijkheid wordt driftig gebruikgemaakt,<br />

er wordt hem geen moment rust gegund. Zijn handen<br />

glimmen, zijn neus, zijn oren, hij wordt voortdurend aangeraakt.<br />

‘Wie is die gast?’ vraagt een Engelse toerist, die het tafereel met<br />

stijgende verbazing gadeslaat. ‘O, een dichter,’ leg ik uit en noem<br />

de namen <strong>van</strong> de grote dichter. ‘Schreef hij een gedicht over een<br />

trein?’ wil de toerist dan weten. Maar ik weet geen gedicht over<br />

een trein, zo gauw. ‘Over een klok dan, het verstrijken <strong>van</strong> de tijd?’<br />

Ineens weet hij het zeker. ‘Ja, die man schreef een gedicht over de<br />

tijd,’ legt hij aan zijn gezelschap uit. Pessoa zwijgt, onaangedaan.<br />

29


Please don’t pass me by<br />

Leonard Cohen zong ooit een lied over een blinde bedelaar, een<br />

lied dat je onmiddellijk te binnen schiet als je doelloos door de<br />

verrotte straten <strong>van</strong> Lissabon schuimt, struikelend over straatmuzikanten,<br />

levende standbeelden, vuurspuwers, dansers, mannen<br />

met hun broek op de knieën, hosselaars, vrouwen met een bekertje<br />

in hun hand, de zwerver met de vier kartonnetjes voor zich uitgespreid,<br />

ieder kartonnetje goed voor een eigen bijdrage: naar keuze<br />

bier, wijn, whisky of voor de kater, even onvermijdelijk volgend<br />

op uw gulle bijdrage. Ik moet daar om lachen. <strong>Het</strong> blijkt een bestaand<br />

grapje, over de gehele wereld uitgebaat, men heeft zelfs een<br />

eigen website, lazybeggars.com, want internet, zo legt men uit, is<br />

de grootste straat ter wereld.<br />

Demonstratie<br />

Er is elke dag wel een demonstratie, ergens tegen. Je moet toch iets<br />

te doen hebben. Voor het parlement hebben zich bij een stoplicht<br />

een stuk of tien demonstranten opgesteld, tien, meer niet, en meer<br />

demonstranten zijn er ook niet nodig, als je zo’n handig bord vasthoudt,<br />

dat zegt: ‘Toeter als je niet langer bestolen wilt worden door<br />

de regering’.<br />

<strong>Het</strong> is een drukke straat, iedereen doet het, iedereen die nog een<br />

auto kan betalen drukt op zijn toeter.<br />

Overkant<br />

Joana Bértholo neemt ons mee naar de overkant <strong>van</strong> de rivier de<br />

Taag, de machtige rivier die mooier is dan de naamloze rivier die<br />

stroomt door mijn dorp, de rivier die een half uur treinen verderop<br />

zal eindigen in de oceaan. In de rivier drijft een lijk, voorover in het<br />

water, beige broek, bruin lederen riem, wit T-shirt, zwart jekkie,<br />

dat half over het hoofd is gekropen, een dikke man. We arriveren<br />

gelijk met de ambulance, die naast het gebruikelijke grootsteedse<br />

gejammer een weinig masculien knorren uitstoot, de politie te water<br />

komt aangevaren, oogst de man in een ijzeren kooi, die voorzichtig<br />

te water wordt gelaten. Dichterbij gekomen zie ik dat de<br />

man geen wit T-shirt draagt, het is zijn bleke, opgezwollen, naakte<br />

30


lichaam zelf, dat ik zie. Misschien is hij <strong>van</strong> de brug gesprongen,<br />

die elegante brug die is gemodelleerd naar de Golden Gate Bridge<br />

in San Francisco, onder het wakend oog <strong>van</strong> de reusachtige Jezus<br />

die zijn armen over het gekrioel der mensen spreidt, een kopie <strong>van</strong><br />

het reusachtige standbeeld dat de reiziger bij aankomst in Rio de<br />

Janeiro begroet, zeggende, dat je welkom bent, dat er hoop is.<br />

Pension<br />

<strong>Het</strong> pension in de Rua do Crucifixo is uitbundig gedecoreerd, het<br />

ruikt er doordringend naar chloor. We slapen in piepkleine kamers<br />

met een eigen thema, mijn kamer biedt de aanblik <strong>van</strong> het domein<br />

<strong>van</strong> een twaalfjarig meisje en heeft als thema zonnebloemen, de<br />

filmploeg neemt zijn intrek in een kamer met als thema vogels, de<br />

jongens moeten slapen op een kussen in de vorm <strong>van</strong> een uil, een<br />

uiltje knappen, jawel. Overal hangen briefjes <strong>van</strong> dankbare gasten,<br />

gericht aan de pensionhoudster Paula, die vierentwintig uur per<br />

dag voor ons beschikbaar is. Ze doet de deur voor ons open, ze<br />

doet de deur voor ons dicht. Ze maakt ontbijt voor ons klaar in een<br />

keukentje dat vol staat met poppen, serveert iedere dag dezelfde<br />

fruitsalade in een ander bizar voorwerp, afkomstig uit haar sprookjeswereld,<br />

nu eens op een schaal, dan, kleiner gesneden en dooreen<br />

gehusseld, in een enorme theepot, dan weer in een buitenproportionele<br />

soepkop, elke dag verschijnen er nieuwe taarten hoopvol op<br />

tafel, taarten, die ze, toen wij weg waren, voor ons gebakken heeft:<br />

Paula is altijd thuis, ze kan nooit weg, ze is altijd alleen, ze zit effectief<br />

in haar eigen pension ge<strong>van</strong>gen, ze moet hartverscheurend<br />

eenzaam wezen. Als we vertrekken huilt ze even.<br />

World poetry day<br />

We worden ont<strong>van</strong>gen door de goedgemutste eigenaar <strong>van</strong> een<br />

eenvoudige kiosk in de tuin <strong>van</strong> de Openbare Bibliotheek. Pedro<br />

maakt glimlachend toast voor ons, schenkt koffie en verse jus, hij<br />

is een voortreffelijke gastheer. We ontmoeten <strong>twee</strong> Franse slammers,<br />

drie Portugese dichters, we krijgen een rondleiding door<br />

de bibliotheek, daarna weet eige<strong>nl</strong>ijk niemand hoe het nu verder<br />

moet. Overal zitten mensen te lezen, te studeren. We mogen kie-<br />

31


zen waar we onze verzen willen declameren. Hier? Of daar? Ik wil<br />

dat helemaal niet. De mensen zitten zo lief te leren, en daar ga je<br />

dan doorheen staan te kletsen? Een Franse slammer vraagt of men<br />

last <strong>van</strong> ons heeft, ja een beetje wel, zeggen de mensen verlegen.<br />

Dan begint het toch. Ik sta erbij en schaam me. Gelukkig vraagt<br />

niemand me of ik ook iets wil voordragen, opgelucht haal ik adem.<br />

Tuin<br />

Aan het eind <strong>van</strong> de middag worden we terug verwacht bij de bibliotheek,<br />

er zal nu een evenement in de tuin <strong>van</strong> de bibliotheek<br />

plaatsvinden, bij de kiosk <strong>van</strong> Pedro, er hebben zich werkelijk een<br />

vijftiental mensen rond de kiosk verzameld. Ik maak de mensen<br />

aan het lachen met mijn gedicht ‘Gras’, bedenk ter plekke dat we<br />

daar veel overlast <strong>van</strong> hebben, in Holland, <strong>van</strong> het gras, vertel dat<br />

daar bij ons thuis koeien in staan te schijten en dat spul daarna<br />

gewoon opvreten, en dat wij de melk die ze daar<strong>van</strong> maken zonder<br />

blikken of blozen opdrinken, heel veel melk, we maken kaas <strong>van</strong><br />

wat we overhouden, we krijgen het niet allemaal op. Jullie hebben<br />

natuurlijk veel minder last <strong>van</strong> het gras, dat groeit hier veel<br />

minder uitbundig, wijs ik naar het verdroogde grasveld waarop we<br />

bijeengekomen zijn, dus jullie mogen het woord gras in gedachten<br />

best ver<strong>van</strong>gen door bankier, politicus of crisis, wat je maar wil.<br />

Moeiteloos maak ik een bruggetje naar het gedicht ‘Snor’, een snor<br />

is immers ook een vorm <strong>van</strong> gras, dat uit je eigen gezicht groeit.<br />

Bohemien<br />

Paulo Tavares heeft ons een plein laten zien, dat vond hij belangrijk,<br />

Joana vertoonde eerder dezelfde zucht naar vergezichten, dat<br />

komt misschien, verklaarde ze, omdat we hier in die benauwde,<br />

smalle steegjes leven, met als enig uitzicht de grauwe muren <strong>van</strong><br />

het huis ertegenover, Lissabon, doolhof, ge<strong>van</strong>genis. Paulo neemt<br />

ons mee naar een poëzieavond, waar een Amerikaanse acteur en<br />

een lokale held zullen voordragen. Je mag daar binnen gewoon<br />

roken, een mogelijkheid waar driftig gebruik <strong>van</strong> wordt gemaakt.<br />

Eerst gebeurt er heel lang niets. Dan steekt de lokale held een dikke<br />

podiumsigaar op en kondigt de Amerikaanse acteur aan, een<br />

32


ouwe, uitgeteerde junk, die <strong>van</strong>daag zelfgeschreven teksten zal<br />

declameren, en dat doet hij, hij vertelt over zijn heldhaftige leven<br />

aan de zelfkant, met wie hij daar allemaal seks heeft gehad en hoe<br />

geweldig die seks was en hoe lang het allemaal duurde, en dat alles<br />

straalbezopen, tot kotsen toe stoned, heerlijk.<br />

Instituut<br />

In het Franse Instituut vindt die avond een slamnight plaats, compleet<br />

met open podium, bij binnenkomst zien we ze al zitten, de<br />

wanhopigen, op weg naar eeuwige roem en erkenning: een zwaar<br />

opgemaakte vrouw <strong>van</strong> in de zestig met opgenaaide vleugeltjes op<br />

haar rug, een bleek, reeds voor aan<strong>van</strong>g bevend joch met blauwe<br />

kringen onder zijn ogen, een hoogstwaarschij<strong>nl</strong>ijk pas gescheiden<br />

leraar Duits, die, als hij het woord eenmaal heeft veroverd, niet <strong>van</strong><br />

zins is dat ooit nog af te staan, maar eerst krijgen de buite<strong>nl</strong>andse<br />

coryfeeën die speciaal voor de gelegenheid zijn ingevlogen het<br />

woord. Uit een andere zaal, ver weg, klinkt een klaterend applaus<br />

op, en als we eindelijk weer buiten staan nog eens: het applaus blijkt<br />

een hoosbui, klaterend op het glazen dak <strong>van</strong> het Franse Instituut.<br />

Leuning<br />

Ik mag de leuning aanraken die Pessoa zelf heeft aangeraakt. De<br />

directeur <strong>van</strong> het museum leidt ons rond door het heiligdom waar<br />

Pessoa ooit zelf heeft gewoond, een deel <strong>van</strong> de leuning is gespaard<br />

gebleven bij de rigoureuze transformatie die het pand onderging<br />

om een museum te worden, iets hoger is de oorspronkelijke leuning<br />

ver<strong>van</strong>gen door een modern buizenstelsel, waaraan je je ook<br />

heel goed kunt vasthouden.<br />

Er is een tentoonstelling <strong>van</strong> keurig ingelijste fotokopieën <strong>van</strong> de<br />

astrologische aantekeningen die de dichter maakte en waaruit zonneklaar<br />

blijkt dat hij zijn eigen dood tot op een half jaar nauwkeurig<br />

voorspelde, met in het midden <strong>van</strong> het zaaltje op de vloer<br />

een piramidevormig kunstwerk <strong>van</strong> zwart plastic buisjes met een<br />

goudkleurig dopje erop.<br />

‘Dat is symbolisch,’ legt de directeur geduldig uit, ‘dat is natuurlijk<br />

Pessoa zelf.’ Hij wijst het dopje aan. Even verderop vinden we een<br />

33


om met een geel spiralende metalen strip eromheen geschroefd.<br />

‘En wat doet die bom hier?’ vraag ik. ‘Dat is een pen, de vulpen<br />

waarmee de dichter schreef,’ duidt hij het voorwerp, en dan zie ik<br />

het, aan de onderzijde <strong>van</strong> de bom steekt een pennetje uit.<br />

In zijn geheel verduisterde slaapkamer heeft weer een andere kunstenaar<br />

blacklights op de vloer gelegd en met fluorescerende verf<br />

beschilderde doeken met een sterrenhemel erop. Er staat een oud<br />

bed, niet zijn bed. Je zou er de slaap ook niet vatten. Men vindt er<br />

het kastje waaraan hij in een vlaag <strong>van</strong> inspiratie zijn dertig belangrijkste<br />

verzen schreef. ‘Regelmatig barsten bezoekers hier in tranen<br />

uit,’ vertelt de directeur trots, hij kijkt me onderzoekend aan, maar<br />

er komt niets. Ik zal de leuning desondanks de rest <strong>van</strong> de dag op<br />

mijn linkerhand voelen nagloeien.<br />

Gebit<br />

De stad oogt als het gebit <strong>van</strong> een zware roker die zijn hele leven<br />

heeft gezopen: afgebrokkeld, aangeslagen, hele stukken half ingestort<br />

of helemaal verdwenen. In een kapotgeslagen raamkozijn<br />

troont een duif, de ruimte achter de duif geeft een ondergekakt<br />

kantoor prijs: halfvergane ordners staan volgescheten in het gelid,<br />

even schoonmaken en je kunt opnieuw beginnen. Wel het raam<br />

gesloten houden, voortaan.<br />

Bairro Alto<br />

Een vent valt <strong>van</strong> zijn kruk en wordt door de ober geroutineerd<br />

rechtop gehesen, terug op zijn plek, achter zijn halve liter bier,<br />

waaraan hij zich vastgrijpt als een drenkeling aan een reddingsboei.<br />

Even tevoren heeft hij de drie muzikanten die zijn publiek<br />

vormen ook <strong>van</strong> drank voorzien, nu draait hij zich naar de enige<br />

andere bezoekers om, dat zijn wij, hij probeert een gesprek aan te<br />

knopen. Wat of dat wij willen drinken. Nu even niks. We hebben<br />

zojuist een caiparinha besteld en kregen elk een plastic beker <strong>van</strong><br />

een halve liter limonade, on the spot gemengd met ontzettend veel<br />

rum, en dat was de kleinste variant voorradig. Mario werkt bij een<br />

bank of heeft daar gewerkt, ooit, in betere tijden, toen zijn vrouw<br />

nog niet <strong>van</strong> hem wilde scheiden, hij zijn kinderen nog mocht<br />

34


zien, zijn ogen worden vochtig. Hij vraagt hoe ik heet. ‘Ana,’ zeg<br />

ik, indachtig het mooie, gereserveerde meisje dat de slam organiseerde,<br />

waar ik eerder die avond op moest treden, Mario barst in<br />

een hysterisch lachen uit. ‘That’s a girls name,’ brengt hij uit, hij<br />

prikt met zijn vinger in mijn borst. ‘You have the name of a girl!’<br />

‘Not in my country,’ verdedig ik mezelf, ik trek een streng gezicht.<br />

‘Sorry,’ herneemt hij zich dan, stamelend. ‘Sorry, sorry, sorry.’ Hij<br />

wil natuurlijk niemand beledigen. Straks word je nog buiten gesmeten.<br />

Hand<br />

Overdag kun je er een kanon afschieten, Alfama, de wijk waar we<br />

heen zijn verhuisd nadat we afscheid <strong>van</strong> Paula hebben genomen,<br />

we bewonen nu een hostel dat geheel door de firma IKEA is ingericht,<br />

maar je bent hier tenminste verschoond <strong>van</strong> de blijken<br />

<strong>van</strong> aanhankelijkheid <strong>van</strong> de pensionhoudster, die op een ochtend<br />

mijn wang streelde met haar kille hand, om me er<strong>van</strong> te overtuigen<br />

dat ik een jas zou moeten dragen, omdat het ijs- en ijskoud zou<br />

zijn, zeker buiten, wist ze, omdat het hier binnen ook niet meeviel<br />

en aan haar hand te voelen had ze gelijk. Dus ik heb een hele dag<br />

met mijn regenjas aan door een zonnige stad gelopen, omdat het<br />

moest <strong>van</strong> Paula, ik liep rond met die koude hand op mijn wang,<br />

met de wanhoop die in dat gebaar besloten lag.<br />

Alfama<br />

De toeristen komen voor een stukje authentieke Portugese volksbelevenis,<br />

hier zul je eindelijk de mythische fado horen zingen, er<br />

is een hele wijk voor ingericht. Door smalle straatjes moet je lopen,<br />

speurend naar een restaurant dat onveranderlijk een bord buiten<br />

heeft staan dat hier de fado gezongen wordt, en dat wordt het. In<br />

ieder restaurant. Je moet er heel lang op je eten wachten, omdat<br />

het eten pas wordt geserveerd als de fadozangeres eindelijk is gearriveerd.<br />

Ze komt altijd te laat. Op het bord buiten staat ze om zeven<br />

uur <strong>van</strong>avond aangekondigd, binnen zegt de ober dat het wel half<br />

acht kan worden, en als je maar een keer binnen bent zal het zeker<br />

tot half negen duren. Dan pas komt de dikke maffiabaas binnen,<br />

35


arst in een traditioneel zingen uit, kondigt de internationaal befaamde<br />

fadozangeres aan. En al die tijd krijg je niks te vreten.<br />

Old cultures, dying<br />

We mogen op bezoek bij het Centro Nacional de Cultura, dat moet<br />

<strong>van</strong> de organisatie. We bellen aan bij een indifferent gebouw, we<br />

zijn al bijna in een buitenwijk. We mogen plaatsnemen in een<br />

kamer met een paar kasten erin en een mevrouw die in een gemakkelijke<br />

fauteuil zit te lezen, ze wordt weggestuurd, want hier<br />

zal dadelijk een interview plaatsvinden, doet de mevrouw die ons<br />

heeft binnengelaten gewichtig. Ze kondigt aan dat aanstonds de<br />

directeur zelf zal verschijnen, over een minuut. We zitten in die<br />

kamer met een paar boeken. We wachten. Een minuut, en nog een<br />

minuut, en nog een. Dan verschijnt er een stijve heer met een vlezige,<br />

loshangende onderlip, precies zo een als Mr. Bean die bezit,<br />

gehuld in het onverwoestbare corduroy dat onvergankelijke mensen<br />

dragen, een boek onder de ene arm, een regenjas onder de andere<br />

arm geklemd.<br />

Hij negeert onze aanwezigheid, verdwijnt in een kantoortje naast<br />

de zaal, overlegt fluisterend met de dames die daar wellicht administratieve<br />

handelingen verrichten en verdwijnt weer, nu door een<br />

andere deur. Een <strong>van</strong> de dames komt uit het kantoor tevoorschijn<br />

en vertelt dat de directeur aanstonds zijn opwachting zal maken,<br />

één minuutje nog.<br />

Artists in residence<br />

Dezelfde Mr. Bean is wederom verschenen, nu zonder boek en<br />

zonder regenjas. Hij vertelt ons dat hij een belangrijk man is, want<br />

hij heeft weinig tijd, en hij heeft begrepen dat we hem vragen gaan<br />

stellen, veel vragen, welke vragen? Dit herhaalt hij zeven malen.<br />

We hebben geen vragen, we hebben het benauwd. Dan roept hij<br />

Sophia erbij, die moet ons eerst maar eens rondleiden door het<br />

Instituut, dan komen de vragen <strong>van</strong>zelf, denkt hij. Op de begane<br />

grond is een café, onderwijst hij, daar kun je koffie drinken, we<br />

zeggen dat we net koffie op hebben, hij antwoordt dat hij ons geen<br />

koffie aanbiedt, dat hij slechts wijst op de mogelijkheid om koffie<br />

36


te drinken. ‘We treffen elkaar over een half uur weer, hier, in deze<br />

zaal,’ besluit hij.<br />

Sophia leidt ons rond. Ze laat een lege kamer zien met een hoop<br />

stoelen erin, daar zou je een presentatie kunnen houden. Ze laat<br />

een prachtige zaal zien, die eveneens leeg staat. Ze vertelt dat ze<br />

hier plaats hebben voor artists in residence, ze kunnen kort blijven,<br />

maar ook heel lang. Ik vraag haar welke artiest hier momenteel<br />

verblijft. ‘Nobody famous,’ weet ze, en laat het daarbij. We hebben<br />

nu alles gezien, er zijn pas vijf minuten voorbij.<br />

Monarchie<br />

We ontvluchten het gebouw in noordelijke richting. We hebben<br />

Sophia verteld dat een interview met de directeur bij nader inzien<br />

niet nodig is, dat zulks ons uiteraard enorm spijt, maar dat ons<br />

ook na de rondleiding geen vragen zijn gerezen, dat we maar een<br />

heel korte film maken, en hoe graag we de directeur ook gesproken<br />

hadden, dat dit gesprek niet in het concept dat ons voor ogen<br />

staat zou passen, hoe jammer we dat ook vinden. We hebben een<br />

papier meegekregen waarop de geschiedenis en de activiteiten <strong>van</strong><br />

het Centrum staan beschreven. In 1945 opgericht door een groep<br />

intellectuele monarchisten, ter verdediging <strong>van</strong> een vrije cultuur,<br />

om zich in de jaren vijftig en zestig te ontwikkelen tot een democratisch<br />

forum. In de late jaren zeventig, na de Anjerrevolutie, brak<br />

er een geheel nieuw tijdperk aan, maakt de notitie een handige<br />

sprong in de tijd. En tegenwoordig bruist het hier helemaal <strong>van</strong> de<br />

activiteiten: men maakt zondagse wandelingen, men reist, traint,<br />

stelt tentoon, publiceert, deelt prijzen en beurzen uit, houdt zelfs<br />

de kinderen bezig met het trotse culturele erfgoed, dat nog altijd<br />

verdediging behoeft.<br />

Marathon<br />

Zondag. Later <strong>van</strong>daag zullen we terug naar huis vliegen, we ontbijten<br />

op een terras in de zon, omelet met friet en rijst. In het café<br />

zendt de televisie live een halve marathon uit, die ons door Lissabon<br />

leidt, we zien de brug, we zien Jezus, we zien de televisietoren op de<br />

andere oever, gemodelleerd naar de Fernsehturm op het Alexan-<br />

37


derplatz in Berlijn, we zien Lornah Kiplagat als winnaar over de<br />

streep gaan, we krijgen beelden mee <strong>van</strong> de daarachter sjokkende<br />

massa recreatielopers, die soms niet eens de moeite nemen om te<br />

rennen, ook niet als ze op de televisie komen. We besluiten de trein<br />

naar het strand te nemen, we zullen de oceaan zien, we reizen langs<br />

het traject waar de laatste wandelaars de marathon uitlopen, de<br />

trein vol mensen die al klaar zijn met hollen, we verlaten de trein<br />

in Carcavelos, we zien de zee, we zien de reusachtige rollers <strong>van</strong> de<br />

branding, we koesteren ons in de blikkerende zon, we nemen de<br />

trein terug en zien een <strong>twee</strong>de lijk midden op de weg liggen, op het<br />

grotendeels onttakelde parcours, hij is slordig afgedekt met blauw<br />

plastic, een keurige heer gekleed in een zwart pak, nu niet direct<br />

een outfit om een halve marathon in te gaan rennen.<br />

Facebook<br />

De oude vriendin die ik zou ontmoeten had via Facebook laten<br />

weten welk restaurant ze ons kon aanbevelen, ik schreef haar terug<br />

dat we daar over een half uur zouden arriveren, maar ze kwam dus<br />

niet opdagen, wel liet ze later die avond weten dat ze nu ook weer<br />

niet voortdurend op Facebook aanwezig is, dus mijn boodschap<br />

heeft gemist, en dat ze bovendien al een andere afspraak had gemaakt,<br />

die avond, ook de ingesproken boodschap op haar telefoon<br />

is kennelijk nooit bij haar aangekomen, ik weet geen antwoord, ik<br />

laat het erbij, ik vlieg terug naar huis, ik wel.<br />

* F. Starik (1958) is naast dichter ook schrijver, zanger en kunstenaar. Zijn meest recente<br />

dichtbundel, Door verscheen in 2013. Starik nam deel aan het project City2Cities Abroad,<br />

waarvoor hij als ambassadeur <strong>van</strong> het festival gaststad Lissabon bezocht. Tijdens de Internationale<br />

Literatuurdagen Utrecht werd de filmreportage vertoond die hij maakte in Lissabon.<br />

38


Waar dan ook<br />

Arjen Duinker<br />

In een café waar dan ook<br />

Zeg ik dingen in mezelf<br />

Om de verte te ontkennen.<br />

Ik bewonder de kale stoel<br />

En het tafeltje dat als lokaas dient.<br />

In een café in Lissabon<br />

Vraag ik unieke hakken<br />

Om het gemis te ontkennen.<br />

Ik drink het geluid <strong>van</strong> de passen<br />

Die naderen in een huid <strong>van</strong> <strong>van</strong>ille.<br />

* Arjen Duinker (1956) is een Nederlandse dichter en schrijver. Hij debuteerde in 1988 met<br />

de bundel Rode Oever, maar al <strong>van</strong>af 1980 verschenen veel <strong>van</strong> zijn gedichten in bekende<br />

literaire tijdschriften. Daarnaast publiceerde hij <strong>van</strong> 1982 tot 1986 samen met dichter K. Michel<br />

het tijdschrift Aap Noot Mies. Zijn bundels zijn in meerdere talen vertaald, waaronder<br />

het Portugees. Ook ontving hij diverse prijzen, zoals in 2005 de VSB Poëzieprijs voor De<br />

zon en de wereld.<br />

39


Lisboa<br />

J.J. Slauerhoff<br />

Een stad <strong>van</strong> grijswitte gebouwen<br />

En halfvoltooide huizen,<br />

Van ruïnes die spoorloos vergruizen<br />

En zuilen die zichtbaar vergrauwen.<br />

En overal zijn nog de puinen<br />

Van de aardbeving openbaar.<br />

Waarom zou men bergen en ruimen?<br />

Onder de aarde dreigt steeds het gevaar.<br />

Paleizen zijn scheef afgesneden,<br />

Van andre ontbreekt een brok muur.<br />

Lisboa bestaat in ’t verleden,<br />

Maar ’t kent geen rust, enkel duur.<br />

Was het ooit aan een stad gegeven<br />

Voort te leven als geest,<br />

Vreemd nu en trouw vroeger gebleven<br />

Na een aschregen op een feest?<br />

* J.J. Slauerhoff (1898-1936) is een Nederlandse dichter uit de eerste helft <strong>van</strong> de twintigste<br />

eeuw. In 1923 verscheen zijn eerste dichtbundel, Archipel. Vanaf 1924 werkte hij als scheepsarts<br />

en voer onder meer naar Portugal. Dankzij zijn reizen kwam hij in aanraking met buite<strong>nl</strong>andse<br />

literatuur, zoals met het werk <strong>van</strong> de 16e-eeuwse Portugese dichter Camões, in<br />

wie hij een geestverwant herkende.<br />

40


Lisbon revisited (1926)<br />

Fernando Pessoa<br />

vertaling: August Willemsen<br />

Niets hecht mij aan niets.<br />

Ik wil vijftig dingen tegelijk.<br />

Ik hunker met een drang <strong>van</strong> honger naar vlees<br />

Naar iets, ik weet niet wat –<br />

Begrensderwijze door het onbegrensde…<br />

Ik slaap onrustig, en ik lees in een onrustig dromen<br />

Van wie onrustig slaapt, half dromend.<br />

Alle abstracte en noodzakelijke deuren heeft men voor<br />

mij gesloten<br />

Gordijnen dichtgedaan voor alle hypothesen die ik <strong>van</strong><br />

de straat zou kunnen zien<br />

In de gevonden zijstraat is het nummer niet dat mij<br />

gegeven was.<br />

Ik ontwaakte tot hetzelfde leven waartoe ik was ingeslapen.<br />

Zelfs mijn gedroomde legers werden overwonnen.<br />

Zelfs mijn dromen voelden onwaar onder het dromen.<br />

Zelfs het slechts verlangde leven staat mij tegen – zelfs<br />

dat leven…<br />

Ik begrijp op willekeurige momenten;<br />

Ik schrijf in tussenpozen <strong>van</strong> vermoeidheid;<br />

En een weerzin zelfs <strong>van</strong> weerzin werpt me op het strand.<br />

Ik weet niet welke toekomst of welk lot bij mijn<br />

stuurloze wanhoop past;<br />

Ik weet niet welke eilanden <strong>van</strong> het onmogelijke Zuiden<br />

op mijn schipbreuk wachten;<br />

Of welke literaire palmbossen mij althans één vers zullen<br />

geven.<br />

41


Nee, dat weet ik niet, ook niet iets anders, ik weet niets…<br />

En in het diepste <strong>van</strong> mijn geest, daar waar ik droom wat ik<br />

gedroomd heb.<br />

Op de verste velden <strong>van</strong> mijn ziel, daar waar ik nodeloos<br />

herdenk,<br />

(En het verleden is een natuurrlijke mist <strong>van</strong> valse tranen),<br />

Op de wegen en de paden <strong>van</strong> de verre wouden.<br />

Waar ik mijn wezen veronderstelde,<br />

Vluchten ontredderd, laatste resten<br />

Van de allerlaatste illusie,<br />

Mijn gedroomde legers, verslagen zonder te zijn geweest,<br />

Mijn toekomstige cohorten, verpletterd in God.<br />

Weer zie ik u terug,<br />

Stad <strong>van</strong> mijn kinderjaren zo beangstigend verloren...<br />

Trieste en blijde stad, weer droom ik hier...<br />

Ik? Maar ben ik dezelfde die hier heeft geleefd, en hier is<br />

teruggekeerd,<br />

En weer is teruggekeerd, en nog een keer,<br />

En weer een keer is teruggekeerd?<br />

Of zijn wij alle Ikken die ik hier was of zij hier waren,<br />

Krans <strong>van</strong> kraal-levens geregen aan een snoer-herinnering,<br />

Krans <strong>van</strong> dromen over mij <strong>van</strong> iemand buiten mij?<br />

Weer zie ik u terug,<br />

Met het hart verder weg, met mijn ziel minder mij.<br />

Weer zie ik u terug – Lissabon en Taag en al –,<br />

Zi<strong>nl</strong>oze voorbijganger aan u en mij,<br />

Vreemdeling hier als overal,<br />

Bij toeval in het leven zoals in de ziel,<br />

Een spook dat dwaalt door zalen <strong>van</strong> herinnering,<br />

Op het gerucht <strong>van</strong> muizen en planken die kraken<br />

In de vervloekte burcht <strong>van</strong> moeten leven...<br />

42


Weer zie ik u terug<br />

Een schim die tussens schimmen gaat, en éven<br />

Oplicht in een onvertrouwd, sinister schijnsel,<br />

En in de nacht verdwijnt zoals het kielzog <strong>van</strong> een schip<br />

oplost<br />

In ’t water dat men niet meer hoort...<br />

Maar mij, mijzelf zie ik niet terug!<br />

Gebroken is de toverspiegel waarin ik mij zag zoals ik was,<br />

En in elke noodlotsscherf zie ik nu slechts een stuk <strong>van</strong> mij –<br />

Een stuk <strong>van</strong> u, een stuk <strong>van</strong> mij!...<br />

* Fernando Pessoa (1888-1935) is een <strong>van</strong> de belangrijkste dichters uit de Portugese literatuur.<br />

In zijn werk maakt hij veel gebruik <strong>van</strong> heteroniemen: fictieve schrijvers met ieder een<br />

eigen karakter en biografie. Zijn bekendste werken zijn de gedichten die hij schreef onder de<br />

namen <strong>van</strong> Alberto Caeiro, Álvaro de Campos en Ricardo Reis en zijn prozawerk het Boek<br />

der Rusteloosheid. Pas na zijn dood werd Pessoa echt bekend, in Nederland gebeurde dit na<br />

de publicatie <strong>van</strong> de inmiddels klassiek geworden bloemlezing Gedichten (1977), vertaald<br />

door August Willemsen.<br />

43


Waar dan ook buiten de wereld<br />

Charles Baudelaire<br />

vertaling Th. Fisscher & K. Diekstra<br />

Dit leven is een ziekenhuis waarin iedere zieke beheerst wordt<br />

door het verlangen <strong>van</strong> bed te veranderen. De een zou liever ziek<br />

liggen voor de kachel, de ander meent dat een plaats aan het raam<br />

hem genezing zou brengen.<br />

En ik, ik denk dat ik altijd daar wil zijn waar ik niet ben. Deze<br />

kwestie <strong>van</strong> verhuizen is een onderwerp <strong>van</strong> onophoudelijke discussie<br />

met mijn ziel.<br />

‘Mijn ziel, arme verkilde ziel, zeg eens, wat zou je er<strong>van</strong> denken<br />

om in Lissabon te wonen? <strong>Het</strong> moet daar warm zijn en je zou er<br />

weer levendig worden als een hagedis. Die stad ligt aan het water;<br />

ze zeggen dat ze uit marmer is opgebouwd en dat de bewoners er<br />

zo’n hekel hebben aan al wat plantaardig is, dat ze iedere boom uit<br />

de grond rukken. Daar heb je een landschap naar je hart: een landschap<br />

dat bestaat uit licht en mineraal en uit een vloeibaar element<br />

om ze te weerspiegelen.’<br />

Mijn ziel antwoordt niet.<br />

‘Je houdt toch zo <strong>van</strong> rust, terwijl je het oog hebt op bedrijvigheid.<br />

Wil je dan niet in Holland gaan wonen, dat land <strong>van</strong> geluk? Je zou<br />

je misschien best vermaken in die contreien, waar<strong>van</strong> je het beeld<br />

zo vaak bewonderd hebt in de musea. Wat denk je <strong>van</strong> Rotterdam?<br />

Je houdt toch <strong>van</strong> de wouden <strong>van</strong> masten en <strong>van</strong> de schepen die<br />

aan de voet <strong>van</strong> de huizen liggen aangemeerd?’<br />

Mijn ziel blijft zwijgen.<br />

‘Zou Batavia je misschien meer aanstaan? We treffen er de Europese<br />

geest aan, verbonden met tropische schoonheid.’<br />

44


Geen woord - Zou mijn ziel dood zijn?<br />

‘Ben je dan zo afgestompt dat je alleen nog maar behagen schept in<br />

je ellende? Als dat zo is, laten we dan vluchten naar landen die gelijkenis<br />

vertonen met de Dood. - Ik weet het, arme ziel! We pakken<br />

onze koffers en vertrekken naar Torneo. Nee, laten we nog verder<br />

gaan, naar de verste uiteinden <strong>van</strong> de Oostzee. Of nog verder <strong>van</strong><br />

het leven weg als het kan, laten we ons bivak opslaan op de noordpool.<br />

Daar strijkt het zo<strong>nl</strong>icht nog maar schuin langs de aarde. De<br />

langzame overgangen <strong>van</strong> licht naar duister vlakken ieder verschil<br />

uit en verhogen de eentonigheid die al de helft <strong>van</strong> het niets vormt.<br />

Daar kunnen we ons langdurig onderdompelen in de duisternis,<br />

terwijl het noorderlicht zo nu en dan zijn roze bundels op ons afstuurt,<br />

als de weerschijn <strong>van</strong> een vuurwerk uit de Hel!’<br />

Eindelijk barst dan mijn ziel los en heel wijs schreeuwt ze: ‘<strong>Het</strong><br />

geeft niet waar! <strong>Het</strong> geeft niet waar! Als het maar buiten deze wereld<br />

is!’<br />

* Charles Baudelaire (1821-1867) wordt als een <strong>van</strong> de belangrijkste Franse dichters uit de<br />

negentiende eeuw beschouwd. Zijn bekendste dichtbundel is Les Fleurs du Mal. Baudelaire<br />

wordt beschouwd als de voorloper <strong>van</strong> het decadentisme. In 1869 verscheen de bundel Le<br />

spleen de Paris waarin vijftig prozagedichten staan afgedrukt, waaronder Anywhere out in<br />

the world.<br />

45


Gehalveerde wereld<br />

Ana Luísa Amaral<br />

vertaling Arie Pos<br />

Vandaag is de wereld gehalveerd, want als een dolk<br />

steekt me dit linkeroor en een weke<br />

betrekkelijke infectie strekt zich uit als strand.<br />

Zo de wereld horen in zacht zand:<br />

de blaadjes nauwelijks sidderend en, op het hout<br />

<strong>van</strong> de vloer, mijn schoen: een flakkerende,<br />

bedachtzamere echo, en de stemmen die me<br />

bereiken uit de andere kamer: Orpheus roept<br />

Eurydice.<br />

Een zo verscheurde wereld: de<br />

aarde aan een kant, en de hel brullend<br />

in onvolmaakte vlammen <strong>van</strong> stilte<br />

Of nog verscheurder dan de antieke,<br />

deze die in voorbije tijden de mijne was.<br />

Van heel ver weg komt zijn stem:<br />

‘Waar zou zij nu ronddwalen?<br />

<strong>Het</strong> is ver over tijd en ze verschijnt niet.’<br />

Als Eurydice stel ik de breuk uit<br />

in dit zintuiglijk tegen-uitstel.<br />

Wereld en gehoor gehalveerd belevend<br />

me laten sterven in deze hel <strong>van</strong> tederheid —<br />

* Ana Luísa Amaral werd in 1956 in Lissabon geboren. Naast professor en schrijver <strong>van</strong><br />

teksten over literatuur is ze ook dichter. Haar eerste bundel, Minha Senhora de Qué,<br />

verscheen in 1990. Sindsdien verschenen er een aantal eigen bundels, bloemlezingen,<br />

vertalingen <strong>van</strong> Amerikaanse auteurs en kinderboeken. Naast autobiografische elementen<br />

vermengt ze elementen uit Griekse mythen en de Bijbel vaak met alledaagse ‘vrouwelijke’<br />

thema’s.<br />

46


Nachttrein naar Lissabon (fragment)<br />

Pascal Mercier<br />

Aan de hemel had zich een dunne witte sluier uitgebreid die de<br />

glans <strong>van</strong> het zo<strong>nl</strong>icht deed vervagen. De zaak <strong>van</strong> de opticien lag<br />

in de buurt <strong>van</strong> de veerpont over de Tejo. César Santaréms norse<br />

gezicht klaarde op toen Gregorius hem zei wie hem had gestuurd.<br />

Hij keek naar het recept, woog de bril die Gregorius hem had aangereikt<br />

in zijn hand en zei toen in gebroken Frans dat je de glazen<br />

ook <strong>van</strong> lichter materiaal kon maken en in een lichter montuur<br />

kon zetten.<br />

Dat was binnen korte tijd de <strong>twee</strong>de keer dat iemand het<br />

oordeel <strong>van</strong> Konstantin Doxiades in twijfel trok en Gregorius<br />

kreeg het gevoel dat het leven dat hij tot dusver had geleid <strong>van</strong> hem<br />

werd afgepakt, een leven dat, zolang hij zich kon herinneren, een<br />

leven met een zware bril op zijn neus was geweest. Onzeker paste<br />

hij het ene montuur na het andere en liet zich ten slotte door de<br />

assistente <strong>van</strong> Santarém, die alleen Portugees sprak en praatte als<br />

een waterval, tot een dun, roodachtig montuur verleiden dat hij<br />

voor zijn brede, hoekige gezicht eige<strong>nl</strong>ijk veel te modern en chic<br />

vond. Op weg naar de Bairro Alto, waar het antiquariaat <strong>van</strong> Júlio<br />

Simões lag, zei hij telkens weer tegen zichzelf dat hij de nieuwe bril<br />

als reservebril kon gebruiken en hem helemaal niet hoefde te dragen,<br />

en toen hij eindelijk voor het antiquariaat stond had hij zijn<br />

evenwicht alweer hervonden.<br />

Senhor Simões was een tanige man met een scherpe neus<br />

en donkere ogen waaruit een sprankelende intelligentie sprak. Mariana<br />

Eça had hem gebeld en hem verteld waar het om ging. Heel<br />

Lissabon, dacht Gregorius, scheen druk bezig te zijn hem aan te<br />

kondigen en aan iemand anders over te dragen, je kon bijna spreken<br />

<strong>van</strong> een rondedans <strong>van</strong> aankondigingen, hij kon zich niet herinneren<br />

ooit iets dergelijks te hebben meegemaakt.<br />

Cedros vermelhos - een uitgeverij met die naam, zei Simões,<br />

was hij in de dertig jaar dat hij in het boekenvak zat nooit tegengekomen,<br />

dat wist hij heel zeker. Um ourives das palavras - nee,<br />

47


ook <strong>van</strong> die titel had hij nog nooit gehoord. Hij bladerde het boek<br />

door, las hier en daar een zin, en Gregorius had de indruk dat hij<br />

wachtte of zijn geheugen misschien toch nog iets naar boven zou<br />

halen. Ten slotte keek hij nog een keer naar het jaar <strong>van</strong> verschijnen.<br />

1975 - toen was hij nog met zijn opleiding bezig geweest en<br />

zou niets hebben vernomen over een boek dat in eigen beheer was<br />

uitgegeven, al helemaal niet als het in Lissabon was gedrukt.<br />

‘Als er iemand is die het weet,’ zei hij terwijl hij een pijp stopte,<br />

‘dan is dat de oude Coutinho, de vorige eigenaar <strong>van</strong> de zaak.<br />

Hij loopt tegen de negentig en is stapelgek, maar zijn geheugen<br />

voor boeken is fenomenaal, echt een wonder. Bellen kan ik hem<br />

niet omdat hij bijna niets meer hoort; maar ik zal u een briefje<br />

meegeven.’<br />

Simões liep naar zijn bureau dat in een hoek stond en schreef<br />

iets op een papiertje dat hij in een envelop stak. ‘U moet geduld<br />

met hem hebben,’ zei hij toen hij Gregorius de envelop aanreikte,<br />

‘hij heeft veel pech gehad in zijn leven en is een verbitterde oude<br />

man. Maar hij kan ook erg aardig zijn als je de juiste toon weet te<br />

treffen. <strong>Het</strong> probleem is dat je <strong>van</strong> tevoren nooit weet welke die<br />

juiste toon is.’<br />

Gregorius bleef lang in het antiquariaat. Een stad leren kennen<br />

door middel <strong>van</strong> de boeken die je er aantrof - zo had hij het<br />

altijd gedaan. Zijn eerste buite<strong>nl</strong>andse reis als student was naar<br />

Londen geweest. Op de boot terug naar Calais had hij beseft dat<br />

hij tijdens de drie dagen behalve de jeugdherberg, het British Museum<br />

en de vele boekhandels in de buurt daar<strong>van</strong>, zo goed als niets<br />

<strong>van</strong> de stad had gezien. Maar diezelfde boeken kunnen toch ook<br />

op een heel andere plek staan! zeiden de anderen en schudden hun<br />

hoofd over al die dingen die hij links had laten liggen. Ja, maar in<br />

werkelijkheid staan ze niet op een andere plek, had hij geantwoord.<br />

En nu stond hij voor de tot het plafond reikende boekenkasten<br />

met allemaal Portugese boeken die hij eige<strong>nl</strong>ijk helemaal<br />

niet kon lezen, en merkte hoe hij contact begon te krijgen met de<br />

stad. Toen hij die ochtend het hotel had verlaten had hij het gevoel<br />

gehad dat hij, teneinde zijn verblijf hier een zin te geven, zo snel<br />

mogelijk Amadeu de Prado moest vinden. Maar toen had hij de<br />

donkere ogen, het rossige haar en het zwartfluwelen jasje <strong>van</strong> Ma-<br />

48


iana Eça nog niet gezien, en nu al die boeken hier met de namen<br />

<strong>van</strong> de vroegere eigenaren, die hem aan het handschrift <strong>van</strong> Anneli<br />

Weiss in zijn Latijnse boeken deden denken.<br />

O grande terramoto. Behalve dat die aardbeving in 1755 had<br />

plaatsgevonden en Lissabon had verwoest, wist hij over de grote<br />

aardbeving niet meer dan dat die bij heel veel mensen het geloof<br />

in God aan het wankelen had gebracht. Hij trok het boek <strong>van</strong> de<br />

plank. <strong>Het</strong> boek ernaast, dat daardoor schuin was komen te staan,<br />

droeg de titel A morte negra en ging over de pestepidemieën in de<br />

veertiende en vijftiende eeuw. Met beide boeken onder zijn arm<br />

liep Gregorius naar de andere kant <strong>van</strong> de winkel, waar de literatuur<br />

stond. Luis Vaz de Camões; Francisco de Sá de Miranda;<br />

Fernão Mendes Pinto; Camilo Castelo Branco. Een heel universum<br />

waarover hij nog nooit iets had gehoord, ook niet <strong>van</strong> Florence.<br />

José Maria Eça de Queirós, O crime do padre Amaro. Aarzelend,<br />

alsof het om iets verbodens ging, trok hij het boek uit de kast en<br />

deed het bij de <strong>twee</strong> andere. En toen opeens stond hij ervoor: Fernando<br />

Pessoa, O livro do desassossego, <strong>Het</strong> boek der rusteloosheid.<br />

Eige<strong>nl</strong>ijk was het ongelooflijk, maar hij was naar Lissabon gegaan<br />

zonder eraan te denken dat hij naar de stad <strong>van</strong> de assistent-boekhouder<br />

Bernardo Soares ging, die op de Rua dos Douradores werkte<br />

en <strong>van</strong>uit wie Pessoa gedachten opschreef die eenzamer waren<br />

dan alle gedachten waar<strong>van</strong> de wereld vóór hem en na hem ooit<br />

had gehoord.<br />

Wás dat wel zo ongelooflijk? ‘De velden zijn groener in de<br />

beschrijving dan in hun groen.’ Die zin <strong>van</strong> Pessoa had tot de ergste<br />

scène geleid die zich tussen hem en Florence in al die jaren had<br />

afgespeeld.<br />

Ze zat met collega’s in de woonkamer, hij hoorde gelach en<br />

het gerinkel <strong>van</strong> glazen. Met tegenzin was Gregorius de kamer binnengegaan<br />

omdat hij een boek nodig had. Juist op dat moment las<br />

iemand die zin voor. Is dat geen briljante zin? had een collega <strong>van</strong><br />

Florence uitgeroepen. Daarbij schudde hij zijn lange kunstenaarshaar<br />

en legde zijn hand op de blote arm <strong>van</strong> Florence. Die zin kan<br />

maar door heel weinig mensen worden begrepen, had Gregorius<br />

gezegd. Meteen viel er een verlegen stilte. En jij bent zeker één <strong>van</strong><br />

die uitverkorenen? had Florence op scherpe toon gevraagd. Over-<br />

49


dreven langzaam had Gregorius het boek dat hij nodig had uit de<br />

kast gehaald en was zonder een woord te zeggen de kamer uit gegaan.<br />

<strong>Het</strong> duurde minuten voordat hij ze weer hoorde praten.<br />

Als hij na dat voorval ergens <strong>Het</strong> boek der rusteloosheid zag,<br />

liep hij vlug door. Ze hadden nooit meer over het voorval gesproken.<br />

<strong>Het</strong> hoorde bij al die andere dingen die onbesproken waren<br />

gebleven bij hun scheiding.<br />

Nu haalde Gregorius het boek uit de kast.<br />

‘Weet u hoe dat ongelooflijke boek op mij overkomt?’ vroeg<br />

senhor Simões toen hij de prijs <strong>van</strong> de boeken op de kassa intikte.<br />

‘<strong>Het</strong> is alsof Marcel Proust de Essays <strong>van</strong> Montaigne heeft geschreven.’<br />

Gregorius viel bijna om <strong>van</strong> vermoeidheid toen hij met zijn<br />

zware tas boven aan de Rua Garrett bij het standbeeld <strong>van</strong> Camões<br />

aankwam. Maar hij had geen zin om naar zijn hotel te gaan. Hij<br />

stond op het punt in deze stad aan te komen en hij wilde méér <strong>van</strong><br />

dat gevoel, om er zeker <strong>van</strong> te zijn dat hij <strong>van</strong>avond niet wéér de<br />

luchthaven zou bellen om een retourvlucht te boeken. Hij dronk<br />

koffie en stapte toen op de tram die hem naar het Cemitério dos<br />

Prazeres zou brengen, in de buurt waar<strong>van</strong> Vítor Coutinho woonde,<br />

de stapelgekke oude man die misschien iets meer wist over<br />

Amadeu de Prado.<br />

* Pascal Mercier (1944) is filosoof en schrijver en als hoogleraar filosofie verbonden aan<br />

de Vrije Universiteit in Berlijn. Hij schreef verscheidene romans, waaronder Nachtzug<br />

nach Lissabon (2004). Zowel zijn filosofische als fictieve werken zijn in vele talen vertaald,<br />

waaronder ook het Nederlands. De verfilming <strong>van</strong> Nachttrein naar Lissabon ging in 2013<br />

in première.<br />

50


Souvenir from Lisbon<br />

António Lobo Antunes<br />

vertaling Harrie Lemmens<br />

Wat zou ik verloren hebben in de Rua dos Baldaques? Ik ken die<br />

straat nauwelijks<br />

(af en toe rijd ik er met de auto doorheen)<br />

en toch, ik weet niet waarom, heb ik nergens anders die zekerheid<br />

dat er iets weg is, die twijfel, die zin mijn handen in mijn<br />

jaszakken te steken en mezelf af te tasten, die rappe handpalmen<br />

over mijn jack, die vage onrust, dat voorgevoel dat ik iets mis zonder<br />

te weten wat, misschien geen dingen<br />

(sleutels, portemonnee, bril)<br />

misschien iets wat geen ding is, ergens waar ik naar had<br />

moeten kijken en niet naar heb gekeken, wat ik zou moeten voelen<br />

en niet voel, <strong>twee</strong> hoog op een hoek hangt een mevrouw wasgoed<br />

op aan een lijn, met haar handen boven haar hoofd alsof ze een<br />

onzichtbare kruik vasthoudt, maar dat is het niet, een oude man<br />

praat op de stoep tegen een blinde hond<br />

(ik heb altijd gedacht dat blinden <strong>van</strong> spiegels houden, dat<br />

ze voor spiegels blijven staan en zichzelf door het glas heen bekijken)<br />

dus een oude man praat op de stoep tegen de blinde hond en<br />

dat is het ook niet, ik ga rechtsaf, de Rua dos Baldaques is weg en<br />

uiteindelijk was het misschien toch de mevrouw <strong>van</strong> <strong>twee</strong> hoog op<br />

de hoek, misschien was het de oude man, omdraaien<br />

(er zat drie dagen lang een vlinder op de spiegel <strong>van</strong> de kaptafel<br />

<strong>van</strong> mijn moeder, de derde dag viel hij dood op de parfumflesjes,<br />

dat was god weet hoe lang geleden en nog steeds vraag ik<br />

me af of zijn spiegelbeeld eerder is doodgegaan dan hijzelf)<br />

terugrijden, opnieuw de straat in, maar de mevrouw is weg<br />

<strong>van</strong> het balkon, de oude man wacht tot de hond uitgeroken is aan<br />

een goot, de wolken <strong>van</strong> de ogen <strong>van</strong> de hond schuiven over me<br />

heen en vergeten me<br />

51


(dag hond)<br />

de Rua dos Baldaques lijkt te waggelen, met de ene stoep<br />

in de zon en de andere in de schaduw doet ze me denken aan die<br />

kreupele schepsels die lopen op verschillende schoenen<br />

(de vlinder <strong>van</strong> mijn moeders kaptafel trilde af en toe met<br />

zijn vleugels)<br />

ik zie een winkeltje dat even goed een restaurant kan zijn<br />

als een fourniturenzaak, wazige vlekken en radiomuziek, in het<br />

ruitvormige stukje hemel boven de daken heeft iemand een duif<br />

getekend<br />

<strong>twee</strong> duiven<br />

heeft iemand met kleurpotloden een duif getekend, roerloos,<br />

stil, zelfs het wasgoed aan de lijn, een<br />

<strong>twee</strong> duiven, de <strong>twee</strong>de slechter getekend dan de eerste<br />

roerloos, stil, zelfs het wasgoed aan de lijn, de sfeer <strong>van</strong> een<br />

ansichtkaart<br />

Souvenir from Lisbon<br />

om aan de kant zonder huizen te beschrijven en naar de familie<br />

thuis te sturen, moet je zien hoe klein Lissabon is, hoe armoedig<br />

en zonder bomen, let op die man daar, waar ik een pijltje<br />

bij heb gezet, op zoek naar wat hij verloren heeft in de Rua dos<br />

Baldaques, en die blinde hond, en dat winkeltje dat even goed een<br />

restaurant kan zijn als een fourniturenzaak, en die duif<br />

<strong>twee</strong> duiven<br />

die zo meteen wegvliegen <strong>van</strong> de foto, je kunt de populieren<br />

<strong>van</strong> het kerkhof verderop zowat zien door een huivering in de<br />

muren, het is niet de weerspiegeling <strong>van</strong> het water <strong>van</strong> de Taag, het<br />

zijn kalkstenen engelen die huilen<br />

Rua dos Baldaques, Lisbonne<br />

let op de vlinder tussen de parfumflesjes, als je zijn vleugels<br />

aanraakt blijft er gelig stof aan je vingers plakken, mijn moeder<br />

pakte hem vast met duim en wijsvinger, liet hem in de tuin vallen<br />

en was verbaasd dat zijn beeld nog altijd in de spiegel zat, de oude<br />

man keek weg <strong>van</strong> de blinde hond om haar te groeten<br />

‘Madame’<br />

terwijl hij met traag ontzag zijn pet afnam, mijn moeder is<br />

52


nooit in de Rua dos Baldaques geweest en dus deed ze alsof ze de<br />

oude man niet zag<br />

‘Ik heb u niet gezien, oude man’<br />

omdat ze te druk was met haar duim en wijsvinger schoonblazen<br />

en afvegen aan haar rok, wie zegt me dat het niet die vlinder<br />

was die ik god weet hoe lang geleden heb verloren in de Rua dos<br />

Baldaques, de geur <strong>van</strong> de parfumflesjes met zuchtjes <strong>van</strong> dode<br />

viooltjes erin, je roept<br />

‘Mama’<br />

maar ze hoort me niet, opnieuw<br />

‘Mama’<br />

en ze draait haar hoofd langzaam naar mij om, begint te<br />

glimlachen, vraagt me<br />

‘Ben jij dat?’<br />

niet één rimpel, niet één grijze haar, een ring die ik me niet<br />

kon herinneren<br />

‘Ben jij dat?’<br />

mijn moeder, jonger dan ik<br />

‘Wat ben je groot geworden’<br />

alsof ze me wil aanraken, naar me toe wil komen en me aanraken,<br />

zodat ik gauw de Rua dos Baldaques uit loop voordat<br />

‘António’<br />

voordat<br />

‘Wat ben je groot geworden António’<br />

voordat op de ansichtkaart<br />

Souvenir from Lisbon<br />

niet de weerspiegeling <strong>van</strong> de populieren op het kerkhof de<br />

muren laat huiveren, of de Taag, of de kalkstenen engelen, voordat<br />

de weerspiegeling op de muren <strong>van</strong> de Rua dos Baldaques de tranen<br />

<strong>van</strong> heimwee <strong>van</strong> de fotograaf worden.<br />

53


<strong>Het</strong> zou tranen moeten regenen als het hart<br />

het zwaar heeft<br />

António Lobo Antunes<br />

vertaling Harrie Lemmens<br />

’s Middags ga ik eten in een heel sterrenstelsel <strong>van</strong> restaurantjes<br />

rond de plek waar ik schrijf, sommige met een piepklein terras <strong>van</strong><br />

<strong>twee</strong> of drie tafeltjes op het trottoir, ijzeren stoelen, een parasol<br />

om ons te beschermen tegen de duiven. Ik eet graag in mijn eentje<br />

terwijl ik mijn hoofd omhoogdraai naar de televisie vlak onder het<br />

plafond, of over misdaden lees in de krant die ik <strong>van</strong> de vrieskist<br />

pak. De wijk is lelijk en armoedig, een paar vierkante meter provincie<br />

midden in de stad, er woont bijvoorbeeld een man die in<br />

ploegendienst werkt en als hij vrij is in ochtendjas en op sloffen<br />

de straat oversteekt om een borrel te drinken; sommige auto’s, die<br />

daar al eeuwen staan, verdwijnen onder een laag bladeren en roest,<br />

met platte banden en een kapotte koplamp. Op tien zuchten <strong>van</strong><br />

de plek waar ik werk is er een door zijn velgen gezakt en half vergaan;<br />

iets omlaag, in de richting <strong>van</strong> de Rua do Conde Redondo,<br />

begint het afbeulwerk <strong>van</strong> de tippelaarsters en fladderige travestieten<br />

met blote billen en plastic pruiken, om nog maar te zwijgen <strong>van</strong><br />

de ingewikkelde hiërarchie <strong>van</strong> pooiers die territoria afbakent en<br />

de straathoeken bewaakt. Pensionnetjes voor een halfuur. Een af<br />

en aan rijden <strong>van</strong> klanten die het raampje op een kier opendraaien<br />

om over de prijs te onderhandelen: allemaal even zielig, schunnig<br />

en gewelddadig tussen de straatlantaarns, waar schaduwen samensmelten<br />

met vuilnisbakken. De dichte etalage <strong>van</strong> de bloemist lijkt<br />

vol te liggen met lijkkransen. In het restaurantje draaien we allemaal<br />

tegelijk kauwend ons hoofd omhoog naar de beelden onder<br />

het plafond. Een weduwe met een stoffen orchidee op haar vest<br />

laat geabsorbeerd de soep <strong>van</strong> haar lepel druppelen. Ze heeft glimmende<br />

oranje nagellak op. En ik laat de soep <strong>van</strong> mijn lepel druppelen,<br />

geabsorbeerd door haar nagels: mijn God, wat blijven de<br />

mensen me verbazen. De dikke vingers <strong>van</strong> de weduwe voelen als<br />

54


voorzichtige sprieten aan de orchidee om te zien of hij er nog zit en<br />

trekken zich gerustgesteld terug. Ze woont hier vlakbij, ergens op<br />

de begane grond, en af en toe maakt ze een kruisteken. Door het<br />

raam een miniatuur <strong>van</strong> de Venus <strong>van</strong> Milo op de commode. De<br />

kleinheid <strong>van</strong> die levens ontroert me: de zorg die ze nog besteedt<br />

aan haar uiterlijk<br />

(rouge, lippenstift)<br />

en door haar afsprakenkaart <strong>van</strong> het ziekenhuis die uit haar<br />

tas valt als ze haar portemonnee te voorschijn haalt<br />

(wat zou ze hebben?)<br />

krijg ik zin om met haar mee te gaan naar de dokter en me<br />

over haar te ontfermen. Is mijn leven eige<strong>nl</strong>ijk wel groter, is mijn<br />

even kleine leventje belangrijker, groter? De weduwe loopt langzaam<br />

het restaurant uit en haar parfum gaat met haar mee, niet<br />

in haar kleren maar achter haar aan, trouw als een onzichtbaar<br />

hondje. <strong>Het</strong> deel <strong>van</strong> het parfum dat niet met haar mee is gegaan<br />

blijft zoet en zwaar tussen ons in hangen. Met het vertrek <strong>van</strong> de<br />

weduwe is het restaurant alledaags, anoniem geworden. Ik mis<br />

haar orchidee. Ik mis immense orchideeën met immense geuren<br />

in de loop <strong>van</strong> mijn leven. De vriendinnen <strong>van</strong> mijn oma’s bijvoorbeeld,<br />

die gehuld in geurende wolken met eucharistieachtige praal<br />

hun theekopje oppakten. De rode afdruk <strong>van</strong> hun lippen in de servetten,<br />

op het filter <strong>van</strong> hun sigaretten, in hun zakdoekjes. Ik mis<br />

zakdoekjes met monogram, hoewel een halfbloed grietje dat koffie<br />

drinkt aan de bar mijn verleden verstoort: de heimelijke harmonie<br />

tussen haar gebaren en haar heupen jaagt de vriendinnen <strong>van</strong> mijn<br />

oma’s naar de kelder <strong>van</strong> de onbeduidende herinneringen waar de<br />

leraar stereometrie mij met een woede waar<strong>van</strong> ik de reden niet<br />

weet toebijt<br />

‘Wat mij betreft blijf je zitten rotjong’<br />

terwijl ik op uitdagende bubbelgum kauw. De leraar danst op<br />

zijn korte beentjes<br />

‘Uitspuwen, brutale aap’<br />

en ik kauw rustig door, terwijl ik met een scheef oog naar<br />

hem kijk, klaar om hem neer te steken met mijn trekpen. Wat<br />

stompzinnig die middelbare school: ze deden alles wat mogelijk<br />

was om een minister in de dop <strong>van</strong> mij te maken, of een zakelijk<br />

55


manager, met een hoop galmende gemeenplaatsen op mijn tong.<br />

Dat is hun niet gelukt en dus eet ik ’s middags in een sterrenstelsel<br />

<strong>van</strong> restaurantjes met piepkleine terrasjes: de weduwe met de<br />

orchidee roeit moeizaam naar huis: het zou tranen moeten regenen<br />

als het hart het zwaar heeft. <strong>Het</strong> halfbloed grietje heeft haar<br />

koffie opgedronken en is weggegaan. Dat wil zeggen, ze is binnen<br />

in mij gebleven nadat ze weg is gegaan en draait haar nek om haar<br />

haren te schudden. Een fantasiering met een enorme steen verleende<br />

haar gebaren een bisschoppelijk cachet. Waarom wijdt de<br />

katholieke kerk verdomme geen vrouwen tot priester? Geeft u mij<br />

uw zegen, mevrouw, want ik heb gezondigd. Ze heeft er geen flauw<br />

idee <strong>van</strong> dat ze over een paar jaar net zo is als de weduwe met haar<br />

moeizame tred: ook de afsprakenkaart <strong>van</strong> het ziekenhuis zal dan<br />

niet ontbreken, de haast <strong>van</strong> de verpleegsters, het lange wachten,<br />

de pillen voor na het avondeten, de druppels ervoor en pas op dat<br />

u niet alles door elkaar haalt, dat u zich niet vergist. <strong>Het</strong> arme mens<br />

totaal in de war in de apotheek, bang dat ze niet genoeg geld heeft.<br />

Ze vraagt om het op te schrijven:<br />

‘Eind deze maand kom ik langs’<br />

en de man achter de toonbank gelooft geen zier <strong>van</strong> die belofte.<br />

Die lui dragen witte jassen om er schoner uit te zien<br />

(ze zien er niet schoner uit)<br />

en worden ongeduldig. Hoeveel zou de pandjesbaas geven<br />

voor een fantasiering met een enorme steen, voor een verloren<br />

harmonie tussen gebaren en heupen? De leraar stereometrie<br />

‘Wat mij betreft blijf je zitten rotjong’<br />

is zomaar ineens<br />

(patsboem)<br />

gestorven aan suikerziekte en laat nu waarschij<strong>nl</strong>ijk de heiligen<br />

in de hemel zakken, onder belachelijke dreigementen. Mijn<br />

ouders regelden doodsbenauwd bijlessen stereo voor me: wat<br />

moeten ze hebben geleden onder mijn academische onverschilligheid.<br />

Die bijlessen leverden niks op: het enige wat ik hoorde was de<br />

piano op de bovenverdieping. Sombere vooruitzichten:<br />

‘Schrijver worden is goed om dood te gaan <strong>van</strong> de honger.’<br />

Klaagzangen:<br />

‘Waarom ben je niet net als de anderen?’<br />

56


Waarschuwingen:<br />

‘Gedraag je of je blijft de hele kerstvakantie op je kamer.’<br />

Ze wilden wat ze dachten dat mijn geluk was, geloof ik. Ze<br />

wilden het maar het heeft nergens toe geleid. De weduwe met de<br />

orchidee is eindelijk bij de deur en kijkt om met alle treurigheid<br />

<strong>van</strong> de wereld op haar oude gezicht: nee echt, het zou tranen moeten<br />

regenen als het hart het zwaar heeft.<br />

* António Lobo Antunes (1942) is een Portugees schrijver en psychiater. Hij diende als arts<br />

in het Portugese leger in Afrika, werkte maande<strong>nl</strong>ang in Duitsland en België en debuteerde<br />

in 1979 met Memória de Elefante. Lobo Antunes ontving veel nationale en internationale<br />

prijzen en wordt vaak genoemd als Nobelprijskandidaat. Naast boeken, die zich kenmerken<br />

door hun veelstemmigheid, schrijft hij ook columns voor Portugese kranten en tijdschriften.<br />

57


Senhor Brecht<br />

Gonçalo M. Tavares<br />

vertaling Harrie Lemmens<br />

Een prettig land<br />

<strong>Het</strong> was een heel prettig land om in te wonen, maar de mensen waren<br />

zo lui dat ze geeuwden toen de president bevel gaf de grenzen<br />

te verdedigen. Ze werden overvallen.<br />

De invallers begonnen ook lui te worden en toen de nieuwe<br />

president op zekere dag de mannen bevel gaf de grenzen te verdedigen,<br />

geeuwden ze allemaal. Ze werden opnieuw overvallen. Nu<br />

door mensen uit een ander land.<br />

Opnieuw werden de invallers in korte tijd lui, en toen een<br />

nieuwe president voor de derde keer de mannen bevel gaf de grenzen<br />

te verdedigen, geeuwden ze allemaal. Opnieuw werden ze<br />

overvallen. <strong>Het</strong> land werd steeds dichter bevolkt.<br />

Dat ging zo door tot alle volkeren − behalve die aan de andere<br />

kant <strong>van</strong> de wereld − dat land al overvallen hadden en vervolgens<br />

op hun beurt overvallen waren. Er waren verder nergens<br />

meer mensen: ze zaten allemaal dicht op elkaar in dat prettige land.<br />

Toen gaf de nieuwe president bevel om de rest <strong>van</strong> de wereld<br />

te overvallen, want de wereld was helemaal leeg − te zijner<br />

beschikking dus. Maar alle mannen geeuwden.<br />

En toen rukte hij (zonder het te merken) in zijn eentje op.<br />

<strong>Het</strong> gevaar <strong>van</strong> cultuur<br />

Een kip dacht zoveel na en was zo erudiet dat ze een innerlijke<br />

belemmering kreeg om eieren te leggen. Daags daarna werd ze geslacht.<br />

58


De werkeloze met kinderen<br />

Ze zeiden: we geven je alleen werk als we je hand mogen afhakken.<br />

Hij was al heel lang werkloos, had kinderen en zei ja.<br />

Later werd hij ontslagen en zocht hij opnieuw werk.<br />

Ze zeiden: we geven je alleen werk als we de hand die je nog<br />

hebt mogen afhakken.<br />

Hij was al heel lang werkloos, had kinderen en zei ja.<br />

Later werd hij ontslagen en zocht hij opnieuw werk.<br />

Ze zeiden: we geven je alleen werk als we je hoofd mogen afhakken.<br />

Hij was al heel lang werkloos, had kinderen en zei ja.<br />

Katten die piepen<br />

Een kat die piepte als een muis maakte <strong>van</strong> die eigenschap gebruik<br />

om de muizen te misleiden. Die werden eerst door hem misleid en<br />

daarna opgegeten, achter elkaar.<br />

Maar op zekere dag, misleid door het piepen, vrat een <strong>twee</strong>de<br />

kat de bewuste kat die piepte op, een maaltijd die zo overdadig was<br />

dat het lang duurde voor hij die vergeten was. <strong>Het</strong> was een muis zoals<br />

hij er nog nooit een had gezien, vertelde hij tegen zijn miauwende<br />

vrienden.<br />

Storing<br />

Door een onverklaarbare kortsluiting werd de beambte die de hendel<br />

omlaaghaalde geëlektrocuteerd en niet de misdadiger die in de<br />

elektrische stoel zat.<br />

Omdat men er niet in slaagde de storing te verhelpen, nam de<br />

keren daarna de regeringsbeambte plaats in de elektrische stoel en<br />

was het de misdadiger die belast werd met het omlaaghalen <strong>van</strong> de<br />

dodelijke hendel.<br />

Projecten<br />

<strong>Het</strong> bos ontwikkelde zich langzaam, zoals al eeuwen gebruikelijk<br />

was, toen er een man kwam die een project voorstelde.<br />

59


Drie dagen lang kapten ze bomen.<br />

De vierde dag rustten ze uit <strong>van</strong> de inspanning.<br />

Na een jaar kwam er een andere man die keek naar wat nu<br />

een vlakte was en zei: ‘Er ontbreken hier bomen.’<br />

De drie dagen daarop plantten ze bomen.<br />

De vierde dag rustten ze uit <strong>van</strong> de inspanning.<br />

Na twaalf jaar was het bos weer hersteld.<br />

Toen kwam er een andere man.<br />

<strong>Het</strong> belang <strong>van</strong> filosofen<br />

De filosoof zei dat mensen deden wat belangrijk was terwijl dieren<br />

alleen maar onbeduidende handelingen verrichtten.<br />

Toen kwam er een tijger en vrat de filosoof op, en met zijn<br />

tanden staafde hij de eerder voorgelegde theorie.<br />

Keuzevrijheid<br />

Er was eens een boekhandel die maar één boek verkocht. Er stonden<br />

honderduizend genummerde exemplaren <strong>van</strong> hetzelfde boek.<br />

Net als in elke andere boekhandel treuzelden de kopers, omdat ze<br />

niet wisten welk nummer ze moesten kiezen.<br />

* Gonçalo M. Tavares (1970) is een in Angola geboren Portugese schrijver. Hij debuteerde<br />

in 2001 en heeft sindsdien al meer dan vijfentwintig boeken gepubliceerd: romans, verhalen,<br />

essays, toneelstukken en gedichten. Daarnaast doceert hij wetenschapsfilosofie aan de<br />

universiteit <strong>van</strong> Lissabon. Zijn werk werd veelvuldig bekroond, zowel in Portugal als in het<br />

buite<strong>nl</strong>and en is in meer dan 30 talen vertaald.<br />

60


Drie uur ’s nachts<br />

José Saramago<br />

vertaling Harrie Lemmens<br />

Drie uur ’s nachts: waar is Lissabon? Dit lege, door de wind geveegde<br />

plein dat verlicht wordt door spookachtige straatlantaarns<br />

– is dat nog het Rossio? En wat heeft deze vlakke grond, waar de<br />

voetstappen galmen als in een grot, te maken met het marktterrein<br />

bij daglicht? Toen ik de Rua do Carmo afliep, sloeg ergens<br />

een raam en dreunde de smalle straat. En bij de overgang naar het<br />

plein dansten bladeren en papiertjes in een wervelwind, terwijl<br />

daar midden in een onzichtbare kabouter (zo hebben ze mij althans<br />

verteld) de spelletjes uit een nooit beleefde jeugd herhaalde.<br />

Lissabon slaapt. Slaapt diep. Al deze dichte ramen beschermen<br />

het donker <strong>van</strong> de huizen. En achter die ramen bevinden zich<br />

de mannen en vrouwen <strong>van</strong> deze stad, plus de vage personages uit<br />

hun dromen en nachtmerries. Boven de daken heerst een levendige<br />

drukte <strong>van</strong> figuren en beelden. Lissabon is één grote zielsverhuizing.<br />

Niemand is zeker in zijn eigen lijf. Ergens in de stad roept iemand<br />

die slaapt iemand anders die slaapt, en dringende oproepen<br />

kruisen elkaar onophoudelijk in de koude wind. De muren <strong>van</strong><br />

dit dormitorium met een miljoen zielen splijten open, een lange<br />

ziekenboeg of slaapzaal die eindeloos wordt vermenigvuldigd door<br />

een spiegeleffect. En de figuren uit de dromen voegen zich bij de<br />

slapende wezens, en Lissabon lijkt me onwerkelijk, alsof het zweeft<br />

tussen zijn en niet meer zijn.<br />

Zonder de magie <strong>van</strong> het licht zijn de etalagepoppen flets en<br />

onverschillig, ze verdwijnen bijna onder hun kleren en opsmuk.<br />

Alles lijkt onbeduidend en onecht. Tussen glas en diamant bestaat<br />

geen verschil en de parfums zijn doodse vloeistoffen die nooit ontwaken<br />

voor het leven der aroma’s. Zozeer slaapt de stad.<br />

Ik praat en ik luister, en deze stemmen zijn de enige die de<br />

lethargie hebben weerstaan. Nu weigeren wij door de valse deur<br />

<strong>van</strong> de droom te gaan – en we slaan de plotseling eindeloze straten<br />

61


in, waar uitsluitend onze voetstappen Lissabon herbouwen, doorzichtige<br />

en haast angstaanjagende puurheid <strong>van</strong> een verloren en<br />

teruggevonden paradijs, op dit kortstondige ogenblik dat we niet<br />

zullen kunnen vasthouden, maar dat nooit verloren zal gaan.<br />

Drie uur ’s nachts, misschien vier uur. Zo meteen wordt het<br />

dag. De nacht duurt nog even voort, maar de ochtend kondigt zich<br />

al aan. Boven de Taag zal het aarzelende wit ontstaan dat door de<br />

zon vooruit wordt gestuurd. <strong>Het</strong> is koeler geworden. Vanaf hier<br />

zijn de sterren te zien. Hoe helder, hard en, voor ons, eeuwig ze<br />

fonkelen. De stad slaapt nog. De rivier stroomt donker en diep,<br />

levend en ontheiligd voorbij, met snelle glinsteringen aan de oppervlakte,<br />

als de glanzende kanten <strong>van</strong> een zwart kristal. Boven<br />

de stenen stadsmuur die de stad beschermt houden onze handen<br />

gloedvol de wereld vast.<br />

* José Saramago (1922-2010) is een <strong>van</strong> de belangrijkste schrijvers uit de Portugese literatuur.<br />

In 1924 verhuisde hij naar Lissabon en in 1944 debuteerde hij met <strong>Het</strong> land <strong>van</strong> de zonde.<br />

Hij vervulde vele functies in de schrijverswereld en de journalistiek en werd omschreven als<br />

gehard communist en genadeloos criticus. Zijn bekendste roman is De stad der blinden. In<br />

1998 werd zijn oeuvre bekroond met de Nobelprijs voor de Literatuur.<br />

62


Holland 1883 (fragment)<br />

Ramalho Ortigão<br />

Vertaling: M. de Jong<br />

Utrecht en Leiden zijn de voornaamste centra <strong>van</strong> studie en wetenschap.<br />

De geografische ligging <strong>van</strong> Utrecht heeft deze stad in<br />

handel en industrie een voorsprong gegeven die zij weliswaar niet<br />

geheel verloren heeft, maar die in de loop der jaren toch veel verminderd<br />

is. Zo wordt het beroemde fluweel, waaraan Utrecht zijn<br />

naam gegeven heeft, nog wel in andere plaatsen, maar niet langer<br />

in Utrecht gefabriceerd. De stad is <strong>van</strong> een angstvallige zindelijkheid,<br />

met rechte, brede straten, en met grachten doorsneden,<br />

waarover het lover <strong>van</strong> oude bomen zijn stille schaduw werpt. Die<br />

grachten hebben hier een bijzondere vorm: zij zijn diep, met hoge<br />

wallen, zoals de Seine in Parijs, en aan beide zijden vindt men woningen<br />

die aan het water liggen als aan een straat en waar<strong>van</strong> het<br />

dak de bestrating <strong>van</strong> de kade vormt. Deze stad kwam mij eenzelviger,<br />

stiller en triester voor dan de andere Hollandse <strong>steden</strong>. Geen<br />

enkele wagen, rijtuig of paard in de verlaten straten, waar de voetstappen<br />

hol klinken, waar de melancholieke, verveelde atmosfeer<br />

<strong>van</strong> een oude kloostergalerij schijnt te hangen.<br />

Utrecht doet inderdaad denken aan een geweldig klooster,<br />

een stad <strong>van</strong> monniken en nonnen.<br />

Een paar puriteinse jongemeisjes gaan mij voorbij. Zij gaan<br />

naar de kerk of komen er <strong>van</strong>daan. Zij lopen langzaam, met neergeslagen<br />

ogen, de armen tegen het lichaam gedrukt, de handen<br />

over het middel gekruist. Zij zijn blond en bleek; iets <strong>van</strong> de mystieke<br />

ontroering <strong>van</strong> de Margaretha der Germaanse legende schijnt<br />

in haar wezen te trillen. Zij doen mij denken aan een calvinistische<br />

transpositie <strong>van</strong> de Andaluzische vroomheid: het Vesper luidt, de<br />

Sevillaanse meisjes gaan ter kerke, de rozenkrans om de polsen,<br />

het geborduurde zitbankje aan de arm, de mantilla over de schouders,<br />

de kousen zichtbaar in haar lage schoentjes, en <strong>twee</strong> anjers<br />

in het haar. Zo gaan zij knielend zuchten voor het retabel der Allerheiligste<br />

Maagd.<br />

63


In een plantsoen kom ik een man tegen die mij aanziet, alsof hij<br />

mij voor iemand houdt die hij kent en haat. <strong>Het</strong> is een magere oude<br />

man, geheel in het zwart, met een grijzende baard om zijn <strong>van</strong><br />

boosheid vertrokken gezicht, kleine, blauwe ogen, dunne, minachtend<br />

gekrulde lippen. Ik stap op hem af en op mijn vriendelijkste<br />

toon vraag ik hem beleefd een aanwijzing die ik niet nodig heb.<br />

Hij kijkt mij woedend aan, spuwt op de grond en loopt een<br />

andere kant uit. De brave man heeft mij voor een Spaanse katholiek<br />

aangezien en een uitbarsting <strong>van</strong> zijn sektehaat niet kunnen<br />

onderdrukken.<br />

Inderdaad, ik behoor tot een ras en een godsdienst die gehaat<br />

zijn bij een Nederlandse protestant. Maar hoezeer hebben<br />

drie eeuwen filosofie de religie, waartoe deze man behoort, en die,<br />

waar<strong>van</strong> hij mij de vertegenwoordiger waant, niet aangetast!<br />

<strong>Het</strong> katholicisme, zo krachtig door de wetenschap bestreden<br />

en bekritiseerd, is verslapt en tot een onschuldig christelijk rationalisme<br />

afgezakt, dat bovendien sterke individuele verschillen vertoont.<br />

Maar het zegevierend protestantisme is door zijn verbreiding<br />

juist bekrompener geworden. En <strong>van</strong> het moment dat het niet<br />

langer een poging tot vrij onderzoek <strong>van</strong> de waarheid vertegenwoordigde,<br />

maar integendeel een definitieve, onveranderlijke leer,<br />

is het voor de vooruitgang een even geducht obstakel geworden als<br />

het oorspronkelijk fanatisme dat de nieuwe godsdienst zich juist<br />

bestemd achtte te vernietigen in naam <strong>van</strong> de menselijke rede.<br />

Als dus de triomf der wetenschap in deze eeuw nog veroorloven<br />

zou tussen mij, de afstammeling <strong>van</strong> Torquemada, en deze<br />

Utrechter, de afstammeling <strong>van</strong> Johannes Hus, de oude brandstapel<br />

weer op te richten, dan zou deze keer ik het slachtoffer zijn.<br />

Ondanks de kracht <strong>van</strong> de geloofsovertuigingen die ik aan<br />

de lompheid <strong>van</strong> dat heerschap kon afmeten, veroorlooft de verdraagzaamheid<br />

de meest uitee<strong>nl</strong>opende sekten in Utrecht naast<br />

elkander te leven en maakt deze stad tot een interessant museum<br />

<strong>van</strong> dogmatische curiositeiten. In de meest volmaakte harmonie<br />

wonen er katholieken, protestanten, jansenisten en moravische<br />

broeders zij aan zij.<br />

64


De hernhutters bewonen in het lieflijke dorpje Zeist, onder de<br />

rook <strong>van</strong> Utrecht, een enorm, maar architectonisch onbelangrijk<br />

gebouw. Hun grote gemeenschap, in de zestiende eeuw door de<br />

vervolgde, verstrooide aanhangers <strong>van</strong> Johannes Hus gesticht, bestond,<br />

zoals men weet, uit afstammelingen <strong>van</strong> de vroegere Boheemse<br />

en Moravische broeders en uit alle protestanten, wier opvattingen<br />

<strong>van</strong> die <strong>van</strong> Luther en Calvijn verschilden.<br />

Men vertelt, dat de grote Hus op de brandstapel glimlachend<br />

keek naar een vrouw die zich verdienstelijk dacht te maken door<br />

het vuur op te rakelen. En stervend zou hij hebben uitgeroepen: ‘O<br />

sancta simplicia!’<br />

<strong>Het</strong> schijnt dat de hernhutters het ironische gezegde <strong>van</strong><br />

hun martelaar als ernst hebben opgevat en tot hun leefregel verheven.<br />

‘Heilige eenvoud!’<br />

Verheven denkbeelden gelijken in hun ontwikkeling op<br />

veelgebruikte borstels: eerst reinigen zij, dan worden zij smerig, en<br />

ten slotte besmeuren zij de dingen die zij aanraken. De gemeenschap<br />

der hernhutters, als laatste uitdrukking <strong>van</strong> de heldhaftige<br />

ketterij <strong>van</strong> Johannes Hus, levert wel het overtuigendst en treurigst<br />

bewijs voor dit onvermijdelijke verval der schoonste beginselen.<br />

Een onvruchtbaar, teruggetrokken bestaan <strong>van</strong> zachtmoedige, in<br />

afzondering levende maniakken zonder wetenschappelijke ontwikkeling,<br />

dat is al wat er in Holland <strong>van</strong> de revolutionaire, krijgshaftige<br />

sekte der hussieten is overgebleven.<br />

In een andere wijk <strong>van</strong> Utrecht wonen, een beetje afgescheiden,<br />

de jansenisten. Sedert 1725, toen de bisschop <strong>van</strong> Utrecht tegen<br />

de bul Unigenitus protesteerde, zijn er <strong>twee</strong> bisschoppen in de<br />

stad, één die door de Romeinse Curie benoemd is, en één die door<br />

de clerus gekozen wordt, voor zover deze zich niet met de bul in<br />

kwestie verenigen kan. En deze beide soorten geestelijkheid <strong>van</strong><br />

dezelfde kerk leven al meer dan anderhalve eeuw in een kleine stad<br />

naast elkander, zonder dat dit ooit tot wanordelijkheden of conflicten<br />

aa<strong>nl</strong>eiding heeft gegeven.<br />

Naast het Stedelijk Museum is het buitengewoon belangwekkend<br />

Aartsbisschoppelijk Museum voor het publiek geopend.<br />

65


Merkwaardige bijzonderheid: aan de katholieke geestelijkheid en<br />

in het bijzonder aan het intelligente initiatief <strong>van</strong> een aartsbisschop<br />

<strong>van</strong> Utrecht, monseigneur G. W. <strong>van</strong> Heukelum, zijn de laatste jaren<br />

in Holland een merkwaardige vernieuwing <strong>van</strong> het onderwijs<br />

in de schone kunsten en de ontwikkeling <strong>van</strong> de smaak <strong>van</strong> het publiek<br />

te danken! De geestelijkheid die zich in katholieke landen zo<br />

onverschillig of zelfs vijandig betoont tegenover de oplossing <strong>van</strong><br />

esthetische problemen, heeft in Holland juist de meeste belangstelling<br />

voor het behoud en herstel <strong>van</strong> oude monumenten en voor<br />

het verzamelen en wetenschappelijk inventariseren <strong>van</strong> kunstvoortbrengselen,<br />

in het bijzonder <strong>van</strong> die, welke de geschiedenis<br />

der christelijke kunst illustreren.<br />

* Ramalho Ortigão (1836-1915) was een Portugese schrijver, vertaler en literatuurcriticus. In<br />

1868 verhuisde hij naar Lissabon, waar hij contact legde met intellectuelen en schrijvers als<br />

Eça de Queirós. Hij reisde veel. Zo bezocht hij in 1883 als correspondent de wereldtentoonstelling<br />

in Amsterdam. Zijn berichten over Nederland bundelde hij in het boek A Hollanda.<br />

In dit werk beschrijft hij de Hollandse manier <strong>van</strong> leven en hun prestaties als model voor<br />

de Portugezen.<br />

66


De terugkeer (fragment)<br />

Dulce Maria Cardoso<br />

vertaling Harrie Lemmens<br />

Morgen gaan we weg uit het hotel. Morgen slapen we al in het<br />

nieuwe huis. Ik zal nooit meer hier op het dakterras zitten. Vandaag<br />

zie ik de wereld voor het laatst <strong>van</strong> hierboven, de auto’s piepklein<br />

op de weg langs de Taag, de huizen met de rode daken zij aan<br />

zij zoals op het monopoliebord, dat mijn zus zo graag deed met<br />

haar vriendinnen, dan sloten ze zich op in haar kamer en kochten<br />

het Rossio en de Rua do Ouro in Lissabon en Santa Catarina en<br />

Aliados in Porto, we hadden geen idee waar dat allemaal lag, wijken<br />

in Portugal en dus deftige wijken, mijn zus kocht ook graag de<br />

stations Campanhã en Santa Apolónia, het stationnetje hieronder<br />

aan de zee kon je niet kopen in het monopoliespel. Zelfs de treinen<br />

zijn klein als je ze <strong>van</strong> hieraf ziet, zilverkleurige buisjes die heen en<br />

weer schuiven. Ik zal nooit meer de schepen die verloren op zee<br />

varen zien zoals ik ze <strong>van</strong> hieraf zie. <strong>Het</strong> is onze laatste dag in het<br />

hotel. We hebben langer dan een jaar moeten wachten, maar nu is<br />

het eindelijk zover.<br />

<strong>Het</strong> nieuwe huis heeft een slaapkamer en een woonkamer<br />

zonder veranda. De ramen zitten vlak onder het plafond, een smalle<br />

reep licht die niets verlicht, maar moeder is zo blij alsof we naar<br />

een paleis verhuizen. Gisteren hebben we de sleutel opgehaald en<br />

zijn we er een paar uur gebleven. <strong>Het</strong> was schemerig binnen, ook<br />

al scheen de zon, en het rook muf. Vader sloeg zijn ogen neer, ik<br />

beloof jullie dat we ooit weer net zo’n huis krijgen als in Angola,<br />

vader met zijn ogen gericht op de versleten vloerbedekking en de<br />

belofte galmde door het lege huis. <strong>Het</strong> was geen belofte zoals vader<br />

die ginds had gedaan, de stofzuiger die moeder had gezien in<br />

het tijdschrift, het uitstapje naar de stuwdam <strong>van</strong> Cambambe, de<br />

Babyliss voor mijn zus om de krul uit haar haren te halen, het was<br />

een belofte met gebalde vuisten, een belofte die vader dwong zijn<br />

hoofd op te heffen en ons één voor één aan te kijken, ik beloof jullie<br />

67


dat we ooit weer net zo’n huis krijgen als we ginds hadden. Er lag<br />

zoveel woede in vaders ogen dat we allemaal zeker wisten dat hij<br />

het dit keer meende, dat hij het dit keer niet zou vergeten of nalaten<br />

omdat er iets anders was dat moest.<br />

Moeder is zo gelukkig dat vader helemaal niets had hoeven<br />

te beloven, er is geen betere plek dan ons huis, hier zitten we goed,<br />

herhaalt moeder ondanks de kille muren en het schaarse licht. Ik<br />

durf te wedden dat ze <strong>van</strong>avond voor het slapen al droomt <strong>van</strong><br />

een tafel voor de woonkamer en een <strong>twee</strong>persoonsbed. Voorlopig<br />

redden we ons met een paar luchtbedden en een kampeertafel, goh<br />

alleen de tent ontbreekt, zei mijn zus tevreden, en we moesten allemaal<br />

lachen. Voorlopig behelpen we ons ook met de glazen, de<br />

borden en messen en vorken die we in het hotel hebben gebietst.<br />

Jammer dat we daar niet meer weg konden pikken, stelen <strong>van</strong> de<br />

directrice daar is geen zonde. Dat is niet echt stelen en ik neem alleen<br />

maar niet een <strong>van</strong> de grote leunstoelen uit de hal en een tafel<br />

met stoelen en alles uit het restaurant mee omdat me dat niet lukt.<br />

Maar het zou net goed zijn, boontje komt om zijn loontje.<br />

* Dulce Maria Cardoso (1964) is geboren in Trás-os-Montes. Ze bracht haar jeugd door<br />

in Angola en keerde in 1975 terug naar Portugal. In Nederland verscheen Violeta en de engelen.<br />

Haar laatste, nog niet vertaalde roman, O retorno (2012), vertelt het <strong>verhaal</strong> <strong>van</strong> de<br />

zogenaamde retornados, de honderdduizenden Portugezen die na de onafhankelijkheid <strong>van</strong><br />

de Portugese kolonies in Afrika terugkeerden naar het moederland, waar het bewind <strong>van</strong><br />

dictator Salazar beëindigd was door de Anjerrevolutie <strong>van</strong> 25 april 1974.<br />

68


De zwarte uit de Mouraria<br />

José Eduardo Agualusa<br />

vertaling Harrie Lemmens<br />

‘Kijk nou eens daar naar het kasteel <strong>van</strong> São Jorge. Iedereen denkt<br />

dat die tanden, of hoe heet dat, kantelen, dat die daar al eeuwen<br />

zitten. Lariekoek! Weet je wie die daar op heeft laten zetten? Salazar,<br />

die koster-kruidenier. Volgens hem was een kasteel zonder<br />

kantelen, was dat een contradinges in terminis. Net zoiets als een<br />

koning zonder kroon, een vogel zonder vleugels. Een vrouw zonder...<br />

Snappie?’<br />

Niet helemaal eige<strong>nl</strong>ijk, al een halfuur lang doe ik moeite<br />

om zijn gedachtegang te volgen, maar Amadeu heeft te veel op, hij<br />

vliegt voortdurend uit de bocht.<br />

‘Net als die film, The Beach, met Leonardo Dicaprio, snappie?<br />

Weet je wat die lui, die yanks, weet je wat die deden om een<br />

paradijselijk tropisch eiland in Thailand, om dat te laten lijken<br />

op hoe in hun ogen een paradijselijk tropisch eiland eruitzag? Ze<br />

maakten het kapot. Pleurden er namaakduinen en plastic palmbomen<br />

neer, zoiets als het Colombo winkelcentrum in Benfica, weet<br />

je wel.’<br />

Ik snap het nog steeds niet: ‘Maar wat heeft dat nou met jou<br />

te maken?’<br />

Hij kijkt me beledigd aan, zijn ogen vertroebeld door drank<br />

en tranen: ‘Begrijp je dat dan niet? Ik geloof inderdaad dat je het<br />

nog altijd niet doorhebt, nee. Man, dat kasteel, dat ben ik! En dat<br />

strand daar in Thailand, dat ben ik ook.’<br />

We zwijgen beiden. Amadeu vertelt zijn <strong>verhaal</strong> zingend,<br />

alsof het een fado is. Hij stottert namelijk. Aangeboren. Hakkelaar,<br />

noemen ze hem ook, en stamelaar, brabbelaar, dat soort dingen.<br />

Als kind ontdekte Amadeu echter dat hij zijn gebrek om de tuin<br />

kon leiden door te zingen en daardoor werd hij fadista, fadozanger.<br />

Hij gaat er prat op dat hij elke tekst, hoe saai en gortdroog ook, kan<br />

veranderen in een sierlijke fado. <strong>Het</strong> telefoonboek bijvoorbeeld, of<br />

69


de getijdenkalender, de stelling <strong>van</strong> Pythagoras. In elk geval praat<br />

hij alsof hij aan het zingen is en daarom mijden de mensen hem als<br />

ze haast hebben.<br />

Terug naar het kasteel: Amadeu is geboren in de Mouraria,<br />

de oude Morenwijk, en hij is hier ook opgegroeid. Tussen lichtekooien,<br />

rode wijn en gegrilde sardientjes eind juni op het feest <strong>van</strong><br />

Sint-Jan. Niemand zou het raar hebben gevonden dat hij fadista<br />

werd als daar niet dat ene kleine detail was geweest, en dan bedoel<br />

ik niet dat hij stottert, want hij zingt prima, maar het feit dat hij<br />

zwart is. Zijn moeder was een Kaapverdiaanse varina, zo’n typisch<br />

Lissabonse visverkoopster met een grote mand op haar hoofd, en<br />

zijn vader een matroos uit Cabinda.<br />

‘Waar kom je nou eige<strong>nl</strong>ijk <strong>van</strong>daan?’ wordt hem regelmatig<br />

gevraagd. Dan haalt hij zijn schouders op en legt uit dat hij in de<br />

Mouraria is geboren. ‘Ja, oké, maar waar kwam je vader <strong>van</strong>daan?<br />

Uit Cabinda? Dan ben je Angolees.’ Dat irriteert mijn vriend: ‘Ga<br />

toch weg! Hoe kan ik nou een Angolees zijn als ik daar nog nooit<br />

ben geweest en als mijn moeder uit Kaapverdië komt?’ De anderen<br />

wuiven zijn vraag weg: ‘Dan ben je dus Afrikaan, man, maak je niet<br />

zo druk.’ Hij wil alleen maar gewoon een zwarte uit de Mouraria<br />

zijn. En vooruit, fadista, maar dat is misschien iets te pretentieus.<br />

‘Je zou moeten rappen,’ zeggen ze tegen hem, ‘rap, dát is muziek<br />

<strong>van</strong> zwarten.’ Amadeu wordt er doodmoe <strong>van</strong>: ‘Ze willen met alle<br />

geweld een zwarte Amerikaan <strong>van</strong> me maken, zoals die gangstajongens<br />

hier, die niet eens weten waar ze <strong>van</strong>daan komen.’<br />

Sommige mensen drinken om te vergeten. Amadeu, die niet<br />

dol is op wijn en zelfs niet op bier, drinkt opdat de anderen hem<br />

vergeten, ik bedoel, nooit vergeten dat hij een echte Lissabonner is.<br />

En die wijn <strong>van</strong> hem, wordt me ineens duidelijk, zijn de kantelen.<br />

<strong>Het</strong> kruisje aan een zilveren kettinkje om zijn hals − kantelen. De<br />

leeuw <strong>van</strong> Sporting − kantelen. Zijn pose <strong>van</strong> een goochemerd, zijn<br />

platte fadobargoens, zijn manier <strong>van</strong> lopen − allemaal kantelen. Of<br />

duinen en plastic palmen op een tropisch strand. Ik kijk hem aan<br />

en weet niet wat ik moet zeggen. <strong>Het</strong> is een zwoele middag en het<br />

uitzicht daar bij het kasteel, waar we zitten, is balsem voor de ziel.<br />

70


‘Dat wat onecht is aan dat kasteel,’ klaagt Amadeu nog, terwijl<br />

hij met een vermoeide duim achter zich omhoog wijst, ‘maakt<br />

het authentiek. Dat is toch grappig, vind je niet? Als het zou zijn<br />

zoals het oorspronkelijk was, zou niemand erin geloven.’<br />

Ik weet niet of Amadeu echt dronken is, maar verdrietig<br />

is hij wel: ‘Vroeger, ik bedoel heel vroeger, stikte het hier <strong>van</strong> de<br />

zwarten. Had ik toen maar geleefd, vijf eeuwen geleden, toen had<br />

ik Moor en Portugees kunnen zijn, net als dat kasteel, en iedereen<br />

had het normaal gevonden. Nu is het te laat, of nog te vroeg, dat<br />

zou ook kunnen.’<br />

We zwijgen opnieuw en ik bedenk dat dat de gangsta-jongens<br />

<strong>van</strong> hier ook kantelen hebben: rap, dreadlocks, Engelse straattaal.<br />

Amadeu vermomt zich tenminste nog als een echte Lissabonner<br />

om te lijken wat hij daadwerkelijk is. De gangsta-jongens, hij<br />

heeft gelijk, vermommen zich als Amerikanen terwijl ze dat niet<br />

zijn en nooit zullen worden. Kantelen op een sprookjeskasteel.<br />

Plastic palmen op een nepstrand. Ik neem afscheid en stap op. Ik<br />

geloof dat ik mijn geloof in het kasteel <strong>van</strong> São Jorge kwijt ben.<br />

* José Eduardo Agualusa (1960) werd geboren in Angola en woont afwisselend in Lissabon<br />

en Rio de Janeiro. Zijn werk - romans, verhalen, gedichten en kinderboeken - is in ruim<br />

vijftien talen vertaald. In Nederland zijn vier <strong>van</strong> zijn boeken vertaald. Eind 2009 voltooide<br />

hij zijn boek Barroco tropical in Amsterdam, waar hij Writer in Residence was. In zijn werk<br />

speelt hij vaak met het onderscheid tussen fictie en werkelijkheid, en tussen leugen en waarheid.<br />

71


Berlijn in de letteren<br />

73


City2Cities Abroad: Berlijn<br />

Philip Huff<br />

De eerste blik die je op de stad werpt, is de brede blik <strong>van</strong> een vogel.<br />

Je hangt hoog in de lucht, in een drukcabine <strong>van</strong> staal – en je kijkt uit<br />

over de stad die aan je rechterhand ligt, ver onder de vleugel.<br />

Je ziet een groot, groen bos, met enkele brede wegen die<br />

daar strak doorheen lopen. Een gigantische rotonde. Auto’s die als<br />

schaalmodellen voor Märklintreinen rondrijden. Aan deze kant <strong>van</strong><br />

het bos wordt de overgang naar de gebouwen aangegeven door een<br />

spoorlijn. Twee roodgele ijzeren slagen vliegen daar over voort; dan<br />

verdwijnen ze in een hoog gebouw <strong>van</strong> staal en glas. Aan de overkant<br />

<strong>van</strong> het park ligt nog een cluster hoge, moderne gebouwen, dicht tegen<br />

elkaar aan. Hoe hoog zijn die gebouwen, denk je. Je schat: tien,<br />

twaalf verdiepingen. Nee. Twintig. Minstens. Hoe hoog zijn ze dan?<br />

Hoe hoog is de Dom?<br />

Dan verschijnt een ander stuk <strong>van</strong> de stad. Een hoge, spitse<br />

toren met een grote, ronde bol er op, die <strong>van</strong> aluminiumpapier lijkt<br />

te zijn gemaakt. Eindeloze rijen hoogbouw erachter. Brede straten.<br />

En ver weg, in de verte, een groene heuvel.<br />

Als het vliegtuig heel laag vliegt, vlak voor de landing, kun je<br />

de witte nummerborden op de auto’s bijna lezen. Je ziet veel grote,<br />

lompe gebouwen, oranje en geel geschilderd. En weer: brede straten.<br />

Berlijn, denk je dan. Ik ben in Berlijn.<br />

Je zit in de S-Bahn; een kruising tussen een tram en de trein,<br />

zo’n geelrode slang. Op een verhoogd spoor word je door de stad gevoerd.<br />

Je rijdt <strong>van</strong> Berlin Zoologischer Garten, het oude hoofdstation<br />

<strong>van</strong> West-Berlijn, naar Friedrichstraße, in het oude Oost-Berlijn.<br />

Je passeert een grote zuil, middenin een druk verkeersplein. Was dat<br />

niet dezelfde zuil als gisteren?<br />

Je pakt je informatieboekje er bij: ‘De Siegessäule werd gebouwd<br />

na de Pruisische overwinning op de Denen. Later werd ter<br />

ere <strong>van</strong> de overwinningen op Oostenrijk en Frankrijk een bronzen<br />

beeld op de zuil geplaatst. Door de nazi’s werd het beeld <strong>van</strong> het<br />

75


Königsplatz (nu Platz der Republik) verplaatst naar de huidige locatie.’<br />

Je kijkt op. <strong>Het</strong> vergulde beeld <strong>van</strong> de godin <strong>van</strong> de overwinning<br />

schittert in de zon. Onverschillig voor de geschiedenis. Maar<br />

voor de bezoeker is dit het zoveelste onderdeel <strong>van</strong> een groot, meerstemmig<br />

<strong>verhaal</strong>.<br />

Dat <strong>verhaal</strong> wordt onderbroken door het station waar je binnenrijdt.<br />

Berlin Hauptbahnhof. Dat kolossale gebouw. Als je hier<br />

uitstapt kun je <strong>van</strong> de bovenste verdieping helemaal naar beneden<br />

kijken, zeker twintig meter omlaag, tot op het ondergrondse perron<br />

waar de hele dag treinen aankomen, uit Osnabrück, Italië, Polen. En<br />

Nederland.<br />

Je stapt uit op Friedrichstraße en begint te lopen, met de mensenmassa<br />

mee, de trap af, het station uit. Je volgt het spoor. De groep<br />

mensen om je heen wordt steeds dunner, tot je op een gegeven moment<br />

nog maar één iemand voor je hebt: een meisje, dat net als jij op<br />

elke straathoek even omhoog kijkt, om de straatnaamborden op de<br />

palen te verifiëren.<br />

Je kijkt op de kaart om te zien waar je ook al weer moest zijn.<br />

Berlijn is een stad waar de geschiedenis letterlijk op straat ligt.<br />

De brede stukken natuursteen op het trottoir zijn restanten uit de<br />

nazitijd. In de straat waar je opstapte, werd op 2 juni 1967 een Duitse<br />

student doodgeschoten. Benno Ohnesorg. <strong>Het</strong> zwart geworden<br />

bronzen plakkaat dat hierover vertelt, hangt doelloos in de zon.<br />

Zonder zorgen.<br />

Zonder oordeel.<br />

Maar er kan over geschreven worden – zodat het niet onopgemerkt<br />

voorbij gaat.<br />

Dan zie je waar je bent en begin je weer te lopen.<br />

<strong>Het</strong> Rosa-Luxemburg-Platz is vernoemd naar de communiste<br />

Rosa Luxemburg, die samen met Karl Liebknecht werd vermoord.<br />

Vijfhonderd meter <strong>van</strong> de universiteit op Unter den Linden ligt een<br />

gebouw waarin het balkon <strong>van</strong> het voormalig keizerlijk paleis is verwerkt.<br />

<strong>Het</strong> is het balkon <strong>van</strong>waar Liebknecht op 9 november 1918 de<br />

‘vrije socialistische republiek Duitsland’ uitriep.<br />

76


En tevens het balkon waarop keizer Wilhelm II op 1 augustus 1914<br />

het begin <strong>van</strong> de Eerste Wereldoorlog verkondigde.<br />

<strong>Het</strong> Duitse keizerrijk is terug te vinden in de grote Berliner<br />

Dom, op nog geen steenworp afstand <strong>van</strong> Liebknechts balkon.<br />

En dan moeten we nog bij Hitler aankomen, en de Muur. Of<br />

daarvoor, de Gründerzeit, toen het zojuist verenigde Duitsland het<br />

machtigste land was <strong>van</strong> continentaal Europa.<br />

Dat is het nu weer.<br />

En Berlijn is de hoofdstad <strong>van</strong> Europa. En net als dat achterland<br />

is Berlijn een lappendeken. Wat wel duidelijk is geworden, het<br />

is een lappendeken waar literatuur nog een zeer duidelijk onderdeel<br />

<strong>van</strong> de stof is – en dat nog wel even zal blijven.<br />

Schrijvers hoeven de straat maar op en neer te schrijven wat<br />

ze zien.<br />

Je gaat op een bankje zitten en pakt de proloog <strong>van</strong> je laatste<br />

roman, vertaald in het Duits.<br />

Dan begin je te lezen.<br />

Je leest in een taal die de jouwe niet is, en je leest woorden<br />

voor die jij nooit hebt geschreven.<br />

Maar je kijkt op, naar de diepblauwe lucht, het veld vol sneeuw<br />

voor je, en naar de Berliner Dom en je denkt: Er zijn <strong>twee</strong> soorten<br />

<strong>steden</strong> in de wereld. Berlijn en de rest. Als je alle activa bij elkaar<br />

optelt, staat de teller altijd op winst.<br />

Misschien is het zo dat als je ouder wordt, het lastiger wordt<br />

om gedachten in handelingen om te zetten – en daarom blijft het allemaal<br />

in je hoofd zitten en wordt het zwaar, daar – soms bijna niet<br />

meer te dragen.<br />

Misschien is de beste hulp die je kunt krijgen daarom soms<br />

een harde zet.<br />

Maar misschien ook niet.<br />

Berlijn is een jonge stad. Berlijn geeft je het gevoel jong te zijn.<br />

Berlijn houdt <strong>van</strong> ruimte, <strong>van</strong> openingen, Berlijn biedt de ruimte iets<br />

te ontplooien.<br />

De grond te verlaten. Te vliegen.<br />

En de laatste blik die je op Berlijn werpt, is gelijk aan je eerste.<br />

77


Maar veel <strong>van</strong> wat je ziet, heeft een naam gekregen, een betekenis:<br />

de sneeuw schittert in de straten. De zon schijnt nog steeds zonder<br />

oordeel op alles neer, maar voor jou leven al die stenen, al die straten.<br />

Bestaan ze in verhalen. Zelf gemaakt, of ergens gelezen. Berlijn.<br />

Je bent er geweest.<br />

* Philip Huff (1984) debuteerde in 2009 met de roman Dagen <strong>van</strong> gras. <strong>Het</strong> boek werd<br />

voor diverse prijzen genomineerd, vertaald en verfilmd. Zijn laatste boek Goed om hier te<br />

zijn verscheen in maart 2013. Huff nam samen met F. Starik deel aan het project City2Cities<br />

Abroad, waarvoor hij als ambassadeur <strong>van</strong> het festival gaststad Berlijn bezocht. Tijdens<br />

City2Cities presenteerde hij zijn bevindingen aan de hand <strong>van</strong> een filmverslag dat tijdens<br />

de reis werd gemaakt.<br />

78


Berlijn<br />

Hendrik Marsman<br />

De morge<strong>nl</strong>ucht is een bezoedeld kleed<br />

een bladzij met een ezelsoor<br />

een vlek<br />

de stad<br />

een half ontverfde vrouw<br />

maar schokkend steigert zij den hemel in<br />

als een blauw paard <strong>van</strong> Marc in ’t luchtgareel<br />

Berlijn<br />

de zon is geel<br />

* Hendrik Marsman (1899-1940) is een Nederlandse dichter. Hij volgde een deel <strong>van</strong> zijn<br />

studie in Utrecht en was hier ook enkele jaren actief als advocaat. Daarna wijdde hij zich<br />

volledig aan het schrijven <strong>van</strong> poëzie en proza. Hij is een <strong>van</strong> de vertegenwoordigers <strong>van</strong> het<br />

vitalisme en het expressionisme. Zijn gedicht ‘Berlijn’ prijkt sinds juli 2012 in Duitse vertaling<br />

op een muur <strong>van</strong> de Nederlandse ambassade in Berlijn.<br />

79


Tiergarten<br />

Erik Lindner<br />

Steden betreed je niet, ze voltrekken zich rondom je<br />

als in eeuwen uitdijend vlees vertrekken ze <strong>van</strong>uit de<br />

vijf gillende snedes die je lichaam verminken, verenigen<br />

in je hart waar op een verticale speer een engel rijst.<br />

Steden ontstaan niet, ze trachten elkaar te omhelzen<br />

maar hun armen ontoereikend, hun gebaren zielloos<br />

vinden in een wals langs je onoverbrugbare kaaltes.<br />

Elk nieuw gebouw wankelt in duizelingwekkend uitzicht.<br />

Steden bezie je niet, je hoort ze en ruikt ze<br />

ze rimpelen je meren onder geknars <strong>van</strong> de S-bahn<br />

ze geven je dichtgetimmerde villa’s met tuinen vol afval<br />

en Potsdammer Platz ontbloot zich kermend aan je linkervoet.<br />

Steden verken je niet, ik betast ze je verlatend<br />

en leer in ieder een weg die geen einde kent, een belofte<br />

<strong>van</strong> een toekomst voor de som <strong>van</strong> levenslang. Ik sla af<br />

geleid door zingend gegons dat me keer op keer terugroept.<br />

* Erik Lindner (1968) is een Nederlandse schrijver en criticus. In 1996 debuteerde hij met<br />

de dichtbundel Tramontane. In 2012 werkte en woonde hij op uitnodiging <strong>van</strong> het Berliner<br />

Künstlerprogramm <strong>van</strong> de Deutsch Akademischer Austauschdienst in Berlijn. Hij schrijft<br />

recensies, maakt reportages en is redacteur bij literair tijdschrift Terras. In 2013 verschijnt<br />

zijn eerste roman, Naar Whitebridge, en wordt een selectie <strong>van</strong> zijn gedichten in het Duits<br />

uitgegeven.<br />

80


Engel in Berlin<br />

Tomas Lieske<br />

voor Anthony Mertens<br />

Op zoek naar een grootstedelijk belang<br />

bewoog hij nadenkend over het behang <strong>van</strong> de aarde<br />

Zijn schedel zocht een vorm om zijn gedachten<br />

te bewaren, zijn handen vonden een gebaar<br />

om alles te verklaren, zijn voeten schuifelden<br />

in schoenen waarin hij zijn horloges stopte<br />

zodat bij het lopen zijn beide zolen zwollen.<br />

Zolen <strong>van</strong> beschreven papier; veters <strong>van</strong> toespraken;<br />

daartussen de klokken <strong>van</strong> de tijd, gedempt<br />

door zijn dunne sokken en zijn dikke voeten.<br />

En onderweg <strong>van</strong> Rathaus naar hotel<br />

<strong>van</strong> Botschaft naar het eeuwig bier<br />

hield hij auto’s tegen met kracht<br />

<strong>van</strong> literaire telling en met overtuigend<br />

wijzen naar de straat <strong>van</strong> verloren tijd.<br />

De scherpste Berlinist had hij graag willen zijn.<br />

Hij sleep de historie en formuleerde zijn leven<br />

tot een snijdend antwoord,<br />

hij propageerde een lichaam<br />

zonder etiket, een kop als piket met hoogste attentie<br />

een oog dat kon seinen, een hand die kon tellen.<br />

Hoeveel Berlijners zijn er in treinen gestorven,<br />

hoeveel hebben met versuikerde ogen het echte lezen<br />

moeten opgeven, hoeveel met kreten <strong>van</strong> pijn aan de tijd<br />

opnieuw leren lopen?<br />

* Tomas Lieske (1943) is een Nederlandse schrijver en dichter. Lieske debuteerde met gedichten<br />

in literaire tijdschriften Tirade en De Revisor. Met Oorlogstuinen (1992), zijn prozadebuut,<br />

won hij de Geertjan Lubberhuizen-prijs. Voor zijn dichtbundel Hoe je geliefde te<br />

herkennen (2006) werd hem de VSB Poëzieprijs toegekend. Hij woont momenteel in Berlijn,<br />

de stad waar ook zijn roman Alles kantelt (2010) zich afspeelt.<br />

81


Berlijn - Alexanderplatz<br />

Hans Tentije<br />

De grond moet altijd nog dezelfde zijn<br />

maar de oude café-restaurants, de wereldvermaarde<br />

warenhuizen, de hoerenhuizen en half en half<br />

clandestiene nerinkjes, de uitdragerijen, de overbevolkte<br />

etagewoningen hier om de hoek — dat alles<br />

werd ermee gelijk gemaakt<br />

een zandvlakte was het, veemarkt en dorpshart<br />

later en daarna een niet meer te ontwarren kluwen<br />

<strong>van</strong> trams, rijwielen, handkarren, paard<br />

en wagens, voetgangers en automobielen-<br />

in zo’n steriele, hygiënische, door weinig anders<br />

dan indroevige naoorlogse nieuwbouw omgeven kaalslag<br />

waait geen krant je tegemoet, zou geen<br />

Biberkopf zijn Völkischer Beobachter<br />

meer durven uitventen, met in zilveren letters<br />

die naam trots op zijn pet<br />

op de gevel <strong>van</strong> een <strong>van</strong> de kantoorflats<br />

prijkt dan ook precies een slecht gekozen passage<br />

uit Döblins werk-iets over weerzien<br />

en hondse kou, waar eige<strong>nl</strong>ijk<br />

bijvoorbeeld dit had moeten staan:<br />

Kijk nog eenmaal om u heen, u allen, die hier<br />

nu gedachteloos krioelend over de Alex gaat, kijk nog<br />

even om, voor alles voorgoed verdwenen is —<br />

82


in de schaduw <strong>van</strong> een bouwschutting scholen<br />

allerlei punks samen, sommige in aan elkaar geketende<br />

winkelwagentjes gezeten, en drinken er<br />

misnoegd, verveeld uit blik hun halve liters<br />

het is het zwart weer en het leer, het zijn<br />

de aan iedereen trouw te maken honden weer<br />

en de soldatenkisten, de matglanzende<br />

doodssymbolen en deinende, wiegende, gekleurspoelde<br />

hanenkammen als vederbossen<br />

op verder kaalgeschoren schedels —<br />

bulldozers schoven traag het puin, die eindmorene<br />

<strong>van</strong> vergeten leven, naar de uiterste<br />

randen weg en lieten in alle leegte het plein<br />

met zijn pleinvrees alleen<br />

* Hans Tentije (1944) is een Nederlandse dichter en schrijver. Zijn eerste gedichten worden<br />

gekenmerkt door een politieke inslag en een zeker cynisme als gevolg <strong>van</strong> de teleurstelling<br />

toen eind jaren zestig de verwachte veranderingen tegenvielen. Hij won meerdere prijzen<br />

met bundels als Wat ze zei en andere gedichten (1979) en Deze oogopslag (2004). In laatstgenoemde<br />

bundel neemt hij de lezer mee naar bekende en minder bekende uithoeken <strong>van</strong><br />

Europa, waaronder Petten en Berlijn.<br />

83


gross-berlin 1956<br />

Lucebert<br />

in deze hondse stad vol<br />

hondentrouw en hondenminnaars<br />

elke trouwe hond zijn eigen<br />

gewete<strong>nl</strong>oze hondsvot<br />

rust ik niet deze<br />

steedse steppe deze historische bron<br />

<strong>van</strong> dolle verdorring is in rust<br />

nog een oordeel<br />

mij is deze woestijn<br />

zojuist gekauwde kruimels hoop<br />

op groot vruchtbaar brood<br />

een gruwel<br />

het bucolisch oordeel:<br />

kikkers plukken met het ooglid<br />

wordt hier achter vergulde deuren voltrokken<br />

anatomisch korrekte martelaren eens<br />

verwoed slechtend hun op liefde beluste spieren<br />

voorgoed voor de wassende spiegels <strong>van</strong> hun hoogmoed<br />

door verborgen nevels<br />

verbleekt weggeëbd bloed<br />

met betraande wangen wandelen zij<br />

in zelfbeklag en rusten nu<br />

maar hierbij rust ik niet<br />

hier is rust<br />

ruïne graf beulsmasker doods oordeel<br />

* Lucebert, pseudoniem <strong>van</strong> Lubertus Jacobus Swaanswijk (1924 –1994), is een Nederlandse<br />

dichter en beeldend kunstenaar, wordt beschouwd als de meest revolutionaire, authentieke<br />

en beeldende dichter <strong>van</strong> de experimentele generatie. Vanaf zijn debuut in Reflex (1949) met<br />

het antikoloniale gedicht Minnebrief aan onze gemartelde bruid Indonesia kenmerken zijn<br />

gedichten zich door maatschappelijke en artistieke opstandigheid.<br />

84


Brandmuren<br />

Günter Grass<br />

vertaling Jan Gielkens<br />

Ik groet Berlijn door drie keer<br />

met mijn voorhoofd tegen een<br />

<strong>van</strong> de brandmuren drie keer te beuken.<br />

Onberispelijk uitgezaagd<br />

werpt ze haar schaduw daar<br />

waar vroeger jouw stuk grond lag.<br />

Persil en zijn blauw overleefden<br />

op een muur op het noorden;<br />

nu sneeuwt het, maar dat zegt niks.<br />

Zwart zonder brandmuuropschrift<br />

komt de muur op me af<br />

kijkt hij over mijn schouder.<br />

Eén enkele sneeuwbal blijft plakken.<br />

Een jongen wierp hem, want er was iets<br />

aan de hand met die jongen, diep <strong>van</strong>binnen.<br />

* Günter Grass werd in 1927 geboren in Gdansk, dat nu bij Polen hoort, en is een Duitse<br />

schrijver <strong>van</strong> romans, toneelstukken en poëzie. Na de oorlog studeerde Grass, onder meer<br />

in Berlijn, tekenen en beeldhouwen en begon hij te schrijven. Zijn roman De blikken trom<br />

bracht hem internationale bekendheid en werd in 1979 verfilmd. In 1999 werd hem de Nobelprijs<br />

voor de Literatuur toegekend.<br />

85


Aan de Berlijnse vrouw<br />

Kurt Tucholsky<br />

vertaling Erik de Smedt<br />

Meisje, geen Casanova<br />

had jou ooit geïmponeerd.<br />

Jij gelooft toch niet wat een voze<br />

dweper over jou fantaseert?<br />

Zong al smachtend in ’t donker<br />

Romeo, door liefde gestrikt,<br />

dan zou jij zachtjes fluisteren:<br />

‘Zekers <strong>van</strong> lotje getikt –?’<br />

Zoek je romantisch ‘das Letzte’,<br />

dan wordt het de bios voor jou …<br />

Jij bent immers moeders beste,<br />

jij, de Berlijnse vrouw –!<br />

Hoe jij liefhebt, Venus aan de Spree –<br />

naarstig en zo stipt op tijd!<br />

Charmeren tot tien voor half <strong>twee</strong>,<br />

kussen tot de tram niet meer rijdt.<br />

Alles bezorg je bedreven,<br />

je blijft zelfs bij de liefdeseed<br />

zakelijk, netjes en zullen we even:<br />

boekhoudkundig compleet!<br />

Hoezeer zijn arm je ook preste:<br />

voor jou niet voor ’t leven, slechts gauw.<br />

Jij bent immers moeders beste,<br />

jij, de Berlijnse vrouw –!<br />

Door de week hanteer je met verve<br />

textiel, naald en liniaal.<br />

Zondags fonkelen de sterren<br />

Pruisisch-sentimentaal.<br />

86


Denk je aan de mollenstola<br />

die je vriend je spendeert?<br />

Lichtend voorbeeld <strong>van</strong> Pola!<br />

Heupwiegend gesofisticeerd.<br />

Ouder word je. De resten<br />

verdwijnen allengs in de kou.<br />

Laat de mondaine geste!<br />

Jij bent immers moeders beste,<br />

jij lieve Berlijnse vrouw –!<br />

* De Duits-joodse Kurt Tucholsky (1890-1935) werd geboren in Berlijn, maar verhuisde in<br />

1924 naar Parijs en later naar Zweden. Hij was een <strong>van</strong> de belangrijkste journalisten <strong>van</strong><br />

de Republiek <strong>van</strong> Weimar. Hij was tegelijkertijd schrijver <strong>van</strong> satirische politieke revues,<br />

liedjesschrijver en dichter. Hij waarschuwde onder meer voor het nationaalsocialisme en<br />

toen de Nazi’s in 1933 aan de macht kwamen, werden zijn boeken bestempeld als ‘Entartete<br />

Kunst’ en verbrand.<br />

87


kunnen mieren ook<br />

Ulf Stolterfoht<br />

vertaling Ton Naaijkens<br />

mier wijst en masse op berekende vorm. helaas stalt ze zich ietwat<br />

uit. voor stellen ze elkaar wederzijds – wat? zelden tot nooit. staan<br />

op hun nomen-zijn. maar hoe stelt een substantief zich ´n nomen voor? wat<br />

denkt anderzijds een nomen <strong>van</strong> ´n flomen? weten we. en we zeggen ´t<br />

niet! roezeboom en sijsjesheid. in plaats daar<strong>van</strong>: fragment uit het<br />

genoom <strong>van</strong> een acrostichon. of: slechts wat men verbastert bestaat.<br />

creolisering gaat uit <strong>van</strong> het volk. au! laat ze tegenwerpen: dat<br />

weten we toch al lang! je dringt aan op gaten lappen, dik <strong>van</strong><br />

alle hoop, en wording worden tamelijk. cadeautje. het zij. het worde.<br />

geschreven. en zo ziet een kameleon eruit (1-7). magrittehond.<br />

brengt lichtbaby aan de doolstaf. ben eerder laroche dan foucault. geen<br />

matisse. chagallstrik maakt iemand eindeloos. feldman dubbelt zich<br />

door. charles ives neukt op. en – tekstbundel voor poëzievrienden: dit<br />

jaar gaat de peter-huchel-prijs naar peter huchel, de ernst-meister naar<br />

ernst meister. maakt ´t er allemaal niet makkelijker op. maar echt belangrijk<br />

lijkt ´t ook niet als je ´t <strong>van</strong> links of rechts bekijkt. moeten allemaal<br />

podia zijn. met onderschriftelijk palimpsest. ‘aan de voet <strong>van</strong> ´t<br />

schillermonument,´ zegt thomas schmit, ´staat ook geen schillermonument,<br />

maar schiller!’ ik ben er wat dat betreft niet zo zeker <strong>van</strong>. staat onder ´t<br />

gedenkteken gedenkteken, groet otto neurath met geheven vuist. staat onder<br />

uhland mörike, kun je <strong>van</strong> hauff op aan. gummi vingers leidt max ernst<br />

naar ´t gevecht. op de achtergrond rijst diter rot. veel verwordt tot schraag.<br />

we moeten ons bezinnen. dus: ezra pound EN silvio gesell. mogelijkerwijs<br />

ook jacques brel. liever niet. hoe heet ook weer die andere belg, die<br />

niets luchtiger maakt en alles verzwaart? patrick dewaere, dunkt me.<br />

* De gedichten ‘kunnen mieren ook’ en ‘babel’ worden met nog vijftien andere gedichten <strong>van</strong> Stolterfoht<br />

afgedrukt in het vierde nummer <strong>van</strong> het tijdschrift Terras, dat in juni 2013 wordt gepubliceerd.<br />

88


abel<br />

Ulf Stolterfoht<br />

vertaling Ton Naaijkens<br />

(… ligt in vlaanderen) – dit vinden de anderen: ´zoals alles wat<br />

langenscheidt per kilo produceert, is ook het universele gedicht babel<br />

als tamelijk gevormd te beschouwen. alle respect!´ (the language<br />

& the damage done, cambridge) of ´gedegen inhoud bij ambigue<br />

structuur levert uitdaging puur´ (veelvoudige schriftexegese, tallinn) – alleen:<br />

´wie zo over tekst praat verplicht zich tot input´ (de nieuwe scepticist,<br />

maastricht) – hoor ik daar iets als ondertoon? open gesproken hoor ik die<br />

wel! daarom luisteraars a.u.b., pas goed op als het op uw trommelvellen knalt<br />

– in drieëntwintig tongen. voor menigeen gaat dat te snel, komt<br />

ook te schel – daarom een kleine i<strong>nl</strong>assing ter controle: verstodde maai??<br />

joa, as ge nie te rap klapt! heel langzaam, om mee te schrijven: babel is<br />

lieflijk, oord der wildste lettergrepen, soort permanent pinksteren. hier<br />

heeft men<br />

voor het eerst vrijheid gevoeld en peu à peu de hostie geprofaneerd. dit<br />

geschiedde<br />

waar? in de leopold-zoo. kijk: men voerde nomen (´meeuwen´) aan leeuwen.<br />

nu richt eastman hier de tanding voor nop. dat was ’t ongeveer. toch<br />

hangen morfemen dreigend over de squares. niet weinig zweert. een<br />

gezin uit wilna geniet <strong>van</strong> een biertje voor een belgisch huis. krimgotisch tekent<br />

zich af. zevenburgers saksisch aan de hoektafel. noem het toeval – maakt niet uit:<br />

babel<br />

is <strong>van</strong> zins gods syntaxis te veranderen. alles random. de mensen in babel met<br />

keeltjes behangen. tattoos in oegrisch, gaelisch, in jenisch. ik draag bijvoorbeeld<br />

´schengen rules okay´ dwars over mijn borst. dat werd destijds gesubsidieerd.<br />

en direct onder mijn knie een topografische kaart <strong>van</strong> wallonië. pariteit is<br />

het woord, babel de navel, en wat je wint is alleen maar gespin. want wees<br />

er zeker <strong>van</strong>: onderaan de zenne kijkt de olm uit, op de oever het monster -<br />

´die halen<br />

alles terug, verslinden de tongen, en dan? (buitengewoon sterke afgang, poznan)<br />

89


word zwaard (of bezwijk aan het pogen). voor<br />

jeremy prynne<br />

Ulf Stolterfoht<br />

vertaling Tom Ordelman<br />

eerste gedicht <strong>van</strong> de schöneberg artista proleta-fractie: schapf. de<br />

tiende half gedronken. alvorens de hoofden op de gelagtafel zonke<br />

klonk een gezang als volgt: pentateuch heet mijn sjeik / liegelind<br />

ons kind / afgepeigerd hun maagd – nu kennen jullie het tekstspinsel.<br />

maar wat als (zo monotoon de delegatie uit neukölln): er iemand een<br />

kruidachtige broek heeft / en haberschlachtige kous’n? dan verplichte<br />

radicale oplossing: veertig morgen en een muildier. conceptzwijn.<br />

oftewel gedokt: de hardste ploeteraar rockt. daarop volgt beschaamd<br />

herdenkmoment. waarna met oerkracht zo’n zevenhonderd newtonmeter<br />

op de vervolgstrofen werken. alles uiteraard met driewegwurmkat.<br />

nu laat men ze gaan. alleen: de as kan de druk niet weerstaan.<br />

gehalte knalt je om de oren – in dit opzicht „niet ongelijk aan<br />

opvliegende vogelzwermen”. opzienbarend weinig welvarend. nader<br />

citaat met bloed-lever-binding – zodat een spectraal beeld <strong>van</strong> het<br />

gevecht ontstaat: zit je met <strong>twee</strong> trotski-beweningen – doe er dan<br />

één weg! ze versterken elkaar niet! district tempelhof-noord (iet-<br />

wat simpeler gebekt / met kunstenaars-om-den-brode doorspekt)<br />

neemt het woord / brengt in het midden: als onze stand / als<br />

onze wortels onvermeld / beweging beslist wegsmelt / zoals een<br />

kasteel <strong>van</strong> kaneel. nou ja. wat ongelukkig geformuleerd. onhandig.<br />

maar correct waar essentieel. de wellicht meest verwarrende indeling<br />

<strong>van</strong> de stad. zij verder nog herinnerd aan: de rebel z’n massa is de<br />

mol z’n compost. en meer zulk ruw geklonter. wat tenslotte overbleef<br />

was een document voor minimalisten. en genoeg ruimte voor notities.<br />

90


gedicht met gegnosticeerde scratch<br />

Ulf Stolterfoht<br />

vertaling Tom Ordelman<br />

zwartekat zwartekat – ga je verhuizen? iets drijft mij naar de zangeres<br />

in het land <strong>van</strong> de muizen. zwartekat smartekat – wat doe je in dat<br />

oord? ik zet mijn werk aan het wangedrocht voort. dan wordt er dus<br />

metrie bedreven: staartig / levig in verhouding negen staat tot zeven.<br />

soort woekerend pond – maar nu onder titel: ‹‹afgerond middel››.<br />

aan pluim en snuit praktisch even spits. volgt benoeming <strong>van</strong> de<br />

hits: kattenkrabkoorts. lang had de jeugd ted nugent gedeugd. maar<br />

hoe noemt de zanger <strong>van</strong> ‹‹matthew and son›› zich? kat islam. de<br />

poes evenwel hing in templin. memphis in de zin. dooier aan de<br />

kin. stablues <strong>van</strong> kues. baton rouge. tussendoel cluj. klaar poes.<br />

tomkat en vroomkat – kondigt nu aan: hoe luidt immers de<br />

volgende man’s naam? men noemt hem de uitspreekbare! hier volgt<br />

een sage: ik heb op aarde misschien drie katers opgelopen:<br />

rosso nero louis. <strong>van</strong> deze echter was nero de lijdzaamste bankpieper.<br />

de meest geschikte zeker ook. geeloog sedert tijden op dicht-<br />

kunst gericht. wat hij beknikte dat hield stand. en zal dat ook<br />

nog lang doen. billijking scheen aangeduid tot zonneklaar. hoewel: bij<br />

concrete poëzie boog zijn haar zich / bizar in zijn lichaam<br />

terug. en mopperde daarop weze<strong>nl</strong>ijk. en schakelt het motertje uit.<br />

dus kijk goed uit! reeds acht verhalende reuzen verloren hun vlies.<br />

in neustadt ademden drie vervullers uit. in landau idem net zo.<br />

anderzijds bezorgde alleen hij de palts-renaissance haar glans.<br />

resteert nog één vraag: dat, wat in maikammer verkluisterd was –<br />

of ‘t bozig was? ‘t was kras! pak ‘t zwartekat! nog weet niemand dat.<br />

en op de achtergrond loeren de onbegrijpelijke zinnen <strong>van</strong> de hond.<br />

91


Vaagspraak<br />

Bij vier gedichten <strong>van</strong> Ulf Stolterfoht<br />

Matthijs de Ridder<br />

<strong>Het</strong> is een verlangen dat elke dichter kent: schrijven zonder inhoud,<br />

puur op klank. Poëzie is immers ‘woordkunst’, zoals Paul<br />

<strong>van</strong> Ostaijen al wist. En hij voegde daaraan toe: ‘Poëzie is niet: gedachte,<br />

geest, fraaie zinnen, is noch doctoraal, noch dada. Zij is<br />

eenvoudig een in het metafysische geankerde spel met woorden.’<br />

Dit is een helder uitgangspunt dat in zekere zin ook <strong>van</strong>daag de<br />

dag nog geldig is voor de poëzie <strong>van</strong> veel dichters. <strong>Het</strong> is alleen<br />

moeilijk vol te houden.<br />

Zelfs Gaston Burssens, Van Ostaijens trouwste wapenbroeder,<br />

begon in de decennia na de dood <strong>van</strong> zijn vriend te sleutelen<br />

aan deze zo bondig geformuleerde stelregel. Want wat is een<br />

poëzie zonder ‘gedachte’ of inhoud? Is dat een poëzie die totaal<br />

is opgetrokken uit nonsensicale woorden? Valt de Nederlandse en<br />

Vlaamse liederentraditie daar dan ook onder met haar ‘kadeekadookadollekekada’<br />

en haar ‘djikkedjakke, kerrekoltjes, klitsklets’?<br />

Hoewel Van Ostaijen en Burssens wel hielden <strong>van</strong> een klankspelletje<br />

op zijn tijd hebben ze het toch zelden zo bont gemaakt. Bovendien<br />

mocht de poëzie volgens hun uitgangspunten geen ‘dada’ zijn<br />

en kwamen klankgedichten zoals Kurt Schwitters’ Ursonate niet in<br />

aanmerking.<br />

Burssens worstelde met de definitie die hij ooit met veel<br />

vuur had verdedigd omdat de poëzie die hem aan het hart ging,<br />

geschreven was in het Nederlands, gebruikmaakte <strong>van</strong> bestaande<br />

woorden en dus een bepaalde ‘betekenis’ had, hoe ‘metafysies’ die<br />

betekenis soms ook was. In 1950 voegde Burssens daarom aan de<br />

beroemde stelregel toe dat de poëzie ‘geen essentieel doel [heeft] en<br />

geen essentiële inhoud’. De poëzie had dus wel een doel en ook een<br />

inhoud, maar die was niet essentieel. Zes jaar later ging Burssens<br />

definitief door de knieën en gaf hij in een radio-interview toe dat<br />

de poëzie wat hem betrof woordkunst met inhoud was. De lokroep<br />

<strong>van</strong> de betekenis bleek moeilijk te weerstaan.<br />

92


Maar wat nu als je dicht in een taal die je niet beheerst? Wat nu als<br />

je dicht in een taal die je slechts kent uit woordenboeken? Dat is<br />

precies wat de Duitse dichter Ulf Stolterfoht doet in een aantal gedichten<br />

uit fachsprachen X–XVIII (2002). De fachsprachen vormen<br />

een doorlopende reeks gedichten die letterlijk zijn opgebouwd<br />

uit (vak)jargon. In de XIII de reeks bestaat het jargon uit een serie<br />

vreemde talen die de dichter niet, of slechts zeer minimaal machtig<br />

is. De woorden die Stolterfoht gebruikt, hebben voor hem dus<br />

weinig betekenis, of in ieder geval hebben ze niet noodzakelijkerwijs<br />

de betekenis die de dichter eraan geeft. Een zuiverder vorm<br />

<strong>van</strong> woordkunst is haast niet denkbaar. Stolterfohts aanpak belooft<br />

in ieder geval een <strong>van</strong> alle ‘doctorale geest’ gevrijwaard spel met<br />

woorden.<br />

schout-by-nacht: schaterlach!<br />

Ik zou u niet meteen kunnen vertellen waar Stolterfohts Nederlandse<br />

gedicht (4) over gaat, al zou ik ook niet durven beweren<br />

dat er niets staat. <strong>Het</strong> is een klankgedicht, maar dat is het ook niet.<br />

Stolterfoht heeft zich namelijk wel laten leiden door de klank <strong>van</strong><br />

de woorden, maar het Duits lijkt zo veel op het Nederlands dat<br />

hij <strong>van</strong> veel woorden de betekenis wel kende of kon gissen. In de<br />

laatste strofe staan ‘vrouwen’ en ‘mannen’ daarom niet toevallig zo<br />

dicht bij elkaar. <strong>Het</strong> voorkomen <strong>van</strong> die woorden in één en dezelfde<br />

regel is dus niet veroorzaakt door klankgelijkenis, maar door<br />

betekenis.<br />

Tegelijkertijd is ‘betekenis’ in dit gedicht erg relatief. <strong>Het</strong> ligt<br />

er bijvoorbeeld maar aan wie het leest. Voor een Duitser, of iemand<br />

die het Duits machtig is, zijn ‘sein’ en ‘war’ geen zelfstandige naamwoorden,<br />

maar werkwoorden of bezittelijke voornaamwoorden, en<br />

worden ‘ets’ en ‘mier’ persoo<strong>nl</strong>ijke voornaamwoorden. Zelfs voor<br />

mij (mijn Duits is niet zo best) is het moeilijk om zinnen als ‘war<br />

dat algemeen consent? war ets inderdaad’ en ‘«ka-/pitalisme sein<br />

nuttig» ontfutselen mier pittig’ in het Nederlands te lezen. Voor<br />

mij is dit Duits met Nederlandse middelen.<br />

Toch geldt dat niet voor het hele gedicht. Ik kan me althans<br />

93


niet voorstellen dat een Duitser (met uitzondering <strong>van</strong> de dichter)<br />

de precieze betekenis kan achterhalen <strong>van</strong> ‘schout-by-nacht: schaterlach!’<br />

Dat de schaterlach iets met lachen <strong>van</strong> doen heeft, zal een<br />

Duitstalige nog wel vatten (hij leest het waarschij<strong>nl</strong>ijk als ‘schatte<strong>nl</strong>ach’,<br />

schaduwlach), maar ‘schout-by-nacht’ geeft zijn betekenis<br />

niet zo gemakkelijk prijs. De letterlijke vertaling ‘schaut bei Nacht’<br />

brengt de Duitse lezer dicht bij de etymologie <strong>van</strong> het woord, maar<br />

dat hier een exclusief Nederlandse marinerang belachelijk wordt<br />

gemaakt, is een grapje dat Stolterfoht aan zijn Nederlandstalige lezers<br />

heeft voorbehouden.<br />

Niet alles is echter even betekenisvol. Een aantal voor ons<br />

veelzeggende beelden zal vermoedelijk volledig buiten de intentie<br />

<strong>van</strong> de dichter om tot stand zijn gekomen. Voor wie het Nederlands<br />

machtig is, vallen er juist door het onkundig aanwenden <strong>van</strong><br />

de taal hier en daar prachtige associatieve vondsten te ontdekken.<br />

Bijvoorbeeld de variatie op ‘u’ in: ‘modesnufje slurf den / «rups»’, of<br />

mijn favoriet: ‘gevogelte man <strong>van</strong> griezelroman’. Let wel: de vondst<br />

komt hier eige<strong>nl</strong>ijk de lezer toe.<br />

tanko! tauti tanko!<br />

Anders (voor ons) wordt het als Stolterfoht dicht in een taal die<br />

wij ook niet beheersen. Bijvoorbeeld in het Fins. Ik spreek letterlijk<br />

geen woord Fins (tenzij Nokia of iitala iets betekent) en dus<br />

zou fachsprachen XIII, 6 voor mij uit louter klank moeten bestaan.<br />

Aan<strong>van</strong>kelijk is dat ook zo, maar blijkbaar werkt je brein zo dat het<br />

al snel woorden wil herkennen in een vloed <strong>van</strong> letters die in haar<br />

geheel geen betekenis voor je heeft. Die drang tot betekenisgeving<br />

begint bij de zinnen waarin woorden voorkomen die ook in het<br />

Fins blijkbaar <strong>van</strong> het Grieks zijn afgeleid: ‘pakkaus: sade/massateknikka.’<br />

Zonder precies te weten wat er in het Fins staat, is het me<br />

hier zonneklaar welke betekenis de dichter deze woorden ongeveer<br />

moet hebben gegeven: ‘pakuit: sado/massa-techniek’, oftewel een<br />

orgie <strong>van</strong> sadomasochistische overgave aan de massatechniek (en<br />

hup daar zijn we weer bij Nokia).<br />

Vervolgens is het brein niet meer te stoppen. Wat aan<strong>van</strong>-<br />

94


kelijk een nietszeggende stroom <strong>van</strong> vreemde klanken leek, komt<br />

plots tot leven. Ondertussen heb je geen idee meer welke taal je<br />

precies aan het lezen bent, want één taal volstaat niet om aan deze<br />

nauwelijks doordringbare Finse woordenbrij enige betekenis te geven.<br />

En dus gebruik je alle talen tegelijk. Met behulp <strong>van</strong> wat rudimentaire<br />

kennis <strong>van</strong> het Italiaans lukt het bijvoorbeeld best om<br />

iets <strong>van</strong> ‘tanko! tauti tanko!’ te maken: ‘dank u! tutti dank u!’ Dank<br />

u iedereen.<br />

<strong>Het</strong> mooie is dat het gedicht op deze manier waarschij<strong>nl</strong>ijk<br />

alleen ‘betekenis’ oplevert voor mensen die hun complete arsenaal<br />

aan talenkennis inzetten. Voor een Fin staat hier namelijk: ‘ziekte!<br />

hengel ziekte!’ Grappig, maar minder ‘sprekend’ dan de internationale<br />

variant. De letterlijke betekenis staat hier en daar de gefantaseerde<br />

betekenis in de weg. Volgens mij gaat het gedicht namelijk<br />

zo verder: ‘niemand vertelde – slechts getikte puristen / concreet:<br />

Zweedse kauwgom-types’. Onzin natuurlijk, maar volgens Google<br />

Translate moeten de Finnen het doen met: ‘Kinni dwaas – averecht-snufjes.<br />

/ beton: de <strong>twee</strong> Zwitsers-stikstof ’. Al is het maar de<br />

vraag hoe accuraat de Google-vertaling is.<br />

lingvistic conceptualism<br />

De hang naar betekenis komt overigens niet alleen <strong>van</strong> mij. Naarmate<br />

deze reeks fachsprachen vordert en hoe verder de talen <strong>van</strong><br />

mijn (ons) begrip verwijderd raken, hoe meer Stolterfoht lijkt te<br />

willen betogen en hoe meer ik er<strong>van</strong> begrijp. Zo begint hij het zevende<br />

gedicht, gesteld in het Roemeens, met: ‘lingvistic conceptualism’.<br />

Wat zes gedichten lang onuitgesproken bleef, wordt hier plots<br />

op tafel gelegd: we hebben te maken met een taalkundig concept.<br />

Dat weet je als lezer natuurlijk al lang, maar aangezien tekstbegrip<br />

niet de eerste zorg <strong>van</strong> de dichter is geweest, rijst wel meteen de<br />

vraag of je – zonder het Roemeens machtig te zijn, zonder aan<strong>van</strong>kelijk<br />

ook helemaal zeker te weten of de taal die je leest Roemeens<br />

is – kunt uitmaken waar het Stolterfoht precies om te doen is. In<br />

een vrije vertaling:<br />

95


96<br />

taalkundig concept. bijvoorbeeld: mastiek<br />

bombastisch lid <strong>van</strong> de fosfor-groep «lyrische<br />

parafrase» beschrijft hem letterlijk. aangepaste<br />

curiositeit. aanbevolen prototip: wie gewaagd wil doen<br />

moet vaak angstvallig schrijven.<br />

<strong>Het</strong> vreemde is dat je er bij het vervaardigen <strong>van</strong> een dergelijke<br />

vertaling zeker <strong>van</strong> bent dat je eige<strong>nl</strong>ijk je eigen variant <strong>van</strong> het<br />

gedicht schrijft: je laat immers schaamteloos je eigen associaties los<br />

op de tekst. Maar tegelijkertijd bekruipt je het gevoel dat je begrijpt<br />

wat er staat, dat je voelt waar de dichter heen wil. Er beginnen zich<br />

namelijk patronen af te tekenen. In welke taal een gedicht ook is<br />

geschreven, steeds treden er vertegenwoordigers <strong>van</strong> de macht of<br />

<strong>van</strong> de traditie op. In het Nederlands zijn dat de schout-by-nacht,<br />

de studenten, de classicus, en de mannen <strong>van</strong> het instituut. In het<br />

Fins wordt de massatechniek geïntroduceerd, puurde ik verder<br />

nog de getikte puristen uit de tekst en is er even verderop sprake<br />

<strong>van</strong> ‘lapsuus vaan realistinen’, <strong>van</strong> een lapsus <strong>van</strong> realisten.<br />

Tegenover deze saaie wereld-zoals-we-haar-kennen, plaatst<br />

Stolterfoht in zijn Roemeense gedicht de taal als een weerbare en<br />

veelzijdige vijand. Die taal is immers kneedbaar (mastiek) en bombastisch<br />

tegelijk, ze is lid <strong>van</strong> een licht ontvlambare pressiegroep<br />

die de lyrische parafrase als slagzin voert. Maar anders dan bij de<br />

instanties die het voorlopig nog voor het zeggen hebben, is haar<br />

boodschap niet zomaar te achterhalen. Stolterfohts taal spreekt via<br />

de omweg <strong>van</strong> de lyriek en probeert iets te bewerkstelligen middels<br />

vreemde aanpassingen, want wie echt zijn nek wil uitsteken moet<br />

rekening houden met alles. Als ik het goed begrijp, gaat het dus om<br />

de meerduidigheid als wendbaar, want internationaal middel <strong>van</strong><br />

verzet.<br />

Vervolgens wordt meteen een mogelijke valkuil <strong>van</strong> deze<br />

idealistische mijmering blootgelegd. Er is namelijk een ‘pretext’,<br />

een masker dat vaak is gekopieerd: ‘introduce liber din 1968’. De<br />

introductie <strong>van</strong> de vrijheid in mei ’68 dus. Maar die gebeurtenis<br />

heeft de wereld niet meer dan een schijnvrijheid gegeven, omdat


ze ‘retroactiv’ en ‘absolut cult’ bleek. Meer nog: in psychoanalytische<br />

termen was mei ’68 nog niet geslachtsrijp: ‘psihanaliza pubertate’.<br />

Gevolg? Onder meer: ‘tiv sturz. dezastru complet’, oftewel een<br />

diepe val en een complete ramp. Duidelijker kan Stolterfoht zich<br />

nauwelijks uitdrukken, al vragen de Roemenen zich ongetwijfeld<br />

af waarom mei ’68 behalve een complete ramp ook ‘zoom lijster’<br />

was.<br />

Een kritiek op mei ’68 kan algauw obligaat worden, maar<br />

Stolterfohts klankenopstand werkt aanstekelijk. Of je het nu eens<br />

bent met zijn bewering (zoals ik haar begrijp: dat het onvolgroeide<br />

signaal <strong>van</strong> de soixante-huitards een bloeiende opstand verpulverde<br />

<strong>van</strong> de volkspoëzie) of niet, de opstandige energie die uit het<br />

einde <strong>van</strong> de laatste strofe opklinkt, is onweerstaanbaar. Nogmaals<br />

een poging tot vertaling:<br />

[…] wij ondersteunen: beestige<br />

beat met goede stimulerende metal. kapotte noch roestige<br />

melodie. het is bijna als ironie: hela zuster! dig<br />

your hole! en de titel: doodt niet de rock ’n’ roll.<br />

proud tu bi a nemec<br />

Stolterfoht laat zien dat er met elke taal een min of meer begrijpelijke<br />

tekst te vervaardigen valt. Elke taal kan dienen als lingua<br />

franca, al was het maar omdat je met elke taal Engelse leuzen kunt<br />

maken. In het Nederlands klonk het nog twijfelend ‘big fat hartelust’.<br />

In het Finse gedicht, waar<strong>van</strong> de eerste strofe over de om<br />

zich heen grijpende commercie gaat, werd bussi (bus) gebruikt als<br />

het Engelse busy, druk dus. En de Roemenen zagen hun ‘dam over<br />

lobby’ veranderen in ‘dig your hole’. De mooiste slagzin komt echter<br />

uit het Tsjechisch: ‘proud tu bi a nemec – napravo!’: proud to be<br />

a german – right!<br />

De ironie druipt er vervolgens <strong>van</strong>af. Wat is Stolterfoht toch<br />

trots op zijn afkomst! ‘Kampioen <strong>van</strong> groot-duitsland in de typische<br />

dna-communicatie.’ Voor de rest <strong>van</strong> het gedicht is het handig<br />

om te weten dat ‘zampion’ in het Tsjechisch eige<strong>nl</strong>ijk paddenstoel<br />

97


etekent, want om het tegenovergestelde <strong>van</strong> de nazi’s (opak nacisto;<br />

hier is een vertaalmachine onontbeerlijk) te bereiken, wordt<br />

vooral voedsel ingezet. De linkse terreur (‘linka teror’) is immers<br />

‘nit slet!’, maar wat doe je met de mensen? Die geef je lekker te eten.<br />

Met wijn welteverstaan, omdat bier een onplezierige drank is en<br />

men daarmee het fucksysteem beschermt: ‘protect dar duch den<br />

fuk-system’.<br />

Marx staat er tussen haakjes. En ook dat is een motief in<br />

deze reeks. Van ‘«ka-/pitalisme sein nuttig»’, en ‘marxi-/lainen<br />

meisseli – ja?’, via het verlangen naar een verhevigde versie <strong>van</strong><br />

mei ’68 tot de aan Marx toegeschreven oproep om het fucksysteem<br />

niet in stand te houden: fachsprachen XIII kent een aanhoudende<br />

marxistische ondertoon. Toch maakt Stolterfoht geen eenduidige<br />

keuze voor de leer <strong>van</strong> Marx. Daarvoor is zijn aanpak te wendbaar<br />

en te ongrijpbaar. Ook al lijkt hij even fanatiek door te denken in<br />

de marxistische denkrichting (de extremistische zwijnenstaat. kapot<br />

hem / op papier), raakt de taal in de <strong>twee</strong>de zin al weer op<br />

een zijspoor. Letterlijk betekent ‘kapusta / on papir’ namelijk: boerenkool<br />

op papier. <strong>Het</strong> politieke en het gastronomische discours<br />

vloeien dus weer samen, waarna de opstand vastloopt in een soort<br />

stamppot <strong>van</strong> artisjokken, knoedels (‘knedlik’) en champignons<br />

(‘muchomurka’) en de lezer achterblijft met: ‘trosky nebe cap’.<br />

Klinkt daar Trotsky in door? Of kunnen we iets met het feit dat<br />

‘trosky’ puin en ‘nebe’ hemel betekent?<br />

Ja, en vooral ook nee. Want hoewel dit ‘spel met woorden’ allerminst<br />

‘in het metafysiese’ verankerd is, overtuigt deze reeks niet<br />

<strong>van</strong>wege de ‘gedachte’, de ‘geest’ of een concrete boodschap. <strong>Het</strong> is<br />

juist het meerstemmige, het vaagsprakige, waaraan deze gedichten<br />

hun kracht ontlenen.<br />

98


(4)<br />

Ulf Stolterfoht<br />

schout-by-nacht: schaterlach! alles verversen wat<br />

geit. vondst den letterzetter bits zoon lollig dracht.<br />

moppen dat set zwaartekracht. unie zwachtel<br />

gulzig macht. besproken dans verwittigen in ’t zakformat.<br />

zullen brullen wispelturig. wankelen in tak.<br />

alleenspraak. wurgen nochtans «wulps» her voor.<br />

prutsen slonzig mantelpak. modesnufje slurf den<br />

«rups». war alzo extra akelig. breken innen schitterlicht.<br />

woede fronsen brutaal wonen. deftig deftig.<br />

war dat algemeen consent? war ets inderdaad.<br />

kwestie: haast opinie? drukte eiland rum. wens<br />

kantongerecht den messenhecht meer slechts als<br />

rechts verspillen? kool! binnen zonder kloppen. «kapitalisme<br />

sein nuttig» ontfutselen mier pittig. sullen<br />

keulen? muze keulen! deren machtig slachten schreien.<br />

studentikoos. schoon echter classicus. immers aam schaften.<br />

immers eng aam tegengift. aam engels-vers. er<br />

single sein lid indie vrouwen (snakken mannen vondst<br />

instituut). slimmerd: aanmonsteren! er luxe big fat<br />

hartelust. hebzucht. gevogelte man <strong>van</strong> griezelroman.<br />

99


(6)<br />

Ulf Stolterfoht<br />

kappale + lude. sonni mies tuntemann<br />

luotsi eines suu huurre. bussi. läkki-<br />

pelti. pakkaus: sade/massa-teknikka.<br />

supi seksuaalinen. ava isä nyt arka<br />

synty? iso kaino. summa laude kumma.<br />

puu. siisti kritikko? sianihra posti väri<br />

ruiske. sääri ruiske. piste soinen marxi-<br />

lainen meisseli – ja? eines ajatella lasten-<br />

koti piste. katse itse-käs untuva. tu-<br />

hannes lauta. täten umpi umpi tötterö.<br />

halstari editse uros enkeli silli vakaa-<br />

kinni narrata – nurin tikata-puristaa.<br />

konkreettinen: sveitsi kumpi-typpi. leik-<br />

kele levy into (kitata): matto rooli o.k.<br />

aalto nuo sammal / verrata nurmi eines no:<br />

muste edes lause malmi minne? sangen<br />

jänne pitsi/propsi. virka via kausi jaa! mu-<br />

ste erheellinen: sama nyt alle sortaa seppele?<br />

lapsuus vaan realistinen? aava vuolle kanne!<br />

100


(7)<br />

Ulf Stolterfoht<br />

lingvistic conceptualism. par exemplu: mastic<br />

bombastic membru de la fosfor-grup «lirica<br />

perifraza» descrifra locui literal. adapta<br />

curiozitate. recomanda prototip: duh bold<br />

must ofta scrupul scripte. andoca an pre-<br />

tekst «vis usura» hat roman a haos fon crud<br />

masca replica. introduce liber din 1968. retroactiv.<br />

absolut cult. iezi prozaic alergator<br />

implicit maltrata. psihanaliza pubertate. absorbi<br />

nostru/vostru echivoc in print. arbitru.<br />

gros talmes-balmes mit supragreutate: suferi<br />

sofistic spasm. castor-complex. murg in continuu.<br />

tiv sturz. dezastru complet. demn semnalizator<br />

pulveriza bluming transfug vi popic<br />

poetic. textilist var lider raze-x-simplist.<br />

diform var unge-stal unt drog. imi produce frigider<br />

roz – desis total spinos. vi suporta: bestial<br />

beat mit guta metal stimula. defunct ni rosti<br />

melodie. istet fast vi ironie: hula sista! dig<br />

jur hol! unde titlu: stirbe nit de rochie rol.<br />

101


(8)<br />

Ulf Stolterfoht<br />

proud tu bi a nemec – napravo! zampion fond<br />

pan-german indie typicky dna-komunikace.<br />

horet si bida denni opak nacisto ihned supersonicky<br />

dub-klaster: jaksepatri vicekrat.<br />

ind neuspech: se volat baltsky hoden hoch!<br />

vyr volit libat post-doc-plac. sterbina fax<br />

vor sam: shon bit tu schvalovat. nach<br />

kamuflaz docist for «linka teror». krasny<br />

kramsky. slipy bomba ind raketodrom. pusta<br />

vek mit zdarma bums. na? nit slet!<br />

aby denni mensi - vas tu mit denni mensi?<br />

volat 1) lekar smecka. moralni dan final.<br />

volat blitzkost nudle/karfiol. pruceli pruceli.<br />

klapka slupka smat popsat. nu akta povera polit?<br />

doplnit: se prosty bici tresen slezt. mit vino<br />

pivo nemily. protect dar duch den fuk-system<br />

(marx). den extremista svine-stat. kapusta<br />

on papir. dekonstrukce indie parte. dit se?<br />

se dit! mit sin-deficit. mit artycok-konzept.<br />

sumet knedlik muchomurka: trosky nebe cap.<br />

* Ulf Stolterfoht (1963) werd geboren in Stuttgart en woont thans in Berlijn. Hij studeerde<br />

na de militaire dienst germanistiek en taalwetenschap en geldt als een <strong>van</strong> de meest kritische<br />

en experimentele Duitse dichters <strong>van</strong> het moment. In 1998 debuteerde Stolterfoht met<br />

fachsprachen I-IX. In zijn werk experimenteert hij met syntaxis en eigenzinnige zinsconstructies<br />

– een praxis waarin hij zijn taalwetenschappelijke achtergrond en poëtische drive<br />

op een unieke wijze verenigt. Ulf Stolterfoht is dit jaar Writer in Residence bij de Universiteit<br />

<strong>van</strong> Utrecht.<br />

102


De timmermansplaat<br />

Monika Rinck<br />

vertaling Miek Zwamborn<br />

kort na zessen, hier zijn ze weer, deze timmermannen,<br />

deze timmermansstemmen, in de onbehandelde kuil<br />

<strong>van</strong> mijn halfslaap gedreven, onderranden <strong>van</strong> spot vervuld.<br />

in de monochrome ochtend raken vlakken elkaar,<br />

ontmoeten de zagen zich voor het gebed, dat noemt men wel<br />

spraakzaamheid. dat noemt men oprechtheid. toch wanneer ze,<br />

zo vroeg al, ramen vertrappen, komen panische dromen<br />

me tegemoet. heel anders het hameren, in welk<br />

ritme ik denk, heel anders het slijpen, op welk<br />

stoffig spoor ik naar het ontwaken toe glijd – ze zijn<br />

dagelijks de eersten, die laten zien: de dingen zijn hier.<br />

* Monika Rinck is geboren in Zweibrücken in 1969. Rinck is een dichter en essayist. Ze studeerde<br />

theologie, geschiedenis en comparatieve taalkunde. Tijdens haar studie ontwikkelt<br />

ze een voorliefde voor interdisciplinariteit en transmediale grensovergang. Ze vergelijkt het<br />

schrijven <strong>van</strong> poëzie met een “ritmische ceremonie”, zoals het bouwen <strong>van</strong> een nest. Rincks<br />

poëzie geeft emoties weer met een scherpe vurigheid, maar ook met lichtzinnige uitspraken.<br />

De beelden die zij combineert lijken soms op de opzet <strong>van</strong> een oubollige grap.<br />

103


Duits<br />

Armando<br />

Je zit net de modder <strong>van</strong> je schoenen te halen en ineens komt er een<br />

rare vraag in je op: Duitsers, wat zijn dat eige<strong>nl</strong>ijk voor mensen.<br />

Duitsers hebben altijd te kampen met hun Krei<strong>slau</strong>f. Je<br />

hoort ze de trap opkomen, ze staan boven voor je neus te hijgen,<br />

en wat zeggen ze dan: o, m’n Krei<strong>slau</strong>f. Of ze zeggen: even zitten,<br />

m’n Krei<strong>slau</strong>f is <strong>van</strong>daag niet in orde, heb ik altijd met dit weer. Wij<br />

hebben daar eige<strong>nl</strong>ijk geen vertaling voor. Wij zeggen niet dat we<br />

het aan onze bloedsomloop hebben. Wij zeggen: ik ben misselijk,<br />

ik voel me niet goed, ik ben buiten adem, ik heb hartkloppingen, ik<br />

ben in een slechte vorm, ik heb last <strong>van</strong> het weer. De Duitser zegt:<br />

ik heb het aan m’n Krei<strong>slau</strong>f. Als je enige jaren in Duitsland woont<br />

kun je het ook aan je Krei<strong>slau</strong>f krijgen.<br />

Je zou dus kunnen zeggen: Duitsers zijn mensen die het aan<br />

hun Krei<strong>slau</strong>f hebben. Dit antwoord is vast niet afdoende. Duitsers<br />

gelden als autoritätsgläubig, ze zijn gehoorzaam. Zijn ze dat nog?<br />

Toch wel. De Duitse voetgangers blijven, op een enkele<br />

branie na, wachten als het stoplicht op rood staat, omdat dat nu<br />

eenmaal afgesproken is. Dat is mooi <strong>van</strong> ze. Maar ze blijven ook<br />

wachten als er in de verste verte geen onraad te bekennen is: rood<br />

is rood. Er wordt gehoorzaamd, er wordt gewacht. Der Kaiser hat’s<br />

verboten, der Kaiser hat’s nicht gerne.<br />

Ik zou ook graag zo willen zijn, maar ik ben ongeduldig <strong>van</strong><br />

aard, dat is erg genoeg. Dus ik stak, op een vroege zondagochtend,<br />

tijdens een vlijtige wandeling, het strepenpad over, ondanks het<br />

rode lampje, want er was in de wijde omtrek, zo waar als ik leef,<br />

geen auto, bakfiets of koets te horen of te zien.<br />

Aan de overkant stond een ouder echtpaar te wachten, ze<br />

bekeken me somber. Toen ik langs ze liep hoorde ik de man tegen<br />

z’n vrouw zeggen: ‘Der ist lebensmüde.’ Z’n vrouw knikte.<br />

Op dat moment mochten ze <strong>van</strong> het lampje oversteken, ze<br />

stampten zo hard en ze tilden hun voeten zo hoog op, dat ik begreep<br />

dat ik een lesje kreeg.<br />

104


Er is hier een theater waar films gedraaid worden voor bejaarden.<br />

Vermoedelijk zal ik daar nogal es aan te treffen zijn, want<br />

er worden films vertoond die ik lang geleden <strong>van</strong> de bezetter te<br />

zien kreeg. Ik was toen al zo ver gevorderd dat ik alleen of met een<br />

vriendje naar de bioscoop ging. Ik weet nog dat we op een middag<br />

ontdekten dat er mooie benen bestonden, Marika Rökk had mooie<br />

benen, vonden we.<br />

Als je een kaartje voor dit theater koopt vraagt de vrouw <strong>van</strong><br />

de kassa: vooraan, in het midden of achteraan. Je krijgt dan een<br />

genummerd kaartje, hoewel de zeer grote zaal lang niet altijd vol<br />

is. <strong>Het</strong> vreemde nu is dat iedereen z’n nummer opzoekt, al zitten er<br />

maar dertig of veertig mensen in de zaal. Niemand zal een willekeurige<br />

plaats innemen. Maar ja, dat zijn bejaarden. Bejaarden zijn<br />

over het algemeen geen mensen die zich ervoor schamen Duitsers<br />

te zijn.<br />

Even een vraag ertussendoor: wie zouden de meest echte<br />

Duitsers zijn. De Rij<strong>nl</strong>anders, nee, die zijn katholiek, die uit Beieren<br />

ook, hoewel die erg Duits kunnen zijn. De Saksen met hun<br />

kleine mondje? Misschien. De Saksen zijn nu eigendom <strong>van</strong> de<br />

DDR, dat zijn weer andere Duitsers en toch ook weer niet.<br />

De Pruisen? Maar <strong>van</strong> welk Pruisen dan. <strong>Het</strong> Pruisen dat<br />

de Hugenoten opnam, dat de vervolgde jezuïeten en de vervolgde<br />

joden opnam, het Pruisen dat als eerste land <strong>van</strong> Europa die Folter<br />

afschafte? Her Pruisen <strong>van</strong> de eenvoud, <strong>van</strong> de zwart-witte kleuren?<br />

Dat Pruisen?<br />

Of het Pruisen <strong>van</strong> de Untertanengeist, <strong>van</strong> de Kadavergehorsam.<br />

Bestaan die Pruisen nog? Aan deze kant <strong>van</strong> de muur?<br />

Ik twijfel. Ze stonden bekend om hun Pünktlichkeit, maar je kunt<br />

niet erg meer <strong>van</strong> ze op aan, ze zijn niet zo pünktlich meer. Als een<br />

firma zegt dat ze om negen uur langs komen en ze komen <strong>twee</strong><br />

uur later dan is dat niet pünktlich. Een keer hebben ze me zo lang<br />

laten wachten dat ik kwaadaardig geworden ben. Jullie waren in de<br />

oorlog altijd zo pünktlich, heb ik gezegd, alles ging keurig op tijd,<br />

maar dat viel niet in goede aarde, ze begonnen te mopperen dat ze<br />

niks met de oorlog te maken hadden en daar moest ik ze gelijk in<br />

geven.<br />

105


Er wordt ook wel eens gezegd dat Duitsers mensen zijn die <strong>van</strong><br />

blaasmuziek houden. Dat is zeker waar, maar je moet niet vergeten<br />

dat dat voor een andere, zeer grote groep Duitsers een reden is om<br />

blaasmuziek te haten.<br />

Er zijn namelijk erg veel Duitsers die geen Duitsers willen<br />

zijn. Die ernstig aan Selbsthass lijden. Die zich duizendmaal tegenover<br />

mij als buite<strong>nl</strong>ander verontschuldigen dat ze Duitser zijn. Dat<br />

zijn degenen die Amsterdam zo locker vinden, die Nederland zo<br />

verdraagzaam vinden.<br />

Daar hebben ze misschien wel gelijk in, maar ik kan nooit<br />

nalaten ze toch een beetje te ontnuchteren. Ze zetten grote ogen op<br />

als ik vertel dat Nederland in tegenstelling tot de Bondsrepubliek<br />

kan bogen op een rechts-extremistisch partijtje, dat reilt en zeilt. O,<br />

dat wisten ze niet. In het tolerante Nederland? Ja. Donnerwetter.<br />

Dit soort Duitsers zijn meestal zachtaardige mensen, dus ik<br />

vertel ze er maar niet bij dat dat klamme partijtje mede kon ontstaan<br />

doordat de toonaangevende denkende stand geen weet meer<br />

had <strong>van</strong> de werkelijkheid, horig als hij is aan zijn nieuwe taboes.<br />

Dat de denkende stand wel weet hoe de wereld eruit moet zien,<br />

maar niet hoe die is. Anders gezegd: de denkende stand weet zo<br />

goed hoe de wereld zou moeten zijn dat hij niet meer weet of wil<br />

weten hoe die werkelijk is. Tot die werkelijkheid ineens de kop opsteekt,<br />

dan wordt er geschrokken.<br />

Vertel deze Duitsers nooit per ongeluk dat je onaangenaam<br />

behandeld bent op een Duits postkantoor of zo. Ze schamen zich<br />

dood. Ze weten niet dat me zoiets in Amsterdam of elders ook kan<br />

overkomen. Bovendien hoeven ze met mij niet veel medelijden te<br />

hebben, want ik zeg soms graag iets terug.<br />

Over welke Duitsers heb ik het nu. Kennelijk niet meer over<br />

de Duitsers. Ik heb het over het deel <strong>van</strong> de bevolking dat soms een<br />

beetje probeert te denken, of enigszins op z’n woorden let. Destijds,<br />

toen het nog oorlog was, bestonden ze: de Duitsers.<br />

Toen mocht je generaliseren. Nu mag dat niet meer. Dan<br />

discrimineer je. Men maakte er gretig gebruik <strong>van</strong>, destijds, want<br />

dat maakte het leven makkelijk en men leefde in grote eensgezindheid.<br />

De warmte <strong>van</strong> de afkeer.<br />

Als ik aan die Duitsers <strong>van</strong> toen denk, hoe waren die ook<br />

106


weer: ze hadden een grote bek, ze waren plomp, sentimenteel,<br />

flinkdoenerig, arrogant, uitsloverig, en in hun ogen dreven blauwe<br />

ijsschotsen. Ik haatte ze. <strong>Het</strong> waren net mensen, ondanks dat ze zo<br />

hoog te paard zaten.<br />

Dat zijn ze nog: Duitsers zijn zeer menselijk. Ze zijn menselijk bij<br />

uitstek. Als je goed oplet en luistert kun je het merken. Ik denk dat<br />

ik het niet weet wat het voor mensen zijn, de Duitsers. Toch weet<br />

ik het ook weer wel.<br />

En ik mag zeker niet verzwijgen en ik haast mij daarom te<br />

verklaren dat ik in dit troosteloze land goede kennissen heb gevonden,<br />

goede vrienden zelfs, en ik noem niet gauw iemand een<br />

vriend.<br />

Wat is Duits. Haydn, Oostenrijker weliswaar, vind ik Duits.<br />

Duits en toch erg mooi. Niet eens omdat hij de militaire symfonie<br />

gecomponeerd heeft. Heb ik pas nog in de Philharmonie gehoord.<br />

Zeer Duits. Ik was erbij toen ze de symfonie speelden.<br />

Beethoven. Ook zeer Duits en is dat soms niet mooi. Als<br />

ze Beethoven spelen zie ik altijd strenge zuilen voor me, die tot in<br />

de hemel reiken, verder niet, en ik zie daar beneden wat mensen<br />

staan die de zuilen proberen aan te raken of misschien om te zagen,<br />

en wat er dan met die mensen gebeurt weet ik niet, de componist<br />

zorgt ervoor dat ik dat niet te weten kom. Ze zullen wel ruzie<br />

krijgen of iets <strong>van</strong> dien aard. Hoorngeschal.<br />

* Armando (1929) is schrijver, dichter en beeldend kunstenaar maar ook journalist, acteur<br />

en musicus. In de jaren zestig was hij als kunstenaar en dichter betrokken bij bewegingen<br />

als de Nederlandse Informele Groep, De Nieuwe Stijl en Gard Sivik. Vanaf 1979 woonde hij<br />

ruim 25 jaar afwisselend in Nederland en Berlijn. In 2009 verscheen het boek Berlijn over<br />

zijn ervaringen in het Berlijn <strong>van</strong> de jaren tachtig.<br />

107


Berlijns dagboek<br />

Nelleke Noordervliet<br />

Vrijdag 7 november 2003<br />

Ik ben tijdelijk te gast in Berlijn. Vanuit mijn appartement kijk ik<br />

door een groot hoog raam op de groen uitgeslagen koperen koepel<br />

<strong>van</strong> de Michaelkirche. <strong>Het</strong> middenschip <strong>van</strong> de kerk is verwoest.<br />

De muren staan nog overeind evenals het voorportaal, waar boven<br />

de nu loze deur een groot mozaïek opvalt dat de Annunciatie<br />

voorstelt. De ruimte waar de mensen zaten is weg. De brokkelige<br />

randen zijn afgesmeerd met cement, zodat er een nette ruïne over<br />

is, begroeid met klimop. De kerk is teruggebracht tot de koepel.<br />

<strong>Het</strong> handjevol gelovigen dat het communisme weerstond kan daar<br />

best in. Links in mijn blikveld zie ik ook het timpaan <strong>van</strong> het voorportaal,<br />

waarop een grote engel staat. Dat moet Michael zijn. De<br />

engel met het zwaard. De soldaat. De strijder voor God. Hij hangt<br />

een beetje voorover, de vleugels nog licht opgestoken alsof hij zojuist<br />

is neergedaald, hij leunt vermoeid <strong>van</strong> de vlucht op zijn lans,<br />

zijn blik richting annunciatie-mozaïek, waarop zijn collega Gabriel<br />

de vleugels sereen heeft dichtgevouwen. Michael keek tot 1989 over<br />

de Muur Kreuzberg in en zag daar het gewemel <strong>van</strong> de westerse<br />

same<strong>nl</strong>eving, de alternatieve gemeenschap <strong>van</strong> krakers en punks,<br />

en de groeiende gemeenschap <strong>van</strong> Turken. Michael zag het verval<br />

en de grafitti. Michael zag de vrijheid.<br />

De kerk staat in een naoorlogse, Oost-Berlijnse wijk met<br />

hoogbouwflats <strong>van</strong> vier tot tien verdiepingen, gebouwd op de<br />

puinhopen <strong>van</strong> de verwoeste stad, kort na de Wende allemaal keurig<br />

geverfd in opgewekte roomkleur met blauwe, rode en okergele<br />

accenten, om de Oost-Berlijners die zo lang hadden geleden onder<br />

de grauwheid <strong>van</strong> het communistische schoonheidsideaal te betrekken<br />

bij de rijkdom en de goede smaak <strong>van</strong> het Westen. Mijn<br />

appartement is een onderdeel <strong>van</strong> een voormalige fabriek, kennelijk<br />

gespaard in 1945.<br />

108


De deling <strong>van</strong> de stad liet tot tien jaar geleden een brede strook<br />

niemandsland in het hart <strong>van</strong> de stad, waar nu in een uitbundige<br />

poging de geschiedenis te begraven gigantische hoogbouw is opgeschoten.<br />

Maar een echt knus of genoeglijk of bijzonder centrum<br />

heeft de stad niet, ook al niet omdat ze in de jaren twintig is aaneengesmeed<br />

uit een twintigtal dorpen, die elk hun eigen karakter hebben<br />

behouden. <strong>Het</strong> centrum dat de koningen/keizers <strong>van</strong> Pruisen<br />

creëerden had allure maar een zekere ongenaakbaarheid en was<br />

hier en daar protserig. De nazi’s gooiden daar hun megalomane architectuur<br />

tegenaan, waarna de communistische grootheidswaan<br />

de Stalinallee (die ik eige<strong>nl</strong>ijk helemaal niet lelijk vind) als etalage<br />

<strong>van</strong> superieure bouwkunst neerzette en de drukke Alexanderplatz<br />

totaal verpestte. Berlijn is een samenraapsel <strong>van</strong> resten machtsdromen.<br />

De hernieuwde Rijksdag met de grote glazen koepel is een<br />

herinnering daaraan, maar tevens een waarschuwing dat macht<br />

vergankelijk en broos is.<br />

* Noordervliet (1945) schrijft romans, essays en verhalen. Daarnaast schrijft ze columns<br />

voor verschillende weekbladen en tijdschriften. Ze schreef in 2013 het Boekenweekessay<br />

genaamd De leeuw en zijn hemd. Ook haar verwachte bundel met essays Schatplicht (2013)<br />

handelt over de actualiteit <strong>van</strong> het verleden en de historiciteit <strong>van</strong> het heden.<br />

109


Bericht uit Berlijn (fragment)<br />

Otto de Kat<br />

Ze moest het huis opruimen, nu eindelijk die koffer eens leegmaken<br />

die al <strong>twee</strong> dagen de gang versperde, naar de paar winkels<br />

gaan waar ze nog wat in voorraad hadden, de tafel dekken<br />

voor twintig mensen. Alsof er niets aan de hand was, alsof<br />

het de gewoonste zaak <strong>van</strong> de wereld was om een verjaardag te<br />

vieren. Kome wat komt. Ja, twintig man dus. Hun vrienden uit<br />

Dahlem, een paar uit Zehlendorf, een paar uit het centrum, en<br />

zelfs iemand uit Potsdam. Die zou blijven slapen. Misschien deden<br />

ze dat wel allemaal, als er luchtalarm kwam. Ze had de verwoestingen<br />

gezien <strong>van</strong>uit de auto waarin ze naar de Albrechtstrasse<br />

was gebracht. Hele straten lagen in puin. Na een tijdje<br />

was ze iedere oriëntatie verloren, terwijl ze de stad toch goed<br />

kende. Bijna <strong>twee</strong> jaar had ze er gestudeerd, <strong>van</strong> augustus 1931<br />

tot 12 juni 1933, de dag <strong>van</strong> haar laatste examen. Ze was geen dag<br />

langer gebleven. Een paar weken voordat ze afstudeerde, had ze<br />

op de Opernplatz met wat studiegenoten versteend staan kijken<br />

naar het verbranden <strong>van</strong> boeken. De springende en schreeuwende<br />

SA-mannen waren als wolven op de stapels aangevallen,<br />

ze keilden ze als discuswerpers het vuur in. <strong>Het</strong> was alsof<br />

ze een massa-executie bijwoonde, een moordpartij op afstand.<br />

Waar ze boeken verbranden, verbranden ze uiteindelijk ook<br />

mensen: de les <strong>van</strong> Heinrich Heine, wiens werk die avond ook<br />

in de vlammen werd gedonderd. Haar studie aan de historische<br />

faculteit was haar gemakkelijk afgegaan. ‘Als je nog verder wilt<br />

studeren en geschiedenis aan den lijve ondervinden, moet je<br />

naar Berlijn,’ had men haar in Holland aangeraden. Dat was niet<br />

ver bezijden de waarheid geweest.<br />

De ramen <strong>van</strong> de collegezalen aan Unter den Linden rinkelden<br />

<strong>van</strong> de demonstraties en parades en charges en contracharges.<br />

Wie naar buiten keek, zag de geschiedenisboeken ge-<br />

110


schreven worden. Wie de professoren geloofde, hoorde hoe een<br />

rijk <strong>van</strong> duizend jaar in de steigers werd gezet.<br />

De autorit, ze had hem in gedachten al tientallen malen overgedaan.<br />

Een ritje <strong>van</strong> niks, hooguit een half uur, maar goed voor<br />

een flink aantal slapeloze nachten. De <strong>twee</strong> Gestapo-mannen,<br />

jongens nog eige<strong>nl</strong>ijk, hadden zwijgend naast en voor haar gezeten.<br />

Ze keken haar niet aan, vroegen haar niets, ze zagen eruit<br />

alsof ze zo uit een winkel kwamen waar je Gestapo-spullen kon<br />

kopen. Met jassen die glommen, riemen die glommen, schoenen<br />

die glommen, pistolen die glommen. Daar stond tegenover<br />

dat hun autootje oud was en naar sigaretten stonk. De chauffeur<br />

vond het kennelijk stoer om de bochten scherp te nemen.<br />

Emma moest zich telkens vastgrijpen en raakte soms de arm <strong>van</strong><br />

haar begeleider aan. Dahlems lanen leenden zich goed voor het<br />

bochtenwerk. Falkenried, links In der Halde, rechts Am Hirschsprung,<br />

hop rechts de Dohnenstrasse op. Zouden ze expres de<br />

Dohnenstrasse hebben genomen, zouden ze geweten hebben<br />

dat Himmlers huis daar stond? Even langs de baas scheuren?<br />

Ze kenden de weg precies, reden binnendoor en kwamen op de<br />

Lintze Allee uit. Full speed naar hun rovershol.<br />

Emma voelde zich opgepakt als een misdadiger, al deed<br />

ze of ze naar een afspraak werd gebracht. Deze jongens zouden<br />

niets aan haar merken. Ze tuurde belangstellend uit het<br />

raampje, keek eens achterom, draaide haar hoofd <strong>van</strong> links naar<br />

rechts, klapte haar tas eens rustig open. De gebaren <strong>van</strong> ontspanning,<br />

<strong>van</strong> een dagje uit. Van onmacht en angst, maar dat<br />

wist zij alleen. Ze moest haar opkomende paniek koste wat kost<br />

onder controle houden. Onbegrijpelijk hoe de stad alweer functioneerde<br />

na de reeks zware bombardementen, alsof er niets<br />

gebeurd was. <strong>Het</strong> verkeer even druk als altijd, bussen, trams,<br />

karren, auto’s en onbestemde stromen mensen op de trottoirs.<br />

Ze zag dat het torentje met de vijf klokken op de Potsdamer<br />

Platz, waar ze vroeger niet ver <strong>van</strong>daan woonde, nog intact was.<br />

De klokken werkten zelfs, op de <strong>twee</strong> die ze kon zien was het<br />

111


kwart over elf geweest. Detail <strong>van</strong> belang. De klokken liepen op<br />

tijd, alles draaide zonder haperen, treinen en trams gingen op<br />

schema, je werd <strong>van</strong> je bed gelicht op het voorgeschreven uur.<br />

De Gestapo was paraat, de motor was geolied. Zij diende kennelijk<br />

om elf uur te worden opgehaald en om half twaalf binnengebracht.<br />

* Otto de Kat (1946) is een Nederlandse dichter en romanschrijver. In 1975 debuteerde hij<br />

met de dichtbundel <strong>Het</strong> ironisch handvest en in 1998 verscheen zijn eerste roman Man in de<br />

verte. In 2012 verscheen de roman Bericht uit Berlijn, over een Europa dat steeds verder in<br />

de oorlog wordt meegesleurd. Zijn werk werd onder meer naar het Duits en Engels vertaald<br />

en zijn roman Julia (2008) werd in Duitsland verfilmd.<br />

112


Citytrip Berlijn<br />

Marjolijn Uitzinger<br />

Vlak naast de statige hotelingang stonden maar liefst drie politieauto’s<br />

met blauwe zwaailichten geparkeerd, schots en scheef alsof<br />

ze voor Amerikaanse televisiecamera’s met gierende banden waren<br />

komen aanscheuren. Nieuwsgierige voorbijgangers, vooral bejaarde<br />

wandelaars die hun hond uitlieten, probeerden een glimp op te<br />

<strong>van</strong>gen <strong>van</strong> wat zich in het hotel afspeelde. Haastig liep ik naar binnen.<br />

Niemand hield me tegen; er liep wel een agent rond in de lobby,<br />

maar die was aan het bellen en besteedde geen aandacht aan me.<br />

Ursula en Finn, onberispelijk gekleed als altijd, stonden bij de receptie<br />

en spraken met gasten. Ursula’s gezicht lichtte op toen ze me zag.<br />

Ze maakte snel een opmerking tegen Finn, die mij een knikje gaf, en<br />

kwam achter de balie <strong>van</strong>daan. Ik pakte haar hand en trok haar mee<br />

naar een zitje in de lobby. ‘Wat is er gebeurd? Een meisje, zei je?’<br />

Ze praatte snel en zenuwachtig. ‘Ja. Een uur geleden kwam de politie<br />

hier aan, omdat er iemand was gevonden in het water, aan de oever<br />

<strong>van</strong> de Krumme Lanke. Kamer 219. Ze had het sleutelkaartje nog<br />

bij zich. Pas twintig jaar was ze, volgens haar paspoort. Donderdagavond<br />

is ze aangekomen. Ze had voor <strong>twee</strong> nachten gereserveerd,<br />

dus <strong>van</strong>morgen moest ze uitchecken, maar om twaalf uur hing het<br />

kaartje DO NOT DISTURB nog steeds op de deur. Julia moest de<br />

kamer schoonmaken, ze heeft een paar keer geklopt en geroepen,<br />

maar de deur was op slot en er werd niet opengedaan. Toen heeft<br />

ze Jonathan gebeld, die naar binnen is gegaan. Haar koffer stond er<br />

nog, maar <strong>van</strong> haarzelf geen spoor. Ik had nachtdienst, maar ik heb<br />

dat meisje niet meer gezien, ze is niet teruggekomen. We dachten<br />

dat ze in Berlijn was uitgegaan en nog in een club rondhing of zo.<br />

Eerst hebben we het maar even afgewacht, maar toen kwamen er<br />

drie politieauto’s voorrijden, we schrokken ons dood, ik dacht dat er<br />

iets met jou … met het vliegtuig … ’<br />

Haar stem stokte en ik streelde afwezig haar hand.<br />

‘Denken ze dat iemand haar iets heeft aangedaan?’<br />

113


<strong>Het</strong> woord ‘moord’ leek me op de een of andere manier aanstellerig.<br />

Doe maar gewoon, dacht ik, als echte Hollander.<br />

‘Wat anders?’ Ze huiverde. ‘Een afschuwelijk idee dat hier iemand<br />

rondloopt die verkracht en moordt. <strong>Het</strong> staat in de krant en je ziet<br />

het op de film, maar het is toch nog iets anders als het zo vlakbij<br />

gebeurt. En het griezelige is dat het meestal heel normale mannen<br />

lijken, keurig getrouwd, gezinnetje. Je weet wel, zoals die vent laatst<br />

die dat jongetje op de fiets … ’<br />

‘Jaja, akelig’, interrumpeerde ik. ‘Er is veel politie hier. Wat zoeken<br />

die bij ons?’<br />

‘Ze onderzoeken haar kamer op sporen, en ze ondervragen ons allemaal.<br />

Papa wil dat ze opschieten, omdat al die politie in huis de<br />

naam <strong>van</strong> het hotel natuurlijk geen goed doet, maar daar hebben ze<br />

kennelijk weinig boodschap aan.’<br />

Mijn hanige schoonvader liep tegen zijn grenzen op. Dat kon geen<br />

kwaad, een mens is nooit te oud om te leren dat hij niet alles naar<br />

zijn hand kan zetten. Ik grinnikte bijna.<br />

‘Wie was dat meisje? Heb jij haar zelf ingecheckt?’<br />

‘Ja, maar ik heb er niet erg op gelet, niets bijzonders, een aardig, jong<br />

meisje. Ze was een Nederlandse, uit Den Haag. Nathalie Klaver.’<br />

Finn stak waarschuwend zijn hand op naar Ursula. Er stonden mensen<br />

bij de balie te wachten en hij was iets aan het uitzoeken op de<br />

computer. Ik kneep in haar hand. ‘Je moet aan het werk. We zien<br />

elkaar straks wel, ik loop even rond.’<br />

Ik liep naar de trap, maar de politieman was uitgebeld en kwam op<br />

me af. ‘Waar gaat u heen? Mag ik weten wie u bent?’<br />

‘Thomas Dungelman’, zei ik. ‘Ik werk hier. Herr Lietzenburg is mijn<br />

schoonvader, daar staat mijn vrouw, bij de receptie, ik ben verantwoordelijk<br />

voor het restaurant.’<br />

‘Waar komt u nu <strong>van</strong>daan?’<br />

‘Van vliegveld Tegel, ik kom net terug uit Nederland.’<br />

Mijn paspoort zat nog in mijn binnenzak, ik liet het hem zien en hij<br />

keek er lang en aandachtig naar. Ik besefte dat een Nederlandse pas<br />

niet erg handig was op dit moment, met een vermoord Nederlands<br />

meisje dat op kamer 219 had gelogeerd. De agent vergeleek mijn gezicht<br />

met dat op de pasfoto. Met mijn stroblonde haar en een lengte<br />

114


<strong>van</strong> bijna één meter negentig ben ik voor Duitsers het prototype <strong>van</strong><br />

een Nederlander. Mijn lichtbruine ogen zijn volgens Ursula de belangrijkste<br />

reden dat ze destijds als een blok voor me is gevallen.<br />

Als ze kwaad op me is zegt ze weleens dat die ogen mijn harde kant<br />

verbergen en dat ze zich daardoor heeft laten beetnemen. <strong>Het</strong> zou<br />

een niet onaardig, gelijkmatig gezicht zijn als ik geen scheve neus<br />

zou hebben, een overblijfsel <strong>van</strong> de bokslessen in mijn puberjaren,<br />

op aandringen <strong>van</strong> mijn vader, die vond dat ik flink op weg was een<br />

watje te worden. Na die klap en die neus was het afgelopen met het<br />

boksen. Maar je verleert het nooit en toen ik in mijn vrije tijd achter<br />

de tap stond heb ik er bij caféruzies nog weleens plezier <strong>van</strong> gehad.<br />

‘Wanneer bent u uit Berlijn vertrokken?’<br />

‘Gisterochtend vroeg.’<br />

‘Voor zaken?’<br />

‘Nee, familiebezoek.’<br />

‘Met welke maatschappij bent u gevlogen?’<br />

‘KLM. Ik had de vlucht <strong>van</strong> kwart voor acht <strong>van</strong>af Tegel en <strong>van</strong>middag<br />

die <strong>van</strong> tien voor <strong>twee</strong> <strong>van</strong>af Schiphol.’<br />

Hij maakte een paar aantekeningen en noteerde het nummer <strong>van</strong><br />

mijn paspoort. ‘We gaan het na, dank u wel. De <strong>twee</strong>de verdieping is<br />

afgesloten. Waar wilt u naartoe?’<br />

‘Naar de kantoren op de zolderverdieping, de vijfde. Om mijn<br />

schoonvader en mijn zwagers te spreken.’<br />

Hij gaf me mijn paspoort terug. ‘Houd u zich beschikbaar, Herr<br />

Dungelman, u zult straks nog met iemand <strong>van</strong> de Kriminalpolizei<br />

spreken.’<br />

Marjolijn Uitzinger (1947) is een Nederlandse journaliste en voormalig radio- en televisiepresentator.<br />

Ze was geruime tijd verbonden aan het VARA-programma In de Rooie<br />

Haan. In 2012 schreef Uitzinger de thriller Een fatale primeur, die zich grotendeels afspeelt<br />

in haar huidige woonplaats Berlijn. In 2013 komt haar nieuwe boek Citytrip Berlijn uit.<br />

115


De ontdekking <strong>van</strong> de curryworst (fragment)<br />

Uwe Timm<br />

Vertaling: Gerrit Bussink<br />

<strong>Het</strong> is meer dan twaalf jaar geleden dat ik voor het laatst bij de<br />

kraam <strong>van</strong> mevrouw Brücker een curryworst heb gegeten. Haar<br />

patatkraam stond op de Grossneumarkt – een plein in de havenwijk:<br />

winderig, vuil, kinderkopjes. Op het plein staan een paar piekerige<br />

bomen, een urinoir en drie kramen waar groepjes zwervers<br />

uit grote plastic flessen rode Algerijnse wijn drinken. In het westen<br />

de grijsgroene glazen gevel <strong>van</strong> een verzekeringsgebouw en daarachter<br />

de Michaeliskirche, waar<strong>van</strong> de toren ’s middags zijn schaduw<br />

over het plein werpt. <strong>Het</strong> grootste deel <strong>van</strong> de wijk was in de<br />

oorlog platgebombardeerd. Maar een paar straten bleven overeind<br />

en in een daar<strong>van</strong>, in de Brüderstrasse, woonde een tante <strong>van</strong> me,<br />

waar ik als kind vaak naartoe ging, maar wel stiekem. Mijn vader<br />

had het verboden. De wijk werd Klein-Moskou genoemd en lag<br />

vlak bij de hoerenbuurt.<br />

Als ik later in Hamburg kwam, reed ik altijd naar die wijk,<br />

ik liep door de straten, langs het huis <strong>van</strong> mijn tante, die al jaren<br />

geleden was gestorven, om ten slotte – en dat was bij de eige<strong>nl</strong>ijke<br />

reden – bij de kraam <strong>van</strong> mevrouw Brücker een curryworst te eten.<br />

Hallo, zei mevrouw Brücker, alsof ik gisteren nog was geweest.<br />

<strong>Het</strong>zelfde als altijd?<br />

Ze ging aan de slag met een grote gietijzeren pan. Zo nu en<br />

dan drukte een windstoot de motregen onder de smalle luifel: een<br />

dekzeil, grijsgroen gespikkeld, maar met zoveel gaten dat het op<br />

zijn beurt met een strook plastic was afgedekt.<br />

<strong>Het</strong> is hier tegenwoordig een dooie boel, zei mevrouw Brücker,<br />

terwijl ze de zeef met de patat uit de kokende olie haalde, en<br />

ze vertelde wie er intussen allemaal uit de wijk was vertrokken en<br />

wie er was overleden. Namen die me niets zeiden hadden beroertes,<br />

gordelroos, ouderdomsdiabetes gekregen of lagen nu op de begraafplaats<br />

<strong>van</strong> Ohlsdorf. Mevrouw Brücker woonde nog steeds in<br />

hetzelfde pand waar mijn tante vroeger had gewoond.<br />

116


Kijk! Ze stak me haar handen toe, draaide ze langzaam om. De<br />

gewrichten <strong>van</strong> haar vingers waren veranderd in dikke knobbels.<br />

Jicht! Mijn ogen willen ook niet meer. Volgend jaar, zei ze net als<br />

elk jaar, hou ik ermee op, definitief. Ze pakte de houten tang en<br />

viste een <strong>van</strong> de zelfgeweckte augurken uit de pot. Die vond je als<br />

kind al zo lekker. De augurk kreeg ik elke keer gratis. Ik snap niet<br />

hoe je het in München uithoudt.<br />

Patatkramen hebben ze daar ook.<br />

Daar had ze op gewacht. Want prompt, en dat was een onderdeel<br />

<strong>van</strong> ons ritueel, reageerde ze met: jawel, maar hebben ze daar<br />

ook curryworst?<br />

Nee, in elk geval geen lekkere.<br />

Zie je wel, zei ze, deed wat curry in de hete pan, pakte een mes<br />

waarmee ze een kalfsworst in plakjes sneed, deed die erbij, zei: witte<br />

worst, afschuwelijk, en dan nog met zoete mosterd. Wat moet je<br />

daar nou mee. Ze rilde demonstratief: brrrr, kletste ketchup in de<br />

pan, roerde, strooide er nog wat zwarte peper overheen en schoof<br />

de plakjes worst vervolgens op een kartonnen bordje met een geribbelde<br />

rand. Echt waar. Komt door de wind. Geloof me. Scherpe<br />

wind vraagt om scherpe spullen.<br />

Haar kraam stond op een winderige hoek. Waar de strook<br />

plastic aan de kraam was vastgesjord zat een grote scheur. Zo nu en<br />

dan, bij een krachtige windstoot, kieperde een <strong>van</strong> de grote plastic<br />

ijshoorntjes om. Dat waren de reclametafeltjes. Op de platte bovenkant<br />

<strong>van</strong> het ijs kon je je gehaktbal eten en, zoals gezegd, deze<br />

volstrekt unieke curryworst.<br />

Ik sluit de kraam, definitief.<br />

Dat zei ze elke keer, en ik was er<strong>van</strong> overtuigd dat ik haar volgend<br />

jaar terug zou zien. Maar het jaar daarop was haar kraam verdwenen.<br />

Daarna ben ik niet meer naar de wijk gegaan en ik dacht<br />

bijna nooit meer aan mevrouw Brücker, hoogstens nog wel eens<br />

als ik in Berlijn, Kassel of ergens anders bij zo’n kraam stond, en<br />

verder natuurlijk altijd wanneer kenners kibbelden over de plaats<br />

en de datum waarop de curryworst is ontstaan. De meesten, nee,<br />

bijna allemaal veronderstelden ze dat dat het Berlijn <strong>van</strong> de late jaren<br />

vijftig was. Ik opperde dan altijd Hamburg, mevrouw Brücker<br />

en een vroegere datum.<br />

117


Bijna allemaal betwijfelden ze of de curryworst was uitgevonden.<br />

En dan ook nog door een bepaald iemand? Is dat niet net als met<br />

mythen, sprookjes, volksverhalen, legenden, waaraan niet slechts<br />

één persoon, maar heel veel mensen hebben bijgedragen? Bestaat<br />

de ontdekker <strong>van</strong> de gehaktbal? Zijn zulke gerechten geen collectieve<br />

prestaties? Gerechten die heel langzaam ontstaan, volgens de<br />

logica <strong>van</strong> de materiële omstandigheden, zoals dat bijvoorbeeld bij<br />

de gehaktbal het geval geweest kan zijn: iemand had wat brood<br />

over en maar weinig vlees en wilde toch zijn maag vullen en dus<br />

lag voor de hand ze samen op te eten, en bovendien had zo iemand<br />

daar plezier in, je moest het vlees en het brood immers door elkaar<br />

prakken. Dat zullen veel gedaan hebben, tegelijkertijd, op verschillende<br />

plekken, en daarom zijn er ook allerlei namen voor: bal, boulette,<br />

vleesplak, hazenoor, vleeskoekje.<br />

Dat kan wel, zei ik, maar bij de curryworst ligt het anders,<br />

de naam zegt het al, hij combineert wat het verst weg met wat het<br />

dichtstbij is, de curry met de worst. En die combinatie, die gelijkstond<br />

met een ontdekking, is tot stand gebracht door mevrouw<br />

Brücker en dat gebeurde ergens halverwege de jaren veertig.<br />

Dit is mijn herinnering: ik zit in de keuken <strong>van</strong> mijn tante<br />

in de Brüderstrasse, en in de donkere keuken, waar<strong>van</strong> de muren<br />

tot aan de lambrisering zijn geverfd met een ivoorkleurige lak, zit<br />

ook mevrouw Brücker. Ze woont helemaal boven en vertelt over de<br />

zwarthandelaren, sjouwers, zeelieden, de kleine en grote bandieten,<br />

de hoeren en pooiers die haar kraam bezoeken. Wat een verhalen<br />

allemaal. De fantasie kende geen grenzen. Mevrouw Brücker<br />

beweerde dat die kwam door haar curryworst, die maakte de tongen<br />

los, die scherpte de blik.<br />

Zo herinnerde ik het me en ik ging op onderzoek uit, ik informeerde<br />

bij familie en kennissen. Mevrouw Brücker? Een paar<br />

mensen konden zich haar nog goed voor de geest halen. Ook de<br />

patatkraam. Maar of zij de curryworst had uitgevonden? En hoe?<br />

Dat kon niemand me vertellen.<br />

Ook mijn moeder, die zich anders altijd <strong>van</strong> alles tot in het<br />

kleinste detail herinnerde, wist niets <strong>van</strong> de uitvinding <strong>van</strong> de curryworst.<br />

Ze herinnerde zich wel dat mevrouw Brücker een hele tijd<br />

had geëxperimenteerd met eikelkoffie, in die tijd was er immers<br />

118


niets te krijgen. Toen ze na de oorlog met haar kraam begon had<br />

ze eikelkoffie geschonken. Mijn moeder kon me zelfs het recept<br />

nog geven: je raapt eikels, droogt ze in de bakoven, verwijdert de<br />

bast, waarna je de vrucht fijnstampt en roostert. Daarna voeg je<br />

nog het gebruikelijke koffiesurrogaat toe. De koffie smaakte een<br />

beetje bitter. Wie die koffie gedurende een lange periode dronk,<br />

verloor volgens mijn moeder langzaam zijn smaak. De eikelkoffie<br />

looide je tong. Daardoor konden drinkers <strong>van</strong> eikelkoffie in de<br />

hongerwinter <strong>van</strong> ’47 zelfs zaagsel in hun brood meebakken. Voor<br />

hen smaakte het dan als brood <strong>van</strong> het beste tarwemeel.<br />

En dan was er nog het <strong>verhaal</strong> over haar man. Mevrouw Brücker<br />

was getrouwd? Ja. Op een dag heeft ze hem de deur uitgezet.<br />

Waarom?<br />

Dat kon mijn moeder me niet vertellen.<br />

* Uwe Timm (1940) promoveerde in 1971 in de filosofie en is sindsdien schrijver. Zijn werk<br />

werd veelvuldig bekroond. Mijn broer bijvoorbeeld (2003) werd door NRC Handelsblad geselecteerd<br />

als een <strong>van</strong> de beste boeken <strong>van</strong> 2003. Timm probeert in zijn werk alledaagse<br />

vertelvormen na te bootsen, en gebruikt daarbij simpele zinnen en alledaags taalgebruik.<br />

119


<strong>Het</strong> meten <strong>van</strong> de wereld<br />

Daniel Kehlmann<br />

vertaling: Jacq Firmin Vogelaar<br />

Gauß begon over het onderwerp toeval, de vijand <strong>van</strong> alle kennis<br />

die hij geprobeerd had uit te bannen. Van dichtbij gezien werd<br />

achter elke gebeurtenis het onnoemelijk fijne netwerk <strong>van</strong> de causaliteit<br />

zichtbaar. Als je genoeg afstand nam, kwamen de grote patronen<br />

tevoorschijn. Voor vrijheid en toeval moest je een positie<br />

in het midden kiezen, het was een kwestie <strong>van</strong> afstand. Begreep<br />

hij dat?<br />

Zo ongeveer, zei Eugen vermoeid en keek op zijn zakhorloge.<br />

<strong>Het</strong> liep niet erg precies, maar het moest tussen half vier en vijf uur<br />

’s ochtends zijn.<br />

Maar de regels <strong>van</strong> de waarschij<strong>nl</strong>ijkheid, ging Gauß verder,<br />

terwijl hij zijn handen tegen zijn pij<strong>nl</strong>ijke rug drukte, golden niet<br />

altijd. <strong>Het</strong> waren geen natuurwetten, uitzonderingen waren mogelijk.<br />

Bijvoorbeeld een intellect als het zijne of de winst bij het kansspel<br />

die strijk-en-zet bij een of andere stommeling terechtkwam.<br />

Soms vermoedde hij zelfs dat ook de wetten <strong>van</strong> de fysica alleen<br />

maar statistische waarde hadden, dus uitzonderingen toestonden:<br />

spoken of gedachtelezen.<br />

Eugen vroeg of hij dat serieus meende.<br />

Dat wist hij zelf niet, zei Gauß, sloot zijn ogen en viel in een<br />

diepe slaap.<br />

Ze bereikten Berlijn de volgende dag aan het eind <strong>van</strong> de middag.<br />

Duizenden kleine huisjes zonder middelpunt en zonder enige<br />

ordening, een uitdijende nederzetting op de moerassigste plek <strong>van</strong><br />

Europa. Men was juist begonnen met de bouw <strong>van</strong> luisterrijke gebouwen:<br />

een dom, enkele paleizen, een museum voor de vondsten<br />

<strong>van</strong> Humboldts grote expeditie.<br />

Over een paar jaar, zei Eugen, werd dit hier een metropool<br />

zoals Rome, Parijs of Sint-Petersburg.<br />

Nooit, zei Gauß. Een rotstad!<br />

120


De koets ratelde over de slechte bestrating. Tweemaal werden<br />

de paarden door grommende honden opgeschrikt, in de zijstraten<br />

bleven de wielen bijna in het natte zand steken. Hun gastheer<br />

woonde in het Packhof nummer vier, middenin de stad, vlak achter<br />

het bouwterrein <strong>van</strong> het nieuwe museum. Om te voorkomen<br />

dat ze het adres zouden missen, had hij met een dunne pen een<br />

heel nauwkeurige situatieschets getekend. Iemand moest hen <strong>van</strong><br />

veraf gezien en aangekondigd hebben, want enkele seconden nadat<br />

ze de binnenplaats op gereden waren, vloog de huisdeur open en<br />

kwamen vier mannen hen tegemoet.<br />

Alexander von Humboldt was een kleine, oude heer met<br />

sneeuwwit haar. Achter hem kwamen een secretaris met opengeslagen<br />

schrijfblok, een bode in livrei en een jongeman met bakkebaarden<br />

die een statief met een houten kast droeg. Alsof ze gerepeteerd<br />

hadden, stelden zij zich in het gelid op. Humboldt strekte<br />

zijn armen naar het portier <strong>van</strong> de koets uit.<br />

Er gebeurde niets.<br />

Binnenin het voertuig hoorden ze heftig praten. Nee, riep iemand,<br />

nee! Een doffe klap klonk, dan voor de derde keer: nee! En<br />

vervolgens een tijdje niets.<br />

Eindelijk klapte de deur open en Gauß stapte voorzichtig op<br />

het plaveisel. Hij deinsde achteruit toen Humboldt hem bij zijn<br />

schouders pakte en riep welk een eer het was, wat een groots moment<br />

voor Duitsland, de wetenschap en hemzelf.<br />

De secretaris noteerde, de man achter het houten kistje siste:<br />

nu!<br />

Humboldt verstarde. Dat was de heer Daguerre, fluisterde hij<br />

zonder zijn lippen te bewegen. Een beschermeling <strong>van</strong> hem die<br />

aan een apparaat werkte dat het moment op een lichtgevoelige zilverjodidelaag<br />

zou vastleggen en aan de vliedende tijd ontrukken.<br />

Alstublieft in geen geval bewegen!<br />

Gauß zei dat hij naar huis wou.<br />

* Daniel Kehlmann (1975) debuteerde al op <strong>twee</strong>ëntwintig jarige leeftijd en is nu één <strong>van</strong><br />

de meest succesvolle Duitse schrijvers. Zijn roman Die Vermessung der Welt (2005) domineerde<br />

meer dan een jaar de bestsellerslijsten in Duitsland en ook wereldwijd was het een<br />

<strong>van</strong> de best verkochte boeken <strong>van</strong> het jaar. Van zijn andere werken is Ruhm (2009) het meest<br />

succesvol. Beide boeken zijn inmiddels ook verfilmd en Kehlmann ontving al meerdere<br />

literatuurprijzen.<br />

121


122


Awater vertaald<br />

<strong>Het</strong> gedicht Awater <strong>van</strong> Martinus Nijhoff behoort onbetwist tot de<br />

literaire meesterwerken <strong>van</strong> de twintigste eeuw. City2Cities laat<br />

het zeer met Utrecht verbonden gedicht jaarlijks vertalen in de talen<br />

<strong>van</strong> de <strong>twee</strong> gast<strong>steden</strong>. <strong>Het</strong> gedicht verschijnt nu voor het eerst<br />

in een Portugese vertaling. De Duitse vertaling verschijnt hier in<br />

in een herdruk.<br />

123


124


Awater<br />

Martinus Nijhoff<br />

‘ik zoek een reisgenoot’<br />

Wees hier aanwezig, allereerste geest,<br />

die over wateren <strong>van</strong> aan<strong>van</strong>g zweeft.<br />

Uw goede oog moet zich dit werk toe keren,<br />

het is gelijk de wereld woest en leeg.<br />

<strong>Het</strong> wil niet, als geheel een vorige eeuw,<br />

puinhopen zien en zingen <strong>van</strong> mooi weer,<br />

want zingen is slechts hartstocht <strong>van</strong> een zweer<br />

en nimmer is, wat ook, ooit puin geweest.<br />

Een eerste steen ligt nauwelijks terneer.<br />

Elk woord vernieuwt de stilte die het breekt.<br />

Al wat geschiedt geschiedt nog voor het eerst.<br />

Geprezen! Noach bouwt, maar geen ark meer,<br />

En Jonas preekt, maar niet te Ninive.<br />

Ik heb een man gezien. Hij heeft geen naam.<br />

Geef hem ons aller vóórnaam bij elkaar.<br />

Hij is de zoon <strong>van</strong> een vrouw en een vader.<br />

Zodra de rode zon is opgegaan<br />

gaat hij de stad in. Hij komt langs mijn raam.<br />

De avond blauwt, hij komt er weer <strong>van</strong>daan.<br />

Hij werkt op een kantoor, heet daar Awater.<br />

Zie hem. Hij is bekleed met kemelhaar<br />

geregen door een naald. Zijn lijf is mager<br />

gespijsd met wilde honing en sprinkhanen.<br />

Niemand heeft ooit hetgeen hij roept verstaan.<br />

<strong>Het</strong> is woestijn waar hij gebaren maakt.<br />

Hij heeft iets <strong>van</strong> een monnik, een soldaat,<br />

maar er wordt niet gebeden, niet geblazen,<br />

wanneer men op kantoor het boek opslaat.<br />

125


Men zit als in een tempel aan een tafel.<br />

Men schrijft Arabisch schrift met Italiaans.<br />

In cijfers, dwarrelend als as omlaag,<br />

rijzen kolommen <strong>van</strong> orakeltaal.<br />

<strong>Het</strong> wordt stil, het wordt warmer in de zaal.<br />

Steeds zilter waait dun ratelend metaal.<br />

De schrijfmachine mijmert gekkepraat.<br />

Lees maar, er staat niet wat er staat. Er staat:<br />

‘O moeder, nooit zult gij de bontjas dragen<br />

waarvoor elk dubbeltje werd omgedraaid,<br />

en niet meer ga ik op mijn vrije dagen<br />

met een paar bloemen naar het hospitaal,<br />

maar breng de rozen naar de Kerkhoflaan...’<br />

Dit staat er, en Awaters strak gelaat<br />

geeft roerloos zijn ontroering te verstaan.<br />

Hoe laat is het? Awaters hoofd voelt zwaar.<br />

De telefoon slaapt op de lessenaar.<br />

De theekopjes worden teruggehaald.<br />

De klok tikt, tikt, slaat, tikt tot half-zes slaat.<br />

De groene lampen worden uitgedraaid.<br />

Vandaag, toen ik voor ’t raam de bloemen goot,<br />

is het voornemen in mij opgekomen<br />

Awater te gaan halen <strong>van</strong> kantoor.<br />

Ik heb sinds mijn broer stierf geen reisgenoot.<br />

Als men een vriend zoekt, is het doodgewoon<br />

dat men eerst ziet of men bij hem kan horen.<br />

Vanavond volg ik dus Awaters spoor,<br />

ik kijk de kat, zo men zegt, uit de boom,<br />

en morgen, gaat het goed, stel ik mij voor.<br />

Zo sta ik bij de hoge stoep. Ik schroom.<br />

<strong>Het</strong> slaat half-zes. De tijd wordt eindeloos.<br />

De straat wordt door voorbijgangers doorstroomd.<br />

In elke schaduw wordt een licht ontstoken,<br />

makend, al dwalend, omtrekken in rook.<br />

O broeder in den hemel, wees hier ook.<br />

126


Bescherm mij, dat mijn schim geen licht vertoont.<br />

Bewaar mij ongezien en ongehoord. —<br />

Opeens Awater. Van een overloop<br />

zie ik hem komen, knipperend met ’t oog.<br />

Geen sterveling, geen stad, geen avondrood<br />

bestaat voor hem. Hij komt gesneld <strong>van</strong> boven,<br />

zandstenen trappen af langs slangen koper.<br />

Hij ziet, schijnt het, een horizon, een zoom<br />

waaruit ononderbroken weerlicht gloort.<br />

<strong>Het</strong> is alsof hij hoort waar<strong>van</strong> hij droomt<br />

en de plek ziet waar hij te vinden hoopt,<br />

zo snelt hij langs me, en ik voel mij doorboord.<br />

Hij loopt haastig de vestibule door.<br />

Hij hangt een sleutel op het sleutelboord.<br />

Een droge distel doet zich aan hem voor,<br />

hij grijpt zijn stok, hij wandelt fluitend voort.<br />

Hij dekt zich, ik echter ontbloot het hoofd:<br />

Wees hier, nogmaals, gij die op hoogten woont<br />

zo onbewoonbaar als Calvario.<br />

De straten zijn met asfalt geplaveid.<br />

Ik merk dat de echo, die mij uitgeleide<br />

deed door de hall met tegels, buiten zwijgt.<br />

De stad verleent de voet geluidloosheid.<br />

Een rij auto’s glijdt karavaansgewijs<br />

met zacht gekraak <strong>van</strong> leer aan ons voorbij.<br />

Awater is mij reeds vooruitgeijld.<br />

Ja, ja, ’t schijnt waar te zijn, hij wil op reis.<br />

Hij staat stil voor het modemagazijn.<br />

Ik zie dat hij naar een gezelschap kijkt<br />

<strong>van</strong> poppen die met plaids en verrekijkers<br />

legeren aan de oever <strong>van</strong> de Nijl<br />

gelijk uit pyramide en palmboom blijkt.<br />

O Awater, ik weet waar<strong>van</strong> gij peinst,<br />

iets verder, bij de plaat der scheepvaartlijn<br />

waarop een Bedoeïn in de woestijn<br />

127


een schip begroet dat over zee verschijnt,<br />

en, weer iets verder, bij het bankpaleis<br />

waar ‘vreemd geld’ genoteerd staat in de lijst.<br />

Zo gaan wij samen langs de winkelschijnsels.<br />

Eensklaps is hij verdwenen in een zijstraat.<br />

Een deurbel klinkt. Daar moet hij binnen zijn.<br />

Er staat geschreven: scheren en haarsnijden.<br />

<strong>Het</strong> klein vertrek met kasten aan weerszij<br />

lijkt door de sterke geur <strong>van</strong> allerlei<br />

parfumerie-artikelen nog kleiner.<br />

Awater – ik moet zeggen, ik ben blij<br />

dat ik hem zie, ik was hem bijna kwijt, –<br />

zit in een mantel <strong>van</strong> gesteven lijnwaad<br />

voor de wastafel <strong>van</strong> wit porcelein.<br />

De kapper doet zijn werk, en ik zet mij<br />

als wie zijn beurt wacht, op een stoel terzijde.<br />

Nooit zag ik Awater zo <strong>van</strong> nabij<br />

als thans, via de spiegel; nooit scheen hij<br />

zo nimmer te bereiken tegelijk.<br />

Tussen de flessen, glinsterend verbrijzeld,<br />

verrijst hij in de spiegel als een ijsberg<br />

waarlangs de gladde schaar zijn snavel strijkt.<br />

Maar het wordt lente, en terwijl wijd en zijd<br />

de damp hangt <strong>van</strong> een bui die overdrijft<br />

ploegt door het woelend haar de kam de scheiding.<br />

Dan neemt Awater <strong>van</strong> de kapper afscheid<br />

en ik volg hem op straat, werktuigelijk.<br />

<strong>Het</strong> toeval neemt een binnenweg naar ’t doel.<br />

Moest het, dat Awater belanden moest<br />

in het café waar ik kwam met mijn broer?<br />

<strong>Het</strong> moest, en hij zit zelfs in onze hoek.<br />

Ik zet mij ergens anders. Plaats genoeg.<br />

De kelner kent me. Hij weet wat ik voel.<br />

Hij heeft mijn tafeltje al <strong>twee</strong>maal gepoetst.<br />

Hij blijft, met in zijn hand de witte doek,<br />

128


geruime tijd staan zwijgen naast mijn stoel.<br />

‘De tijden’ zegt hij ‘zijn niet meer als vroeger.’<br />

Ik weet dat hij ook aan mijn broer denkt, hoe<br />

met zijn hond aan de ketting en zijn hoed<br />

iets achterover op, hij binnenwoei<br />

en ’t hele zaaltje vulde met rumoer.<br />

Hier ligt hetzelfde zand nog op de vloer,<br />

dezelfde duif koert in zijn kooi als toen.<br />

Oei, zei de wind, voort, voort! Zo is het goed.<br />

Wie is dat? zeg ik daar ’k iets zeggen moet.<br />

En hij, wetend terstond op wien ik doel:<br />

‘Iemand die voor het eerst de zaak bezoekt.’<br />

Dan trekt hij <strong>van</strong> ’t buffet het hekje toe.<br />

In ’t water worden glazen omgespoeld. –<br />

Wat is ’t dat in zijn zak Awater zoekt?<br />

<strong>Het</strong> is een boekje <strong>van</strong> marocco groen.<br />

<strong>Het</strong> is een schaakspel nu hij ’t opendoet.<br />

Awaters ogen kijken koel en stroef.<br />

Zijn hand, op tafel trommelend, schenkt moed<br />

aan het visioen dat door zijn voorhoofd woelt.<br />

Een sneeuwvlok dwarrelt tussen droppen bloed.<br />

<strong>Het</strong> spel wordt tot een nieuw figuur gevoegd.<br />

Zijn glas, vóór hem, beslaat onaangeroerd.<br />

De cigaret die in de asbak gloeit<br />

maakt een stokroos die langs ’t plafond ontbloeit.<br />

Hij zit volstrekt alleen en ongemoeid.<br />

Hij heeft wat een planeet heeft en een bloem,<br />

een innerlijke vaart die diep vervoert.<br />

Nu drinkt hij het glas leeg en sluit het boek.<br />

Hij krijgt, nu hij stil voor zich kijkt, iets droevigs.<br />

Hij kijkt mijn kant uit, zodat ik vermoed<br />

dat hij mij roept als hij de kelner roept.<br />

Maar neen, hij rekent af, ik ook, en spoedig<br />

gaan wij weer samen door het straatgewoel.<br />

Elektrisch licht dat langs de gevel schiet<br />

129


schrijft ieder ogenblik de naam opnieuw<br />

<strong>van</strong> ’t restaurant, en een dubbele file<br />

mensen gaat in en uit langs de portier<br />

die de toegang <strong>van</strong> draaiend glas bedient.<br />

Terwijl wij binnentreden klinkt muziek.<br />

Awater blijkt bekendheid te genieten.<br />

Waar hij langs komt wordt naar hem omgezien.<br />

‘Wat?’ zegt iemand ‘kent u Awater niet?<br />

Ik meen, hij is accountant of zo iets.<br />

Ik ken hem, maar ik ken hem niet intiem.<br />

Sommigen zeggen, ’s avonds leest hij Grieks,<br />

maar anderen beweren het is Iers.’ —<br />

Er is intussen iets zeer vreemds geschied.<br />

Een heer die zich op ’t podium verhief<br />

zegt dat hij Awater zijn plaats aanbiedt.<br />

‘Ik spreek’ zegt hij ‘uit naam <strong>van</strong> allen hier.<br />

Wij hebben tussen ons een groot artiest.’<br />

Awater, met gebaren naar ’t servies,<br />

wil zeggen dat hij <strong>van</strong> de eer afziet<br />

en liever had dat men hem eten liet.<br />

In de biljartzaal staakt men een serie.<br />

<strong>Het</strong> wordt doodstil. Boven schaart men nieuwsgierig<br />

zich langs de balustrade der verdieping.<br />

<strong>Het</strong> schroefblad <strong>van</strong> de ventilator wiekt.<br />

Dan staat Awater op en zingt zijn lied:<br />

— Steeds troostte ze, steeds heeft zij als ik sliep<br />

mij met haar liefelijke komst bezield,<br />

de aanbedene; thans kwam ze en heeft vernield<br />

de laatste steun die mijn verlies zich schiep.<br />

Zij was, toen ’k haar ontwaren ging, in diep<br />

met schrik vermengd verdriet terneergeknield;<br />

ik hoorde dat zij mij geloof voorhield<br />

maar zonder dat het hoop of vreugde opriep:<br />

‘Herinnert ge u dien laatsten avond niet’<br />

sprak ze ‘toen ik uw tranen heb ontzien<br />

en zonder meer de wereld achterliet?<br />

130


Ik kon, noch wilde ik, melden u sindsdien<br />

hetgeen ik thans u te verstaan gebied:<br />

niet hopen mij op aarde ooit weer te zien.’<br />

Awater zwijgt. Hij verstijft tot graniet.<br />

Men applaudisseert, werpt met serpentines.<br />

Awater, als een pop, als een pop die<br />

te zwaar is voor zijn eigen mechaniek,<br />

waggelt den uitgang toe dwars door ’t publiek.<br />

Er wappert nog een smalle strook papier<br />

hem langs de rug. Ik volg hem op de hielen.<br />

Ik zorg — want het is stil en de straat nauw —<br />

gelijke tred met Awater te houden.<br />

Zo hoort hij niet dat iemand hem bijhoudt.<br />

Mijn bezorgdheden worden menigvoud:<br />

er ligt post thuis, ik heb aan de werkvrouw<br />

nog niet gezegd dat ik op reis gaan zou,<br />

mijn raam staat aan, er brandt vuur in de schouw,<br />

ik heb niets bij me, wat doe ik überhaupt<br />

op reis te gaan. – De vlieger aan zijn touw<br />

tuimelt en stijgt: telkens slaat mijn benauwdheid<br />

in vaster blijdschap om: wat zou ’t, wat zou ’t!<br />

Zo voer ik, het hoofd diep gebogen houdend,<br />

met mijzelf het beslissend onderhoud.<br />

De straat wordt breder. Uit bomen druipt dauw.<br />

Recht voor ons uit ligt het stationsgebouw.<br />

Zou men hier middernacht een meeting houden?<br />

’t Is stampvol op het plein. Tussen flambouwen<br />

staat op een ruw getimmerte <strong>van</strong> hout<br />

in haar heils-uniform, een jonge vrouw.<br />

Toeristen met rugzakken op de schouders,<br />

kinderen, vrouwen, arbeiders, hun blauw<br />

werkpak nog aan, staan onder de toeschouwers.<br />

‘Wij leven’ zegt zij ‘heel ons leven fout.’<br />

Awater, die de pas heeft ingehouden,<br />

kijkt naar mij om als kent hij mij <strong>van</strong> ouds.<br />

131


Maar waar? in een tram? in een schouwburgpauze?<br />

zo vraagt de blik waarmee hij mij beschouwt,<br />

terwijl hij - want het waait - zijn hoed vasthoudt.<br />

Wind, spelend met haar haar, legt langs de mouw<br />

der heilssoldaat een losse knoop <strong>van</strong> goud.<br />

‘Liefde’ zegt zij, ‘wordt nooit vergeefs vertrouwd.’<br />

Awater blijft, ik loop door, en zo gauw<br />

of ik de trein zag die ik halen wou.<br />

De stoker werpt steenkolen op het vuur.<br />

De machinist staat leunend uit te turen.<br />

Buiten de kap, boven de rails-figuren,<br />

beginnen de signalen hun prelude.<br />

De klok verspringt <strong>van</strong> minuut naar minuut.<br />

Weer roept zij, de locomotief; voortdurend<br />

roept zij, roepend dat het te lang reeds duurt.<br />

Haar zuil <strong>van</strong> zuchten wordt een wolkenkluwen.<br />

Maar denk niet, dat zij zich bekreunt om u,<br />

de Oriënt Express; nog minder deelt ze uw jubel<br />

als gij plaatsnamen ziet in een schriftuur<br />

die de eerste klank is <strong>van</strong> het avontuur.<br />

Zij kent in haar reisvaardigheid geen rücksicht.<br />

Wat voor hoop gij ook koestert of wegduwt,<br />

nogmaals, het deert haar niet; zelfs voor de illusie<br />

een reisgenoot te hebben is ze immuun.<br />

Dat gij, geheel alleen, u in haar luxe<br />

beklemd voelt, ’t raampje neerlaat, en zelfs nu<br />

’t perron nog afblikt; of dat gij het puurst<br />

geluk smaakt dat voor het individu<br />

is weggelegd: te weten, ’k werd bestuurd,<br />

’t is niet om niet geweest, ik was geen dupe, –<br />

geprezen! – ’t laat haar koud. Zij ziet azuur.<br />

Van schakels is haar klinkende ceintuur.<br />

Zij zingt, zij tilt een knie, door stoom omstuwd.<br />

Zij vertrekt op het voorgeschreven uur.<br />

Utrecht, 1934<br />

132


Awater<br />

Martinus Nijhoff<br />

vertaling Fernando Venâncio<br />

‘procuro um companheiro de viagem’<br />

Assoma aqui, ó espírito primevo,<br />

que pairas sobre as águas das origens.<br />

Projecta um bom olhar nesta tarefa<br />

que, tal o mundo, está vazia, informe.<br />

Não quer, como outro século, fitar<br />

escombros e cantar despreocupada,<br />

que o canto é só paixão duma ferida<br />

e nada ficou nunca devastado.<br />

Mal jaz ainda uma primeira pedra.<br />

Renova-se o silêncio na palavra<br />

que quebra. Tudo vem por vez primeira.<br />

Louvor! Noé constrói, só não é arca,<br />

E Jonas prega, mas não é em Nínive.<br />

Eu vi um homem. Não lhe sei o nome.<br />

Dêmos-lhe os nossos nomes próprios todos.<br />

É filho duma mulher e dum pai.<br />

Assim que o sol vermelho se le<strong>van</strong>ta<br />

vai prá cidade. Passa-me à janela.<br />

Ao escurecer, é vê-lo regressar.<br />

Lá no escritório chamam-no Awater.<br />

Vem perto, veste pêlos de camelo<br />

que a agulha reuniu. O magro corpo<br />

mantém-no a mel silvestre e gafanhotos.<br />

Jamais se percebeu o que dissesse.<br />

É num deserto que ele gesticula.<br />

Tem algo de eremita, de soldado,<br />

mas não há rezas, nada vai explodir,<br />

133


assim que no escritório o livro abrem.<br />

Sentam-se à mesa como se num templo.<br />

O italiano sai-lhes escrito à árabe.<br />

Em algarismos, cinzas flutuando,<br />

a fala oracular ergue colunas.<br />

Desce um silêncio, aquece a sala inteira.<br />

Salinos metais sopram matraqueando.<br />

Máquinas de escrever sonham desvairos.<br />

Se lerdes, desconfiai do que aí está:<br />

«Ó mãe, nunca vestirás o vison<br />

pra que tanto tostão foi recontado,<br />

e nunca mais irei nos meus feriados<br />

ao hospital com um ramo de flores,<br />

as rosas irão já pró cemitério...»<br />

Assim se lê, e o triste olhar de Awater<br />

imobiliza-se na comoção.<br />

Que horas são isto? Pesa-lhe a cabeça.<br />

Na escri<strong>van</strong>inha dorme o telefone.<br />

Alguém recolhe as chávenas de chá.<br />

Faz tiquetaque o relógio. Cinco e meia.<br />

O verde dos candeeiros extinguiu-se.<br />

Hoje, ao dar água às flores na janela,<br />

nasceu dentro de mim a decisão:<br />

ir apanhar Awater ao escritório.<br />

Perdido o meu irmão, nunca mais tive<br />

um companheiro de minhas viagens.<br />

Em quem procura amigo é natural<br />

querer saber se o outro nos assenta.<br />

Pois vou seguir Awater esta tarde,<br />

ver onde, assim se diz, param as modas,<br />

e, tudo ponderado, apresentar-me.<br />

Cá estou então junto aos degraus. Corado.<br />

São cinco e meia. O tempo que não escoa.<br />

A rua está pejada de peões.<br />

Em cada sombra acende-se uma luz,<br />

fazendo, errante, recortes em fumo.<br />

134


Ó meu irmão do céu, desce até mim.<br />

Protege-me, nada alumie o meu vulto.<br />

Que não se me divise nem me ouça.<br />

Lá vem Awater. Já, dum patamar,<br />

o vejo caminhando, os olhos piscos.<br />

Nem gente, nem cidade, nem poente<br />

pra ele existem enquanto ágil desce<br />

‘scada em granito, corrimão de cobre.<br />

Vislumbra um horizonte ou uma orla<br />

onde imparáveis relâmpagos fulgem.<br />

É como se ouvisse aquilo em que sonha<br />

e visse o sítio onde ansiava estar.<br />

Passa por mim, eu fico siderado.<br />

Atravessa apressado o hall de entrada.<br />

Pendura num suporte a sua chave.<br />

Percebe lá num canto um cardo seco,<br />

apanha o bastão, parte assobiando.<br />

Põe o chapéu, já eu retiro o meu:<br />

Vem cá, ó tu que habitas esses cimos<br />

inabitáveis como o do Calvário.<br />

As ruas em redor são asfaltadas.<br />

O eco, que me seguiu pelo hall<br />

de azulejos, reparo, cessa fora.<br />

Aqui o meu andar fez-se insonoro.<br />

Cara<strong>van</strong>as de carros vão passando,<br />

enquanto, suaves, rangem cabedais.<br />

Awater já me deixou bem pra trás.<br />

Pretende, creio, partir em viagem.<br />

Parou frente a um armazém de modas.<br />

Fixa o olhar nos manequins em grupo<br />

com mantas de viagem e binóculos<br />

que nas margens do Nilo se instalaram<br />

a julgar p’la pirâmide e a palmeira.<br />

Ó Awater, eu sei em que reflectes,<br />

além, na pintura da companhia<br />

de navegação, onde um beduíno<br />

135


saúda um barco que percorre o mar,<br />

e, mais longe, há um banco apalaçado<br />

com uma tabuleta onde diz Câmbio.<br />

Assim passamos ambos junto às montras.<br />

Nisto, ele esvai-se por uma travessa.<br />

Som de sineta. Há-de ter entrado<br />

ali onde se lê Barba e Cabelo.<br />

O comprimido espaço, com armários<br />

em volta e a cosmética cheirosa,<br />

parece acentuar-se em pequenez.<br />

Awater – eu, confesso, estou feliz<br />

de vê-lo, quase o havia perdido –<br />

enfrenta uma bacia em porcelana,<br />

envolto em veste de linho engomado.<br />

Faz o barbeiro o trabalho, eu ocupo<br />

uma cadeira, como esp’rando vez.<br />

Nunca eu Awater vira tão de perto<br />

como ali, pelo espelho, e também nunca<br />

o tive assim tão fácil de tocar.<br />

Entre os boiões, estilhaçado em brilhos,<br />

ei-lo no espelho como um icebergue<br />

que os lisos lábios da tesoura afloram.<br />

Mas chega a primavera e, enquanto passam<br />

vapores de aguaceiro, o pente cava<br />

a risca na agitada cabeleira.<br />

Despede-se Awater do barbeiro<br />

e eu sigo-o pela rua, maquinal.<br />

O acaso encontra atalhos rumo ao fito.<br />

Não querem ver que Awater se dirige<br />

ao café onde eu via o meu irmão?<br />

Nem mais, e vai sentar-se ao nosso canto.<br />

Instalo-me arredado. Espaço à larga.<br />

Conhece-me o empregado, e o que eu sinto.<br />

Limpou a mesa já por duas vezes,<br />

deixando-se estar, c’o pano na mão,<br />

silencioso junto ao meu assento.<br />

136


«Os tempos», diz, «não são o que eram dantes».<br />

Sei que ele pensa também no meu mano,<br />

cão pela trela, chapéu le<strong>van</strong>tado,<br />

entrando ali como uma ventania,<br />

em estardalhaço pondo a sala inteira.<br />

A mesma areia jaz p’lo chão afora,<br />

a mesma pomba arrulha na gaiola.<br />

Ui, disse o vento, adiante! Seja assim.<br />

Quem é? disse eu, só por ter que falar.<br />

E logo ele, sabendo a quem aludo:<br />

«Um tipo que jamais aqui entrou».<br />

Puxa a portinha do balcão pra si.<br />

Há copos enxaguando na bacia.<br />

Que está Awater a tirar do bolso?<br />

Vê-se um livrinho de marroquim verde.<br />

Abrindo-se é um jogo de xadrez.<br />

Awater olha-o, a testa enrugada.<br />

Os dedos tamborilam, infundindo<br />

brio à visão que as rugas denunciam.<br />

Flocos de neve entre gotas de sangue.<br />

O jogo toma nova arrumação.<br />

Em frente, o copo condensa, intocado.<br />

O cigarro em ardências no cinzeiro<br />

faz malvas florescentes junto ao tecto.<br />

Ei-lo isolado, nele nada mexe.<br />

Tem, tal como um planeta, ou uma flor,<br />

um ímpeto interior que a<strong>van</strong>ça fundo.<br />

Agora empina o copo e cerra o livro.<br />

O olhar fixo ganha uma tristeza.<br />

Ao vê-lo virar-se pra mim, suponho<br />

que ele me chama ao chamar o empregado.<br />

Mas não. Ele paga, eu também, e nisto<br />

eis-nos ambos no remoinho da rua.<br />

A luz eléctrica vara a fachada,<br />

desenha repetidamente o nome<br />

do restaurante, e uma fila dupla<br />

137


de gente sai e entra pela porta<br />

que o porteiro manobra, giratória.<br />

Há música que, entrados, nos acolhe.<br />

Awater revela-se conhecido.<br />

Por onde passa viram-se os olhares.<br />

«Quê?», dizem-me, «não conhece o Awater?<br />

Ele é contabilista ou coisa assim.<br />

Conheço-o, mas sem intimidades.<br />

Alguns afirmam que à noite lê grego,<br />

outros dizem que a coisa é irlandês.»<br />

Algo de estranho entrementes se passa.<br />

Um cavalheiro erguendo-se no pódio<br />

diz que oferece a Awater o lugar.<br />

«Eu falo», diz, «por quantos aqui estão.<br />

Encontra-se entre nós um grande artista.»<br />

Awater, apontando então a louça,<br />

dá a entender que dispensava a honra<br />

e preferia vir comer sem mais.<br />

Na sala do bilhar pára uma série.<br />

Nada se mexe. No andar de cima<br />

há curiosos junto à balaustrada.<br />

Gira a ventoinha do ventilador.<br />

Awater ergue-se, irrompe o seu canto:<br />

«Ela era o meu consolo, se eu dormia<br />

uma meiga presença me inundava,<br />

da amada, que voltou para arrancar<br />

à minha perda o derradeiro amparo.<br />

Ao lobrigá-la, vi-a ajoelhada<br />

num susto fundo, orlado de tristeza.<br />

Notei que me tentava infundir fé,<br />

mas sem me dar esperança ou alegria.<br />

“Não recordas aquela última noite”,<br />

disse ela, “em que, pra poupar-te ao pranto,<br />

deixei o mundo sem hesitação?<br />

Eu não podia, nem quis, informar-te<br />

daquilo que agora tens de entender:<br />

Não esperes ver-me mais sobre esta Terra”».<br />

138


Awater cala-se, rijo granito.<br />

É aplaudido, rolam serpentinas.<br />

Como um boneco a exercer mais peso<br />

do que o seu mecanismo lhe suporta,<br />

cambaleia entre as mesas prá saída.<br />

Ondula-lhe nas costas invulgar<br />

filete de papel. Sigo-lhe os passos.<br />

Na rua estreita e calma vou tentando<br />

pisar o chão quando Awater o faz.<br />

Assim não se dá conta que é seguido.<br />

Um ror de coisas me vão preocupando:<br />

correio em casa, ignorar a criada<br />

ser minha intenção partir em viagem,<br />

janela aberta, lume na lareira,<br />

não ter nada comigo nem razões<br />

pra ir. – O papagaio preso à corda<br />

dá cambalhotas: ora é inquietude<br />

ora alegria: sim, que mal que tinha!<br />

É o debate que, fronte inclinada,<br />

Vou tendo, decisivo, com mim mesmo.<br />

A rua alarga. As árvores orvalham.<br />

Frente a nós, a estação ferroviária.<br />

Será aquilo um comício nocturno?<br />

Está cheia a praça. Diviso entre archotes<br />

num palco meio tosco uma moçoila<br />

vestida a Exército da Salvação.<br />

Turistas de mochilas pelos ombros,<br />

Crianças, mulheres, trabalhadores<br />

inda fardados, estão entre os presentes.<br />

«A vida que levais», diz, «é um engano».<br />

Awater, que abrandara já o passo,<br />

olha-me como a alguém a quem já vira.<br />

Mas onde? No eléctrico? Num teatro?<br />

pergunta-se o olhar com que me observa,<br />

a mão – porque está vento – no chapéu.<br />

Além, na manga da moça soldado,<br />

139


o vento brinca, abrindo um botão de ouro.<br />

«Amor, ninguém», diz, «o dedica em vão».<br />

Awater fica, eu prossigo, tão lesto<br />

como se visse o comboio aguardado.<br />

Lança o fogueiro carvão sobre o lume.<br />

O maquinista olha, encostado, à volta.<br />

Ao longe, sobre as linhas que se cruzam,<br />

começam os sinais o seu prelúdio.<br />

Saltita o relógio a cada minuto.<br />

Grita a locomotiva, sem parar,<br />

isto já demorou tempo que chegue.<br />

Suspira um novelo de fumaraças.<br />

Mas, recordai, não é por vós que geme<br />

o Expresso do Oriente, nem jubila<br />

convosco ao lerdes nos assentos nomes<br />

numa caligrafia que contém<br />

já os prenúncios da grande aventura.<br />

Ele é, na sua marcha, impiedoso.<br />

Desejos ou repulsas que leveis,<br />

nada o toca, é imune à própria ideia<br />

de serdes companheiros de viagem.<br />

Que sufoqueis, a sós, nesse seu luxo,<br />

baixeis esta janela, e por instantes<br />

passeis o olhar p’lo cais, ou até proveis<br />

o mais puro prazer que a um mortal<br />

está reservado, isto é: fui conduzido,<br />

não foi em vão, e nem sequer sofri –<br />

bons céus, tanto lhe faz. Só vê azul.<br />

Um cinto fez de ruidosos elos.<br />

Cantando, um joelho ergueu entre vapores.<br />

E no horário previsto já lá vai.<br />

Utrecht, 1934<br />

140


Awater<br />

Martinus Nijhoff<br />

vertaling Ard Posthuma<br />

‘ich suche einen Gefährten’<br />

Komm, allererster Geist, Du, der Du schwebst<br />

über der Urflut, und sei hier anwesend.<br />

Erblicke dieses Werk, damit es werde.<br />

Es ist, wie diese Welt auch, öde und leer.<br />

Es will nicht unbeschwert wie eh und je<br />

Schönwetter singen und rings Trümmer sehen,<br />

denn Singen ist nichts als ein heißes Weh,<br />

und nimmer hat es Trümmer je gegeben.<br />

Ein erster Stein ward eben erst gelegt.<br />

Wer spricht, stellt neu die Stille wieder her.<br />

Gepriesen! Neu sei alles, was geschehe.<br />

Sieh: Noah baut, doch keine Arche mehr,<br />

und Jona mahnt, doch nicht in Ninive.<br />

Ich sehe einen Mann, noch ohne Namen.<br />

Er soll jetzt unser aller Namen haben.<br />

Sohn ist er einer Frau und eines Vaters.<br />

Kaum zieht die rote Sonne ihre Bahn,<br />

da geht er in die Stadt. Im Blau des Abends<br />

seh ich durchs Fenster ihn ein zweites Mal.<br />

Er macht Büroarbeit, heißt dort Awater.<br />

Sieh nur! Er ist gehüllt in Kamelhaar,<br />

der Nadel grobes Werk. Sein Leib ist mager.<br />

Nur Heuschrecken und wilden Honig aß er.<br />

Sein Ruf verhallt, kein Mensch, der ihn vernahm.<br />

Wo er Gebärden macht, ist wüstes Land.<br />

Er ähnelt einem Mönch, einem Soldaten,<br />

doch wird jetzt nicht gebetet, nicht geblasen,<br />

141


im Büro, bloß das Buch wird aufgeschlagen.<br />

Man sitzt da wie im Tempel bei der Tafel.<br />

Man schreibt Arabisch mit Italica.<br />

Wie Asche rieselt’s runter, aus den Zahlen<br />

steigen Kolumnen einer Rätselsprache.<br />

Es wird still, es wird wärmer jetzt im Saal.<br />

Salziger Wind bläst ratternde Signale.<br />

Die Schreibmaschine grübelt sonderbar.<br />

Lies nur; was dasteht, steht nicht da, und zwar:<br />

»O Mutter, niemals wirst den Pelz du tragen,<br />

für den man jedes Pfennigstück drei Mal<br />

hat umgedreht. Nicht mehr, an freien Tagen,<br />

geh ich mit ein paar Blumen ins Spital;<br />

doch bring die Rosen an die Friedhofgasse — «<br />

So steht’s. Awater rührt sich nicht, doch ja,<br />

er ist gerührt, sein starrer Blick besagt’s.<br />

Wie spät ist es? Awater wirkt geplagt.<br />

Das Telefon am Schreibpult ruht im Schlaf.<br />

Die Teetassen werden hinausgetragen.<br />

Die Uhr tickt, tickt, schlägt, tickt, die Zeit ist da.<br />

Man löscht die grünen Lampen, Feierabend.<br />

Heut, als ich Blumen goss, wie ich’s gewohnt,<br />

wurd’ aus der Not mir die Idee geboren,<br />

Awater abzuholen vom Büro.<br />

Mir fehlt ein Freund, seit meines Bruders Tod.<br />

Der Weggefährte, den man wählt, muss schon<br />

zu einem passen, das versteht sich, oder?<br />

Heut Abend folg ich Awater also<br />

und stell ihn im Geheimen auf die Probe,<br />

und, geht es gut, stell ich mich morgen vor.<br />

Da sind die hohen Stufen. Ob ich wohl — ?<br />

Es schlägt halb sechs. Es dauert nach wie vor..<br />

An mir vorbei wogt der Passantenstrom.<br />

Aus jedem Schatten glimmt ein Licht hervor.<br />

Im Rauch erscheinen umrisshaft Phantome.<br />

O Bruder, Du im Himmel, komm Du bloß,<br />

142


eschütze mich und mach mich körperlos,<br />

dass mich bemerke weder Aug noch Ohr. —<br />

Da kommt Awater schon, von der Empore<br />

die Treppen runter, blinzelnd, atemlos.<br />

Für ihn gibt’s weder Stadt noch Abendrot.<br />

Zwei Kupferschlangen schwingen sich von oben,<br />

kaum spürt der Sandstein seine schnellen Sohlen.<br />

Er sieht, scheint’s, einen Horizont, von wo<br />

ein Lichtschein wetterleuchtet, pause<strong>nl</strong>os.<br />

Es ist, als riefe ihn seine Vision,<br />

und säh er die erhoffte Stelle schon.<br />

Wie er vorbeirennt, fühl ich mich durchbohrt.<br />

Er schreitet eilig durch die Garderobe.<br />

Er gibt den Schlüssel in die Pförtnerloge,<br />

sieht eine Trockendistel, irgendwo,<br />

ergreift den Stock und marschiert pfeifend los.<br />

Er deckt sich, doch ich hab den Hut gezogen.<br />

Nochmals, sei hier, der Du auf Höhen wohnst,<br />

so unbewohnbar wie Kalvario.<br />

Der Asphalt deckt die Straßen, weit und breit.<br />

Mir fällt auf, dass das Echo, mein Begleiter<br />

durch die geflieste Halle, draußen schweigt.<br />

Die Stadt verleiht dem Fuß Lautlosigkeit.<br />

Die lange Autokarawane gleitet<br />

mit Lederknarren leis an uns vorbei.<br />

Awater ist mir schon vorausgeeilt.<br />

ja, ja, es stimmt, er will verreisen, scheint’s!<br />

Ich sehe, wie er plötzlich stehenbleibt<br />

vorm Modehaus: Puppen in Reisekleidung<br />

rnit Fernglas, Reisedecke und dergleichen<br />

verweilen irgendwo am Nil, wie beides,<br />

Palme und Pyramide, klar beweist.<br />

O Awater, ich weiß, was dich ergreift,<br />

dort drüben beim Plakat der Reederei:<br />

ein Beduine in der Wüste breitet<br />

die Arme aus, als fern ein Schiff erscheint —<br />

143


und dort beim Bankpalast, drei Schritte weiter,<br />

wo »Fremde Währung« steht, in Kreidezeichen.<br />

So leuchten Schaufenster an uns vorbei,<br />

bis er jäh abbiegt und verschwunden scheint.<br />

Es klingelt an der Tür, da muss er sein.<br />

Geschrieben steht »Rasieren und Haarschneiden«.<br />

Der kleine Raum, Schränke auf beiden Seiten,<br />

erscheint im starken Duft von allerlei<br />

Parfümerieartikeln noch viel kleiner.<br />

Awater – ich bin wirklich sehr erleichtert,<br />

fast wär der ganze Plan gescheitert –<br />

sitzt da im Mantel aus gestärktem Leinen.<br />

Vor Ihm, aus Porzellan, das Becken, weiß.<br />

Ich schaue zu, wie der Frisör arbeitet,<br />

tue so, als warte ich, bis ich an der Reihe.<br />

Nie war mir Awater so nah und greifbar<br />

wie jetzt, wo mir das Spiegelbild ihn zeigt;<br />

nie war er unerreichbarer zugleich.<br />

Zwischen den Flaschen, in Zersplitterung gleißend,<br />

erhebt er sich im Spiegel wie ein Eisberg,<br />

um den der glatte Scherenschnabel schweift.<br />

Doch es wird Frühling; wo nun allerseits<br />

vom Schauer noch ein feiner Nebel bleibt,<br />

pflügt durchs wallende Haar der Kamm den Scheitel.<br />

Jetzt geht Awater, der Frisör verneigt sich,<br />

und ich bleib hinter ihm, wie angeseilt.<br />

Per Schleichweg steuern wir dem Ziele zu.<br />

War’s Zufall, dass Awater landen musste<br />

im Stammlokal von mir und meinem Bruder?<br />

Kein Zufall, unseren Stammplatz wählt er nun.<br />

Ich wähl die andere Ecke! Platz genug.<br />

Der Kellner kennt mich, kennt mich durch und durch<br />

Er hat schon zweimal meinen Tisch geputzt<br />

und bleibt, in seiner Hand das weiße Tuch,<br />

nachdenklich stehen neben meinem Stuhl.<br />

»Die Zeiten sind nicht mehr wie früher«, brummt er.<br />

144


Ich weiß, auch er sieht vor sich, wie mein Bruder<br />

hier reingeschneit kam, hinter sich den Hund,<br />

und wie er, fröhlich unterm schiefen Hut,<br />

hier Lärm und Leben brachte in die Bude.<br />

Der gleiche Sand wie damals deckt die Spuren.<br />

Im Käfig sitzt die gleiche Taube und gurrt.<br />

Hui, sang der Wind, fort, fort! So ist es gut.<br />

Wer ist das? frag ich, um nicht zu verstummen.<br />

Und er, über die Frage nicht verwundert:<br />

»Jemand, der uns zum ersten Mal besucht.«<br />

Er geht zur Theke, schlägt die Klapptür zu.<br />

Und spült die Gläser, still im Hintergrund.<br />

Was kann es sein, das Awater jetzt sucht?<br />

Grün ist’s, aus Maroquin; ein kleines Buch?<br />

Ein Schachspiel ist’s, er hat’s geöffnet nun.<br />

Awaters Augen blicken kalt und stur.<br />

Er trommelt auf den Tisch, er sammelt Mut<br />

für die Vision, die durch den Kopf ihm spukt.<br />

Schneeflocken wirbeln zwischen Tropfen Blut.<br />

Und Zug um Zug ändert sich die Figur.<br />

Sein Glas vor ihm beschlägt, unausgetrunken.<br />

Eine Stockrose, sprießend aus der Glut<br />

der Zigarette, wächst der Decke zu.<br />

Er sitzt allein, in absoluter Ruhe,<br />

Er wirkt wie ein Planet, wie eine Blume,<br />

herrlich beseelt von einem inneren Schwung.<br />

Endlich leert er sein Glas und schließt das Buch.<br />

Fast traurig, wie er so ins Leere guckt.<br />

Jetzt blickt er rüber, so dass ich vermute,<br />

dass er mich ruft, wenn er den Kellner ruft.<br />

Doch nein, er zahlt, ich auch, und wiederum<br />

ziehen wir weiter durch den Straßentrubel.<br />

Mit Licht, das über die Fassade flitzt,<br />

wird jedes Mal der Name neu geschrieben<br />

des Restaurants. Zwei Schlangen schieben sich<br />

in Gegenrichtung durch den Drehzylinder,<br />

145


den gläsernen, den der Portier bedient.<br />

Während wir eintreten, erklingt Musik.<br />

Awater scheint sehr angesehen hier.<br />

Wo er vorbeigeht, schaut man zu ihm hin.<br />

»Was?« heißt es, »sagt Ihnen Awater nichts?<br />

Er ist, wenn ich nicht irre, Prokurist.<br />

Ich kenne ihn, ein wenig kenn ich ihn.<br />

Man sagt von ihm, er lese abends Griechisch,<br />

doch andere behaupten, es sei Irisch.« —<br />

Inzwischen ist was Seltsames passiert.<br />

Ein Herr im Frack, der aufgestanden ist,<br />

sagt, dass er Awater den Platz abtritt.<br />

»Sie sind,« so sagt er, »wie wir alle wissen,<br />

ein großer und begnadeter Artist.«<br />

Awater zeigt auf Teller und Geschirr,<br />

er will, scheint’s, auf die Ehre gern verzichten<br />

und wäre froh, wenn man ihn essen ließe.<br />

Die Billardspieler hören auf zu spielen.<br />

Alles wird still jetzt. Auf der Galerie<br />

drängt man sich ans Geländer, neugierig.<br />

Man hört die Ventilatorflügel schwirren.<br />

Dann steht Awater auf und singt sein Lied:<br />

– Die Immertröstende, die immer mir<br />

im Schlaf mit ihrem Kommen Glück verhieß,<br />

sie kam; zerstört war, als sie mich verließ,<br />

was mein Verlust als Halt geschaffen mir,<br />

Trauer, gemischt mit Schrecken, sprach aus ihr,<br />

die, hingekniet, mich jäh erstarren ließ.<br />

Ich hörte, wie sie mir den Glauben pries,<br />

doch bracht es weder Freud’ noch Hoffnung mir:<br />

»Am letzten Abend – du erinnerst dich? — «<br />

sprach sie, »rügte ich deine Tränen nicht,<br />

als ich der Welt entsagte und entwich.<br />

Mir blieb nur eins noch, meine letzte Pflicht:<br />

dir nehmen, was die Hoffnung dir erschlich,<br />

dass je ich zu dir käm in irdischem Licht.«<br />

Awater schweigt, er erstarrt zu Granit.<br />

146


Man applaudiert, man wirft mit Konfetti.<br />

Er, eine Puppe, eine Puppe, die<br />

zu schwer ist für das eigene Getriebe,<br />

wankt Richtung Tür, schaut weder rechts noch links.<br />

Ein kleiner Streifen aus buntem Papier<br />

wirbelt ihm nach. Ich folg ihm weiterhin.<br />

Es ist still in der Gasse, ich muss schauen,<br />

dass er und ich im gleichen Schrittmaß laufen,<br />

so fällt ihm meine Anwesenheit nicht auf.<br />

Ich hab doch allerhand zu tun zu Hause:<br />

es liegt Post da, auch hab ich der Putzfrau<br />

noch kein Wort gesagt vom neuen Urlaub.<br />

Wer schließt mein Fenster jetzt? Vom Dach steigt Rauch.<br />

Ich hab auch nichts dabei, und überhaupt,<br />

wozu verreisen jetzt? – Der Drachen taumelt,<br />

schwankt und steigt hoch, jedes Mal schlägt mein Zaudern<br />

verstärkt in Freude um: Lass alles sausen!<br />

So handle ich, mit tief gebeugtem Haupt,<br />

die fällige Entscheidung mit mir aus.<br />

Die Straße dehnt sich. Bäume schwitzen Tau.<br />

Gerade vor uns liegt die Bahnhofshaube.<br />

Was soll hier auf dem Platz der Menschenstau,<br />

um Mitternacht? In Fackelschein und Rauch<br />

steht auf dem Holzpodest, rasch aufgebaut,<br />

in Heilsuniform eine junge Frau.<br />

Touristen mit geschnalltem Rucksack, Frauen<br />

und Kinder, Arbeiter, noch in den blauen<br />

Overalls, gehören zu den Zuschauern.<br />

»Wir leben grundverkehrt«, predigt sie laut.<br />

Awater hat sich nach mir umgeschaut.<br />

Er blickt, als ob er mich zu kennen glaubte.<br />

Aber woher? Von einer Konzertpause?<br />

Von einer Busfahrt? fragen seine Augen.<br />

Da treibt der Wind, der ihm den Hut fast raubt,<br />

sein Spiel mit der Frisur der Frau und zaubert<br />

ihr auf dem Ärmel eine goldene Schlaufe.<br />

147


»Wer liebt«, sagt sie, »hat nicht auf Sand gebaut.«<br />

Awater bleibt, ich mach mich aus dem Staub,<br />

als käm mein Zug gerade angebraust.<br />

Die Kohlen werden auf die Glut geschüttet.<br />

Der Lokführer steht prüfend in der Tür,<br />

und draußen, wo die Gleise Muster knüpfen,<br />

beginnen die Signale ihr Prélude.<br />

Der Uhrzeiger rückt vor mit kleinen Sprüngen.<br />

Und wieder ruft die Dampflok, ruft sehnsüchtig,<br />

ruft, dass es schon zu lange dauern würde.<br />

In Wolkenknäueln steigt ihr Seufzerbündel.<br />

Doch glaub bloß nicht, sie sei um dich bekümmert,<br />

auch wenn Ortsnamen dich wie Zaubersprüche<br />

entzücken und von Abenteuern künden,<br />

bleibt sie, als Orientexpress, gleichgültig.<br />

Stets reisefertig kennt sie keine Rücksicht.<br />

Was du erhoffst oder herunterwürgst,<br />

nochmals, es rührt sie nicht; so überflüssig<br />

scheint ihr der Traum, dass man gemeinsam führe.<br />

Ob du in ihrem Luxus dich bedrückt fühlst,<br />

ans Fenster stürzt, auf den Bahnsteig zurückblickst,<br />

oder ob du, erfüllt vom höchsten Glück,<br />

das dir als Individuum gebührt,<br />

dir sicher bist: ich wurde hingeführt,<br />

und nicht vergeblich war’s und keine Lüge,–<br />

gepriesen! – ihr ist’s gleich, ihr wachsen Flügel.<br />

Aus klingenden Gelenken ist ihr Gürtel.<br />

Sie singt, sie hebt das Knie, schnauft ungestüm.<br />

Sie fährt, zur vorgeschriebenen Stunde, pünktlich.<br />

Utrecht 1934<br />

148


Verantwoording<br />

Deze festivalbloemlezing kwam mede tot stand dankzij de bijdragen,<br />

vertalingen en/of adviezen <strong>van</strong> Armando. Gerrit Bussink,<br />

Jacob <strong>van</strong> Campen, Max Czollek, Tatiana Faia, Maarten <strong>van</strong> der<br />

Graaff, Jan Gielkens, Philip Huff, Otto de Kat, Harrie Lemmens,<br />

Tomas Lieske, Erik Lindner, Nelleke Noordervliet, Gerda Meijerink,<br />

Thomas Möhlmann, Ton Naaijkens, Tom Ordelman, Arie<br />

Pos, Ard Posthuma, Matthijs de Ridder, Erik de Smedt, F. Starik,<br />

Hans Tentije, Marjolijn Uitzinger, Fernando Venancio, Jacq Vogelaar,<br />

August Willemsen, Miek Zwamborn.<br />

149


Bronvermelding<br />

Arjen Duinker, En dat? Oneindig, Querido, Amsterdam 2009<br />

J.J. Slauerhoff, Verzamelde gedichten. Deel 2. A. Stols, Den Haag<br />

1947<br />

Charles Baudelaire, De melancholie <strong>van</strong> Parijs, Th. Fisscher & K.<br />

Diekstra (vert.), Ambo 1995<br />

Fernando Pessoa, Álvaro de Campos - De metafysische ingenieur<br />

en andere gedichten / 1923-1935, August Willemsen (vert.), De<br />

Arbeiderspers 2007<br />

Pascal Mercier, Nachttrein naar Lissabon, Gerda Meijerink (vert.),<br />

Wereldbibliotheek, Amsterdam 2006<br />

António Lobo Antunes, Segundo Livro de Crónicas, Harrie Lemmens<br />

(vert.), ongepubliceerde vertaling<br />

António Lobo Antunes, Terceiro Livro de Crónicas, Harrie Lemmens<br />

(vert.), ongepubliceerde vertaling<br />

José Saramago, Deste Mundo e do Outro, Harrie Lemmens (vert.),<br />

ongepubliceerde vertaling<br />

Gonçalo M. Tavares, Senhor Brecht, Harrie Lemmens (vert.),<br />

ongepubliceerde vertaling<br />

Ana Luisa Amaral, Wachten op Odysseus, Arie Pos (vert.), Uitgeverij<br />

IJzer 2011<br />

Ramalho Ortigão, Holland 1883, M. de Jong (vert.), Jacob <strong>van</strong><br />

Campen, Amsterdam 1948<br />

Dulce Maria Cardoso, O retorno, Harrie Lemmens (vert.), ongepubliceerde<br />

vertaling (fragment)<br />

150


José Eduardo Agualusa, O homem que parecia um domingo − contos<br />

e crónicas, Harrie Lemmens (vert.), ongepubliceerde vertaling<br />

Hendrik Marsman, Verzamelde gedichten, Querido, Amsterdam<br />

1941<br />

Erik Lindner, Tramontane, Perdu, Amsterdam 1996<br />

Tomas Lieske, Haar nijlpaard optillen, Querido, Amsterdam 2012<br />

Hans Tentije, Deze oogopslag, De Harmonie, Amsterdam 2002<br />

Otto de Kat, Bericht uit Berlijn, Van Oorschot, Amsterdam 2012<br />

Lucebert, Amulet, De Bezige Bij, Amsterdam 1979<br />

Günter Grass, Oogst. Gedichten 1954 – 2007, Jan Gielkens (vert.),<br />

Meulenhoff, Amsterdam 2007<br />

Kurt Tucholsky, An die Berlinerin, Erik de Smedt (vert.), ongepubliceerde<br />

vertaling<br />

Marjolijn Uitzinger, Citytrip Berlijn, De Geus, Amsterdam 2013<br />

Ulf Stolterfoht, Kunnen mieren ook, Ton Naaijkens (vert.), ongepubliceerde<br />

vertaling, verschijnt in Terras 4, juni 2013<br />

Ulf Stolterfoht, Babel, Ton Naaijkens (vert.), ongepubliceerde<br />

vertaling, verschijnt in Terras 4, juni 2013<br />

Ulf Stolterfoht, fachsprachen XXVII-XXXVI, Tom Ordelman<br />

(vert.), ongepubliceerde vertaling<br />

Ulf Stolterfoht, gedicht mit gnostiziertem scratch, Tom Ordelman<br />

(vert.), ongepubliceerde vertaling<br />

151


Matthijs de Ridder, ‘Vaagspraak, Bij vier gedichten <strong>van</strong> Ulf Stolterfoht’,<br />

uit: nY. Tijdschrift voor literatuur, kritiek en amusement #9<br />

(2011), p. 45-51<br />

Ulf Stolterfoht, fachsprachen X-XVIII, Urs Engeler Editor, Basel/<br />

Weil am Rhein und Wien 2002<br />

Ulf Stolterfoht, fachsprachen XXVIII-XXXVI, Urs Engeler Editor,<br />

Basel/Weil am Rhein und Wien 2009<br />

Monika Rinck, De timmermansplaat, Miek Zwamborn (vert.),<br />

ongepubliceerde vertaling, te verschijnen in het tijdschrift Terras<br />

4, juni 2013<br />

Armando, Krijgsgewoel, De Bezige Bij, Amsterdam 1986<br />

Nelleke Noordervliet, Plaats voor geestdrift, Atlas Contact, Amsterdam,<br />

2004<br />

Uwe Timm, De ontdekking <strong>van</strong> de curryworst, Gerrit Bussink<br />

(vert.), Podium, Amsterdam 2005<br />

Daniel Kehlmann, <strong>Het</strong> meten <strong>van</strong> de wereld, Jacq Vogelaar (vert.),<br />

Querido, Amsterdam 2006<br />

Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten, Wiljan <strong>van</strong> den Akker en<br />

G. Dorleijn (ed.), Prometheus | Bert Bakker, Amsterdam 1995<br />

Martinus Nijhoff, Awater, Fernando Venâncio (vert.), ongepubliceerde<br />

vertaling<br />

Martinus Nijhoff, Die Stunde X, Ard Posthuma (vert.), Suhrkamp<br />

Verlag, Berlin 1989<br />

152

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!