29.07.2013 Views

Omdat zij anders zijn, deel 1 - Vijfeeuwenmigratie.nl

Omdat zij anders zijn, deel 1 - Vijfeeuwenmigratie.nl

Omdat zij anders zijn, deel 1 - Vijfeeuwenmigratie.nl

SHOW MORE
SHOW LESS

Transform your PDFs into Flipbooks and boost your revenue!

Leverage SEO-optimized Flipbooks, powerful backlinks, and multimedia content to professionally showcase your products and significantly increase your reach.

<strong>Omdat</strong> <strong>zij</strong> <strong>anders</strong> <strong>zij</strong>n<br />

N Ilo 3


<strong>Omdat</strong> <strong>zij</strong> <strong>anders</strong> <strong>zij</strong>n<br />

Patronen van rasdiscriminatie in Nederland<br />

Frank Bovenkerk<br />

redactie<br />

Boom Meppel<br />

Amsterdam


© Boom Meppel/Amsterdam 1978<br />

Niets in deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar<br />

gemaakt door middel van druk. fotocopie. microfilm<br />

of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke<br />

toestemming van de uitgever; no part of this book may<br />

be reproduced in any way whatsoever without the written<br />

permission of the publisher.<br />

Verzorging omslag Leendert Stofbergen. Amsterdam<br />

Omslagfoto van Jac. Jacobs. Amsterdam<br />

Druk Boompers drukkerijen bv. Meppel<br />

isbn 9060093763<br />

67247<br />

INT INSTITUUT<br />

SOC GESCHIEDENIS<br />

AMSTERDAM<br />

919<br />

Deze uitgave kwam mede tot stand dank <strong>zij</strong> financiële steun<br />

van het Ministerie van Cultuur. Recreatie en Maatschappelijk<br />

Werk.


Inhoud<br />

Voorwoord 7<br />

l. Rasdiscriminatie in<br />

Nederland Frank Bovenkerk 9<br />

2. Rasdiscriminatie en<br />

rasvooroor<strong>deel</strong> op de<br />

Amsterdamse arbeids- Frank Bovenkerk en Elsebeth<br />

markt Breuning-van Leeuwen 31<br />

3. De 'gesloten buurten'<br />

van Amsterdam Mariëlle Valkonet-Vreeman 58<br />

4. Discriminatie bij het<br />

verhuren van kamers Willeke Bolle, Renk van Dijk<br />

aan gastarbeiders en Dieke Retebrij 78<br />

5. Naast wie zal ik nu<br />

eens gaan zitten? Over<br />

de plaatskeuze van<br />

blanke passagiers en<br />

kleurlingen Maja C. Daams 91<br />

6. De verkiezingsaanhang Frank Bovenkerk, Annette<br />

van de Nederlandse Douwes, Millie Cloudi en<br />

Volksunie JooP van Velzen 103<br />

7. Rasdiscriminatie bij<br />

misdaadverslaggeving<br />

in de pers Frank Bovenkerk 119<br />

8. Surinamers in de ogen<br />

van de Amsterdamse Loek Esmeijer en<br />

politie Margreet Luning 136<br />

9. De Nederlandse vakbonden,<br />

internationale<br />

solidariteit en buiten-<br />

5


landse werknemers;<br />

ideologie en werkelijk- Bram van de Velde en<br />

heid<br />

10. Enkele suggesties<br />

voor het bestrijden<br />

joop van Velzen 166<br />

van discriminatie Frank Bovenkerk 189<br />

Literatuur<br />

6<br />

203


Voorwoord<br />

Nederland geldt traditioneel als verdraagzaam tegenover<br />

vreemdelingen en dat siert <strong>zij</strong>n bewoners. De afgelopen jaren<br />

hebben zich echter als gevolg van grootscheepse immigratie<br />

nieuwe etnische minderheden ontwikkeld: Surinamers en<br />

gastarbeiders, en het is de vraag of men nog steeds zo tolerant<br />

is. Nederland heeft steeds duidelijker het karakter van<br />

een 'multi-raciale same<strong>nl</strong>eving' aangenomen. Kan men nog<br />

wel uit de voeten met versleten begrippen als verdraagzaamheid<br />

en tolerantie? Worden de leden van de nieuwe etnische<br />

minderheden in de tweede helft van de jaren '70 nog werkelijk<br />

vriendschappelijk tegemoet getreden? Voor een aantal<br />

cultureel antropologen van de Rijksuniversiteit te Utrecht<br />

(vakgroep Vergelijkende Sociaal-Economische Studiën) en<br />

twee collega's van de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam<br />

(de auteurs van hoofdstuk 8) <strong>zij</strong>n deze vragen aa<strong>nl</strong>eiding<br />

geweest om nu eens precies uit te zoeken hoe het<br />

gesteld is met discriminatie en aanverwante verschijnselen<br />

in het huidige Nederland.<br />

Wij hebben daartoe in de eerste plaats onderzoek uitgevoerd<br />

naar het vóórkomen van rasdiscriminatie op verschillende<br />

maatschappelijke velden, waar beslist wordt over het<br />

lot van etnische minderheden nu en in de toekomst: de arbeidsmarkt,<br />

de woningmarkt en de vakbeweging; ten tweede<br />

op gebieden waar achterstelling en vijandigheid door de leden<br />

van de betrokken minderheden zelf als bijzonder krenkend<br />

wordt ervaren: bij de politie, in oude stadswijken en in<br />

de bus. Het gaat ons bij dit alles in hoofdzaak om te onderzoeken<br />

óf discriminatie voorkomt. En dit blijkt zó algemeen<br />

het geval te <strong>zij</strong>n, dat men er de ogen niet langer voor mag<br />

sluiten.<br />

7


Het bewijs leveren dat discriminatie bestaat is trouwens<br />

al moeilijk genoeg. Bij een dergelijk onderwerp - in Nederland<br />

speelt discriminatie zich nog groten<strong>deel</strong>s in het verborgene<br />

af en slechts weinigen willen er echt van weten - is<br />

het niet goed mogelijk om met de gebruikelijke vrage<strong>nl</strong>ijst<br />

langs de deur te gaan en de mensen te vragen of <strong>zij</strong> wel eens<br />

discrimineren of zoiets. Tenminste niet wanneer men wil<br />

weten wat er wérkelijk gebeurt. In de meeste onderzoekingen<br />

waarvan hier het resultaat wordt gepresenteerd, is dan ook<br />

gebruik gemaakt van minder gangbare onderzoekstechnieken.<br />

Wij nemen slechts genoegen met 'hard' bewijs en niet<br />

met de 'zachte' antwoorden op tot niets verplichtende enquêtevragen.<br />

In hoeverre onze bewijzen overtuigend genoeg<br />

<strong>zij</strong>n, is aan de lezer om te beoordelen.<br />

Wij <strong>zij</strong>n het Ministerie van CRM erkentelijk voor <strong>zij</strong>n financiële<br />

bijdrage aan een groot ge<strong>deel</strong>te van het onderzoek.<br />

8


1<br />

Rasdiscriminatie in Nederland?<br />

Frank Bovenkerk<br />

Nederl<strong>anders</strong> beschouwen zich zelf graag als een volk dat<br />

buitengewoon verdraagzaam is tegenover vreemdelingen en<br />

er <strong>zij</strong>n nogal wat buite<strong>nl</strong>andse waarnemers, die deze opvatting<br />

lijken te delen. In de wetenschappelijke literatuur kan<br />

men allerlei redenen aantreffen die deze uitzonderlijke tolerantie<br />

moeten verklaren en deze schijnen stuk voor stuk even<br />

plausibel. Geografen hebben gewezen op de open ligging van<br />

het land en de gemakkelijke toegankelijkheid van over zee.<br />

Psychologen hebben verdraagzaamheid wel beschreven als<br />

een weze<strong>nl</strong>ijke trek van het Nederlandse volkskarakter. Historici<br />

hebben zowel de vrijheidsstrijd tegen Spanje als de<br />

vroege opkomst van een stedelijke bourgeoisie met een cosmopolitische<br />

oriëntatie, ermee in verband gebracht. En politicologen<br />

zien een parallel met de eigenaardige Nederlandse<br />

zuilenstructuur, waarbij het accepteren van het recht om<br />

<strong>anders</strong> te denken tot de grondbeginselen behoort.<br />

Tegenover al deze verklaringen staan echter ook pogingen<br />

om die Nederlandse tolerantie te nuanceren, of zelfs te ontkennen.<br />

Kan van de Nederl<strong>anders</strong> werkelijk worden gezegd,<br />

zoals Verwey-Jonker (1971, blz. 13) doet, 'dat ze traditioneel<br />

gastvrij <strong>zij</strong>n tegenover vreemdelingen'? Zij twijfelt zelf een<br />

beetje en meent dat men in plaats van tolerantie wellicht<br />

beter zou kunnen spreken van 'inschikkelijkheid'. Dat wil<br />

zeggen dat vreemdelingen wél worden geaccepteerd, maar<br />

alléén voor zover <strong>zij</strong> zich ten spoedigste wensen aan te passen<br />

of te assimileren. Er <strong>zij</strong>n aanwijzingen dat Nederl<strong>anders</strong><br />

niet schromen om door bemoeizuchtig optreden snelle aanpassing<br />

van anderen te forceren. Van den Berg-Eldering<br />

(1978, blz. 195 e.v.) geeft in haar proefschrift een paar interessante<br />

voorbeelden, waaruit duidelijk blijkt hoe Hollan-<br />

9


ders hun Marokkaanse buren op hooghartige wijze trachten<br />

te 'vernederlandsen'.<br />

Maar wat gebeurt er als 'vreemdelingen' daar niets van<br />

moeten hebben? Er <strong>zij</strong>n, naar ik vrees, nogal wat Surinaamse<br />

Nederl<strong>anders</strong> en immigranten uit het Middellandse-Zeegebied,<br />

die er weinig voor voelen om op dergelijke arrogante<br />

avances in te gaan. Zij schijnen nauwelijks behoefte te gevoelen<br />

aan de zegeningen van de Nederlandse cultuur en het lijkt<br />

erop of eerst nu de ware 'inschikkelijkheid' van de Nederl<strong>anders</strong><br />

echt op de proef wordt gesteld. Van der Vet (1976)<br />

schrijft in een artikel onder de alarmerende kop 'Dutch<br />

Tolerance on Trial'2, dat naast het ontegenzeglijk voorkomen<br />

van tolerantie toch ook allerlei uitingen van discriminatie<br />

en vooroor<strong>deel</strong> kunnen worden gesignaleerd. Anderen<br />

gaan veel verder. In twee publikaties, die in hoofdzaak bestaan<br />

uit de geëmotioneerde getuigenverklaringen van leden<br />

van etnische minderheden zelf, wordt de indruk gewekt dat<br />

discriminatie in Nederland overal om zich heen grijpt en dat<br />

Nederland een door en door racistische natie is (Racisme in<br />

Nederland, 1972; Michon, 1973).<br />

Wie heeft het bij het rechte eind? Is Nederland werkelijk<br />

tolerant? Liever gezegd is Nederland werkelijk vrij van racisme?<br />

Immers, de term tolerantie zelf impliceert reeds dat<br />

er iets te 'tolereren' zou <strong>zij</strong>n en dat is kennelijk iets ongunstigs.<br />

Of is de Nederlandse bevolking wel degelijk racistisch<br />

en bejegent men 'vreemdelingen' onheus? Of is dit misschien<br />

alleen de laatste tijd het geval?<br />

Het bewys van verdraagzaamheid<br />

Er <strong>zij</strong>n opinies te over, maar het empirisch bewijs is mager.<br />

Ik wil nu eerst nagaan op welke feiten in het verleden de<br />

gunstige indruk, welke men thans nog heeft, precies berust.<br />

De volgende vier bewijsgronden voor het ontbreken van racisme<br />

in Nederland worden het meest genoemd.<br />

Ten eerste: de Nederlandse bevolking heeft in de loop van<br />

haar geschiedenis talrijke slachtoffers van politieke of religieuze<br />

onderdrukking toegelaten en liefderijk in haar midden<br />

opgenomen. Dit geldt voor Hugenoten uit Frankrijk, Engelse<br />

10


edellieden in de dagen van CromweIl, Engelse intelligentsia<br />

in de tijd van de restauratie, Spaanse en Portugese Joden,<br />

Belgische vluchtelingen tijdens de eerste wereldoorlog enz.<br />

(Chorus, 1964, blz. 162). Deze traditie wordt thans voortgezet<br />

in het open stellen van de grenzen voor politieke vluchtelingen<br />

uit Hongarije, Tsjechoslowakije, Uganda, Chili en<br />

Rusland. Het komt mij voor dat deze gastvrijheid weliswaar<br />

duidt op een zekere ruimhartigheid bij Nederlandse politieke<br />

voorlieden, maar dat het toch geen goede toetssteen vormt<br />

voor het al dan niet bestaan van racisme of vreemdelingenhaat.<br />

Het betreft hier immers steeds relatief kleine groepen,<br />

die bovendien, zeker in het verleden, voor een belangrijk <strong>deel</strong><br />

bestonden uit relatief ontwikkelde mensen.<br />

Ten tweede wijst men op de betrekkelijk gunstige positie<br />

van de joden en de geringe mate van anti-semitisme onder<br />

de Nederlandse bevolking, althans in de twintigste eeuw. Zo<br />

meent Kleerekoper (1970) dat in Nederland onvergelijkelijk<br />

veel minder anti-semitisme voorkomt dan in landen als<br />

Duitsland, Oostenrijk en Frankrijk. Het is echter moeilijk om<br />

de mate van anti-semitisme precies aan te geven, want over<br />

alles wat men er thans over opmerkt hangt de zware schaduw<br />

van de tweede wereldoorlog; bovendien is anti-semitisme<br />

niet goed los te maken uit een internationale politieke<br />

context en het bestaan van de staat Israël. Van na de tweede<br />

wereldoorlog beschikken wij alleen over een studie van<br />

Weinberg (1967), die bij een steekproef van joden in Amsterdam<br />

registreerde dat 50 % wel eens anti-semitisme aan<br />

den lijve had ondervonden. Men moet voorzichtig <strong>zij</strong>n met<br />

het interpreteren van een dergelijk 'self report'; want hoe is<br />

het mogelijk dat deze geënquêteerden, die allen de oorlog<br />

hebben meegemaakt en overleefd, toch maar voor een <strong>deel</strong><br />

anti-semitisme ondervonden! En vóór de tweede wereldoorlog?<br />

Bestond er zonder de Duitsers, zonder dat men gedwongen<br />

was tot een standpuntbepaling ten opzichte van<br />

Israël en de Palestijnse kwestie, werkelijk weinig anti-semitisme?<br />

Wanneer Sijes zich afvraagt hoe het komt dat van de<br />

140.000 op Nederlands grondgebied geregistreerde joden bij<br />

het uitbreken van de oorlog, er niet meer dan 18.000 overbleven,<br />

dan kan hij toch niet om het bestaan van anti-joodse<br />

11


gevoelens heen. Dit te ontkennen, zegt Sijes (1974, blz. 129),<br />

was 'een legende, die krampachtig in stand gehouden werd'.<br />

Zeker, anti-semitisme werd te gelijkertijd óók fel bestreden,<br />

maar het staat vast dat bepaalde clubs voor joden gesloten<br />

waren en dat geldt ook voor sommige sportverenigingen.<br />

dansgelegenheden en restaurants; joden werden niet tot het<br />

ambt van burgemeester geroepen en ook bij bepaalde bankinstellingen<br />

werden <strong>zij</strong> niet in dienst genomen. Meijer (1969)<br />

is de mening toegedaan dat anti-semitisme óók voor de oorlog<br />

veel meer voorkwam dan men thans bereid is toe te<br />

geven. Nochtans is het wel waarschij<strong>nl</strong>ijk dat anti-semitisme<br />

ten onzent minder virulente vormen aannam dan in sommige<br />

andere landen.<br />

Een derde bewijsgrond voor het ontbreken van racisme is<br />

vooral naar voren gebracht door de Engelse socioloog Christopher<br />

Bagley (1973). Deze heeft in 1969 een studie gemaakt<br />

van de 'ras relaties' in Nederland en hij heeft het resultaat<br />

vergeleken met <strong>zij</strong>n eigen land. Het is een gedegen werkstuk<br />

dat op feiten steunt die de auteur zelf heeft vergaard met<br />

behulp van originele onderzoekstechnieken. Verschillende<br />

onderzoekingen in deze bundel <strong>zij</strong>n door <strong>zij</strong>n werk geïnspireerd.<br />

Bagley komt tot een voor Nederland vleiend bedoelde<br />

conclusie: discriminatie komt er weliswaar voor, maar op<br />

basis van non-conformisme (langharigen!) en niet op grond<br />

van ras. Dat laatste is in Engeland wél het geval en dat is<br />

waarom Nederland zich gunstig onderscheidt. Ook hier is<br />

echter voorzichtigheid geboden: Bagley vindt wel degelijk<br />

discriminatie op grond van huidskleur en bovendien een vrij<br />

grote mate van afwijzing van buite<strong>nl</strong>andse arbeiders. Zijn<br />

score is alleen zo laag in vergelijking met elders. Zo redenerend<br />

zou een Zuidafrikaanse onderzoeker wellicht tot het<br />

vrijwel afwezig <strong>zij</strong>n van discriminatie in Engeland concluderen.<br />

Inderdaad: alles is betrekkelijk. Bij een onderwerp als<br />

dit is het wellicht beter om een eigen onafhankelijke standaard<br />

vast te stellen. Dit impliceert dat we een norm moeten<br />

introduceren en die berust in laatste instantie op de waarden<br />

van de onderzoekers. We komen er later op terug. Overigens<br />

is het waarschij<strong>nl</strong>ijk nog steeds waar, ook in 1978, dat<br />

de mate van rasdiscriminatie in Nederland geringer is dan in<br />

12


Engeland en ook Frankrijk. Het onderzoek waarover in<br />

hoofdstuk 2 wordt gerapporteerd over discriminatiepraktijken<br />

bij het aannemen van personeel. is op vrijwel gelijke<br />

wijze verricht in Engeland (Smith, 1977) en in Frankrijk<br />

(Raveau e.a., 1976). De uitslag in Nederland is inderdaad<br />

gunstiger dan in Engeland en zelfs veel gunstiger dan in<br />

Frankrijk. Maar toch: als men constateert dat rasdiscriminatie<br />

minder voorkomt dan elders, pleit men daarmee Nederland<br />

niet vrij. Men kan ook zeggen, dat het in andere landen<br />

nóg erger is.<br />

En dan, ten slotte, de vierde bewijsgrond. Tussen 1949 en<br />

1961 <strong>zij</strong>n in Nederland 250.000 à 300.000 Indische Nederl<strong>anders</strong><br />

gearriveerd en <strong>zij</strong> <strong>zij</strong>n binnen één generatie geruisloos<br />

in de Nederlandse bevolking opgenomen. Dat is opmerkelijk,<br />

want het gaat hier inderdaad om een groep mensen,<br />

die uiterlijk herkenbaar tot een ander ras behoren. Indische<br />

Nederl<strong>anders</strong> gelden echter als volledig geassimileerd en<br />

wanneer we een jaarlijks bezoek aan de pasar malam of het<br />

voortbestaan van het tijdschrift Tong Tong niet meerekenen,<br />

dan bestaan er geen eigen instellingen bij deze groep en<br />

zeker geen organisaties ten behoeve van emancipatie. Indische<br />

Nederl<strong>anders</strong> schijnen ook nauwelijks last van discriminatie<br />

te ondervinden. Is deze assimilatie van de Indische<br />

Nederl<strong>anders</strong> inderdaad het stralende voorbeeld van het<br />

ontbreken van racisme in Nederland, waar men het in andere<br />

landen voor houdt? Er valt, dunkt mij, wel een opmerking<br />

bij te maken. Nu we achteraf de problemen kennen van<br />

andere immigrantengroeperingen: Surinamers, gastarbeiders,<br />

maar vooral Molukkers, die in dezelfde tijd arriveerden,<br />

is de vergelijking leerzaam. Dan blijkt dat het snel oplossen<br />

van deze groepering het gevolg is geweest van een heel uitzonderlijk<br />

samenstel van factoren (Van Amersfoort, 1974;<br />

Ellemers, 1978). Van begin af aan was duidelijk dat voor deze<br />

politieke vluchtelingen geen weg meer terug zou <strong>zij</strong>n; <strong>zij</strong> waren<br />

hier voorgoed en opname in de same<strong>nl</strong>eving was geboden.<br />

Dit in schrille tegenstelling tot de Molukkers, waarvan<br />

velen nog steeds hopen op en streven naar terugkeer. Zij <strong>zij</strong>n<br />

daarin trouwens heel lang stilzwijgend door de Nederlandse<br />

overheid en door grote delen van de publieke opinie ge-<br />

13


steund. Hoe <strong>anders</strong> is dit thans eveneens bij Surinamers en<br />

vooral bij gastarbeiders uit het Middellandse-Zeegebied; ook<br />

<strong>zij</strong> worden geacht terug te keren, al heeft dit streven voor<br />

de meesten van hen slechts ideologische betekenis.<br />

Verder is van belang dat Indische Nederl<strong>anders</strong> in cultureel<br />

opzicht buitengewoon op Nederland georiënteerd waren<br />

en niets liever wilden dan als Nederl<strong>anders</strong> geaccepteerd<br />

worden. Hoeveel beter kon hier de 'inschikkelijke' instelling<br />

van de gezeten bevolking tot haar recht komen dan bij Marokkanen<br />

of Turken, die vooralsnog weinig belangstelling<br />

voor de Nederlandse cultuur aan de dag leggen.<br />

Indische Nederl<strong>anders</strong> kwamen bovendien naar Nederland<br />

in een periode, waarin volledige werkgelegenheid tot stand<br />

kwam en <strong>zij</strong> konden gemakkelijk werk vinden. Dit staat in<br />

,schril contrast tot het tijdstip waarop de meeste Surinamers<br />

kwamen, na 1970. Deze laatsten hadden wat dit betreft op<br />

geen ongunstiger tijdstip kunnen immigreren; één der belangrijkste<br />

oorzaken van de in verhouding grote werkloosheid<br />

onder deze groep is hiermee gegeven.<br />

En ten slotte, het beleid van de overheid was in het geval<br />

van de Indische Nederl<strong>anders</strong> ondubbelzinnig op assimilatie<br />

gericht. In de jaren vijftig werd dit door de leiders van de<br />

verschillende zuilen gedecreteerd, zonder dat <strong>zij</strong> veel tegenstand<br />

bij hun achterban hoefden vrezen. Vergelijk daarmee<br />

het beleid ten aanzien van Molukkers, dat - aanvankelijk althans<br />

- juist op niet-aanpassen was gericht; of met buite<strong>nl</strong>andse<br />

werknemers, die het zonder een uitgewerkte beleidsvisie<br />

moeten stellen.<br />

De gezeten bevolking kon de assimilatie van Indische<br />

Nederl<strong>anders</strong> accepteren omdat men met hen meeleefde. De<br />

betrokkenheid bij Oost-Indië is trouwens altijd groot geweest,<br />

getuige bij voorbeeld de omvangrijke Indische roma<strong>nl</strong>iteratuur;<br />

stel daar tegenover dat verschillende opinieonderzoekingen<br />

aan het licht hebben gebracht dat een groot<br />

<strong>deel</strong> van de Nederlandse bevolking zelfs geen notie heeft<br />

waar Suriname eige<strong>nl</strong>ijk ligt.<br />

Het blijft waar: Nederl<strong>anders</strong> hebben Indische Nederl<strong>anders</strong><br />

gemakkelijk geaccepteerd. Op het ogenblik is echter<br />

geen sprake van zo'n gunstig samenstel van factoren: er is<br />

14


werkloosheid, het overheidsbeleid munt niet uit door duidelijkheid<br />

en daarmee is de status van nieuwe etnische minderheden<br />

veel onzekerder. De politieke atmosfeer is minder<br />

ontspannen en het terrorisme van enkele jonge Molukkers<br />

moedigt het enthousiasme om etnische minderheden hartelijk<br />

tegemoet te treden niet aan.<br />

We hebben hiermee het bewijsmateriaal voor de verdraagzaamheid<br />

tegenover 'vreemdelingen' aan een kritische beschouwing<br />

onderworpen en naar mijn smaak blijft er betrekkelijk<br />

weinig van over. Ten dele is de gemakkelijke assimilatie<br />

van sommige groepen te danken aan uitzonderlijk gunstige<br />

omstandigheden, voor een ander <strong>deel</strong> heeft men wel<br />

erg naar zich toegerekend en minder fraaie ervaringen weggemoffeld.<br />

Men denkt misschien dat ik er te zeer op uit ben<br />

om het tegen<strong>deel</strong> te bewijzen en bedachtzamer geesten zullen<br />

wellicht tot de conclusie gekomen <strong>zij</strong>n, dat de waarheid<br />

over de Nederlandse tolerantie wel ergens in het midden zal<br />

liggen. Maar waarom? Er is geen enkele dwingende reden<br />

om de waarheid in het midden te verwachten en ik heb hem<br />

er trouwens nog nooit aangetroffen.<br />

Hoe men er ook over denkt, er is de afgelopen jaren in<br />

Nederland zo veel gebeurd, dat we met oude opvattingen<br />

niet langer uit de voeten kunnen.<br />

Om een paar incidenten te noemen. In de Haagse Schilderswijk<br />

worden in 1969 voor het eerst een aantal Marokkanen<br />

gemolesteerd; in 1973 breekt in de Rotterdamse Afrikaanderbuurt<br />

de eerste heuse rassenrel uit; in 1976 grijpt in<br />

Schiedam een onverkwikkelijke uitbarsting van volkswoede<br />

plaats tegen Turken 3 ; en in 1977 valt het eerste slachtoffer<br />

wanneer in de Amsterdamse Jordaan een Turk zonder aanwijsbare<br />

reden in de gracht wordt geduwd en verdrinkt. In een<br />

goed overzicht van de situatie in het Sociaal en Cultureel<br />

Rapport (1976) worden meer van dit soort rellen voorspeld<br />

en het angstige afwachten is thans op de volgende uitbarstingen<br />

van xenofobie. Dit alles maakt duidelijk dat begrippen<br />

zoals tolerantie, verdraagzaamheid en inschikkelijkheid,<br />

bij een verleden tijd behoren. Trouwens: ook het begrip<br />

'vreemdeling' lijkt mij rijkelijk achterhaald. Surinamers <strong>zij</strong>n<br />

Surinaamse Nederl<strong>anders</strong> en gastarbeiders immigranten.<br />

15


Nederland is een multi-raciale same<strong>nl</strong>eving geworden en,<br />

zoals in dit boekje zal worden aangetoond: rasdiscriminatie<br />

en rasvooroor<strong>deel</strong> behoren tot de dagelijkse feiten van het<br />

leven. Met beschouwingen over het Nederlands volkskarakter<br />

of geografisch-deterministische verhandelingen over de<br />

'open' instelling van de bevolking schieten we niet erg op in<br />

een situatie waarin de eerste doden al gevallen <strong>zij</strong>n. Sinds<br />

1971 bestaat in Nederland een politieke partij, de Nederlandse<br />

Volksunie, die aan de verkiezingen <strong>deel</strong>neemt met weinig<br />

andere propaganda dan 'Nederland van het bruine tuig te<br />

verlossen'. Van Surinaamse <strong>zij</strong>de regent het klachten over<br />

bruut optreden door de politie. En tal van woonbuurten <strong>zij</strong>n<br />

thans 'voor zwarten gesloten'.<br />

Het bewijs van onverdraagzaamheid<br />

De bovengenoemde feiten <strong>zij</strong>n aan de meeste regelmatige<br />

krantelezers wel ongeveer bekend. Toch merk ik maar zelden<br />

dat men van de ernst ervan doordrongen is en er consequenties<br />

uit trekt. Is Nederland toch nog niet steeds in wezen<br />

een verdraagzame natie? En moeten we de aangehaalde<br />

minder prettige gebeurtenissen toch maar liever zien als een<br />

betreurenswaardige reeks van geïsoleerde incidenten?<br />

Er is alle reden om thans vervelende vragen te stellen. Hoe<br />

vaak komt rasdiscriminatie precies voor? Welke is de intensiteit<br />

van het aanwezige rasvooroor<strong>deel</strong>? In dit boekje willen<br />

de verschillende auteurs precies nagaan in welke mate discriminatie<br />

voorkomt ten opzichte van de nieuwe immigranten:<br />

Surinamers en buite<strong>nl</strong>andse arbeiders uit landen rond<br />

de Middellandse Zee. En dan met name op die terreinen van<br />

het maatschappelijk leven waar beslist wordt over de 'levenskansen'<br />

van de inwoners van Nederland. Veel verder dan<br />

discriminatie aan te tonen gaan onze pretenties overigens<br />

niet; het is al lastig genoeg - zoals in de volgende hoofdstukken<br />

zal blijken - om hard bewijs te leveren. Het resultaat<br />

van de verschillende onderzoekingen valt niet mee, er<br />

is een herwaardering noodzakelijk ten opzichte van de interraciale<br />

verhoudingen in Nederland.<br />

Ik wil nu eerst ander bewijsmateriaal bespreken, want dat


is er. Bij verschillende wetenschappelijke onderzoekingen is<br />

men, toevallig naar het soms schijnt, op onverwachte manifestaties<br />

van ras discriminatie gestuit.<br />

In hun onderzoek naar het voorkomen van justitiële selectiviteit<br />

komen Jongman en Schilt (1976) tot de conclusie<br />

dat bij de straf toemeting voor diefstalzaken, Surinamers<br />

veel vaker worden veroor<strong>deel</strong>d tot onvoorwaardelijke gevangenisstraf<br />

dan 'Holl<strong>anders</strong>'. Junger-Tas (1977) vindt in<br />

haar onderzoek dat het politieoptreden ten opzichte van<br />

Surinamers zich duidelijk ten ongunste onderscheidt. Een<br />

onderzoeksteam, de 'Temagroep Jeugdwerkloosheid' (Visser,<br />

1975) komt bij het analyseren van de stamkaarten bij het<br />

Gewestelijk Arbeidsbureau in Amsterdam allerlei aantekeningen<br />

tegen van arbeidsbemiddelaars op de kaarten van<br />

Surinaamse jongeren, met een onmiskenbaar racistisch karakter:<br />

'stomme Surinamer', 'voddebaal', 'ruikt onfris' e.d.<br />

Biervliet (1973) merkt bij <strong>zij</strong>n onderzoek op scholen in de<br />

Bijlmerrneer, dat op basis van verschillende schooltests een<br />

onevenredig groot aantal Surinaamse kinderen wordt afgevoerd<br />

naar vormen van buitengewoon onderwijs, die eige<strong>nl</strong>ijk<br />

alleen bedoeld <strong>zij</strong>n voor zwak- of geheel niet begaafden.<br />

In de Haagsche Post (1973, nr. 37) vindt men het verslag van<br />

een experiment waaruit blijkt, dat in Amsterdam en Utrecht<br />

aan Surinamers stelselmatig de toegang tot een groot aantal<br />

café's en dancings wordt geweigerd.<br />

In het Welzfjnsweekblad (1978, 3/1) <strong>deel</strong>t Verhart mee, dat<br />

tal van gevestigde verzekeringsmaatschappijen aan buite<strong>nl</strong>andse<br />

arbeiders niet toestaan hun auto's bij hen te verzekeren.<br />

Deze <strong>zij</strong>n daarom aangewezen op de maatschappij 'Terminus',<br />

een bureau voor notoire brokkenmakers, waar men<br />

een zeer hoge premie betaalt.<br />

Al deze onderzoeken of onderzoekjes leveren ieder op zich<br />

een klein <strong>deel</strong> van het bewijsmateriaal. Echter, bij géén van<br />

de genoemde publikaties staat de kwestie van discriminatie<br />

centraal en wie een volledige indruk over de aard ervan wil<br />

krijgen, zal verder moeten gaan.<br />

Welnu, ook zulk onderzoek bestaat; alleen, het heeft niet<br />

betrekking op discriminatie zelf, maar op wat men zich<br />

daarbij als achterliggende oorzaak voorstelt: rasvooroor-<br />

17


<strong>deel</strong>. Dit onderzoek is vrijwel uitsluitend gebaseerd op<br />

opinies. Zo heeft het Nederlands Instituut voor de Publieke<br />

Opinie (NIPO) in een aantal opeenvolgende jaren steeds ongeveer<br />

1000 Nederl<strong>anders</strong> ondervraagd: 'Is er volgens u in<br />

Nederland rassendiscriminatie of niet?' In 1967 antwoordt<br />

33 % van wel, in 1969 is dat 48 % en in 1970 zegt 51 % 'ja'.<br />

Op het eerste gezicht spreken deze cijfers duidelijke taal,<br />

maar op het tweede gezicht minder. Want wat wordt er<br />

eige<strong>nl</strong>ijk gemeten? Neemt discriminatie echt toe? Of is men<br />

zich er alleen meer bewust van? Betekent het dat meer mensen<br />

discriminatie veroordelen? Ik zou het antwoord niet<br />

durven geven; de vraag is volledig zonder context gesteld en<br />

het resultaat is niet meer dan een lege huls. Er bestaat ook<br />

meer waardevol onderzoek. Volgens het Sociaal-Cultureel<br />

Planbureau (1976, blz. 266) blijkt de afnemende tolerantie<br />

uit het feit, dat in 1966 nog 84,7 % 'nee' antwoordt op de<br />

vraag 'of men er bezwaar tegen zou hebben naast iemand<br />

van een ander ras te wonen', in 1975 is dat percentage gedaald<br />

tot 59,5 %. De Nederlandse Stichting voor Statistiek<br />

voert in 1975 een onderzoek uit naar vooroor<strong>deel</strong> tegen Surinamers<br />

en daarover wordt in Panorama (1975, no. 47) gerapporteerd.<br />

'Hoe zou u het vinden als er veel Surinamers in<br />

uw woonplaats zouden komen wonen?' 'Onplezierig' antwoordt<br />

41 % en nog eens 17 % vindt het 'zeer onplezierig'.<br />

'Hoe zou u het vinden als iemand in uw naaste familie trouwde<br />

met een Surinaamse man of vrouw?' (Deze vraag is de<br />

fatsoe<strong>nl</strong>ijke Nederlandse variant op 'hoe zou je het vinden<br />

als je dochter met een neger thuiskwam?') 20 % zou dat<br />

'onplezierig' vinden en nog eens 11 % 'zeer onplezierig'. De<br />

respondenten moeten ook opgeven welke eigenschappen uit<br />

een heel rijtje volgens hen het beste passen bij Surinamers<br />

en daaruit komen ze tevoorschijn als 'agressief, 'minder<br />

ijverig' (sic) en 'minder betrouwbaar'.<br />

Er is op zulk gevraag wel het één en ander aan te merken<br />

en één van de voornaamste bezwaren is wel dat men de antwoorden<br />

niet goed kan interpreteren, omdat het toetsingsinstrument<br />

niet het weloverwogen resultaat is van een preciese<br />

en theoretisch relevante probleemstelling. Al te veel<br />

waarde kan men er niet aan hechten en daar zullen de be-


tro.kken o.nderzo.ekers wel mee instemmen, want hun do.el is<br />

zo.nder veel pretenties. Anders ligt dit vo.o.r een o.nderzo.ek<br />

van Buikhuisen, Drost en Schilt uit 1976. Zij trachten de o.nverdraagzaamheid<br />

in Nederland in kaart te brengen en do.en<br />

dat do.o.r een enquête te o.rganiseren o.p basis van een go.ed<br />

uitgewerkte theo.rie in de so.ciale psycho.lo.gie o.ver perso.o.<strong>nl</strong>ijkheidstypen.<br />

Hun meetinstrument is no.gal 'so.phisticated'<br />

en berust o.p decennia uitpro.beren in de Verenigde Staten.<br />

Zij trekken een representatieve steekpro.ef van Nederl<strong>anders</strong><br />

in de drie no.o.rdelijke pro.vincies en laten hun o.ndervraagden<br />

reageren o.p een aantal uitspraken o.ver co.ntroversiële o.nderwerpen.<br />

De antwo.o.rden wo.rden vervo.lgens in de co.mputer<br />

'gefactoranalyseerd' en uit de gevo.nden samenhangen<br />

komen aldus drie 'gro.ndho.udingen' van o.nverdraagzaamheid<br />

naar vo.ren. Eén daarvan is 'deviatieverwerping' (hetgeen<br />

wil zeggen dat men 'afwijkend gedrag' van so.mmige<br />

extreme gro.epen niet accepteert) en dit moet ons inzicht<br />

verschaffen in de mate van intolerantie van de Nederlandse<br />

bevolking. Hoewel het onderzoek er imponerend en hoogst<br />

wetenschappelijk uitziet, behelst het naar mijn inzicht niet<br />

veel meer dan wat een voo.raanstaand antropoloog wel eens<br />

'getabelleerde nonsens' heeft genoemd. Wat is het geval? To.t<br />

de 'deviatieverwerpers' worden al die respondenten gerekend,<br />

die het eens <strong>zij</strong>n met de stellingen 'Als je met joden<br />

zaken doet, moet je oppassen', 'De Nederlandse o.verheid had<br />

eige<strong>nl</strong>ijk nooit gastarbeiders moeten binne<strong>nl</strong>aten', maar -<br />

tot mijn opperste verbazing - ook <strong>zij</strong> die 'nee' zeggen bij de<br />

uitspraak: 'De drie van Breda moeten vrij' en 'ja' bij 'Ook<br />

nazi's hebben recht op vrije meningsuiting'. Het lijkt erop<br />

dat men de computer hier vo.lstrekt o.nvergelijkbare gro.otheden<br />

bijeen heeft laten vissen. Het onderzoeksresultaat<br />

heeft zó wel erg weinig van doen met de levende werkelijkheid.<br />

Het gevaar van het klakkeloos toepassen van een standaardprocedure,<br />

zoals bij dit type onderzoek gebruikelijk is, doet<br />

zich hier in volle omvang gelden. Dat het weinig meer om<br />

het lijf heeft dan enig steriel gemanipuleer met cijfers wordt<br />

goed gedemonstreerd door een opmerking bij een tabel op<br />

19


pagina 71 van het boekje, waar wordt beargumenteerd dat<br />

niet-significante en dus (cursivering van mij, F.B.) betekenisloze<br />

correlatiecoëfficiënten niet meedoen. Zo is kennelijk ook<br />

besloten om de antwoorden op de stelling 'ik zou het niet erg<br />

vinden als mijn buren Surinamers waren' uit de bewerking<br />

te verwijderen, want niet minder dan 84 % van de ondervraagden<br />

is het er mee eens en dat interpreteert men kennelijk<br />

als 'betekenisloos'. En toch ligt een betekenis hier zo<br />

voor de hand. In de noordelijke provincies wonen weinig Surinamers<br />

en een dergelijke vraag heeft een volstrekt andere<br />

betekenis dan wanneer men hem in de Amsterdamse Pijp zou<br />

stellen.<br />

We beschikken in Nederland helaas niet over beter onderzoek<br />

in dit genre. Mijn bezwaar tegen zulke surveys geldt<br />

trouwens ook nog een andere kwestie: het is allerminst zeker<br />

dat er een onmiddellijk verband bestaat tussen wat mensen<br />

in de kunstmatige situatie van een ondervraging zeggen<br />

en wat <strong>zij</strong> in werkelijkheid doen op het ogenblik, dat <strong>zij</strong> in<br />

een concrete situatie handelen. In hoofdstuk 2 van dit boekje<br />

zal bij voorbeeld blijken dat heel veel werkgevers desgevraagd<br />

als hun mening te kennen geven, dat <strong>zij</strong> bij het in<br />

dienst nemen van personeel geen onderscheid maken naar<br />

ras of nationale afkomst, terwijl <strong>zij</strong> in een sociologisch veldexperiment<br />

waarmee hun handelen wordt onderzocht, zulks<br />

wel degelijk blijken te doen. Tussen wat men zegt en wat<br />

men doet kan in dit geval en op deze wijze geen verband<br />

worden aangetoond.<br />

Dit alles sluit toch niet uit dat men met intelligent en<br />

doordacht toepassen van de enquêtetechniek wel degelijk<br />

goede resultaten kan boeken en dat geldt met name op het<br />

gebied van rasvooroor<strong>deel</strong>. Vooralsnog blijf ik van mening<br />

dat, zoals elders meer uitvoerig uiteengezet (Bovenkerk,<br />

1977b), wie geïnteresseerd is in de vraag of in Nederland ras<br />

of etniciteit in het maatschappelijk verkeer als onderscheidingscriterium<br />

geldt en of er in Nederland ras discriminatie<br />

plaats vindt, beter van andere, meer levensechte, technieken<br />

van sociaal onderzoek gebruik kan maken.<br />

Aldus is de vraag of racisme en discriminatie in Nederland<br />

voorkomt en zo ja: welke omvang het aanneemt, in welke<br />

20


sectoren van het maatschappelijk leven het plaats vindt en<br />

op welke minderheidsgroepen het betrekking heeft, nog allerminst<br />

sluitend beantwoordt. Er is wel bewijs dát het voorkomt,<br />

maar in hoeverre is er sprake van een vast en ingeslepen<br />

patroon? De Amerikaanse geschiedenis professor John<br />

M. Allswang die enige tijd in Leiden doceert, zegt in een<br />

interview in het blad van geschiedenisstudenten HIC (1978,<br />

11/4), dat de kwestie van 'ras' in Nederland kennelijk weinig<br />

problemen oplevert en dat tolerantie daar zeker mee te maken<br />

heeft. Ander<strong>zij</strong>ds heeft hij het gevoel dat over deze<br />

kwestie een 'weIl intentioned conspiracy of silence' hangt en<br />

dat de onwil om één en ander echt onder ogen te zien, problemen<br />

kan maskeren. Het lijkt erop alsof hij met deze uitspraak<br />

precies onder woorden brengt hoe veel Nederl<strong>anders</strong><br />

op dit moment tegenover rasdiscriminatie staan. Het 'tolerante'<br />

verleden is nochtans voorgoed voorbij en voor de nieu­<br />

We situatie heeft men nog geen passende definitie gevonden.<br />

Welnu, de onderzoekjes die nu volgen dienen om de waarheid<br />

over rasdiscriminatie onverbiddelijk boven water te<br />

brengen.<br />

Enkele begrippen<br />

Tot nu toe <strong>zij</strong>n de begrippen discriminatie, racisme en rasvooroor<strong>deel</strong><br />

luchtigjes door elkaar gebruikt. Het wordt tijd<br />

om precies te definiëren wat daarmee in dit boekje wordt<br />

bedoeld.<br />

Onder discriminatie willen wij verstaan (vrij naar Van<br />

Amersfoort, 1974): het ongelijk behandelen van personen of<br />

groepen op basis van kenmerken, die in de gegeven situatie<br />

niet relevant moeten worden geacht. Aan deze definitie zit<br />

meer vast dan op het eerste gezicht misschien lijkt. Het gaat<br />

bij discriminatie om een handeling en daaronder valt zowel<br />

handelend optreden als verbaal gedrag (in de vorm van belediging<br />

bij voorbeeld). Het handelen dat hier wordt bedoeld,<br />

heeft betrekking op het beperken van sociale kansen (bij<br />

voorbeeld het verhinderen dat leden van etnische minderheden<br />

promotie maken), het beperken van bewegingsvrijheid<br />

(bij voorbeeld gedwongen (woon)-segregatie) of het be-<br />

21


perken van de mogelijkheden om eigenwaarde te ontwikkelen.<br />

Het laatste is niet eenvoudig aan te tonen (althans niet<br />

door sociologen of antropologen) en in dit boekje zullen wij<br />

ons in hoofdzaak richten op de eerste twee vormen: het verhinderen<br />

van maatschappelijke en fysieke mobiliteit. Hiermee<br />

wordt uitgesloten dat men ook denkbeelden of gevoelens<br />

tegenover personen van een ander ras of van vreemde<br />

nationale herkomst als discriminatie zou rekenen.<br />

Vervolgens: het gaat bij discriminatie om een ongelijke<br />

behandeling van twee of meer personen of groepen in een<br />

bepaalde context. Deze laatste toevoeging betekent dat het<br />

onderscheidingscriterium: ras of landaard, niet in alle gevallen<br />

als discriminatie kan worden opgevat. Een kapper zal<br />

het haar van zwarten <strong>anders</strong> knippen dan dat van blanken en<br />

een slager zal in het algemeen niet trachten om varkensvlees<br />

aan Marokkanen te verkopen. Nee, er is eerst sprake van discriminatie<br />

wanneer een bepaald kenmerk in een bepaalde<br />

context als niet relevant moet worden aangemerkt.<br />

In hoofdstuk 4 van dit boekje vindt men het verslag van een<br />

experiment om discriminatie te meten bij het verhuren van<br />

woonruimte aan buite<strong>nl</strong>andse arbeiders. Eerst tracht een<br />

Turk een kamer te huren en tien minuten na deze poging probeert<br />

een 'Hollander', die in alle opzichten aan de Turk gelijk<br />

is behalve de nationale afkomst, hetzelfde. Wanneer de verhuurder<br />

de Turk wegstuurt met de mededeling dat tot <strong>zij</strong>n<br />

spijt de kamer reeds is verhuurd, terwijl de 'Hollandse' proefpersoon<br />

hem tien minuten later wél blijkt te kunnen huren,<br />

dan constateren de onderzoekers een geval van discriminatie.<br />

De 'Hollandse' testpersoon slaat na het experiment de kamer<br />

af (het gaat hier ten slotte om een gefingeerde poging tot huren)<br />

en dat doet hij door te vertellen dat hij trombone speelt<br />

en op <strong>zij</strong>n kamer regelmatig wil oefenen. Dit is in alle gevallen<br />

voldoende reden voor de verhuurder om <strong>zij</strong>n aanbod onmiddellijk<br />

in te trekken. De twee weigeringen verschillen principieel<br />

van karakter: de Turk wordt geweigerd om (zoals bij<br />

latere navraag vaak het geval blijkt te <strong>zij</strong>n) geen andere reden<br />

dan 'omdat <strong>zij</strong> <strong>anders</strong> <strong>zij</strong>n'. De trombonist om een reden, die<br />

uiterst terzake is.<br />

Wat uit dit voorbeeld blijkt is, dat voor de verhuurder in<br />

deze situatie de nationale afkomst van de huurder kennelijk<br />

22


als een relevant criterium geldt voor afwijzing. De onderzoekers<br />

vinden dat echter niet, <strong>zij</strong> menen dat de verhuurder<br />

uitsluitend dient te letten op de vraag of een individuele<br />

meneer X <strong>zij</strong>n huur op kan brengen, of hij de kamer netjes<br />

bewoont, of hij geen geluidsoverlast zal veroorzaken enz. Bij<br />

het ondervragen van de verhuurders na het experiment vindt<br />

echter niemand die de Turk afwijst, dat hij daarmee discrimineert.<br />

Kennelijk verschiIIen de onderzochten en de onderzoekers<br />

van mening en dat brengt ons op het meest lastige<br />

probleem bij de toepassing van het gedefinieerde discriminatie-begrip.<br />

Zouden we discriminatie alleen omschrijven als ongelijke<br />

behandeling op basis van onacceptabele gronden en zouden<br />

we daarbij degenen, die zich eraan schuldig maken, zélf uit<br />

laten maken wat aanvaardbaar is en wat niet, dan zou er<br />

weinig discriminatie in de wereld <strong>zij</strong>n. Een dergelijke opvatting<br />

leidt immers tot een zodanig relativerend standpunt, dat<br />

het begrip <strong>zij</strong>n waarde verliest. In Zuid-Afrika zou weinig of<br />

geen discriminatie voorkomen, ongelijke behandeling van de<br />

zwarten is er immers zelfs in de blanke wetgeving vastgelegd.<br />

En zo zou men de jurdische achterstelling van de joden<br />

in Nederland, welke eerst in 1796 en dan nog door het Franse<br />

bestuur in de Bataafse Republiek, werd opgeheven, achteraf<br />

geen discriminatie kunnen noemen. Weinig Nederl<strong>anders</strong><br />

bekreunden zich er immers over in die tijd?<br />

Het is duidelijk dat een begrip als discriminatie het niet<br />

kan stellen zonder dat een niet-wetenschappelijke norm<br />

wordt ingevoerd. Welnu, er <strong>zij</strong>n pogingen ondernomen om<br />

een dergelijke algemeen geldende norm te ontwikkelen. In<br />

de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens heeft<br />

men in 1948 (artikel 2) geformuleerd, dat een lange reeks<br />

van rechten en vrijheden, die elders in de verklaring worden<br />

genoemd, dienen te gelden ongeacht 'ras, kleur, geslacht,<br />

taal, godsdienst of andere levensbeschouwelijke opvatting,<br />

nationale of sociale herkomst, bezit, geboorte of status'. In<br />

Nederland vindt men een dergelijke norm terug in het Wetboek<br />

van Strafrecht, waar in artikel 429 qua ter geschreven<br />

staat dat: 'Hij die, in de uitoefening van <strong>zij</strong>n beroep of bedrijf,<br />

bij het aanbieden van goederen of diensten, dan wel bij<br />

23


het gestand doen van een aanbod, iemand wegens <strong>zij</strong>n ras<br />

achterstelt, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste<br />

een maand of geldboete van ten hoogste duizend gulden'.<br />

Deze juridische invulling van de norm lost ons probleem<br />

voor een groot ge<strong>deel</strong>te op, maar is toch nog niet voldoende<br />

om in alle gevallen ondubbelzinnig vast te kunnen stellen of<br />

een bepaalde handeling als discriminatie moet worden aangemerkt.<br />

In de verschillende hoofdstukken die nu volgen is<br />

daarom steeds door de betrokken auteurs precies aangegeven<br />

hoe <strong>zij</strong> het begrip gebruiken voor het maatschappelijke<br />

veld of verschijnsel, dat <strong>zij</strong> onder de loupe nemen.<br />

Er valt over de definitie nog veel meer te zeggen en het komt<br />

mij nuttig voor andere logische mogelijkheden te noemen om<br />

het aldus scherper af te bakenen. Alle gegeven voorbeelden<br />

tot nu toe hebben betrekking op gevallen, waarbij de gediscrimineerde<br />

personen of groepen worden bena<strong>deel</strong>d. Het is<br />

volgens de definitie echter ook mogelijk om het omgekeerde<br />

te doen: een persoon of groep te bevoordelen. De meeste<br />

voorbeelden tot nu toe hebben bovendien betrekking op gevallen<br />

waar ongelijke behandeling plaats vindt volgens een<br />

niet-relevant criterium. Het is theoretisch echter voorstelbaar<br />

om groepen, die wél naar een relevant criterium verschillen,<br />

desondanks gelijk te behandelen. Het ongelijk behandelen<br />

van gelijken is evenzeer discriminatie als het gelijk behandelen<br />

van ongelijken.<br />

Het is mogelijk om op basis van de aard van behandeling én<br />

naar de vraag of deze in de gegeven context relevant is, de<br />

volgende typologie te ontwikkelen.<br />

aard van behandeling<br />

gunstiger behandeling<br />

gelijke behandeling<br />

ongunstiger behandeling<br />

onderscheidend kenmerk<br />

wel relevant niet relevant<br />

(1)<br />

(3)<br />

(5)<br />

(2)<br />

(4)<br />

(6)<br />

In cel (1) vallen al die handelingen, die erop gericht <strong>zij</strong>n de<br />

achterstand van een groep weg te nemen. Zo kan men bij<br />

voorbeeld alle compenserende maatregelen van overheidswege<br />

om extra onderwijs, extra arbeidsbemiddeling e.d. daaronder<br />

begrijpen. Ofschoon hier een groep ongelijk wordt be-<br />

24


handeld, kunnen we dit toch niet tot discriminatie rekenen,<br />

omdat de bevoordeling geschiedt volgens een relevant criterium<br />

en bovendien gelijkheid tot doel heeft.<br />

In cel (2) vallen alle handelingen, die een bepaalde groep zonder<br />

ter zake doende reden, omhoog te steken. Het benadrukken<br />

van de uitzonderlijke bijdragen van de joden aan kunst en<br />

wetenschap valt hier bij voorbeeld onder en staat bekend als<br />

filo-semitisme. Volgens onze definitie (ongelijke behandeling<br />

volgens een niet-relevant kenmerk) valt dit onder discriminatie.<br />

Zoals bekend beschouwt men filo-semieten als antisemieten,<br />

die van joden houden. Deze vorm van discriminatie<br />

wordt in dit boekje overigens niet onderzocht.<br />

In cel (3) kunnen we 66k van discriminatie spreken. Want<br />

daar waar groepen in de gegeven context wél verschillen,<br />

houdt men met die verschillen geen rekening. Wie sociale gelijkheid<br />

nastreeft mag verwachten dat, ceteris paribus, groepen<br />

met een ongelijke startpositie bij gelijk beleid, ook weer<br />

ongelijk zullen finishen. Een fraai, <strong>zij</strong> het veel te mild voorbeeld<br />

om van discriminatie te spreken is het volgende. Toen<br />

enkele jaren geleden Mohammed Ali (toen nog Cassius Clay<br />

geheten) moest boksen tegen een blanke bokser, begon de<br />

onzekere televisiecommentator <strong>zij</strong>n verslag als volgt: 'Cassius<br />

Clay kunt u herkennen aan <strong>zij</strong>n ... uh .. . witte broekt'<br />

Cel (4) is het meest eenvoudige voorbeeld van afwezigheid<br />

van discriminatie: men beschouwt mensen van verschillende<br />

ras of landaard als gelijkwaardig en handelt dienovereenkomstig.<br />

Cel (6) representeert het type van discriminatie waar het hier<br />

en in de volgende hoofdstukken steeds over gaat: een ongunstige<br />

behandeling op basis van niet ter zake doende kenmerken.<br />

Bij de variant van cel (5) stuiten we op een kernprobleem.<br />

Het is denkbaar dat een ongustige behandeling plaats vindt<br />

op gerechtvaardigde gronden en dan geldt het volgens de<br />

hier gehanteerde definitie niet als discriminatie. Degeen die<br />

volgens onze norm discrimineert, maar die zulks zélf niet als<br />

zodanig beschouwt, beroept zich soms op rationele argumenten.<br />

Wat te zeggen van een werkgever die, op basis van<br />

Wat hij van collega's heeft vernomen omtrent de laksheid<br />

Van Surinamers, deze niet in dienst wenst te nemen? Of de<br />

huisbaas die na enkele slechte ervaringen besluit buiten-<br />

25


landse arbeiders niet meer als huurder te accepteren? Of de<br />

caféhouder die zwarten toegang weigert, omdat hij in de<br />

krant zoveel over hun agressieve criminaliteit te lezen krijgt?<br />

Of een verzekeringsmaatschappij waar men zo veel en zo<br />

hoge schadeclaims krijgt ingediend door Turken, dat men<br />

weigert voortaan een autoverzekering met hen af te sluiten?<br />

Het is voorstelbaar dat het accepteren van de leden van een<br />

bepaalde etnische minderheidsgroep een zó groot risico oplevert,<br />

dat men er niet aan begint.<br />

Wat kan hierover zoal worden gezegd? Een belangrijke<br />

vraag die beantwoord moet worden is steeds of het bezwaar,<br />

zoals men dat zelf ziet, op realiteit berust of niet. Zijn Surinamers<br />

werkelijk lakser en crimineel? Leveren buite<strong>nl</strong>andse<br />

werknemers echt een verhoogd risico op als huurders en verzekerden?<br />

In veel gevallen laten mensen zich leiden door opinies over<br />

etnische minderheden of de leden daarvan zonder dat deze<br />

geverifieerd <strong>zij</strong>n. Men noemt zulke meningen, die onvolledig,<br />

een<strong>zij</strong>dig of gesimplificeerd <strong>zij</strong>n: stereotypen.<br />

Laten we de twee bovenstaande opinies, die op Surinamers<br />

betrekking hebben, nader onderzoeken. Over hun veronderstelde<br />

luiheid valt op te merken dat volgens recente opgave<br />

van de arbeidsbureaus het gemiddelde percentage werklozen<br />

onder Surinamers in de arbeidsproduktieve leeftijdscategorie<br />

ongeveer 20 % bedraagt. Dat is ontegenzeggelijk<br />

veel, maar daar <strong>zij</strong>n duidelijk aanwijsbare redenen voor, die<br />

met luiheid weinig van doen hoeven te hebben en de belangrijkste<br />

daarvan is wel het feit dat de hausse van Surinaamse<br />

immigranten plaats vond in een periode, waarin de<br />

werkgelegenheid fors terugliep (1972-1975). Belangrijker<br />

echter voor waar het hier om gaat: een werkloosheid van<br />

20 % impliceert, dat 80 % wél werk heeft. Alle meestal<br />

smakeloze grapjes over de geringe aanvechting bij Surinamers<br />

om de handen uit de mouwen te steken ten spijt, verreweg<br />

de meeste Surinamers hebben gewoon een geregelde<br />

betrekking.<br />

En nu de kwestie van de veronderstelde hoge misdadigheid.<br />

Van Amersfoort en Biervliet (1975) hebben laten zien<br />

dat het criminaliteitscijfer van Surinamers inderdaad hoger


is dan gemiddeld in Nederland, maar dat dit effect voor een<br />

<strong>deel</strong> verdwijnt, wanneer men hun specifieke leeftijdsopbouw<br />

in aanmerking neemt. Verder blijkt het hier in hoofdzaak<br />

om betrekkelijk lichte vergrijpen te gaan. Maar, en dit is opnieuw<br />

waar het om gaat: veruit de meeste Surinamers <strong>zij</strong>n<br />

helemaal niet crimineel.<br />

Beide behandelde opvattingen kunnen aldus vrij gemakkelijk<br />

als stereotypen worden ontmaskerd. Het gewraakte<br />

gedrag bezit weliswaar een kern van waarheid, maar ten opzichte<br />

van de gehele groep of categorie, is het toch een verschijnsel<br />

van ondergeschikt belang. Evenwel: men heeft<br />

licht de neiging om te veralgemeniseren en aldus kan discriminatie<br />

het gevolg <strong>zij</strong>n. Men treedt de leden van een bepaalde<br />

minderheid of de dragers van een bepaald kenmerk, niet<br />

langer tegemoet als individuele personen, doch als exemplaren<br />

van een soort, welke in <strong>zij</strong>n geheel in een kwade reuk<br />

staat. En voor dit laatste bestaat onvoldoende grond.<br />

Dit alles neemt niet weg dat in sómmige gevallen nadelige<br />

behandeling toch wel te rechtvaardigen is of liever: begrijpelijk.<br />

Er <strong>zij</strong>n in bepaalde specifieke situaties risico's voorstelbaar,<br />

waarvan men niet kan eisen dat iemand die neemt.<br />

In hoofdstuk 2 zullen we het nader tegenkomen. Evenwel:<br />

dit komt waarschij<strong>nl</strong>ijk veel minder veelvuldig voor dan men<br />

wel eens meent en bij alle door ons verrichte onderzoek gaat<br />

het in ieder geval steeds om aantoonbare stereotypen.<br />

Is zo'n stereotype eenmaal gevormd, dan treedt veelal<br />

een mechanisme in werking dat bekend staat onder de<br />

aanduiding self-fulfilling prophecy. De betrokken minderheden<br />

gaan zich na verloop van tijd gedragen volgens de<br />

verwachtingen van de meerderheid, er bestaat een neiging<br />

zich aan stereotypen te conformeren. Uit de Verenigde Staten<br />

is het volgende (letterlijke:) schoolvoorbeeld bekend. In<br />

deze same<strong>nl</strong>eving waarin de meeste mensen er van uit gaan<br />

dat zwarten onbekwaam <strong>zij</strong>n tot het leveren van intellectuele<br />

prestaties, zullen de meest bekwame onderwijzers en leraren<br />

een werkkring trachten te verwerven op blanke scholen van<br />

hoog niveau. De zwarten ontvangen daardoor relatief minder<br />

goed onderwijs en inderdaad: hun intellectuele prestaties<br />

blijven gemiddeld achter bij blanke leerlingen uit de gegoede<br />

27


middenklasse. Precies hetzelfde mechanisme is ook ten onzent<br />

werkzaam.<br />

Neem het volgende voorbeeld; het is authentiek. Een werkgever<br />

verzoekt het Gewestelijk Arbeidsbureau enkele nieuwe<br />

krachten te zenden, maar: 'liever geen Surinamers'. De ambtenaar<br />

vraagt nog: 'hoezo?' en hij krijgt te horen dat 'Surinamers<br />

toch niet willen werken'. Op het arbeidsbureau wordt<br />

deze conditie ingewilligd; men is erop gebrand goede betrekkingen<br />

met het bedrijfsleven te onderhouden en de betrokken<br />

ambtenaar rationaliseert <strong>zij</strong>n instemming, door te bedenken<br />

dat het maar goed is dat hij geen Surinamer stuurt,<br />

want deze zou slechts een onaangename ervaring wachten.<br />

In hoofdstuk 2 van dit boekje blijkt dat deze ervaring niet op<br />

zich zelf staat: Surinamers krijgen algemeen minder kans om<br />

aan het werk te komen, althans in Amsterdam. Het laat zich<br />

denken dat de animo tot opnieuw solliciteren, na steeds te<br />

worden afgewezen, er na verloop van tijd wel af gaat en sommigen<br />

zullen het er nu verder maar bij laten zitten.<br />

Dezelfde werkgever van het voorbeeld leest een jaar na dato<br />

dat de werkloosheid onder Surinamers aanzie<strong>nl</strong>ijk is toegenomen.<br />

Zijn reactie: 'zie je wel, ik heb altijd gelijk gehad: Surinamers<br />

<strong>zij</strong>n te lui om te werken'.<br />

Uit deze korte beschouwing over stereotypen blijkt wel hoe<br />

buitengewoon moeilijk het kan <strong>zij</strong>n om te bepalen of voldoende<br />

grond aanwezig is om ongelijke behandeling niet als<br />

discriminatie op te vatten. Zeker, in een groot aantal gevallen<br />

is het mogelijk om de aangevoerde gronden als ondeugdelijk<br />

en berustend op onvoldoende toetsing te ontzenuwen.<br />

In andere gevallen is misschien door zorgvuldige analyse<br />

van de ontwikkeling van een bepaald stereotype te achterhalen<br />

hoe de wisselwerking tussen aa<strong>nl</strong>eiding, discriminatie<br />

en de reacties over en weer, die daar weer op volgen,<br />

heeft geleid tot de thans bestaande situatie. Een dergelijke<br />

poging tot uiteenrafelen wordt hier en in de volgende hoofdstukken<br />

niet ondernomen, het komt mij echter voor als één<br />

der meest vruchtbare voortzettingen van onderzoek naar<br />

discriminatieverschijnselen.<br />

Twee begrippen moeten nog gedefinieerd worden, ofschoon<br />

ze niet centraal staan in dit boekje. Het <strong>zij</strong>n: rasvooroor<strong>deel</strong><br />

en racisme. Met rasvooroor<strong>deel</strong> bedoelt men


gewoo<strong>nl</strong>ijk een rigide en emotioneel geladen opvatting over<br />

een raciale of etnische groep of de individuele leden daarvan,<br />

welke steunt op onvoldoende of een<strong>zij</strong>dige kennis van ter<br />

zake dienende informatie, óf op een - naar de maatstaven<br />

van empirische wetenschap - fictief bewijs. Het hierboven<br />

aangeduide begrip stereotype vormt het cognitieve element<br />

van vooroor<strong>deel</strong> (Allport, 1954). Er is bij voorbeeld niet alleen<br />

sprake van onvoldoende of vertekende informatie, maar<br />

eveneens van een emotionele betrokkenheid en een bereidheid<br />

om overeenkomstig te handelen. Waar we met zuivere<br />

stereotypen van doen hebben, zou men van rationeel denkende<br />

mensen verwachten dat objectieve en afgewogen informatie<br />

hun inzichten doen veranderen. Bij vooroor<strong>deel</strong> daarentegen<br />

is de opvatting over de betrokken minderheden zo<br />

star, dat deze zich niet leent voor nuancering. Vooroor<strong>deel</strong> is<br />

slechts toegankelijk voor bevestiging. De rigiditeit blijkt<br />

veelal ook uit logische inconsistentie tussen verschillende<br />

onderdelen van een opvatting, bij voorbeeld waar men de<br />

joden aanwrijft dat <strong>zij</strong> zowel behoren tot een wereldomspannend<br />

netwerk van kapitalistische uitbuiters, als tot de<br />

horde der bolsjewistische agitatoren. Men veronderstelt dat<br />

vooroor<strong>deel</strong> aan een psychische behoefte voldoet van degene<br />

die ermee behept is. Zo zou een onverwerkt jeugdtrauma<br />

zich op latere leeftijd kunnen manifesteren in agressie, welke<br />

zich richt op kwetsbare groepen of individuen in de same<strong>nl</strong>eving.<br />

Onder racisme verstaat men een samenhangend stel uitspraken<br />

over de mindere kwaliteit van een ander ras of van<br />

andere rassen. Het is een theorie welke de basis vormt van<br />

allerlei vormen van ongelijkheid in same<strong>nl</strong>evingen, die op<br />

raciale of etnische basis georganiseerd <strong>zij</strong>n. Racistische theorieën<br />

<strong>zij</strong>n voorheen in de sociale wetenschappen, en met<br />

name in de antropologie, erg in zwang geweest en dat geldt<br />

ook Voor Nederland tot in de jaren dertig (Biervliet e.a.,<br />

1978). In haar meest grove vorm heeft het racisme de beschaafde<br />

wereld toch wel groten<strong>deel</strong>s verlaten. Het is een<br />

uiterst verontrustend verschijnsel, dat het racisme in de jaren<br />

zeventig opnieuw de kop opsteekt bij een politieke partij: de<br />

Nederlandse Volksunie. Zo meent de leider van dit gezel-<br />

29


schap in een interview (Vry Nederland, 2-8-1975) met Gerard<br />

van Westerloo: 'Negers <strong>zij</strong>n inferieur. Er <strong>zij</strong>n ongetwijfeld<br />

negers die intelligenter <strong>zij</strong>n dan ik. Maar gemiddeld <strong>zij</strong>n<br />

negers minder intelligent ( ... ) Ik heb een boek, daar staan<br />

plaatjes in van chimpansees ( ... ). Als je die plaatjes van<br />

chimpansees vergelijkt met plaatjes van negers, dan is het<br />

toch duidelijk dat negers dichter bij die chimpansees staan<br />

dan blanken'. Niet minder dan 33268 Nederl<strong>anders</strong> hebben<br />

in 1977 bij de verkiezingen voor de tweede kamer der Staten­<br />

Generaal op deze partij hun stem uitgebracht.<br />

Noten<br />

1. Ik dank Lo Brunt voor de voortreffelijke wijze waarop hij dit<br />

hoofdstuk en alle andere alleen door mij geschreven hoofdstukken<br />

met de meedoge<strong>nl</strong>oze correctiestift van commentaar heeft voorzien.<br />

2. De auteur vertelt mij overigens niet zelf deze kop te hebben<br />

voorgesteld. Deze moet worden toegeschreven aan de redactie van<br />

de serie Case Studies in Human Rights and Fundamental Freedoms,<br />

waarvan Bovenkerk, Köbben en Tromp (1975) aannemelijk<br />

hebben trachten te maken dat het een gezelschap betreft dat door<br />

middel van wetenschappelijke publicaties de apartheid of soortgelijke<br />

politiek, van een respectabel cachet wil voorzien. Zonder<br />

apartheid kan men in Nederland toch ook niet <strong>anders</strong> dan conflict<br />

verwachten?<br />

3. ]ansma en Veenman (1977) hebben er een voortreffelijk verslag<br />

over geschreven.<br />


2<br />

Rasdiscriminatie en rasvooroor<strong>deel</strong> op de<br />

Amsterdamse arbeidsmarkt<br />

Frank Bovenkerk<br />

Elsebeth Breuning-van Leeuwen<br />

Op 26 maart 1976 om 10.00 uur 's ochtends treedt Romeo<br />

Pengel een gerenommeerd Amsterdams uitzendbureau binnen.<br />

In de etalage staat werk genoeg aangeboden: er is werk<br />

voor maga<strong>zij</strong>nbediendes, voor fabrieksarbeiders en voor een<br />

vorkheftruckchauffeur. Romeo is een innemende jongeman<br />

van omstreeks 30 jaar, hij gaat keurig gekleed en spreekt<br />

voortreffelijk Nederlands. Vijftien jaar terug is hij met <strong>zij</strong>n<br />

Creoolse ouders uit Suriname naar Nederland geëmigreerd;<br />

op het ogenblik zit hij zonder werk. 'Heeft U werk voor mij?'<br />

Een juffrouw achter de balie is zeer verdiept in een stapel<br />

paperassen, ze kijkt vluchtig op en zegt: 'Nee'.<br />

Vijf minuten later komt Piet Doesburg binnen. Ook hij is<br />

30 jaar oud, gaat keurig gekleed en maakt een vriendelijke<br />

indruk. Doesburg is een geboren en getogen Amsterdammer.<br />

'Heeft U werk voor mij?' De juffrouw van zoëven ontpopt<br />

zich als een professionele hostess: 'Meneer gaat U zitten. Wilt<br />

U een kopje koffie? Wat voor werk zoekt U?' Doesburg antwoordt<br />

dat hij lang maga<strong>zij</strong>nbediende is geweest, maar niet<br />

ongenegen is ook ander werk aan te nemen. Dat komt mooi<br />

uit. Kan hij dezelfde middag nog beginnen?<br />

Wat hier plaats vindt is een duidelijk geval van rasdiscriminatie.<br />

Hoe vaak komen dagelijks zulke gebeurtenissen<br />

voor? We kunnen rustig aannemen dat zulke discriminatie<br />

doorgaans onopgemerkt voorbij gaat, want wie stelt het<br />

vast? Hoe kan een willekeurige Surinamer weten dat, waar<br />

hij wordt afgewezen, een 'Hollander' even later wel wordt<br />

geaccepteerd? Of hoe zou een willekeurige 'Hollander' kunnen<br />

weten dat het werk. dat hem nu wordt aangeboden, zojuist<br />

aan een landgenoot van Surinaamse afkomst is geweigerd?<br />

En als hij het wist, zou het hem kunnen schelen?<br />

3 1


Men denkt algemeen dat discriminatie moeilijk is aan te<br />

tonen. Pengel en Doesburg laten echter zien dat ondubbelzinnig<br />

bewijs wel degelijk te leveren valt. Beide heren nemen<br />

<strong>deel</strong> aan een sociaal-wetenschappelijk experiment, waarbij<br />

geprobeerd wordt de mate waarin rasdiscriminatie in Nederland<br />

voorkomt, nauwkeurig te meten. Zij spelen beiden een<br />

rol, hun namen <strong>zij</strong>n gefingeerd, <strong>zij</strong> hebben zich beiden gekleed<br />

op aanwijzing van de onderzoekers en hun binnenkomst<br />

in het uitzendbureau is nauwkeurig ingestudeerd. Zij<br />

<strong>zij</strong>n beiden gelijk in bijna alle opzichten, behalve het ras.<br />

Het gaat er in dit veld experiment om discriminatie aan te<br />

tonen op de arbeidsmarkt en met name de kans om werk te<br />

krijgen. In dit boekje beschouwen we steeds als discriminatie:<br />

ongelijke behandeling op grond van voor de handelingssituatie<br />

niet-relevante kenmerken. Welke kenmerken worden<br />

bij de sollicitatieprocedure als wél relevant geaccepteerd?<br />

In onze maatschappij gelden als waarden om iemands<br />

geschiktheid voor een vacante functie te bepalen universalistische<br />

criteria zoals opleiding, arbeidservaring of getuigschrift.<br />

We spreken van rasdiscriminatie, wanneer werkgevers<br />

individuele leden van etnische minderheden weigeren<br />

in dienst te nemen op basis van ras of etniciteit, ondanks<br />

vaktechnische geschiktheid voor de vacature. Een persoon<br />

wordt dan immers niet beoor<strong>deel</strong>d op grond van <strong>zij</strong>n individuele<br />

capaciteiten, maar op grond van niet ter zake te achten<br />

groepskenmerken.<br />

Probleemstelling<br />

De eerste vraag welke we met het onderzoek willen beantwoorden<br />

is simpel: komt rasdiscriminatie op de arbeidsmarkt<br />

- in dit geval in Amsterdam - voor? In het onderstaande<br />

zullen we de gevolgde onderzoeksprocedure en de uitkomst<br />

nauwkeurig beschrijven. Het antwoord geven we nu al<br />

vast: rasdiscriminatie komt inderdaad veelvuldig voor.<br />

Dit doet vragen rijzen over het karakter ervan en deze vragen<br />

ontlenen wij aan vier verschillende theorieën, die over<br />

discriminatie in omloop <strong>zij</strong>n. De eerste theorie hecht grote<br />

waarde aan de biologische herkenbaarheid van etnische min-<br />

32


derheden als verklarende factor op zichzelf; de tweede beschouwt<br />

rasdiscriminatie als gevolg van bepaalde sociaalstructurele<br />

omstandigheden; bij de derde zoekt men de verklaring<br />

bij heersende culturele opvattingen; de vierde theorie<br />

zoekt de oorzaak van rasdiscriminatie bij het rasvooroor<strong>deel</strong>,<br />

waarmee de individuen, die discriminerend optreden, behept<br />

<strong>zij</strong>n.<br />

1. Wordt in Nederland gediscrimineerd op fysieke raskenmerken<br />

of op etnische afkomst? De allersimpelste theorie<br />

stelt dat de rasdiscriminatie uitsluitend of voornamelijk een<br />

functie is van uiterlijke biologische kenmerken. Deze notie<br />

treft men aan in de wat oudere rassociologische literatuur in<br />

Amerika. De negers van de Verenigde Staten delen in belangrijke<br />

mate de cultuur van de blanke middenklasse; eigen<br />

identiteit, die <strong>zij</strong> ongetwijfeld óók hebben, is te beschouwen<br />

als een variant van de dominante blanke cultuur en niet een<br />

cultuur op zichzelf. De blanke middenklasse houdt echter<br />

een kleur-barrière in stand door middel van systematische<br />

discriminatie, waardoor de zwarten gedoemd <strong>zij</strong>n tot een<br />

overwegend proletarische status. Aan tal van recente immigrantengroepen,<br />

die in cultureel opzicht verschillen, wordt<br />

daarentegen wél de mogelijkheid tot maatschappelijke emancipatie<br />

geboden. Joodse, Russische of Italiaanse immigranten<br />

kwamen aan met een heel eigen cultuur, maar hen werd<br />

de mogelijkheid gelaten om binnen enkele generaties te<br />

emanciperen, wat de negers in 300 jaar niet is gelukt. De<br />

Amerikaanse rasverhoudingen worden dus gekenmerkt door<br />

discriminatie op kleur.<br />

In Engeland heeft zich gedurende de laatste 20 jaar een<br />

situatie ontwikkeld die veel overeenkomst vertoont met de<br />

Amerikaanse. Gekleurde Westindiërs, Pakistani en Indiërs,<br />

allen afkomstig uit voormalige Engelse koloniën en relatief<br />

goed op de hoogte met de Engelse taal en cultuur in het algemeen,<br />

blijken systematisch te worden gediscrimineerd.<br />

Andere recente immigranten, die in cultureel opzicht veel<br />

minder op Engeland <strong>zij</strong>n georiënteerd, maar wier raskenmerken<br />

Europees <strong>zij</strong>n, zoals Italianen, Grieken en Polen, lijken<br />

veel minder bloot te staan aan discriminatie (vergelijk Daniël<br />

1968). Bagley (1973) heeft de aard en mate van rasdiscrimi-<br />

33


natie tussen Engeland en Nederland vergeleken en komt in<br />

<strong>zij</strong>n onderzoek tot een conclusie, die als zeer vleiend voor<br />

Nederland is bedoeld: hier wordt niet naar de kleur gediscrimineerd,<br />

maar slechts op grond van non-conformisme. Hij<br />

vindt dat Surinamers, wier achtergrond voor een belangrijk<br />

<strong>deel</strong> Nederlands is, aanzie<strong>nl</strong>ijk minder worden gediscrimineerd<br />

dan gastarbeiders, die weliswaar in biologisch-raciaal<br />

opzicht minder van ons afwijken, maar tot wie de culturele<br />

afstand veel groter is. Het non-conformisme als grond voor<br />

discriminatie (non-conformisme met de Nederlandse 'gemiddelde'<br />

cultuur) toont hij nog eens extra aan door te bewijzen<br />

dat (althans in 1969, toen <strong>zij</strong>n onderzoek plaats vond) langharige<br />

jongeren nog het meest worden gediscrimineerd van<br />

al!<br />

In dit onderzoek zullen we deze vraag naar de aard van<br />

discriminatie nader onderzoeken. Heeft Bagley gelijk als hij<br />

stelt dat in Nederland niet op ras wordt gediscrimineerd?<br />

Worden gekleurde immigranten uit de (ex-)koloniën minder<br />

gediscrimineerd dan gastarbeiders uit landen rond de Middellandse<br />

Zee?<br />

2. Dient rasdiscriminatie in Nederland het vormen en in<br />

stand houden van een etnisch proletariaat? In de moderne<br />

literatuur over gastarbeid in Europa, die overwegend van<br />

zeer kritische aard is, wordt het aantrekken van arbeidsimmigranten<br />

verklaard uit de behoeften van het moderne kapitalisme<br />

(vergelijk Nikolanakos 1975). Door optrekken van<br />

het scholingsniveau van de inheemse werknemers en door de<br />

snelle expansie van de economieën van West-Europa na de<br />

tweede wereldoorlog, is een leegte ontstaan aan de onderkant<br />

van de arbeidsmarkt. Om toch te voorzien in functies,<br />

die sociaal het minst gewaardeerd worden, die het meest gevaarlijk<br />

<strong>zij</strong>n en het smerigst, maken werkgevers graag gebruik<br />

van arbeidsimmigranten. Het creëren en in stand houden<br />

van een etnisch onderscheiden proletariaat biedt aan het<br />

kapitaal het voor<strong>deel</strong> dat de arbeidende klasse onderling<br />

ver<strong>deel</strong>d blijft. Tussen de inheemse arbeidersklasse en migranten<br />

bevindt zich een vrijwel ondoordringbaar schot. Etnische<br />

minderheden <strong>zij</strong>n veroor<strong>deel</strong>d tot een bestendige proletarische<br />

status en zodra <strong>zij</strong> zich daarboven zouden willen<br />

34


verheffen, zou het mechanisme van systematische discriminatie<br />

zich vooral moeten manifesteren in de middelste en<br />

hogere regionen van de arbeidsmarkt.<br />

Bagley (1973) meent dat de Engelse 'ras relaties' zich tot<br />

een dergelijke situatie hebben ontwikkeld: de discriminatie<br />

tegen Indiërs, Pakistani en West-Indiërs is er het grootst bij<br />

hooggekwalificeerden, vooral academici hebben het er uitzonderlijk<br />

moeilijk om werk te vinden op hun niveau. In<br />

Nederland ligt dit, volgens deze onderzoeker, allemaal veel<br />

gunstiger. Hij vindt dat tegen accountants van Surinaamse<br />

en Joegoslavische origine slechts zelden wordt gediscrimineerd<br />

bij het aanbieden van werk.<br />

Dit onderzoeksresultaat vormt een sterke aanwijzing tégen<br />

de toepasbaarheid van deze theorie in Nederland, nochtans<br />

is de empirische basis van Bagley's onderzoek wankel. Hij<br />

heeft alleen het hoogste niveau van de arbeidsmarkt getest,<br />

gelden <strong>zij</strong>n bevindingen ook voor lagere regionen? En ten<br />

tweede: er is in de afgelopen jaren (Bagley's onderzoek zelf<br />

dateert van 1969) op het front van de Nederlandse rasverhoudingen<br />

heel wat veranderd, is <strong>zij</strong>n gunstige bevinding nog<br />

steeds van kracht?<br />

3. Kan men rasdiscriminatie in Nederland verklaren uit<br />

culturele opvattingen? Een derde theoretisch gezichtspunt<br />

heeft betrekking op de opvattingen over 'vreemde' en gekleurde<br />

volken. Discriminatie en vooroor<strong>deel</strong> <strong>zij</strong>n volgens<br />

deze zienswijze verklaarbaar op basis van racistische waarden.<br />

Zulke waarden ontwikkelden zich in koloniale exploitatieverhoudingen;<br />

de inferioriteit van gekleurde rassen zowel<br />

in biologisch als cultureel opzicht, moest dienen als rationalisatie<br />

van uitbuiting (vergelijk Rex 1970). Racistische<br />

Waarden <strong>zij</strong>n in (ex-)koloniale moederlanden ten dele een<br />

culturele erfenis van het kolonialisme, voor het andere <strong>deel</strong><br />

<strong>zij</strong>n <strong>zij</strong> functioneel ten opzichte van inheemse exploitatie van<br />

het nieuwe gekleurde etnische proletariaat.<br />

4. Komt rasdiscriminatie voort uit rasvooroor<strong>deel</strong>? Veruit<br />

het meeste onderzoek naar rasdiscrirninatie heeft zich tot<br />

nu toe niet zozeer gericht op discriminatie zelf, alswel op de<br />

attitude, waarvan men veronderstelt, dat deze eraan ten<br />

grondslag ligt: rasvooroor<strong>deel</strong>. Men gaat er vanuit dat ras-<br />

35


vooroor<strong>deel</strong> een functie vervult voor de individuele persoo<strong>nl</strong>ijkheid.<br />

Hoe is het hiermee precies gesteld? Kan men discriminatie<br />

door werkgevers in Amsterdam herleiden tot individueel<br />

vooroor<strong>deel</strong>?<br />

Wijze van toetsing<br />

In het nu volgende experiment wordt onderzocht of en in<br />

welke mate Creoolse Surinamers en Spanjaarden worden gediscrimineerd<br />

bij het zoeken naar werk in Amsterdam en<br />

omgeving. Het experiment is zo ingericht, dat het uitkomsten<br />

mogelijk maakt ten gunste of ten ongunste van de gepresenteerde<br />

theoretische inzichten. De vier verklaringen<br />

van het verschijnsel ras discriminatie worden hier als volgt<br />

uitgewerkt.<br />

Als in Nederland in de eerste plaats wordt gediscrimineerd<br />

op basis van raskenmerken per se, dan moet dit blijken uit<br />

discriminatie ten opzichte van Creoolse Surinamers. Als discriminatie<br />

zich richt tegen etnische 'vreemdheid', dan moet<br />

dit blijken uit de afwijzing van Spanjaarden.<br />

Als rasdiscriminatie kenmerkend is voor een sociale structuur<br />

waarbinnen etnische minderheden worden verwezen<br />

naar een bestendige proletarische status, dan moet dit blijken<br />

uit discriminatie in de middelste en hogere regionen van<br />

de arbeidsmarkt.<br />

Als rasdiscriminatie vooral voorkomt uit culturele opvattingen<br />

over de minderwaardige eigenschappen van een bepaald<br />

ras of etnische groep. dan moet dit blijken onder alle<br />

omstandigheden. Niet alleen ondervinden de leden van etnische<br />

minderheden discriminatie op de hogere echelons van<br />

de arbeidsmarkt, <strong>zij</strong> ontmoeten ook discriminatie als dit voor<br />

de werkgevers niet-functioneel is. Om dit toetsbaar te maken<br />

wordt hier nog een variabele ingevoerd: vraag en aanbod op<br />

de arbeidsmarkt. Als rasdiscriminatie het gevolg is van diepgewortelde<br />

culturele opvattingen over de inferioriteit van<br />

bepaalde etnische minderheden dan is de mate van rasdiscriminatie<br />

onafhankelijk van toevallige omstandigheden van<br />

vraag en aanbod op de arbeidsmarkt voor bepaalde beroepen.<br />

Als discriminatie het directe gevolg is van rasvooroor<strong>deel</strong>,


dan moet dit blijken doordat werkgevers, die discrimineren,<br />

hoog scoren op een test welke vooroor<strong>deel</strong> meet.<br />

De technische inrichting van het onderzoek<br />

Het eerste ge<strong>deel</strong>te van het onderzoek bestaat uit een sociologisch<br />

veld experiment van het type, zoals in de eerste regels<br />

van dit hoofdstuk is geïllustreerd. Personen van verschillende<br />

etnische origine die in overigens alle relevante opzichten gelijk<br />

<strong>zij</strong>n, trachten werk te vinden. Hierbij is steeds één autochtone<br />

blanke, die optreedt als 'controlepersoon'. Het<br />

verschil in reactie dat beide sollicitanten ondervinden, vormt<br />

een maat voor discriminatie.<br />

Hét grote voor<strong>deel</strong> van deze onderzoeksprocedure is dat<br />

men alle voordelen van het gecontroleerde experiment behoudt,<br />

zonder de werkelijkheid geweld aan te doen. Het berust<br />

er op dat de onderzochten zelf niet weten dat <strong>zij</strong> voor·<br />

werp van onderzoek <strong>zij</strong>n.<br />

Men zou als bezwaar kunnen tegenwerpen dat het niet aangaat<br />

om mensen te onderzoeken, wanneer <strong>zij</strong> daartoe zelf<br />

geen toestemming hebben verleend. In de discussies over<br />

ethiek van de sociale wetenschappen wordt zulk verholen onderzoek<br />

vaak veroor<strong>deel</strong>d (zie voor een categorische afwijzing<br />

bij voorbeeld Erikson 1970). Wijzelf <strong>zij</strong>n van oor<strong>deel</strong> dat in<br />

dit geval een dergelijke methode wel verdedigbaar is, mits<br />

men de namen van de onderzochten geheimhoudt. De betrokkenen<br />

ondervinden dan persoo<strong>nl</strong>ijk op geen enkele wijze<br />

schade van het onderzoek. Er is hier ook geen enkele reden<br />

om individuele namen bekend te maken, het gaat er bij dit<br />

onderzoek niet om de beschuldigende vinger op te heffen tegen<br />

individuele personen of instellingen, noch om directe persoonsgerichte<br />

actie te ondernemen.<br />

In de periode van februari tot en met juli 1976 hebben door<br />

ons geïnstrueerde Spaanse en 'Hollandse' sollicitanten gereflecteerd<br />

op een kleine 300 aanbiedingen voor werk in Amsterdam<br />

of in de directe omgeving daarvan. Deze aanbiedingen<br />

<strong>zij</strong>n gehaald uit dagbladen, weekbladen en vaktijdschriften<br />

of uit vacatures bij uitzendbureaus.<br />

De sollicitatieprocedure is afhankelijk van de wijze waar-<br />

37


op dit voor de onderzochte beroepscategorieën gebruikelijk<br />

is: schriftelijk, telefonisch of door middel van persoo<strong>nl</strong>ijke<br />

presentatie doet steeds eerst óf de Surinamer 6f Spanjaard<br />

pogingen de aangeboden baan te bemachtigen, vijf minuten<br />

later meldt zich de autochtone Nederlander. In dit onderzoek<br />

wordt niet verder gegaan dan een eerste reactie te meten.<br />

Niet alleen wanneer de werkgever de sollicitant in dienst<br />

wil nemen, maar ook wanneer deze zich op enigerlei wijze<br />

bereid toont met de sollicitatieprocedure verder te gaan,<br />

wordt dit als 'acceptatie' opgevat. Strikt genomen wordt hier<br />

dus alleen discriminatie in de eerste lijn gemeten.<br />

Het grote methodische probleem bij dit onderzoek is om<br />

de sollicitanten in zo veel mogelijk relevante opzichten gelijk<br />

te doen <strong>zij</strong>n, behalve naar ras of etnische afkomst. De sollicitanten<br />

<strong>zij</strong>n steeds mannen van ongeveer 30 jaar of vrouwen<br />

van ongeveer 20; <strong>zij</strong> beheersen de Nederlandse taal goed, ook<br />

al hebben de Surinamer en Spanjaard een duidelijk herkenbaar<br />

accent (onmisbaar voor telefonische sollicitatie); <strong>zij</strong><br />

hebben even lang haar, dragen kledij van gelijke 'netheid' en<br />

geven, als daar naar wordt gevraagd, dezelfde opleiding, arbeidservaring<br />

en gezinssamenstelling op; bovendien beschikken<br />

<strong>zij</strong> alle over het Nederlandse staatsburgerschap, de Surinamer<br />

en de Spanjaard wonen vanaf hun veertiende jaar in<br />

Nederland. Het lastigste is om de individuele persoo<strong>nl</strong>ijkheden<br />

van de sollicitanten onder controle te krijgen.<br />

McIntosh en Smith (1974) hebben in een soortgelijk onderzoek<br />

in Engeland steeds van twee individuen gebruik gemaakt<br />

per (gefingeerde) sollicitant en nadat <strong>zij</strong> deze in alle<br />

denkbare combinaties hebben laten optreden, kon met behulp<br />

van variantieanalyse achteraf de invloed van deze 'actor<br />

variability' worden gemeten. Wij hebben zelf een andere oplossing<br />

gekozen door verschillende individuen te laten meedoen<br />

(vier Surinamers, twee Spanjaarden en vijf autochtone<br />

Nederl<strong>anders</strong>), zodat de individuele invloed enigermate kan<br />

worden gerandomiseerd. De verdeling van discriminatie-gevallen<br />

over de verschillende sollicitantenparen geeft achteraf<br />

geen aa<strong>nl</strong>eiding om grote invloed van deze factor aan te nemen.<br />

De niveaus van de arbeidsmarkt waarop rasdiscriminatie


teste gevallen ondubbelzinnig te constateren of discriminatie<br />

plaats vindt en wij hebben dan ook in concreet voorkomende<br />

gevallen de allergrootste prudentie in acht genomen bij het<br />

besluiten daartoe. Alle in dit onderzoek als discriminatie<br />

aangemerkte gevallen <strong>zij</strong>n volstrekt ondubbelzinnig. Enkele<br />

voorbeelden.<br />

De Surinamer Ronaid B. Perry solliciteert schriftelijk bij<br />

hetzelfde bedrijf als de 'Hollander' Piet Doesburg. Hun sollicitatiebrieven<br />

waren equivalent, het antwoord verschilt.<br />

6 mei 1976<br />

Geachte heer Perry,<br />

Tot onze spijt moeten wij U meedelen, niet verder<br />

op Uw sollicitatie te kunnen ingaan.<br />

Wij wensen U bij Uw verdere sollicitaties meer<br />

succes.<br />

Hoogachtend,<br />

6 mei 1976<br />

Geachte heer Doesburg,<br />

In verband met Uw sollicitatie, verzoeken wij U<br />

op korte termijn contact met ons op te nemen<br />

voor het maken van een afspraak.<br />

Inmiddels verblijven wij,<br />

Hoogachtend,<br />

De Spaanse José Gonzales heeft gesolliciteerd bij hetzelfde<br />

gemeentebedrijf als de 'Hollander' Jan de Vries. Hun brieven<br />

waren vrijwel gelijkluidend; het antwoord, dat <strong>zij</strong> ontvangen,<br />

is dit niet.<br />

40


2 juli 1976<br />

De Heer J. Gonzales,<br />

Naar aa<strong>nl</strong>eiding van Uw sollicitatie naar de functie<br />

van . .. bij de dienst gemeentewerken van ... ,<br />

moeten wij U meedelen dat U niet behoort tot de<br />

laatste kandidaten voor deze functie.<br />

Hoogachtend,<br />

y<br />

30 juni 1976<br />

Geachte heer de Vries,<br />

Naar aa<strong>nl</strong>eiding van Uw sollicitatie naar de<br />

functie van ... bij de afdeling . .. van de dienst<br />

gemeentewerken .. . nodig ik U uit voor een<br />

oriënterend gesprek . . . enz.<br />

Hoogachtend,<br />

y<br />

Het solliciteren per telefoon levert de volgende discriminatievarianten<br />

op. In de linkerkolom staat steeds de beslissende<br />

zin, die het antwoord is op de poging van de Surinamer of de<br />

Spanjaard om werk te vinden, in de rechter kolom de beslissende<br />

zin voor de 'Hollander', die vijf minuten later belde.<br />

• 'We <strong>zij</strong>n reeds voorzien'.<br />

• 'Wat is Uw adres? Wij<br />

zullen U bericht zenden'.<br />

• 'We <strong>zij</strong>n reeds voorzien'.<br />

• 'Op het ogenblik <strong>zij</strong>n we<br />

voorzien. Kunt U volgende<br />

week nog eens bellen? '<br />

• 'Reeds voorzien'.<br />

41<br />

'Kunt U vanmiddag langs<br />

komen?'<br />

'Wilt U meteen langs<br />

komen? '<br />

'We zullen U een sollicitatieformulier<br />

opsturen'.<br />

'Kunt U meteen even<br />

komen?'<br />

'U bent de eerste, komt U<br />

maar'.


• 'Reeds voorzien'.<br />

• 'Voorzien'.<br />

• 'AI voorzien'.<br />

'De baan is nog vrij'.<br />

'Komt U maar, we <strong>zij</strong>n bezig<br />

met de selectie'.<br />

'We hebben nog niemand<br />

uitgezocht' .<br />

Bij één bedrijf durft men de Surinamer toch niet goed te weigeren<br />

zonder deugdelijke grond. Het volledige gesprek loopt<br />

als volgt:<br />

Pengel: 'In De Telegraaf van vanochtend biedt U de<br />

functie aan van elektrotechnicus. Ik wilde vragen of<br />

deze baan nog vrij is?'<br />

Antwoord: 'Bent U werkelijk elektrotechnicus?'<br />

Pengel: 'Jazeker, ik heb de LTS gedaan'.<br />

Antwoord: 'Hoe lang bent U het al?'<br />

Pengel: 'Tien jaren'.<br />

Antwoord: 'Hebt U ervaring met zelfstandig werken?'<br />

Pengel: 'Ja, dat heb ik al jaren lang gedaan'.<br />

Antwoord: 'Hebt U ervaring met zwakstroom of sterkstroom?'<br />

Pengel moet hier kiezen en zegt: 'zwakstroom'.<br />

Antwoord: 'Oh, zwakstroom! Daarvoor hebben we geen<br />

werk'.<br />

Vijf minuten later belt de 'Hollander' Doesburg.<br />

Doesburg: 'In De Telegraaf van vanochtend staat een<br />

advertentie over een baan als elektrotechnicus. Is deze<br />

baan nog vrij?'<br />

Antwoord: 'Meneer, het gaat om een all-round elektrotechnicus,<br />

als U dat bent willen we graag dat U langs<br />

komt'.<br />

Doesburg (daartoe geïnstrueerd): 'Ik heb vooral ervaring<br />

met zwakstroom'.<br />

Antwoord: 'Dat is prima, komt U maar langs'.<br />

Bij uitzendbureaus wordt op de volgende manieren discriminatie<br />

ondervonden. De testpersonen treden steeds bij hetzelfde<br />

bureau vijf minuten na elkaar binnen met hetzelfde<br />

verzoek (vergelijk het voorbeeld waarmee dit artikel begint).<br />

42


------ -<br />

In de linkerkolom staat het antwoord aan de Surinamer of<br />

Spanjaard, in de rechterkolom aan de 'Hollander'.<br />

* 'Nee, we hebben helemaal<br />

geen werk'.<br />

* 'Op het ogenblik is het<br />

slap, maar U kunt zich<br />

wel inschrijven'.<br />

• 'Nu niet, maar komt U<br />

volgende week nog eens<br />

terug'.<br />

'Zulk werk hebben we niet,<br />

maar wel .. ".<br />

'Ik heb meteen werk voor U'.<br />

'Ik heb hier ... , wilt U<br />

morgen beginnen?'<br />

Men zou bij dit alles kunnen veronderstellen dat het verschil<br />

in behandeling in sommige gevallen niet zozeer het gevolg is<br />

van discriminatie, maar van toevallige omstandigheden. Zo<br />

heeft de tweede (Nederlandse) testpersoon opdracht gekregen<br />

steeds dezelfde personeelsfunctionaris te benaderen als de<br />

eerste en ook om dit op dezelfde wijze te doen, maar dit is<br />

niet altijd gelukt. Een toevallige omstandigheid kan ook <strong>zij</strong>n,<br />

dat het humeur van de betreffende personeelsfunctionaris<br />

binnen vijf minuten omslaat. Hoe vaak komen zulke 'storingen'<br />

voor? En als dit voorkomt gebeurt dit dan niet 'at random'?<br />

Bij wijze van controle hebben wij een aantal paren van alléén<br />

autochtone Nederl<strong>anders</strong> nog eens discriminatie laten testen.<br />

De paren Doesburg-de Vries en Schoenmakers-Bakker solliciteren<br />

6 maal schriftelijk. 16 maal telefonisch en bezoeken 10<br />

uitzendbureau's. In al deze gevallen blijkt de respons exact<br />

gelijk, van enig verschil in behandeling is geen sprake. Wij<br />

nemen aan dat toevalsfactoren een verwaarloosbare rol spelen.<br />

Het tweede ge<strong>deel</strong>te van het onderzoek<br />

Nadat we aldus vast kunnen stellen in welke mate en hoe<br />

rasdiscriminatie bij het solliciteren voorkomt, <strong>zij</strong>n we ook geinteresseerd<br />

in de motiveringen van de betrokken werkgevers.<br />

Een half jaar na het discriminatie-experiment hebben<br />

We een a-selecte steekproef van 32 werkgevers, die blijk hebben<br />

gegeven van discriminatie, én een controlegroep van 29<br />

werkgevers, die dit niet hebben gedaan, benaderd voor een<br />

43


vraaggesprek. Een systematische vergelijking tussen beide.<br />

categorieën moet ons in staat stellen inzicht te krijgen in de<br />

beweegredenen voor discriminatie en ons de mogelijkheid<br />

verschaffen om een aantal veronderstellingen daaromtrent te<br />

toetsen.<br />

Het is duidelijk dat de betrokkenen met de nodige omzichtigheid<br />

moeten worden benaderd: we vertellen hen niet<br />

dat <strong>zij</strong> reeds eerder op discriminatie <strong>zij</strong>n onderzocht en evenmin<br />

dat het interview daarover zal gaan. Een rijkelijke vage<br />

aankondigingsbrief, waarbij wij de personeelschef verzoeken<br />

enkele vragen te mogen stellen over de speciale plaats welke<br />

Surinamers en gastarbeiders op de arbeidsmarkt innemen.<br />

levert een goede respons. De vrage<strong>nl</strong>ijst zelf is zo ingericht<br />

dat het woord discriminatie door ons niet genoemd wordt.<br />

het is duidelijk dat de vraag 'discrimineert U wel eens?' of<br />

varianten daarvan, niet veel meer teweeg zal brengen dan<br />

weigering of kwaadheid. Het is onze ervaring dat men niet<br />

erg wantrouwig is en nooit verband zal leggen met de concrete<br />

sollicitatie van zes maanden daarvoor.<br />

De vrage<strong>nl</strong>ijst opent met een aantal neutrale vragen over<br />

de aard en de grootte van het bedrijf. het verloop van personeel.<br />

de verhouding tussen vraag en aanbod voor verschillende<br />

functies en de wijze waarop men nieuw personeel recruteert.<br />

Vervolgens wordt gevraagd hoe men handelt bij indienstneming<br />

van personen voor functie ... ......... en daarbij wordt de<br />

functie opgegeven, waarvoor zes maanden terug is getest.<br />

En dan wordt gevraagd of men een Surinamer of Spanjaard<br />

(al wie de test had verricht) in een dergelijke functie zou aannemen.<br />

Daarna wordt de respondent een meetinstrument voorgelegd.<br />

waarmee we het individuele rasvooroor<strong>deel</strong> willen meten.<br />

Het gaat hier om een schaal met een grote reputatie en die<br />

vele malen beproefd is: de social dis ta nee seale. ontwikkeld<br />

door Bogardus in 1925. Volgens Shaw & Wright (1967. blz.<br />

407-411) is zowel de validiteit als de meetbetrouwbaarheid<br />

goed. Met deze schaal wordt de mate van acceptatie van allerlei<br />

immigrantengroeperingen gemeten aan de hand van<br />

reacties op een zevental uitspraken over zulke groeperingen.<br />

die oplopen naar intensiteit van aanvaarding.<br />

44


Discriminatie op ras of op grond van etnische afkomst( De<br />

verdeling van positieve en negatieve discriminatiegevallen,<br />

onderver<strong>deel</strong>d naar discriminatie ten opzichte van Surinamers<br />

en Spanjaarden, blijkt uit de volgende tabel.<br />

Tabel 2: Discriminatie naar ras of etnische afkomst<br />

discriminatie in voor<strong>deel</strong> Nederlander<br />

discriminatie in na<strong>deel</strong> Nederlander<br />

geen discriminatie aangetoond<br />

totaal aantal observaties<br />

Surinamer- Spanjaard­<br />

Nederlander Nederlander<br />

22%<br />

4%<br />

74%<br />

162<br />

15 %<br />

6%<br />

79%<br />

116<br />

Het verschil tussen de mate waarin Surinamers en Spanjaarden<br />

discriminatie ondervinden is niet significant (X 2 = 2.01<br />

met v = 2 bij een betrouwbaarheid van 95 %). Rasdiscriminatie<br />

richt zich dus niet alléén op ras of alléén op etnische afkomst.<br />

Op grond van de uitkomst van het vroegere onderzoek<br />

van Bagley (1973) zou men moeten veronderstellen dat<br />

Spanjaarden als 'blanke vreemdelingen' meer discriminatie<br />

zouden ondervinden dan gekleurde (maar in culturele oriëntatie<br />

meer Nederlandse) Surinamers. De uitkomst van dit<br />

onderzoek kan deze conclusie niet bevestigen, de dis criminatiescore<br />

ten opzichte van Surinamers is eer hoger dan lager<br />

ten opzichte van Spanjaarden. Men kan niet langer volhouden<br />

dat in Nederland niet op ras wordt gediscrimineerd.<br />

Discriminatie op hogere niveaus van de arbeidsmarkt?<br />

Het resultaat van dit onderzoek wijst niet op het bestaan<br />

van een ondoordringbaar schot tussen een secundaire arbeidsmarkt<br />

op laag niveau en een primaire op hoog niveau.<br />

In tabel 3 is gewerkt met netto-discriminatie: het aantal discriminatiegevallen<br />

ten gunste van de Spanjaarden en Surinamers<br />

wordt afgetrokken van het aantal discriminatiegevallen<br />

ten ongunste.<br />

Op het hoogste niveau van vrouwelijk kantoorpersoneel<br />

kunnen wij in het geheel geen rasdiscriminatie aantonen, er<br />

is in tegen<strong>deel</strong> een nettodiscriminatie van 2 gevallen uit 91<br />

ten gunste van vrouwelijke leden van etnische minderheden.


-- -- --------- - -<br />

Het is overigens niet duidelijk of dit effect wordt bereikt<br />

omdat hier discriminatie tegen allochtone vrouwen wordt<br />

gemeten of tegen sollicitanten op een hoog beroepsniveau.<br />

Op de beide lagere niveaus van geschoolde en ongeschoolde<br />

(mannelijke) handarbeid komt wel negatieve rasdiscriminatie<br />

voor. maar tussen deze beide niveaus bestaat geen significant<br />

verschil.<br />

Tabel 3: Netto discriminatie naar etnische groep en niveau van de<br />

arbeidsmarkt<br />

discrimi- discrimi- totaal aan- totaal percentanatie<br />

te- natie te- tal discri- aantal ge netto<br />

gen Suri- gen Span- minatie ge- obser- discriminamer<br />

jaard vallen vaties naties<br />

kantoorpersoneel<br />

(vr.) +2 +2 91 + 2%<br />

geschoolde<br />

handarbeid (mn.) -13 -4 -17 72 -24%<br />

ongeschoolde - 21 %<br />

handarbeid (mn.) -15 -9 -24 115<br />

totaal -28 -11 -39 278 14%<br />

Deze cijfers wijzen erop dat beroepsmobiliteit voor etnische<br />

minderheden in Nederland wel degelijk mogelijk is voor zover<br />

dit afhangt van de aanbod<strong>zij</strong>de van de arbeidsmarkt.<br />

Ook al blijken hier de poorten van sociale stijging door de<br />

werkgevers niet potdicht gehouden te worden. er is toch alle<br />

reden om de positie van gastarbeiders en een <strong>deel</strong> van de<br />

Surinamers te analyseren in termen van een etnisch subproletariaat<br />

(vergelijk Penninx en Van Velzen 1976 en Van<br />

Amersfoort 1974).<br />

Dit roept de vraag op naar de oorzaken van het ontstaan en<br />

de bestendiging van de huidige etnische ongelijkheid op de<br />

arbeidsmarkt. Naar ons inzicht <strong>zij</strong>n hier twee complexen van<br />

factoren van belang: (1) de uitgangspositie van de immigranten<br />

zelf en hun attitude t.o.v. beroepsstijging en (2) het Nederlandse<br />

overheidsbeleid. Bij de uitgangspositie denken wij<br />

voor wat gastarbeiders betreft in de eerste plaats aan de re-<br />

47


den voor hun komst: het vervullen van banen aan de leeglopende<br />

onderkant van de arbeidsmarkt. Verder kan men denken<br />

(ook in het geval van Surinamers) aan het geringe scholingsniveau<br />

van velen, aan de gebrekkige kennis van het Nederlands<br />

en aan de geringe of weinig toepasbare arbeidservaring.<br />

Ook hun levensperspectief is vaak niet gericht op maatschappelijk<br />

succes in Nederland, maar op terugkeer naar het<br />

land van herkomst. Wat betreft het beleid van de overheid<br />

doelen wij in het geval van gastarbeid op pogingen om het<br />

rotatieprincipe te herstellen of althans de gedachte daaraan<br />

levend te houden, het binden van arbeidsvergunningen aan<br />

alléén de laagst gekwalificeerde betrekkingen en voor wat betreft<br />

alle immigratiegroeperingen doelen wij op het ontbreken<br />

van voldoende massale scholingscursussen en andere<br />

emancipatore maatregelen.<br />

Rasdiscriminatie cultureel verklaarbaar? Bij het meten van<br />

rasdiscriminatie per niveau van de arbeidsmarkt is al vastgesteld,<br />

dat het racisme niet zo diep is ingeworteld dat het in<br />

alle gevallen een rol speelt. Wij willen dit nader onderzoeken<br />

door de mate van rasdiscriminatie in verband te brengen met<br />

de verhouding tussen aanbod en vraag op de arbeidsmarkt<br />

voor bepaalde beroepen. Tabel 4 geeft de resultaten van het<br />

experiment gerangschikt naar dit gezichtspunt.<br />

Deze cijfers wijzen op een duidelijk verband: de mate van<br />

rasdiscriminatie varieert zeer sterk met de verhouding tussen<br />

vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Dit effect laat zich nog<br />

duidelijker demonstreren, wanneer alleen rasdiscriminatie<br />

ten opzichte van mannen in beschouwing wordt genomen en<br />

de kolom, die een krappe arbeidsmarkt representeert (aanbod<br />

< vraag) vergeleken wordt met de twee overige kolommen<br />

(ruime en passende arbeidsmarkt) samen. In de onderste<br />

rij van tabel 5 staan de gemiddelde percentages van discriminatie<br />

over de beide rijen geschoolde en ongeschoolde<br />

handarbeid.<br />

Het antwoord op de laatste vraag is duidelijk: wanneer de<br />

arbeidsmarkt krap is, wanneer het moeilijk voor werkgevers<br />

is om personeelsleden te vinden voor bepaalde werkzaamheden<br />

(ponstypistes, monteurs, schoonmakers), dan hebben<br />

<strong>zij</strong> weinig pretenties wat betreft de etnische afkomst van<br />

hun personeel. Wanneer de arbeidsmarkt ruim is, wanneer


Tabel 4: Netto-discriminatie naar aanbod en vraag op de arbeidsmarkt<br />

niveau aanbod- en aanbod> vraag aanbod = vraag aanbod < vraag totaal<br />

vraag verhouding (ruime arbeidsmarkt) (krappe arbeidsmarkt)<br />

bankemployée totaal (steno-)typiste totaal ponstypiste totaal netto-dis- totaal<br />

kantoorpersoneel (vr.) netto-dis- ob ser- netto-dis- ob ser- netto-dis- obser- criminatie obsercriminatie<br />

vaties criminatie vaties criminatie vaties vaties<br />

15 37 +2 39 +2 91<br />

geschoolde metselaar elektromonteur bankwerker<br />

handarbeid (rnn.) -8 27 -9 30 15 -17 72<br />

ongeschoolde los arbeider maga<strong>zij</strong>nbediende schoonmaker<br />

handarbeid (rnn.) -6 51 -13 45 -5 19 -24 115<br />

totaal netto-dis- totaal netto-dis- totaal netto-dis- totaal netto-dis- totaal<br />

criminatie ob ser- criminatie obser- criminatie obser- crirninatie observaties<br />

vaties vaties vaties<br />

-14 93 -22 112 -3 73 39 278<br />

discriminatie in % 15 % 20 % 4% 14%


antwoord, wanneer men geen rasvooroor<strong>deel</strong> koestert; men<br />

staat erop mensen individueel te beoordelen en niet als lid<br />

van een collectiviteit.<br />

Risicofactoren<br />

Het onderzoek heeft tot nu toe alleen nog aangetoond dat<br />

rasdiscriminatie op de arbeidsmarkt in Amsterdam voorkomt.<br />

Een bevredigende verklaring voor het speciale patroon<br />

ervan hebben we tot nu toe nog niet kunnen vinden. Weliswaar<br />

blijkt dat ras en etniciteit als criterium fungeert voor<br />

ongelijke kansen bij sollicitatie; het komt ook voor dat stijging<br />

naar hogere niveaus op de arbeidsmarkt wordt tegengegaan;<br />

er bestaan wel degelijk culturele opvattingen over de<br />

(onwenselijke) eigenschappen van etnische minderheden; en<br />

er <strong>zij</strong>n zeker ook in Amsterdam werkgevers, die rasvooroor<strong>deel</strong><br />

koesteren. Maar deze factoren verklaren geen van vieren<br />

de variaties binnen het gevonden discriminatiepatroon. Dit<br />

is een opvallende uitkomst: de sociologische theorie omtrent<br />

rasdiscriminatie behoeft - althans voor de arbeidsmarkt in<br />

Amsterdam - aanvulling.<br />

Het wordt tijd dat we met de werkgevers zelf gaan praten.<br />

Het is eige<strong>nl</strong>ijk een beetje tegen onze verwachting, maar de<br />

meeste werkgevers blijken bereid om bij het 'open' ge<strong>deel</strong>te<br />

van het interview nogal vrijelijk voor hun mening over Surinamers<br />

en gastarbeiders uit te komen en dat geldt ook voor<br />

werkgevers, die een ongunstig oor<strong>deel</strong> hebben. Men vertelt<br />

graag en dat gebeurt overwegend in een zakelijke sfeer. Rendementsoverwegingen<br />

staan voorop en daarbij weegt men de<br />

(veronderstelde) voor- en nadelen van het in dienst nemen<br />

van uitheems personeel tamelijk zorgvuldig tegen elkaar af.<br />

Racistische tirades blijven uit. We hebben de antwoorden in<br />

drie categorieën ver<strong>deel</strong>d.<br />

• er <strong>zij</strong>n werkgevers die zeggen niet het minste bezwaar te<br />

hebben tegen het aanstellen van Surinamers en gastarbeiders<br />

en <strong>zij</strong> vermelden daar soms bij dat discriminatie niet te pas<br />

komt;<br />

o er <strong>zij</strong>n werkgevers die bij voorkeur alleen 'Holl<strong>anders</strong>' in<br />

dienst willen nemen en die alleen, wanneer <strong>zij</strong> die niet kun-<br />

5 2


Surinamers: 1,37) en uit de verdeling van getallen is duidelijk<br />

waar hem dat in zit: niet minder dan 19 werkgevers zeggen<br />

geen bezwaar te hebben, maar doen in feite wel aan discriminatie.<br />

Opnieuw een bewijs van de stelling dat mensen<br />

<strong>anders</strong> zeggen dan <strong>zij</strong> doen en een aanwijzing dat men discriminatie<br />

niet met vraaggesprekken kan onderzoeken.<br />

Wat we echter wél met de vraaggesprekken kunnen doen<br />

is werkgevers, die eerlijk toegeven geen (of liever geen) Surinamers<br />

en gastarbeiders in dienst te nemen, aan het woord<br />

laten.<br />

Zoals gezegd, men geeft zelden blijk van ope<strong>nl</strong>ijke racistische<br />

sentimenten. We kunnen maar weinig generaliserende<br />

uitspraken noteren, die een ideologische rechtvaardiging bevatten<br />

voor ongelijke bejegening op basis van ras of nationale<br />

herkomst, 'Creolen <strong>zij</strong>n lui, de luiheid is de Creool ingeboren'<br />

e.d. Zeer velen redeneren daarentegen in termen van<br />

direct aanwijsbare risico's voor hun bedrijf of instelling. De<br />

meest genoemde risicofactoren <strong>zij</strong>n drieërlei.<br />

(a) Dertien werkgevers vrezen weerstanden bij hun 'Hollandse'<br />

personeel. Soms <strong>zij</strong>n <strong>zij</strong> daar heel ope<strong>nl</strong>ijk in: 'kijkt U<br />

eens, ik heb niets tegen Surinamers, maar in functie x heb ik<br />

iemand nodig, die de hele dag samen moet werken met Wil­<br />

Iem. Willem is een harde werker en een wat ruwe kerel, maar<br />

wel goedig. Maar hij heeft één ding: een gloeiende hekel aan<br />

negers. Die kan ik toch geen Surinamer op <strong>zij</strong>n dak sturen?'<br />

Anderen zeggen het minder direct, <strong>zij</strong> beperken bewust het<br />

aantal Surinamers of gastarbeiders op één afdeling of in hun<br />

hele bedrijf: 'te veel Surinamers geeft verstoring van het<br />

evenwicht en c1anvorming' of 'er komen zoveel Surinamers<br />

dat mijn mensen zich bedreigd gaan voelen'.<br />

(b) Negen werkgevers zeggen geen uitheems personeel in<br />

dienst te nemen omdat <strong>zij</strong> weten of vermoeden dat hun c1iëntèle<br />

dit niet accepteert. Dit geldt met name in de dienstverlenende<br />

sector en voor winkelbedrijven. 'Een Surinamer naar<br />

een klant sturen? Dat kan niet. Je weet het uit vakkringen',<br />

of 'ik kan hier toch niet door negers laten helpen?'<br />

(c) Andere werkgevers menen dat Surinamers, maar vooral<br />

ook gastarbeiders, onvoldoende kennis hebben van Nederland<br />

of onvoldoende aangepast <strong>zij</strong>n om bij hen werkzaam te<br />

54


<strong>zij</strong>n. Twee noemen de taal als belemmerende factor: 'we nemen<br />

het risico niet om een gastarbeider in dienst te nemen<br />

omdat die geen Nederlands verstaat en daardoor in het maga<strong>zij</strong>n<br />

in gevaar verkeert', of 'gastarbeiders kun je niet gebruiken<br />

door de taal'.<br />

Al zulk soort overwegingen leiden ertoe dat men Surinamers<br />

en gastarbeiders 6f helemaal niet in dienst neemt 6f alleen<br />

wanneer men door de nood wordt gedwongen. 'Het is<br />

een kwestie van efficiëntie', zegt er één, 'Nederl<strong>anders</strong> geven<br />

de minste problemen'.<br />

Een tweede "aanwijzing dat het bij werkgevers niet gaat om<br />

een grondhouding van categorische afwijzing van iedereen,<br />

die zwart is of vreemd, vormt het feit dat de meeste werkgevers<br />

wel onderscheid maken tussen verschillende etnische<br />

groepen en zelfs daar binnen. Over gastarbeiders noteren we<br />

naast een lange lijst negatieve kwalificaties 'ze leren geen<br />

Nederlands', 'ze <strong>zij</strong>n vaak ziek', 'hun opleiding schiet te kort',<br />

toch ook een aantal positieve uitspraken: 'ze willen graag<br />

een vak leren'. Bij Surinamers maakt men steevast onderscheid<br />

tussen Hindoestanen en Creolen en daarbij komen de<br />

eersten er aanzie<strong>nl</strong>ijk gunstiger vanaf. Over Creolen of zoals<br />

men meestal zegt: negers, heet het dat <strong>zij</strong> 'traag', 'onbetrouwbaar'<br />

of 'agressief' <strong>zij</strong>n, dat ze 'niet vaak op komen<br />

dagen', 'slecht solliciteren', 'problemen veroorzaken' en 'niet<br />

op kunnen schieten met Nederlands personeel'.<br />

Hoe moeten we dit alles waarderen? In hoeverre <strong>zij</strong>n de<br />

genoemde risicofactoren niet meer dan goede camouflages of<br />

rationalisaties van rasvooroor<strong>deel</strong>? Het is niet eenvoudig om<br />

daar precies achter te komen, een groot aantal overwegingen<br />

lijken toch wel degelijk reëel: wanneer men <strong>zij</strong>n cliëntèle<br />

dreigt te verliezen of wanneer gewaardeerde krachten het<br />

bedrijf verlaten of daarmee dreigen wanneer de baas 'buite<strong>nl</strong><strong>anders</strong>'<br />

aanneemt. Het is natuurlijk de vraag op welk fundament<br />

zulke angsten rusten. De meeste werkgevers of personeelsfunctionarissen<br />

baseren hun afwijzing op concrete ervaringen<br />

in het eigen bedrijf en na enig doorvragen blijken dat<br />

er vaak heel weinig in getal te <strong>zij</strong>n. Na één of twee maal mislukken<br />

probeert men het niet meer opnieuw, verdere argumentatie<br />

bestaat uit 'het is toch algemeen bekend dat" . .' of<br />

ss


'je hoort het toch ook van collega's?' En dat alles is nu juist<br />

wat men met 'Holl<strong>anders</strong>' niet zou doen! Dit alles maakt het<br />

gedrag van werkgevers wel begrijpelijk, men kan hoogstens<br />

zeggen dat <strong>zij</strong> zich niet bepaald ontpoppen als helden of als<br />

maatschappelijke voortrekkers door zich tegen racistische of<br />

bevooroor<strong>deel</strong>de aanspraken van anderen te verzetten. Al<br />

met al geen opwekkende conclusie. Als het waar is dat rasdiscriminatie<br />

op de arbeidsmarkt plaats vindt op basis van<br />

echte of veronderstelde risicofactoren, dan heeft het weinig<br />

zin om discriminerend optreden van werkgevers te isoleren<br />

uit de totale maatschappelijke context, waar afwijzing op<br />

basis van ras of nationale herkomst algemeen is. Discriminatie<br />

is geen kwestie van malafide werkgevers alléén, het gaat<br />

de same<strong>nl</strong>eving als geheel aan.<br />

Besluit<br />

We hebben geconstateerd dat werkgevers discrimineren bij<br />

het aanstellen van personeel en dat <strong>zij</strong> de neiging vertonen te<br />

redeneren in termen van verhoogd risico. Zulk risico is voor<br />

een <strong>deel</strong> waarschij<strong>nl</strong>ijk reëel, voor een ander <strong>deel</strong> berust het<br />

op het bestaan van rasvooroor<strong>deel</strong> in de same<strong>nl</strong>eving in haar<br />

geheel en niet op werkgevers alleen. Wanneer we deze veronderstelling<br />

tot uitgangspunt nemen, wordt het patroon<br />

van discriminatie zoals dat in het eerste experimentele ge<strong>deel</strong>te<br />

van het onderzoek werd gevonden, begrijpelijk. Daar<br />

blijkt ten eerste dat hoe hoger de sollicitant is gekwalificeerd,<br />

des te gemakkelijker neemt men hem of haar in dienst:<br />

het risico van onbekendheid met de Nederlandse cultuur of<br />

onaangepastheid is dan immers minder. En ten tweede, bij<br />

een krappe arbeidsmarkt wordt weinig gediscrimineerd: in<br />

geval men geen 'Holl<strong>anders</strong>' kan krijgen moet men het risico<br />

anderen in dienst te nemen op de koop toenemen. Dit voorlopig<br />

nog weinig uitgewerkte theoretische gezichtspunt in<br />

termen van risico's of veronderstelde risico's, biedt meer inzicht<br />

in het patroon van rasdiscriminatie op de arbeidsmarkt<br />

in Amsterdam dan verschillende gangbare theorieën over discriminatie.<br />

En ten slotte nog dit: bij het interviewen stuiten we op<br />

56


een werkgever, die de Surinaamse sollicitant in het experiment<br />

heeft verkozen boven de 'Hollander'. Hij beargumenteert<br />

<strong>zij</strong>n keuze als volgt: 'We weten dat etnische minderheden<br />

in een rottige maatschappelijke positie verkeren. Toen<br />

Den Uyl eens op de televisie de hulp van het Nederlandse<br />

volk inriep om die mensen te helpen, toen hebben wij als bedrijf<br />

gezegd: de eerst volgende 5 mensen, die we in dienst nemen<br />

<strong>zij</strong>n Surinamers en dat hebben we gedaan en de ervaringen<br />

<strong>zij</strong>n uitstekend'.<br />

Er is nog hoop!<br />

Noten<br />

1. Dit hoofdstuk is een iets gewijzigde en sterk uitgebreide<br />

versie van een artikel dat eerder verscheen in de Sociologische<br />

Gids (1977 jrg. XXIV. nr. 1/2. blz. 58-75). Wij danken H. Hunfeldvan<br />

Wijk en S. KeIler voor hun bijdrage aan de uitvoering van dit<br />

onderzoek. J. M. M. van Amersfoort, L. Brunt. J. E. Ellemers. A. J.<br />

F. Köbben. A. Ploeg, R. Roe. F. Tazelaar, A. Verbeek en H. Verwey­<br />

Jonker <strong>zij</strong>n wij dank verschuldigd voor hun begeleiding van het<br />

project en/of commentaar bij een eerdere versie van dit stuk.<br />

2. Voor een precieze beschrijving van de experimentele condities.<br />

als ook voor een gedetailleerd verslag van de onderzoeksresultaten<br />

verwijzen wij naar een uitvoerig stencil (uitgekomen bij de<br />

vakgroep Komparatieve Sociaal-Ekonomische Studiën van de<br />

Rijksuniversiteit te Utrecht).<br />

57


3<br />

De 'gesloten buurten' van Amsterdam<br />

Mariëlle Valkonet-Freeman<br />

'Kennen Burgemeester en Wethouders de inhoud van het artikel<br />

"Huisvesting" in ]ere, derde jaargang nr. 19-20, september/<br />

oktober 1977, blz. XXVI e.v.?'<br />

'Is het met name juist dat door het gemeentelijk beleid acht<br />

stadswijken in Amsterdam voor Surinamers <strong>zij</strong>n gesloten,<br />

te weten . .. ?'<br />

'Is het Burgemeester en Wethouders bekend dat deze wijken<br />

praktisch <strong>zij</strong>n gesloten voor mensen van niet-Nederlandse<br />

afkomst?'<br />

Op 15 november 1977 stellen de VVD-raadsleden mevrouw<br />

H. Pley en de heer H. H. Jacobse deze penetrante vragen. Het<br />

Amsterdamse College komt eind december met het antwoord<br />

en dat luidt overwegend bevestigend. Intussen heeft de kwestie<br />

van het sluiten van buurten en straten uitvoerig de aandacht<br />

van de pers getrokken; vooral bij de hoofdstedelijke<br />

Surinaamse gemeenschap is hevige commotie ontstaan. In<br />

tal van publikaties van Surinaamse wel<strong>zij</strong>nsstichtingen wordt<br />

aan de kwestie aandacht besteed en op 23 februari 1978<br />

komt men bijeen in het Rothaanhuis te Amsterdam. Daar<br />

wordt op een roerige vergadering de onmiddellijke intrekking<br />

geëist van de gesloten-verklaring van deze wijken. Tevens<br />

eist men een gelijke behandeling van alle woningzoekenden,<br />

dus géén onderscheid naar etnische status.<br />

Waarom deze opschudding? Op zichzelf is het in Surinaamse<br />

kring allerminst nieuws dat er gediscrimineerd wordt<br />

bij het verhuren van woonruimte en ook gastarbeiders uit<br />

landen rond de Middellandse Zee hebben weinig reden zich<br />

illusies te maken over hun kansen op de woningmarkt. Wat<br />

hier echter nieuw is, is dat het erop lijkt dat voor het eerst<br />

58


instellingen van de overheid systematisch de maatschappelijke<br />

kansen voor minderheden beperken. Hier is niet langer<br />

de onwelwillendheid van een aantal particuliere eigenaren in<br />

het geding, het heeft alle schijn van institutionele discriminatie.<br />

Uit alle publiciteit hierover zou men licht de indruk<br />

krijgen als zou de betrokken dienst (Gemeentelijke Dienst<br />

Herhuisvesting) in een kwade racistische opwelling de toegang<br />

tot behoorlijke huisvesting voor immigranten definitief<br />

hebben gesloten. In werkelijkheid ligt de zaak aanzie<strong>nl</strong>ijk<br />

gecompliceerder.<br />

Binnen de betreffende dienst maakt men zich al lange tijd<br />

zorgen over de aandrang van huiseigenaren, woningcorporaties<br />

en makelaars om uit bepaalde stadsdelen een verdere<br />

toeloop van leden van etnische minderheidsgroepen te weren.<br />

Men geeft daar aanvankelijk aan toe, maar het ongemak<br />

over deze aangelegenheid is toch reden geweest om mij reeds<br />

in het najaar van 1976 de gelegenheid te bieden om onderzoek<br />

te verrichten en aanbevelingen voor het beleid te doen.<br />

Dit hoofdstuk vormt daar een verslag van (vg!. Valkonet­<br />

Freeman 1977).<br />

Zones in Amsterdam<br />

Allereerst wil ik nagaan in welke stadsdelen men de meeste<br />

immigranten, in casu Surinamers en gastarbeiders, aantreft.<br />

Welnu, uit de figuur op pagina 60 blijkt een duidelijke concentratie<br />

van gastarbeiders in de negentiende-eeuwse gordel<br />

van arbeiderswoningen, vlak rond het centrum. De spreiding<br />

van Surinamers over de stad is vergelijkbaar; slechts de hoge<br />

concentratie van Surinamers in de Bijlmermeer vormt hier<br />

een uitzondering op en daar <strong>zij</strong>n specifieke redenen voor<br />

(vg!. Diepen en Bruyn-Muller 1976).<br />

Het patroon van allochtone vestiging vertoont overigens<br />

grote overeenkomst met dat in overige grote steden in Nederland,<br />

met vergelijkbare Europese landen en zelfs met de<br />

Verenigde Staten. Het <strong>zij</strong>n vrijwel altijd bouwvallige woonbuurten,<br />

die hoognodig toe <strong>zij</strong>n aan sanering en renovatie en<br />

men vindt ze meestal op korte afstand van het centrum van<br />

de stad.<br />

59


wereldoorlog treedt ook hier het invasie- en successieproces<br />

op: de woningen worden steeds vaker als pension voor immigranten<br />

gebruikt, terwijl de vroegere eigenaren uit angst<br />

voor dalende prijzen hun woning verlaten. De hogere klassen<br />

winnen de competitie om de schaarse woningen in het suburbane<br />

gebied en de middenklasse verhuist naar de voorsteden<br />

op goedkope grond. De lagere klassen blijven rondom het<br />

centrum wonen in een gebied dat als woongebied steeds minder<br />

aantrekkelijk wordt.<br />

In West-Berlijn is volgens Hoffmeyer-Zlotnik eveneens<br />

duidelijk een dergelijke overgangszone af te bakenen. De sociale<br />

status, gemeten naar opleiding en beroep, is in deze<br />

zone zeer laag. Gastarbeiaers, die sinds 1968 in groten getale<br />

naar Berlijn <strong>zij</strong>n gekomen, hebben zich hier gevestigd. Wanneer<br />

er eenmaal gastarbeiders wonen, neemt hun aantal snel<br />

toe: ze wonen met hun kinderrijke gezinnen, met familieleden<br />

en met vrienden met z'n allen in één woning. Nieuwe<br />

immigranten voelen zich tot het gebied aangetrokken, omdat<br />

<strong>zij</strong> zich in een etnische kolonie thuisvoelen. Huiseigenaren<br />

profiteren hiervan, omdat ze per kamer of per bed kunnen<br />

verhuren met een minimum aan onderhoudskosten. De Duitse<br />

bewoners trekken weg uit angst voor statusdaling van het<br />

gebied als gevolg van verwachte sanering en de 'invasie' van<br />

zoveel buite<strong>nl</strong><strong>anders</strong>. Ouderen en sociaal zwakkeren blijven<br />

over.<br />

Vraag en aanbod<br />

Een zodanig proces als beschreven voor Birmingham en<br />

West-Berlijn kunnen we in Amsterdam ook waarnemen. Ook<br />

hier werkt het mechanisme van vraag en aanbod dusdanig<br />

dat immigranten op de woningmarkt slecht kunnen concurreren<br />

met autochtone bewoners en daardoor in de slechtste<br />

delen van de stad terecht komen.<br />

De vraag van immigranten naar een bepaald woningtype<br />

hangt in de eerste plaats samen met hun inkomen. Gastarbeiders<br />

(en Surinamers ook, <strong>zij</strong> het lang niet allen) komen<br />

noodgedwongen in de slechtste buurten terecht, omdat ze nu<br />

eenmaal weinig kunnen betalen. Echter, hun sociaal-econo-


ondom deze gordel <strong>zij</strong>n er arbeiderswoningen gebouwd en<br />

in Amsterdam met name door woningcorporaties. Deze woningen<br />

<strong>zij</strong>n over het algemeen niet hoog in huur en zouden<br />

zich zeer wel voor vestiging van immigranten lenen, maar het<br />

is opvallend dat dit in Amsterdam vrijwel niet gebeurt.<br />

Bij mijn bespreking van het Chicago-model heb ik erop<br />

gewezen dat een en ander alleen opgaat bij een ongestoorde<br />

werking van het marktmechanisme. Dit is in Amsterdam niet<br />

het geval. De overheid heeft een reguleringssteIsel ingevoerd<br />

in de vorm van woningdistributie. Zij heeft 7 % van de woningvoorraad<br />

zelf in handen en een aanzie<strong>nl</strong>ijk <strong>deel</strong> van de<br />

overige woningen wordt via tussenkomst van de gemeente<br />

' verhuurd. Eén van de argumenten hiervoor is dat de overheid<br />

streeft naar een rechtvaardige verdeling van woonruimte<br />

zodat zwakkere groepen betere kansen krijgen op de woningmarkt.<br />

Men zou dan ook verwachten dat waar de overheid<br />

zo prominent tussenbeide komt, de migranten veel meer gespreid<br />

zullen wonen dan in Chicago in de jaren twintig het<br />

geval was. Toch is dit niet zo; ook in Amsterdam wonen immigranten<br />

in de slechtste buurten.<br />

Waar komt deze tegenstrijdigheid vandaan? Hoe komt het<br />

dat het distributiestelsel de kansen voor immigranten kennelijk<br />

evenzeer beperkt?<br />

Woningdistributie<br />

In het algemeen gaat de overheid bij de distributie van woningen<br />

(theoretisch althans) behoedzaam te werk om niet<br />

naar ras of etnische groep te discrimineren, noch positief<br />

noch negatief. Toch blijkt uit verschillende studies in andere<br />

landen dat de toewijzingsregels in de praktijk in het na<strong>deel</strong><br />

van de immigranten uitwerken. Uit de studie van Castles en<br />

Kosack (1973) welke betrekking heeft op Duitsland, Frankrijk,<br />

Engeland en Zwitserland, blijken buite<strong>nl</strong>andse werknemers<br />

zelden in aanmerking te komen voor een gemeentewoning.<br />

Steevast is discriminatie het (onbedoelde) gevolg<br />

van het toepassen van 'objectieve' criteria, zoals de kwaliteit<br />

en de staat van het huis van waaruit men wil verhuizen, de<br />

hoogte en stabiliteit van het inkomen, en de 'betrouwbaar-


heid' van de kandidaat. Deze criteria doen immigranten al<br />

gauw laag scoren. Zij krijgen in de praktijk gemeentewoningen<br />

toegewezen volgens het principe dat Burney (1967) in<br />

Engeland heeft omschreven als 'schone mensen in schone<br />

woningen, vuile in vuile'.<br />

Een analyse van de problemen die spelen bij de toewijzing<br />

aan immigranten vinden we in een Engels rapport, geschreven<br />

door een aantal directeuren van huisvestingsbureaus<br />

(Community Relations Commis sion 1976). Dat de kwaliteit<br />

van de aan immigranten toegewezen woningen vaak slecht<br />

is, wijten de schrijvers aan de volgende factoren: (a) de slechte<br />

woningen komen vaker leeg en <strong>zij</strong> die langer ingeschreven<br />

staan komen eerder in aanmerking voor de betere woningen;<br />

(b) de grote woningen die immigranten nodig hebben en die<br />

betaalbaar <strong>zij</strong>n liggen vaker in de oudere buurten; (c) immigranten<br />

hebben een geringere kennis van de mogelijkheden<br />

en accepteren daarom doorgaans snel de eerste woning die<br />

hen aangeboden wordt; (d) immigrantengezinnen die in acute<br />

woningnood verkeren, worden door ambtenaren van het<br />

huisvestingsbureau veelal automatisch als probleemgezinnen<br />

of gezinnen van lage status gedefinieerd; (e) immigranten<br />

hebben vaker voorkeur voor een buurt waar bekenden wonen<br />

en dat <strong>zij</strong>n nu juist de oudere buurten; (f) immigranten maken<br />

weinig gebruik van de bestaande mogelijkheden om door<br />

te verhuizen naar andere, betere woningen.<br />

Deze factoren hebben tot gevolg dat immigranten een bepaalde<br />

positie op de woningmarkt toegewezen krijgen waardoor<br />

<strong>zij</strong> óók bij de gemeentelijke woningtoewijzing een grote<br />

kans hebben om geconcentreerd in kwalitatief slechte wijken<br />

gehuisvest te worden.<br />

Men heeft wel maatregelen bedacht om dit te doorbreken<br />

zoals spreiding van immigranten over de stad. Dit zou, zo<br />

meende men, automatisch integratie bevorderen. De ervaring<br />

die men daar in Engeland mee heeft opgedaan is bepaald<br />

ontmoedigend. Spreiding volgens een bepaalde formule (bij<br />

voorbeeld één kleurling op acht blanken) als beleidsdoel<br />

wordt tegenwoordig dan ook sterk ontraden, om de volgende<br />

redenen (Spreekmeester 1978):<br />

- elke formule voor spreiding beantwoordt onvoldoende


aan de woningbehoefte van de etnische minderheden, doordat<br />

bij realisering van een formule (bij voorbeeld in Birmingham<br />

1 : 6) voor etnische minderheden véél langere wachttijden<br />

zouden gelden dan voor blanken;<br />

- gedwongen spreiding verstoort sociale contacten en dat<br />

heeft weer allerlei psychische spanningen bij migranten en<br />

anti-sociaal gedrag tot gevolg; etnische gezinnen die in<br />

Londen vanuit saneringsbuurten naar vrijwel blanke wijken<br />

werden overgebracht, keerden na korte tijd toch weer terug<br />

naar familieleden en vrienden in de oude wijk; <strong>zij</strong> namen<br />

zelfs genoegen met inwonen en krotbewoning;<br />

- ten slotte is elke formule tot spreiding, welke gebaseerd<br />

is op huidskleur, in Engeland onwettig en ontmoet daarom<br />

weerstand.<br />

In Engeland is men langzamerhand de angst voor grote<br />

concentraties enigszins kwijtgeraakt en heeft men oog gekregen<br />

voor enkele positieve punten:<br />

- er ontstaat een voldoende groot draagvlak van bevolking<br />

voor het oprichten en in stand houden van speciale winkels,<br />

clubs, kerken e.d.; het ontbreken van deze voorzieningen<br />

betekent sociaal isolement waardoor wel<strong>zij</strong>ns- en onderwijsprogramma's<br />

moeilijker uit te voeren <strong>zij</strong>n;<br />

- bovendien, en dat is het belangrijkste: men is ervan<br />

overtuigd geraakt dat niet huidskleur de factor is die de<br />

moeilijkheden veroorzaakt. Problemen ontstaan in buurten<br />

waar sociale wantoestanden culmineren; meestal <strong>zij</strong>n slechte<br />

huisvesting en overbezetting zeer belangrijke factoren bij het<br />

ontstaan van diverse sociale problemen (Spreekrneester<br />

1978, blz. 10-11); evenwel: omwonenden leven vaak met het<br />

idee dat de fysieke en sociale achteruitgang van de buurt geweten<br />

moet worden aan de komst van veel immigranten.<br />

Een beleid van spreiding volgens een bepaalde formule<br />

wordt in Engeland thans onjuist geacht, het biedt allerminst<br />

een oplossing voor de problemen. Veel belangrijker is het dat<br />

de overheid ernaar streeft dat (a) de woonomstandigheden<br />

verbeterd worden in gebieden waar veel migranten wonen, en<br />

dat (b) de barrières voor immigranten in het distributiesysteem<br />

om hun woonsituatie te verbeteren, weggenomen worden.<br />

66


- -- - -- - - - --<br />

Het gemeentelyk lVoningdistributiebeleid in Amsterdam<br />

Sinds 1947 bestaat in Nederland een Woonruimtewet. Deze<br />

bepaalt dat burgemeester en wethouders in een gemeente<br />

een vergunning moeten verlenen voor het in gebruik nemen<br />

van een woning. De gemeenteraad stelt regels vast omtrent<br />

de verlening van woonvergunningen. Deze regels kunnen per<br />

gemeente verschillen en <strong>zij</strong> doen dit ook. In Amsterdam heeft<br />

de gemeenteraad de wet plaatselijk geherformuleerd als<br />

Woonruimteverordening; deze bepaalt aan welke voorwaarden<br />

gegadigden moeten voldoen om als woningzoekende ingeschreven<br />

te worden. De toewijzing vindt plaats door de<br />

Gemeentelijke Dienst Herhuisvesting (GDH). Men kan zich<br />

in Amsterdam als urgente woningzoekende laten inschrijven<br />

wanneer men: een inkomen heeft dat beneden de ziekenfondsgrens<br />

ligt, twee jaar in het bevolkingsregister van Amsterdam<br />

ingeschreven is, inwonend is of te klein gehuisvest<br />

(als ongehuwde moet men minstens 25 jaar <strong>zij</strong>n om aan<br />

woonruimte geholpen te kunnen worden, voor gehuwden bestaat<br />

geen leeftijdsgrens), Of wanneer men een sociale of<br />

medische indicatie heeft, een dienst- of bedrijfswoning moet<br />

ontruimen, door verkoop van <strong>zij</strong>n zaak een woning verliest,<br />

of op last van de overheid <strong>zij</strong>n woning moet ontruimen (bij<br />

voorbeeld stadsvernieuwing).<br />

De woningen die eigendom <strong>zij</strong>n van de gemeente en die<br />

beheerd worden door een Gemeentelijk Woningbedrijf worden<br />

voor het grootste <strong>deel</strong> direct door de GDH verhuurd. De<br />

overige huurwoningen worden volgens een bepaalde ver<strong>deel</strong>sleutel<br />

aan urgenten toegewezen, een <strong>deel</strong> door de eigenaren<br />

zelf (zogenaamde keuzewoningen), bij de rest zorgt de GDH<br />

Voor huurders (zogenaamde woonruimtewoningen).<br />

Een huiseigenaar kan een door de GDH voorgestelde huurder<br />

weigeren; dit staat bij de dienst bekend als het zogenaamde<br />

bezwaar-eigenaar. De GDH beoor<strong>deel</strong>t of het bezwaar<br />

gegrond is. Een geldig bezwaar is bij voorbeeld wanneer<br />

het gezin te groot is voor de woning volgens een bepaalde<br />

norm. Indien de GDH vindt dat het bezwaar ongegrond<br />

is maar de eigenaar blijft toch weigeren, dan wordt<br />

een commissie van advies ingeschakeld om uitspraak te


--- ----------<br />

doen. Als de argumenten van de eigenaar ook dan niet steekhoudend<br />

worden bevonden, dan kan de woning ten behoeve<br />

van de kandidaat 'gevorderd' worden. Deze procedure neemt<br />

doorgaans veel tijd. Indien de kandidaat daar niet op kan<br />

wachten, en dat komt bij gastarbeiders en Surinamers vaak<br />

voor, dan zoekt men een andere woning voor hen.<br />

In Amsterdam komt elke ingeschreven urgente woningzoekende<br />

automatisch ooit aan de beurt. De termijn waarop<br />

dit gebeurt hangt af van de urgentie van de woningzoekende<br />

en de wachttijd die staat voor het gevraagde woningtype.<br />

Wachttijden varieerden in 1977 van 6 maanden voor een<br />

1 à 2-kamerwoning tot 48 maanden voor een 6-kamer-benedenwoning.<br />

Het wordt echter steeds moeilijker om iedereen<br />

binnen een redelijke termijn te helpen, omdat zogenaamde<br />

stadsvernieuwingsurgenten absolute voorrang genieten.<br />

De positie van de immigranten in het distributiesysteem<br />

Nu ik een algemeen overzicht heb gegeven van het systeem<br />

van woonruimteverdeling in Amsterdam, wil ik dieper ingaan<br />

op de plaats van de immigranten hierin. Voor een antwoord<br />

op de vraag wie er binnen deze regeling op hulp kan rekenen<br />

en waar men dan komt te wonen, onderscheid ik drie momenten<br />

van mogelijke discriminatie, (1) bij de inschrijvingsnormen,<br />

(2) bij de toewijzingsregels, (3) bij de beoordeling<br />

van de bezwaren-eigenaar.<br />

Ad 1 - InschrYvingsnormen. Deze normen <strong>zij</strong>n hierboven<br />

even ter sprake gekomen. De eis dat men twee jaar in het bevolkingsregister<br />

ingeschreven gestaan moet hebben, werkt in<br />

het na<strong>deel</strong> van de immigrant - extra nadelig is dit voor gastarbeiders<br />

die hier illegaal verblijven of verbleven - en in het<br />

voor<strong>deel</strong> van de autochtonen. Men moet hierbij bedenken dat<br />

immigranten in het algemeen in een veel slechtere huisvestingssituatie<br />

verkeren dan woningzoekende Holl<strong>anders</strong>,<br />

waardoor lange wachttijden voor hen zwaarder wegen. Men<br />

zou zich kunnen afvragen of zo'n tijdsdrempel niet afgeschaft<br />

kan worden. Dit heeft tevens het voor<strong>deel</strong> dat de reële vraag<br />

naar woningen zichtbaar wordt.<br />

Ad 2 - Toewyzingsregels. Bij de toewijzing van woningen<br />

68


- --- - --- - - - -- - ---<br />

aan urgent en <strong>zij</strong>n zogenaamde prioriteiten van belang. De<br />

hoogste prioriteit ligt bij urgenten, die binnen een bepaalde<br />

termijn geholpen moeten worden: termijn-urgenten. Dit <strong>zij</strong>n<br />

personen met een sociale of medische indicatie of een indicatie<br />

op grond van stadsvernieuwing. De laatsten hebben<br />

meestal de hoogste prioriteit. Eerst wanneer dezen geholpen<br />

<strong>zij</strong>n, maken andere urgenten die de normale wachttijd uitzitten<br />

een kans.<br />

In hoeverre gastarbeiders en Surinamers vertegenwoordigd<br />

<strong>zij</strong>n in de categorie van termijn-urgenten is niet bekend. Het<br />

is dan ook niet te beoordelen of <strong>zij</strong> een even grote kans hebben<br />

als Nederl<strong>anders</strong> om een termijn-indicatie te krijgen of<br />

dat ze in het algemeen de normale wachttijd af moeten wachten.<br />

Mijn voorlopige indruk van de werking van de gehanteerde<br />

prioriteiten is dat gastarbeiders en Surinaamse officieel<br />

noch bevoor<strong>deel</strong>d, noch bena<strong>deel</strong>d worden. Toch is de<br />

praktijk <strong>anders</strong>. 1<br />

Het aantal woonvergunningen dat aan als urgente gekwalificeerde<br />

buite<strong>nl</strong>andse werknemers wordt afgegeven blijft<br />

enigszins achter bij het procentuele aantal buite<strong>nl</strong>andse<br />

werknemers in het totale urgentenbestand. In 1975 behoorde<br />

8,4 % (2117) van alle urgenten tot de categorie der buite<strong>nl</strong>andse<br />

werknemers, terwijl in dat jaar 7,1 % (900) van de<br />

buite<strong>nl</strong>andse werknemers een woonvergunning kreeg. Dit<br />

verschil wordt groter naarmate de omvang der woningen<br />

toeneemt, zoals blijkt uit tabell.<br />

Hoewel absoluut gezien de meeste buite<strong>nl</strong>andse werknemers<br />

ingeschreven staan als gegadigden voor een 1 of 2-kamerwoning,<br />

zullen hieronder velen <strong>zij</strong>n die in de toekomst hun<br />

gezin willen laten overkomen en dan zullen ze een grotere<br />

woning nodig hebben. Zouden we ook over soortgelijke cijfers<br />

beschikken van Surinaamse Nederl<strong>anders</strong>, dan zou waar­<br />

Schij<strong>nl</strong>ijk blijken dat het overgrote <strong>deel</strong> van de grote woningen<br />

volgens de gehanteerde richtlijn ter beschikking moet<br />

komen van gastarbeiders en Surinamers. 2<br />

We stellen vast dat de Surinamers en buite<strong>nl</strong>andse werknemers<br />

een grote druk uitoefenen op één <strong>deel</strong> van de woningvoorraad:<br />

de grote woningen. Het is waarschij<strong>nl</strong>ijk zelfs<br />

zo dat beide categorieën tezamen, in absoluut aantal een


Tabel 1: Urgente buite<strong>nl</strong>andse werknemers en de aan hen in 1975<br />

afgegeven woonvergunningen naar grootte van de woning<br />

afgegeven woonaantal<br />

ingeschre- vergunningen<br />

boven- ven buite<strong>nl</strong>andse aan buite<strong>nl</strong>andse<br />

woning werknemers %(*) werknemers 0/0(00)<br />

1 à 2 kamers 781 7,7 219 8,9<br />

3 kamers 462 7,9 321 8,9<br />

4 kamers 518 19,9 246 11,4<br />

5 kamers of meer 307 39,9 62 20,0<br />

(0) van het totaal aantal urgenten in die categorie;<br />

(00) van het totaal aantal afgegeven woonvergunningen in die categorie.<br />

Bron: GDH, december 1976.<br />

grotere behoefte hebben aan 4 à 5-kamerwoningen dan autochtone<br />

Nederl<strong>anders</strong>. Niettemin zagen we hierboven dat<br />

het aantal woningen dat hen wordt aangeboden relatief afneemt<br />

bij het groter worden van de woningen. Hoe is dit te<br />

verklaren? Naar ik meen <strong>zij</strong>n hier 3 factoren van invloed.<br />

1. De behoefte aan grotere woningen voor buite<strong>nl</strong>andse<br />

werknemers groeit sneller dan die voor de Nederlandse urgenten.<br />

<strong>Omdat</strong> de wachttijden voor grote woningen lang <strong>zij</strong>n,<br />

weerspiegelt zich de toename van de vraag van gastarbeiders<br />

nog niet in het aantal aan hen afgegeven woonvergunningen<br />

(GDH 1976).<br />

2. Urgente woningzoekenden kunnen behalve via de GDH<br />

ook via woningcorporaties en particulieren een woning aangeboden<br />

krijgen in de zogenaamde keuze-sector of via doorschuiving<br />

naar een andere woning. Het is niet onwaarschij<strong>nl</strong>ijk<br />

dat dit bij buite<strong>nl</strong>andse werknemers veel minder voorkomt:<br />

<strong>zij</strong> kennen deze mogelijkheid niet of kunnen er geen<br />

gebruik van maken wegens het ontbreken van contacten met<br />

huizenbezitters of woningcorporaties. In het algemeen kan<br />

men zeggen dat ze geen gelijke kansen hebben, zolang ze een<br />

verloren concurrentie-positie innemen ten opzichte van Nederl<strong>anders</strong>.<br />

3. In buurten waar grote woningen (vaak geconcentreerd)<br />

70


den vrijwel altijd geaccepteerd, omdat ze overeenkomen met<br />

onderlinge beleidsafspraken; dit geldt ook voor sommige bezwaren<br />

van woningbouwverenigingen, deze worden eerder<br />

geaccepteerd dan bezwaren van particuliere eigenaren. Overigens<br />

geldt dit natuurlijk alleen voor woningen waar het gemeentelijk<br />

distributiesysteem greep op heeft: woningen met<br />

een huurwaarde tussen f 50 tot f 450 per maand. Huiseigenaren<br />

en ook woningcorporaties, zien soms kans zich aan<br />

deze overheidsinnenging te onttrekken door hun woningen<br />

via woningverbetering boven de huurgrens uit te halen. Dan<br />

hoeven ze tenminste niet aan 'zo'n zwarte' verhuurd te worden!<br />

Afgezien van deze laakbare praktijken is er door het grote<br />

woningbezit van woningcorporaties een soort weder<strong>zij</strong>dse<br />

afhankelijkheid ontstaan tussen hen en de GDH. Men komt<br />

gemakkelijker tot onderlinge afspraken dan met ongeorganiseerde<br />

particuliere eigenaren. Deze interne beleidsafspraken<br />

tussen de GDH ener<strong>zij</strong>ds en het Gemeentelijk Woningbedrijf<br />

en enkele woningcorporaties ander<strong>zij</strong>ds, hebben, zoals<br />

we hierna zullen zien, bepaald in het na<strong>deel</strong> gewerkt van<br />

gastarbeiders en Surinamers. Voordat ik hierop inga, wil ik<br />

eerst de bezwaren analyseren die uiteindelijk bij de afdeling<br />

Maatschappelijk Werk terechtkomen.<br />

Het is opmerkelijk dat van alle behandelde 'bezwareneigenaar'<br />

in de periode 1975-1977 (204) gemiddeld ruim<br />

25 % tegen Surinamers gericht is, een kleine 25 % tegen buite<strong>nl</strong>andse<br />

werknemers en 40 % tegen autochtone Nederl<strong>anders</strong><br />

(van 10 % was de nationaliteit onbekend). Helaas kan<br />

ik deze procentuele verdeling niet vergelijken met het aan<strong>deel</strong><br />

van de aanbiedingen aan elk van de drie categorieën,<br />

omdat daarover geen gegevens bestaan. Vergelijk ik echter<br />

met het aantal buite<strong>nl</strong>andse werknemers in het urgentenbestaand<br />

dat ongeveer 8 % bedraagt, dan <strong>zij</strong>n de bezwaren<br />

tegen deze groep sterk oververtegenwoordigd. Ik heb de indruk<br />

dat dit voor Surinamers nog meer geldt. maar daarover<br />

heb ik geen gegevens.<br />

Dit duidt erop dat huiseigenaren sneller bezwaar maken<br />

tegen een gastarbeider of Surinamer. Deze indruk wordt nog<br />

versterkt wanneer we de aard van de bezwaren bezien. De<br />

72


-- - --- - - --- - -- -<br />

gemaakte bezwaren worden door een ambtenaar van de afdeling<br />

Maatschappelijk Werk beoor<strong>deel</strong>d op grond van een<br />

gesprek met de toekomstige huurder en de eigenaar. In 80 %<br />

van de gevallen blijken gastarbeiders volgens het oor<strong>deel</strong> van<br />

deze ambtenaar onterecht te worden geweigerd en Surinamers<br />

in 75 % van de gevallen! Weliswaar is dit percentage<br />

voor Nederl<strong>anders</strong> ook aanzie<strong>nl</strong>ijk (63 %), maar voor gastarbeiders<br />

en Surinamers ligt dit toch beduidend hoger.<br />

De argumenten die huiseigenaren naar voren brengen <strong>zij</strong>n<br />

stereotiep van karakter: bij gastarbeiders en Surinamers<br />

noemt men motieven die in feite tegen de gehele groep gericht<br />

<strong>zij</strong>n, zoals de slechte bewoning van het pand, de angst<br />

voor uitwoning en in sommige gevallen eenvoudigweg het<br />

feit dat de huurder buite<strong>nl</strong>ander is of gekleurd. De bezwaren<br />

tegen Nederl<strong>anders</strong> <strong>zij</strong>n in meer dan de helft van het aantal<br />

gevallen zeer verschillend en meer tegen de individuele persoon<br />

gericht.<br />

Aldus zien we dat zowel particulieren als het Gemeentelijk<br />

Woningbedrijf en ook woningcorporaties gebruik maken van<br />

het recht om bezwaren te uiten tegen toekomstige huurders.<br />

Bij particuliere eigenaren worden immigranten procentueel<br />

vaker geweigerd dan Nederl<strong>anders</strong>e huurders en bovendien<br />

vaker op onacceptabele gronden. Bij woningcorporaties en<br />

het Woningbedrijf worden bezwaren veelal geconcretiseerd<br />

in onderlinge afspraken met de GDH om de toewijzing aan<br />

Surinamers en gastarbeiders te beperken.<br />

Gesloten buurten in Amsterdam<br />

Eén van deze afspraken houdt in dat gastarbeiders en Surinamers<br />

in enkele buurten van Amsterdam geen enkele leeg<br />

komende woning aangeboden krijgen. Dit 'sluiten' van buurten<br />

is nooit een officieel en door de gemeenteraad vastgesteld<br />

beleid geweest; men beschouwt het als niet meer dan<br />

een soort praktische werkafspraak, één van de vele. De aa<strong>nl</strong>eiding<br />

tot deze maatregel was het toenemend aantal bezwaren,<br />

met name van enkele woningcorporaties en van het Gemeentelijk<br />

Woningbedrijf, tegen het steeds grotere aantal<br />

gastarbeiders en Surinamers in hun woningbezit. Deze be-<br />

73


zwaren <strong>zij</strong>n gebaseerd op klachten van omwonenden en het<br />

betreft steeds buurten met een concentratie van grote en<br />

goedkope woningen. Dit <strong>zij</strong>n nu juist buurten, die gezien de<br />

huurhoogte en grootte der woningen vooral voor gastarbeiders<br />

en Surinamers geschikt zouden <strong>zij</strong>n.<br />

De gemaakte afspraak hield in dat (a) in het algemeen niet<br />

meer dan één buite<strong>nl</strong>ands gezin in een portiek van acht gezinnen<br />

geplaatst wordt en dat (b) enkele buurten waar de<br />

klachten hoog oplopen of waar de norm van 1 op 8 al bereikt<br />

is, helemaal gesloten worden voor gastarbeiders en<br />

Surinamers. Men gaat ervan uit dat met dit ingrijpen oplopende<br />

spanningen in een portiek en in een buurt vermeden<br />

kunnen worden; integratie kan bevorderd worden door al te<br />

grote concentraties van buite<strong>nl</strong><strong>anders</strong> tegen te gaan en door<br />

hen te spreiden over de stad. Het is opmerkelijk dat noch de<br />

aard, noch de precieze oorzaak van de spanningen waarop<br />

men zich beroept ooit onderzocht <strong>zij</strong>n. De norm van 1 op 8 is<br />

gebaseerd op de allerminst bewezen ervaring van corporatiebestuurders<br />

dat bij meer dan één buite<strong>nl</strong>ands gezin in een<br />

bepaald portiek, blanke buren naar elders verhuizen.<br />

De buurten die gesloten <strong>zij</strong>n voor buite<strong>nl</strong><strong>anders</strong>, het gaat<br />

om 7 à 8 buurten, liggen bijna allemaal aan de rand van de<br />

negentiende-eeuwse gordel.<br />

We zagen al dat de hoogste concentraties van etnische minderheden<br />

voorkomen in de negentiende-eeuwse gordel. De<br />

gesloten buurten <strong>zij</strong>n dus zeker niet de buurten met de hoogste<br />

concentraties.<br />

Het is opvallend dat negentiende-eeuwse buurten met hogere<br />

aantallen buite<strong>nl</strong><strong>anders</strong> open blijven. De aanwezigheid<br />

van veel buite<strong>nl</strong><strong>anders</strong> is dus niet de enige factor die het sluiten<br />

bepaald heeft. Een andere belangrijke factor is de aard<br />

en verscheidenheid van huiseigenaren. Een aantal negentiende-eeuwse<br />

buurten <strong>zij</strong>n niet gesloten, onder andere omdat de<br />

woningen eigendom <strong>zij</strong>n van vele verschillende particuliere<br />

bezitters. Alleen daar waar veel woningen in één hand <strong>zij</strong>n, is<br />

het mogelijk om (a) de klachten van de bewoners te bundelen<br />

en (b) met de GDH op basis van gelijkwaardigheid te<br />

overleggen. Het samenbrengen van klachten van omwonenden<br />

is veel moeilijker wanneer een straat in handen is van al-<br />

74


Figuur 2: De ligging van de gesloten buurten in Amsterdam<br />

lerlei verschillende eigenaren.<br />

Eén van de gevolgen van de maatregel om buurten te sluiten<br />

is dat buurten binnen de negentiende-eeuwse gordel daardoor<br />

nóg hogere concentraties buite<strong>nl</strong><strong>anders</strong> krijgen. In<br />

plaats van de beoogde spreiding is concentratie het resultaat!<br />

Een andere uitwijkmogelijkheid bestaat immers niet<br />

voor immigranten; in het voorafgaande is al gebleken dat<br />

buurten zoals de Westelijke Tuinsteden, de Watergraafsmeer<br />

e.d. in feite ook reeds gesloten <strong>zij</strong>n.<br />

Een belangrijker bezwaar tegen beleidsafspraken die in<br />

feite neerkomen op het sluiten van buurten of straten is het<br />

discriminerende karakter ervan. Men gaat ervan uit dat immigranten<br />

onbehagen en spanningen in de betrokken buurten<br />

veroorzaken en daarmee neemt men argeloos opinies van<br />

blanke buurtbewoners over, die inderdaad nogal eens gepeperd<br />

<strong>zij</strong>n. Graag zou ik hebben beschikt over cijfermatige<br />

gegevens over het sociaal-economisch niveau van de verschillende<br />

buurtcombinaties en met name het verloop daarvan in<br />

de tijd. Het is mijn indruk dat het hier steeds om buurten<br />

75


gaat, welke zich sociaal in dalende lijn bewegen, wat zichtbaar<br />

wordt in achterstallig onderhoud en het wegtrekken van<br />

de meer welgestelden naar de buitenwijken. Het binnentrekken<br />

van (gekleurde) immigranten is in zulke gevallen een<br />

symptoom en geen oorzaak van de achteruitgang van de<br />

buurt. Trouwens een aanwijzing hiervoor vormt het gegeven<br />

dat gesloten buurten niet de buurten met de hoogste percentages<br />

immigranten <strong>zij</strong>n. De problematiek van de gesloten<br />

buurten komt neer op het verzet van sociaal-economisch wat<br />

gunstiger buurten tegen het binnenkomen van immigranten.<br />

Het effect van een dergelijke maatregel is duidelijk: de<br />

wachttijd voor immigranten die nu wonen in brandgevaarlijke<br />

pensions of in overvolle huizen, neemt toe en, naar men<br />

mag aannemen, hun frustratie evenzeer. Door deze maatregel<br />

bereikt het woningdistributiesysteem precies het tegen<strong>deel</strong><br />

van wat men wil bereiken. Bewonerscategorieën die tot<br />

de laagste maatschappelijke strata behoren, krijgen juist<br />

geen gelijkwaardige kans op goede huisvesting. Zou het omgekeerde<br />

niet veel meer voor de hand liggen, namelijk dat<br />

deze dienst tot functie krijgt het openbreken van tot nu toe<br />

gesloten buurten, om alzo gastarbeiders en Surinamers een<br />

evenwaardige kans te verschaffen op de woningmarkt?<br />

Conclusie<br />

Immigranten wonen in Amsterdam, evenals in steden met<br />

een volkomen vrije woningmarkt, in de onaantrekkelijkste<br />

delen van de stad. De drie factoren die hun positie op de<br />

woningmarkt bepalen (vraag, aanbod en distributieregels)<br />

werken alle in dezelfde, voor immigranten nadelige richting.<br />

Een doorbraak hiervan is noodzakelijk als men tenminste een<br />

etnische problematiek op grotere schaal in de toekomst wil<br />

voorkomen. De kans is immers groot dat ook de volgende<br />

generatie in de slechtste buurten blijft wonen, dat hun kindere<br />

allen naar minder goede scholen gaan en aldus geen<br />

kans krijgen om aan de achterstand te ontsnappen.<br />

In plaats van een restrictief beleid zou een stimulerend beleid<br />

van de GDH een belangrijk middel kunnen <strong>zij</strong>n om dit te<br />

doorbreken. Tot nu toe werken zowel de inschrijvingsregels


als de toewijzingsregels (onbedoeld) in het na<strong>deel</strong> van gastarbeiders<br />

en Surinamers. Ook blijken de bezwaren van particuliere<br />

huiseigenaren onevenredig vaak tegen hen gericht te<br />

<strong>zij</strong>n en voor 75 à 80 % onterecht.<br />

Ten slotte werken enkele woningbouwverenigingen en de<br />

gemeente met discriminerende afspraken, zoals de norm van<br />

maximaal één buite<strong>nl</strong>ander op acht blanken en het sluiten<br />

van enkele buurten voor gastarbeiders en Surinamers. Bij de<br />

beantwoording van de vragen hierover in de gemeenteraad<br />

heeft de verantwoordelijke wethouder toegegeven dat sommige<br />

buurten gesloten <strong>zij</strong>n. In een kranteninterview zegt hij<br />

letterlijk 'Van die afspraak moeten we af, het is een vorm van<br />

discriminatie' (Het Parool 5 januari 1978). Ik hoop dat de<br />

achterstand, die nu in feite bestaat voor gastarbeiders en<br />

Surinamers, rigoreus doorbroken zal worden. Hiervoor is<br />

allereerst een afschaffing van de gesloten buurten nodig.<br />

Noten<br />

1. Surinaamse Nederl<strong>anders</strong> <strong>zij</strong>n niet, zoals buite<strong>nl</strong>andse werknemers,<br />

op grond van hun nationaliteit uit het urgentenbestand<br />

te halen.<br />

2. Volgens een schatting van de GDH is er ten behoeve van 'ex­<br />

Rijksgenoten' behoefte aan: 450 4- kamerwoningen, 295 5-kamerwoningen,<br />

120 6-kamerwoningen en 40 woningen met 7 of meer<br />

kamers (1977).<br />

77


4<br />

Discriminatie bij het verhuren van kamers aan<br />

gastarbeiders<br />

Willeke Bolle<br />

Henk van Dijk<br />

Dieke Hetebrij<br />

'Veel succes verder bij het zoeken!', roept ze hem na. Een<br />

Marokkaan heeft zojuist aangebeld bij een huis in Arnhem,<br />

waar een kamer te huur wordt aangeboden. 'Is de kamer nog<br />

vrij?', heeft hij in goed Nederlands gevraagd. Een vriendelijke<br />

dame heeft hem aangekeken en gezegd: 'Het spijt mij erg,<br />

maar hij is vanmiddag net verhuurd. Als u nu iets eerder gekomen<br />

was . . .'. Een kwartiertje later komt één der auteurs<br />

van dit hoofdstuk bij hetzelfde adres. 'Ik kom voor de kamer,<br />

ik heb uw adres van de WV-lijst.' Dezelfde dame van zo net<br />

antwoordt: 'Ja, die is er nog. Komt u maar even binnen, dán<br />

zal ik hem laten zien'. Dan blijkt echter dat de sollicitant<br />

eige<strong>nl</strong>ijk geen belangstelling heeft. 'Mevrouw, mag ik u wat<br />

vragen? Ik ben een vriend van de Marokkaan die een kwartier<br />

geleden aan de deur was, en tegen hem heeft u gezegd<br />

dat de kamer al verhuurd was. Het is heel moeilijk voor hem<br />

om een kamer te vinden. Waarom hebt u hem niet genomen?'<br />

Er ontstaat een uiterst ongemakkelijke sfeer, maar ze<br />

geeft wel antwoord: 'Weet u, wanneer ik aan gastarbeiders<br />

verhuur moet ik een hogere brandverzekering betalen'.<br />

De probleemstelling van het onderzoek waar deze gebeurtenis<br />

<strong>deel</strong> van uitmaakt is dezelfde als de meeste in dit boek:<br />

in hoeverre vindt discriminatie plaats? In dit geval tegen<br />

gastarbeiders en op de particuliere woningmarkt. En welke<br />

<strong>zij</strong>n de argumenten die de verhuurders naar voren brengen<br />

bij weigering? Het onderzoek vindt plaats in de maanden<br />

april, mei en september 1977 in de volgende plaatsen in<br />

Nederland: Arnhem, Apeldoorn, Zwolle, Ve<strong>nl</strong>o en Maastricht.<br />

De methode is dezelfde als die welke gebruikt is bij het onderzoek<br />

naar discriminatie op de arbeidsmarkt in Amsterdam:<br />

het sociologisch veld experiment. Zie ook soortgelijke


Amerikaanse experimenten naar discriminatie bij het verhuren<br />

van woonruimte (Johnson 1975). De onderzochten <strong>zij</strong>n<br />

zelf niet op de hoogte van het feit dat <strong>zij</strong> voorwerp van onderzoek<br />

vormen en reageren op 'natuurlijke' wijze. De testpersonen<br />

<strong>zij</strong>n een Marokkaan, een Tunesiër of een Turk én een<br />

Nederlandse controlepersoon. Zij <strong>zij</strong>n in alle relevante opzichten,<br />

zoals naar uiterlijke kenmerken als haarlengte en<br />

kleding, niet van elkaar verschillend, alleen hun raciale en<br />

culturele achtergrond is ongelijk. Beide testpersonen <strong>zij</strong>n<br />

vooraan in de twintig, de gastarbeider is authentiek, de Nederlandse<br />

controlepersoon is een student, die zich vermomt<br />

als handarbeider en desgevraagd opgeeft in loondienst te<br />

<strong>zij</strong>n. De gastarbeider bezoekt altijd als eerste het adres. Wanneer<br />

de gastarbeider de kamer wordt aangeboden, wijst hij<br />

hem toch maar af, zodat deze beschikbaar blijft voor de Nederlander,<br />

die vijftien minuten later komt vragen. Als de verhuurder<br />

een gastarbeider weigert, terwijl deze een Nederlander<br />

wél aanneemt, of indien hij de gastarbeider minder<br />

gunstige voorwaarden stelt - hogere huur (vergelijk het Engelse<br />

'colour tax'), geen gebruik van keuken en douche, hoger<br />

sleutelgeld - noemen wij dit discriminatie. We gaan er<br />

vanuit dat ras of culturele achtergrond voor het verhuren van<br />

kamers geen relevante kenmerken <strong>zij</strong>n. Denken kamerverhuurders<br />

daar ook zo over? In totaal worden 53 tests gedaan.<br />

Naast het onderzoek met gastarbeiders hebben we het experiment<br />

enkele malen gedaan met echtparen, waarvan de<br />

man een buite<strong>nl</strong>andse werknemer is en de vrouw een autochtone<br />

Nederlandse. Dergelijke 'etnisch gemengde echtparen'<br />

kunnen heel wat problemen ondervinden, niet alleen in hun<br />

onderlinge relatie, maar ook vanwege hun weder<strong>zij</strong>dse familie<br />

en door discriminatie in hun woon- en werkomgeving.<br />

In de film Angst essen die Seele auf (Alle Turken heten Ali)<br />

van Jürgen Fassbinder, trouwt een eenzame Turk met een al<br />

Wat oudere Duitse vrouwen hun geschiedenis blijkt een lijdensweg<br />

van discriminatie en afwijzing te worden. Het huwelijk<br />

wordt door niemand geaccepteerd: niet door winkeliers<br />

in de buurt, niet door collega's op het werk, niet door de buren,<br />

maar ook niet door de kina eren van de Duitse vrouw.<br />

Een onderzoek naar deze problematiek heeft in Nederland<br />

79


nog niet plaatsgevonden en in de literatuur wordt er slechts<br />

incidenteel aandacht aan besteed (zie nochtans Bovenkerk­<br />

Teerink en Eppink 1978).<br />

De experimenten worden op dezelfde wijze uitgevoerd als<br />

die met één persoon: het bezoek van het 'gemengde' echtpaar<br />

wordt altijd gevolgd door een optreden van een Nederlands<br />

controlepaar. De echtparen <strong>zij</strong>n overigens fictief en<br />

worden ter plaatse gevormd door een gastarbeider en één van<br />

de vrouwelijke studenten, respectievelijk door twee studenten.<br />

De vraag waar het bij dit <strong>deel</strong> van het onderzoek om gaat<br />

is: in hoeverre veroorzaakt het feit dat de man een gastarbeider<br />

is ook discriminatie tegenover <strong>zij</strong>n Nederlandse vrouw?<br />

Het is denkbaar dat het huwelijk met een Nederlandse vrouw<br />

de discriminatie ten aanzien van een gastarbeider vermindert,<br />

een verzachtende werking heeft. l Nadat we onderzocht<br />

hebben of discriminatie van gastarbeiders en gemengde echtparen<br />

op de particuliere woningmarkt al dan niet voorkomt,<br />

hebben we onderzocht welke argumenten verhuurders die<br />

discrimineerden daartoe opgeven.<br />

De technische uitvoering en problemen daarbij<br />

Voor de uitvoering van het onderzoek is het noodzakelijk te<br />

beschikken over een groot aantal adressen van te huur aangeboden<br />

kamers of etages. We hebben op verschillende manieren<br />

geprobeerd aan dergelijke aanbiedingen te komen.<br />

<strong>Omdat</strong> het in onze bedoeling ligt de experimenten dicht bij<br />

huis, in Utrecht, te doen, is de eerste mogelijkheid het herhaaldelijk<br />

plaatsen van advertenties in de rubriek 'te huur<br />

gevraagd' in Utrechtse dagbladen. Potentiële verhuurders<br />

kunnen schriftelijk of per telefoon antwoorden. In totaal<br />

hebben we 16 advertenties geplaatst met de volgende inhoud:<br />

'Echtpaar zoekt op korte termijn woonruimte in<br />

Utrecht of omgeving' of 'Dringend woonruimte gezocht door<br />

jong echtpaar in Utrecht of omgeving'. Deze advertenties leveren<br />

echter geen enkele reactie op. Dit doet ons besluiten<br />

contact op te nemen met plaatselijke kamerverhuurbureaus.<br />

Verscheidene bureaus blijken telefonisch niet bereikbaar.<br />

Slechts één ervan is dit wel, maar dit bureau beschikt op dit<br />

80


omdat men minder aanbod van huurders heeft. Als er dan<br />

toch wordt gediscrimineerd, is dit des te opvallender.<br />

Het inschakelen van een gastarbeider voor het onderzoek<br />

levert in het algemeen weinig moeilijkheden op. De eerste<br />

medewerker Habib is een Tunesiër. Hij verblijft al enkele<br />

jaren in ons land en spreekt goed Nederlands. Aanvankelijk<br />

doet hij met enthousiasme mee aan het onderzoek, maar na<br />

vier avonden van adressen aflopen in Arnhem laat hij weten<br />

niet langer mee te willen werken. Dit merken we, als hij het<br />

maken van nieuwe afspraken ontwijkt of door op vastgestelde<br />

tijden niet op de afgesproken adressen aanwezig te <strong>zij</strong>n.<br />

Later geeft hij ope<strong>nl</strong>ijk toe er geen zin meer in te hebben. De<br />

reden hiervan hebben we hem niet rechtstreeks gevraagd,<br />

maar we hebben sterk de indruk dat het voor hem moeilijk te<br />

aanvaarden is tijdens het onderzoek telkens geweigerd te<br />

worden door verhuurders, terwijl hij steeds ziet dat na hem<br />

de Nederlander wél wordt geaccepteerd. Hij heeft waarschij<strong>nl</strong>ijk<br />

niet op dergelijke reacties gerekend (hoewel we<br />

hem er tevoren wel voor gewaarschuwd hebben), vooral ook<br />

omdat hij zelf een grote Nederlandse vriendenkring heeft,<br />

waarin hij volledig aanvaard zegt te worden en hij van <strong>zij</strong>n<br />

onmiddellijke omgeving weinig discriminatie (meer) ondervindt.<br />

Zijn belangstelling voor het onderzoek vermindert echter<br />

niet. Hij informeert telkens als we hem tegenkomen naar de<br />

gang van zaken en helpt ons bovendien aan een andere gastarbeider:<br />

Zodij. Zodij is afkomstig uit Marokko en ondanks<br />

het feit dat hij al verschillende jaren in Nederland woont, is<br />

<strong>zij</strong>n Nederlands niet al te best. Aanvankelijk begrijpt hij weinig<br />

van wat wij hem over het onderzoek vertellen. Zo vraagt<br />

hij bij voorbeeld, nadat we al enkele adressen met hem hebben<br />

afgewerkt: 'Wie zoekt er nu eige<strong>nl</strong>ijk een kamer?' Bovendien<br />

durft hij niet alléén op een kamer af te gaan en te vragen<br />

of deze te huur is, er moet steeds iemand met hem mee ook<br />

al betreft het een kamer voor één persoon. Kortom, hij is<br />

weinig geschikt als testpersoon. We hebben daarom ook niet<br />

meer dan vijf tests met hem gedaan.<br />

Via Habib krijgen we contact met een andere Marokkaan:<br />

Mohammed. Met hem <strong>zij</strong>n we drie volle dagen op pad ge-


Resultaten<br />

In de onderstaande tabel worden de resultaten gepresenteerd<br />

die we hebben verkregen uit het onderzoek naar het<br />

zoeken van kamers door één persoon. Eerst worden de adressen<br />

bezocht door een buite<strong>nl</strong>andse werknemer en even later<br />

door een Nederlander.<br />

In de kolom discriminatie staan die gevallen waarin de<br />

gastarbeider te horen krijgt dat de kamer al verhuurd is, terwijl<br />

later blijkt dat hij nog wel degelijk te huur is. In de volgende<br />

kolom staan al die gevallen waarin zowel de gastarbeider<br />

als de Nederlander de kamer wordt aangeboden. In geen<br />

enkel geval worden andere voorwaarden gesteld. Bovendien<br />

komt het nooit voor dat de gastarbeider wél en de Nederlander<br />

geen kamer wordt aangeboden. In de laatste kolom<br />

staan de gevallen waarin beide personen te horen krijgen dat<br />

de kamer al verhuurd is. Hier hebben we dus geen discriminatie<br />

vast kunnen stellen.<br />

Tabel 1: Discriminatie tegen alleenstaande gastarbeiders<br />

steden<br />

Arnhem<br />

Apeldoorn<br />

Zwolle<br />

Maastricht<br />

Ve<strong>nl</strong>o<br />

totaal aantal<br />

aantal discriminatie: beiden beiden niet<br />

adressen gastarbeider geaccepteerd geaccepteerd<br />

bena<strong>deel</strong>d<br />

15 7 3 5<br />

8 2 4 2<br />

7 3 3 1<br />

11 3 0 8<br />

12 6 1 5<br />

53 21 11 21<br />

In hoeverre berust het verschil in ervaring van de gastarbeider<br />

en de Nederlander op toeval? Om dit na te gaan presenteren<br />

we de cijfers opnieuw, nu in een kruistabel, met de variabelen<br />

'etnische groep' en 'acceptatie of afwijzing'.


Tabel 2<br />

--- -- -- -- -<br />

reactie etnische groep Nederlander gastarbeider totaal<br />

geaccepteerd 32 11 43<br />

afgewezen 21<br />

42 63<br />

totaal 53<br />

(alfa = 0,01; Xl = 25,9)<br />

53<br />

106<br />

Dit verschil kan niet worden geweten aan toeval. We moeten<br />

concluderen dat gastarbeiders gediscrimineerd worden bij<br />

het zoeken naar een kamer of etage.<br />

Op dezelfde wijze kunnen we ook de gegevens voor echtparen<br />

verwerken.<br />

Tab el 3: Discriminatie van 'gemengd gehuwde' echtparen<br />

steden aantal discriminatie: beide beide niet<br />

adressen gemengd paar geaccepteerd geaccepteerd<br />

bena<strong>deel</strong>d<br />

Arnhem 10<br />

Zwolle 3<br />

Maastricht 2<br />

totaal aantal 15<br />

4<br />

1<br />

1<br />

6<br />

In de kolom 'discriminatie' staan die gevallen vermeld, waarin<br />

het gemengde echtpaar te horen krijgt dat de kamer al verhuurd<br />

is, terwijl het Nederlandse paar de kamer nog wel kan<br />

krijgen. In de volgende kolom staan de gevallen waarin beide<br />

echtparen de kamer kunnen huren. In de laatste kolom staan<br />

de gevallen waarin zowel het Nederlandse als het raciaal gemengde<br />

paar wordt verteld dat de kamer al verhuurd is. Discriminatie<br />

is in deze laatste gevallen dus opnieuw niet vast<br />

te stellen. Om tic! bepalen in hoeverre de bejegening significant<br />

verschilt hebben we ook hiervoor een kruistabel opgesteld,<br />

waarbij gewerkt is met de variabelen 'etnische groep<br />

van de man' en 'acceptatie of afwijzing'.<br />

85<br />

4<br />

1<br />

o<br />

5<br />

2<br />

1<br />

1<br />

4


Tabel 4<br />

etniciteit man echtpaar bestaande echtpaar bestaande totaal<br />

uit Nederlandse<br />

vrouw + Neder­<br />

uit Nederlandse<br />

vrouw +<br />

landseman gastarbeider<br />

reactie<br />

geaccepteerd<br />

afgewezen<br />

totaal<br />

(alfa = 0,05; X2 = 4,8)<br />

11<br />

4<br />

15<br />

5<br />

10<br />

15<br />

16<br />

14<br />

Ook al is het aantal testsituaties in dit geval klein, we kunnen<br />

er toch wel van zeggen dat ook hier een tendens tot discriminatie<br />

aanwezig is.<br />

Argumenten voor discriminatie<br />

Nadat we ondubbelzinnig hebben vastgesteld dat gastarbeiders<br />

en etnisch gemengde echtparen op de woningmarkt gediscrimineerd<br />

worden ten opzichte van Nederl<strong>anders</strong> respectievelijk<br />

volledig Nederlandse echtparen, hebben we geprobeerd<br />

te achterhalen waarom kamerverhuurders dit doen. In<br />

een aantal gevallen hebben we de betrokkenen geïnterviewd,<br />

doorgaans enige weken na het experiment. Bij andere adressen<br />

wordt meteen door de Nederlandse controlepersoon,<br />

ope<strong>nl</strong>ijk of langs een omweg, naar de redenen voor het weigeren<br />

van de gastarbeiders geïnformeerd. In het eerste geval<br />

introduceert de controlepersoon zich als een vriend van de<br />

zojuist afgewezen gastarbeider. Er wordt gevraagd naar de<br />

werkelijke reden voor deze afwijzing omdat intussen, door<br />

het optreden van de controlepersoon, is gebleken dat de kamer<br />

wel degelijk nog te huur wordt aangeboden. In het andere<br />

geval wordt geprobeerd de verhuurder uitspraken over<br />

<strong>zij</strong>n beweegredenen te ontlokken door een gesprek te beginnen<br />

met vragen als 'Was het druk vandaag?' of 'Zijn er veel<br />

mensen aan de deur geweest?'<br />

Welnu, verhuurders van kamers noemen voor hun weigering<br />

aan gastarbeiders te verhuren de volgende redenen 2 :<br />

86<br />

30


definitie niet van discriminatie. Wat te zeggen van de verschillende<br />

opgegeven argumenten?<br />

1. Verwijzing naar een huiseigenaar als de ware 'schuldige'<br />

verlegt uitsluitend de schuldlast en al is de afwijzing indirect<br />

tot stand gekomen, botweg weigeren in opdracht van anderen<br />

is evenzeer discriminatie.<br />

2. Om na te gaan hoe het nu precies met die hoge brandverzekering<br />

zit nemen we telefonisch contact op met zes assurantiemaatschappijen<br />

in Utrecht, waarbij we ons voordoen<br />

als toekomstige verhuurders. Vijf maatschappijen zeggen<br />

geen onderscheid te maken bij het bepalen van de brandverzekeringspremie<br />

tussen het verhuren aan gastarbeiders en<br />

Nederl<strong>anders</strong>. Er wordt alleen gekeken naar risicofactoren;<br />

koken op de kamer bij voorbeeld verhoogt het brandrisico,<br />

zodat een hogere premie moet worden betaald. Eén maatschappij<br />

weigert zonder meer een verzekering af te sluiten<br />

voor woonruimte die aan gastarbeiders wordt verhuurd: 'Wij<br />

willen niet discrimineren, maar die mensen hebben nu eenmaal<br />

andere gewoontes. Ze trekken de hele familie aan en<br />

gaan met z'n twintigen bij elkaar zitten. Zo'n risico is voor<br />

ons te hoog'. In dit laatste geval discrimineert de verhuurder<br />

inderdaad niet, maar de verzekeringsmaatschappij doet dat<br />

zonder meer wel door mensen niet individueel, maar als<br />

groep af te wijzen.<br />

3. Het is inderdaad mogelijk dat sommige gastarbeiders<br />

lui <strong>zij</strong>n of een andere mentaliteit bezitten. We kunnen echter<br />

spreken van discriminatie van de kant van de verhuurder,<br />

wanneer hij er zonder meer van uitgaat dat een gastarbeider<br />

als exemplaar van een soort onaangepast of lui is enz., kortom<br />

indien men uitgaat van een stereotype beeld zonder rekening<br />

te houden met de individualiteit van iedere gastarbeider.<br />

En hierin ligt nu juist het discriminerend element. Terwijl<br />

Nederl<strong>anders</strong> worden beschouwd als afzonderlijke individuen,<br />

ziet men gastarbeiders in de eerste plaats als leden<br />

van een groep. Men gaat er a priori van uit dat 'al die lui immers<br />

toch hetzelfde <strong>zij</strong>n'.<br />

88


Tot slot<br />

We hebben met ons onderzoek duidelijk vast kunnen stellen<br />

dat gastarbeiders gediscrimineerd worden bij het zoeken van<br />

een kamer of etage. Een tendens tot discriminatie is ook aanwezig<br />

bij gemengde echtparen, maar het geringe aantal testsituaties<br />

laat geen volledig uitsluitsel toe. Bovendien kunnen<br />

we een groot aantal redelijk klinkende argumenten voor weigering<br />

ontmaskeren als rationalisaties.<br />

Dit experiment is een uitstekende aanzet tot verder onderzoek<br />

in deze richting, waarbij te denken valt aan het meten<br />

van discriminatie bij makelaars, kamerverhuurbureaus en andere<br />

bemiddelende instanties. De gebruikte methode van het<br />

veld experiment blijkt duidelijk voordelen boven andere onderzoeksmethoden<br />

te hebben. Mensen worden als het ware<br />

op heterdaad betrapt. We hebben zelf ervaren dat verhuurders<br />

op de allervriendelijkste manier een gemengd echtpaar<br />

weigeren met het argument dat de kamer al verhuurd is. Zij<br />

doen dit zo overtuigend, dat wij er vrijwel zeker van <strong>zij</strong>n dat<br />

dit ook inderdaad zo is, terwijl tien minuten later het controlepaar<br />

op een even vriendelijke wijze wordt geaccepteerd.<br />

Datgene wat mensen zeggen kan (bewust of onbewust) erg<br />

misleidend <strong>zij</strong>n! Men zou bezwaar kunnen maken tegen het<br />

betrekken van mensen in een onderzoek zonder dat <strong>zij</strong> hiervan<br />

op de hoogte <strong>zij</strong>n en dus niet kunnen kiezen of <strong>zij</strong> wel of<br />

niet willen meewerken. Wij zien er geen bezwaar in discriminatie<br />

op een dergelijke manier te meten. De verhuurders worden<br />

niet bena<strong>deel</strong>d door het onderzoek; hun anonimiteit<br />

blijft gehandhaafd. De uiteindelijke slachtoffers <strong>zij</strong>n natuurlijk<br />

de gastarbeiders en niet de mensen die discrimineren.<br />

Noten<br />

1. Hadden we op de laatste vraag een definitief antwoord willen<br />

vinden, dan hadden we echter niet met twee, maar met drie<br />

paren moeten werken, namelijk ook met een volledig buite<strong>nl</strong>ands<br />

paar. De helft van de adressen zou dan bezocht moeten worden<br />

door het gemengde echtpaar, de andere heUt door het volledig<br />

buite<strong>nl</strong>andse paar. In beide gevallen zou het Nederlandse echtpaar<br />

ter controle fungeren. Door paarsgewijze vergelijking van de re-


sultaten hadden we dan vast kunnen stellen of er inderdaad sprake<br />

is van vermindering van discriminatie door het gebuwd <strong>zij</strong>n met<br />

een Nederlandse vrouw. Dit bleek voor ons praktisch niet doe<strong>nl</strong>ijk,<br />

omdat het aanbod van woonruimte voor echtparen bijzonder<br />

gering bleek te <strong>zij</strong>n. Het totaal aantal tests hebben wij moeten<br />

beperken tot 15.<br />

2. We hebben helaas niet alle adressen waar discriminatie is<br />

geconstateerd kunnen onderzoeken. een aantal verhuurders is niet<br />

thuis als we later terugkomen.<br />

90


5<br />

Naast wie zal ik nu eens gaan zitten?<br />

Over de plaatskeuze van blanke buspassagiers en<br />

kleurlingen<br />

Maja C. Daams<br />

De Surinaamse cineast Frank Zichem heeft eens in een interview<br />

te kennen gegeven: 'je merkt het haast overal, in het<br />

bijzonder in de tram of bus. Het is moeilijk voor een blanke<br />

om naast je te komen zitten- en de plaats naast je blijft leeg'<br />

(Michon, 1973, blz. 94). De geïnterviewde staat met deze<br />

mening niet alleen. Men kan wel vaker bij Surinamers en ook<br />

bij leden van andere gekleurde minderheidsgroepen. beluisteren<br />

dat <strong>zij</strong> zulk vermijden van contact door blanke Holl<strong>anders</strong><br />

als krenkend ervaren.<br />

Maar is het werkelijk waar? Gaan blanke Holl<strong>anders</strong> echt<br />

niet naast gekleurde mensen zitten? Of <strong>zij</strong>n zulke uitlatingen<br />

niet meer dan een teken van overgevoeligheid op dit punt?<br />

Van Amersfoort (1974, blz. 153) meent het laatste, want<br />

'door iedere regelmatige tramgebruiker kan geconstateerd<br />

worden dat de klacht op stereotypen, wellicht zelfs op vooroor<strong>deel</strong><br />

berust'. Stereotypen van kleurlingen over blanken<br />

dus?<br />

In dit onderzoekje wil ik antwoord geven op de vraag wie<br />

nu gelijk heeft. Gaan blanken ergens <strong>anders</strong> zitten? Of denken<br />

kleurlingen alleen maar dat dat zo is? Van Amersfoort<br />

stelt het bepaald te eenvoudig voor als hij denkt dat 'iedere<br />

regelmatige tramgebruiker' dit werkelijk zuiver kan beoordelen.<br />

Het gaat er niet om om vast te stellen of blanken wel<br />

eens naast kleurlingen plaats nemen, maar om de vraag of <strong>zij</strong><br />

dit even vaak doen als in overeenstemming is met de statistische<br />

kans daartoe, wanneer kleur niet als onderscheidend<br />

kenmerk geldt. Om dat systematisch na te gaan is in feite<br />

verre van eenvoudig, zoals in het onderstaande zal blijken.<br />

Alvorens de gevolgde meetprocedure precies te beschrijven<br />

wil ik echter eerst iets opmerken over plaatskeuze in<br />

91


openbare gelegenheden in het algemeen. Mensen <strong>zij</strong>n zich in<br />

hun alledaagse bezigheden amper bewust van trivia zoals de<br />

vraag hoe <strong>zij</strong> ruimten gebruiken. Toch kent iedereen wel<br />

ongeveer <strong>zij</strong>n onuitgesproken overwegingen om zich bij voorbeeld<br />

in een lift op een bepaalde plaats op te stellen. Wanneer<br />

op een bepaalde etage mensen uitstappen, stellen de<br />

achterblijvers zich algemeen op in nieuwe figuren, waarbij de<br />

grootst mogelijke afstand tussen de verschillende personen<br />

gehandhaafd blijft. Goffman (1971, blz. 29-30) heeft als één<br />

der eersten zulke ruimtelijke processen geanalyseerd en hij<br />

heeft daarbij het begrip 'persoo<strong>nl</strong>ijke ruimte' (personat<br />

space) voorgesteld: 'the space surrounding an individual,<br />

anywhere within which an entering other causes the individual<br />

to feel encroached upon, leading him to show displeasure<br />

and sometimes to withdraw'. Men moet zich zo'n<br />

persoo<strong>nl</strong>ijke ruimte denken als een onzichtbare eivormige<br />

ballon, waarbij de lengteas ligt in de richting van iemands<br />

blikveld.<br />

De mate van fysieke afstand welke iemand zich kan veroorloven,<br />

zonder in iemand <strong>anders</strong>' persoo<strong>nl</strong>ijke ruimte binnen<br />

te dringen, is in hoge mate variabel. Het is onder andere<br />

afhankelijk van de persoo<strong>nl</strong>ijkheid van de betrokkenen. van<br />

de cultuur waarvan <strong>zij</strong> <strong>deel</strong> uitmaken (Hall, 1969) en de specifieke<br />

situatie waarin men zich bevindt. De enige passagier<br />

in een bus - om deze openbare ruimte met gefixeerde plaatsen<br />

gaat het hier verder - zal zich lichtelijk aangevallen<br />

voelen. wanneer een tweede passagier (althans wanneer dit<br />

geen bekende is) vlak naast hem gaat zitten. Wat moet die<br />

ander van mij? In een volle bus is het daarentegen normaal<br />

dat men pal bij iemand plaats neemt. De persoo<strong>nl</strong>ijke ruimte<br />

krimpt dan wat in en men kan het gebrek aan fysieke distantie<br />

compenseren door de psychologische afstand te vergroten.<br />

Men kan strak voor zich uitkijken, naar buiten turen<br />

Cfacing away'), <strong>zij</strong>n houding verstijven Cfreezing') en zich<br />

schrap zetten in bochten om de afstand te bewaren.<br />

Een andere belangrijke variabele is voor ons hier van belang:<br />

de sociale afstand tussen personen. Door niet naast<br />

iemand te gaan zitten of heel ver van hem af. kan men - bewust<br />

or onbewust - sociale distantie tot uitdrukking brengen.<br />

92


Geldt kleur in Nederlandse bussen als overweging bij de<br />

plaatskeuze? We <strong>zij</strong>n nu in staat om de bovengestelde vraag<br />

scherper uit te drukken: geven blanken met hun plaatskeuze<br />

in bussen blijk van sociale afstand tot kleurlingen, door minder<br />

vaak bij hen plaats te nemen dan in overeenstemming is<br />

met de statistische kans daartoe? De te toetsen nulhypothese<br />

luidt: Blanke passagiers vertonen geen voorkeur om<br />

bij blanken plaats te nemen boven kleurlingen.<br />

Meetprocedure<br />

Gedurende de maanden maart tot en met juni 1977 heb ik,<br />

samen met een ander, een groot aantal malen meegereden in<br />

Utrechtse stadsbussen op de lijnen 7 en 8 (Centraal Station­<br />

Overvecht), met welke lijnen naar verhouding de meeste<br />

kleurlingen reizen. In deze bussen <strong>zij</strong>n 33 zitplaatsen aanwezig<br />

en daarvan is de indeling als volgt:<br />

• er <strong>zij</strong>n acht tweepersoonsbanken, waarvan er vier tegenover<br />

elkaar staan opgesteld; op twee van zulke tegenover<br />

elkaar staande banken kunnen vier mensen zitten, die elkaar<br />

twee aan twee aankijken;<br />

• er <strong>zij</strong>n twaalf éénpersoons-stoeltjes, waarvan er slechts<br />

twee tegenover elkaar staan opgesteld;<br />

• ten slotte is er een lange achterbank, die geen duidelijk<br />

afgebakende zitplaatsen heeft. Deze biedt plaats aan ongeveer<br />

vijf personen.<br />

Er <strong>zij</strong>n nu twee verschillende mogelijkheden om plaats te<br />

nemen: solitair (op éénpersoons-stoeltjes, die niet tegenover<br />

elkaar staan; bij een volledig lege bus; wanneer banken<br />

tegenover elkaar nog geheel leeg <strong>zij</strong>n) en naast of tegenover<br />

anderen. Wanneer mensen tegenover elkaar zitten (recht of<br />

schuin tegenover) is hun verhouding face-to-face en dat impliceert<br />

een geringe psychologische afstand. Wanneer <strong>zij</strong><br />

naast elkaar zitten is de fysieke afstand gering. In dit onderzoek<br />

beschouw ik naast elkaar, tegenover elkaar en schuin<br />

tegenover elkaar zitten, als gelijkwaardig.<br />

In Nederlandse bussen zitten meestal blanke 'Holl<strong>anders</strong>',<br />

maar soms ook kleurlingen. Is dat laatste het geval, dan<br />

wordt het voor ons interessant. Wat gebeurt er als een blan-<br />

93


ke binnenstapt en hij moet kiezen of hij naast een andere<br />

blanke gaat zitten of naast een kleurling? Naast wie gaat hij<br />

zitten?<br />

Om deze vraag toetsbaar te maken eerst nog enkele verdere<br />

operationalisaties. Onder een kleurling versta ik iedere<br />

passagier die op het eerste gezicht door de observator wordt<br />

beschouwd als niet behorend tot de categorie der blanke,<br />

autochtone Holl<strong>anders</strong>. Deze categorie is noodgedwongen<br />

breed, omdat het zeer moeilijk is om de verschillende typen<br />

van uitheemse oorsprong uit elkaar te houden. In de praktijk<br />

gaat het meestal om Surinaamse of Antilliaanse Creolen,<br />

Afrikanen, Indische Nederl<strong>anders</strong>, Molukkers, Hindoestanen<br />

en Javanen uit Suriname, Chinezen en ook buite<strong>nl</strong>andse<br />

werknemers uit het mediterrane gebied.<br />

Er stappen nogal eens groepjes of paren van mensen in,<br />

die bij elkaar behoren en die naast elkaar gaan zitten. Wanneer<br />

deze meegeteld zouden worden, zou dit een schijnbare<br />

tendens te zien geven dat blanken bij voorkeur bij blanken<br />

gaan zitten en daarom worden deze personen buiten beschouwing<br />

gelaten.<br />

Welnu, van alle binnenkomende blanke, alleenreizende<br />

buspassagiers registreren de observatoren: (1) hoeveel en<br />

welke zitmogelijkheden hen ter beschikking staan, en (2) als<br />

<strong>zij</strong> gaan zitten: waar.<br />

Er <strong>zij</strong>n daarbij twee mogelijkheden. De eerste is voor het<br />

onderzoek optimaal (categorie 1): een blanke, die gaat zitten<br />

heeft uitsluitend de keuze tussen bij één of meer blanken<br />

plaats te nemen óf bij één of meer kleurlingen. Bij de tweede<br />

mogelijkheid (categorie 2) bestaat daarnaast ook nog een<br />

mogelijkheid om solitair plaats te nemen, maar ik betrek <strong>zij</strong>n<br />

keuze alleen in het onderzoek, wanneer de betrokken passagier<br />

van deze solitaire mogelijkheid géén gebruik maakt en<br />

toch bij anderen gaat zitten.<br />

De observaties vinden plaats overdag en niet tijdens de<br />

spitsuren; 's avonds <strong>zij</strong>n de bussen vaak te leeg en op het<br />

spitsuur is de situatie zo onoverzichtelijk en treden plaatsverschuivingen<br />

dermate snel op dat registratie niet wel mogelijk<br />

is. Mensen hebben de neiging om, als dat kan, solitair<br />

plaats te nemen en bovendien zitten toch betrekkelijk wei-<br />

94


nig kleurlingen in de bus, zodat het nogal veel tijd neemt om<br />

voldoende observaties te verzamelen van het gewenste type.<br />

Overigens: ik ben zelf kleurlinge en dat vijzelt het aantal<br />

onderzoekbare mogelijkheden weer wat op. We <strong>zij</strong>n net zolang<br />

met het onderzoek doorgegaan tot we ruim over de<br />

honderd observaties hadden verzameld, waarvan 40 behoorden<br />

tot de optimale categorie 1.<br />

De observator zit achter in de bus, midden op de achterbank,<br />

met een stapeltje plattegronden op <strong>zij</strong>n of haar schoot.<br />

Op zo'n plattegrondje staan alle zitplaatsen van de bus aangegeven.<br />

In ieder hokje, dat een zitplaats aangeeft, staat een<br />

K en een B gedrukt. Bij het starten van een waarnemingsserie<br />

vult de observator op een plattegrond het volgnummer<br />

in. Verder tekent hij of <strong>zij</strong>, op iedere plaats waar iemand zit,<br />

een cirkeltje. Als de betreffende passagier blank is, komt dit<br />

cirkeltje om de B te staan, <strong>anders</strong> om de K. Als iedereen zo is<br />

ingetekend gaat het waarnemen pas echt van start.<br />

De observator wacht nu tot de eerstvolgende halte waar<br />

de bus stopt. Als er mensen uitstappen - meestal <strong>zij</strong>n die al<br />

iets eerder opgestaan - wordt er door hun cirkeltje een kruis<br />

gezet. Als er mensen binnenkomen, wordt er op de plaats<br />

waar <strong>zij</strong> gaan zitten een cijfertje geschreven. Dit cijfer komt<br />

overeen met de volgorde waarin ze <strong>zij</strong>n gaan zitten en staat,<br />

als die binnenkomer blank is, bij de B, of <strong>anders</strong> bij de K. Als<br />

alle binnenkomers <strong>zij</strong>n ingeschreven, neemt de observator<br />

een nieuwe plattegrond, met volgnummer 2, en zet hij of <strong>zij</strong><br />

de nieuwe situatie met de cirkeltjesmethode daar op uit. De<br />

procedure wordt nu herhaald.<br />

Thuisgekomen, worden de gegevens uit de plattegronden<br />

omgezet in een datamatrijs, waarin voor iedere blanke binnenkomende<br />

passagier het aantal zitmogelijkheden per<br />

SOort én <strong>zij</strong>n gekozen zitmogelijkheid is aangegeven.<br />

De optimale onderzoekseenheden (categorie 1): resultaat<br />

Ik beb gegevens van 40 alleenreizende blanke passagiers, die<br />

Zowel bij kleurling(en) als bij blank(en) konden gaan zitten.<br />

Voor ieder van deze passagiers heb ik de fractie (p) zitmogelijkheden<br />

bij kleurlingen bepaald. Dit is het aantal zitmoge-<br />

95


lijkheden dat ieder van deze passagiers bij kleurlingen had,<br />

ge<strong>deel</strong>d door het totaal aantal zitmogelijkheden (in deze<br />

categorie waren immers steeds geen solitaire zitmogelijkheden).<br />

Dit is hetzelfde als de kans die de betreffende passagier<br />

heeft om bij een kleurling te gaan zitten, als hem of<br />

haar aselect een plaats zou worden toegewezen. Deze 40<br />

fracties heb ik in zes klassen gegroepeerd (klassegrenzen:<br />

.10; .20; .30; 040; .50).<br />

In grafiek 1 <strong>zij</strong>n de gemiddelde klassefracties en het waargenomen<br />

aantal zitkeuzes bij kleurlingen per klasse, met elkaar<br />

in verband gebracht. In die grafiek is tevens een<br />

random-model ingetekend. Deze bestaat uit het aantal (in<br />

procenten) zitkeuzes bij kleurlingen dat we zouden verwachten<br />

als de passagiers volkomen toevallig rond worden<br />

gestrooid. Deze waarden <strong>zij</strong>n door de schuine lijn aangegeven.<br />

Een tweede aspect van het random-model bestaat uit de<br />

per klasse ingetekende voorspellingsintervallen. Uitgaande<br />

van het random-model en de N-waarde van iedere klasse,<br />

kunnen met behulp van een binomiaalverdeling deze intervallen<br />

bepaald worden. De geringe N-waarden veroorzaken<br />

de wijde marges van deze voorspellingsintervallen. In het<br />

geval dat het random-model geldt, zullen 90 % van de waarnemingen<br />

binnen deze voorspellingsintervallen liggen. Alle<br />

zes gegroepeerde waarnemingen vallen binnen zo'n 90 %voorspeIligsinterval<br />

en wijken niet-significant af van het<br />

random-model. Enkel de derde gegroepeerde waarneming<br />

van links, die net op de grens van <strong>zij</strong>n voorspellingsinterval<br />

ligt, zou, binnen <strong>zij</strong>n fractieklasse, nog net op een 5 %niveau<br />

significant <strong>zij</strong>n (een<strong>zij</strong>dig getoetst).<br />

Tegelijkertijd vertonen vijf van deze zes gegroepeerde<br />

waarnemingen een negatieve afwijking van het randommodel,<br />

zodat het geheel toch een lichte tendens suggereert<br />

om niet bij kleurlingen te gaan zitten. We zullen toetsen of<br />

deze algemene tendens significant niet-nul is.


Grafiek 3: Idem als grafiek 1. Voor categorie 1 en 2 te zamen<br />

totaal aantal = 34<br />

%100<br />

o:t<br />

C')<br />

I<br />

ëü<br />

ë<br />

'"<br />

ro '"<br />

§<br />

50<br />

0<br />

groep I + groep 11 samen<br />

/<br />

t/1/ /<br />

p .09 .14 .25 .35<br />

n 3 24 39 23<br />

Categorie 1 + 2 samen<br />

/<br />

/<br />

.42 .54<br />

17 25<br />

Ten slotte heb ik het totaal van de 131 waarnemingen (optimaal<br />

en niet-optimaal) nog eens samen weergegeven in tabel<br />

1 en grafiek 3. Dit totaal geeft nog net geen significante afwijking<br />

van de nulhypothese: z = - 1,56 (p ongeveer 0,06).<br />

In totaliteit is er dus geen reden om de nulhypothese te verwerpen<br />

en is geen significante voorkeur voor het zitten bij<br />

blanken boven kleurlingen te ontdekken.<br />

Conclusie en discussie<br />

Ik heb met dit al niet écht kunnen aantonen dat er sprake is<br />

100<br />

/


van discriminatie bij het plaatskiezen in bussen, maar wél<br />

dat een neiging daartoe bestaat. Het totaal aantal observaties<br />

is niet zo groot en ik zou eerst een afwijking van de nulhypothese<br />

vinden, wanneer de voorkeur om kleurlingen te<br />

mijden heel sterk zou <strong>zij</strong>n en dat is kennelijk toch niet het<br />

geval.<br />

Het is nogal verrassend dat het resultaat van de observaties<br />

bij de categorieën 1 en 2 verschilt. Hoe is te verklaren<br />

(behalve door de twijfel dat het gevonden verschil op toeval<br />

berust en dat is bij zulke kleine getallen niet uitgesloten,<br />

zeker niet omdat de afwijking van de nulhypothese bij p<br />

ongeveer .05 niet erg solide is) dat mensen, die de mogelijkheid<br />

hebben om alléén te gaan zitten, minder voorkeur aan<br />

de dag leggen om bij blanken plaats te nemen dan mensen,<br />

die deze mogelijkheid niet bezitten?<br />

Men zou kunnen veronderstellen dat bij categorie 2 al die<br />

mensen <strong>zij</strong>n weggeselecteerd, die überhaupt liever niet naast<br />

anderen (vreemdelingen of <strong>zij</strong> nu gekleurd <strong>zij</strong>n of blank)<br />

plaats nemen. Bij categorie 1 heeft men geen keus daartoe,<br />

tenminste als men wel gaat zitten.<br />

Er is echter ook nog een interpretatie mogelijk, die het<br />

waard is om nader beredeneerd te worden: men gaat solitair<br />

zitten om een neiging tot discriminatie te camoufleren. Stel<br />

dat mensen in een situatie waar <strong>zij</strong> uit drieën kunnen kiezen:<br />

alleen zitten, bij blanken zitten of bij kleurlingen, de volgende<br />

gedachtengang volgen:<br />

- als ik bij een blanke ga zitten zou de kleurling dat als<br />

discriminatie kunnen opvatten;<br />

- ik doe dat niet want zo iemand ben ik niet;<br />

- toch peins ik er niet over om bij die kleurling te gaan<br />

zitten;<br />

- gelukkig kan ik ook alleen zitten;<br />

- dat doe ik, want ik discrimineer niet en ik hoef ook niet<br />

bij die kleurling te gaan zitten.<br />

Dat mensen min of meer bewust zulke ingewikkelde redeneringen<br />

volgen wordt aardig gedemonstreerd in een fragment<br />

in een Amerikaanse roman (Simpson en Yinger, 1972, blz.<br />

223): 'High noon in New York, August: the crowded bus<br />

jogged to a stop at Forteenth Street. All the passengers got<br />

101


off, exept two wamen who had been sharing a seat-one<br />

negro, the other white. Both were stout. If 1 move ta another<br />

seat, the white woman thought, this negro will think I don't<br />

want to sit by her. Two stops later the negro looked at her<br />

seatmate and said: Honey there's plenty room on the bus:<br />

why for then are you crowding me?'<br />

Noot<br />

Dit hoofdstuk is gebaseerd op een onderzoek dat ik samen met<br />

iemand <strong>anders</strong> verricht heb, ik dank mijn partner in deze voor<br />

<strong>zij</strong>n bijdrage, en Albert Verbeek voor <strong>zij</strong>n uitvoerige hulp bij de<br />

statistische analyse.<br />

102


6<br />

De verkiezingsaanhang van de Nederlandse Volksunie<br />

Frank Bovenkerk,<br />

Annette Douwes,<br />

Millie Gloudi,<br />

joop van Velzen<br />

Op 27 maart 1971 wordt een nieuwe politieke partij opgericht:<br />

de Nederlandse Volksunie en deze doet mee aan de<br />

Gemeenteraadsverkiezingen in 1974 en aan de verkiezingen<br />

voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal in 1977. 1 De beweging<br />

ontpopt zich als een fascistisch gezelschap en algemeen<br />

beschouwt men haar als een soort wederopstanding<br />

van de NSB. Er bestaan tussen de NVU en de NSB van vóór<br />

de oorlog inderdaad voldoende overeenkomsten om deze<br />

vergelijking te rechtvaardigen. De partij is sterk nationalistisch,<br />

staat een autoritair staatsbestel voor en op economisch<br />

gebied streeft men het corporatisme na. In het 'Programma<br />

met Toelichting' van de partij blijkt het parool:<br />

'samenbundeling van het gehele volk tot één gesloten gemeenschap'<br />

en daartoe behoren ook de 'Dietse' volksdelen in<br />

Vlaanderen en Zuid-Afrika.<br />

Wie kennis neemt van de inhoud van het partij-orgaan,<br />

een onregelmatig verschijnend pamflet met de naam Wij<br />

Nederland, herkent onmiddellijk allerlei fascistische trekken.<br />

Men koestert obsessionele angst voor alles wat communistisch<br />

is of links, 'het rode minderheidskabinet van<br />

Den Uyl incluis'. Men windt zich mateloos op over de laksheid<br />

waarmee de autoriteiten allerlei ontfatsoen laten voortwoekeren:<br />

druggebruik, abortus, prostitutie en vooral de<br />

overal om zich heen grijpende geweldscriminaliteit. Zo kan<br />

men in het blad een soort lopend register aantreffen van<br />

stuitende misdaadgevallen, opgeluisterd met weerzinwekkende<br />

details en daarbij spelen delinquenten van een ander<br />

ras of van vreemde nationaliteit een vooraanstaande rol.<br />

De teksten die door leiders van de NVU worden uitgesproken<br />

of neergeschreven vertonen vaak een treffende gelijkenis<br />

103

Hooray! Your file is uploaded and ready to be published.

Saved successfully!

Ooh no, something went wrong!